|
TIJDELIJKE REGELING van
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 8 december 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AL/04/83596,
tot verstrekking van een financiële tegemoetkoming aan herbeoordeelde
arbeidsongeschikten (Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde
arbeidsongeschikten)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 9 van de Kaderwet
SZW-subsidies en de artikelen 30, eerste
lid, onderdeel i, en 77, derde lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
Besluit:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1. Definities
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
c. herbeoordeelde: de
persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering
is verlaagd of ingetrokken als gevolg van de toepassing van artikel
34,
vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
35, vijfde lid, van
de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
3:28,
vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten alsmede de
persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het
Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering
is verlaagd of ingetrokken;
d. werkloosheidsuitkering:
een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet en wachtgeld als bedoeld in
artikel 1,
onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen;
e. inkomen uit of in verband
met arbeid: inkomen uit of in verband
met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven als bedoeld in het
Inkomensbesluit Toeslagenwet;
f. valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling.
HOOFDSTUK
2
De
tegemoetkoming
Art. 2.
Het recht op
tegemoetkoming
-1. Het UWV stelt op
aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming
bestaat. De herbeoordeelde dient de aanvraag in uiterlijk twee maanden
na de datum waarop:
a. zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken; of
b. zijn recht op
werkloosheidsuitkering is geëindigd omdat de voor hem geldende
uitkeringsduur is verstreken, indien het derde lid van toepassing is.
Het recht op een tegemoetkoming gaat in op de dag waarop de
herbeoordeelde de aanvraag heeft ingediend, met dien verstande dat het
recht niet eerder ontstaat dan de datum waarop de uitkering is verlaagd
of ingetrokken respectievelijk, in de situatie, bedoeld in de tweede
zin, onderdeel b, de datum waarop het recht op
werkloosheidsuitkering is geëindigd.
-2. De herbeoordeelde heeft
recht op een tegemoetkoming voor de duur
van twaalf maanden indien hij op de datum van verlaging of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering.
-3. Indien de herbeoordeelde op de datum van verlaging of
intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft op een
werkloosheidsuitkering waarvan de resterende duur minder bedraagt dan
twaalf maanden, heeft hij recht op een tegemoetkoming. De duur van dat
recht op tegemoetkoming is twaalf maanden verminderd met de periode
waarover hij recht heeft gehad op die werkloosheidsuitkering, gerekend
vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-4. Indien de herbeoordeelde
op de datum van verlaging of
intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft op een
werkloosheidsuitkering, maar de hoogte van deze uitkering niet wordt aangepast in
verband met de verlaging of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft hij in afwijking van het tweede en
derde lid recht op een tegemoetkoming
voor de duur van twaalf maanden.
-5. Indien de herbeoordeelde
geen recht heeft op een
werkloosheidsuitkering omdat hij een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de
Wet arbeid en zorg of omdat hij
ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet, wordt laatstgenoemde
uitkering of dat ziekengeld voor de
toepassing van het tweede, derde en vierde lid
gelijkgesteld met een
werkloosheidsuitkering.
-6. Voor zover in deze
regeling niet anders wordt bepaald, zijn
de artikelen 23, eerste lid, 24,
25,
eerste lid, met uitzondering van de onderdelen b en c, 27,
28, onderdeel a, d, g,
i, j en k,
29, 36a,
57, 57a,
57b, 80,
86b en 87c
van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en
de artikelen 30, eerste lid, 32,
tweede en derde lid, 88, eerste lid,
onderdeel a, 90, en 131,
tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en de daarop berustende
bepalingen van overeenkomstige toepassing
op de herbeoordeelde die recht heeft op een tegemoetkoming.
-7. Bij de toepassing van
het zesde lid wordt het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting volgend uit het van overeenkomstige
toepassing zijn van artikel 80 van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting volgend uit het
van overeenkomstige toepassing zijn van artikel
25, eerste lid, onderdeel a,
van die wet te zijn.
-8. Voor de overeenkomstige
toepassing van de artikelen 25, eerste
lid, en 28, onderdeel a, d, g,
i, j en k, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de daarop berustende bepalingen wordt de tegemoetkoming geacht
naar een uitkeringspercentage van 70% te zijn vastgesteld.
-9. Voor de toepassing van
andere wetten dan de Kaderwet
SZW-subsidies en de daarop berustende bepalingen wordt een tegemoetkoming op grond
van deze regeling aangemerkt als
uitkering op grond van de verplichte
verzekering op grond van de Werkloosheidswet, met dien verstande dat de
tegemoetkoming:
a. voor de toepassing van de
Ziektewet en de Wet arbeid en zorg en
de daarop berustende bepalingen wordt aangemerkt als uitkering op grond van
de verplichte verzekering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. voor het bepalen van het
recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet
niet als zodanig wordt aangemerkt; en
c. voor het bepalen van het
recht op een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
niet als zodanig wordt aangemerkt
voor de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken
als gevolg van de toepassing van
artikel 35, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
3:28,
vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
-10. Het UWV kan het eerste lid, tweede
zin, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing
daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
2a. Behoud tegemoetkoming bij noodzakelijke opleiding of
scholing
-1. De herbeoordeelde die in de periode
waarin hij recht heeft op tegemoetkoming op grond van artikel
2, tweede, derde en vierde lid, of artikel 7c,
derde lid, deelneemt aan een voor hem naar het
oordeel van het UWV
noodzakelijke opleiding of scholing behoudt in afwijking van die
artikelleden dat recht totdat die opleiding of scholing is beëindigd.
-2. Er is sprake van noodzakelijke
opleiding of scholing als bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de opleiding of scholing bestaat
uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens
een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en
vaardigheden worden getoetst;
b. aannemelijk is dat de werknemer
niet zonder opleiding of scholing een voor hem passend beroep of functie
kan uitoefenen op de arbeidsmarkt en dat de voorgestelde opleiding of
scholing daartoe een adequaat middel is; en
c. aannemelijk is dat de opleiding
of scholing relevant is voor de arbeidsmarkt.
-3. Noodzakelijke opleiding of scholing
bestaat in overwegende mate uit het verrichten van activiteiten die niet
productie als doel hebben.
-4. Opleiding of scholing als bedoeld in
het eerste lid duurt maximaal één jaar. Het UWV kan in individuele
gevallen een opleiding of scholing van een langere duur toestaan, doch
niet meer dan twee jaar.
Art. 3.
