St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  SUWI


21 december 2001, Stcrt. 2002, 2
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. artt. 2:2, 3:2, 8:6 13:4, 16:1, 16:3, 19:2, 26:2, 30c:3, 30c:6, 31:4, 33:9, 43, 45:4, 46:1, 46:2, 46:3, 47:2, 49:5, 50:8, 52:2, 53, 54:7, 62:5, 64:2, 66:1, 67:1, 67:2, 68:2 en 77 Wet SUWI, 127 en 128 ISUWI, 93b:3, 97g:3 en 130c:2 WW, 50:5 WAO, XV:7 Wvp, 2.1:3, 3.1:2, 4.2:3, 4.13:1, 4.19:1, 5.2a:3, 5.2a:4, 5.12:3, 5.20, 5.21:4, 5.22:2, 5.23:4, 5.24:2 en 5.25:5 BS en 3:2, 4:2, 5:1, 9:2, 9:5, 10 en 11 BIg)

 

  
 

 

 
REGELS op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Regeling SUWI)

21 december 2001

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, in overeenstemming met de Minister van Financiën;
     Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 6, tweede lid, 13, vierde lid, 16, eerste en derde lid, 19, tweede lid, 26, tweede lid, 28, tweede en vierde lid, 33, zesde lid, 45, vierde lid, 46, eerste, tweede en derde lid, 50, zesde lid, 52, tweede lid, 54, zevende lid, 62, vierde lid, 64, tweede lid, 66, eerste lid, 67, eerste en tweede lid, 68, tweede lid, en 77, eerste en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de artikelen 127 en 128 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de artikelen 93b, derde lid, 97g, derde lid, 130, tweede lid, en 130c, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel XV van de Wet verbetering poortwachter, de artikelen 3.1, tweede lid, 4.13, eerste lid, en 4.19, eerste lid, van het Besluit SUWI en de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, eerste lid, 9, tweede en vijfde lid, 10 en 11 van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten;

     Besluiten:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Wwb: Wet werk en bijstand;
b. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Wfsv: Wet financiering sociale verzekeringen;
d. vervallen;
e. WW: Werkloosheidswet;
f. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. RWI: de Raad voor werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet SUWI;
h. vervallen;
i. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
j. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet SUWI;
k. IB: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 1, onderdeel m, van de Wet SUWI;
l. vervallen;
m. re-integratiebedrijf: natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in het arbeidsproces bevordert;
n. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
o. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
p. vervallen;
q. arbeidsmarktinstrumenten: het geheel van activiteiten dat in verband met de inschakeling in het arbeidsproces van een werkzoekende kan worden ingezet;
r. melding: de melding, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Wwb, artikel 16a, tweede lid, van de Ioaw of artikel 16a, tweede lid, van de Ioaz;
s. basisgegevens: gegevens die in een al dan niet door de minister gedefinieerde vorm beschikbaar zijn bij het UWV en de SVB;
t. TW: Toeslagenwet;
u. VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
v. IWI: de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet SUWI;
w. Invoeringswet SUWI: Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

 

Art. 1.2. Vaststelling zetels
-1. De RWI heeft zijn zetel te ’s-Gravenhage.
-2. De SVB heeft haar zetel te Amstelveen.
-3. Het UWV heeft zijn zetel te Amsterdam.

 

Art. 1.3. Aanwijzing van een de gemeenten vertegenwoordigende rechtspersoon
Als rechtspersoon die de gemeenten vertegenwoordigt als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet SUWI wordt aangewezen de VNG.

 

Art. 1.4. Voorafgaande instemming besluiten UWV, SVB en RWI
-1. Besluiten van het UWV en de SVB:
a. tot het verwerven en vervreemden van eigendom van registergoederen die afzonderlijk een bedrag van €|250 000,00 niet te boven gaan;
b. tot het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur of verhuur van registergoederen die afzonderlijk een bedrag op jaarbasis van €|1 000 000,00 niet te boven gaan;
behoeven niet de voorafgaande instemming van de minister, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet SUWI.
-2. Besluiten van de RWI:
a. tot het verwerven en vervreemden van eigendom van registergoederen die afzonderlijk een bedrag van €|62 500,00 niet te boven gaan;
b. tot het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur of verhuur van registergoederen die afzonderlijk een bedrag op jaarbasis van €|250 000,00 niet te boven gaan;
behoeven niet de voorafgaande instemming van de minister, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet SUWI.

 

Art. 1.5. Gegevensverwerking in verband met verrichten andere werkzaamheden
-1. De verwerking van gegevens door het UWV en de SVB bij de uitvoering van andere werkzaamheden, bedoeld in artikel 73a, eerste lid, van de Wet SUWI, vindt uitsluitend plaats, indien:
a. de gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die andere dan wettelijke taken;
b. de gegevens systematisch worden verwerkt; en
c. de gegevens, en de wijze van verwerking daarvan, zijn omschreven in de overeenkomst op grond waarvan de andere dan wettelijke taken worden verricht.
-2. De gegevensverstrekking door het UWV en de SVB aan derden, bedoeld in artikel 73a, tweede lid, van de Wet SUWI, geschiedt slechts indien de gegevens systematisch worden verstrekt.
-3. Bij het verstrekken van gegevens op verzoek aan een derde, bedoeld in artikel 73a, tweede lid, van de Wet SUWI, brengen het UWV en de SVB de kosten van die verstrekking in rekening aan die derde.

 

Art. 1.6. Kostentoerekening in verband met verrichten andere werkzaamheden
Het UWV en de SVB brengen voor het verrichten van andere werkzaamheden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet SUWI, zodanige prijzen in rekening aan de opdrachtgever dat valt aan te nemen dat, gerekend over het desbetreffende jaar, alle directe en indirecte aan die andere taken toe te rekenen lasten door de te verwachten baten zijn gedekt.

 

Art. 1.7. Secretariaat landelijke cliëntenraad
Het secretariaat van de landelijke cliëntenraad, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet SUWI, wordt ondergebracht bij de RWI.

 

 

HOOFDSTUK  2

Landelijke cliëntenraad

 

Art. 2.1. Middelen landelijke cliëntenraad
-1. De minister stelt jaarlijks vóór 1 december de omvang van de middelen van de
landelijke cliëntenraad als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet SUWI, vast aan de hand van een jaarplan met begroting.
-2. Deze middelen zijn bestemd voor:
a. de kosten van het secretariaat en ondersteuning van de landelijke cliëntenraad;
b. de kosten ten behoeve van leden van de landelijke cliëntenraad en in verband met de taakuitoefening door de raad;
c. kosten in verband met in het jaarplan opgenomen onderzoeken naar cliëntenparticipatie in het domein van werk en inkomen en activiteiten ter bevordering van deze cliëntenparticipatie.
-3. De minister kan toestaan dat de middelen worden aangewend voor meer activiteiten dan in het jaarplan met begroting zijn opgenomen.
-4. De minister kan besluiten de omvang van de middelen te wijzigen.
-5. Ten behoeve van de landelijke cliëntenraad worden geen verplichtingen aangegaan en geen uitgaven gedaan die leiden tot overschrijding van de vastgestelde middelen.

 

Art. 2.2. Jaarplan, begroting, voorschotten, jaarverslag, jaarrekening en controleverklaring
-1. Elk jaar wordt ten behoeve van het beschikbaar stellen van de middelen voor de
landelijke cliëntenraad vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar een beknopt conceptjaarplan met een globale begroting en vóór 1 oktober van dat jaar een jaarplan met begroting en een voorstel voor de hoogte van de twee voorschotten ingediend.
-2. De middelen worden in twee delen bij wijze van voorschot betaald: de eerste termijn op 10 januari van het jaar waarop de middelen betrekking hebben en op 1 juli het restant.
-3. Uiterlijk 15 maart van het jaar volgend op het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, wordt aan de minister een jaarverslag van de landelijke cliëntenraad voorzien van jaarrekening met controleverklaring gezonden.
-4. De controleverklaring
wordt verzorgd door de accountant die de accountantscontrole, bedoeld in paragraaf 5.1b, voor de RWI uitvoert.
-5. De minister stelt de definitieve middelen voor het jaar waarover verantwoording is afgelegd vast.

 

 

HOOFDSTUK  3

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

 

§ 3.1.  Melding arbeidsongeschiktheid aan pensioenuitvoerder

 

Art. 3.1. Melding arbeidsongeschiktheid aan pensioenuitvoerder
-1. De melding, bedoeld in artikel 37 van de Pensioenwet en artikel 45 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, van de arbeidsongeschiktheid van deelnemers, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, door het UWV aan een pensioenuitvoerder, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft de verwerking van gegevens over de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij:
a. een pensioenuitvoerder een bestand van deelnemers en gewezen deelnemers verstrekt aan het UWV;
b. het UWV de gegevens van de deelnemers en de gewezen deelnemers in verband brengt met gegevens van personen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV hebben aangevraagd;
c. het UWV de gegevens van deelnemers en gewezen deelnemers naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering op grond van de in de aanhef genoemde arbeidsongeschiktheidsverzekeringswetten verstrekt aan een pensioenuitvoerder.
-2. Het UWV verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de pensioenuitvoerder door middel van een daarvoor door het UWV ingerichte elektronische voorziening.
-3. Voor de levering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, brengt het UWV geen kosten in rekening bij de pensioenuitvoerder.

 

Art. 3.2. Nadere voorwaarden
-1. De pensioenuitvoerder verwerkt de gegevens van de melding uitsluitend voor de uitvoering van de pensioenregeling of beroepspensioenregeling.
-2. Indien de pensioenuitvoerder de werkzaamheden uitbesteedt als bedoeld in artikel 34 van de Pensioenwet en artikel 43 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en deze uitbesteding inhoudt dat de daar genoemde derde bewerker is in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de pensioenuitvoerder, verstrekt het UWV de gegevens aan deze derde.
-3. Het UWV overlegt over de inrichting van de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, met een vertegenwoordiging van de pensioenuitvoerders.

 

Art. 3.3. Vervallen.

 

 

§ 3.2.  Verzekerdenadministratie UWV

 

Art. 3.4. Nadere begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen een werkgever en een natuurlijk persoon krachtens welke deze persoon verplicht is arbeid te verrichten voor die werkgever;
b. jaaropgave: de jaaropgave, bedoeld in artikel 8 van het Loonadministratiebesluit;
c. melding sociale verzekeringen: de melding sociale verzekeringen, bedoeld in de artikelen 1 en 4 van het Besluit melding sociale verzekeringen;
d. uitkeringsgerechtigde: verzekerde die recht heeft op een uitkering of arbeidsondersteuning krachtens de Ziektewet, de WW, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de TW of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
e. uitkeringsverhouding: de rechtsbetrekking ter zake van een recht op uitkering of arbeidsondersteuning krachtens de Ziektewet, de WW, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriterium, de TW of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen tussen een uitkeringsgerechtigde en het UWV;
f. verzekerde:
1º. de werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen; of
2º. degene die door het UWV als verzekerde wordt beschouwd, dan wel belanghebbende is in de zin van artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
g. verzekerdenadministratie: een systeem, dan wel een geheel van systemen of delen daarvan, door middel waarvan de in deze regeling gedefinieerde gegevens van verzekerden op systematische wijze worden vastgelegd om te kunnen worden geraadpleegd, uitgewisseld en samengevoegd en in onderling verband te kunnen worden gebracht, dat door het UWV wordt beheerd als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet SUWI, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel 5 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen;
h.
verzekeringsverhouding: de rechtsbetrekking ter zake van een wettelijke verzekering als bedoeld in artikel 30 van de Wet SUWI, dan wel op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, tussen een verzekerde en het UWV waarbij hij geregistreerd is als verzekerde;
i. code SZ: een aanduiding waarmee de wet op grond waarvan de verzekerings- of uitkeringsverhouding bestaat, wordt aangegeven;
j. overwerk: arbeid verricht buiten de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, voor zover daardoor deze werktijd wordt overschreden;
k. feestdag: nieuwjaarsdag, eerste en tweede paasdag, hemelvaartsdag, eerste en tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag.

 

Art. 3.5. Vastleggen van gegevens
-1. Ten behoeve van de uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen en de wettelijke regelingen, bedoeld in artikel 30 van de
Wet SUWI, worden in de verzekerdenadministratie ten aanzien van elke verzekerde ten minste de volgende gegevens door het UWV vastgelegd:
a. persoonsgegeven: burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer;
b. werkgeversgegeven: aansluitingsnummer;
c. gegevens van de arbeidsverhouding:
1º. datum aanvang arbeidsverhouding;
2º. datum einde arbeidsverhouding;
d. gegevens van de verzekeringsverhouding:
1º. datum aanvang verzekeringsverhouding;
2º. datum einde verzekeringsverhouding;
3º. code SZ verzekeringsverhouding;
e. gegevens van de uitkeringsverhouding:
1º. datum aanvang uitkeringsverhouding;
2º. datum einde uitkeringsverhouding;
3º. code SZ uitkeringsverhouding.
-2. In de verzekerdenadministratie kunnen door het UWV andere dan de in het eerste lid genoemde gegevens worden vastgelegd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de additionele gegevens die in de verzekerdenadministratie worden vastgelegd zijn actueel en betrouwbaar;
b. de vastlegging van de additionele gegevens staat een toekomstige uitbreiding van de in het eerste lid genoemde gegevens niet in de weg.

 

Art. 3.6. Onderling verband gegevens in verzekerdenadministratie
-1. Tussen de in de verzekerdenadministratie opgenomen gegevens moeten ten minste zodanige verbanden kunnen worden gelegd dat vastgesteld kan worden:
a. per verzekerde: welke verzekerings-, arbeids- en uitkeringsverhoudingen van hem zijn geregistreerd en op welke periode deze betrekking hebben;
b. per arbeidsverhouding: op welke verzekerde en op welke werkgever die arbeidsverhouding betrekking heeft;
c. per verzekeringsverhouding:
1º. op welke verzekerde de verzekeringsverhouding betrekking heeft;
2º. op welke wet de verzekeringsverhouding berust;
d. per uitkeringsverhouding:
1º. op welke uitkeringsgerechtigde de uitkeringsverhouding betrekking heeft;
2º. op welke wet de uitkeringsverhouding berust.
-2. Het leggen van een verband met een wet gebeurt door aanduiding van de desbetreffende wet met de code SZ-wet.

 

Art. 3.7. Bewaren van gegevens
-1. Het
UWV houdt de gegevens, bedoeld in artikel 3.5, onderdeel a tot en met e, gedurende ten minste vijf kalenderjaren na het jaar waarin deze gegevens zijn opgenomen beschikbaar ten behoeve van raadplegingen.
-2. Vanaf het moment dat een verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt of vóór het bereiken van die leeftijd overlijdt, worden de hem betreffende in de verzekerdenadministratie opgenomen gegevens gedurende vijf jaren te rekenen vanaf dat moment door het UWV bewaard.

 

Art. 3.8. Vulling en onderhoud van de verzekerdenadministratie
-1. Het UWV baseert de vulling en het onderhoud van de verzekerdenadministratie op ontvangst, verificatie en verwerking van onder meer de volgende berichten en gegevensstromen:
a. de melding sociale verzekeringen;
b. een mededeling als bedoeld in artikel 59 van de Wet SUWI, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel 5 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen;
c. een schriftelijk verzoek, afkomstig van de verzekerde, tot verbetering, aanvulling of verwijdering van hem betreffende gegevens;
d. gegevensverstrekking door de verzekerde naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering;
e. de jaaropgave;
f. verificatieberichten;
g. informatie uit hoofde van een door het UWV verrichte looncontrole of fraudeonderzoek.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt de vastlegging van een arbeidsverhouding en verzekeringsverhouding door middel van de berichten, bedoeld in de onderdelen b tot en met d en f van het eerste lid, plaats zodra het bestaan van de arbeidsverhouding en verzekeringsverhouding wordt aangetoond.
-3. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met c, bedoelde berichten en gegevensstromen worden bewaard voor een periode van ten minste vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de gegevens in de verzekerdenadministratie zijn verwerkt.

 

Art. 3.9. Verwerking van gegevens in de verzekerdenadministratie
-1. Na ontvangst van de melding sociale verzekeringen verwerkt het
UWV de daaraan te ontlenen gegevens binnen één week in de verzekerdenadministratie.
-2. Na ontvangst van de jaaropgave verwerkt het UWV de daaraan te ontlenen gegevens binnen 26 weken in de verzekerdenadministratie.

 

Art. 3.10. Verificatie van gegevens
-1. Het
UWV verifieert de in het tweede lid genoemde gegevens bij de authentieke bron bij de eerste opname van gegevens over de verzekerde in de verzekerdenadministratie en vervolgens indien daartoe aanleiding is.
-2. Voor de in artikel 3.5 bedoelde gegevens gelden als authentieke bron:
a. burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer: de sofi-tabel van de rijksbelastingdienst;
b. gegevens van de arbeidsverhouding: de administratie van de werkgever.
-3. Voor de in artikel 3.5 genoemde gegevens waarvoor in het tweede lid geen persoon of instelling als authentieke bron is aangemerkt, geldt als authentieke bron het UWV.
-4. De verificatie bij eerste opname van gegevens over de verzekerde vindt plaats binnen vier weken na ontvangst van die gegevens.

 

Art. 3.11. Gemeenschappelijke verwijsindex
-1. Het
UWV houdt in het belang van de gegevensuitwisseling die noodzakelijk is voor de uitvoering van de in artikel 30 van de Wet SUWI genoemde wetten een gemeenschappelijke verwijsindex op de verzekerdenadministratie in stand.
-2. Van de verzekerde met wie het UWV een verzekeringsverhouding of een uitkeringsverhouding heeft, worden in de gemeenschappelijk verwijsindex, zodanig dat zij direct te raadplegen zijn, ten minste de volgende verwijsgegevens opgenomen:
a. het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer;
b. de aard van de verhouding, waarbij de aard van de uitkeringsverhouding wordt aangeduid met de code SZ-wet;
c. gegevens over het UWV-onderdeel en de locatie waar de verhouding is geadministreerd;
d. de begindatum van de verhouding;
e. de einddatum van de verhouding;
f. het dossiernummer behorend bij de verhouding.
-3. Wanneer een verzekerde geen verzekeringsverhouding of uitkeringsverhouding meer heeft met het UWV, blijven de verwijsgegevens ten minste vijf jaar na het einde van de laatste verzekeringsverhouding of uitkeringsverhouding in de gemeenschappelijke verwijsindex bewaard.

 

 

§ 3.3.  Facultatieve gegevensaanlevering

 

Art. 3.12. Verwerking van gegevens
-1. Het UWV verwerkt wekelijks gegevens met betrekking tot arbeidskrachten afkomstig van werkgevers die zich in het kader van de uitoefening van hun bedrijf of beroep bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
-2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a. het aantal dagen en aantal uren waarop arbeid is verricht;
b. het aantal uren waarop overwerk is verricht;
c. het aantal uren waarover onverminderde doorbetaling van loon heeft plaatsgevonden in verband met een feestdag;
d. het aantal uren waarover onverminderde doorbetaling van loon heeft plaatsgevonden in verband met ziekte als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of verlof op grond van de Wet arbeid en zorg;
e. het aantal uren waarop de werknemer geen arbeid heeft verricht en waarover hij onverminderde doorbetaling van zijn loon heeft genoten;
f. het kantooradres en telefoonnummer van de werkgever, bedoeld in het eerste lid;
g. de resterende aanspraak op vakantie in uren.

 

 

HOOFDSTUK  4

Re-integratie

 

§ 4.1.  Persoonsgebonden re-integratieovereenkomst en persoonsgebonden re-integratiebudget

 

Art. 4.1. Hoogte persoonsgebonden re-integratiebudget
De subsidie, bedoeld in artikel 2.7a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en de door het UWV aan het re-integratiebedrijf of de arbodienst maximaal te vergoeden kosten van de uitvoering van de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.7a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bedragen ten hoogste €|3630,00 per cliënt.

 

 

§ 4.2.  Budgetten WW

Vervallen

 

Art. 4.2. Vervallen.

 

Art. 4.3. Vervallen.

 

Art. 4.4. Vervallen.

 

Art. 4.5. Vervallen.

 

Art. 4.5a. Vervallen.

 

 

§ 4.3.  Maximering subsidies

Vervallen

 

 

§ 4.4.  Individuele re-integratieovereenkomst

 

Art. 4.6. Voorwaarden individuele re-integratieovereenkomst  [Biru09]
Het UWV en de overheidswerkgever stellen regels omtrent voorwaarden waaraan een re-integratiebedrijf, deskundige persoon of arbodienst moet voldoen, alvorens met dat bedrijf, die persoon of die dienst een individuele re-integratieovereenkomst wordt gesloten.
Die regels hebben in elk geval betrekking op:
1º. uitsluitingsgronden;
2º. kwaliteitseisen;
3º. ervaringseisen.

 

Art. 4.7. Inhoud plan [Bbir] [Bbir05] [Bbir06] [Bbir08]
-1. Het UWV en de overheidswerkgever kunnen uitsluitend een individuele re-integratieovereenkomst sluiten indien de aanvraag vergezeld gaat van een door of namens de aanvrager, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, dan wel artikel 4.2a, eerste lid, van het Besluit SUWI, opgesteld plan waarin in elk geval zijn opgenomen:
1º. het opleidingsniveau en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer van de aanvrager;
2º. een beschrijving van de werkzaamheden die op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht;
3º. de verwachte begin- en einddatum van de werkzaamheden die op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht;
4º. de beroepsactiviteiten die de aanvrager naar verwachting na afloop van die periode kan vervullen;
5º. een opgave van de kosten van de werkzaamheden die op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht.
-2. Het UWV en de overheidswerkgever kunnen een termijn bepalen waarbinnen de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, een aanvraag om een individuele re-integratieovereenkomst kan indienen.

 

Art. 4.8. Inhoud van de individuele re-integratieovereenkomst
In de individuele re-integratieovereenkomst wordt in elk geval geregeld:
a. dat een door het UWV of de overheidswerkgever te bepalen deel van de kosten van de door het re-integratiebedrijf, de deskundige persoon of de arbodienst verrichte werkzaamheden slechts door het UWV of de overheidswerkgever wordt vergoed indien de persoon ten behoeve van wie een individuele re-integratieovereenkomst is gesloten binnen drie maanden nadat de werkzaamheden bedoeld in dit contract zijn geëindigd het verrichten van arbeid duurzaam heeft hervat, waarbij het UWV of de overheidswerkgever voor personen verschillende definities van duurzame werkhervatting mag hanteren;
b. dat het re-integratiebedrijf, de deskundige persoon of de arbodienst op door het UWV of de overheidswerkgever te bepalen tijdstippen bij het UWV of de overheidswerkgever een rapportage indient waarin een beschrijving is opgenomen van de werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van de inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. In de rapportage wordt een prognose voor de resterende periode van het traject beschreven;
c. dat de overeenkomst door beide partijen slechts wegens gewichtige redenen tussentijds door opzegging kan worden beëindigd.

 

 

HOOFDSTUK  5

Financiering, verantwoording en informatievoorziening

 

§ 5.1.  Financiering

 

Art. 5.1. Vervallen.

