|
20 december 1999/nr. SV/VP/99/78881
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, mede namens de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 3, eerste
lid, juncto artikel 9 Kaderwet
SZW-subsidies en de artikelen
25, eerste lid,
onderdeel f, 28, vijfde lid, en 86 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
§ 1.
Algemene
bepalingen
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AKW: Algemene
Kinderbijslagwet;
- AWBZ: Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
- indicatiebesluit: een besluit van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel
9a van de AWBZ, onderscheidenlijk van de stichting, bedoeld in artikel
9b, vierde lid, van de AWBZ,
waarbij beoordeeld wordt of en in welke omvang een zorgvrager ten
behoeve van wie een aanvraag om een indicatiebesluit is ingediend, is
aangewezen op één of meer vormen van zorg als bedoeld in artikel
2 van het Zorgindicatiebesluit,
onderscheidenlijk artikel 9, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg;
- kind: het kind, bedoeld in artikel 2;
- Minister van SZW:
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- overige posten met betrekking tot de uitvoering van deze regeling: de
uitgaven en ontvangsten met betrekking tot de interesten en ontvangsten;
- peildag: de eerste dag van een kwartaal zijnde 1 januari, 1 april, 1
juli of 1 oktober;
- SVB: Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van
betaling;
- vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
- Wet SUWI: Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art. 2.
Kind
-1. Kind is de persoon die de leeftijd van
3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en die blijkens een
geldig indicatiebesluit is aangewezen op tien of meer uren per week zorg
als bedoeld in de artikelen
4, 5, 6,
8, 9 en 13
van het Besluit zorgaanspraken AWBZ,
waarbij voor behandeling, begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel
geldt als vier uren en een etmaal als 24 uren.
-2. Met een indicatiebesluit als bedoeld in
het eerste lid wordt gelijkgesteld een medisch advies van een door de SVB
aan te wijzen onafhankelijke en daartoe deskundige organisatie, waaruit
blijkt dat een persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van
18 jaar heeft bereikt en die in het buitenland woont, een vergelijkbare
zorgbehoefte heeft als de persoon, bedoeld in het eerste lid.
-3. Met een indicatiebesluit als bedoeld in
het eerste lid wordt wat betreft de zorg als bedoeld in artikel
8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ
die in verband met een zintuiglijke handicap wordt verleend,
gelijkgesteld een verklaring afgegeven door een toegelaten
ZG-zorgaanbieder met erkende deskundigheid, waaruit blijkt dat een
persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft
bereikt, al dan niet in combinatie met een indicatiebesluit als bedoeld
in het eerste lid, is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als
bedoeld in het eerste lid.
Art. 3.
Vervallen.
§ 2.
Het recht op en
de hoogte van een tegemoetkoming
Art. 4.
Het recht op een
tegemoetkoming
-1. De natuurlijke persoon
die hier te lande woont en tot wiens
huishouden het kind hier te lande op de
peildag behoort, heeft over dat kwartaal recht op een tegemoetkoming ten
behoeve van dat
kind op grond van deze regeling, mits in dat kwartaal met betrekking tot
het desbetreffende kind een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 2
geldt.
-2. Waar de natuurlijke
persoon woont, wordt naar de omstandigheden
beoordeeld.
-3. Geen recht op een
tegemoetkoming heeft de persoon:
a. die ten behoeve van het
kind een Nederlandse of buitenlandse
vergoeding ontvangt die qua
doelstelling en hoogte vergelijkbaar is met
de tegemoetkoming, bedoeld in deze regeling;
b. in wiens huishouden het
kind op commerciële basis is
opgenomen.
-4. Geen recht op een
tegemoetkoming heeft de vreemdeling die
niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt
in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-5. In afwijking van het
vierde lid heeft wel recht op een tegemoetkoming de vreemdeling die na
rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet
2000:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om
voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 69, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet
2000, of buiten die termijn, ingeval artikel
6:11 van
de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft
gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in
de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-6. Het recht op een
tegemoetkoming aan de vreemdeling, bedoeld
in het vijfde lid, eindigt met
ingang van de dag waarop:
a. onherroepelijk voor de
vreemdeling negatief op de aanvraag, het
bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de
vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting op grond van de Vreemdelingenwet
2000 of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Art. 5.
De hoogte van een
tegemoetkoming
De tegemoetkoming voor het
kind bedraagt €|215,80
per kwartaal.
Art.
5a. Extra tegemoetkoming
-1. Indien een persoon:
a. over de vier kwartalen van een
kalenderjaar gerekend vanaf 1 januari 2010 recht heeft gehad op een
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5;
b. met betrekking tot dat
kalenderjaar een partner heeft als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
c. deze persoon of diens partner in
dat kalenderjaar belastbare winst uit één of meer ondernemingen als
bedoeld in artikel 3.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 of
belastbaar resultaat uit één of meer werkzaamheden als bedoeld in
artikel 3.90 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 heeft
genoten ¹ niet meer is dan
het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
heeft deze persoon in aanvulling op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5,
recht op een extra tegemoetkoming van €|1460,00
over dat kalenderjaar.
-2. Indien een persoon of diens partner
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en recht heeft op
meer dan één tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5,
heeft hij dan wel zijn partner recht op ten hoogste een extra
tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid.
-3. De SVB
betaalt de in het eerste lid bedoelde extra tegemoetkoming zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het
kalenderjaar waarover recht op de desbetreffende extra tegemoetkoming
bestaat.
1. Volgens de redactie
dient na "genoten" te worden ingevoegd: dat.
§ 3.
Het geldend
maken van het recht op een
tegemoetkoming
Art. 6.
De aanvraag [BbS06]
[BbS07] [BbS08]
[BbS09] [BbS10]
-1. De SVB stelt op aanvraag
vast of recht op een tegemoetkoming
bestaat.
-2. De aanvraag wordt
ingediend door middel van een door de SVB
beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-3. Bij de aanvraag wordt het
indicatiebesluit, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
overgelegd, tenzij de SVB het medisch advies,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, inwint.
