Nadere
regelgeving:
- Besluit beroepsvereisten advocatuur
- Samenwerkingsverordening 1993
- Stageverordening
2005
- Verordening
op de administratie en de financiële integriteit
- Verordening op de beroepsaansprakelijkheid 1991
(vervallen)
WET van 23 juni 1952, houdende instelling
van de Nederlandse orde van advocaten alsmede regelen betreffende orde
en discipline voor de advocaten en procureurs
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Nederlandse orde van advocaten in te stellen, alsmede de regelen
betreffende de orde en discipline voor de advocaten en procureurs te
herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Van de inschrijving en de beëdiging van de advocaten; van
het tableau
Artikel 1
1.De advocaten worden ingeschreven op het tableau van de
Nederlandse orde van advocaten.
2.De inschrijving als advocaat geschiedt voorwaardelijk of
onvoorwaardelijk.
3.Voorwaardelijke inschrijving vindt plaats indien de verzoeker
geen bewijs kan overleggen dat hij met gunstig gevolg het in artikel
9c bedoelde examen heeft afgelegd of niet in het bezit is van een ten
aanzien van het beroep van advocaat afgegeven EG-verklaring als
bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. In alle
overige gevallen alsmede in het geval, bedoeld in het eerste lid van
artikel 2a, geschiedt de inschrijving onvoorwaardelijk. Wordt het
bewijs of de verklaring nadien alsnog overgelegd dan wordt van
rechtswege aan de inschrijving het voorwaardelijk karakter ontnomen.
Artikel 2
1.Ieder is bevoegd aan de voorzitter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de verzoeker kantoor wenst te houden
schriftelijk inschrijving als advocaat te verzoeken:
a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een
afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk
onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit dan
wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de graad Bachelor op het
gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van
het recht is verleend;
b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van het
afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht
aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het
doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester
te voeren heeft verkregen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten. Eveneens is
bevoegd inschrijving te verzoeken degene die in het bezit is van een
ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven EG-verklaring als
bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan
wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit,
de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan
gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de
toepasselijkheid van onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat
onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
2.Gelijktijdig met de indiening van het verzoek als bedoeld in het
eerste lid legt de verzoeker over een verklaring omtrent het gedrag,
afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Indien de verzoeker eerder als advocaat ingeschreven is geweest, legt
hij tevens over een document dat is afgegeven door de raad van
toezicht van het arrondissement waarin hij het laatst kantoor heeft
gehouden, waaruit blijkt of hij al dan niet tuchtrechtelijk is
veroordeeld dan wel of hij in staat van faillissement heeft verkeerd
of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is geweest. Het in de vorige zin bedoelde document
wordt eveneens door de ingeschreven advocaat die in een ander
arrondissement kantoor wenst te houden overgelegd aan de raad van
toezicht aldaar.
3.De advocaat geeft van iedere kantoorverplaatsing kennis aan de
secretaris van de algemene raad met het oog op de verwerking op het
tableau. Vanaf de verwerking van de kennisgeving van een
kantoorverplaatsing naar een ander arrondissement wordt de advocaat
geacht in dit andere arrondissement kantoor te houden.
4.De griffier zendt onverwijld afschrift van het verzoek en de
daarbij overgelegde verklaringen of documenten aan de raad van
toezicht, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van deze wet.
5.Indien de raad van toezicht zich, overeenkomstig artikel 4,
eerste lid, tegen inwilliging van een verzoek om inschrijving met
vrucht heeft verzet, wordt een nieuw verzoek, binnen een jaar na het
eerstbedoelde ingediend, buiten behandeling gelaten, tenzij, naar het
oordeel van de voorzitter van de rechtbank van het arrondissement
waarin de verzoeker kantoor wenst te houden, wijziging in de
omstandigheden of het feit dat het verzoek bij een andere rechtbank is
ingediend behandeling van het verzoek rechtvaardigt; in het laatste
geval handelt de griffier, zoals in het vorige lid is bepaald.
Artikel 2a
1.In afwijking van het eerste lid van artikel 2 is degene die in
een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of in Zwitserland, hierna te noemen staat van herkomst,
gerechtigd is zijn beroepswerkzaamheid uit te oefenen onder de
benaming advocaat of een daarmee overeenkomstige benaming in de taal
of in de talen van de staat van herkomst, bevoegd te verzoeken te
worden ingeschreven als advocaat, indien hij een document overlegt
waaruit blijkt dat hij gedurende ten minste drie jaar daadwerkelijk en
regelmatig in Nederland in het Nederlandse recht, met inbegrip van het
gemeenschapsrecht als advocaat werkzaam is geweest. Onder
daadwerkelijk en regelmatig werkzaam wordt verstaan de daadwerkelijke
uitoefening van de werkzaamheid zonder andere dan de in het dagelijks
leven normale onderbrekingen.
2.De advocaat dient een aanvraag om afgifte van een document als
bedoeld in het eerste lid in bij de raad van toezicht in het
arrondissement waarin de advocaat kantoor kan houden.
3.De aanvraag omvat ten minste inlichtingen of bescheiden
betreffende het aantal en de aard van de door de aanvrager behandelde
dossiers.
4.De raad van toezicht kan verifiëren of de uitgeoefende
werkzaamheden als regelmatig en daadwerkelijk kunnen worden aangemerkt
en kan zo nodig de advocaat verzoeken mondeling of schriftelijk
aanvullende verduidelijkingen of preciseringen te verstrekken met
betrekking tot inlichtingen en bescheiden, als bedoeld in het derde
lid.
5.In plaats van de verklaring omtrent het gedrag of de andere in
het tweede lid van artikel 2 genoemde documenten kan de advocaat,
bedoeld in het eerste lid, een met deze verklaring of die documenten
overeenkomende documenten, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag
in de staat van herkomst overleggen. Artikel 7 van de Algemene wet
erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2b
1.Indien de advocaat gedurende ten minste drie jaar daadwerkelijk
en regelmatig in Nederland als advocaat werkzaam is geweest, doch
gedurende kortere tijd in het Nederlandse recht, kan de raad van
toezicht het document, bedoeld in het eerste lid van artikel 2a,
afgeven als de advocaat voldoende bekwaam is om de werkzaamheden in
het Nederlandse recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht voort te
zetten. Hierbij houdt de raad van toezicht rekening met:
a. de periode gedurende welke de betrokken advocaat
daadwerkelijk en regelmatig werkzaamheden heeft verricht in
Nederland,
b. de kennis en beroepservaring op het gebied van het
Nederlandse recht,
c. de deelname aan cursussen of seminars met betrekking tot het
Nederlandse recht en
d. de kennis en beroepservaring van alsmede de deelname aan
cursussen of seminars over de Nederlandse beroeps- en
gedragsregels.
2.De beoordeling van de daadwerkelijke en regelmatige werkzaamheden
in Nederland alsmede de beoordeling van de bekwaamheid van de advocaat
om de in Nederland uitgeoefende werkzaamheden voort te zetten, vinden
plaats in het kader van een onderhoud dat ten doel heeft de
daadwerkelijke en regelmatige aard van de uitgeoefende werkzaamheid te
verifiëren.
Artikel 2c
1.De advocaat die overeenkomstig artikel 2a is ingeschreven, is
bevoegd om naast het voeren van de titel advocaat zijn oorspronkelijke
beroepstitel in de officiële taal of in een van de officiële talen
van de staat van herkomst te voeren.
2.Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst of de
tuchtrechter aldaar de uitoefening van het beroep advocaat tijdelijk
of blijvend heeft ontzegd is de betrokken advocaat van rechtswege niet
meer bevoegd om in Nederland zijn beroep onder zijn oorspronkelijke
beroepstitel uit te oefenen.
Artikel 3
1.De advocaten worden door de rechtbank van het arrondissement
waarin zij kantoor wensen te houden en aan wier voorzitter zij een
verzoek tot inschrijving hebben gedaan op requisitoir van het openbaar
ministerie beëdigd. Van de beëdiging wordt door de griffier van de
rechtbank kennisgegeven aan de secretaris van de algemene raad met het
oog op de verwerking hiervan op het tableau.
2.Zij leggen de navolgende eed of belofte af:
"Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid
aan de Grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik
geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove
rechtvaardig te zijn."
Artikel 4
1.De verzoeker wordt niet toegelaten tot de beëdiging, indien de
raad van toezicht binnen zes weken na de indiening van het verzoek
verklaart tegen de inschrijving verzet te doen.
2.Deze beschikking kan alleen worden genomen op een der na te
noemen gronden:
a. dat de verzoeker niet voldoet aan de in de artikelen 2 en 2a
gestelde vereisten voor de inschrijving, dan wel de in die
artikelen bedoelde verklaringen of documenten niet heeft
overgelegd.
b. dat gegronde vrees bestaat, dat de verzoeker als advocaat
inbreuk zal maken op de voor advocaten geldende wetten,
verordeningen en besluiten of zich anderszins zal schuldig maken
aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijke advocaat niet
betaamt;
c. dat verzoeker met toepassing van artikel 8, derde lid, van
het tableau is geschrapt zonder dat alsnog het daar bedoelde
bewijs kan worden overgelegd.