 

Art. 5.2. Indiening ontwerpen van jaarplan met begroting door RWI, UWV en SVB
De RWI, het UWV en de SVB dienen ieder jaarlijks vóór 1 juli een ontwerp-jaarplan met begroting bij de minister in.

 

Art. 5.3. Tijdstip aanbieding jaarplan met begroting door RWI, UWV, SVB en IB en voorlegging aan Staten-Generaal
-1. De RWI, het UWV, de SVB en het IB bieden ieder hun jaarplan met begroting jaarlijks vóór 1 oktober aan de minister aan.
-2. De jaarplannen met begrotingen van het UWV, de SVB en het IB bevatten in elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen VI, VIII en XI.
-3. De bij deze regeling behorende bijlage XX bevat een afzonderlijke opgave van de kosten van het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel dat in het bijzonder is belast met het beheer van de elektronische voorzieningen.

 

Art. 5.4. Meerjarenbeleidsplan van UWV en SVB
-1. Het UWV en de SVB bieden ieder hun meerjarenbeleidsplan jaarlijks vóór 1 februari aan de minister aan.
-2.
De meerjarenbeleidsplannen van het UWV en de SVB bevatten in elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen VI en VIII.

 

Art. 5.5. Jaarplan van RWI
-1. Het jaarplan van de RWI bevat in elk geval een omschrijving van:
a. de omvang van de beoogde activiteiten, met onderbouwing daarvan;
b. de (voorgenomen aanpassingen in de) wijze waarop de doelmatigheid van organisatie en beheer wordt bewaakt;
c
. de voornemens om taken door één of meer andere rechtspersonen of natuurlijke personen te laten verrichten, tenzij het werkzaamheden op het terrein van facilitaire dienstverlening of personeelsbeleid betreft; en
d. de wijze waarop de RWI rekening zal houden met de toezichtsbevindingen van de minister.
-2
. De omschrijving van een voornemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, omvat in elk geval de volgende informatie:
a. een zodanige beschrijving van de door derden te verrichten werkzaamheden dat daaruit blijkt in welke relatie deze tot de kerntaken staan;
b. de contractduur;
c. de volumegegevens en (geraamde) financiële omvang van het contract; en
d. indien in verband met de werkzaamheden inzage in of overdracht van cliëntgegevens plaatsvindt, een beschrijving van aard en hoeveelheid daarvan.

 

Art. 5.6. Begroting van RWI
De in de begroting van de RWI op te nemen raming van baten en lasten omvat:
a. een specificatie van de geraamde lasten;
b. een specificatie van de geraamde bestuurskosten;
c. een totalisering van de geraamde lasten voor de gehele organisatie;
d. een totalisering van de geraamde baten voor de gehele organisatie;
e. een opgave van de in de balans opgenomen voorzieningen.

 

Art. 5.7. Raming van inkomsten en uitgaven van RWI
De in de begroting van de RWI op te nemen raming van inkomsten en uitgaven omvat:
a. een raming van de verplichtingen die in het begrotingsjaar worden aangegaan en die in dat jaar en in volgende jaren tot uitgaven zullen leiden, alsmede de stand van de verplichtingen die per 1 januari van het begrotingsjaar bestaan en in dat jaar en in volgende jaren tot uitgaven gaan leiden; en
b. een raming van de inkomsten die in het begrotingsjaar en in volgende jaren zullen worden ontvangen, alsmede de stand van de vorderingen die per 1 januari van het begrotingsjaar bestaan en in dat jaar en in volgende jaren tot inkomsten gaan leiden.

 

Art. 5.8. Raming van investeringsuitgaven van RWI
-1.
De in de begroting van de RWI op te nemen raming van de investeringsuitgaven omvat een specificatie van de vaste activa per 1 januari van het begrotingsjaar.
-2. De raming wordt gespecificeerd naar:
a. ICT;
b. huisvesting;
c. meubilair;
d. kantoormachines;
e. overige investeringen;
f. investeringen niet-wettelijke taken.

 

Art. 5.9. De toelichting op de begroting
De toelichting bij de begroting bevat een omschrijving van:
a. een onderbouwing van de ramingen volgens algemeen aanvaarde normen aan de hand van kostencomponenten en prestatie-indicatoren;
b. de gehanteerde kostentoerekeningssystematiek in de gevallen waarin het niet mogelijk is de systematiek van integrale kostprijzen te hanteren;
c. de gehanteerde loon- en prijsbijstellingsmethodiek;
d. de mutaties van meer dan 5 procent en ten minste €|50 000,00 ten opzichte van dezelfde begrotingspost van het voorafgaande jaar, naar oorzaak en omvang.

 

Art. 5.10. Tussentijds verslag en jaarverslag RWI
De RWI biedt zijn halfjaarlijkse tussentijdse verslag uiterlijk 15 augustus en zijn jaarverslag uiterlijk 15 maart aan de minister aan.

 

Art. 5.10a. Jaarverslag, tussentijdse verslagen en jaarrekening van UWV, SVB en IB
-1. De jaarverslagen van het UWV en de SVB bevatten in elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen VI en VIII.
-2. De tussentijdse verslagen van het UWV en de SVB bevatten in elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen VI en VIII.
-3. Het jaarverslag, de tussentijdse verslagen en de jaarrekening van het UWV bestaan uit twee afzonderlijke delen, waarvan één deel uitsluitend betrekking heeft op het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel en het andere deel op het UWV met uitzondering van het bedoelde organisatieonderdeel.
-4. De delen van het jaarverslag en de tussentijdse verslagen die betrekking hebben op het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel bevatten in elk geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage XX.
-5. Het jaarverslag, de jaarrekening en de tussentijdse verslagen van het IB bevatten in ieder geval een omschrijving van de onderwerpen die zijn opgenomen in bijlage XI.

 

 

§ 5.1B.  Accountantscontrole

 

Art. 5.10b. Begrippen
-1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. getrouwheid: de overeenstemming van de in de verantwoording opgenomen informatie met de werkelijkheid;
b. financiële rechtmatigheid: de overeenstemming van de totstandkoming van de baten en lasten en de balans met de in Europese regelgeving, Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen, andere algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels die in de Staatscourant zijn gepubliceerd, opgenomen bepalingen die de uitkomst van een financiële transactie kunnen beïnvloeden;
c. doelmatigheid: de relatie tussen de prestaties en de ingezette middelen;
d. financiële fout: een fout die financiële consequenties heeft;
e. onzekerheden: de baten en lasten waarover de accountant geen toereikende controle-informatie heeft verkregen als gevolg van leemten in de administratieve organisatie of interne controle of ontoereikend beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik;
f. auditrisico: het inherente risico, het interne beheersingsrisico en het ontdekkingsrisico tezamen;
g. goedkeuringstolerantie: het bedrag van de financiële fouten respectievelijk het bedrag van de onzekerheden blijkend uit de accountantscontrole van de jaarrekening, dat een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening niet in de weg staat;
h. omvangsbasis: de totale baten, of totale lasten, of de som van baten en lasten voor de jaarrekening als geheel, respectievelijk per wet voor de bevindingen per wet;
i. bedrijfsvoeringsparagraaf: onderdeel van het jaarverslag waarin, mede gebaseerd op risicoanalyse, verantwoording wordt afgelegd over de bedrijfsvoering.
-2. Deze paragraaf is van toepassing op de accountantscontrole bij de jaarrekening die wordt opgesteld door het UWV, de SVB, de RWI en het IB.

 

Art. 5.10c. Het onderzoek
-1. De accountant stelt ten behoeve van zijn onderzoek een controleplan en werkprogramma’s op waarin hij de opzet en de wijze van uitvoering van het onderzoek en de daarbij gehanteerde normen vastlegt.
-2. De accountant sluit bij zijn onderzoek aan bij de regels die gelden voor de accountantscontrole voor de rijksoverheid tenzij in deze regeling afwijkingen zijn vastgelegd.
-3. De accountant verricht de werkzaamheden met het oog op de afgifte van de verklaring zodanig dat daarbij een auditrisico van 5 procent per onderzochte omvangsbasis is gewaarborgd.
-4. De accountant onderzoekt of de voorgeschreven informatie in de jaarrekening is opgenomen en of de informatie in het jaarverslag niet strijdig is met deze informatie.
-5. De accountant onderzoekt de getrouwheid van de in het jaarverslag opgenomen jaarrekening alsmede van de in de bedrijfsvoeringsparagraaf opgenomen rapportage over de rechtmatigheid.
-6. De accountant stelt de controlebevindingen vast van de uitvoering van de in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, 32d, eerste en tweede lid, en 34, eerste lid, onderdeel a en d, van de Wet SUWI genoemde taken, voor zover het gaat om de uitvoering van wettelijke regelingen waarin uitkeringen of voorzieningen worden toegekend en waarvan de kosten ten laste komen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of de fondsen, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, g, j tot en met n en w, van de Wfsv.
-7. De omvangsbasis wordt voor elk van de taken, bedoeld in het zesde lid, op overeenkomstige wijze als voor de omvangsbasis voor de jaarrekening als geheel bepaald. Bij het bepalen van de omvang van de controle op het niveau van een wet houdt de accountant rekening met de volgende toleranties in verhouding tot de gehanteerde omvangsbasis:
a. wet < € 50 miljoen: tolerantie = 10%;
b. wet > € 50 miljoen en < € 500 miljoen: tolerantie = € 5 miljoen;
c. wet > € 500 miljoen: tolerantie = 1%.
-8. De accountant onderzoekt de doelmatigheid van het beheer en de organisatie.

 

Art. 5.10d. De verklaring
-1. Ten behoeve van zijn verklaring bepaalt de accountant de omvang van financiële fouten en onzekerheden die het getrouwe beeld van de jaarrekening en de daarbij behorende financiële toelichtingen dan wel het getrouwe beeld van de rechtmatigheidsinformatie in de bedrijfsvoeringsparagraaf aantasten.
-2. Voor wat betreft de financiële fouten en onzekerheden die het getrouwe beeld van de jaarrekening en de daarbij behorende financiële toelichtingen aantasten, bepaalt de accountant de omvang als volgt:
a. financiële fouten en onzekerheden in de baten als percentage van de totale baten;
b. financiële fouten en onzekerheden in de lasten als percentage van de totale lasten; en
c. financiële fouten en onzekerheden in de baten en lasten tezamen als percentage van de som van baten en lasten.
-3. De accountant toetst de hoogste van de drie financiële foutpercentages en drie onzekerheidspercentages, bedoeld in het tweede lid, aan de in onderstaande tabel opgenomen toleranties en baseert daarop de strekking van zijn verklaring.

Goedkeuringstoleranties Goedkeurende verklaring Verklaringrmet beperking Verklaring met oordeelonthouding Afkeurende verklaring
Financiële fouten in de verantwoording <1% >1% en <3%   >3%
Onzekerheden in de controle <3% >3% en <10% >10%  

-4. Bij de bepaling van de strekking van de uiteindelijke controleverklaring weegt de accountant het getrouwe beeld van de jaarrekening en de rechtmatigheidsrapportage in de bedrijfsvoeringsparagraaf, waaronder de getrouwheid van de rapportage over het gevoerde beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Voor de getrouwheid van de rechtmatigheidsrapportage geldt geen kwantitatieve goedkeuringstolerantie.
-5. De controleverklaring wordt opgesteld overeenkomstig de modellen die zijn opgenomen in bijlage XXII behorende bij deze regeling.

 

Art. 5.10e. Het verslag van bevindingen
-1. Het UWV, de SVB, de RWI en het IB dragen er zorg voor dat de minister door middel van het verslag van bevindingen inzicht wordt geboden in de belangrijkste uitkomsten van de controlewerkzaamheden van de accountant, in elk geval met betrekking tot:
a. fouten en onzekerheden voor de bepaling van de strekking van de controleverklaring;
b. overige fouten en onzekerheden die niet worden gehanteerd voor de bepaling van de strekking van de controleverklaring;
c.
de doelmatigheid van het beheer en de organisatie, zoals omschreven in de bij deze regeling behorende bijlage XXIII;
d. het jaarverslag, voor wat betreft de prestatie-indicatoren en kengetallen;
e. het jaarverslag, voor wat betreft de bedrijfsvoeringsparagraaf.
-2. De accountant hanteert bij zijn controlewerkzaamheden als toetsingskader voor de onderdelen, genoemd in het eerste lid:
bij a. de getrouwheid;
bij b. de getrouwheid;
bij c. de ordelijke en controleerbare totstandkoming;
bij d. de ordelijke, controleerbare en deugdelijke totstandkoming voor wat betreft de prestatie-indicatoren;
bij e. de ordelijke en controleerbare totstandkoming van de bedrijfsvoeringsparagraaf en de getrouwheid voor wat betreft de rechtmatigheidsrapportage in de bedrijfsvoeringsparagraaf.
-3.
De accountant onderzoekt de rechtmatige uitvoering van de regelingen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Wet SUWI, en vermeldt de uitkomsten van dit onderzoek in het verslag van bevindingen.

 

 

§ 5.2.  Informatievoorziening


§ 5.2.1.  Informatieverstrekking UWV en SVB aan de minister en de IWI

 

Art. 5.11. Basisgegevens
-1.
Het UWV en de SVB dragen zorg voor de elektronische beschikbaarheid van gegevens ten behoeve van de minister en de IWI, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht en de andere taken van de minister.
-2. Het UWV en de SVB dragen er zorg voor dat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, voor zover zij zijn verwerkt voor de uitvoering van de aan het UWV en de SVB opgedragen taken, ten minste vijf jaar worden bewaard nadat de taak ten aanzien van de geregistreerde persoon is geëindigd.
-3. Na afloop van de termijn, bedoeld in het derde lid, bewaren het UWV en de SVB de gegevens slechts ten behoeve van historische of wetenschappelijke doeleinden.

 

Art. 5.12. Periodieke informatieverstrekking
-1.
Uiterlijk op de in de bijlagen VI en VIII genoemde tijdstippen verstrekken het UWV en de SVB aan de minister een rapportage over de door hen beheerde fondsen op de wijze als in de bijlagen VI en VIII is aangegeven.
-2. Het UWV en de SVB verstrekken ten behoeve van het jaarverslag van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de informatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlagen VI en VIII, op het in deze bijlagen bepaalde tijdstip.

 

Art. 5.13. Jaarlijkse informatieverstrekking voor de rijksbegroting
De SVB verstrekt jaarlijks aan de minister in mei een gedetailleerde raming van het aantal personen dat een uitkering ontvangt krachtens de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen.

 

Art. 5.14. Informatieverstrekking aan derden
-1. Op verzoek van de minister respectievelijk de IWI verstrekken het UWV en de SVB gegevens en informatie aan personen of instanties die in zijn opdracht of met zijn instemming onderzoek of analyses uitvoeren.
-2. Op verzoek van de minister respectievelijk de IWI verstrekken het UWV en de SVB gegevens en informatie aan personen of instanties die in zijn opdracht bewerker zijn van de gegevens uit deze regeling.
-3. Op verzoek van de minister verstrekken het UWV en de SVB informatie aan door hem aangewezen internationaalrechtelijke organisaties.
-4. Op verzoek van de minister verstrekt het UWV gegevens en informatie aan de Minister van Binnenlands Zaken en Koninkrijksrelaties. Het UWV levert in ieder geval binnen zes weken na afloop van elk kwartaal de in bijlage IX genoemde rapportages en jaarlijks, binnen drie maanden na afloop van het jaar, de in bijlage IX genoemde bestanden.
-5. Het UWV en de SVB plegen overleg met de personen of instanties, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, over de inhoud, de vorm, de wijze en het tijdstip waarop de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, plaatsvindt.
-6. De minister en de IWI dragen er zorg voor dat de personen en instanties, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, van het UWV en de SVB niet meer gegevens en informatie krijgen dan noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek dan wel voor de taak ten behoeve waarvan bedoelde personen of instanties de informatie ontvangen en overleggen met het UWV en de SVB over de wijze waarop dit kan worden bereikt.
-7. Het UWV verstrekt aan de in artikel 12, tweede lid, van de Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken daartoe door de minister aangewezen bewerker de in bijlage III, onderdeel Wet sociale werkvoorziening, genoemde persoonsgegevens. De persoonsgegevens worden door het UWV telkenmale binnen zes weken na afloop van een halfjaarsperiode aan de bewerker verstrekt op een door die bewerker te bepalen wijze. Artikel 13 van de Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken is van toepassing.

 

Art. 5.15. Openbaarmaking onderzoeksrapporten en statistische rapportages
-1. Het UWV en de SVB brengen rapporten over onderzoek dat door of in opdracht van de uitvoeringsorganisatie is uitgevoerd, ter kennis van de minister. De rapporten over onderzoeken waarvan de minister niet reeds op de hoogte was of kon zijn, worden uiterlijk twee weken vóór openbaarmaking aan de minister verstrekt.
-2. Het UWV en de SVB maken rapporten met informatie als bedoeld in artikel 5.12 en artikel 5.14, eerste lid, niet eerder dan twee dagen na verstrekking aan de minister openbaar.
-3. In geval van de openbaarmaking, bedoeld in dit artikel, wordt de minister uiterlijk 48 uur vóór de verwachte publicatietermijn geïnformeerd over de wijze waarop dit zal plaatsvinden.
-4. De minister kan op verzoek van het UWV en de SVB toestaan dat van de termijnen, bedoeld in dit artikel, wordt afgeweken.

 

Art. 5.16. Kwaliteit van de informatievoorziening
-1. Het UWV en de SVB dragen zorg voor een deugdelijke administratie en organisatie, waaronder begrepen dusdanige procedures en voorzieningen dat er, mede gelet op de stand van de kennis op het terrein van de kwaliteitszorg, voldoende waarborgen aanwezig zijn voor:
a. het kunnen voldoen aan de informatieverplichtingen, bedoeld in paragraaf 5.2.1;
b. tijdige verstrekking van gegevens en informatie;
c. voldoende actualiteit;
d. het voldoen aan het normenkader voor de betrouwbaarheid van de niet-financiële informatie zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage XVII ("Normenkader betrouwbaarheid niet-financiële informatie");
e. continuïteit van de verstrekking en opslag van gegevens en informatie
.
-2.
Het UWV en de SVB rapporteren in de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag over de kwaliteit van de informatievoorziening en over de wijze waarop deze is gewaarborgd.

 

Art. 5.17. Vervallen.

 

Art. 5.17a. Melding van belangrijke voornemens tot uitbesteding
-1. Het
UWV, de SVB en de RWI stellen de minister en de IWI zo spoedig mogelijk in kennis van hun voornemens tot het door één of meer andere rechtspersonen of natuurlijke personen laten verrichten van werkzaamheden op het terrein van facilitaire dienstverlening of personeelsbeleid indien het zwaarwegend karakter ervan daartoe naar hun oordeel aanleiding geeft.
-2. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid omvat in elk geval de volgende informatie:
a. een zodanige beschrijving van de door derden te verrichten werkzaamheden dat daaruit blijkt in welke relatie deze tot de kerntaken staan;
b. de contractduur;
c. de volumegegevens en (geraamde) financiële omvang van het contract; en
d. indien in verband met de werkzaamheden inzage in of overdracht van cliëntgegevens plaatsvindt, een beschrijving van aard en hoeveelheid daarvan.

 

Art. 5.18. Wijziging informatieverstrekking
De minister wijzigt de bepalingen in deze paragraaf en de daarbij behorende bijlagen slechts na overleg met het UWV en de SVB.

 

 

§ 5.2.2.  Informatieverstrekking aan de RWI

 

Art. 5.19. Informatieverstrekking door UWV, SVB en colleges van burgemeester en wethouders
-1.
Het UWV en de SVB verstrekken de RWI op zijn verzoek de informatie, bedoeld in artikel 5.12, eerste en tweede lid, en de gegevens, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, voor zover hij die nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.
-2. De minister kan nader bepalen dat de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, zal plaatsvinden door zijn tussenkomst.
-3. De colleges van burgemeester en wethouders verstrekken aan de RWI, door tussenkomst van de minister, de in de bij deze regeling behorende bijlage X opgenomen informatie die de RWI nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak en die betrekking heeft op de uitvoering van de Wet SUWI en andere wetten.
-4. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn zodanig dat natuurlijke personen niet geïdentificeerd of identificeerbaar zijn.
-5. De in dit artikel genoemde informatieverstrekkingen vinden kosteloos plaats.
-6. Het UWV en de SVB stellen de RWI in kennis van de onderzoeken die door hen of in hun opdracht zijn uitgevoerd.

 

Art. 5.20. Nadere bepalingen voor informatieverstrekking
-1. Artikel 5.14, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de informatieverstrekking aan de RWI.
-2. Artikel 5.18 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van wijziging van deze paragraaf.
-3. De RWI kan het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders verzoeken andere informatie dan bedoeld in artikel 5.19 te verstrekken die hij nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak en daarbij aangeven op welke wijze en op binnen welke termijn die informatie wordt verstrekt.

 

 

§ 5.2.3.  Kennisgeving besluiten UWV en SVB aan de IWI

 

Art. 5.21. Aanwijzing voor te leggen besluiten UWV en SVB
-1. Het UWV en de SVB brengen hun besluiten van algemene strekking binnen twee weken na vaststelling schriftelijk ter kennis van de IWI.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van besluiten die goedkeuring van de minister behoeven.

 

 

§ 5.3.  Rapportage gegevensverwerking

 

Art. 5.22. Verantwoording gegevensverwerking
-1. Het UWV, de SVB en het IB rapporteren vóór 15 maart van elk jaar over de opzet en werking van het stelsel van maatregelen en procedures, gericht op het waarborgen van een exclusieve, integere, beschikbare en controleerbare gegevensverwerking.
-2.
De rapportage wordt vergezeld van een oordeel van een tot de Nederlandse Orde van Register EDP-Auditors ¹ toegelaten persoon of van een verklaring van getrouwheid van een dergelijke persoon.

1. EDP: Electronic Data Processing, met betrekking tot accountantscontrole, red.

 

 

§ 5.2.5.  Kennisgeving besluiten CWI, UWV en SVB aan de IWI

Vervallen

 

Art. 5.23. Vervallen.

 

 

HOOFDSTUK  6

Eenmalige uitvraag van gegevens, elektronische voorzieningen en IB

 

§ 6.1.  Eenmalige uitvraag van gegevens en elektronische voorzieningen

 

Art. 6.1. Eenmalige uitvraag van gegevens
-1. In bijlage II bij deze regeling zijn de gegevens uit bijlage II, bedoeld in artikel 5.2a van het Besluit SUWI, opgenomen waarop artikel 5.2a, eerste lid, van toepassing is.
-2. In de bijlage wordt bij de gegevens aangegeven vanaf welk moment artikel 5.2a, eerste lid, van het Besluit SUWI voor de verwerking van die gegevens van toepassing is.

 

Art. 6.2. Gegevensregister SUWI
-1. In bijlage XII ("Gegevensregister SUWI 6.0") bij deze regeling is het Gegevensregister SUWI opgenomen, bedoeld in artikel 5.20 van het Besluit SUWI.
-2. In bijlage XVIII ("Gegevensregister IB") bij deze regeling zijn gegevens opgenomen als bedoeld in artikel 5.24, tweede lid, van het Besluit SUWI, die door het IB worden verwerkt.

