|
REGELING van de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 9 februari 2012, nr.
R&P/RA/2012/1738, houdende regels met betrekking tot het verstrekken
van loonkostensubsidies van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012
(Tijdelijke regeling loonkostensubsidies 2012)
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van
de Kaderwet
SZW-subsidies, 32d, tweede lid,
en 45, vierde lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en 121a
van de Wet financiering sociale verzekeringen;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
- het UWV: de Raad van bestuur van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en
inkomen;
- de werkgever: de werkgever die op 31 december 2011
recht had op een subsidie voor loonkosten op grond van de artikelen
78a en 78b van de Werkloosheidswet, de
artikelen 67f en 67g
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen
65i en 65j van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen
2:21,
3:71 en 3:72 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten
of artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, zoals
deze artikelen luidden op 31 december 2011.
Art. 2.
Mandaat, volmacht en machtiging
UWV
-1. De minister verleent aan het
UWV het
volgende mandaat:
a. het UWV is bevoegd om in het kader van
de uitvoering van deze regeling namens de minister besluiten te nemen,
privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te
verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit
zijn;
b. het UWV is bevoegd om in het kader van
de uitvoering van deze regeling namens de minister te beslissen op
bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het
besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook
betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg;
c. het UWV is bevoegd om in het kader van
de uitvoering van deze regeling namens de minister in rechte op te
treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te
stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.
-2. Het UWV is bevoegd in het kader van de
uitvoering van deze regeling tot het verlenen van ondermandaat of het
doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij het
UWV werkzame functionarissen.
Art. 3.
Subsidie voor loonkosten
-1. Het UWV verstrekt namens de
minister overeenkomstig de artikelen
78a, met uitzondering van het negende lid,
en 78b van de Werkloosheidswet, de
artikelen 67f, met uitzondering van
het negende lid, en 67g van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen
65i, met uitzondering van het negende lid,
en 65j van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen
2:21, met uitzondering van het negende lid, 3:71, met uitzondering van
het negende lid, en 3:72 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten en artikel 37a
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering van het negende lid, zoals deze
artikelen luidden op 31 december 2011 op aanvraag subsidie aan de
werkgever.
-2. De subsidie wordt niet verstrekt
indien de dienstbetrekking na 31 december 2011 is ingegaan.
Art. 4.
Subsidieaanvrager
-1. De subsidie wordt aangevraagd door de
werkgever.
-2. De subsidie wordt verleend aan de
subsidieaanvrager.
Art. 5.
Subsidieplafond en
aanvraagtijdvak
-1. Het subsidieplafond voor
subsidieaanvragen die na 31 december 2011 zijn ingediend, bedraagt voor
de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 €|4 miljoen.
-2. De werkgever kan de subsidie aanvragen
tot en met 31 maart 2012.
-3. Een subsidieaanvraag die na 31
december 2011 is ingediend op grond van de artikelen
78a en 78b van de Werkloosheidswet, de
artikelen 67f en 67g
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen
65i en 65j van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen
2:21,
3:71 en 3:72 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten
of artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, zoals
deze artikelen luidden op 31 december 2011, wordt aangemerkt als een
subsidieaanvraag op grond van deze regeling.
Art. 6.
Subsidieaanvraag
-1. Onverminderd artikel 5, tweede lid,
wordt de subsidieaanvraag ingediend binnen drie maanden na de eerste dag
van het verrichten van arbeid op grond van de dienstbetrekking waarvoor
de subsidie wordt gevraagd.
-2. De subsidieaanvraag wordt bij het UWV
ingediend met gebruikmaking van een door het UWV beschikbaar gesteld
aanvraagformulier, dat door de subsidieaanvrager volledig wordt ingevuld
en ondertekend.
Art. 7.
Volgorde behandeling
subsidieaanvragen
-1. Voor het bepalen van het bereiken van
het van toepassing zijnde subsidieplafond worden de subsidieaanvragen op
volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij alleen volledige
subsidieaanvragen in behandeling worden genomen. Van een volledige
subsidieaanvraag is sprake indien wordt voldaan aan artikel
6.
-2. Wanneer de subsidieaanvrager op grond
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad
zijn aanvraag aan te vullen, geldt als datum van binnenkomst de datum
van ontvangst van de volledige aanvraag.