-4. De vaststelling, bedoeld in het eerste
lid, geschiedt mede op grond van de door een indicatieorgaan als bedoeld
in artikel 9a van de AWBZ,
onderscheidenlijk een stichting als bedoeld in artikel 9b,
vierde lid, van de AWBZ,
aan de SVB verstrekte gegevens indien dat wettelijk is toegestaan. In
dat geval wordt bij de aanvraag het indicatiebesluit, bedoeld in artikel
2, eerste lid, overgelegd indien
de SVB daarom verzoekt.
-5. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel
5, kan niet eerder ingaan dan de eerste dag van het kwartaal tijdens
welk de aanvraag om een tegemoetkoming werd ingediend. De SVB is bevoegd
in bijzondere gevallen van de eerste zin af te wijken.
-6. Indien de SVB medisch advies als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, inwint, geschiedt de
vaststelling, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het vierde lid
mede op grond van dit advies. Het derde en vijfde lid zijn niet van
toepassing.
-7. De aanvraag om de extra tegemoetkoming
wordt ingediend vóór 1 december van het kalenderjaar na het
kalenderjaar waarover recht op de extra tegemoetkoming bestaat.
Art. 7.
Vervallen.
Art. 8.
Wetsbepalingen van
overeenkomstige toepassing [BbS06]
[BbS07] [BbS08]
[BbS09] [BbS10]
-1. De artikelen 14a tot en met
16, 18, 19, 19a,
20, 21a,
22 tot en met 24, 24a, eerste lid,
24b, 24c,
24d, 29d,
30 en
31 van
de AKW en de daarop berustende bepalingen
zijn van overeenkomstige toepassing op de tegemoetkomingen, bedoeld in
de artikelen 5 en 5a, met
dien verstande dat in artikel 18, eerste
lid, van de AKW met betrekking tot de extra
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5a,
voor het kwartaal wordt gelezen: het kalenderjaar.
-2. De artikelen
35, zesde lid, 38, tweede lid, 46, 48, 49 en
hoofdstuk 9 van de Wet SUWI
en artikel 121 van de Wet
financiering sociale verzekeringen zijn van overeenkomstige
toepassing bij de uitvoering van deze regeling.
Art. 8a.
Beslistermijn [BbS06]
[BbS07] [BbS08]
[BbS09] [BbS10]
-1. De SVB stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag vast
of recht op een tegemoetkoming bestaat.
-2. Indien de SVB niet in staat is tijdig een besluit te nemen, stelt de
SVB de aanvrager daarvan in kennis en kan de termijn, bedoeld in het
eerste lid, met ten hoogste vier weken worden verlengd.
Art. 9.
Verrekening
De SVB kan een aan een persoon ten onrechte
betaalde tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 5
en 5a, verrekenen met een andere tegemoetkoming
of met de kinderbijslag
die die persoon of een andere persoon die tot dat huishouden behoort
voor een kind ontvangt. [BbS06]
[BbS07] [BbS08]
[BbS09] [BbS10]
§ 4.
De financiering
Art.
10. Algemene bepalingen
-1. In de middelen tot dekking van de
uitgaven verbonden aan deze regeling wordt voorzien door het Rijk.
-2. De SVB
beheert en administreert
afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
-3. Met inachtneming van artikel
10a, eerste lid, brengt de SVB de uitgaven voor de
tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van de SVB in rekening bij de Minister
van SZW.
Art.
10a. Raming baten en lasten
-1. Vóór
1 oktober van elk jaar verstrekt de
SVB aan de Minister van SZW
in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de
voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze
regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en
uitvoeringskosten per jaar.
-2. De uitkeringslasten in de opgave,
bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar tegemoetkomingen
als bedoeld in artikel 5
en extra tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5a.
Art.
10aa. Vervallen.
Art.
10b. Betaling voorschot
-1. De Minister van
SZW stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel
5.16, onderdeel a, van de Regeling
Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel
10a, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als
valutadatum de eerste dag van elke maand; en
b. een twaalfde deel van de geraamde
uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
-2. De Minister van SZW kan, na overleg
met het SVB, van de in het eerste lid, onderdeel
a en b, bedoelde bedragen afwijken.
Art.
10c. Vervallen.
Art.
10d. Vervallen.
Art.
10e. Afrekening
-1. In
de jaarrekening, bedoeld in artikel 49
van de Wet SUWI,
worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in
artikel 10b, eerste lid, uitgesplitst naar
tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5
en extra tegemoetkomingen als bedoeld in artikel artikel 5a
en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.
-2. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van
SZW de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met
betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1
juni van het hierop volgende kalenderjaar.
-3. Voor de afrekening van de
tegemoetkomingen, de extra tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van
deze regeling en de vaststelling en afrekening van de rijksbijdrage ten
gunste of ten laste van de SVB
voor het jaar 2011 zijn de artikelen
10e respectievelijk 10f zoals deze
luidden op 31 december 2011 van toepassing.
Art.
10f. Vervallen.
Art.
10g. Accountantsverklaring
Artikel 16, eerste lid, van de Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet
van toepassing op verstrekking van tegemoetkomingen krachtens deze
regeling.
§ 5.
Overgangs- en
slotbepalingen
Art. 11.
Wijziging wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op de artikelen 121,
tweede lid, en 122 van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
Art. 12.
Overgangsrecht
-1. Tot 1 oktober 2010 wordt onder
kind mede verstaan de persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet
die van 18 jaar heeft bereikt en ten behoeve van wie over het eerste
kwartaal van 2010 op grond van de Regeling tegemoetkoming
onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 recht op
tegemoetkoming bestond en ten behoeve van wie dat recht niet met ingang
van 1 april 2010 op grond van genoemde regeling is beëindigd.
Voorts wordt tot 1 oktober 2010 onder kind verstaan de persoon die
de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en
ten behoeve van wie in het vierde kwartaal van 2009 of in het eerste
kwartaal van 2010 is bepaald dat met ingang van 1 april 2010 recht
bestaat op een tegemoetkoming op grond van genoemde regeling.
-2. De persoon tot wiens huishouden een
kind behoort en ten behoeve van welk kind over het eerste kwartaal van
2010 recht op tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming
onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 bestond, maar
ten behoeve van wie geen recht op tegemoetkoming bestaat over het vierde
kwartaal van 2010 omdat er in dat kwartaal geen indicatiebesluit geldt
als bedoeld in artikel 2, heeft over het vierde
kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 recht op een uitkering
die per kwartaal de helft bedraagt van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5.