 

Art. 6.3. Stelselontwerp gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI
In bijlage I ("Stelselontwerp & beveiliging gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI") bij deze regeling is het Stelselontwerp gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI opgenomen, bedoeld in artikel 5.21, vierde lid, van het Besluit SUWI.

 

Art. 6.4. Beveiliging elektronische voorzieningen SUWI
-1. Het UWV, de SVB, de colleges van burgemeester en wethouders, het IB en op de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI aangesloten niet-SUWI-partijen dragen zorg voor de beveiliging van de gegevensuitwisselingen die plaatsvinden in het kader van de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI, tegen inbreuk op de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid, overeenkomstig hetgeen over de voor het stelsel van maatregelen en procedures te hanteren normen wordt bepaald in bijlage I ("Stelselontwerp & beveiliging gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI").
-2. Het UWV, de SVB, de colleges van burgemeester en wethouders, het IB en op de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI aangesloten niet-SUWI-partijen geven ieder in een beveiligingsplan aan op welke wijze zij invulling geven aan het eerste lid.
-3. Artikel 5.22 is van overeenkomstige toepassing op het gebruik en de inrichting van de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI.

 

Art. 6.5. Gebruik elektronische voorzieningen door niet-SUWI-partijen
Bij het tot stand komen van de overeenkomst als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, van het Besluit SUWI wordt het in bijlage III bij deze regeling opgenomen protocol in acht genomen.

 

 

§ 6.2 IB

 

Art. 6.6. Inlichtingenbureau
-1. De Stichting Inlichtingenbureau wordt aangewezen als de instelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel p,¹ van de Wet SUWI.
-2. De Stichting Inlichtingenbureau informeert de minister telkens schriftelijk over elke uitbreiding van andere taken dan de taak, bedoeld in artikel 1, onderdeel m, van de Wet SUWI.

1. Volgens de redactie dient "onderdeel p" te worden vervangen door: onderdeel m.

 

Art. 6.7. Vervallen.

 

Art. 6.8. Vervallen.

 

 

 

HOOFDSTUK  7

Overgangsbepalingen en afwijkingen van de Wet SUWI en van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten i.v.m. invoering

 

Art. 7.1. Vervallen.

 

Art. 7.2. Vervallen.

 

Art. 7.3. Vervallen.

 

Art. 7.3a. Vervallen.

 

Art. 7.4. Vervallen.

 

Art. 7.5. Vervallen.

 

Art. 7.6. Vervallen.

 

Art. 7.7. Vervallen.

 

Art. 7.8. Vervallen.

 

Art. 7.9. Vervallen.

 

Art. 7.10. Overgangsbepaling re-integratieverantwoordelijkheid werkgever in het tweede spoor
-1. Indien op 1 januari 2002 een dienstbetrekking bestaat met een werknemer wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte is gelegen vóór die datum en ten aanzien van wie het Landelijk instituut sociale verzekeringen op die dag een taak heeft op grond van artikel 8, eerste lid, en artikel 10 van de Wet Rea, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan 1 januari 2002, heeft in afwijking van artikel 8 en 10 van de Wet Rea het UWV de taak tot bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces van die werknemer op grond artikel 10 van die wet.
-2. Indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van een werknemer is gelegen vóór 1 januari 2003, is artikel 8, eerste lid, van de Wet Rea, indien vaststaat dat in het bedrijf van de werkgever geen passende arbeid voorhanden is, voor de werkgever niet van toepassing en is artikel 10 van de Wet Rea van toepassing, tenzij de werkgever het UWV schriftelijk meldt dat hij de taak op grond van artikel 8 van de Wet Rea zal verrichten ten aanzien van zo’n werknemer.
-3. Bij toepassing van het tweede lid vervult het UWV zijn taak, bedoeld in artikel 10 van de Wet Rea, slechts nadat de werkgever aan het UWV een re-integratieverslag heeft verstrekt dat is opgesteld op grond van artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel met toepassing van artikel 8, achtste lid, van de Wet Rea, of een re-integratieplan aan het UWV heeft verstrekt dat is opgesteld op grond van artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dat artikel luidde vóór 1 april 2002.
-4. Indien op grond van dit artikel het UWV een taak heeft op grond van artikel 10 van de Wet Rea, zijn in geval van het eerste lid artikel XV, eerste en zesde lid, van de Wet verbetering poortwachter van overeenkomstige toepassing. In geval van het tweede lid is de eerste zin van artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet van toepassing.
-5. Bij de toepassing van dit artikel is artikel 43 van de Wet Rea van toepassing.
-6. Artikel 4.11 van het Besluit SUWI is niet van toepassing zolang artikel 8 van de Wet Rea op grond van dit artikel niet van toepassing is op de werkgever.

 

Art. 7.11. Vervallen.

 

Art. 7.12. Vervallen.

 

Art. 7.13. Vervallen.

 

Art. 7.14. Overgangsrecht accountantscontrole
De artikelen 5.10b tot en met 5.10e zoals deze luidden op 31 december 2008 blijven met betrekking tot het boekjaar 2008 van toepassing op de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Wet SUWI zoals deze luidde op 31 december 2008, met betrekking tot het boekjaar 2008.

 

Art. 7.15. Vervallen.

 

 

HOOFDSTUK  8

Slotbepalingen

 

Art. 8.1. Vervallen.

 

Art. 8.2. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

 

Art. 8.3. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling SUWI.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen, met uitzondering van de bijlagen III tot en met XVI, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen III tot en met XVI liggen met ingang van 1 januari 2002 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

’s-Gravenhage, 21 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
.

 

 

BIJLAGEN bij de Regeling SUWI

 

 

Bijlagen:

I. Aanvraag Wwb/Ioaw
II. Aanvraag WW/TW
III. Basisgegevens CWI
IV. Informatieproducten van de CWI
V. Basisgegevens UWV
VI. Informatieproducten van het UWV
VII. Basisgegevens SVB
VIII. Informatieproducten van de SVB
IX. Informatieproducten ten behoeve van BZK
X. Informatieproducten ten behoeve van de RWI
XI. Informatieproducten van het IB
XII. Gegevensregister SUWI 1.0
XIII. Stelselontwerp Suwinet 1.0
XIV. Beveiliging Suwinet 1.0
XV. Aansluitvoorwaarden gemeenten op IB 1.0
XVI. Ontwerp elektronische voorzieningen IB 1.0
XVII. Aansluitingsschema gemeenten op IB
XVIII. Ingroeischema Abw/Ioaw-intake
XIX. Bijlage XIX, behorende bij de Regeling SUWI, artikel 7.4, eerste lid

 

 

 

TOELICHTING
[21 december 2001]

 

Algemeen

 

     De SUWI-voorstellen die zijn uiteengezet in het Nader Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) van januari 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) hebben een ingrijpende verandering in de bestaande verantwoordelijkheden en in de wijze van uitvoering van de socialezekerheids- en arbeidsmarktwetten tot gevolg. Deze wijzigingsvoorstellen zijn uitgewerkt in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet SUWI).
     Beide wetten regelen op hoofdlijnen de nieuwe uitvoeringsstructuur. De nadere invulling hiervan geschiedt op het niveau van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling. In de voorliggende regeling worden onder meer de volgende onderwerpen nader uitgewerkt:
• de kostentoerekening en het gegevensverkeer in het kader van het verrichten van andere dan de in de Wet SUWI opgedragen taken door CWI, UWV en SVB;
• de administratieve indeling van werkzoekenden;
• de uitkeringsintake en overdracht aanvraag door de CWI;
• de hoogte van het persoonsgebonden reïntegratiebudget;
• financiering, verantwoording en informatievoorziening;
• Suwinet en het Inlichtingenbureau gemeenten;
• overgangsbepalingen en afwijkingen van de Wet SUWI en van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten in verband met de invoering.
     Eén van de hierboven bedoelde overgangsbepalingen heeft betrekking op de uitkeringsintake Abw en Ioaw. Zoals toegelicht in de brief aan de beide kamers van 6 december 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 448, nr. 37) hebben wij besloten tot een getemporiseerde invoering van de uitkeringsintake Abw en Ioaw. Daarbij is gekozen voor een "ingroeivariant". Deze ingroeivariant houdt in dat CWI en gemeente gezamenlijk kunnen verzoeken om de overdracht van de uitkeringsintake Abw en Ioaw uit te stellen tot uiterlijk 1 april 2002. Op grond van artikel 7.3 van deze regeling kan de minister naar aanleiding van dit verzoek besluiten dat de uitkeringsintake tot die datum nog bij de betreffende gemeente dient plaats te vinden. De gemeenten waarvoor het uitstel geldt staan vermeld in een bijlage bij deze regeling.
     In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het commentaar van uitvoeringsorganisaties.


Commentaar uitvoeringsorganisaties

     De concept-Regeling SUWI is voor advies voorgelegd aan het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, red.], de SVB, het UWV i.o., de CWI i.o., het Ctsv [College van toezicht sociale verzekeringen, red.], de VNG, het Inlichtingenbureau (IB), het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) en Actal [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.]. Wij zijn de organisaties erkentelijk voor de snelheid en grondigheid waarmee zij hun adviezen hebben opgesteld. Actal heeft afgezien van advisering omdat de Regeling SUWI geen invloed heeft op de administratieve lasten.
     In het vervolg van deze paragraaf wordt een reactie gegeven op de hoofdpunten van de ontvangen adviezen. De adviezen hebben vooral geleid tot technische aanpassingen en verduidelijkingen in de toelichting bij de regeling of in de bijlagen.


Andere taken

     Naar aanleiding van een daartoe strekkende opmerking van het UWV i.o. is artikel 1.5 in die zin gewijzigd dat in het kader van de uitvoering van de andere taken de verwerking van gezondheidsgegevens wel is toegestaan ten behoeve van onder andere pensioenfondsen, verzekeraars en CAO-regelingen. Hierbij is overigens artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van belang.


Financiering en verantwoording

1. Betrokkene beschikt ten minste over een diploma op niveau 2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of over een afgeronde HAVO- of VWO-opleiding.
2. Zie het Beleidsplan ICT d.d. 12 januari 2001, bijlage 12 bij het Grofontwerp SUWI (bijgaand stuk 1 bij Kamerstukken II 2000-2001, 26 448, nr. 19). Door vrijwel alle organisaties zijn opmerkingen gemaakt over de in paragraaf 5.1 van de regeling voorgeschreven begrotingssystematiek. Met name hadden de opmerkingen betrekking op onduidelijkheden en inconsistenties in het gehanteerde begrippenkader. Dit heeft geleid tot aanpassing en stroomlijning; zo is bijvoorbeeld integraal gekozen voor de begrippen "werkproces" en "diensten". Over de verdere invulling van deze begrippen zal nader overleg worden gevoerd tussen de minister en de CWI, het UWV en de SVB.
Artikel 5.17 verplicht de CWI, het UWV en de SVB de stukken van de Raad van bestuur en de Raad van advies ter beschikking te stellen van de minister en de IWI. Naar het oordeel van de betrokken organisaties is deze bepaling in strijd met het principe van outputsturing en past een dergelijke ongeclausuleerde verplichting niet in de relatie tussen de minister en een ZBO [zelfstandig bestuursorgaan, red.].
     Naar onze mening is deze kritiek terecht. Artikel 5.17 zal in die zin worden aangepast dat CWI, UWV en SVB de agenda en een verkorte weergave van het verslag van de bijeenkomsten van de Raad van bestuur en de Raad van advies ter beschikking stellen van de minister en de IWI. Daarnaast dienen alle stukken ter beschikking van de minister en de IWI gesteld te worden, waarvan de Raad van bestuur redelijkerwijs kan vermoeden dat zij relevant zijn in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid. Toezending vindt plaats binnen drie dagen na de agendering in de Raad van bestuur of Raad van advies.


Informatievoorziening

     Het Cbp merkt op dat van de informatie die uitvoerders aan de minister en de IWI, of namens hen aan derden, incidenteel dan wel stelselmatig verstrekken, niet duidelijk is of het persoonsgegevens betreft.
     Artikel 5.12, derde en zesde lid, betreft de verstrekking van gegevensbestanden door de CWI, het UWV en de SVB aan de minister. Deze leveringen zijn noodzakelijk ten behoeve van ramingswerkzaamheden en de evaluatie van beleid. Aangezien het (gedeeltelijk) om persoonsgegevens gaat, zullen de voor de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijke maatregelen en voorzieningen worden getroffen conform de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Eén en ander is nader toegelicht bij het betreffende artikel.


Suwinet/gegevensverkeer

• Het Cbp dringt aan op specifiekere regels voor het gegevensverkeer in het kader van de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden en werknemers in het eerste ziektejaar.
     Wij onderschrijven de noodzaak tot nadere kaderstelling voor informatie-uitwisseling bij reïntegratieprocessen. De wijze waarop deze kaderstelling gestalte krijgt zal op korte termijn nader uitgewerkt worden. Het Cbp zal hierbij worden betrokken.
• Het Cbp dringt erop aan om privacybescherming tot object van periodiek onderzoek te maken en acht verduidelijking omtrent de uitvoering van de audit naar de beveiliging van Suwinet nodig. Ook het Ctsv acht een aanvulling van artikel 5.12 met betrekking tot verantwoording over gegevensverwerking door middel van een EDP-audit [Electronic Data Processing, met betrekking tot accountantscontrole, red.] gewenst.
     Naar aanleiding van de opmerkingen van het Cbp en het Ctsv is een artikel 5.22 toegevoegd en is artikel 6.4 uitgebreid, evenals de respectievelijke toelichtingen. De opmerking van het College dat betrouwbaarheid van de Suwinet-infrastructuur direct vanaf eerste fase gewaarborgd dient te zijn, wordt onderschreven; deze wordt op een adequaat niveau vormgegeven.
• Het advies van het IB heeft geleid tot een aantal wijzigingen van de regeling en de toelichting. Zo is de beveiligingsnorm waaraan binnen Suwinet dient te worden voldaan in overleg met het Cbp naar beneden bijgesteld, omdat de voorgestelde beveiligingsnorm (risicoklasse 3) te hoog wordt geacht. Dit betekent dat afhankelijk van het concrete geval een keuze wordt gemaakt voor maatregelen die passen bij risicoklasse 2 dan wel 3.

 

 

Artikelsgewijs

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen


Artikel 1.2. Vaststelling zetels

     Bij de vaststelling van de zetels van de verschillende SUWI-ZBO’s is in de eerste plaats uitgegaan van voortzetting van de bestaande situatie, dat wil zeggen dat voor de gehandhaafde SVB en voor de rechtsopvolger van het Lisv (het UWV) dezelfde plaatsen als voorheen als zetel worden aangewezen. Voor de CWI is gekozen voor Amsterdam, aangezien daar het hoofdkantoor van die organisatie wordt gevestigd. Voor de Raad voor werk en inkomen (RWI) - een nieuw orgaan - is gekozen voor Den Haag. Er wordt voor de goede orde op gewezen dat het bij de zetel alleen gaat om de formele vestigingsplaats van de betrokken rechtspersoon (onder meer van belang in verband met procedures); deze hoeft niet samen te vallen met de plaats(en) waar feitelijk de werkzaamheden worden verricht.

 

Artikel 1.3. Aanwijzing van een de gemeenten vertegenwoordigende rechtspersoon

     Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 16, derde lid, en 71 van de Wet SUWI. De aanwijzing van de VNG ligt voor de hand als vertegenwoordigende organisatie voor de gemeenten die voordrachten doet voor de benoeming van (plaatsvervangende) leden van de RWI en die (tezamen met de andere ZBO’s) overlegpartner is voor de minister bij de voorbereiding van nadere regelgeving.

 

Artikel 1.4. Goedkeuring besluiten CWI, UWV, SVB en RWI

     Op grond van artikel 6 van de Wet SUWI moeten de ZBO’s bepaalde besluiten ter goedkeuring aan Onze Minister voorleggen. Deze bepaling is ontleend aan artikel 25 van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De minister blijft hierdoor zicht houden op verplichtingen en transacties die niet tot de dagelijkse praktijk van de ZBO’s behoren en vaak tot langjarige verplichtingen leiden. Frequent voorkomende beheersbehandelingen in het kader van de bedrijfsvoering van een uitvoeringsorganisatie kunnen worden uitgesloten van de goedkeuring van de minister.
a) en b). Hier wordt geregeld dat leaseovereenkomsten met betrekking tot inventaris (computers, meubilair) of auto’s en overeenkomsten tot huur of verhuur van registergoederen jaarlijks onder een bedrag van €|1 miljoen geen goedkeuring behoeven. Het gaat hier dus om overeenkomsten waarmee een beperkt bedrag is gemoeid, niet voorspelbaar en van beperkte duur zijn en die in het kader van de bedrijfsvoering snelheid van handelen vereisen.
c). De ZBO’s zullen in het jaarplan ook bepaalde voornemens tot het aangaan van overeenkomsten of het nemen van besluiten opnemen. Aangezien de minister het jaarplan moet goedkeuren, geeft hij daarmee al goedkeuring aan deze besluiten. Aparte goedkeuring is dan niet meer nodig. Voordat sprake is van een voorgenomen besluit in het jaarplan dient daarin uiteraard wel duidelijkheid verschaft te worden omtrent de omvang c.q. kosten, het tijdstip van aangaan van de overeenkomst of de aanschaf en de duur van de overeenkomst.
     Voor de RWI is in de wet eveneens geregeld dat bepaalde besluiten ministeriële goedkeuring behoeven (zie artikel 19 van de Wet SUWI). Gelet op de omvang van het budget van de RWI is de financiële grens waar beneden die goedkeuring niet is vereist lager gesteld dan voor de ZBO’s, genoemd in het eerste lid.

 

Artikel 1.5. Gegevensverwerking en -verstrekking in verband met verrichten andere taken

     In dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 13, vierde lid, van de Wet SUWI.


Eerste lid

     Uit het eerste lid vloeit voort dat de CWI, het UWV en de SVB alle gegevens die zij hebben verkregen bij de uitvoering van hun wettelijke taken mogen verwerken bij de uitvoering van hun andere (in de Wet SUWI bedoelde) wettelijke taken en bij de uitvoering van andere dan wettelijke taken. Met die laatste taken wordt gedoeld op de andere taken waarvoor op grond van artikel 13, eerste lid, goedkeuring van de minister moet zijn verkregen.
     Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat onder wettelijke taken in dit kader wordt verstaan alle taken die in de artikelen 21, 30 en 34 van de Wet SUWI worden genoemd. Dit impliceert de uitvoering van bij ministeriële regeling aangewezen algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen (artikel 21, onderdeel i, 30, eerste lid, onderdeel i, en 34, eerste lid, onderdeel e).


Tweede lid

     In het tweede lid zijn de voorwaarden opgenomen waaronder de verwerking van gegevens, verkregen bij de uitvoering van wettelijke taken, bij de uitvoering van andere dan wettelijke taken mag plaatsvinden. Eén van de voorwaarden is dat de desbetreffende gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de andere dan wettelijke taken (denk hierbij aan gegevens omtrent bijvoorbeeld lonen, die verwerkt kunnen worden ten behoeve van de uitkeringsverstrekking). Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat de bepalingen over gegevensverwerking uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) tevens van toepassing zijn op de hier bedoelde gegevensverwerking. Hierbij verdienen met name de artikelen 16 en 21 van de Wbp bijzondere aandacht. Verdere vermelding verdient het feit dat de minister bij zijn besluit op een verzoek om goedkeuring als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet SUWI het concept van de overeenkomst die de CWI, het UWV of de SVB zullen afsluiten met de derde partij ter uitvoering van die andere taken, zal betrekken. Om een besluit te kunnen nemen zal hij kennis moeten nemen van de aard van de gegevens die verwerkt zullen worden en onder welke voorwaarden en met welke regelmaat die verwerking zal plaatsvinden. Wanneer de minister die informatie niet ontvangt, zal hij daar op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht om verzoeken.


Derde lid

     Ook met betrekking tot het derde lid kan worden opgemerkt dat de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing is op de verstrekking van gegevens aan derden, bedoeld in artikel 13, vierde lid, tweede volzin, van de Wet SUWI.

 

Artikel 1.6. Kostentoerekening in verband met verrichten andere taken

     Uitgangspunt bij de uitvoering van de andere taken is dat alle directe en indirecte kosten door de CWI, het UWV of de SVB voor de uitvoering van andere taken waarvoor op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet SUWI goedkeuring is verleend, gemaakte kosten aan de opdrachtgever worden doorgerekend. De CWI, het UWV of de SVB mogen andere taken uit blijven voeren vanwege de administratieve lastenverlichting voor werkgevers. Aangezien het niet de bedoeling is dat de CWI, het UWV of de SVB winst maken op de uitvoering van de andere taken en de kosten van de wettelijke taken niet mogen stijgen bij het wegvallen van de andere taken, dient de uitvoering van de andere taken dus kostendekkend plaats te vinden. Hiermee wordt de scheiding tussen publieke en private geldstromen bevestigd.

 

Hoofdstuk 2. CWI


§ 2.1. Fasering


Voorgeschiedenis

     De behoefte aan methodes en hulpmiddelen ten behoeve van een systematische en uniforme beoordeling van de kans op het vinden van werk, of anders gezegd de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt, bestaat reeds lange tijd. Deze behoefte vloeit voort uit de wens om maatwerk in de dienstverlening te bieden, zo snel mogelijk en op een gestandaardiseerde wijze.
     De wijze waarop de systematische beoordeling van de kans op het vinden van werk dient te geschieden is de afgelopen jaren verder ontwikkeld via concrete hulpmiddelen voor de bemiddelaars/consulenten. Zo is vanaf 1999 de "Kansmeter" (zie hierna) landelijk ingevoerd en vanaf medio 2000 de "kwalificerende intake". Deze hulpmiddelen kenden overigens voorlopers.
     Ook de Samenwerkingsregeling SWI bevatte bepalingen over de uniforme beoordeling van de arbeidsmarktpositie van werkzoekenden, inclusief nadere eisen aan deze beoordeling ("fase-indeling") en periodieke herbeoordeling, terwijl het Tijdelijk besluit samenwerking CWI gewag maakte van de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt (in dat kader als één van de taken waaromtrent samenwerking gericht op de dienstverlening in het CWI geboden is).
     Met het in werking treden van de Wet SUWI en het vervallen van vorenstaande regelingen is het noodzakelijk nieuwe, nadere regels te stellen betreffende de administratieve indeling.


