Artikel II. De Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
Afdeling B. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel I. De Wet kinderopvang
Afdeling C. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel I. De Wet studiefinanciering 2000
Artikel II. De Wet studiefinanciering 2000
Artikel III. De Wet studiefinanciering 2000
Artikel IV. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Artikel V. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Artikel VI. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Afdeling D. Ministerie van Justitie
Artikel I. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Afdeling E. Ministerie van Financiën
Artikel I. De Wet op de loonbelasting 1964
Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel I. Overgangsrecht Huursubsidiewet
1. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, respectievelijk burgemeester en wethouders, kennen voor
het subsidiejaar dat loopt van 1 juli 2005 tot en met
30 juni 2006 slechts huursubsidie als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Huursubsidiewet, respectievelijk een bijzondere
bijdrage in de huurlasten als bedoeld in artikel 26b, eerste lid, van
die wet, dan wel voorschotten daarop krachtens artikel 31, derde lid,
respectievelijk artikel 26c, vijfde lid, van die wet toe over een
tijdvak dat uiterlijk loopt tot en met 31 december 2005.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer verstrekt voor het subsidiejaar dat loopt van 1 juli
2005 tot en met 30 juni 2006 slechts voorschotten als bedoeld in
artikel 26f, tweede lid, van de Huursubsidiewet over een tijdvak dat
uiterlijk loopt tot en met 31 december 2005.
3. Voorzover een aanvraag als bedoeld in artikel 28, eerste lid,
van de Huursubsidiewet, of een beperkt huursubsidiebericht of een
huursubsidiebericht als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van die wet
dan wel een aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de
huurlasten als bedoeld in artikel 26b, eerste lid, van die wet
betrekking heeft op het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en
met 31 december 2005, wordt voor de toepassing van die wet:
a. in artikel 1, onderdeel l, voor «het subsidiejaar» gelezen:
het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en met 31 december
2005;
b. artikel 1, onderdeel o, als volgt gelezen:
o. subsidietijdvak:
1º. het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en met
31 december 2005, als de huurder in het daaraan voorafgaande
subsidiejaar huursubsidie heeft ontvangen dan wel in de maand juni
voorafgaand aan dat tijdvak een aanvraag als bedoeld in artikel 28,
eerste lid, heeft ingediend;
2º. de resterende volle kalendermaanden van het tijdvak dat
loopt van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005, als de
huurder in het tijdvak 1 juli 2005 tot en met 30 november
2005 een aanvraag als bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft
ingediend;
c. in artikel 15, eerste lid, voor «de laatste dag van het
subsidiejaar» telkens gelezen: 30 juni 2006;
d. in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, en artikel 26d, vierde
lid, voor «subsidiejaar» gelezen: tijdvak dat loopt van 1 juli
2005 tot en met 31 december 2005;
e. in artikel 26c, vierde lid, voor «30 juni» gelezen:
31 december 2005;
f. artikel 26f, derde lid, eerste volzin, als volgt gelezen:
Burgemeester en wethouders declareren de in een tijdvak dat loopt van
1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 of daaraan
voorafgaande tijdvakken gemaakte kosten uiterlijk 30 september
volgend op hetzij dat tijdvak, hetzij het jaar waarin de beschikking
tot het verstrekken van een bijzondere bijdrage in de huurlasten,
bedoeld in artikel 26b, eerste lid, van de Huursubsidiewet, over dat
tijdvak of die tijdvakken onherroepelijk is geworden, hetzij het jaar
waarin na een herziening van de beschikking tot het verstrekken van
een bijzondere bijdrage in de huurlasten, bedoeld in artikel 26b,
eerste lid, van de Huursubsidiewet, de daarop volgende beschikking
onherroepelijk is geworden, doch uiterlijk tot vijf jaar na het
betrokken tijdvak;
g. in artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, voor «1 juli van
elk jaar» gelezen: 1 juli 2005.
