|
1 juli 2002/nr. SV/F&W/02/ 41795
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 51, achtste lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
Besluit:
Art.
1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. jaar: kalenderjaar;
b. de verzekerde loonsom: het
totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 84 van de Werkloosheidswet, waarover het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in een jaar ten gunste van een wachtgeldfonds de
aldaar bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen en
het loon waarop artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet van
toepassing is;
c. de ziekengeldlasten: de
uitkeringen die op grond van artikel 90, eerste lid, onderdeel c, van de
Werkloosheidswet ten laste van een wachtgeldfonds komen alsmede de
uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van
enige wet over die uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op die
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
d. de werkloosheidslasten: hetgeen
op grond van artikel 90, eerste lid, van de
Werkloosheidswet ten laste
van het wachtgeldfonds komt, met uitzondering van de ziekengeldlasten en
hetgeen op grond van artikel 90, vierde lid, van de
Werkloosheidswet ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds wordt gebracht;
e. het lastenpercentage van de
werkloosheidslasten: het percentage van de verzekerde loonsom in een
jaar waarin de werkloosheidslasten van dat jaar tot uitdrukking komen;
f. de wijziging van het lastenpercentage
van de werkloosheidslasten in een jaar: het verschil tussen het
lastenpercentage van de werkloosheidslasten in een jaar en dat
lastenpercentage in het daaraan voorafgaande jaar.
Art.
2. De reserves voor de wachtgeldfondsen
-1. De in artikel 79 van de
Werkloosheidswet bedoelde reserves voor de wachtgeldfondsen worden alle
onderscheiden in een reserve voor de werkloosheidslasten en een reserve
voor de ziekengeldlasten.
-2. De reserve voor de ziekengeldlasten
heeft aan het einde van elk jaar een omvang van 10% van het gemiddelde
van die lasten in dat jaar en de twee daaraan voorafgaande jaren.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wijst, met inachtneming van het vierde lid, de
wachtgeldfondsen aan waarvoor een reserve voor de werkloosheidslasten
wordt gevormd en in stand gehouden.
-4. Een reserve voor de werkloosheidslasten
wordt niet gevormd of in stand gehouden indien in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarin de reserve zou worden gevormd of in
stand gehouden, of in de veertien aan dat tweede jaar voorafgaande jaren, het
lastenpercentage van de werkloosheidslasten niet ten minste eenmaal
een wijziging van minimaal de drempelwaarde heeft gekend.
-5. De reserve voor de werkloosheidslasten
heeft aan het einde van elk jaar een omvang van ten hoogste 2,5-maal de
verzekerde loonsom in dat jaar maal het verschil tussen de grootste
wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten, bedoeld
in het vierde lid, en de voor het jaar van die wijziging geldende
drempelwaarde.
-6. De drempelwaarde bedraagt voor de jaren
tot 1996 0,2 procentpunt en voor de jaren daarna 0,4 procentpunt.
-7. Voor de toepassing van het vierde lid
wordt de wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten
in 1996 op nihil gesteld.
-8. Bij de toepassing van het vierde lid
worden de lastenpercentages die betrekking hebben op het jaar 1998
herberekend met een correctiefactor die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen per sector is vastgesteld.
Art.
3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 2002.
Art.
4. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling reservevorming
wachtgeldfondsen 2002.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
’s-Gravenhage, 1 juli
2002.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[1juli 2002]
Inleiding
Krachtens artikel
51, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen (Wet SUWI), die in werking is getreden op 1 januari 2002, kunnen
met betrekking tot de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) beheerde fondsen regels worden gesteld
betreffende de vorming, omvang en instandhouding van reserves.
Met de onderhavige regeling worden regels
gesteld betreffende de reservevorming in de wachtgeldfondsen. Deze
regeling verschilt inhoudelijk niet van de Regeling reservevorming
wachtgeldfondsen 2001 (Stcrt. 2000, 245), zoals die vóór de
inwerkingtreding van de Wet SUWI was gebaseerd op artikel 72 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) en die in de plaats
is gekomen van de Regeling reservevorming wachtgeldfondsen. In de
regeling is "Landelijk instituut sociale verzekeringen" vervangen
door "Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen" en zijn nog enkele correcties doorgevoerd.
Het opnieuw vaststellen van deze regeling was
noodzakelijk omdat deze door het vervallen van de grondslag is komen te
vervallen en bij wet in de doorwerking ervan niet is voorzien. De
toelichting op de "oude" regeling is dan ook van toepassing op de
onderhavige en wordt ter informatie hierna opgenomen.
Regels voor
de reservevorming vóór 1 januari 2001
Tot 1 januari 2001
bestond de reserve voor de wachtgeldfondsen uit een deel ter dekking van
de ziekengeldlasten en een deel ter dekking van de werkloosheidslasten.
Het deel ter dekking van de werkloosheidslasten werd onderscheiden in
een dekking vaste activa en een risico- en egalisatiedekking.
