| |
|
|
|
|
vorige
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant
BESLUIT
SUWI
20 december 2001, Stb.
2001, 688
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. artt. 5:6, 13:4, 13:5, 25:1d,
28:3, 30:7, 30a:9,
30b:1d, 30d:2,
33:9,
33a:2, 35:5,
35:7, 54:7,
62:4,
63, 73:4, 73:5,
73:7, 73:10 en
73a Wet
SUWI, 7:5, 53a:1,
64:8, 64:9, 64:10
en 67:4
Wwb, 49:9 en 50:4
WIJ, 125:3 en 145:1
Abw, 14:1, 34:4,
45:7, 45:8, 48:4 en 64:1 Ioaw,
14:1, 34:4, 45:7,
45:8, 48:4 en 64:1 Ioaz,
21:2, 40:7, 40:8,
43:3 en 43:4 Wwik,
2.7a IWIA,
8:7, 10:5, 14:2,
15:2 en 33a:4 Wet Rea,
72:5 WW en 8:4 Wiw)
|
|
|
BESLUIT van 20 december
2001 tot vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, en in verband daarmee van enige
andere socialezekerheidswetten (Besluit SUWI)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Op de voordracht van
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 19 oktober 2001,
nr. SUWI/SEC/2001/71128;
Gelet op de artikelen
13,
vijfde lid, 25, eerste lid, onderdeel d,
28, derde lid, en 73, vijfde lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de artikelen 125, derde lid, en 145, eerste lid, van de
Algemene
bijstandswet, de
artikelen 48, derde lid, en 64, eerste lid, van de Wet
inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen
48, derde lid, en 64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de
artikelen 8, zevende lid, 10, vijfde lid,
14, tweede lid, 15, tweede lid, en
33a,
vierde lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, artikel 72, vijfde lid,
van de Werkloosheidswet en artikel
8, vijfde
lid, van de
Wet
inschakeling werkzoekenden;
De Raad van State gehoord
(advies van 12 december 2001, nr. W12.01.0543/IV);
Gezien het nader rapport
van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 13
december 2001, nr. SUWI/SEC/2001/366;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.1.
Begripsbepalingen
In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Wwb: Wet werk en bijstand;
b. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
c. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
d. Wet
Rea: Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
e. WW: Werkloosheidswet;
f. Wet
SUWI: Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet SUWI;
h.
SVB: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet
SUWI;
i. arbeidsgehandicapte:
arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 2 van de Wet
Rea;
j.
arbodienst: een
arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
k.
deskundige persoon: een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
van de Arbeidsomstandighedenwet
die
belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b,
van die
wet;
l. Wfsv: Wet financiering sociale
verzekeringen;
m. Wet WIA: Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen;
n. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
o. ZW: Ziektewet;
p. Zvw: Zorgverzekeringswet;
q.
College zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zvw;
r. zorgautoriteit: de Nederlandse
Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet
marktordening gezondheidszorg;
s. eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel 40 van
de Wfsv toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wfsv;
t.
gebruikers: het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en
wethouders;
u. elektronische voorzieningen:
elektronische voorzieningen als bedoeld in artikel
62, tweede lid, van de Wet SUWI.
HOOFDSTUK
2
Algemene
bepalingen over uitvoering en samenwerking
Art.
2.1. Voorwaarden voor
verrichten van andere werkzaamheden door UWV en SVB
-1. Onze Minister kan een besluit
van het UWV of de SVB
om andere werkzaamheden dan de in de
Wet SUWI bedoelde taken uit te voeren uitsluitend goedkeuren,
indien:
a. de goede uitvoering van de in die wet
bedoelde taken daardoor niet in gevaar komt;
b. de andere werkzaamheden in
opdracht en voor rekening en risico van de opdrachtgever worden
uitgevoerd;
c. de taakuitoefening van de Inspectie
Werk en Inkomen met betrekking tot het toezicht op de uitvoering van
de wetten door het UWV en de SVB,
bedoeld in artikel
37, onderdeel a, van de
Wet SUWI, voldoende gewaarborgd is;
d. de Wet
op het financieel toezicht in acht wordt genomen voor zover deze
van toepassing is;
e. de uitvoering van die andere
werkzaamheden gescheiden van de uitvoering van de wettelijke taken
plaatsvindt, voor zover de andere werkzaamheid niet noodzaakt tot een
gezamenlijke uitvoering.
-2. Het UWV, onderscheidenlijk de SVB, meldt de werkzaamheden,
bedoeld in artikel
5, vierde lid, van de
Wet SUWI, binnen een termijn van vier weken na aanvang van die
werkzaamheden.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
berekening van de prijzen die voor het verrichten van andere
werkzaamheden in rekening worden gebracht. [RS]
Art.
2.2.
Prestatie-indicatoren
De resultaten van werkzaamheden in verband met de taakuitoefening,
bedoeld in artikel 9 van de
Wet SUWI, worden beoordeeld aan de hand van:
a. voorkoming van
uitkeringsinstroom, bij het UWV;
b. juiste en tijdige
uitkeringsverstrekking, bij het UWV en de SVB;
c. bevordering uitstroom in relatie
tot bemiddeling en re-integratie, bij het UWV;
d. klantgerichtheid, bij het UWV en
de SVB;
e. efficiency, bij het UWV en de
SVB;
f. ketenprestaties, bij het UWV en
colleges van burgemeester en wethouders.
Art. 2.3.
Vervallen.
HOOFDSTUK
3
Regels over
registratie van vreemdelingen als werkzoekende
Art. 3.1. Registratie van
vreemdelingen als werkzoekende
-1. Het UWV registreert op
diens verzoek als werkzoekende:
a. een vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel b of
l,
van de Vreemdelingenwet
2000;
b. een vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel a, van
de Vreemdelingenwet
2000, die onvrijwillig werkloos is terwijl het
verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen, nog van
toepassing is, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsluit;
c. een vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8,
onderdeel a tot en met e, of m, van de Vreemdelingenwet
2000, mits de vergunning tot
verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsloot,
indien de vreemdeling onvrijwillig werkloos is, en mits hij:
1º. vóór de beëindiging
van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating;
of
2º. binnen de termijn,
genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
2000, of buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet
bestuursrecht
toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e, of m, van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De registratie eindigt
voor een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zodra:
a. onherroepelijk op de
aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de
vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet
2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient
te blijven.
HOOFDSTUK
4
Re-integratie
§ 4.1.
Contracteisen voor
publieke opdrachtgevers
Art. 4.1.
Inhoud van
contracten publieke uitvoerders/re-integratiebedrijven
-1. Bij de toepassing van
artikel 30a, negende lid, van de
Wet SUWI laat het UWV de werkzaamheden
verrichten op grond van een schriftelijke overeenkomst waarin in elk
geval is geregeld dat het re-integratiebedrijf verplicht is:
a. alle gegevens en
inlichtingen omtrent deze werkzaamheden op verzoek aan het UWV te
verstrekken, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de in de
aanhef genoemde wetten;
b. de persoonlijke
levenssfeer van de personen van wie de inschakeling in de arbeid wordt
bevorderd, te beschermen overeenkomstig een reglement dat aan die
personen en het UWV wordt overgelegd;
c. in geval van een geschil
tussen de te re-integreren persoon en het re-integratiebedrijf een
klachten- en geschillenregeling toe te passen die door het re-integratiebedrijf aan de te re-integreren persoon en de partij
met wie de in de aanhef
bedoelde overeenkomst is gesloten, is overgelegd;
d. toegang tot en inzage in
alle gegevens te verlenen die een accountant naar zijn oordeel nodig
heeft voor het instellen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel
42,
vierde lid, van de
Wet SUWI;
e. op verzoek aan het UWV
een schriftelijk oordeel van een accountant of een gelijkwaardige
deskundige over de verwerking van informatie en de genomen maatregelen ter
beveiliging van informatie door het re-integratiebedrijf over te
leggen;
f. de gegevens die het
re-integratiebedrijf in verband met deze werkzaamheden verkrijgt
uitsluitend te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van die werkzaamheden dan wel voor
de naleving van
verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
g. indien dit
re-integratiebedrijf deze werkzaamheden laat verrichten door een ander
re-integratiebedrijf, in een schriftelijke overeenkomst met dat andere re-integratiebedrijf te regelen dat voor dat bedrijf, die persoon
of dienst de verplichtingen
jegens het UWV, bedoeld in onderdeel a tot en met f,
gelden.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
-3.
Indien het college van burgemeester en wethouders
werkzaamheden
die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7, eerste
lid, onderdeel a, en zevende lid, van de Wwb,
34, eerste lid, onderdeel a,
van de Ioaw en artikel
34, eerste lid, onderdeel a, van de Ioaz, worden uitgevoerd, laat uitvoeren door een
re-integratiebedrijf, is het
eerste lid van overeenkomstige toepassing, waarbij in de overeenkomst
tevens is geregeld dat het college op verzoek of uit eigen beweging in
kennis wordt gesteld van het gegronde vermoeden dat een persoon voor
wie de voorzieningen zijn bestemd onvoldoende medewerking verleent aan
deze werkzaamheden, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van
genoemde wetten. [RW]
§ 4.2.
Individuele re-integratieovereenkomst
Art.
4.2. Mogelijkheid individuele re-integratieovereenkomst te
sluiten door UWV
-1. Het UWV
kan ten behoeve van een
persoon als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onderdeel
a en c, van de Wet SUWI, met
uitzondering van een uitkeringsgerechtigde op grond van de WW
tenzij sprake is van een werknemer als bedoeld in artikel
20, zesde lid, onderdeel a, van die wet
en met uitzondering van een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, op diens aanvraag een
individuele re-integratieovereenkomst sluiten met een
re-integratiebedrijf, overeenkomstig de voorkeur van de
aanvrager, ter uitvoering van werkzaamheden die zijn gericht op de
inschakeling in het arbeidsproces.
-2. Het UWV bepaalt het ten hoogste aan het re-integratiebedrijf verschuldigde bedrag voor de
uitvoering van de individuele re-integratieovereenkomst,
bedoeld in het eerste lid,
en het tijdvak
waarvoor de individuele re-integratieovereenkomst,
bedoeld in het eerste lid,
wordt gesloten.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de voorwaarden waaronder door het UWV een
individuele re-integratieovereenkomst
als bedoeld in het eerste lid
kan worden gesloten en omtrent de
inhoud van de individuele re-integratieovereenkomst,
bedoeld in het eerste lid. [Bbir]
[RS]
Art. 4.2a.
Vervallen.
Art.
4.3. Termijn sluiten van een individuele re-integratieovereenkomst
-1. In geval van een toekennende
beschikking op een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2,
eerste lid, sluit het UWV binnen zes weken
na het nemen van die beschikking een overeenkomst met een re-integratiebedrijf dat de in artikel 4.2,
eerste lid, bedoelde werkzaamheden uitvoert.
-2. De persoon ten behoeve van wie een individuele
re-integratieovereenkomst als bedoeld in
artikel 4.2, eerste lid, wordt
gesloten, tekent een exemplaar van die overeenkomst voor gezien en
verstrekt dit aan het UWV.
Art.
4.4. Weigering van sluiting van een individuele re-integratieovereenkomst
De aanvraag om een individuele re-integratieovereenkomst kan in ieder
geval worden geweigerd in de gevallen waarin op grond van artikel
4:35, eerste lid, onderdeel a en b, en tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht een
subsidieverlening kan worden geweigerd en indien niet wordt voldaan aan
de
krachtens artikel 4.2, derde lid,
door het UWV gestelde
voorwaarden.
Art.
4.5. Evaluatie
Onze Minister
zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen
4.2 tot en met 4.4 aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze artikelen in de praktijk.
Art.
4.6. Vervallen.
§ 4.3.
Persoonsgebonden re-integratiebudgetten
§ 4.3.1.
Algemene
bepalingen omtrent het persoonsgebonden re-integratiebudget voor arbeidsgehandicapte
werknemers
Art. 4.7.
Nadere
begripsbepalingen
In deze paragraaf en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. arbeidsgehandicapte
werknemer: een arbeidsgehandicapte werknemer als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, van de Wet Rea,
zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding
van de IWIA, dan wel een werknemer of persoon
als bedoeld in artikel 2.7a,
eerste lid, van de IWIA;
b. subsidie: een subsidie
als bedoeld in artikel
2.7a, eerste lid, onderdeel a, van de IWIA;
c. subsidieontvanger: de
arbeidsgehandicapte werknemer aan wie een subsidie is verstrekt als
bedoeld in artikel
2.7a, eerste lid, onderdeel a, van de IWIA;
d. persoonsgebonden
re-integratieovereenkomst: een overeenkomst als bedoeld in
artikel 2.7a,
eerste lid, onderdeel b, van de IWIA;
e. begunstigde: de
arbeidsgehandicapte werknemer ten behoeve van wie een overeenkomst is
gesloten als bedoeld in artikel
2.7a, eerste lid, onderdeel b, van de IWIA;
f. IWIA: Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Art. 4.8.
Bestedingsdoel
-1. Het UWV kan op een
aanvraag als bedoeld in artikel
2.7a van de IWIA
een subsidie
verstrekken ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op behoud, herstel of
bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, waaronder begrepen het
behouden en
verkrijgen van een dienstbetrekking, of een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst sluiten ter uitvoering van
die werkzaamheden.
-2. Onder werkzaamheden
als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
a. begeleiding en
advisering;
b. opleiding;
c. arbeidsbemiddeling en
andere werkzaamheden die, in aansluiting op de onder a en b bedoelde
werkzaamheden, zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.
-3. Kosten van
werkzaamheden die niet zijn beschreven in het in artikel
4.10, onderdeel
b,
bedoelde trajectplan komen niet voor subsidiëring in aanmerking en ter
uitvoering van die werkzaamheden wordt geen persoonsgebonden re-integratieovereenkomst gesloten, tenzij het UWV
voor het verrichten van
die werkzaamheden schriftelijk goedkeuring heeft verleend.
Art. 4.9.
Keuze voor
subsidie of contract
Bij de aanvraag, bedoeld
in artikel 2.7a van de IWIA, vermeldt de aanvrager of
zijn aanvraag betrekking heeft op verstrekking van subsidie dan wel het
sluiten van een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst door het UWV.
Art. 4.10.
Voorwaarden
voor het verstrekken van een persoonsgebonden re-integratiebudget
Het UWV kan uitsluitend
een subsidie verstrekken of een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst
sluiten, indien:
a. de aanvraag wordt
ingediend binnen zes weken nadat het oordeel van het UWV omtrent de
aanwezigheid van passende arbeid in het bedrijf van zijn werkgever of in
een ander bedrijf als bedoeld in artikel 2.7a,
tweede lid, van de IWIA aan de arbeidsgehandicapte werknemer bekend is gemaakt;
b. de aanvraag vergezeld
gaat van een door of namens de werknemer opgesteld trajectplan
waarin in elk geval zijn opgenomen:
1º. het opleidingsniveau
en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer van de arbeidsgehandicapte werknemer;
2º. een beschrijving van
de werkzaamheden die de aanvrager op grond van artikel
2.7a, eerste lid, van de IWIA zal laten verrichten;
3º. de verwachte begin-
en einddatum van de werkzaamheden, bedoeld in artikel
2.7a van de IWIA;
4º. de
beroepsactiviteiten die de aanvrager naar verwachting na afloop van die periode kan
vervullen;
5º. een begroting van de
kosten van de in artikel 4.8 bedoelde werkzaamheden.
Art. 4.11.
Verhaal van
kosten op de werkgever
-1. De werkgever vergoedt
aan het UWV 50 procent van de kosten die door het
re-integratiebedrijf aan het UWV in rekening
worden gebracht voor het
verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van de persoonsgebonden
re-integratieovereenkomst, tenzij de arbeidsgehandicapte werknemer binnen drie
maanden nadat de werkzaamheden ter uitvoering van de
persoonsgebonden re-integratieovereenkomst zijn geëindigd een dienstbetrekking met een andere werkgever is aangegaan
en deze arbeidsgehandicapte werknemer voor een aaneengesloten periode van ten
minste 26
weken daadwerkelijk in dienstbetrekking met deze andere werkgever heeft gestaan of met die arbeid in een periode van
één jaar ten minste gedurende 26 weken inkomsten heeft verworven waardoor hij geen recht
meer heeft op een uitkering anders dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in verband met het verwerven van die inkomsten of verrichten
van die arbeid.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien de werknemer voor het
verrichten van de werkzaamheden een subsidie als bedoeld in deze paragraaf
heeft ontvangen.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
§ 4.3.2.
Persoonsgebonden re-integratiebudget in de vorm van een subsidie
Art. 4.12.
Verlening
van subsidie
-1. Op de aanvraag om een
subsidie wordt een beschikking omtrent subsidieverlening
gegeven.
-2. In de
subsidievoorwaarden bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt in elk
geval opgenomen dat in een overeenkomst die de subsidieontvanger met
een re-integratiebedrijf sluit, wordt geregeld:
a. de duur van de
overeenkomst alsmede de hoogte van de kosten die door het re-integratiebedrijf
in rekening zullen worden gebracht;
b. dat de overeenkomst
door beide partijen wegens gewichtige redenen tussentijds door
opzegging kan worden beëindigd;
c. dat het re-integratiebedrijf verplicht is:
1º. toegang tot en inzage in alle gegevens
te verlenen die een accountant naar zijn oordeel nodig heeft voor het
instellen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel
42, vierde lid, van de Wet SUWI;
2º.
de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie de inschakeling in
de arbeid wordt bevorderd te beschermen overeenkomstig een reglement dat
aan die personen en de werkgever wordt overgelegd;
3º. in geval van een geschil tussen de te
re-integreren persoon en het re-integratiebedrijf een klachten- en
geschillenregeling toe te passen die door het re-integratiebedrijf aan
de te re-integreren persoon en de werkgever is overgelegd;
4º. op verzoek aan de werkgever een
schriftelijk oordeel van een accountant of een gelijkwaardige deskundige
over de verwerking van informatie en de genomen maatregelen ter
beveiliging van informatie door het re-integratiebedrijf over te leggen;
5º. de gegevens die het re-integratiebedrijf
in verband met deze werkzaamheden verkrijgt
uitsluitend te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor het
verrichten van die activiteiten of werkzaamheden dan wel voor de
naleving van verplichtingen als bedoeld in de subonderdelen 1 tot en
met 4;
6º. indien dit re-integratiebedrijf deze
werkzaamheden laat verrichten door een ander re-integratiebedrijf, in
een schriftelijke overeenkomst met dat andere re-integratiebedrijf te
regelen dat voor dat bedrijf de verplichtingen, bedoeld in de
subonderdelen 1 tot en met 6,
gelden;
d. dat het re-integratiebedrijf aan het UWV op verzoek of na toestemming van de
subsidieontvanger
uit eigen beweging gegevens verstrekt over de besteding van de
subsidie.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tweede lid.
Art. 4.13.
Hoogte van
de subsidie en tijdvak van gesubsidieerde werkzaamheden
-1. De subsidie bedraagt
ten hoogste een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag. [RS]
-2. De subsidie wordt
verleend voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.8 gedurende een
tijdvak van ten hoogste één jaar.
-3. Indien de aanvrager
van een subsidie of de subsidieontvanger aantoont dat de
noodzakelijke kosten van de werkzaamheden die zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid
hoger zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag of die werkzaamheden
langer zullen duren dan een tijdvak van één jaar, kan subsidie worden
verleend voor een hoger bedrag of een langere periode.
-4. De in het derde lid
bedoelde bevoegdheid bestaat uitsluitend indien het in het eerste lid
bedoelde bedrag of de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden gedurende
een tijdvak van één jaar redelijkerwijs niet zullen kunnen leiden tot behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden
tot het verrichten van arbeid.
Art. 4.14.
Voorschotten
-1. Het UWV kan aan de
subsidieontvanger voorschotten op de vast te stellen subsidie verlenen
aan de hand van aan het UWV overgelegde declaraties voor de
werkzaamheden die voortvloeien uit het trajectplan.
-2. Indien het UWV besluit
tot het verlenen van voorschotten, betaalt het UWV de voorschotten
binnen één week na het nemen van dat besluit aan de subsidieontvanger of
aan het re-integratiebedrijf waarmee de subsidieontvanger een
overeenkomst heeft gesloten.
Art. 4.15.
Inlichtingenverstrekking
-1. De subsidieontvanger
dient iedere drie maanden bij het UWV een rapportage in waarin een
beschrijving is opgenomen van de ten behoeve van de subsidieontvanger
verrichte werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.8. In de rapportage
worden in ieder geval de resultaten van de uitvoering van het trajectplan en de prognose voor de resterende periode
van het traject beschreven en wordt een overzicht gegeven van de tot op dat moment
gemaakte
kosten.
-2. De subsidieontvanger
verstrekt onverwijld en uit eigen beweging alle gegevens en
inlichtingen omtrent voortijdige beëindiging van gesubsidieerde trajecten
aan het UWV.
-3. De subsidieontvanger
verstrekt op verzoek aan het UWV alle gegevens en inlichtingen
die van belang zijn voor de vaststelling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van
artikel 2.7a van de IWIA, alsmede binnen
vier weken alle hem betreffende informatie die noodzakelijk is voor de evaluatie van deze regeling.
Art. 4.16.
Subsidievaststelling
De subsidieontvanger
dient binnen zes weken na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is
verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
§ 4.3.3.
Persoonsgebonden re-integratiebudget in de vorm van een overeenkomst
Art. 4.17.
Sluiten van
een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst
-1. In geval van een
toekennende beschikking op een aanvraag om een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst sluit het UWV binnen zes weken na het nemen van
die beschikking een overeenkomst met een re-integratiebedrijf dat de in artikel 4.8 bedoelde werkzaamheden uitvoert.
-2. Het UWV sluit een
overeenkomst met een re-integratiebedrijf als bedoeld in
het eerste lid overeenkomstig de voorkeur voor een re-integratiebedrijf van de aanvrager of begunstigde.
Art. 4.18.
Weigering
van sluiting van een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst
Het sluiten van een
persoonsgebonden re-integratieovereenkomst kan in ieder geval worden
geweigerd in de gevallen, bedoeld in artikel 4:35 van de
Algemene wet
bestuursrecht.
Art. 4.19.
Prijs en
duur van de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst
-1. Het door het UWV
aan
het re-integratiebedrijf verschuldigde bedrag voor
de uitvoering van de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst
bedraagt ten hoogste een bij ministeriële regeling vastgesteld
bedrag. [RS]
-2. De persoonsgebonden re-integratieovereenkomst wordt gesloten voor een tijdvak van ten
hoogste één jaar.