4. Alle vóór de inwerkingtreding van deze wet door Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
aangewezen onzelfstandige woonruimten als bedoeld in artikel 11, tweede
lid, van de Huursubsidiewet, zoals dat laatstelijk luidde vóór de
inwerkingtreding van deze wet, zijn aangewezen krachtens dat artikellid,
zoals dat komt te luiden nadat deze wet in werking is getreden.
5. Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt, na overleg met Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in afwijking van artikel 27,
vierde en zesde lid, van de Huursubsidiewet, de hoogte vastgesteld van
de bedragen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 18, eerste lid, van die wet, die met ingang van 1 januari
2006 krachtens die wet gelden.
6. Indien de huurder uiterlijk op 30 november 2005 een
aanvraag tot toekenning van huursubsidie als bedoeld in artikel 28,
eerste lid, van de Huursubsidiewet, of een verzoek als bedoeld in
artikel 26, eerste lid, van die wet, zoals die bepalingen laatstelijk
luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, heeft ingediend en die
aanvraag respectievelijk dat verzoek betrekking heeft op het tijdvak dat
loopt van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 of een
daaraan voorafgaand subsidietijdvak, wordt die aanvraag respectievelijk
dat verzoek afgedaan overeenkomstig die wet.
7. Indien de huurder uiterlijk op 28 februari 2006 een
aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de huurlasten als
bedoeld in artikel 26b, eerste lid, van de Huursubsidiewet, of een
verzoek als bedoeld in artikel 26g, eerste lid, van die wet, zoals die
bepalingen laatstelijk luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet,
heeft ingediend en die aanvraag respectievelijk dat verzoek betrekking
heeft op het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en met
31 december 2005 of een daaraan voorafgaand subsidietijdvak, wordt
die aanvraag respectievelijk dat verzoek afgedaan overeenkomstig die
wet.
8. Indien burgemeester en wethouders een aanvraag als bedoeld in
artikel 26f, tweede lid, van de Huursubsidiewet, zoals die laatstelijk
luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, hebben ingediend die
betrekking heeft op het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en
met 31 december 2005 of een daaraan voorafgaand subsidietijdvak,
wordt die aanvraag afgedaan overeenkomstig die wet.
9. Door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer teruggevorderde huursubsidie over het subsidietijdvak
dat loopt van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 of
daaraan voorafgaande subsidietijdvakken kan door de
Belastingdienst/Toeslagen, bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, op voet van artikel 30 van die wet
worden verrekend.
10. Alle vóór de inwerkingtreding van deze wet in het kader van
de uitvoering van de Huursubsidiewet aan Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verstrekte
informatie alsmede alle vóór de inwerkingtreding van deze wet gedane
verklaringen van medebewoners tot instemming met het inwinnen van
inlichtingen bij, en informatieverschaffing aan de huurder, worden
tevens geacht aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekte informatie ten
behoeve van de uitvoering van de Huursubsidiewet te zijn
onderscheidenlijk aan de Belastingdienst/Toeslagen gedane verklaringen
tot instemming te zijn.
11. Ten aanzien van de huurder die jonger is dan 65 jaar, aan wie
over het subsidiejaar dat loopt van 1 juli 2005 tot en met
30 juni 2006 huursubsidie is verstrekt en die in het daarvoor
geldende peiljaar een rekenvermogen heeft van meer dan € 20 300,–,
wordt, indien hij in een berekeningsjaar recht heeft op de
alleenstaande-ouderkorting als bedoeld in artikel 8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, artikel 7, derde lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen toegepast alsof hij in dat jaar recht
zou hebben op tweemaal het heffingvrije vermogen als bedoeld in artikel
5.5, eerste lid, van die wet. De vorige volzin is niet van toepassing in
berekeningsjaren die volgen op een berekeningsjaar waarin met
inachtneming van het in die volzin bepaalde, als gevolg van de
toepassing van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen geen huurtoeslag is toegekend.
Artikel II. Overgangsrecht Wet kinderopvang
Artikel IV. Inwerkingtreding
Artikel V. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen.