|
WET van 6 augustus 1954 tot nadere
verhoging van pensioenen met een toeslag
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten laste
van het Rijk - met uitzondering van bepaalde groepen -, van het Algemeen
Burgerlijk Pensioenfonds of van het Spoorwegpensioenfonds toegekende of
nog toe te kennen pensioenen nader te verhogen met een toeslag;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet worden onder overlijden en
nabestaanden mede verstaan onderscheidenlijk vermissing en degenen, die
aan een vermissing recht op pensioen ontlenen.
2. Voor de toepassing van deze wet worden onder militairen mede
verstaan de in artikel 2, eerste lid, van de wet van 4 November 1950, Stb.
K. 479, bedoelde personen.
3. Voor de toepassing van deze wet worden onder pensioenen niet
begrepen de pensioenen, bedoeld in de artikelen 99 en 185 der Grondwet,
zomede de pensioenen, welke ten laste van het Rijk komen ingevolge
wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot
betaling.
Artikel 2
De pensioenen, buitengewone militaire pensioenen, voorlopige
pensioenen en tijdelijke pensioenen, welke ten laste van het Rijk, van
het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
der Pensioenwet 1922, Stb. 240, of van het Spoorwegpensioenfonds,
bedoeld in artikel 1, eerste lid der Pensioenwet voor de
Spoorwegambtenaren 1925, Stb. 294, zijn of worden toegekend,
worden, voor zover het recht op deze pensioenen op 1 Januari 1954 niet
is vervallen, te rekenen van die datum of van het later tijdstip, waarop
zij zijn ingegaan of zullen ingaan, overeenkomstig het bepaalde in de
volgende artikelen ambtshalve verhoogd met een toeslag, verder te noemen
aanpassingstoeslag.
Artikel 3
1. De aanpassingstoeslag bedraagt, behoudens het bepaalde in
het derde lid:
a. voor pensioenen ten laste van het Rijk, welke zijn of worden
toegekend aan militairen of gewezen militairen uit hoofde van een
ontslag, dat is ingegaan in:
|
1951 ...... |
3 |
% |
van |
het |
pensioen |
|
1949 en 1950 ...... |
4 |
% |
" |
" |
" |
|
1948 ...... |
8 |
% |
" |
" |
" |
|
1947 ...... |
9 |
% |
" |
" |
" |
|
1946 ...... |
18 |
% |
" |
" |
" |
|
1945 ...... |
19 |
% |
" |
" |
" |
|
1944 en 1943 ...... |
21 |
% |
" |
" |
" |
|
1942 ...... |
24 |
% |
" |
" |
" |
|
1941 t/m 1937 ...... |
28 |
% |
" |
" |
" |
|
1936 ...... |
26 |
% |
" |
" |
" |
|
1935 ...... |
21 |
% |
" |
" |
" |
|
1934 ...... |
14 |
% |
" |
" |
" |
|
1933 t/m 1929 ...... |
8 |
% |
van |
het |
pensioen |
|
1928 en 1927 ...... |
10 |
% |
" |
" |
" |
|
1926 ...... |
14 |
% |
" |
" |
" |
|
1925 ...... |
8 |
% |
" |
" |
" |
|
1924 t/m 1921 ...... |
2 |
% |
" |
" |
" |
|
1920 of eerder ...... |
11 |
% |
" |
" |
" |
b. voor pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds of het Spoorwegpensioenfonds, welke zijn of worden
toegekend uit hoofde van een ontslag, dat is ingegaan in:
|
1951 ...... |
2 |
% |
van |
het |
pensioen |
|
1950 ...... |
5 |
% |
" |
" |
" |
|
1949 ...... |
8 |
% |
" |
" |
" |
|
1948 ...... |
13 |
% |
" |
" |
" |
|
1947 ...... |
15 |
% |
" |
" |
" |
|
1946 ...... |
17 |
% |
" |
" |
" |
|
1945 ...... |
19 |
% |
" |
" |
" |
|
1944 ...... |
21 |
% |
" |
" |
" |
|
1943 ...... |
23 |
% |
" |
" |
" |
|
1942 ...... |
22 |
% |
" |
" |
" |
|
1941 ...... |
21 |
% |
" |
" |
" |
|
1940 ...... |
19 |
% |
" |
" |
" |
|
1939 ...... |
17 |
% |
" |
" |
" |
|
1938 ...... |
16 |
% |
" |
" |
" |
|
1937 ...... |
14 |
% |
" |
" |
" |
|
1936 ...... |
13 |
% |
" |
" |
" |
|
1935 ...... |
11 |
% |
" |
" |
" |
|
1934 ...... |
8 |
% |
" |
" |
" |
|
1933 t/m 1925 ...... |
7 |
% |
" |
" |
" |
|
1924 t/m 1920 ...... |
2 |
% |
" |
" |
" |
|
1919 of eerder ...... |
11 |
% |
" |
" |
" |
c. voor pensioenen te laste van het Rijk of van het Algemeen
Burgerlijk Pensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan
nabestaanden van militairen of gewezen militairen uit hoofde van een
overlijden in, dan wel van een overlijden na een ontslag, dat is
ingegaan in:
|
1946 ...... |
2 |
% |
van |
het |
pensioen |
|
1945 en 1944 ...... |
6 |
% |
" |
" |
" |
|
1943 en 1942 ...... |
10 |
% |
" |
" |
" |
|
1941 ...... |
15 |
% |
" |
" |
" |
|
1940 t/m 1936 ...... |
18 |
% |
" |
" |
" |
|
1935 ...... |
16 |
% |
" |
" |
" |
