|
De
Raad van bestuur van de
Sociale verzekeringsbank;
Gelet op artikel 34, eerste
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, artikel 8a
van de Remigratiewet, artikel 13
van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte
kinderen 2000 en artikel 13 van
de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, alsmede gelet
op het Boetebesluit
socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462);
Besluit:
Art. 1.
-1. Bij de uitvoering van de
in artikel 34
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen genoemde wetten, de Remigratiewet, de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte
kinderen 2000 en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers past de
Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd
in de als bijlage bij dit besluit
gevoegde publicatie SVB Beleidsregels 2004.
-2. In afwijking van het
eerste lid past de Sociale verzekeringsbank
het beleid opgenomen in deel
III, hoofdstuk 6 (Rechtstreeks beroep), van
de bijlage eerst toe met ingang
van de datum waarop het bij
koninklijke boodschap van 18 december
2000 ingediende wetsvoorstel tot
wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht en enige andere wetten in
verband met de mogelijkheid om de
bezwaarschriftenprocedure met wederzijds goedvinden buiten toepassing
te laten (rechtstreeks beroep) (Kamerstukken 27
563) tot wet is verheven en in werking
treedt.
Art. 2.
Het Besluit beleidsregels
SVB 2003, zoals vastgesteld door het
bestuur van de Sociale verzekeringsbank
bij Besluit van 25 april 2003 (Stcrt. 2003, 82), wordt ingetrokken.
Art. 3.
Het Besluit koranonderwijs AKW/Anw, zoals vastgesteld
door het bestuur van de Sociale verzekeringsbank
bij Besluit
van 26 september 1997 (Stcrt. 1997,
187), wordt ingetrokken.
Art. 4.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit beleidsregels SVB
2004.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de
bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van
deze terinzagelegging zal
mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Amstelveen, 23 april 2004.
E.F. Stoové, voorzitter Raad van bestuur SVB.
TOELICHTING
[23 april 2004]
De Sociale verzekeringsbank
(SVB) publiceert sinds 1997
jaarlijks het beleid dat zij hanteert bij
de uitvoering van de aan haar opgedragen
wetten en regelingen. Publicatie
vindt plaats door bekendmaking van
een besluit als het voorgaande,
inhoudende dat door het bestuur van de
SVB opnieuw de SVB-beleidsregels
voor het desbetreffende jaar zijn
vastgesteld. De bijlage waarnaar in het besluit wordt verwezen,
betreft de in boekvorm gebundelde
verzameling SVB-beleidsregels die voor een ieder ter inzage ligt bij de
vestigingskantoren van de SVB en eveneens
verkrijgbaar is bij de meer academisch
georiënteerde boekhandels. De inhoud van de publicatie kan tevens
worden ingezien via het internet op www.svb.nl
[www.svb.nl/Images/SVBbeleidsregels2004titel_tcm47-30486.pdf,
red.].
Ook voor het jaar 2004 is
weer een geactualiseerde bundel
SVB-beleidsregels vastgesteld. Meest in het
oog springend verschil ten
opzichte van de bundel in 2003 is dat de
volgorde van de delen II en III is
omgedraaid. Door deze wijziging is een
meer logische opbouw van de beleidsregels bereikt, die erin bestaat dat
in deel I de zogenoemde materiewetten AKW, Anw
en AOW worden behandeld
alsmede de overige regelingen
waaraan uitkeringsrechten kunnen
worden ontleend. In deel II wordt het
Europese en overige internationale
recht behandeld dat van invloed is op de
uitvoering van de regelingen die in deel I aan de orde komen, terwijl
in deel III het bestuursrecht en
aanpalende onderwerpen aan de orde
komen.
Ten opzichte van de vorige
bundel zijn in deel I (AOW, Anw,
AKW, Remigratiewet, TOG 2000
en TAS) de volgende onderwerpen
gewijzigd.