Hoogte
tegemoetkoming
-1. De herbeoordeelde
ontvangt een tegemoetkoming ter hoogte
van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op de
dag vóór de datum van
verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op heeft vanaf die datum. Hierop
wordt in mindering gebracht de toename van het
inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of
intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen
uit of in verband met arbeid vóór
die datum.
-2. Indien met betrekking
tot de herbeoordeelde op de dag vóór de datum van verlaging of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering artikel 44 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 58 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of artikel 3:48 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
werd
toegepast, wordt voor de toepassing van
het eerste lid als de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op die
dag, aangemerkt de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze met betrekking
tot die dag zou zijn vastgesteld indien de door de herbeoordeelde
verrichte arbeid wel de arbeid zou zijn die
is bedoeld in respectievelijk artikel 18,
vijfde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
2, vierde lid, van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en artikel
3:1,
vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
-3. Van een toename als
bedoeld in het eerste lid is sprake indien
het inkomen uit of in verband met arbeid in de periode waarover recht op een
tegemoetkoming bestaat gemiddeld per dag
hoger is dan het inkomen uit of in
verband met arbeid in de zes
kalendermaanden voorafgaand aan de datum van verlaging
of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-4. Voor de toepassing van
het derde lid wordt een periode waarover
de tegemoetkoming op grond van artikel 5, eerste lid, niet wordt
betaald, aangemerkt als een periode waarover
geen recht op tegemoetkoming bestaat.
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering waar
de herbeoordeelde recht op had op de dag vóór de datum van verlaging
of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het
eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en de mate waarin
het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt herzien.
Art. 4.
Betaling
tegemoetkoming
-1. De tegemoetkoming wordt
door het UWV bij wege van een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot betaalbaar gesteld.
-2. Het UWV betaalt het
voorschot in de regel per maand.
-3. De hoogte van de
tegemoetkoming wordt zo spoedig mogelijk na
het verstrijken van de periode waarover de herbeoordeelde recht heeft
op een tegemoetkoming op grond van artikel 2, definitief vastgesteld overeenkomstig
artikel 3.
Art. 5.
Uitsluiting
betaling tegemoetkoming
-1. De tegemoetkoming wordt
niet betaald:
a. indien de herbeoordeelde
niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt
als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000;
b. voor zover de
herbeoordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. Het eerste lid,
onderdeel b, is niet van toepassing op categorieën
van personen als bedoeld in artikel 1 van
het Besluit extramurale
vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.
Art. 6.
Uitvoering
In de uitvoering van deze
regeling wordt voorzien door het UWV.
HOOFDSTUK
3
Financiering
Art. 7.
Financiering
-1. In de middelen tot
dekking van de uitgaven verbonden aan deze
regeling wordt voorzien door het
Rijk.
-2. De middelen worden ter
beschikking gesteld aan het UWV via de
rekening-courant bij de Minister van Financiën, die het UWV op grond van
artikel 120, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen aanhoudt.
-3. Artikel 49 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel
120, derde lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering
van deze regeling.
-4. Het UWV beheert en
administreert afzonderlijk de middelen,
bedoeld in het eerste lid.
-5. Met inachtneming van het
zesde, zevende en achtste lid
brengt het UWV de uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten in
rekening bij de minister.
-6. Op de zesde dag van elke
maand verstrekt het UWV aan de minister een opgave van:
a. overeenkomstig de bij
deze regeling behorende bijlage 1, het
totaalbedrag aan geraamde uitgaven in die
maand voor de tegemoetkomingen op
grond van deze regeling inclusief
de op grond van enige wet over de
tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze
tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en
ontvangsten die betrekking hebben op
wettelijke rente, proceskosten en rentelasten;
en
b. overeenkomstig de bij
deze regeling behorende bijlage 2, het
totaalbedrag aan gerealiseerde uitgaven
over de maand gelegen twee maanden vóór die maand, aan tegemoetkomingen
op grond van deze regeling inclusief
de op grond van enige wet over de
tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze
tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en
ontvangsten die betrekking hebben op
wettelijke rente, proceskosten en rentelasten.
-7. In het jaarplan met
begroting verstrekt het UWV elk jaar aan de minister een opgave van het
totaalbedrag aan geraamde uitvoeringskosten
op grond van deze regeling in het
komende jaar.
-8. Indien de in het zesde of zevende lid bedoelde dag een zaterdag, zondag of
een algemeen erkende feestdag is, vindt de verstrekking plaats op de
eerstvolgende dag die niet een zaterdag,
zondag of een algemeen erkende feestdag
is.
-9. Met als valutadag de
elfde dag van elke maand draagt de minister in die maand via de
rekening-courant bij de Minister van Financiën af
aan het UWV:
a. het bedrag van de
geraamde uitgaven voor de tegemoetkomingen op
grond van deze regeling inclusief
de op grond van enige wet over de
tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze
tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en
ontvangsten die betrekking hebben op
wettelijke rente, proceskosten en rentelasten;
en
b. een twaalfde van het
bedrag aan geraamde uitvoeringskosten
per jaar.
De Minister kan, na overleg
met het UWV, van deze bedragen
afwijken.
-10. Met als valutadag de
elfde dag van elke maand verrekent de minister het verschil tussen de
gerealiseerde uitgaven en de geraamde uitgaven voor
de tegemoetkomingen op grond
van deze regeling inclusief de op
grond van enige wet over de tegemoetkomingen
door het UWV verschuldigde premies
die niet op deze tegemoetkomingen in
mindering kunnen worden gebracht en de
uitgaven en ontvangsten die
betrekking hebben op wettelijke rente,
proceskosten en rentelasten, in de maand gelegen twee maanden vóór die bedoeld in
het negende lid, met het bedrag, bedoeld
in het negende lid, onderdeel a.
-11. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op verstrekking van
tegemoetkomingen krachtens deze regeling.
-12. Uiterlijk op 1 juni
dient het UWV de afrekening van de tegemoetkomingen op grond van deze
regeling en van de uitvoeringskosten over het
afgelopen kalenderjaar bij de minister in.
-13. In de afrekening,
bedoeld in het dertiende lid, wordt, op basis van de
jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de kasstroom
inzichtelijk gemaakt en deze wordt
afzonderlijk vermeld voor de
tegemoetkomingen op grond van deze regeling
inclusief de op grond van enige wet over de
tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen
in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en
ontvangsten die betrekking hebben op
wettelijke rente, proceskosten en rentelasten
alsmede voor de uitvoeringskosten
verbonden aan de uitvoering van deze
regeling.
