|
BESLUIT van 13 december
2001, houdende nadere regels omtrent de
coördinatie en dienstverlening door het Inlichtingenbureau ten behoeve
van de gemeenten bij de gegevensverstrekking op grond van zowel de
Wet SUWI als de Abw, de
Ioaw en de Ioaz, alsmede omtrent de financiering van
het Inlichtingenbureau (Besluit Inlichtingenbureau gemeenten)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 19 oktober 2001, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/BU/2001/62005;
Gelet op artikel 63, tweede lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel
122, tweede,
zevende en achtste lid, van de Algemene bijstandswet,
artikel 45,
tweede, zevende en achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en artikel
45,
tweede, zevende en achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van 28
november 2001, nr. W12.01.0542/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 december 2001, Directie
Bijstandszaken, nr. BZ/BU/2001/85149;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art.
1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Wet SUWI: Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. de CWI: de Centrale organisatie
werk en inkomen;
c. het UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
d.
Wwb: Wet werk en bijstand;
e. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
f. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
g. Wwik: Wet werk en
inkomen kunstenaars
Art. 2.
Taken
Inlichtingenbureau
-1. Het Inlichtingenbureau
heeft tot taak:
a. het ten behoeve van de
gemeenten verrichten van de bij of krachtens de artikelen
64, 66, 67
en 68 van de Wet SUWI aan hem opgedragen werkzaamheden met betrekking tot het Gegevensregister
SUWI, het
Stelselontwerp Suwinet,
de beheertaken ten behoeve van Suwinet en het jaarlijks verslag over
het gebruik van Suwinet;
b. het namens
burgemeester en wethouders vragen van opgaven en inlichtingen aan
instanties en het ontvangen van door deze instanties
verstrekte opgaven en inlichtingen, bedoeld in artikel 3;
c. het ter beschikking stellen aan burgemeester en wethouders van de opgaven en inlichtingen,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e;
d. het doorsturen van
onjuistheden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aan de instantie die de
betreffende opgaven en inlichtingen heeft verstrekt;
e. het ondersteunen van
burgemeester en wethouders bij de elektronische gegevensuitwisseling,
bedoeld in artikel 4, eerste lid;
f. het beheren van de
elektronische voorzieningen die benodigd zijn voor het uitvoeren van de
taken, bedoeld in de onderdelen a tot en met d;
g. het verwerken van de
gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
h. het geven van
voorlichting over zijn taken en werkwijze, bedoeld in artikel
8, eerste lid;
i. het toetsen van
plannen van Onze Minister met betrekking tot gegevensuitwisseling
tussen gemeenten en derden op grond van de
Wwb, de
Ioaw, de Ioaz,
de Wwik en de Wet SUWI.
-2. Het Inlichtingenbureau
kan andere dan in het eerste lid genoemde taken vervullen indien
Onze Minister daarvoor schriftelijke toestemming geeft. Artikel
3.1,
eerste lid, van het Besluit SUWI is van overeenkomstige toepassing.
Art. 3.
Gegevensverstrekking aan burgemeester en wethouders
-1. De opgaven en
inlichtingen, bedoeld in artikel
64,
eerste lid, van de Wwb, artikel
45, eerste lid, van de Ioaw,
artikel 45, eerste lid, van de Ioaz en artikel
40, eerste lid, van de Wwik, die door burgemeester en wethouders en door de in voornoemde
bepalingen genoemde instanties door tussenkomst van het Inlichtingenbureau
gevraagd
onderscheidenlijk verstrekt worden, betreffen in het geval van:
a. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten: gegevens betreffende de verstrekte
bijstand of uitkering op grond
van de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wwik;
b. het UWV: gegevens
betreffende de inkomsten uit arbeid of uitkering op grond van verzekeringen en
wetten die door het UWV worden
uitgevoerd;
c.
de rijksbelastingdienst: gegevens betreffende
vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Wwb,
artikel 8 van de Ioaz
en artikel 7 van de
Wwik,
de voorlopige teruggaaf, bedoeld in de Wet
inkomstenbelasting 2001,
bankrekeningnummers en de toegepaste heffingskortingen;
d. de Informatie Beheer Groep: gegevens betreffende de verstrekte
studiefinanciering en
tegemoetkoming op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 en de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en
inschrijvingen bij instellingen voor onderwijs als bedoelde in voornoemde
wetten;
e.
de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten:
gegevens betreffende betaling van premie voor de zorgverzekering, met dien
verstande dat dit onderdeel uitsluitend betrekking heeft op de opgaven en
inlichtingen, bedoeld in artikel 64, eerste
lid, van de Wwb;
f. de Dienst Wegverkeer, bedoeld in
artikel 4a van de Wegenverkeerswet
1994: gegevens uit het kentekenregister, bedoeld in artikel 42 van die
wet.
-2. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald in welke gevallen tijdelijk, gedurende een
periode van maximaal twee jaar, ook aan en door andere instanties,
genoemd in artikel 64, eerste lid, van de Wwb,
artikel
45, eerste lid, van de Ioaw,
artikel 45, eerste lid, van de Ioaz of artikel
40, eerste lid, van de Wwik, dan de in het eerste lid genoemde,
opgaven en inlichtingen door tussenkomst van het Inlichtingenbureau
worden gevraagd onderscheidenlijk verstrekt. [RS]
Art.
3a. Gegevensverstrekking door burgemeester en wethouders
De verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel
43, eerste lid, van de Wwik,
door burgemeester en wethouders aan de adviserende instelling die in het
kader van de uitvoering van de Wwb
burgemeester en wethouders van advies dient, vindt plaats door tussenkomst
van het Inlichtingenbureau
voor zover het betreft gegevens over
verstrekte uitkeringen op grond van de Wwik
ten behoeve van de uitvoering van aan deze instantie in het kader van de Wwik
opgedragen taken.
Art. 4.
Elektronische
gegevensuitwisseling en voorzieningen
-1. De
gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b tot en met
d, gebeurt
elektronisch.
-2. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld omtrent: [RS]
a. de wijze en het
tijdstip waarop de elektronische gegevensuitwisseling tussen burgemeester en
wethouders en het Inlichtingenbureau plaatsvindt;
b. het ontwerp van de
elektronische voorzieningen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
f.
Art. 5.
Abonnementen
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen, na een daartoe door het Inlichtingenbureau
gedaan voorstel, regels
worden gesteld omtrent de mededeling door het UWV
of de CWI aan het Inlichtingenbureau van wijzigingen in de eerder
aan de desbetreffende instantie op grond van artikel 3 gevraagde
opgaven en inlichtingen. [RS]
-2. Tussen het
Inlichtingenbureau en een instantie als bedoeld in artikel
3, niet zijnde
het UWV of
de CWI, kan een regeling worden getroffen met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan deze
instantie op grond van voornoemde bepaling gevraagde opgaven en inlichtingen.
-3. Een regeling als
bedoeld in het tweede lid regelt in elk geval:
a. op welke gegevens de
regeling betrekking heeft;
b. op welk moment en op
welke wijze de mededeling van wijzigingen wordt beëindigd.