In paragraaf 1.2.2.1 is het arrest
van de Hoge Raad van 30 mei 2001 en de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 november 2002
verwerkt. Uit deze jurisprudentie
leidt de SVB af dat de vaststelling
dat de betrokken personen
feitelijke hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning voldoende is om aan
te nemen dat in het kader van
het voeren van een gezamenlijke
huishouding aan het huisvestingscriterium is voldaan. Een uitzondering hierop
vormt de situatie dat de bewoner
van een woning op zuiver
commerciële basis een deel daarvan verhuurt
aan een huurder of ter beschikking
stelt aan een kostganger en deze
huurder of kostganger in dat deel van
die woning zijn hoofdverblijf heeft.
In paragraaf 1.2.2.4 is het uitgangspunt verwerkt dat
ingeval sprake is van
een meerpersoonshuishouding, het bestaan tussen twee personen
van een onweerlegbaar
rechtsvermoeden niet kan leiden tot de conclusie
dat sprake is van een gezamenlijke
huishouding. In paragraaf 1.2.2.5 is de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
29 januari 2002 en van de Hoge
Raad van 26 februari 2004
verwerkt. Op grond van artikel 14, vierde
lid, en 16, derde lid, Anw
heeft degene die een
gezamenlijke huishouding voert, gedurende zes maanden na het
overlijden van de verzekerde respectievelijk
na intrekking van de nabestaandenuitkering
de tijd om de gezamenlijke
huishouding te beëindigen om alsnog
recht op nabestaandenuitkering te
verkrijgen. Uit de jurisprudentie van de
CRvB en de Hoge Raad volgt dat de
gezamenlijke huishouding alleen kan
worden beëindigd doordat één van
de partners een andere woning
betrekt. Als men de relatie een
andere, commerciële vorm geeft, dan staat het onweerlegbaar
rechtsvermoeden eraan in de weg dat de
gezamenlijke huishouding als beëindigd
wordt beschouwd.
In paragraaf 1.3.1 is beschreven
welke rechtsgevolgen erkenningen en adopties hebben die tot stand zijn
gekomen krachtens buitenlandse
rechtsstelsels.
Voor de toepassing van de
AOW, Anw en AKW hebben deze
dezelfde rechtsgevolgen als een
erkenning of adoptie naar Nederlands
recht, voor zover de vereisten en
rechtsgevolgen overeenkomen met een adoptie
of erkenning naar Nederlands recht. Een
kind wordt zonder verdere toetsing als eigen kind aangemerkt
als de buitenlandse adoptie in overeenstemming met en met toepassing van
het Haags Adoptieverdrag in een
bij dit verdrag aangesloten land is
geadopteerd. In deze paragraaf is nieuw
dat dit eveneens geldt indien
een land niet is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag, maar de
adoptie in dat land met toepassing van
artikel 6 van de Wet
conflictenrecht adoptie in Nederland van rechtswege
wordt erkend.
In paragraaf 1.3.5.1 is een aantal
uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep verwerkt over de breuk in
het huishouden van asielzoekers die naar Nederland komen en die hun
gezin achterlaten in het land van
herkomst. Op grond van deze
jurisprudentie wordt een breuk in het
huishouden niet geacht te zijn
opgetreden als betrokkene spoedig na
aankomst in Nederland de nodige - reële kansen biedende - stappen tot
gezinshereniging heeft ondernomen. Op grond van de hiervoor bedoelde
jurisprudentie hanteert de SVB een termijn
van zes maanden waarbinnen die
stappen moeten zijn ondernomen.
In paragraaf 1.4.2 over de
pseudo-nabestaande is nieuw dat aan de
voorwaarde van artikel 4, onderdeel b,
Anw eveneens geacht wordt te zijn voldaan indien sprake is van een
schriftelijke alimentatieovereenkomst die tot stand is gekomen door bemiddeling van
een bij het Nederlands Mediation Instituut geaccrediteerde
bemiddelaar. Een dergelijke overeenkomst
is tot stand gekomen in een met
voldoende waarborgen omklede
procedure.
In hoofdstuk 2 is een nieuwe
paragraaf, paragraaf 2.2.5, ingevoegd over de Koppelingswet. In deze
paragraaf wordt aangegeven dat voor de
beoordeling van het ingezetenschap een onderscheid moet worden
gemaakt tussen de situatie zoals die
was vóór de inwerkingtreding van de Koppelingswet, dat wil zeggen de periode gelegen vóór 1 juli 1998,
en de periode die gelegen is na de
inwerkingtreding van deze wet.