-14. Op grond van de
afrekening, bedoeld in het dertiende
lid, vindt vóór 15 juli een betaling plaats
ten gunste of ten laste van het UWV.
-15. De minister stelt
jaarlijks vóór 31 oktober de omvang van de
middelen tot dekking van de uitgaven
ter uitvoering van deze regeling vast,
gespecificeerd overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2.
HOOFDSTUK
4
Slotbepalingen
Art.
7a. Wijziging wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op artikel 77 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen en artikel 122 van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
Art.
7b. Overgangsrecht in verband met de Wet wijziging WW-stelsel
Artikel 1, onderdeel d, zoals dat luidde op de
dag vóór inwerkingtreding van artikel XIV, onderdeel A, van de Regeling
van 4 september tot wijziging van enige ministeriële regelingen in
verband met de inwerkingtreding van de Wet
wijziging WW-stelsel (Stcrt. 182) ¹ blijft van toepassing
met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste
werkloosheidsdag is gelegen vóór de dag van inwerkingtreding van dat
onderdeel.
1. Lees: Regeling van
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 4 september 2006, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/2006/69706,
tot wijziging van enige ministeriële regelingen in verband met de
inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel
en in verband met enige technische verbeteringen (Stcrt. 2006,
182), red.
Art.
7c. Overgangsrecht in verband met de Regeling uitbreiding
doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI ¹
-1. Artikel 2, zoals dat
luidde op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I van de Regeling
uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI, blijft van
toepassing met betrekking tot een recht op tegemoetkoming dat is
aangevraagd vóór of op die dag.
-2. In afwijking van artikel 2,
eerste lid, tweede zin, kan een aanvraag op grond van dat artikel in
ieder geval worden ingediend tot drie maanden na de dag van
inwerkingtreding van de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging
tegemoetkoming TRI.
-3. De herbeoordeelde wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken vóór of op
23 september 2006 en die:
a. vóór de datum van
inwerkingtreding van de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging
tegemoetkoming TRI een aanvraag om een tegemoetkoming heeft gedaan; en
b. op 23 maart 2007 geen recht had
op een tegemoetkoming of een werkloosheidsuitkering waarvan de hoogte is
aangepast in verband met de verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
heeft recht op een extra tegemoetkoming.
-4. De duur van de extra tegemoetkoming is
zes maanden verminderd met de periodes waarover:
a. de herbeoordeelde recht had op
tegemoetkoming op grond van artikel 2a; en
b. de herbeoordeelde recht had op
een als gevolg van de verlaging of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstane of aangepaste
werkloosheidsuitkering, gerekend vanaf zes maanden na de datum van
verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Het UWV
stelt het recht op een extra tegemoetkoming op aanvraag vast. De
aanvraag kan tot drie maanden na de datum van inwerkingtreding van de
Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI worden
ingediend. Het recht gaat in op de datum van aanvraag, met dien
verstande dat het recht niet eerder ontstaat dan op de datum van
inwerkingtreding van die regeling. Met uitzondering van artikel
2, eerste tot en met vierde lid, zijn de artikelen van deze regeling
van toepassing op de extra tegemoetkoming.
1. Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 juni 2007, nr. SV/WV/07/21845, houdende wijziging van de
Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten in verband met de
uitbreiding van de groep herbeoordeelde arbeidsongeschikten die recht
heeft op een verlenging van de duur van de tegemoetkoming en het opnemen
van een aanvraagtermijn en wijziging van de Regeling
afwijking datum Besluit eenmalige herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten in verband met het opschuiven van de
einddatum van de periode van herbeoordelingen in artikel
1, eerste lid, onderdeel a (Regeling uitbreiding doelgroep
verlenging tegemoetkoming TRI) (Stcrt. 2007, 123), red.
Art. 8.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2005 en
vervalt met ingang van 1 januari 2011.
Art. 9.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Art.
10. Door vernummering vervallen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst. De bijlagen 1 en 2 liggen ter inzage in de bibliotheek van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.¹
1. Voor bijlagen 1 en 2
(formulieren) raadpleeg Staatscourant 2008, 172, red.
Den Haag, 8 december 2004.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[8 december 2004]
Algemeen
Inleiding
Deze regeling voorziet in
een tijdelijke tegemoetkoming voor bepaalde
arbeidsongeschikten die door een herbeoordeling in het kader van de
zogenaamde herbeoordelingsoperatie een
lager arbeidsongeschiktheidspercentage
hebben gekregen. De regeling is
aangekondigd in een brief aan de beide kamers der Staten-Generaal van 28
juni 2004 (Kamerstukken II 2003-2004, 28 333, nr. 36, blz. 3). In deze brief
is aangegeven dat de regering het
overgangsrecht voor deze groep wil verbeteren.
Achtergrond
herbeoordelingsoperatie
Vanaf 1 oktober 2004 is een
herbeoordelingsoperatie gestart van bestaande arbeidsongeschikten, die in
totaal twee en een half jaar zal
duren. De herbeoordelingsoperatie geschiedt op basis van de Wet wijziging
systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten. De achtergrond van de
herbeoordelingsoperatie is gelegen in de visie van de regering met betrekking
tot arbeidsongeschiktheid. De regering hanteert het uitgangspunt dat mensen met
arbeidsbeperkingen moeten worden aangesproken op wat zij nog wel kunnen in
plaats van op wat zij niet meer kunnen.
De focus moet gesteld zijn op arbeidsgeschiktheid in plaats van op
arbeidsongeschiktheid. Aan de situatie dat mensen
nu nodeloos aan de kant staan terwijl
zij met een steuntje in de rug wel
degelijk zouden kunnen werken of meer kunnen
werken, wordt een einde gemaakt. Om
de terugkeer naar werk te
bevorderen, is ook extra geld uitgetrokken voor ondersteunende
reïntegratieactiviteiten.
De herbeoordelingsoperatie
vindt plaats met het per 1 oktober
2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
(Stb. 2004, 434),
waarmee bereikt wordt dat,
meer dan voorheen het geval was, bepaald kan worden wat iemand nog wel
kan. De mate van
arbeidsongeschiktheid kan zo beter worden vastgesteld.
Arbeidsongeschikten geboren vóór of op 1 juli 1954 zijn van de
herbeoordelingsoperatie uitgezonderd, evenals personen die bij eerdere
herzieningen onder beschermend
overgangsrecht vielen. De herbeoordelingsoperatie
(en daarmee deze regeling) heeft
dus alleen betrekking op personen die
op 30 september 2004 een uitkering op grond
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering (hierna: WAO), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (hierna:
Wajong) hadden en die niet onder de genoemde uitzonderingsgroepen vallen.