|
1934 ...... |
10 |
% |
" |
" |
" |
|
1933 ...... |
2 |
% |
" |
" |
" |
|
1920 of eerder ...... |
11 |
% |
" |
" |
" |
d. voor pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van
ambtenaren of gewezen ambtenaren, of ten laste van het
Spoorwegpensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan
nabestaanden van spoorwegambtenaren of gewezen spoorwegambtenaren
uit hoofde van een overlijden in, dan wel van een overlijden na een
ontslag, dat is ingegaan in:
|
1946 en 1945 ...... |
3 |
% |
van |
het |
pensioen |
|
1944 t/m 1941 ...... |
10 |
% |
" |
" |
" |
|
1940 ...... |
8 |
% |
" |
" |
" |
|
1939 ...... |
5 |
% |
" |
" |
" |
|
1938 ...... |
3 |
% |
" |
" |
" |
|
1937 ...... |
2 |
% |
" |
" |
" |
|
1919 of eerder ...... |
11 |
% |
" |
" |
" |
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder pensioen
verstaan het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt
vastgesteld met inachtneming van de op 1 Januari 1954 bestaande
toestand en geldende bepalingen met inbegrip van wettelijke
verhogingen, doch zonder de toeslag ingevolge de wet van 5 November
1948, Stb. I 498, de bijzondere toeslag ingevolge de wet van 9
November 1950, Stb. K 502, en de toeslag ingevolge de Toeslagwet 1954
voor gepensionneerden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden pensioenen,
welke zijn berekend dan wel zijn herzien naar een pensioensgrondslag
met toepassing van artikel 5 van de Wet buitengewoon militair pensioen
1914-1918, Stb. 1948, I 496, of artikel IX van de wet van 4 Augustus
1947, Stb. H 292, geacht te zijn toegekend ter zake van een met ingang
van 1 Januari 1947 verleend ontslag of een overlijden op 31 December
1946.
4. Op de pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens
het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5°, 6° van de
Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30,
eerste lid onder 4°, 5° en 6° van de Pensioenwetten voor het
personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der
landmacht 1923, wordt de aanpassingstoeslag slechts verleend, indien
de bijdrage tot het levensonderhoud meer bedroeg dan het pensioen, met
dien verstande, dat het totaal van pensioen, toeslag ingevolge de wet
van 5 November 1948, Stb. I 498, bijzondere toeslag ingevolge de wet
van 9 November 1950, Stb. K 502, toeslag ingevolge de Toeslagwet 1954
voor gepensionneerden en aanpassingstoeslag die bijdrage niet
overschrijdt.
Artikel 4
1. De provinciale- en gemeentebesturen, welke krachtens wet of
verordening pensioenen of toeslagen daarop hebben verleend, kunnen op
die pensioenen of toeslagen op de voet van de in de artikelen 2 en 3
gegeven voorschriften een aanpassingstoeslag verlenen.
2. De voorzieningen van provinciën en van gemeenten naar
aanleiding van het vorig lid zijn onderscheidenlijk onderworpen aan Onze
goedkeuring en aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.
Artikel 5
1. Het bepaalde in de artikelen 5, 6, 9, 13, 15, 16, 17, 18 en
19 van de wet van 5 November 1948, Stb. I 498, is ten aanzien
van de aanpassingstoeslag van overeenkomstige toepassing:
a. met uitzondering, wat betreft genoemd artikel 15, ten aanzien
van het bepaalde in artikel 104 van de Pensioenwet 1922, Stb.
240, en daarmede overeenkomende artikelen van andere wetten;
b. met dien verstande, dat bij de toepassing van de artikelen 69 en
98 van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, en daarmede
overeenkomende artikelen van andere wetten de in die artikelen
genoemde grensbedragen op de voet van het bepaalde in artikel 3 worden
verhoogd.
2. Het bepaalde in artikel 3, eerste, derde en vierde lid van de
wet van 9 November 1950, Stb. K 502, is ten aanzien van de
aanpassingstoeslag van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 7
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.
Artikel 8
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Aanpassingstoeslagwet
voor gepensionneerden".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 6 Augustus 1954
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel
De Minister van Oorlog en van Marine,
C. Staf
Uitgegeven de vier en twintigste Augustus 1954
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
|