|
Het
bestuur van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
Gelet op artikel 38 Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert bij de incasso en invordering van premies
sociale verzekeringen een beleid als weergegeven in de bijlage van dit
besluit. Deze bijlage kunt u
schriftelijk opvragen op het postadres van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking op 1 juli 2000.
Art. 3.
Mededeling M 98.25 en
Mededeling M 99.084 van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen worden
ingetrokken met ingang van de
inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit incasso en
invordering.
Amsterdam, 18 april 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Werkmodel Besluit
incasso en invordering
1. Inleiding
Een onderdeel van de
collecterende functie is het
invorderingsproces. Het invorderingsproces dient
vorderingen te registreren, betalingen
snel te verwerken, op ieder
moment de juiste schuldpositie van een
werkgever te kunnen opgeven en bij niet betalen snelle en doeltreffende
incassomaatregelen te treffen. Het invorderingsproces
voldoet aan daartoe door de wet gestelde
regels. De uitvoeringsinstelling
heeft verschillende invorderingsmogelijkheden en bepaalt haar keuze op grond
van wettelijke mogelijkheden, de
doelmatigheid, de kosten, de relatie en de
ervaringen met de premieplichtige.
Uitgangspunt is dat eerst
verhaal wordt gezocht bij de
schuldenaar zelf. Bij niet-betaling volgt verrekening met saldi van g-rekeningen
[geblokkeerde rekeningen, zie artikel 1, tweede lid, onderdeel l,
van de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid, red.] of met gedane rechtstreekse
stortingen. Indien er na deze acties nog
een vordering resteert, worden
dwangmiddelen ingezet tegen de
premieplichtige en indien dan nog niet alles
voldaan is, vindt er ten slotte verhaal plaats op eventueel aansprakelijke
derden. Dit laatste natuurlijk
afhankelijk van de mate waarin verhaal aanwezig
is en van de mate waarin
betrokkene kan worden aangesproken.
De uitvoeringsinstellingen
dienen primair al hetgeen mogelijk
is te doen om te komen tot een
incasso van de premieschuld. Dient er overgegaan te
worden tot invordering, dan
rechtvaardigen redenen van rechtmatigheid en van beperking van de
administratieve lastendruk bij de premieschuldige een primaire keuze voor een
invorderingstraject door de belastingdienst. Daarom: invordering
sociale verzekeringen geschiedt namens het Lisv [Landelijk instituut
sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] door de belastingdienst, tenzij een gemotiveerd
belang keuze voor een
civielrechtelijke invordering rechtvaardigt.
Er blijft derhalve een keuzevrijheid
voor de uitvoeringsinstellingen. Als
er gekozen wordt voor het
civielrechtelijke invorderingstraject, moet
gemotiveerd worden waarom deze keuze
gemaakt wordt.
Invordering door de belastingdienst vindt plaats volgens de
wettelijke bepalingen zoals neergelegd
in de Invorderingswet
1990, die
nader zijn uitgewerkt in de
Leidraad invordering 1990. Wanneer invordering
plaatsvindt op civielrechtelijke grondslag,
vindt het invorderingsproces plaats
volgens de voorschriften en
mogelijkheden gebaseerd op het Burgerlijk
Wetboek.
2. De premienota
De premienota moet,
minimaal, de onderstaande gegevens
bevatten:
a. om wat voor een soort
premienota het gaat;
b een dagtekening;
c. de periode waarbinnen de
premie betaald moet zijn;
d. een aanduiding van de
periode waarop de premie betrekking heeft;
e. het premieloon per wet;
f. het toepasselijke
premiepercentage per wet;
g. de premie per wet en in totaal;
h. het per saldo te betalen bedrag;
i. de wijze waarop betaling kan plaatsvinden;
j. de wijze waarop bezwaar
ingesteld kan worden.
Tevens moet de uvi [uitvoeringsinstelling,
red.] de
werkgever erop wijzen dat bij te late
betaling de wettelijke rente in rekening
wordt gebracht.