3.Indien de raad van toezicht binnen die termijn geen verzet heeft
gedaan, of vóór de afloop daarvan verklaart geen bezwaar tegen de
beëdiging te hebben, kan de beëdiging, mits binnen een jaar na de
indiening van het verzoek, geschieden.
Artikel 5
1.De secretaris van de raad van toezicht maakt de beschikking,
houdende verzet tegen de inschrijving, onverwijld bekend:
a. aan de verzoeker;
b. aan de rechtbank, aan wier voorzitter inschrijving is
verzocht.
2.De verzoeker kan gedurende zes weken na de bekendmaking beklag
doen bij het hof van discipline, bedoeld in artikel 51.
3.Het beklag wordt gedaan bij verzoekschrift, in zevenvoud in te
dienen en vergezeld van zes afschriften van de beslissing, waartegen
het beklag is gericht. De griffier zendt onverwijld een der exemplaren
van het verzoekschrift aan de raad van toezicht, die de beslissing
heeft genomen. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6
en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 6
1.Het hof van discipline beslist niet dan na verhoor of behoorlijke
oproeping van de verzoeker en van de raad van toezicht. Op de
behandeling van de zaak zijn artikel 56, zesde lid, en artikel 57,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
2.De raad van toezicht kan zich door zijn deken of een zijner leden
doen vertegenwoordigen; de verzoeker kan zich door een advocaat doen
bijstaan.
Artikel 7
De griffier zendt onverwijld afschrift van de beslissing:
a. aan de verzoeker;
b. aan de raad van toezicht;
c. aan de rechtbank, aan wier voorzitter inschrijving is
verzocht.
Artikel 8
1.De secretaris van de algemene raad verwerkt kennisgevingen over
beëdigingen, schrappingen, schorsingen en kantoorverplaatsingen van
advocaten op het tableau met het oog op het vaststellen van de
hoedanigheid van advocaat en een goede rechtsbedeling.
De op het tableau verwerkte gegevens met betrekking tot de persoon
en het kantoor van de advocaat zijn toegankelijk voor de gerechten, de
raden voor rechtsbijstand en de orden in de arrondissementen. De
gegevens met betrekking tot de hoedanigheid van de advocaat zijn voor
een ieder toegankelijk.
2.Zij die verlangen niet langer op het tableau te staan of enige
betrekking verkrijgen waarmede het beroep van advocaat onverenigbaar
is, worden op hun aangifte door de secretaris van de algemene raad van
het tableau geschrapt. In het laatstbedoelde geval kan eveneens de
rechtbank in het arrondissement waarin de advocaat kantoor houdt tot
schrapping beslissen op requisitoir van het openbaar ministerie, de
raad van toezicht gehoord. Van de beslissing tot schrapping wordt door
de griffier van de rechtbank kennisgegeven aan de secretaris van de
algemene raad met het oog op de verwerking op het tableau.
3.Van het tableau worden eveneens geschrapt zij die, hetzij
onafgebroken, hetzij met onderbrekingen, gedurende een tijdvak van
drie jaar voorwaardelijk als advocaat ingeschreven hebben gestaan
zonder dat het bewijs, dat met gunstig gevolg het in artikel 9c
bedoelde examen is afgelegd, kan worden overgelegd. De schrapping
geschiedt in dit geval na kennisgeving door de algemene raad met
ingang van een tijdstip dat ten minste twee maanden en ten hoogste zes
maanden na de datum van kennisgeving gelegen is.
Van de kennisgeving wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan de
advocaat, die het betreft, aan de patroon en aan het openbaar
ministerie. Voor voorwaardelijk ingeschreven advocaten die in deeltijd
werkzaam zijn, wordt het in de eerste volzin bedoelde tijdvak naar
evenredigheid verlengd, met dien verstande dat deze verlenging niet
meer dan drie jaar kan bedragen.
4.De secretaris van de algemene raad geeft van de inschrijving of
de schrapping binnen acht dagen schriftelijk kennis aan de algemene
raad en aan de raad van toezicht.
5.Schrapping van het tableau brengt mede verlies van de
betrekkingen, waarbij de hoedanigheid van advocaat vereiste voor
verkiesbaarheid of benoembaarheid is.
Artikel 9
1.De raad van toezicht kan gedurende één jaar nadat een advocaat
is beëdigd, beslissen dat hij van het tableau zal worden geschrapt,
wanneer hetzij de advocaat de raad van toezicht of het hof van
discipline zo onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt,
dat hij, ware de juiste toedracht van zaken de raad van toezicht of
het hof van discipline bekend geweest, niet tot de beëdiging zou zijn
toegelaten, hetzij de advocaat zich in het tijdvak tussen het verzoek
tot inschrijving en de beëdiging aan een zo ernstige misdraging heeft
schuldig gemaakt, dat hem, indien hij na de beëdiging zich daaraan
zou hebben schuldig gemaakt, de maatregel van schrapping van het
tableau zou zijn opgelegd.
2.Op de behandeling van de zaak zijn de artikelen 47 en 49, tweede
tot en met laatste lid, van overeenkomstige toepassing.
3.De secretaris van de raad van toezicht maakt een beschikking als
bedoeld in het eerste lid, onverwijld bekend.
4.Van een zodanige beslissing kan de betrokken advocaat binnen zes
weken na de bekendmaking in hoger beroep komen bij het hof van
discipline. Artikel 5, derde lid, en artikel 6 zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.De griffier van het hof van discipline zendt onverwijld afschrift
van de beslissing aan de betrokken advocaat en aan de raad van
toezicht.
6.Zodra de beslissing tot schrapping van het tableau in kracht van
gewijsde is gegaan, wordt zij door de secretaris van de raad van
toezicht medegedeeld aan de secretaris van de algemene raad met het
oog op de verwerking op het tableau.
Artikel 9a
Tot het voeren van de titel van advocaat is uitsluitend gerechtigd
hij die als advocaat binnen Nederland is ingeschreven en hij die buiten
Nederland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is.
Artikel 9aa
1.Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst of de
tuchtrechter aldaar de uitoefening van het beroep van de advocaat die
zich krachtens het nationale recht van die lidstaat van de Europese
Unie of de desbetreffende staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte dat uitvoering geeft aan
artikel 3 van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de
permanente uitoefening van het beroep van advocaat, heeft laten
inschrijven, tijdelijk of blijvend heeft ontzegd, beslist de raad van
toezicht in het arrondissement waar de betrokken advocaat kantoor
houdt ambtshalve tot tijdelijke of blijvende schrapping van het
tableau, indien er gegronde vrees bestaat dat de betrokkene als
advocaat inbreuk zal maken op de voor de advocaten geldende wetten
verordeningen en besluiten of zich anderszins zal schuldig maken aan
enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Het
besluit treedt in werking zes weken nadat het is bekend gemaakt.
2.De artikelen 5 tot en met 7 en artikel 8, vierde en vijfde lid
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De secretaris van de algemene raad schrapt overeenkomstig de
beschikking van de raad van toezicht de advocaat tijdelijk of blijvend
van het tableau, nadat de beschikking onherroepelijk is geworden.
4.Het beklag schorst de werking van de beschikking van de raad van
toezicht.
5.Het hof van discipline kan de raad van toezicht een termijn
stellen voor het nemen van een nieuw besluit.
6.De raad van toezicht stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat
van ontvangst in kennis van de schrapping.
7.De advocaat draagt op verzoek van de raad van toezicht zorg voor
de beëdigde vertaling van de gegevens en bescheiden die voor zijn
beslissing nodig zijn. Indien de advocaat weigert aan dit verzoek te
voldoen, draagt de raad van toezicht zorg voor de beëdigde vertaling
en verhaalt hij de kosten daarvan op de betrokken advocaat.
8.Het hof van discipline kan eisen dat de door haar aangewezen
stukken worden vertaald door een in Nederland toegelaten beëdigd
vertaler. De advocaat draagt zorg voor de kosten van de vertaling.
9.Indien de advocaat zich in Zwitserland heeft laten inschrijven
met inachtneming van de op 21 juni 1999 tot stand gekomen Overeenkomst
tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de
Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen,
zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.
§ 1a. Van de opleiding en de stage van advocaten
Artikel 9b
1.Elke advocaat met uitzondering van de advocaat die in het bezit
is van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven
EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties alsmede met uitzondering van de advocaat, die
overeenkomstig artikel 2a is ingeschreven is verplicht gedurende de
eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als stagiaire
de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een andere advocaat -
hierna te noemen de patroon - en bij deze kantoor te houden.
2.Voor stagiaires die in deeltijd werkzaam zijn wordt de duur van
de stage naar evenredigheid verlengd. Voorts kan de duur van de stage
met ten hoogste drie jaar worden verlengd indien de raad van toezicht
van oordeel is dat de stagiaire nog niet over voldoende
praktijkervaring beschikt. De duur van de stage kan door de raad van
toezicht, met goedkeuring van de algemene raad, op verzoek van de
stagiaire worden verkort.
3.Van de verplichting van de stagiaire bij een patroon kantoor te
houden kan de raad van toezicht vrijstelling verlenen, indien naar het
oordeel van de raad een behoorlijke praktijkuitoefening, waaronder de
financiering van de praktijk en de dekking van het risico van de
beroepsaansprakelijkheid van de stagiaire, overeenkomstig de
daaromtrent gestelde voorschriften bij of krachtens deze wet,
verzekerd is. Is dit naar het oordeel van de raad niet langer het
geval, dan kan een verleende vrijstelling worden ingetrokken.
4.Indien de raad de in het derde lid bedoelde vrijstelling heeft
verleend, wijst hij, indien de stagiaire geen patroon heeft kunnen
vinden die zich met het vereiste toezicht wil belasten, een advocaat
als patroon aan, tenzij dit voor de desbetreffende advocaat een
onredelijke last zou vormen.
5.Tegen het verlengen van de duur van de stage, het weigeren of
intrekken van een vrijstelling op voet van het bepaalde in het derde
lid, de aanwijzing van een patroon met toepassing van het vierde lid,
of de weigering van zulk een aanwijzing, kan een belanghebbende
administratief beroep instellen bij de algemene raad.
6.Bij of krachtens verordening als bedoeld in artikel 28 wordt
bepaald wie als patroon kunnen optreden, onderscheidenlijk als patroon
kunnen worden aangewezen, aan welke verplichtingen de patroon en de
stagiaire hebben te voldoen, alsmede wanneer en in welke gevallen de
tussen hen bestaande verhouding haar begin en einde neemt.
Artikel 9c
1.De Nederlandse orde van advocaten draagt zorg voor een opleiding
voor stagiaires en stelt de stagiaire in de gelegenheid deze opleiding
te volgen die met een examen wordt afgesloten.
2.De volgende onderwerpen, de opleiding als bedoeld in het eerste
lid betreffende, worden nader vastgesteld bij of krachtens verordening
als bedoeld in artikel 28, tenzij daarin bij algemene maatregel van
bestuur is voorzien:
a. de inhoud en de duur van de opleiding;
b. de omvang van het examen en de wijze waarop het examen wordt
afgenomen;
c. de eisen voor de toelating tot het afleggen van het examen;
d. de eisen voor het verkrijgen van vrijstelling voor bepaalde
onderdelen van het examen;
e. de aan de stagiaire in rekening te brengen cursus- en
examengelden.
Artikel 9d
1.Er is een curatorium dat toezicht houdt op de opleiding en het
examen. Het curatorium bestaat uit vijf leden, waarvan drie worden
benoemd door Onze Minister van Justitie en twee door het college van
afgevaardigden. Onze Minister van Justitie wijst uit de leden ook de
voorzitter aan.
2.De leden van het curatorium treden om de vier jaar af en kunnen
eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 9e
Tegen een op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 9c
genomen beslissing kan een belanghebbende administratief beroep
instellen bij het curatorium.
Artikel 9f [Vervallen per 17-05-1995]
Artikel 9g [Vervallen per 17-05-1995]
Artikel 9h [Vervallen per 17-05-1995]
Artikel 9i
Het curatorium brengt elk jaar aan Onze Minister van Justitie en aan
de algemene raad verslag uit omtrent zijn werkzaamheden. Dit verslag
wordt algemeen verkrijgbaar gesteld.
§ 2. Van de bevoegdheden en verplichtingen der advocaten
Artikel 10
De advocaten oefenen de praktijk uit overeenkomstig de bevoegdheden
en vereisten, bij de Wetboeken van Burgerlijke Rechtsvordering en
Strafvordering en bij de bijzondere wetten en besluiten gegeven en
gevorderd, en overeenkomstig deze wet en de daarop berustende
verordeningen en besluiten.
Artikel 11
Zowel in burgerlijke als in strafzaken hebben de advocaten de
bevoegdheid om als zodanig voor alle rechterlijke colleges binnen het
Rijk op te treden.
Artikel 12
1.Advocaten zijn verplicht kantoor te houden. Zij mogen slechts in
één arrondissement op één locatie kantoor houden.
2.De advocaten die kantoor houden in het arrondissement ’s-Gravenhage,
zijn tevens advocaat bij de Hoge Raad.
3.Het kantoor van de advocaat geldt voor al zijn handelingen als
zodanig als gekozen woonplaats.
4.Door de algemene raad kan om bijzondere redenen aan een advocaat,
die zijn kantoor buiten Nederland wenst te vestigen, ontheffing van
het in het eerste lid vervatte voorschrift worden verleend. De raad
van toezicht wordt tevoren gehoord.
5.Advocaten, die aan de voorschriften van dit artikel niet voldoen,
worden, na een aanmaning daartoe door de raad van toezicht, op
requisitoir van het openbaar ministerie en nadat de rechtbank tot
schrapping heeft beslist. Van de beslissing tot schrapping wordt door
de griffier van de rechtbank kennisgegeven aan de secretaris van de
algemene raad met het oog op de verwerking op het tableau van het
tableau geschrapt.
Artikel 13
1. De rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid
vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin
vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel
bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, kan zich wenden
tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de
zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen.
2. De deken kan het verzoek alleen wegens gegronde redenen
afwijzen. Hij kan een aanwijzing op grond van bijzondere redenen
wijzigen of intrekken.
3. Binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende
afwijzing van het verzoek, kan de belanghebbende beklag doen bij het
hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de
hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
4. De aangewezen advocaat is verplicht zijn diensten te verlenen.
5. De advocaat, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand
als raadsman toegevoegd, is verplicht als zodanig op te treden of zich
overeenkomstig artikel 46 van het Wetboek van Strafvordering te doen
vervangen, zolang niet een gekozen raadsman is opgetreden of op de
voet van artikel 45 van het Wetboek van Strafvordering een ander is
toegevoegd.
Artikel 14
De advocaten pleiten staande, gekleed in het kostuum bij het
bijzondere reglement op dat onderwerp bepaald, des goedvindende met
gedekten hoofde.
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 16
Advocaten, die in staat van faillissement zijn verklaard of ten
aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, die wegens schulden zijn gegijzeld of onder
curatele zijn gesteld, zijn gedurende de duur van het faillissement
onderscheidenlijk de toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, de gijzeling of de curatele van rechtswege in de
uitoefening van de praktijk geschorst. De geschorste advocaat mag
gedurende de schorsing de titel van advocaat niet voeren. De griffier
van het gerecht dat een van de in de eerste zin vermelde beslissingen of
een beslissing die de opheffing van de schorsing tot gevolg heeft, heeft
uitgesproken, geeft van de schorsing , onderscheidenlijk de opheffing
hiervan kennis aan de secretaris van de algemene raad met het oog op de
verwerking op het tableau.
§ 2a. Van de bevoegdheden en verplichtingen van andere dan in
Nederland ingeschreven advocaten
Artikel 16a
De bepalingen van deze wet en andere wettelijke voorschriften
betreffende advocaten, hebben uitsluitend betrekking op in Nederland
ingeschreven advocaten, voor zover die voorschriften of de navolgende,
tot deze paragraaf behorende, artikelen niet anders bepalen.
Artikel 16b
Voor de uitoefening in Nederland van werkzaamheden bij wijze van
dienstverrichting, worden mede als advocaat aangemerkt, personen die
niet als zodanig in Nederland zijn ingeschreven, maar die wel in een
andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in
Zwitserland, hierna te noemen staat van herkomst, gerechtigd zijn hun
beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder de benaming advocaat of een
daarmede overeenkomstige benaming in de taal of in een der talen van de
staat van herkomst.
Artikel 16c
Wanneer de in het vorige artikel bedoelde personen, hierna te noemen:
bezoekende advocaten, bij de uitoefening in Nederland van werkzaamheden
bij wijze van dienstverrichting hun titel voeren, dienen zij daarbij de
beroepsorganisatie te vermelden waartoe zij behoren of het gerecht
waarbij zij overeenkomstig de wettelijke regeling van de staat van
herkomst zijn toegelaten.
Artikel 16d
1.De werkzaamheden, bij wijze van dienstverrichting, betreffende de
vertegenwoordiging en de verdediging van een cliënt in rechte of ten
overstaan van een overheidsinstantie worden door bezoekende advocaten
onder dezelfde voorwaarden uitgeoefend als die welke gelden voor in
Nederland ingeschreven advocaten.
2.Bij de uitoefening van de in het eerste lid genoemde
werkzaamheden nemen bezoekende advocaten de beroepsregels in acht die
gelden voor in Nederland ingeschreven advocaten, met inbegrip van de
verordeningen genoemd in artikel 28, onverminderd hetgeen waartoe zij
als advocaat in de staat van herkomst verplicht zijn.
