|
13 december 2005/CWI
2005/012
Centrale organisatie werk en inkomen
De Raad van
bestuur van de
Centrale organisatie werk en inkomen;
Gelet op hoofdstuk
9 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
§
1. Definities
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet Structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. CWI: de Centrale
organisatie werk en inkomen als bedoeld in
artikel 2 en hoofdstuk 4 van de
wet;
c. een klacht: een
schriftelijke of mondelinge uiting van ongenoegen over
de wijze waarop (een medewerker
van) CWI zich in een bepaalde
aangelegenheid heeft gedragen;
d. Raadsman Ombudszaken: de
medewerker die door de Raad van bestuur
is benoemd met de opdracht onafhankelijk en vrij van last en
ruggespraak de klachtbehandeling en
-beoordeling in eerste aanleg voor zijn
rekening te nemen;
e. Nationale ombudsman: de
Nationale ombudsman, bedoeld in
artikel 9:17 Algemene wet bestuursrecht, die belast is met de klachtbehandeling
en -beoordeling in tweede aanleg.
§ 2.
Indiening en
behandeling van klachten
Art. 2.
Indiening van
klachten
-1. Een ieder heeft het
recht een klacht in te dienen zonder dat dit hem
in een (meer) nadelige positie brengt.
-2. Een schriftelijk
ingediende klacht wordt ondertekend en bevat
ten minste:
a. de naam en het adres van
de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de
gedraging waartegen de klacht zich
richt.
-3. Voor het indienen van
schriftelijke klachten stelt CWI op een
voor iedereen zichtbare, toegankelijke en bereikbare plaats een klachtenformulier
beschikbaar.
Art. 3.
Behandeling van
klachten
-1. Een mondeling ingediende
klacht kan mondeling worden behandeld.
-2. Als de mondelinge
klachtbehandeling niet naar tevredenheid van
de klager is verlopen, staat het de klager vrij zijn klacht schriftelijk in te
dienen.
-3. Behandeling van een
schriftelijk ingediende klacht vindt plaats door de Raadsman Ombudszaken.
-4. Zodra bij de
klachtbehandeling naar tevredenheid van de klager
aan diens klacht is tegemoet gekomen, vervalt de verplichting tot verdere
toepassing van paragraaf 3 van deze
klachtenregeling.
Art. 4.
Geen verplichting
tot behandeling
-1. De verplichting een
klacht te behandelen vervalt als deze betrekking
heeft op een gedraging:
a. waarover reeds eerder een
klacht is ingediend die met
inachtneming van paragraaf 3 van de klachtenregeling is behandeld;
b. die langer dan één jaar vóór indiening van de klacht heeft
plaatsgevonden;
c. waartegen door de klager
bezwaar gemaakt had kunnen worden;
d. waartegen door de klager
beroep kan of kon worden ingesteld,
tenzij die gedraging bestaat uit het
niet tijdig nemen van een besluit;
e. die door het instellen
van een procedure aan het oordeel van een
andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is of
onderworpen is geweest; of
f. zolang ter zake daarvan op
bevel van de officier van justitie een
opsporingsonderzoek of een vervolging gaande is of als de gedraging deel
uitmaakt van de opsporing of vervolging van
een strafbaar feit ter zake waarvan op
bevel van de officier van justitie een
opsporingsonderzoek of een vervolging gaande is.
-2. De verplichting de
klacht te behandelen, vervalt als het belang van
de klager of het gewicht van de gedraging naar het oordeel van de Raadsman
Ombudszaken kennelijk onvoldoende is.
-3. Van het niet in
behandeling nemen van de klacht stelt de
Raadsman Ombudszaken de klager zo
spoedig mogelijk doch uiterlijk
binnen vier weken na ontvangst van het
klaagschrift schriftelijk in kennis. In
deze kennisgeving wordt de klager gewezen op
de mogelijkheid om binnen één
jaar na de datum van klachtafhandeling
een klacht in te dienen bij de
Nationale ombudsman.
§ 3.
Procedure schriftelijk
ingediende klachten
Art. 5.
Ontvangstbevestiging
-1. De Raadsman Ombudszaken
zendt binnen twee werkdagen na
ontvangst van de klacht een ontvangstbevestiging aan de klager, met daarin
ten minste een beschrijving van de
procedure en de te verwachten behandelingsduur
van de klacht.
-2. Degene op wiens
gedraging de klacht betrekking heeft, ontvangt
een afschrift van de klacht, de ontvangstbevestiging en de daarbij behorende
stukken.
Art. 6.
Horen klager en
beklaagde
-1. De Raadsman Ombudszaken
stelt de klager en degene op wiens
gedraging de klacht betrekking heeft in de gelegenheid te worden gehoord.
-2. Toepassing van het
eerste lid kan achterwege blijven als de klager heeft verklaard geen gebruik te
willen maken van het recht om gehoord te
worden of als de klacht kennelijk
ongegrond is.
-3. Van het horen wordt een
verslag opgesteld.
Art. 7.
Termijn van
behandeling
-1. De Raadsman Ombudszaken
handelt een klacht binnen zes weken
na ontvangst af.