Toelichting
Ad
b en ad c. Op grond
van artikel 11, vijfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV)
moet op de nota worden vermeld
binnen welke termijn de premie moet
worden betaald. De premienota dient
daarom een dagtekening te hebben en
een vervaldag. Als dagtekening
kan worden gekozen voor de dag waarop
de premienota wordt verzonden of voor een vaste, latere datum. De
vervaldag ligt ten minste veertien kalenderdagen na de dagtekening van de
premienota.
Ad h. De
debiteurenadministratie van de uvi dient ook betalingen
van derden en betalingen via
geblokkeerde rekeningen te kunnen
verwerken. De uvi rekent de betalingen toe
aan de openstaande vorderingen.
De ontvangsten worden als
volgt over de openstaande vorderingen
verdeeld:
1. kosten van vervolging/aanmaning;
2. rente;
3. premie.
Ad 1. De uitvoeringskosten
van het collecterende proces worden
via de premie over de aangesloten
werkgevers omgeslagen. De bijzondere
incassokosten worden zoveel mogelijk in rekening gebracht bij de te
laat betalende werkgevers. Bij niet tijdige betaling
van de premie door de werkgever dienen
aanmaningskosten in rekening te worden gebracht. De kosten van
aanmaning en verdere vervolging bij
niet tijdige betaling van de premie
worden berekend op voet van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen.
3. Aanmanen
Indien een werkgever niet op
tijd betaalt, dan wordt binnen
één maand na de vervaldag ten minste
één schriftelijke aanmaning gestuurd. De schriftelijke aanmaning kan
worden voorafgegaan door maximaal
twee verzoeken tot betaling. In
de aanmaning moet tot uitdrukking komen
dat de werkgever in gebreke is
en hij binnen een bepaalde termijn alsnog
moet betalen. De aanmaning geeft
tevens aan welke maatregelen de uitvoeringsinstelling
kan nemen indien de
betaling opnieuw uitblijft.
4. Betalingsregeling
4.1. Uitstel van betaling op
verzoek werkgever
Een werkgever kan verzoeken
om uitstel van betaling en/of een
betalingsregeling. Uitstel van betaling is aan de orde als een werkgever
die door tijdelijke
liquiditeitsproblemen niet in staat is om tijdig te
betalen, geholpen is met opschorting van de betalingsverplichting tot een later tijdstip.
Verder kan een werkgever
verzoeken nog verschuldigde
termijn(en) door middel van een
betalingsregeling te mogen voldoen. Daarbij moeten ten minste de
volgende voorwaarden met betrekking tot de
afhandeling van dergelijke verzoeken
worden gehanteerd:
- andere lopende
verplichtingen aan het Lisv worden stipt
voldaan;
- geen regeling bij
structurele problemen;
- geen regeling wanneer de
werkgever niet aan zijn
administratieve verplichtingen heeft voldaan;
- standaard wordt bij uitstel/betalingsregeling met betrekking tot een definitieve premienota
wettelijke rente in rekening gebracht.
Na beoordeling van de
hiervoor genoemde voorwaarden wordt
een beschikking afgegeven die
aangeeft dat er uitstel van betaling
wordt gegeven. De beschikking geeft aan tot
wanneer uitstel wordt gegeven of hoe
de betalingsregeling luidt. Betalingsregelingen dienen
qua looptijd te zijn gemaximeerd
op een periode van twaalf maanden, te
rekenen vanaf de datum uitstel beschikking.
4.2. Uitstel in geval van
bezwaar of beroep
In het geval van
bezwaar of beroep tegen een vastgestelde premie
verzoekt men vaak om uitstel van betaling
van de bestreden premie. Artikel
6:16 van de Awb stelt dat bij bezwaar of beroep de verplichting tot betaling
niet opgeschort hoeft te worden. Het Lisv beoordeelt het
verzoek derhalve zorgvuldig en met
inachtneming van de specifieke
omstandigheden wordt een beslissing
afgegeven.
Het uitgangspunt is dat bij
het verlenen van uitstel van betaling van
het bestreden deel standaard
rente in rekening wordt gebracht, tenzij het bezwaar wordt afgewikkeld vóór de laatste vervaldag van de
premienota. Bij invordering door de
belastingdienst geldt hetgeen voorgeschreven
is in de Leidraad invordering 1990.
