|
De
Raad van bestuur van de
Sociale verzekeringsbank;
Gelet op artikel 34, eerste
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, artikel 8a
van de Remigratiewet, artikel 13
van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte
kinderen 2000 en artikel 13 van
de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, alsmede gelet
op het Boetebesluit
socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462);
Besluit:
Art. 1.
Bij de uitvoering van de
in artikel 34
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen genoemde wetten, de Remigratiewet, de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte
kinderen 2000 en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers past de
Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd
in de als bijlage bij dit besluit
gevoegde publicatie SVB Beleidsregels 2005.
Art. 2.
Het Besluit beleidsregels
SVB 2004, zoals vastgesteld door het
bestuur van de Sociale verzekeringsbank
bij Besluit van 23 april 2004 (Stcrt. 2004, 81), wordt ingetrokken.
Art.
3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Art.
4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit beleidsregels SVB 2005.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de
bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van
deze terinzagelegging zal
mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Amstelveen, 27 mei 2005.
De voorzitter Raad van bestuur SVB,
E.F. Stoové.
TOELICHTING
[27 mei 2005]
De Sociale verzekeringsbank
(SVB) publiceert sinds 1997
jaarlijks het beleid dat zij hanteert bij
de uitvoering van de aan haar opgedragen
wetten en regelingen. Publicatie
vindt plaats door bekendmaking van
een besluit als het voorgaande,
inhoudende dat door het bestuur van de
SVB opnieuw de SVB-beleidsregels
voor het desbetreffende jaar zijn
vastgesteld. De bijlage waarnaar in het besluit wordt verwezen,
betreft de in boekvorm gebundelde
verzameling SVB-beleidsregels die voor een ieder ter inzage ligt bij de
vestigingskantoren van de SVB en eveneens
verkrijgbaar is bij de meer academisch
georiënteerde boekhandels. De inhoud van de publicatie kan tevens
worden ingezien via het internet op www.svb.nl
[www.svb.nl/Images/svbbeleidsregels2005titel_tcm47-57420.pdf,
red.].
Ook voor het jaar 2005 is
weer een geactualiseerde bundel SVB-beleidsregels vastgesteld. Hierin zijn ten
opzichte van de vorige
bundel, in deel I (AOW, Anw,
[AKW, red.] Remigratiewet, TOG
2000
en TAS), de volgende onderwerpen gewijzigd.
In paragraaf 1.2.1 is de
interpretatie van artikel 3, tweede lid, Anw, ter zake
van duurzaam gescheiden levende echtgenoten van wie er één een
gezamenlijke huishouding voert met een ander, opnieuw geformuleerd. De beleidsregel blijft
inhoudelijk ongewijzigd.
In paragraaf 1.3.1 betreffende het
begrip eigen kind heeft de SVB nieuw
beleid opgenomen naar aanleiding van een recente uitspraak van de CRvB [Centrale Raad van Beroep,
red.] (van
15 april 2005). Krachtens dit beleid
kan, in tegenstelling tot voorheen, mede als eigen kind worden aangemerkt
het kind van de man die niet de
juridische vader is van het kind, maar wel de
verwekker, mits dit kind niet reeds op
grond van artikel 1:199 BW als eigen
kind van een andere man is aangemerkt.
Nieuw is tevens dat, in situaties
waarin buitenlands recht van toepassing is, de
vraag of sprake is van een eigen
kind strikt wordt beantwoord aan de hand
van Nederlands internationaal privaatrecht. Vanaf 15 april 2005 worden
alle besluiten waarin voor het eerst wordt
beslist over de vraag of een kind
als eigen kind moet worden aangemerkt,
genomen met inachtneming van dit nieuwe
beleid. Tot 15 april 2005 hanteerde de
SVB als beleid dat buitenlandse
erkenningen en adopties alleen in
aanmerking werden genomen bij de vaststelling
van een uitkering indien de vereisten voor en
de rechtsgevolgen van de buitenlandse rechtsfiguren overeenkwamen
met die van hun Nederlandse
equivalent. Bij besluiten genomen op basis
van het oude beleid geldt dat,
behoudens gevallen waarin een
bezwaarschriftprocedure of een (hoger)beroepsprocedure aanhangig is, de belanghebbende een
verzoek moet indienen om toekenning
of herziening van de uitkering.