-3. Indien subsidieverlening op grond van
de subsidieaanvragen die op dezelfde datum zijn binnengekomen, leidt tot
overschrijding van het van toepassing zijnde subsidieplafond, wordt,
indien de volgorde van binnenkomst van die aanvragen niet kan worden
vastgesteld, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot die
aanvragen de volgorde door loting vastgesteld.
Art. 8.
Subsidieverlening,
bevoorschotting en ambtshalve vaststelling
-1. Subsidieverlening kan plaatsvinden met
ingang van 1 januari 2012.
-2. Indien het UWV
tot subsidieverlening
besluit, geeft het UWV uiterlijk acht weken na ontvangst van de volledige
subsidieaanvraag een beschikking tot subsidieverlening af.
-3. De beschikking tot subsidieverlening
vermeldt in ieder geval de inhoud en de overeengekomen duur van de
dienstbetrekking waarop de subsidie betrekking heeft en de datum waarop
de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.
-4. Gelijktijdig met de beschikking tot
subsidieverlening wordt een beschikking tot bevoorschotting gegeven. De
beschikking tot bevoorschotting kan in de beschikking tot
subsidieverlening worden opgenomen. Het voorschot bedraagt 100% van de
verleende subsidie.
Art. 9.
Meldingsplicht
De subsidieontvanger doet onverwijld een
schriftelijke melding aan het UWV zodra aannemelijk is dat:
a. de overeengekomen duur van de
dienstbetrekking waarop de subsidie betrekking heeft korter zal zijn dan
de duur van de dienstbetrekking die in de beschikking tot
subsidieverlening is vermeld;
b. de dienstbetrekking waarop de subsidie
betrekking heeft een andere inhoud zal verkrijgen dan de inhoud van de
dienstbetrekking die in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld;
of
c. niet, niet tijdig of niet geheel aan
de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
Art. 10.
Verslag UWV
Het UWV brengt aan de minister
verslag
uit over de uitvoering van deze regeling overeenkomstig artikel 49 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, waarbij in de
jaarrekening de uitgaven van deze regeling worden opgenomen.
Art. 11.
Financiering
-1. De subsidiebedragen en
uitvoeringskosten van deze regeling worden gefinancierd uit een
rijksbijdrage ten laste van de begroting van de minister.
-2. In verband met het middelenbeheer
wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als
middelen die deel uitmaken van het Algemeen Werkloosheidsfonds, de
sectorfondsen, het Arbeidsongeschiktheidsfonds of de Werkhervattingskas,
bedoeld in de Wet financiering sociale
verzekeringen, dan wel als
middelen voor het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, bedoeld
in de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, afhankelijk
van de toepassing van de Werkloosheidswet, Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
op grond van artikel 3.
-3. De minister stort op de
rekening-courant, bedoeld in artikel
5.16, onderdeel b, van de Regeling
Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag van de rijksbijdrage, bedoeld
in het eerste lid, op basis van een raming van de subsidiebedragen en de
uitvoeringskosten van het UWV.
-4. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, stelt de minister de baten en
lasten voor deze regeling vast.
Art. 12.
Algemene Regeling
SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is
niet van toepassing.
Art. 13.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 januari 2012 en vervalt
met ingang van 1 januari 2013.
-2. De regeling zoals die luidt op 31
december 2012 blijft van toepassing op de afwikkeling van subsidieaanvragen op grond van deze regeling.
Art. 14.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Tijdelijke regeling loonkostensubsidies 2012.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 9 februari 2012.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
P. de Krom.
TOELICHTING
[9 februari 2012]
Algemeen
Met ingang van 1
januari 2009 is op basis van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie (Stb. 2008, 590) het instrument van de loonkostensubsidie als een
extra en tijdelijk instrument beschikbaar gesteld aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV kon dit
instrument (onder voorwaarden) inzetten voor langdurig werklozen,
arbeidsongeschikten of herbeoordeelden met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt.
Het instrument
van de loonkostensubsidie heeft in beginsel een tijdelijk karakter
gekregen. Er zijn alleen financiële middelen beschikbaar gesteld voor
de jaren 2009 tot en met 2011, waarbij 2012 geldt als een uitloopjaar
voor de loonkostensubsidies die in het jaar daarvoor zijn gestart. In
deze jaren had moeten blijken dat het instrument van de
loonkostensubsidie toegevoegde waarde heeft. Deze waarde is echter
onvoldoende vast komen te staan.