In hoofdstuk 3 is vermeld
dat de verplichte verzekering van echtgenoten van werknemers die in
Zwitserland werkzaam zijn voor het
Nederlands Astmacentrum Davos is
beëindigd met ingang van 1 januari
2004. Deze echtgenoten kunnen zich
derhalve met ingang van die datum
vrijwillig verzekeren.
In paragraaf 4.4, waarin het beleid
is opgenomen over de bepalingen van de
Wet beperking export uitkeringen,
is het standpunt verwerkt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft
ingenomen naar aanleiding van de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
van 14 maart 2003 over de
exportverplichting van Verdrag 118 van de Internationale
Arbeidsorganisatie. Uit deze uitspraak is de
conclusie getrokken dat de exportbeperking van
de Wet BEU niet kan worden
toegepast op onder meer de AOW en Anw, zolang Nederland partij is
bij Verdrag 118. Om die reden is
besloten om het verdrag op te zeggen en de
Wet BEU tijdelijk op te schorten.
Deze opschorting zal worden
geregeld bij wet. In de beleidsregels is
verwerkt dat de SVB vooruitlopend op
de inwerkingtreding van deze
wet al uitvoering heeft gegeven aan de opschorting van de Wet BEU.
In nieuwe gevallen wordt geen
exportbeperking meer toegepast en uitkering die eerder zijn afgewezen of
verlaagd, zijn inmiddels met
terugwerkende kracht hersteld.
In het kader van het recht
op kinderbijslag is van belang dat de SVB in afwachting van de
ondertekening en ratificatie van een aantal
verdragen handelt alsof in de
betreffende landen recht op uitkering op grond
van een verdrag bestaat.
Dit betreft een aantal met
name genoemde landen. In de
beleidsregels is geactualiseerd voor welke
landen deze handelwijze thans nog
geldt.
Tot slot is in paragraaf 4.4
verwerkt dat met ingang van 1 april 2004
een verblijf van langer dan drie maanden buiten Nederland niet langer
met wonen buiten Nederland
gelijk wordt gesteld voor de toepassing
van de bepalingen van de Wet BEU.
Voor het recht op kinderbijslag
betekent dit het volgende. Het recht op
kinderbijslag eindigt als een persoon niet
langer als ingezetene kan worden
aangemerkt.
Indien een persoon zich
vanuit Nederland vestigt in een
ander land, zal conform het bepaalde in paragraaf 2.2.5 worden vastgesteld vanaf
welk moment die persoon niet
langer als ingezetene kan worden
aangemerkt.
In paragraaf 4.7.2 is de uitbreiding van de TAS-regeling tot huisgenoten
verwerkt. Een huisgenoot komt in
aanmerking voor een voorschot of
eenmalige uitkering op grond van de TAS als ten tijde van de
asbestblootstelling sprake is geweest van een duurzaam hoofdverblijf met
de werknemer. In de beleidsregels is
aangegeven op welke wijze de SVB vaststelt of sprake was van een
gezamenlijk hoofdverblijf met de
werknemer.
In hoofdstuk 5 zijn,
vooruitlopend op een nieuwe handelwijze, de
beleidsregels over de ambtshalve
toekenning van uitkeringen geschrapt.
In paragraaf 5.3.1.2 over het
terugkomen van een rechtens onaantastbaar
besluit ten voordele van de
belanghebbende is de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 6 november
2003 verwerkt. Uit artikel 4:6 Awb en de jurisprudentie van de CRvB
volgt dat de SVB in gevallen waarin
geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, maar het toekenningsbesluit
onjuist is, in beginsel
bevoegd is om een verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen
onder verwijzing naar het eerdere
besluit. Een uitzondering op die
regel vormt de situatie dat van die
bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik
kan worden gemaakt. In de beleidsregels
is aangegeven welke beleid de SVB hanteert bij het toepassen van deze
uitzonderingsregel.