Inhoud en doel
In deze regeling wordt de
mogelijkheid gecreëerd om aan
arbeidsongeschikten die betrokken zijn bij de herbeoordelingsoperatie een tijdelijke
tegemoetkoming te verstrekken. Het doel van
de regeling is het overgangsrecht voor de betrokken groep te
verbeteren, waardoor deze personen meer kans
krijgen zich te oriënteren op de
arbeidsmarkt en een baan te zoeken. Door de
regeling wordt bereikt dat alle daarvoor in aanmerking komende arbeidsongeschikten
die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen, gedurende acht
maanden geen inkomensachteruitgang
ondervinden.
Deze regeling heeft
betrekking op arbeidsongeschikten die een
lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen door een herbeoordeling op
grond van de herbeoordelingsoperatie, die op het moment van verlaging of
intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht hebben op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) dan wel recht op een
WW-uitkering van korter dan zes maanden en die er ondanks adequate
inspanningen niet in slagen een (extra)
inkomen te verwerven dat opweegt tegen
de verlaging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met verlaging van de
uitkering wordt ook bedoeld een beëindiging van de uitkering.
De betreffende personen
hebben recht op een tijdelijke
tegemoetkoming van maximaal zes maanden. Het eerste moment waarop het recht op
de tijdelijke tegemoetkoming kan ontstaan,
is twee maanden na de herbeoordeling, met andere woorden op de dag
waarop de uitkering zoals die was vóór
de herbeoordeling daadwerkelijk wordt verlaagd of beëindigd. De
tegemoetkoming eindigt uiterlijk zes maanden na de daadwerkelijke verlaging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze maximale duur wordt verkort met tijdvakken waarin
op het moment van intrekking
of verlaging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wel recht op WW bestaat. Een uitzondering
hierop wordt gevormd door de situatie dat
er recht bestaat op WW vanuit een
andere (nieuwe) dienstbetrekking, die geen
verband houdt met de WAO-uitkering.
In dat geval kan wel recht op
tegemoetkoming bestaan.
De hoogte van de tijdelijke
tegemoetkoming is gelijk aan het verschil
tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering die de herbeoordeelde ontving
vóór de datum van verlaging of
intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf die datum. Hierop wordt de
toename van het inkomen uit of in
verband met arbeid vanaf de datum van
verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen uit of in verband
met arbeid vóór die datum in mindering
gebracht.
Het inkomen vóór de
verlaging of intrekking van de uitkering
wordt bepaald door het gemiddeld
inkomen per dag te berekenen over
een periode van zes maanden. De toename
van het inkomen uit of in verband
met arbeid wordt achteraf over de
periode van zes maanden vastgesteld op een
gemiddeld inkomen per dag. De tijdelijke tegemoetkoming wordt bij wijze van
voorschot per maand uitbetaald en na
afloop van de periode van zes
maanden definitief vastgesteld. Indien degene
die een tegemoetkoming ontvangt
tussentijds een verhoging of verlaging
van zijn inkomen ondervindt, meldt
hij dit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en wordt
deze wijziging in de
voorschotten verwerkt.
De regeling heeft betrekking
op alle arbeidsongeschikten die
betrokken zijn bij de herbeoordelingsoperatie, dus zowel personen met een WAO-
als met een WAZ- of Wajong-uitkering.
Deze regeling heeft een
activerende werking, omdat de
rechthebbenden verplicht zijn mee te werken aan activiteiten die het UWV of het
reïntegratiebedrijf in opdracht van het UWV
wenselijk acht ter verbetering van hun
positie op de arbeidsmarkt. Hierbij
kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het
volgen van een reïntegratietraject
of voldoende sollicitatiegedrag vertonen.
Daarnaast gelden de reguliere informatieverplichtingen zoals opgenomen in de WAO.
Indien betrokkenen zich niet
houden aan de verplichtingen, legt het UWV
een maatregel op.
De gang van zaken met
betrekking tot de begeleiding van de
herbeoordeelden bij reïntegratie en werkhervatting is als volgt.
De arbeidsdeskundige nodigt
de cliënt binnen de uitlooptermijn van
twee maanden uit voor een gesprek waarin de mogelijkheden tot
werkhervatting centraal staan. In dat gesprek wordt
de reïntegratievisie opgesteld. Als ondersteuning door een
reïntegratiebedrijf gewenst is, vindt ook binnen
deze periode de aanmelding bij een
gecontracteerd reïntegratiebedrijf plaats.
De reïntegratieactiviteiten beginnen dus al in de uitlooptermijn en lopen door
in de periode waarover recht bestaat op de
tegemoetkoming.
De arbeidsdeskundige zal als
reïntegratiecoach de regie over het
reïntegratieproces voeren en opdracht geven tot
de inkoop van trajecten en
overige begeleiding, en daarnaast controle
uitoefenen met betrekking tot
termijnen, resultaten en kosten. Voor de
herbeoordeelde cliënt wordt de
reïntegratiecoach het enige aanspreekpunt van het UWV.
Bij het opstellen van de
reïntegratievisie gaat de reïntegratiecoach
in samenspraak met de cliënt na hoe de weg
naar arbeid er het beste uit kan
zien. In het gesprek wordt bekeken wat de
wensen en mogelijkheden van de
cliënt met betrekking tot reïntegratie
zijn. Voorop bij reïntegratie staat de
eigen verantwoordelijkheid van de cliënten om aan het werk te gaan. De
arbeidsdeskundige en de cliënt maken concrete
afspraken over wat de cliënt zelf kan
en moet doen. De gevolgen van het
niet naleven van de verplichtingen worden
ook opgenomen in de reïntegratievisie.
Cliënt en de reïntegratiecoach
ondertekenen beiden de reïntegratieovereenkomst.
Voor diegenen die niet op
eigen kracht naar de arbeidsmarkt kunnen
terugkeren, kan de reïntegratievisie in de inkoop van een traject bij
een reïntegratiebedrijf voorzien. De
reïntegratievisie wordt dan uitgewerkt in een
concreet arbeidsintegratieplan. Dit
wordt door de cliënt zelf opgesteld met
behulp van een door of voor hem
ingeschakeld reïntegratiebedrijf. Doel van het
arbeidsintegratieplan is een nauwkeurige
beschrijving van het geheel van
activiteiten dat wordt gevolgd om de overstap naar
de arbeidsmarkt te maken. De daadwerkelijke uitvoering van de
activiteiten in het arbeidsintegratieplan, door
zowel de cliënt als het reïntegratiebedrijf, wordt door de reïntegratiecoach
gemonitord.