Doel van de administratieve indeling

     De administratieve indeling, thans bekend onder het begrip "fasering", heeft als doel om de kans op werk of, anders gezegd, de afstand tot de arbeidsmarkt in te schatten en te onderzoeken hoe, indien nodig, die kans kan worden verbeterd c.q. de afstand kan worden verkleind.
     De administratieve indeling en de onderliggende instrumenten, zoals die de afgelopen periode zijn ontwikkeld, hebben als doel dat er op de werkvloer op systematische en uniforme wijze voor elke werkzoekende zo snel mogelijk wordt nagegaan hoe hij/zij werk kan vinden. De informatie die aldus wordt verkregen is enerzijds bestemd voor het bepalen van de juiste dienstverlening door CWI en andere partijen in de keten van dienstverlening. Anderzijds is deze informatie bestemd voor de werkzoekende zelf, om deze beter inzicht te geven in de individuele mogelijkheden op de arbeidsmarkt.
     Via deze methode wordt tevens beoogd langdurige werkloosheid te helpen voorkomen door - in voorkomende gevallen - snelle inzet van reïntegratie-instrumenten mogelijk te maken; daartoe wordt een (reïntegratie)advies opgesteld. Via de individuele benadering en inschatting van arbeidsmarktkansen kan aldus zo snel mogelijk de vereiste dienstverlening op maat worden bepaald en aangeboden, door CWI dan wel andere partijen.
     Het beoordelen van de kans op het vinden van werk en de advisering over het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt zijn taken van de CWI. Deze organisatie informeert het UWV dan wel de betrokken gemeente zo snel mogelijk over de uitkomst van de indeling en het advies in het geval van moeilijk plaatsbare werklozen. Mede aan de hand daarvan kunnen het UWV of de gemeente het reïntegratietraject vaststellen en inkopen.


De betekenis van de fasen

• De werkzoekende met een grote kans op werk, c.q. een kleine afstand tot de arbeidsmarkt wordt ingedeeld in fase 1. Voor hem/haar is, ter ondersteuning van de eigen inspanningen, de dienstverlening van het CWI beschikbaar gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt.
• De werkzoekende met een beperkte kans op werk en voor wie arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van zijn kans op werk dat hij na een tijdsbestek van maximaal één jaar als werkzoekende beter bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, wordt ingedeeld in fase 2.
• De werkzoekende met een beperkte kans op werk en voor wie arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van zijn kans op werk dat hij na een tijdsbestek van meer dan één jaar als werkzoekende beter bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, wordt ingedeeld in fase 3.
• De werkzoekende met een kleine kans op werk tengevolge van zware persoonlijke werkbelemmeringen wordt ingedeeld in fase 4. Betrokkene is primair aangewezen op sociale activering, hulp of zorg; inzet van arbeidsmarktinstrumenten is niet uitgesloten.
     Om tot een zorgvuldige beoordeling van de kans op het vinden van werk te kunnen komen wordt in de fase-indeling in elk geval aandacht besteed aan de volgende aspecten: de opleiding, waaronder het al dan niet beschikken over een zogeheten "startkwalificatie" ¹, de werkervaring, de sociale zelfredzaamheid, de motivatie en flexibiliteit, de mobiliteit, beroep van inschrijving en eventuele belemmeringen om te komen tot aanvaarding van werk, informatie en inzichten van de werkzoekende. De voorgaande aspecten dienen te worden gerelateerd aan de situatie op de arbeidsmarkt.
     Het proces van de administratieve indeling start gedurende de zogeheten "werkintake" met een eerste, globale inschatting van de kans op werk c.q. de afstand tot de arbeidsmarkt. Daarbij wordt het gespreksprotocol "Kansmeter" gehanteerd. Hierbij is het de bedoeling om de klanten die naar verwachting een grote kans hebben op het vinden van werk (fase 1), te identificeren. Van deze klanten wordt verwacht dat zij via eigen inspanningen, waar nodig met gebruikmaking van de faciliteiten en andere dienstverlening van de CWI, waaronder actieve bemiddeling, werk kunnen vinden. Wanneer het vinden van werk niet lukt, dan wordt na verloop van tijd de situatie opnieuw met de klant bezien. Voor de globale inschatting van de kans op het vinden van werk met behulp van de "Kansmeter" wordt gebruik gemaakt van diverse hulpmiddelen: een vragenset voor de klant, een beslisschema als leidraad voor het gesprek voor de consulent. Voorts dient de consulent een overdrachtsrapportage voor andere dienstverleners in de keten (UWV en gemeente) op te stellen.
     De klanten die niet tot de hiervoor bedoelde groep met een hoge kans op werk behoren, worden voorshands ingedeeld in een groep "nader te bepalen" of "fase 4". Met hen wordt een vervolggesprek gevoerd om een beter beeld te krijgen van de kansen en de belemmeringen. Daarbij vindt een check op de voorlopige fase-indeling plaats. Voor de klanten uit de groep "nader te bepalen" is dat gesprek de zogeheten "kwalificerende intake fase 2/3" en voor klanten met een globale fasering als fase 4 is dat het "vervolggesprek fase 4".
     Ook voor deze vervolggesprekken zijn gespreksprotocollen ontwikkeld; daarin wordt bovendien ingegaan op de vervolgdienstverlening (reïntegratieadvies).
     De consulent dient de hiervoor genoemde protocollen, ten behoeve van een uniforme behandeling, te hanteren, één en ander conform de werkinstructies die de CWI aan zijn medewerkers opdraagt. De protocollen hebben het karakter van hulpmiddelen; vanuit zijn/haar professionele achtergrond kan de consulent, mits gemotiveerd, afwijken van de conclusie die bijvoorbeeld uit het beslisschema lijkt voort te vloeien.

1. Betrokkene beschikt ten minste over een diploma op niveau 2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of over een afgerond HAVO- of VWO-opleiding.educatie beroepsonderwijs of over een afgerond HAVO- of VWO-opleiding.


Periodieke herbeoordeling

     De beoordeling van de kans op het vinden van werk betreft een inschatting. Het kan voorkomen dat personen die kansrijk geacht worden er toch niet in slagen snel werk te vinden. Om te voorkomen dat deze situatie te lang kan voortduren, dient voor deze fase-1-klanten binnen een periode van zes maanden een herbeoordeling plaats te vinden. Gelet op het feit dat deze personen met regelmaat de CWI-vestiging bezoeken, moet deze periode van zes maanden als een maximum worden beschouwd; eerdere signalering van het niet kunnen vinden van werk ligt in de rede.
     Herbeoordeling kan ook nodig zijn als het UWV of de gemeente van mening is dat daartoe aanleiding bestaat. In dat geval verricht de CWI zo snel mogelijk deze herbeoordeling (zie artikel 26, vijfde lid, van de Wet SUWI).


Werkinstructies

     De CWI zal de medewerkers die de administratieve indeling uitvoeren, voorzien van werkinstructies. Deze kunnen betrekking hebben op de feitelijke uitvoering, de hantering van de hulpmiddelen, de gewenste snelheid van beoordelen en herbeoordelen.


Evaluatie en bijstelling van methodiek en hulpmiddelen

     De methodiek van de administratieve indeling zoals die de afgelopen jaren is ontwikkeld, dient gevolgd en geëvalueerd te worden. Uit de evaluaties zal naar voren komen of er aanleiding is tot bijstellingen. Deze evaluaties kunnen enerzijds betrekking hebben op (optimalisering van) de uitvoering, anderzijds op beleidsmatige aspecten.
     Als het gaat om de uitvoering (wordt conform de werkinstructies gewerkt?) en de hulpmiddelen (zijn de hulpmiddelen helder en adequaat?), dient de CWI met regelmaat eigen monitoring en onderzoek te verrichten. Tevens kan het nodig zijn om in de vorm van pilots nieuwe werkwijzen en hulpmiddelen in de praktijk uit te proberen.
     De minister zal evaluaties verrichten gericht op vragen die betrekking hebben op de methode als zodanig: zijn 4 fasen nodig? Is de inrichting in het proces, inclusief de herbeoordeling, adequaat? Is de methode zelf wel voldoende valide en betrouwbaar qua voorspellende waarde in vergelijking tot andere methodes, zoals de beoordeling op basis van gebleken werkloosheidsduur?


Bezwaar

     De fase-indeling c.q. het daarop gebaseerde reïntegratieadvies betreft een advies aan UWV of gemeente. UWV en gemeente zijn verantwoordelijk voor de reïntegratie en het nemen van besluiten inzake de reïntegratie. Tegen die besluiten kan bezwaar worden gemaakt en eventueel beroep worden aangetekend (en dus niet tegen het advies van de CWI).

 

§ 2.2. Uitkeringsintake en overdracht aanvraag door de CWI


Algemeen

     De CWI-kantoren zijn in principe het startpunt voor alle mensen die aangifte wensen te doen van werkloosheid en/of een uitkering willen aanvragen in het kader van de WW, TW of Abw en Ioaw. Met uitzondering van de bij wet of AMvB benoemde groepen die een aanvraag rechtstreeks bij burgemeester en wethouders of het UWV kunnen indienen, wordt de aanvraag voor een uitkering hiertoe bij de CWI ingediend. De CWI verzamelt de hiervoor noodzakelijke gegevens en bewijsstukken, controleert deze gegevens en bewijsstukken op juistheid, volledigheid en consistentie en draagt deze gegevens en bewijsstukken over aan burgemeester en wethouders of het UWV. In het Besluit SUWI (artikelen 2.2 en 2.3) is bepaald dat de termijn van overdracht maximaal acht werkdagen bedraagt. Deze termijn gaat in op het moment van de aangifte van werkloosheid (voor WW en TW) of van de indiening van de aanvraag van de uitkering (Abw en Ioaw). De beslissing op de uitkeringsaanvraag wordt genomen door burgemeester en wethouders of het UWV. Deze regeling bewerkstelligt dat burgemeester en wethouders en het UWV tijdig kunnen beschikken over de voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens en bewijsstukken. De wettelijke beslistermijn (van acht weken) begint op het moment dat de CWI de door de belanghebbende ondertekende aanvraag in ontvangst heeft genomen.


In ontvangst nemen van aangiften van werkloosheid en aanvragen van een uitkering op grond van de WW, TW of Abw en Ioaw.

     De CWI dient ervoor zorg te dragen dat werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden op elke CWI-lokatie aangifte kunnen doen van werkloosheid en een aanvraag voor een uitkering in het kader van de WW, TW of Abw en Ioaw in kunnen dienen.
     Indien sprake is van urgentie en noodzakelijke bevoorschotting verwijst de CWI een belanghebbende direct door naar burgemeester en wethouders of het UWV. De CWI verstrekt de belanghebbende daarbij een lijst met gegevens en bewijsstukken die de belanghebbende moet aanleveren. Overigens wordt de werkintake en het resterende deel van de uitkeringsintake ook in deze gevallen door de CWI uitgevoerd.
     De CWI registreert de datum van melding/aangifte van werkloosheid en de datum van ontvangst van de aanvraag van een uitkering in verband met de ingang van het recht op uitkering en de wettelijke beslistermijn.


Te verstrekken gegevens

     De aanvrager is op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet SUWI verplicht alle voor de beoordeling van de aanvraag relevante gegevens en bewijsstukken aan de CWI te verstrekken. In de bijlagen ("Aanvraag Abw/Ioaw" en "Aanvraag WW/TW") staat welke gegevens en bewijsstukken in ieder geval verstrekt dienen te worden.
     Daarnaast moet de belanghebbende, op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet SUWI, alle andere informatie verstrekken die nodig is voor de beslissing op zijn aanvraag.
     Indien de in de bijlagen genoemde gegevens, of een deel daarvan, al bij de CWI, burgemeester en wethouders of het UWV bekend zijn, meldt de CWI dit. De CWI stelt de betrokkene in staat deze gegevens en bewijsstukken te corrigeren of aan te vullen als deze naar zijn oordeel onvolledig of inconsistent zijn.
     De CWI controleert of de aangeleverde gegevens en bewijsstukken volledig zijn. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan vraagt de CWI de belanghebbende om de ontbrekende gegevens en bewijsstukken alsnog zo spoedig mogelijk te overhandigen. De CWI kan, zoals bepaald in artikel 28, vijfde lid, van de Wet SUWI, geen hersteltermijn opleggen of het besluit nemen de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit kunnen alleen burgemeester en wethouders en het UWV doen nadat de aanvraag door de CWI is overgedragen. De CWI controleert de geleverde gegevens en bewijsstukken op juistheid, volledigheid en consistentie. Voorkomen dient te worden dat burgemeester en wethouders en het UWV, na de overdracht door de CWI, nogmaals contact met de belanghebbende dienen op te nemen om ontbrekende gegevens en bewijsstukken te achterhalen.


Onderzoek van de verstrekte gegevens en bewijsstukken door de CWI

     De CWI vergelijkt de geleverde gegevens en bewijsstukken onderling met elkaar (bijvoorbeeld of op alle geleverde bewijsstukken de NAW-gegevens [naam, adres, woonplaats, red.] overeenkomen). Daarnaast vergelijkt de CWI de geleverde gegevens en bewijsstukken in ieder geval met de volgende bronnen:
• de gemeentelijke basisadministratie;
• de verzekerdenadministratie van het UWV;
• de gegevens in de eigen administratie van de CWI;
• de administratie van het Inlichtingenbureau.
     Indien blijkt dat de geleverde gegevens en bewijsstukken onjuist, onvolledig of inconsistent zijn, dan vraagt de CWI de belanghebbende hierover een verklaring af te leggen en dient de betrokkene de juiste of ontbrekende gegevens of bewijsstukken alsnog te overleggen.


Overdracht van gegevens aan burgemeester en wethouders en het UWV

     De CWI draagt de aanvraag of aangifte met bewijsstukken over aan burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente of het UWV. Bij de overdracht vermeldt de CWI op welke datum de aangifte van werkloosheid of de melding heeft plaatsgevonden, alsmede op welke datum de aanvraag van de uitkering in ontvangst is genomen en is overgedragen. Tevens overlegt de CWI, conform artikel 2.4 van deze regeling, haar oordeel over de juistheid, consistentie en volledigheid van de gegevens en de voor de aanvraag relevante bewijsstukken.
     De overdracht van gegevens vindt zoveel mogelijk plaats via Suwinet (zie paragraaf 6.1). De CWI doet van de overdracht, gelijktijdig met deze overdracht, schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
     Indien de CWI het gegronde vermoeden heeft dat een belanghebbende de in artikel 56 van de Wet SUWI genoemde verplichtingen niet nakomt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, dient de CWI hiervan onverwijld melding te maken aan burgemeester en wethouders of het UWV. Hiermee wordt bereikt dat de uitkerende instantie in staat is om bij overtreding van de verplichtingen een sanctie op te leggen.
     Alle verstrekte gegevens en (een afschrift van) de bewijsstukken worden overgedragen. Hiermee wordt beoogd dat burgemeester en wethouders of het UWV alle gegevens en bewijsstukken ontvangen die noodzakelijk zijn voor de beslissing op de uitkeringsaanvraag. De uitkerende instantie is naast de (onderbouwing van de) uitkeringsaanvraag namelijk verantwoordelijk voor de dossieropbouw en kan achteraf in verband met toezicht op de uitkeringsverstrekking gevraagd worden de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking aan te tonen.
     Op grond van artikel 8 van de Wet SUWI hebben gemeenten, CWI en UWV een samenwerkingsverplichting. Eerder is bij verschillende gelegenheden aangegeven dat de zogenoemde Service Niveau Overeenkomst (SNO) het middel is om nadere afspraken over de samenwerking vorm te geven. Het spreekt voor zich dat nadere afspraken over de inname, controle en overdracht van aanvragen en aangiften onderdeel vormen van de SNO. In overleg met betrokken partijen is een landelijk model opgesteld dat als basis dient voor dergelijke afspraken. Teneinde in de startfase van de nieuwe structuur de uitvoering niet onevenredig te belasten, zal vooralsnog de ruimte om op lokaal niveau aanvullende dan wel afwijkende afspraken te maken, gelimiteerd zijn.

 

Hoofdstuk 3. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen


Artikel 3.1. Registratiemelding

     Met de inwerkingtreding van de Wet SUWI en de gelijktijdige intrekking van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 vervalt het Besluit registratiebericht (Stcrt. 1997, 41). Omdat de materiële inhoud van deze regeling wel van belang is voor het UWV, is deze op grond van artikel 33, zesde lid, van de Wet SUWI in de Regeling SUWI opgenomen. Inhoudelijke wijzigingen zijn niet aangebracht. Wel zijn passages met betrekking tot de registratie van de bedrijfsvereniging en de uitvoeringsinstellingen komen te vervallen. Daarnaast is de naamgeving van het registratiebericht, in aansluiting op artikel 59 van de Wet SUWI, omgezet in registratiemelding.
     Ten overvloede wordt opgemerkt dat, nu deze melding persoonsgegevens betreft, de bepalingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens in zijn algemeenheid en de artikelen 33 en 34 van die wet in het bijzonder in acht dienen te worden genomen bij de verzending van bedoelde melding.

 

Artikel 3.2. Statusoverzicht

     Met inwerkingtreding van de Wet SUWI en de gelijktijdige intrekking van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 vervalt het Besluit statusoverzicht (Stcrt. 1997, 41). Omdat de materiële inhoud van deze regeling wel van belang is voor het UWV is deze op grond van artikel 33, zesde lid, van de Wet SUWI in de Regeling SUWI opgenomen. Inhoudelijke wijzigingen zijn niet aangebracht.
     Evenals bij artikel 3.1 wordt ten overvloede opgemerkt dat, nu dit overzicht persoonsgegevens betreft, de bepalingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens in zijn algemeenheid en de artikelen 33 en 34 van die wet in het bijzonder in acht dienen te worden genomen bij de verzending van bedoelde overzicht.

 

Artikel 3.3. Bewaarplicht identiteitsdocumenten

     In dit artikel is de materiële inhoud van de Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten (Stcrt. 1997, 41), die in artikel 8.1 van deze regeling wordt ingetrokken, op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet SUWI overgenomen. Inhoudelijke wijzigingen zijn niet aangebracht.
     Ter nadere toelichting zij wel opgemerkt dat uit artikel 55, derde lid, van de Wet SUWI moet worden begrepen dat de werkgever een afschrift dient te maken van het originele identiteitsdocument. Uit ervaring blijkt dat fraude in de hand gewerkt wordt indien de werkgever kopieën van kopieën maakt.

 

Hoofdstuk 4. Reïntegratie


Artikel 4.1. Hoogte persoonsgebonden reïntegratiebudget

     Het vaststellen van een standaardmaximumbedrag voor de hoogte van het PRB (de subsidie én de overeenkomst) [persoonsgebonden reïntegratiebudget, red.] is wenselijk om de trajectkosten te beheersen. Genoemde stimulans is des te meer wenselijk omdat de kosten van met een PRB ingekochte reïntegratietrajecten om uiteenlopende redenen opwaarts worden beïnvloed in vergelijking met de kosten van door de werkgever ingekochte trajecten:
1. vanuit uitvoerende arbodienst/reïntegratiebedrijf:
• er is geen sprake van een collectief contract tussen werkgever (voor al zijn werknemers) en arbodienst/reïntegratiebedrijf, maar van decentrale inkoop door de werknemer zelf;
• arbodienst/reïntegratiebedrijf kunnen zich profileren als professioneel en deskundig bureau en zullen aangeven maatwerk te leveren voor degenen met een PRB;
2. vanuit de arbeidsgehandicapte werknemer:
• er kan sprake zijn van een relatieve kennisachterstand ten aanzien van trajectkosten in vergelijking met de situatie van bipartiete opdrachtgeverschap van werkgever en werknemers gezamenlijk, daarin ook nog bijgestaan door de arbodienst;
• betrokkene heeft in principe intrinsiek behoefte aan meer uitgebreide, duurdere trajecten, ook als die niet strikt noodzakelijk zijn.
     De hoogte van het standaardmaximumbedrag wordt in voorliggende ministeriële regeling vastgesteld op €|3630,-. Dit bedrag is gebaseerd op de gemiddelde kosten van de huidige trajecten. Door als standaardmaximumbedrag voor het persoonsgebonden reïntegratiebudget het gemiddelde van de huidige trajectkosten te nemen, kan de aanvrager doorgaans inkopen wat momenteel voor hem wordt ingekocht.
     Indien betrokkene een duurder traject (of een traject langer dan de standaardmaximumduur van één jaar) wil financieren met een PRB, dan dient het UWV apart na te gaan of dat traject noodzakelijk is om betrokkene terug te geleiden naar de arbeidsmarkt. Naast de globale beoordeling van het trajectplan kan het UWV extra informatie vragen, bijvoorbeeld om de arbeidsmarktrelevantie van het traject nader te kunnen vaststellen of om specifieker te kunnen bepalen of het traject passend is op de persoon. Indien is vastgesteld dat het voorgestelde traject noodzakelijk is, dient het UWV vervolgens na te gaan of de kosten van het traject noodzakelijke kosten zijn en of er geen soortgelijk traject ingekocht kan worden tegen lagere kosten. Indien is vastgesteld dat het gaat om noodzakelijke kosten, wordt het PRB tegen het hogere bedrag dan het standaardmaximum toegekend.
     De kosten verbonden aan de uitvoering van het traject worden uitsluitend vergoed voor werkzaamheden die zijn beschreven in het onderliggende trajectplan. Financiering van extra of andere werkzaamheden dient apart aangevraagd te worden. Subsidiëring geschiedt dan uitsluitend nadat het UWV daar schriftelijke toestemming voor heeft gegeven. Dit kan zich ook voordoen gedurende een met een PRB gefinancierd traject.

 

Hoofdstuk 5. Financiering, verantwoording en informatievoorziening


§ 5.1. Financiering en verantwoording


     Op grond van de Osv 1997 waren meerdere uitgebreide nadere regelingen van kracht voor de uitvoeringsorganisaties. Met de Wet SUWI worden de verschillende uitvoeringsinstellingen (uvi’s) samengevoegd tot één publiekrechtelijke organisatie (UWV) die tevens belast wordt met het fondsenbeheer. De financiering van de uitvoeringsorganen CWI, UWV en SVB wordt gebaseerd op de in enig jaar te verrichten prestaties. Hierdoor kan ermee worden volstaan de inhoud van deze onderdelen van de ministeriële regeling op een hoog aggregatieniveau vorm te geven.

 

Artikel 5.1. Toerekening uitvoeringskosten UWV en SVB

     De hiervoor bedoelde vereenvoudiging brengt ook mee dat het risico van vermenging van publieke en private geldstromen wordt verminderd en dat het aantal partijen waarover de kosten moeten worden verdeeld kleiner is. Er is daarom voor gekozen de daadwerkelijke toerekening van de uitvoeringskosten binnen randvoorwaarden aan het UWV en de SVB zelf over te laten. Over de randvoorwaarden overleggen UWV en SVB met de minister. Zie voor de definitie van "uitvoeringskosten" artikel 1, onderdeel j, van de Wet SUWI.
     De direct aan de verschillende wetten toe te rekenen uitvoeringskosten van het UWV respectievelijk de SVB worden aan de betreffende fondsen toegerekend. Voor de uitvoeringskosten die niet direct aan de verschillende fondsen en wetten toewijsbaar zijn, zullen het UWV en de SVB - in overleg met de minister - verdeelsleutels moeten ontwikkelen die tot een zoveel mogelijk overeenkomstige toerekening leiden.
     Er is besloten dat het UWV geen kosten meer in rekening brengt bij het College voor zorgverzekeringen en de Sociaal-Economische Raad [SER, red.] voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de Wet op de ondernemingsraden. Deze uitvoeringskosten van het UWV worden ten laste van de wettelijke fondsen gebracht in dezelfde verhouding als de kosten voor de premie-inning ten laste van de fondsen worden gebracht. De kosten voor de premie-inning worden ten laste gebracht van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en de wachtgeldfondsen.