3.Bij het optreden ten overstaan van een overheidsinstantie moeten
bezoekende advocaten desgevraagd hun bevoegdheid tot de uitoefening
van het beroep van advocaat ten genoegen van die instantie aantonen.
Artikel 16e
1.Bij de uitoefening van werkzaamheden, bij wijze van
dienstverrichting, betreffende de vertegenwoordiging en de verdediging
van een cliënt in rechte, waarvoor ingevolge de wet de bijstand of
vertegenwoordiging van een advocaat is voorgeschreven, moet een
bezoekende advocaat samenwerken met een in Nederland ingeschreven
advocaat, hierna te noemen de samenwerkende advocaat.
2.De samenwerkende advocaat dient zich tevoren te vergewissen van
de bevoegdheid van de bezoekende advocaat tot uitoefening van het
beroep van advocaat en is daarvoor verantwoordelijk tegenover het
betrokken gerecht.
3.De samenwerkende advocaat stelt de bezoekende advocaat, alvorens
deze voor de eerste maal als zodanig in rechte optreedt, voor aan de
rechter die de leiding heeft van de terechtzitting.
4.De bezoekende advocaat wordt geacht voor de in het eerste lid
bedoelde werkzaamheden woonplaats te hebben gekozen ten kantore van de
samenwerkende advocaat.
5.In de gevallen dat advocaten verplicht of gerechtigd zijn tot het
dragen van een bijzonder kostuum, mag de bezoekende advocaat, indien
hij zulks verkiest, in plaats daarvan het kostuum dragen dat is
voorgeschreven in de staat van herkomst.
6.De rechter die de leiding heeft van de terechtzitting kan
bezoekende advocaten toestaan zich van een andere taal te bedienen dan
de Nederlandse, indien hij van mening is dat daardoor een goede
rechtsbedeling niet wordt geschaad. Hij kan daarbij als voorwaarde
stellen dat van een tolk gebruik gemaakt wordt.
Artikel 16f
Ten aanzien van andere werkzaamheden, bij wijze van
dienstverrichting, dan die bedoeld in het eerste lid van artikel 16d,
blijven bezoekende advocaten onderworpen aan de voorwaarden en de
beroepsregels van de staat van herkomst. Zij dienen daarnaast de voor in
Nederland ingeschreven advocaten geldende beroepsregels in acht te
nemen, met name die betreffende: (a) de onverenigbaarheid van het
uitoefenen van de werkzaamheden van advocaat met het verrichten van
andere werkzaamheden in Nederland, (b) het beroepsgeheim, (c) de
verhouding tot andere advocaten, (d) het verbod van bijstand door een
zelfde advocaat aan partijen met tegenstrijdige belangen en (e) de
publiciteit. Laatstbedoelde regels zijn slechts toepasselijk voor zover
zij kunnen worden nageleefd door een advocaat die niet in Nederland is
gevestigd en de naleving ervan objectief gerechtvaardigd is ten einde in
Nederland de behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden van advocaten,
de waardigheid van het beroep en de inachtneming van de bedoelde regels
inzake onverenigbaarheid te verzekeren.
§ 2b. De bevoegdheden en verplichtingen van de advocaat uit een
andere lidstaat die onder zijn oorspronkelijke beroepstitel als advocaat
werkzaam wil zijn
Artikel 16g
De bepalingen van deze wet en andere wettelijke voorschriften
betreffende advocaten hebben uitsluitend betrekking op in Nederland
ingeschreven advocaten voorzover die voorschriften of de navolgende, tot
deze paragraaf behorende, artikelen niet anders bepalen.
Artikel 16h
1.Degene die niet met inachtneming van artikel 1 is ingeschreven,
maar die wel in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of in Zwitserland hierna te noemen staat van
herkomst, gerechtigd is zijn beroepswerkzaamheid uit te oefenen onder
de benaming advocaat of een daarmee overeenkomstige benaming in de
taal of in de talen van de staat van herkomst, heeft het recht om
permanent dezelfde werkzaamheden uit te oefenen als de overeenkomstig
artikel 1 ingeschreven advocaat nadat hij zich heeft laten inschrijven
bij de raad van toezicht in het arrondissement waarin hij kantoor
houdt.
2.De raad van toezicht schrijft de advocaat in na overlegging van
een verklaring van inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de
staat van herkomst, indien de verklaring niet langer dan drie maanden
voor het moment waarop de aanvraag om inschrijving is ingediend is
afgegeven.
3.De raad van toezicht stelt de bevoegde autoriteit van de staat
van herkomst in kennis van de inschrijving.
4.Indien de raad van toezicht de namen van de overeenkomstig
artikel 1 ingeschreven advocaten publiceert, worden ook de namen van
de overeenkomstig dit artikel ingeschreven advocaten gepubliceerd.
Artikel 16i
1.De advocaat, bedoeld in het eerste lid van artikel 16h, is
gehouden zijn beroepswerkzaamheden in Nederland uit te oefenen onder
zijn oorspronkelijke beroepstitel, zoals deze dient te luiden in de
taal of een der officiële talen van de staat van herkomst, evenwel op
een verstaanbare wijze en zodanig dat hij niet kan worden verward met
de titel advocaat, bedoeld in artikel 9a.
2.Bij de uitoefening van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid, vermeldt de advocaat de beroepsorganisatie waartoe hij behoort of
het gerecht waarbij hij overeenkomstig de wettelijke regeling van de
staat van herkomst is toegelaten alsmede zijn inschrijving bij de raad
van toezicht.
Artikel 16j
Voor de uitoefening van de werkzaamheden die met de
vertegenwoordiging en de verdediging van een cliënt in rechte verband
houden werkt de advocaat, bedoeld in het eerste lid van artikel 16h,
samen met een overeenkomstig artikel 1 in Nederland ingeschreven
advocaat voorzover ingevolge de wet de bijstand of vertegenwoordiging
van een advocaat is voorgeschreven. Het eerste lid van artikel 16d
alsmede het tweede tot en met vierde en zesde lid van artikel 16e zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16k
1.De advocaat, bedoeld in het eerste lid van artikel 16h, is voor
alle werkzaamheden die hij in Nederland uitoefent aan dezelfde
beroeps- en gedragregels alsmede aan dezelfde voorwaarden onderworpen
als de advocaat die overeenkomstig artikel 1 is ingeschreven, met
inbegrip van de verordeningen genoemd in artikel 28.
2.De artikelen 10, 12, 13, 14 en 16 zijn van overeenkomstige
toepassing. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing voorzover de
advocaat optreedt in Nederland.
§ 3. Van de Nederlandse orde van advocaten, van de orden in de
arrondissementen, en van haar organen
Afdeling 1. Van de samenstelling en de bevoegdheid
Artikel 17
1.De gezamenlijke advocaten, die in Nederland zijn ingeschreven,
vormen de Nederlandse orde van advocaten. Zij is gevestigd te
's-Gravenhage. Zij is een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in
artikel 134 van de Grondwet.
2.De gezamenlijke advocaten die kantoor houden in een zelfde
arrondissement, vormen de orde van advocaten in het arrondissement.
3.De Nederlandse orde van advocaten en de orden zijn
rechtspersonen.
Artikel 18
1.Aan het hoofd van de Nederlandse orde van advocaten staat een
algemene raad, bestaande uit tenminste vijf en ten hoogste negen
leden, onder wie de deken. Het aantal leden van de raad wordt nader
bepaald door het in artikel 19, eerste lid, bedoelde college van
afgevaardigden.
2.De deken wordt bij ontstentenis of verhindering vervangen door
een lid van de algemene raad, daartoe door die raad aangewezen.
Artikel 19
1.De deken en de overige leden van de algemene raad worden gekozen
door een college van afgevaardigden, dat daartoe ieder jaar in de
maand november bijeenkomt.
2.Het lidmaatschap van de algemene raad is niet verenigbaar met het
lidmaatschap van het college van afgevaardigden.
3.Jaarlijks treden twee leden volgens een door de algemene raad
vast te stellen rooster af.
4.In vacatures die tussentijds ontstaan voorziet het college van
afgevaardigden zo spoedig mogelijk, zo nodig in een buitengewone
vergadering.
5.Niemand kan langer dan negen jaren in het geheel, als deken of
als lid, deel uitmaken van de algemene raad.
Artikel 20
1.De afgevaardigden en hun plaatsvervangers worden voor de tijd van
drie jaren gekozen in vergaderingen van de orden in de
arrondissementen in de maand oktober te houden; zij zijn herkiesbaar.