5. Rente
5.1. Vorderen van rente
Bij te late betaling van de
verschuldigde premie brengt het Lisv aan
de werkgever wettelijke rente
hierover in rekening. De renteberekening
start op de eerste dag na de vervaldatum en eindigt op de datum van
betaling. Als datum van betaling geldt de
datum van bijschrijving op de
rekening van de uvi.
5.2. Rentevergoeding
Naast het vorderen van rente
bij te late betaling kan er in
specifieke situaties sprake zijn van het
vergoeden van rente. Er zijn een
tweetal mogelijkheden op basis waarvan door het Lisv
tot rentevergoeding kan
worden overgegaan:
1. Rentevergoeding als
schadevergoeding op grond van de Awb bij
vernietiging van de beslissing van het Lisv. De vergoeding wordt berekend
van de dag van betaling tot de dag
van algehele voldoening door het Lisv.
2. Rentevergoeding over de
tijd gedurende welke het Lisv in verzuim is
met de voldoening van de
prestatie, gerekend van dag tot dag.
6. Invordering bij derden
Wanneer een premieschuld,
ook na aanmaning, niet wordt
voldaan en er ook geen reden is voor het
geven van uitstel van betaling, vindt
primair verrekening plaats met gelden die
bijvoorbeeld rechtstreeks zijn gestort of gestort zijn op een g-rekening. Het uitwinnen van
premieschulden van een g-rekening of
soortgelijke rekening vindt plaats in het
kader van de aansprakelijkheid van
derden. Als geen of onvoldoende
gelden op deze wijze beschikbaar zijn,
moet worden beoordeeld of gelden bij
derden kunnen worden uitgewonnen op
basis van de verschillende mogelijkheden van aansprakelijkstelling
die de wet kent.
6.1. Verrekenen
In het kader van de Wet
ketenaansprakelijkheid (WKA) [Wet van 22 december 1993 tot wijziging van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Invorderingswet
1990 in verband met de toepassing van de
ketenaansprakelijkheid in de confectiesector (Wet ketenaansprakelijkheid
confectiesector) (Stb. 1993, 734), red.] en de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) is het
mogelijk dat een (hoofd)aannemer c.q.
de inlener om een toekomstige
aansprakelijkstelling te voorkomen premies stort op een g-rekening,
maar ook rechtstreeks op een rekening
van de uitvoeringsinstelling van de
opdrachtnemer. Wanneer premieschulden ook na aanmaning van de primair premieplichtige
niet voldaan worden, vindt waar mogelijk verrekening
met het saldo van de g-rekening,
respectievelijk met gedane rechtstreekse
stortingen plaats.
6.1.1. Rechtstreekse
stortingen
Als voorwaarden voor het
accepteren van rechtstreekse stortingen
door de uitvoeringsinstellingen
geldt dat het geld gestort moet worden op
een bank- of gironummer van de
uitvoeringsinstelling waarbij de onderaannemer/uitlener staat ingeschreven.
De betalingsopdracht moet in
haar toelichting ten minste de
volgende informatie bevatten:
- het aansluitnummer en de
naam van de onderaannemer/uitlener
ten gunste van wie de betaling wordt
gedaan;
- het tijdvak waarin de
werkzaamheden door de aannemer/uitlener
ten behoeve van de opdrachtgever zijn verricht; en
- het factuurnummer van de
nota van de onderaannemer/uitlener
aan de opdrachtgever/inlener waarop
de betaling betrekking heeft.
De uitvoeringsinstellingen
zijn niet gerechtigd om additionele
voorwaarden aan het rechtstreeks storten
te verbinden.
6.2. Aansprakelijk stellen
Aansprakelijkstelling van
derden kan ingrijpende gevolgen hebben. Vanzelfsprekend moet hier
buitengewoon zorgvuldig mee worden
omgegaan teneinde onnodige schadeclaims te vermijden. Maar voor het overige is het
incasseren van de premieschuld bij degene(n) die aansprakelijk zijn voor
de schulden van de premieschuldige een belangrijk middel.
In de volgende situaties
zijn ook derden aansprakelijk te stellen:
1. Aansprakelijkstelling op
grond van de bepalingen van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering:
- aansprakelijkstelling op
grond van artikel 16a CSV
(inlenersaansprakelijkheid);
- aansprakelijkstelling op
grond van artikel 16b CSV
(WKA);
- aansprakelijkstelling op
grond van artikel 16c CSV (diversen);
- aansprakelijkstelling op
grond van artikel 16d CSV
(WBA [Wet
bestuurdersaansprakelijkheid?, red.]).
2. Civiele
aansprakelijkstelling op grond van de bepalingen uit
het Burgerlijk
Wetboek:
- in geval van een huwelijk
gesloten in gemeenschap van goederen kan
eventuele aansprakelijkstelling van de echtgeno(o)t(e) van de reeds
aansprakelijk gestelde werkgever
plaatsvinden op grond van bepalingen uit Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, dat het personen- en familierecht
regelt. Deze kan middels de
civielrechtelijke incassoprocedure geschieden;
- aansprakelijkstelling van
vennoten bij een vennootschap onder firma (v.o.f.) of bij een commanditaire
vennootschap (CV);
- aansprakelijkstelling van
een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam is geregeld in Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepalingen
betreffende rechtspersonen omvat;
- in het geval dat een
bestuurder een onrechtmatige daad heeft
gepleegd.
Alvorens tot
aansprakelijkstelling van derden op basis van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) over te gaan, wordt er
een actief incassobeleid gevoerd
met betrekking tot de
premieschuldige zelf, dat wil zeggen dat eerst
getracht wordt om de premieschuld bij
de premieschuldige zelf te innen. Door een alert incassobeleid, hetgeen er onder
meer op gericht is in een
vroeg stadium incassoproblemen te
signaleren, wordt de
aansprakelijkstelling op grond van artikel 16 CSV
veilig gesteld.
Van de regel dat incasso
eerst bij de premieschuldige beproefd
wordt, dient te worden afgeweken indien
in een vroeg stadium blijkt dat er
geen of slechts een gering verhaal
is op de premieschuldige zelf.
Derden worden niet
aansprakelijk gesteld voor schulden van de
premieschuldige die zijn kwijtgescholden of waarvoor de toezegging is
gedaan dat invordering niet meer zal plaats vinden.
Indien aan de
premieschuldige uitstel van betaling is verleend of
als er een betalingsregeling is
getroffen, dient het verleende uitstel c.q. de
betalingsregeling eerst gemotiveerd
ingetrokken te worden alvorens tot
aansprakelijkstelling kan worden overgegaan.
Ambtshalve opgelegde
premievorderingen moeten - in redelijkheid - materieel verschuldigd zijn
alvorens besloten wordt tot
aansprakelijkstelling.
De aansprakelijkstelling
gebeurt voor de (voorschot)premie.
Immers, in artikel 16a en 16b
CSV is opgenomen
dat de administratieve boete is
uitgezonderd. Er is op grond van de wet
geen vaste volgorde voor het aansprakelijk stellen van derden. Dit betekent
echter niet dat in volle vrijheid een
keuze gemaakt kan worden. Op basis
van de vigerende jurisprudentie
dient eerst getracht te worden om de vordering op de bestuurder(s) (WBA) te
verhalen alvorens kan worden
overgegaan tot aansprakelijkstelling
van één van de schakels van de keten (WKA). Verder dienen eerst de
direct boven de premieschuldige gelegen
schakels te worden aangesproken alvorens
de zich verder in de keten
bevindende schakels worden aangesproken. Bij het aansprakelijk stellen moet
rekening worden gehouden met gemaakte
en nog te maken kosten, zodat
minimaal de te maken kosten verhaald
kunnen worden op de derde. In geval
van twijfel kan een onderzoek
naar de vermogenspositie van de derde plaatsvinden alvorens tot aansprakelijkstelling
wordt overgegaan. Bij dit
onderzoek moet wel in acht worden genomen dat alle mogelijkheden van aansprakelijkstelling volledig worden benut.
