|
REGELS op grond van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Invoeringswet
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Regeling SUWI)
21 december 2001
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, in overeenstemming
met de Minister van Financiën;
Gelet op de artikelen
2, tweede lid, 6, tweede
lid, 13, vierde lid, 16, eerste en derde lid,
19, tweede lid, 26, tweede
lid, 28, tweede en vierde lid, 33, zesde lid,
45, vierde lid, 46,
eerste, tweede en derde lid, 50, zesde lid,
52, tweede lid, 54, zevende
lid, 62, vierde lid, 64, tweede lid,
66, eerste lid, 67, eerste en
tweede lid, 68, tweede lid, en 77, eerste en derde lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de artikelen 127 en
128 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de artikelen 93b, derde lid,
97g, derde lid, 130, tweede lid,
en 130c, tweede lid, van de Werkloosheidswet,
artikel XV van de
Wet
verbetering poortwachter, de artikelen
3.1, tweede lid, 4.13, eerste
lid, en 4.19, eerste lid, van het Besluit
SUWI en de
artikelen 3, tweede
lid, 4, tweede lid, 5, eerste lid,
9, tweede en vijfde lid, 10 en
11 van
het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten;
Besluiten:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a.
Wwb: Wet werk en bijstand;
b. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Wfsv: Wet financiering sociale
verzekeringen;
d. vervallen;
e. WW: Werkloosheidswet;
f. Wet SUWI: Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. RWI: de Raad voor werk
en inkomen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet
SUWI;
h. vervallen;
i. UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet SUWI;
j. SVB: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6
van de Wet SUWI;
k. IB: het Inlichtingenbureau, bedoeld in
artikel 1,
onderdeel m, van de Wet SUWI;
l. vervallen;
m. re-integratiebedrijf: natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening
van beroep of bedrijf de
inschakeling van personen in het arbeidsproces
bevordert;
n. arbodienst: een
arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
o. minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
p. vervallen;
q.
arbeidsmarktinstrumenten: het geheel van activiteiten
dat in verband met de inschakeling in
het arbeidsproces van een werkzoekende kan worden ingezet;
r. melding: de melding,
bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Wwb, artikel 16a, tweede lid,
van de Ioaw of artikel 16a, tweede
lid, van de Ioaz;
s. basisgegevens:
gegevens die in een al dan niet door de
minister gedefinieerde vorm beschikbaar zijn bij het UWV en de SVB;
t. TW: Toeslagenwet;
u. VNG: Vereniging van
Nederlandse Gemeenten;
v. IWI: de Inspectie Werk
en Inkomen, genoemd in
hoofdstuk 7 van de Wet SUWI;
w. Invoeringswet SUWI: Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art. 1.2. Vaststelling
zetels
-1. De RWI heeft zijn
zetel te ’s-Gravenhage.
-2. De SVB heeft haar
zetel te Amstelveen.
-3. Het UWV
heeft zijn zetel te Amsterdam.
Art. 1.3. Aanwijzing
van een de gemeenten
vertegenwoordigende rechtspersoon
Als rechtspersoon die de
gemeenten vertegenwoordigt als
bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet SUWI wordt aangewezen
de VNG.
Art. 1.4.
Voorafgaande instemming besluiten UWV, SVB en RWI
-1. Besluiten
van het UWV en de SVB:
a. tot het verwerven en vervreemden
van eigendom van registergoederen die afzonderlijk
een bedrag van €|250 000,00 niet te boven gaan;
b.
tot het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur of verhuur
van registergoederen die afzonderlijk een bedrag
op jaarbasis van €|1 000 000,00 niet te boven gaan;
behoeven niet de voorafgaande instemming van de minister, bedoeld in
artikel 47, eerste lid, van de Wet SUWI.
-2. Besluiten van de RWI:
a. tot het verwerven en vervreemden
van eigendom van registergoederen die afzonderlijk
een bedrag van €|62
500,00 niet te boven gaan;
b.
tot het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur of verhuur
van registergoederen die afzonderlijk een bedrag
op jaarbasis van €|250 000,00 niet
te
boven gaan;
behoeven niet de voorafgaande instemming van de minister, bedoeld in
artikel 47, eerste lid, van de Wet SUWI.
Art. 1.5.
Gegevensverwerking in verband
met verrichten andere werkzaamheden
-1. De verwerking van
gegevens door het UWV
en de SVB bij de uitvoering van andere
werkzaamheden, bedoeld in artikel 73a, eerste lid, van de Wet
SUWI, vindt uitsluitend plaats, indien:
a. de gegevens
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die
andere dan wettelijke taken;
b. de gegevens
systematisch worden verwerkt; en
c. de gegevens, en de
wijze van verwerking daarvan, zijn omschreven
in de overeenkomst op grond
waarvan de andere dan wettelijke
taken worden verricht.
-2. De
gegevensverstrekking door het UWV en de SVB
aan derden, bedoeld in artikel 73a,
tweede lid, van de Wet SUWI, geschiedt slechts indien
de gegevens systematisch worden verstrekt.
-3. Bij het verstrekken
van gegevens op verzoek aan een derde, bedoeld in artikel
73a, tweede lid, van de Wet SUWI, brengen
het UWV en de SVB de
kosten van die verstrekking in
rekening aan die derde.
Art. 1.6.
Kostentoerekening in verband met verrichten andere werkzaamheden
Het UWV en de SVB
brengen voor het verrichten van andere werkzaamheden, bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de Wet SUWI, zodanige prijzen in rekening aan de opdrachtgever dat
valt aan te nemen dat, gerekend over het desbetreffende jaar, alle
directe en indirecte aan die andere
taken toe te rekenen lasten door de te
verwachten baten zijn gedekt.
Art.
1.7. Secretariaat landelijke cliëntenraad
Het secretariaat van de landelijke
cliëntenraad, bedoeld in artikel
8, vierde lid, van de Wet SUWI, wordt
ondergebracht bij de RWI.
HOOFDSTUK 2
Landelijke
cliëntenraad
Art.
2.1. Middelen landelijke cliëntenraad
-1. De minister
stelt jaarlijks vóór 1 december de
omvang van de middelen van de
landelijke
cliëntenraad
als bedoeld in artikel
8, vierde lid, van de Wet SUWI,
vast aan de hand van een jaarplan met begroting.
-2. Deze middelen zijn bestemd voor:
a. de kosten van het secretariaat en
ondersteuning van de landelijke cliëntenraad;
b. de kosten ten behoeve van leden
van de landelijke cliëntenraad en in verband met de taakuitoefening
door de raad;
c. kosten in verband met in het
jaarplan opgenomen onderzoeken naar cliëntenparticipatie in het domein
van werk en inkomen en activiteiten ter bevordering van deze
cliëntenparticipatie.
-3. De minister kan toestaan dat de
middelen worden aangewend voor meer activiteiten dan in het jaarplan met
begroting zijn opgenomen.
-4. De minister kan besluiten de omvang van
de middelen te wijzigen.
-5. Ten behoeve van de landelijke
cliëntenraad worden geen verplichtingen aangegaan en geen uitgaven
gedaan die leiden tot overschrijding van de vastgestelde middelen.
Art.
2.2. Jaarplan, begroting, voorschotten, jaarverslag,
jaarrekening en controleverklaring
-1. Elk jaar wordt ten behoeve van het
beschikbaar stellen van de middelen voor de landelijke
cliëntenraad
vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan
het begrotingsjaar een beknopt conceptjaarplan met een globale begroting
en vóór 1 oktober van dat jaar een jaarplan met begroting en een
voorstel voor de hoogte van de twee voorschotten ingediend.
-2. De middelen worden in twee delen bij
wijze van voorschot betaald: de eerste termijn op 10 januari van het
jaar waarop de middelen betrekking hebben en op 1 juli het restant.
-3. Uiterlijk 15 maart van het jaar volgend
op het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, wordt
aan de minister
een jaarverslag van
de landelijke cliëntenraad voorzien van jaarrekening met controleverklaring gezonden.
-4. De controleverklaring
wordt verzorgd
door de accountant die de accountantscontrole, bedoeld in paragraaf
5.1b, voor de RWI uitvoert.
-5. De minister stelt de definitieve
middelen voor het jaar waarover verantwoording is afgelegd vast.
HOOFDSTUK 3
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
§ 3.1.
Melding arbeidsongeschiktheid aan pensioenuitvoerder
Art. 3.1.
Melding arbeidsongeschiktheid aan
pensioenuitvoerder
-1. De melding,
bedoeld in artikel 37 van de Pensioenwet
en artikel 45 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, van de arbeidsongeschiktheid van
deelnemers, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet
en artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, door het UWV
aan een pensioenuitvoerder, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet
en artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, betreft de verwerking van
gegevens over de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij:
a. een pensioenuitvoerder een
bestand van deelnemers en gewezen deelnemers verstrekt aan het UWV;
b. het UWV de gegevens van de
deelnemers en de gewezen deelnemers in verband brengt met gegevens van
personen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV hebben
aangevraagd;
c. het UWV de gegevens van
deelnemers en gewezen deelnemers naar aanleiding van een aanvraag voor
een uitkering op grond van de in de aanhef genoemde
arbeidsongeschiktheidsverzekeringswetten verstrekt aan een
pensioenuitvoerder.
-2. Het UWV verstrekt de gegevens, bedoeld
in het eerste lid, aan de pensioenuitvoerder door middel van een
daarvoor door het UWV ingerichte elektronische voorziening.
-3. Voor de levering van de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, brengt het UWV geen kosten in rekening bij de
pensioenuitvoerder.
Art. 3.2.
Nadere voorwaarden
-1. De pensioenuitvoerder verwerkt de
gegevens van de melding uitsluitend voor de uitvoering van de
pensioenregeling of beroepspensioenregeling.
-2. Indien de pensioenuitvoerder de
werkzaamheden uitbesteedt als bedoeld in artikel 34 van de Pensioenwet
en artikel 43 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling en deze uitbesteding inhoudt dat
de daar genoemde derde bewerker is in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens voor de pensioenuitvoerder, verstrekt
het UWV
de gegevens aan deze derde.
-3. Het UWV overlegt over de inrichting van
de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3.1,
tweede lid, met een vertegenwoordiging van de pensioenuitvoerders.
Art. 3.3.
Vervallen.
§ 3.2. Verzekerdenadministratie UWV
Art. 3.4. Nadere begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen een werkgever en
een natuurlijk persoon krachtens
welke deze persoon verplicht is arbeid
te verrichten voor die werkgever;
b. jaaropgave: de jaaropgave,
bedoeld in artikel 8 van het Loonadministratiebesluit;
c. melding sociale verzekeringen:
de melding sociale verzekeringen, bedoeld in de artikelen 1 en
4 van
het Besluit melding sociale verzekeringen;
d. uitkeringsgerechtigde:
verzekerde die recht heeft op een uitkering of arbeidsondersteuning krachtens de Ziektewet, de
WW,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de TW
of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
e. uitkeringsverhouding: de
rechtsbetrekking ter zake van een recht op uitkering of
arbeidsondersteuning krachtens de Ziektewet,
de WW, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten,
de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriterium, de TW of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen tussen een uitkeringsgerechtigde en het UWV;
f. verzekerde:
1º. de
werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen; of
2º.
degene die door het UWV als verzekerde wordt beschouwd, dan wel
belanghebbende is in de zin van artikel 1 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
g. verzekerdenadministratie: een
systeem, dan wel een geheel van systemen of delen daarvan, door middel waarvan de in deze
regeling
gedefinieerde gegevens van verzekerden op systematische wijze worden
vastgelegd om te kunnen worden geraadpleegd, uitgewisseld en samengevoegd en in
onderling verband te kunnen worden gebracht, dat door het UWV wordt beheerd als bedoeld in
artikel 33, tweede lid, van de Wet SUWI,
zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van artikel 5 van de Invoeringswet
Wet financiering sociale verzekeringen;
h. verzekeringsverhouding: de
rechtsbetrekking ter zake van een wettelijke verzekering als bedoeld in artikel
30 van de Wet SUWI, dan wel op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, tussen een verzekerde en het UWV waarbij hij
geregistreerd is als verzekerde;
i. code SZ: een aanduiding waarmee de
wet op grond waarvan de verzekerings- of uitkeringsverhouding bestaat, wordt
aangegeven;
j. overwerk:
arbeid verricht buiten de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse
werktijd, voor zover daardoor deze werktijd wordt overschreden;
k. feestdag: nieuwjaarsdag, eerste
en tweede paasdag, hemelvaartsdag, eerste en tweede pinksterdag en eerste
en tweede kerstdag.
Art. 3.5. Vastleggen van
gegevens
-1. Ten behoeve van de uitvoering
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
en de wettelijke regelingen,
bedoeld in artikel 30 van de
Wet SUWI, worden in de verzekerdenadministratie ten
aanzien van elke verzekerde ten minste de volgende gegevens door het UWV
vastgelegd:
a. persoonsgegeven:
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer;
b. werkgeversgegeven:
aansluitingsnummer;
c. gegevens van de
arbeidsverhouding:
1º. datum aanvang
arbeidsverhouding;
2º. datum einde
arbeidsverhouding;
d. gegevens van de
verzekeringsverhouding:
1º. datum aanvang
verzekeringsverhouding;
2º. datum einde
verzekeringsverhouding;
3º. code SZ
verzekeringsverhouding;
e. gegevens van de
uitkeringsverhouding:
1º. datum aanvang
uitkeringsverhouding;
2º. datum einde
uitkeringsverhouding;
3º. code SZ uitkeringsverhouding.
-2. In de verzekerdenadministratie kunnen door het UWV andere dan
de in het eerste lid genoemde
gegevens worden vastgelegd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de additionele gegevens die in
de verzekerdenadministratie worden vastgelegd zijn actueel en
betrouwbaar;
b. de vastlegging van de
additionele gegevens staat een toekomstige
uitbreiding van de in het eerste lid genoemde gegevens niet in de weg.
Art. 3.6. Onderling verband
gegevens in verzekerdenadministratie
-1. Tussen de in de
verzekerdenadministratie opgenomen gegevens moeten ten minste zodanige verbanden
kunnen worden gelegd dat vastgesteld kan worden:
a. per verzekerde: welke
verzekerings-, arbeids- en uitkeringsverhoudingen van hem zijn geregistreerd en op
welke periode deze betrekking
hebben;
b. per arbeidsverhouding: op welke verzekerde en op welke
werkgever
die arbeidsverhouding betrekking
heeft;
c. per verzekeringsverhouding:
1º. op welke verzekerde de
verzekeringsverhouding betrekking heeft;
2º. op welke wet de
verzekeringsverhouding berust;
d. per uitkeringsverhouding:
1º. op welke
uitkeringsgerechtigde de uitkeringsverhouding betrekking heeft;
2º. op welke wet de
uitkeringsverhouding berust.
-2. Het leggen van een verband met een wet gebeurt door
aanduiding
van de desbetreffende wet met de code SZ-wet.
Art. 3.7. Bewaren van gegevens
-1. Het UWV
houdt de gegevens, bedoeld in artikel 3.5, onderdeel
a tot en met e, gedurende ten minste vijf kalenderjaren na het jaar waarin
deze gegevens zijn opgenomen beschikbaar ten behoeve van
raadplegingen.
-2. Vanaf het moment dat een
verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt of vóór het bereiken van die
leeftijd overlijdt, worden de hem betreffende in de verzekerdenadministratie
opgenomen gegevens gedurende vijf jaren te rekenen vanaf dat moment door
het UWV bewaard.
Art. 3.8. Vulling en onderhoud
van de verzekerdenadministratie
-1. Het UWV
baseert de vulling en
het onderhoud van de verzekerdenadministratie op ontvangst, verificatie en
verwerking van onder meer de
volgende berichten en gegevensstromen:
a. de melding sociale verzekeringen;
b. een mededeling als bedoeld in
artikel 59 van de Wet SUWI, zoals
die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van artikel 5 van de Invoeringswet
Wet financiering sociale verzekeringen;
c. een schriftelijk verzoek,
afkomstig van de verzekerde, tot verbetering, aanvulling of verwijdering van hem
betreffende gegevens;
d. gegevensverstrekking door de
verzekerde naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering;
e. de jaaropgave;
f. verificatieberichten;
g. informatie uit hoofde van een
door het UWV verrichte looncontrole of fraudeonderzoek.
-2. In afwijking van het bepaalde
in het eerste lid vindt de
vastlegging van een arbeidsverhouding en
verzekeringsverhouding door middel van de berichten, bedoeld in de onderdelen
b tot en met d en f van het eerste
lid, plaats zodra het bestaan van de arbeidsverhouding en verzekeringsverhouding
wordt aangetoond.
-3. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met
c, bedoelde berichten
en gegevensstromen worden bewaard voor een periode van ten minste vijf jaren na afloop van het
kalenderjaar waarin de gegevens in de
verzekerdenadministratie zijn verwerkt.
Art. 3.9. Verwerking van
gegevens in de verzekerdenadministratie
-1. Na ontvangst van de melding sociale verzekeringen verwerkt het
UWV
de daaraan te ontlenen
gegevens binnen één week in de verzekerdenadministratie.
-2. Na ontvangst van de jaaropgave verwerkt het UWV de daaraan te
ontlenen gegevens binnen 26 weken in de verzekerdenadministratie.
Art. 3.10. Verificatie van
gegevens
-1. Het UWV
verifieert de in het
tweede lid genoemde gegevens bij de authentieke bron bij de eerste
opname van gegevens over de verzekerde in de verzekerdenadministratie en
vervolgens indien daartoe aanleiding is.
-2. Voor de in artikel 3.5 bedoelde gegevens gelden als authentieke
bron:
a. burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaal nummer: de sofi-tabel van de
rijksbelastingdienst;
b. gegevens van de
arbeidsverhouding: de administratie van de werkgever.
-3. Voor de in artikel 3.5 genoemde gegevens waarvoor in het tweede
lid geen persoon of instelling als
authentieke bron is aangemerkt, geldt als authentieke bron het UWV.
-4. De verificatie bij eerste
opname van gegevens over de verzekerde vindt plaats binnen vier weken na
ontvangst van die gegevens.
Art. 3.11. Gemeenschappelijke
verwijsindex
-1. Het UWV
houdt in het belang van de gegevensuitwisseling die
noodzakelijk is voor de uitvoering van de in artikel 30 van de
Wet SUWI
genoemde
wetten een gemeenschappelijke
verwijsindex op de verzekerdenadministratie in stand.
-2. Van de verzekerde met wie het UWV een verzekeringsverhouding of
een uitkeringsverhouding heeft,
worden in de gemeenschappelijk
verwijsindex, zodanig dat zij direct te raadplegen zijn, ten minste de volgende
verwijsgegevens opgenomen:
a. het burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaal nummer;
b. de aard van de verhouding,
waarbij de aard van de uitkeringsverhouding wordt aangeduid met de code
SZ-wet;
c. gegevens over het UWV-onderdeel en de
locatie waar de
verhouding
is geadministreerd;
d. de begindatum van de
verhouding;
e. de einddatum van de verhouding;
f. het dossiernummer behorend bij
de verhouding.
-3. Wanneer een verzekerde geen
verzekeringsverhouding of uitkeringsverhouding meer heeft met het UWV, blijven de
verwijsgegevens ten
minste vijf jaar na het einde van de
laatste verzekeringsverhouding of
uitkeringsverhouding in de gemeenschappelijke verwijsindex bewaard.
§
3.3. Facultatieve gegevensaanlevering
Art.
3.12. Verwerking van gegevens
-1. Het UWV
verwerkt wekelijks gegevens met betrekking tot arbeidskrachten afkomstig
van werkgevers die zich in het kader van de uitoefening van hun bedrijf
of beroep bezighouden met het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten.
-2. De
gegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a. het aantal dagen en aantal uren
waarop arbeid is verricht;
b. het aantal uren waarop overwerk
is verricht;
c. het aantal uren waarover
onverminderde doorbetaling van loon heeft plaatsgevonden in verband met
een feestdag;
d. het aantal uren waarover
onverminderde doorbetaling van loon heeft plaatsgevonden in verband met
ziekte als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of verlof op grond van de Wet
arbeid en zorg;
e. het aantal uren waarop de
werknemer geen arbeid heeft verricht en waarover hij onverminderde
doorbetaling van zijn loon heeft genoten;
f. het kantooradres en
telefoonnummer van de werkgever, bedoeld in het eerste lid;
g. de resterende aanspraak op
vakantie in uren.
HOOFDSTUK 4
Re-integratie
§ 4.1. Persoonsgebonden
re-integratieovereenkomst en persoonsgebonden re-integratiebudget
Art. 4.1.
Hoogte
persoonsgebonden re-integratiebudget
De subsidie, bedoeld in artikel
2.7a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
en de door het UWV
aan het re-integratiebedrijf of de
arbodienst maximaal te vergoeden kosten van de uitvoering van de
persoonsgebonden re-integratieovereenkomst, bedoeld in artikel
2.7a, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bedragen ten hoogste €|3630,00
per cliënt.
§ 4.2. Budgetten WW
Vervallen
Art. 4.2.
Vervallen.
Art. 4.3.
Vervallen.
Art. 4.4.
Vervallen.
Art. 4.5.
Vervallen.
Art.
4.5a. Vervallen.
§
4.3. Maximering subsidies
Vervallen
§ 4.4.
Individuele re-integratieovereenkomst
Art.
4.6.
Voorwaarden
individuele re-integratieovereenkomst [Biru09]
Het UWV
en de overheidswerkgever stellen regels omtrent voorwaarden waaraan een re-integratiebedrijf, deskundige persoon of arbodienst moet voldoen,
alvorens met dat bedrijf, die persoon of die dienst een individuele re-integratieovereenkomst wordt gesloten.
Die regels hebben in elk geval betrekking op:
1º. uitsluitingsgronden;
2º. kwaliteitseisen;
3º. ervaringseisen.
Art.
4.7.
Inhoud plan [Bbir] [Bbir05]
[Bbir06] [Bbir08]
-1. Het UWV
en de overheidswerkgever kunnen uitsluitend een individuele re-integratieovereenkomst sluiten indien de aanvraag vergezeld gaat van een
door of namens de aanvrager, bedoeld in artikel 4.2,
eerste lid, dan wel artikel 4.2a,
eerste lid, van het Besluit SUWI,
opgesteld plan waarin in elk geval zijn opgenomen:
1º. het opleidingsniveau
en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaal nummer van de aanvrager;
2º. een beschrijving van
de werkzaamheden die op grond van de
individuele re-integratieovereenkomst
zullen worden verricht;
3º. de verwachte begin- en
einddatum van de werkzaamheden die
op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht;
4º. de
beroepsactiviteiten die de aanvrager naar verwachting na
afloop van die periode kan vervullen;
5º. een opgave van de
kosten van de werkzaamheden die op
grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht.
-2. Het UWV
en de overheidswerkgever kunnen een
termijn bepalen waarbinnen de aanvrager,
bedoeld in het eerste lid, een aanvraag
om een individuele re-integratieovereenkomst kan indienen.
Art.
4.8.
Inhoud van
de individuele re-integratieovereenkomst
In de individuele re-integratieovereenkomst wordt in elk geval geregeld:
a. dat een door het UWV
of de overheidswerkgever te bepalen deel van de kosten van de door het re-integratiebedrijf,
de deskundige persoon of de
arbodienst verrichte werkzaamheden slechts door het UWV
of de overheidswerkgever wordt vergoed indien
de persoon ten behoeve van wie een individuele re-integratieovereenkomst is gesloten binnen drie maanden nadat de
werkzaamheden bedoeld in dit contract zijn geëindigd het verrichten van
arbeid duurzaam heeft hervat, waarbij het UWV
of de overheidswerkgever voor personen verschillende definities van duurzame werkhervatting mag
hanteren;
b. dat het re-integratiebedrijf,
de deskundige persoon of de
arbodienst op door het UWV of de
overheidswerkgever te bepalen tijdstippen bij het UWV of de overheidswerkgever
een rapportage
indient waarin een beschrijving is opgenomen van de werkzaamheden die zijn
verricht ten behoeve van de inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. In de rapportage wordt een prognose
voor de resterende periode van het traject beschreven;
c. dat de overeenkomst door beide
partijen slechts wegens gewichtige redenen tussentijds door opzegging kan
worden beëindigd.
HOOFDSTUK
5
Financiering, verantwoording en informatievoorziening
§ 5.1. Financiering
Art. 5.1.
Vervallen.
Art. 5.2.
Indiening
ontwerpen van jaarplan met begroting door RWI, UWV en
SVB
De RWI, het
UWV en de SVB dienen ieder
jaarlijks vóór 1 juli een ontwerp-jaarplan met begroting bij de minister in.
Art. 5.3. Tijdstip
aanbieding jaarplan met begroting door RWI, UWV, SVB en IB en
voorlegging aan Staten-Generaal
-1. De RWI, het
UWV, de SVB en het
IB bieden
ieder hun jaarplan met begroting jaarlijks vóór 1 oktober aan de minister aan.
-2. De
jaarplannen met begrotingen van het UWV, de SVB en het IB bevatten in
elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij
deze regeling behorende bijlagen VI, VIII en
XI.
-3. De bij deze regeling behorende bijlage
XX bevat een afzonderlijke opgave van de kosten van het in artikel
5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI
bedoelde organisatieonderdeel dat in het bijzonder is belast met het
beheer van de elektronische voorzieningen.
Art. 5.4.
Meerjarenbeleidsplan van UWV en SVB
-1. Het UWV en de SVB
bieden ieder hun meerjarenbeleidsplan jaarlijks vóór 1 februari aan de minister
aan.
-2. De
meerjarenbeleidsplannen van het UWV en de SVB bevatten in elk
geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij
deze regeling behorende bijlagen VI en
VIII.
Art. 5.5.
Jaarplan van RWI
-1. Het jaarplan van de RWI
bevat in elk geval een
omschrijving van:
a. de omvang van de
beoogde activiteiten, met onderbouwing daarvan;
b. de (voorgenomen
aanpassingen in de) wijze waarop de doelmatigheid van organisatie en beheer
wordt bewaakt;
c.
de voornemens om taken door één of meer andere rechtspersonen of
natuurlijke personen te laten verrichten, tenzij het werkzaamheden op
het terrein van facilitaire dienstverlening of personeelsbeleid betreft;
en
d. de wijze waarop de RWI
rekening zal houden met de toezichtsbevindingen van de minister.
-2. De
omschrijving van een voornemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
omvat in elk geval de volgende informatie:
a. een zodanige beschrijving van de
door derden te verrichten werkzaamheden dat daaruit blijkt in welke
relatie deze tot de kerntaken staan;
b. de contractduur;
c. de volumegegevens en (geraamde)
financiële omvang van het contract; en
d. indien in verband met de
werkzaamheden inzage in of overdracht van cliëntgegevens plaatsvindt,
een beschrijving van aard en hoeveelheid daarvan.
Art. 5.6.
Begroting van RWI
De in de begroting van
de RWI
op te nemen raming van baten
en lasten omvat:
a. een specificatie van
de geraamde lasten;
b. een specificatie van
de geraamde bestuurskosten;
c. een totalisering van
de geraamde lasten voor de gehele organisatie;
d. een totalisering van
de geraamde baten voor de gehele organisatie;
e. een opgave van de in
de balans opgenomen voorzieningen.
Art. 5.7.
Raming van
inkomsten en uitgaven van RWI
De in de begroting van de RWI op te nemen raming van
inkomsten en uitgaven omvat:
a. een raming van de
verplichtingen die in het begrotingsjaar worden aangegaan en die in dat jaar en in
volgende jaren tot uitgaven zullen
leiden, alsmede de stand van de
verplichtingen die per 1 januari van het
begrotingsjaar bestaan en in dat jaar en
in volgende jaren tot
uitgaven gaan leiden; en
b. een raming van de
inkomsten die in het begrotingsjaar en
in volgende jaren zullen worden
ontvangen, alsmede de stand van de vorderingen die per 1 januari van het
begrotingsjaar bestaan en in dat jaar en
in volgende jaren tot inkomsten gaan
leiden.
Art. 5.8.
Raming van
investeringsuitgaven van RWI
-1. De in de
begroting van de
RWI op te nemen raming van de investeringsuitgaven omvat een specificatie
van de vaste activa per 1 januari van het begrotingsjaar.
-2. De raming wordt
gespecificeerd naar:
a. ICT;
b. huisvesting;
c. meubilair;
d. kantoormachines;
e. overige investeringen;
f. investeringen niet-wettelijke
taken.
Art. 5.9. De
toelichting op de begroting
De toelichting bij de
begroting bevat een omschrijving van:
a. een onderbouwing van
de ramingen volgens algemeen
aanvaarde normen aan de hand van
kostencomponenten en prestatie-indicatoren;
b. de gehanteerde
kostentoerekeningssystematiek in de gevallen waarin het niet mogelijk is de
systematiek van integrale kostprijzen te
hanteren;
c. de gehanteerde loon-
en prijsbijstellingsmethodiek;
d. de mutaties van meer
dan 5 procent en ten minste €|50 000,00
ten opzichte van dezelfde
begrotingspost van het voorafgaande
jaar, naar oorzaak en omvang.
Art. 5.10.
Tussentijds verslag en jaarverslag RWI
De RWI biedt zijn halfjaarlijkse
tussentijdse verslag uiterlijk 15 augustus en zijn jaarverslag uiterlijk
15 maart aan de minister
aan.
Art.
5.10a.
Jaarverslag, tussentijdse verslagen en jaarrekening van UWV, SVB en
IB
-1. De jaarverslagen van het UWV en de SVB
bevatten in elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn
genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen
VI en
VIII.
-2. De tussentijdse verslagen van het UWV en de SVB bevatten in elk geval een omschrijving van de
onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen
VI en VIII.
-3. Het jaarverslag, de tussentijdse
verslagen en de jaarrekening van
het UWV bestaan uit twee afzonderlijke
delen, waarvan één deel uitsluitend betrekking heeft op het in artikel
5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI
bedoelde organisatieonderdeel en het andere deel op
het UWV met uitzondering van het bedoelde organisatieonderdeel.
-4. De delen van het jaarverslag en de
tussentijdse verslagen die betrekking hebben op het in
artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit
SUWI bedoelde organisatieonderdeel bevatten in elk geval
een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze
regeling behorende bijlage XX.
-5. Het jaarverslag, de jaarrekening en de
tussentijdse verslagen van het IB bevatten in
ieder geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn opgenomen in bijlage
XI.
§ 5.1B.
Accountantscontrole
Art.
5.10b.
Begrippen
-1. Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt verstaan onder:
a. getrouwheid: de overeenstemming
van de in de verantwoording opgenomen informatie met de werkelijkheid;
b. financiële rechtmatigheid: de
overeenstemming van de totstandkoming van de baten en lasten en de
balans met de in Europese regelgeving, Nederlandse
wetten, algemene
maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen, andere algemeen
verbindende voorschriften en beleidsregels die in de Staatscourant zijn
gepubliceerd, opgenomen bepalingen die de uitkomst van een financiële
transactie kunnen beïnvloeden;
c. doelmatigheid: de relatie tussen
de prestaties en de ingezette middelen;
d. financiële fout: een fout die
financiële consequenties heeft;
e. onzekerheden: de baten en lasten
waarover de accountant geen toereikende controle-informatie heeft
verkregen als gevolg van leemten in de administratieve organisatie of
interne controle of ontoereikend beleid ter voorkoming en bestrijding
van misbruik en oneigenlijk gebruik;
f. auditrisico: het inherente
risico, het interne beheersingsrisico en het ontdekkingsrisico tezamen;
g. goedkeuringstolerantie: het
bedrag van de financiële fouten respectievelijk het bedrag van de
onzekerheden blijkend uit de accountantscontrole van de jaarrekening,
dat een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening niet in de weg
staat;
h. omvangsbasis: de totale baten, of
totale lasten, of de som van baten en lasten voor de jaarrekening als
geheel, respectievelijk per wet voor de bevindingen per wet;
i. bedrijfsvoeringsparagraaf:
onderdeel van het jaarverslag waarin, mede gebaseerd op risicoanalyse,
verantwoording wordt afgelegd over de bedrijfsvoering.
-2. Deze paragraaf is van toepassing op de
accountantscontrole bij de jaarrekening die wordt opgesteld door het UWV,
de SVB, de
RWI en het IB.
Art.
5.10c.
Het onderzoek
-1. De accountant stelt ten behoeve van
zijn onderzoek een controleplan en werkprogramma’s op waarin hij de
opzet en de wijze van uitvoering van het onderzoek en de daarbij
gehanteerde normen vastlegt.
-2. De accountant sluit bij zijn onderzoek
aan bij de regels die gelden voor de accountantscontrole voor de
rijksoverheid tenzij in deze regeling afwijkingen zijn vastgelegd.
-3. De accountant verricht de werkzaamheden
met het oog op de afgifte van de verklaring zodanig dat daarbij een
auditrisico van 5 procent per onderzochte omvangsbasis is
gewaarborgd.
-4. De accountant onderzoekt of de
voorgeschreven informatie in de jaarrekening is opgenomen en of de
informatie in het jaarverslag niet strijdig is met deze informatie.
-5. De accountant onderzoekt de getrouwheid
van de in het jaarverslag opgenomen jaarrekening alsmede van de in de
bedrijfsvoeringsparagraaf opgenomen rapportage over de rechtmatigheid.
-6. De accountant stelt de
controlebevindingen vast van de uitvoering van de in de artikelen
30, eerste lid, onderdeel a, 32d,
eerste en tweede lid, en 34,
eerste lid, onderdeel a en d, van de Wet
SUWI
genoemde taken, voor zover het gaat om de uitvoering van wettelijke
regelingen waarin uitkeringen of voorzieningen worden toegekend en
waarvan de kosten ten laste komen van het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, of de fondsen, bedoeld in artikel
1, onderdeel f, g, j tot en met n en w,
van de Wfsv.
-7. De omvangsbasis wordt voor elk van de
taken, bedoeld in het zesde lid, op overeenkomstige wijze als voor de
omvangsbasis voor de jaarrekening als geheel bepaald. Bij het bepalen
van de omvang van de controle op het niveau van een wet houdt de
accountant rekening met de volgende toleranties in verhouding tot de
gehanteerde omvangsbasis:
a.
wet < € 50 miljoen: tolerantie = 10%;
b. wet > € 50 miljoen en <
€ 500 miljoen: tolerantie = € 5 miljoen;
c. wet > € 500 miljoen:
tolerantie = 1%.
-8.
De accountant onderzoekt de doelmatigheid van het beheer en de
organisatie.
Art.
5.10d.
De verklaring
-1. Ten behoeve van zijn verklaring bepaalt
de accountant de omvang van financiële fouten en onzekerheden die het
getrouwe beeld van de jaarrekening en de daarbij behorende financiële
toelichtingen dan wel het getrouwe beeld van de
rechtmatigheidsinformatie in de bedrijfsvoeringsparagraaf aantasten.
-2. Voor wat betreft de financiële fouten
en onzekerheden die het getrouwe beeld van de jaarrekening en de daarbij
behorende financiële toelichtingen aantasten, bepaalt de accountant de
omvang als volgt:
a. financiële fouten en
onzekerheden in de baten als percentage van de totale baten;
b. financiële fouten en
onzekerheden in de lasten als percentage van de totale lasten; en
c. financiële fouten en
onzekerheden in de baten en lasten tezamen als percentage van de som van
baten en lasten.
-3. De accountant toetst de hoogste van de
drie financiële foutpercentages en drie onzekerheidspercentages,
bedoeld in het tweede lid, aan de in onderstaande tabel opgenomen
toleranties en baseert daarop de strekking van zijn verklaring.
| Goedkeuringstoleranties |
Goedkeurende
verklaring
|
Verklaringrmet beperking
|
Verklaring met
oordeelonthouding
|
Afkeurende
verklaring
|
| Financiële fouten in
de verantwoording
|
<1%
|
>1% en
<3% |
|
>3% |
| Onzekerheden in de
controle
|
<3%
|
>3% en
<10% |
>10% |
|
-4.
Bij de bepaling van de strekking van de uiteindelijke controleverklaring
weegt de accountant het getrouwe beeld van de
jaarrekening en de rechtmatigheidsrapportage in de
bedrijfsvoeringsparagraaf, waaronder de getrouwheid van de rapportage
over het gevoerde beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en
oneigenlijk gebruik. Voor de getrouwheid van de
rechtmatigheidsrapportage geldt geen kwantitatieve
goedkeuringstolerantie.
-5. De controleverklaring wordt
opgesteld overeenkomstig de modellen die zijn opgenomen in bijlage XXII
behorende bij deze regeling.
Art. 5.10e.
Het verslag
van bevindingen
-1. Het UWV, de SVB, de
RWI en het IB
dragen er zorg voor dat de minister door middel van het verslag van
bevindingen inzicht wordt geboden in de belangrijkste uitkomsten van de
controlewerkzaamheden van de accountant, in elk geval met betrekking
tot:
a. fouten en onzekerheden voor de
bepaling van de strekking van de controleverklaring;
b. overige fouten en onzekerheden
die niet worden gehanteerd voor de bepaling van de strekking van de
controleverklaring;
c. de
doelmatigheid van het beheer en de organisatie, zoals omschreven in de
bij deze regeling behorende bijlage
XXIII;
d. het jaarverslag, voor wat betreft
de prestatie-indicatoren en kengetallen;
e. het jaarverslag, voor wat betreft
de bedrijfsvoeringsparagraaf.
-2. De accountant hanteert bij zijn
controlewerkzaamheden als toetsingskader voor de onderdelen, genoemd in
het eerste lid:
bij a. de getrouwheid;
bij b. de getrouwheid;
bij c. de ordelijke en controleerbare totstandkoming;
bij d. de ordelijke, controleerbare en deugdelijke totstandkoming
voor wat betreft de prestatie-indicatoren;
bij e. de ordelijke en controleerbare totstandkoming van de
bedrijfsvoeringsparagraaf en de getrouwheid voor wat betreft de
rechtmatigheidsrapportage in de bedrijfsvoeringsparagraaf.
-3. De accountant
onderzoekt de rechtmatige uitvoering van de regelingen, bedoeld in artikel
6, vierde lid, van de Wet SUWI, en vermeldt de
uitkomsten van dit onderzoek in het verslag van bevindingen.
§ 5.2. Informatievoorziening
§ 5.2.1. Informatieverstrekking
UWV en
SVB aan de
minister en de IWI
Art. 5.11.
Basisgegevens
-1. Het UWV
en de SVB dragen
zorg voor de elektronische beschikbaarheid van gegevens ten behoeve van
de minister en de IWI,
voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht en de andere
taken van de minister.
-2. Het UWV en de
SVB dragen er zorg voor dat
de gegevens, bedoeld in het eerste
lid, voor zover zij zijn verwerkt voor de
uitvoering van de aan het
UWV en de SVB opgedragen taken, ten minste vijf jaar worden bewaard nadat
de taak ten aanzien van de
geregistreerde persoon is geëindigd.
-3. Na afloop van de
termijn, bedoeld in het derde lid, bewaren het UWV en de SVB de gegevens
slechts ten behoeve van historische of wetenschappelijke doeleinden.
Art. 5.12. Periodieke
informatieverstrekking
-1.
Uiterlijk op de in de bijlagen VI en VIII
genoemde tijdstippen verstrekken het
UWV en
de SVB
aan de minister
een rapportage over de door hen beheerde fondsen op
de wijze als in de bijlagen VI en VIII is aangegeven.
-2. Het UWV en de SVB verstrekken ten behoeve van het jaarverslag van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de informatie, bedoeld in de
bij deze regeling behorende bijlagen
VI en
VIII, op het in deze
bijlagen bepaalde tijdstip.
Art. 5.13.
Jaarlijkse
informatieverstrekking voor de rijksbegroting
De SVB verstrekt jaarlijks aan de minister
in mei een gedetailleerde raming van het aantal personen dat een
uitkering ontvangt krachtens de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Algemene Kinderbijslagwet en de Regeling
tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen.
Art. 5.14.
Informatieverstrekking aan derden
-1. Op verzoek van de minister
respectievelijk de IWI verstrekken het
UWV en de SVB gegevens en informatie aan personen of instanties
die in zijn opdracht of met zijn
instemming onderzoek of analyses
uitvoeren.
-2. Op verzoek van de
minister respectievelijk de IWI verstrekken het UWV en de SVB
gegevens en informatie aan personen of instanties
die in zijn opdracht bewerker zijn
van de gegevens uit deze regeling.
-3. Op verzoek van de
minister verstrekken het UWV en de SVB informatie aan door
hem aangewezen internationaalrechtelijke organisaties.
-4. Op verzoek van de
minister verstrekt het UWV gegevens en informatie aan de Minister van Binnenlands
Zaken en Koninkrijksrelaties. Het
UWV levert in ieder geval binnen zes
weken na afloop van elk kwartaal
de in bijlage IX genoemde rapportages
en jaarlijks, binnen drie maanden na
afloop van het jaar, de in bijlage
IX genoemde bestanden.
-5. Het UWV en de
SVB plegen overleg met de personen
of instanties, bedoeld in
het eerste, tweede, derde en vierde lid, over de inhoud, de vorm, de wijze
en het tijdstip waarop de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste,
tweede, derde en vierde lid,
plaatsvindt.
-6. De minister en de IWI
dragen er zorg voor dat de
personen en instanties, bedoeld in het eerste,
tweede, derde en vierde lid, van het UWV en de SVB niet meer
gegevens en informatie krijgen dan noodzakelijk
is voor de uitvoering van het
onderzoek dan wel voor de taak ten
behoeve waarvan bedoelde personen of instanties de informatie ontvangen
en overleggen met het UWV en de SVB over de wijze waarop
dit kan worden bereikt.
-7. Het UWV verstrekt aan de in artikel 12, tweede lid, van de
Regeling
uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken daartoe door de minister aangewezen bewerker de in
bijlage III, onderdeel Wet sociale
werkvoorziening, genoemde persoonsgegevens. De persoonsgegevens worden
door het UWV telkenmale binnen zes weken na afloop van een
halfjaarsperiode aan de bewerker verstrekt op een door die bewerker te
bepalen wijze. Artikel 13 van de Regeling uitvoering sociale
werkvoorziening en begeleid werken is van toepassing.
Art. 5.15.
Openbaarmaking onderzoeksrapporten en statistische rapportages
-1. Het UWV
en de SVB brengen rapporten over
onderzoek dat door of in opdracht
van de uitvoeringsorganisatie is uitgevoerd, ter kennis van de minister.
De rapporten over onderzoeken waarvan
de minister niet reeds op de hoogte
was of kon zijn, worden
uiterlijk twee weken vóór openbaarmaking aan
de minister verstrekt.
-2. Het UWV en de
SVB maken rapporten met informatie als bedoeld in artikel 5.12
en artikel 5.14, eerste lid, niet eerder
dan twee dagen na verstrekking aan de minister openbaar.
-3. In geval van de openbaarmaking, bedoeld in dit
artikel,
wordt de minister uiterlijk 48 uur vóór de
verwachte publicatietermijn geïnformeerd over de wijze waarop dit zal
plaatsvinden.
-4. De minister kan op
verzoek van het UWV en de SVB toestaan dat van de termijnen,
bedoeld in dit artikel, wordt afgeweken.
Art. 5.16.
Kwaliteit
van de informatievoorziening
-1. Het UWV
en de SVB dragen zorg voor een
deugdelijke administratie en
organisatie, waaronder begrepen dusdanige procedures en voorzieningen dat er,
mede gelet op de stand van de kennis op
het terrein van de kwaliteitszorg,
voldoende waarborgen aanwezig zijn
voor:
a. het kunnen voldoen aan
de informatieverplichtingen, bedoeld in paragraaf
5.2.1;
b. tijdige verstrekking
van gegevens en informatie;
c. voldoende actualiteit;
d.
het voldoen aan het normenkader voor de betrouwbaarheid van de niet-financiële
informatie zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage
XVII ("Normenkader betrouwbaarheid niet-financiële informatie");
e. continuïteit van de
verstrekking en opslag van gegevens en informatie.
-2. Het UWV en de SVB rapporteren in de bedrijfsvoeringsparagraaf in
het jaarverslag over de kwaliteit van de informatievoorziening en over
de wijze waarop deze is gewaarborgd.
Art. 5.17.
Vervallen.
Art. 5.17a.
Melding van belangrijke voornemens tot uitbesteding
-1. Het UWV,
de SVB
en de RWI
stellen
de
minister
en de IWI
zo spoedig mogelijk in
kennis van hun voornemens tot het door één of meer andere
rechtspersonen of natuurlijke personen laten verrichten van
werkzaamheden op het terrein van facilitaire dienstverlening of
personeelsbeleid indien het zwaarwegend karakter ervan daartoe naar hun
oordeel aanleiding geeft.
-2. Een kennisgeving als bedoeld in het
eerste lid omvat in elk geval de volgende informatie:
a. een zodanige beschrijving van de
door derden te verrichten werkzaamheden dat daaruit blijkt in welke
relatie deze tot de kerntaken staan;
b. de contractduur;
c. de volumegegevens en (geraamde)
financiële omvang van het contract; en
d. indien in verband met de
werkzaamheden inzage in of overdracht van cliëntgegevens plaatsvindt,
een beschrijving van aard en hoeveelheid daarvan.
Art. 5.18.
Wijziging
informatieverstrekking
De minister wijzigt de
bepalingen in deze paragraaf en de
daarbij behorende bijlagen slechts na
overleg met het UWV
en de SVB.
§ 5.2.2.
Informatieverstrekking aan de RWI
Art. 5.19.
Informatieverstrekking door UWV, SVB en colleges van burgemeester
en wethouders
-1. Het UWV
en de SVB verstrekken de RWI
op zijn verzoek de informatie, bedoeld
in
artikel 5.12, eerste en tweede lid,
en de gegevens, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, voor zover
hij die nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.
-2. De minister
kan nader
bepalen dat de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, zal
plaatsvinden door zijn tussenkomst.
-3. De colleges van burgemeester en
wethouders verstrekken aan de RWI, door tussenkomst van de minister, de in de bij
deze regeling behorende bijlage X opgenomen informatie die de RWI nodig heeft
voor de uitvoering van zijn taak
en die betrekking heeft op de
uitvoering van de Wet SUWI en andere wetten.
-4. De gegevens, bedoeld
in het eerste lid, zijn zodanig dat natuurlijke personen niet
geïdentificeerd of identificeerbaar zijn.
-5. De in dit artikel
genoemde informatieverstrekkingen vinden kosteloos plaats.
-6. Het UWV en de
SVB stellen de RWI in kennis
van de onderzoeken die door hen
of in hun opdracht zijn uitgevoerd.
Art. 5.20.
Nadere
bepalingen voor informatieverstrekking
-1. Artikel 5.14, eerste,
tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de informatieverstrekking
aan de RWI.
-2. Artikel 5.18 is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien
van wijziging van deze paragraaf.
-3. De RWI kan het
UWV, de SVB en de
colleges van burgemeester en wethouders verzoeken andere informatie dan
bedoeld in artikel 5.19 te verstrekken die
hij nodig heeft voor de uitvoering
van zijn taak en daarbij aangeven op
welke wijze en op binnen welke
termijn die informatie wordt verstrekt.
§ 5.2.3.
Kennisgeving besluiten UWV en SVB aan de IWI
Art. 5.21.
Aanwijzing voor te leggen besluiten UWV en SVB
-1. Het UWV
en de SVB
brengen hun besluiten van algemene strekking binnen twee weken na
vaststelling schriftelijk ter kennis van de IWI.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
ten aanzien van besluiten die goedkeuring van de minister
behoeven.
§
5.3.
Rapportage
gegevensverwerking
Art. 5.22.
Verantwoording gegevensverwerking
-1. Het UWV, de
SVB en het IB rapporteren vóór 15
maart van elk jaar over de opzet en
werking van het stelsel van maatregelen
en procedures, gericht op het waarborgen
van een exclusieve, integere,
beschikbare en controleerbare gegevensverwerking.
-2. De
rapportage wordt vergezeld van een oordeel van een tot de Nederlandse
Orde van Register EDP-Auditors ¹
toegelaten persoon of van een verklaring van getrouwheid van een
dergelijke persoon.
1. EDP: Electronic Data
Processing, met betrekking tot accountantscontrole, red.
§
5.2.5. Kennisgeving besluiten CWI, UWV en SVB aan de IWI
Vervallen
Art.
5.23. Vervallen.
HOOFDSTUK
6
Eenmalige
uitvraag van gegevens, elektronische voorzieningen en IB
§
6.1. Eenmalige uitvraag van gegevens en elektronische
voorzieningen
Art.
6.1. Eenmalige uitvraag van gegevens
-1. In bijlage II bij deze regeling zijn de
gegevens uit bijlage II, bedoeld in artikel
5.2a van het Besluit SUWI,
opgenomen waarop artikel 5.2a,
eerste lid, van toepassing is.
-2. In de bijlage wordt bij de gegevens
aangegeven vanaf welk moment artikel 5.2a,
eerste lid, van het Besluit SUWI voor de
verwerking van die gegevens van toepassing is.
Art.
6.2. Gegevensregister SUWI
-1. In bijlage XII ("Gegevensregister
SUWI 6.0") bij deze regeling is het Gegevensregister SUWI opgenomen, bedoeld in artikel 5.20
van het Besluit SUWI.
-2. In bijlage XVIII ("Gegevensregister
IB") bij deze regeling zijn gegevens opgenomen als bedoeld in artikel
5.24, tweede lid, van het Besluit SUWI,
die door het IB worden verwerkt.
Art.
6.3. Stelselontwerp gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI
In bijlage I ("Stelselontwerp & beveiliging gezamenlijke
elektronische voorzieningen SUWI") bij deze regeling is het
Stelselontwerp gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI opgenomen,
bedoeld in artikel 5.21, vierde lid,
van het Besluit SUWI.
Art.
6.4. Beveiliging elektronische voorzieningen SUWI
-1. Het UWV,
de SVB, de colleges van burgemeester en
wethouders, het IB en op de gezamenlijke
elektronische voorzieningen SUWI aangesloten niet-SUWI-partijen dragen
zorg voor de beveiliging van de gegevensuitwisselingen die plaatsvinden
in het kader van de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI, tegen
inbreuk op de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid,
overeenkomstig hetgeen over de voor het stelsel van maatregelen en
procedures te hanteren normen wordt bepaald in bijlage I ("Stelselontwerp
& beveiliging gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI").
-2. Het UWV, de SVB, de colleges
van burgemeester en wethouders, het IB en op de gezamenlijke
elektronische voorzieningen SUWI aangesloten niet-SUWI-partijen geven
ieder in een beveiligingsplan aan op welke wijze zij invulling geven aan
het eerste lid.
-3. Artikel 5.22 is van
overeenkomstige toepassing op het gebruik en de inrichting van de
gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI.
Art.
6.5. Gebruik elektronische voorzieningen door niet-SUWI-partijen
Bij het tot stand komen van de overeenkomst als bedoeld in artikel
5.23, eerste lid, van het Besluit SUWI
wordt het in bijlage III bij deze regeling opgenomen protocol in acht
genomen.
§
6.2 IB
Art.
6.6. Inlichtingenbureau
-1. De Stichting
Inlichtingenbureau wordt aangewezen als de instelling, bedoeld in artikel
1, onderdeel p,¹ van de Wet SUWI.
-2. De Stichting Inlichtingenbureau
informeert de minister telkens schriftelijk
over elke uitbreiding van andere taken dan de taak, bedoeld in artikel
1, onderdeel m, van de Wet SUWI.
1. Volgens de redactie
dient "onderdeel p" te worden vervangen door: onderdeel
m.
Art.
6.7. Vervallen.
Art.
6.8. Vervallen.
HOOFDSTUK
7
Overgangsbepalingen en afwijkingen van de Wet
SUWI en van het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten i.v.m. invoering
Art. 7.1.
Vervallen.
Art. 7.2.
Vervallen.
Art. 7.3.
Vervallen.
Art. 7.3a.
Vervallen.
Art.
7.4.
Vervallen.
Art. 7.5.
Vervallen.
Art. 7.6.
Vervallen.
Art. 7.7.
Vervallen.
Art. 7.8.
Vervallen.
Art. 7.9.
Vervallen.
Art. 7.10.
Overgangsbepaling re-integratieverantwoordelijkheid werkgever in het tweede spoor
-1. Indien op 1 januari
2002 een dienstbetrekking bestaat
met een werknemer wiens eerste
dag van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte is
gelegen vóór die datum en ten aanzien van wie het Landelijk instituut
sociale verzekeringen op die dag een taak heeft
op grond van artikel 8,
eerste lid, en artikel 10 van de Wet Rea, zoals
die artikelen luidden op de
dag voorafgaand aan 1 januari 2002, heeft in afwijking van artikel 8
en 10 van de Wet Rea het
UWV de taak
tot bevordering van de
inschakeling in het arbeidsproces van die
werknemer op grond artikel 10 van
die wet.
-2. Indien
de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte van een werknemer is gelegen vóór 1 januari 2003, is artikel
8,
eerste lid, van de Wet Rea, indien vaststaat dat in het bedrijf van de werkgever geen passende
arbeid voorhanden is, voor de werkgever
niet van toepassing en is
artikel 10 van de Wet Rea van toepassing,
tenzij de werkgever het UWV
schriftelijk meldt dat hij de taak op
grond van artikel 8 van de Wet Rea zal verrichten ten aanzien van zo’n
werknemer.
-3. Bij
toepassing van het tweede lid vervult het UWV zijn taak, bedoeld in
artikel 10 van de Wet Rea,
slechts nadat de werkgever aan het UWV een re-integratieverslag heeft
verstrekt dat is opgesteld op grond van artikel 71a
van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel met toepassing van
artikel 8, achtste lid, van de Wet Rea,
of een re-integratieplan aan het UWV heeft verstrekt dat is opgesteld op
grond van artikel 71a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dat artikel luidde vóór 1
april 2002.
-4. Indien op grond van
dit artikel het UWV een taak heeft op
grond van artikel 10 van de Wet
Rea, zijn in geval van het eerste lid
artikel XV, eerste en zesde lid, van
de Wet
verbetering poortwachter van overeenkomstige toepassing. In
geval van het tweede lid is de eerste zin van artikel 34a, eerste
lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet van toepassing.
-5. Bij de toepassing van
dit artikel is artikel 43 van de Wet
Rea van toepassing.
-6. Artikel 4.11 van het
Besluit SUWI is niet van toepassing
zolang artikel 8 van de Wet
Rea op grond
van dit artikel niet van toepassing is op de werkgever.
Art. 7.11.
Vervallen.
Art. 7.12.
Vervallen.
Art. 7.13.
Vervallen.
Art. 7.14.
Overgangsrecht accountantscontrole
De artikelen 5.10b tot en met 5.10e
zoals deze luidden op 31 december 2008 blijven met betrekking tot het
boekjaar 2008 van toepassing op de Centrale
organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk
4 van de Wet SUWI
zoals deze luidde op 31 december 2008, met betrekking tot het boekjaar
2008.
Art.
7.15. Vervallen.
HOOFDSTUK
8
Slotbepalingen
Art. 8.1.
Vervallen.
Art. 8.2.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag
na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.
Art. 8.3.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling SUWI.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlagen, met uitzondering van de bijlagen III tot en
met XVI, in de Staatscourant worden
geplaatst. De bijlagen III tot en
met XVI liggen met ingang van 1 januari
2002 ter inzage in de bibliotheek
van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
’s-Gravenhage, 21
december 2001.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
BIJLAGEN
bij de Regeling SUWI
Bijlagen:
I. Aanvraag Wwb/Ioaw
II. Aanvraag WW/TW
III. Basisgegevens CWI
IV. Informatieproducten
van de CWI
V. Basisgegevens UWV
VI. Informatieproducten
van het UWV
VII. Basisgegevens SVB
VIII. Informatieproducten
van de SVB
IX. Informatieproducten
ten behoeve van BZK
X. Informatieproducten ten
behoeve van de RWI
XI. Informatieproducten
van het IB
XII. Gegevensregister SUWI 1.0
XIII. Stelselontwerp Suwinet 1.0
XIV. Beveiliging Suwinet
1.0
XV. Aansluitvoorwaarden
gemeenten op IB 1.0
XVI. Ontwerp elektronische
voorzieningen IB 1.0
XVII. Aansluitingsschema
gemeenten op IB
XVIII. Ingroeischema Abw/Ioaw-intake
XIX. Bijlage XIX,
behorende bij de Regeling SUWI, artikel 7.4, eerste
lid
TOELICHTING
[21 december 2001]
Algemeen
De
SUWI-voorstellen die
zijn uiteengezet in het Nader Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk
en inkomen (SUWI) van
januari 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) hebben een
ingrijpende verandering in de bestaande
verantwoordelijkheden en in de wijze van
uitvoering van de socialezekerheids- en arbeidsmarktwetten tot
gevolg. Deze wijzigingsvoorstellen
zijn uitgewerkt in de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Invoeringswet SUWI).
Beide wetten regelen op
hoofdlijnen de nieuwe uitvoeringsstructuur. De nadere invulling hiervan
geschiedt op het niveau van een
algemene maatregel van bestuur of een
ministeriële regeling. In de
voorliggende regeling worden onder meer de volgende onderwerpen nader
uitgewerkt:
• de kostentoerekening
en het gegevensverkeer in het kader van het
verrichten van andere dan de in de
Wet SUWI opgedragen taken
door CWI, UWV en SVB;
• de administratieve
indeling van werkzoekenden;
• de uitkeringsintake
en overdracht aanvraag door de CWI;
• de hoogte van het
persoonsgebonden reïntegratiebudget;
• financiering,
verantwoording en informatievoorziening;
• Suwinet en het
Inlichtingenbureau gemeenten;
• overgangsbepalingen
en afwijkingen van de Wet SUWI en van
het Besluit Inlichtingenbureau
gemeenten in verband met de invoering.
Eén van de hierboven
bedoelde overgangsbepalingen heeft betrekking op de uitkeringsintake Abw
en Ioaw. Zoals toegelicht in de brief aan de beide
kamers van 6
december 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 448, nr. 37) hebben wij
besloten tot een getemporiseerde
invoering van de uitkeringsintake Abw en Ioaw. Daarbij is gekozen voor
een "ingroeivariant". Deze ingroeivariant houdt
in dat CWI en gemeente
gezamenlijk kunnen verzoeken om de
overdracht van de uitkeringsintake
Abw en Ioaw uit te stellen tot
uiterlijk 1 april 2002. Op grond van
artikel 7.3 van deze regeling kan de minister
naar aanleiding van dit
verzoek besluiten dat de
uitkeringsintake tot die datum nog bij de
betreffende gemeente dient plaats te
vinden. De gemeenten waarvoor het
uitstel geldt staan vermeld in een
bijlage bij deze regeling.
In de volgende paragraaf
wordt ingegaan op het
commentaar van uitvoeringsorganisaties.
Commentaar
uitvoeringsorganisaties
De
concept-Regeling SUWI is voor advies voorgelegd aan het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, red.], de SVB, het
UWV i.o., de CWI
i.o., het Ctsv [College van toezicht sociale
verzekeringen, red.], de VNG, het
Inlichtingenbureau
(IB),
het College bescherming
persoonsgegevens (Cbp) en Actal [Adviescollege toetsing administratieve
lasten, red.]. Wij zijn de
organisaties erkentelijk voor de
snelheid en grondigheid waarmee zij hun adviezen hebben opgesteld. Actal
heeft afgezien van advisering omdat de Regeling SUWI geen
invloed heeft op de administratieve
lasten.
In het vervolg van deze
paragraaf wordt een reactie gegeven
op de hoofdpunten van de
ontvangen adviezen. De adviezen hebben vooral geleid tot technische
aanpassingen en verduidelijkingen in de
toelichting bij de regeling of in de bijlagen.
Andere taken
Naar aanleiding van een
daartoe strekkende opmerking van
het UWV i.o. is artikel 1.5 in
die zin gewijzigd dat in het kader van de
uitvoering van de andere taken de
verwerking van gezondheidsgegevens
wel is toegestaan ten behoeve van onder
andere pensioenfondsen,
verzekeraars en CAO-regelingen. Hierbij
is overigens artikel 21 van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp)
van belang.
Financiering en
verantwoording
1. Betrokkene beschikt ten
minste over een diploma op niveau 2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs of over een afgeronde HAVO- of
VWO-opleiding.
2. Zie het Beleidsplan ICT d.d. 12 januari 2001, bijlage 12 bij het Grofontwerp
SUWI (bijgaand stuk
1 bij Kamerstukken II 2000-2001, 26 448, nr. 19). Door vrijwel alle
organisaties zijn opmerkingen gemaakt over
de in paragraaf 5.1 van de
regeling voorgeschreven begrotingssystematiek.
Met name hadden de
opmerkingen betrekking op onduidelijkheden en
inconsistenties in het gehanteerde
begrippenkader. Dit heeft geleid tot
aanpassing en stroomlijning; zo is
bijvoorbeeld integraal gekozen voor de
begrippen "werkproces" en "diensten".
Over de verdere invulling van
deze begrippen zal nader overleg worden
gevoerd tussen de minister en de CWI, het
UWV en de SVB.
• Artikel 5.17
verplicht de CWI, het UWV en de SVB de stukken
van de Raad van bestuur en de
Raad van advies ter beschikking te
stellen van de minister en de IWI.
Naar het oordeel van de betrokken
organisaties is deze bepaling in strijd
met het principe van outputsturing en past
een dergelijke ongeclausuleerde
verplichting niet in de relatie tussen
de minister en een ZBO [zelfstandig bestuursorgaan, red.].
Naar onze mening is deze
kritiek terecht. Artikel 5.17 zal
in die zin worden aangepast dat CWI,
UWV en SVB de agenda en een
verkorte weergave van het verslag van de
bijeenkomsten van de Raad van bestuur
en de Raad van advies ter
beschikking stellen van de minister en de
IWI. Daarnaast dienen alle stukken ter
beschikking van de minister en de IWI
gesteld te worden, waarvan de Raad
van bestuur redelijkerwijs
kan vermoeden dat zij relevant zijn in
het kader van de ministeriële
verantwoordelijkheid. Toezending vindt plaats
binnen drie dagen na de agendering in
de Raad van bestuur of Raad van
advies.
Informatievoorziening
Het
Cbp merkt op dat van
de informatie die uitvoerders aan de minister
en de IWI, of namens hen
aan derden, incidenteel dan wel
stelselmatig verstrekken, niet
duidelijk is of het persoonsgegevens betreft.
Artikel 5.12, derde en
zesde lid, betreft de verstrekking
van gegevensbestanden door de CWI, het UWV
en de SVB aan de
minister. Deze leveringen zijn
noodzakelijk ten behoeve van
ramingswerkzaamheden en de evaluatie van
beleid. Aangezien het (gedeeltelijk) om
persoonsgegevens gaat, zullen de voor de
verwerking van persoonsgegevens
noodzakelijke maatregelen en
voorzieningen worden getroffen conform
de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp). Eén en ander is
nader toegelicht bij het betreffende
artikel.
Suwinet/gegevensverkeer
• Het Cbp
dringt aan op
specifiekere regels voor het
gegevensverkeer in het kader van de
reïntegratie van uitkeringsgerechtigden en werknemers in het eerste ziektejaar.
Wij onderschrijven de
noodzaak tot nadere kaderstelling voor informatie-uitwisseling bij
reïntegratieprocessen. De wijze waarop deze
kaderstelling gestalte krijgt zal op
korte termijn nader uitgewerkt worden.
Het Cbp zal hierbij worden
betrokken.
• Het Cbp dringt erop
aan om privacybescherming tot object van periodiek onderzoek te maken en
acht verduidelijking omtrent de uitvoering van de audit naar de
beveiliging van Suwinet nodig. Ook het Ctsv
acht een aanvulling van artikel
5.12 met betrekking tot
verantwoording over gegevensverwerking door
middel van een EDP-audit [Electronic Data Processing, met betrekking tot
accountantscontrole, red.] gewenst.
Naar aanleiding van de
opmerkingen van het Cbp en het Ctsv
is een artikel 5.22 toegevoegd en is
artikel 6.4 uitgebreid, evenals de
respectievelijke toelichtingen. De
opmerking van het College dat
betrouwbaarheid van de Suwinet-infrastructuur
direct vanaf eerste fase gewaarborgd
dient te zijn, wordt onderschreven; deze
wordt op een adequaat niveau
vormgegeven.
• Het advies van het IB
heeft geleid tot een aantal
wijzigingen van de regeling en de toelichting. Zo is de beveiligingsnorm waaraan
binnen Suwinet dient te worden
voldaan in overleg met het Cbp naar
beneden bijgesteld, omdat de
voorgestelde beveiligingsnorm
(risicoklasse 3) te hoog wordt geacht. Dit
betekent dat afhankelijk van het
concrete geval een keuze wordt gemaakt
voor maatregelen die passen bij
risicoklasse 2 dan wel 3.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Algemene
bepalingen
Artikel
1.2. Vaststelling
zetels
Bij de vaststelling van
de zetels van de verschillende SUWI-ZBO’s
is in de eerste plaats uitgegaan
van voortzetting van de bestaande
situatie, dat wil zeggen dat voor de
gehandhaafde SVB en voor de
rechtsopvolger van het Lisv (het UWV)
dezelfde plaatsen als voorheen als zetel
worden aangewezen. Voor de CWI is gekozen
voor Amsterdam, aangezien daar
het hoofdkantoor van die
organisatie wordt gevestigd. Voor de
Raad voor werk en inkomen (RWI) - een nieuw orgaan - is gekozen
voor Den Haag. Er wordt voor de goede
orde op gewezen dat het bij de
zetel alleen gaat om de formele
vestigingsplaats van de betrokken
rechtspersoon (onder meer van belang in
verband met procedures); deze
hoeft niet samen te vallen met de
plaats(en) waar feitelijk de
werkzaamheden worden verricht.
Artikel
1.3. Aanwijzing
van een de gemeenten
vertegenwoordigende rechtspersoon
Met dit artikel wordt
uitvoering gegeven aan de artikelen 16,
derde lid, en 71 van de Wet
SUWI. De
aanwijzing van de VNG ligt voor de
hand als vertegenwoordigende
organisatie voor de gemeenten die
voordrachten doet voor de benoeming van
(plaatsvervangende) leden van de RWI en die (tezamen met de andere
ZBO’s) overlegpartner is voor de minister
bij
de voorbereiding van nadere
regelgeving.
Artikel
1.4. Goedkeuring
besluiten CWI, UWV, SVB en RWI
Op grond van
artikel 6
van de Wet SUWI moeten de ZBO’s
bepaalde besluiten ter goedkeuring
aan Onze Minister voorleggen. Deze
bepaling is ontleend aan artikel 25
van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De
minister blijft hierdoor zicht houden op
verplichtingen en transacties die niet
tot de dagelijkse praktijk van
de ZBO’s behoren en vaak tot langjarige
verplichtingen leiden. Frequent
voorkomende beheersbehandelingen in
het kader van de bedrijfsvoering
van een uitvoeringsorganisatie kunnen worden uitgesloten van de
goedkeuring van de minister.
a) en b). Hier wordt
geregeld dat leaseovereenkomsten met
betrekking tot inventaris
(computers, meubilair) of auto’s en
overeenkomsten tot huur of verhuur van
registergoederen jaarlijks onder een bedrag van €|1
miljoen geen goedkeuring
behoeven. Het gaat hier dus om
overeenkomsten waarmee een beperkt
bedrag is gemoeid, niet
voorspelbaar en van beperkte duur zijn en die
in het kader van de bedrijfsvoering
snelheid van handelen vereisen.
c). De ZBO’s zullen in
het jaarplan ook bepaalde voornemens tot
het aangaan van overeenkomsten of het
nemen van besluiten opnemen.
Aangezien de minister het jaarplan
moet goedkeuren, geeft hij daarmee al
goedkeuring aan deze besluiten.
Aparte goedkeuring is dan niet meer nodig.
Voordat sprake is van een
voorgenomen besluit in het jaarplan
dient daarin uiteraard wel
duidelijkheid verschaft te worden omtrent de
omvang c.q. kosten, het tijdstip van
aangaan van de overeenkomst of de
aanschaf en de duur van de overeenkomst.
Voor de RWI
is in de wet
eveneens geregeld dat bepaalde
besluiten ministeriële goedkeuring behoeven (zie
artikel 19 van de Wet SUWI).
Gelet op de omvang van het budget
van de RWI is de financiële
grens waar beneden die goedkeuring niet is
vereist lager gesteld dan voor de ZBO’s, genoemd in het eerste
lid.
Artikel
1.5.
Gegevensverwerking en -verstrekking in verband
met verrichten andere taken
In dit artikel wordt
invulling gegeven aan artikel 13, vierde
lid, van de Wet SUWI.
Eerste lid
Uit het eerste lid vloeit
voort dat de CWI, het UWV
en de SVB alle gegevens die zij hebben verkregen
bij de uitvoering van hun
wettelijke taken mogen verwerken bij de
uitvoering van hun andere (in de Wet SUWI bedoelde) wettelijke
taken en bij de uitvoering van andere dan
wettelijke taken. Met die laatste
taken wordt gedoeld op de andere
taken waarvoor op grond van artikel 13,
eerste lid, goedkeuring van de minister moet zijn verkregen.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat onder wettelijke
taken in dit kader wordt verstaan
alle taken die in de artikelen 21,
30 en 34 van de Wet
SUWI worden
genoemd. Dit impliceert de uitvoering
van bij ministeriële regeling aangewezen
algemene maatregelen van bestuur
en ministeriële regelingen (artikel 21,
onderdeel i, 30, eerste lid,
onderdeel i, en 34, eerste lid, onderdeel e).
Tweede lid
In het tweede lid zijn de
voorwaarden opgenomen waaronder de
verwerking van gegevens, verkregen
bij de uitvoering van wettelijke taken, bij
de uitvoering van andere dan wettelijke taken mag plaatsvinden. Eén van de voorwaarden is dat de
desbetreffende gegevens noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de andere
dan wettelijke taken (denk hierbij aan
gegevens omtrent bijvoorbeeld
lonen, die verwerkt kunnen worden ten behoeve van de
uitkeringsverstrekking). Ten overvloede wordt hierbij
opgemerkt dat de bepalingen over
gegevensverwerking uit de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) tevens van
toepassing zijn op de hier bedoelde gegevensverwerking.
Hierbij verdienen met name de artikelen 16
en 21 van de Wbp
bijzondere
aandacht. Verdere vermelding
verdient het feit dat de minister bij zijn
besluit op een verzoek om goedkeuring
als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de Wet SUWI het concept van de
overeenkomst die de CWI, het UWV
of de SVB zullen afsluiten met
de derde partij ter uitvoering van
die andere taken, zal betrekken. Om
een besluit te kunnen nemen zal hij
kennis moeten nemen van de aard van de
gegevens die verwerkt zullen
worden en onder welke voorwaarden
en met welke regelmaat die
verwerking zal plaatsvinden. Wanneer de
minister die informatie niet
ontvangt, zal hij daar op grond van artikel
4:5, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht om verzoeken.
Derde lid
Ook met betrekking tot
het derde lid kan worden opgemerkt dat
de Wet
bescherming persoonsgegevens van toepassing is op de
verstrekking van gegevens aan derden,
bedoeld in artikel 13, vierde lid, tweede
volzin, van de Wet SUWI.
Artikel
1.6.
Kostentoerekening in verband met verrichten andere
taken
Uitgangspunt bij de
uitvoering van de andere taken is dat alle
directe en indirecte kosten door de CWI, het UWV
of de SVB voor de
uitvoering van andere taken
waarvoor op grond van artikel 13, eerste
lid, van de Wet SUWI goedkeuring is
verleend, gemaakte kosten aan de
opdrachtgever worden doorgerekend. De CWI, het UWV of de SVB mogen
andere taken uit blijven voeren
vanwege de administratieve
lastenverlichting voor werkgevers. Aangezien het
niet de bedoeling is dat de CWI,
het UWV of de SVB winst maken op
de uitvoering van de andere taken en de
kosten van de wettelijke taken
niet mogen stijgen bij het
wegvallen van de andere taken, dient de
uitvoering van de andere taken dus
kostendekkend plaats te vinden. Hiermee
wordt de scheiding tussen
publieke en private geldstromen bevestigd.
Hoofdstuk 2. CWI
§
2.1. Fasering
Voorgeschiedenis
De behoefte aan methodes
en hulpmiddelen ten behoeve van een
systematische en uniforme beoordeling van de kans op het vinden
van werk, of anders gezegd de
beoordeling van de afstand tot de
arbeidsmarkt, bestaat reeds lange tijd.
Deze behoefte vloeit voort uit de wens
om maatwerk in de dienstverlening te
bieden, zo snel mogelijk en op
een gestandaardiseerde wijze.
De wijze waarop de
systematische beoordeling van de kans
op het vinden van werk dient te
geschieden is de afgelopen jaren verder
ontwikkeld via concrete hulpmiddelen
voor de bemiddelaars/consulenten.
Zo is vanaf 1999 de "Kansmeter"
(zie hierna) landelijk ingevoerd en
vanaf medio 2000 de "kwalificerende
intake". Deze hulpmiddelen kenden
overigens voorlopers.
Ook de
Samenwerkingsregeling SWI bevatte bepalingen over
de uniforme beoordeling van de
arbeidsmarktpositie van werkzoekenden,
inclusief nadere eisen aan deze
beoordeling ("fase-indeling") en
periodieke herbeoordeling, terwijl het Tijdelijk
besluit samenwerking CWI gewag
maakte van de beoordeling van de
afstand tot de arbeidsmarkt (in dat
kader als één van de taken waaromtrent
samenwerking gericht op de
dienstverlening in het CWI geboden is).
Met het in werking treden
van de Wet SUWI en het vervallen
van vorenstaande regelingen
is het noodzakelijk nieuwe, nadere regels te
stellen betreffende de
administratieve indeling.
Doel van de
administratieve indeling
De administratieve
indeling, thans bekend onder het begrip "fasering", heeft als doel om de kans
op werk of, anders gezegd, de afstand
tot de arbeidsmarkt in te
schatten en te onderzoeken hoe, indien
nodig, die kans kan worden verbeterd c.q. de afstand kan worden
verkleind.
De administratieve
indeling en de onderliggende
instrumenten, zoals die de afgelopen periode zijn
ontwikkeld, hebben als doel dat er op
de werkvloer op systematische en
uniforme wijze voor elke
werkzoekende zo snel mogelijk wordt nagegaan
hoe hij/zij werk kan vinden. De
informatie die aldus wordt verkregen is
enerzijds bestemd voor het bepalen
van de juiste dienstverlening door CWI en andere partijen in de keten van
dienstverlening. Anderzijds is deze
informatie bestemd voor de
werkzoekende zelf, om deze beter inzicht te
geven in de individuele mogelijkheden
op de arbeidsmarkt.
Via deze methode wordt
tevens beoogd langdurige
werkloosheid te helpen voorkomen door -
in voorkomende gevallen - snelle inzet
van reïntegratie-instrumenten mogelijk te maken; daartoe wordt een
(reïntegratie)advies opgesteld. Via de
individuele benadering en inschatting
van arbeidsmarktkansen kan
aldus zo snel mogelijk de vereiste
dienstverlening op maat worden bepaald en
aangeboden, door CWI dan wel andere
partijen.
Het beoordelen van de
kans op het vinden van werk en de
advisering over het verkleinen van
de afstand tot de arbeidsmarkt zijn
taken van de CWI. Deze organisatie
informeert het UWV dan wel de betrokken gemeente
zo snel mogelijk over de
uitkomst van de indeling en het advies in het geval van moeilijk plaatsbare
werklozen. Mede aan de hand daarvan
kunnen het UWV of de gemeente
het reïntegratietraject vaststellen en inkopen.
De betekenis van de fasen
• De werkzoekende met
een grote kans op werk, c.q. een
kleine afstand tot de arbeidsmarkt wordt
ingedeeld in fase 1. Voor hem/haar
is, ter ondersteuning van de
eigen inspanningen, de dienstverlening van
het CWI beschikbaar gericht
op directe bemiddeling of terugkeer
naar de arbeidsmarkt.
• De werkzoekende met
een beperkte kans op werk en voor wie
arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige
verbetering van zijn kans op werk
dat hij na een tijdsbestek van maximaal
één jaar als werkzoekende beter
bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, wordt
ingedeeld in fase 2.
• De werkzoekende met
een beperkte kans op werk en voor wie
arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige
verbetering van zijn kans op werk
dat hij na een tijdsbestek van meer dan
één jaar als werkzoekende beter
bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, wordt
ingedeeld in fase 3.
• De werkzoekende met
een kleine kans op werk tengevolge
van zware persoonlijke
werkbelemmeringen wordt ingedeeld in fase
4. Betrokkene is primair aangewezen op
sociale activering, hulp of zorg; inzet van arbeidsmarktinstrumenten
is niet uitgesloten.
Om tot een zorgvuldige
beoordeling van de kans op het vinden
van werk te kunnen komen
wordt in de fase-indeling in elk
geval aandacht besteed aan de volgende
aspecten: de opleiding, waaronder het
al dan niet beschikken over een
zogeheten "startkwalificatie" ¹, de werkervaring, de sociale zelfredzaamheid,
de motivatie en flexibiliteit, de
mobiliteit, beroep van inschrijving en
eventuele belemmeringen om te komen tot
aanvaarding van werk, informatie en
inzichten van de werkzoekende. De voorgaande aspecten
dienen te worden gerelateerd aan de
situatie op de arbeidsmarkt.
Het proces van de
administratieve indeling start gedurende
de zogeheten "werkintake" met een
eerste, globale inschatting van de kans
op werk c.q. de afstand tot de
arbeidsmarkt. Daarbij wordt het
gespreksprotocol "Kansmeter"
gehanteerd. Hierbij is het de bedoeling om de
klanten die naar verwachting een grote
kans hebben op het vinden van werk
(fase 1), te identificeren. Van deze
klanten wordt verwacht dat zij via
eigen inspanningen, waar nodig met
gebruikmaking van de faciliteiten en
andere dienstverlening van de CWI, waaronder actieve bemiddeling, werk
kunnen vinden. Wanneer het
vinden van werk niet lukt, dan wordt na
verloop van tijd de situatie opnieuw
met de klant bezien. Voor de globale
inschatting van de kans op het vinden
van werk met behulp van de "Kansmeter"
wordt gebruik gemaakt van
diverse hulpmiddelen: een vragenset voor de klant, een beslisschema
als leidraad voor het gesprek voor de
consulent. Voorts dient de consulent
een overdrachtsrapportage voor andere dienstverleners in de
keten (UWV en gemeente) op te stellen.
De klanten die niet tot
de hiervoor bedoelde groep met een
hoge kans op werk behoren, worden
voorshands ingedeeld in een groep "nader te bepalen" of "fase 4". Met hen
wordt een vervolggesprek gevoerd om
een beter beeld te krijgen van de
kansen en de belemmeringen. Daarbij
vindt een check op de voorlopige
fase-indeling plaats. Voor de klanten
uit de groep "nader te bepalen" is
dat gesprek de zogeheten "kwalificerende
intake fase 2/3" en voor klanten
met een globale fasering als fase 4 is
dat het "vervolggesprek fase 4".
Ook voor deze
vervolggesprekken zijn gespreksprotocollen
ontwikkeld; daarin wordt bovendien ingegaan
op de vervolgdienstverlening
(reïntegratieadvies).
De consulent dient de
hiervoor genoemde protocollen, ten
behoeve van een uniforme
behandeling, te hanteren, één en ander
conform de werkinstructies die de
CWI aan zijn medewerkers opdraagt. De
protocollen hebben het karakter van
hulpmiddelen; vanuit zijn/haar
professionele achtergrond kan de
consulent, mits gemotiveerd, afwijken van
de conclusie die bijvoorbeeld uit het
beslisschema lijkt voort te vloeien.
1. Betrokkene beschikt ten
minste over een diploma op niveau 2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs
of over een afgerond HAVO- of VWO-opleiding.educatie beroepsonderwijs of over een afgerond HAVO- of
VWO-opleiding.
Periodieke herbeoordeling
De beoordeling van de
kans op het vinden van werk betreft
een inschatting. Het kan voorkomen dat
personen die kansrijk geacht worden er toch niet in slagen snel
werk te vinden. Om te voorkomen dat deze
situatie te lang kan voortduren,
dient voor deze fase-1-klanten
binnen een periode van zes maanden een
herbeoordeling plaats te vinden. Gelet
op het feit dat deze personen
met regelmaat de CWI-vestiging bezoeken,
moet deze periode van zes maanden als
een maximum worden beschouwd; eerdere
signalering van het niet kunnen
vinden van werk ligt in de rede.
Herbeoordeling kan ook
nodig zijn als het UWV of de gemeente
van mening is dat daartoe
aanleiding bestaat. In dat geval
verricht de CWI zo snel mogelijk deze
herbeoordeling (zie artikel 26, vijfde
lid, van de Wet SUWI).
Werkinstructies
De
CWI zal de medewerkers
die de administratieve indeling
uitvoeren, voorzien van
werkinstructies. Deze kunnen betrekking hebben
op de feitelijke uitvoering, de hantering
van de hulpmiddelen, de gewenste
snelheid van beoordelen en
herbeoordelen.
Evaluatie en bijstelling
van methodiek en hulpmiddelen
De methodiek van de
administratieve indeling zoals die de
afgelopen jaren is ontwikkeld, dient
gevolgd en geëvalueerd te worden. Uit de
evaluaties zal naar voren komen of
er aanleiding is tot bijstellingen.
Deze evaluaties kunnen enerzijds
betrekking hebben op (optimalisering
van) de uitvoering, anderzijds op
beleidsmatige aspecten.
Als het gaat om de
uitvoering (wordt conform de
werkinstructies gewerkt?) en de hulpmiddelen (zijn
de hulpmiddelen helder en adequaat?),
dient de CWI met regelmaat eigen
monitoring en onderzoek te
verrichten. Tevens kan het nodig zijn om in
de vorm van pilots nieuwe
werkwijzen en hulpmiddelen in de
praktijk uit te proberen.
De minister zal
evaluaties verrichten gericht op vragen die
betrekking hebben op de methode als
zodanig: zijn 4 fasen nodig? Is de
inrichting in het proces, inclusief de
herbeoordeling, adequaat? Is de methode
zelf wel voldoende valide en betrouwbaar qua voorspellende waarde in
vergelijking tot andere methodes,
zoals de beoordeling op basis van gebleken
werkloosheidsduur?
Bezwaar
De fase-indeling
c.q. het
daarop gebaseerde
reïntegratieadvies betreft een advies aan UWV
of
gemeente. UWV en gemeente zijn
verantwoordelijk voor de reïntegratie en
het nemen van besluiten
inzake de reïntegratie. Tegen die besluiten kan bezwaar worden gemaakt en
eventueel beroep worden aangetekend
(en dus niet tegen het advies
van de CWI).
§
2.2. Uitkeringsintake
en overdracht aanvraag door de CWI
Algemeen
De
CWI-kantoren zijn in
principe het startpunt voor alle
mensen die aangifte wensen te doen van
werkloosheid en/of een uitkering
willen aanvragen in het kader van de WW,
TW of Abw en Ioaw. Met
uitzondering van de bij wet of AMvB benoemde groepen die een aanvraag
rechtstreeks bij burgemeester en
wethouders of het UWV kunnen indienen,
wordt de aanvraag voor een
uitkering hiertoe bij de CWI ingediend. De
CWI verzamelt de hiervoor noodzakelijke
gegevens en bewijsstukken,
controleert deze gegevens en
bewijsstukken op juistheid, volledigheid
en consistentie en draagt deze gegevens
en bewijsstukken over aan burgemeester en wethouders of het UWV. In
het Besluit SUWI (artikelen 2.2
en 2.3) is bepaald dat de termijn
van overdracht maximaal acht werkdagen bedraagt. Deze termijn
gaat in op het moment van de aangifte
van werkloosheid (voor WW en TW) of van de indiening van de
aanvraag van de uitkering (Abw en Ioaw).
De beslissing op de uitkeringsaanvraag
wordt genomen door burgemeester
en wethouders of het UWV. Deze regeling bewerkstelligt dat
burgemeester en wethouders en het UWV
tijdig kunnen beschikken over de voor
de beoordeling van de
aanvraag noodzakelijke gegevens en
bewijsstukken. De wettelijke beslistermijn
(van acht weken) begint op het
moment dat de CWI de door de
belanghebbende ondertekende aanvraag in
ontvangst heeft genomen.
In ontvangst nemen van
aangiften van werkloosheid en
aanvragen van een uitkering op grond
van de WW, TW of Abw en Ioaw.
De
CWI dient ervoor zorg
te dragen dat werkzoekenden en
uitkeringsgerechtigden op elke CWI-lokatie
aangifte kunnen doen van
werkloosheid en een aanvraag voor een
uitkering in het kader van de WW, TW
of Abw en Ioaw in kunnen dienen.
Indien sprake is van
urgentie en noodzakelijke
bevoorschotting verwijst de CWI een belanghebbende direct door naar
burgemeester en wethouders of het UWV. De CWI
verstrekt de belanghebbende daarbij
een lijst met gegevens en
bewijsstukken die de belanghebbende
moet aanleveren. Overigens wordt de
werkintake en het resterende deel
van de uitkeringsintake ook in deze gevallen door de CWI uitgevoerd.
De CWI registreert de
datum van melding/aangifte van
werkloosheid en de datum van ontvangst
van de aanvraag van een uitkering in
verband met de ingang van het
recht op uitkering en de wettelijke
beslistermijn.
Te verstrekken gegevens
De aanvrager is op grond
van artikel 28, tweede lid, van de Wet
SUWI verplicht alle voor de
beoordeling van de aanvraag relevante
gegevens en bewijsstukken aan de CWI te verstrekken. In de
bijlagen ("Aanvraag
Abw/Ioaw" en
"Aanvraag WW/TW") staat welke gegevens en
bewijsstukken in ieder geval verstrekt
dienen te worden.
Daarnaast moet de
belanghebbende, op grond van artikel 28,
tweede lid, van de Wet SUWI, alle
andere informatie verstrekken die nodig is
voor de beslissing op zijn
aanvraag.
Indien de in de bijlagen
genoemde gegevens, of een deel
daarvan, al bij de CWI, burgemeester en
wethouders of het UWV bekend zijn,
meldt de CWI dit. De CWI stelt de
betrokkene in staat deze gegevens en
bewijsstukken te corrigeren of aan te vullen als deze naar zijn oordeel
onvolledig of inconsistent zijn.
De CWI controleert of de
aangeleverde gegevens en bewijsstukken
volledig zijn. Blijkt dit niet het
geval te zijn, dan vraagt de CWI de
belanghebbende om de ontbrekende
gegevens en bewijsstukken alsnog zo
spoedig mogelijk te overhandigen.
De CWI kan, zoals bepaald in
artikel 28, vijfde lid, van de Wet SUWI, geen
hersteltermijn opleggen of het besluit nemen de aanvraag niet in
behandeling te nemen. Dit kunnen
alleen burgemeester en wethouders en het UWV doen nadat de
aanvraag door de CWI is overgedragen.
De CWI controleert de geleverde
gegevens en bewijsstukken op
juistheid, volledigheid en consistentie.
Voorkomen dient te worden dat
burgemeester en wethouders en het UWV, na
de overdracht door de CWI, nogmaals
contact met de belanghebbende
dienen op te nemen om
ontbrekende gegevens en bewijsstukken te
achterhalen.
Onderzoek van de
verstrekte gegevens en bewijsstukken door de CWI
De
CWI vergelijkt de
geleverde gegevens en bewijsstukken onderling met elkaar (bijvoorbeeld of
op alle geleverde bewijsstukken de
NAW-gegevens [naam, adres, woonplaats, red.] overeenkomen). Daarnaast vergelijkt de CWI de geleverde
gegevens en bewijsstukken in ieder geval met de volgende bronnen:
• de gemeentelijke
basisadministratie;
• de
verzekerdenadministratie van het UWV;
• de gegevens in de
eigen administratie van de CWI;
• de administratie van
het Inlichtingenbureau.
Indien blijkt dat de
geleverde gegevens en bewijsstukken onjuist, onvolledig of inconsistent zijn, dan
vraagt de CWI de belanghebbende
hierover een verklaring af te
leggen en dient de betrokkene de juiste
of ontbrekende gegevens of bewijsstukken alsnog te overleggen.
Overdracht van gegevens
aan burgemeester en wethouders en het UWV
De
CWI draagt de aanvraag
of aangifte met bewijsstukken over
aan burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente
of
het UWV. Bij de overdracht
vermeldt de CWI op welke datum de aangifte van werkloosheid of de
melding heeft plaatsgevonden, alsmede
op welke datum de aanvraag van de
uitkering in ontvangst is genomen
en is overgedragen. Tevens overlegt de CWI,
conform artikel 2.4 van deze
regeling, haar oordeel over de
juistheid, consistentie en volledigheid van de
gegevens en de voor de aanvraag
relevante bewijsstukken.
De overdracht van
gegevens vindt zoveel mogelijk plaats
via Suwinet (zie paragraaf 6.1). De
CWI doet van de overdracht, gelijktijdig met deze overdracht, schriftelijk
mededeling aan de belanghebbende.
Indien de CWI het
gegronde vermoeden heeft dat een belanghebbende de in artikel 56 van de Wet
SUWI genoemde verplichtingen
niet nakomt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, dient de CWI
hiervan onverwijld melding te maken aan burgemeester en
wethouders of het UWV. Hiermee wordt
bereikt dat de uitkerende instantie in
staat is om bij overtreding van de
verplichtingen een sanctie op te leggen.
Alle verstrekte gegevens
en (een afschrift van) de
bewijsstukken worden overgedragen. Hiermee
wordt beoogd dat burgemeester
en wethouders of het UWV alle gegevens
en bewijsstukken ontvangen die noodzakelijk zijn voor de beslissing
op de uitkeringsaanvraag. De
uitkerende instantie is naast de
(onderbouwing van de) uitkeringsaanvraag namelijk verantwoordelijk voor de
dossieropbouw en kan achteraf in
verband met toezicht op de uitkeringsverstrekking gevraagd worden de
rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking aan te tonen.
Op grond van artikel 8
van de Wet SUWI hebben gemeenten,
CWI en UWV een
samenwerkingsverplichting. Eerder is bij
verschillende gelegenheden aangegeven dat de
zogenoemde Service Niveau Overeenkomst (SNO) het middel is om nadere
afspraken over de samenwerking vorm
te geven. Het spreekt voor zich dat
nadere afspraken over de inname,
controle en overdracht van
aanvragen en aangiften onderdeel vormen van de SNO. In overleg met betrokken
partijen is een landelijk model
opgesteld dat als basis dient voor
dergelijke afspraken. Teneinde in de startfase
van de nieuwe structuur de uitvoering
niet onevenredig te belasten, zal vooralsnog de ruimte om op lokaal
niveau aanvullende dan wel afwijkende
afspraken te maken, gelimiteerd
zijn.
Hoofdstuk 3.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel
3.1.
Registratiemelding
Met
de inwerkingtreding van
de Wet SUWI en de gelijktijdige
intrekking van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 vervalt het Besluit registratiebericht (Stcrt.
1997, 41). Omdat de materiële inhoud van deze regeling wel van belang
is voor het UWV, is deze op grond van
artikel 33, zesde lid, van de Wet SUWI in de Regeling
SUWI opgenomen. Inhoudelijke wijzigingen
zijn niet aangebracht. Wel zijn passages met betrekking tot de
registratie van de bedrijfsvereniging en de
uitvoeringsinstellingen komen te vervallen. Daarnaast is de
naamgeving van het registratiebericht, in aansluiting op artikel 59 van de
Wet SUWI, omgezet in registratiemelding.
Ten overvloede wordt
opgemerkt dat, nu deze melding persoonsgegevens betreft, de bepalingen
uit de Wet
bescherming persoonsgegevens in zijn algemeenheid en de
artikelen 33 en 34 van die
wet in het bijzonder in acht dienen te worden genomen
bij de verzending van bedoelde melding.
Artikel
3.2.
Statusoverzicht
Met inwerkingtreding van
de Wet SUWI en de gelijktijdige
intrekking van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 vervalt het Besluit
statusoverzicht (Stcrt. 1997, 41). Omdat de materiële inhoud van
deze regeling wel van belang is voor
het UWV is deze op grond van
artikel 33, zesde lid, van de Wet SUWI in
de Regeling SUWI opgenomen. Inhoudelijke wijzigingen
zijn niet aangebracht.
Evenals bij artikel 3.1
wordt ten overvloede opgemerkt dat, nu dit overzicht persoonsgegevens betreft,
de bepalingen uit de Wet
bescherming persoonsgegevens in zijn
algemeenheid en de artikelen 33 en 34
van die wet
in het bijzonder in
acht dienen te worden genomen bij de
verzending van bedoelde overzicht.
Artikel
3.3. Bewaarplicht
identiteitsdocumenten
In dit artikel is de
materiële inhoud van de Regeling
bewaarplicht identiteitsdocumenten (Stcrt. 1997, 41), die in artikel 8.1 van deze
regeling wordt ingetrokken, op grond van
artikel 77, eerste lid, van de Wet SUWI overgenomen. Inhoudelijke wijzigingen
zijn niet aangebracht.
Ter nadere toelichting
zij wel opgemerkt dat uit artikel 55, derde
lid, van de Wet SUWI moet
worden begrepen dat de werkgever
een afschrift dient te maken
van het originele identiteitsdocument. Uit ervaring blijkt dat fraude in de
hand gewerkt wordt indien de werkgever
kopieën van kopieën maakt.
Hoofdstuk 4.
Reïntegratie
Artikel
4.1. Hoogte
persoonsgebonden reïntegratiebudget
Het vaststellen van een
standaardmaximumbedrag voor de
hoogte van het PRB (de subsidie én
de overeenkomst) [persoonsgebonden reïntegratiebudget, red.] is wenselijk om de trajectkosten te beheersen. Genoemde
stimulans is des te meer wenselijk
omdat de kosten van met een PRB
ingekochte reïntegratietrajecten om
uiteenlopende redenen opwaarts worden beïnvloed in
vergelijking met de kosten van door de werkgever ingekochte trajecten:
1. vanuit uitvoerende arbodienst/reïntegratiebedrijf:
• er is geen sprake van
een collectief contract tussen werkgever (voor al zijn werknemers) en
arbodienst/reïntegratiebedrijf, maar van decentrale inkoop door de werknemer
zelf;
• arbodienst/reïntegratiebedrijf kunnen zich profileren als professioneel en deskundig bureau en
zullen aangeven maatwerk te leveren voor
degenen met een PRB;
2. vanuit de
arbeidsgehandicapte werknemer:
• er kan sprake zijn
van een relatieve kennisachterstand ten
aanzien van trajectkosten in
vergelijking met de situatie van bipartiete opdrachtgeverschap van werkgever en
werknemers gezamenlijk, daarin ook
nog bijgestaan door de arbodienst;
• betrokkene heeft in
principe intrinsiek behoefte aan meer uitgebreide, duurdere trajecten, ook
als die niet strikt noodzakelijk zijn.
De hoogte van het standaardmaximumbedrag wordt in voorliggende ministeriële regeling
vastgesteld op €|3630,-. Dit bedrag is
gebaseerd op de gemiddelde kosten van
de huidige trajecten. Door als standaardmaximumbedrag voor het persoonsgebonden reïntegratiebudget het
gemiddelde van de huidige
trajectkosten te nemen, kan de aanvrager
doorgaans inkopen wat momenteel
voor hem wordt ingekocht.
Indien betrokkene een
duurder traject (of een traject langer
dan de standaardmaximumduur van één
jaar) wil financieren met een PRB, dan dient het UWV
apart na te
gaan of dat traject noodzakelijk
is om betrokkene terug te geleiden naar de arbeidsmarkt. Naast de
globale beoordeling van het
trajectplan kan het UWV extra informatie
vragen, bijvoorbeeld om de arbeidsmarktrelevantie van het traject nader te
kunnen vaststellen of om
specifieker te kunnen bepalen of het
traject passend is op de persoon. Indien
is vastgesteld dat het voorgestelde
traject noodzakelijk is, dient het UWV
vervolgens na te gaan of de kosten van het traject noodzakelijke kosten zijn
en of er geen soortgelijk traject
ingekocht kan worden tegen lagere
kosten. Indien is vastgesteld dat het gaat
om noodzakelijke kosten, wordt het PRB tegen het hogere bedrag dan het
standaardmaximum toegekend.
De kosten verbonden aan
de uitvoering van het traject worden uitsluitend vergoed voor
werkzaamheden die zijn beschreven in
het onderliggende trajectplan. Financiering
van extra of andere werkzaamheden dient apart aangevraagd te
worden. Subsidiëring geschiedt
dan uitsluitend nadat het UWV daar
schriftelijke toestemming voor heeft gegeven. Dit kan zich ook voordoen gedurende
een met een PRB
gefinancierd traject.
Hoofdstuk 5.
Financiering, verantwoording en informatievoorziening
§ 5.1. Financiering en
verantwoording
Op grond van de Osv 1997
waren meerdere uitgebreide
nadere regelingen van kracht voor de
uitvoeringsorganisaties. Met de Wet SUWI worden de verschillende
uitvoeringsinstellingen (uvi’s) samengevoegd
tot één publiekrechtelijke
organisatie (UWV) die tevens belast wordt
met het fondsenbeheer. De financiering van de uitvoeringsorganen CWI, UWV en
SVB wordt gebaseerd op de in enig jaar te verrichten prestaties.
Hierdoor kan ermee worden volstaan de
inhoud van deze onderdelen van
de ministeriële regeling op een hoog
aggregatieniveau vorm te geven.
Artikel
5.1. Toerekening
uitvoeringskosten UWV en SVB
De hiervoor bedoelde
vereenvoudiging brengt ook mee dat het risico van vermenging van
publieke en private geldstromen wordt verminderd en dat het aantal
partijen waarover de kosten moeten worden
verdeeld kleiner is. Er is daarom
voor gekozen de daadwerkelijke
toerekening van de uitvoeringskosten binnen randvoorwaarden aan het UWV
en de SVB zelf over te laten. Over de randvoorwaarden overleggen UWV en SVB met de
minister. Zie
voor
de definitie van "uitvoeringskosten"
artikel 1, onderdeel j, van de Wet SUWI.
De direct aan de
verschillende wetten toe te rekenen uitvoeringskosten van het
UWV respectievelijk
de SVB worden aan de betreffende
fondsen toegerekend. Voor de
uitvoeringskosten die niet direct aan de
verschillende fondsen en wetten
toewijsbaar zijn, zullen het UWV en de SVB - in overleg met de minister
- verdeelsleutels moeten ontwikkelen die
tot een zoveel mogelijk overeenkomstige toerekening leiden.
Er is besloten dat het
UWV geen kosten meer in rekening
brengt bij het College voor zorgverzekeringen en de
Sociaal-Economische Raad [SER, red.] voor de uitvoering van de
Ziekenfondswet en de Wet
op de ondernemingsraden. Deze
uitvoeringskosten van het UWV worden ten laste van de wettelijke
fondsen gebracht in dezelfde
verhouding als de kosten voor de
premie-inning ten laste van de fondsen worden gebracht. De kosten voor
de premie-inning worden ten laste gebracht
van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en de
wachtgeldfondsen.
Artikelen 5.2
tot en met 5.9.
Begroting, jaarplan en meerjarenbeleidsplan
De door de
RWI en de
uitvoeringsorganisaties CWI, UWV
en SVB vóór 1 juli op te stellen
concept-begroting, concept-jaarplan en (voor wat betreft de CWI, het UWV en de SVB)
concept-meerjarenbeleidsplan dienen te worden gebaseerd op de door de minister
vóór 1 mei aangegeven
kaders. Deze kaders omvatten:
- de zogenaamde
Voorjaarsbrief aan de Staten-Generaal; deze
beziet ten minste de omvang van de
beleidsmatig bepaalde taken voor het
begrotingsjaar, de kwaliteitseisen die
voor de uitvoering van de
taken in acht dienen te worden genomen
en het budget dat voor de
uitvoering van de taken beschikbaar zal
worden gesteld;
- een op de specifieke
uitvoeringsorganisatie of de RWI gerichte
aanvulling.
De door de RWI en de
uitvoeringsorganisaties CWI, UWV en SVB vóór 1 oktober op te stellen
begroting, jaarplan en (voor wat betreft de CWI, het
UWV en de SVB)
meerjarenbeleidsplan dienen te worden gebaseerd op de macro-economische veronderstellingen van het CPB
[Centraal Planbureau, red.] voor het
begrotingsjaar. Deze worden vóór 15
augustus door de minister aan de
organisaties kenbaar gemaakt.
De toerekening van de
kosten naar diensten en werkprocessen
dient plaats te vinden op basis
van integrale kostprijzen. Gegeven de
nauwe samenhang tussen diensten
en processen is het van belang deze
samenhang in het jaarplan zichtbaar
te maken. De vermelding strekt tot
het benoemen en kort omschrijven van
de diensten en werkprocessen. De
eigenlijke specificaties en
beschrijvingen vormen zelfstandige
vastleggingen. Over de nadere invulling van
diensten en werkprocessen overleggen
CWI, UWV en SVB met de
minister. Het is niet toegestaan in
de kostprijzen een opslag voor
vermogensvorming op te nemen.
Indien de wijze waarop de
doelmatigheid wordt bewaakt reeds in
eerdere documenten is beschreven,
behoeven slechts de voorgenomen
wijzigingen daarop nader te worden
aangegeven. In de toelichting op de
begroting dienen alle aannames te worden
vermeld, zo mogelijk onderbouwd
met benchmarks.
De voor het IB geldende
regels zijn een nadere uitwerking van
artikel 9 van het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten. Dat geldt ook
voor de voorlegging door de
minister van het jaarplan van het IB aan
de Staten-Generaal, bedoeld in het
tweede lid van artikel 5.3 van deze
regeling; dit stemt overeen met het
voorschrift met betrekking tot de andere organen,
neergelegd in artikel 46, vierde
lid, van de Wet SUWI.
In het jaarplan van het
IB moet op grond van artikel 5.5,
derde lid, onderdeel a, ook aandacht
worden besteed aan de eventuele
proeven die plaatsvinden in het kader
van artikel 3, tweede lid, van het
Besluit Inlichtingenbureau gemeenten; dit is tenslotte ook een
wettelijke taak.
Artikel
5.10. Financiële
middelen van SVB en UWV buiten de
rekening-courant
Dit artikel was opgenomen
in de Regeling rekening-courantverhouding
sociale verzekeringen (artikel 7) van de Minister van Financiën. In artikel
50, zesde lid, van de Wet SUWI is bepaald dat bij regeling
van de Minister van SZW regels
gesteld kunnen worden voor de omvang van
het bedrag dat buiten de
rekeningen-courant wordt gehouden. Op grond
van artikel 50, vierde lid,
zijn de SVB en het UWV
verplicht voor de
financiële middelen die deel
uitmaken van de door hen beheerde
fondsen, rekeningen-courant te houden bij de
Minister van Financiën.
In vergelijking met het
artikel 7 van de Regeling
rekening-courantverhouding sociale verzekeringen is
het volgende gewijzigd:
• in het eerste lid is
het bedrag van ƒ5 miljoen omgezet in €|2
500 000,-;
• in het tweede lid is
niet meer nader aangeduid aan welke
kosten van het betalingsverkeer gedacht
kan worden die ook buiten het bedrag
van €|2 500 000,- buiten de rekening-courant worden gehouden. Te
denken valt aan kosten "verzamelgiro’s";
• het derde lid komt
overeen met dat van genoemd artikel 7 en
betreft middelen ter financiering van
onroerende zaken die op 1 januari 1996 in
het bezit van erkende
uitvoeringsinstellingen waren in het kader van de
ontvlechting van de
bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen.
Dit is alleen nog van belang in verband
met een pand dat in beheer is
bij het Lisv en overgaat naar het UWV.
§
5.2.
Informatievoorziening
§
5.2.1.
Informatieverstrekking CWI, UWV en SVB aan de
minister en de IWI
Op grond van
artikel 42
en artikel 72 van de Wet
SUWI zijn de CWI, het
UWV en de SVB verplicht
om respectievelijk de IWI en de minister
kosteloos alle gegevens en
inlichtingen te verstrekken die zij nodig
hebben voor hun taken. De artikelen
5.11 tot en met 5.18 bevatten nadere
voorschriften aangaande deze
informatieverstrekking, zoals aangekondigd in het derde lid van artikel 77 van de Wet
SUWI.
Reikwijdte
De
minister en de IWI
hebben informatie nodig ten behoeve van
verschillende taken, te weten
aansturing, beleid, evaluatie,
toezicht en financiering. De regeling van de
informatievoorziening in paragraaf 5.2.1 heeft
betrekking op alle periodieke informatieverstrekkingen
die in het kader van deze taken
nodig zijn, voor zover de
informatieverstrekking niet reeds in de wet geregeld
is. Een dergelijke integrale regeling biedt
de waarborg dat afstemming
plaatsvindt tussen de informatie die
in het kader van hun taken wordt
uitgevraagd. Dit voorkomt onnodige
belasting van de uitvoeringsorganisaties.
Het is overigens niet altijd mogelijk alle
informatiestromen voor verschillende doelen te combineren, omdat
verschillende taken in termen van
actualiteit en kwaliteit verschillende
eisen stellen aan de te leveren
informatie.
Opzet
De regelgeving en de
bijbehorende bijlagen zijn afgestemd
met de uitvoeringsorganisaties, opdat zij bij de inrichting van hun
werkprocessen met de daarin neergelegde
informatiewensen rekening kunnen houden.
De kern van de regeling is
dat de uitvoeringsorganisaties een aantal basisgegevens voor de minister
en de IWI beschikbaar houden.
Bovendien dienen de
uitvoeringsorganisaties periodiek een aantal rapportages of gegevensbestanden te leveren
aan de minister of de IWI.
Hiernaast kunnen de
minister en de IWI op grond van
respectievelijk artikel 72 en 42 van de Wet
SUWI
de uitvoeringsorganisaties
op incidentele basis om informatie
verzoeken. Het betreft informatie die de
minister en de IWI eenmalig of met
beperkte herhaling nodig hebben. Een
voorbeeld hiervan is informatie
voor de beantwoording van een kamervraag of ten behoeve van een
specifieke analyse. Per verzoek om informatie
zullen de minister of de IWI nader
aangeven welke procedure dient te
worden gevolgd. De procedure zal
in het algemeen als volgt zijn. De
minister of de IWI dienen hun verzoek
bij voorkeur schriftelijk in. Bij het
verzoek geven de minister of de IWI
concreet aan om welke informatie het
gaat, waar de informatie voor nodig
is en binnen welke termijn deze dient
te zijn ontvangen.
Met het onderscheid
tussen periodiek en incidenteel beoogt de
minister zowel continuïteit als
flexibiliteit in de informatievoorziening te
creëren. Flexibiliteit is nodig
omdat de informatiebehoefte van de minister en de IWI niet constant is en
soms zelfs moeilijk te voorspellen.
Vanuit het oogpunt van doelmatigheid
en doeltreffendheid van de
informatievoorziening is juist enige
continuïteit en constantheid wenselijk.
Niet elke nieuwe informatievraag
moet leiden tot aanpassingen in de
informatiesystemen van de
uitvoeringsorganisatie. Reguliere
informatieverstrekkingen en basisgegevens blijven in
principe gedurende een langere
periode gelijk en zorgen dus voor
continuïteit. De mogelijkheid om ook
incidenteel informatie op te vragen,
zorgt voor de nodige flexibiliteit.
Kosten
De verstrekking van
informatie aan de minister en de IWI,
inclusief de personen en instanties
die namens hen werken, vindt
kosteloos plaats. Dit betreft ook het
meewerken aan door de minister en de
IWI geïnitieerd onderzoek. Het leveren
van informatie op periodieke
dan wel incidentele basis is een
onlosmakelijk deel van de uitvoering
en is dan ook opgenomen in de
uitvoeringskosten. Bij vaststelling van het
hiervoor toegekende budget wordt met deze
informatietaken rekening gehouden.
De informatieverstrekking
aan andere personen en
instanties geschiedt tegen betaling
van een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten, tenzij
het wettelijk voorgeschreven
informatieverplichtingen betreft. In artikel 5.19
van de onderhavige regeling is
bijvoorbeeld opgenomen dat de
uitvoeringsorganisaties informatie verstrekken
aan de Raad voor werk en inkomen. Zo dienen de
uitvoeringsorganisaties ook conform het derde lid van artikel
73 van de Wet SUWI het CBS [Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.], ten
behoeve van haar wettelijke taken met
betrekking tot statistiek,
informatie te leveren.
Overleg en afstemming
De regeling bepaalt op
hoofdpunten de wijze waarop de minister en de
IWI enerzijds en een
uitvoeringsorganisatie anderzijds met elkaar
omgaan. In aanvulling op de
regeling zullen concretere afspraken
gemaakt moeten worden over een aantal
zaken. Hierbij kan bijvoorbeeld
gedacht worden aan de exacte
definiëring van basisgegevens en de
eventueel daarin te onderscheiden categorieën of de wijze waarop de minister
en de IWI informatieverzoeken
indienen. Dergelijke nadere
afspraken worden in onderling overleg
gemaakt tussen de minister, de IWI en de
uitvoeringsorganisatie.
Voor een effectieve en
efficiënte informatievoorziening is
het gewenst dat de minister, de IWI
en de uitvoeringsorganisaties elkaar tijdig informeren over ontwikkelingen die
consequenties kunnen hebben voor informatievoorziening.
Hiermee wordt niet alleen gedoeld
op overleg en afstemming tussen de
minister en de IWI enerzijds en een
uitvoeringsorganisatie anderzijds. Het betreft ook overleg tussen
uitvoeringsorganisaties en afstemming met andere informatievragende dan
wel -leverende partijen. Ten behoeve
hiervan zijn in het verleden het
platform informatievoorziening en het platform onderzoek geïntroduceerd, waarin
door verschillende partijen
informatievoorziening en onderzoek werden
besproken. Deze platforms zullen
worden voortgezet en
afvaardiging kennen namens de minister, de
IWI, de RWI, de CWI, het
UWV, de
SVB,
het CBS en eventueel de gemeenten.
Artikel
5.11.
Basisgegevens
Via dit artikel wordt aan
uitvoeringsorganisaties gevraagd ten behoeve van de taken van de minister
en de IWI een aantal gegevens
te administreren. Welke basisgegevens het betreft is voor de CWI,
het UWV en de SVB vastgelegd in
respectievelijk de bijlagen III, V en VII
van de regeling. De exacte definiëring
van deze basisgegevens en de
eventueel daarin onderscheiden
categorieën dient door de minister in overleg
met de betreffende
uitvoeringsorganisatie bepaald te worden. Dit
uiteraard met inachtneming van het Gegevensregister SUWI.
Basisgegevens zijn een
selectie uit het geheel van gegevens
die bij de uitvoering benodigd zijn of daaruit gegenereerd kunnen
worden. De set basisgegevens is zodanig
gekozen dat het merendeel van de
incidentele vragen van de minister naar
verwachting aan de hand van deze
basisgegevens beantwoord kan worden. De
uitvoeringsorganisatie zorgt ervoor dat de basisgegevens op een
zodanige manier zijn opgeslagen dat de
minister of de IWI eenvoudig en snel een
selectie ervan (in de vorm van
bijvoorbeeld een bestand of tabel)
kunnen ontvangen. Indien een dergelijke
selectie tot natuurlijke personen
herleidbare gegevens betreft, zal dit
uiteraard plaatsvinden met inachtneming van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Bij elke
uitvoeringsorganisatie is het sofinummer als
basisgegeven opgenomen. Het sofinummer dient om ten behoeve van nadere
beleidsanalyses een relatie mogelijk te maken met gegevens die
elders verzameld worden. In dit kader
wordt ook nagedacht over de vorming
van een knooppunt
beleidsinformatie, waarin via dit sofinummer
individuele gegevens uit verschillende
uitvoeringsdomeinen kunnen worden
samengebracht. Over de condities
waaronder een dergelijke koppeling
conform de Wet bescherming
persoonsgegevens kan worden uitgevoerd,
vindt momenteel overleg plaats
met het College bescherming persoonsgegevens.
In dit artikel is tot
slot opgenomen dat de betreffende
basisgegevens ten minste vijf jaar worden bewaard vanaf het moment dat de
uitvoeringsorganisaties geen relatie meer hebben met de betrokken persoon.
De gegevens mogen langer worden
bewaard, mits een
uitvoeringsorganisatie ervoor zorg draagt dat zij
alleen ten behoeve van historische
of wetenschappelijke analyses zullen worden gebruikt. Indien een
uitvoeringsorganisatie de gegevens niet zelf
langer dan vijf jaar wenst te
bewaren, dient zij de gegevens daartoe
over te dragen aan het Steinmetzarchief.
Het Steinmetzarchief is
onderdeel van het Nederlands Instituut voor
Wetenschappelijke Informatiediensten (NIWI) van de Koninklijke
Nederlandse Academie van
Wetenschappen (KNAW) en zorgt voor de
beschikbaarheid van bestaand empirisch materiaal ten behoeve van
sociaalwetenschappelijk onderzoek. Ook bij een dergelijke overdracht
geldt dat wordt toegezien op een
exclusief gebruik voor historische
en wetenschappelijke doeleinden.
Artikel
5.12. Periodieke
informatieverstrekking
Door middel van dit
artikel wordt de CWI, het UWV
en de SVB opgelegd om de minister
en de IWI ten behoeve van hun taken periodiek
een aantal informatieproducten te
verstrekken. De
uitvoeringsorganisaties zullen op verschillende momenten
informatie met een verschillende
breedte en diepgang aan de minister
of de IWI verstrekken over de
uitvoering van het beleid. In
respectievelijk de bijlagen IV, onder a tot en met
c,
VI, onder a tot en met f, en
VIII, onder a tot en met d, staat
vermeld welke informatie met welke
periodiciteit door de betreffende
uitvoeringsorganisatie dient te worden
opgeleverd.
De algemene lijn bij de
periodieke informatieverstrekking is
dat de uitvoeringsorganisaties de minister en de IWI per kwartaal van
informatie voorzien. Uit het oogmerk
van actualiteit, dit mede in relatie tot
de ten behoeve van de
begrotingscyclus benodigde ramingen, is
dit wat betreft de volumeontwikkelingen
in de werknemersverzekeringen niet frequent genoeg. Het betekent
immers dat informatie over het
eerste kwartaal van een lopend jaar pas
medio mei beschikbaar komt en
daarmee niet gebruikt kan worden voor
de beoogde bijstelling van de
ontwerpbegroting in het voorjaar. Het UWV
zal dan ook gevraagd worden
om per maand een aantal
kerncijfers aan te leveren. Welke
kerncijfers het betreft is neergelegd in bijlage
VI, onder a. Omdat cijfers per maand
sterk beïnvloed worden door incidentele
ontwikkelingen, dienen de kerncijfers niet alleen als
maandcijfers, maar ook als twaalfmaands
voortschrijdende gemiddelden te worden
gepresenteerd.
In het kwartaalverslag
geeft de uitvoeringsorganisatie de minister en de IWI informatie op
hoofdlijnen ten behoeve van de
verschillende functies, te weten aansturing,
beleid, toezicht en financiering. Evenals
in het jaarverslag en de jaarrekening
verantwoordt de uitvoeringsorganisatie
zich op hoofdlijnen over de
uitvoering van de hem opgedragen
wettelijke taken en geeft inzicht in de
uitvoering van andere taken. In dit
verband zijn in het kwartaalverslag ook
indicatoren opgenomen die inzicht
geven in de prestaties van de
uitvoeringsorganisaties. Daarnaast worden de
minister en de IWI door middel van
het kwartaalverslag van relevante
beleidsinformatie voorzien. Een
kwartaalverslag hoeft niet van een
accountantsverklaring te worden voorzien.
Het UWV en de SVB
verstrekken respectievelijk vier- en driemaal per jaar een fondsennota.
Deze nota bevat informatie over
volumegegevens, baten en lasten, en
informatie over de vermogenspositie
van de door hen beheerde fondsen.
Daarmee geeft de nota de minister en de
IWI inzicht in de ontwikkelingen van
deze fondsen. De gekozen tijdstippen
hangen samen met het volgende.
De nota van 1 februari geeft een
indruk van de ontwikkeling in het
afgelopen jaar en is daarmee relevant bij
de beleidsvoorbereiding voor het komende jaar. De nota van 1 juli is van
belang omdat rond dat moment de
premievaststelling plaatsvindt. De nota van 1 november biedt het
noodzakelijke inzicht om het beleid
voor het komende jaar te kunnen
vormgeven. De nota van 1 mei van het
UWV is noodzakelijk vanwege de
huidige premieheffingssystematiek voor de werknemersverzekeringen en de noodzaak van de minister om reeds
vóór de zomer inzicht te hebben
in de gerealiseerde baten en lasten en de
vermogenspositie van de fondsen in het voorafgaande jaar.
Naast kwartaalverslagen
en fondsennota’s dienen de
uitvoeringsorganisaties eveneens een aantal
halfjaarlijkse dan wel jaarlijkse
rapportages aan de minister te
verstrekken.
Het vierde en zevende lid
van artikel 5.12 betreffen de
verstrekking van gegevensbestanden door de
CWI, het UWV en de SVB aan de
minister. Deze bestanden zijn
nadrukkelijk niet bedoeld ter vulling van
het eerdergenoemde knooppunt
beleidsinformatie. Via deze leden worden
leveringen geformaliseerd die
momenteel al plaatsvinden. De
periodieke levering ervan is noodzakelijk
voor het ramen en verdelen van budgetten
die onder verantwoordelijkheid van
de minister vallen. Zij is tevens
gewenst ten behoeve van het - in het
kader van het rijksbrede Van
Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording (VBTB) - vooraf calculeren en
achteraf evalueren van de effectiviteit van
het respectievelijk te voeren
en gevoerde beleid. Voor beide doelen
dienen modellen te worden
ontwikkeld, die vervolgens worden
doorgerekend. Voor het doorrekenen
ervan kan weliswaar worden volstaan met
geaggregeerde gegevens (dit zijn
categorieën van gevallen), maar voor
het ontwikkelen en toetsen van modellen
zijn gegevens op individueel
niveau (dit zijn afzonderlijke
gevallen) noodzakelijk. Omdat de te leveren
bestanden geanonimiseerde
individuele gegevens zonder sofinummer
bevatten, zijn zij tot op heden niet als
persoonsgegevens beschouwd. Uit
eerdergenoemd overleg met het College
bescherming persoonsgegevens in het
kader van het eerdergenoemde
knooppunt beleidsinformatie is
echter gebleken dat het bij nader inzien
wel persoonsgegevens betreft. Daarom zullen
alsnog, conform de Wet
bescherming persoonsgegevens, de voor
de verwerking van persoonsgegevens
noodzakelijke voorzieningen worden
getroffen.
Artikel
5.13. Jaarlijkse
informatieverstrekking voor de
beleidsverantwoording en rijksbegroting
In dit artikel gaat het
om gegevens die de minister gebruikt
als input voor de begrotings- en verantwoordingscyclus van het Rijk. Ten behoeve
van de
beleidsverantwoording door de minister
verschaffen de CWI, het UWV
en de SVB jaarlijks een beschrijving van de
prestaties van de dienstverlening op grond
van een aantal nader vast te stellen indicatoren. De betreffende gegevens
worden gebruikt ten behoeve van
het departementale jaarverslag, waarover de minister jaarlijks in mei
aan beide kamers der
Staten-Generaal verantwoording aflegt. De bijlagen
waarin deze informatie is
opgenomen, worden uiterlijk zes maanden
na inwerkingtreding van deze regeling
bekendgemaakt.
Om de minister in staat
te stellen om de departementale
begroting te kunnen bepalen, wordt de
SVB gevraagd jaarlijks in mei
een gedetailleerde raming te verstrekken van
het aantal personen dat
krachtens de in het derde lid genoemde wetten
en regelingen een uitkering zal
ontvangen.
Artikel
5.14.
Informatieverstrekking aan derden
Dit artikel bepaalt dat
de minister en de IWI
de
uitvoeringsorganisaties kunnen verzoeken om
informatie te leveren aan door hen
aangewezen personen of instanties.
Het gaat daarbij om personen of instanties
die in hun opdracht onderzoek
verrichten of gegevens bewerken, of om
door de minister aangewezen
internationaalrechtelijke organisaties. In het
laatste geval betreft het
bijvoorbeeld de levering van informatie aan de International Labour
Organization (ILO).
Niet alleen omwille van
de efficiëntie, maar ook - en vooral -
vanuit het oogpunt van de privacy,
is het wenselijk dat een
uitvoeringsorganisatie de gegevens rechtstreeks
overdraagt aan de betreffende personen
of instanties. Bij hun verzoek moeten de
minister of de IWI ervoor zorg dragen dat alleen de informatie
wordt uitgevraagd die strikt noodzakelijk
is voor het doel waartoe deze
dient te worden verstrekt. Indien nodig
kunnen de minister en de IWI
hiertoe een beroep doen op de kennis
van de uitvoeringsorganisatie in kwestie. De uitvoeringsorganisatie
ziet erop toe dat alleen die informatie
wordt geleverd waarom de minister of de
IWI heeft verzocht. In
overleg met de door de minister of de
IWI aangewezen personen of instanties
bepaalt de betreffende
uitvoeringsorganisatie de meest adequate vorm van de gegevensverstrekking.
In het vierde lid van dit
artikel is bepaald dat het UWV - op
verzoek van de minister -
informatie verstrekt aan de Minister van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (BZK). Omwille van de
transparantie wordt de inhoud van de
periodieke informatieverstrekking aan de Minister van BZK concreet in bijlage
IX bij de regeling benoemd. Als
eerstverantwoordelijke minister voor
personeelsbeleid van de overheid heeft de Minister van BZK niet
alleen informatie nodig over de
salariëring en de aard van functies, maar
ook over de sociale zekerheid van overheids- en onderwijspersoneel. De
invoering van de
werknemersverzekeringen voor het overheids- en onderwijspersoneel ingevolge de
Wet
overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen (OOW) heeft de
behoefte aan deze informatie niet doen
verminderen. Integendeel, de
informatiebehoefte is juist versterkt door
de in het kabinet afgesproken
versterking van de coördinerende rol van
de Minister van BZK met betrekking
tot het personeelsbeleid van de overheid.
Tegen deze achtergrond
heeft de Minister van BZK gegevens
nodig voor het kunnen maken van
microsimulaties met het oog op
toekomstverkenningen enerzijds en het kunnen analyseren van oorzaken
en achtergronden van ontwikkelingen en
prestaties van de overheid als
werkgever anderzijds. De in bijlage
IX genoemde rapportages en bestanden
worden ten behoeve van deze
doelen verstrekt. De Minister van SZW en de Minister van BZK zullen
afspreken dat laatstgenoemde ervoor zorg draagt dat de betreffende
gegevens alleen voor deze doelen
worden gebruikt. Daarnaast wordt
afgesproken dat de Minister van BZK,
conform de Wet
bescherming persoonsgegevens, voldoende privacybeschermende
maatregelen treft, opdat de gegevens
slechts toegankelijk zijn voor de onderdelen
van zijn ministerie die
belast zijn met de eerdergenoemde
coördinatiefunctie voor het personeelsbeleid
van de overheid.
Artikel
5.15.
Openbaarmaking onderzoeksrapporten en statistische
rapportages
In dit artikel is
opgenomen dat de uitvoeringsorganisatie
onderzoeksrapporten en statistische
rapportages enige tijd vóór
openbaarmaking aan de minister verstrekt.
Dit dient alleen om de minister in staat
te stellen om een onderbouwde
beleidsreactie op de bevindingen en de
conclusies in de betreffende publicaties
voor te bereiden. Voor onderzoeksrapporten
en statistische rapportages
waarvan de minister niet van de
inhoud op de hoogte was of kon zijn,
geldt hierbij een termijn van ten minste
twee weken. Bij publicaties
waarvan de minister wel op de hoogte
was of kon zijn, waaronder de
rapportages als bedoeld in artikel 5.12
en artikel 5.14, eerste lid, dient het
betreffende rapport ten minste twee werkdagen vóór openbaarmaking aan de
minister te worden verstrekt. In deze
gevallen kan met een kortere
termijn worden volstaan, omdat de
minister dan in de gelegenheid is om zich vóór de feitelijke openbaarmaking over de
inhoud van het betreffende
rapport te laten informeren. Ook over de
wijze waarop de openbaarmaking wordt begeleid, en een eventueel
vergezellend persbericht, dient de
minister ten minste twee werkdagen van
tevoren te worden geïnformeerd.
Alleen met instemming van de
minister kan in voorkomende gevallen van
de hier genoemde termijnen worden
afgeweken.
Artikel
5.16. Kwaliteit
van de informatievoorziening
Door middel van dit
artikel wordt aan
uitvoeringsorganisaties opgelegd om zorg te dragen voor
een deugdelijke administratie. Hiertoe
wordt ook gerekend het inrichten
van procedures, teneinde te kunnen
garanderen dat tijdig en op de
juiste wijze aan de informatieverplichtingen
in deze regeling wordt voldaan. Over de
kwaliteit van deze
informatievoorziening dienen de
uitvoeringsorganisaties jaarlijks verslag te doen aan de minister
en de IWI. Onder
kwaliteit van de informatievoorziening
wordt hierbij onder meer begrepen de
volledigheid, betrouwbaarheid en
tijdigheid ervan. Het betreffende rapport
wordt uiterlijk tegelijk met het
jaarverslag ingediend.
In het rapport besteedt
de uitvoeringsorganisatie voor de verschillende uit te voeren regelingen
en onderwerpen aandacht aan de stand van
zaken rond de kwaliteit van de
informatievoorziening. De uitvoeringsinstanties brengen rapport uit over
hoe informatie wordt vergaard of
geproduceerd, wat de kwaliteit van haar
en de door haar geleverde
informatie is en de wijze waarop deze
kwaliteit wordt gewaarborgd. De
betreffende rapportage gaat dus in op
zowel de proceskwaliteit als de productkwaliteit van de
informatievoorziening. Jaarlijks kunnen daarbij
andere accenten worden gelegd.
Het artikel is opgenomen
omdat de kwaliteit van de
informatie voor de minister en de IWI van
groot belang is. De door
uitvoeringsorganisaties verstrekte informatie
vormt immers een belangrijke
basis voor de onderbouwing van het
beleid van de minister en de oordelen
van de toezichthouder. Voor een verantwoord gebruik van de informatie
is het noodzakelijk dat de
minister en de IWI goed zicht hebben op
de waarde van de geleverde
informatie.
Artikel
5.17. Stukken Raad
van bestuur en Raad van advies
Dit artikel verplicht de
CWI, het UWV en de SVB
de agenda
en een verkorte weergave van het
verslag van de bijeenkomsten van
de Raad van bestuur en de Raad
van advies aan de minister en de IWI
te verstrekken. Daarnaast dienen alle
stukken ter beschikking van de
minister en de IWI gesteld te
worden, waarvan de Raad van bestuur
redelijkerwijs kan vermoeden dat zij
relevant zijn in het kader van de
ministeriële verantwoordelijkheid.
Toezending vindt plaats binnen drie
dagen na de agendering in de Raad van
bestuur of Raad van advies.
Artikel
5.18. Wijziging
informatieverstrekking
Indien de
minister een
wijziging wenst aan te brengen in de
regeling of de bijbehorende bijlagen, zal
hij vooraf de uitvoerbaarheid van de gewenste wijziging laten toetsen
door de uitvoeringsorganisatie. Bij het wijzigen van een bijlage die
betrekking heeft op basisgegevens, zal de
minister de uitvoeringsorganisaties
een redelijke termijn geven om de
noodzakelijke voorbereidingen te
treffen. Een wijziging van de basisgegevens kan immers grote gevolgen
hebben voor de administratieve
processen van een uitvoeringsorganisatie.
§
5.2.2.
Informatieverstrekking CWI, UWV en SVB aan de RWI
Artikel
5.19.
Gegevensverstrekking door CWI, UWV, SVB en gemeenten
In het zevende lid van
artikel 54 van de Wet SUWI is opgenomen
dat bij ministeriële regeling
nadere regels worden gesteld omtrent de verstrekking van gegevens en
inlichtingen door de CWI, het UWV, de
SVB en de gemeenten aan de
Raad
voor werk en inkomen (RWI).
Daar waar bij deze
informatieverstrekking door de CWI, het UWV en de SVB
tussenkomst van de minister optioneel
is, is dat bij de gemeenten niet
het geval. Rechtstreekse
informatieverstrekking door de gemeenten aan de
RWI ligt niet voor de hand, omdat
het zou betekenen dat zowel de
minister als de RWI gegevens verzamelen, controleren, schonen en bewerken tot
een statistiek. De periodieke informatieverstrekking
door gemeenten aan de RWI zal derhalve
via tussenkomst van de minister
plaatsvinden. Welke informatieproducten
het betreft, is neergelegd in
bijlage X.
De door de CWI, het UWV,
de SVB en gemeenten aan de
RWI te verstrekken informatie
dient nodig te zijn voor de uitoefening
van zijn taken. De informatie die
de CWI, het UWV en de SVB aan de RWI
verstrekken, is identiek aan de
informatie die conform artikel 5.12
aan de minister zal worden
geleverd, tenzij de betreffende informatie
tot natuurlijke personen herleidbare
gegevens bevat. Dit zal zeker het
geval zijn met betrekking tot het vierde
en zevende lid van artikel 5.12.
Deze leden betreffen namelijk de
levering van geanonimiseerde
individuele gegevens, hetgeen voor de taken die de RWI zijn toebedeeld niet
noodzakelijk is. Voor wat betreft de door
de uitvoeringsorganisaties aan de RWI te leveren gegevensbestanden zullen
deze inhoudelijk dezelfde
informatie bevatten als de bestanden die aan
de minister worden geleverd. Wat de
vorm waarin de bestanden
worden geleverd betreft, is er echter een
belangrijk verschil: daar waar de bestanden
ten behoeve van de minister
geanonimiseerde individuele gegevens
dienen te bevatten, dienen de
bestanden voor de RWI nadrukkelijk geen
tot natuurlijke personen
herleidbare gegevens te bevatten.
Artikel
5.20. Nadere
bepalingen voor gegevensverstrekking
De informatiebehoeften
van de RWI kunnen naar verwachting
via de in artikel 5.19 genoemde
periodieke informatieproducten voor
een belangrijk deel worden vervuld. Het
kan echter voorkomen dat de RWI ten behoeve van een
specifieke analyse aanvullende gegevens nodig heeft. In dat geval kan de RWI
zonder tussenkomst van de minister aanvullende informatie opvragen bij
de uitvoeringsorganisaties. De RWI wordt geacht zich bij
dergelijke incidentele informatieverzoeken
zoveel mogelijk te beperken tot de in
bijlage III, V en VII voor respectievelijk
de CWI, het UWV en de SVB
genoemde
basisgegevens.
De procedure bij
incidentele informatieverstrekking aan de RWI is als volgt. De RWI dient zijn
verzoek schriftelijk in en geeft
daarbij concreet aan welke informatie het
betreft, waar de informatie voor nodig is en wanneer deze dient te
worden opgeleverd. Er is in de regeling voor
dit laatste geen vaste
termijn opgenomen, omdat wat een redelijke
termijn is, afhangt van de urgentie
van het informatieverzoek en van
de moeite die het kost om de
betreffende gegevens te leveren. Wel wordt een
uitvoeringsorganisatie geacht binnen vijf werkdagen de RWI te laten
weten of zij de door de RWI genoemde termijn haalbaar acht.
§
5.2.3.
Informatieverstrekking IB aan de minister en de IWI
Ook het
Inlichtingenbureau (IB) dient kwartaalverslagen aan de
minister en de IWI
te zenden. De
inhoud daarvan is opgenomen in bijlage
XI.
§
5.2.4. Rapportage
gegevensverwerking
Artikel
5.22.
Verantwoording gegevensverwerking (in combinatie met artikel
6.4)
De
CWI, het UWV, de SVB
en het IB dienen jaarlijks
verantwoording af te leggen over de
gegevensverwerking binnen hun organisatie, deze verantwoording dient te worden voorzien
van een oordeel van een EDP-auditor. De EDP-auditor stelt voor
de opzet en de reikwijdte
van de audit een plan op, waarin
gemotiveerd wordt welke systemen,
procedures, etc. worden betrokken in
de audit. De uitkomsten van de
audit worden gerapporteerd aan de minister en de
IWI. De bedoelde audit
strekt zich ook uit tot het gebruik
van Suwinet en de voorzieningen die
krachtens het Stelselontwerp tot Suwinet gerekend worden en die tot het verantwoordelijkheidsdomein
van de betreffende organisatie behoren. Voor
Suwinet is in artikel 6.4 een
afzonderlijke verplichting tot het zorg dragen voor beveiliging geformuleerd.
Voor de beveiliging van Suwinet
worden in bijlage XIV normen
gesteld. De uitwerking van de daarin opgenomen informatiebeveiligingseisen
is gebaseerd op de Code voor
informatiebeveiliging 2000, aangevuld met maatregelen genoemd in de
A&V-studie nr. 23 "Beveiliging van persoonsgegevens" van het
College
bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk 6. Suwinet en
IB
In de Wet
SUWI is bepaald
dat het UWV, de CWI en
gemeenten
(c.q. gemeentelijke sociale
diensten) voor onderlinge uitwisseling
en raadpleging van gegevens gebruik
maken van een elektronische infrastructuur, aangeduid als Suwinet. Het
realiseren van voorzieningen die de
communicatie tussen partijen moet ondersteunen brengt de noodzaak van
afstemming en coördinatie met zich
mee. De Wet SUWI (hoofdstuk
9) bevat
daarom meerdere bepalingen
omtrent inrichting en gebruik van Suwinet,
evenals over de gegevens en
berichten die via het netwerk worden
uitgewisseld. Met deze regeling wordt de
inrichting van Suwinet vastgelegd. Dit betreft het stelselontwerp zoals
aangeduid in artikel 66, eerste lid, van de Wet
SUWI, het Gegevensregister SUWI (artikel 64, tweede lid) en de organisatie en
beheer van Suwinet (artikel 67,
tweede lid), waaronder begrepen het
beleid rond beveiliging en privacy.
Het IB is een stichting
die wettelijke taken uitvoert op basis
van de Abw, de Ioaw, de
Ioaz en
de Wet SUWI. In het Besluit Inlichtingenbureau
gemeenten zijn de taken van het IB voor een groot deel al nader uitgewerkt. In
deze regeling worden nadere regels
gesteld met betrekking tot de
inrichting van de elektronische voorzieningen van het IB, de aansluiting van
gemeenten op het IB en met betrekking
tot het jaarplan, de begroting en de verantwoording door het IB. Tevens bevat
de regeling overgangsbepalingen ten aanzien van het tijdpad van de implementatie
van het IB bij gemeenten
en de financiering van de Stichting Inlichtingenbureau.
§
6.1. Suwinet
§
6.1.1. Algemeen
Om onderlinge
gegevensuitwisseling mogelijk te maken zijn gemeenschappelijke afspraken en standaards
nodig. Hiertoe wordt met
deze regeling een samenhangend
stelselontwerp vastgelegd.
Het stelselontwerp gaat
er in belangrijke mate van uit dat zoveel mogelijk voorzieningen behoren tot
de verantwoordelijkheid van de aangesloten partijen wat betreft
ontwikkeling en beheer, uiteraard conform
gemeenschappelijke afspraken en standaards. Om deze "decentrale"
voorzieningen met elkaar te kunnen
laten communiceren, zijn daarnaast
gemeenschappelijke of centrale voorzieningen noodzakelijk, die niet logischerwijs
aan één van de aangesloten
partijen zijn toe te wijzen.
De situatie voor
gemeenten wijkt in die zin af van die voor UWV
en CWI dat hier voor wat
betreft het decentrale aspect niet
sprake is van één organisatie, maar
van een groot aantal. De Stichting Inlichtingenbureau heeft
op grond van de Wet SUWI een coördinerende en dienstverlenende
taak
en neemt aldus voor het gemeentelijk domein de taken voor haar
rekening die op grond van het
stelselontwerp als decentraal worden
aangemerkt, maar die het niveau van
individuele aangesloten gemeenten overstijgen.
Het stelselontwerp
beschrijft op hoofdlijnen:
a. de functies die door
het stelsel worden geboden;
b. de verschillende
componenten die al of niet per functie
daarvoor nodig zijn;
c. de wijze waarop die
componenten samenwerken;
d. de
verantwoordelijkheden met betrekking tot
ontwikkeling en beheer voor die componenten;
e. de daaruit
voortvloeiende verplichtingen voor de deelnemende partijen teneinde een werkend
stelsel te realiseren.
De voor het
stelselontwerp relevante technisch afspraken zijn beschreven in de zogenoemde
interfacedefinities. Deze beschrijven in
detail hoe de verschillende componenten, ontwikkeld door en in beheer bij
verschillende partijen, onderling
samenwerken teneinde de functionaliteit van
Suwinet te kunnen bieden, dan wel
te kunnen gebruiken. De
interfacedefinities zijn vervat in de bijlage XIII ("Stelselontwerp
Suwinet") bij deze regeling.
Voor het functioneren van
het stelsel zijn, naast hetgeen in
deze regeling wordt vastgelegd, nog
praktische afspraken nodig tussen de
partijen, met name rond de
samenwerking en afstemming op gebied van
technisch beheer van het stelsel,
het afhandelen van incidenten (foutmeldingen) en ook over de tijdigheid en
kwaliteit van
gegevensverstrekkingen. De partijen dienen hiertoe onderling overeenkomsten
(zogenaamde Service Niveau Overeenkomsten) af te sluiten, die niet tot het
stelselontwerp behoren als hier beschreven.
§
6.1.2. Inrichting en
opzet van Suwinet
Algemeen
Suwinet is een
extranet,
dat grotendeels gefundeerd is op de netwerken en de daarin aanwezige
services van de aangesloten partijen (UWV, CWI en
Inlichtingenbureau respectievelijk gemeenten). Voor gebruikers en
aangesloten applicaties zal dit extranet zich voordoen als een aparte entiteit,
waartoe men pas na autorisatie toegang heeft.
Suwinet biedt de
functionaliteiten die voor
gegevensuitwisseling in het SUWI-domein nodig zijn.
Voor de realisatie van de voor SUWI benodigde ICT-voorzieningen heeft
de minister gekozen voor een aanpak
in twee sporen ¹. Spoor 1, dat in
2001 in uitvoering is genomen, is erop
gericht om - met gebruikmaking
van reeds bestaande voorzieningen
en beperkte nieuwbouw - op korte
termijn de meest noodzakelijke
ondersteuning van de SUWI-uitvoeringsketen te realiseren. Spoor 2
betreft de ontwikkeling van een duurzame
infrastructuur op basis van een informatiearchitectuur. Onderstaand worden de
functionaliteiten en architectuur van Suwinet toegelicht. Dit
gebeurt uitgebreider bij de bijlagen bij deze
regeling waarmee het
stelselontwerp en het gegevensregister (bijlagen XIII en
XII) worden vastgelegd.
1. Zie het Beleidsplan ICT
d.d. 12 januari 2001, bijlage 12 bij het Grofontwerp S UWI
(bijgaand stuk
1 bij Kamerstukken II 2000-2001, 26 448, nr. 19).
Functionaliteiten (artikel
6.1)
De Suwinet-functies in
spoor 1 die in deze regeling beschreven worden, zijn de volgende:
1. inkijken: het (bij een
andere organisatie) direct kunnen ophalen van gegevens met betrekking
tot een bepaald sofinummer ten behoeve van het tonen van die
gegevens aan een medewerker op zijn
computerscherm (raadplegen) of ten
behoeve van het verwerken ervan in een
applicatie (inlezen);
2. meldingen: het kunnen
versturen van gegevens naar een
door de afzender bepaalde ontvangende
organisatie. In bepaalde gevallen
bestaat voor een ontvanger de
mogelijkheid een abonnement te nemen op
wijzigingen in ontvangen gegevens.
In spoor 1 worden de
volgende meldingen uitgewisseld:
• vanuit CWI:
intakebericht WW en Abw
inclusief alle
daarmee verband houdende secundaire
meldingen, op initiatief van CWI;
• vanuit UWV:
dienstverhoudingen en
uitkeringsverhoudingen, alsmede wijzigingen daarin aan IB.
Realisering van de voor
deze functies voor het gemeentelijk
domein benodigde voorzieningen
bij het Inlichtingenbureau zal
eerst in de loop van 2002
plaatsvinden. Uit oogpunt van reductie van
complexiteit is ervoor gekozen om eerst
de bouw en ingebruikname van de
voorzieningen voor het genereren van
samenloopsignalen ten behoeve van
rechtmatigheidscontrole af te ronden en daarna de voor het Suwinet
benodigde aanpassingen te realiseren.
Aansluiting van gemeenten op het IB
zal in de loop van 2002 gebeuren,
zodat er naar verwachting eind
2002 van volledig gebruik van Suwinet zoals
gedefinieerd in spoor 1 sprake zal
zijn. Het aansluitschema voor
gemeenten op het Inlichtingenbureau
(zie ook onder) geldt daarom als
invoeringssystematiek voor het gebruik van Suwinet door gemeenten
volgens het in deze regeling
bepaalde.
Na oplevering van spoor 1
zullen op korte termijn in
aanvulling daarop de volgende voorzieningen
worden gerealiseerd:
• ongestructureerde
meldingen, dat wil zeggen het versturen
door middel van een melding van
ongestructureerde ("vrije") gegevens.
Dit betreft met name het versturen van de
rapportage van de kwalificerende
intake door de CWI, verslagen van
bemiddelingsgesprekken, etc;
• het tussen personen
beveiligd kunnen uitwisselen van
informatie via e-mail.
Architectuur (artikelen
6.2 en 6.3)
Om Suwinet als extranet
te laten functioneren zijn er in
zowel het centrale als de decentrale
domeinen bepaalde componenten nodig en worden aan de onderlinge
raakvlakken en aansluitingen
(interfaces) tussen die componenten bepaalde
eisen gesteld. Voor de
architectuurbeschrijving van Suwinet wordt
uitgegaan van een gelaagd model. Op
elke laag worden afspraken en
standaards gedefinieerd. Het betreft
de volgende lagen:
1. het datacommunicatie-
of netwerkniveau;
2. de gegevens die
onderling uitgewisseld worden;
3. de logische of
functionele inrichting van het stelsel.
Laag 1,
datacommunicatienetwerk (artikel 6.3, eerste lid,
onderdeel a, en derde lid, onderdeel b)
Op datacommunicatieniveau
wordt uitgegaan van de
netwerken binnen de diverse kolommen en
partijen. Het zogenaamde SUWI-koppelpunt brengt de verbindingen
tussen de aangesloten netwerken en naar de
centrale Suwinet-voorzieningen tot
stand. Dit vormt op
datacommunicatiegebied het enige
gemeenschappelijke onderdeel van Suwinet.
De feitelijke inrichting
van de netwerken in de diverse kolommen en
partijen is sterk in beweging.
Voor het stelselontwerp is dat niet belangrijk zolang maar voldaan wordt
aan voorschriften voor het koppelvlak voor aansluiting aan het
SUWI-koppelpunt. Als generiek protocol
wordt uitgegaan van TCP/IP. Dit
dient door alle partijen in
verschillende subdomeinen te worden ondersteund.
Het stelselontwerp
specificeert hoe de verschillende netwerken in de
verschillende domeinen worden
gekoppeld. Voor het versturen van
meldingen wordt gebruik gemaakt van
de faciliteiten van RINIS [Routeringinstituut (Inter)nationale
Informatiestromen, red.], voor zover het transport tussen
kolommen, dat wil zeggen tussen
sectorloketten betreft. Het transport binnen een
kolom, dat wil zeggen tussen
sectorloket en partijen binnen die kolom, gebeurt
in spoor 1 op basis van
reeds in die kolom beschikbare of in
ontwikkeling zijnde faciliteiten. In
spoor 1 zal hier nog geen standaardisatie
plaatsvinden.
Laag 2, gegevens- en
berichtenregister (artikel 6.2)
De betekenis van de
gegevens die tussen de SUWI-partijen worden
uitgewisseld en de wijze waarop de
gegevens worden vastgelegd
(gecodeerd) bij de uitwisseling, dienen
eenduidig en ondubbelzinnig te zijn.
Op grond van de uitvoering van
wettelijke taken van de
uitvoeringsorganisaties ontstaat een concreet beeld van de
gegevens die nodig zijn, op welk
moment ze nodig zijn en bij
welke uitvoerder zulke gegevens
beschikbaar komen. Om het voor
uitvoeringsorganen, burgers en werkgevers
inzichtelijk te maken welke gegevens voor
meervoudig gebruik beschikbaar zijn,
wordt als bijlage bij deze
ministeriële regeling het Gegevensregister SUWI (bijlage
XII) vastgesteld. Hierin
wordt een gemeenschappelijke
taal voor elektronische
gegevensuitwisseling in het SUWI-domein
vastgelegd, aangeduid als SuwiML.
Het Gegevensregister SUWI voorziet in een register met
gegevensdefinities dat betekenis en formaat
van alle uit te wisselen gegevens
definieert. Dit betreft in eerste
instantie uitwisselingen tussen UWV, CWI,
gemeenten en het Inlichtingenbureau.
Op korte termijn zullen in aansluiting op
het gegevensregister ook
uitwisselingen met
reïntegratiebedrijven beschreven en ingekaderd worden.
In het Gegevensregister SUWI is een overzicht opgenomen,
aangeduid als Berichtenindex SUWI,
waarin de verschillende soorten berichten zijn weergegeven die in het kader van
wettelijke taken worden uitgewisseld
tussen SUWI-uitvoeringsorganisaties.
Onder berichten worden alle
verzamelingen van gegevens verstaan
zoals die met de onderscheiden functies
van Suwinet worden verzonden
(meldingen) dan wel geraadpleegd of
ingelezen (inkijk).
Met artikel 6.2, derde
lid, wordt ook de wettelijke basis
gelegd voor het gebruik van Suwinet door
gemeenten bij uitvoering van de Wiw. Dit betreft primair
uitwisselingen tussen de CWI en gemeenten van
gegevens met betrekking tot de
afstand tot en kansen op de arbeidsmarkt
van cliënten.
Laag 3, Logische
Inrichting (artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b,
en derde lid, onderdeel a)
De logische inrichting
beschrijft de meer functionele werking
van het stelsel en de voorzieningen en
standaards die daarvoor nodig zijn.
De belangrijkste onderdelen zijn de
volgende.
Personenverwijsbestand
Een
personenverwijsbestand of -index geeft per sector aan of
er een dossier of registratie wordt
gehouden over een bepaalde cliënt en
bij welke partij binnen die kolom die
informatie zich bevindt. De
beschikbaarheid van persoonsinformatie van
een individuele cliënt moet immers
achterhaald kunnen worden. Het
stelselontwerp bevat een beschrijving
van de verwijsgegevens, van de wijze waarop zulke gegevens in
verwijsbestanden per uitvoeringsorganisatie (CWI en
UWV) of sector (gemeenten)
worden onderhouden en van de wijze waarop in deze bestanden gezocht
kan worden. Als identificatiegegeven
geldt steeds het sofinummer. Het is
de verantwoordelijkheid van een kolom om de index inhoudelijk te
onderhouden. De verwijsindex is een
generiek mechanisme; omdat de
situatie in elke kolom echter verschillend
is zal de feitelijke inrichting van
de verwijsbestanden tussen de kolommen
verschillen. De indexen dienen wel te
voldoen aan dezelfde
interfacespecificaties.
Toegangsbeveiliging en
-machtiging
Toegangsbeveiliging
draagt zorg voor het uitsluitend verlenen
van inkijktoegang tot de informatie in de
webservers aan die gebruikers die
daartoe een toegangsmachtiging
hebben, dat wil zeggen geautoriseerd
zijn. De toegangsmachtigingen zijn gegevens van gebruikers uit de diverse
partijen die de toegangsrechten
(autorisaties) bepalen. Deze gegevens
zijn ondergebracht in een
gebruikersadministratie. Het beheer van deze
gegevens ligt bij de partijen.
De toegangsbeveiliging
wordt gerealiseerd door middel van een
gemeenschappelijk standaardtoegangsbeveiligingspakket. Dit pakket verzorgt tevens de logging van
alle toegangen die verleend zijn (en die
afgewezen zijn). Deze logging bevat
informatie over wie (welke
gebruiker) welke gegevens over welk sofinummer heeft geraadpleegd. Op basis
van deze logging worden periodieke
rapportages opgesteld.
Abonnementenadministratie
Een andere voorziening
betreft het mechanisme om relevante
wijzigingen die in een
basisregistratie worden aangebracht te signaleren
en door te melden aan andere
partijen. In spoor 1 wordt beperkt van deze
functie gebruik gemaakt. Alleen
wijzigingen in de registraties van
het UWV (dienstverbanden en
uitkeringen) worden gemeld aan het Inlichtingenbureau
ten
behoeve van het vaststellen van
samenloop met Abw-uitkeringen. Het UWV
is derhalve vooralsnog de enige
partij die een
abonnementenadministratie onderhoudt.
§
6.1.3. Beveiliging
(artikel 6.4)
Een belangrijk punt van
aandacht is de beveiliging van de
gegevensuitwisseling. Het gebruik en beheer van Suwinet volgens de
bepalingen in de Wet SUWI en deze regeling
is onderdeel van het wettelijke
takenpakket. In overeenstemming met de
decentrale opzet van Suwinet en de
eisen die krachtens de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Wet SUWI gelden, hebben de
uitvoeringsorganen de taak om waarborgen te creëren ten aanzien van
de kwaliteit van gegevens,
privacybescherming en andere
beveiligingsmaatregelen binnen het domein en de
zeggenschap van de eigen organisatie.
Door middel van deze
regeling wordt tevens zorg gedragen
voor een samenhangend
beveiligingsbeleid. Dit beleid heeft tot doel om
afstemming en samenhang te bereiken
in de systematiek en de niveaus van
beveiliging in de verschillende Suwinet-domeinen. Kern is dat via de
bijlage bij deze regeling "Beveiliging
Suwinet" (bijlage XIV) een
gemeenschappelijke, nadere uitwerking geborgd wordt
van artikel 13 van de Wbp, dat
algemene uitgangspunten en richtlijnen geeft voor de door organisaties te
implementeren beveiligingsmaatregelen.
Voor het opstellen hiervan wordt
de Code voor Informatiebeveiliging
gehanteerd. De bijlage legt
gemeenschappelijke betrouwbaarheidseisen
vast die het beveiligingsniveau
aangeven voor Suwinet. De geformuleerde
normen gelden niet alleen voor
Suwinet in engere zin, maar ook voor
de bedrijfsprocessen die van
de met behulp van Suwinet
uitgewisselde gegevens gebruik maken.
Aldus wordt een gelijkwaardig
niveau van beveiliging over de
organisaties heen bereikt.
De vereiste
betrouwbaarheid wordt gedefinieerd vanuit de
gevolgen van inbreuken op:
• beschikbaarheid: de
mate waarin de Suwinet-functie in
bedrijf is op het moment dat de organisatie
het nodig heeft;
• integriteit: de mate
waarin de Suwinet-functie zonder
fouten is;
• vertrouwelijkheid: de
mate waarin de toegang tot en de
kennisname van de Suwinet-functie en de
informatie daarin is beperkt tot een
gedefinieerde groep van gerechtigden.
Op basis van de gestelde
eisen worden vervolgens
beveiligingsdoelen vastgelegd waarmee het
vastgestelde niveau kan worden
bereikt. De organisaties zijn vervolgens zelf
gehouden om
beveiligingsmaatregelen te treffen waarmee de doelstellingen
worden bereikt. Als onderdeel
van de jaarlijkse verantwoording over de
gegevensverwerking binnen de organisaties rapporteren deze tevens
over het gebruik, de inrichting en
de beveiliging van Suwinet, uiteraard voor zover dit binnen hun
verantwoordelijkheidsdomein valt.
In de genoemde bijlage
wordt nader ingegaan op de
organisatie van de beveiliging van Suwinet.
Voor de beveiliging van
Suwinet worden in bijlage XIV
normen gesteld. De uitwerking
van de daarin opgenomen
informatiebeveiligingseisen is gebaseerd op de Code
voor informatiebeveiliging
2000, aangevuld met maatregelen genoemd
in de A&V-studie nr. 23 "Beveiliging
van persoonsgegevens" van
het College bescherming persoonsgegevens. Ook over de beveiliging van
Suwinet dient verantwoording te worden
afgelegd, zoals geregeld in artikel 5.22.
§
6.1.4. Toewijzing
centrale taken, afstemming (artikel 6.3,
eerste lid, onderdeel c en d, en tweede
lid)
Het beheer van centrale
voorzieningen binnen Suwinet wordt op
grond van artikel 67 Wet
SUWI belegd bij de CWI. Gezien haar
wettelijke taakstelling en positionering vervult
de CWI bij uitstek een
centrale ketenfunctie. De CWI richt hiertoe als afzonderlijke
organisatorische eenheid het Bureau
Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)
in. De Raad van bestuur CWI is
verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken bij het BKWI en
is budgetverantwoordelijk. De Raad van bestuur CWI zal over de
besteding van middelen en de
uitvoering van aan haar opgedragen taken
afzonderlijk verantwoording afleggen
in een jaarverslag. Vóór 1
januari 2003 vindt evaluatie plaats van het
functioneren van (het kader rond) Suwinet; ultimo 2004 vindt evaluatie
plaats van onderbrenging bij het
BKWI bij de CWI en van de omvang,
reikwijdte en uitoefening van de
gemeenschappelijke activiteiten door het BKWI.
Het BKWI heeft tot taak
om operationele taken rond ontwikkeling, beheer en onderhoud van
gemeenschappelijke afspraken en
voorzieningen uit te voeren. Verder zal
het de samenwerking tussen de
uitvoeringsorganen vormgeven bij het testen
van nieuwe voorzieningen of
functionaliteiten inzake de infrastructuur,
alsook bij het verkennen van
noodzaak en haalbaarheid van
eventuele technische of organisatorische
vernieuwingen. Voor de invulling van
haar taken zal het BKWI werkgroepen
instellen waarin de betrokken
uitvoeringsorganen samenwerken. Er is in
ieder geval:
• een werkgroep van beveiligings- en privacybeambten van het BKWI, het UWV, de CWI en het IB
en
eventuele andere aangesloten
partijen;
• een werkgroep
gegevens en berichten die zich bezighoudt met
onderhoud van het gegevensregister
en de berichtenbijlage.
Het BKWI heeft geen
besluitvormende bevoegdheid omtrent
inrichting van voorzieningen en
vormgeving van
gegevensuitwisselingen. Besluitvorming
hieromtrent vindt plaats door de Minister
van SZW in overleg met de
uitvoeringsorganen (conform artikel 71 van de
Wet SUWI). Beleidsmatige en
strategische afstemming tussen de partijen vindt
plaats in het zogenaamde
Ketenoverleg, waarin het ministerie van
SZW op ambtelijk niveau met de
betrokken organisaties overlegt. In
dit overleg komen de begroting en het
jaarplan van het BKWI aan de orde
en tevens alle relevante aspecten
rond gebruik en inrichting van Suwinet, waaronder alle door het BKWI (in de
genoemde werkgroepen) voorbereide
voorstellen tot wijziging of
aanpassing van het stelsel, gegevensregister,
etc.
Aan het overleg nemen het
UWV, de CWI, de VNG (namens gemeenten) en de
SVB
(vooruitlopend
op aansluiting op Suwinet) deel. Het
BKWI en het Inlichtingenbureau nemen als adviserende leden deel.
De minister stelt een huishoudelijk
reglement van het Ketenoverleg vast. De
procedures die het BKWI hanteert ter
afstemming met de partijen rond de
diverse aandachtsgebieden zullen
in het overleg worden vastgesteld.
In beginsel dragen
uitvoerders zelf de kosten voor de
voorzieningen die binnen de eigen
organisatie- of sectorgrenzen worden getroffen
om gegevens beschikbaar te stellen
aan andere partijen via Suwinet, en
voor de ontvangst en verwerking
van gegevens die worden ontvangen van
andere partijen.
Kosten voor (inrichting
en beheer van) gemeenschappelijke
voorzieningen en het Gegevensregister SUWI (de activiteiten van het BKWI) worden door SZW gefinancierd.
Voor experimentele projecten
kunnen aparte afspraken worden gemaakt
tussen de betrokken partijen.
De minister brengt
jaarlijks, als onderdeel van de
verantwoording aan de Tweede Kamer in de
maand mei, op basis van de inbreng
van de samenwerkende
uitvoeringsorganen en gevoed door het
dagelijks beheer van de infrastructuur een
verslag uit over de wijze waarop
inrichting en instandhouding van de
infrastructuur gestalte heeft gekregen.
Hierin wordt ook gerapporteerd over
gemaakte afspraken die in het
Ketenoverleg zijn voorbereid. Tevens wordt
verslag gedaan over aard en frequentie
van gewisselde berichten over het Suwinet.
§
6.2. Inlichtingenbureau
§
6.2.1. Algemeen
De wettelijke taken van
de Stichting Inlichtingenbureau
behelzen in beginsel dat zij elektronische
voorzieningen beheert, waarmee
uitwisseling van informatie tussen gemeenten en andere instanties in het kader
van uitvoering van de Abw, Ioaw,
Ioaz en de Wet SUWI tot stand
wordt gebracht. Gemeenten zijn
bij wet verplicht om in omschreven gevallen gebruik te maken van de
voorzieningen van het
Inlichtingenbureau. Het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten bevat een
omschrijving van de taken van het
Inlichtingenbureau, stelt regels met
betrekking tot de verwerking van
gegevens en de financiering van en
verantwoording door het
Inlichtingenbureau. In deze regeling worden de
volgende zaken nader uitgewerkt:
a. de kaders voor het
Inlichtingenbureau als onderdeel van de SUWI-keten;
b. de wijze waarop de
elektronische voorzieningen van het
Inlichtingenbureau zijn ingericht, de
afspraken die zijn gemaakt met
leveranciers van brongegevens en de wijze
waarop, dan wel de voorwaarden
waaronder gemeenten gebruik kunnen
maken van de voorzieningen van
het Inlichtingenbureau en de
experimenten die het
Inlichtingenbureau uitvoert;
c. de eisen waaraan de
door de Stichting Inlichtingenbureau in te
dienen jaarplannen, -begrotingen
en -verantwoordingen dienen te voldoen;
d. de eisen omtrent door
de Stichting Inlichtingenbureau aan de
Minister van SZW te verstrekken
informatie (in verband met
verantwoording, beleidsvorming en
-evaluatie en de uitoefening van het
toezicht door de IWI);
e. overgangsbepalingen
ten aanzien van het tijdpad van de
implementatie van het
Inlichtingenbureau bij gemeenten en de
financiering van de Stichting
Inlichtingenbureau.
§
6.2.2. Elektronische
voorzieningen en gegevensuitwisseling
Suwinet
De taken van het
Inlichtingenbureau in het kader van Suwinet
op grond van artikel 63 van de Wet
SUWI staan beschreven in het
Stelselontwerp Suwinet. Hiervoor wordt
verwezen naar de toelichting
hierboven. De taken komen in het kort
hierop neer dat het
Inlichtingenbureau:
• een verwijsindex als
beschreven in paragraaf 6.1.1 beheert waarin
wordt bijgehouden in welke gemeente
informatie beschikbaar is
betreffende een Abw-, Ioaw- of
Ioaz-uitkering.
De CWI en het UWV
kunnen op dit
bestand inkijken om gegevens over
uitkeringsperioden van cliënten bij
gemeenten te raadplegen;
• het transport van
meldingen binnen de gemeentekolom tussen
het Inlichtingenbureau als
sectorloket, als beschreven in paragraaf 6.1.1, en
de aangesloten gemeenten verzorgt;
• het beheer van
toegangsautorisaties voor de gemeentekolom
coördineert. Het Inlichtingenbureau
neemt deel in werkgroepen van het BKWI
en neemt als adviseur deel aan het Ketenoverleg.
Gegevensuitwisseling via
het Inlichtingenbureau tussen
gemeenten en derden (artikelen 6.5
en 6.6)
In deze artikelen wordt
uitwerking gegeven aan artikel 3 en
artikel 4 van het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten.
In de bijlage "Aansluitvoorwaarden gemeenten
op IB" (bijlage
XV) is een aantal technische en
procedurele voorwaarden opgenomen
waaraan gemeenten dienen te
voldoen voordat zij de uitwisseling met UWV, Informatie Beheer Groep
en belastingdienst via het
Inlichtingenbureau kunnen starten.
De technische voorwaarden
betreffen de aanwezigheid van de
benodigde software en
infrastructuur. De procedurele voorwaarden betreffen de
mate waarin de organisatie
gereed is voor de implementatie en het
beheer van de faciliteiten van het
Inlichtingenbureau.
In de bijlage "Ontwerp
elektronische voorzieningen IB" (bijlage
XVI) wordt nader uitgewerkt
hoe de uitwisseling van informatie via het Inlichtingenbureau werkt.
Dit ontwerp moet nadrukkelijk worden gezien binnen de kaders
die zijn gesteld rondom Suwinet,
zowel in het Stelselontwerp Suwinet
als in het gegevens- als
berichtenregister.
In de bijlage wordt
aangegeven op welke wijze de
gegevensverstrekking plaatsvindt, waarmee
wordt bedoeld dat wordt aangegeven op
welke tijdstippen een gemeente
gegevens
aanlevert, wat er met die gegevens
wordt gedaan, welke gegevens
het betreft en hoe het
Inlichtingenbureau de gegevens weer aan gemeenten
aanbiedt. In deze bijlage wordt een
opsomming gegeven van de gebruikte
gegevens; er worden geen definities of
schrijfwijze van de betreffende
gegevens uitgewerkt.
De bewaartermijn van de
gegevens van
uitkeringsgerechtigden bij het Inlichtingenbureau is
gesteld op maximaal 31 december van het
kalenderjaar volgend op het jaar
waarin de uitkering (blijkens de
opgave van de gemeente) werd
beëindigd. Reden hiervoor is dat gegevens
van de belastingdienst die relevant kunnen zijn voor het recht op
uitkering, tot dat tijdstip bekend kunnen
worden.
§
6.2.3.
Overgangsbepaling (artikel 6.7)
Alle
gemeenten worden
verplicht om gebruik te maken van het IB. Met het oog op een goede
implementatie geldt deze verplichting niet
voor alle gemeenten ineens. In bijlage XVII ("Aansluitschema
gemeenten op IB") is een schema opgenomen
waarin voor een deel van de
gemeenten wordt aangegeven vanaf
welke datum de verplichting voor hen
geldt. Voor de overige gemeenten
wordt deze datum op een later
tijdstip door de minister bepaald. Zie
verder de toelichting bij deze bijlage.
Hoofdstuk 7.
Overgangsbepalingen en afwijkingen van de Wet S UWI
en van het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten i.v.m. invoering.
Artikel
7.1. Afwijking van
hoofdstuk 2 Wet S UWI
Aangezien de leden van de
Raden van advies moeten worden
aangezocht alvorens de Wet SUWI in
werking treedt, kan het aan de
ondernemingsraden toegekende recht in artikel 3, derde lid, van de Wet
SUWI om één lid aan te bevelen geen
toepassing vinden. De (ondernemingsraden van
de) betrokken ZBO’s bestaan
immers nog niet vóór
inwerkingtreding van de Wet SUWI. Dit artikel
maakt daarom een afwijking van die
bepaling mogelijk. Het regelt
tegelijkertijd dat de minister
voor zover
mogelijk wel een andere vorm van
personeelsvertegenwoordiging in de gelegenheid moet stellen een
aanbeveling te doen. Inmiddels zijn de
Centrale Ondernemingsraad van het UWV i.o. en het Platform
Ondernemingsraad CWI door het
verandermanagement in de gelegenheid gesteld
om de hiervoor bedoelde aanbeveling te
doen.
Artikel
7.2. Afwijking van
hoofdstuk 3 Wet S UWI
De
RWI dient volgens
artikel 17, tweede lid, van de Wet SUWI
cliënten(vertegenwoordigers) in de
gelegenheid te stellen met hem te
overleggen over het jaarlijks op te
stellen beleidskader. Bij de
eerste vaststelling van het beleidskader in
begin 2002 zal de
cliëntenvertegenwoordiging nog niet in voldoende mate
gestructureerd zijn om aan deze bepaling
toepassing te kunnen geven; derhalve
voorziet dit artikellid in de
mogelijkheid om alsdan van dit overleg af
te zien.
Artikel
7.3.
Overgangsbepalingen i.v.m. hoofdstuk 4 Wet
S UWI
Met dit artikel wordt
uitvoering gegeven aan één van de
aanbevelingen uit het onderzoeksrapport van
Bureau Berenschot, waarvan
verslag is gedaan in de brief aan de
beide kamers van 6 december
2001 (Kamerstukken II
2001-2002, 26 448, nr. 37). Zoals in die
brief is vermeld, hebben wij besloten tot
een getemporiseerde invoering van de
uitkeringsintake Abw en Ioaw. Daarbij is gekozen voor een
"ingroeivariant".
Deze maakt het mogelijk - afhankelijk van de lokale
omstandigheden - de uitkeringsintake Abw
en Ioaw pas later (uiterlijk 1
april 2002) aan het CWI over te dragen.
Indien CWI en gemeente
in een
gezamenlijke verklaring aangeven de CWI-intake
pas per 1 april 2002 te
willen laten ingaan, legt de minister in een besluit vast dat de
uitkeringsintake tot die datum nog bij de gemeente
dient plaats te vinden. Gevolg
daarvan is dat in de betrokken
gemeente de aanvragen nog met toepassing van de oude regels moeten worden
ingediend en behandeld. Het uitstel
geldt in beginsel tot 1 april
2002. De gemeenten waarvoor het uitstel
geldt worden vermeld in een bijlage
bij deze regeling. Op grond van het vijfde
lid bestaat de mogelijkheid
dat CWI en gemeente gedurende de
periode van uitstel voor een vroegere
ingangsdatum (1 februari of 1 maart
2002) kiezen. In dat geval zal de
bijlage gewijzigd worden. Het zevende lid
beoogt een adequate voorlichting
aan belanghebbenden over de juiste plaats van indiening van aanvragen
Abw en Ioaw zeker te stellen.
Artikel
7.4.
Overgangsbepaling gebiedsindeling CWI’s
Dit artikel is
noodzakelijk om de periode van
inwerkingtreding van de Wet SUWI tot aan het
tijdstip waarop de CWI op grond van artikel
24, eerste of tweede lid, van
de Wet SUWI zelf een indeling van CWI’s heeft vastgesteld en
gepubliceerd in de Staatscourant (na
goedkeuring door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid), te
overbruggen. De in artikel 7.4 gekozen opzet is afgestemd met de CWI.
Verwacht mag worden dat de thans opgenomen indeling dezelfde zal
zijn als de indeling die de CWI zelf zal
vaststellen. De CWI-indeling was tot
heden vastgesteld op grond van het
Tijdelijk besluit samenwerking CWI.
Genoemd besluit is met de
inwerkingtreding van de Wet SUWI vervallen.
In het eerste lid worden
de vestigingen van de CWI aangeduid met de daarbij behorende
werkgebieden. Het betreffen 130
vestigingen. Rekening is gehouden met
gemeentelijke herindelingen per 1 januari 2002. Ten opzichte van de voorheen
geldende CWI-indeling is één CWI
vervallen. Het betreft een CWI in de gemeente
Eindhoven. Op de
uitdrukkelijke wens van de gemeente
Eindhoven is het aantal CWI’s binnen
haar gemeentegrenzen
teruggebracht tot één.
In het tweede lid is
aangeven in welke lokaties van de CWI beslissingen worden genomen over het verlenen
van toestemming voor
opzegging van de arbeidsverhouding op
grond van het Ontslagbesluit. Het
betreft zestien lokaties waar een functionaris juridische zaken namens de CWI
dergelijke beslissingen neemt.
Het derde lid betreft de
afgifte van verklaringen langdurig werklozen. Deze worden eveneens in
zestien lokaties afgegeven.
Het vierde lid betreft de
tewerkstellingsvergunningen in het kader van de Wet
arbeid vreemdelingen.
Deze worden uitsluitend op centraal niveau afgegeven (door de lokatie juridische zaken te
Zoetermeer), doch kunnen bij de in het vierde lid
genoemde districten (lokaties juridische
zaken) van de CWI worden ingediend. Genoemde districten
zullen de aanvraag zelfstandig afdoen in de
gevallen, bedoeld in artikel 4:5
van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel
7.5.
Overgangsbepalingen i.v.m. hoofdstuk 7 Wet
S UWI
Op grond van de
Wet SUWI legt de IWI
eens per vier jaar
vóór 1 juli een meerjarig toezichtsplan
en jaarlijks vóór 1 juli een plan
van werkzaamheden aan de minister voor. De
IWI stelt deze plannen, nadat
daarover met de minister overleg
is geweest, vast. De Wet SUWI -
waarin de IWI wordt geregeld - treedt
per 1 januari 2002 in werking. 2002 is
voor de IWI een overgangsjaar,
waarbij verdere organisatieontwikkeling
centraal staat. Het eerste lid
bepaalt dat de IWI vóór 1 februari 2002
een plan van werkzaamheden zal voorleggen. De IWI stelt dit plan na
overleg met de minister vast. Dit is
een richtinggevend document waarop de IWI
zich bij haar werkzaamheden
zal baseren. Het meerjarig
toezichtsplan zal vóór 1 juli 2002 worden
voorgelegd, zodat hierover de nodige
bezinning binnen de Inspectie Werk en
Inkomen kan plaatsvinden.
In artikel 7.5, tweede
tot en met vijfde lid, wordt de afwikkeling
van de verantwoordingen, en de
controle van deze verantwoordingen, over het jaar 2001 geregeld. Het tweede
lid betreft de verantwoording van het
Ctsv over de eigen organisatie (jaarrekening en jaarverslag) en de
weergave van de uitkomsten van de door
het Ctsv verrichte toezichtswerkzaamheden (rechtmatigheidsverklaringen).
Deze verantwoordingen dienen door de IWI te worden opgesteld, op
basis van de Ctsv-stukken. De Inspectie dient de controle van de
jaarrekening en het jaarverslag van het Ctsv
te regelen. De verantwoording en de
controle over het jaar 2001 dient
te geschieden conform de regels die op
grond van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 tot 1 januari 2002 golden.
Dit houdt in dat naast de
verantwoordingen voor de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ook de verantwoording
voor de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport met
betrekking tot de Ziekenfondswet respectievelijk
de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten wordt opgesteld.
Het derde en vierde lid
regelen dat de IWI ook belast is met
de verantwoording en controle daarop van de toezichtswerkzaamheden
die door (de directie TZ van) het
ministerie van SZW in 2001 zijn verricht
en die met ingang van 2002 ook tot het terrein van de IWI behoren.
Daarbij gaat het om het toezicht op de
uitvoering van de gemeentelijke wetten
en enkele andere taken. Deze andere
taken zijn toezichtswerkzaamheden op certificatie-instellingen op het
terrein van arbeidsomstandigheden, op
de SER en via de SER op de
bedrijfslichamen, samen met het ministerie
van Financiën op de
Pensioen- & Verzekeringskamer en
samen met drie andere departementen op
het College toelating bestrijdingsmiddelen.
Over de
toezichtsbevindingen over 2001 met betrekking tot
de Arbeidsvoorzieningswet
1996 zal de minister zich
verantwoorden. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is een organisatie in afbouw. Er is voor gekozen de IWI daar niet
mee te belasten, zodat de IWI
zich kan richten op de (door)ontwikkeling
van het toezicht op de uitvoeringsstructuur werk en inkomen. Het
toezicht op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
wordt voor de resterende tijd belegd bij een apart te creëren
onderdeel van het departement. Omdat
toezicht naijlt in de tijd, zal het toezicht
op activiteiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in 2002 door dit onderdeel
plaatsvinden en
zal dit onderdeel daarvan verslag
doen.
De tijdstippen in het
vijfde lid wijken af van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. De datum voor het
opstellen van de verantwoordingen is met drie maanden
vervroegd naar 1 augustus. Voor de
aanbieding van de verantwoordingen aan de
beide kamers der
Staten-Generaal door de minister is als uiterste
datum 1 oktober 2002 vastgesteld. Ook de
door de IWI vast te stellen
stukken over 2001 met betrekking tot het
Ctsv worden, conform de vóór 2002 geldende regels, aan de kamers
gezonden.
Artikel
7.6.
Overgangsbepaling i.v.m. hoofdstuk 8 Wet
S UWI en
het Besluit Inlichtingenbureau
gemeenten m.b.t. begrotingen, budgetvaststelling, jaarplannen en
meerjarenbeleidsplannen
De
Wet SUWI regelt met
betrekking tot de CWI, het UWV, de
SVB en de RWI de indiening en
goedkeuring van de begrotingen, de vaststelling van het budget voor de
uitvoeringskosten en de indiening van (meerjaren)beleidsplannen voor het
jaar 2003. Dit artikel van de ministeriële regeling treft
(afwijkende) voorzieningen ter zake voor het jaar
2002 voor de verschillende SUWI-organen, met uitzondering van de SVB.
Voor de SVB is geen
overgangsbepaling nodig. Op basis van de begroting
van dit (gehandhaafde) orgaan is onder regime van de Osv 1997
het budget van de uitvoeringskosten door het Ctsv
vastgesteld. Dit
besluit van het Ctsv wordt ingevolge artikel
10, tweede lid, van de Invoeringswet SUWI aangemerkt als besluit
van de minister; daarmee is vanaf 1
januari 2002 sprake van een door de
minister vastgesteld budget. De overige
stukken van de SVB behoeven
evenmin een overgangsregeling.
Voor de CWI, het UWV en
de RWI zijn eind 2001 door
hun rechtsvoorgangers (dan wel de Commissie voorbereiding RWI) stukken ter
voorbereiding voor het
jaar 2002 e.v. in verschillende vorm en
onder verschillende naam opgesteld; het
betreft hier de jaarplannen,
bedrijfsplannen, meerjarenbeleidsplannen,
begrotingen en meerjarenbegrotingen
die door de minister, met zijn
oordeel daarover, aan de beide kamers zijn
voorgelegd bij de derde voortgangsrapportage SUWI. Deze stukken vormen
voor de minister de grondslag
voor de vaststelling van de budgetten 2002. Gelet hierop zijn geen
afzonderlijke voorschriften nodig voor de aanbieding van deze stukken aan de
minister, noch voor toezending daarvan door de minister aan de
kamers.
Voor het IB bepaalt het
Besluit Inlichtingenbureau
gemeenten dat de minister jaarlijks vóór 1
december de rijksbijdrage voor het Inlichtingenbureau voor
het volgende kalenderjaar vaststelt. Aangezien genoemd besluit per 1
januari 2002 in werking treedt, heeft
deze bepaling betrekking op het budget
voor het jaar 2003. Daarom wordt
nu in de ministeriële regeling
bepaald dat de minister de rijksbijdrage
voor het jaar 2002 vaststelt; hij
baseert zich daarbij op de begroting en het
jaarplan die eind 2001 door het IB
zijn opgesteld en bij hem zijn
ingediend. Voor deze stukken van het IB wordt
in het tweede lid voorlegging
aan het parlement voorgeschreven; een
afzonderlijke bepaling hiervoor is
nodig omdat de stukken geen deel
uitmaken van de derde voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid. Eén en
ander is een nadere uitwerking van artikel 11 van het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten.
Artikel
7.7.
Overgangsbepalingen i.v.m. hoofdstuk 8 Wet
S UWI
De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Lisv, de uitvoeringsinstellingen, de
SVB en het IB dienen
zich te verantwoorden (jaarrekening en
jaarverslag) over het jaar 2001. Deze
verantwoording wordt afgelegd in het
jaar 2002. In dit jaar bestaan
een aantal organisaties niet meer
dan wel zijn deze van een andere
grondslag voorzien en zijn de Osv 1997 en de Arbeidsvoorzieningswet
1996 ingetrokken. Voor het IB geldt dat
dit met ingang van 2002 niet
meer op basis van subsidie wordt gefinancierd maar volgens de daarvoor
bij en krachtens de Wet SUWI gestelde regels. De verantwoording
van het IB over 2001 geschiedt
conform de gestelde
subsidievoorwaarden en behoeft geen nadere
regeling. Dit artikel dient ertoe voor de
overige organen, met uitzondering van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
de afwikkeling van de
verantwoordingen, en de controle van deze verantwoordingen, over het jaar 2001 te
regelen.
Mede in verband met deze
verantwoording zullen op grond van artikel 27 van de Invoeringswet
SUWI bepaalde artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 nog niet worden ingetrokken en zal (de bestuurder van) de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk blijven voor onder andere
deze taken. Daarnaast zal de
verzelfstandiging van de onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Centrum vakopleiding en KLIQ o.a.) moeten worden afgerond. In
verband hiermee zal op grond van artikel 27, derde lid, een ministeriële
regeling worden vastgesteld die deze taken en de
gevolgen van het nog niet
intrekken van onderdelen van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 nader regelt. Om die
reden wordt hier niet nader op
de Arbeidsvoorzieningswet
1996 ingegaan. Eén en ander betekent
dat de CWI als rechtsopvolger niet met deze taken
zal worden belast zoals
het UWV, waarop dit artikel verder
betrekking heeft.
De rechtsopvolgers van
het Lisv en de
uitvoeringsinstellingen dienen de jaarrekening(en) en
jaarverslag(en) over het jaar 2001 op te
stellen en de controle hiervan te
regelen. Zij doen dit op basis van de
stukken die hun voorgangers hebben
opgesteld.
Ten aanzien van de
jaarrekening, het jaarverslag, de accountantsverklaring en het
accountantsonderzoek over het jaar 2001 worden
de regels van toepassing verklaard
die in dat jaar van kracht waren.
Daarvoor is om de volgende redenen
gekozen:
• de inrichting van de
uitvoering was in dat jaar gebaseerd op
de Osv 1997;
• de verantwoording
wordt afgelegd over een jaar (2001) dat
nog onder het regime van de Osv
1997 valt;
• het verantwoording
afleggen over 2001 volgens de
uitgangspunten van de Wet SUWI vormt een te
zware belasting voor de
uitvoering. De jaarrekening en het jaarverslag moeten namelijk gaan voldoen
aan
de principes van "Van
Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording (VBTB)" en bij de controle wordt de rechtmatigheid aan het handelen
gekoppeld;
• het is niet logisch
over te gaan op een nieuwe verantwoording
die is gebaseerd op de
uitgangspunten van VBTB terwijl de begroting voor 2001 nog niet op deze
uitgangspunten is gebaseerd.
Het is de bedoeling dat
niet alleen de wetten en regelingen
maar ook de afspraken worden
nageleefd zoals deze in 2001 van
toepassing waren. Daartoe behoren ook de
regels van het Ctsv, het Lisv en de SVB. Hierna volgt een (niet-uitputtende) opsomming van wetten, regelingen en afspraken die in dit
artikel met betrekking tot de verantwoording over 2001 van
(overeenkomstige) toepassing zijn verklaard:
voor de
uitvoeringsinstellingen, het Lisv en het Ctsv, vastgesteld door de
wetgever of de minister:
• (delen uit de) Osv 1997, onder andere de artikelen
11, 82, 83
en 84;
• Regeling
rechtmatigheidsverklaring sociale verzekeringen
1997;
• Regeling jaarrekening
en jaarverslag uitvoeringsorganisaties sociale verzekeringen, vastgesteld door het Ctsv
(en/of Lisv);
• Controleprotocol
(financieel) uitvoeringsinstellingen 1999/2000 en volgende jaren;
•
Verantwoordingsprotocol (financieel) uitvoeringsinstellingen 1999/2000 en volgende
jaren;
• Protocol
rechtmatigheidsrapportages werknemersverzekeringen controlejaar 2000 en verdere jaren;
• Protocol sociaal medisch handelen uitvoeringsinstellingen;
• Verklaringen
gegevensbeheer;
• Verantwoordings- en
controleprotocol (financieel) Lisv 2000 en verder;
• Handleiding
verantwoordingsrapportage doelmatigheid 2001;
• Monitor doelmatigheid
uitvoeringsinstellingen;
• Monitor doelmatigheid
Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
• Monitor doelmatigheid
Sociale Verzekeringsbank;
• Mutatie- en
definitielijst doelmatigheid uitvoeringsinstellingen;
voor de SVB, vastgesteld door de
wetgever of de minister:
• (delen uit de) Osv 1997, onder andere de artikelen
11, 82, 83
en 84;
• Regeling
rechtmatigheidsverklaring sociale verzekeringen
1997;
• Regeling jaarrekening
en jaarverslag uitvoeringsorganisaties; sociale verzekeringen, vastgesteld door het Ctsv
(en/of Lisv);
• Regeling
controleprotocol (financieel) Sociale Verzekeringsbank 1997;
• Regeling
verantwoordingsprotocol (financieel) Sociale Verzekeringsbank 1997;
• Protocol sociaal medisch handelen uitvoeringsinstellingen;
• Verklaringen
gegevensbeheer;
• Handleiding
verantwoordingsrapportage doelmatigheid 2001;
• Monitor doelmatigheid
Sociale Verzekeringsbank;
• Mutatie- en
definitielijst doelmatigheid uitvoeringsinstellingen.
Indien de genoemde
regelingen en afspraken in 2001 nog
worden gewijzigd, zijn uiteraard de
gewijzigde regelingen en afspraken
van toepassing.
Het nakomen van de over
het jaar 2001 van toepassing
zijnde regelgeving houdt ook in dat de verantwoording(en)
sociale verzekeringen en de
rechtmatigheidsverklaringen worden opgesteld door het UWV
en de SVB. Dit omvat
ook de verantwoording en verklaring inzake de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
De verantwoordingen en
rechtmatigheidsverklaringen dienen vóór 1 juni aan de minister
te worden
aangeboden.
Voor het
verantwoordingsjaar 2002 worden nieuwe regels
opgesteld die onder andere zijn
gebaseerd op de uitgangspunten zoals vastgelegd in de Wet
SUWI en in Van
Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording. Hiertoe zal deze
ministeriële regeling nog worden aangepast.
De bepaling in het derde lid wijkt af van de Osv
1997. De datum voor
het opstellen van de verantwoordingen
door het UWV is met één
maand vervroegd naar 1 juni.
Voor de SVB is (in het vierde lid)
de termijn eveneens op 1 juni
gesteld.
Voor de aanbieding van de
verantwoordingen aan de beide kamers der Staten-Generaal door de
minister is als uiterste datum 1
oktober 2002 vastgesteld (in de
Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 was hiervoor geen datum gesteld).
Het streven voor alle
organisaties is om in een beperkte tijd
toe te groeien naar de situatie waarin
wordt voldaan aan de termijnen zoals
deze zijn opgenomen in de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Hiertoe zullen jaarlijks
de termijnen voor de verantwoordingen
worden beoordeeld en (scherper)
vastgesteld.
Artikel
7.10.
Overgangsbepaling reïntegratieverantwoordelijkheid werkgever in het tweede spoor
In
artikel 127
[zie artikel 128, red.] van de
Invoeringswet SUWI is opgenomen dat bij ministeriële regeling regels kunnen
worden gesteld in verband met een goede overgang van taken van
het Lisv, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de SVB naar werkgevers en gemeenten
ter bevordering van de
inschakeling in de arbeid van uitkeringsgerechtigden en arbeidsgehandicapten.
In die ministeriële regeling
wordt in ieder geval bepaald dat en op
welke wijze de daarmee samenhangende
activiteiten en het verstekken van instrumenten, waarmee vóór de datum van
inwerkingtreding van deze
wet een aanvang is gemaakt,
worden voortgezet door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en gemeenten, zo nodig in afwijking van
de Wet Rea, de Wiw en de
WW.
Doel van deze
overgangsregeling is het zorgvuldig overdragen
van verantwoordelijkheden en bijbehorende taken en bevoegdheden. Gewaarborgd moet zijn dat
werkgevers de verantwoordelijkheid voor reïntegratie in het
eigen bedrijf (eerste spoor) en in het bedrijf van een andere werkgever (tweede spoor)
ook feitelijk kunnen dragen. Voorkomen moet worden dat betrokken
werknemers bij het UWV, noch bij hun werkgevers terecht kunnen
voor reïntegratie. De overgangsregeling is
in de memorie van toelichting
bij dit artikel in de Invoeringswet SUWI
als volgt ingevuld [navolgend citaat is niet afkomstig uit de memorie
van toelichting bij de Invoeringswet SUWI, red.]: "Vanaf het
moment van inwerkingtreding van deze
wet tot een nader te bepalen tijdstip (gedachte wordt aan één jaar na
inwerkingtreding van deze wet) geldt dat
de werkgever alleen dan
verantwoordelijk is voor de reïntegratie van
zieke of arbeidsgehandicapte
werknemers in het tweede spoor indien
hij de wens daartoe aan het UWV
kenbaar heeft gemaakt. Tot het tijdstip
waarop de werkgever een dergelijke melding heeft gedaan en uiterlijk
tot de expiratiedatum van de overgangsregeling, treedt het UWV nog op als
verantwoordelijke voor reïntegratie in het tweede spoor".
Zieke werknemers waarvoor
reeds reïntegratie buiten het
eigen bedrijf wordt onderzocht door de
uitvoeringsinstelling (reïntegratie in het tweede spoor) op de datum
van inwerkingtreding van de Invoeringswet SUWI (1 januari 2002),
blijven op die datum voor het tweede spoor bij het UWV (het eerste
lid).
Zieke werknemers die nog
bij de eigen werkgever kunnen reïntegreren op 1 januari 2002 én
werknemers die ziek worden op of na die
datum, gaan voor het zogenaamde
tweede spoor uitsluitend vanaf
die datum over op de werkgever op
diens verzoek. Deze overgangsperiode zal gedurende één jaar na de
inwerkingtreding van de Invoeringswet SUWI gelden, dat wil zeggen
tot 1 januari 2003 (het tweede lid).
Na het overgangsjaar gaan
alle werknemers waarvoor op dat moment
nog geen
werkhervattingsmogelijkheden buiten het bedrijf van de
eigen werkgever worden onderzocht, voor
de reïntegratie in het
tweede spoor over op de werkgever.
Op deze wijze wordt de
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in een ander dan het eigen
bedrijf geleidelijk ingevoerd, terwijl werkgevers die de verantwoordelijkheid
daarvoor eerder willen nemen, daartoe de
kans krijgen.
In het derde lid wordt bepaald dat het UWV een na de periode
van één jaar begonnen taak ook na
die periode nog afmaakt. Dit betekent dat de werkgever na 1 januari 2003
niet alsnog met de verantwoordelijkheid voor het tweede spoor wordt
geconfronteerd indien hij niet heeft
verzocht tijdens het overgangsjaar zelf de reïntegratieverantwoordelijkheid
te krijgen, de desbetreffende werknemer vóór 1 januari 2003 één jaar ziek is
en voor die werknemer vóór 1 januari 2003
de werkhervattingsmogelijkheden in het bedrijf van de eigen werkgever
zijn onderzocht, maar niet aanwezig
bleken. Het UWV heeft dan immers
al een verantwoordelijkheid,
omdat het ook een uitkering verstrekt.
Met het vierde lid wordt bereikt dat de nieuwe bepalingen
over reïntegratieverslag, plan van aanpak, etc. zoals die met de Wet
verbetering poortwachter (Kamerstukken II 2000-2001, 27 678) worden
ingevoerd nog niet gelden voor oude ziektegevallen. Ingeval de
werkgever niet de verantwoordelijkheid
heeft genomen voor het tweede spoor en het UWV die taak dus heeft
overgenomen, hoeft de werknemer bij zijn aanvraag voor een WAO-uitkering
geen reïntegratieverslag te overleggen. Dit is geregeld op dezelfde
wijze als in het overgangsrecht bij die Wet verbetering poortwachter.
In het vijfde lid wordt
voor de duidelijkheid aangegeven dat de kosten van de uitvoering door
het UWV ten laste komen van het Reïntegratiefonds.
In het zesde lid wordt
geregeld dat de werkgever die ervoor
kiest om in 2002 de
reïntegratieverantwoordelijkheid in het tweede spoor aan
het UWV te laten, niet wordt
geconfronteerd met verhaal door het UWV
van 50% van de
reïntegratiekosten als bedoeld in artikel 4.11
van het Besluit SUWI. In de situatie
waarin de werkgever bewust het tweede spoor aan
het UWV laat, ligt het niet
voor de hand die werkgever alsnog te
confronteren met de helft van de reïntegratiekosten in het geval de werknemer
met een PRB de reïntegratie zelf
ter hand neemt, evenwel zonder
succes.
Artikel
7.11 Overgang
lopende reïntegratietrajecten Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden,
en artikel 7.12
Afwijkende bepaling
overgang verantwoordelijkheid arbeidsgehandicapten
Tot 2002 is
Arbeidsbureau
Nederland (waarin de basisdiensten
zijn ondergebracht die overgaan naar de CWI) verantwoordelijk voor de reïntegratie
van
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-gerechtigden. In 2001
zijn daartoe ongeveer 14 000 trajecten geraamd. De trajecten
worden uitgevoerd door KLIQ. Een deel van
deze trajecten loopt over de
jaargrens heen. Zonder nadere
regeling komt de verantwoordelijkheid voor
deze trajecten vanaf 2002 bij de gemeenten te liggen. Dit zou betekenen
dat Arbeidsbureau Nederland
de dossiers van deze cliënten aan
het eind van dit jaar overdraagt aan de
gemeenten, die deze trajecten
vervolgens onder haar verantwoordelijkheid
afrondt. Vanwege de uitvoeringsconsequenties wordt in dit artikel
geregeld dat de lopende trajecten niet
overgaan naar de gemeenten, maar onder verantwoordelijkheid van de CWI te laten
afronden. In het derde
lid wordt geregeld dat de daaraan verbonden
extra uitvoeringskosten (geraamd op maximaal €|1,35 miljoen) door
de minister
aan de CWI
worden vergoed.
In het tweede lid van
artikel 7.11 wordt bepaald dat deze overgangsregeling geldt voor de duur van
het lopende traject en niet
langer dan één jaar. Nieuwe trajecten
moeten dus in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd en ten laste
van het gemeentelijk budget
worden betaald. Na een periode van één
jaar kan ervan worden uitgegaan dat
de gemeente zicht heeft op
welke trajecten voor haar ingezetenen in
gang zijn gezet en zal de verantwoordelijkheid in ieder geval overgaan
naar de gemeente. Lopende
trajecten zullen dan in het algemeen ook
zijn afgerond.
Voor de overgang van de
verantwoordelijkheid van de arbeidsgehandicapten bevat artikel 38 van de
Invoeringswet SUWI een
uitgebreide regeling. Om die reden is
er niet voor gekozen de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
lopende trajecten voor arbeidsgehandicapten
en het verstrekken van subsidies
aan werkgevers tijdelijk te laten
afhandelen door de CWI. Dit neemt
niet weg dat in de praktijk het
opdrachtgeverschap voor de uitvoerder KLIQ
bij het onderdeel
basisdiensten (na inwerkingtreding Wet SUWI: CWI) is ondergebracht. In verband
hiermee is in artikel 7.12 geregeld
dat een gemeente en de CWI in
onderling overleg kunnen bepalen
dat de CWI nog bepaalde taken
uitvoert, terwijl de beslissingsbevoegdheid
en de afhandeling van
bezwaarschriften e.d. wel naar de gemeenten
overgaan. De voorzieningen en activiteiten voor arbeidsgehandicapten zijn
in de Arbeidsvoorzieningswet
1996 nader geregeld in tegenstelling
tot de algemene bemiddelingstaken, waarop
artikel 7.11 betrekking heeft. Dit verklaart de afwijkende regeling
voor deze doelgroep.
Gevolgen voor werkgevers
De ministeriële regeling
heeft betrekking op de technische
invulling van een aantal aspecten van
de Wet SUWI. Het betreft een
nadere uitwerking van met name de (beleids)informatie, de gegevensuitwisseling,
reïntegratie en het uitvoeringsproces
van de CWI. Slechts in zeer
beperkte mate heeft de ministeriële
regeling invloed op de administratieve
verplichtingen van werkgevers. Voor zover werkgevers zijn betrokken, wordt
gekozen voor handhaving van de
huidige informatieverplichtingen.
Gezien de aard van de ministeriële
regeling en de beleidsmatige
uitgangspunten biedt de regeling geen
aangrijpingspunten om voorstellen te
formuleren om de administratieve lasten te
reduceren en alternatieven richting werkgevers te formuleren. Zoals in het
actieprogramma administratieve lasten
van SZW is aangegeven, zullen
vooral andere dossiers in dit
kader ter hand worden genomen (o.a.
uniformering loonbegrip en inrichting
polisadministratie). Ten aanzien van de diverse onderdelen van de
regeling kunnen de volgende opmerkingen
worden gemaakt.
Artikelen 1.1, 1.3 en 1.4: Geen
relatie met werkgevers.
Artikel 1.5: Andere taken.
Door werkgevers aangeleverde informatie kan ook worden benut bij de
uitvoering van andere taken. Dit beperkt
de administratieve lasten voor werkgevers.
De inhoud van dit artikel is
echter ongewijzigd ten opzichte van de
huidige situatie.
Hoofdstuk 2: Geen invloed
op informatieplicht werkgevers.
Artikelen 3.1 en 3.2: Geen
gevolgen voor werkgevers.
Artikel 3.3: Bewaarplicht
identiteitsdocumenten. Het betreft een omzetting van de huidige regeling op basis van de
Osv 1997.
Met uitzondering van het
gegeven dat de werkgever een kopie
dient te maken van het originele
document (in plaats van een kopie van
een kopie) zijn er geen inhoudelijke
wijzigingen aangebracht en zullen ook
de administratieve lasten van werkgevers niet veranderen.
Hoofdstuk 4: Geen
gevolgen voor werkgevers.
Paragraaf 5.1: Geen
relatie met werkgevers.
Paragraaf 5.2: Geen
inhoudelijk wijzigingen in de te verstrekken informatie door werkgevers.
Hoofdstuk 6: Geen
gevolgen voor werkgevers.
Hoofdstuk 7: In dit
hoofdstuk is onder meer opgenomen (artikel 7.10) dat werkgevers gebruik kunnen maken van een
overgangsregeling met betrekking tot de reïntegratieverantwoordelijkheid
in het tweede spoor. De met deze
taak verbonden administratieve lasten zullen zich in 2002 derhalve
slechts in beperkte mate voordoen. Vanaf 2003 zullen de effecten
optreden zoals geschetst in de toelichting bij het Besluit
SUWI.
Op grond van het
voorgaande kan worden geconcludeerd dat
de ministeriële regeling geen effect
heeft op de structurele administratieve lasten van werkgevers.
Hoofdstuk 8.
Slotbepalingen
Artikel
8.1. Intrekking
ministeriële regelingen
De materiële inhoud van
Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten (Stcrt. 1997, 41) is
overgenomen in artikel 3.3 van de
Regeling SUWI. De Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten was gebaseerd op
artikel 94, eerste lid, van de
Osv 1997, welke wet met inwerkingtreding
van de Wet SUWI is ingetrokken.
Omdat echter artikel 24, eerste lid,
van de Invoeringswet SUWI
bepaalt dat ministeriële regelingen
op grond van artikel 94, eerste lid,
van de Osv 1997 met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet
SUWI berusten
op artikel 77, eerste
lid, van de Wet SUWI, maar dat de
Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten daaronder niet moet
worden begrepen, wordt deze regeling
ingetrokken.
De materiële inhoud van
Regeling financiële rapportage fondsbeheerders (Stcrt. 1997, 41) is,
voor zover noodzakelijk, overgenomen in artikel
5.12 van de Regeling SUWI. De
Regeling financiële rapportage
fondsbeheerders was gebaseerd op artikel 70, tweede lid, van de Osv 1997,
welke wet met inwerkingtreding van de Wet SUWI is ingetrokken. Omdat
echter artikel 24, eerste lid, van de Invoeringswet
SUWI bepaalt dat
ministeriële regelingen op grond van artikel
70,
tweede lid, van de Osv 1997 met
ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet SUWI berusten
op artikel 52, tweede lid, van de Wet
SUWI, maar dat de Regeling
financiële rapportage fondsbeheerders daaronder niet moet worden begrepen, wordt
deze regeling
ingetrokken.
Slotformulier
De bijlagen III tot en
met XVI worden met ingang van 1 januari
2002 ter inzage gelegd in de
bibliotheek van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
zullen aan alle betrokken instanties worden toegezonden.
|
|