-4. Een regeling als
bedoeld in het tweede lid wordt, na goedkeuring door Onze Minister, door
het Inlichtingenbureau gepubliceerd in de Staatscourant.
Art. 6.
Pre-abonnementen
-1. Het UWV slaat, ten
behoeve van aan burgemeester en wethouders te verstrekken opgaven en
inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau
aan hem verstrekte gegevens
van bij hem op dat moment nog onbekende personen op.
-2. De gegevens, bedoeld
in het eerste lid, worden door het UWV zodanig opgeslagen dat
deze niet toegankelijk zijn tot het moment waarop er bij hem gegevens als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, over de betreffende persoon
bekend zijn.
-3. De in het eerste lid
bedoelde gegevens worden niet langer opgeslagen dan tot drie maanden nadat burgemeester en wethouders aan
het Inlichtingenbureau
hebben gemeld dat de betreffende persoon geen bijstand of uitkering op grond van de
Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wwik
meer ontvangt.
Art. 7.
Verwerking
persoonsgegevens
-1. Het Inlichtingenbureau
draagt zorg voor de zorgvuldige verwerking van:
a. de gegevens, bedoeld in
artikel 64, eerste lid, van de Wet SUWI;
b. naam, adres,
woonplaats en sociaal-fiscaal nummer van de personen over wie burgemeester en
wethouders de opgaven en inlichtingen, bedoeld in artikel
3, vragen, alsmede een vermelding van de
gemeente
die eerstgenoemde
gegevens verstrekt;
c. de gegevens over de
wettelijke grondslag van de door burgemeester en wethouders aan de
betreffende persoon verleende bijstand of uitkering op grond van de
Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wwik, en de periode gedurende welke de bijstand of de uitkering is ontvangen;
d. de door de instanties,
bedoeld in artikel 3, verstrekte opgaven en inlichtingen;
e. de opgaven en
inlichtingen, bedoeld in onderdeel d, die betrekking hebben op dezelfde
periode, of een deel daarvan, als de gegevens, bedoeld in onderdeel c;
f. de tijdstippen waarop
de gevraagde en verstrekte opgaven en inlichtingen ontvangen
zijn van en ter beschikking gesteld zijn aan een instantie als bedoeld in
artikel 3 onderscheidenlijk burgemeester en wethouders;
g. het tijdstip waarop
gegevens als bedoeld in artikel 6, eerste lid, zijn verstrekt;
h. de meldingen van
burgemeester en wethouders, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, alsmede de tijdstippen waarop deze meldingen
ontvangen
onderscheidenlijk, op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, doorgestuurd zijn.
-2. Indien aan
burgemeester en wethouders blijkt dat de door het Inlichtingenbureau, op
grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, aan hen ter beschikking gestelde
opgaven en inlichtingen onjuist zijn, melden zij dit zo spoedig mogelijk
aan het Inlichtingenbureau. Het Inlichtingenbureau maakt afspraken met de
instanties, bedoeld in artikel 4, over de wijze en het tijdstip
waarop door burgemeester en wethouders gemelde onjuistheden worden
doorgestuurd aan de instantie die de betreffende opgaven en inlichtingen
heeft verstrekt.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent dit artikel.
Art. 8.
Voorlichting
Het Inlichtingenbureau draagt zorg voor een doeltreffende voorlichting over zijn taken en
werkwijze door ten minste het ter beschikking stellen van informatiemateriaal
aan burgemeester en wethouders ten behoeve van personen over wie, op
grond van artikel 3, door hen opgaven en inlichtingen worden gevraagd.
Art. 9.
Begroting, kwartaalverslagen, jaarplan, budget, jaarverslag, jaarrekening en accountantsverklaring
-1. De kosten van het Inlichtingenbureau
voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, komen ten laste van de daartoe door
Onze Minister toegekende
rijksbijdrage.
-2. Het Inlichtingenbureau
stelt hiertoe elk jaar een begroting en een jaarplan voor het komende
kalenderjaar vast en biedt deze vóór een door Onze Minister vast te
stellen datum aan hem aan. [RS]
-3. Onze Minister stelt
jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau voor het eerstvolgende kalenderjaar vast. Hij
kan besluiten dit budget te wijzigen. Het Inlichtingenbureau gaat met betrekking tot
de uitvoering van zijn wettelijke taken geen verplichtingen aan
en doet geen uitgaven die leiden tot overschrijden van het
vastgestelde budget. Wanneer het budget niet is vastgesteld vóór 1
januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, is het
Inlichtingenbureau bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te
houden, te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het budget
dat laatstelijk voor een geheel jaar is vastgesteld. Onze Minister kan
besluiten dat het Inlichtingenbureau in een geval als bedoeld in de vorige
zin
kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het budget
dat laatstelijk voor een geheel jaar is vastgesteld.
-4. Het
Inlichtingenbureau stelt jaarlijks een jaarverslag en een jaarrekening op
en biedt deze vóór 15 maart van het kalenderjaar volgend op het jaar
waarop deze betrekking hebben aan Onze Minister aan. Het
Inlichtingenbureau beschrijft in zijn jaarverslag de taakuitoefening, het
gevoerde beleid en de doelmatigheid van de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel
2, eerste lid, in het
afgelopen jaar en legt in zijn jaarrekening rekening en verantwoording af
over het financieel beheer, alsmede over de rechtmatigheid van genoemde
taken in het verstreken boekjaar. De jaarrekening gaat vergezeld van een
verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het
Inlichtingenbureau aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
Deze verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige besteding van de
middelen door het Inlichtingenbureau. De accountant voegt bij de
verklaring tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het
beheer en de organisatie van het Inlichtingenbureau voldoen aan de eisen
van doelmatigheid.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud en de indiening
van de begroting en ontwerpen daarvan, de kwartaalverslagen, het jaarplan, het
jaarverslag, de jaarrekening, de verklaring, bedoeld in het vierde lid, en het aan
die verklaring ten grondslag liggende onderzoek. [RS]
Art. 10.
Overgangsbepaling gegevensverstrekking
Bij ministeriële
regeling wordt bepaald vanaf welk tijdstip de gegevensverstrekking, bedoeld in
artikel 3,
eerste lid, in elk geval door tussenkomst van het Inlichtingenbureau
geschiedt. Dit tijdstip kan voor iedere
gemeente, per instantie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, en voor per instantie te
onderscheiden gegevens verschillend worden vastgesteld. [RS]
Art. 11.
Overgangsbepaling financiering
Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld over de toepassing van artikel
9, tweede en
derde lid, met betrekking tot de vaststelling en indiening van de
begroting en het jaarplan alsmede de vaststelling van het budget voor het
kalenderjaar 2002. [RS]
Art.
11a. Wijziging wettelijke grondslag
Dit besluit berust mede op artikel 64,
tweede, zevende en achtste lid, van de
Wet werk en
bijstand en artikel 40, tweede,
zevende en achtste lid, van de
Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 12.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking op het tijdstip waarop de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking treedt.