Indien de
aansprakelijkgestelde de aansprakelijkstelling niet
betwist maar ook niet tot betaling
overgaat, wordt het normale incasso- en
invorderingstraject ingezet.
De aansprakelijkgestelde kan
op grond van dit besluit
dezelfde rechten uitoefenen die aan de
oorspronkelijke premieschuldige zijn
toegekend, zoals het indienen van een verzoek
om uitstel van betaling of een
betalingsregeling of het verzoeken om kwijtschelding.
7. Buiten invordering
stellen/kwijtschelden
Bij het buiten
invordering stellen (BIS) wordt een onderscheid
gemaakt tussen enerzijds rechtspersonen en anderzijds natuurlijke
personen (zoals de ondernemer in een eenmanszaak).
7.1. Buiteninvorderingtelling bij rechtspersonen
Bij BIS van rechtspersonen
moet onderscheid gemaakt worden
of BIS gevraagd wordt "going
concern" of bij beëindiging van het
bedrijf. Bij beëindiging van het
bedrijf zal BIS de facto namelijk leiden tot
kwijtschelding.
7.1.1. Bij
bedrijfsbeëindiging
BIS bij bedrijfsbeëindiging
is mogelijk wanneer de onderneming al
haar activiteiten staakt en zij ook juridisch wordt opgeheven. Bij gehele
of gedeeltelijke overdracht van activiteiten en/of onderneming wordt niet
aan deze voorwaarde voldaan.
7.1.2. "Going concern"
Bij BIS in het geval van
"going
concern" dient de uvi allereerst na
te gaan of een aangepast
incassobeleid het bedrijf door de moeilijke
periode heen kan helpen. Het toekomstig premiebelang
en de continuïteit van de
onderneming, alsmede de daarbij horende
werkgelegenheid, staat daarbij voorop.
In zo’n geval dient men
een verzoek tot (gedeeltelijke) BIS,
afhankelijk van de omstandigheden, mede te beoordelen op basis van het feit dat:
- een dergelijk verzoek tevens
aan de overige crediteuren is
gedaan, die hier eveneens mee akkoord gaan;
- het maximaal mogelijke aan
premie is voldaan.
7.2.
Kwijtschelding van
natuurlijke personen: basis is de Wet schuldsanering natuurlijke personen
Bij een natuurlijk persoon
kan premie worden kwijtgescholden op
grond van een door de rechter op basis
van titel III van de Faillissementswet (Wet schuldsanering natuurlijke
personen) verklaarde toepassing van
een schuldsaneringsregeling of op basis van een faillissementsverklaring
waarbij gelijktijdig een schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken.
Kwijtschelding is op basis van deze wet bij
natuurlijke personen ook mogelijk in het
kader van een buitengerechtelijke
schuldsanering. Deze schuldsanering moet ten minste gelijkwaardig zijn aan de Gedragscode Schuldregeling van de
Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet.
8. Oninbaarheid
Als invordering niet
mogelijk blijkt te zijn, bijvoorbeeld na het
verlopen van de verjaringstermijn bij
BIS, dan moet een vordering als oninbaar
worden afgeboekt. Betreft het een
niet meer actieve rechtspersoon, dan
wordt deze rechtspersoon voor ontbinding voorgedragen aan de bevoegde instantie.
Lukt dit niet, dan moet het faillissement worden aangevraagd.
9. Schadebeperkende
maatregelen
In geval van een
fraudeonderzoek dient het reguliere
incassoproces tijdens het fraudeonderzoek
voortgang te vinden, tenzij het belang
van het fraudeonderzoek hierdoor
wordt geschaad.
Bestaat er gevaar dat
verhaalsmiddelen zullen worden onttrokken,
dan dient het reguliere
incassotraject te worden doorbroken teneinde
de belangen van het Lisv veilig te
stellen.