In paragraaf 5.3.2.5 over de Remigratiewet is een nieuwe alinea toegevoegd
over de verkrijging van
nationaliteit. De Remigratiewet stelt als eis
dat een remigrant met de Nederlandse
nationaliteit al hetgeen moet doen wat in redelijkheid mogelijk is om
de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed dan wel binnen
een redelijk termijn te
verkrijgen. Ten aanzien van deze eis
hanteert de SVB de regel dat de remigrant in
beginsel binnen zes maanden na
aankomst in het bestemmingsland een
aanvraag tot naturalisatie moet
indienen. Doet hij dit niet, dan wordt de
uitkering geschorst. Als een
dergelijke aanvraag na het verstrijken van nog
eens zes maanden nog niet is
ingediend, wordt de uitkering beëindigd.
In paragraaf 6.2.1 over inhouding
van de eigen bijdrage AWBZ is een nieuwe
passage opgenomen waarin wordt
gesteld dat de SVB uitgaat van de
juistheid van het door het
AWBZ-uitvoeringsorgaan afgegeven besluit over de
eigen bijdrage. Om die reden wordt niet
tegemoet gekomen aan verzoeken om
geheel of gedeeltelijk af te zien van de inhouding van de eigen bijdrage
AWBZ.
In
deel II (Internationaal)
zijn de volgende wijzigingen aangebracht.
In paragraaf 1.2.3.1 en 1.2.3.2 is
naar aanleiding van een arrest van de Hoge
Raad van 11 juli 2003 nieuw beleid geformuleerd met betrekking tot de toe te
passen wetgeving op post-actieven.
Het beleid zoals beschreven in paragraaf 1.2.3.1 geldt voor tijdvakken gelegen vóór 29
juli 1991. Uit jurisprudentie van het
Hof van Justitie EG en de Hoge Raad
volgt dat de conflictregels van titel
II van Verordening (EEG) nr. 1408/71
niet langer toegepast kunnen worden op
personen waarvan de dienstbetrekking
is geëindigd en die geen feitelijke
beroepswerkzaamheden meer verrichten. Bij de vraag of nog sprake is van
een dienstbetrekking wordt door de SVB zoveel mogelijk aansluiting gezocht
bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld in
het kader van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Het beleid zoals beschreven
in paragraaf 1.2.3.2 geldt voor
tijdvakken gelegen na 29 juli 1991. In dit
onderdeel is beschreven welk beleid
wordt gehanteerd om vast te
stellen welke wetgeving op een
post-actieve van toepassing is. Een nieuw
onderdeel van dit beleid is dat
artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van Verordening
(EEG) nr. 1408/71 op verzoek van de
belanghebbende met een terugwerkende kracht van maximaal vijf
jaar op hem kan worden toegepast.
In paragraaf 1.2.8.6 is het
uitgangspunt opgenomen dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is
van detachering de feitelijke toestand
beslissend is.
Ingeval een
detacheringsverklaring ontbreekt, leidt dit dus niet
zonder meer tot de conclusie dat
geen sprake is van detachering. In deze
paragraaf is ook verwerkt dat
aanvragen voor een artikel-17-overeenkomst
door de werkgever via internet
kunnen worden ingediend.
In paragraaf 1.3.1.6 is het beleid
beschreven dat geldt voor echtgenoten
van werknemers uit de landen die per 1 mei 2004 tot de Europese Unie
toetreden. In paragraaf 3.2.5 is verwerkt dat
bij de toepassing van detacheringsbepalingen
in bilaterale verdragen de SVB
naar analogie het beleid hanteert
ten aanzien van detachering binnen de
EU.
In het
internationale deel van de beleidsregels is in 2004
voor het eerst een hoofdstuk opgenomen
betreffende de toepassing van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De daarin vervatte
beleidsregels zijn aan de jurisprudentie
ontleend en betreffen het recht op
gezinsleven (artikel 6 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1,
Protocol 1, EVRM).
In
deel III (Awb en overige
onderwerpen) zijn de volgende wijzigingen opgenomen.
In paragraaf 1.3.1 is verwerkt dat ingeval een aanvraag om een voorschot
door een werknemer of huisgenoot in
de zin van de TAS wordt ingediend
bij het Instituut Asbestslachtoffers,
voor de SVB als aanvraagdatum geldt de datum van ontvangst door het
IAS.
