|
BESLUIT van 13 december
2001 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 44 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Besluit taakuitoefening Inspectie
Werk en Inkomen)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Op de voordracht van
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 19
oktober 2001, Directie Toezicht, nr. TZ/SUWI/01/71157;
Gelet op artikel 38,
derde lid, en artikel 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, artikel 130, tweede lid, van de
Algemene
bijstandswet,
artikel 52, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel
52,
tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel
13, tweede lid, van de
Wet sociale werkvoorziening, artikel 20, tweede lid, van de Wet inschakeling
werkzoekenden, en artikel 33, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars;
De Raad van State gehoord
(advies van 23 november 2001, nr. W12.01.0541/IV);
Gezien het nader rapport
van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 11
december 2001, Directie Toezicht, nr. TZ/SUWI/01/81960;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Art.
1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. secretaris-generaal: de
secretaris-generaal van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Inspectie: de Inspectie Werk en
Inkomen, genoemd in artikel 36, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. inspecteur-generaal: het hoofd
van de Inspectie Werk en Inkomen;
d. ministerie: het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
e. wet: de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. apparaatszorg: het geheel van
activiteiten, noodzakelijk voor en in samenhang met:
- het functioneren van de organisatie;
- de personeelsvoorziening;
- de toepassing van rechtspositionele regelingen;
- het treffen van beschikkingen jegens personeelsleden;
- het welbevinden van individuele personeelsleden;
- de ontwikkeling van de kwaliteit van het personeelsbestand;
- de lokatiekeuze en huisvesting van het personeel;
- de opslag en distributie van goederen;
- de beveiliging van mensen en goederen;
- de dagelijkse huishoudelijke gang van zaken;
- de informatievoorziening, inclusief automatisering; en
- het beheer van de voor deze activiteiten beschikbaar gestelde
middelen.
Art.
2. Reikwijdte besluit
Op de Inspectie is het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW van
toepassing voor zover daarvan in dit besluit niet wordt afgeweken.
§ 2.
Uitvoering van
taken
Art.
3. Taakuitoefening Inspectie
De Inspectie oefent haar in artikel 37 van de wet bedoelde taken uniform
uit, behoudens voor zover de bestuurlijke positie van de betrokken
bestuursorganen dan wel bijzondere omstandigheden tot afwijking nopen.
Art.
4. Jaarverslag
Het jaarverslag van de Inspectie bevat een integrale rapportage van de
bevindingen van de Inspectie over de rechtmatigheid en doelmatigheid,
waaronder begrepen de doeltreffendheid, van de uitvoering van wettelijke
taken door de in artikel 37 van de wet genoemde bestuursorganen, alsmede
van de wijze waarop deze daarbij samenwerken. Het verslag bevat verder
de daaraan door de Inspectie verbonden conclusies ten aanzien van de
werking van het stelsel voor zover dat samenhangt met het functioneren
van en de onderlinge betrekkingen tussen de bedoelde bestuursorganen.
Art.
5. Vervallen.
§ 3.
Beheer Inspectie
Art.
6. Departementale kaders
-1. De secretaris-generaal draagt, in
overeenstemming met het Koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende
regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de
secretaris-generaal, Stb. 1988, 499, zorg voor een zodanige bewerktuiging van
de Inspectie
dat deze haar wettelijke taken naar behoren en
onafhankelijk kan uitvoeren.
-2. De departementale voorschriften met
betrekking tot de apparaatszorg zijn van toepassing op de werkwijze van
de Inspectie voor zover daarvan bij dit besluit of op grond van het
eerste lid niet wordt afgeweken.
Art.
7. Positie inspecteur-generaal
-1. De inspecteur-generaal fungeert
rechtstreeks onder de secretaris-generaal.
-2. De inspecteur-generaal neemt deel aan
periodiek ambtelijk overleg van de secretaris-generaal en
directeuren-generaal van het ministerie als bedoeld in het
Organisatie-,
mandaat- en volmachtbesluit SZW.
Art.
8. Inrichting organisatie
-1. De inspecteur-generaal regelt, met
inachtneming van artikel 6, de inrichting en de organisatie van de
Inspectie.
-2. De inspecteur-generaal oefent, met
inachtneming van artikel 6, de bevoegdheden ter zake van de
apparaatszorg uit en draagt daarbij zorg voor afstemming met de overige
departementsonderdelen.
-3. De inspecteur-generaal is bestuurder in
de zin van de Wet
op de ondernemingsraden en voert het overleg met de op
grond van die wet ingestelde medezeggenschapsorganen.
Art.
9. Protocol werkwijze
-1. De inspecteur-generaal maakt afspraken
met andere departementsonderdelen over de informatie-uitwisseling met
betrekking tot de taakverdeling, rapportage, informatievoorziening,
voorlichting, informatie- en communicatietechnologie en afstemming van
onderzoek en legt deze vast in een protocol.
-2. De secretaris-generaal stelt het
protocol, bedoeld in het eerste lid, vast.
§ 4.
Informatievoorziening
Art.
10. Periodieke informatieverstrekking
-1. De
inspecteur-generaal verstrekt na iedere periode van vier kalendermaanden
informatie aan de secretaris-generaal over de voortgang van de
werkzaamheden van de Inspectie
in de verstreken periode.
-2. De secretaris-generaal en de
inspecteur-generaal maken afspraken over de inrichting van de
informatie, bedoeld in het eerste lid, en over de tijdstippen waarop
deze informatie wordt verstrekt.
Art.
11. Informatie over belangrijke bevindingen
De inspecteur-generaal informeert Onze Minister en de secretaris-generaal
onverwijld over bevindingen, ontwikkelingen en gebeurtenissen waarvan de
Inspectie bij de uitoefening van haar taken kennis heeft gekregen en die
van zodanig maatschappelijk of politiek belang zijn of die anderszins
zodanig de aandacht kunnen trekken dat tijdige kennisneming door hen
gewenst is.
§ 5.
Slotbepalingen
Art.
12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking treedt.
Art.
13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit taakuitoefening Inspectie Werk
en Inkomen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 13
december 2001
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de zevenentwintigste
december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[13 december 2001]
Algemeen
De
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Invoeringswet
SUWI dragen het toezicht op de uitvoering van desbetreffende socialeverzekeringswetten
[lees: socialezekerheidswetten, red.] door de
Centrale organisatie werk en inkomen [CWI, red.], het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale
verzekeringsbank (SVB), de Raad voor werk en inkomen (RWI), het
Inlichtingenbureau (IB) alsook het toezicht op de uitvoering door de
gemeenten op aan de Minister van SZW en beleggen het onder diens
verantwoordelijkheid bij de Inspectie Werk en
Inkomen. Bij het toezicht
van de Inspectie op de gemeenten gaat het met name om de Algemene
bijstandswet (Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik), de
Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) en de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw), waarvan de gemeentebesturen de uitvoerders zijn.
In de Wet SUWI is bepaald
dat de taakuitoefening en positionering van de Inspectie bij algemene
maatregel van bestuur verder zal worden uitgewerkt. Dit besluit strekt
daartoe.
In de
Wet SUWI is ervoor
gekozen om de toezichtfunctie te positioneren als een volwaardige aparte
entiteit - inspectie - binnen het departement van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Het toezicht functioneert onder volledige ministeriële
verantwoordelijkheid. Van belang is dat het toezicht onafhankelijk is
ten opzichte van het beleid, zodat toezichtsbevindingen niet worden
beïnvloed door politiek-bestuurlijke afwegingen. Het toezicht dient op
objectieve wijze inzicht te geven in de rechtmatige en doelmatige
uitvoering van het beleid door de onder toezicht gestelde instellingen,
daarover oordelen te geven aan de hand van de beleidsmatig/politiek
vastgestelde maatstaven.
Het kabinet is van
oordeel dat het rapport "Vertrouwen in onafhankelijkheid" van de
Ambtelijke Commissie Toezicht onder leiding van de heer Borghouts en de
daarop gebaseerde kabinetsvisie "Kaderstellende visie op toezicht"
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 831, nr.1) goede aanknopingspunten
bieden voor de vormgeving van het evenwicht tussen de ministeriële
verantwoordelijkheid en de beoogde onafhankelijkheid. Het gedachtegoed
van de genoemde rapporten is door het kabinet benut bij de vormgeving
van de Inspectie Werk en Inkomen.
Uit de Wet SUWI volgt
dat:
• de minister niet treedt in de toezichtsbevindingen van de Inspectie;
• de toezichtsbevindingen openbaar zullen zijn, zodat het parlement en
andere belanghebbenden ongeclauseerd kennis kunnen nemen van de
toezichtsbevindingen;
• het meerjarenplan, het jaarplan, het jaarverslag, het verslag met
betrekking tot de non-discriminatiecode en alle door de Inspectie relevant geachte
rapportages door de minister worden verzonden aan het parlement.
De taakuitoefening van de
Inspectie is te allen tijde transparant. Op wetsniveau is gewaarborgd
dat de Inspectie in haar voorgenomen onderzoek en lopende onderzoek
wordt gevrijwaard van een zodanige beïnvloeding door de minister
dat
deze de voor haar beoogde onafhankelijkheid kan aantasten. De minister
kan - vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht - aanvullende taken opdragen aan de Inspectie dan wel toestemming voor
toezichtsactiviteiten onthouden. Over voornemens hiertoe dient de
minister het parlement te informeren. Deze informatieplicht naar het
parlement is als nadere waarborg voor onafhankelijk toezicht wettelijk
verankerd (zie artikel 39 van de Wet
SUWI).
In de kabinetsvisie
"Kaderstellende visie op toezicht" stelt het kabinet dat wanneer
gekozen wordt voor interne positionering van het toezicht, de
functiescheiding tussen beleid en toezicht binnen het ministerie
duidelijk zichtbaar moet worden vormgegeven. Het Besluit taakuitoefening
Inspectie Werk en Inkomen strekt ertoe om de functiescheiding duidelijk
vast te leggen. In het besluit wordt geregeld dat de Inspectie
en
inspecteur-generaal direct worden gepositioneerd onder de secretaris-generaal, zodat de functiescheiding op een zo hoog mogelijk
niveau in de organisatie zichtbaar wordt.
De
Inspectie heeft als
wettelijke taak het toezicht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid,
inclusief doeltreffendheid, van de uitvoering van wettelijke taken door UWV,
CWI, SVB, RWI,
IB en gemeenten. Daarnaast is voorzien in de
mogelijkheid dat bij of krachtens een andere wet aan de Inspectie taken
worden opgedragen (zie artikel 37, onderdeel d, van de Wet
SUWI). Voorts is
de Inspectie bevoegd - na overleg met de minister
- tot het
verrichten van niet in het jaarplan opgenomen of aanvullende
werkzaamheden (zie artikel 39 van de Wet
SUWI).
Ten slotte bestaat de
mogelijkheid dat medewerkers van de Inspectie via interne afspraken
worden ingezet ten behoeve van andere toezichtswerkzaamheden van het
departement.
De
Inspectie voert
toezichtbaarheidstoetsen uit bij relevante wet- of lagere regelgeving
(zie artikel 41 van de Wet
SUWI). Deze bevindingen van de Inspectie
naar aanleiding van een toezichtbaarheidstoets worden expliciet zichtbaar gemaakt in
de toelichting behorend bij de betreffende wet, respectievelijk regeling of
besluit.
Het aan de
Inspectie opgedragen toezicht is signalerend van aard. Bij de toezichtsuitoefening
is de door het beleid en politiek ontwikkelde en vastgelegde
inhoudelijke normatiek voor de Inspectie een gegeven. De Inspectie
baseert zich bij haar oordeelsvorming over het functioneren van de
uitvoering op deze normen. De Inspectie gaat na in hoeverre de
uitvoering overeenkomstig de regels en de normen van het beleid
functioneert. De Inspectie kan het beleid adviseren bij het opstellen en
bijstellen van deze normatiek en een bijdrage leveren aan de
ontwikkeling daarvan. De Inspectie is verantwoordelijk voor de
operationalisering van de gestelde kaders. Het gaat hierbij om het
analyseren en benoemen van risico’s in de uitvoering en om het stellen
van prioriteiten.
Op grond van de
Wet SUWI krijgt de minister
een directere verantwoordelijkheid voor de aansturing
van de uitvoeringsorganisaties. De CWI, het UWV
en de
SVB dienen
jaarlijks een jaarplan en een meerjarenbeleidsplan op te stellen. Deze
plannen dienen heldere doelstellingen te bevatten ten aanzien van
bijvoorbeeld effectiviteit, klantgerichtheid, kwaliteit en
doelmatigheid. Waar mogelijk dienen deze doelstellingen meetbaar te
worden gemaakt in de vorm van prestatie-indicatoren. Het opstellen van
prestatie-indicatoren is een ontwikkelproces. Momenteel worden, in
samenwerking met de uitvoeringsorganisaties, prestatie-indicatoren
opgesteld waarbij eerder opgedane ervaringen worden benut. De
prestatie-indicatoren zullen ook voor de Inspectie
een belangrijk
gegeven zijn bij voor het beoordelen van de prestaties van de
uitvoeringsorganisaties in termen van rechtmatigheid, doelmatigheid en
doeltreffendheid.
In de
Wet SUWI is de
plan- en verantwoordingscyclus van de Inspectie
vastgelegd. Deze cyclus
bestaat - naast activiteitenplannen en planningsoverzichten voor
intern gebruik bij de Inspectie - uit drie documenten. In de eerste
plaats een meerjarig toezichtsplan, voorts een jaarlijks toezichtsplan
en ten slotte een jaarlijks jaarverslag. Het meerjarig toezichtsplan
dient als basis voor de in de betreffende periode vast te stellen
jaarlijkse toezichtsplannen. De Inspectie stelt het jaarplan en het
meerjarenplan, nadat hierover met de minister
overleg is gepleegd, vast.
De Inspectie geeft in het meerjarenplan aan op welke wijze zij invulling
zal geven aan de wettelijke toezichtsverantwoordelijkheid. Het door de
Inspectie op te stellen jaarplan is een concretisering in operationele
termen van de in de Wet SUWI opgedragen taken en van hetgeen in het
meerjarig toezichtsplan voorgenomen is. Het jaarplan geeft de feitelijke
inzet van de Inspectie aan en vindt zijn basis in een
risico-inventarisatie van het gehele toezichtsdomein. De minister kan aan
de Inspectie opdracht geven tot het verrichten van niet in het jaarplan
opgenomen of aanvullende werkzaamheden. Deze voornemens brengt de
minister ter kennis aan het parlement (zie artikel 39 van de Wet
SUWI).
De toezichtsbevindingen
zullen ingevolge de wet openbaar zijn, zodat het parlement en anderen
daarvan ongeclausuleerd kennis kunnen nemen. Na openbaarmaking draagt de
Inspectie zorg voor verspreiding van het jaarverslag en haar rapportages
en de voorlichting ten aanzien van de daarin opgenomen
toezichtsbevindingen.
De
Inspectie zal een baten-lastendienst (voorheen een agentschap)
worden als bedoeld in
artikel 70 van de Comptabiliteitswet (zoals deze luidt na de zevende
wijziging; Stb. 2001, 240). De keuze voor een baten-lastendienst maakt
het mogelijk een resultaatgericht besturingsmodel voor de Inspectie te
combineren met een baten-lastenadministratie. Overigens kende het Ctsv [College
van toezicht sociale verzekeringen, red.],
waarvan het apparaat thans ondergebracht is in de Inspectie, in de
hoedanigheid van zelfstandig bestuursorgaan al een baten-lastenstelsel.
Vooralsnog zal de Inspectie per 1 januari 2002, bij gezamenlijk besluit
van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
van
Financiën,
de tijdelijke agentschapstatus toegekend krijgen. Hierdoor mag de
Inspectie, als onderdeel van het ministerie, reeds een
baten-lastenadministratie voeren, hoewel de Inspectie nog niet voldoet
aan de voorwaarden die worden gesteld aan de instelling van een
agentschap. Vanaf 1 januari 2002 wordt door de Inspectie het reguliere
instellingstraject doorlopen om aan de instellingsvoorwaarden te kunnen
gaan voldoen, waarna de permanente agentschapstatus kan worden verkregen
(zie Kamerstukken II 2000-2001, 23 171, nrs. 4 en 5).
Het ontwerp van dit
besluit is, conform artikel 44, tweede lid, van de Wet
SUWI, overgelegd
aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dit heeft niet
geleid tot aanpassingen van het ontwerp.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
2
Dit besluit strekt ertoe
om de positionering van de Inspectie nader te definiëren. De Inspectie
is een nieuw organisatieonderdeel binnen het departement. Het
Organisatie-, mandaat en volmachtbesluit SZW zal
- waar het betreft de mandaat- en volmachtverlening - binnen de
Inspectie en de organisatiestructuur van de Inspectie worden aangepast.
Door publicatie in de Staatscourant van deze regeling worden ook de
interne mandaatregelingen binnen de Inspectie en tussen de minister
en
de Inspectie openbaar gemaakt.
Artikel
3
De
Inspectie houdt op
grond van de Wet SUWI en de invoeringswet
namens de minister toezicht op
de rechtmatige en doelmatige (inclusief doeltreffende) uitvoering van
alle opgedragen taken door het UWV, de SVB, de
CWI en gemeenten. Voorts
houdt de Inspectie toezicht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van
de wijze waarop de genoemde organen met elkaar samenwerken. Daarnaast
heeft de Inspectie als taak toezicht te houden op de rechtmatige en
doelmatige besteding van publieke reïntegratiemiddelen door de publieke
opdrachtgevers UWV/gemeenten c.q. door de subsidieverstrekker. Het
toezicht zal zoveel mogelijk uniform worden uitgeoefend. De bestuurlijke
constellatie waarvan deze onder toezicht gestelde organisaties deel
uitmaken is echter zodanig verschillend dat een nadere differentiatie
noodzakelijk kan zijn. Zo vragen de gemeenten een andere bestuurlijke
benadering dan zelfstandige bestuursorganen, zoals het UWV. De gemeente
is immers een openbaar lichaam dat zelf verantwoordelijkheid draagt
voor de regeling van de eigen huishouding en via gemeentelijke
bestuursorganen haar beleid integraal (dat wil zeggen met afweging van meer
belangen dan die ontleend worden aan de wetgeving waarop de Inspectie
haar toezicht richt) tot stand brengt en daarvoor jegens de eigen
democratisch gekozen organen verantwoording aflegt. In die situatie
beperkt het doelmatigheidstoezicht zich derhalve tot
doeltreffendheidsaspecten.
De Inspectie is tevens
belast met het toezicht op de taakuitoefening door de RWI. Hiervoor is
gekozen omdat de RWI een extern orgaan is. Het toezicht heeft betrekking
op de apparaatskosten en op de rechtmatigheid en doelmatigheid,
inclusief doeltreffendheid, van de taakuitvoering van de RWI in het kader
van het subsidieproces. Het toezicht strekt zich uiteraard niet uit over
het functioneren van de RWI in de rol als overlegorgaan.
Artikel
4
Het in
artikel 4 bedoelde
jaarverslag van de Inspectie is een verantwoording van de verrichte
toezichtswerkzaamheden en van de toezichtsbevindingen van de Inspectie.
Dit verslag bevat een integrale rapportage van de bevindingen van de
Inspectie over de rechtmatigheid en doelmatigheid, inclusief de
doeltreffendheid, van de uitvoering van wettelijke taken door UWV,
SVB, CWI, gemeenten en de
RWI. Het verslag van de Inspectie wordt aan het
parlement aangeboden in dezelfde periode waarin de Minister van
Financiën de jaarverantwoordingsdocumenten ten behoeve van behandeling
op de derde woensdag in mei aan de beide kamers aanbiedt. De Inspectie
kan - desgevraagd -
aan het parlement een feitelijke toelichting
geven op het jaarverslag.
Artikel
5
Het verslag, bedoeld in
artikel 38, derde lid, van de wet zal voor de eerste maal worden
opgesteld vóór 1 mei 2003.