Indien met toepassing van het nieuwe
beleid aan de voorwaarden voor recht op kinderbijslag wordt voldaan, zal alsnog
een uitkering worden toegekend c.q. zal de
lopende uitkering worden herzien met
ingang van 15 april 2005, mits het
verzoek om toekenning dan wel
herziening wordt ingediend binnen één jaar
na de datum waarop de CRvB zijn
uitspraak heeft gedaan.
In de nieuw toegevoegde paragraaf 1.3.4 is de interpretatie door de SVB
van het begrip "kind" in artikel 9,
eerste lid, aanhef en onder c, AOW opgenomen. Voor
de betekenis van dit begrip
sluit de SVB aan bij het begrip kind in de AKW. Dit
betekent dat de ongehuwde
pensioengerechtigde die een eigen kind, een
aangehuwd kind of een pleegkind heeft
dat jonger is dan 18 jaar en die
overigens aan de voorwaarden van
artikel 9, eerste lid, onderdeel c, AOW voldoet, recht
heeft op eenouderpensioen.
In paragraaf 1.3.6 is de uitspraak
van de CRvB van 19 september 2003
verwerkt. In deze uitspraak is het beleid
van de SVB met betrekking tot het
zelfstandig wonen van kinderen onder de
16 jaar als te stringent beoordeeld.
Naar aanleiding hiervan hanteert de SVB
voortaan het uitgangspunt dat ook
kinderen jonger dan 16 jaar zelfstandig
uitwonend kunnen zijn.
In paragraaf 1.3.7 is naar
aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 13
augustus 2004 nieuw beleid
geformuleerd met betrekking tot het stellen
van het klokurenvereiste aan kinderen onder de 16 jaar. Voor kinderen jonger
dan 16 jaar kan recht op tweevoudige
kinderbijslag bestaan indien zij in
verband met het volgen van onderwijs of een
beroepsopleiding uitwonend zijn. Voor de
vraag of sprake is van het volgen van
onderwijs voor deze categorie kinderen is het wettelijke klokurenvereiste niet van
toepassing. Uit de uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2004 volgt
dat recht op tweevoudige kinderbijslag
bestaat als het kind regulier dagonderwijs volgt dat substantieel van omvang is
en in overeenstemming is met de wettelijke
voorschriften omtrent de leerplicht en de inrichting van het regulier
onderwijs in het woonland. Als wettelijke leerplichtvoorschriften ontbreken, geldt als
voorwaarde dat het onderwijs voldoet
aan de normen van het land voor
regulier dagonderwijs. De SVB gaat ervan uit dat het onderwijs van voldoende
omvang is in de zin van deze criteria
als het kind voldoet aan het
klokurenvereiste. In de praktijk wordt het
klokurenvereiste dus wel gehanteerd. Hierbij zij
aangetekend dat als het onderwijs niet
aan dit vereiste voldoet, niettemin recht op tweevoudige kinderbijslag kan bestaan
als nader onderzoek heeft uitgewezen
dat wordt voldaan aan de criteria
zoals geformuleerd door de CRvB in zijn
uitspraak van 13 augustus 2004.
In de nieuw toegevoegde paragraaf 1.3.9 is het beleid opgenomen ten aanzien
van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Anw en de AKW. Indien een persoon
recht heeft op een uitkering op grond
van de WAO, de WAZ of de
Wajong, wordt
door de SVB uitgegaan van de mate
van arbeidsongeschiktheid waarop
deze uitkering is gebaseerd. Hiervan wordt slechts afgeweken indien er concrete
aanwijzingen of vermoedens
bestaan dat de mate van
arbeidsongeschiktheid niet of niet langer juist is. In
dat geval laat de SVB een eigen keuring
verrichten. De SVB verricht tevens een
eigen keuring indien de persoon die
arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, de WAZ of de Wajong daarom
vraagt.