In paragraaf 1.3.2 is verwerkt dat ingeval een belanghebbende zich wil
laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, de SVB geen machtiging
verlangt indien redelijkerwijze niet
kan worden betwijfeld dat de gemachtigde met toestemming van de
belanghebbende optreedt. Op grond van deze
wijziging wordt geen machtiging meer gevraagd als rechtshulp
wordt verleend door professionele en
betrouwbare organisaties, zoals
rechtshulpverleners en vakbonden.
Na de inwerkingtreding van
het Besluit beleidsregels SVB 2004, maar
naar verwachting nog in het jaar 2004, zal in
de Awb een nieuw artikel
7:1a van kracht worden. Deze bepaling
voorziet in het instellen van rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter. In paragraaf 6 is opgenomen welk beleid de SVB zal
hanteren als een belanghebbende
ingevolge artikel
7:1a Awb
de SVB
verzoekt om af te zien van de bezwaarschriftprocedure teneinde het geschil
onmiddellijk aan de rechter voor te
leggen.
In een nieuw toegevoegde paragraaf 10 is de gedragslijn van de SVB
opgenomen voor het elektronisch
bestuurlijk verkeer. De SVB hanteert als
uitgangspunt dat aanvragen op een papieren formulier moeten worden ingediend. Een uitzondering geldt voor
de aanvraag om kinderbijslag voor het
eerste kind en voor de aanvraag
voor een verklaring toepasselijke
wetgeving, een zogenaamde artikel-17-overeenkomst. Deze aanvragen kunnen via internet worden gedaan.
In een nieuw toegevoegde paragraaf 11 zijn beleidsregels opgenomen over
de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de SVB en organen die zijn
genoemd in de Wet SUWI, de SVB en
organen die niet worden genoemd in de Wet SUWI en de SVB en
privaatrechtelijke organen.
Naast de hiervoor
aangestipte onderwerpen zijn
verscheidene aanpassingen verricht die voortvloeien
uit jurisprudentie of gewijzigde
wetgeving. Ten slotte zijn een aantal
technische wijzigingen aangebracht die niet raken aan de inhoud van
het beleid.
Voor de exacte inhoud van de
hiervoor weergegeven wijzigingen,
alsmede de overige beleidsregels,
wordt verwezen naar de bundel SVB Beleidsregels 2004 zoals
deze ter inzage ligt, op het internet
valt in te zien of te downloaden en in
de boekhandel verkrijgbaar is.
Naast de vaststelling van de
beleidsregels regelt het onderhavige
besluit de intrekking van het Besluit koranonderwijs
AKW/Anw. Dit besluit diende
ter bekendmaking van het feit
dat de SVB sedert 1 oktober 1997 het
uitgangspunt hanteert dat koranonderwijs
niet zonder meer kan worden aangemerkt
als onderwijs in de zin van de AKW/Anw. Tevens voorzag het besluit
in een afbouwregeling voor
verzekerden wier recht op kinderbijslag werd
beïnvloed door hantering van het
nieuwe uitgangspunt. Vanuit dit overgangsrechtelijke perspectief bestaat thans
geen noodzaak meer om het besluit
handhaven. Mede gezien het feit dat de
CRvB de uitvoering die door de
SVB aan het besluit is gegeven niet
geheel juist heeft bevonden (CRvB 9 juli 2003,
RSV 2003/239), is daarom in
artikel 3 voorzien in de intrekking van het
Besluit koranonderwijs AKW/Anw. De intrekking van het besluit betekent
niet dat koranonderwijs in het
vervolg als onderwijs in de zin van de
AKW kan worden aangemerkt. Het
betekent slechts dat koranonderwijs
alleen als onderwijs in de zin van de
AKW kan worden aangemerkt als is
voldaan aan de algemene criteria die
gelden ter zake van dat begrip. Deze criteria zijn weergegeven in deel 1,
paragraaf 1.3.6, van
deze bundel.
Met de inwerkingtreding van
dit besluit wordt het Besluit beleidsregels
SVB 2003 ingetrokken.
|
|