 

Artikelen 5.2 tot en met 5.9. Begroting, jaarplan en meerjarenbeleidsplan

     De door de RWI en de uitvoeringsorganisaties CWI, UWV en SVB vóór 1 juli op te stellen concept-begroting, concept-jaarplan en (voor wat betreft de CWI, het UWV en de SVB) concept-meerjarenbeleidsplan dienen te worden gebaseerd op de door de minister vóór 1 mei aangegeven kaders. Deze kaders omvatten:
- de zogenaamde Voorjaarsbrief aan de Staten-Generaal; deze beziet ten minste de omvang van de beleidsmatig bepaalde taken voor het begrotingsjaar, de kwaliteitseisen die voor de uitvoering van de taken in acht dienen te worden genomen en het budget dat voor de uitvoering van de taken beschikbaar zal worden gesteld;
- een op de specifieke uitvoeringsorganisatie of de RWI gerichte aanvulling.
     De door de RWI en de uitvoeringsorganisaties CWI, UWV en SVB vóór 1 oktober op te stellen begroting, jaarplan en (voor wat betreft de CWI, het UWV en de SVB) meerjarenbeleidsplan dienen te worden gebaseerd op de macro-economische veronderstellingen van het CPB [Centraal Planbureau, red.] voor het begrotingsjaar. Deze worden vóór 15 augustus door de minister aan de organisaties kenbaar gemaakt.
     De toerekening van de kosten naar diensten en werkprocessen dient plaats te vinden op basis van integrale kostprijzen. Gegeven de nauwe samenhang tussen diensten en processen is het van belang deze samenhang in het jaarplan zichtbaar te maken. De vermelding strekt tot het benoemen en kort omschrijven van de diensten en werkprocessen. De eigenlijke specificaties en beschrijvingen vormen zelfstandige vastleggingen. Over de nadere invulling van diensten en werkprocessen overleggen CWI, UWV en SVB met de minister. Het is niet toegestaan in de kostprijzen een opslag voor vermogensvorming op te nemen.
     Indien de wijze waarop de doelmatigheid wordt bewaakt reeds in eerdere documenten is beschreven, behoeven slechts de voorgenomen wijzigingen daarop nader te worden aangegeven. In de toelichting op de begroting dienen alle aannames te worden vermeld, zo mogelijk onderbouwd met benchmarks.
     De voor het IB geldende regels zijn een nadere uitwerking van artikel 9 van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten. Dat geldt ook voor de voorlegging door de minister van het jaarplan van het IB aan de Staten-Generaal, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.3 van deze regeling; dit stemt overeen met het voorschrift met betrekking tot de andere organen, neergelegd in artikel 46, vierde lid, van de Wet SUWI.
     In het jaarplan van het IB moet op grond van artikel 5.5, derde lid, onderdeel a, ook aandacht worden besteed aan de eventuele proeven die plaatsvinden in het kader van artikel 3, tweede lid, van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten; dit is tenslotte ook een wettelijke taak.

 

Artikel 5.10. Financiële middelen van SVB en UWV buiten de rekening-courant

     Dit artikel was opgenomen in de Regeling rekening-courantverhouding sociale verzekeringen (artikel 7) van de Minister van Financiën. In artikel 50, zesde lid, van de Wet SUWI is bepaald dat bij regeling van de Minister van SZW regels gesteld kunnen worden voor de omvang van het bedrag dat buiten de rekeningen-courant wordt gehouden. Op grond van artikel 50, vierde lid, zijn de SVB en het UWV verplicht voor de financiële middelen die deel uitmaken van de door hen beheerde fondsen, rekeningen-courant te houden bij de Minister van Financiën.
     In vergelijking met het artikel 7 van de Regeling rekening-courantverhouding sociale verzekeringen is het volgende gewijzigd:
• in het eerste lid is het bedrag van ƒ5 miljoen omgezet in €|2 500 000,-;
• in het tweede lid is niet meer nader aangeduid aan welke kosten van het betalingsverkeer gedacht kan worden die ook buiten het bedrag van €|2 500 000,- buiten de rekening-courant worden gehouden. Te denken valt aan kosten "verzamelgiro’s";
• het derde lid komt overeen met dat van genoemd artikel 7 en betreft middelen ter financiering van onroerende zaken die op 1 januari 1996 in het bezit van erkende uitvoeringsinstellingen waren in het kader van de ontvlechting van de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Dit is alleen nog van belang in verband met een pand dat in beheer is bij het Lisv en overgaat naar het UWV.

 

§ 5.2. Informatievoorziening


§ 5.2.1. Informatieverstrekking CWI, UWV en SVB aan de minister en de IWI

     Op grond van artikel 42 en artikel 72 van de Wet SUWI zijn de CWI, het UWV en de SVB verplicht om respectievelijk de IWI en de minister kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die zij nodig hebben voor hun taken. De artikelen 5.11 tot en met 5.18 bevatten nadere voorschriften aangaande deze informatieverstrekking, zoals aangekondigd in het derde lid van artikel 77 van de Wet SUWI.


Reikwijdte

     De minister en de IWI hebben informatie nodig ten behoeve van verschillende taken, te weten aansturing, beleid, evaluatie, toezicht en financiering. De regeling van de informatievoorziening in paragraaf 5.2.1 heeft betrekking op alle periodieke informatieverstrekkingen die in het kader van deze taken nodig zijn, voor zover de informatieverstrekking niet reeds in de wet geregeld is. Een dergelijke integrale regeling biedt de waarborg dat afstemming plaatsvindt tussen de informatie die in het kader van hun taken wordt uitgevraagd. Dit voorkomt onnodige belasting van de uitvoeringsorganisaties. Het is overigens niet altijd mogelijk alle informatiestromen voor verschillende doelen te combineren, omdat verschillende taken in termen van actualiteit en kwaliteit verschillende eisen stellen aan de te leveren informatie.


Opzet

     De regelgeving en de bijbehorende bijlagen zijn afgestemd met de uitvoeringsorganisaties, opdat zij bij de inrichting van hun werkprocessen met de daarin neergelegde informatiewensen rekening kunnen houden. De kern van de regeling is dat de uitvoeringsorganisaties een aantal basisgegevens voor de minister en de IWI beschikbaar houden. Bovendien dienen de uitvoeringsorganisaties periodiek een aantal rapportages of gegevensbestanden te leveren aan de minister of de IWI.
     Hiernaast kunnen de minister en de IWI op grond van respectievelijk artikel 72 en 42 van de Wet SUWI de uitvoeringsorganisaties op incidentele basis om informatie verzoeken. Het betreft informatie die de minister en de IWI eenmalig of met beperkte herhaling nodig hebben. Een voorbeeld hiervan is informatie voor de beantwoording van een kamervraag of ten behoeve van een specifieke analyse. Per verzoek om informatie zullen de minister of de IWI nader aangeven welke procedure dient te worden gevolgd. De procedure zal in het algemeen als volgt zijn. De minister of de IWI dienen hun verzoek bij voorkeur schriftelijk in. Bij het verzoek geven de minister of de IWI concreet aan om welke informatie het gaat, waar de informatie voor nodig is en binnen welke termijn deze dient te zijn ontvangen.
     Met het onderscheid tussen periodiek en incidenteel beoogt de minister zowel continuïteit als flexibiliteit in de informatievoorziening te creëren. Flexibiliteit is nodig omdat de informatiebehoefte van de minister en de IWI niet constant is en soms zelfs moeilijk te voorspellen. Vanuit het oogpunt van doelmatigheid en doeltreffendheid van de informatievoorziening is juist enige continuïteit en constantheid wenselijk. Niet elke nieuwe informatievraag moet leiden tot aanpassingen in de informatiesystemen van de uitvoeringsorganisatie. Reguliere informatieverstrekkingen en basisgegevens blijven in principe gedurende een langere periode gelijk en zorgen dus voor continuïteit. De mogelijkheid om ook incidenteel informatie op te vragen, zorgt voor de nodige flexibiliteit.


Kosten

     De verstrekking van informatie aan de minister en de IWI, inclusief de personen en instanties die namens hen werken, vindt kosteloos plaats. Dit betreft ook het meewerken aan door de minister en de IWI geïnitieerd onderzoek. Het leveren van informatie op periodieke dan wel incidentele basis is een onlosmakelijk deel van de uitvoering en is dan ook opgenomen in de uitvoeringskosten. Bij vaststelling van het hiervoor toegekende budget wordt met deze informatietaken rekening gehouden.
     De informatieverstrekking aan andere personen en instanties geschiedt tegen betaling van een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten, tenzij het wettelijk voorgeschreven informatieverplichtingen betreft. In artikel 5.19 van de onderhavige regeling is bijvoorbeeld opgenomen dat de uitvoeringsorganisaties informatie verstrekken aan de Raad voor werk en inkomen. Zo dienen de uitvoeringsorganisaties ook conform het derde lid van artikel 73 van de Wet SUWI het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek, red.], ten behoeve van haar wettelijke taken met betrekking tot statistiek, informatie te leveren.


Overleg en afstemming

     De regeling bepaalt op hoofdpunten de wijze waarop de minister en de IWI enerzijds en een uitvoeringsorganisatie anderzijds met elkaar omgaan. In aanvulling op de regeling zullen concretere afspraken gemaakt moeten worden over een aantal zaken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de exacte definiëring van basisgegevens en de eventueel daarin te onderscheiden categorieën of de wijze waarop de minister en de IWI informatieverzoeken indienen. Dergelijke nadere afspraken worden in onderling overleg gemaakt tussen de minister, de IWI en de uitvoeringsorganisatie.
     Voor een effectieve en efficiënte informatievoorziening is het gewenst dat de minister, de IWI en de uitvoeringsorganisaties elkaar tijdig informeren over ontwikkelingen die consequenties kunnen hebben voor informatievoorziening. Hiermee wordt niet alleen gedoeld op overleg en afstemming tussen de minister en de IWI enerzijds en een uitvoeringsorganisatie anderzijds. Het betreft ook overleg tussen uitvoeringsorganisaties en afstemming met andere informatievragende dan wel -leverende partijen. Ten behoeve hiervan zijn in het verleden het platform informatievoorziening en het platform onderzoek geïntroduceerd, waarin door verschillende partijen informatievoorziening en onderzoek werden besproken. Deze platforms zullen worden voortgezet en afvaardiging kennen namens de minister, de IWI, de RWI, de CWI, het UWV, de SVB, het CBS en eventueel de gemeenten.

 

Artikel 5.11. Basisgegevens

     Via dit artikel wordt aan uitvoeringsorganisaties gevraagd ten behoeve van de taken van de minister en de IWI een aantal gegevens te administreren. Welke basisgegevens het betreft is voor de CWI, het UWV en de SVB vastgelegd in respectievelijk de bijlagen III, V en VII van de regeling. De exacte definiëring van deze basisgegevens en de eventueel daarin onderscheiden categorieën dient door de minister in overleg met de betreffende uitvoeringsorganisatie bepaald te worden. Dit uiteraard met inachtneming van het Gegevensregister SUWI.
     Basisgegevens zijn een selectie uit het geheel van gegevens die bij de uitvoering benodigd zijn of daaruit gegenereerd kunnen worden. De set basisgegevens is zodanig gekozen dat het merendeel van de incidentele vragen van de minister naar verwachting aan de hand van deze basisgegevens beantwoord kan worden. De uitvoeringsorganisatie zorgt ervoor dat de basisgegevens op een zodanige manier zijn opgeslagen dat de minister of de IWI eenvoudig en snel een selectie ervan (in de vorm van bijvoorbeeld een bestand of tabel) kunnen ontvangen. Indien een dergelijke selectie tot natuurlijke personen herleidbare gegevens betreft, zal dit uiteraard plaatsvinden met inachtneming van de Wet bescherming persoonsgegevens.
     Bij elke uitvoeringsorganisatie is het sofinummer als basisgegeven opgenomen. Het sofinummer dient om ten behoeve van nadere beleidsanalyses een relatie mogelijk te maken met gegevens die elders verzameld worden. In dit kader wordt ook nagedacht over de vorming van een knooppunt beleidsinformatie, waarin via dit sofinummer individuele gegevens uit verschillende uitvoeringsdomeinen kunnen worden samengebracht. Over de condities waaronder een dergelijke koppeling conform de Wet bescherming persoonsgegevens kan worden uitgevoerd, vindt momenteel overleg plaats met het College bescherming persoonsgegevens.
     In dit artikel is tot slot opgenomen dat de betreffende basisgegevens ten minste vijf jaar worden bewaard vanaf het moment dat de uitvoeringsorganisaties geen relatie meer hebben met de betrokken persoon. De gegevens mogen langer worden bewaard, mits een uitvoeringsorganisatie ervoor zorg draagt dat zij alleen ten behoeve van historische of wetenschappelijke analyses zullen worden gebruikt. Indien een uitvoeringsorganisatie de gegevens niet zelf langer dan vijf jaar wenst te bewaren, dient zij de gegevens daartoe over te dragen aan het Steinmetzarchief. Het Steinmetzarchief is onderdeel van het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten (NIWI) van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en zorgt voor de beschikbaarheid van bestaand empirisch materiaal ten behoeve van sociaalwetenschappelijk onderzoek. Ook bij een dergelijke overdracht geldt dat wordt toegezien op een exclusief gebruik voor historische en wetenschappelijke doeleinden.

 

Artikel 5.12. Periodieke informatieverstrekking

     Door middel van dit artikel wordt de CWI, het UWV en de SVB opgelegd om de minister en de IWI ten behoeve van hun taken periodiek een aantal informatieproducten te verstrekken. De uitvoeringsorganisaties zullen op verschillende momenten informatie met een verschillende breedte en diepgang aan de minister of de IWI verstrekken over de uitvoering van het beleid. In respectievelijk de bijlagen IV, onder a tot en met c, VI, onder a tot en met f, en VIII, onder a tot en met d, staat vermeld welke informatie met welke periodiciteit door de betreffende uitvoeringsorganisatie dient te worden opgeleverd.
     De algemene lijn bij de periodieke informatieverstrekking is dat de uitvoeringsorganisaties de minister en de IWI per kwartaal van informatie voorzien. Uit het oogmerk van actualiteit, dit mede in relatie tot de ten behoeve van de begrotingscyclus benodigde ramingen, is dit wat betreft de volumeontwikkelingen in de werknemersverzekeringen niet frequent genoeg. Het betekent immers dat informatie over het eerste kwartaal van een lopend jaar pas medio mei beschikbaar komt en daarmee niet gebruikt kan worden voor de beoogde bijstelling van de ontwerpbegroting in het voorjaar. Het UWV zal dan ook gevraagd worden om per maand een aantal kerncijfers aan te leveren. Welke kerncijfers het betreft is neergelegd in bijlage VI, onder a. Omdat cijfers per maand sterk beïnvloed worden door incidentele ontwikkelingen, dienen de kerncijfers niet alleen als maandcijfers, maar ook als twaalfmaands voortschrijdende gemiddelden te worden gepresenteerd.
     In het kwartaalverslag geeft de uitvoeringsorganisatie de minister en de IWI informatie op hoofdlijnen ten behoeve van de verschillende functies, te weten aansturing, beleid, toezicht en financiering. Evenals in het jaarverslag en de jaarrekening verantwoordt de uitvoeringsorganisatie zich op hoofdlijnen over de uitvoering van de hem opgedragen wettelijke taken en geeft inzicht in de uitvoering van andere taken. In dit verband zijn in het kwartaalverslag ook indicatoren opgenomen die inzicht geven in de prestaties van de uitvoeringsorganisaties. Daarnaast worden de minister en de IWI door middel van het kwartaalverslag van relevante beleidsinformatie voorzien. Een kwartaalverslag hoeft niet van een accountantsverklaring te worden voorzien.
     Het UWV en de SVB verstrekken respectievelijk vier- en driemaal per jaar een fondsennota. Deze nota bevat informatie over volumegegevens, baten en lasten, en informatie over de vermogenspositie van de door hen beheerde fondsen. Daarmee geeft de nota de minister en de IWI inzicht in de ontwikkelingen van deze fondsen. De gekozen tijdstippen hangen samen met het volgende. De nota van 1 februari geeft een indruk van de ontwikkeling in het afgelopen jaar en is daarmee relevant bij de beleidsvoorbereiding voor het komende jaar. De nota van 1 juli is van belang omdat rond dat moment de premievaststelling plaatsvindt. De nota van 1 november biedt het noodzakelijke inzicht om het beleid voor het komende jaar te kunnen vormgeven. De nota van 1 mei van het UWV is noodzakelijk vanwege de huidige premieheffingssystematiek voor de werknemersverzekeringen en de noodzaak van de minister om reeds vóór de zomer inzicht te hebben in de gerealiseerde baten en lasten en de vermogenspositie van de fondsen in het voorafgaande jaar.
     Naast kwartaalverslagen en fondsennota’s dienen de uitvoeringsorganisaties eveneens een aantal halfjaarlijkse dan wel jaarlijkse rapportages aan de minister te verstrekken.
     Het vierde en zevende lid van artikel 5.12 betreffen de verstrekking van gegevensbestanden door de CWI, het UWV en de SVB aan de minister. Deze bestanden zijn nadrukkelijk niet bedoeld ter vulling van het eerdergenoemde knooppunt beleidsinformatie. Via deze leden worden leveringen geformaliseerd die momenteel al plaatsvinden. De periodieke levering ervan is noodzakelijk voor het ramen en verdelen van budgetten die onder verantwoordelijkheid van de minister vallen. Zij is tevens gewenst ten behoeve van het - in het kader van het rijksbrede Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording (VBTB) - vooraf calculeren en achteraf evalueren van de effectiviteit van het respectievelijk te voeren en gevoerde beleid. Voor beide doelen dienen modellen te worden ontwikkeld, die vervolgens worden doorgerekend. Voor het doorrekenen ervan kan weliswaar worden volstaan met geaggregeerde gegevens (dit zijn categorieën van gevallen), maar voor het ontwikkelen en toetsen van modellen zijn gegevens op individueel niveau (dit zijn afzonderlijke gevallen) noodzakelijk. Omdat de te leveren bestanden geanonimiseerde individuele gegevens zonder sofinummer bevatten, zijn zij tot op heden niet als persoonsgegevens beschouwd. Uit eerdergenoemd overleg met het College bescherming persoonsgegevens in het kader van het eerdergenoemde knooppunt beleidsinformatie is echter gebleken dat het bij nader inzien wel persoonsgegevens betreft. Daarom zullen alsnog, conform de Wet bescherming persoonsgegevens, de voor de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.

 

Artikel 5.13. Jaarlijkse informatieverstrekking voor de beleidsverantwoording en rijksbegroting

     In dit artikel gaat het om gegevens die de minister gebruikt als input voor de begrotings- en verantwoordingscyclus van het Rijk. Ten behoeve van de beleidsverantwoording door de minister verschaffen de CWI, het UWV en de SVB jaarlijks een beschrijving van de prestaties van de dienstverlening op grond van een aantal nader vast te stellen indicatoren. De betreffende gegevens worden gebruikt ten behoeve van het departementale jaarverslag, waarover de minister jaarlijks in mei aan beide kamers der Staten-Generaal verantwoording aflegt. De bijlagen waarin deze informatie is opgenomen, worden uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling bekendgemaakt.
     Om de minister in staat te stellen om de departementale begroting te kunnen bepalen, wordt de SVB gevraagd jaarlijks in mei een gedetailleerde raming te verstrekken van het aantal personen dat krachtens de in het derde lid genoemde wetten en regelingen een uitkering zal ontvangen.

 

Artikel 5.14. Informatieverstrekking aan derden

     Dit artikel bepaalt dat de minister en de IWI de uitvoeringsorganisaties kunnen verzoeken om informatie te leveren aan door hen aangewezen personen of instanties. Het gaat daarbij om personen of instanties die in hun opdracht onderzoek verrichten of gegevens bewerken, of om door de minister aangewezen internationaalrechtelijke organisaties. In het laatste geval betreft het bijvoorbeeld de levering van informatie aan de International Labour Organization (ILO).
     Niet alleen omwille van de efficiëntie, maar ook - en vooral - vanuit het oogpunt van de privacy, is het wenselijk dat een uitvoeringsorganisatie de gegevens rechtstreeks overdraagt aan de betreffende personen of instanties. Bij hun verzoek moeten de minister of de IWI ervoor zorg dragen dat alleen de informatie wordt uitgevraagd die strikt noodzakelijk is voor het doel waartoe deze dient te worden verstrekt. Indien nodig kunnen de minister en de IWI hiertoe een beroep doen op de kennis van de uitvoeringsorganisatie in kwestie. De uitvoeringsorganisatie ziet erop toe dat alleen die informatie wordt geleverd waarom de minister of de IWI heeft verzocht. In overleg met de door de minister of de IWI aangewezen personen of instanties bepaalt de betreffende uitvoeringsorganisatie de meest adequate vorm van de gegevensverstrekking.
     In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het UWV - op verzoek van de minister - informatie verstrekt aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Omwille van de transparantie wordt de inhoud van de periodieke informatieverstrekking aan de Minister van BZK concreet in bijlage IX bij de regeling benoemd. Als eerstverantwoordelijke minister voor personeelsbeleid van de overheid heeft de Minister van BZK niet alleen informatie nodig over de salariëring en de aard van functies, maar ook over de sociale zekerheid van overheids- en onderwijspersoneel. De invoering van de werknemersverzekeringen voor het overheids- en onderwijspersoneel ingevolge de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) heeft de behoefte aan deze informatie niet doen verminderen. Integendeel, de informatiebehoefte is juist versterkt door de in het kabinet afgesproken versterking van de coördinerende rol van de Minister van BZK met betrekking tot het personeelsbeleid van de overheid.
     Tegen deze achtergrond heeft de Minister van BZK gegevens nodig voor het kunnen maken van microsimulaties met het oog op toekomstverkenningen enerzijds en het kunnen analyseren van oorzaken en achtergronden van ontwikkelingen en prestaties van de overheid als werkgever anderzijds. De in bijlage IX genoemde rapportages en bestanden worden ten behoeve van deze doelen verstrekt. De Minister van SZW en de Minister van BZK zullen afspreken dat laatstgenoemde ervoor zorg draagt dat de betreffende gegevens alleen voor deze doelen worden gebruikt. Daarnaast wordt afgesproken dat de Minister van BZK, conform de Wet bescherming persoonsgegevens, voldoende privacybeschermende maatregelen treft, opdat de gegevens slechts toegankelijk zijn voor de onderdelen van zijn ministerie die belast zijn met de eerdergenoemde coördinatiefunctie voor het personeelsbeleid van de overheid.