In paragraaf 3.2 is het verruimde
beleid van de SVB opgenomen ter zake van
het stuiten van de aanvraagtermijn voor vrijwillige verzekering. De SVB hanteert
het beleid dat een schriftelijk
of elektronisch verzoek om informatie over vrijwillige verzekering de
aanvraagtermijn van twaalf maanden stuit. Om
de aanvraag daadwerkelijk te effectueren, dient de belanghebbende
binnen twaalf weken na het moment van
stuiting zijn aanvraagformulier voor
vrijwillige verzekering bij de SVB ingediend te
hebben. Dit beleid vindt evenzeer toepassing als een verzoek om
informatie dat bij een ander bestuursorgaan
dan de SVB is ingediend naar de
SVB is doorgezonden.
In paragraaf 4.1.1 over de
inkomenstoets is de tekst volledig herzien.
Beleidsinhoudelijke wijzigingen zijn er niet.
In paragraaf 4.3.1.1 is nieuw
beleid opgenomen met betrekking tot de
onderhoudseis. De SVB past een forfaitaire onderhoudsbijdrage toe als
de verzekerde bij zijn kind verblijft of
als het kind bij de verzekerde verblijft, terwijl het kind niet tot het huishouden
van verzekerde behoort. Het forfaitaire
bedrag treedt in beginsel in de plaats van de reiskosten en de werkelijke
uitgaven ten tijde van het verblijf. De
SVB zal de werkelijke uitgaven (in
plaats van het forfaitaire bedrag) in
aanmerking nemen als de verzekerde
aantoont dat de werkelijke uitgaven hoger
zijn dan het forfaitaire bedrag.
In paragraaf 4.4 is een aantal
wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de Wet van 9 december 2004, Stb.
2004, 715. In deze wet is de opzegging van
Verdrag 118 van de Internationale
Arbeidsorganisatie goedgekeurd en is tevens de opschorting van de Wet BEU
geregeld tot het moment waarop
Nederland niet langer aan het verdrag
gebonden is. Dit moment is bepaald op 1
januari 2006. Vanaf die datum zijn de
bepalingen van de Wet BEU weer onverkort
van toepassing.
Voor een aantal landen geldt
dat de bepalingen van de Wet BEU
niet worden toegepast, ondanks het feit
dat met die landen nog geen verdrag
is gesloten dat de export van
uitkeringen naar die landen mogelijk maakt. In
afwachting van de ondertekening en
ratificatie van de betreffende verdragen
handelt de SVB alsof in de betrokken
landen recht op uitkering op grond van een
verdrag bestaat. In de beleidsregels
is geactualiseerd voor welke landen deze
handelwijze thans nog geldt.
In paragraaf 5.1.1 over het geldend
maken van het recht op uitkering is
het beleid van de SVB opgenomen ter zake van het aanvragen van kinderbijslag.
De SVB bevordert aanvragen om
kinderbijslag voor in Nederland wonende
personen die nog geen kinderbijslag ontvangen als zij na de geboorte van
een kind binnen dertig dagen aangifte doen
bij de burgerlijke stand. Als reeds
recht op kinderbijslag bestaat, wordt
bij de geboorte van volgende
kinderen geen aanvraag bevorderd. De
toekenning van kinderbijslag vindt dan
automatisch plaats op basis van
gegevensuitwisseling tussen de GBA [gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, red.] en de SVB. Ook
in deze situatie moet aangifte
bij de burgerlijke stand binnen dertig dagen na
de geboorte plaatsvinden.
Eventuele fouten in de
gegevensuitwisseling tussen de GBA en de SVB die tot gevolg hebben dat de
kinderbijslag niet of niet tijdig wordt
toegekend, komen voor risico en
rekening van de SVB. De kinderbijslag wordt
in dergelijke gevallen ambtshalve of op
verzoek toegekend met een
terugwerkende kracht van maximaal vijf
jaar.
In de nieuw toegevoegde paragraaf 5.1.3 zijn de beleidsregels over
ambtshalve toekenning van uitkeringen opgenomen. Van de bevoegdheid tot het
ambtshalve toekennen van uitkeringen
wordt door de SVB alleen bij in het
buitenland wonenden gebruik gemaakt, in
alle gevallen waarin zij reeds
een uitkeringsrelatie heeft met de betrokkene of
diens partner.
In paragraaf 6.7.2 zijn de
beleidsregels ter zake van
kinderbijslagbetaling bij co-ouderschap herschreven. Voor de interpretatie
van het begrip "overwegend
in gelijke mate verzorgen en
onderhouden" in de zin van artikel 5a
van
het Samenloopbesluit kinderbijslag valt de SVB
terug op de regels die zijn
ontwikkeld in het kader van het
huishoudbegrip, wat betekent dat het kind
afwisselend in gelijke mate de nachtrust
moet doorbrengen bij beide ouders. Verder
heeft de SVB in deze paragraaf
nieuw beleid opgenomen voor situaties
waarin er tussen de gescheiden levende ouders afspraken gelden die niet
uitgaan van een strikte verdeling van de verzorging en het onderhoud van de
kinderen op een wijze zoals hiervoor
beschreven. Indien in een dergelijke
situatie in de overeenkomst niettemin een
expliciete afspraak is gemaakt over de
verdeling van de kinderbijslag, dan
zal deze door de SVB worden gehonoreerd.
De SVB gaat uit van de in de
overeenkomst opgenomen regeling
betreffende de verdeling van de verzorging en het
onderhoud. Alleen indien blijkt dat niet-naleving van deze regeling een
bestendig karakter heeft (in zijn
algemeenheid langer dan zes maanden), dient de feitelijke situatie als richtsnoer voor
de uitbetaling. Als het niet
goed mogelijk is om de feitelijke situatie
vast te stellen, gaat de SVB alsnog uit van
de in de overeenkomst opgenomen
regeling.
In paragraaf 7.7 staat het beleid
ten aanzien van buitenlandse
brondocumenten. Naar aanleiding van
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State en de
intrekking van de mededeling "Aanwijzing probleemlanden" en daaraan gerelateerde
besluiten door de Minister van
Buitenlandse Zaken, is de inhoud van deze
paragraaf aangepast.
In paragraaf 7.8 over de DNA-test
zijn wijzigingen aangebracht naar aanleiding
van de uitspraak van de CRvB van
15 april 2005. Voorheen bestond de
mogelijkheid van de DNA-test alleen in
het kader van het vaststellen
van het moederschap. Sedert de uitspraak van de CRvB van 15 april 2005 is de
betreffende beleidsregel geslachtsneutraal geformuleerd.
In paragraaf 8.5 en paragraaf 8.7 is het
beleid opgenomen ter zake van de toepassing
van de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen. Als een
schuldsaneringsregeling is uitgesproken op grond van de
Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, stelt de rechter-commissaris
een bedrag vast dat ter vrije
beschikking blijft van de schuldenaar. In die
gevallen stelt de SVB niet zelf de beslagvrije
voet vast, maar hanteert zij het door
de rechter-commissaris vastgestelde bedrag als beslagvrije voet.
In deel II (Internationaal)
zijn de volgende wijzigingen aangebracht.
In paragraaf 1.1.4 is toegevoegd
het beleid van de SVB bij (beleids)wijzigingen
die voortvloeien uit
jurisprudentie op het gebied van het
internationale coördinatierecht. Op grond van artikel 94,
derde lid, Verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt rekening gehouden met verzekerde
gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór
de datum van inwerkingtreding van de
verordening of vóór de datum waarop de
verordening van toepassing is geworden op een lidstaat. De SVB past
deze regel naar analogie toe bij
beleidswijzigingen en wijzigingen die voortvloeien uit jurisprudentie op het gebied van het
internationale coördinatierecht. In
gevallen waarin de verzekerde
gebeurtenis zich heeft voorgedaan vóór de
datum waarop de beleidswijziging is
ingegaan of de rechterlijke uitspraak is
gedaan, wordt voor het recht op uitkering
rekening gehouden met die
gebeurtenis. Het recht op uitkering dat aan een
beleidswijziging of aan een rechterlijke
uitspraak kan worden ontleend, gaat op
zijn vroegst in op de datum
waarop het beleid is vastgesteld of de
uitspraak is gedaan. Aan een rechterlijke
uitspraak kan met ingang van een
eerdere datum recht worden ontleend als de
ingangsdatum van de toekennings- of
herzieningsbeschikking ligt vóór de datum van de uitspraak en de beschikking
nog niet in kracht van gewijsde is
gegaan. In die gevallen werkt de uitspraak
terug tot de ingangsdatum van de beschikking.