-3. Indien de aanvrager
van een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst of begunstigde aantoont
dat de noodzakelijke kosten van de in artikel 4.8 bedoelde werkzaamheden hoger zijn dan het in het eerste
lid bedoelde bedrag of
die werkzaamheden langer zullen duren dan een tijdvak van één jaar, kan een overeenkomst worden gesloten voor een
hoger bedrag of een
langere periode.
-4. De in het derde lid
bedoelde bevoegdheid bestaat uitsluitend indien het in het eerste lid
bedoelde bedrag of de in het derde lid bedoelde werkzaamheden gedurende
een tijdvak van één jaar redelijkerwijs niet zullen kunnen leiden tot behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden
tot het verrichten van arbeid.
Art. 4.20.
Inhoud van
de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst
-1. In de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst wordt in elk geval geregeld:
a. de duur van de
overeenkomst alsmede de hoogte van de kosten die door het re-integratiebedrijf in rekening zullen worden
gebracht;
b. dat het re-integratiebedrijf iedere drie maanden bij het UWV
een rapportage
indient waarin een beschrijving is opgenomen van de werkzaamheden die
zijn verricht ten behoeve van het behoud, herstel of bevordering
van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de arbeidsgehandicapte werknemer. In de rapportage worden tevens
de resultaten van de
uitvoering van het trajectplan, bedoeld in artikel 4.10, onderdeel b, en de
prognose voor de resterende periode van het traject beschreven en wordt een
overzicht gegeven van de tot op dat moment gemaakte kosten;
c. dat de overeenkomst
door beide partijen wegens gewichtige redenen tussentijds door
opzegging kan worden beëindigd;
d. dat de prijs voor de
overeenkomst uitsluitend wordt betaald voor die werkzaamheden die zijn
beschreven in het in artikel 4.10, onderdeel b, bedoelde trajectplan,
tenzij het UWV voor het verrichten van andere werkzaamheden
schriftelijk goedkeuring heeft verleend;
e. dat het re-integratiebedrijf voldoet aan verplichtingen
als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, onderdeel c;
f. dat het re-integratiebedrijf aan het UWV op verzoek of na toestemming van de
subsidieontvanger uit eigen beweging gegevens
verstrekt over de
uitvoering van de overeenkomst.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
HOOFDSTUK
5
Gegevensverwerking
en gegevensverstrekking
§
5.1. Polisadministratie
Art. 5.1. Gegevensset
polisadministratie
-1. In de polisadministratie worden van de werknemer of de persoon die
vrijwillig verzekerd is voor de ZW, de Wet
WIA, de
WW
en de WAO de
volgende gegevens verwerkt:
a. adresgegevens: straatnaam, huisnummer,
huisnummertoevoeging, postcode, woonplaats, gemeentenaam, woonobjectverwijzing en
locatieomschrijving;
b. postbusadresgegevens: postbusnummer, postcode, woonplaats,
gemeentenaam en locatieomschrijving;
c. buitenlandse adresgegevens: straatnaam, huisnummer,
huisnummertoevoeging, postcode, woonplaats, locatieomschrijving, regionaam en
landcode ISO;
d. socialeverzekeringsnummer buitenland: verzekeringsnummer en
landcode ISO;
e. persoonsgegevens: namen,
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer, het
administratienummer, bedoeld in de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (A-nummer), geboortedatum, overlijdensdatum, geslacht, burgerlijke staat, leefvorm, nationaliteit, verblijfstitel, datum
vertrek uit Nederland, indicatie curatelestelling en indicatie voor
informatiebeveiliging;
f. ontheffing wegens gemoedsbezwaren;
g. verzekeringsplicht werknemersverzekeringen: gegevens inzake de
vaststelling verzekeringsplicht, indicaties verzekerd en premies voor
de werknemersverzekeringen;
h. gegevens over de werkgever in de zin van de
Wfsv
en de
inhoudingsplichtige in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964: naam en
loonheffingennummer;
i. gegevens over de inkomstenverhouding: personeelsnummer, soort
inkomstenverhouding,
collectieve arbeidsovereenkomst, risicopremiegroep, sector, datum begin en
einde van inkomstenverhouding, reden einde inkomstenverhouding
en code invloed verzekeringsplicht;
j. loongerelateerde gegevens: lonen, aantal
SV-dagen, aantal
verloonde uren, ingehouden
loonbelasting en premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in
artikel 41 van de Zvw,
verzekeringssituatie Zvw, andere gegevens van
belang voor de heffing van inkomstenbelasting en toegepaste kortingen.
-2. In aanvulling op het
eerste lid kunnen tevens bij regeling van Onze
Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen gegevens worden
verwerkt die afkomstig zijn van een werkgever in de zin van de Wfsv.
Art. 5.2.
Bijlage
overzicht polisadministratie
-1. In bijlage I bij dit besluit wordt voor de polisadministratie een
overzicht gegeven van de opgenomen gegevens, voor welk doel die gegevens worden verwerkt en hoe die gegevens worden verkregen.
-2. Bijlage I kan bij regeling van
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, en na overleg met het Centraal bureau voor de
statistiek, worden gewijzigd, voor zover deze wijziging geen wijziging tot gevolg heeft van de lijst
van gegevens in artikel 5.1.
§
5.1a. Eenmalige
uitvraag van gegevens
Art.
5.2a. Gegevens eenmalige uitvraag
-1. In bijlage II bij dit besluit wordt
vermeld welke soort gegevens op grond van de artikelen 28,
33a, tweede lid, en 35, vijfde lid, van de
Wet SUWI, 14, eerste lid, van
de Ioaw, 14, eerste lid, van de
Ioaz en 53a, eerste lid, van de
Wwb
niet van de belanghebbende worden verkregen en uit welke bron deze
gegevens afkomstig zijn.
-2. Het UWV informeert de belanghebbende
over de soort gegevens, bedoeld in het eerste lid, op het moment dat hij
een aanvraag als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, van de
Wet SUWI dan
wel een aanvraag voor een uitkering als bedoeld in artikel
30, eerste lid, van de
Wet SUWI indient.
-3. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat tot een in die regeling genoemd tijdstip bepaalde
onderdelen van bijlage II voor bepaalde bestuursorganen met betrekking
tot bepaalde taken niet van toepassing zijn.
[RS]
-4. Bij regeling van Onze Minister, voor
zover het gegevens betreft die afkomstig zijn van de
rijksbelastingdienst in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, wordt nader bepaald voor welke gegevens het eerste lid van
toepassing is.
[RS]
Art.
5.2b. Correctieverzoeken
-1. Indien een betrokkene op
wie de gegevens betrekking hebben bij het indienen van de aanvraag,
bedoeld in artikel 30c, eerste lid, van de
Wet SUWI, dan wel een aanvraag
voor een uitkering als bedoeld in artikel 30,
eerste lid, van de
Wet SUWI,
op grond van de informatie, bedoeld in artikel 5.2a, tweede lid,
vaststelt dat de gegevens niet juist of niet volledig zijn, kan hij het
UWV dan
wel het desbetreffende college van burgemeester en wethouders verzoeken bij
de uitvoering van gegevensverwerking als bedoeld in artikel 62
van de
Wet SUWI zorg te dragen voor verbetering, aanvulling of verwijdering van deze
gegevens.
-2. Indien het UWV en de
colleges van burgemeester en wethouders voor de verwerking van die
gegevens geen verantwoordelijke in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens zijn, wordt het verzoek onverwijld gezonden naar de
verantwoordelijk in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens
om dit aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 36 van de Wet
bescherming persoonsgegevens of een daarmee op grond van de
toepasselijke wetgeving gelijk te stellen verzoek.
-3. Bij het desbetreffende gegeven wordt
aangetekend dat het gegeven in onderzoek is.
§ 5.2.
Bepalingen over
gegevensuitwisseling voor opsporing en toezicht
Art. 5.3.
Kosteloze
melding bij misdrijf
De melding, bedoeld in artikel 61 van de Wet
SUWI, geschiedt kosteloos.
Art. 5.4.
Gegevensverstrekking aan de Arbeidsinspectie
Het UWV, de
SVB en de colleges van burgemeester en
wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administraties voor
de taken, bedoeld in artikel 62, eerste
lid, van de Wet SUWI, kosteloos aan de door Onze
Minister aangewezen ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van de
Wet arbeid
vreemdelingen, de Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet, de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs,
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet
op de loonvorming en
de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de
naleving en de
uitvoering van die wetten.
Art. 5.5.
Gebruik elektronische voorzieningen voor gegevensverkeer
voor opsporing en toezicht
-1. Voor het verstrekken van gegevens en
inlichtingen als bedoeld in artikel 72 van
de Wet SUWI
en artikel 5.4 aan de ambtenaren, bedoeld in artikel
5.4, en de opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel
85, tweede lid, van de Wet SUWI, maken
het UWV, de SVB en
de colleges van burgemeester en wethouders gebruik van elektronische
voorzieningen als bedoeld in paragraaf 5.6, voor
zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving
van de in artikel 5.4 genoemde wetten,
respectievelijk voor de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij de Wet
SUWI of enig andere wet.
-2. Voor het verstrekken van gegevens als
bedoeld in artikel 73, zesde lid, van de Wet
SUWI aan het UWV, de SVB
en de colleges van burgemeester en wethouders maken de ambtenaren en
opsporingsambtenaren gebruik van elektronische voorzieningen als bedoeld
in paragraaf 5.6.
Art.
5.5a. Gegevensverstrekking aan burgemeester en wethouders voor
controle
De Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet
1994, is verplicht op verzoek aan colleges van burgemeester en
wethouders opgaven en inlichtingen te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wwb.
§ 5.3.
Gegevensverstrekking aan bestuursorganen
Art. 5.6.
Gegevensverstrekking aan buitenlandse bestuursorganen
Het UWV en de
SVB zijn bevoegd uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administraties gegevens te verstrekken aan buitenlandse
bestuursorganen, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang, waartoe
in ieder geval gerekend wordt het verstrekken en vaststellen van
uitkeringen en het heffen en innen van premies en bijdragen daarvoor.
Art. 5.7.
Gegevensverstrekking door het UWV en de SVB aan binnenlandse
bestuursorganen
Het UWV en de SVB zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos te verstrekken:
a. aan de rijksbelastingdienst de gegevens die noodzakelijk zijn voor
de heffing of invordering van enige rijksbelasting, van premies sociale verzekeringen als bedoeld in
artikel 2, onderdeel a en c, van de
Wfsv
en van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de Zvw;
b. aan het College
voor zorgverzekeringen, de zorgautoriteit,
zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel b,
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, het
CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid,
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de verbindingskantoren, bedoeld in artikel
1, onderdeel c, van het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering, de gegevens voor zover die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Zvw
en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
c. aan Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover
het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en
de natuurlijke omgeving, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de gegevens die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van bij of krachtens een onderwijswet
aan hen opgedragen taken, alsmede aan Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie de gegevens die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wet
inburgering;
d. aan de Pensioen- en
Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 2 van de Wet
op de Pensioen- en Uitkeringsraad, de gegevens die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
e. aan de raden voor de kinderbescherming de gegevens die
noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van hun taak of van hun bevoegdheden
op grond van één van de bepalingen van de titels 9, 10, 13, 14, 15 en 17 van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek;
f. aan de Kamers van Koophandel en Fabrieken de gegevens die nodig
zijn voor de uitvoering van hoofdstuk 2 van de Handelsregisterwet
1996 opgedragen taken;
g. aan Onze
Minister van Veiligheid en Justitie de gegevens die noodzakelijk
zijn voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en
vrijheidsbenemende maatregelen.
Art. 5.8.
Gegevensverstrekking door de SVB
De SVB is bevoegd op verzoek uit de onder haar verantwoordelijkheid gevoerde administratie kosteloos aan
de Stichting Administratie
Indonesische Pensioenen de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de Wet houdende vaststelling
regeling ten aanzien van de Stichting tot verzorging en afwikkeling van
pensioensaangelegenheden gewezen overheidspersoneel van Indonesië en overeenkomstige wet- en
regelgeving.
Art. 5.9.
Gegevensverstrekking door UWV
-1. Het UWV is bevoegd uit
eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder zijn
verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos te verstrekken:
a. aan het Vervangingsfonds,
bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Besluit
Vervangingsfonds en Participatiefonds, de
gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak op grond van
de Wet op het
primair onderwijs, de Wet
op het voortgezet onderwijs en de Wet
op de expertisecentra;
b. aan het Participatiefonds,
bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit
Vervangingsfonds en Participatiefonds, de
gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak op grond van
de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de
Wet op de expertisecentra;
c. aan Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de gegevens die noodzakelijk
zijn voor de bekostiging van onderwijsinstellingen;
d. aan de Sociaal-Economische Raad de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bij
of krachtens enige wet aan die raad opgedragen taken;
e. aan een indicatieorgaan
als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten de gegevens die noodzakelijk zijn in verband met taken die
voortvloeien uit de Wet sociale werkvoorziening
en de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
f. aan colleges van
burgemeester en wethouders de gegevens die noodzakelijk zijn ten
behoeve van de registratie van gegevens, bedoeld in artikel 118h van de
Wet op het
voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet
op de expertisecentra, in verband
met de doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar
onderwijs of arbeidsmarkt;
g. aan colleges van burgemeester en
wethouders de gegevens die noodzakelijk zijn voor het verlenen van
kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bedoeld in artikel 255 van
de Gemeentewet, en aan de
dagelijkse besturen van de waterschappen de gegevens die noodzakelijk
zijn voor het verlenen van kwijtschelding van waterschapsbelastingen,
bedoeld in artikel 144 van de Waterschapswet;
h. aan Onze Minister van
Economische Zaken de gegevens die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de S&O-afdrachtvermindering, bedoeld in hoofdstuk VIII
van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
i. aan een college van burgemeester
en wethouders adresgegevens, waaronder adresgegevens die worden verwerkt
voor de doelen, genoemd in artikel 33,
tweede lid, onderdeel a, b, en c, van de
Wet SUWI,
die noodzakelijk zijn voor het bijhouden van persoonsgegevens in de
gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens.
-2. Het UWV is bij de
verwerking van gegevens voor de uitvoering van de taak die krachtens de
Wet arbeid
vreemdelingen aan het UWV is opgedragen, bevoegd uit
eigen beweging en verplicht op verzoek aan colleges van burgemeester en
wethouders gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn in verband
met de taken die voortvloeien uit de Huisvestingswet
en de Woningwet.
-3. Het UWV is verplicht op
verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties
kosteloos te verstrekken aan een deurwaarder die gerechtigd
is tegen een schuldenaar executoriaal beslag onder derden te leggen de
gegevens die ten behoeve van het leggen van dit beslag noodzakelijk zijn
voor het vaststellen van de identiteit van degene die periodieke
betalingen aan de schuldenaar verricht.
-4. Het UWV is verplicht op verzoek uit de
onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administratie kosteloos te
verstrekken aan Onze Minister en de colleges
van burgemeester en wethouders de gegevens van personen die werknemer
zijn van een houder van een kinderopvangvoorziening of peuterspeelzaal
die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de
kwaliteitseisen, bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 3, paragraaf 2, en in
hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen die die
wet aan de exploitatie van kinderopvangvoorzieningen of
peuterspeelzalen stelt.
-5. In verband met het systematisch
verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 5.11
kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent
de wijze waarop en de vorm waarin de adresgegevens, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel i, verstrekt worden.
Art. 5.10.
Gegevensverwerking burgemeester en wethouders met betrekking tot
voortijdige schoolverlaters
Het college van burgemeester en
wethouders is bevoegd gegevens die worden verwerkt voor de uitvoering
van taken die krachtens de Wwb aan het college van burgemeester en wethouders zijn opgedragen, verder
te verwerken ten behoeve van de registratie van gegevens, bedoeld in
artikel 118h van de
Wet op het
voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet
op de expertisecentra, voor zover
dat noodzakelijk is voor de doorverwijzing van voortijdige
schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt.
Art. 5.11.
Systematische gegevensverstrekking buiten SUWI-domein
Het UWV en de SVB verstrekken in de in de artikelen 5.7 en
5.9 vermelde gevallen slechts systematisch gegevens, niet zijnde
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens,
tenzij het betreft persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid die noodzakelijk
zijn voor re-integratie of begeleiding
van werknemers of uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid
als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van die
wet, indien met de
desbetreffende bestuursorganen overeenstemming is bereikt over in ieder geval de systematisch te
verstrekken gegevens, alsmede de omstandigheid waaronder, de regelmaat waarmee en de wijze
waarop die verstrekking plaatsvindt.
§ 5.4.
Gegevensverstrekking aan derden
Art. 5.12.
Gegevensverstrekking door het UWV aan derden
-1. Het UWV is bevoegd op verzoek uit de onder zijn
verantwoordelijkheid gevoerde administraties aan derden als bedoeld in
de artikelen 73, eerste lid, en 73a,
tweede lid, van de
Wet SUWI, de
volgende van de rijksbelastingdienst afkomstige gegevens te verstrekken:
a. persoonsgegevens van de werknemer: adresgegevens, namen,
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer, geboortedatum en geslacht;
b. verzekeringsplicht werknemersverzekeringen: indicatie verzekerd en
premies voor de werknemersverzekeringen;
c. gegevens over de inkomstenverhouding: soort inkomstenverhouding,
aard arbeidsverhouding, datum begin en einde van inkomstenverhouding, risicopremiegroep, sector, contract
(on)bepaalde tijd, fase-indeling Flexibiliteit en Zekerheid, collectieve
arbeidsovereenkomst, reden einde dienstbetrekking van een flexwerker;
d. loongerelateerde gegevens: aantal
SV-dagen, aantal verloonde uren, loon SV, (opgebouwd recht) vakantiebijslag, indicatie aanvulling op
uitkering, indicatie vakantiebonnen toegepast;
e. gegevens over de werkgever: naam, loonheffingennummer,
fi-nummer, rechtsvorm, risicopremiegroep, sector, voortzettingsrelatie, datum oprichting, datum ontbinding, statutaire zetel,
eigenrisicodragerschap, premiepercentage individueel, faillissement of surseance en
gemoedsbezwaardheid.
-2. De in artikel
73a,
tweede lid, van de Wet SUWI bedoelde derden
zijn: deskundigen en instellingen die in het kader van de uitoefening van
beroep of bedrijf taken uitvoeren of diensten verrichten ter
ondersteuning van administraties of het verrichten van keuringen.
-3. Bij het verstrekken van gegevens op grond van dit artikel worden
kosten in rekening gebracht. Bij ministeriële regeling worden
hiervoor nadere regels gesteld. [RS]
Art. 5.13.
Gegevensverstrekking door het UWV ten behoeve van verzekeringen met
betrekking tot ziekte en arbeidsongeschiktheid
-1. Het UWV is bevoegd uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde
administraties op verzoek van een werkgever als bedoeld in artikel
73, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
SUWI, aan die werkgever in verband met het aangaan van overeenkomsten tot verzekering van de risico’s
van het eigenrisicodrager zijn of van betaling van premie als bedoeld in
hoofdstuk 3, afdeling 5, van de Wfsv
kosteloos gegevens, mede afkomstig
van de rijksbelastingdienst, te verstrekken op grond waarvan die werkgever kan bepalen:
a. de instroom, bedoeld in artikel 40 van
de Wet WIA, over de periode van drie
jaar voorafgaande aan het verzoek;
b. de ontwikkeling van het totale bedrag aan loon in de zin van
artikel 16 van de Wfsv
per jaar over de periode van vijf jaar voorafgaande
aan het verzoek;
c. het aantal werknemers naar leeftijd en geslacht in de periode van
vijf jaar voorafgaand aan het verzoek;
d. het arbeidsverleden van de
werknemers die ten tijde van het verzoek bij de werkgever in dienst zijn
zoals het UWV dat vastlegt op grond van artikel
33d, eerste lid, van de Wet SUWI;
voor zover die werkgever dat niet op basis van gegevens in zijn loonadministratie kan bepalen.
-2. Het
UWV is bevoegd op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid
gevoerde administraties aan een financiële onderneming als bedoeld in
artikel 73,
tweede lid, onderdeel b, van de
Wet SUWI:
a. kosteloos te verstrekken gegevens
als bedoeld in artikel
5.12, eerste lid, onderdeel a,
b, c en d, afkomstig van de rijksbelastingdienst en
gegevens van de werknemer die een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA
ontvangt, omtrent het dagloon dat aan de uitkering ten grondslag ligt,
de mate van arbeidsongeschiktheid uitgedrukt in het
arbeidsongeschiktheidspercentage en de duur van uitkering in verband met
de uitvoering van de overeenkomsten met werkgevers tot verzekering van
het risico van het betalen van premie voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering op grond van de Wfsv
en van de betalingen als gevolg van het eigen risico dragen, bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv;
b. gegevens te verstrekken als
bedoeld in artikel
5.12, eerste lid, onderdeel a,
b, c en d, afkomstig van de rijksbelastingdienst,
in verband met de uitvoering van de overeenkomsten met werkgevers tot
verzekering van het risico van het betalen van loon in geval van ziekte
en van de betaling van ziekengeld, bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv.
Art. 5.14.
Verstrekking van statistische gegevens door het UWV aan financiële
ondernemingen
Het UWV is bevoegd uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos gegevens die
mede afkomstig zijn van de rijksbelastingdienst
en die het UWV verwerkt ten behoeve van de
statistiek over de ontwikkeling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te verstrekken aan de financiële
ondernemingen, bedoeld in
artikel 73, tweede
lid, onderdeel b, van de Wet SUWI, in verband met de in dat artikel
bedoelde overeenkomsten:
a. aantallen nieuwe uitkeringen op grond van de
WAO of de Wet WIA
per jaar, beëindigde uitkeringen op grond van de WAO of de Wet WIA
per jaar en lopende uitkeringen in een jaar, naar geslacht, leeftijd,
sector als bedoeld in artikel 95 van de Wfsv en bedrijfsgrootte, dagloon, naar
ingangdatum respectievelijk datum beëindiging uitkering,
arbeidsongeschiktheidspercentages, diagnose, soort inkomstenverhouding en
combinatie met inkomsten uit arbeid;
b. totaal aantal werknemers naar jaar, geslacht, leeftijd, sector als
bedoeld in artikel 95 van de Wfsv en
bedrijfsgrootte en het
totaalbedrag van de premieplichtige loonsom per jaar, bedoeld in artikel 2.7 van
het Besluit Wfsv.
Art. 5.15.
Gegevensverstrekking door de SVB en het UWV aan instanties,
bedoeld in artikel 73, eerste lid
-1. De SVB en het UWV
zijn bevoegd op verzoek uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administraties aan derden, genoemd in artikel
73, eerste lid, van de Wet SUWI, en derden, bedoeld in artikel 5.12, tweede lid, persoonsgegevens, gegevens over de uitkeringsverhouding
en over opleiding en werkervaring te verstrekken.
-2. De in het eerste lid bedoelde gegevens, niet zijnde
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens,
kunnen door de SVB en het UWV systematisch worden verstrekt aan de derden, genoemd in
artikel 73, eerste lid, indien met de
desbetreffende derden overeenstemming is bereikt over de te verstrekken gegevens, de omstandigheden waaronder, de regelmaat waarmee en de
wijze waarop die verstrekking plaatsvindt, vast te leggen in een
besluit, dat op adequate wijze wordt bekendgemaakt.
-3. De bevoegdheid op grond van het eerste lid geldt ook voor het UWV voor het verstrekken van andere gegevens dan bedoeld in artikel
5.12,
die door het UWV worden verwerkt op grond van artikel
33a van de Wet SUWI.
-4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens op grond
van het derde lid worden verstrekt.
-5. Bij het verstrekken van gegevens op grond van dit artikel worden
kosten in rekening gebracht. Bij ministeriële regeling worden
hiervoor nadere regels gesteld.
§ 5.5.
Gegevensuitwisseling ten behoeve van re-integratie
Art. 5.16.
Gegevensverstrekking door eigenrisicodragers aan gemeenten
Eigenrisicodragers die het risico dragen van de betaling van
uitkeringen aan personen ten aanzien van wie op grond van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb
een verantwoordelijkheid bestaat, verstrekken op verzoek aan colleges van burgemeester en wethouders
opgaven en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb
ten aanzien van die personen.
Art.
5.17.
Gegevensverstrekking in verband met re-integratietaak
overheidswerkgevers
-1. Het UWV verstrekt uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde
administraties aan overheidswerkgevers als bedoeld in artikel
1, onderdeel i, van de WW, kosteloos de gegevens die
noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel
72a van de WW.
-2. Het UWV verstrekt uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde
administraties aan het Participatiefonds,
bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit
Vervangingsfonds en Participatiefonds, kosteloos de gegevens die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de taak van het participatiefonds waarborgen te
bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, voor zover die taak samenhangt met de uitvoering van
artikel 72a van de WW.
-3. Een overheidswerkgever of het Participatiefonds, bedoeld in het
tweede lid, kan het UWV op verzoek of uit eigen beweging kennisgeven van het gegronde vermoeden dat een persoon van wie de inschakeling in
de arbeid wordt bevorderd onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden,
voor zover dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van
de WW
door het UWV.
Art. 5.18.
Gegevensverstrekking aan re-integratiebedrijven
-1. De gegevens die het
UWV op grond van artikel
73, negende lid,¹ bevoegd is te verstrekken, betreffen gegevens omtrent naam, adres,
telefoonnummer, postcode, woonplaats, opleiding en werkervaring.
-2. Bij het verstrekken van gegevens door het UWV
op grond
van artikel 73, achtste en negende lid,¹ aan
re-integratiebedrijven
worden geen kosten in rekening gebracht.
1. Volgens de redactie
dient na "artikel
73, negende lid," en na "artikel 73, achtste en negende lid,"
te worden ingevoegd: van de Wet SUWI.
§
5.6. Elektronische
voorzieningen
Art.
5.19. Functie elektronische voorzieningen
Ten behoeve van de gegevensverwerking, bedoeld in artikel 62 van de
Wet SUWI, worden de elektronische voorzieningen in ieder geval benut:
a. om de gebruikers en derde
partijen te faciliteren bij de raadpleging en aanlevering van de
gegevens met het oog op eenmalige gegevensuitvraag en de inrichting van
hun administraties daarbij;
b. voor eenduidige
informatieverstrekking aan de betrokkene op wie de gegevens betrekking
hebben door gebruikers.
Art.
5.20. Gegevensregister SUWI
[RS]
Bij ministeriële regeling wordt in het Gegevensregister SUWI bepaald:
a. dat gegevens met behulp van de
elektronische voorzieningen worden uitgewisseld;
b. welke soort gegevens en
documenten het daarbij betreft;
c. wie de verantwoordelijke is in de
zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens;
d. welke gegevens aan de betrokkene
op wie de gegevens betrekking hebben, worden gepresenteerd en op welke
wijze.
Art.
5.21. Inrichting en beheer
-1. Het
UWV voert ten behoeve van de
gezamenlijke zorg voor de instandhouding van de elektronische
voorzieningen de volgende beheertaken uit:
a. de inrichting van een centrale
elektronische voorziening;
b. de inrichting van een
gemeenschappelijke faciliteit voor de toegangsbeveiliging;
c. de ondersteuning van de
gebruikers bij het beheer en gebruik van de centrale elektronische
voorzieningen;
d. het, na overleg met de
gebruikers, doen van voorstellen aan Onze Minister
over de wijziging van
de ministeriële regelingen op grond van deze paragraaf.
-2. Het UWV belast een afzonderlijk en
herkenbaar organisatieonderdeel met de taken, bedoeld in het eerste lid.
-3. De gebruikers zorgen, ten behoeve van
het beheer en gebruik van onderdelen van de elektronische voorzieningen,
voor de inrichting van een decentrale elektronische voorziening en de
aansluiting daarvan op de centrale elektronische voorziening, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a.
-4. Bij ministeriële regeling worden, in
de vorm van het Stelselontwerp gezamenlijke elektronische voorzieningen
SUWI, regels gesteld over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan
het eerste en derde lid.
[RS]
Art.
5.22. Beveiliging
-1. De gebruikers dragen op uniforme wijze
zorg voor de beveiliging van de gegevensverwerking door middel van de
elektronische voorzieningen tegen inbreuken op de beschikbaarheid, de
integriteit en de vertrouwelijkheid.
-2. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over deze beveiliging.
[RS]
Art.
5.23. Gebruik elektronische voorzieningen voor
gegevensuitwisseling met derden, niet-SUWI-partijen
-1. De elektronische voorzieningen worden
tevens gebruikt voor de verwerking van gegevens als bedoeld in artikel
62, tweede lid, tweede zin, van de Wet SUWI
indien er een overeenkomst
is gesloten tussen één van de gebruikers, voor zover die tot de
gegevensverstrekking of het opvragen van de gegevens bevoegd is, en een
derde partij. De overeenkomst heeft in ieder geval betrekking op de
gegevens die worden verstrekt en de stelselmatigheid van de verstrekking.
-2. Ingeval één van de partijen bij een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid een college van burgemeester
en wethouders is, treedt het Inlichtingenbureau
namens het betrokken college van burgemeester en wethouders als partij
op indien het de verwerking van gegevens betreft, bedoeld in artikel
5.24.
-3. Op de gegevensverstrekking, bedoeld in
dit artikel, is artikel 5.20 van overeenkomstige toepassing.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het eerste
lid.
[RS]
§
5.7. Inlichtingenbureau
Art.
5.24. Bewerker
-1. Het Inlichtingenbureau is bewerker in
de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van
gegevens die bij of krachtens enige wet door tussenkomst van het
Inlichtingenbureau aan of door colleges van burgemeester en wethouders
worden verstrekt, voor zover artikel 62 van de
Wet SUWI van toepassing is, en
voor het verwerken van de gegevens noodzakelijk voor het verlenen van
kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bedoeld in artikel 255 van
de Gemeentewet, die door
het
UWV, de Dienst Wegverkeer of de rijksbelastingdienst op
grond van enig wettelijk voorschrift worden verstrekt aan colleges van
burgemeester en wethouders.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald welke gegevens door het Inlichtingenbureau worden verwerkt en
onder welke voorwaarden het Inlichtingenbureau als bewerker voor
colleges van burgemeester en wethouders optreedt.
[RS]
Art.
5.25. Rijksbijdrage, begroting, jaarplan, budget, jaarverslag,
jaarrekening en accountantsverklaring
-1. De kosten van het Inlichtingenbureau
voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel
5.24, eerste lid,
komen ten laste van de daartoe door Onze Minister
toegekende
rijksbijdrage.
-2. Het Inlichtingenbureau stelt hiertoe
elk jaar een begroting en een jaarplan voor het komende kalenderjaar
vast en biedt deze vóór een door Onze Minister vast te stellen datum
aan hem aan.
-3. Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1
december het budget voor de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau
voor het eerstvolgende kalenderjaar vast. Hij kan besluiten dit budget
te wijzigen. Het Inlichtingenbureau gaat met betrekking tot de
uitvoering van zijn wettelijke taken geen verplichtingen aan en doet
geen uitgaven die leiden tot een overschrijding van het vastgestelde
budget. Wanneer het budget niet is vastgesteld vóór 1 januari van het
kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, is het
Inlichtingenbureau bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te houden,
te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat
laatstelijk voor een geheel jaar is vastgesteld. Onze Minister kan
besluiten dat het Inlichtingenbureau in een geval als bedoeld in de
vorige zin, kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het
budget dat laatstelijk voor een geheel jaar is vastgesteld.
-4. Het Inlichtingenbureau stelt jaarlijks
een jaarverslag en een jaarrekening op en biedt deze vóór 15 maart van
het kalenderjaar volgend op het jaar waarop deze betrekking hebben aan
Onze Minister aan. Het Inlichtingenbureau beschrijft in zijn jaarverslag
de taakuitoefening, het gevoerde beleid en de doelmatigheid van de
uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.24, eerste lid, in het
afgelopen jaar en legt in zijn jaarrekening rekening en verantwoording
af over het financieel beheer, alsmede over de rechtmatigheid van
genoemde taken in het verstreken boekjaar. De jaarrekening gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een
door het Inlichtingenbureau aangewezen accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verklaring
heeft mede betrekking op de rechtmatige besteding van de middelen door
het Inlichtingenbureau. De accountant voegt bij de verklaring tevens een
verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de
organisatie van het Inlichtingenbureau voldoen aan de eisen van
doelmatigheid.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de inhoud en de indiening van de begroting
en ontwerpen daarvan, het jaarplan, tussentijdse verslagen, het
jaarverslag, de jaarrekening, de verklaring, bedoeld in het vierde lid,
en het aan die verklaring ten grondslag liggende onderzoek.
[RS]
HOOFDSTUK
6
Slotbepalingen
Art. 6.1. Wijziging
wettelijke grondslag
Dit besluit berust mede op
artikelen 7, zesde lid, en 67, derde lid, van de
Wwb,
artikel 34, vijfde lid, van de Ioaw
en artikel
34, vijfde lid, van de Ioaz.
Art.
6.2.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2002, met uitzondering van de
artikelen 4.7 tot en met 4.20, die in werking treden op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Art.
6.3.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit SUWI.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 20
december 2001
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|
BIJLAGE
I
als
bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het
Besluit SUWI
Overzicht polisadministratie: gegevensset,
doelen en herkomst
|
Gegeven
|
Doelen *
|
Herkomst
|
| |
UWV,
artikel 33:2,a Wet
SUWI
|
UWV, artikel
33:2,b Wet SUWI
|
UWV, artikel
33:2,c Wet SUWI
|
BD,
artikel 33:2,d Wet
SUWI
|
CBS,
artikel 33:2,e Wet
SUWI
|
1.
Loon-
aangifte 2006
|
2.
GBA
|
3.
UWV (distri-
buerend of rest)
|
4.
UWV Vrijwillig verze-
kerden
|
5.
Belas-
ting-
dienst
|
6.
SVB
|
|
Straatadres
Nederland
|
|
Huisnummer
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Huisnummertoevoeging
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Straatnaam
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Postcode
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Woonplaatsnaam
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Gemeentenaam
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Woonobjectverwijzing
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Locatieomschrijving
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Postbusadres
Nederland
|
|
Postbusnummer
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
|
Postcode
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
|
Woonplaatsnaam
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
|
Gemeentenaam
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
|
Locatieomschrijving
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
|
Straatadres
buitenland
|
|
Huisnummer
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Huisnummertoevoeging
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Straatnaam
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Postcode
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Woonplaatsnaam
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Regionaam
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Locatieomschrijving
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Landcode ISO
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
|
Natuurlijk
persoon
|
|
Burgerservicenummer/
sofinummer
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
–
|
|
A-nummer
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Voornamen
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Voorletters
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Voorvoegsels
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Significant deel
achternaam
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Aanduiding
naamgebruik
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code bijzonder Nederlanderschap
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Geboortedatum
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Overlijdensdatum
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Geslacht
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie
curatelestelling
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie geheim
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie Vip
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
|
Code burgerlijke
staat
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code leefvorm
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Nationaliteit
|
X
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code verblijfstitel
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code adellijke
titel/predikaat
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Datum vertrek uit
Nederland
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Gemoedsbezwaardheid
|
|
Code SZ-product
|
X
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
|
Socialeverzekeringsnummer
buitenland
|
|
Verzekeringsnummer
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
|
Landcode ISO
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
|
Vaststelling
verzekeringsplicht
|
|
Resultaat onderzoek
verzekeringsplicht UWV en/of belastingdienst
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
|
Code status
verblijfstitel
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
|
Administratieve
eenheid
|
|
Loonheffingennummer
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
|
Naam werkgever
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
|
Inkomstenverhouding
|
|
Aanduiding
inkomstenverhouding volgens werkgever
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Personeelsnummer
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Datum aanvang
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Datum einde
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code reden einde
inkomstenverhouding
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
|
Code reden einde
dienstbetrekking flexwerker
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code reden geen
bijtelling auto
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Inkomstenopgave
|
|
Datum aanvang
inkomstenopgave
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Datum einde
inkomstenopgave
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Loon LB/PH
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Loon belast volgens
tabel bijzondere beloningen
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Loon SV
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Vakantiebijslag
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Opgebouwd recht
vakantiebijslag
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Extra periode
salaris
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Opgebouwde recht
extra periode salaris
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Loon in geld
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Waarde niet in geld
uitgekeerd loon
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Loon uit overwerk
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Ingehouden
loonheffing
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Basispremie Aof/WGA
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
WAO-premie
Aok
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
WW-premie
AWf werkgevers- en werknemersdeel
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
WW-premie
sectorfonds
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
UFO-premie
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Ingehouden bijdrage Zvw
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag vergoeding
Zvw door inhoudingsplichtige
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag vergoeding
reiskosten woning-werk
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Verrekende arbeidskorting
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag genoten
zeedagenaftrek
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag in Wwb-uitkering
doorbetaalde alimentatie
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag rechtstreeks
betaalde alimentatie
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag bijtelling
auto
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag eigen
bijdrage voor privégebruik auto
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Bedrag
werkgeversbijdrage kinderopvang
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Gespaard bedrag
levensloopregeling
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Aantal SV-dagen
|
X
|
X
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Aantal verloonde
uren
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Inkomstenperiode
|
|
Tijdvak gegevens
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Datum aanvang
periode
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Aangifte inkomstenperiode
gegevens
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Code soort
inkomstenverhouding / inkomenscode
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code
risicopremiegroep
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Sector
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code aard
arbeidsverhouding
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code invloed
verzekeringsplicht
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code contract
onbepaalde/bepaalde tijd
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code fase indeling
F&Z
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code CAO
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code premiekorting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code
loonheffingskorting
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code
loonbelastingtabel
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie verzekerd Wet
WIA
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie verzekerd
WW
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie verzekerd ZW
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code
verzekeringssituatie Zvw
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie
vakantiebonnen toegepast
|
X
|
X
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie loon is
(mede) AOW-uitkering alleenstaande
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie loon
inclusief Wajong-uitkering
|
–
|
–
|
–
|
X
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie
rente/kosten personeelslening niet in loon
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie vervoer
vanwege de inhoudingsplichtige
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Code incidentele
inkomstenvermindering
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Indicatie aanvulling
op uitkering
|
X
|
X
|
–
|
–
|
X
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
|
Aanvullende
gegevensaanlevering
|
| |
X |
X |
|
|
|
BRON:
WEEKAANLEVERING |
|
Vrijwillig
verzekerden
|
|
Code SZ-product
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
–
|
–
|
–
|
X
|
–
|
–
|
* De doeleinden van de
polisadministratie zijn op basis van
artikel 33, tweede lid, van de Wet
SUWI:
a. vastleggen van gegevens van de werknemer voor de
werknemersverzekeringen;
b. besluiten over recht op uitkering of verstrekking baseren op gegevens
als bedoeld onder a;
c. verwerking van gegevens van de persoon die vrijwillig is verzekerd
voor de werknemersverzekeringen;
d. verwerken van fiscale gegevens van de werknemer die van belang zijn
voor de uitvoering van de taken van de rijksbelastingdienst;
en
e. verwerken van overige gegevens van de werknemer ten behoeve van de
statistieken van arbeid en lonen voor het CBS.
|
|
BIJLAGE
II
Overzicht
gegevens eenmalige uitvraag: gegevens en herkomst (als
bedoeld in artikel 5.2a, eerste lid, Besluit SUWI)
GBA
Gegevens genoemd in bijlage
1d bij artikel 58a van het Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens voor zover van toepassing:
- Gegevens over de burgerlijke staat.
- Gegevens over de nationaliteit.
- Gegevens over het verblijfrecht van de vreemdeling.
- Gegevens over de gemeente van inschrijving.
- Gegevens over het burgerservicenummer van de ingeschrevene, van de
echtgenoot dan wel van de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoten
of eerdere geregistreerde partners en de kinderen.
- Gegevens over het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam
van de echtgenoot, de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of
de eerdere geregistreerde partner.
UWV
- Gegevens over inschrijving.
- Gegevens over werkervaring
- Gegevens over beschikbaarheid voor
arbeid
- Gegevens over dienstverlening
- Gegevens over opleiding
- Gegevens over vacature
- Polisadministratie:
gegevens over de inkomstenverhouding, inkomstenopgave en
inkomstenperiode, gegevens betreffende verzekering, noodzakelijk voor
het doel, genoemd in artikel
33, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
SUWI.
- Gegevens over maatregelen.
- Gegevens over het arbeidsverleden.
- Gegevens over uitkeringen.
- Gegevens over uitkeringsstatus en re-integratiegegevens.
SVB
- Gegevens over de kinderbijslag.
- Gegevens over de uitkeringen Algemene nabestaandenwet
(Anw).
- Gegevens over de uitkeringen Algemene ouderdomswet
(Aow).
- Gegevens over algemene bijstand in de vorm van een aanvullende
inkomensvoorziening ouderen op grond van paragraaf
5.4 van de Wwb.
Gemeenten
Wwb:
- Gegevens over data uitkering.
- Gegevens over maatregel
- Gegevens over huisvesting.
- Gegevens over leefvorm.
- Gegevens over het normbedrag.
- Gegevens over de beëindiging en vordering.
- Gegevens over betaalbaarstelling.
- Gegevens over bijzondere bijstand.
- Gegevens over inkomsten, classificatie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 en munteenheid.
Ioaw:
- Gegevens over uitkering.
- Gegevens over de beëindiging en vordering.
Ioaz:
- Gegevens over uitkering.
- Gegevens over de beëindiging en vordering.
Gemeentelijke gegevens over
re-integratie gemeenten:
- Gegevens over doelgroep.
- Gegevens over trajectplan.
- Gegevens over loonkostensubsidie.
- Gegevens over vrijstelling arbeidsplicht.
- Gegevens over participatieplaats.
- Gegevens over re-integratiepositie.
- Gegevens over uitkeringsstatus.
RDW
- Gegevens over aansprakelijkheid.
- Gegevens over status voertuig.
- Gegevens over de kenmerken van het voertuig.
Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Gegevens over deelname aan
opleidingen.
- Gegevens over het recht op studiefinanciering.
- Gegevens over tegemoetkoming in het kader
van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
NOTA
VAN TOELICHTING
[20 december 2001]
Algemeen
1. Inleiding
De SUWI-voorstellen die zijn uiteengezet in het Nader
Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) van januari
2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) hebben een
ingrijpende verandering in de bestaande verantwoordelijkheden en in
de wijze van uitvoering van de socialezekerheids- en arbeidsmarktwetten tot gevolg.
Deze wijzigingsvoorstellen zijn nader uitgewerkt in de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet
SUWI) en de
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen (hierna: Invoeringswet SUWI). De Wet SUWI regelt in dit
verband de taken en bevoegdheden van de (nieuwe) SUWI-instituties: de
Raad voor werk en inkomen, de Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI) [de CWI; het CWI is het Centrum
voor werk en inkomen, red.],
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de
Sociale verzekeringsbank (SVB) en de Landelijke
Cliëntenraad. Daarnaast regelt
de Wet SUWI op hoofdlijnen de inrichting van het toezicht (door de
Inspectie Werk en Inkomen). De Invoeringswet SUWI regelt primair het
invoerings- en overgangsrecht, maar ook - via wijzigingen en aanvullingen van de
betreffende materiewetgeving - de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
op het gebied van de reïntegratie. De Invoeringswet SUWI regelt eveneens de consequenties van de
SUWI-voorstellen
voor de gemeenten door wijzigingen in c.q. aanvullingen van de
betreffende materiewetgeving.
Beide wetten regelen op hoofdlijnen de nieuwe
uitvoeringsstructuur. De nadere invulling hiervan geschiedt op het niveau van een
algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) of een
ministeriële regeling. In het voorliggende besluit wordt een aantal onderwerpen
uitgewerkt dat in dit algemeen deel nader wordt toegelicht. Het betreft hier:
• het verrichten van andere dan de in de Wet SUWI opgedragen taken door CWI, UWV en SVB;
• contracteisen voor publieke opdrachtgevers;
• subsidieverstrekking aan werkgevers;
• persoonsgebonden reïntegratiebudgetten voor
arbeidsgehandicapte werknemers;
• gegevensuitwisseling.
Tevens wordt in dit algemeen deel ingegaan op de
effecten voor het bedrijfsleven van de in dit besluit opgenomen
maatregelen. Het algemeen deel wordt afgesloten met een bespreking van de
ontvangen adviezen van bij SUWI betrokken organisaties en de uitkomsten van de
voorhangprocedure bij de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Verrichten andere taken CWI, UWV en SVB (hoofdstuk 3
Besluit SUWI)
Op grond van
artikel 13, vijfde lid, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen kunnen bij algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren
van andere taken dan de in de Wet SUWI bedoelde taken door de CWI, het UWV
en de SVB.
In de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv
1997) was geregeld dat de minister aan een uitvoeringsinstelling
schriftelijk toestemming kon verlenen voor het vervullen van andere
taken dan de in de Osv 1997 opgenomen taken. Op grond van de Osv 1995
was reeds een toetsingskader voor andere taken opgesteld (gepubliceerd in de
Staatscourant
226, 21 november 1995, wijziging Staatscourant 206,
1996). Dit toetsingskader is na enkele technische aanpassingen in een
AMvB Besluit toetsingskader andere taken omgezet (gepubliceerd in Staatsblad 1997,
98). Deze algemene maatregel van bestuur is nadien op een
aantal punten gewijzigd (Staatsblad 1997, 796; Staatsblad 1999, 297;
Staatsblad 1999, 335).
In de Osv 1997 was daarnaast geregeld dat de minister
aan de SVB
schriftelijk toestemming kon verlenen voor het vervullen
van andere taken dan de in die wet genoemde taken. De mogelijkheid tot
het stellen van regels hieromtrent is destijds niet benut.
Op grond van
artikel 13, vijfde lid, van de Wet
SUWI
worden in hoofdstuk 3 van dit besluit de voorwaarden opgenomen
waaronder de CWI, het UWV
en de SVB
de andere taken mogen uitvoeren.
Uitgangspunt voor het uitvoeren van andere taken is dat
het UWV
alle taken mag uitvoeren die de uitvoeringsinstellingen op
grond van de Osv 1997 reeds mochten uitvoeren. De
SVB
mag ook alle taken
uitvoeren die reeds op grond van de Osv 1997 uitgevoerd mochten
worden. Daartoe strekt artikel 26 van de Invoeringswet
SUWI, waarin
wordt bepaald dat de op grond van de Osv 1997 aan een uitvoeringsinstelling
of aan de SVB verleende toestemming voor het uitvoeren van andere
taken wordt aangemerkt als goedkeuring, bedoeld in artikel 13 van de
Wet SUWI.
De uitvoering van nieuwe regelingen die door het UWV of
de SVB met private partijen worden overeengekomen, zullen op de
private markt moeten worden ondergebracht, tenzij zij naar het oordeel
van de minister in zodanige mate naar hun aard overeenkomen met
regelingen die zij op grond van de Osv 1997 uitvoerden, dat goedkeuring
verleend kan worden.
Het beleid in het kader van het wetsvoorstel Markt en
overheid wordt als uitgangspunt gehanteerd bij de uitvoering van andere
taken. Dit betekent dat de CWI, het UWV
en de SVB
alleen
marktactiviteiten mogen verrichten indien dat naar het oordeel van de minister
dienstig is voor de behartiging van het openbaar belang. Met name bij de
uitvoering van taken voor private partijen speelt dit een rol. Het openbaar belang daarbij
betreft de administratieve lastenvermindering voor werkgevers en verbetering van de dienstverlening aan de burgers.
In het huidige Besluit toetsingskader andere taken wordt
ook ingegaan op de gegevensverstrekking in het kader van de andere
taken. Op grond van artikel 13, vierde lid, van de
Wet SUWI kunnen
regels omtrent deze gegevensverstrekking in een aparte ministeriële
regeling worden opgenomen.
3. Reïntegratie (hoofdstuk 4
Besluit SUWI)
In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen aan de
orde:
• contracteisen;
• subsidies voor trajecten die werkgevers voor hun
arbeidsgehandicapte werknemers inkopen; en
• persoonsgebonden reïntegratiebudget voor
arbeidsgehandicapte werknemers.
Ad §
4.1. Contracteisen
Eén van de belangrijke pijlers van de
Wet SUWI
heeft
betrekking op marktwerking. Publieke en private opdrachtgevers dienen
reïntegratiediensten gefinancierd uit publieke middelen in te kopen op de
private markt. De verwachting is dat dit de effectiviteit van de
reïntegratiedienstverlening en een efficiënte besteding van de middelen ten goede
komt. Een belangrijk onderdeel van marktwerking is
vervolgens de keuzevrijheid die daarmee voor partijen gerealiseerd
wordt. Dit is een groot goed dat tevens de overheid tot terughoudendheid
noopt. Desondanks heeft het kabinet gemeend om in een jonge startende
markt als de reïntegratiemarkt enkele minimale randvoorwaarden te
moeten formuleren. De noodzaak hiertoe wordt eens te meer gevoeld doordat
de te reïntegreren personen niet de dupe mogen worden van mogelijke kinderziekten waarmee dit type startende markten
geconfronteerd kan worden.
Om die reden heeft het kabinet gemeend ten aanzien van
de inhoud van de contracten die werkgevers en publieke uitvoerders met
reïntegratiebedrijven afsluiten enkele minimale (vorm)vereisten op te moeten
nemen. Een eis is dat de opdrachtgever alleen een overeenkomst
aangaat met een reïntegratiebedrijf dat een klachten- en
geschillenregeling kent en een privacyreglement heeft opgesteld.
Voor de totstandkoming van een goed werkende markt is
van belang dat er geen oneerlijke concurrentie plaatsvindt. Voor
gemeenten geldt dan ook dat zij zoveel mogelijk moeten uitbesteden aan
private partijen. Aanbesteden bij aan de gemeente gelieerde bedrijven is
op zich toegestaan, maar mag alleen na een volstrekt transparante en
objectieve aanbestedingsprocedure. Er moeten meerdere offertes worden gevraagd
en de criteria voor selectie en gunning moeten vooraf
zijn vastgesteld. Op die manier moet worden voorkomen dat aan de gemeente
gelieerde bedrijven worden bevoordeeld en andere aanbieders geen
eerlijke kans krijgen. Er moet een "level playing field" worden
gecreëerd. In dat kader is tijdens het algemeen overleg met de Vaste Commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer op 7
november 2001 onder andere nog expliciet aandacht gevraagd voor de
formulering van artikel 4.1, derde lid, van het concept-Besluit
SUWI.
Dit heeft uiteindelijk geleid tot een aangepaste formulering van genoemde
bepaling. Thans is opgenomen dat bij de selectie en gunning van
reïntegratieovereenkomsten de beoordeling van de offertes uitsluitend plaats moet
vinden op basis van vergelijkbare kosten. Hiermee wordt
aangegeven dat het bij de uitbesteding moet gaan om een "level playing
field" waarbij offertes worden onderworpen aan een objectieve
vergelijking op basis van vergelijkbare kosten. Het gaat hierbij ook om het
al
of niet verschuldigd zijn van omzetbelasting. Er zijn evenwel
meer factoren die het "level playing field" kunnen verstoren. Met
genoemde formulering wordt beoogd eerlijke concurrentieverhoudingen te
bevorderen. De komende jaren zal dit nauwkeurig worden gevolgd en zal
worden getracht waar mogelijk het "level playing field" verder vorm te
geven. Gemeenten die vanwege de selectie en gunning van overeenkomsten
met stijging van kosten tengevolge van het verschuldigd zijn van omzetbelasting worden
geconfronteerd, zullen hiervoor vanuit het Rijk
compensatie ontvangen. De Tweede Kamer is medio december 2001 uitgebreid
geïnformeerd over de gemeentelijke reïntegratiemiddelen uit hoofde van de
Wet inschakeling werkzoekenden en de wijzigingen die in dit verband
spelen in het kader van de SUWI-wetgeving. Daarbij is ook ruim aandacht
besteed aan de reeds bestaande fiscale regelgeving, die op dit punt
geen wijziging ondergaat. Zie hieromtrent ook punt 6 van het algemeen
deel van de nota van toelichting.
Doordat het kabinet zich terughoudend opstelt ten
aanzien van het opleggen van nadere regelgeving ligt er een belangrijke
verantwoordelijkheid bij zowel werkgevers als bij publieke opdrachtgevers.
Zij zullen hun rol als opdrachtgever zorgvuldig en effectief vorm
moeten geven. Zowel de publieke opdrachtgevers (gemeenten en
UWV) als
de private opdrachtgevers hebben dan ook een eigen
verantwoordelijkheid ten aanzien van het afsluiten van deugdelijke
reïntegratiecontracten. Dit zijn ook de partijen die zowel in financiële zin als op
beleidsmatig niveau met de negatieve effecten zitten als duurzame plaatsing niet
wordt gerealiseerd, als bijvoorbeeld onevenredige afroming plaatsvindt of
als onvoldoende aandacht wordt besteed aan doelgroepen. Het
kabinet is op dit punt beducht voor het inflexibele karakter van regelgeving en kiest
ervoor om - zeker in eerste instantie - afspraken
hierover te maken met de opdrachtgevers.
Het kabinet zal de marktontwikkelingen en de rol van
opdrachtgevers nauwgezet volgen, en met name de inzet van publieke
middelen in relatie tot de behaalde resultaten. Mocht dat nodig blijken te
zijn (bij marktfalen), dan zal het kabinet zich beraden op nadere acties.
Vooralsnog is daarvoor geen aanleiding.
Transparantie van de markt is een ander belangrijk facet
van marktwerking. Dit kan niet door regelgeving gerealiseerd worden. Het
stimuleren van transparantie is een onderdeel van de wettelijke
taak die de Raad voor werk en inkomen krijgt. Ook voor koepelorganisaties en
brancheverenigingen ligt een taak weggelegd ten aanzien
van de professionalisering van private opdrachtgevers. De
nadere regelgeving die in dit besluit wordt vastgelegd moet dan ook in
samenhang worden gezien met de genoemde transparantie en
professionalisering van opdrachtgevers.
Ad §
4.2. Subsidies voor trajecten die werkgevers voor
hun arbeidsgehandicapte werknemers inkopen
De verantwoordelijkheid van de werkgever voor de
reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemers wordt onder SUWI uitgebreid. De werkgever wordt verplicht om te bevorderen dat de
arbeidsgehandicapte werknemer wordt ingeschakeld in de arbeid in het bedrijf
van een andere werkgever indien geen passende arbeid in het eigen
bedrijf voorhanden is. De werkgever zal daarvoor reïntegratietrajecten
inkopen bij reïntegratiebedrijven. Ter financiering van deze trajecten kan de
werkgever subsidies aanvragen bij het UWV
om de
werknemer in staat te stellen buiten het bedrijf van de werkgever arbeid te
gaan verrichten, een basissubsidie respectievelijk een plaatsingssubsidie. De
hoogte van de basissubsidie bedraagt 50% van de kosten van een
reïntegratietraject en wordt verstrekt indien de arbeidsgehandicapte werknemer
niet meer kan worden herplaatst in een functie bij de eigen werkgever.
De hoogte van de plaatsingssubsidie bedraagt eveneens 50% van de
trajectkosten en wordt verstrekt indien de werknemer wordt geplaatst in een
functie buiten het bedrijf van de werkgever of de werknemer gedurende een
bepaalde periode als zelfstandige inkomsten heeft verworven
waardoor hij geen recht meer heeft op een inkomensvervangende uitkering
anders dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Om in aanmerking te komen voor de basissubsidie dient de
werkgever een advies van de arbodienst en een trajectplan aan het UWV
over te leggen. Uiteraard staat het de werkgever vrij om met
zijn arbodienst of het door hem ingeschakelde reïntegratiebedrijf overeen te
komen dat deze het advies en/of trajectplan namens de werkgever aan het UWV
verstrekt. In het advies van de arbodienst dient te worden aangegeven
dat naar het oordeel van de arbodienst de desbetreffende werknemer arbeidsgehandicapt
is en dat voor die werknemer geen passende arbeid aanwezig is in het bedrijf van de werkgever. Het
trajectplan dient de volgende informatie te bevatten. Ten eerste moet worden
aangegeven op welke werknemer het plan betrekking heeft. Daartoe
volstaat het sofinummer en het opleidingsniveau van de betrokken
werknemer. Voorts zal moeten worden aangegeven welke diensten voor de betrokken
werknemer zullen worden ingekocht. Tot slot dient de
(verwachte) begindatum en de (verwachte) einddatum van het traject
te worden aangegeven.
Voorts geldt als voorwaarde voor de basissubsidie dat
iedere in het trajectplan genoemde dienst wordt ingekocht bij een
reïntegratiebedrijf waarmee de werkgever een schriftelijke overeenkomst
heeft gesloten. In deze overeenkomst dient onder meer te worden opgenomen
dat het reïntegratiebedrijf desgevraagd alle gegevens en
inlichtingen aan het UWV
verstrekt die van belang zijn voor de vaststelling
van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de subsidieverstrekking, een
privacyreglement heeft opgesteld en een klachten- en geschillenregeling
heeft.
De in het trajectplan genoemde diensten behoeven
uiteraard niet alle bij hetzelfde reïntegratiebedrijf te worden ingekocht.
Ingeval de werkgever de in het trajectplan genoemde diensten bij meerdere
reïntegratiebedrijven inkoopt, zal hij met ieder bedrijf een schriftelijke
overeenkomst als hiervoor bedoeld moeten sluiten.
De basissubsidie wordt verstrekt zodra daadwerkelijk
reïntegratieactiviteiten zijn uitgevoerd. De werkgever dient daartoe de facturen
van de reïntegratiebedrijven over te leggen aan het UWV. Uit
de factuur moet duidelijk blijken om welke werknemer het gaat. Het UWV
betaalt op basis daarvan 50% van het factuurbedrag aan de werkgever. Ook
bestaat de mogelijkheid dat een reïntegratiebedrijf de factuur of
facturen rechtstreeks indient bij het UWV. Het UWV kan zodoende zonder tussenkomst van de
werkgever 50% van het factuurbedrag aan het reïntegratiebedrijf betalen.
Indien het traject voortijdig wordt afgebroken, dient de
werkgever (dan wel het reïntegratiebedrijf namens de werkgever) dit te
melden aan het UWV, onder opgave van de reden daarvan.
De plaatsingssubsidie wordt verstrekt indien de
werknemer, binnen drie maanden nadat de reïntegratietaak van de werkgever is
geëindigd, in een functie buiten het bedrijf van de werkgever gedurende
ten minste een aaneengesloten periode van 26 weken in een
dienstbetrekking wordt geplaatst dan wel in een periode van één jaar over 26
weken voldoende inkomsten heeft verkregen met het verrichten van arbeid als zelfstandige.
Om voor deze subsidie in aanmerking te komen zal de
werkgever aan het UWV
moeten meedelen op welke datum, in welke functie en
bij welke werkgever de betrokken werknemer is geplaatst. Op basis
daarvan betaalt het UWV de resterende 50% van de trajectkosten aan de
werkgever.
Ad §
4.3. Persoonsgebonden reïntegratiebudget voor
arbeidsgehandicapte werknemers
Inleiding
Als gevolg van de
SUWI-wetgeving worden de mogelijkheden
voor een persoonsgebonden reïntegratiebudget fors uitgebreid.
Deze regeling behelst de vormgeving van het persoonsgebonden
reïntegratiebudget voor arbeidsgehandicapte werknemers. Voor deze categorie
acht het kabinet invoering per 1 januari 2002 mogelijk en
wenselijk.
Voor cliënten van UWV
en gemeenten zal generieke
invoering van het persoonsgebonden reïntegratiebudget, waarvoor de inhoud
zoveel mogelijk identiek zal zijn aan die voor
arbeidsgehandicapte werknemers, op een later moment plaatsvinden. Het UWV en de
gemeenten krijgen zo de tijd hun organisatie op het beoordelen en verstrekken
van persoonlijke reïntegratiebudgetten in te richten, alsmede criteria
te ontwikkelen op basis waarvan kan worden beoordeeld of cliënten in
aanmerking behoren te komen voor een persoonsgebonden reïntegratiebudget.
Reïntegratieverantwoordelijkheid van de werkgever en de
mogelijkheid tot een persoonsgebonden reïntegratiebudget voor de
arbeidsgehandicapte werknemer
Arbeidsgehandicapte werknemers waarvan vaststaat dat een reïntegratietraject
noodzakelijk is om betrokkene weer
in het arbeidsproces terug te laten keren, krijgen uitsluitend de
mogelijkheid een persoonsgebonden reïntegratiebudget aan te vragen
indien in het bedrijf van de werkgever of een ander bedrijf geen passende
arbeid aanwezig is die de betrokken werknemer kan verrichten. Een deel van
de subsidiekosten wordt in rekening gebracht bij de werkgever als
succesvolle reïntegratie uitblijft. Hiermee wordt invulling gegeven
aan de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever voor
reïntegratie.
(Uitvoering) trajectplan
Het persoonsgebonden reïntegratiebudget geldt ter
financiering van de uitvoering van een trajectplan. Het traject moet gericht
zijn op behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid en in vervolg daarop het daadwerkelijk behouden of
verkrijgen van arbeid, waarbij het traject doelmatig en resultaatgericht moet
zijn. Het overleggen van een trajectplan geldt als noodzakelijke voorwaarde
voor het sluiten van een persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst. Het
UWV
beoordeelt het trajectplan en bepaalt daarbij of in het
desbetreffende geval met de voorgestelde richting ingestemd kan worden
en of de te maken kosten noodzakelijk zijn. Het trajectplan zal
onderdeel kunnen zijn van het plan van aanpak dat de werkgever in
overeenstemming met zijn werknemer heeft opgesteld en waarbij ook afspraken zijn
gemaakt over de te verrichten reïntegratieactiviteiten.
Het persoonsgebonden reïntegratiebudget geldt ter
financiering van de werkzaamheden die uitvoering geven aan dat trajectplan.
Extra of andere werkzaamheden dan in het trajectplan opgenomen kunnen
alleen met een persoonsgebonden reïntegratiebudget worden gefinancierd
als het UWV een verzoek daartoe honoreert.
Het trajectplan moet in ieder geval bevatten:
• de persoonsgegevens, opleidingsniveau en sofinummer;
• stappenplan: de omschrijving van de verschillende
werkzaamheden die verricht zullen worden;
• tijdpad: begin- en einddatum van de periode waarin
de geplande werkzaamheden zullen worden uitgevoerd;
• het (globaal omschreven) beoogd resultaat:
aangegeven moet zijn welke beroepsactiviteiten of werkzaamheden betrokkene in
staat wordt geacht te kunnen verrichten nadat het trajectplan is
uitgevoerd;
• kostenbegroting.
De overeenkomst die vervolgens met het uitvoerende en
door de werknemer te kiezen arbodienst/reïntegratiebedrijf
wordt gesloten, is uiteraard gericht op de uitvoering van het opgestelde
trajectplan. Tevens dient die overeenkomst in ieder geval het UWV
in staat
te stellen toe te zien op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de inzet
van de publieke gelden. Aan arbodienst/reïntegratiebedrijf wordt onder meer als
voorwaarden gesteld het beschikken over een
privacyreglement en een klachten- en geschillenregeling. In geval van
onderuitbesteding van activiteiten door arbodienst/reïntegratiebedrijf dienen
de arbodiensten of reïntegratiebedrijven waaraan is onderuitbesteed aan
dezelfde voorwaarden te voldoen (o.m. mogelijk maken van
rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets UWV, alsmede een eigen privacyreglement en
klachten- en geschillenregeling).
Bij bestedingsdoeleinden kan men onder meer denken aan:
- activiteiten gericht op verbetering van de
arbeidsmarktpositie van de arbeidsgehandicapte (bijvoorbeeld beroepskeuzetest,
oriënteringsgesprek, om-, her- of bijscholing, sollicitatietraining);
- activiteiten in het kader van bemiddeling en
plaatsing, dat wil zeggen het behulpzaam zijn bij het zoeken van een geschikte
baan (bijvoorbeeld sollicitatiebegeleiding, jobhunting); en
- activiteiten in verband met de nazorg na plaatsing
(bijvoorbeeld werkplekbegeleiding).
Activiteiten in het kader van het starten van een eigen
bedrijf zoals het verstrekken van een starterskrediet, zijn uitgesloten
van financiering met een persoonsgebonden reïntegratiebudget. Deze
faciliteiten blijven onverminderd beschikbaar en kunnen apart aangevraagd
worden.
Financiering
De kosten van het uit te voeren reïntegratietraject
komen voor vergoeding in aanmerking tot een standaardmaximumbedrag dat bij ministeriële regeling zal worden bepaald. Tevens geldt
als standaardmaximumduur voor met een persoonsgebonden
reïntegratiebudget te financieren trajecten één jaar. Het UWV
beoordeelt de
ingediende verzoeken op de doelmatigheid en rechtmatigheid van de inzet van
publieke gelden.
Indien verzoeken worden ingediend die het
standaardmaximumbedrag dan wel de standaardmaximumduur overschrijden, dient de
arbeidsgehandicapte werknemer aan te tonen dat de standaard termijn of het
standaardbedrag redelijkerwijs niet toereikend zijn om
tot reïntegratie te komen. Het UWV zal vervolgens expliciet beoordelen of
het traject niet binnen genoemde standaarden uitgevoerd kan worden.
Indien de arbeidsgehandicapte werknemer in de loop van
de uitvoering van het trajectplan verzoekt om het laten verrichten van
extra of andere werkzaamheden dan in het aan het persoonsgebonden
reïntegratiebudget ten grondslag liggende trajectplan zijn vermeld, komen
deze werkzaamheden uitsluitend voor subsidiëring in aanmerking indien het
UWV daartoe schriftelijk toestemming heeft gegeven.
Conform de subsidieregeling voor werkgevers, zoals
opgenomen in paragraaf 4.2 van dit besluit, komt 50% van de
subsidiekosten voor rekening van de werkgever indien het traject niet tot
succesvolle reïntegratie leidt.
Twee varianten van persoonsgebonden reïntegratiebudget
Het persoonsgebonden reïntegratiebudget kent een
tweetal varianten. In de ene variant verleent het UWV
op verzoek aan de
werknemer een subsidie waarmee de uitvoering van het opgestelde
trajectplan kan worden gefinancierd. In de andere variant sluit het UWV
een overeenkomst met het door de werknemer gekozen reïntegratiebedrijf,
gericht op uitvoering en financiering van het traject.
Persoonsgebonden reïntegratiebudget in de vorm van een
subsidie
Specifiek ten aanzien van deze variant geldt dat zowel
werknemer als arbodienst/reïntegratiebedrijf de overeenkomst ter
uitvoering van het trajectplan wegens gewichtige redenen tussentijds door
opzegging kunnen beëindigen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in geval van wanprestatie van
arbodienst/reïntegratiebedrijf of nalatigheid van
de betrokken medewerker bij het verlenen van medewerking aan uitvoering van het
overeengekomen trajectplan. In dat geval heeft de arbeidsgehandicapte werknemer de plicht het beëindigen van de
overeengekomen werkzaamheden, alsmede de redenen daarvoor, onverwijld te melden aan
het UWV.