Voor de overige cliënten
geldt dat inkoop van een traject bij
een reïntegratiebedrijf niet noodzakelijk is, omdat
zij op eigen kracht een plek op
de arbeidsmarkt kunnen verwerven. Met deze cliënten maakt de reïntegratiecoach
afspraken over activiteiten
zoals inschrijving bij het Centrum
voor werk en inkomen als werkzoekende,
aanmelding bij bijvoorbeeld
uitzendbureau’s, sollicitatieactiviteiten
naar functies die in de reïntegratievisie als
passend zijn opgenomen, etc. Ook worden
afspraken gemaakt over de wijze waarop
de voortgang wordt bewaakt, schriftelijk,
telefonisch of in gesprekken.
Een tegemoetkoming op grond
van deze regeling wordt voor
andere wetten aangemerkt als WW-uitkering. Dit heeft betekenis voor bijvoorbeeld
de ziekenfondsverzekering en de premieheffing op de tegemoetkoming. Een
uitzondering hierop bestaat met
betrekking tot de Toeslagenwet
(er kan geen
recht op toeslag bestaan alleen op grond van
het ontvangen van de tegemoetkoming), met betrekking tot de
toepassing van de Ziektewet en de Wet arbeid
en zorg en met betrekking tot het
ontstaan van het recht op WAO-uitkering voor de arbeidsongeschikte
zelfstandigen en jonggehandicapten.
Financiering
In de financiering van deze
regeling wordt voorzien door het
Rijk. Hiertoe wordt een rijksbijdrage
verstrekt aan het UWV. De op grond van deze
regeling te verstrekken tegemoetkomingen
en de daaraan verbonden uitvoeringskosten komen ten laste van de
begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (beleidsartikel 30). In de toelichting op de
financieringsbepalingen van deze regeling (artikel 7
van de onderhavige regeling)
wordt hier nader op ingegaan.
Uitvoering
Deze regeling wordt
uitgevoerd door het UWV. Het UWV stelt op
aanvraag voor iedere arbeidsongeschikte die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage
krijgt bij de
herbeoordelingsoperatie vast of recht op een tegemoetkoming
op grond van deze regeling bestaat.
De bepalingen van de WAO wat betreft de
uitvoering en handhaving zijn van
overeenkomstige toepassing. Het toezicht
door de Inspectie Werk en Inkomen geschiedt conform de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Financiële effecten
De extra kosten van de
tijdelijke compenserende regeling in de periode 2005-2007 bedragen in totaliteit
circa €|24 mln, waarvan circa €|6
mln uitvoeringskosten. Daarbij is rekening gehouden met de in het sociaal
akkoord overeengekomen beperking van
de doelgroep van de herbeoordelingsoperatie. De verwachte kosten zijn in
de tijd gespreid rekening houdend
met de planning van de herbeoordelingsoperatie, de systematiek van
uitkeringsverlaging en de uitkeringsrechten op
grond van deze compenserende regeling.
Bij de WAO betreft het ten
eerste een groep die geen recht krijgt
op WW en ook niet op bijstand en ten tweede een groep die geen recht heeft
op WW, maar wel op bijstand. Voor de
additionele kosten van deze compenserende regeling is voor de tweede groep
uitgegaan van het verschil tussen de
bijstandsuitkering en de tegemoetkoming (die
gerelateerd is aan het dagloon). Degenen
die geen recht op WW zullen
hebben en van de tegemoetkoming gebruik
zullen maken, zijn vrijwel alleen
gedeeltelijk arbeidsongeschikten die met een WAO-uitkeringsverlaging te maken
krijgen.
Voor de WAZ en Wajong is
verondersteld dat degenen die na
herbeoordeling en uitkeringsverlaging geen recht krijgen op een andere
minimumuitkering, op basis van dit
overgangsrecht een tegemoetkoming krijgen voor
de duur van zes maanden die is
afgeleid van het minimumloon.
Naast bovengenoemde
additionele kosten zal als gevolg van de
overgangsregeling bovendien een neutrale verschuiving plaatsvinden van de bijstand
naar de tijdelijke
compenserende regeling. Deze verschuiving bedraagt
circa €|5, €|5 en €|0,5
mln
in 2005, 2006 en 2007. Gedurende de eerste
zes maanden na uitkeringsverlaging zal
de overgangsregeling het inkomensverlies
compenseren en zal geen beroep op de bijstand worden gedaan.
Uitkeringslasten, waarvan verwacht werd dat die in
deze overgangsperiode in de bijstand zouden optreden, zullen dus in de
overgangsregeling in plaats van in de bijstand
optreden.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
|
2004
|
2005
|
2006
|
2007
|
Totaal
|
| Additionele kosten
overgangsrecht (× €|1 mln)
|
1
|
14
|
8
|
1
|
24
|
Artikelsgewijs
Artikel
1. Definities
In dit artikel worden
begrippen die in deze regeling vaker
voorkomen, omschreven.
Artikel
2. Het recht op
tegemoetkoming
Op grond van het eerste lid
van artikel 2 moet de herbeoordeelde een
aanvraag indienen, alvorens hij in aanmerking kan komen voor een
tegemoetkoming op grond van deze regeling.
Op grond van het tweede lid
heeft de herbeoordeelde voor de duur
van zes maanden recht op een tegemoetkoming als hij op de datum van
verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht heeft op een uitkering op grond van
hoofdstuk IIa of IIb van de
WW of wachtgeld
als bedoeld in de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Het recht op de tegemoetkoming
gaat in op de eerste dag waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde is verlaagd of ingetrokken.
Als de herbeoordeelde op de
datum van verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering wel recht heeft op een WW-uitkering of
wachtgeld waarvan de resterende duur
minder bedraagt dan zes maanden,
heeft hij op grond van het vierde lid na
afloop van de uitkeringsduur van die
uitkering of dat wachtgeld recht op een
tegemoetkoming.
Als de herbeoordeelde op de
datum van verlaging of intrekking
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft op een WW-uitkering of
wachtgeld, waarbij de hoogte van de
uitkering of het wachtgeld niet wordt
aangepast in verband met de verlaging of
intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft hij op grond van het
vierde lid in afwijking van het
tweede en derde lid recht op een
tegemoetkoming voor de duur van zes maanden
vanaf de datum waarop zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken. Dit heeft betrekking op de
situatie dat er recht bestaat op WW
vanuit een andere (nieuwe) dienstbetrekking, die geen verband houdt met de
WAO-uitkering. In dat geval kan dus wel
recht op een tegemoetkoming
bestaan.