In paragraaf 1.2.8 is het beleid
beschreven ter zake van de toepassing van
artikel 17 Verordening (EEG) nr. 1408/71 ten aanzien van werknemers die zijn tewerkgesteld in
een land dat toetreedt tot de EU.
Indien voorafgaand aan de toetreding van een
land tot de EU geen mogelijkheid tot
detachering op grond van een tussen
Nederland en het betreffende land
gesloten verdrag bestaat en de werknemer ook
niet op andere grond aan de
Nederlandse verplichte verzekering onderworpen is gebleven, staat het
ontbreken van voorafgaande verplichte verzekering in Nederland in de weg aan een
detachering op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel a, Verordening (EEG) nr. 1408/71. In die
situatie kunnen betrokkenen de SVB verzoeken
met het betreffende land een
artikel 17-overeenkomst te sluiten,
met als gevolg dat zij toch aan de
Nederlandse wetgeving onderworpen zijn.
De artikel 17-overeenkomst kan door de
SVB worden afgegeven met een
terugwerkende kracht tot de datum van toetreding van het betreffende land.
In paragraaf 3.1.1 is het akkoord
tussen de provincie Québec en
Nederland ter aanvulling op het verdrag met Canada verwerkt. Tevens is in deze
paragraaf de tekst opgenomen die voorheen
was te vinden in paragraaf 1.1.5 van deel
II.
In paragraaf 3.3.4.1 is opgenomen
dat bepalingen betreffende tijdvakken vóór
1957 en huwelijkse tijdvakken door
de SVB ook worden toegepast op personen
die gescheiden zijn. Tevens is
in deze paragraaf opgenomen de door de SVB aangenomen reflexwerking van
de beleidsregel in deel II, paragraaf 1.3.1.5, over het samenvallen van tijdvakken die op
grond van bijlage VI in
aanmerking kunnen worden genomen, met
tijdvakken van vrijwillige of
vrijwillig voortgezette verzekering vervuld krachtens
de wetgeving van een andere
lidstaat. Ten slotte zijn de relevante
verdragswijzigingen in het verdrag met Marokko
in deze paragraaf opgenomen.
In paragraaf 3.3.4.2 en in paragraaf 3.3.4.3 is achtereenvolgens
het beleid van de SVB inzake vrijwillige verzekering bij polygamie en het beleid van de SVB met
betrekking tot het honoreren van
huwelijkse tijdvakken bij polygamie
opgenomen. De in de vorige bundel
opgenomen paragraaf 3.3.4.4 over de
pensioenberekening volgens artikel 24 van het
Administratief Akkoord met Marokko is in
verband met het vervallen van de
betreffende bepaling geschrapt.
In paragraaf 3.3.4.5 over artikel
15, vierde lid, van het verdrag met
Nieuw-Zeeland is het beleid van de SVB opgenomen dat tijdvakken van vrijwillige
verzekering niet in de
aftoppingsberekening worden betrokken.
In deel III (Awb) zijn de
volgende wijzigingen opgenomen.
In paragraaf 1.2 is de tekst over
het besluitbegrip herschreven. Verder is aan
deze paragraaf toegevoegd de handelwijze van de SVB bij
bezwaarschriften gericht tegen beschikkingen met
fiscaalrechtelijke aspecten.
In hoofdstuk 2 over
vertegenwoordiging en machtiging is toegevoegd
dat het overleggen van een
machtiging dient te gebeuren binnen vier
weken vanaf het moment waarop de SVB hierom
heeft verzocht. Indien binnen de
termijn van vier weken geen machtiging
wordt overgelegd, is sprake van verzuim als bedoeld in artikel
6:6 Awb en past de SVB het beleid toe dat is
beschreven in deel III, paragraaf 6.1.
In hoofdstuk 3 over
aanvragen in de zin van de Awb staat de
tekst die voorheen in paragraaf 1.3 stond. De volgende hoofdstukken zijn als gevolg hiervan
vernummerd.