Art. 13.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit Inlichtingenbureau gemeenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 13
december 2001
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[13 december 2001]
Algemeen
Achtergrond
In
april 1998 stelde het kabinet de notitie "intensivering
fraudebestrijding" op. In deze notitie werd aangegeven dat één van de
instrumenten om witte fraude tegen te gaan het Inlichtingenbureau
was:
gegevensuitwisseling tussen sociale diensten en andere instanties met
als doel bestandsvergelijking
om fraude op te sporen. In de financiële paragraaf bij het regeerakkoord van 1998 werd hieromtrent een taakstelling opgenomen.
Eind 1998 startten de eerste proeven met het Inlichtingenbureau, onder
verantwoordelijkheid van de Stichting CliëntVolgCommunicatieStelsel (CVCS). Eind 1999 werd geconcludeerd dat het project kansrijk was,
zowel in technische zin als in termen van maatschappelijke en financiële
opbrengsten. Na een tweede serie proeven, bij in totaal zestien gemeenten,
besloot de Minister van SZW medio 2000 dat het Inlichtingenbureau landelijk zou worden ingevoerd.
Tegelijkertijd met het
project Inlichtingenbureau voerde de Stichting CVCS proeven uit met een
elektronische infrastructuur voor de uitwisseling van informatie tussen de
SUWI-partijen: de voorloper van Suwinet (de voor de
gegevensuitwisseling tussen UWV, CWI en gemeenten benodigde elektronische
infrastructuur). De rol van het Inlichtingenbureau veranderde in dit kader
van een instrument voor fraudebestrijding naar een coördinatiepunt voor
informatie-uitwisseling tussen sociale diensten en anderen; niet alleen
voor fraudebestrijding, maar ook ter bevordering van de samenwerking
tussen de verschillende uitvoeringsorganisaties in de sociale zekerheid.
Daarmee wordt het
Inlichtingenbureau per 1 januari 2002 de organisatie die op het gebied van
gegevensuitwisseling zorgt voor "coördinatie en dienstverlening" ten behoeve van gemeenten in het kader van de
uitvoering van de Abw, de
Ioaw, de Ioaz en de Wet
SUWI.
Het Inlichtingenbureau:
algemeen
Het Inlichtingenbureau
functioneert als knooppunt voor gegevensuitwisseling van en naar gemeentelijke
sociale diensten. Hiermee wordt in de eerste plaats de
mogelijke elektronische functionaliteit van het Inlichtingenbureau
bedoeld, bijvoorbeeld in de vorm een verwijsindex (een bestand waarin wordt
aangegeven welke personen met een sociaal-fiscaal nummer in
registraties van de desbetreffende organisaties zijn opgenomen).
Daarnaast heeft het Inlichtingenbureau in organisatorische zin een coördinerende
taak voor gemeenten op het gebied van gegevensuitwisseling. Het Inlichtingenbureau werkt voor gemeenten en
ten behoeve van de
wettelijke taken die gemeenten hebben in het kader van de sociale zekerheid.
Wet- en regelgeving
In het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten worden zowel de organisatorische aspecten van het
Inlichtingenbureau geregeld als voorschriften gesteld rond de elektronische uitwisseling van gegevens via het Inlichtingenbureau.
De wettelijke kaders voor
dit besluit zijn gegeven in de Wet SUWI (artikel
63), de Abw (artikelen 122 en 126), de
Ioaw (artikelen 45 en
49) en de Ioaz (artikelen
45 en 49). Daar waar in deze toelichting gesproken wordt over de Abw, worden ook steeds de
Ioaw en de Ioaz bedoeld.
Het Inlichtingenbureau
heeft ook specifieke taken in het kader van de gegevensuitwisseling
tussen de verschillende instanties die onderling elektronisch berichten
uitwisselen met behulp van de elektronische infrastructuur SUWI: Suwinet. De wettelijke basis voor Suwinet is gelegd
in artikel 62 van de Wet
SUWI. In
artikel 63, eerste lid, van de
Wet SUWI wordt bepaald dat het
Inlichtingenbureau is belast met de coördinatie en dienstverlening ten
behoeve van de gemeenten bij de toepassing van
artikel 62. De taken van
de verschillende partijen, waaronder het Inlichtingenbureau, worden nader uitgewerkt
bij of krachtens de artikelen 64, 66,
67 en 68 van de Wet
SUWI.
Tenzij hierop een
uitzondering wordt gemaakt in de Abw of de Wet SUWI, is bij de uitoefening van taken door het Inlichtingenbureau uiteraard
altijd de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing.
Relatie met gemeenten
Het Inlichtingenbureau
heeft geen zeggenschap over gemeenten en kan gemeenten geen
verplichtingen opleggen. Wel zijn gemeenten op basis van de wet (artikel
64,
eerste lid, Wet SUWI en artikel 122
Abw) verplicht om in bepaalde gevallen
van de diensten van het Inlichtingenbureau gebruik te maken.
Daarnaast is het mogelijk dat het Inlichtingenbureau met toestemming van de
minister diensten aanbiedt waarvan gemeenten op vrijwillige basis
gebruik kunnen maken, zoals handleidingen voor werkprocessen in het
kader van de verwerking van gegevens of voor privacybescherming en
beveiliging.
Het Inlichtingenbureau is
dan ook niet verantwoordelijk voor de wijze waarop gemeenten de
elektronische berichten die zij via het Inlichtingenbureau ontvangen, verder
verwerken. Ten behoeve van een effectieve en efficiënte uitvoering
kan het Inlichtingenbureau hierbij wel ondersteuning bieden, bijvoorbeeld de
hierboven genoemde handleidingen. De Inspectie Werk en Inkomen (IWI)
zal, zoals hieronder toegelicht, toezicht houden op de taakuitvoering door
het Inlichtingenbureau. Dit toezicht heeft geen betrekking op de
beoordeling of de gemeenten de van het Inlichtingenbureau ontvangen gegevens juist
en tijdig verwerken. Hierop wordt toegezien op grond van
artikel 130 van de Abw.
Het Inlichtingenbureau:
taken
De taken van het Inlichtingenbureau
worden in drie punten behandeld.
Taken op grond van de
Abw (artikel 2, eerste lid, onderdeel b en c)
In
artikel 122 van de Abw
is de verplichting voor gemeenten neergelegd om in bepaalde gevallen
gebruik te maken van het Inlichtingenbureau bij het opvragen van inlichtingen. In dit besluit wordt in
artikel 3 bepaald in
welke gevallen dit moet, namelijk bij:
• andere gemeenten,
voor gegevens over bijstandsuitkeringen;
• het UWV, waar het
betreft gegevens omtrent inkomsten uit arbeid of uitkering (werknemersverzekeringen);
• de belastingdienst,
waar het gaat om gegevens van belang voor de vermogensvaststelling;
• De Informatie Beheer Groep, betreffende gegevens over inkomsten uit
studiefinanciering of
inschrijving bij een onderwijsinstelling.