Als de herbeoordeelde geen
recht heeft op een WW-uitkering
omdat hij een uitkering op grond van
de Wet arbeid en zorg of ziekengeld
ontvangt, wordt die uitkering of dat
ziekengeld voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid gelijkgesteld
met een WW-uitkering. Dit betekent
dus dat de herbeoordeelde ook geen
tegemoetkoming ontvangt als hij weliswaar
geen WW-uitkering ontvangt, maar
wel een uitkering op grond van de
Wet arbeid en zorg of ziekengeld, indien
die uitkering of dat ziekengeld wordt
ontvangen in plaats van een WW-uitkering.
De tegemoetkoming eindigt
indien zes maanden zijn verstreken
vanaf de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De herbeoordeelde heeft dus
maximaal gedurende zes maanden recht
op een tegemoetkoming, waarbij de
einddatum van de tegemoetkoming in
ieder geval ligt zes maanden na de datum
van verlaging of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Stel de WAO-uitkering van
een werknemer wordt verlaagd per 1 januari 2005. Op dat moment ontvangt
hij daarnaast nog een WW-uitkering die
wordt verhoogd in verband met de
verlaging van de WAO-uitkering. Vanaf
1 april 2005 heeft hij geen recht
meer op WW-uitkering. In dat geval heeft er
weliswaar een verlaging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsgevonden, maar heeft de herbeoordeelde
van 1 januari tot 1 april toch
geen recht op een tegemoetkoming, omdat
hij gedurende die periode recht heeft op
een WW-uitkering. Per 1 april
ontstaat dan wel recht op een
tegemoetkoming. Vanaf 1 juli heeft de herbeoordeelde niet langer recht op deze
tegemoetkoming, omdat dan zes maanden zijn
verstreken vanaf de datum van verlaging
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Om in aanmerking te komen
voor een tegemoetkoming moet de
herbeoordeelde voorts aan een aantal vereisten voldoen op grond van het zesde lid
van dit artikel. Er is voor gekozen
deze regeling zoveel mogelijk te laten
aansluiten bij de WAO. Een aantal artikelen
van de WAO dat ziet op
verplichtingen voor de werknemer en maatregelen bij
het niet nakomen hiervan (de artikelen 23,
eerste lid, 24, 25, eerste lid, met uitzondering van de onderdelen
b en
c, 27, 28,
onderdeel
a, d en g, 29, en 80 van de
WAO) is daarom van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarnaast zijn
artikelen met betrekking tot de
herziening of intrekking van de toekenning (artikel
36a), de terugvordering (57, 57a, eerste lid, en
57b) en
beslistermijnen (de artikelen 86a en
87c) van
overeenkomstige toepassing verklaard.
Voorts wordt het door de
herbeoordeelde niet of niet behoorlijk
nakomen van de van overeenkomstige toepassing zijnde verplichting, bedoeld
in artikel 80 van de WAO, aangemerkt als
het niet of niet behoorlijk nakomen van
de van overeenkomstige toepassing
zijnde verplichting, bedoeld in artikel 25,
eerste lid, onderdeel a, van die wet. Dit betekent dat het
UWV de
herbeoordeelde zijn tegemoetkoming
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk
weigert indien de herbeoordeelde
zijn inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen (net zoals het
geval is als hij de inlichtingenplicht niet
binnen de door het UWV daaraan gestelde
termijn is nagekomen).
Dit wijkt dus af van de
handhavingssystematiek die geldt voor de WAO. Daar geldt immers dat een
boete opgelegd wordt indien de
inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is
nagekomen. De reden voor de afwijking hiervan is dat de Kaderwet
SZW-subsidies niet de grondslag biedt voor het
opleggen van boetes. Voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen
25, eerste
lid, en 28, onderdeel a, d en
g,
van de WAO en de daarop berustende bepalingen is in het achtste lid
bepaald dat de tegemoetkoming wordt geacht
naar een uitkeringspercentage van 70%
te zijn vastgesteld. Dit is geregeld, omdat op deze wijze de hoogte een eventueel opgelegde maatregel kan
geschieden overeenkomstig de wijze
waarop dit nu is vastgelegd in het Maatregelenbesluit
UWV.
Voor de volledigheid zij
vermeld dat de regeling wat betreft
internationale aspecten gezien moet worden
als een arbeidsongeschiktheidsregeling.
Een tegemoetkoming op grond
van deze regeling wordt op grond
van het negende lid aangemerkt als WW-uitkering voor andere wetten dan de
Kaderwet SZW-subsidies. Dit
betekent onder meer dat voor de tegemoetkoming dezelfde voorwaarden gelden
met betrekking tot bijvoorbeeld
premieheffing als bij WW-uitkeringen.
Hierop gelden drie
uitzonderingen. Dit betreft ten eerste de
Ziektewet en de Wet arbeid en zorg. In het negende lid van dit artikel is namelijk
voorts geregeld dat de tegemoetkoming, in
uitzondering op de hoofdregel dat deze
als WW-uitkering wordt aangemerkt,
voor de toepassing van de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg aangemerkt
moet worden als een WAO-uitkering. Dit
betekent dat de herbeoordeelde met
betrekking tot de tegemoetkoming wel als
verzekerde aangemerkt moet worden in de zin van de Ziektewet (en dus premieplichtig is)
(artikel 20 juncto artikel 8a
Ziektewet), maar dat de herbeoordeelde geen
recht heeft op uitkering van ziekengeld
op grond van die wet (artikel 21
juncto
artikel 29 Ziektewet). Aangezien degene die een
WAO-uitkering ontvangt op grond van
artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet arbeid en zorg juncto artikel 8a
van de Ziektewet niet wordt aangemerkt als
gelijkgestelde in de zin van die wet, heeft
de herbeoordeelde op grond van
het zevende lid van dit artikel evenmin
recht op een uitkering op grond van
de Wet arbeid en zorg.