2.De aantallen afgevaardigden en plaatsvervangers bedragen:
één voor orden, bestaande uit niet meer dan 50 advocaten,
twee voor orden, bestaande uit 51-150 advocaten,
drie voor orden, bestaande uit 151-300 advocaten,
vier voor orden, bestaande uit 301-450 advocaten,
vijf voor orden, bestaande uit 451-600 advocaten,
zes voor orden, bestaande uit 601-750 advocaten,
zeven voor orden, bestaande uit meer dan 750 advocaten.
3.Voor de toepassing van het vorige lid is beslissend het aantal
advocaten in een arrondissement kantoor houdende op de eerste oktober
van het jaar waarin de verkiezing, bedoeld in het eerste lid, wordt
gehouden.
4.De plaatsvervangers treden op in volgorde van verkiezing.
5.Bij gebleken behoefte kan in vacatures onmiddellijk worden
voorzien.
6.De secretaris van de algemene raad treedt op als secretaris van
de vergadering van het college van afgevaardigden.
Artikel 21
Bij verhindering van een afgevaardigde, een vergadering van het
college van afgevaardigden bij te wonen, geeft hij daarvan onverwijld
kennis aan de in artikel 20, vierde lid, aangewezen plaatsvervanger.
Artikel 22
1.De orde in het arrondissement wordt bestuurd door een raad van
toezicht die bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden,
onder wie de deken. Het aantal leden van de raad van toezicht wordt
nader bepaald in het huishoudelijk reglement van de orde.
2.De deken en de overige leden van de raad van toezicht worden uit
de leden der orde gekozen in de jaarlijkse vergadering der orde, te
houden in de maand oktober.
3.Jaarlijks treden twee leden volgens door de raad van toezicht
vast te stellen rooster af. De deken is herkiesbaar. Een lid van de
raad van toezicht kan steeds tot deken gekozen worden. De leden van de
raad van toezicht zijn niet herkiesbaar, tenzij het huishoudelijk
reglement anders bepaalt.
4.Bij gebleken behoefte kan in vacatures onmiddellijk worden
voorzien.
Artikel 23
1.De deken wordt bij ontstentenis of verhindering vervangen door
een lid van de raad van toezicht, daartoe door die raad aangewezen.
2.De raad van toezicht wijst uit zijn midden een secretaris en een
penningmeester aan.
Artikel 24
1.Als leden van de algemene raad, van het college van
afgevaardigden en van de raden van toezicht zijn slechts verkiesbaar
advocaten en degenen die overeenkomstig artikel 16h zijn ingeschreven
voorzover zij de ouderdom van zeventig jaren nog niet hebben bereikt.
Na het bereiken van die leeftijd treden zij af met ingang van de
eerstvolgende maand.
2.Bij huishoudelijk reglement van de orde in het arrondissement kan
worden bepaald dat als lid van de raad van toezicht van die orde
slechts advocaten of degenen die overeenkomstig artikel 16h zijn
ingeschreven verkiesbaar zijn, die tenminste gedurende een bepaalde
tijd, drie jaren niet te boven gaande, als zodanig zijn ingeschreven.
Artikel 25
De vergadering der Nederlandse orde van advocaten beraadslaagt over
onderwerpen, die voor advocaten en rechtzoekenden van belang zijn.
Artikel 26
De algemene raad en de raden van toezicht bevorderen een behoorlijke
uitoefening der praktijk en zijn bevoegd tot het nemen van alle
maatregelen, die daartoe kunnen bijdragen. Zij komen op voor de rechten
en belangen en zien toe op de naleving van de plichten van de advocaten
als zodanig en vervullen de taken die hun bij verordeningen zijn
opgedragen.
Artikel 27
De algemene raad vertegenwoordigt de Nederlandse advocaten overal,
waar daartoe aanleiding bestaat, ook indien het belang der Nederlandse
orde daarbij niet rechtstreeks betrokken is.
Artikel 28
1.Het college van afgevaardigden stelt verordeningen vast in het
belang van de goede uitoefening van de praktijk. Het college stelt
voorts de nodige verordeningen vast betreffende de huishouding en de
organisatie van de Nederlandse Orde van Advocaten.
2.Voorstellen van verordeningen worden aan het college van
afgevaardigden gedaan door de algemene raad of door ten minste vijf
afgevaardigden. Alvorens een ontwerp-verordening bij het college van
afgevaardigden in te dienen kan de algemene raad de raden van toezicht
uitnodigen hun oordeel kenbaar te maken.
3.De verordeningen worden na de vaststelling onverwijld medegedeeld
aan Onze Minister van Justitie en afgekondigd in de Nederlandse
Staatscourant.
Artikel 29
1.De verordeningen zijn verbindend voor de leden van de Nederlandse
orde van advocaten, alsmede voor bezoekende advocaten volgens het
bepaalde in artikel 16d, tweede lid, en in artikel 16f.
2.Zij mogen geen bepalingen inhouden omtrent punten, waarin door of
krachtens de wet is voorzien, noch treden in aangelegenheden, die zich
tengevolge van het uiteenlopen der omstandigheden in de
arrondissementen niet lenen voor algemene voorzieningen.
3.De bepalingen van verordeningen, in welker onderwerp door of
krachtens de wet wordt voorzien, houden van rechtswege op te gelden.
Artikel 30
1.Besluiten van het college van afgevaardigden, van de algemene
raad of van andere organen van de Nederlandse orde van advocaten
kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.
2.De schorsing of vernietiging geschiedt binnen zes maanden na de
in artikel 28, derde lid, bedoelde mededeling of, wanneer het een
besluit van de algemene raad of van een ander orgaan van de
Nederlandse orde van advocaten betreft, binnen zes maanden nadat het
besluit ter kennis van Onze Minister van Justitie is gekomen.
Artikel 31
De algemene raad en de raden van toezicht vertegenwoordigen de
Nederlandse orde van advocaten, onderscheidenlijk de orden, in en buiten
rechte.
Artikel 32
1.De algemene raad en de raden van toezicht besturen de Nederlandse
orde van advocaten, onderscheidenlijk de orden in de arrondissementen,
en zijn gerechtigd tot het verrichten van daden van beheer en
beschikking met betrekking tot haar vermogen.
2.Het college van afgevaardigden en de vergadering der orde in het
arrondissement stellen jaarlijks de bedragen vast, die de leden ter
dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten,
onderscheidenlijk door de orde te maken kosten moeten bijdragen.
3.De algemene raad en de raden van toezicht doen jaarlijks rekening
en verantwoording van hun geldelijk beheer. Deze rekening en
verantwoording wordt onderzocht door een commissie van drie leden,
door het college van afgevaardigden, onderscheidenlijk de orde, uit
hun midden aan te wijzen. De commissie brengt verslag uit aan het
college onderscheidenlijk de orde. Goedkeuring van de rekening door
het college van afgevaardigden, onderscheidenlijk de orde, strekt de
algemene raad, onderscheidenlijk de raad van toezicht, tot décharge.
4.Jaarlijks wordt door de algemene raad en de raden van toezicht
een verslag betreffende het afgelopen jaar uitgebracht en in de
vergadering van het college van afgevaardigden, onderscheidenlijk van
de orde, ter bespreking gesteld.
Artikel 33
De algemene raad houdt het bureau van de Nederlandse orde van
advocaten in stand en geeft door middel daarvan voorlichting ten aanzien
van al die onderwerpen, waarvan de wetenschap voor de advocaat van
belang is, streeft de eenheid van beroepsgenoten na en bevordert de
behandeling van wetenschappelijke en praktische vraagstukken in algemene
vergaderingen van advocaten.
Artikel 34
De algemene raad benoemt en ontslaat zijn secretaris, die niet lid
van de algemene raad kan zijn. De secretaris van de algemene raad heeft
de leiding van het bureau van de orde; de algemene raad stelt zijn
salaris vast, regelt de voorwaarden onder welke hij werkzaam zal zijn en
voorziet in zijn vervanging bij verhindering of afwezigheid. Hij kan
tevens griffier van het hof van discipline zijn.
Artikel 35
1.De deken der orde licht de leden voor over al hetgeen verband
houdt met de wijze van uitoefening van de praktijk. Hij kan zijn
bemiddeling verlenen tot het bijleggen van geschillen tussen advocaten
onderling of tussen advocaten en derden.
2.De deken kan een deel van zijn bemoeiingen aan een ander lid van
de raad van toezicht opdragen.
Artikel 36
De Nederlandse orde van advocaten, de algemene raad, het college van
afgevaardigden, de orden en de raden van toezicht kunnen huishoudelijke
reglementen vaststellen.
Afdeling 2. Van de vergaderingen
Artikel 37
1.De deken van de Nederlandse orde van advocaten, onderscheidenlijk
de deken der orde roept een vergadering bijeen zo vaak hij zulks nodig
oordeelt en steeds indien voor de Nederlandse orde van advocaten ten
minste vijftig leden, voor de algemene raad of voor een raad van
toezicht ten minste twee leden, voor het college van afgevaardigden
ten minste vier leden en voor een orde ten minste zes leden zulks
schriftelijk verzoeken.