In de tekst van hoofdstuk 7
over rechtstreeks beroep is de beleidsregel
toegevoegd dat de SVB op een verzoek om de bezwaarschriftprocedure
over te slaan, beslist binnen twee
weken.
In paragraaf 10.3 is het beleid
opgenomen ten aanzien van de toepassing
van artikel 9:6 Awb. De SVB hanteert het
beleid dat zij uiterlijk één week
na ontvangst van een klacht een
ontvangstbevestiging verzendt. Is de klacht binnen deze termijn reeds (telefonisch)
afgehandeld, dan wordt het verzenden van
een ontvangstbevestiging achterwege gelaten. De SVB stuurt dan een
gespreksbevestiging naar aanleiding van de
informele afhandeling van de klacht.
Dit beleid is geformuleerd naar aanleiding
van opmerkingen van de Nationale ombudsman.
In paragraaf 10.5 over het horen in
het kader van de klachtprocedure is
opgenomen dat de SVB in het
schriftelijk oordeel over de klacht in
voorkomende gevallen motiveert waarom van het
horen is afgezien.
Hoofdstuk 11 bevat de
gedragslijn van de SVB ten aanzien van de
recentelijk in werking getreden artikelen
2:14, 2:15 en 2:16
Awb. De SVB spant zich
in om belanghebbenden zoveel
mogelijk in staat te stellen elektronisch met de SVB te communiceren. In een
aantal gevallen kan reeds via het internet
een aanvraag om uitkering worden
ingediend en kunnen wijzigingen worden
doorgegeven. Waar deze mogelijkheid bestaat, is dat op de website van de SVB
(www.svb.nl) aangegeven. Als
bij behandeling van een via het internet ingediende aanvraag blijkt
dat nader onderzoek nodig is, dan
verzoekt de SVB de aanvrager zo nodig
alsnog een papieren aanvraagformulier
in te vullen.
Als de SVB elektronisch een
aanvraag ontvangt waarvoor de
elektronische weg nog niet openstaat, licht
zij de indiener van het bericht hierover
binnen vijf dagen in, onder verwijzing
naar de schriftelijke procedure. De
SVB merkt in deze gevallen de datum
van binnenkomst van het elektronisch bericht
aan als datum van indiening van
de aanvraag, mits het papieren
aanvraagformulier binnen een termijn van twee
weken na ontvangst van het
elektronisch bericht wordt ontvangen. Dit
beleid ten aanzien van aanvragen geldt eveneens voor alle mededelingen die
van invloed zijn op het recht op of de
hoogte van een uitkering.
De elektronische diensten
van de SVB zijn, zolang een
elektronische handtekening die aan alle wettelijke eisen voldoet nog niet voorhanden is,
slechts toegankelijk voor burgers
die in het bezit zijn van DigiD. DigiD is een gemeenschappelijk systeem
voor overheidsinstellingen waarmee een belanghebbende zich kan identificeren.
DigiD kan worden aangevraagd via
de website van de SVB of direct op de
website van DigiD (www.digid.nl).
In een nieuw toegevoegd deel
IV (Overige onderwerpen) is de
tekst opgenomen die voorheen was te vinden in deel III, hoofdstuk 11,
betreffende de uitwisseling van
persoonsgegevens.
Ten slotte zijn enkele
wijzigingen van technische aard aangebracht
in de diverse bijlagen in de bundel. Wijzigingen zijn aangebracht in de
Mededelingsverplichting AOW (bijlage I), de
Mededelingsverplichting Anw (bijlage IV) en de Mededelingsverplichting
AKW (bijlage VII).
Voor de exacte inhoud van de
hiervoor weergegeven wijzigingen
alsmede de overige beleidsregels
wordt verwezen naar de bundel SVB Beleidsregels 2005 zoals deze op de
vestigingskantoren ter inzage ligt, op het internet valt in te zien of te downloaden en
in de boekhandel verkrijgbaar is.
Met de inwerkingtreding van
dit besluit wordt het Besluit beleidsregels SVB 2004 ingetrokken.
|
|