 

Artikel 5.15. Openbaarmaking onderzoeksrapporten en statistische rapportages

     In dit artikel is opgenomen dat de uitvoeringsorganisatie onderzoeksrapporten en statistische rapportages enige tijd vóór openbaarmaking aan de minister verstrekt. Dit dient alleen om de minister in staat te stellen om een onderbouwde beleidsreactie op de bevindingen en de conclusies in de betreffende publicaties voor te bereiden. Voor onderzoeksrapporten en statistische rapportages waarvan de minister niet van de inhoud op de hoogte was of kon zijn, geldt hierbij een termijn van ten minste twee weken. Bij publicaties waarvan de minister wel op de hoogte was of kon zijn, waaronder de rapportages als bedoeld in artikel 5.12 en artikel 5.14, eerste lid, dient het betreffende rapport ten minste twee werkdagen vóór openbaarmaking aan de minister te worden verstrekt. In deze gevallen kan met een kortere termijn worden volstaan, omdat de minister dan in de gelegenheid is om zich vóór de feitelijke openbaarmaking over de inhoud van het betreffende rapport te laten informeren. Ook over de wijze waarop de openbaarmaking wordt begeleid, en een eventueel vergezellend persbericht, dient de minister ten minste twee werkdagen van tevoren te worden geïnformeerd. Alleen met instemming van de minister kan in voorkomende gevallen van de hier genoemde termijnen worden afgeweken.

 

Artikel 5.16. Kwaliteit van de informatievoorziening

     Door middel van dit artikel wordt aan uitvoeringsorganisaties opgelegd om zorg te dragen voor een deugdelijke administratie. Hiertoe wordt ook gerekend het inrichten van procedures, teneinde te kunnen garanderen dat tijdig en op de juiste wijze aan de informatieverplichtingen in deze regeling wordt voldaan. Over de kwaliteit van deze informatievoorziening dienen de uitvoeringsorganisaties jaarlijks verslag te doen aan de minister en de IWI. Onder kwaliteit van de informatievoorziening wordt hierbij onder meer begrepen de volledigheid, betrouwbaarheid en tijdigheid ervan. Het betreffende rapport wordt uiterlijk tegelijk met het jaarverslag ingediend.
     In het rapport besteedt de uitvoeringsorganisatie voor de verschillende uit te voeren regelingen en onderwerpen aandacht aan de stand van zaken rond de kwaliteit van de informatievoorziening. De uitvoeringsinstanties brengen rapport uit over hoe informatie wordt vergaard of geproduceerd, wat de kwaliteit van haar en de door haar geleverde informatie is en de wijze waarop deze kwaliteit wordt gewaarborgd. De betreffende rapportage gaat dus in op zowel de proceskwaliteit als de productkwaliteit van de informatievoorziening. Jaarlijks kunnen daarbij andere accenten worden gelegd.
     Het artikel is opgenomen omdat de kwaliteit van de informatie voor de minister en de IWI van groot belang is. De door uitvoeringsorganisaties verstrekte informatie vormt immers een belangrijke basis voor de onderbouwing van het beleid van de minister en de oordelen van de toezichthouder. Voor een verantwoord gebruik van de informatie is het noodzakelijk dat de minister en de IWI goed zicht hebben op de waarde van de geleverde informatie.

 

Artikel 5.17. Stukken Raad van bestuur en Raad van advies

     Dit artikel verplicht de CWI, het UWV en de SVB de agenda en een verkorte weergave van het verslag van de bijeenkomsten van de Raad van bestuur en de Raad van advies aan de minister en de IWI te verstrekken. Daarnaast dienen alle stukken ter beschikking van de minister en de IWI gesteld te worden, waarvan de Raad van bestuur redelijkerwijs kan vermoeden dat zij relevant zijn in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid. Toezending vindt plaats binnen drie dagen na de agendering in de Raad van bestuur of Raad van advies.

 

Artikel 5.18. Wijziging informatieverstrekking

     Indien de minister een wijziging wenst aan te brengen in de regeling of de bijbehorende bijlagen, zal hij vooraf de uitvoerbaarheid van de gewenste wijziging laten toetsen door de uitvoeringsorganisatie. Bij het wijzigen van een bijlage die betrekking heeft op basisgegevens, zal de minister de uitvoeringsorganisaties een redelijke termijn geven om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen. Een wijziging van de basisgegevens kan immers grote gevolgen hebben voor de administratieve processen van een uitvoeringsorganisatie.

 

§ 5.2.2. Informatieverstrekking CWI, UWV en SVB aan de RWI


Artikel 5.19. Gegevensverstrekking door CWI, UWV, SVB en gemeenten

     In het zevende lid van artikel 54 van de Wet SUWI is opgenomen dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent de verstrekking van gegevens en inlichtingen door de CWI, het UWV, de SVB en de gemeenten aan de Raad voor werk en inkomen (RWI). Daar waar bij deze informatieverstrekking door de CWI, het UWV en de SVB tussenkomst van de minister optioneel is, is dat bij de gemeenten niet het geval. Rechtstreekse informatieverstrekking door de gemeenten aan de RWI ligt niet voor de hand, omdat het zou betekenen dat zowel de minister als de RWI gegevens verzamelen, controleren, schonen en bewerken tot een statistiek. De periodieke informatieverstrekking door gemeenten aan de RWI zal derhalve via tussenkomst van de minister plaatsvinden. Welke informatieproducten het betreft, is neergelegd in bijlage X.
     De door de CWI, het UWV, de SVB en gemeenten aan de RWI te verstrekken informatie dient nodig te zijn voor de uitoefening van zijn taken. De informatie die de CWI, het UWV en de SVB aan de RWI verstrekken, is identiek aan de informatie die conform artikel 5.12 aan de minister zal worden geleverd, tenzij de betreffende informatie tot natuurlijke personen herleidbare gegevens bevat. Dit zal zeker het geval zijn met betrekking tot het vierde en zevende lid van artikel 5.12. Deze leden betreffen namelijk de levering van geanonimiseerde individuele gegevens, hetgeen voor de taken die de RWI zijn toebedeeld niet noodzakelijk is. Voor wat betreft de door de uitvoeringsorganisaties aan de RWI te leveren gegevensbestanden zullen deze inhoudelijk dezelfde informatie bevatten als de bestanden die aan de minister worden geleverd. Wat de vorm waarin de bestanden worden geleverd betreft, is er echter een belangrijk verschil: daar waar de bestanden ten behoeve van de minister geanonimiseerde individuele gegevens dienen te bevatten, dienen de bestanden voor de RWI nadrukkelijk geen tot natuurlijke personen herleidbare gegevens te bevatten.

 

Artikel 5.20. Nadere bepalingen voor gegevensverstrekking

     De informatiebehoeften van de RWI kunnen naar verwachting via de in artikel 5.19 genoemde periodieke informatieproducten voor een belangrijk deel worden vervuld. Het kan echter voorkomen dat de RWI ten behoeve van een specifieke analyse aanvullende gegevens nodig heeft. In dat geval kan de RWI zonder tussenkomst van de minister aanvullende informatie opvragen bij de uitvoeringsorganisaties. De RWI wordt geacht zich bij dergelijke incidentele informatieverzoeken zoveel mogelijk te beperken tot de in bijlage III, V en VII voor respectievelijk de CWI, het UWV en de SVB genoemde basisgegevens.
     De procedure bij incidentele informatieverstrekking aan de RWI is als volgt. De RWI dient zijn verzoek schriftelijk in en geeft daarbij concreet aan welke informatie het betreft, waar de informatie voor nodig is en wanneer deze dient te worden opgeleverd. Er is in de regeling voor dit laatste geen vaste termijn opgenomen, omdat wat een redelijke termijn is, afhangt van de urgentie van het informatieverzoek en van de moeite die het kost om de betreffende gegevens te leveren. Wel wordt een uitvoeringsorganisatie geacht binnen vijf werkdagen de RWI te laten weten of zij de door de RWI genoemde termijn haalbaar acht.

 

§ 5.2.3. Informatieverstrekking IB aan de minister en de IWI

     Ook het Inlichtingenbureau (IB) dient kwartaalverslagen aan de minister en de IWI te zenden. De inhoud daarvan is opgenomen in bijlage XI.

 

§ 5.2.4. Rapportage gegevensverwerking


Artikel 5.22. Verantwoording gegevensverwerking (in combinatie met artikel 6.4)

     De CWI, het UWV, de SVB en het IB dienen jaarlijks verantwoording af te leggen over de gegevensverwerking binnen hun organisatie, deze verantwoording dient te worden voorzien van een oordeel van een EDP-auditor. De EDP-auditor stelt voor de opzet en de reikwijdte van de audit een plan op, waarin gemotiveerd wordt welke systemen, procedures, etc. worden betrokken in de audit. De uitkomsten van de audit worden gerapporteerd aan de minister en de IWI. De bedoelde audit strekt zich ook uit tot het gebruik van Suwinet en de voorzieningen die krachtens het Stelselontwerp tot Suwinet gerekend worden en die tot het verantwoordelijkheidsdomein van de betreffende organisatie behoren. Voor Suwinet is in artikel 6.4 een afzonderlijke verplichting tot het zorg dragen voor beveiliging geformuleerd. Voor de beveiliging van Suwinet worden in bijlage XIV normen gesteld. De uitwerking van de daarin opgenomen informatiebeveiligingseisen is gebaseerd op de Code voor informatiebeveiliging 2000, aangevuld met maatregelen genoemd in de A&V-studie nr. 23 "Beveiliging van persoonsgegevens" van het College bescherming persoonsgegevens.

 

Hoofdstuk 6. Suwinet en IB


     In de Wet SUWI is bepaald dat het UWV, de CWI en gemeenten (c.q. gemeentelijke sociale diensten) voor onderlinge uitwisseling en raadpleging van gegevens gebruik maken van een elektronische infrastructuur, aangeduid als Suwinet. Het realiseren van voorzieningen die de communicatie tussen partijen moet ondersteunen brengt de noodzaak van afstemming en coördinatie met zich mee. De Wet SUWI (hoofdstuk 9) bevat daarom meerdere bepalingen omtrent inrichting en gebruik van Suwinet, evenals over de gegevens en berichten die via het netwerk worden uitgewisseld. Met deze regeling wordt de inrichting van Suwinet vastgelegd. Dit betreft het stelselontwerp zoals aangeduid in artikel 66, eerste lid, van de Wet SUWI, het Gegevensregister SUWI (artikel 64, tweede lid) en de organisatie en beheer van Suwinet (artikel 67, tweede lid), waaronder begrepen het beleid rond beveiliging en privacy.
     Het IB is een stichting die wettelijke taken uitvoert op basis van de Abw, de Ioaw, de Ioaz en de Wet SUWI. In het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten zijn de taken van het IB voor een groot deel al nader uitgewerkt. In deze regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inrichting van de elektronische voorzieningen van het IB, de aansluiting van gemeenten op het IB en met betrekking tot het jaarplan, de begroting en de verantwoording door het IB. Tevens bevat de regeling overgangsbepalingen ten aanzien van het tijdpad van de implementatie van het IB bij gemeenten en de financiering van de Stichting Inlichtingenbureau.

 

§ 6.1. Suwinet


§ 6.1.1. Algemeen

     Om onderlinge gegevensuitwisseling mogelijk te maken zijn gemeenschappelijke afspraken en standaards nodig. Hiertoe wordt met deze regeling een samenhangend stelselontwerp vastgelegd.
     Het stelselontwerp gaat er in belangrijke mate van uit dat zoveel mogelijk voorzieningen behoren tot de verantwoordelijkheid van de aangesloten partijen wat betreft ontwikkeling en beheer, uiteraard conform gemeenschappelijke afspraken en standaards. Om deze "decentrale" voorzieningen met elkaar te kunnen laten communiceren, zijn daarnaast gemeenschappelijke of centrale voorzieningen noodzakelijk, die niet logischerwijs aan één van de aangesloten partijen zijn toe te wijzen.
     De situatie voor gemeenten wijkt in die zin af van die voor UWV en CWI dat hier voor wat betreft het decentrale aspect niet sprake is van één organisatie, maar van een groot aantal. De Stichting Inlichtingenbureau heeft op grond van de Wet SUWI een coördinerende en dienstverlenende taak en neemt aldus voor het gemeentelijk domein de taken voor haar rekening die op grond van het stelselontwerp als decentraal worden aangemerkt, maar die het niveau van individuele aangesloten gemeenten overstijgen.
     Het stelselontwerp beschrijft op hoofdlijnen:
a. de functies die door het stelsel worden geboden;
b. de verschillende componenten die al of niet per functie daarvoor nodig zijn;
c. de wijze waarop die componenten samenwerken;
d. de verantwoordelijkheden met betrekking tot ontwikkeling en beheer voor die componenten;
e. de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de deelnemende partijen teneinde een werkend stelsel te realiseren.
     De voor het stelselontwerp relevante technisch afspraken zijn beschreven in de zogenoemde interfacedefinities. Deze beschrijven in detail hoe de verschillende componenten, ontwikkeld door en in beheer bij verschillende partijen, onderling samenwerken teneinde de functionaliteit van Suwinet te kunnen bieden, dan wel te kunnen gebruiken. De interfacedefinities zijn vervat in de bijlage XIII ("Stelselontwerp Suwinet") bij deze regeling.
     Voor het functioneren van het stelsel zijn, naast hetgeen in deze regeling wordt vastgelegd, nog praktische afspraken nodig tussen de partijen, met name rond de samenwerking en afstemming op gebied van technisch beheer van het stelsel, het afhandelen van incidenten (foutmeldingen) en ook over de tijdigheid en kwaliteit van gegevensverstrekkingen. De partijen dienen hiertoe onderling overeenkomsten (zogenaamde Service Niveau Overeenkomsten) af te sluiten, die niet tot het stelselontwerp behoren als hier beschreven.

 

§ 6.1.2. Inrichting en opzet van Suwinet


Algemeen

     Suwinet is een extranet, dat grotendeels gefundeerd is op de netwerken en de daarin aanwezige services van de aangesloten partijen (UWV, CWI en Inlichtingenbureau respectievelijk gemeenten). Voor gebruikers en aangesloten applicaties zal dit extranet zich voordoen als een aparte entiteit, waartoe men pas na autorisatie toegang heeft.
     Suwinet biedt de functionaliteiten die voor gegevensuitwisseling in het SUWI-domein nodig zijn. Voor de realisatie van de voor SUWI benodigde ICT-voorzieningen heeft de minister gekozen voor een aanpak in twee sporen ¹. Spoor 1, dat in 2001 in uitvoering is genomen, is erop gericht om - met gebruikmaking van reeds bestaande voorzieningen en beperkte nieuwbouw - op korte termijn de meest noodzakelijke ondersteuning van de SUWI-uitvoeringsketen te realiseren. Spoor 2 betreft de ontwikkeling van een duurzame infrastructuur op basis van een informatiearchitectuur. Onderstaand worden de functionaliteiten en architectuur van Suwinet toegelicht. Dit gebeurt uitgebreider bij de bijlagen bij deze regeling waarmee het stelselontwerp en het gegevensregister (bijlagen XIII en XII) worden vastgelegd.

1. Zie het Beleidsplan ICT d.d. 12 januari 2001, bijlage 12 bij het Grofontwerp SUWI (bijgaand stuk 1 bij Kamerstukken II 2000-2001, 26 448, nr. 19).


Functionaliteiten (artikel 6.1)

     De Suwinet-functies in spoor 1 die in deze regeling beschreven worden, zijn de volgende:
1. inkijken: het (bij een andere organisatie) direct kunnen ophalen van gegevens met betrekking tot een bepaald sofinummer ten behoeve van het tonen van die gegevens aan een medewerker op zijn computerscherm (raadplegen) of ten behoeve van het verwerken ervan in een applicatie (inlezen);
2. meldingen: het kunnen versturen van gegevens naar een door de afzender bepaalde ontvangende organisatie. In bepaalde gevallen bestaat voor een ontvanger de mogelijkheid een abonnement te nemen op wijzigingen in ontvangen gegevens.
     In spoor 1 worden de volgende meldingen uitgewisseld:
• vanuit CWI: intakebericht WW en Abw inclusief alle daarmee verband houdende secundaire meldingen, op initiatief van CWI;
• vanuit UWV: dienstverhoudingen en uitkeringsverhoudingen, alsmede wijzigingen daarin aan IB.
     Realisering van de voor deze functies voor het gemeentelijk domein benodigde voorzieningen bij het Inlichtingenbureau zal eerst in de loop van 2002 plaatsvinden. Uit oogpunt van reductie van complexiteit is ervoor gekozen om eerst de bouw en ingebruikname van de voorzieningen voor het genereren van samenloopsignalen ten behoeve van rechtmatigheidscontrole af te ronden en daarna de voor het Suwinet benodigde aanpassingen te realiseren. Aansluiting van gemeenten op het IB zal in de loop van 2002 gebeuren, zodat er naar verwachting eind 2002 van volledig gebruik van Suwinet zoals gedefinieerd in spoor 1 sprake zal zijn. Het aansluitschema voor gemeenten op het Inlichtingenbureau (zie ook onder) geldt daarom als invoeringssystematiek voor het gebruik van Suwinet door gemeenten volgens het in deze regeling bepaalde.
     Na oplevering van spoor 1 zullen op korte termijn in aanvulling daarop de volgende voorzieningen worden gerealiseerd:
• ongestructureerde meldingen, dat wil zeggen het versturen door middel van een melding van ongestructureerde ("vrije") gegevens. Dit betreft met name het versturen van de rapportage van de kwalificerende intake door de CWI, verslagen van bemiddelingsgesprekken, etc;
• het tussen personen beveiligd kunnen uitwisselen van informatie via e-mail.


Architectuur (artikelen 6.2 en 6.3)

     Om Suwinet als extranet te laten functioneren zijn er in zowel het centrale als de decentrale domeinen bepaalde componenten nodig en worden aan de onderlinge raakvlakken en aansluitingen (interfaces) tussen die componenten bepaalde eisen gesteld. Voor de architectuurbeschrijving van Suwinet wordt uitgegaan van een gelaagd model. Op elke laag worden afspraken en standaards gedefinieerd. Het betreft de volgende lagen:
1. het datacommunicatie- of netwerkniveau;
2. de gegevens die onderling uitgewisseld worden;
3. de logische of functionele inrichting van het stelsel.


Laag 1, datacommunicatienetwerk (artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel b)

     Op datacommunicatieniveau wordt uitgegaan van de netwerken binnen de diverse kolommen en partijen. Het zogenaamde SUWI-koppelpunt brengt de verbindingen tussen de aangesloten netwerken en naar de centrale Suwinet-voorzieningen tot stand. Dit vormt op datacommunicatiegebied het enige gemeenschappelijke onderdeel van Suwinet.
     De feitelijke inrichting van de netwerken in de diverse kolommen en partijen is sterk in beweging. Voor het stelselontwerp is dat niet belangrijk zolang maar voldaan wordt aan voorschriften voor het koppelvlak voor aansluiting aan het SUWI-koppelpunt. Als generiek protocol wordt uitgegaan van TCP/IP. Dit dient door alle partijen in verschillende subdomeinen te worden ondersteund. Het stelselontwerp specificeert hoe de verschillende netwerken in de verschillende domeinen worden gekoppeld. Voor het versturen van meldingen wordt gebruik gemaakt van de faciliteiten van RINIS [Routeringinstituut (Inter)nationale Informatiestromen, red.], voor zover het transport tussen kolommen, dat wil zeggen tussen sectorloketten betreft. Het transport binnen een kolom, dat wil zeggen tussen sectorloket en partijen binnen die kolom, gebeurt in spoor 1 op basis van reeds in die kolom beschikbare of in ontwikkeling zijnde faciliteiten. In spoor 1 zal hier nog geen standaardisatie plaatsvinden.


Laag 2, gegevens- en berichtenregister (artikel 6.2)

     De betekenis van de gegevens die tussen de SUWI-partijen worden uitgewisseld en de wijze waarop de gegevens worden vastgelegd (gecodeerd) bij de uitwisseling, dienen eenduidig en ondubbelzinnig te zijn. Op grond van de uitvoering van wettelijke taken van de uitvoeringsorganisaties ontstaat een concreet beeld van de gegevens die nodig zijn, op welk moment ze nodig zijn en bij welke uitvoerder zulke gegevens beschikbaar komen. Om het voor uitvoeringsorganen, burgers en werkgevers inzichtelijk te maken welke gegevens voor meervoudig gebruik beschikbaar zijn, wordt als bijlage bij deze ministeriële regeling het Gegevensregister SUWI (bijlage XII) vastgesteld. Hierin wordt een gemeenschappelijke taal voor elektronische gegevensuitwisseling in het SUWI-domein vastgelegd, aangeduid als SuwiML.
     Het Gegevensregister SUWI voorziet in een register met gegevensdefinities dat betekenis en formaat van alle uit te wisselen gegevens definieert. Dit betreft in eerste instantie uitwisselingen tussen UWV, CWI, gemeenten en het Inlichtingenbureau. Op korte termijn zullen in aansluiting op het gegevensregister ook uitwisselingen met reïntegratiebedrijven beschreven en ingekaderd worden.
     In het Gegevensregister SUWI is een overzicht opgenomen, aangeduid als Berichtenindex SUWI, waarin de verschillende soorten berichten zijn weergegeven die in het kader van wettelijke taken worden uitgewisseld tussen SUWI-uitvoeringsorganisaties. Onder berichten worden alle verzamelingen van gegevens verstaan zoals die met de onderscheiden functies van Suwinet worden verzonden (meldingen) dan wel geraadpleegd of ingelezen (inkijk).
     Met artikel 6.2, derde lid, wordt ook de wettelijke basis gelegd voor het gebruik van Suwinet door gemeenten bij uitvoering van de Wiw. Dit betreft primair uitwisselingen tussen de CWI en gemeenten van gegevens met betrekking tot de afstand tot en kansen op de arbeidsmarkt van cliënten.


Laag 3, Logische Inrichting (artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel a)

     De logische inrichting beschrijft de meer functionele werking van het stelsel en de voorzieningen en standaards die daarvoor nodig zijn. De belangrijkste onderdelen zijn de volgende.


Personenverwijsbestand

     Een personenverwijsbestand of -index geeft per sector aan of er een dossier of registratie wordt gehouden over een bepaalde cliënt en bij welke partij binnen die kolom die informatie zich bevindt. De beschikbaarheid van persoonsinformatie van een individuele cliënt moet immers achterhaald kunnen worden. Het stelselontwerp bevat een beschrijving van de verwijsgegevens, van de wijze waarop zulke gegevens in verwijsbestanden per uitvoeringsorganisatie (CWI en UWV) of sector (gemeenten) worden onderhouden en van de wijze waarop in deze bestanden gezocht kan worden. Als identificatiegegeven geldt steeds het sofinummer. Het is de verantwoordelijkheid van een kolom om de index inhoudelijk te onderhouden. De verwijsindex is een generiek mechanisme; omdat de situatie in elke kolom echter verschillend is zal de feitelijke inrichting van de verwijsbestanden tussen de kolommen verschillen. De indexen dienen wel te voldoen aan dezelfde interfacespecificaties.