Artikel
6
De toezichthouder moet
zijn taken kunnen uitvoeren in een onafhankelijke positie. Van belang is
dat de Inspectie een eigen profiel heeft en zich als een afzonderlijk
herkenbare eenheid kan presenteren. Deze herkenbaarheid van de Inspectie
zal worden ondersteund door onder meer een eigen logo en vormgeving, en
een website waarop rapporten van de Inspectie kunnen worden
geraadpleegd. Om het belang van onafhankelijke toezichtuitoefening te
benadrukken is in het besluit een bepaling opgenomen die, onder
verwijzing naar het KB-SG van 1988 [Koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende
regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de
secretaris-generaal, red.], de verantwoordelijkheid en
bevoegdheid van de secretaris-generaal benoemt. De secretaris-generaal
is verantwoordelijk voor het voldoende geïnstrumenteerd zijn van de
Inspectie voor de uitoefening van haar wettelijke taken, zodanig dat
deze haar taken naar behoren en onafhankelijk kan uitvoeren. De
departementale regels ten aanzien van de apparaatszorg zullen van
toepassing zijn voor de Inspectie voor zover deze geen inbreuk maken op
de onafhankelijkheid en de kwaliteit van de Inspectie. Ook alle
bovendepartementale regelingen zijn vanzelfsprekend en integraal van
toepassing op de Inspectie.
Artikel
7
De
Inspectie is een
zelfstandig dienstonderdeel van het departement. Aan het hoofd van de
Inspectie Werk en Inkomen komt de inspecteur-generaal Werk en Inkomen te
staan. Zoals ook door de Ambtelijke Commissie Toezicht (commissie-Borghouts) wordt aanbevolen, worden de Inspectie en de
inspecteur-generaal direct gepositioneerd onder de secretaris-generaal.
De inspecteur-generaal neemt deel aan periodiek overleg van de
secretaris-generaal met de directeuren-generaal van het ministerie op
een zodanige wijze dat dit in overeenstemming is met de
verantwoordelijkheid van de inspecteur-generaal voor de onafhankelijke
uitvoering van de taken genoemd in artikel 37 van de
wet.
Artikel
8
Binnen de met de
secretaris-generaal afgesproken kaders is de inspecteur-generaal, als
integraal manager, verantwoordelijk voor het inrichten van de
organisatie op een dusdanige wijze dat de professionaliteit en
onafhankelijkheid van het toezicht worden gewaarborgd. De
inspecteur-generaal is verantwoordelijk voor een zodanige apparaatszorg
dat een hoogwaardige kwaliteit van het toezicht wordt gerealiseerd. De
inspecteur-generaal dient bij de inrichting van de Inspectie
bijvoorbeeld zorg te dragen voor de aanwezigheid van voldoende
juridische expertise en kennis op het terrein van voorlichting en
communicatie, één en ander ter ondersteuning van de toezichtsfunctie.
Artikel
9
Met de diverse
departementsonderdelen worden door de inspecteur-generaal afspraken
gemaakt met betrekking tot de taakverdeling, rapportage, voorlichting,
ICT [informatie- en communicatietechnologie, red.],
informatievoorziening en afstemming. Deze afspraken worden vastgelegd in
een protocol. Het protocol wordt na afstemming met de betrokken
departementsonderdelen opgesteld door de inspecteur-generaal en
vervolgens vastgesteld door de secretaris-generaal.
Ten aanzien van de
informatie-uitvraag en onderzoek zijn afspraken over afstemming nodig om
doublures en een onnodige administratieve belasting van de uitvoering te
voorkomen. De toezichthouder stelt overigens zelfstandig vast welke
informatie nodig is voor het uitoefenen van zijn taak.
Artikel
10
In dit artikel wordt
geregeld dat de inspecteur-generaal reguliere voortgangsinformatie
uitbrengt aan de secretaris-generaal. Het gaat hierbij met name om
bedrijfsvoeringsinformatie.
Artikel
11
In dit artikel wordt
geregeld dat in geval van (toezichts)bevindingen met groot
maatschappelijk en politiek belang de inspecteur-generaal deze
onverwijld meldt aan de minister en de secretaris-generaal.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|