Ook buiten het fraudetraject
kunnen zich situaties voordoen die
het wenselijk maken om tijdig
verhaalsobjecten veilig te stellen. De
uitvoeringsinstellingen stellen procedures op teneinde deze zogenaamde
"schadebeperking"
optimaal te regelen. Iedere uitvoeringsinstelling zet hiertoe op het terrein
van de incasso bij fraudezaken
en in andere bijzondere omstandigheden
specifieke deskundigheid in. Behalve
bij geconstateerde
werkgeversfraude komt het ook bij faillissementen
en in het kader van looncontroles voor
dat het wenselijk wordt geacht om
tot schadebeperking over te gaan.
9.1. Schadebeperkende
maatregelen in het kader van geconstateerde werkgeversfraude
Zodra blijkt dat er
inderdaad sprake is van fraude en er door de
opsporingsfunctionaris proces-verbaal (PV) wordt opgemaakt voor de officier
van justitie (OvJ), dient tegelijkertijd in een rapport voor de uvi
aangegeven te worden wie voor welke (premie)schade kan worden aangesproken en
welke vermogensbestanddelen voor eventueel conservatoir beslag in
aanmerking komen. Op basis van dit
rapport kan worden besloten of er
aanleiding bestaat verdergaande
schadebeperkende maatregelen te treffen.
Hierbij zal een afweging moeten
plaatsvinden, waarbij de omvang van de geschatte schade, de omvang en aard
van de fraude en de aanwezige vermogensbestanddelen een rol spelen. Hoewel de
uvi de afweging zelfstandig
moet maken, kan de opstelling van
andere partijen - zoals het OM,
de belastingdienst - meewegen.
Voor het speurwerk naar vermogensbestanddelen kan de
opsporingsfunctionaris contact opnemen met onder andere de
belastingdienst, andere uvi’s, banken, kredietinstellingen, Kamer van
Koophandel,
burgerlijke stand, hypotheekregister.
Uit het fraudeonderzoek dient tevens naar voren te komen
welk aansprakelijkheidsregime van toepassing is. Het is van belang te
weten in welke rechtsvorm de werkgever
opereert en welke personen voor de
geleden schade aansprakelijk kunnen worden gesteld, zoals de eigenaar,
de bestuurder en de aannemer.
9.2. Schadebeperkende
maatregelen in de pre-faillissementsfase
Voorafgaand aan een
faillissement (of surseance van betaling) zal
er in de meeste gevallen sprake zijn
van betalingsproblemen. Het is belangrijk dat in het incassotraject deze
signalen tijdig worden onderkend en dat er
actie wordt ondernomen. Dit
betekent dat na een betalingsachterstand
van een bepaalde periode
(afhankelijk van de omvang van het premierisico)
of andere signalen van
betalingsproblemen, informatie moet worden
ingewonnen over de financiële positie
van de werkgever. Bij onduidelijkheid of onzekerheid omtrent de financiële
positie dient de werkgever ter zekerstelling van de premievordering zo
mogelijk ten gunste van het Lisv een
recht van pand/hypotheek te vestigen
op het huis, het bedrijfspand, de
inboedel en inventaris, dan wel eventueel aanwezige vermogensrechten aan het
Lisv te cederen.
9.2.1. Fraudeonderzoek in
de pre-faillissementsfase
Gelet op het aantal
faillissementen waarbij sprake is van
fraude, is het in fraudegevoelige branches in
het kader van schadebeperking van
belang om al in de pre-faillissementsfase
onderzoek te doen. Dit onderzoek is
erop gericht te ontdekken of er sprake is
van constructies die bedoeld zijn om het bedrijf ten koste van het Lisv
en de belastingdienst door te
starten. Het blijkt dat veelal de
handelscrediteuren, de werknemers en de
kredietverleners er goed uitspringen, terwijl
de schuld zichtbaar is verschoven naar
het Lisv en de belastingdienst. De
schade die door deze handelingen ontstaat, dient in alle gevallen waar dit
mogelijk is te worden verhaald, door de rechtsopvolger van de failliet, de
bestuurders van de failliet en eventueel
de kredietverlener zo mogelijk aansprakelijk te stellen voor de geleden
schade. De grondslag kan dan zijn
onrechtmatige daad en/of
bestuurdersaansprakelijkheid. Afhankelijk van de concrete
situatie dient voor de grondslag te
worden gekozen welke zich uit efficiencyoverwegingen het beste hiertoe leent.