-3. Indien een persoon recht heeft op een
uitkering als bedoeld in het tweede lid en met ingang van 1 januari
2011 recht heeft op een tegemoetkoming, heeft, in afwijking van het
tweede lid, over dat kwartaal geen recht op uitkering.
-4. Voor de toepassing van de paragrafen
3 en 4 wordt de uitkering, bedoeld in het tweede
lid, gelijkgesteld met de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5.
-5. Paragraaf 4 van deze
regeling, zoals die luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Minister voor Jeugd en
Gezin tot wijziging van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten
thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 in verband met de wijziging van
de indicatiestelling en de invoering van een extra tegemoetkoming voor
alleenverdieners, blijft van toepassing met betrekking tot
tegemoetkomingen die in 2009 en in het eerste kwartaal van 2010 zijn
verstrekt.
Art.
12a. Overgangsrecht artikel 2, derde lid
-1. De tegemoetkoming die wordt toegekend
naar aanleiding van een aanvraag waarbij een verklaring als bedoeld in artikel
2, derde lid, wordt overgelegd, kan, in afwijking van artikel
6, vijfde lid, ingaan vanaf de eerste dag van het tweede kwartaal
2011.
-2. De aanvraag om een tegemoetkoming
waarbij een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde
lid, wordt overgelegd en die met terugwerkende kracht betrekking heeft
op kwartalen vanaf het tweede kwartaal 2011 wordt ingediend vóór 1
januari 2013.
Art. 13.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2000. [BbS02]
[BbS03] [BbS04]
[BbS05]
Art. 14.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen.
's-Gravenhage, 20 december 1999.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[20 december 1999]
Algemeen
1. Inleiding
Deze regeling dient ter
vervanging van de Regeling tegemoetkoming
onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk
gehandicapte kinderen (TOG). Aanleiding
hiervoor zijn de resultaten van de
evaluatie van de TOG.
De TOG kwam in 1997 tot
stand na een al jaren durende
discussie over de hoge kosten van onderhoud
waarmee ouders die een gehandicapt
kind thuis verzorgen, worden geconfronteerd. Op 23 februari 1995 werd in dit
verband unaniem door de Tweede Kamer
een motie aanvaard (motie-Giskes, Kamerstukken II 1994-1995, 23 795, nr. 7), waarin kort
samengevat de regering gevraagd werd de financiële
positie van ouders met thuiswonende gehandicapte kinderen te
bezien en met conclusies en
voorstellen te komen. Een werkgroep onder
de verantwoordelijkheid van de destijds zogeheten Interdepartementale Stuurgroep
Gehandicaptenbeleid (ISG) werd verzocht om na te gaan
of, en zo ja, welke mogelijkheden er
waren om ouders met een thuiswonend gehandicapt kind tegemoet te komen. De
werkgroep concludeerde dat
bestaande wet- en regelgeving
onvoldoende mogelijkheden voor een
regeling bood en formuleerde vervolgens
een aantal uitgangspunten waaraan een
eventueel te treffen regeling zou moeten voldoen. Deze uitgangspunten werden
in een advies van de ISG aan de Staatssecretarissen van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW) opgenomen. Dit advies
vormde de basis voor de TOG.
De ISG adviseerde ook met de
start van de regeling een
evaluatieonderzoek te starten bij de gezinnen
die er gebruik van zouden maken. De
verplichting voor deze evaluatie werd opgenomen in artikel 13 van
de TOG. Gedurende het jaar 1998
heeft onderzoeksbureau Research voor Beleid te Leiden de doeltreffendheid
en effecten van de regeling in de praktijk onderzocht. Op 27 januari
1999 werd het eindrapport van het onderzoek uitgebracht. Bij brief van 20 mei 1999
heb ik de Tweede Kamer het eindrapport aangeboden, vergezeld van
een kabinetsstandpunt naar aanleiding van de resultaten van het
onderzoek. Daarin werd een aanpassing van de
TOG aangekondigd.
De Tweede Kamer heeft met
het uitgebrachte kabinetsstandpunt ingestemd (Kamerstukken II 1998-1999,
24 170, nr. 44).
Uit de resultaten van de
evaluatie is gebleken dat de TOG door de
aanvragers als een zinvolle financiële
tegemoetkoming (de eerste doelstelling van de TOG) wordt ervaren. Verder is
gebleken dat de regeling
positief wordt ervaren als
maatschappelijke waardering voor de verleende
thuiszorg (de tweede doelstelling van
de TOG). De regeling blijkt
duidelijk in een behoefte te voorzien.
Eind 1998 waren ruim 11 000 aanvragen
bij de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) geregistreerd. In verband daarmee wenst het kabinet de TOG een
definitief karakter te geven. Gelet hierop zou
het voor de hand gelegen hebben (zoals
ook reeds werd gesuggereerd in de
toelichting bij artikel 13 van de TOG)
als de regeling in een formele wet zou
worden vastgelegd. Op initiatief
van de Staatssecretaris van VWS is
recentelijk echter een
interdepartementaal onderzoek gestart naar de
mogelijkheden van het introduceren van een
zogenaamde integratietegemoetkoming in Nederland. De
integratietegemoetkoming zou moeten dienen ter
ondersteuning van gehandicapten en
chronisch zieken in hun dagelijks bestaan. De vraag of een dergelijke
tegemoetkoming een meerwaarde kan hebben, raakt ook het terrein van de
TOG. Het kabinet wil met de
besluitvorming omtrent het niveau van
regelgeving van de TOG niet vooruitlopen
op besluitvorming omtrent een integratietegemoetkoming. Vooralsnog wordt
de nieuwe TOG derhalve ook
een ministeriële regeling,
gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies.
De doelstelling van de TOG
blijft ten eerste het bieden van een
financiële tegemoetkoming in de kosten
van het thuis verzorgen van een
gehandicapt kind en ten tweede het geven
van een blijk van waardering voor
die thuiszorg.