De wachtgeldfondsen financierden
ziekengelduitkeringen ten behoeve van personen voor wie bij ziekte geen
loondoorbetalingsplicht door de werkgever gold. Het betrof personen die
nog ziek waren op het moment dat de arbeidsverhouding met de werkgever
was beëindigd. De reserve ter dekking van de ziekengeldlasten bood een
financiële buffer voor onvoorziene ontwikkelingen in het ziekterisico.
Daarnaast konden wachtgeldfondsen een dekking
vaste activa in stand houden voor de financiering van duurzame
bedrijfsmiddelen. Dit stamde uit de tijd dat de voormalige
bedrijfsverenigingen de wachtgeldfondsen beheerden. Sinds de invoering
van Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 worden er door de
wachtgeldfondsen echter geen duurzame bedrijfsmiddelen meer
gefinancierd.
De risico- en egalisatiedekking diende de
volgende doelen:
• Het financieren van onvoorziene
lastenstijgingen in het lopende en komende kalenderjaar. Als gevolg van
de toenmalige systematiek van premievaststelling bestond er een
tijdspanne van minimaal twee jaar tussen de jaren waarop de
wachtgeldpremie was gebaseerd en het jaar waarop de premie betrekking
had. Deze systematiek vereiste een normreserve ter overbrugging van deze
periode.
• Het geleidelijk in de premie tot
uitdrukking laten komen van lastenmutaties als gevolg van
conjunctuurschommelingen. De omvang van de risico- en egalisatiedekking
bewoog zich anticyclisch ten opzichte van de conjunctuur. Bij dalende
wachtgeldlasten werd vermogen opgebouwd. Op dit vermogen werd ingeteerd
op het moment dat de lasten weer gingen stijgen. Hierdoor hoefde het
premiepercentage de lastenontwikkeling niet direct te volgen.
• Het financieren van het
liquiditeitsgat dat ontstaat doordat inkomsten en uitgaven binnen een
kalenderjaar niet synchroon lopen.
Uit een evaluatie is echter gebleken dat de
risico- en egalisatiedekking in sommige gevallen premieschommelingen
niet voorkwam, maar juist in de hand werkte. Veel wachtgeldfondsen
bleken slechts marginaal te maken te hebben met lastenschommelingen als
gevolg van de conjunctuur. De risico- en egalisatiedekking reageerde
echter niet alleen op conjunctuurschommelingen, maar ook op andere, vaak
incidentele lastenmutaties die ontstonden door wijzigingen in wet- en
regelgeving of door het herschikken van de indeling van het
bedrijfsleven in sectoren. Dit heeft geleid tot onnodig hoge
reservevorming. Hierdoor stond de omvang van de risico- en
egalisatiedekking bij veel wachtgeldfondsen niet meer in verhouding tot
het conjuncturele risico.
Regels voor
de reservevorming na 1 januari 2001
De aanpassing van
het Besluit vaststelling premiepercentage
wachtgeldfondsen (Besluit van
7 november 2000 tot wijziging van het Besluit vaststelling
premiepercentage wachtgeldfondsen in verband met wijziging van de
premievaststellingssystematiek, Stb. 2000, 489), die regelt dat de
wachtgeldpremie lastendekkend wordt vastgesteld, alsmede de constatering
dat de lastenmutaties bij wachtgeldfondsen minder conjunctuurgevoelig
zijn dan aanvankelijk werd aangenomen, gaven aanleiding de omvang van de
normreserves te herzien. Dit leidde tot de volgende aanpassingen van de
bestaande regeling.
De normreserve van de wachtgeldfondsen bestaat
sinds 1 januari 2001 uit drie delen:
• een reserve ter dekking van de
ziekengeldlasten;
• een liquiditeitsreserve;
• voor sommige wachtgeldfondsen een reserve ter dekking van de werkloosheidslasten
(artikel 2, eerste
lid).
De reserve ter dekking van de ziekengeldlasten
is grotendeels onveranderd ten opzichte van de Regeling reservevorming
wachtgeldfondsen, die tot 1 januari 2001 van kracht was. In aansluiting
op het lastendekkend vaststellen van de wachtgeldpremie is geregeld dat
ook het ramingsjaar wordt meegenomen bij de bepaling van de omvang van
deze reserve. De omvang van de reserve ten behoeve van de
ziekengeldlasten bedraagt 10% van de gemiddelde lasten over het jaar
waarvoor de reserve wordt vastgesteld en de twee daaraan voorafgaande
jaren (artikel 2, tweede lid). Hiernaast is de definitie van de
ziekengeldlasten gewijzigd. Niet alleen de uitkeringen, maar ook de
uitvoeringskosten ten behoeve van die uitkeringen en de sociale
werkgeverspremies over die uitkeringen worden tot de ziekengeldlasten
gerekend (artikel 1, onderdeel c).