9.2.2. Onverplichte
rechtshandelingen in de pre-faillissementsfase
Voor onverplichte
rechtshandelingen die door de werkgever
voorafgaand aan het faillissement zijn
verricht en waardoor het Lisv is
benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheid kan eventueel ook de actio pauliana worden
ingeroepen.
9.3. Schadebeperkende
maatregelen voortvloeiend uit een
looncontrole
Tijdens de reguliere
looncontrole kunnen signalen naar voren komen die duiden op onregelmatigheden in de loonadministratie. In
deze gevallen hoeft er geen sprake te zijn van fraude, maar bestaat er wel
aanleiding voor een premienavordering. Het is van belang om tijdens
de looncontrole zo mogelijk een
schatting te maken van het nadeelbedrag en een onderzoek in te
stellen naar de financiële positie van
de werkgever. Indien het erop lijkt dat
de werkgever door de op te
leggen premienavordering in betalingsproblemen zal komen, moeten er
maatregelen worden getroffen om de schade voor het Lisv
zoveel
mogelijk te beperken. Gedacht kan worden
aan een duidelijke en haalbare
betalingsregeling, het vestigen van een
zekerheidsrecht op vermogensbestanddelen of in het uiterste geval conservatoir beslag leggen.
Per werkgever zal moeten worden bekeken of een navordering tot
betalingsproblemen kan leiden en of aanvullende maatregelen nodig zijn. In
potentiële probleemgevallen is het in ieder geval belangrijk dat de
beslissing waarin de navordering wordt
meegedeeld snel volgt op het
looncontroleonderzoek.
9.4. Meldingsplicht bij het
ministerie van Justitie
Teneinde situaties waarbij
dubieuze bestuurders diverse malen rechtspersonen oprichten om
vervolgens bij herhaling met
aanzienlijke premieschulden failliet te
gaan zoveel mogelijk te voorkomen,
acht het Lisv het wenselijk dat
de uitvoeringsinstellingen namen van dubieuze debiteuren doorgeven aan de
afdeling van het ministerie
van Justitie die zich bezighoudt
met de afgifte van zogenaamde "verklaringen van geen bezwaar" voor
nieuw op te richten
vennootschappen.
10. Invorderen in het
buitenland
Invordering binnen de
Europese Unie vindt plaats op grond
van de EEG-verordening 1408/71 en
bilaterale akkoorden.
De vordering wordt opgegeven
aan de bevoegde instantie die
tracht betaling te bevorderen met de
wettelijke mogelijkheden die in het betreffende land ter
beschikking staan.
Buiten de Unie is
invordering niet in één verdrag geregeld.
Invordering kan dan slechts plaatsvinden
via bilaterale verdragen of op
grond van een in het betreffende land verkregen executoriale titel. De
verhouding tussen vordering en kosten
is bepalend voor invordering in een niet-EU-lidstaat.
Invorderingservaringen in
het buitenland worden door de
uitvoeringsinstellingen onderling uitgewisseld. Incassodeskundigen op het
terrein van de buitenlandse incasso en invordering komen periodiek
bijeen teneinde te overleggen hoe
knelpunten kunnen worden opgelost. Op basis van kosten-batenafwegingen dienen invorderingsexperimenten
- bijvoorbeeld met exequatur
van Nederlandse vonnissen en met inschakeling van
buitenlandse advocaten en/of buitenlandse
vestigingen van Nederlandse advocaten - in diverse landen te worden
uitgevoerd teneinde de effectiviteit en
kosten van buitenlandse invordering
in beeld te krijgen. Deze experimenten worden op elkaar afgestemd.
De opgedane kennis en ervaring
wordt uitgewisseld en bij het
Internationaal Bureau Fraudebestrijding
(IBF) gemeld en vastgelegd. Het
IBF heeft de bevoegdheid een
coördinerende rol op zich te nemen.
|