Het Inlichtingenbureau
verzamelt ten behoeve van burgmeester en wethouders informatie bij
deze instanties, de zogenoemde "bronnen". Als basis hiervoor gebruikt
het Inlichtingenbureau de persoonsgegevens die eerst van burgemeester en
wethouders worden ontvangen: cliëntgegevens (naam, adres, woonplaats
en sociaal-fiscaal nummer) en uitkeringsgegevens (soort
uitkering, uitkeringsperiode). Aan de hand van deze gegevens wordt de
vraag om informatie aan de bronnen gesteld. Nadat informatie van de
bronnen is ontvangen, signaleert het Inlichtingenbureau of er sprake is van een
overlap in periode tussen de gegevens van de bronnen en de
uitkeringsgegevens. Indien dat het geval is, wordt hiervan melding gemaakt
aan burgemeester en wethouders. Dit wordt een "samenloopsignaal"
genoemd. Burgemeester en wethouders onderzoeken zelf op basis
van dit samenloopsignaal of er mogelijk sprake is van misbruik.
Het Inlichtingenbureau
maakt afspraken met bronnen over de wijze waarop gegevens
elektronisch worden aangeleverd door het Inlichtingenbureau aan de bronnen en vice
versa. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zogenaamde abonnementen
en pre-abonnementen; zie de toelichting bij de artikelen 5 en
6. Daarnaast geeft het Inlichtingenbureau aan gemeenten
aan hoe zij de gegevens,
op grond van artikel 5, dienen aan te leveren en terugkrijgen, en verleent
het Inlichtingenbureau hierbij diensten aan gemeenten (artikel
2,
eerste lid, onderdeel e): door de implementatie van het
Inlichtingenbureau-systeem bij gemeenten te begeleiden; door te overleggen met
softwareleveranciers en gemeenten die zelf uitkeringsapplicaties ontwikkelen; door
gemeenten bij het gebruik van het Inlichtingenbureau-systeem
te ondersteunen, onder meer door een helpdesk in te stellen.
Dit alles gebeurt om de aanlevering en verwerking van gegevens door gemeenten waar mogelijk geautomatiseerd en in ieder
geval zo efficiënt
mogelijk te laten verlopen.
Taken op grond van de Wet SUWI (artikel 2, eerste lid, onderdeel a)
Bij of krachtens de
artikelen 64, 66, 67 en
68 van de Wet SUWI worden regels gesteld omtrent de
gegevensuitwisseling tussen UWV, CWI en
gemeenten
en het gebruik,
de inrichting en instandhouding van de daarvoor benodigde
elektronische infrastructuur (Suwinet). Het Inlichtingenbureau
is hierbij op grond van
artikel 63 van de Wet SUWI het orgaan ten behoeve van
coördinatie en dienstverlening voor gemeenten. Dit betekent dat waar sprake
is van taken in het kader van de infrastructuur die op sectoraal niveau
behartigd en dus belegd moeten worden, deze waar het de gemeenten
betreft door het Inlichtingenbureau verricht zullen worden. Voor de invulling
hiervan wordt verder verwezen naar de betreffende artikelen van de Wet
SUWI en de toelichting daarbij (en naar
de artikelsgewijze
toelichting bij dit besluit).
Overige taken (artikel 2,
tweede lid)
Het is mogelijk dat het
Inlichtingenbureau andere dan de in artikel
2, eerste lid, omschreven
taken uitvoert. Deze extra taken zullen steeds moeten passen binnen de doelomschrijving van het Inlichtingenbureau
zoals geformuleerd in
artikel 63 van de Wet SUWI. Deze taken mogen niet uit private middelen
worden gefinancierd, maar alleen uit publieke middelen afkomstig van
het Rijk of gemeenten. Bij deze taken kan gedacht worden aan diensten ten
behoeve van gemeenten op het gebied van informatievoorziening en
gegevensuitwisseling. Een concreet voorbeeld hiervan zou kunnen zijn
het beheren van een gegevensregister "gemeentelijke sociale
zekerheid"
in
aanvulling op het SUWI-gegevensregister. Een gegevensregister is een
"woordenboek" waarin een overzicht van
gegevens vergezeld gaat
van onder meer definities en elektronische schrijfwijze.
Het Inlichtingenbureau
kan voor dergelijke activiteiten voorstellen ontwikkelen, op eigen
initiatief, op verzoek van gemeenten of hun vertegenwoordigers dan
wel op verzoek van de
minister. Het Inlichtingenbureau kan deze activiteiten
nooit uitvoeren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming
van de minister. Hierbij zal steeds aandacht worden besteed aan de
vraag of het Inlichtingenbureau de persoonsgegevens die worden verzameld voor
de wettelijke taken ook voor deze andere taken mag
gebruiken, conform het beginsel van doelbinding (artikel 7 Wbp), het
vereiste van verenigbaar gebruik (artikel 9 Wbp) en de geheimhoudingsbepalingen
in de Abw en in de Wet
SUWI.
Het Inlichtingenbureau:
persoonsgegevens
Administratie
Het
Inlichtingenbureau voert ten behoeve van haar wettelijke taken een administratie. Het is het
Inlichtingenbureau op grond van artikel 126 van de
Abw hierbij toegestaan
het sociaal-fiscaal nummer van personen op te slaan. De administratie
bevat verder de NAW-gegevens (naam, adres en woonplaats) van personen,
uitkeringen (soort en duur) op grond van de Abw, de gegevens die van bronnen worden verkregen en de overlap die
er bestaat in periode
tussen de Abw-uitkeringen en de gegevens van bronnen
(samenloopsignalen).
Om de gegevens en
gegevensstromen inzichtelijk te maken stelt het Inlichtingenbureau een
gegevensset en een logisch ontwerp op. De gegevensset betreft een
overzicht van alle door het Inlichtingenbureau gebruikte gegevens. Een logisch ontwerp is het ontwerp van het geheel
van de voorzieningen van
het Inlichtingenbureau, waarbij niet zozeer wordt ingegaan op de
technische details, maar meer op de logische samenhang tussen de
verschillende onderdelen van het systeem en de gegevensstromen tussen de
verschillende partijen. Gegevensset en logisch ontwerp worden
bij ministeriële regeling (artikel 4, tweede lid, onderdeel b) vastgesteld.
Bescherming
persoonsgegevens
Het
Inlichtingenbureau ontvangt, registreert, verzendt en bewaart op grond van
artikel 2,
eerste lid, van dit besluit gegevens over personen, waaronder het
sociaal-fiscaal nummer en gegevens over het inkomen. Het
Inlichtingenbureau is hiermee verantwoordelijke in de zin van artikel 1,
onderdeel d, van de Wbp
voor de taken die worden benoemd in artikel 2, eerste lid, van dit
besluit. Uiteraard moeten deze gegevens met de grootst mogelijke zorg worden
behandeld, overeenkomstig de Wbp. Dit brengt met zich mee dat de
gegevens op het moment dat zij worden verzonden over een netwerk
onherkenbaar moeten zijn. Het Inlichtingenbureau maakt hierover
standaardafspraken met gemeenten
en bronnen. Tevens ondersteunt het
Inlichtingenbureau waar nodig gemeenten en bronnen bij het implementeren van
deze afspraken. Het Inlichtingenbureau vraagt, als verantwoordelijke,
zelfstandig advies aan het College bescherming persoonsgegevens over de
gemaakte afspraken en getroffen maatregelen. Daarnaast neemt het
Inlichtingenbureau maatregelen om te voorkomen dat er enige vorm van onrechtmatige verwerking plaatsvindt. Gegevens
over personen worden niet
langer bewaard dan noodzakelijk is op basis van de taken, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van het Inlichtingenbureau.