Voorts wordt de
tegemoetkoming voor het bepalen van het recht op
toeslag op grond van de Toeslagenwet
niet aangemerkt als WW-uitkering. Dit
betekent dat een herbeoordeelde die
uitsluitend recht heeft op een tegemoetkoming op grond van deze
regeling,
geen recht heeft op een toeslag. Bij
het bepalen van de hoogte van de toeslag van
een persoon die naast de tegemoetkoming bijvoorbeeld recht heeft op
een WAO-uitkering, speelt de tegemoetkoming wel een rol. De tegemoetkoming
wordt wel meegenomen bij het bepalen
van de hoogte van het inkomen, op
grond waarvan de hoogte van de toeslag
wordt vastgesteld. Tot slot wordt
de tegemoetkoming voor de persoon die recht
krijgt op een tegemoetkoming in
verband met een verlaging of intrekking
van een WAZ- of Wajong-uitkering niet
aangemerkt als een WW-uitkering voor
het bepalen van het recht op een WAO-uitkering.
Artikel
3. Hoogte
tegemoetkoming
In artikel 3 is geregeld hoe
de hoogte van de tegemoetkoming moet
worden vastgesteld.
De herbeoordeelde ontvangt
een tegemoetkoming ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering
waarop hij recht had op de
dag vóór de datum van verlaging of
intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij recht heeft vanaf die datum. Bij het bepalen van
de omvang van dit verschil wordt
uiteraard ook (de hoogte van) het recht op vakantie-uitkering in aanmerking genomen.
Indien op de datum van de verlaging of
intrekking de uitkering verlaagd was tengevolge van toepassing van een
maatregel, geldt de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder toepassing van
die maatregel. Indien met
betrekking tot de herbeoordeelde op de dag vóór de datum van verlaging of
intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering artikel 44 van de
WAO,
artikel 58 van de WAZ of artikel 50 van de
Wajong werd toegepast, geldt
evenwel het volgende. Dan wordt namelijk voor het bepalen van de hoogte van de
tegemoetkoming als de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op die dag aangemerkt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze met betrekking tot die dag zou zijn
vastgesteld als de door de herbeoordeelde
verrichte arbeid wel zou zijn
aangemerkt als alle algemeen geaccepteerde
arbeid waartoe de werknemer met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
Daarnaast is voor het
bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming
van belang of er vanaf de datum
van verlaging of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde sprake is van een toename
van diens inkomen uit of in
verband met arbeid. De toename van het
inkomen wordt bepaald door het
verschil te nemen tussen het gemiddeld
inkomen uit of in verband met arbeid
in de periode waarover recht op een
tegemoetkoming bestaat en het inkomen uit
of in verband met arbeid in de zes kalendermaanden voorafgaand aan de datum van
verlaging of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor het bepalen van de periode
waarover de gemiddelde toename van het
inkomen moet worden berekend, wordt
een periode waarover de tegemoetkoming
op grond van artikel 5, eerste
lid, niet wordt betaald overigens
aangemerkt als een periode waarover geen recht
op tegemoetkoming bestaat. Dit betekent dat met betrekking tot een
herbeoordeelde die feitelijk recht heeft op een tegemoetkoming gedurende een periode van
zes maanden, waarbij gedurende
de periode van één maand geen betaling
plaatsvindt als gevolg van de toepassing
van artikel 5, eerste lid, voor het
berekenen van het gemiddeld inkomen na de
datum van verlaging of intrekking van
de uitkering, uitgegaan moet worden van de
periode van vijf maanden waarin hij
recht heeft op een tegemoetkoming en
deze ook daadwerkelijk uitbetaald
heeft gekregen. Indien er gemiddeld per dag
sprake is van een toename van het inkomen uit of in verband met arbeid, wordt
deze toename in mindering gebracht op de
hoogte van de tegemoetkoming.
Indien er sprake is van een gemiddelde
afname van het inkomen uit of in
verband met arbeid vanaf de datum van
verlaging of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft deze geen invloed op de hoogte van de
tegemoetkoming. De uiteindelijke hoogte van
de tegemoetkoming wordt dus bepaald door die gemiddelde toename van het
inkomen uit of in verband met arbeid
in mindering te brengen op het verschil
tussen de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vóór en de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
vanaf de datum van verlaging of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Onder inkomen in verband met
arbeid wordt bijvoorbeeld ook de WW-uitkering verstaan waarop de herbeoordeelde recht krijgt in de periode
van zes maanden na de datum van
verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit kan bijvoorbeeld
gebeuren indien er op de
datum van verlaging of intrekking geen recht op WW-uitkering bestond, omdat betrokkene op die datum zoveel uur werkte
dat hij niet werkloos was.
Ter verduidelijking van de
wijze van berekening van de hoogte van
de tegemoetkoming het volgende voorbeeld. Een herbeoordeelde krijgt
recht op een tegemoetkoming. Hij heeft op
de datum van verlaging of intrekking
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering
geen recht op een
werkloosheidsuitkering. Vanaf die datum heeft hij
gedurende zes maanden ononderbroken recht
op tegemoetkoming en wordt die tegemoetkoming ook daadwerkelijk
uitbetaald. Vóór de datum van intrekking
van zijn uitkering (hij is volledig
afgeschat) had hij recht op een uitkering
van 42% van het vervolgdagloon (in zijn
geval €|62,-
per werkdag), dus €|26,-. Uitgangspunt voor het bepalen van de
hoogte van zijn tegemoetkoming is
dus deze €|26,-
per werkdag. Een
periode van zes maanden omvat in totaal
130,5 uitkeringsdagen. De totale tegemoetkoming over zes maanden zou dan dus €|3393,-
zijn. Hierop moet nog
in mindering worden gebracht de toename
van het inkomen uit of in verband
met arbeid. In de zes maanden voor de
intrekking van zijn uitkering bedroeg zijn
inkomen gemiddeld €|20,-
per
werkdag. In de periode van zes maanden waarin hij zijn tegemoetkoming heeft
ontvangen, heeft hij in totaal €|3262,50
ontvangen aan inkomen uit of in verband
met arbeid. Dit betekent dat zijn
inkomen over die periode gemiddeld per
werkdag €|25,-
is. De gemiddelde toename
van zijn inkomen uit of in verband
met arbeid per werkdag is dus €|5,-
(€|25-
– €|20,-). Zijn inkomen uit of
in verband met arbeid is dus over de
gehele periode van zes maanden toegenomen met €|652,50. Hij heeft daarom over
deze gehele periode recht op een
tegemoetkoming van €|2740,50
(€|3393,-
– €|652,50), hetgeen betekent een
tegemoetkoming van gemiddeld €|21,-
per werkdag.