2.De deken van de Nederlandse orde van advocaten en de leden van de
algemene raad hebben toegang tot de vergaderingen van het college van
afgevaardigden.
Artikel 38
1.In de vergaderingen bekleedt de deken het voorzitterschap.
2.In de vergaderingen van de raad van toezicht en van de orde in
het arrondissement heeft de deken bij staken der stemmen een
beslissende stem.
Artikel 39
1.Een behoorlijk bijeengeroepen vergadering wordt gehouden ongeacht
het aantal aanwezige leden.
2.Een vergadering van de algemene raad wordt evenwel niet gehouden
wanneer niet ten minste vijf leden, en een vergadering van het college
van afgevaardigden niet wanneer niet meer dan de helft van het aantal
afgevaardigden of hun plaatsvervangers is opgekomen.
3.Wanneer in een vergadering van het college van afgevaardigden het
vereiste aantal afgevaardigden of plaatsvervangers niet is opgekomen,
wordt een nieuwe vergadering belegd. Deze vergadering wordt gehouden
ongeacht het aantal afgevaardigden of plaatsvervangers, dat is
opgekomen.
Artikel 40
1.In de vergadering der orde in het arrondissement zijn alle leden
stemgerechtigd. Tevens zijn stemgerechtigd degenen die zich
overeenkomstig artikel 16h hebben laten inschrijven.
2.Iedere stemgerechtigde brengt één stem uit.
Artikel 41
1.Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping
gestemd; in de vergaderingen der Nederlandse orde van advocaten en der
orden wordt echter gestemd bij zitten en opstaan, tenzij een der
aanwezigen een mondelinge stemming bij hoofdelijke oproeping verlangt.
2.Bij het doen van keuzen van personen wordt gestemd bij gesloten
en ongetekende briefjes.
3.Indien bij het nemen van een besluit over een zaak door geen der
aanwezigen stemming wordt gevraagd, wordt het voorstel geacht te zijn
aangenomen.
Artikel 42
1.In een vergadering van de algemene raad is een stemming nietig,
indien niet ten minste vijf leden daaraan hebben deelgenomen.
2.In een vergadering van het college van afgevaardigden is een
stemming nietig, indien niet meer dan de helft van het aantal
afgevaardigden of plaatsvervangers, dat zitting heeft, daaraan heeft
deelgenomen.
3.Bij het doen van keuzen van personen worden afgevaardigden of hun
plaatsvervangers, die niet of niet behoorlijk ingevulde briefjes
ingeleverd hebben, voor de toepassing van dit artikel geacht aan de
stemming te hebben deelgenomen.
4.Een stemming is geldig ongeacht het aantal afgevaardigden of hun
plaatsvervangers, dat eraan heeft deelgenomen, ingeval opnieuw wordt
gestemd over een voorstel of over een benoeming, ten aanzien waarvan
in een vroegere vergadering een stemming op grond van het bepaalde in
het tweede lid nietig was.
Artikel 43
1.Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de
volstrekte meerderheid vereist van de leden, die aan de stemming
hebben deelgenomen.
2.Bij het doen van keuzen van personen worden de leden, die niet of
niet behoorlijk ingevulde briefjes ingeleverd hebben, voor de
toepassing van dit artikel geacht niet aan de stemming te hebben
deelgenomen.
Artikel 44
1.Bij staking van stemmen over zaken wordt, behoudens het bepaalde
in artikel 38, tweede lid, het nemen van een besluit uitgesteld tot
een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden
heropend.
2.In deze, en evenzo in een voltallige vergadering wordt, behoudens
het bepaalde in artikel 38, tweede lid, bij staken der stemmen over
zaken het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.
Artikel 45
1.Bij de stemming over personen treden in de vergaderingen twee
door de voorzitter aan te wijzen leden als stemopnemers op.
2.De stemopnemers onderzoeken, of het aantal briefjes gelijk is aan
dat der tegenwoordig zijnde leden.
3.Er hebben zovele afzonderlijke stemmingen plaats als personen te
kiezen zijn; bij keuze van een deken wordt over hem in de eerste
plaats gestemd.
4.In geval van twijfel over de inhoud van een briefje beslist de
voorzitter.
5.Een verkregen meerderheid van stemmen geldt niet, wanneer de
vergadering beslist, dat daarop een tussen het aantal der briefjes en
dat der aanwezigen bestaand verschil van invloed heeft kunnen zijn.
6.Wanneer niemand bij de eerste stemming de volstrekte meerderheid
heeft verkregen, wordt tot een tweede vrije stemming overgegaan.
7.Is ook bij deze geen volstrekte meerderheid verkregen, dan wordt
de stemming bepaald tot de twee personen, die bij de tweede stemming
de meeste stemmen hebben verkregen, of, zijn de meeste stemmen tussen
meerdere personen verdeeld, tot allen die aldus de meeste stemmen
hebben erlangd.
8.Indien ook hierdoor geen meerderheid van stemmen is verkregen,
wordt een vierde stemming gehouden over twee personen die bij de derde
stemming de meeste stemmen hebben erlangd.
9.Indien bij de derde of de vierde stemming twee of meer personen
hetzelfde aantal stemmen hebben verkregen, beslist het lot.
§ 4. Van de tuchtrechtspraak
Artikel 46
De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig
handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren
te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig
behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de
verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of
nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Deze tuchtrechtspraak
wordt uitgeoefend in eerste aanleg door de raden van discipline en in
hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline.
Artikel 46a
1.In het rechtsgebied van elk gerechtshof is een raad van
discipline, wiens rechtsgebied samenvalt met dat van het gerechtshof
en die de tuchtrechtspraak in eerste aanleg uitoefent met betrekking
tot de advocaten, kantoorhoudende in dat gebied.
2.De raden van discipline zijn gevestigd in de vestigingsplaatsen
van de gerechtshoven. Zij kunnen ook buiten de vestigingsplaats
zitting houden.
3.Met betrekking tot de leden-advocaten, de plaatsvervangende
leden-advocaten en de griffier van de raden van discipline wordt de
tuchtrechtspraak in eerste aanleg uitgeoefend door een door de
voorzitter van het hof van discipline naar aanleiding van een
ingekomen klacht ambtshalve aan te wijzen andere raad van discipline.
Van een zodanige verwijzing geeft de voorzitter van het hof van
discipline kennis aan de aangewezen raad van discipline alsmede aan de
deken die de klacht ter kennis heeft gebracht van het hof van
discipline en aan de klager.
4.Aanwijzing van een andere raad van discipline overeenkomstig het
vorige lid vindt ook plaats indien een klacht afkomstig is van de
leden-advocaten, de plaatsvervangende leden-advocaten en de griffier
van de raden van discipline.
Artikel 46b
1. Elke raad van discipline bestaat uit een voorzitter, ten hoogste
zes plaatsvervangende voorzitters, acht leden-advocaten en ten hoogste
vijftien plaatsvervangende leden-advocaten.
2. De voorzitter en plaatsvervangende voorzitters worden door Onze
Minister van Justitie voor de tijd van vier jaren benoemd uit leden
van de rechterlijke macht met rechtspraak belast.
3. De leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten
kunnen alleen zijn advocaten die kantoor houden binnen het
rechtsgebied van de betrokken raad, die langer dan vijf jaar in
Nederland zijn ingeschreven.
4. De leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten
worden door het college van afgevaardigden in de in artikel 19, eerste
lid, bedoelde vergadering gekozen uit voordrachten van de raden van
toezicht, voor de tijd van ten hoogste vier jaren. De verkiezing
geschiedt met inachtneming van het streven naar een regionaal
verantwoorde samenstelling van de raden van discipline.
5. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitters zijn na hun
aftreden eenmaal terstond herbenoembaar.
6. Van de leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten
treedt volgens een door de betrokken raad van discipline vast te
stellen rooster jaarlijks een vierde deel af.
7. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de
leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten treden in
ieder geval af met ingang van de eerstvolgende maand na die waarin zij
de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt.
8. Indien de zetel van voorzitter of plaatsvervangend voorzitter
tussentijds vacant raakt, voorziet Onze Minister van Justitie zo
spoedig mogelijk in de vacature.
9. In vacatures, die tussentijds ontstaan, voorziet het college van
afgevaardigden zo spoedig mogelijk, zo nodig in een buitengewone
vergadering. Het is daarbij niet aan een voordracht gebonden.
10. Zij die benoemd zijn ter vervulling van een tussentijds
opengevallen plaats treden af op het tijdstip, waarop degenen in wier
plaats zij zijn benoemd hadden moeten aftreden.
11. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de
leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten blijven na het
verstrijken van hun ambtstermijn in functie, totdat de door hun
aftreden vacante plaats weer is vervuld. Zij blijven na hun aftreden,
ook nadat in de door hen opengelaten plaatsen is voorzien, bevoegd om
deel te nemen aan de verdere behandeling van en de beslissing over
klachten, aan de behandeling waarvan zij voor hun aftreden reeds
hebben deelgenomen.