Het Inlichtingenbureau
informeert de
minister over de wijze waarop de afspraken met gemeenten
en bronnen tot stand zijn gekomen en over de inhoud van deze
afspraken. Tevens informeert het Inlichtingenbureau de minister over de beveiligingsmaatregelen die zij heeft getroffen.
Organisatie, financiering
en relatie met de Minister van SZW
Het
Inlichtingenbureau is
een private stichting. Een meerderheid van het stichtingsbestuur bestaat
uit vertegenwoordigers van gemeenten, voorgedragen door de VNG
en Divosa [Vereniging van Nederlandse Gemeenten
en Vereniging van directeuren van
overheidsorganen voor sociale arbeid, red.].
Van de oprichting van de
stichting is, conform artikel 29 van de Comptabiliteitswet, schriftelijk mededeling gedaan aan beide
kamers van de Staten-Generaal (Kamerstukken I en II 2000-2001, 27 635,
nrs. 233 en 1,
herdruk). De Vaste Commissie voor SZW heeft hierover vragen gesteld (idem,
nrs. 233a en 2),
die door het kabinet zijn beantwoord. In de Wet SUWI wordt het
Inlichtingenbureau gedefinieerd als de Stichting Inlichtingenbureau,
gevestigd te Den Haag. Ook in de Abw wordt met het Inlichtingenbureau deze
stichting bedoeld, zodat deze ook de taken van het Inlichtingenbureau op
grond van deze wet kan verrichten.
Het bestuur van de Stichting stelt jaarlijks voor het komende kalenderjaar een begroting en een
jaarplan/werkprogramma op en biedt deze aan de Minister van SZW
aan. De minister stelt op basis van deze stukken het budget vast. Na
afloop van het kalenderjaar stelt het bestuur een jaarrekening/verantwoording
- inclusief accountantsverklaring - en (jaar)verslag op, op
basis waarvan de minister de rijksbijdrage vaststelt. Zie verder de toelichting
bij artikel 9.
In de Wet SUWI zal worden
geregeld dat de IWI toezicht houdt op het Inlichtingenbureau.
Daarbij kan de IWI zelfstandig, bij wijze van audit, het informatiesysteem nader
(laten) onderzoeken. Ook de Algemene Rekenkamer heeft bij het
Inlichtingenbureau controlerechten, op grond van artikel 59 van de Comptabiliteitswet. Het
College bescherming
persoonsgegevens houdt,
op grond van de Wbp, verder toezicht op de verwerking van
persoonsgegevens. Verder zijn in de statuten van de Stichting bevoegdheden
van de minister jegens (het bestuur van) het Inlichtingenbureau
neergelegd: de minister benoemt de voorzitter van het bestuur; in geval van
wanbeheer kan de minister het bestuur of individuele bestuursleden vervangen,
en, de statuten van de Stichting kunnen niet zonder toestemming
van de minister worden gewijzigd. Zo nodig zullen in de Wet SUWI nog andere
bevoegdheden van de
minister jegens
het Inlichtingenbureau
worden geregeld.
Toets op uitvoerbaarheid
en toezichtbaarheid
Veranderorganisatie
SUWI
De Veranderorganisatie
SUWI heeft geconstateerd dat op grond van zowel de Wet
SUWI als de
Abw regels worden gesteld aan de gegevensuitwisseling tussen gemeenten
en
andere instanties. Zij wil voorkomen dat voor dezelfde gegevensstromen via het
Inlichtingenbureau tussen
gemeenten en UWV verschillende regels kunnen gelden. De Veranderorganisatie
doelt onder meer op het beheer van de elektronische voorzieningen en de
regeling van de zogenoemde abonnementen met het UWV door het
Inlichtingenbureau.
De elektronische
communicatie tussen de SUWI-partijen verloopt via Suwinet, als samenhangend
stelsel van technische voorzieningen en afspraken. Dit vloeit
voort uit artikel 62 van de Wet
SUWI. Het onderhavige besluit met de daarop
gebaseerde regelingen en de regelgeving rondom Suwinet zullen dan ook
met elkaar in overeenstemming zijn.
Om dit te benadrukken is
artikel 5 aangepast, waaraan een nieuw eerste lid is toegevoegd. In de
toelichting op artikel 5 in het artikelsgewijze deel van deze toelichting
wordt hierop nader ingegaan.
Ctsv
Het College van toezicht
sociale verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk
en Inkomen (IWI), red.] vroeg zich af in hoeverre de
minister zelf
dan wel de IWI het toezicht uitoefent. Voorts hecht het Ctsv eraan dat de zogenoemde
"andere taken" van het Inlichtingenbureau
de
mogelijkheid van toezicht door het IWI op de wettelijke taken niet
belemmeren.
In de Wet SUWI zal worden
geregeld dat de IWI onder gezag van de minister het toezicht op
het Inlichtingenbureau uitoefent. In artikel 2, tweede lid, (andere
taken) is opgenomen dat artikel 3.1 van het Besluit
SUWI van overeenkomstige
toepassing is; in het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt
hierop nader ingegaan.
Lisv
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] vroeg om een verheldering van het
gebruik van de technische infrastructuur voor de beide functies van het Inlichtingenbureau, fraudebestrijding en
SUWI.
Hierop is hierboven bij
de behandeling van de reactie van de Veranderorganisatie SUWI reeds ingegaan. Het
Lisv vreest verder een onwerkbare stroom meldingen vanwege
de taak van het Inlichtingenbureau om meldingen door
burgemeester en wethouders van onjuiste gegevens door te sturen aan de
betreffende instantie.
Het Inlichtingenbureau en
de gehele elektronische infrastructuur waarin het werkt zijn bedoeld om
samenhang te creëren in de gegevensstromen. Het is dan ook niet de
bedoeling dat het Inlichtingenbureau meldingen van onjuistheden zonder
meer doorstuurt. In artikel 7, tweede lid, is opgenomen dat het
Inlichtingenbureau hierover afspraken maakt met de instanties.
College bescherming
persoonsgegevens
Het
College bescherming
persoonsgegevens (Cbp) bracht in haar reactie de volgende
punten naar voren:
• de rol van het Inlichtingenbureau
als verantwoordelijke in de zin van de Wbp: naar de mening van het Cbp werd niet duidelijk waarvoor het Inlichtingenbureau verantwoordelijk was. Dit is verhelderd door in het
algemeen deel van de
toelichting (onder de kop "bescherming persoonsgegevens") aan te geven dat het
Inlichtingenbureau verantwoordelijk is voor de taken als genoemd
in artikel 2 van dit besluit;
• de taken van het Inlichtingenbureau: het Cbp stelt dat de afbakening van de "andere
taken",
zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, van het besluit, onvoldoende scherp was indien bij deze
"andere taken" persoonsgegevens
zouden worden verwerkt.
Naar aanleiding van deze reactie is in de toelichting op dit
artikel aangepast;
• de beveiliging van
het Inlichtingenbureau: het Cbp vraagt nogmaals aandacht voor haar brief
(van 21 juli 2000 aan de toenmalige Stichting CVCS) waarin staat aan
welke technische en beveiligingseisen het Inlichtingenbureau
ingevolge de Wbp dient te voldoen. De aanbevelingen die het Cbp in deze brief
doet, zijn meegenomen bij de ontwikkeling van de elektronische
voorzieningen van het Inlichtingenbureau;
• de rechten van de
betrokkene: terecht wijst het Cbp erop dat de verantwoordelijke zelf
zorg draagt voor de uitvoering van een beslissing tot verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming van persoonsgegevens. Dit is zo in de
toelichting op artikel 8 opgenomen.
Dit besluit is
voorafgaand aan de inwerkingtreding aan beide kamers der Staten-Generaal
voorgelegd. Naar aanleiding hiervan is nader toegelicht dat eventuele
andere taken van het Inlichtingenbureau alleen uit publieke middelen mogen worden gefinancierd.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Taken
Inlichtingenbureau
In het eerste lid worden de taken van het Inlichtingenbureau
benoemd. In
onderdeel a wordt verwezen naar de taken die het Inlichtingenbureau
krijgt binnen de elektronische infrastructuur voor SUWI (Suwinet). Op hoofdlijnen gaat het
hierbij om de volgende taken.
• Artikel 64 Wet
SUWI: het verstrekken van gegevens met gebruik van Suwinet overeenkomstig
het Gegevensregister SUWI (de weergave van de definities, de structuur
en de schrijfwijze van de gegevens);
• Artikel 66, tweede
lid, onderdeel c, Wet SUWI: de inrichting van een
Personenverwijsbestand/verwijsindex
in het Stelselontwerp Suwinet (de beschrijving van de
technische voorzieningen, de functionaliteiten en de specificaties die worden
toegepast bij de inrichting en werking van Suwinet);
• Artikel 66, tweede
lid, onderdeel f, Wet SUWI: de inrichting van een toegangsmachtigingsadministratie
(een administratie waarin wordt aangeven welke functionarissen kennis kunnen nemen van bij een andere
dan de desbetreffende organisatie geregistreerde gegevens die zijn weergegeven in het
Gegevensregister SUWI);
• Artikel 67 Wet
SUWI: de organisatie van (onderdelen van) het beheer van
Suwinet;
• Artikel 68 Wet
SUWI: het jaarlijks vaststellen van een verslag van de aard en frequentie van de
uitwisseling van gegevens met behulp van Suwinet.
De taken, genoemd in de
onderdelen b tot en met e, betreffen in het algemeen deel van deze
nota toegelichte taken op grond van de Abw. De taak van onderdeel
d hangt samen met artikel 7, derde lid (en artikel 11,
tweede lid, Wbp). Op
grond van die bepaling moeten burgemeester en wethouders, als er
onjuistheden zitten in de door het Inlichtingenbureau ter beschikking gestelde
gegevens, dit zo spoedig mogelijk aan het Inlichtingenbureau
melden. Het Inlichtingenbureau stuurt deze meldingen vervolgens door aan de
instantie die de betreffende (onjuiste) gegevens verstrekt heeft; zie ook
het algemeen deel van deze toelichting, onder "Lisv". Op deze manier
wordt bewerkstelligd dat er bij het Inlichtingenbureau geen onjuiste gegevens
worden opgeslagen, terwijl de instantie die de onjuiste gegevens oorspronkelijk verstrekt heeft, deze kan (en
moet) verbeteren.
De andere taken (onderdeel f
t/m i) vloeien voort uit de taken op grond van de Abw en de Wet
SUWI. In
onderdeel f wordt onder "beheren" van de elektronische
voorzieningen verstaan het zorgen voor een werkend
systeem, inclusief communicatielijnen naar gemeenten en andere instanties. Ook valt
hieronder het doen van voorstellen voor en uitvoeren van vernieuwing en
uitbreiding van de voorzieningen. Omdat het Inlichtingenbureau gaat
fungeren als instelling voor coördinatie en dienstverlening op het
gebied van elektronische gegevensuitwisseling voor gemeenten in het
socialezekerheidsdomein, zal de
minister plannen die betrekking hebben op
dit gebied en daarmee van invloed kunnen zijn op de taakuitoefening en
effectiviteit van het Inlichtingenbureau, door het Inlichtingenbureau laten
toetsen (onderdeel i). Zie de toelichting bij de artikelen 7 en
8 voor de
taken onder g en h.
In het tweede lid wordt
de mogelijkheid opengelaten dat het Inlichtingenbureau andere taken uitvoert dan
de in het eerste lid genoemde. In het algemeen deel van deze
toelichting wordt nader ingegaan op de criteria waaraan deze taken moeten
voldoen. De financiering van deze activiteiten zal ook in de boekhouding
worden onderscheiden van het budget voor de taken op grond van het
eerste lid. Zoals ook in het algemene deel van de toelichting is
aangegeven, kan deze financiering nooit uit private middelen geschieden, maar wordt
het Inlichtingenbureau alleen met publieke middelen gefinancierd. In
het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel
3.1, eerste lid,
van het Besluit SUWI (zie ook het algemeen deel van deze toelichting, onder
"Ctsv") wordt geregeld dat de minister een besluit van de
CWI, het UWV
of de SVB om andere dan de in de Wet SUWI bedoelde taken uit te
voeren uitsluitend kan goedkeuren, indien:
a. de goede uitvoering van de
in die wet bedoelde taken daardoor niet in gevaar komt;
b. de andere
taken in opdracht en voor rekening en risico van de opdrachtgever worden
uitgevoerd;
c. de mogelijkheden van de Inspectie Werk en Inkomen
om toezicht te houden op de uitvoering van de wetten door de CWI, het
UWV en de SVB voldoende aanwezig blijven;
d. de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in acht wordt genomen;
e. de uitvoering van die andere
taken gescheiden van de uitvoering van de wettelijke taken
plaatsvindt, voor zover de andere taak niet noodzaakt tot een gezamenlijke
uitvoering.
Artikel
3.
Gegevensverstrekking aan burgemeester en wethouders
In het eerste lid wordt
gespecificeerd welke gegevens met welk doel door gemeenten, via het
Inlichtingenbureau, bij welke instanties worden opgevraagd. De opsomming
van de instanties onder a tot en met d is limitatief, met dien
verstande dat hieraan bij ministeriële regeling, bij wijze van proef, andere
instanties toegevoegd kunnen worden; uiteraard geldt dit alleen voor
instanties die in artikel 122 van de Abw
worden genoemd. Daarvoor is in
het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd. Een dergelijke proefneming is
bedoeld om te onderzoeken hoe, tegen welke condities en met welke
resultaten uitwisseling met andere instanties mogelijk is. Deze proef
is altijd van tijdelijke aard. Indien de proefneming succesvol is, zal aanpassing van het eerste lid volgen, waarmee de
uitwisseling een
definitief karakter krijgt.
Met behulp van de in het
eerste lid, onderdeel a tot en met d, kunnen burgemeester en
wethouders vaststellen welke andere inkomsten een bijstandsgerechtigde
heeft (uit arbeid, uitkering, vermogen, studiefinanciering of
tegemoetkoming) en of
hij ingeschreven staat bij een onderwijsinstelling.
Artikel
4. Elektronische
gegevensuitwisseling en voorzieningen
Burgemeester en
wethouders vragen via het Inlichtingenbureau
aan andere instanties
elektronisch opgaven en inlichtingen. Dit betreft dan alleen de primaire
vraag:
de inlichtingen die via het Inlichtingenbureau worden verkregen zullen
veelal de start zijn van een nader onderzoek door burgemeester en
wethouders. Indien in het kader van een dergelijk onderzoek aanvullende
informatie nodig is van dezelfde instantie, zullen burgemeester en
wethouders deze informatie niet via het Inlichtingenbureau opvragen, maar
rechtstreeks bij de betreffende instantie, bijvoorbeeld door middel van meer
traditionele instrumenten zoals een brief. Het Inlichtingenbureau
verzorgt dus slechts een periodieke en systematische uitwisseling van
gegevens.
Om te voorkomen dat
iedere gemeente een eigen invulling wil geven aan de berichtenuitwisseling via het Inlichtingenbureau en om te
bevorderen dat de werking van de voorzieningen transparant en kenbaar is, worden hieromtrent
bij ministeriële regeling regels gesteld. Hierbij gaat het vooral om de wijze en
het tijdstip waarop de elektronische gegevensuitwisseling plaatsvindt. Overigens
betekent "uitwisseling" niet noodzakelijkerwijs dat gegevens heen en weer
gestuurd worden; het is ook mogelijk dat de gegevens
(elektronisch) ingezien of opgehaald worden.
Bij ministeriële
regeling worden eveneens het logisch ontwerp en de gegevensset van het
Inlichtingenbureau vastgesteld; zie hierboven onder Administratie en bij
artikel 2. Hierbij wordt aangesloten bij (de nadere regelgeving met
betrekking tot) het
Stelselontwerp en het Gegevensregister Suwinet; zie ook het algemeen deel
van deze toelichting, onder "Veranderorganisatie SUWI". Het ontwerp van
Suwinet bevat bijvoorbeeld een beschrijving van de
inrichting van een Personenverwijsbestand (verwijsindex) door het
Inlichtingenbureau, wat als zodanig weer een integraal onderdeel is van het
ontwerp en de werking van het Inlichtingenbureau.
Artikel
5. Regeling
abonnement
Het
Inlichtingenbureau maakt met de bronnen afspraken over de wijze waarop wijzigingen in
gegevens van de bronnen aan hem worden doorgegeven. De in het tweede, derde en vierde lid van het artikel gebruikte
term "regeling" is
ontleend aan artikel 122, zesde lid, van de Abw, waarop deze bepalingen zijn
gebaseerd; hiermee worden "afspraken" bedoeld, geen algemeen verbindende
voorschriften. Deze afspraken kunnen per bron verschillen, zijn
openbaar en behoeven de goedkeuring van de Minister van
SZW. Bij
bronnen waar gegevens van cliënten frequent wijzigen zullen afspraken
over zogenoemde "abonnementen" worden gemaakt.
Een abonnement betekent
dat een bron automatisch een melding aan het Inlichtingenbureau
geeft op het moment dat de relevante gegevens van een cliënt wijzigen.
In de afspraken die het Inlichtingenbureau met de bronnen maakt zal op gegevensniveau duidelijk moeten worden wat
relevant is. Dit zijn
alleen gegevens die van belang kunnen zijn voor het recht op en de hoogte van
een Abw-uitkering. Ook zullen tussen bronnen en het Inlichtingenbureau
afspraken moeten worden gemaakt over de duur van een abonnement;
dit mag niet langer zijn dan noodzakelijk is. Deze duur wordt beperkt
door enerzijds de einddatum van een Abw-uitkering en anderzijds de frequentie waarmee de gegevens van
bron worden "ververst".
Indien bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid normaliter binnen acht
weken na aanvang bekend worden, ligt de einddatum van een
abonnement op acht weken na de einddatum van de Abw-uitkering. Overigens
is het Inlichtingenbureau ook bij de toepassing van de juiste einddatum
van een uitkering afhankelijk van de tijdige opgave door de gemeente.
Het doel van een
abonnement is het voorkomen van onnodig veel berichtenverkeer; zonder
abonnement zou het Inlichtingenbureau telkens opnieuw voor alle Abw-cliënten een vraag bij de bronnen moeten
neerleggen. Daarnaast
wordt informatie met behulp van een abonnement sneller verkregen. Van de
bronnen waarmee op basis van dit besluit gegevens worden
uitgewisseld, zal vooralsnog alleen bij het UWV
met abonnementen worden
gewerkt; zie ook het algemeen deel van deze toelichting, onder "Lisv". Per gegevensstroom zal steeds de noodzaak voor het afsluiten van
abonnementen worden beoordeeld.
Op gegevensuitwisseling
tussen gemeenten en andere instanties in het
SUWI-domein
(CWI en UWV)
in het kader van de uitvoering van de Abw is de
Wet SUWI van
toepassing. Indien het Inlichtingenbureau met deze instanties berichten uitwisselt, zullen deze berichten moeten worden
opgesteld conform de
standaards die in het kader van Suwinet zijn bepaald, zowel wat
betreft de schrijfwijze en definitie van gegevens als wat betreft de structuur
van het bericht zelf.
In het eerste lid van
artikel 5 van dit besluit is daarom in aansluiting op de artikelen 64 en
66 van
de Wet SUWI bepaald dat de
minister bij ministeriële regeling
regels kan stellen over de uitwisseling van berichten tussen het
Inlichtingenbureau en de CWI of het UWV. Hiertoe doet het Inlichtingenbureau, na
overleg met de CWI of het UWV, aan de minister een voorstel voor
vastleggen van de berichten in een ministeriële regeling, waarmee de
berichten onderdeel worden van de standaards in het kader van Suwinet.
Artikel
6.
Pre-abonnementen
Met de bronnen maakt het
Inlichtingenbureau ook afspraken over zogenoemde "pre-abonnementen"
(artikel 122, achtste lid, Abw). Een pre-abonnement
werkt als volgt: burgemeester en wethouders vragen via het Inlichtingenbureau aan
een bron informatie over een persoon. Bij de bron is op dat moment geen
informatie bekend over deze persoon. Om te voorkomen dat de vraag
van burgemeester en wethouders elke keer opnieuw moet worden
gesteld - hetgeen onnodig berichtenverkeer met zich meebrengt - legt
de bron de vraag van burgemeester en wethouders elektronisch vast. Op het
moment dat er gegevens over de cliënt bekend worden, worden deze
direct doorgegeven en wordt de normale gegevensuitwisseling (via een abonnement)
opgestart.
Een pre-abonnement is
alleen nuttig bij bronnen die ook abonnementen ondersteunen: vooralsnog
dus alleen het UWV. Van de bron die een pre-abonnement vastlegt,
wordt verlangd dat dit zodanig gebeurt dat de gegevens van de cliënt
onherkenbaar zijn en niet toegankelijk in het reguliere werkproces.