De belangrijkste wijzigingen
in de TOG als gevolg van de
onderzoeksresultaten betreffen de doelgroep en de medische voorwaarden die
worden gesteld om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit
zijn dermate essentiële onderdelen van
de TOG dat ervoor gekozen is
de TOG in zijn geheel te vervangen
door onderhavige regeling.
Alvorens op de nieuwe
regeling zelf in te gaan, worden in het
navolgende de belangrijkste
inhoudelijke resultaten van de evaluatie
weergegeven.
2. Onderzoeksresultaten met
betrekking tot de uitvoering en inhoud
van de TOG
2.1. Criteria TOG
Zowel aanvragers als
uitvoerders hadden kritiek op de indeling in
categorieën gehandicapten en de criteria
die op grond van de regeling
daaraan werden gesteld.
De kritiek kwam samengevat
op het volgende neer:
- Het onderscheid in twee
categorieën, met een hoog en een laag
niveau van tegemoetkoming, werd
onrechtvaardig gevonden. De kosten voor het
verzorgen van meervoudig gehandicapten zouden niet per definitie
hoger zijn dan voor ernstig lichamelijk
gehandicapten en chronisch zieken.
- Niet alle gehandicapte
kinderen zouden in één van de twee
categorieën te plaatsen zijn, terwijl zij
volgens de geest van de regeling wel
tot de doelgroep zouden moeten behoren. Verstandelijk gehandicapten
waren per definitie uitgesloten
van het recht op een tegemoetkoming
ingevolge de TOG, maar een aantal van
deze kinderen zou minstens zo
hulpbehoevend zijn als meervoudig of
ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen.
- De voorwaarde dat het
kind op grond van zijn beperkingen
aanspraak zou kunnen maken op opname
in een in de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of in de daarop berustende bepalingen
geregelde intramurale inrichting,
bleek in de praktijk nauwelijks invloed
te hebben op het al dan niet toekennen
van een aanvraag. Daarentegen werden
in de praktijk ook geen negatieve
gevolgen van deze bepaling ondervonden.
- Sommige criteria werden
door de uitvoerders multi-interpretabel genoemd. Zij zouden ruimte laten voor
subjectiviteit van de (indicerend) arts.
- De criteria, vooral de
aanvullende criteria, werden als streng
aangemerkt.
2.2. Uitvoering en
indicatiestelling
Een meerderheid van zowel de
toegewezen als de afgewezen aanvragers beoordeelde de wijze van
uitvoering van de TOG door de SVB en de
indicatiestelling door het orgaan waarmee de SVB in verband hiermee
een contract heeft afgesloten, positief.
3. Een nieuwe regeling naar
aanleiding van de resultaten van de
evaluatie
De kritiek van aanvragers en
uitvoerders op de indeling in
categorieën gehandicapten en de criteria
die daaraan werden gesteld, hebben
aanleiding gegeven voor een nieuwe regeling. In de navolgende onderdelen
wordt op de inhoud van de nieuwe
regeling ingegaan.
3.1. Doelgroep
Evenals dat in de
oorspronkelijke regeling het geval was, zal de nieuwe
regeling van toepassing zijn op
kinderen die gelet op hun beperkingen
aanspraak kunnen maken op opname in een in de AWBZ
of in de
daarop berustende bepalingen geregelde
intramurale inrichting. Uit het evaluatieonderzoek is weliswaar gebleken dat
deze voorwaarde in de praktijk
nauwelijks invloed had op het al dan
niet toekennen van een aanvraag. Daarentegen werden ook geen negatieve
gevolgen van deze bepaling
ondervonden. De bepaling is wederom in de
regeling opgenomen, omdat hiermee de
substituutwerking van de TOG-regeling voor opname in een
AWBZ-inrichting tot uitdrukking blijft komen. De sociale factoren die meespelen bij
de indicatie voor opname in een
intramurale voorziening spelen, evenmin als dat bij
de oorspronkelijke TOG het
geval was, een rol.
Op grond van de
oorspronkelijke TOG-regeling bestond voor kinderen met alleen een stoornis van
verstandelijke of geestelijke aard geen
recht op een tegemoetkoming. Een aantal
van deze kinderen blijkt echter
minstens zo hulpbehoevend of
zorgafhankelijk te zijn als de kinderen
waarvoor wel recht op een tegemoetkoming
bestond. Het kabinet heeft gelet
hierop gemeend tot een andere
omschrijving van de doelgroep te moeten
komen. In de nieuwe omschrijving van
de doelgroep wordt geen onderscheid gemaakt naar de aard van de
ziekte of stoornis. Het uitgangspunt
in de nieuwe regeling is een bepaalde
mate van zorgafhankelijkheid als
gevolg van de beperkingen in het dagelijks
functioneren die veroorzaakt worden door een ziekte of stoornis,
ongeacht de aard van die ziekte of
stoornis. Anders gezegd houdt dit in dat de
regeling in beginsel toegankelijk is
voor ouders of verzorgers van een kind dat
ernstig beperkt is in het dagelijks
functioneren als gevolg van een ziekte of
stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard, waardoor
het in een bepaalde mate
zorgafhankelijk is. Een dergelijke omschrijving van
de doelgroep bevat begrippen die thans
reeds in andere wetten (Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
zelfstandigen (WAZ) en Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong))
worden gehanteerd en waarover
duidelijkheid in de uitvoering bestaat.
Het gaat ook in de TOG 2000
met nadruk om ernstig
gehandicapte kinderen die zeer veel extra inzet
van de ouders of verzorgers vragen.
Deze extra inzet komt tot
uitdrukking in de vorm van daadwerkelijk meer
hulp (in vergelijking met gezonde
leeftijdsgenoten) bij algemeen dagelijkse
levensverrichtingen of min of meer continu toezicht.
De handicap dient blijvend
of voorlopig blijvend te zijn. De
handicap kan weliswaar op termijn,
bijvoorbeeld door gevolgde therapieën,
verminderen. Het gevolg hiervan kan zijn
dat bij een nieuwe medische
indicatie een negatief advies wordt
uitgebracht met als gevolg dat het recht op
tegemoetkoming wordt beëindigd. De SVB
kan op grond van artikel 7 een
nieuw medisch advies inwinnen.