Vanwege het
uitblijven van een duidelijk aantoonbare toegevoegde waarde van het
instrument van de loonkostensubsidie heeft de regering besloten geen
nieuwe middelen beschikbaar te stellen. Om te borgen dat voor
dienstbetrekkingen ingegaan na 31 december 2011 geen aanspraak kan
worden gemaakt op een loonkostensubsidie, zijn de wettelijke bepalingen
met betrekking tot de loonkostensubsidie bij Koninklijk besluit van 6
december 2011, Stb. 2011, 608, met ingang van 1 januari 2012 komen te
vervallen. Daarbij is de inzet steeds geweest dat werkgevers tot 1 april
2012 aanvragen voor loonkostensubsidies kunnen indienen voor
dienstbetrekkingen die zijn ingegaan vóór 1 januari 2012. Dit wordt
deels op wettelijke niveau en deels door middel van de onderhavige
ministeriële regeling geregeld.
Voor
loonkostensubsidies waarvoor de aanvraag al vóór 1 januari 2012 is
ingediend en waarbij de dienstbetrekking is ingegaan voorafgaand aan 1
januari 2012 is overgangsrecht opgenomen in het voorstel van wet tot
wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in
verband met aanpassing van de dienstverlening van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en
werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor werk en inkomen als
publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet
en enige andere wetten in verband met de beëindiging
van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van
loonkostensubsidies (Kamerstukken 33 065). Voor de afhandeling van deze
gevallen bepaalt dit overgangsrecht dat de wettelijke bepalingen met
betrekking tot de loonkostensubsidie en de daarop berustende bepalingen
zoals deze luidden op 31 december 2011 van toepassing blijven.
Voor
loonkostensubsidies waarvoor de aanvraag op of na 1 januari 2012 is of
wordt ingediend en waarbij de dienstbetrekking is ingegaan voorafgaand
aan 1 januari 2012 geldt de onderhavige subsidieregeling. Daarmee is het
voor werkgevers mogelijk om in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en
met 31 maart 2012 een aanvraag om loonkostensubsidie in te dienen
conform de wettelijke bepalingen met betrekking tot de
loonkostensubsidie zoals deze luidden op 31 december 2011. Aanvullende
voorwaarde die wordt gesteld, is dat aanvragen alleen mogelijk zijn voor
dienstbetrekkingen die zijn aangevangen vóór 1 januari 2012. Doordat de
subsidieregeling terugwerkt tot 1 januari 2012 [lees: tot en met 1
januari 2012, red.], kunnen ook reeds door het UWV
ontvangen aanvragen op basis van deze regeling worden afgedaan.
Artikelsgewijs
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit artikel
wordt aangegeven wat verstaan wordt onder bepaalde in deze regeling
gebruikte begrippen. Voor de betekenis van de begrippen "dienstbetrekking"
en "werkgever" wordt aangesloten bij de betekenis daarvan in de per
1 januari 2012 vervallen wettelijke artikelen met betrekking tot
loonkostensubsidie (oftewel de artikelen 78a
en 78b van de Werkloosheidswet
(WW), de artikelen 67f en 67g
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de artikelen
65i en 65j van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de
artikelen 2:21, 3:71 en 3:72 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong) en 37a
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA), zoals die luidden op 31 december 2011).
Artikel 2. Mandaat,
volmacht en machtiging UWV
Deze regeling is
gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies. Die
wet heeft betrekking op
subsidieverstrekking door de minister. Artikel 2 voorziet erin dat de
minister het UWV mandateert om deze regeling namens hem uit te voeren.
Hierbij is tevens mandaat geregeld voor de behandeling van bezwaar en
beroep door het UWV. Omdat het hier het opdragen van een taak aan het
UWV betreft, al is het dan uitvoering in mandaat, is deze regeling ook
gebaseerd op artikel 32d, tweede lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).
Artikel 3. Subsidie
voor loonkosten
Werkgevers
kunnen in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 een
aanvraag om loonkostensubsidie indienen conform de wettelijke bepalingen
met betrekking tot de loonkostensubsidie zoals deze luidden op 31
december 2011. Het negende lid van de artikelen 78a
van de WW, 67f
van
de WAZ, 65i
van de WAO, 2:21 en
3:71 van de Wet Wajong en
37a van de Wet
WIA wordt uitgezonderd. Dat negende lid betreft de situatie dat een
dienstbetrekking is aangegaan alvorens een aanvraag om een
loonkostensubsidie voor die dienstbetrekking wordt ingediend, waarbij
wordt bepaald dat de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie maanden
na de eerste dag van het verrichten van arbeid wordt ingediend. Aan deze
situatie wordt niet toegekomen. In artikel 5, tweede lid, van deze
regeling is immers bepaald dat de werkgever de subsidie kan aanvragen
tot en met 31 maart 2012. Verder is in artikel 6, eerste lid, van deze
regeling opgenomen dat de subsidieaanvraag wordt ingediend binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid op grond van de
betreffende dienstbetrekking.
In artikel 3 wordt als aanvullende voorwaarde
gesteld dat een aanvraag alleen mogelijk is voor een dienstbetrekking
die is ingegaan vóór 1 januari 2012. Oftewel: er moet sprake zijn van
een dienstbetrekking waarvan de aanvangsdatum ligt vóór 1 januari 2012.
Artikel 4. Subsidieaanvrager;
artikel 5. Subsidieplafond en aanvraagtijdvak
De subsidie moet
worden aangevraagd door de werkgever die met de werknemer een
dienstbetrekking is aangegaan. Indien de werkgever voor
subsidieverlening in aanmerking komt, wordt de subsidie aan de
werkgever/subsidieaanvrager verleend. Het is op grond van deze regeling
derhalve niet mogelijk om subsidie voor een ander aan te vragen.
Voor subsidieverstrekking op grond van deze
regeling is voor de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart
2012 maximaal €|4 miljoen beschikbaar. Aanvragen voor subsidie kunnen
tot en met 31 maart 2012 worden ingediend en komen ten laste van het
subsidieplafond dat voor de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31
december 2012 is vastgesteld. Daarbij worden subsidieaanvragen die vanaf
1 januari 2012 maar vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn
ingediend, aangemerkt als subsidieaanvragen op grond van deze regeling.
Artikel 6. Subsidieaanvraag;
artikel 7. Volgorde behandeling subsidieaanvragen
Voor de
subsidieaanvraag gelden twee termijnen. De eerste termijn is opgenomen
in artikel 5, tweede lid, van deze regeling. Daarin is vermeld dat de
subsidie kan worden aangevraagd tot en met 31 maart 2012. Onverminderd
deze eerste termijn geldt als tweede termijn dat de subsidieaanvraag
wordt ingediend binnen drie maanden na de eerste dag van het verrichten
van arbeid op grond van de betreffende dienstbetrekking. Deze tweede
termijn komt overeen met de aanvraagtermijn die in het negende lid van
de artikelen 78a van de WW,
67f van de WAZ,
65i van de WAO,
2:21 en 3:71
van de Wet Wajong en 37a
van de Wet
WIA was opgenomen.
Voor het indienen van een subsidieaanvraag op
grond van deze regeling dient gebruik gemaakt te worden van een door het
UWV beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Dit formulier dient door de
subsidieaanvrager na volledige invulling te worden ondertekend. De
subsidieaanvragen worden behandeld volgens het systeem "wie het eerst
komt, wie het eerst maalt", waarbij alleen de aanvragen in behandeling
worden genomen die volledig voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van de
regeling. Wanneer een subsidieaanvrager in de gelegenheid is gesteld om
zijn onvolledige subsidieaanvraag aan te vullen, geldt als datum van
binnenkomst de datum waarop de volledig aangevulde subsidieaanvraag is
ontvangen. Indien subsidieverlening op grond van de subsidieaanvragen
die op dezelfde dag zijn binnengekomen, leidt tot overschrijding van het
subsidieplafond, wordt wanneer de volgorde van de op die dag ontvangen
aanvragen niet kan worden vastgesteld, de volgorde van de op die dag
ontvangen subsidieaanvragen door het UWV met behulp van loting
vastgesteld.
Artikel 8. Subsidieverlening,
bevoorschotting en ambtshalve vaststelling; artikel 9. Meldingsplicht
Met ingang van 1
januari 2010 gelden de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Stcrt.
2009, 20306) voor alle subsidieverstrekkingen die vanaf deze datum
plaatsvinden onder ministeriële verantwoordelijkheid. Voor zelfstandige
bestuursorganen gelden de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking
indien de betreffende minister
dat heeft voorgeschreven op grond van een hem toekomende wettelijke
bevoegdheid. De artikelen 8 en 9 zijn overeenkomstig de
aanwijzingen 7,
tweede lid, onderdeel b, 8 en 18 opgesteld. Wanneer het UWV
van mening is
dat de subsidieaanvrager voor subsidieverlening in aanmerking komt,
geeft het UWV uiterlijk acht weken na ontvangst van de volledige
subsidieaanvraag een beschikking tot subsidieverlening af. In die
beschikking wordt in ieder geval de inhoud en de overeengekomen duur van
de dienstbetrekking waarop de subsidie betrekking heeft, vermeld, alsmede
de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. De
datum van ambtshalve vaststelling kan geruime tijd na de datum van 31
maart 2012 gelegen zijn. Het UWV kan, mede in het licht van artikel
9,
hiervoor kiezen teneinde zeker te stellen dat subsidie terecht zal
worden verleend.
Gelijktijdig met de beschikking tot
subsidieverlening, dan wel in die beschikking, wordt tevens een
beschikking tot bevoorschotting gegeven. Het voorschot bedraagt 100% van
de te verlenen subsidie.
In artikel 9 is een meldingplicht voor de
subsidieontvanger opgenomen. De subsidieontvanger is verplicht om aan
het UWV te melden dat de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de
dienstbetrekking waarop de subsidie betrekking heeft, dan wel met
betrekking tot de hem opgelegde verplichtingen, afwijkt van de
beschikking tot subsidieverlening. Op basis van die melding zal het UWV
besluiten om de subsidie lager of op nihil vast te stellen. Zo zal bij
tussentijdse beëindiging van de dienstbetrekking halverwege het
subsidietraject en na tijdige melding de subsidie ambtshalve op de helft
van de verleende subsidie worden vastgesteld. Bij het niet voldoen aan
de meldingsplicht zal, indien achteraf mocht blijken dat niet aan de
beschikking tot subsidieverlening is voldaan, met toepassing van artikel
4:49 van de Algemene wet bestuursrecht de subsidievaststelling worden
ingetrokken omdat de subsidieontvanger wist en behoorde te weten dat de
vaststelling onjuist was.
Artikel 10. Verslag
UWV; artikel 11. Financiering
Adressant van de
artikelen 10 en 11 is niet de subsidieontvanger, maar het
UWV. In
artikel 49 van de Wet SUWI is onder meer bepaald dat het UWV een
jaarverslag, jaarrekening en kwartaalverslagen maakt en deze aan de minister
aanbiedt. Aangezien het van belang is om de resultaten tijdig
te monitoren, is in artikel 10 bepaald dat het UWV in het jaarverslag
verslag uitbrengt over de toepassing van deze regeling. In de
jaarrekening worden de uitgaven voor de subsidies en uitvoeringskosten
van het UWV opgenomen.
Het UWV ontvangt een rijksbijdrage voor de
subsidies en uitvoeringskosten. Uitgangspunt is dat voor de
financiering en afdracht en verantwoording van de rijksbijdrage regels
gelden die aansluiten bij die van andere rijksgefinancierde regelingen.
In artikel 121a van de Wet financiering sociale verzekeringen is bepaald
dat regels kunnen worden gesteld voor de afdracht en vaststelling van
een rijksbijdrage aan het UWV met name voor de financiering van
subsidieregelingen die gebaseerd zijn op de Kaderwet
SZW-subsidies. Dit
artikel vormt daarmee ook de grondslag voor het bepaalde in artikel
11.
Er wordt een voorschot gegeven aan het UWV op basis van ramingen. De
verantwoording in de jaarrekening is de basis voor de vaststelling van
de rijksbijdrage. Bepaald is dat de afdracht van de rijksbijdrage via de
rekening-courant van het UWV loopt. Het UWV brengt dan vervolgens de
middelen ten laste van de fondsen en het Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten, zoals dat ook op basis van de wettelijke bepalingen
die zijn komen te vervallen, gebeurde. Dit is vooral van belang voor de
verslaglegging om een beeld te krijgen van de voorzieningen op grond van
de verschillende regelingen.
Artikel 12. Algemene
Regeling SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies, waarin een stelsel is vervat van declaratie en
verantwoording achteraf, past niet bij het in deze tijdelijke
subsidieregeling opgenomen stelsel van ambtshalve vaststelling en is dan
ook niet van toepassing verklaard.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
P. de Krom.
|