Toegangsbeveiliging en -machtiging

     Toegangsbeveiliging draagt zorg voor het uitsluitend verlenen van inkijktoegang tot de informatie in de webservers aan die gebruikers die daartoe een toegangsmachtiging hebben, dat wil zeggen geautoriseerd zijn. De toegangsmachtigingen zijn gegevens van gebruikers uit de diverse partijen die de toegangsrechten (autorisaties) bepalen. Deze gegevens zijn ondergebracht in een gebruikersadministratie. Het beheer van deze gegevens ligt bij de partijen.
     De toegangsbeveiliging wordt gerealiseerd door middel van een gemeenschappelijk standaardtoegangsbeveiligingspakket. Dit pakket verzorgt tevens de logging van alle toegangen die verleend zijn (en die afgewezen zijn). Deze logging bevat informatie over wie (welke gebruiker) welke gegevens over welk sofinummer heeft geraadpleegd. Op basis van deze logging worden periodieke rapportages opgesteld.


Abonnementenadministratie

     Een andere voorziening betreft het mechanisme om relevante wijzigingen die in een basisregistratie worden aangebracht te signaleren en door te melden aan andere partijen. In spoor 1 wordt beperkt van deze functie gebruik gemaakt. Alleen wijzigingen in de registraties van het UWV (dienstverbanden en uitkeringen) worden gemeld aan het Inlichtingenbureau ten behoeve van het vaststellen van samenloop met Abw-uitkeringen. Het UWV is derhalve vooralsnog de enige partij die een abonnementenadministratie onderhoudt.

 

§ 6.1.3. Beveiliging (artikel 6.4)

     Een belangrijk punt van aandacht is de beveiliging van de gegevensuitwisseling. Het gebruik en beheer van Suwinet volgens de bepalingen in de Wet SUWI en deze regeling is onderdeel van het wettelijke takenpakket. In overeenstemming met de decentrale opzet van Suwinet en de eisen die krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Wet SUWI gelden, hebben de uitvoeringsorganen de taak om waarborgen te creëren ten aanzien van de kwaliteit van gegevens, privacybescherming en andere beveiligingsmaatregelen binnen het domein en de zeggenschap van de eigen organisatie.
     Door middel van deze regeling wordt tevens zorg gedragen voor een samenhangend beveiligingsbeleid. Dit beleid heeft tot doel om afstemming en samenhang te bereiken in de systematiek en de niveaus van beveiliging in de verschillende Suwinet-domeinen. Kern is dat via de bijlage bij deze regeling "Beveiliging Suwinet" (bijlage XIV) een gemeenschappelijke, nadere uitwerking geborgd wordt van artikel 13 van de Wbp, dat algemene uitgangspunten en richtlijnen geeft voor de door organisaties te implementeren beveiligingsmaatregelen. Voor het opstellen hiervan wordt de Code voor Informatiebeveiliging gehanteerd. De bijlage legt gemeenschappelijke betrouwbaarheidseisen vast die het beveiligingsniveau aangeven voor Suwinet. De geformuleerde normen gelden niet alleen voor Suwinet in engere zin, maar ook voor de bedrijfsprocessen die van de met behulp van Suwinet uitgewisselde gegevens gebruik maken. Aldus wordt een gelijkwaardig niveau van beveiliging over de organisaties heen bereikt.
     De vereiste betrouwbaarheid wordt gedefinieerd vanuit de gevolgen van inbreuken op:
• beschikbaarheid: de mate waarin de Suwinet-functie in bedrijf is op het moment dat de organisatie het nodig heeft;
• integriteit: de mate waarin de Suwinet-functie zonder fouten is;
• vertrouwelijkheid: de mate waarin de toegang tot en de kennisname van de Suwinet-functie en de informatie daarin is beperkt tot een gedefinieerde groep van gerechtigden.
     Op basis van de gestelde eisen worden vervolgens beveiligingsdoelen vastgelegd waarmee het vastgestelde niveau kan worden bereikt. De organisaties zijn vervolgens zelf gehouden om beveiligingsmaatregelen te treffen waarmee de doelstellingen worden bereikt. Als onderdeel van de jaarlijkse verantwoording over de gegevensverwerking binnen de organisaties rapporteren deze tevens over het gebruik, de inrichting en de beveiliging van Suwinet, uiteraard voor zover dit binnen hun verantwoordelijkheidsdomein valt.
     In de genoemde bijlage wordt nader ingegaan op de organisatie van de beveiliging van Suwinet.
     Voor de beveiliging van Suwinet worden in bijlage XIV normen gesteld. De uitwerking van de daarin opgenomen informatiebeveiligingseisen is gebaseerd op de Code voor informatiebeveiliging 2000, aangevuld met maatregelen genoemd in de A&V-studie nr. 23 "Beveiliging van persoonsgegevens" van het College bescherming persoonsgegevens. Ook over de beveiliging van Suwinet dient verantwoording te worden afgelegd, zoals geregeld in artikel 5.22.

 

§ 6.1.4. Toewijzing centrale taken, afstemming (artikel 6.3, eerste lid, onderdeel c en d, en tweede lid)

     Het beheer van centrale voorzieningen binnen Suwinet wordt op grond van artikel 67 Wet SUWI belegd bij de CWI. Gezien haar wettelijke taakstelling en positionering vervult de CWI bij uitstek een centrale ketenfunctie. De CWI richt hiertoe als afzonderlijke organisatorische eenheid het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) in. De Raad van bestuur CWI is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken bij het BKWI en is budgetverantwoordelijk. De Raad van bestuur CWI zal over de besteding van middelen en de uitvoering van aan haar opgedragen taken afzonderlijk verantwoording afleggen in een jaarverslag. Vóór 1 januari 2003 vindt evaluatie plaats van het functioneren van (het kader rond) Suwinet; ultimo 2004 vindt evaluatie plaats van onderbrenging bij het BKWI bij de CWI en van de omvang, reikwijdte en uitoefening van de gemeenschappelijke activiteiten door het BKWI.
     Het BKWI heeft tot taak om operationele taken rond ontwikkeling, beheer en onderhoud van gemeenschappelijke afspraken en voorzieningen uit te voeren. Verder zal het de samenwerking tussen de uitvoeringsorganen vormgeven bij het testen van nieuwe voorzieningen of functionaliteiten inzake de infrastructuur, alsook bij het verkennen van noodzaak en haalbaarheid van eventuele technische of organisatorische vernieuwingen. Voor de invulling van haar taken zal het BKWI werkgroepen instellen waarin de betrokken uitvoeringsorganen samenwerken. Er is in ieder geval:
• een werkgroep van beveiligings- en privacybeambten van het BKWI, het UWV, de CWI en het IB en eventuele andere aangesloten partijen;
• een werkgroep gegevens en berichten die zich bezighoudt met onderhoud van het gegevensregister en de berichtenbijlage.
     Het BKWI heeft geen besluitvormende bevoegdheid omtrent inrichting van voorzieningen en vormgeving van gegevensuitwisselingen. Besluitvorming hieromtrent vindt plaats door de Minister van SZW in overleg met de uitvoeringsorganen (conform artikel 71 van de Wet SUWI). Beleidsmatige en strategische afstemming tussen de partijen vindt plaats in het zogenaamde Ketenoverleg, waarin het ministerie van SZW op ambtelijk niveau met de betrokken organisaties overlegt. In dit overleg komen de begroting en het jaarplan van het BKWI aan de orde en tevens alle relevante aspecten rond gebruik en inrichting van Suwinet, waaronder alle door het BKWI (in de genoemde werkgroepen) voorbereide voorstellen tot wijziging of aanpassing van het stelsel, gegevensregister, etc.
     Aan het overleg nemen het UWV, de CWI, de VNG (namens gemeenten) en de SVB (vooruitlopend op aansluiting op Suwinet) deel. Het BKWI en het Inlichtingenbureau nemen als adviserende leden deel. De minister stelt een huishoudelijk reglement van het Ketenoverleg vast. De procedures die het BKWI hanteert ter afstemming met de partijen rond de diverse aandachtsgebieden zullen in het overleg worden vastgesteld.
     In beginsel dragen uitvoerders zelf de kosten voor de voorzieningen die binnen de eigen organisatie-  of sectorgrenzen worden getroffen om gegevens beschikbaar te stellen aan andere partijen via Suwinet, en voor de ontvangst en verwerking van gegevens die worden ontvangen van andere partijen.
     Kosten voor (inrichting en beheer van) gemeenschappelijke voorzieningen en het Gegevensregister SUWI (de activiteiten van het BKWI) worden door SZW gefinancierd. Voor experimentele projecten kunnen aparte afspraken worden gemaakt tussen de betrokken partijen.
     De minister brengt jaarlijks, als onderdeel van de verantwoording aan de Tweede Kamer in de maand mei, op basis van de inbreng van de samenwerkende uitvoeringsorganen en gevoed door het dagelijks beheer van de infrastructuur een verslag uit over de wijze waarop inrichting en instandhouding van de infrastructuur gestalte heeft gekregen. Hierin wordt ook gerapporteerd over gemaakte afspraken die in het Ketenoverleg zijn voorbereid. Tevens wordt verslag gedaan over aard en frequentie van gewisselde berichten over het Suwinet.

 

§ 6.2. Inlichtingenbureau


§ 6.2.1. Algemeen

     De wettelijke taken van de Stichting Inlichtingenbureau behelzen in beginsel dat zij elektronische voorzieningen beheert, waarmee uitwisseling van informatie tussen gemeenten en andere instanties in het kader van uitvoering van de Abw, Ioaw, Ioaz en de Wet SUWI tot stand wordt gebracht. Gemeenten zijn bij wet verplicht om in omschreven gevallen gebruik te maken van de voorzieningen van het Inlichtingenbureau. Het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten bevat een omschrijving van de taken van het Inlichtingenbureau, stelt regels met betrekking tot de verwerking van gegevens en de financiering van en verantwoording door het Inlichtingenbureau. In deze regeling worden de volgende zaken nader uitgewerkt:
a. de kaders voor het Inlichtingenbureau als onderdeel van de SUWI-keten;
b. de wijze waarop de elektronische voorzieningen van het Inlichtingenbureau zijn ingericht, de afspraken die zijn gemaakt met leveranciers van brongegevens en de wijze waarop, dan wel de voorwaarden waaronder gemeenten gebruik kunnen maken van de voorzieningen van het Inlichtingenbureau en de experimenten die het Inlichtingenbureau uitvoert;
c. de eisen waaraan de door de Stichting Inlichtingenbureau in te dienen jaarplannen, -begrotingen en -verantwoordingen dienen te voldoen;
d. de eisen omtrent door de Stichting Inlichtingenbureau aan de Minister van SZW te verstrekken informatie (in verband met verantwoording, beleidsvorming en -evaluatie en de uitoefening van het toezicht door de IWI);
e. overgangsbepalingen ten aanzien van het tijdpad van de implementatie van het Inlichtingenbureau bij gemeenten en de financiering van de Stichting Inlichtingenbureau.

 

§ 6.2.2. Elektronische voorzieningen en gegevensuitwisseling


Suwinet

     De taken van het Inlichtingenbureau in het kader van Suwinet op grond van artikel 63 van de Wet SUWI staan beschreven in het Stelselontwerp Suwinet. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting hierboven. De taken komen in het kort hierop neer dat het Inlichtingenbureau:
• een verwijsindex als beschreven in paragraaf 6.1.1 beheert waarin wordt bijgehouden in welke gemeente informatie beschikbaar is betreffende een Abw-, Ioaw- of Ioaz-uitkering. De CWI en het UWV kunnen op dit bestand inkijken om gegevens over uitkeringsperioden van cliënten bij gemeenten te raadplegen;
• het transport van meldingen binnen de gemeentekolom tussen het Inlichtingenbureau als sectorloket, als beschreven in paragraaf 6.1.1, en de aangesloten gemeenten verzorgt;
• het beheer van toegangsautorisaties voor de gemeentekolom coördineert. Het Inlichtingenbureau neemt deel in werkgroepen van het BKWI en neemt als adviseur deel aan het Ketenoverleg.


Gegevensuitwisseling via het Inlichtingenbureau tussen gemeenten en derden (artikelen 6.5 en 6.6)

     In deze artikelen wordt uitwerking gegeven aan artikel 3 en artikel 4 van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten.
     In de bijlage "Aansluitvoorwaarden gemeenten op IB" (bijlage XV) is een aantal technische en procedurele voorwaarden opgenomen waaraan gemeenten dienen te voldoen voordat zij de uitwisseling met UWV, Informatie Beheer Groep en belastingdienst via het Inlichtingenbureau kunnen starten.
     De technische voorwaarden betreffen de aanwezigheid van de benodigde software en infrastructuur. De procedurele voorwaarden betreffen de mate waarin de organisatie gereed is voor de implementatie en het beheer van de faciliteiten van het Inlichtingenbureau.
     In de bijlage "Ontwerp elektronische voorzieningen IB" (bijlage XVI) wordt nader uitgewerkt hoe de uitwisseling van informatie via het Inlichtingenbureau werkt. Dit ontwerp moet nadrukkelijk worden gezien binnen de kaders die zijn gesteld rondom Suwinet, zowel in het Stelselontwerp Suwinet als in het gegevens- als berichtenregister.
     In de bijlage wordt aangegeven op welke wijze de gegevensverstrekking plaatsvindt, waarmee wordt bedoeld dat wordt aangegeven op welke tijdstippen een gemeente gegevens aanlevert, wat er met die gegevens wordt gedaan, welke gegevens het betreft en hoe het Inlichtingenbureau de gegevens weer aan gemeenten aanbiedt. In deze bijlage wordt een opsomming gegeven van de gebruikte gegevens; er worden geen definities of schrijfwijze van de betreffende gegevens uitgewerkt.
     De bewaartermijn van de gegevens van uitkeringsgerechtigden bij het Inlichtingenbureau is gesteld op maximaal 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de uitkering (blijkens de opgave van de gemeente) werd beëindigd. Reden hiervoor is dat gegevens van de belastingdienst die relevant kunnen zijn voor het recht op uitkering, tot dat tijdstip bekend kunnen worden.

 

§ 6.2.3. Overgangsbepaling (artikel 6.7)

     Alle gemeenten worden verplicht om gebruik te maken van het IB. Met het oog op een goede implementatie geldt deze verplichting niet voor alle gemeenten ineens. In bijlage XVII ("Aansluitschema gemeenten op IB") is een schema opgenomen waarin voor een deel van de gemeenten wordt aangegeven vanaf welke datum de verplichting voor hen geldt. Voor de overige gemeenten wordt deze datum op een later tijdstip door de minister bepaald. Zie verder de toelichting bij deze bijlage.

 

Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en afwijkingen van de Wet SUWI en van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten i.v.m. invoering.


Artikel 7.1. Afwijking van hoofdstuk 2 Wet S
UWI

     Aangezien de leden van de Raden van advies moeten worden aangezocht alvorens de Wet SUWI in werking treedt, kan het aan de ondernemingsraden toegekende recht in artikel 3, derde lid, van de Wet SUWI om één lid aan te bevelen geen toepassing vinden. De (ondernemingsraden van de) betrokken ZBO’s bestaan immers nog niet vóór inwerkingtreding van de Wet SUWI. Dit artikel maakt daarom een afwijking van die bepaling mogelijk. Het regelt tegelijkertijd dat de minister voor zover mogelijk wel een andere vorm van personeelsvertegenwoordiging in de gelegenheid moet stellen een aanbeveling te doen. Inmiddels zijn de Centrale Ondernemingsraad van het UWV i.o. en het Platform Ondernemingsraad CWI door het verandermanagement in de gelegenheid gesteld om de hiervoor bedoelde aanbeveling te doen.

 

Artikel 7.2. Afwijking van hoofdstuk 3 Wet SUWI

     De RWI dient volgens artikel 17, tweede lid, van de Wet SUWI cliënten(vertegenwoordigers) in de gelegenheid te stellen met hem te overleggen over het jaarlijks op te stellen beleidskader. Bij de eerste vaststelling van het beleidskader in begin 2002 zal de cliëntenvertegenwoordiging nog niet in voldoende mate gestructureerd zijn om aan deze bepaling toepassing te kunnen geven; derhalve voorziet dit artikellid in de mogelijkheid om alsdan van dit overleg af te zien.

 

Artikel 7.3. Overgangsbepalingen i.v.m. hoofdstuk 4 Wet SUWI

     Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan één van de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport van Bureau Berenschot, waarvan verslag is gedaan in de brief aan de beide kamers van 6 december 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 448, nr. 37). Zoals in die brief is vermeld, hebben wij besloten tot een getemporiseerde invoering van de uitkeringsintake Abw en Ioaw. Daarbij is gekozen voor een "ingroeivariant". Deze maakt het mogelijk - afhankelijk van de lokale omstandigheden - de uitkeringsintake Abw en Ioaw pas later (uiterlijk 1 april 2002) aan het CWI over te dragen. Indien CWI en gemeente in een gezamenlijke verklaring aangeven de CWI-intake pas per 1 april 2002 te willen laten ingaan, legt de minister in een besluit vast dat de uitkeringsintake tot die datum nog bij de gemeente dient plaats te vinden. Gevolg daarvan is dat in de betrokken gemeente de aanvragen nog met toepassing van de oude regels moeten worden ingediend en behandeld. Het uitstel geldt in beginsel tot 1 april 2002. De gemeenten waarvoor het uitstel geldt worden vermeld in een bijlage bij deze regeling. Op grond van het vijfde lid bestaat de mogelijkheid dat CWI en gemeente gedurende de periode van uitstel voor een vroegere ingangsdatum (1 februari of 1 maart 2002) kiezen. In dat geval zal de bijlage gewijzigd worden. Het zevende lid beoogt een adequate voorlichting aan belanghebbenden over de juiste plaats van indiening van aanvragen Abw en Ioaw zeker te stellen.

 

Artikel 7.4. Overgangsbepaling gebiedsindeling CWI’s

     Dit artikel is noodzakelijk om de periode van inwerkingtreding van de Wet SUWI tot aan het tijdstip waarop de CWI op grond van artikel 24, eerste of tweede lid, van de Wet SUWI zelf een indeling van CWI’s heeft vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant (na goedkeuring door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), te overbruggen. De in artikel 7.4 gekozen opzet is afgestemd met de CWI. Verwacht mag worden dat de thans opgenomen indeling dezelfde zal zijn als de indeling die de CWI zelf zal vaststellen. De CWI-indeling was tot heden vastgesteld op grond van het Tijdelijk besluit samenwerking CWI. Genoemd besluit is met de inwerkingtreding van de Wet SUWI vervallen.
     In het eerste lid worden de vestigingen van de CWI aangeduid met de daarbij behorende werkgebieden. Het betreffen 130 vestigingen. Rekening is gehouden met gemeentelijke herindelingen per 1 januari 2002. Ten opzichte van de voorheen geldende CWI-indeling is één CWI vervallen. Het betreft een CWI in de gemeente Eindhoven. Op de uitdrukkelijke wens van de gemeente Eindhoven is het aantal CWI’s binnen haar gemeentegrenzen teruggebracht tot één.
     In het tweede lid is aangeven in welke lokaties van de CWI beslissingen worden genomen over het verlenen van toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding op grond van het Ontslagbesluit. Het betreft zestien lokaties waar een functionaris juridische zaken namens de CWI dergelijke beslissingen neemt.
     Het derde lid betreft de afgifte van verklaringen langdurig werklozen. Deze worden eveneens in zestien lokaties afgegeven.
     Het vierde lid betreft de tewerkstellingsvergunningen in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen. Deze worden uitsluitend op centraal niveau afgegeven (door de lokatie juridische zaken te Zoetermeer), doch kunnen bij de in het vierde lid genoemde districten (lokaties juridische zaken) van de CWI worden ingediend. Genoemde districten zullen de aanvraag zelfstandig afdoen in de gevallen, bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 7.5. Overgangsbepalingen i.v.m. hoofdstuk 7 Wet SUWI

     Op grond van de Wet SUWI legt de IWI eens per vier jaar vóór 1 juli een meerjarig toezichtsplan en jaarlijks vóór 1 juli een plan van werkzaamheden aan de minister voor. De IWI stelt deze plannen, nadat daarover met de minister overleg is geweest, vast. De Wet SUWI - waarin de IWI wordt geregeld - treedt per 1 januari 2002 in werking. 2002 is voor de IWI een overgangsjaar, waarbij verdere organisatieontwikkeling centraal staat. Het eerste lid bepaalt dat de IWI vóór 1 februari 2002 een plan van werkzaamheden zal voorleggen. De IWI stelt dit plan na overleg met de minister vast. Dit is een richtinggevend document waarop de IWI zich bij haar werkzaamheden zal baseren. Het meerjarig toezichtsplan zal vóór 1 juli 2002 worden voorgelegd, zodat hierover de nodige bezinning binnen de Inspectie Werk en Inkomen kan plaatsvinden.
     In artikel 7.5, tweede tot en met vijfde lid, wordt de afwikkeling van de verantwoordingen, en de controle van deze verantwoordingen, over het jaar 2001 geregeld. Het tweede lid betreft de verantwoording van het Ctsv over de eigen organisatie (jaarrekening en jaarverslag) en de weergave van de uitkomsten van de door het Ctsv verrichte toezichtswerkzaamheden (rechtmatigheidsverklaringen). Deze verantwoordingen dienen door de IWI te worden opgesteld, op basis van de Ctsv-stukken. De Inspectie dient de controle van de jaarrekening en het jaarverslag van het Ctsv te regelen. De verantwoording en de controle over het jaar 2001 dient te geschieden conform de regels die op grond van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 tot 1 januari 2002 golden.
     Dit houdt in dat naast de verantwoordingen voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook de verantwoording voor de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met betrekking tot de Ziekenfondswet respectievelijk de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt opgesteld.
     Het derde en vierde lid regelen dat de IWI ook belast is met de verantwoording en controle daarop van de toezichtswerkzaamheden die door (de directie TZ van) het ministerie van SZW in 2001 zijn verricht en die met ingang van 2002 ook tot het terrein van de IWI behoren. Daarbij gaat het om het toezicht op de uitvoering van de gemeentelijke wetten en enkele andere taken. Deze andere taken zijn toezichtswerkzaamheden op certificatie-instellingen op het terrein van arbeidsomstandigheden, op de SER en via de SER op de bedrijfslichamen, samen met het ministerie van Financiën op de Pensioen- & Verzekeringskamer en samen met drie andere departementen op het College toelating bestrijdingsmiddelen.
     Over de toezichtsbevindingen over 2001 met betrekking tot de Arbeidsvoorzieningswet 1996 zal de minister zich verantwoorden. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is een organisatie in afbouw. Er is voor gekozen de IWI daar niet mee te belasten, zodat de IWI zich kan richten op de (door)ontwikkeling van het toezicht op de uitvoeringsstructuur werk en inkomen. Het toezicht op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt voor de resterende tijd belegd bij een apart te creëren onderdeel van het departement. Omdat toezicht naijlt in de tijd, zal het toezicht op activiteiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in 2002 door dit onderdeel plaatsvinden en zal dit onderdeel daarvan verslag doen.
     De tijdstippen in het vijfde lid wijken af van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. De datum voor het opstellen van de verantwoordingen is met drie maanden vervroegd naar 1 augustus. Voor de aanbieding van de verantwoordingen aan de beide kamers der Staten-Generaal door de minister is als uiterste datum 1 oktober 2002 vastgesteld. Ook de door de IWI vast te stellen stukken over 2001 met betrekking tot het Ctsv worden, conform de vóór 2002 geldende regels, aan de kamers gezonden.