Persoonsgebonden reïntegratiebudget in de vorm van een
persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst
In deze variant sluit het
UWV
met een arbodienst/reïntegratiebedrijf een overeenkomst ten behoeve van de reïntegratie van een
arbeidsgehandicapte. Hiermee wordt voorkomen dat de individuele cliënt wordt
belast met het sluiten daarvan en het daarin laten
opnemen van afspraken over bijvoorbeeld informatie die arbodienst/reïntegratiebedrijf aan het
UWV moet leveren, en dat hij in voorkomend geval te
maken krijgt met juridische vragen omtrent het al dan niet nakomen van de
met het reïntegratiebedrijf of de arbodienst gesloten
overeenkomst.
Het feit dat het UWV de overeenkomst met de
arbodienst/reïntegratiebedrijf sluit, laat onverlet dat de cliënt overeenkomstig de
bedoeling van het persoonsgebonden budget zelf het trajectplan
opstelt (of bepaalt dat hij dat laat opstellen) en vrij is in de keuze van
de uitvoerende arbodienst/reïntegratiebedrijf. De afweging van het UWV of op verzoek
van de cliënt een overeenkomst gesloten moet worden met
een arbodienst/reïntegratiebedrijf moet beperkt blijven tot
de vraag of een cliënt voor een persoonsgebonden reïntegratiebudget in
aanmerking komt en of het voorgestelde traject adequaat en de prijs
redelijk is. Het UWV treedt met name niet in de keuze van de cliënt voor
een arbodienst/reïntegratiebedrijf of de exacte inhoud van het
trajectplan.
In de overeenkomst zullen verplichtingen van de
arbodienst/reïntegratiebedrijf jegens de cliënt en het UWV
moeten worden geregeld. Het
trajectplan dat gericht is op inschakeling van de
betrokkene in het arbeidsproces vormt de basis van de
reïntegratieovereenkomst tussen
het UWV en het reïntegratiebedrijf of de arbodienst. Om
de reïntegratie-inspanningen van de uitvoerende arbodienst/reïntegratiebedrijf te
kunnen beoordelen, zal in de overeenkomst in elk geval moeten
worden opgenomen dat de arbodienst/reïntegratiebedrijf
verplicht is de voor die beoordeling relevante gegevens aan het UWV te
verstrekken.
Ook
in geval van een persoonsgebonden
reïntegratiebudget zal het UWV
moeten beoordelen of de werknemer in voldoende mate
reïntegratie-inspanningen verricht. Alle
gegevensverstrekking aan het UWV over het verloop van het traject en de verplichting
per kwartaal daarover te rapporteren heeft naast de beoordeling door het UWV van de
juiste besteding van de publieke middelen tot doel het
UWV hiertoe in staat te stellen. Voorts voorziet deze informatie ook in
een instrument om tijdens, of na afloop van het eerste ziektejaar, op
verzoek van de werkgever te beoordelen of de werknemer zich voldoende
heeft ingespannen om werkhervatting te realiseren. Immers, ook
wanneer een werknemer een traject volgt op basis van een persoonsgebonden
reïntegratieovereenkomst geldt onverkort de verantwoordelijkheid van de
werkgever voor loondoorbetaling en reïntegratie, en heeft de werkgever de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen bij
het UWV over de activiteiten van de werknemer. Het UWV zal de
werkgever in verband hiermee op de hoogte kunnen stellen van de activiteiten
van de werknemer indien de werkgever daarom verzoekt. Daarnaast
zal het UWV de informatie ook nodig hebben ingeval de werknemer ook
een WAO-uitkering ontvangt. Uiteindelijk zal bij gebleken onvoldoende inspanning van de werknemer dit kunnen leiden tot het
opleggen van een maatregel of het niet doorbetalen van het loon door de
werkgever. Die laatste mogelijkheid bestaat immers indien de werknemer
onvoldoende meewerkt aan het plan van aanpak, waarvan ook de in de
vorm van een persoonsgebonden budget uitgevoerde werkzaamheden
onderdeel uitmaken.
Opbouw paragrafen 4.2 en 4.3
Titel 4.2 van de
Algemene wet bestuursrecht is
rechtstreeks van toepassing op de subsidieverstrekking, bedoeld in
paragraaf 4.2 van het besluit. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dient de in deze titel opgenomen bepalingen in acht te nemen, ook
zonder dat deze worden herhaald in het besluit.
In paragraaf 4.3 van het besluit wordt naast het
verstrekken van een persoonsgebonden budget in de vorm van een subsidie, dat
als subsidieverstrekking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden
beschouwd, ook het sluiten van een persoonsgebonden
reïntegratieovereenkomst geregeld. Het sluiten van zo’n overeenkomst door het
UWV
met een reïntegratiebedrijf ten behoeve van een
arbeidsgehandicapte kan niet worden beschouwd als subsidieverstrekking in de zin
van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de verschillende
elementen van de subsidieverlening, -vaststelling en de betaling uit de
Algemene wet bestuursrecht hierop dus niet van toepassing zijn en om
verwarring met de toepasselijkheid daarvan op het persoonsgebonden
budget in de vorm van een subsidie te voorkomen, zijn bedoelde elementen
in paragraaf 4.3 wel uitgeschreven.
4. Gegevensuitwisseling (hoofdstuk 5
Besluit SUWI)
De bepalingen in dit hoofdstuk betreffen de
gegevensverstrekking door de uitvoeringsorganisaties in het SUWI-domein aan
derden. Deze bepalingen vervangen het Besluit gegevensverstrekking
sociale verzekeringen 1997, voor zover het betreft de gegevensverstrekking door
het UWV
en de SVB. Het gaat om de nadere uitwerking van
artikel 73
van de Wet SUWI. Dit artikel regelt de verstrekking van gegevens
door de CWI, het UWV en de SVB aan bestuursorganen en privaatrechtelijke
rechtspersonen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat bij of krachtens
AMvB regels worden gesteld met betrekking tot de verstrekking
van gegevens door de CWI, het UWV of de SVB aan bestuursorganen,
instellingen en bedrijven, de daarvoor in rekening te brengen kosten en
het gebruik van het Suwinet. Over het gebruik van het Suwinet wordt in
dit besluit nog niets nader geregeld. De ontwikkeling van deze
gegevensinfrastructuur is een groeimodel. De Wet
SUWI bepaalt de hoofdlijnen. Pas
wanneer de functionaliteiten van de infrastructuur zijn vastgelegd,
kan het gebruik daarvan nader worden geregeld.
Voor de
CWI
wordt de gegevensverstrekking in dit kader
deels in dit besluit ingevuld. Voor een deel vloeit de verwerking van
gegevens en dus ook het verstrekken daarvan voort uit de in artikel 21
van de Wet SUWI neergelegde taken van de CWI.
Artikel 75 van de Wet
SUWI gaat in op de openbaarheid van de geregistreerde vacaturegegevens. In
dit besluit is de gegevensverstrekking aan derde private rechtspersonen
geregeld.
Nieuwe gegevensverstrekkingen
Ten opzichte van het oude besluit gegevensverstrekking
is een aantal instanties aan wie gegevens worden verstrekt komen te
vervallen en is een aantal instanties toegevoegd aan wie gegevens mogen
of moeten worden verstrekt. Daarnaast is een aantal andere
wijzigingen doorgevoerd. Het betreft hier de kosteloze gegevensverstrekking aan
bestuursorganen.
Publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties
De wijziging die met
artikel 5.3 is gemoeid betreft de
gegevensverstrekking door het UWV
aan organen die onderdeel zijn van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
(pbo). Deze
organen beschikken over een publiekrechtelijke titel op grond waarvan zij bij
individuele werkgevers loongegevens kunnen opvragen. Vermindering
van administratieve lastendruk kan bereikt worden door de reeds beschikbare
en geverifieerde gegevens van het UWV centraal beschikbaar
te stellen aan pbo’s. Om deze reden is in dit besluit bepaald dat het
UWV verplicht is om desgevraagd, en bevoegd uit eigen beweging, loongegevens
zonder kostenverrekening aan de pbo’s te verstrekken.
Vervangingsfonds
In dit kader wordt tevens bepaald dat het
UWV
bevoegd is
om uit eigen beweging, en verplicht op verzoek, gegevens te
verstrekken aan het Vervangingsfonds. Het Vervangingsfonds draagt op grond
van de Wet op
het primair onderwijs, de Wet
op de expertisecentra en
de Wet op
het voortgezet onderwijs zorg voor de vergoeding van de
kosten die onderwijsinstellingen maken in verband met de vervanging
van personeel dat afwezig is wegens ziekte. Het Vervangingsfonds
vergoedt de kosten van vervanging niet als er sprake is van een
arbeidsongeschiktheid die langer duurt dan 30 maanden. Om de claims van de
onderwijsinstellingen te kunnen controleren, dient het Vervangingsfonds te
beschikken over betrouwbare gegevens over de duur van de
arbeidsongeschiktheid. Het UWV beschikt uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid
voor de uitvoering van de WAO over dergelijke gegevens.
Buitenlandse organen
Op 24 oktober 1998 is EG-richtlijn 95/46/EG betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking
van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens in
werking getreden (PbEG L 281, blz. 31). Artikel 10 van het
Besluit gegevensverstrekking sociale verzekeringen 1997 bevat beperkingen ten aanzien
van het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen lidstaten die niet verenigbaar zijn met artikel 1, tweede lid, van genoemde
EG-richtlijn. Dit artikel wordt daarom vervangen door artikel
5.5, dat is
geformuleerd in aansluiting op de genoemde EG-richtlijn, op grond
waarvan de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden
indien de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een
taak van zwaarwegend algemeen belang. De uitvoering van wetten en
socialezekerheidsregelingen door bestuursorganen moet worden beschouwd als de
vervulling van een taak van zo’n zwaarwegend algemeen
belang, zo blijkt ook uit de overwegingen bij deze EG-richtlijn. Bij de
verstrekking van gegevens aan EG-landen kan er daarbij van worden
uitgegaan dat passende waarborgen aanwezig zijn voor de bescherming
van persoonsgegevens. Bij de verstrekking aan derde landen kan een passend
beschermingsniveau ontbreken, maar kan op grond van
artikel 77 van de Wet
bescherming persoonsgegevens [Wbp, red.] de verstrekking van
persoonsgegevens wel plaatsvinden vanwege het bestaan van een zwaarwegend
algemeen belang, waarbij ook weer volgens de
overwegingen bij de richtlijn in dit verband gedacht kan worden aan de
internationale gegevensuitwisselingen tussen voor de sociale zekerheid
bevoegde diensten. Overigens zal het verstrekken van
persoonsgegevens ook vaak opgenomen zijn in socialezekerheidsverdragen. Die
verdragen bevatten dan voorschriften over de wijze waarop de
gegevensuitwisseling zal plaatsvinden.
Kamers van Koophandel en Fabrieken
Het Handelsregister, waarin ondernemingen en
rechtspersonen staan ingeschreven, wordt gehouden door de Kamers van
Koophandel en Fabrieken. Gegevensuitwisseling met de Kamers van
Koophandel en Fabrieken creëert de mogelijkheid om de kwaliteit van
de geregistreerde gegevens te verbeteren en tegelijkertijd de benodigde
inspanningen ter controle van die gegevens te reduceren. In dit kader
wordt onder meer onder regie van het ministerie van Economische Zaken
door de belastingdienst, de Kamers van Koophandel en Fabrieken, het CBS
[Centraal Bureau voor de Statistiek, red.]
en het UWV
gewerkt aan de ontwikkeling van een Basis Bedrijven
Register (BBR). Doel van het BBR is het identificeren van de vanuit Nederland
actief zijnde economische objecten (natuurlijke personen en
rechtspersonen die economische activiteiten verrichten) en het vormen van
een afstemmingsplatform tussen de participerende registers. Het BBR levert een
bijdrage aan het realiseren van administratieve lastenverlichting
voor het bedrijfsleven.
Systematische gegevensverstrekking
Daar waar sprake is van systematische
gegevensverstrekking aan andere bestuursorganen dan de uitvoerders van de
Wet SUWI, wordt krachtens
artikel 5.8 van de SUWI-ZBO’s [zelfstandige bestuursorganen, red.] verlangd dat zij
de onderlinge overeenstemming over inhoud en wijze van verstrekking en
de daarbij vastgestelde procedures vastleggen in een besluit en dit
bekendmaken. Zo wordt op een vergelijkbare wijze als binnen het SUWI-domein (via het
Gegevensregister SUWI) transparantie gerealiseerd en
wordt bevorderd dat de totstandkoming van afspraken zorgvuldig gebeurt.
In rekening te brengen kosten
Conform algemeen gebruik binnen het publieke domein zal
gegevensverstrekking aan publiekrechtelijke organisaties kosteloos
plaatsvinden. Daar waar gegevensverstrekking aan private organisaties
plaatsvindt zal de kostprijs worden berekend (artikel 5.9).
Hierop is de volgende uitzondering van toepassing: de
gegevensverstrekking in het kader van de uitbesteding van taken. Op grond van
doelmatigheidsoverwegingen zullen de betrokken ZBO’s
moeten beslissen of bepaalde taken uitbesteed worden. Bij de uitbesteding
van taken kan het noodzakelijk zijn gegevens te verstrekken aan de
opdrachtnemer. Het is in deze situaties niet wenselijk dat kosten in
rekening worden gebracht bij de opdrachtnemer voor de verstrekking van gegevens
die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de opdracht. Overigens
vloeit rechtstreeks uit de Wbp
voort dat slechts gegevens verstrekt worden die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de betreffende taak. De
opdrachtnemer mag deze gegevens niet gebruiken voor andere activiteiten. Deze
opdrachtnemers kunnen reïntegratiebedrijven en arbodiensten zijn. De
uitzondering geldt verder voor iedere gegevensverstrekking aan deze
bedrijven, voor zover zij gegevens van het UWV
behoeven voor de uitvoering van de
werkzaamheden in het kader van reïntegratie, ook indien zij
werkzaamheden verrichten in opdracht van een werkgever.
5. Effecten voor het bedrijfsleven (waaronder
administratieve lasten)
In de Wet
SUWI
en Invoeringswet SUWI wordt in een groot
aantal maatregelen voorzien dat effect heeft op de kosten en
administratieve lasten voor het bedrijfsleven. In dit besluit wordt een
aantal elementen nader uitgewerkt. Per element wordt aangegeven in welke
mate de kosten en administratieve lasten van werkgevers worden
beïnvloed.
Uitvoeren van andere taken
Uitgangspunt voor het uitvoeren van andere taken is dat
het UWV
dezelfde andere taken mag uitvoeren als de
uitvoeringsinstellingen op grond van de Osv 1997 uitvoerden. Dit betekent dat er
geen wijzigingen plaatsvinden op het terrein van de administratieve
lasten van de werkgevers. Als het UWV geen bovenwettelijke aanvullingen meer zou
mogen uitvoeren, zou dit tot een verzwaring van de administratieve lasten
bij de werkgevers leiden. De beslissing om de uitvoering
van bovenwettelijke aanvullingen door het UWV toe te blijven staan, is dan
ook mede genomen vanuit het oogpunt van administratieve
lastenverlichting voor de werkgevers bij gezamenlijke uitvoering.
Overigens blijft het in de toekomst mogelijk dat het UWV door sociale partners
opgestelde nieuwe regelingen zal gaan uitvoeren, mits zij in zodanige mate
naar hun aard overeenkomen met regelingen die nu al worden uitgevoerd
door het UWV. Dit zou dan tot een verdere administratieve lastenverlichting kunnen
leiden. Actal [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] toont zich in haar advies een voorstander
van deze optie.
Gegevensverstrekking
In het kader van de gegevensverstrekking door de
werkgevers aan derden is sprake van effecten die direct zijn
gerelateerd aan de bepalingen in dit besluit en langeretermijneffecten
die vooral samenhangen met het SUWI-proces in relatie tot andere beleidsplannen
en -onderwerpen.
In deze laatste categorie gaat het onder meer om de
voordelen van de integratie van het UWV, de verbeteringen in het kader
van het wetsvoorstel Walvis en de verdere stroomlijning van het
gegevensverkeer (o.a. Elektronische Herendiensten). Ook Actal merkt in haar
advies op dat het zinvol is nadere mogelijkheden op dit terrein te verkennen.
In het kader van dit besluit wordt een aantal concrete
stappen gezet dat ook de lasten van werkgevers verlicht. Een component
hierbij is de doormelding van hergebruik van gegevens. Bij gemeenten
kan hierbij worden gedacht aan de handhavingsactiviteiten die
straks via het Inlichtingenbureau zullen verlopen. Naar verwachting
zullen straks ca. 125 personen zich bezighouden met de verwerking van
fraudesignalen (uitvoeringskosten ƒ15 mln). Indien zij zich voor de
verificatie van loongegevens niet meer hoeven te wenden tot werkgevers
maar terechtkunnen bij het UWV, zal dit een besparing van de
administratieve lasten opleveren van maximaal ƒ5 mln.
Ook bij de CWI-Abw-intake zal zoveel mogelijk van
loongegevens van het UWV gebruik kunnen worden gemaakt, waardoor een
beperkte lastenverlichting zal ontstaan. (Bij de WW-intake zal op
het CWI richting werkgevers een vergelijkbare procedure worden gevolgd
als de huidige uvi-intake en zal geen lastenverlichting voor werkgevers
optreden).
Ook wordt de gegevensverstrekking aan derden verruimd.
Vooral in relatie tot de pbo’s mag een positief effect worden
verwacht op de administratieve lasten. Het gaat hierbij vooral om de
heffingen van bedrijfschappen. De bedrijfschappen kunnen gebruik gaan
maken van de gegevens van het UWV (met name loongegevens WW) in plaats
van deze informatie uit te vragen bij de werkgevers, die nu onder
de heffingen vallen van de bedrijfschappen. Het totaal aan heffingen
bedraagt ca. ƒ200-300 mln. Uitgaande van een lastenpercentage van 5%
(vergelijkbaar met de werknemersverzekeringen) en een mogelijke
besparing van 10% resulteert een lastendaling van ƒ1-2 mln.
Resumerend wordt geraamd dat de administratieve lasten
onder invloed van de gegevensverstrekkingsmaatregelen zoals
weergegeven in dit besluit met maximaal ƒ7
mln zullen afnemen.
Subsidies voor trajecten
die werkgevers voor arbeidsgehandicapte werknemers inkopen
Een belangrijk element
dat van invloed is op de kosten van het bedrijfsleven betreft de
reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers. Ondanks dat
het ook administratieve handelingen betreft, worden de kosten van de
subsidieaanvraag in dit kader niet gerekend tot de administratieve
lasten. Het betreft hier immers een vrijwillige handeling van werkgevers
en geen verplichting opgelegd door de overheid. Toch is het
zinvol - ook in de visie van Actal - om deze kosten in beeld te brengen.
De verantwoordelijkheid
van de werkgever voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte
werknemers wordt onder SUWI uitgebreid. De werkgever wordt verplicht
om te bevorderen dat de arbeidsgehandicapte werknemer wordt ingeschakeld in de arbeid in het bedrijf van een andere
werkgever indien geen passende arbeid in het eigen bedrijf voorhanden is. De werkgever zal
daarvoor reïntegratietrajecten inkopen bij reïntegratiebedrijven.
Ter financiering van deze trajecten kan de werkgever subsidies
aanvragen bij het UWV, in de vorm van een basissubsidie
respectievelijk een plaatsingssubsidie. De hoogte van de basissubsidie bedraagt
50% van de kosten van een reïntegratietraject en wordt verstrekt indien de
arbeidsgehandicapte werknemer niet meer kan worden herplaatst in een
functie bij de eigen werkgever. De hoogte van de plaatsingssubsidie
bedraagt eveneens 50% van de trajectkosten en wordt verstrekt indien de
werknemer wordt geplaatst in een functie buiten het bedrijf van de werkgever.
Om in aanmerking te komen
voor de basissubsidie dient de werkgever een advies van de
arbodienst en een trajectplan aan het UWV over te leggen. Uiteraard staat
het de werkgever vrij om met zijn arbodienst of het door hem ingeschakelde
reïntegratiebedrijf overeen te komen dat deze het advies en/of trajectplan
namens de werkgever aan het UWV verstrekt. In het advies van de
arbodienst dient te worden aangegeven dat naar het oordeel van de arbodienst
de betreffende werknemer arbeidsgehandicapt is en dat voor die
werknemer geen passende arbeid aanwezig is in het bedrijf van de werkgever.
Deze informatie is nodig, omdat moet vaststaan dat herplaatsing bij de
eigen werkgever niet meer mogelijk is. De subsidie is immers bedoeld voor
trajecten die leiden tot plaatsing bij een andere werkgever.
Het trajectplan dient de
volgende informatie te bevatten. Ten eerste moet worden aangegeven op
welke werknemer het plan betrekking heeft. Daartoe volstaat het
sofinummer en het opleidingsniveau van de
betrokken werknemer. De
reden dat het sofinummer moet worden verstrekt spreekt voor
zich. Het gegeven "opleidingsniveau" is vanuit het oogpunt van beleid van
belang, omdat dan vastgesteld kan worden of er een verband bestaat
tussen de genoten opleiding en het vinden van een baan.
Voorts zal in het
trajectplan moeten worden aangegeven welke diensten voor de betrokken
werknemer zullen worden ingekocht. Dit gegeven is zowel voor het UWV
als
voor het voeren van beleid van belang. Voor het UWV vormt het de basis op
grond waarvan subsidie zal worden verstrekt: van de genoemde diensten
zal het UWV 50% van de kosten vergoeden na overlegging van de
factuur (zie hierna). Voor de Minister van SZW is deze informatie van belang,
omdat zodoende kan worden beoordeeld welke reïntegratieactiviteiten
succesvol zijn.
Tot slot dient in het
trajectplan de (verwachte) begindatum en de (verwachte) einddatum van
het traject te worden aangegeven. Aan de hand van deze gegevens kan de Minister van SZW berekenen wat de
(verwachte) gemiddelde
doorlooptijd van een traject is en voorts nagaan in hoeverre de werkelijke
doorlooptijd daarvan afwijkt.
De hiervoor genoemde
gegevens die in het trajectplan moeten worden opgenomen, vormen slechts
een beperkte extra belasting voor de werkgever. Het
trajectplan wordt immers door de arbodienst of het reïntegratiebedrijf van
de werkgever opgesteld. Bovendien heeft de werkgever de
desbetreffende informatie ook zelf nodig om te kunnen beoordelen of hij akkoord
kan gaan met het voorgestelde traject. Hij loopt immers het risico dat hij
50% van de trajectkosten zelf moet betalen. Bovendien moet hij (70%
van) het loon doorbetalen zolang de werknemer niet werkt.