3.2. Voorwaarden
Aan de hand van de begrippen
"geregelde verzorging" en "geregelde
oppassing" - begrippen die ook in WAO, WAZ en
Wajong worden
gebruikt bij de toepassing van de verhoging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij zorgafhankelijkheid - wordt de mate van zorgafhankelijkheid
beoordeeld. Deze beoordeling zal
plaatsvinden aan de hand van een methode
van vaststelling van de graad
van zelfredzaamheid dan wel zorgafhankelijkheid waarvoor het Belgische
integratietegemoetkomingenstelsel als voorbeeld heeft gediend. Of sprake is
van "geregelde verzorging"
of "geregelde oppassing" wordt aan de
hand van beoordelingsthema’s
vastgesteld. Zo wordt voor "geregelde
verzorging" nagegaan of en in welke mate
het kind afhankelijk is van verzorging op het terrein van
lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit (uit hoofde van motorische
of energetische beperkingen) en noodzakelijk
te verrichten medische
handelingen. Voor "geregelde oppassing"
wordt nagegaan of en in welke mate noodzaak
tot oppassing bestaat in verband
met gedrag, communicatie, alleen
thuis kunnen zijn, begeleiding
buitenshuis en het zichzelf bezig kunnen
houden.
Voor elk van de
beoordelingsthema’s wordt beoordeeld of het kind
in sterke mate, in lichte mate, dan
wel niet afhankelijk is van hulp. De
som van deze beoordeling per thema leidt tot een totaalbeeld van de mate
van zorgafhankelijkheid.
De concrete uitwerking van
de begrippen wordt overgelaten
aan de SVB
(de SVB zal aan de hand
van de gegeven criteria
beleidsregels vaststellen) en de organisatie die de SVB van medisch advies dient.
Bij de uitwerking wordt
ernaar gestreefd de kans op
interpretatieverschillen tussen individuele artsen - één van de kritiekpunten die uit
de evaluatie van de oorspronkelijke TOG-regeling naar voren kwam - tot een
minimum te beperken.
De leeftijdsgrenzen van het
gehandicapte kind zijn in de nieuwe
regeling niet veranderd ten opzichte
van de oude regeling. Het gaat
derhalve nog steeds om kinderen van 3 tot 18 jaar. De grens van 18 jaar komt
overeen met de minimumleeftijdsgrens die
wordt aangehouden voor het recht
op een Wajong-uitkering. De
ondergrens van 3 jaar is gesteld, omdat kan
worden aangenomen dat kinderen tot
3 jaar, ook als zij volledig gezond
zijn, in het algemeen afhankelijk zijn
van oppassing en verzorging. Dit wordt dan niet veroorzaakt door een
handicap, maar door de leeftijd van het
kind. Van een kind jonger dan 3 jaar kan
bovendien niet in alle gevallen al
bepaald worden of het behoort tot de
doelgroep.
Nieuw in de TOG 2000 is de
vergelijking met een gezond kind van
dezelfde leeftijd in artikel 3. Niet
ondenkbaar is immers dat een volledig
gezond kind van bijvoorbeeld 3 of 4 jaar ook nog volledig afhankelijk is
van oppassing en verzorging door een
derde. In de vergelijking wordt
aangegeven dat het te beoordelen kind veel
afhankelijker moet zijn van geregelde
oppassing of verzorging door een derde
dan een gezonde leeftijdsgenoot om
voor een tegemoetkoming in aanmerking
te komen.
Indien in een gezin meerdere
kinderen voorkomen die voldoen aan de
in deze regeling genoemde
voorwaarden, bestaat voor ieder kind
recht op de tegemoetkoming.
3.3. Eén uitkeringsniveau
In de oorspronkelijke
TOG-regeling werden twee
doelgroepcategorieën onderscheiden, met een hoge
en een lagere tegemoetkoming. Verondersteld werd dat - gelet op de ernst van de handicap
- de
ene categorie in sterkere mate met extra
kosten werd geconfronteerd dan de
andere categorie, hetgeen een
verschil in niveau van tegemoetkoming
zou rechtvaardigen.
Uit de evaluatie is gebleken
dat de veronderstelling niet juist
is geweest. De kosten voor de ene
categorie liggen niet per definitie hoger dan
voor de andere categorie. In verband hiermee is het onderscheid in
categorieën in voorliggende regeling komen
te vervallen. Voorts heeft het kabinet gemeend uit oogpunt van
eenvoud ook geen andere differentiatie in deze regeling te moeten
aanbrengen. In deze regeling is slechts
één uitkeringsniveau opgenomen, het in de vorige regeling hoogste niveau. Het
bedrag wordt op dezelfde wijze en
op dezelfde momenten als dat ten behoeve
van de kinderbijslag op grond
van artikel 13, eerste en tweede lid, van
de AKW
gebeurt, aangepast aan de
ontwikkeling van het algemene
prijsniveau. Dit gebeurt door middel van een
ministeriële regeling waarin artikel 5
wordt gewijzigd.
4. Uitvoering
De uitvoering van de
regeling wordt verzorgd door de SVB. De SVB
stelt op aanvraag vast of recht op
een tegemoetkoming ingevolge deze regeling bestaat. De aanvraagformulieren worden
door de SVB beschikbaar
gesteld.
Voor de vaststelling van de
mate van zorgafhankelijkheid, de
indicatie, wint de SVB medisch advies in bij
een externe organisatie. Ten behoeve van
de medische advisering heeft de
SVB een contract afgesloten met een
landelijk opererende, onafhankelijke
en deskundige organisatie. Deze
organisatie heeft de instemming van de Minister van VWS, die als deskundige
en voor dit onderdeel
verantwoordelijke bewindspersoon ook de kosten
voor de indicering draagt.
De gunstige
onderzoeksresultaten op het gebied van de wijze van
uitvoering van de TOG hebben geen
aanleiding gegeven hierin in deze
nieuwe regeling een verandering aan te
brengen.
5. Handhaafbaarheid/Toezicht
Voor een aantal bepalingen,
zoals de toetsing van de
rechtmatigheid van de uitgaven in het kader van
deze regeling, wordt een relatie gelegd met
de Osv 1997 [zie Wet SUWI, red.]. Onderhavige regeling is mede gebaseerd op artikel
25, eerste lid, onderdeel f, van de Osv
1997 [zie artikel 34, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
SUWI, red.]. Als gevolg hiervan is de SVB bevoegd deze regeling uit te voeren.
Hiermee is tevens geregeld dat het
College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.] toezicht uitoefent op de
uitvoering van deze regeling.
De bepalingen van de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) zijn
wat betreft de handhaving en het
toezicht van overeenkomstige
toepassing op de regeling. In grote lijnen
zal het toezicht dan ook op dezelfde wijze geschieden als met
betrekking tot de AKW het geval is.
6. Belastingvrije
tegemoetkoming
De tegemoetkoming is
uitgezonderd van het inkomensbegrip van
de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [zie Wet
inkomstenbelasting 2001, red.].
Voorts wordt de
tegemoetkoming voor de toepassing van
andere wetten ook niet als inkomen
aangemerkt. De tegemoetkoming dient immers
ter (gedeeltelijke) bestrijding
van de extra kosten die ouders hebben in
verband met de zorg voor een
gehandicapt kind.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Definities
Het eerste artikel van deze
regeling geeft een aantal definities
van termen die in deze regeling worden
gebruikt. Anders dan in de AKW is in
deze regeling de term peildag opgenomen.
Doel hiervan is expliciet
duidelijk te maken dat de eerste dag van een kalenderkwartaal bepalend is voor het recht
op een tegemoetkoming.
Impliciet blijkt hieruit dat de
tegemoetkoming een kalenderkwartaalsystematiek
kent.
Artikelen 2 en
3. Kind en
gehandicapt
In artikel 2 wordt
gedefinieerd wat voor de toepassing van deze
regeling onder kind wordt verstaan.
Hiertoe zijn een tweetal vereisten
van belang. Ten eerste de leeftijd en ten tweede het feit dat er sprake moet
zijn van het ernstig beperkt zijn in het
dagelijks functioneren van het kind
als gevolg van een ziekte of stoornis
van lichamelijke, verstandelijke of
geestelijke aard waardoor het kind blijvend
of voorlopig blijvend gehandicapt is.
Ten aanzien van de
leeftijdseisen wordt voor een nadere
toelichting verwezen naar punt 3.2 van het
algemeen deel van deze toelichting.
In aanvulling op hetgeen
reeds is opgemerkt in punt 3.2 van het
algemeen deel van deze toelichting wordt ten aanzien van de
tweede voorwaarde nog het volgende opgemerkt: Onder "beperkt in het
dagelijks functioneren" wordt hier
(zoals internationaal te doen gebruikelijk is) in deze regeling verstaan:
iedere vermindering of afwezigheid van de
mogelijkheid tot een voor de mens normale activiteit wat betreft
basisvaardigheden (bijvoorbeeld zitten, lopen
of staan) en wat betreft meer
complexe vaardigheden. Dergelijke
beperkingen leiden tot de handicap, dat
wil zeggen de nadelige positie van iemand waardoor de normale rolvervulling
(gelet op zijn leeftijd, geslacht, sociaal-culturele achtergrond) wordt begrensd
of verhinderd.
Voor het recht op een
tegemoetkoming op grond van deze regeling wordt, zoals al eerder
opgemerkt, om te beoordelen of een kind
gehandicapt is, met name gelet op het afhankelijk zijn van geregelde
verzorging (bijvoorbeeld op het terrein van: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en
drinken, mobiliteit en noodzakelijk
te verrichten medische handelingen) en de noodzaak tot oppassing
(bijvoorbeeld in verband met gedrag,
communicatie, alleen thuis kunnen zijn,
begeleiding buitenshuis en het zichzelf bezig kunnen houden) van het kind in
vergelijking met kinderen van dezelfde
leeftijd. Dergelijke beoordelingen
zijn zeer casuïstisch en lenen zich
niet goed om in wetgeving vast te leggen.
Daarom zullen door de SVB, aan de
hand van de gegeven criteria, beleidsregels worden vastgesteld.
Ten slotte is naast het feit
dat het kind afhankelijk is van
geregelde verzorging of oppassing, om te
bepalen of het blijvend of voorlopig
blijvend gehandicapt is, van belang
of het kind gelet op zijn beperkingen
aanspraak kan maken op opname in een
in de AWBZ
of in de daarop
berustende bepalingen geregelde
intramurale instelling.
Artikel
4. Het recht op een
tegemoetkoming
Eerste en tweede lid
Zoals al eerder is opgemerkt,
is deze regeling onder andere
bedoeld om personen (zowel ouders als
verzorgers) die ervoor kiezen
hun gehandicapte kind thuis groot te
brengen in plaats van te doen opnemen of
die in afwachting zijn van een plaats in een op grond van de AWBZ gefinancierde instelling, tegemoet te
komen in de extra onderhouds- en verzorgingskosten van dat kind. Om daarvoor
in aanmerking te komen, zal het kind vanzelfsprekend tot de huishouding van
die persoon moeten behoren.
Met de term "tot de huishouding
behoren" is aansluiting gezocht bij artikel 7 van
de AKW, waar deze term onder
andere bepalend is voor de hoogte van de kinderbijslag.
In afwijking van de AKW
is echter in deze regeling bepalend of
de persoon én het kind in Nederland
woonachtig zijn. Op grond van het
tweede lid van dit artikel wordt aan de hand van de omstandigheden bepaald
waar de persoon woont.
Of daadwerkelijk
aanspraak bestaat op een tegemoetkoming
wordt bepaald aan de hand van
de situatie op de eerste dag van een
kalenderkwartaal. Heeft men op de eerste
dag van een kalenderkwartaal
aanspraak, dan heeft men over dat
gehele kalenderkwartaal aanspraak op de
tegemoetkoming. Hieraan zij toegevoegd dat de persoon die
aanspraak heeft op een tegemoetkoming op
grond van deze regeling, als gevolg
van het (op grond van artikel
8) van
overeenkomstige toepassing zijn van
artikel 15 van de AKW verplicht is aan
de SVB op verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten en
omstandigheden mee te delen waarvan hem of
haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op
het recht op de tegemoetkoming, de hoogte
van de tegemoetkoming, het geldend maken van het recht op de
tegemoetkoming of het bedrag van de tegemoetkoming. Deze bepaling zorgt
ervoor dat, zonder een dergelijke
mededeling, het recht op de
tegemoetkoming in beginsel automatisch het daaropvolgende kalenderkwartaal wordt
verlengd.