12. Het lidmaatschap of het plaatsvervangend lidmaatschap van een
raad van discipline is niet verenigbaar met het lidmaatschap of het
plaatsvervangend lidmaatschap van de algemene raad of van het hof van
discipline en met de functie van deken.
13. Tussen de voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, de
leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten van een raad
van discipline mag niet bestaan de verhouding van echtgenoten of
geregistreerde partners, bloed- of aanverwanten tot de derde graad
ingesloten, een maatschap of ander duurzaam samenwerkingsverband tot
het uitoefenen van het beroep van advocaat of de verhouding van
werkgever tot werknemer.
14. Het in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46i,
met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en
derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, de leden-advocaten en de
plaatsvervangende leden-advocaten van de raad van discipline.
15. De leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten van
de raad van discipline kunnen worden ontslagen op de gronden
aangegeven in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46i, met
uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en
derde lid, en 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Daarnaast vervalt het lidmaatschap van de leden-advocaten en de
plaatsvervangende leden-advocaten van rechtswege zodra zij opgehouden
hebben advocaat te zijn.
16. De raad van discipline benoemt en ontslaat zijn griffier en
voorziet in diens vervanging bij verhindering of afwezigheid. Slechts
advocaten die zijn ingeschreven bij een rechtbank binnen het
rechtsgebied van de betrokken raad zijn als zodanig benoembaar.
Artikel 46c
1.Klachten tegen advocaten worden schriftelijk ingediend bij de
deken van de orde waartoe zij behoren. Indien de klager daarom
verzoekt, is de deken hem behulpzaam bij het op schrift stellen van de
klacht. Indien een ingediende klacht verduidelijking behoeft, is de
deken de klager daarbij op diens verzoek behulpzaam.
2.De deken stelt een onderzoek in naar elke bij hem ingediende
klacht.
3.De deken is bevoegd een bij hem ingediende klacht te verwijzen
naar een lid van de raad van toezicht, ten einde haar te onderzoeken
en af te handelen op de wijze als in dit artikel en de artikelen 46d
en 46e omschreven.
4.Klachten tegen een deken van een orde worden ingediend bij, of
terstond doorgezonden aan de voorzitter van de raad van discipline.
Deze verwijst de zaak naar een deken van een andere orde in zijn
ressort, ten einde haar te onderzoeken en af te handelen op een wijze
als in dit artikel en de artikelen 46d en 46e omschreven.
5.De raad van toezicht draagt zorg voor voldoende bekendmaking in
het arrondissement van de plaats en de tijd waarop de deken, of, bij
zijn ontstentenis of verhindering, zijn plaatsvervanger, zitting
houdt.
Artikel 46d
1.De deken tracht steeds de klachten in der minne te schikken,
tenzij deze overeenkomstig artikel 46e onmiddellijk aan de raad van
discipline ter kennis wordt gebracht.
2.Indien een minnelijke schikking mogelijk blijkt, wordt deze op
schrift gesteld en door de klager, de advocaat tegen wie de klacht is
ingediend en de deken ondertekend. Door een aldus vastgestelde
minnelijke schikking vervalt de bevoegdheid van de klager om de
terkennisbrenging van de klacht aan de raad van discipline te
verlangen.
3.Is drie maanden na de indiening van de klacht geen minnelijke
schikking bereikt, dan kan de klager de deken verzoeken de klacht ter
kennis van de raad van discipline te brengen. Overigens brengt de
deken de klacht steeds ter kennis van de raad van discipline, indien
aannemelijk is dat daarvoor geen oplossing in der minne kan worden
bereikt.
4.De klacht wordt schriftelijk ter kennis van de raad van
discipline gebracht. De deken stelt daarvan steeds de advocaat tegen
wie de klacht is gericht en de klager schriftelijk op de hoogte.
Indien hij op grond van zijn onderzoek van oordeel is dat de klacht
kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, deelt hij dat met
redenen omkleed bij de terkennisbrenging van de klacht aan de klager,
aan de advocaat tegen wie de klacht is gericht en aan de raad van
discipline mee.
5.Bij het ter kennis brengen aan de raad van discipline van de in
het vierde lid bedoelde klacht, legt de deken een verklaring over
waaruit blijkt of tegen de advocaat, tegen wie de klacht is ingediend,
eerder tuchtrechtelijke klachten zijn ingediend. Indien de advocaat
eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, vermeldt de verklaring tevens
de maatregel die is opgelegd.
Artikel 46e
1.Indien de klager daarom bij indiening van de klacht verzoekt,
brengt de deken, onverminderd het bepaalde in artikel 46c, tweede lid,
deze onmiddellijk ter kennis van de raad van discipline.
2.Indien naar zijn oordeel de inhoud van de klacht een minnelijke
schikking ongewenst of onmogelijk maakt, brengt de deken de klacht
ambtshalve onmiddellijk ter kennis van de raad van discipline.
3.Artikel 46d, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 46f
1.Indien de deken buiten het geval van een klacht op de hoogte is
gebracht van bezwaren tegen een advocaat, kan hij deze ter kennis van
de raad van discipline brengen. Hij stelt daarvan de advocaat tegen
wie de bezwaren zijn gerezen schriftelijk op de hoogte.
2.Artikel 46d, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 46fa
1.Indien de advocaat jegens wie een klacht is ingediend of jegens
wie bezwaren bestaan zich krachtens het nationale recht van een andere
lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dat uitvoering
geeft aan artikel 3 van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 ter
vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van
advocaat, heeft laten inschrijven, stelt de raad van toezicht voor de
aanvang van de tuchtrechtelijke procedure de bevoegde autoriteit in
die lidstaat of lidstaten op de hoogte van het voornemen een
tuchtrechtelijke procedure jegens de advocaat aan te vangen en
verstrekt hij aan die autoriteit of autoriteiten alle dienstige
inlichtingen.
2.Indien de advocaat zich in Zwitserland heeft laten inschrijven
met inachtneming van de op 21 juni 1999 tot stand gekomen Overeenkomst
tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de
Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 46g
1.De voorzitter van de raad van discipline kan kennelijk
niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde klachten, alsmede klachten
die naar zijn oordeel van onvoldoende gewicht zijn, binnen dertig
dagen nadat zij ter kennis van de raad zijn gebracht, bij met redenen
omklede beslissing schriftelijk afwijzen.
2.Van de beslissing zendt de griffier onverwijld een afschrift aan
de deken, de klager en aan de advocaat tegen wie de klacht is
ingediend.
3.De voorzitter kan zich bij de uitoefening van de in het eerste
lid bedoelde bevoegdheid door één van de plaatsvervangende
voorzitters doen vervangen.
Artikel 46h
1.Tegen de beslissing, in het vorige artikel bedoeld, kunnen de
klager en de deken binnen veertien dagen na de verzending van het
afschrift van de beslissing, schriftelijk verzet doen bij de raad van
discipline.
2.Ten gevolge van dat verzet vervalt de beslissing, tenzij de raad
van discipline het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart.
3.Is de raad van discipline van oordeel dat de klacht kennelijk
niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond, of van onvoldoende gewicht is,
dan kan hij zonder nader onderzoek het verzet ongegrond verklaren,
echter niet dan na de klager, de deken en de advocaat tegen wie de
klacht is gericht, in de gelegenheid te hebben gesteld te worden
gehoord.
4.De beslissing tot niet-ontvankelijk- of ongegrondverklaring van
het verzet is met redenen omkleed. Daartegen staat geen rechtsmiddel
open. Artikel 46g, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.Indien de raad van oordeel is dat het verzet gegrond is, wordt de
klacht in verdere behandeling genomen.
Artikel 47
1.Aan de behandeling en de beslissing van tuchtzaken wordt op
straffe van nietigheid deelgenomen door vijf leden van de raad van
discipline, onder wie de voorzitter of één van de plaatsvervangende
voorzitters.
2.De artikelen 512 tot en met 519 van het Wetboek van
Strafvordering zijn ten aanzien van De voorzitter, de
plaatsvervangende voorzitters, de leden-advocaten en de
plaatsvervangende leden-advocaten van overeenkomstige toepassing.
3.Een lid-advocaat of een plaatsvervangend lid-advocaat van de raad
van discipline mag op straffe van nietigheid niet deelnemen aan de
behandeling van een zaak, waarin hij als deken of lid van een raad van
toezicht het in artikel 46c, tweede lid, bedoelde onderzoek heeft
verricht.
Artikel 47a
In geval van intrekking van de klacht wordt de behandeling daarvan
gestaakt, tenzij de raad van discipline beslist dat de behandeling van
de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend, moet worden
voortgezet. In dat laatste geval wordt de klacht verder behandeld als
ware deze afkomstig van de deken.
Artikel 48
1.De beslissingen van de raad van discipline over de voorgelegde
klachten zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar
uitgesproken, alles op straffe van nietigheid.