Artikel
4. Betaling
tegemoetkoming
De tegemoetkoming wordt in
eerste instantie door het UWV als
voorschot betaald aan de
herbeoordeelde. De hoogte van dit voorschot wordt door
het UWV naar redelijkheid
vastgesteld. Indien degene die een tegemoetkoming ontvangt tussentijds een
verhoging of verlaging van zijn inkomen
ondervindt, is hij (op grond van de
overeenkomstige toepassing van artikel 80 WAO) verplicht dit te melden aan het UWV.
Dit wordt dan in de voorschotten
verwerkt. Het voorschot wordt
doorgaans per maand betaald. Zo spoedig
mogelijk na het verstrijken van zes
maanden gerekend vanaf de datum van verlaging
of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde
wordt de totale hoogte van
de tegemoetkoming over die zes maanden
definitief vastgesteld. Als blijkt dat
het betaalde voorschot te hoog is
vastgesteld, wordt het te veel betaalde
voorschot teruggevorderd van de herbeoordeelde.
Terugvordering geschiedt overeenkomstig de artikelen 57
e.v. van de
WAO. Als het voorschot te laag is
vastgesteld, wordt de te weinig betaalde tegemoetkoming door het UWV betaald aan de
herbeoordeelde.
Artikel
5. Uitsluiting
betaling tegemoetkoming
In een tweetal gevallen
ontstaat er weliswaar een recht op de
tegemoetkoming, maar wordt de tegemoetkoming
niet uitbetaald. Hiervan is
sprake voor zover de herbeoordeelde zijn
vrijheid rechtens is ontnomen en indien de
herbeoordeelde niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt als bedoeld in artikel
8 van de Vreemdelingenwet
2000. Voor
de betekenis van deze gronden voor
uitsluiting van betaling van de tegemoetkoming wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij de daarmee overeenkomende
uitsluitingsgronden van artikel 19, eerste lid, van de
WW. Indien één van
deze gronden voor uitsluiting van
betaling van toepassing is, betekent dit
dat de periode van zes maanden waarin het
recht op tegemoetkoming bestaat gewoon doorloopt. Indien bijvoorbeeld voor een
herbeoordeelde op 1 november
2005 het recht op tegemoetkoming is
ontstaan op grond van artikel 3 van deze
regeling en hij van 1 december 2005 tot
1 februari 2006 gedetineerd is geweest,
dan is de tegemoetkoming uitbetaald
van 1 november tot 1 december 2005 en daarna van 1 december 2005
tot 1 februari 2006 niet. Vervolgens is op
1 februari het recht op uitbetaling van
de tegemoetkoming weer
ontstaan. Op 1 mei 2006 is het recht op
de tegemoetkoming dan geëindigd. In totaal
heeft de herbeoordeelde dan gedurende
vier maanden recht op uitbetaling
van de tegemoetkoming gehad.
Artikel
6. Uitvoering
Deze regeling wordt
uitgevoerd door het UWV. Het UWV beoordeelt of
een herbeoordeelde in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond
van deze regeling, bepaalt de hoogte
hiervan en draagt zorg voor de betaling
van de tegemoetkoming aan de
herbeoordeelde.
Artikel
7. Financiering
In dit artikel worden regels
gesteld met betrekking tot de
financiering van deze regeling. De financiering geschiedt door het Rijk, in het bijzonder
de minister. De minister stelt aan het UWV
de middelen ter dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling,
te weten de uitgaven voor de
tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van
het UWV, ter beschikking. Dit
geschiedt door het verstrekken van een
rijksbijdrage aan het UWV. De middelen worden
ter beschikking gesteld aan het
UWV via de rekening-courant bij de
Minister van Financiën.
Het UWV beheert en
administreert de middelen. Het UWV brengt de
uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van het UWV in rekening
bij de minister op de
volgende wijze. Op de zesde dag van elke
maand verstrekt het UWV aan de minister een tweetal overzichten. Dit
betreft ten eerste een raming van de uitgaven
die in die maand verbonden zijn aan
de uitvoering van deze regeling. In de
raming worden afzonderlijk vermeld
het totaalbedrag aan geraamde uitgaven voor
de tegemoetkomingen en het totaalbedrag aan geraamde
uitvoeringskosten op grond van deze regeling.
Voor de toepassing van het zevende, achtste en veertiende lid van het
onderhavige artikel wordt onder respectievelijk
de geraamde uitgaven voor de
tegemoetkomingen, de uitbetaalde
tegemoetkomingen en de tegemoetkomingen mede begrepen de op grond van
enige wet over de tegemoetkomingen
door het UWV verschuldigde premies
die niet op deze tegemoetkomingen in
mindering kunnen worden gebracht en de
uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente,
proceskosten en rentelasten. Daarnaast betreft het een
opgave van de gerealiseerde
uitgaven verbonden aan de uitvoering
van deze regeling over de maand
gelegen twee maanden vóór die maand. In
de opgave worden afzonderlijk vermeld
het totaalbedrag aan uitbetaalde tegemoetkomingen en het totaalbedrag aan
gerealiseerde uitvoeringskosten. Aan de
hand van deze gegevens draagt de minister met als valutadag de elfde dag
van elke maand het bedrag van de
geraamde uitgaven verbonden aan de uitvoering
van deze regeling over die maand
af aan het UWV. De minister verrekent
dan ook het verschil tussen de
gerealiseerde uitgaven en de geraamde uitgaven over
de maand gelegen twee maanden vóór die maand, met dat bedrag.
Uiterlijk op 1 juni van ieder jaar dient
het UWV de afrekening over het
afgelopen kalenderjaar bij de minister in. In de
afrekening wordt, op basis van de jaarrekening, de kasstroom inzichtelijk
gemaakt en deze wordt afzonderlijk vermeld
voor de tegemoetkomingen op grond
van deze regeling alsmede de
uitvoeringskosten verbonden aan de uitvoering van deze regeling. Vóór 15 juli vindt
dan op grond van deze afrekening
een betaling plaats ten gunste of ten laste van het UWV (de definitieve afrekening).
Nadat deze definitieve afrekening is
gemaakt, wordt jaarlijks door de minister vóór 31 oktober de omvang van de middelen
tot dekking van de uitgaven ter
uitvoering van deze regeling
vastgesteld.
Artikel
8. Inwerkingtreding
De herbeoordelingsoperatie
wordt in cohorten door het UWV uitgevoerd. De herbeoordelingsoperatie
eindigt in het derde kwartaal 2006. In
verband met de uitloopperiode van de WAO-, WAZ- en
Wajong-uitkering en in verband met eventualiteiten is besloten
de einddatum van de regeling te bepalen
op 1 januari 2009.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|