Derde lid
Het derde lid van
artikel
4 heeft, in de onderdelen a en b,
betrekking op de situatie dat een kind (de
gehele week of een deel van de week)
bij een pleeggezin verblijft. Op
grond van dit lid bestaat voor personen
die deel uitmaken van het pleeggezin geen
aanspraak op een tegemoetkoming op grond van deze regeling
indien het pleeggezin voor dat pleegkind in het betreffende
kalenderkwartaal naast een subsidie als bedoeld
in de artikelen 39 en 40 Wet op de
jeugdhulpverlening een toelage ontvangt (op
basis van het tweede lid van
artikel 40 van die wet) omdat het een
jeugdige betreft met een
geestelijke of lichamelijke handicap.
Naast de genoemde
vergoedingen op grond van de Wet op de
jeugdhulpverlening blijkt in de praktijk dat
er ten gunste van kinderen
die in een ander gezin worden
opgenomen ook andere financiële
tegemoetkomingen kunnen worden ontvangen
door het "ontvangende" gezin
(door bijvoorbeeld Nederlandse of
buitenlandse (particuliere) stichtingen). Indien deze tegemoetkoming qua
doelstelling en hoogte vergelijkbaar is
met de tegemoetkoming bedoeld in deze regeling, ontstaat geen recht op
een tegemoetkoming op grond van deze
regeling.
Desalniettemin is het
mogelijk dat voor eenzelfde kind zowel
aanspraak bestaat op een tegemoetkoming als op een pleeggeldvergoeding.
Deze situatie doet zich voor in het geval het kind bijvoorbeeld op de
doordeweekse dagen tot het huishouden
van zijn ouders behoort en in het
weekend of voor een incidentele,
korte periode bij een pleeggezin verblijft.
De ouders kunnen dan, ervan
uitgaande dat het kind tot hun huishouden
wordt gerekend, aanspraak maken op een
tegemoetkoming op grond van deze
regeling, terwijl personen die deel
uitmaken van een pleeggezin
aanspraak zullen kunnen maken op een
subsidie op grond van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Indien voor het kind geen
subsidie op grond van de Wet op de
jeugdhulpverlening wordt verleend (omdat
deze bijvoorbeeld niet is
aangevraagd), kan, indien aan de voorwaarden wordt voldaan (ook in de gevallen
waarin geen aanspraak bestaat op kinderbijslag), aanspraak bestaan op een
tegemoetkoming.
Onderdeel c van het
derde lid van artikel 4 ziet op zorg op
commerciële basis. Het komt voor dat
personen, tegen ontvangst van een
salaris, kinderen in hun huis opnemen. In een aantal gevallen gebeurt dit in
het kader van vernieuwingsexperimenten
op basis van de AWBZ. Ook in dat
geval bestaat er geen aanspraak op een
tegemoetkoming.
Vierde, vijfde en
zesde
lid
Het vierde, vijfde en
zesde lid beogen in deze regeling
bepalingen op te nemen zoals deze ten
aanzien van het al dan niet verzekerd
zijn van vreemdelingen in en op basis van andere socialezekerheidswetten
inzake sociale voorzieningen zijn
opgenomen (met name artikel 10 Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1999). Het recht op een tegemoetkoming wordt
hierbij gekoppeld aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland.
Artikel
5. De hoogte van
de tegemoetkoming
Voor een toelichting op
dit artikel wordt verwezen naar punt
3.3 van het algemeen gedeelte van
deze toelichting.
Artikel
6. De aanvraag
Artikel 6 van deze
regeling komt vrijwel overeen met artikel 14
van de AKW. Het eerste lid van
artikel 6 voorziet in de aanwijzing van de SVB als uitvoerder van deze
regeling op grond van artikel 25, eerste
lid, onderdeel f, van de Osv 1997 [zie
artikel 34, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
SUWI, red.].
Het tweede lid van
artikel 6 stelt dat de tegemoetkoming dient
te worden aangevraagd.
Net als in de AKW bestaat
(op grond van het derde lid van
artikel 6) geen recht op een tegemoetkoming over perioden gelegen vóór
één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens
welk de aanvraag om de tegemoetkoming werd ingediend. Met de
uitdrukking "bijzondere gevallen" in de tweede
volzin worden dezelfde situaties
bedoeld als bij overeenkomstige
bepalingen in de volksverzekeringswetten.
Artikel
7. Medisch advies
Zoals reeds ter sprake is
gekomen, zal de SVB deze regeling
uitvoeren. Om te bepalen of een kind
gehandicapt is of dat nog steeds is, zijn
er instanties die daartoe beter zijn uitgerust dan de SVB. Om deze reden zal de
SVB advies inwinnen (eerste lid).
Het tweede lid van
artikel 7 biedt de SVB de mogelijkheid op
gezette tijden een nieuw medisch advies
in te winnen (en zo nodig het recht op
de tegemoetkoming opnieuw te bezien). Wanneer een nieuw medisch
onderzoek zal worden ingesteld, zal
door de SVB in beleidsregels
worden vastgelegd. Een nieuw medisch
onderzoek kan noodzakelijk zijn omdat zich (tussen het derde en achttiende
levensjaar) ontwikkelingen in de
handicap kunnen voordoen.
Ten behoeve van de
eenvormigheid van deze adviezen bepaalt
het derde lid van artikel 7 dat de
SVB dit advies dient in te winnen bij
een landelijk opererende,
onafhankelijke en daartoe deskundige organisatie.
In verband met de verdeling van de
kosten die de uitvoering van deze
regeling met zich brengt tussen de Minister van VWS
(wat betreft de indicatie) en de Minister van SZW (wat
betreft de uitvoerings- en uitkeringskosten) behoeft de organisatie die de SVB
van advies zal dienen de goedkeuring
van de Minister van VWS.
Het hiervoor bedoelde,
niet-bindende advies zal door de SVB
marginaal worden getoetst.