Op het moment dat een Abw-uitkering wordt beëindigd, eindigt ook het pre-abonnement binnen
dezelfde termijn als het abonnement.
Artikel
7. Verwerking
persoonsgegevens
Naast de in het algemene
deel toegelichte persoonsgegevens, opgesomd in het eerste
lid, onderdeel a tot en met e, administreert het Inlichtingenbureau
ook,
ter bewaking van de goede ontvangst en integriteit van de
berichten, wanneer berichten zijn ontvangen van dan wel ter beschikking
gesteld zijn aan derden (eerste lid, onderdeel f tot en met h). Daarnaast bewaart het
Inlichtingenbureau elektronische adressen van gemeenten
en bronnen. Dit
is nodig om gegevens te kunnen versturen en ontvangen. Het tweede lid
is toegelicht bij artikel 2 (eerste lid, onderdeel d).
Uiteraard is de Wbp
van
toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ook voor het
Inlichtingenbureau. De belangrijkste zijn in dit verband de artikelen 10,
tweede lid, en 13 van de Wbp. Uit deze bepalingen volgt dat het
Inlichtingenbureau gegevens over personen niet langer mag bewaren dan
noodzakelijk is op basis van zijn taken, bedoeld in artikel
2, eerste lid,
en dat hij passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer
moet leggen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen
enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen moeten,
rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de
tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau garanderen gelet op de
risico’s die de verwerking en de aard van te beschermen gegevens met
zich meebrengen. De maatregelen moeten er mede op gericht zijn
onnodige verzameling en verdere verwerking van persoonsgegevens te
voorkomen.
Op grond van het derde
lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels gesteld worden
omtrent de verwerking van (persoons)gegevens.
Artikel
8. Voorlichting
Het
Inlichtingenbureau is
een "elektronisch doorgeefluik". Dit betekent dat de gegevens die het
Inlichtingenbureau ontvangt, registreert en doorgeeft altijd van een andere bron afkomstig zijn. Het Inlichtingenbureau
verandert aan deze
gegevens niets en doet zelf niet aan interpretatie van de gegevens.
Niettemin heeft het Inlichtingenbureau, op grond van artikel 34 van de Wbp, een verantwoordelijkheid ten aanzien van de individuele personen wier
gegevens worden verwerkt.
Het Inlichtingenbureau
zal dan ook voorlichtingsmateriaal ontwikkelen gericht op deze personen,
waarin in ieder geval zal worden behandeld: welke (persoons)gegevens
het Inlichtingenbureau verwerkt, hoe lang de gegevens worden bewaard,
hoe de beveiliging van de gegevens is geregeld en hoe de
betrokkene zijn gegevens kan inzien en corrigeren. Gemeenten
zullen worden
verplicht dit materiaal bij de aanvraag van een uitkering aan de
belanghebbende ter beschikking te stellen. Daarnaast zal hieraan op de website van
het Inlichtingenbureau en in artikelen in bladen aandacht worden besteed.
De betrokkene heeft op
grond van de Wbp
rechten, onder andere recht op inzage en correctie
van de eigen gegevens (artikelen 35 en 36). Voor die gevallen waarin de gegevens die het Inlichtingenbureau heeft
geregistreerd naar de
mening van betrokkene niet juist zijn, zal het Inlichtingenbureau een
procedure ontwikkelen. Daarbij zal aan de betrokkene ook worden
aangegeven welke acties hij kan ondernemen om de gegevens bij de bron
(de instantie van wie de gegevens afkomstig zijn) te laten wijzigen. Dit
doet niet af aan de plicht van het Inlichtingenbureau om zelf de gegevens van
de betrokkene in zijn administratie te wijzigen of verwijderen indien
besloten is dat dit nodig is (artikel 36, derde lid, Wbp). Een procedure waarbij de
betrokkene zich tot de bron (de leverancier van de gegevens aan het
Inlichtingenbureau) wendt, ligt vanuit praktisch oogpunt meer voor de
hand, omdat een wijziging van de gegevens bij de bron, zelf verantwoordelijke in de zin van de
Wbp, zuiverder is en
automatisch leidt tot een wijziging van de gegevens in de administratie van het
Inlichtingenbureau.
Artikelen 9 en
11.
Begroting, jaarplan, budget, jaarverslag, jaarrekening en accountantsverklaring
Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld omtrent (de inhoud en de indiening van) de
begroting, het jaarplan, het jaarverslag, de jaarrekening, en omtrent de
accountantsverklaring en het onderzoek dat resulteert in deze
verklaring.
In het jaarplan en het
-verslag wordt ten minste aandacht besteed aan:
• wijzigingen in het
informatiesysteem dat door het Inlichtingenbureau
wordt beheerd, waaronder
de gegevensset die wordt gehanteerd en de bronnen waarmee gegevens
worden uitgewisseld;
• het aantal berichten
dat via het Inlichtingenbureau wordt uitgewisseld, gespecificeerd naar
verzendende en ontvangende partijen;
• de wijze waarop het
Inlichtingenbureau rekening heeft gehouden met voorafgaande toezichtsbevindingen van de
Minister van SZW;
• de kwaliteit van de
gegevensuitwisseling, waaronder tijdigheid en integriteit;
• de wijze waarop de
privacy van personen wordt beschermd;
• de voorlichting aan
burgers en gemeenten over de activiteiten van het Inlichtingenbureau;
• de inrichting van de
organisatie van het Inlichtingenbureau en de wijze waarop de interne
controle wordt vormgegeven.
In de jaarrekening moet
worden aangetoond dat de rijksbijdrage - rechtmatig en doelmatig - aan de daarvoor bestemde taken is besteed. In de financiële administratie van het Inlichtingenbureau dienen de publieke
middelen die ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de taken, bedoeld in
artikel 2,
eerste lid, van het Inlichtingenbureau, administratief gescheiden te blijven van
(uit andere bron ontvangen) gelden die voor eventuele andere
activiteiten worden aangewend. Onder deze laatste categorie worden
bijvoorbeeld begrepen de activiteiten, bedoeld in artikel
2, tweede lid. Het is
mogelijk dat het Inlichtingenbureau voor dergelijke activiteiten een bijdrage
van gemeenten ontvangt.
Op grond van artikel 11
worden, in verband met de korte termijn waarop het één en ander
moet gebeuren, met betrekking tot de vaststelling en indiening
van de begroting en het jaarplan alsmede de vaststelling van het
budget voor het kalenderjaar 2002, bij ministeriële regeling (andere) regels
gesteld.
Artikelen 10 en
12.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt
tegelijk in werking met de Wet SUWI en de daarbij behorende
Invoeringswet.
Het streven is dat dit op 1 januari 2002 gebeurt.
Het Inlichtingenbureau
zal echter niet alle gemeenten ineens kunnen ondersteunen bij de
uitwisseling van gegevens via het Inlichtingenbureau. Hiervoor is een implementatietijd nodig, die naar verwachting tot in het
eerste kwartaal van 2003 duurt. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven
vanaf welk moment dit
besluit geldt (artikel 10).
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|
|