 

Artikel 7.6. Overgangsbepaling i.v.m. hoofdstuk 8 Wet SUWI en het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten m.b.t. begrotingen, budgetvaststelling, jaarplannen en meerjarenbeleidsplannen

     De Wet SUWI regelt met betrekking tot de CWI, het UWV, de SVB en de RWI de indiening en goedkeuring van de begrotingen, de vaststelling van het budget voor de uitvoeringskosten en de indiening van (meerjaren)beleidsplannen voor het jaar 2003. Dit artikel van de ministeriële regeling treft (afwijkende) voorzieningen ter zake voor het jaar 2002 voor de verschillende SUWI-organen, met uitzondering van de SVB. Voor de SVB is geen overgangsbepaling nodig. Op basis van de begroting van dit (gehandhaafde) orgaan is onder regime van de Osv 1997 het budget van de uitvoeringskosten door het Ctsv vastgesteld. Dit besluit van het Ctsv wordt ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Invoeringswet SUWI aangemerkt als besluit van de minister; daarmee is vanaf 1 januari 2002 sprake van een door de minister vastgesteld budget. De overige stukken van de SVB behoeven evenmin een overgangsregeling.
     Voor de CWI, het UWV en de RWI zijn eind 2001 door hun rechtsvoorgangers (dan wel de Commissie voorbereiding RWI) stukken ter voorbereiding voor het jaar 2002 e.v. in verschillende vorm en onder verschillende naam opgesteld; het betreft hier de jaarplannen, bedrijfsplannen, meerjarenbeleidsplannen, begrotingen en meerjarenbegrotingen die door de minister, met zijn oordeel daarover, aan de beide kamers zijn voorgelegd bij de derde voortgangsrapportage SUWI. Deze stukken vormen voor de minister de grondslag voor de vaststelling van de budgetten 2002. Gelet hierop zijn geen afzonderlijke voorschriften nodig voor de aanbieding van deze stukken aan de minister, noch voor toezending daarvan door de minister aan de kamers.
     Voor het IB bepaalt het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten dat de minister jaarlijks vóór 1 december de rijksbijdrage voor het Inlichtingenbureau voor het volgende kalenderjaar vaststelt. Aangezien genoemd besluit per 1 januari 2002 in werking treedt, heeft deze bepaling betrekking op het budget voor het jaar 2003. Daarom wordt nu in de ministeriële regeling bepaald dat de minister de rijksbijdrage voor het jaar 2002 vaststelt; hij baseert zich daarbij op de begroting en het jaarplan die eind 2001 door het IB zijn opgesteld en bij hem zijn ingediend. Voor deze stukken van het IB wordt in het tweede lid voorlegging aan het parlement voorgeschreven; een afzonderlijke bepaling hiervoor is nodig omdat de stukken geen deel uitmaken van de derde voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid. Eén en ander is een nadere uitwerking van artikel 11 van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten.

 

Artikel 7.7. Overgangsbepalingen i.v.m. hoofdstuk 8 Wet SUWI

     De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Lisv, de uitvoeringsinstellingen, de SVB en het IB dienen zich te verantwoorden (jaarrekening en jaarverslag) over het jaar 2001. Deze verantwoording wordt afgelegd in het jaar 2002. In dit jaar bestaan een aantal organisaties niet meer dan wel zijn deze van een andere grondslag voorzien en zijn de Osv 1997 en de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ingetrokken. Voor het IB geldt dat dit met ingang van 2002 niet meer op basis van subsidie wordt gefinancierd maar volgens de daarvoor bij en krachtens de Wet SUWI gestelde regels. De verantwoording van het IB over 2001 geschiedt conform de gestelde subsidievoorwaarden en behoeft geen nadere regeling. Dit artikel dient ertoe voor de overige organen, met uitzondering van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de afwikkeling van de verantwoordingen, en de controle van deze verantwoordingen, over het jaar 2001 te regelen.
     Mede in verband met deze verantwoording zullen op grond van artikel 27 van de Invoeringswet SUWI bepaalde artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 nog niet worden ingetrokken en zal (de bestuurder van) de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk blijven voor onder andere deze taken. Daarnaast zal de verzelfstandiging van de onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Centrum vakopleiding en KLIQ o.a.) moeten worden afgerond. In verband hiermee zal op grond van artikel 27, derde lid, een ministeriële regeling worden vastgesteld die deze taken en de gevolgen van het nog niet intrekken van onderdelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 nader regelt. Om die reden wordt hier niet nader op de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ingegaan. Eén en ander betekent dat de CWI als rechtsopvolger niet met deze taken zal worden belast zoals het UWV, waarop dit artikel verder betrekking heeft.
     De rechtsopvolgers van het Lisv en de uitvoeringsinstellingen dienen de jaarrekening(en) en jaarverslag(en) over het jaar 2001 op te stellen en de controle hiervan te regelen. Zij doen dit op basis van de stukken die hun voorgangers hebben opgesteld.
     Ten aanzien van de jaarrekening, het jaarverslag, de accountantsverklaring en het accountantsonderzoek over het jaar 2001 worden de regels van toepassing verklaard die in dat jaar van kracht waren. Daarvoor is om de volgende redenen gekozen:
• de inrichting van de uitvoering was in dat jaar gebaseerd op de Osv 1997;
• de verantwoording wordt afgelegd over een jaar (2001) dat nog onder het regime van de Osv 1997 valt;
• het verantwoording afleggen over 2001 volgens de uitgangspunten van de Wet SUWI vormt een te zware belasting voor de uitvoering. De jaarrekening en het jaarverslag moeten namelijk gaan voldoen aan de principes van "Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording (VBTB)" en bij de controle wordt de rechtmatigheid aan het handelen gekoppeld;
• het is niet logisch over te gaan op een nieuwe verantwoording die is gebaseerd op de uitgangspunten van VBTB terwijl de begroting voor 2001 nog niet op deze uitgangspunten is gebaseerd.
     Het is de bedoeling dat niet alleen de wetten en regelingen maar ook de afspraken worden nageleefd zoals deze in 2001 van toepassing waren. Daartoe behoren ook de regels van het Ctsv, het Lisv en de SVB. Hierna volgt een (niet-uitputtende) opsomming van wetten, regelingen en afspraken die in dit artikel met betrekking tot de verantwoording over 2001 van (overeenkomstige) toepassing zijn verklaard:
voor de uitvoeringsinstellingen, het Lisv en het Ctsv, vastgesteld door de wetgever of de
minister:
• (delen uit de) Osv 1997, onder andere de artikelen 11, 82, 83 en 84;
• Regeling rechtmatigheidsverklaring sociale verzekeringen 1997;
• Regeling jaarrekening en jaarverslag uitvoeringsorganisaties sociale verzekeringen, vastgesteld door het Ctsv (en/of Lisv);
• Controleprotocol (financieel) uitvoeringsinstellingen 1999/2000 en volgende jaren;
• Verantwoordingsprotocol (financieel) uitvoeringsinstellingen 1999/2000 en volgende jaren;
• Protocol rechtmatigheidsrapportages werknemersverzekeringen controlejaar 2000 en verdere jaren;
• Protocol sociaal medisch handelen uitvoeringsinstellingen;
• Verklaringen gegevensbeheer;
• Verantwoordings- en controleprotocol (financieel) Lisv 2000 en verder;
• Handleiding verantwoordingsrapportage doelmatigheid 2001;
• Monitor doelmatigheid uitvoeringsinstellingen;
• Monitor doelmatigheid Landelijk instituut sociale verzekeringen;
• Monitor doelmatigheid Sociale Verzekeringsbank;
• Mutatie- en definitielijst doelmatigheid uitvoeringsinstellingen;
voor de SVB, vastgesteld door de wetgever of de minister:
• (delen uit de) Osv 1997, onder andere de artikelen 11, 82, 83 en 84;
• Regeling rechtmatigheidsverklaring sociale verzekeringen 1997;
• Regeling jaarrekening en jaarverslag uitvoeringsorganisaties; sociale verzekeringen, vastgesteld door het Ctsv (en/of Lisv);
• Regeling controleprotocol (financieel) Sociale Verzekeringsbank 1997;
• Regeling verantwoordingsprotocol (financieel) Sociale Verzekeringsbank 1997;
• Protocol sociaal medisch handelen uitvoeringsinstellingen;
• Verklaringen gegevensbeheer;
• Handleiding verantwoordingsrapportage doelmatigheid 2001;
• Monitor doelmatigheid Sociale Verzekeringsbank;
• Mutatie- en definitielijst doelmatigheid uitvoeringsinstellingen.

     Indien de genoemde regelingen en afspraken in 2001 nog worden gewijzigd, zijn uiteraard de gewijzigde regelingen en afspraken van toepassing.
     Het nakomen van de over het jaar 2001 van toepassing zijnde regelgeving houdt ook in dat de verantwoording(en) sociale verzekeringen en de rechtmatigheidsverklaringen worden opgesteld door het UWV en de SVB. Dit omvat ook de verantwoording en verklaring inzake de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
     De verantwoordingen en rechtmatigheidsverklaringen dienen vóór 1 juni aan de minister te worden aangeboden.
     Voor het verantwoordingsjaar 2002 worden nieuwe regels opgesteld die onder andere zijn gebaseerd op de uitgangspunten zoals vastgelegd in de Wet SUWI en in Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording. Hiertoe zal deze ministeriële regeling nog worden aangepast.
     De bepaling in het derde lid wijkt af van de Osv 1997. De datum voor het opstellen van de verantwoordingen door het UWV is met één maand vervroegd naar 1 juni.
     Voor de SVB is (in het vierde lid) de termijn eveneens op 1 juni gesteld.
     Voor de aanbieding van de verantwoordingen aan de beide kamers der Staten-Generaal door de minister is als uiterste datum 1 oktober 2002 vastgesteld (in de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 was hiervoor geen datum gesteld).
     Het streven voor alle organisaties is om in een beperkte tijd toe te groeien naar de situatie waarin wordt voldaan aan de termijnen zoals deze zijn opgenomen in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Hiertoe zullen jaarlijks de termijnen voor de verantwoordingen worden beoordeeld en (scherper) vastgesteld.

 

Artikel 7.10. Overgangsbepaling reïntegratieverantwoordelijkheid werkgever in het tweede spoor

     In artikel 127 [zie artikel 128, red.] van de Invoeringswet SUWI is opgenomen dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld in verband met een goede overgang van taken van het Lisv, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de SVB naar werkgevers en gemeenten ter bevordering van de inschakeling in de arbeid van uitkeringsgerechtigden en arbeidsgehandicapten. In die ministeriële regeling wordt in ieder geval bepaald dat en op welke wijze de daarmee samenhangende activiteiten en het verstekken van instrumenten, waarmee vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet een aanvang is gemaakt, worden voortgezet door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en gemeenten, zo nodig in afwijking van de Wet Rea, de Wiw en de WW.
     Doel van deze overgangsregeling is het zorgvuldig overdragen van verantwoordelijkheden en bijbehorende taken en bevoegdheden. Gewaarborgd moet zijn dat werkgevers de verantwoordelijkheid voor reïntegratie in het eigen bedrijf (eerste spoor) en in het bedrijf van een andere werkgever (tweede spoor) ook feitelijk kunnen dragen. Voorkomen moet worden dat betrokken werknemers bij het UWV, noch bij hun werkgevers terecht kunnen voor reïntegratie. De overgangsregeling is in de memorie van toelichting bij dit artikel in de Invoeringswet SUWI als volgt ingevuld [navolgend citaat is niet afkomstig uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet SUWI, red.]: "Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze wet tot een nader te bepalen tijdstip (gedachte wordt aan één jaar na inwerkingtreding van deze wet) geldt dat de werkgever alleen dan verantwoordelijk is voor de reïntegratie van zieke of arbeidsgehandicapte werknemers in het tweede spoor indien hij de wens daartoe aan het UWV kenbaar heeft gemaakt. Tot het tijdstip waarop de werkgever een dergelijke melding heeft gedaan en uiterlijk tot de expiratiedatum van de overgangsregeling, treedt het UWV nog op als verantwoordelijke voor reïntegratie in het tweede spoor".
     Zieke werknemers waarvoor reeds reïntegratie buiten het eigen bedrijf wordt onderzocht door de uitvoeringsinstelling (reïntegratie in het tweede spoor) op de datum van inwerkingtreding van de Invoeringswet SUWI (1 januari 2002), blijven op die datum voor het tweede spoor bij het UWV (het eerste lid).
     Zieke werknemers die nog bij de eigen werkgever kunnen reïntegreren op 1 januari 2002 én werknemers die ziek worden op of na die datum, gaan voor het zogenaamde tweede spoor uitsluitend vanaf die datum over op de werkgever op diens verzoek. Deze overgangsperiode zal gedurende één jaar na de inwerkingtreding van de Invoeringswet SUWI gelden, dat wil zeggen tot 1 januari 2003 (het tweede lid).
     Na het overgangsjaar gaan alle werknemers waarvoor op dat moment nog geen werkhervattingsmogelijkheden buiten het bedrijf van de eigen werkgever worden onderzocht, voor de reïntegratie in het tweede spoor over op de werkgever.
     Op deze wijze wordt de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in een ander dan het eigen bedrijf geleidelijk ingevoerd, terwijl werkgevers die de verantwoordelijkheid daarvoor eerder willen nemen, daartoe de kans krijgen.
     In het derde lid wordt bepaald dat het UWV een na de periode van één jaar begonnen taak ook na die periode nog afmaakt. Dit betekent dat de werkgever na 1 januari 2003 niet alsnog met de verantwoordelijkheid voor het tweede spoor wordt geconfronteerd indien hij niet heeft verzocht tijdens het overgangsjaar zelf de reïntegratieverantwoordelijkheid te krijgen, de desbetreffende werknemer vóór 1 januari 2003 één jaar ziek is en voor die werknemer vóór 1 januari 2003 de werkhervattingsmogelijkheden in het bedrijf van de eigen werkgever zijn onderzocht, maar niet aanwezig bleken. Het UWV heeft dan immers al een verantwoordelijkheid, omdat het ook een uitkering verstrekt.
     Met het vierde lid wordt bereikt dat de nieuwe bepalingen over reïntegratieverslag, plan van aanpak, etc. zoals die met de Wet verbetering poortwachter (Kamerstukken II 2000-2001, 27 678) worden ingevoerd nog niet gelden voor oude ziektegevallen. Ingeval de werkgever niet de verantwoordelijkheid heeft genomen voor het tweede spoor en het UWV die taak dus heeft overgenomen, hoeft de werknemer bij zijn aanvraag voor een WAO-uitkering geen reïntegratieverslag te overleggen. Dit is geregeld op dezelfde wijze als in het overgangsrecht bij die Wet verbetering poortwachter.
     In het vijfde lid wordt voor de duidelijkheid aangegeven dat de kosten van de uitvoering door het UWV ten laste komen van het Reïntegratiefonds.
     In het zesde lid wordt geregeld dat de werkgever die ervoor kiest om in 2002 de reïntegratieverantwoordelijkheid in het tweede spoor aan het UWV te laten, niet wordt geconfronteerd met verhaal door het UWV van 50% van de reïntegratiekosten als bedoeld in artikel 4.11 van het Besluit SUWI. In de situatie waarin de werkgever bewust het tweede spoor aan het UWV laat, ligt het niet voor de hand die werkgever alsnog te confronteren met de helft van de reïntegratiekosten in het geval de werknemer met een PRB de reïntegratie zelf ter hand neemt, evenwel zonder succes.

 

Artikel 7.11 Overgang lopende reïntegratietrajecten Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden, en artikel 7.12


Afwijkende bepaling overgang verantwoordelijkheid arbeidsgehandicapten

     Tot 2002 is Arbeidsbureau Nederland (waarin de basisdiensten zijn ondergebracht die overgaan naar de CWI) verantwoordelijk voor de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-gerechtigden. In 2001 zijn daartoe ongeveer 14 000 trajecten geraamd. De trajecten worden uitgevoerd door KLIQ. Een deel van deze trajecten loopt over de jaargrens heen. Zonder nadere regeling komt de verantwoordelijkheid voor deze trajecten vanaf 2002 bij de gemeenten te liggen. Dit zou betekenen dat Arbeidsbureau Nederland de dossiers van deze cliënten aan het eind van dit jaar overdraagt aan de gemeenten, die deze trajecten vervolgens onder haar verantwoordelijkheid afrondt. Vanwege de uitvoeringsconsequenties wordt in dit artikel geregeld dat de lopende trajecten niet overgaan naar de gemeenten, maar onder verantwoordelijkheid van de CWI te laten afronden. In het derde lid wordt geregeld dat de daaraan verbonden extra uitvoeringskosten (geraamd op maximaal €|1,35 miljoen) door de minister aan de CWI worden vergoed.
     In het tweede lid van artikel 7.11 wordt bepaald dat deze overgangsregeling geldt voor de duur van het lopende traject en niet langer dan één jaar. Nieuwe trajecten moeten dus in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd en ten laste van het gemeentelijk budget worden betaald. Na een periode van één jaar kan ervan worden uitgegaan dat de gemeente zicht heeft op welke trajecten voor haar ingezetenen in gang zijn gezet en zal de verantwoordelijkheid in ieder geval overgaan naar de gemeente. Lopende trajecten zullen dan in het algemeen ook zijn afgerond.
     Voor de overgang van de verantwoordelijkheid van de arbeidsgehandicapten bevat artikel 38 van de Invoeringswet SUWI een uitgebreide regeling. Om die reden is er niet voor gekozen de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de lopende trajecten voor arbeidsgehandicapten en het verstrekken van subsidies aan werkgevers tijdelijk te laten afhandelen door de CWI. Dit neemt niet weg dat in de praktijk het opdrachtgeverschap voor de uitvoerder KLIQ bij het onderdeel basisdiensten (na inwerkingtreding Wet SUWI: CWI) is ondergebracht. In verband hiermee is in artikel 7.12 geregeld dat een gemeente en de CWI in onderling overleg kunnen bepalen dat de CWI nog bepaalde taken uitvoert, terwijl de beslissingsbevoegdheid en de afhandeling van bezwaarschriften e.d. wel naar de gemeenten overgaan. De voorzieningen en activiteiten voor arbeidsgehandicapten zijn in de Arbeidsvoorzieningswet 1996 nader geregeld in tegenstelling tot de algemene bemiddelingstaken, waarop artikel 7.11 betrekking heeft. Dit verklaart de afwijkende regeling voor deze doelgroep.


Gevolgen voor werkgevers

     De ministeriële regeling heeft betrekking op de technische invulling van een aantal aspecten van de Wet SUWI. Het betreft een nadere uitwerking van met name de (beleids)informatie, de gegevensuitwisseling, reïntegratie en het uitvoeringsproces van de CWI. Slechts in zeer beperkte mate heeft de ministeriële regeling invloed op de administratieve verplichtingen van werkgevers. Voor zover werkgevers zijn betrokken, wordt gekozen voor handhaving van de huidige informatieverplichtingen. Gezien de aard van de ministeriële regeling en de beleidsmatige uitgangspunten biedt de regeling geen aangrijpingspunten om voorstellen te formuleren om de administratieve lasten te reduceren en alternatieven richting werkgevers te formuleren. Zoals in het actieprogramma administratieve lasten van SZW is aangegeven, zullen vooral andere dossiers in dit kader ter hand worden genomen (o.a. uniformering loonbegrip en inrichting polisadministratie). Ten aanzien van de diverse onderdelen van de regeling kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt.
Artikelen 1.1, 1.3 en 1.4: Geen relatie met werkgevers.
Artikel 1.5: Andere taken. Door werkgevers aangeleverde informatie kan ook worden benut bij de uitvoering van andere taken. Dit beperkt de administratieve lasten voor werkgevers. De inhoud van dit artikel is echter ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie.
Hoofdstuk 2: Geen invloed op informatieplicht werkgevers.
Artikelen 3.1 en 3.2: Geen gevolgen voor werkgevers.
Artikel 3.3: Bewaarplicht identiteitsdocumenten. Het betreft een omzetting van de huidige regeling op basis van de Osv 1997. Met uitzondering van het gegeven dat de werkgever een kopie dient te maken van het originele document (in plaats van een kopie van een kopie) zijn er geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht en zullen ook de administratieve lasten van werkgevers niet veranderen.
Hoofdstuk 4: Geen gevolgen voor werkgevers.
Paragraaf 5.1: Geen relatie met werkgevers.
Paragraaf 5.2: Geen inhoudelijk wijzigingen in de te verstrekken informatie door werkgevers.
Hoofdstuk 6: Geen gevolgen voor werkgevers.
Hoofdstuk 7: In dit hoofdstuk is onder meer opgenomen (artikel 7.10) dat werkgevers gebruik kunnen maken van een overgangsregeling met betrekking tot de reïntegratieverantwoordelijkheid in het tweede spoor. De met deze taak verbonden administratieve lasten zullen zich in 2002 derhalve slechts in beperkte mate voordoen. Vanaf 2003 zullen de effecten optreden zoals geschetst in de toelichting bij het Besluit SUWI.
     Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ministeriële regeling geen effect heeft op de structurele administratieve lasten van werkgevers.

 

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen


Artikel 8.1. Intrekking ministeriële regelingen

     De materiële inhoud van Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten (Stcrt. 1997, 41) is overgenomen in artikel 3.3 van de Regeling SUWI. De Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten was gebaseerd op artikel 94, eerste lid, van de Osv 1997, welke wet met inwerkingtreding van de Wet SUWI is ingetrokken. Omdat echter artikel 24, eerste lid, van de Invoeringswet SUWI bepaalt dat ministeriële regelingen op grond van artikel 94, eerste lid, van de Osv 1997 met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet SUWI berusten op artikel 77, eerste lid, van de Wet SUWI, maar dat de Regeling bewaarplicht identiteitsdocumenten daaronder niet moet worden begrepen, wordt deze regeling ingetrokken.
     De materiële inhoud van Regeling financiële rapportage fondsbeheerders (Stcrt. 1997, 41) is, voor zover noodzakelijk, overgenomen in artikel 5.12 van de Regeling SUWI. De Regeling financiële rapportage fondsbeheerders was gebaseerd op artikel 70, tweede lid, van de Osv 1997, welke wet met inwerkingtreding van de Wet SUWI is ingetrokken. Omdat echter artikel 24, eerste lid, van de Invoeringswet SUWI bepaalt dat ministeriële regelingen op grond van artikel 70, tweede lid, van de Osv 1997 met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet SUWI berusten op artikel 52, tweede lid, van de Wet SUWI, maar dat de Regeling financiële rapportage fondsbeheerders daaronder niet moet worden begrepen, wordt deze regeling ingetrokken.


Slotformulier

     De bijlagen III tot en met XVI worden met ingang van 1 januari 2002 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zullen aan alle betrokken instanties worden toegezonden.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x