Artikel
8. Wetsbepalingen
van overeenkomstige toepassing
Zoals al eerder is
opgemerkt is er, gemakshalve, voor gekozen
deze regeling zoveel mogelijk te laten
aansluiten bij de AKW. In een aantal
gevallen, en daarin voorziet het eerste lid, kunnen een groot aantal
AKW-bepalingen van overeenkomstige
toepassing worden verklaard op de
tegemoetkoming. Kort gezegd ziet de in
het eerste lid aangehaalde bepaling op
AKW-bepalingen inzake bijvoorbeeld de
inachtneming van beslistermijnen (artikel 5b
AKW en daarmee artikel 14
van het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten [zie Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen, red.]) herziening, intrekking of
weigering van de
tegemoetkoming (artikel 14a),
mededelingsplicht (artikel 15),
controlevoorschriften van de SVB (artikel
16), de betaling
en betaalbaarstelling van de tegemoetkoming (18 tot en met 20 en
22), bezwaar en
beroep (artikel 30 en 31).
Het tweede lid van
artikel 8 stelt dat de artikelen 27 tot en
met 29 van de Osv 1997 van overeenkomstige toepassing zijn. Hierdoor wordt
bereikt dat de SVB ter zake van de uitvoering van deze regeling zo nauw
mogelijk kan aansluiten bij de
werkwijze die wordt gevolgd bij de uitvoering
van andere wetten.
In het tweede lid worden
tevens (op basis van artikel 86 van
de Osv 1997) de artikelen 70 en
74
alsmede de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 5
van de Osv 1997 van overeenkomstige toepassing verklaard in verband met
de uitvoering van deze regeling. Dit
betekent dat het College van
toezicht sociale verzekeringen
(Ctsv) als toezichthouder op de SVB (op grond van artikel 10 van de Osv
1997) een rechtmatigheidstoets uitvoert met betrekking tot deze onderwerpen.
De van overeenkomstige
toepassing van artikel 70 van de Osv
1997 regelt dat de SVB jaarlijks voor
de uitvoering van deze regeling aan Onze
Minister en het Ctsv onder meer een begroting van de te verwachten
uitgaven in het eerstvolgende
kalenderjaar doet toekomen.
De verklaring van
overeenkomstige toepassing van artikel 74
van de Osv 1997 regelt dat het Ctsv
toeziet op een juiste belasting van de
middelen ten behoeve van de uitvoering van deze regeling.
De verklaring van
overeenkomstige toepassing van artikel 89
van de Osv 1997 ten slotte geeft de
SVB de mogelijkheid gegevens bij derden op te
vragen inzake bijvoorbeeld een pleeggeldvergoeding, daarmee vergelijkbare andere
vergoedingen of gegevens om te kunnen
beoordelen of een kind op commerciële
basis in een huishouden is opgenomen (zie artikel 4, derde lid, van deze
regeling). Dit kan relevant zijn bij de
beoordeling of (nog) aanspraak bestaat
op een tegemoetkoming.
Artikel
9. Verrekening
In dit artikel wordt de
SVB de mogelijkheid geboden te veel betaalde
tegemoetkomingen te verrekenen met kinderbijslag. Deze situatie kan zich
met name voordoen in de
situatie dat een kind op de peildag voor
de tegemoetkoming niet meer thuiswonend
blijkt te zijn, maar is opgenomen
in een (AWBZ-)instelling. In dat
geval kan de tegemoetkoming abusievelijk nog een kwartaal zijn doorbetaald,
terwijl anderzijds aanspraak kan
bestaan op dubbele kinderbijslag in
verband met het feit dat het kind
uitwonend is.
Artikel
10. Financiering
In dit artikel worden
regels gesteld met betrekking tot de
financiering door het Rijk (de Minister van SZW en
van VWS) van deze
regeling. Deze sluiten grotendeels aan bij de financieringsregels zoals die voor de
AKW gelden.
In aanvulling op die
regels wordt in het tweede lid vastgelegd
dat ook de Minister van VWS een
rapportage en een begroting krijgt als
bedoeld in artikel 70 van de Osv 1997. De SVB zal de Minister van VWS deze
stukken doen toekomen. De overige
van belang zijnde stukken zal
de Minister van VWS door tussenkomst
van Onze Minister ontvangen (tiende lid).
In het zesde lid is
rekening gehouden met de mogelijkheid dat
in incidentele gevallen sprake kan zijn
van ontvangsten, bijvoorbeeld in verband
met rentebaten die ten gunste van het
Rijk komen.
Voor de volledigheid zij
hier nog opgemerkt dat de kosten
verbonden aan het medisch advies
ook tot de uitvoeringskosten van de SVB worden gerekend.
Artikel
12. Overgangsrecht
De bedoeling is dat deze
nieuwe regeling zoveel mogelijk naadloos
aansluit bij de TOG. Om deze reden
wordt in dit artikel vastgelegd
dat personen die aanspraak op een tegemoetkoming hadden op grond van de
TOG, indien ten minste aan de
(grotendeels gelijkluidende) voorwaarden van deze
nieuwe regeling wordt voldaan,
aanspraak hebben op een
tegemoetkoming op grond van deze nieuwe
regeling. Om te voorkomen dat opnieuw
in alle gevallen een medisch
advies moet worden vastgesteld (omdat deze voorwaarde wel gewijzigd is ten
opzichte van de TOG), wordt in de
tweede zin bepaald dat indien het
kind op de dag vóór inwerkingtreding van
deze regeling meervoudig gehandicapt
dan wel ernstig lichamelijk
gehandicapt of chronisch ziek is in de
zin van de TOG, dit kind als gehandicapt
als bedoeld in artikel 3 van deze
regeling wordt aangemerkt.
De zinsnede "overeenkomstig
de bepalingen van deze
regeling" voegt hier aan toe dat men
nadien wel aan de voorwaarden van de
nieuwe regeling moet voldoen. Dit
betekent dat de SVB
op grond van artikel 7, tweede lid, aan de hand van de
criteria van artikel 2 en 3 van dit (nieuwe)
besluit deze kinderen op gezette
tijden aan een medisch onderzoek kan
doen onderwerpen om te bezien of het kind
nog steeds blijvend of
voorlopig blijvend gehandicapt is. Indien
dit niet meer het geval is, kan het
recht op een tegemoetkoming worden beëindigd.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|