Voorts geldt als
voorwaarde voor de basissubsidie dat iedere in het trajectplan genoemde
dienst wordt ingekocht bij een reïntegratiebedrijf waarmee de werkgever
een
schriftelijke overeenkomst heeft gesloten. In deze overeenkomst dient
onder meer te worden opgenomen dat het betreffende
reïntegratiebedrijf desgevraagd alle gegevens en inlichtingen aan het UWV
verstrekt die
van belang zijn voor de vaststelling van de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de subsidievaststelling, een privacyreglement heeft
opgesteld en een klachten- en geschillenregeling heeft. De bepaling in de
AMvB waarin dit is geregeld kan rechtstreeks in de overeenkomsten met
reïntegratiebedrijven opgenomen worden.
De basissubsidie wordt
verstrekt zodra daadwerkelijk reïntegratieactiviteiten zijn uitgevoerd. De
werkgever dient daartoe de facturen van de reïntegratiebedrijven over te leggen aan het
UWV. Het UWV betaalt op
basis daarvan 50% van het factuurbedrag aan de werkgever. Ook bestaat de mogelijkheid dat een
reïntegratiebedrijf de factuur of facturen rechtstreeks indient bij
het UWV. Het UWV kan zodoende zonder tussenkomst van de
werkgever 50% van het factuurbedrag aan het reïntegratiebedrijf
betalen.
Indien het traject
voortijdig wordt afgebroken, dient de werkgever (dan wel het reïntegratiebedrijf namens de werkgever) dit te melden aan het
UWV, onder opgave van de
reden daarvan. Dit gegeven is voor het voeren van beleid van belang,
omdat zodoende kan worden beoordeeld waarom en hoeveel trajecten niet
worden afgerond.
De plaatsingssubsidie
wordt verstrekt indien de werknemer in een functie buiten het bedrijf van de werkgever gedurende ten minste een
aaneengesloten periode
van 26 weken in een dienstbetrekking wordt geplaatst. Om voor deze
subsidie in aanmerking te komen zal de werkgever aan het UWV
moeten meedelen op welke datum, in welke functie en bij welke
werkgever de betrokken werknemer is geplaatst. De noodzaak van het
verstrekken van deze gegevens spreekt voor zich, omdat het UWV op basis daarvan
de resterende 50% van de trajectkosten aan de werkgever vergoedt.
Op basis van het
voorgaande en gebruik makend van het administratieve handelingenmodel dat door
het EIM [Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, red.]
voor het ministerie van SZW is ontwikkeld, kan de omvang
van de kosten die voortvloeien uit de aanvraag van de subsidie
worden berekend. Hierbij is een aantal handelingen van belang:
het afsluiten van het reïntegratiecontract, het opstellen van het
trajectplan en de handelingen (vooraf en achteraf) in het kader van de
subsidieaanvraag. Uitgaande van de huidige gegevens van het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, red.] zal voor 50 000
werknemers een trajectplan worden uitgevoerd. Het werkelijke aantal
trajecten zal naar verwachting echter minder zijn, omdat als gevolg van de
Wet verbetering poortwachter (Kamerstukken II 2000-2001, 27 678) de kwaliteit en daarmee ook de resultaten van de
reïntegratie in onder
andere het eerste spoor zullen verbeteren. Daarnaast geldt dat vanwege de
vormgeving van de subsidieregeling werkgevers naar verwachting iets
terughoudender zullen zijn met het starten van trajecten dan de uvi’s
op dit moment. Werkgevers zullen andere alternatieven nadrukkelijk afwegen.
Voor het afsluiten van
het reïntegratiecontract hanteert het EIM een richttijd van vier uur.
Uitgaande van de hiervoor genoemde 50 000 trajecten bedragen de lasten dan
ca. ƒ14 mln. Deze kosten zullen in de toekomst afnemen naarmate de
werkgever gebruik kan maken van een bedrijf waarmee hij eerder zaken
heeft gedaan.
Voor de opstelling van
het trajectplan kan gebruik worden gemaakt van de activiteiten die reeds
door de arbodienst in het eerste ziektejaar zijn verricht. Indien wordt
verondersteld dat het reïntegratiebedrijf ongeveer drie uur zal gebruiken om het
trajectplan op te stellen, resulteert een kostenpost van ƒ13 mln.
Met de verdere afhandeling van de subsidieaanvraag (vooraf en
achteraf) richting het UWV zal een bedrag van ca. ƒ2
mln gemoeid zijn.
Per saldo zullen de
kosten van werkgevers voortvloeiend uit deze activiteiten met ca. ƒ29
mln toenemen. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de laatste
twee kostenposten deel zullen uitmaken van de contractkosten van het
reïntegratiebedrijf en werkgevers deze kosten (grotendeels) via de
subsidie vergoed krijgen.
Naast de kosten in het
administratieve proces zullen ook de directe kosten van werkgevers
toenemen. Dit hangt samen met de keuze om slechts een gedeelte van de trajectkosten te vergoeden. Bij het huidige
kostenniveau van ƒ250 mln aan trajectkosten en een plaatsingspercentage van 30 zal in de
voorgestelde subsidiesystematiek ƒ125 mln vooraf en ƒ35 mln achteraf worden
vergoed. Per saldo resulteert een kostentoename van ƒ90 mln. Overigens is
dit macro voor werkgevers een neutrale operatie. Immers bij het Rea-fonds zal een besparing ontstaan van
ƒ90 mln. Dit fonds is gevoed
met door werkgevers opgebrachte premies. Er zal slechts een
verschuiving plaatsvinden tussen werkgevers.
De subsidieregeling is
zodanig vormgegeven dat een extra prikkel ontstaat voor werkgevers
om bij de keuze voor een reïntegratiebedrijf zodanige kwaliteitseisen
te stellen dat het plaatsingspercentage toeneemt en de kosten afnemen. Als
gevolg hiervan en vanwege de effectievere inzet van trajecten door
werkgevers zal in de toekomst het genoemde bedrag van ƒ90 mln in
omvang afnemen.
6. Commentaar van
uitvoeringsorganisaties
Het Besluit SUWI is voor
advies voorgelegd aan het Lisv, de SVB, het
Ctsv [College van toezicht sociale verzekeringen, red.], de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.], de
bestuurder basisdiensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
College bescherming
persoonsgegevens (Cbp) en Actal. Het kabinet is de
organisaties erkentelijk voor de snelheid waarmee zij hun adviezen hebben
opgesteld.
Gedurende de
adviesperiode heeft de plenaire behandeling in de Tweede Kamer plaatsgevonden van het wetsvoorstel
SUWI en het
wetsvoorstel
Invoeringswet SUWI waarop dit besluit gebaseerd zal zijn. Naar aanleiding van de
plenaire behandeling van de beide wetsvoorstellen is besloten een aantal
bepalingen op het gebied van gegevensverwerking en privacy niet in dit
besluit te regelen, zoals het kabinet voornemens was, maar op wetsniveau. Het Cbp geeft in zijn reactie aan er met genoegen kennis van
te hebben genomen dat onderdelen met betrekking tot het gegevensverkeer naar het niveau van wet worden
getild. Hij acht de
aangebrachte wijzigingen een verbetering ten opzichte van eerdere concepten.
Voor zover genoemde
organisaties opmerkingen hebben geplaatst bij de bedoelde, inmiddels
geschrapte, artikelen wordt hierop in het onderstaande niet nader ingegaan.
In het vervolg van deze
paragraaf wordt een reactie gegeven op de hoofdpunten van de
ontvangen adviezen. De adviezen hebben vooral geleid tot technische aanpassingen en verduidelijkingen in de nota van
toelichting bij het
besluit. Aan het eind van deze paragraaf wordt een opsomming gegeven van de
belangrijkste wijzigingen en aanvullingen.
Voorwaarden verlenging
reïntegratieverantwoordelijkheid werkgever
Het
Lisv constateert dat
in het besluit geen uitwerking is gegeven aan de voorwaarden waaronder
de reïntegratietaak van de werkgever kan worden verlengd en vraagt
wanneer nadere regelgeving op dit punt te verwachten valt. Ook het
Ctsv wijst hierop in het kader van het toezicht dat door de Inspectie
werk en inkomen (IWI) op deze taak van het UWV
dient te worden gehouden.
Als gevolg van de
wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden (via het wetsvoorstel
Invoeringswet SUWI) dient de werkgever de instemming van de ondernemingsraad
c.q. de personeelsvertegenwoordiging te verkrijgen om na het einde van de dienstbetrekking verantwoordelijk te
kunnen blijven voor de reïntegratie van zijn werknemers. Vooralsnog acht
het kabinet het niet
noodzakelijk om op dit punt nadere regels te stellen. Het is aan het UWV om
hier verder invulling aan te geven.
Persoonsgebonden
reïntegratieovereenkomsten
In het Besluit
SUWI wordt
bepaald dat het recht van een cliënt op een persoonsgebonden
reïntegratiebudget geëffectueerd kan worden in de vorm van een
persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst. Op basis van een door de cliënt
aan het UWV voor te leggen trajectplan sluit het UWV een overeenkomst met
een door de cliënt gekozen reïntegratiebedrijf.
Het Lisv is van mening
dat het bieden van een persoonsgebonden reïntegratiebudget
louter via een persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst een te beperkte
vormgeving is van de keuzevrijheid van de cliënt. Het Lisv opteert
voor óf de mogelijkheid voor de werknemer het persoonsgebonden
reïntegratiebudget zelfstandig te kunnen besteden bij een reïntegratiebedrijf
naar keuze óf de mogelijkheid om ondersteuning te zoeken bij het UWV,
waarbij deze ondersteuning de vorm aanneemt van het bieden van een keuze
aan de werknemer uit de door de diverse reïntegratiebedrijven
aangeboden dienstverlening.
Het kabinet heeft
besloten, gehoord de Tweede Kamer en rekening houdend met dit commentaar, ook een subsidie in de vorm van een
persoonsgebonden budget mogelijk te maken. Echter in de overeenkomstvariant
is het niet zo dat de ondersteuning van het UWV de keuze voor de uitvoerende
reïntegratiebedrijf/arbodienst inhoudt; die keuze blijft aan de werknemer. Het UWV
kan
hierover wel adviseren en, als de werknemer geen keuze maakt met
diens instemming, een reïntegratiebedrijf selecteren.
Vergoeding voor het
opstellen van een persoonsgebonden reïntegratiebudget?
Het
Lisv heeft gevraagd
of het opstellen van een trajectplan in aanmerking komt voor
vergoeding. Dit is niet het geval. Het opstellen van een trajectplan wordt
niet vergoed, omdat hierbij (gratis) ondersteuning kan worden verkregen van
de betreffende uitvoeringsorganisatie. Wel kan het trajectplan nader
uitgewerkt worden in samenwerking met het door de cliënt geselecteerde
reïntegratiebedrijf. De eventuele kosten hiervan kunnen dan uit het
persoonsgebonden reïntegratiebudget betaald worden.
Subsidieverstrekking aan
werkgevers
Het
Lisv is van mening
dat de voorgestelde subsidieregeling voor werkgevers voor het
inkopen van reïntegratietrajecten voor hun arbeidsgehandicapte
werknemers
leidt tot
veel bureaucratie en dientengevolge tot hogere
(administratieve) lasten voor werkgevers. De subsidieregeling, aldus het
Lisv,
stimuleert werkgevers niet om actief gebruik te gaan maken van de subsidie,
omdat zij de werkzaamheden dienen voor te financieren. Bovendien
kan de minimale plaatsingstermijn van 26 weken bij de plaatsingssubsidie
een financieel risico voor de werkgever inhouden, omdat niet uitgesloten kan worden dat tijdens de looptijd van
het dienstverband de
contacten tussen de werkgever en zijn (voormalige) werknemer verbroken zijn
en het voor de werkgever dientengevolge lastig zal zijn te achterhalen
of de werknemer de termijn van 26 weken ook daadwerkelijk heeft vol
gemaakt. Het Lisv pleit daarom voor een termijn van twee maanden. Voorts is
het Lisv van oordeel dat de subsidieregeling de uitvoeringslasten voor
het UWV aanzienlijk zal verzwaren. Het Lisv stelt daarom een systeem voor
van (gedeeltelijke) voorfinanciering van de kosten door het UWV, waarbij verantwoording achteraf plaatsvindt op
basis van een verklaring
van de interne accountantsdienst van de werkgever dat de
verstrekte subsidie daadwerkelijk is aangewend voor de in het trajectplan
opgenomen werkzaamheden.
Het kabinet deelt de
bezwaren van het Lisv niet. De subsidieregeling is naar het oordeel van het
kabinet helder en simpel vormgegeven. De administratieve lasten voor werkgevers zijn per saldo beperkt gehouden,
er zijn nauwelijks uitvoeringslasten aan verbonden voor het UWV
en het systeem van betaling op
basis van facturen is eenvoudig uitvoerbaar. Dit wordt hieronder nader
toegelicht.
De administratieve lasten
voor werkgevers zijn vanwege een tweetal redenen beperkt. Ten
eerste behoeft de werkgever de noodzakelijke gegevens voor de aanvraag
van een subsidie niet zelf aan het UWV te verstrekken. De
arbodienst of het reïntegratiebedrijf kan deze gegevens namens de werkgever
verstrekken. Ten tweede dient slechts een gering aantal gegevens aan het
UWV te worden verstrekt. (De arbodienst of het reïntegratiebedrijf van)
de werkgever kan voor de basissubsidie volstaan met de volgende gegevens:
• een verklaring van de
arbodienst waarin is aangegeven dat de betreffende werknemer
arbeidsgehandicapt is en dat voor hem in het bedrijf van zijn
werkgever geen passende arbeid voorhanden is;
• een trajectplan
waarin is aangegeven welke diensten voor de betreffende werknemer
zullen worden ingekocht;
• de facturen op basis
waarvan de door de reïntegratiebedrijven verleende diensten zijn
betaald.
Om voor de
plaatsingssubsidie in aanmerking te komen dient de werkgever slechts aanvullend aan het UWV te melden op welke datum, in
welke functie en bij
welke werkgever de betrokken werknemer is geplaatst.
Naar het oordeel van het
kabinet loopt de werkgever geen financieel risico door de plaatsingstermijn van 26 weken bij de plaatsingssubsidie.
Nog afgezien van de vraag of het een juiste voorstelling van zaken is dat
het contact tussen de
werkgever en zijn voormalige werknemer in die periode zal worden
verbroken (hier kan een taak voor de arbodienst of het reïntegratiebedrijf zijn
weggelegd), is het aan het UWV om vast te stellen dat deze periode is
verstreken. Het UWV kan dit vrij eenvoudig doen aan de hand van de gegevens
uit de verzekerdenadministratie.
Voorts leidt de
subsidieregeling volgens het kabinet niet tot grote uitvoeringslasten voor
het UWV. In de meeste gevallen kan het UWV op het oordeel van de
arbodienst afgaan dat de betrokken werknemer arbeidsgehandicapt is en
dat er geen passende arbeid voorhanden is. Het kabinet is vooralsnog
niet voornemens om gebruik te maken van de mogelijkheid om op basis
van artikel 4.4, vierde lid, regels te stellen omtrent de informatie die
de arbodienst in dit kader aan het UWV moet verstrekken. Overeenkomstig de voorkeur van het
Lisv behoeft het UWV
slechts marginaal te toetsen dat aan deze voorwaarden is voldaan. Alleen
in uitzonderlijke
gevallen zal het UWV een eigen onderzoek instellen, bijvoorbeeld wanneer
gerede twijfel bestaat over de juistheid van de verstrekte gegevens.
Voorts behoeft het UWV - anders dan het Lisv stelt - geen inhoudelijk oordeel
te geven over de vraag of een traject in een individueel geval nodig
en adequaat is. Dit oordeel kan achterwege blijven, omdat de werkgever het risico loopt dat hij zelf de helft van de
trajectkosten moet
betalen. Daarmee is verzekerd dat de werkgever geen dure of nodeloze diensten
zal inkopen.
Het kabinet deelt evenmin
het bezwaar van het Lisv tegen het systeem van betaling op basis van
ingediende facturen. Volgens het Lisv is dit systeem complex, omdat de facturen inzake één reïntegratietraject
afkomstig kunnen zijn van
meerdere reïntegratiebedrijven. Naar de mening van het kabinet
mag evenwel aangenomen worden dat op de factuur het sofinummer
van de betrokken werknemer wordt vermeld. Het UWV kan zodoende
eenvoudig nagaan of tot betaling aan de werkgever of het reïntegratiebedrijf
moet worden overgegaan. Voor alle duidelijkheid is daarom in dit besluit
geregeld dat door de werkgever aangetoond moet worden voor welke
werknemer de kosten worden gemaakt.
Het door het
Lisv voorgestelde systeem van (gedeeltelijke) voorfinanciering met verantwoording
achteraf is naar het oordeel van het kabinet voor zowel de werkgever
als het UWV administratief lastiger dan betaling op basis van ingediende
facturen. In het door het Lisv voorgestelde systeem dient het UWV
immers vooraf, dat wil zeggen voorafgaand aan de daadwerkelijke
uitvoering van de reïntegratieactiviteiten, een beslissing te nemen over
de hoogte van het voorschot. Anders dan ingevolge de
kabinetsvoornemens vergt dit dat de werkgever bij de aanvraag een raming moet
indienen van de kosten die zullen worden gemaakt. Dat zal niet
altijd mogelijk zijn, want de diensten zullen veelal nog moeten worden ingekocht. Bovendien bestaat de kans dat uiteindelijk
niet alle diensten
behoeven te worden ingekocht, bijvoorbeeld omdat de werknemer eerder werk
vindt dan verwacht. Dit kan tot gevolg hebben dat het verleende voorschot
door het UWV (deels) moet worden teruggevorderd, met alle ongemak voor de
werkgever van dien. Het risico van terugvordering is in de
kabinetsvoornemens vele malen kleiner. De betaling op basis van de
facturen moet weliswaar worden beschouwd als een voorschot, maar dit
bedrag zal in de regel gelijk zijn aan het bedrag waar de werkgever recht
op heeft. Het bedrag wordt immers verstrekt nadat - en niet voordat - de kosten zijn gemaakt. Voordeel van het door het Lisv voorgestelde systeem is wel dat de werkgever achteraf kan
volstaan met het indienen
van één schriftelijke verklaring van zijn interne accountantsdienst in
plaats van één of meerdere facturen. Dit voordeel weegt naar het oordeel
van het kabinet echter niet op tegen de nadelen van een noodzakelijke
kostenraming door de werkgever vooraf en het grotere risico van
terugvordering achteraf.
Aanbesteden door
gemeenten, de BTW-plicht en aan gemeenten gelieerde bedrijven
De
VNG geeft in haar
reactie aan dat de bepaling in het derde lid van artikel 4.1 van het
Besluit SUWI niet overeenstemt met de afspraken die zijn vastgelegd in de
"Agenda voor de toekomst".
Het kabinet deelt deze
mening niet. Het is gemeenten immers niet verboden om opdrachten te
gunnen aan aan de gemeente gelieerde bedrijven (bijvoorbeeld Wsw- of
Wiw-uitvoerders), wel geldt daarbij nadrukkelijk
als voorwaarde dat de
opdrachten worden aanbesteed volgens aanbestedingsprocedures
die "transparant en toetsbaar" moeten zijn en er moeten "meerdere
offertes worden gevraagd op basis van vooraf vastgestelde criteria".
Deze eisen moeten waarborgen dat er een gelijk speelveld ontstaat voor
alle aanbieders. Voor deze kwestie is ook aandacht gevraagd tijdens
het algemeen overleg met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van de Tweede Kamer op 7 november 2001. Dit
heeft uiteindelijk geleid tot een aanpassing van artikel
4.1, derde lid,
van het Besluit SUWI. Thans is geregeld dat de selectie en gunning van
reïntegratieovereenkomsten uitsluitend plaats mag vinden op basis van
offertes met vergelijkbare kosten. In een brief aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, die eind 2001 is verzonden, zijn
mogelijke onduidelijkheden met betrekking tot de gemeentelijke reïntegratiemiddelen uit hoofde van de Wet inschakeling
werkzoekenden weggenomen.
Ook de gemeenten zijn hiervan op de hoogte gesteld. Benadrukt
is dat er met betrekking tot de fiscale regelgeving in het kader van
de SUWI-wetgeving niets wordt gewijzigd. Zo blijft de bestaande
BTW-vrijstelling voor Wiw-dienstbetrekkingen bestaan (bijlage B, onderdeel
b,
nummer 25, van het Uitvoeringsbesluit
omzetbelasting 1968). Voor de
bemiddeling in het kader van de Wiw-werkervaringsplaats geldt geen
BTW-vrijstelling. Wel is de te verstrekken loonkostensubsidie BTW-vrij.
Ook met betrekking tot
het scholings- en activeringsbudget verandert de fiscale regelgeving niet.
Zo zijn de meeste activiteiten die vanuit dit budget worden bekostigd
vrij van BTW (beroepsopleidingen, taallessen en
sollicitatiecursussen). Activiteiten in de sfeer van welzijn zijn in een
aantal in genoemd
uitvoeringsbesluit aangegeven situaties vrijgesteld als met die activiteiten geen
winst wordt beoogd. Het was en is ook thans overigens niet de
bedoeling dat in het kader van het scholings- en activeringsbudget gelden
worden ingezet voor de inkoop van zorg. Dit omdat zorginstellingen al
regulier worden gefinancierd.
Voor de
reïntegratiemiddelen van het scholings- en activeringsbudget van gemeenten gaat gelden
dat deze middelen zoveel mogelijk moeten worden gebruikt voor het
op de markt inkopen van reïntegratiediensten. De betreffende bepaling
in de Wiw (artikel 8, tweede lid) luidt dat het gemeentebestuur de
werkzaamheden "zoveel mogelijk" laat verrichten door een
"natuurlijk
persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of
bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert". In
het onderhavige besluit (artikel 4.1) is vastgelegd hoe de aanbestedingsprocedure moet plaatsvinden. Aan de gemeente
gelieerde bedrijven mogen
daarbij wel meedingen, maar onder volstrekt gelijke voorwaarden.
In het geval bepaalde
activiteiten, bijvoorbeeld op het gebied van educatie of welzijn, (nog)
niet op de markt worden aangebonden, kan de gemeente gebruik maken
van lokale gesubsidieerde instellingen. De Wet inschakeling
werkzoekenden biedt daarvoor de mogelijkheid door te stellen dat "zoveel
mogelijk" moet worden ingekocht op de markt. Dit kan naar tijd en plaats
verschillen: waar in de ene gemeente wel aanbod is, hoeft dat in een andere
gemeente niet te zijn en in de loop der tijd kan dat veranderen. De
reïntegratiemarkt is immers nog volop in beweging. Wel is nog van belang dat iedere
gemeente na afloop van het jaar een verantwoordingsverslag
moet opstellen waarin aan de Minister van SZW wordt verantwoord hoe met
de uitbestedingsvereisten is omgegaan. Deze verantwoording wordt
getoetst door de toezichthouder (de Inspectie Werk en
Inkomen).
Aan de gemeente gelieerde
bedrijven en instellingen kunnen in de nieuwe situatie optreden
als hoofdaannemer of als onderaannemer. In het eerste geval moeten ze onder volstrekt gelijke condities meedingen naar
de opdrachten. In het
tweede geval kunnen ze actief zijn als onderaannemer of als leverancier voor
andere reïntegratiebedrijven. Wanneer bijvoorbeeld een privaat
reïntegratiebedrijf ten behoeve van bepaalde trajecten een cursus wil
inkopen bij een ROC [Regionaal Opleidingen Centrum, red.], dan is dat toegestaan. Een al dan niet bestaande
BTW-vrijstelling voor de betreffende cursussen van het ROC blijft daarbij
ongewijzigd.
Het is mogelijk dat aan
de gemeente gelieerde bedrijven naast hun publieke kerntaak een
breder pakket van reïntegratiediensten (gaan) aanbieden en zich op die
manier (gaan) manifesteren als een compleet reïntegratiebedrijf. In
dat geval moeten zij omzetbelasting in rekening brengen over die "nieuwe" werkzaamheden in zoverre dit werkzaamheden betreft die BTW-plichtig
zijn, zoals bemiddeling. Het betreft dan immers activiteiten die
in concurrentie met marktpartijen worden verricht. De BTW-plichtigheid van
deze diensten vloeit voort uit de bestaande Wet
op de omzetbelasting 1968, waar niets aan wordt veranderd.
Ook voor activiteiten die
vallen onder lopende contracten is het principe van toepassing dat zoveel
mogelijk op de markt moet worden aanbesteed. Reeds bestaande
contracten hoeven echter niet te worden opengebroken. Dit geldt eveneens voor
lopende subsidierelaties, wanneer die althans de vorm hebben van subsidies
ten behoeve van personen of trajecten (instituutsfinanciering
via het scholings- en activeringsbudget is niet toegestaan). Uiteraard
zijn hier ook de beginselen van behoorlijk bestuur en van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Wel moet zo snel mogelijk worden
toegewerkt naar marktconforme aanbesteding van contracten.
Om te voorkomen dat
eventueel verschuldigde BTW een rol gaat spelen bij selectie en gunning
zullen deze BTW-kosten aan de gemeente worden gecompenseerd. De wijze
waarop de compensatie vorm kan krijgen, wordt in de loop van het
jaar 2002 nader uitgewerkt.
Informatierecht van de
toezichthouder
Het
Ctsv is van mening
dat het informatierecht van de toezichthouder in de te stellen
contracteisen goed geregeld is. De wijze waarop dit voor gemeenten is vastgelegd
behoeft volgens het Ctsv echter aanpassing. Het kabinet is het hiermee eens. Daarom is ook het informatierecht van de
toezichthouder in de
situatie waarin de gemeente contractpartij is expliciet geregeld. Dit heeft
geleid tot aanpassing van artikel 4.1, onderdeel d.
Andere taken UWV (artikel
3.1)
Het
Ctsv acht het voor de
toezichtbaarheid van belang dat in het Besluit SUWI nader wordt
geregeld, dan wel nader wordt toegelicht, wat precies onder "gescheiden" uitvoering wordt verstaan. Het kabinet acht een nadere toelichting
niet noodzakelijk, omdat de inhoud van het begrip "gescheiden
uitvoering"
in de praktijk geen problemen oplevert.
Systematische
gegevensverstrekking
De bestuurder
basisdiensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie geeft aan dat bepalingen omtrent
systematische gegevensverstrekking niet zouden moeten gelden voor
uitwisselingen die via Suwinet lopen, omdat de bepalingen daaromtrent
een voldoende kader bieden.
Dit is juist; aangezien
uitwisselingen tussen SUWI-partijen (via Suwinet) in regelgeving worden
neergelegd, zijn er daarvoor geen aanvullende bilaterale overeenkomsten
nodig. Om dit duidelijk te doen uitkomen zal de werking van artikel 5.8
worden beperkt tot de in hoofdstuk 5 van het besluit
aangeduide
uitwisselingen.
Verstrekking gegevens aan
arbodiensten
Het
Lisv stelt voor om de
verstrekking van gegevens door het UWV aan arbodiensten (zoals
geregeld in de SUWI-wet) kosteloos te laten plaatsvinden. Het kan hierbij gaan om
gegevens die door het UWV verstrekt worden aan de arbodienst over de uitkomsten van een second opinion of
de uitkomsten van de claimbeoordeling.
Algemene beleidslijn is
dat voor gegevensverstrekking aan private partijen betaald moet
worden. Het kabinet heeft de suggestie van het Lisv echter overgenomen (in
artikel 5.9, derde lid), omdat het inderdaad onwenselijk is dat de arbodienst
(én het reïntegratiebedrijf) moet betalen voor gegevens van het UWV
die nodig zijn in het kader van de uitvoering van de in opdracht
uitgevoerde reïntegratietaak.
Verstrekking gegevens aan
buitenlandse organen
De
Sociale
verzekeringsbank is van mening dat de verplichting voor CWI,
UWV en SVB om op
verzoek altijd gegevens te verstrekken aan buitenlandse organen te
ruim is. Ook het Ctsv en het Lisv
hebben bij de betreffende bepaling
kanttekeningen geplaatst. Het kabinet is het hiermee eens. De betreffende
bepaling is aldus gewijzigd: "De CWI, het UWV en de SVB zijn bevoegd op
verzoek uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administraties
gegevens te verstrekken aan buitenlandse organen, voor zover die
verstrekking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van
zwaarwegend algemeen belang".
Overleg in kader van
Suwinet
De
VNG wijst op het
noodzakelijke onderscheid tussen beleidsmatige kant van Suwinet en het
beheer van de voorzieningen.
Het overleg over
beleidsmatige aspecten van Suwinet vindt plaats in het zogenoemde Ketenoverleg
(waarin SZW en de betrokken partijen op ambtelijk niveau
overleggen) waarin alle inhoudelijke zaken rond het Stelselontwerp, reikwijdte en inhoud van het
Gegevensregister, privacy- en
informatiebeveiligingsbeleid
en het beheer van gemeenschappelijke voorzieningen aan de orde
komen. Alle deelnemers in het ketenoverleg kunnen (andere) onderwerpen die verband houden met Suwinet
voordragen ter
bespreking. Het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen voert het
dagelijks beheer van voorzieningen (waaronder het Gegevensregister) en
neemt aan het Ketenoverleg deel, maar heeft geen stemrecht. De minister is
verantwoordelijk en geeft aldus invulling aan de in artikel 71
Wet SUWI neergelegde verplichting tot het voeren van overleg alvorens regels
te stellen omtrent Suwinet en het Gegevensregister.
Belangrijkste wijzigingen
en aanvullingen op het Besluit SUWI tengevolge van de ontvangen
adviezen
De belangrijkste
wijzigingen en aanvullingen op het Besluit SUWI tengevolge van de ontvangen
adviezen zijn:
• Naar aanleiding van
een suggestie van het Lisv is de termijn voor indiening van een trajectplan verruimd van
vier tot zes weken, gerekend vanaf
het moment dat is vastgesteld dat de arbeidsgehandicapte in aanmerking komt voor een
persoonsgebonden reïntegratiebudget.
• Op voorstel van het
Lisv is artikel 4.15 in die zin aangepast dat de daarin opgenomen
rapportageverplichting aansluit bij de termijnen die nu gebruikelijk zijn
ten
aanzien van het verstrekken van verantwoordingsinformatie door de reïntegratiebedrijven aan de
uvi’s. Deze informatie wordt
eens per kwartaal verlangd.
• Op voorstel van het
Ctsv is ook het informatierecht van de toezichthouder in de situatie waarin de
gemeente contractpartij is expliciet geregeld. Dit heeft geleid tot aanpassing van
artikel 4.1, eerste lid, onderdeel
d.
• Naar aanleiding van
een opmerking dienaangaande van het Ctsv is in de artikelsgewijze
toelichting bij artikel 4.4 verhelderd aan welke activiteiten (die vallen
onder de
werkzaamheden als bedoeld in artikel 15
Wet Rea) kan worden gedacht die ondernomen kunnen worden om voor de
arbeidsgehandicapte
werknemer een passende functie te vinden bij een andere werkgever.
7. Uitkomsten
voorhangprocedure Staten-Generaal
Het ontwerp van dit
besluit is aan de Eerste en Tweede Kamer voorgelegd overeenkomstig
de gedane toezegging tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel
SUWI door de Tweede Kamer. Op
9 oktober jl. vond een
Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor SZW van de Tweede Kamer
plaats over het ontwerp-besluit (en de eveneens voorgehangen
ontwerp-besluiten Taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen en
Inlichtingenbureau gemeenten). Het ontwerp-besluit riep onder meer vragen op met
betrekking tot de positie van de gemeente ten aanzien van de
uitbesteding van reïntegratieactiviteiten, het persoonsgebonden reïntegratiebudget, de
financiering van trajecten gericht op werkhervatting als zelfstandige, de uitvoering van de toets op het
arbeidsgehandicapte zijn
en de uitvoering van andere taken. Ook de formulering van artikel
4.3, tweede lid, van het ontwerp-besluit (over informatieverplichtingen
van de subsidieontvanger) bleek onhelder.
In een brief van 12
oktober 2001 (SUWI/SEC/2001/303) is de Tweede Kamer hierover nader
geïnformeerd. De bespreking met de Tweede Kamer heeft geleid tot de volgende wijzigingen van het
ontwerp-besluit:
• Conform de wens van
de Commissie is nu geregeld dat de arbeidsgehandicapte werknemer zelf kan kiezen
tussen een persoonsgebonden reïntegratiebudget (subsidie) en een persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst
(zoals verwoord in artikel 33a Wet Rea). In het aan de Tweede Kamer voorgelegde
ontwerp-besluit was alleen de variant van de persoonsgebonden
reïntegratieovereenkomst uitgewerkt.
• Ook de werkgever die
een traject inkoopt voor een arbeidsgehandicapte werknemer dat gericht is
op werkhervatting als zelfstandige, krijgt recht op een plaatsingssubsidie van 50%. Voorwaarde is dat de
betrokkene in een periode
van één jaar na afloop van het traject gedurende ten minste 26 weken
inkomsten heeft verworven waardoor hij geen recht meer heeft op een
inkomensvervangende uitkering anders dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
• Artikel 4.5 (4.3 oud)
is geherformuleerd en bevat nu uitsluitend de bepaling dat de subsidieontvanger op verzoek aan het
UWV
binnen een
periode van vier weken
alle informatie verstrekt die de minister nodig heeft voor
evaluatiedoeleinden (artikel 86 Wet
SUWI).
• In de toelichting bij
artikel 3.1 is verhelderd dat de minister geen goedkeuring voor het
verrichten van andere taken zal geven als daardoor de uitvoering van de
wettelijke taken in gevaar komt.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 2. CWI
Artikel
2.1. Registratie
vreemdelingen als werkzoekende
Op grond van
artikel 25,
eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet
SUWI hebben de volgende twee
categorieën vreemdelingen het recht om zich als werkzoekende door de CWI
te laten registreren: vreemdelingen op wie artikel 1 of artikel 10
van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers
binnen de Gemeenschap (PbEG 1968, L 257) van toepassing is, en;
vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet
2000 afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van Onze
Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen
beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.
Daarnaast bepaalt artikel
25, eerste lid, onderdeel d, van de Wet
SUWI dat bij algemene
maatregel van bestuur andere categorieën vreemdelingen aangewezen kunnen worden
die het recht hebben zich als werkzoekende te laten
registreren.
Op grond van dit artikel
komt dit recht eveneens toe aan vreemdelingen die beschikken over een
vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd (asiel) en aan vreemdelingen die
een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Beide categorieën
beschikken gedurende de eerste drie jaren van hun rechtmatig verblijf nog niet over
een aantekening op de verblijfsvergunning dat arbeid in Nederland vrij
is toegestaan. Voorts is in dit artikel geregeld dat vreemdelingen met een
vergunning tot verblijf regulier (mits deze het verrichten van arbeid
toelaat) ten aanzien van wie het tewerkstellingsvergunningsvereiste nog wel geldt, zich
eveneens als werkzoekende kunnen laten registreren, doch
zulks alleen in geval van onvrijwillige werkloosheid. Ten slotte
is in dit artikel geregeld dat het recht op registratie van een
vreemdeling die in de hiervoor bedoelde zin rechtmatig in Nederland heeft
verbleven (in gevallen waarin de verblijfstitel zich niet verzette tegen
het verrichten van arbeid gedurende het verblijf), behouden blijft gedurende
de periode dat een aanvraag-, bezwaar- of beroepsprocedure wordt
doorlopen met het oog op voortgezette toelating, totdat deze
procedure tot een onherroepelijke beslissing heeft geleid, dan wel totdat de
uitzetting van de vreemdeling is gelast; ook in dit geval geldt dat de aanspraak
op registratie uitsluitend bestaat in geval van onvrijwillige
werkloosheid. Met de in het voorgaande beschreven regeling wordt - in een iets
anders opgezette wetssystematiek - de verruiming van het recht op registratie
voor vreemdelingen, zoals die bij de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet
2000 per 1 april jl. vorm heeft gekregen, gecontinueerd.
Artikelen 2.2 en
2.3
Bij het eerste bezoek van
een werkzoekende aan het CWI zal niet meteen een aanvraag om bijstand
of uitkering worden ingenomen. Dit bezoek zal vooral in het teken staan
van het geven van informatie over beschikbare vacatures, de werkwijze van het CWI en maken van vervolgafspraken ten
behoeve van de verdere dienstverlening.
Aanvraag
bijstandsuitkering (artikel 2.3, derde lid)
Om elke onduidelijkheid
over het moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te
nemen is bepaald dat het CWI of - in sommige gevallen
- de gemeente
bij de melding met de belanghebbende een afspraak maakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt
genomen. Indien tijdens
het vervolggesprek over de aanvraag het door de aanvrager ondertekende aanvraagformulier in ontvangst wordt genomen,
dan is de aanvraag
ingediend en vangt de wettelijke beslistermijn van acht weken aan. Het
vervolggesprek dient op een zo kort mogelijke termijn plaats te vinden.
Overigens is de gemeente
ervoor verantwoordelijk dat aanvrager, gelet op de gewijzigde
formulering van artikelen 106 en 113 van de
Abw, vanaf het moment van melding
wordt aangesproken op zijn verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling. Gemeenten en CWI
zullen afspraken moeten maken over de
wijze waarop deze gemeentelijke verantwoordelijkheid wordt vertaald naar het
CWI.
Aanvraag WW-uitkering (artikel
26, eerste lid, onderdeel a en b, WW)
Op grond van
artikel 26,
eerste lid, onderdeel a, van de WW moet de aangifte van werkloosheid
uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid worden gedaan. De aanvraag moet binnen
één week na het intreden van de werkloosheid worden ingediend. Gelet op
artikel 127 van de
WW
vangt de beslistermijn voor de aanvraag aan na ontvangst van de aanvraag
door de CWI.
Overdrachtstermijn
aanvraag (artikel 2.2 en artikel 2.3, eerste en tweede lid)
In het derde lid van
artikel 28 van de Wet SUWI is aangegeven dat bij
AMvB een uiterste termijn
wordt bepaald waarbinnen de CWI de aanvraag (of aangifte) overdraagt
aan het UWV of de gemeente. De reden hiervoor is voornamelijk dat het bestuursorgaan in staat dient te worden gesteld
haar verantwoordelijkheid
voor de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking waar te maken. De termijn
van overdracht van de aanvraag dient dan ook zo kort
mogelijk te zijn, doch in principe niet langer dan acht werkdagen, zodat de
verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om de aanvraag binnen de
wettelijke beslistermijn af te handelen niet in het gedrang komt.
Door artikel 2.2 wordt
bewerkstelligd dat de termijn van acht werkdagen waarbinnen de
CWI de aanvraag van een uitkering op grond van de WW of de aangifte
van werkloosheid moet overdragen aan het UWV, begint te lopen op
het moment dat de aangifte van werkloosheid plaatsvindt. Indien
iemand zich ruim vóór de vermoedelijk eerste werkloosheidsdag meldt
bij de CWI, zijn de eerste contacten voornamelijk gericht op het
aansluitend vinden van ander werk. Deze eerste contacten hoeven niet beschouwd te
worden als aangifte van werkloosheid. De aangifte kan plaatsvinden
op het moment dat de eerste werkloosheidsdag daadwerkelijk nadert,
doch uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de eerste dag van
werkloosheid. Op dat moment begint de termijn van overdracht te lopen.
Artikel 2.3, eerste lid,
regelt dat de bijstandsaanvraag moet worden overgedragen binnen acht
werkdagen nadat deze is ingediend. De aanvraag is ingediend
wanneer het door aanvrager ondertekende aanvraagformulier door
het CWI in ontvangst is genomen. Op grond van artikel
2.3, tweede lid,
kan de gemeente de termijn van die de CWI voor overdracht van de
aanvraag moet hanteren, in overeenstemming met de CWI, verlengen. Het
gemeentebestuur dient er zorg voor te dragen dat die termijn bekend is bij
belanghebbenden. De wijze waarop het gemeentebestuur vorm geeft aan dat
kenbaarheidsvereiste is vrij. Pas nadat de aanvraag aan de gemeente of het UWV is overgedragen kan de
beslistermijn worden
opgeschort door een verzoek aan aanvrager om de ontbrekende gegevens aan
te leveren binnen een door het bestuursorgaan te bepalen termijn.
Hoofdstuk 3.
Verrichten andere taken CWI, UWV en SVB
Artikel
3.1. Voorwaarden
verrichten andere taken
De in
artikel 13 van de
Wet SUWI bedoelde goedkeuring zal slechts door de
minister
worden
verleend indien naar redelijke verwachting wordt voldaan aan de in artikel
3.1 gestelde voorwaarden. De CWI, het UWV
en de SVB zullen bij een
verzoek om goedkeuring informatie dienen te verstrekken waaruit
blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 3.1 wordt voldaan of zal worden
voldaan. De minister zal vervolgens in overeenstemming met de Algemene wet
bestuursrecht in beginsel binnen dertien weken na ontvangst van de
volledige aanvraag een besluit nemen.
Eerste lid, onderdeel a
Op grond van
artikel 3.1,
eerste lid, onderdeel a, mag de uitvoering van de wettelijke taken door
de CWI, het UWV of de SVB niet in gevaar komen doordat zij andere taken
verrichten. Indien de minister
niet de overtuiging heeft dat de wettelijke
taken naar behoren kunnen worden uitgevoerd, zal hij geen goedkeuring voor
het verrichten van andere taken verlenen.
Eerste lid, onderdeel e
Op grond van
artikel 3.1,
eerste lid, onderdeel e, moet de uitvoering van de andere taken
gescheiden plaatsvinden van de uitvoering van de wettelijke taken. Dit
geldt niet voor de processen waarin de wettelijke en de andere taken
samenlopen (bijvoorbeeld de geïntegreerde premienota). Deze processen bepalen
immers de administratieve lastenverlichting van de andere taken waarin
het publieke belang van het uitvoeren van de andere taken is gelegen.
Tweede lid
De uitvoeringsorganen
zullen de kosten voor het verrichten van andere taken in rekening brengen
bij de opdrachtgever. Uitgangspunt bij deze kostenvergoeding is een
adequate toerekening van alle specifieke kosten die door het
uitvoeringsorgaan zijn gemaakt. Op grond van het tweede lid zal de exacte uitwerking
van deze kostentoerekening in een ministeriële regeling worden
vastgelegd.
Uiteraard zijn bij het
uitoefenen van andere taken verplichtingen voortvloeiend uit het
EG-recht en nationale recht inzake staatssteun en mededinging van
toepassing.
Hierbij wordt opgemerkt
dat de delegatiebepaling, bedoeld in artikel
13, vierde lid, van de Wet SUWI, betreffende het verwerken bij de uitvoering van andere wettelijke taken of andere dan wettelijke taken van gegevens
die zijn verkregen bij de uitoefening van wettelijke taken, wordt ingevuld
in de Regeling SUWI.
Hoofdstuk 4.
Reïntegratie
§ 4.1. Contracteisen voor
publieke opdrachtgevers
Artikel
4.1. Inhoud van
contracten publieke uitvoerders/reïntegratiebedrijven
De artikelen
72, derde
lid, WW en 10, derde lid,
Wet Rea leggen het UWV de plicht op de
uitvoering van hun reïntegratietaak uit te besteden aan
reïntegratiebedrijven. Op grond van artikel 8, tweede lid, Wiw dient het gemeentebestuur deze
uitvoering zoveel mogelijk uit te besteden. In artikel
4.1, eerste lid,
van dit besluit worden eisen gesteld aan de inhoud van de overeenkomst die
het UWV en gemeentebesturen met reïntegratiebedrijven of arbodiensten sluiten.
Deze eisen gelden voor de gemeentebesturen dus alleen indien zij de
werkzaamheden uitbesteden. Grofweg houden deze eisen
informatieverplichtingen, garanties met betrekking tot de gegevensadministratie
en het inbouwen van waarborgen ter bescherming van de cliënten in.
Deze eisen vormen een
aanvulling op de reeds in het algemeen deel van deze nota van
toelichting gemelde regels en verplichtingen die voortvloeien uit de
Europese Richtlijn Diensten. Ook zal het wetsvoorstel Markt en overheid, nadat
het in werking is getreden, regels inhouden voor het verrichten van
marktactiviteiten, waarmee ook het UWV en gemeentebesturen rekening
zullen moeten houden.
Hierbij wordt opgemerkt
dat onderdeel a, op grond waarvan het reïntegratiebedrijf of de arbodienst verplicht is inlichtingen en gegevens
aan het UWV of het gemeentebestuur te verstrekken, ziet op zowel toezichtsinformatie als
beleidsinformatie. Waaruit de beleidsinformatie exact zal bestaan zal
afhangen van de behoefte van het UWV. Deze is mede afhankelijk van de
informatie waarover het UWV of het gemeentebestuur zelf als opdrachtgever al
beschikt. Onder toezichtsinformatie wordt in ieder geval
verstaan alle voor het vaststellen van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de
uitvoering van de artikelen 72, derde lid, van de WW,
10, derde lid,
van de
Wet Rea en 8, tweede lid, van de Wiw relevante informatie.
Verder kan worden
opgemerkt dat de onderdelen d en e weliswaar beide toegangverlening
aan een accountant regelen, maar dat dit betrekking heeft op verschillende onderzoeken. Onderdeel
d ziet op de
informatie die het reïntegratiebedrijf of de arbodienst, op verzoek, rechtstreeks aan het
UWV of het gemeentebestuur moet verstrekken en de medewerking die het moet
verlenen aan een onderzoek van een accountant. Deze
bepalingen hangen nauw samen met de zogenaamde "toezichtswaarborg"
(ook wel: review) die in artikel 42 van de Wet
SUWI
is opgenomen. Die
waarborg houdt in dat de toezichthouder indien er sprake is van gerede
twijfel aan de juistheid of volledigheid van de verantwoordingsinformatie
van de publieke opdrachtgevers dan wel UWV als subsidieverstrekker,
gemeenten en het UWV kan opdragen zo nodig bij de opdrachtnemer een
review door een derde accountant te laten uitvoeren. Het belang van
inzicht in en oordeelsvorming over het functioneren van de
reïntegratiemarkt en de bijdrage van de opdrachtgevers daaraan vergt
aanvullende waarborgen en rechtvaardigt deze naar het oordeel van het
kabinet ook. Daarom is in onderdeel d bepaald dat de opdrachtnemer toestaat
dat een externe accountant in opdracht van het UWV toegang krijgt tot
alle relevante informatie in verband met de hiervoor bedoelde review
op de verstrekte verantwoordingsinformatie.
In onderdeel
e wordt de
EDP-audit [Electronic Data Processing, met betrekking tot accountantscontrole, red.]
geregeld.
Het tweede lid van
artikel 4.1 verplicht het UWV en het gemeentebestuur daarbij een procedure van
aanbesteding te volgen. Zoals te doen gebruikelijk dienen deze aanbestedingsprocedures transparant en
toetsbaar te zijn en
dienen het UWV en het gemeentebestuur hun uitbestedingsbeslissing
op meerdere offertes te baseren. Het derde lid is reeds uitgebreid
toegelicht in het algemeen deel van de nota van toelichting (onder punt
6, commentaar van uitvoeringsorganisaties, onderdeel aanbesteden
door gemeenten, de BTW-plicht en aan gemeenten gelieerde bedrijven).
§
4.2.
Subsidieverstrekking aan werkgevers
Artikel
4.3. Voorwaarden
basissubsidies
Het
UWV verstrekt, op
aanvraag, subsidie aan een werkgever voor de kosten van reïntegratie
van een arbeidsgehandicapte werknemer buiten het eigen bedrijf. In dit artikel worden de voorwaarden voor die subsidiëring
geregeld.
Uit het in het eerste
lid, onderdeel a, gestelde blijkt dat het moet gaan om een werknemer waarvan een
arbodienst heeft geoordeeld dat hij arbeidsgehandicapt is en
voor wie binnen het bedrijf van de werkgever geen passende arbeid meer voorhanden is.
Daarnaast moet de
werkgever bij zijn aanvraag een trajectplan overleggen waarin een
drietal zaken moet zijn opgenomen (zie eerste lid, onderdeel b, 1º tot en
met 3º). De onder 2º bedoelde werkzaamheden die in het trajectplan moeten
worden opgenomen, omvatten activiteiten die ondernomen zullen worden
om voor de arbeidsgehandicapte werknemer een passende functie te
vinden bij een andere werkgever. Per geval kan de omvang en de aard van de
activiteiten verschillen. Welke activiteiten concreet worden verricht
is afhankelijk van de eigenschappen - zoals kennis, ervaring,
vaardigheden en gezondheidstoestand - van de arbeidsgehandicapte
werknemer in het licht van de situatie op de arbeidsmarkt. Voor de
bestedingsdoeleinden wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van het
algemeen deel van deze toelichting.
De beschrijving van de
werkzaamheden in dit trajectplan zijn niet per se ook de werkzaamheden die
de werkgever uiteindelijk door een reïntegratiebedrijf of
een arbodienst laat verrichten. Een plan van aanpak als bedoeld in artikel
71a WAO (zoals dat artikel is komen te luiden na de inwerkingtreding van de
Wet verbetering poortwachter) dat de werkgever in overeenstemming met de
werknemer opstelt, is ruimer dan een trajectplan, omdat dat
plan van aanpak ook betrekking heeft op de reïntegratie naar de
eigen arbeid of andere arbeid binnen het bedrijf van de werkgever. In de
praktijk zal het advies van de arbodienst in een overleg tussen werkgever,
werknemer en arbodienst nader worden besproken. De werkgever
en de werknemer zullen tijdens dit overleg ook eigen voorstellen kunnen
doen, bijvoorbeeld op basis van arbeidstherapie gedeeltelijk hervatten,
aanpassen van de werkplek, inschakelen van een reïntegratiebedrijf. Het
overleg dient te resulteren in een gezamenlijk plan van aanpak. Hierin zal
het perspectief op langere termijn geschetst worden (zoals terugkeer
naar eigen of aangepast werk) en de weg waarlangs (de tussenstappen) men verwacht dit te bereiken. Naast deze
afspraken over herstel, reïntegratie en werkhervatting worden in het plan
van aanpak afspraken
gemaakt over "casemanagement" en de evaluatie van de voortgang. Het
trajectplan bevat "slechts" de diensten die bij reïntegratiebedrijven
zullen worden ingekocht. Het trajectplan kan een onderdeel zijn van een
plan van aanpak dan wel worden beschouwd als een nadere uitwerking van
de afspraken over de tussenstappen in het plan van aanpak. Het gaat hier
nog slechts om een plan. Wel is het zo dat de subsidie in principe
alleen wordt verstrekt voor de in het trajectplan opgenomen werkzaamheden.
Laat de werkgever ook andere werkzaamheden verrichten, dan kunnen
die, na goedkeuring als bedoeld in het tweede lid, ook door het UWV
gesubsidieerd worden.
Op grond van het eerste
lid, onderdeel d, wordt als voorwaarde voor subsidiëring gesteld dat
de werkgever een contract met een reïntegratiebedrijf of een arbodienst
sluit
waarin een aantal verplichtingen voor dat bedrijf móet zijn
opgenomen. In subonderdelen 1 en 2 wordt bepaald dat het reïntegratiebedrijf
of de arbodienst bepaalde informatie, op verzoek, rechtstreeks aan het UWV
moet verstrekken en medewerking moet verlenen aan een
onderzoek van een accountant voor een zogenaamde review. Deze bepalingen
hangen nauw samen met de zogenaamde "toezichtswaarborg" die
in artikel 42 van de Wet
SUWI is opgenomen. Die waarborg houdt in dat de
toezichthouder, indien er sprake is van gerede twijfel aan de juistheid
of volledigheid van de verantwoordingsinformatie van de publieke opdrachtgevers
dan wel UWV als subsidieverstrekker,
gemeenten en het UWV kan opdragen zo nodig bij de opdrachtnemer een review door een derde
accountant te laten uitvoeren. Het belang van inzicht in en
oordeelsvorming over het functioneren van de reïntegratiemarkt en de bijdrage van de
opdrachtgevers daaraan vergt aanvullende waarborgen en
rechtvaardigt deze naar het oordeel van het kabinet ook. Om de werkgever te
ontlasten zal steeds getracht worden de informatie zoveel mogelijk
rechtstreeks van het reïntegratiebedrijf te verkrijgen. Daarom is in subonderdelen 1 en 2 bepaald dat:
• het UWV alle voor het
vaststellen van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van
artikel 15 van de
Wet Rea relevante informatie bij de
opdrachtnemer (het reïntegratiebedrijf) kan opvragen;
• de opdrachtnemer
toestaat dat een externe accountant in opdracht van het UWV toegang
krijgt tot alle relevante informatie in verband met de hiervoor bedoelde
review op de verstrekte verantwoordingsinformatie.
Verder wordt een aantal
eisen met betrekking tot de gegevensadministratie gesteld en een aantal
waarborgen ter bescherming van de cliënten ingebouwd.
Ten slotte wordt onder 7º
geregeld dat de genoemde eisen ook gelden indien het reïntegratiebedrijf of de arbodienst de opdracht uitbesteedt.
Op grond van het derde
lid juncto eerste lid, onderdeel d, komen de kosten van reïntegratiewerkzaamheden die zijn verricht door een intern
reïntegratiebedrijf of interne arbodienst in het eigen concern niet voor
subsidiëring in
aanmerking.
Algemene wet
bestuursrecht
Op de subsidiëring door
het UWV is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De
subsidiëring van dit artikel past als volgt binnen die systematiek.
Wanneer de werkgever een
aanvraag heeft ingediend, wordt daarop door het UWV beslist. Bij
een positieve beslissing wordt de subsidie verleend. Wanneer de werkgever vervolgens facturen indient, vergoedt het
UWV 50% daarvan. Deze betalingen moeten worden beschouwd als voorschotten. Nadat het
reïntegratietraject is beëindigd wordt de subsidie vastgesteld. Met de term
subsidievaststelling wordt een tweede beschikking aangeduid
waarin wordt vastgesteld in hoeverre de gesubsidieerde activiteit is verricht,
of de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd en hoe hoog het exacte
subsidiebedrag is. Deze subsidievaststelling door het UWV kan geschieden op
aanvraag van de werkgever dan wel ambtshalve.
Artikel
4.4.
Plaatsingssubsidies
Wanneer het
UWV op grond
van artikel 4.3 de reïntegratiekosten van een werkgever heeft
gesubsidieerd en de desbetreffende werknemer wordt geplaatst, vergoedt
het UWV ook de andere helft van die kosten. De werknemer moet dan wel
gedurende een aaneengesloten periode van 26 weken een
dienstbetrekking met een andere werkgever hebben gehad en daarvan bewijs kunnen
overleggen. Dit mag zowel een fulltime- als een parttimedienstbetrekking
betreffen; dit heeft geen gevolgen voor de hoogte van de subsidie.
Deze dienstbetrekking moet wel binnen drie maanden nadat de in
artikel 8 van de
Wet Rea bedoelde reïntegratietaak van de werkgever is geëindigd, zijn aangegaan.
Tevens is het mogelijk
dat aan de werkgever de resterende 50% plaatsingssubsidie wordt
uitbetaald indien de betrokkene in een periode van één jaar na afloop van
het traject gedurende ten minste 26 weken inkomsten als
zelfstandige heeft verworven waardoor hij geen recht meer heeft op een
inkomensvervangende uitkering anders dan een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Dit impliceert dat de werknemer dan ook in ieder geval
gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 26 weken succesvol
als zelfstandige heeft gewerkt. De zelfstandige status zal worden
getoetst aan de hand van inschrijving bij de Kamer van
Koophandel en Fabrieken. Het redelijk
renderen van zijn bedrijf wordt aangenomen indien de betrokken
cliënt geen beroep heeft gedaan op een WW- of Abw-uitkering in verband
met het verrichten van de arbeid als zelfstandige en het
verwerven van inkomsten daarbij.
Het is in principe de
bedoeling dat deze subsidie bij de vaststelling wordt betaald en dat
hierop geen voorschotten worden verleend. Dit om bij tussentijdse
beëindiging van de dienstbetrekking terugvordering van verleende voorschotten te
voorkomen.
Artikel
4.5. Verstrekken
beleidsinformatie
Op grond van dit
artikel,
dat als subsidievoorwaarde zijn basis vindt in artikel
15, tweede lid,
van de
Wet Rea, wordt de werkgever als subsidieontvanger verplicht aan het UWV
ook
gegevens te verstrekken die het UWV aan de minister
moet verstrekken in verband met de evaluatie van
de Wet SUWI (op grond van
artikel 86 van de Wet SUWI). Het betreft voor dit doel met name de
effecten van de uit de Wet SUWI voortvloeiende taakverdeling bij de
uitvoering van reïntegratiewerkzaamheden. Het kan hier gaan om andere
gegevens dan strikt noodzakelijk zijn om vast te stellen of de werkgever
de subsidie op de juiste wijze heeft besteed. Om die reden wordt deze
informatieverplichting apart in dit besluit geregeld. Andere verplichtingen tot
het verstrekken van gegevens kunnen op grond van de Algemene wet
bestuursrecht als verplichting van de subsidieontvanger in de subsidiebeschikking
nader worden uitgewerkt.
Artikel
4.6. Hoogte van
subsidie en tijdstip van betaling
Voor een toelichting op
artikel 4.6 wordt verwezen naar de toelichting op artikel
4.4 [artikel 4.3, red.] onder
"Algemene wet bestuursrecht" en op artikel
4.5.
§
4.3. Persoonsgebonden
reïntegratiebudgetten
§
4.3.1. Algemene
bepalingen omtrent het persoonsgebonden reïntegratiebudget voor
arbeidsgehandicapte werknemers
Artikel
4.8.
Bestedingsdoel
De subsidie
respectievelijk de persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst dient ter voldoening van
noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van
mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid, waaronder begrepen het behouden en verkrijgen
van een dienstbetrekking, respectievelijk ter uitvoering van die
werkzaamheden.
Artikel
4.10. Voorwaarden
voor het verstrekken van een persoonsgebonden reïntegratiebudget
Naast de voorwaarden
genoemd in dit artikel dient tevens voldaan te worden aan de voorwaarden
die worden genoemd in het tweede lid van artikel 33a
van de
Wet Rea. Een subsidie kan dus worden verstrekt of een persoonsgebonden
reïntegratieovereenkomst kan worden gesloten,
indien:
a. het UWV van oordeel is
dat in het bedrijf van de werkgever van de arbeidsgehandicapte
werknemer of in een ander bedrijf geen passende arbeid aanwezig is;
b. de aanvraag als
bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van de
Wet Rea wordt ingediend binnen
zes weken nadat het onder a bedoelde oordeel door het UWV aan de
arbeidsgehandicapte werknemer bekend is gemaakt; en
c. de aanvraag vergezeld
gaat van een door of namens de werknemer opgesteld trajectplan dat
voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.10, onderdeel b.
§
4.3.2. Persoonsgebonden
reïntegratiebudget in de vorm van een subsidie
Artikel
4.12. Verlening
van subsidie
Op de aanvraag om een
subsidie wordt binnen acht weken een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven (zie
artikel
49a van de
Wet Rea). De
subsidieverlening geeft de subsidieontvanger een voorwaardelijke aanspraak op financiële
middelen. De aanspraak is voorwaardelijk omdat het op dat moment
nog niet zeker is of de aanvrager daadwerkelijk de gesubsidieerde
activiteiten verricht en hij zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. In
de beschikking omtrent subsidieverlening worden, op grond van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder andere zaken als het
maximumbedrag en de maximumperiode waarvoor de subsidie wordt verleend opgenomen alsmede een omschrijving van de
activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend. Voor zover de beschikking dit vermeldt
kan de omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend
in een later stadium nader worden uitgewerkt (artikel
4:30 Awb).
Artikel
4.14. Voorschotten
De verstrekking van de
subsidie aan de arbeidsgehandicapte werknemer zal pas achteraf, na de subsidievaststelling, plaatsvinden. Om
te voorkomen dat deze persoon gedurende het traject grote bedragen zal moeten voorschieten, is
bepaald dat het UWV tussentijds voorschotten kan verlenen. Een besluit
daartoe wordt slechts genomen nadat door de arbeidsgehandicapte
werknemer aan het UWV declaraties, die voortvloeien uit de in het trajectplan
beschreven werkzaamheden, zijn overgelegd. Indien het
UWV meent dat bevoorschotting terecht is, betaalt het UWV het voorschot
door voldoening van de declaraties, rechtstreeks aan het reïntegratiebedrijf of door betaling van een bedrag aan de
arbeidsgehandicapte werknemer binnen één week nadat het besluit tot voorschotverlening is
genomen.
Artikel
4.15.
Inlichtingenverstrekking
Wellicht ten overvloede
wordt bij dit artikel opgemerkt dat het UWV
bij de subsidieverlening, op
grond van artikel 4:37 van de Awb, verplichtingen kan opleggen aan de
subsidieontvanger met betrekking tot het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die
nodig zijn voor een
beslissing omtrent de subsidie.
Artikel
4.16.
Subsidievaststelling
De
subsidieontvanger
dient binnen zes weken na afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is
verleend een aanvraag in tot subsidievaststelling. Met de term "subsidievaststelling" wordt een tweede beschikking
aangeduid waarin wordt vastgesteld in hoeverre de gesubsidieerde activiteit is verricht,
of de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd en hoeveel het exacte
subsidiebedrag bedraagt. Hiervoor geeft afdeling 4.2.5 van de
Awb een regeling.
§
4.3.3. Persoonsgebonden
reïntegratiebudget in de vorm van een overeenkomst
Artikel
4.18. Weigering
van toekenning van persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst
Artikel 4:35 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hier van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat dit artikel ziet op subsidieverstrekkingen
en derhalve niet van
toepassing zou zijn op het sluiten van een persoonsgebonden
reïntegratieovereenkomst. Wellicht ten
overvloede wordt
opgemerkt dat artikel 4:35 van de Awb rechtstreeks van toepassing is op
verstrekking van een persoonsgebonden reïntegratiebudget in de vorm van een
subsidie.
Artikel
4.20. Inhoud van
de persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst
Het
UWV is op grond van
artikel 4.20, eerste lid, onderdeel c, verplicht in de overeenkomst met
het reïntegratiebedrijf een bepaling op te nemen omtrent tussentijdse
opzegging van de overeenkomst. Beide partijen hebben de mogelijkheid de
overeenkomst tussentijds op te zeggen wegens gewichtige
redenen. Als gewichtige reden kan bijvoorbeeld worden beschouwd de
situatie waarin de arbeidsgehandicapte werknemer onvoldoende
medewerking verleent aan de uitvoering van de tussen het UWV en het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst gesloten overeenkomst.
Op grond van onderdeel d
van het eerste lid van dit artikel worden door het UWV aan het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst uitsluitend kosten vergoed voor werkzaamheden die zijn omschreven in het trajectplan.
Mocht na verloop van tijd blijken dat het wenselijk is dat ook andere activiteiten worden
verricht, dan zullen deze door het UWV slechts worden vergoed indien voor het
verrichten van die andere activiteiten schriftelijk toestemming is verleend.
Hoofdstuk 5.
Gegevensuitwisseling
De artikelen uit dit
hoofdstuk zijn ontleend aan het Besluit gegevensverstrekking sociale verzekeringen
1997 en zijn aangepast aan de nieuwe organisatiestructuur onder SUWI. Zie voor de wijzigingen ten opzichte van
dat besluit paragraaf 4
van het algemene deel van deze nota van toelichting.
Artikel
5.2.
Gegevensverstrekking door het UWV en de SVB
Aan de opsomming van de
gegevensverstrekkingen door het UWV en de SVB
aan andere
bestuursorganen is ten opzichte van de regeling in het Besluit gegevensverstrekking sociale verzekeringen 1997 voorts toegevoegd
de gegevensverstrekking
aan de raden voor de kinderbescherming. Dit was geregeld in een
Besluit tot aanwijzing van instanties of personen die de raden voor de kinderbescherming kosteloos inlichtingen
verschaffen (van 18 december 1992, Stb. 694). Deze kosteloze gegevensverstrekking, voor zover die het UWV of
de SVB betreft, past echter goed bij die die geregeld
wordt in dit artikel en is daarom daarin opgenomen.
Artikel
5.3.
Gegevensverstrekking door het UWV
Nieuw in dit artikel is
de gegevensverstrekking door het UWV aan de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie, het Vervangingsfonds en de Kamers van Koophandel en
Fabrieken.
Artikel
5.4.
Gegevensverstrekking door de CWI aan derden
De
CWI heeft naast de
gegevensverstrekking aan de in dit besluit genoemde publieke
instanties ook de mogelijkheid om geregistreerde gegevens in het kader van
reïntegratie en bemiddeling te verstrekken aan reïntegratiebedrijven en
uitzendbureaus. Het betreft met name de taak voor de CWI om
werkzoekenden voor vacatures voor te dragen of hen vacatures aan te bieden.
In dit artikel van dit besluit wordt voorzien in een soortgelijke regeling als
in het oude Reglement Persoonsregistraties Arbeidsvoorziening.
Artikel
5.5.
Gegevensverstrekking aan buitenlandse bestuursorganen
Dit artikel is ontleend
aan artikel 10 van het Besluit gegevensverstrekking sociale verzekeringen
1997 en aangepast aan de EG-richtlijn 95/46/EG, zodat het nu
mogelijk is om persoonsgegevens te verstrekken indien dit noodzakelijk
is voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang.
Artikel
5.8. Systematische
gegevensverstrekking
Op grond van dit artikel
worden de CWI, het UWV
en de
SVB verplicht om bij het systematisch
verstrekken van gegevens aan bestuursorganen, private rechtspersonen
buiten het SUWI-domein, dat wil zeggen anders dan bij gegevensverstrekking
tussen CWI, UWV, SVB en gemeenten onder gebruikmaking van het Suwinet
(artikel 64 van de Wet
SUWI voorziet hier in), de onderling
bereikte overeenstemming over de inhoud alsmede de wijze van verstrekking
wijze bekend te maken. Die bekendmaking vindt op adequate wijze plaats
wanneer de regels in de Awb daaromtrent worden gevolgd.
Artikel
5.9. Kosten
gegevensverstrekking
Dit artikel geeft het
algemene uitgangspunt van het gegevensverkeer weer, namelijk dat
gegevensverstrekking binnen het publieke domein kosteloos geschiedt en
dat bij gegevensverstrekking aan private partijen, bij gegevensverstrekking
op verzoek, kosten in rekening worden gebracht. Indien de SUWI-ZBO’s
besluiten tot het uitbesteden van taken naar instellingen en bedrijven
buiten het publieke domein, dan is de verstrekking van gegevens
die daarvoor noodzakelijk is ook kosteloos. Dit geldt ook voor
gegevensverstrekking aan arbodiensten en reïntegratiebedrijven die door de
ZBO’s en
werkgevers worden ingeschakeld.
Artikel
6.1.
Inwerkingtreding
Op grond van
artikel
33a,
vijfde lid, van de
Wet Rea kunnen de artikelen 4.7 tot en met 4.20 niet
eerder in werking treden dan vier weken na de datum uitgifte van het Staatsblad waarin ze zijn geplaatst.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|
|
|