Omdat in een aantal wachtgeldfondsen de
reservecomponent voor de werkloosheidslasten is vervallen, geldt voor de
wachtgeldfondsen evenals voor het Algemeen Werkloosheidsfonds in het
kader van het geïntegreerd middelenbeheer een liquiditeitsreserve.
Destijds was ervoor gekozen de
liquiditeitsreserves niet van toepassing te laten zijn op de
wachtgeldfondsen, omdat voor deze fondsen de risico- en egalisatiedekking
werd gehanteerd. De omvang van de liquiditeitsreserve heeft een zodanig
niveau dat de liquiditeitsbehoefte per 31 december van enig jaar
overeenkomt met het bedrag dat aanwezig dient te zijn om het volgend
jaar gemiddeld geen beroep op kredietfaciliteiten te hoeven doen, die
bij een tekort aan financiële middelen in de sociale fondsen op grond
van artikel 51, vierde lid, van de Wet
SUWI, door de
Minister van
Financiën worden verleend.
Daar veel sectoren niet of nauwelijks te maken
blijken te hebben met lastenschommelingen, is een reservecomponent ter
dekking van de werkloosheidslasten niet meer vanzelfsprekend. Het UWV
wijst de wachtgeldfondsen aan waarvoor een reserve ter dekking van de
werkloosheidslasten mag worden aangehouden (artikel 2, derde lid).
Een wachtgeldfonds komt alleen in aanmerking
voor een reserve ter dekking van de werkloosheidslasten als het fonds
in het verleden te maken heeft gehad met lastenmutaties van enige
omvang. De opwaartse mutatie in het lastenpercentage van jaar op jaar
dient in de referteperiode minimaal eenmaal een drempelwaarde te
overschrijden. De referteperiode beslaat vijftien jaar en begint zestien
jaar vóór
het jaar waarvoor de reserve wordt bepaald en eindigt twee jaar vóór het
jaar waarvoor de reserve wordt bepaald (artikel 2, vierde lid). De
drempelwaarde bedraagt voor de periode tot 1996 0,2 procentpunt en voor
de periode vanaf 1996 0,4 procentpunt (artikel 2, zesde lid). Dit
onderscheid vloeit voort uit het feit dat de wachtgeldperiode sinds 1996
is toegenomen. Als gevolg van deze trendbreuk in de drempelwaarde wordt
de lastenmutatie van 1995 op 1996 niet meegenomen bij de bepaling van de
hoogste mutatie van het lastenpercentage. Daartoe is artikel
2, zevende
lid, opgenomen. Hiernaast regelt artikel 2, achtste lid, dat de
lastenpercentages in 1998 worden herberekend met een correctiefactor. In
1998 werden slechts premies geheven over het loon boven de franchise in
de wachtgeldfondsen. Hierdoor is de loonsom in 1998 relatief laag en
zijn de lastenpercentages in 1998 zeer hoog. Zonder correctie zou de
mutatie in de lastenpercentages zeer groot zijn, terwijl er geen sprake
hoeft te zijn van grote conjuncturele schommelingen. Om deze reden
worden de lastenpercentages gecorrigeerd voor het effect van de
franchise, die slechts voor het jaar 1998 is ingevoerd bij de
wachtgeldfondsen.
De maximale omvang van de reserve bedraagt 2,5-maal de loonsom maal het verschil tussen de grootste mutatie van het
lastenpercentage en de desbetreffende drempelwaarde (artikel
2, vijfde
lid). In formulevorm:
RP = 2,5 * VL * (GMLP - DW)
waarbij:
RP = reserveplafond;
VL = verzekerde loonsom;
GMLP = grootste opwaartse mutatie van het lastenpercentage in de
referteperiode;
DW = drempelwaarde die van toepassing is op het jaar waarin de grootste
mutatie van het lastenpercentage plaatsvond.
Van een dekking vaste activa wordt in de
praktijk geen gebruik meer gemaakt, daar de wachtgeldfondsen sinds de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 geen duurzame bedrijfsmiddelen
meer financieren. Deze reservecomponent is niet meer opgenomen in de
onderhavige regeling.
Het resultaat van deze aanpassingen is een
lager niveau van de reserve en voor sectoren die te maken hebben met
lastenmutaties van enige omvang, een toegenomen beleidsvrijheid ten
aanzien van de hoogte van de reserve. De reserve wordt niet meer bepaald
door een rekenregel. Er kan binnen de gedefinieerde beleidsruimte
ingespeeld worden op de feitelijke omstandigheden waarmee een
wachtgeldfonds te maken heeft. Door deze veranderingen is de normreserve
gedaald van €|1,4 miljard ultimo 2000 naar circa
€|0,4 miljard ultimo
2001. Samen met de gewijzigde wetgeving voor het vaststellen van de
wachtgeldpremie is er met deze regeling een financieringsmethodiek
ontstaan die meer prikkelwerking bewerkstelligt en daar waar mogelijk
gebleken minder vermogen blokkeert in het kader van de verplichte
reservering.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|