-2. Wegens bijzondere
omstandigheden kan de Raadsman Ombudszaken
de afhandeling van de klacht
voor ten hoogste vier weken verdagen.
-3. De Raadsman Ombudszaken
meldt de verdaging schriftelijk aan
de klager en aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft,
onder vermelding van de reden van verdaging
en de nieuwe termijn waarbinnen de
afhandeling van de klacht naar
verwachting zal kunnen plaatsvinden.
Art. 8.
Kennisgeving,
registratie en publicatie
-1. De Raadsman Ombudszaken
stelt de klager schriftelijk en
gemotiveerd in kennis van de bevindingen
van het onderzoek naar de klacht en
zijn oordeel daarover.
-2. Indien een gegrond
verklaarde klacht betrekking heeft op het niet
(tijdig) nemen van een besluit of het anderszins nalaten om te handelen
inhoudt, meldt de Raadsman Ombudszaken de
klager binnen welke termijn het
besluit alsnog wordt genomen of de
nagelaten handeling alsnog wordt verricht.
-3. In de kennisgeving,
bedoeld in het eerste lid, wordt de klager
gewezen op de mogelijkheid om binnen één jaar na de datum van
klachtafhandeling een klacht in te dienen bij de
Nationale ombudsman.
-4. Wanneer de Raadsman
Ombudszaken naar aanleiding van een
klacht van oordeel is dat sprake is van een
structurele misstand dan wel dat de
klacht beleidsmatige aandacht verdient,
kan hij aan zijn oordeel een aanbeveling
aan de Raad van bestuur CWI verbinden.
-5. De Raad van bestuur CWI
meldt de Raadsman Ombudszaken binnen
28 dagen na ontvangst van een aanbeveling of hij de aanbeveling
overneemt, dan wel om welke reden hij dat
niet doet.
-6. De Raadsman Ombudszaken
draagt zorg voor registratie van de
bij hem ingediende schriftelijke
klachten en publiceert jaarlijks de
geregistreerde klachten.
§ 4.
Slotbepalingen
Art. 9.
Slotbepalingen
De Klachtenregeling CWI
gepubliceerd in de Staatscourant van 2
januari 2003 wordt ingetrokken.
Art. 10.
Inwerkingtreding
-1. Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2006.
Indien de Staatscourant waarin dit
besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven
na 28 december 2005, treedt het
in werking met ingang van de tweede dag
na de dagtekening van de
Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt het terug tot en met 1 januari
2006.
-2. Op klachten die vóór 1
januari 2006 door CWI zijn ontvangen,
blijven de bepalingen van de Klachtenregeling CWI
van toepassing.
Art. 11.
Citeertitel
Deze regeling kan worden
aangehaald als: Klachtenregeling CWI
2006.
Amsterdam, 13 december
2005.
Voorzitter Raad van bestuur,
R. de Groot.
TOELICHTING
[13 december 2005]
Algemeen
Hoofdstuk
9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat minimumeisen waaraan
bestuursorganen - zoals CWI - bij de behandeling van klachten moeten
voldoen. Zij zijn verplicht klachten overeenkomstig hoofdstuk 9
Awb te behandelen, maar zij kunnen
ook een eigen klachtenregeling in
het leven roepen, mits deze voldoet aan de in
de
Awb opgenomen minimumeisen.
CWI heeft er eerder al voor
gekozen een eigen regeling vast te
stellen.
Dat deed zij in 2002 toen de Klachtenregeling CWI
werd vastgesteld en de bevoegdheid om een klacht te
behandelen en te beoordelen werd belegd
bij de leidinggevende van de
medewerker over wie een klacht was
ingediend.
Na evaluatie van de
bestaande regeling kiest CWI nu voor een andere benadering. Een benadering
waarmee het beginsel van de lerende
organisatie beter tot zijn recht kan
komen. Waar tot op heden de klachtbehandeling op meer dan 130 lokaties door meer
dan 130 personen werd ingevuld, kiest
CWI nu voor centrale indiening en
centrale afhandeling. Daarbij blijft inbreng
vanuit de verschillende lokaties noodzakelijk bij de vaststelling van het
feitencomplex waarover wordt geklaagd.
Door te werken met één adres waar de klachten
binnenkomen en uitgaan, wordt de uniformiteit in de
behandeling en beoordeling echter versterkt, terwijl
tegelijkertijd een getrouwer beeld zal
ontstaan over landelijke knelpunten
in de uitvoering respectievelijk de beleving
bij de klant. Op basis van dat
beeld zullen dan ook sneller en gerichter
verbeteracties in gang kunnen worden gezet.
De Awb schrijft een interne
klachtenprocedure voor. CWI voldoet daaraan. Door de benoeming van de Raadsman
Ombudszaken, die de opdracht
heeft om onafhankelijk en vrij van
last en ruggespraak de klachtbehandeling en -beoordeling in eerste
aanleg voor zijn rekening te nemen, wordt de
afstand tussen de klager en degene
die de klacht beoordeelt, vergroot. CWI
hoopt daarmee mogelijke drempels om een klacht in te dienen te verlagen
(mede door in de regeling expliciet tot
uitdrukking te brengen dat het indienen van
een klacht de klager niet in een
nadeligere positie zal brengen). Tegelijkertijd
geeft het met de aanstelling van de
Raadsman Ombudszaken - één onafhankelijke medewerker in de organisatie die alle klachten ziet en beoordeelt
- aan
diezelfde klanten het signaal af dat
hun (negatieve) ervaringen niet onopgemerkt
en onbehandeld mogen en kunnen
blijven.
De Raadsman Ombudszaken ziet
alle zaken. Hij wordt bij de
behandeling echter ondersteund door klachtadviseurs, die deels zitten op
lokaties
in het land. Een klachtadviseur behandelt
de klacht en neemt contact op met de
klager, past eventueel hoor en wederhoor
toe en stelt een advies op. De Raadsman Ombudszaken spreekt uiteindelijk een
oordeel over de klacht uit. De Raadsman
Ombudszaken rapporteert onafhankelijk en
rechtstreeks aan de voorzitter van de
Raad van bestuur en aan de
voorzitter van de Centrale Cliëntenraad.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Een klacht moet betrekking
hebben op de manier waarop CWI zich in
een bepaalde aangelegenheid
heeft gedragen. Algemene klachten over
beleid of beleidsuitvoering in het
algemeen vallen buiten het bereik van deze
regeling. Gedragingen van personen die
werkzaam zijn onder
verantwoordelijkheid van CWI worden aangemerkt
als gedragingen van CWI.
Artikel 2
Veel klanten van
CWI ervaren
een afhankelijkheidspositie van
CWI omdat CWI hun uitkeringsaanvraag inneemt en moet overdragen aan UWV of
sociale dienst. Deze
afhankelijkheidspositie kan hen ertoe brengen af te
zien van een klacht, waar dat wel op
zijn plaats was geweest. Daarom brengt
artikel 2 expliciet tot uitdrukking
dat het indienen van een klacht de klager
niet in een nadeligere positie zal brengen.
Artikel 3 en
4
Klachten kunnen zowel
mondeling als schriftelijk worden
ingediend. In beide gevallen geldt de algemene regel dat CWI
moet zorgen voor een
zorgvuldige afdoening. Omdat de
scheidslijn tussen klachten en informatieverzoeken niet altijd even scherp te maken
is en CWI ook toejuicht als een
ontevreden klant zich in eerste instantie
rechtstreeks wendt tot zijn adviseur,
houdt CWI de mondelinge klachtafhandeling - afgezien van de zorgvuldige afdoening
en correcte klantbejegening - vormvrij. Dat geldt ook voor de behandeling die op
lokatie kan plaatsvinden
door de adviseur of zijn leidinggevende.
De Raadsman Ombudszaken is
(voorlopig) alleen bevoegd bij
schriftelijk ingediende klachten. Om te waarborgen dat de klant zijn klacht bij
hem kwijt kan - ook als een eerder
gesprek met zijn adviseur of leidinggevende op niets is uitgelopen - bepaalt
het tweede lid dat de klant zijn klacht
altijd schriftelijk bij de Raadsman Ombudszaken
kwijt kan. Dit is hooguit anders
als zich één van de uitzonderingsgronden
uit artikel 4 voordoet. De daar genoemde
gronden zijn dezelfde als de
Awb kent, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid bezwaar of beroep aan te tekenen of een
klacht die al eerder is beoordeeld.
Artikel 5
e.v.
Een belangrijk vereiste voor
een behoorlijke klachtbehandeling is dat de
ontvangst van het klaagschrift schriftelijk wordt bevestigd (artikel
5).
Het tijdstip van de ontvangst van de
klacht is immers ook van belang voor
de termijn van behandeling (artikel 7).
Omdat niet iedereen even
goed in staat is zijn gedachten
schriftelijk te formuleren, is in artikel 6 een hoorplicht opgenomen. Klager krijgt de gelegenheid
zijn zienswijze mondeling
naar voren te brengen. Het horen van beide
partijen geeft aan hen de gelegenheid
informatie en inzichten uit te wisselen
en gezamenlijk naar een oplossing te
zoeken, waardoor het vertrouwen in CWI kan
worden versterkt of hersteld.
Klager moet de zekerheid
hebben dat zijn klacht vlot wordt
afgehandeld. Daarom is in artikel 7 een
termijn opgenomen waarbinnen de klacht moet
zijn afgehandeld. Het tijdstip
waarop de schriftelijke klacht is ontvangen, is daarbij bepalend. Ook als deze
termijn wordt overschreden, blijft CWI
verplicht de klacht af te handelen. Voor
bijzondere gevallen - bijvoorbeeld in
gecompliceerde zaken - kan de afhandeling
ten hoogste vier weken worden verdaagd
onder de verplichting daarvan
schriftelijk mededeling te doen.
Artikel 8 verplicht de
Raadsman Ombudszaken CWI om na het
einde van het onderzoek de klager
schriftelijk zijn bevindingen en eventuele
conclusies mee te delen.
|