2.De raad kan, indien hij oordeelt dat het tegen de betrokken
advocaat gerezen bezwaar gegrond is een der volgende maatregelen
opleggen:
a. enkele waarschuwing;
b. berisping;
c. schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van
ten hoogste een jaar;
d. schrapping van het tableau.
3.Indien enig door artikel 46 beschermd belang dat vordert kan de
raad van discipline bij de beslissing houdende oplegging van een der
laatstgenoemde drie maatregelen besluiten tot openbaarmaking van de
opgelegde maatregel, al dan niet met de gronden waarop zij berust, op
de door hem te bepalen wijze.
4.Tot de tenuitvoerlegging van maatregelen overeenkomstig dit
artikel opgelegd wordt eerst overgegaan zodra zij in kracht van
gewijsde zijn gegaan.
5.De geschorste advocaat mag gedurende de schorsing de titel van
advocaat niet voeren.
6.Schorsing in de uitoefening van de praktijk brengt mede verlies
van de betrekkingen, waarbij de hoedanigheid van advocaat vereiste
voor verkiesbaarheid of benoembaarheid is.
7.De raad spreekt, indien de klager daarom verzoekt, in zijn
beslissing steeds met redenen omkleed uit of de advocaat tegen wie de
klacht is ingediend, jegens hem de zorgvuldigheid heeft betracht die
bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt. De raad kan een
dergelijke uitspraak, indien hij daartoe voldoende grond aanwezig
acht, ook ambtshalve doen.
Artikel 48a
1.Bij de oplegging van de maatregel van schorsing in de uitoefening
van de praktijk kan de raad van discipline daarbij zowel ten aanzien
van deze maatregel als ten aanzien van de openbaarmaking daarvan en
van het verbod om de titel van advocaat te voeren bepalen dat deze
maatregel geheel of voor een door de raad van discipline te bepalen
gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de raad van
discipline later anders mocht bepalen op grond dat de betrokken
advocaat zich vóór het einde van een in de beslissing aan te geven
proeftijd aan een in artikel 46 bedoelde gedraging heeft schuldig
gemaakt, of een bijzondere voorwaarde welke in de beslissing mocht
zijn gesteld, niet heeft nageleefd.
2.De proeftijd beloopt ten hoogste twee jaren. Zij gaat in zodra de
beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 48b
1.Bij de oplegging van de in artikel 48, tweede lid, onder a tot en
met d, genoemde maatregelen kan de raad van discipline in afwijking
van het bepaalde in het eerste lid van het voorgaande artikel als
bijzondere voorwaarde stellen dat de betrokken advocaat de door zijn
gedraging veroorzaakte schade geheel of tot een bij de beslissing te
bepalen gedeelte binnen een daarbij te stellen termijn, korter dan de
proeftijd, vergoedt.
2.Bovendien is de raad van discipline bevoegd bij de beslissing ook
andere bijzondere voorwaarden, de praktijkbeoefening van de betrokken
advocaat gedurende de proeftijd of een bij de beslissing te bepalen
gedeelte daarvan betreffende, te stellen.
Artikel 48c
1.De deken van de orde, waartoe de advocaat behoort, ziet toe op de
nakoming der voorwaarden, tenzij de raad van discipline, in overleg
met de deken, bij besluit een ander lid van de orde daarmee belast.
Indien de betrokken advocaat de deken is, wijst de raad van discipline
een ander lid van de orde aan in overleg met het in artikel 23, eerste
lid, bedoelde lid van de raad van toezicht.
2.De deken of het in het eerste lid bedoelde andere lid van de orde
geeft, ingeval de betrokken advocaat de voorwaarden gedurende de
proeftijd niet nakomt, daarvan kennis aan de raad van discipline, met
zodanige vordering als hij nodig acht.
Artikel 48d
De raad van discipline die het in artikel 48a bedoelde bevel heeft
gegeven, kan, hetzij op vordering van de betrokken deken of het in het
eerste lid van artikel 48c bedoelde lid van de orde, hetzij op verzoek
van de betrokken advocaat, hetzij ambtshalve, gedurende de proeftijd in
de gestelde bijzondere voorwaarden wijziging brengen.
Artikel 48e
De raad van discipline, die met toepassing van artikel 48a heeft
bepaald dat de opgelegde maatregel voor een door hem te bepalen gedeelte
niet zal worden tenuitvoergelegd, kan hetzij op vordering van de
betrokken deken of het in het eerste lid van artikel 48c bedoelde lid
van de orde, hetzij ambtshalve, last geven dat alsnog tot
tenuitvoerlegging zal worden overgegaan. Een zodanige last kan niet meer
worden gegeven wanneer sedert het einde van de proeftijd drie maanden
verstreken zijn.
Artikel 48f
Een beslissing als bedoeld in de artikelen 48d en 48e wordt niet
gegeven dan na verhoor, althans behoorlijke oproeping van de betrokken
advocaat en, in het geval de beslissing de bijzondere voorwaarde tot
gehele of gedeeltelijke schadevergoeding betreft en deze daarbij
belanghebbende is, de klager. Voor het verhoor wordt tevens opgeroepen
de in het eerste lid van artikel 48c bedoelde toezichthouder. Op het
verhoor en de beslissing zijn de bepalingen van de artikelen 49, tweede
tot en met het laatste lid, en 50 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48g
Een beslissing als bedoeld in de artikelen 48d en 48e is niet aan
enig rechtsmiddel onderworpen.
Artikel 48h
1.Indien de deken door wiens tussenkomst de klacht aanhangig is
gemaakt verzoekt de behandeling daarvan bij te wonen, stelt de raad
van discipline hem daartoe steeds in de gelegenheid. De raad kan
overigens de deken door wiens tussenkomst de klacht aanhangig is
gemaakt uitnodigen de behandeling daarvan bij te wonen.
2.Betreft de klacht de deken van de orde, dan kan de behandeling
worden bijgewoond door het in artikel 23, eerste lid, bedoelde lid van
de raad van toezicht van die orde.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 49
1.De raad van discipline neemt geen beslissing dan na verhoor of
behoorlijke oproeping van de advocaat tegen wie de klacht is
ingediend, en van de klager.
2.De betrokken advocaat en de klager zijn bevoegd zich bij de
behandeling van de klacht door een raadsman te doen bijstaan. Zij en
hun raadslieden worden in de gelegenheid gesteld tijdig van de
processtukken kennis te nemen. Hun wordt door de griffier van de raad
van discipline tijdig medegedeeld, waar en wanneer deze gelegenheid
bestaat.
3.De raad van discipline kan weigeren bepaalde personen, die van
het verlenen van rechtshulp hun beroep maken en niet zijn advocaat,
als raadsman toe te laten. De behandeling van de klacht wordt in dat
geval aangehouden totdat de betrokkene in de gelegenheid is geweest de
geweigerde raadsman te vervangen. Hij wordt door de griffier van de
aanhouding en de reden daartoe in kennis gesteld.
4.De raad van discipline kan getuigen en deskundigen oproepen en
horen. Het horen van getuigen en deskundigen kan worden opgedragen aan
de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of een van de leden of
plaatsvervangende leden van de raad van discipline.
5.Op verzoek van de raad van discipline doet de officier van
justitie hen dagvaarden. De getuigen en deskundigen zijn na
dagvaarding verplicht te verschijnen.
6.Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan
doet de officier van justitie op verzoek van de raad van discipline
hem andermaal dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging.
7.Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
8.De voorzitter beëdigt de getuige, dat hij de gehele waarheid en
niets dan de waarheid zal zeggen; de getuige is verplicht op de
gestelde vragen te antwoorden. De deskundige is gehouden zijn taak
onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Ingeval van toepassing
van het vierde lid, tweede volzin, geschiedt de beëdiging van de
getuige door het daartoe aangewezen lid-advocaat of plaatsvervangend
lid-advocaat van de raad van discipline.
9.Op de getuigen en deskundigen vinden de artikelen 217-219 van het
Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.
10.De getuigen en deskundigen ontvangen desverkiezende op vertoon
van hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling van het Rijk door
de officier van justitie te begroten overeenkomstig het bij en
krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
11.De raad van discipline behandelt de klacht in een openbare
zitting. De raad kan om gewichtige redenen bevelen dat de behandeling
geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden.
Artikel 50
1.De griffier van de raad van discipline zendt van de beslissingen
van de raad bij aangetekende brief onverwijld afschrift:
a. aan de betrokken advocaat;
b. aan de deken der Nederlandse orde van advocaten;
c. aan de deken van de orde waarvan de advocaat deel uitmaakt,
of, indien de betrokken advocaat de deken is, aan het in artikel
23, eerste lid, bedoelde lid van de raad van toezicht en aan de
deken naar wie de klacht ingevolge artikel 46c, vierde lid, is
verwezen.
d. indien de beslissing werd gegeven krachtens een verwijzing
als bedoeld in het derde lid van artikel 46a, aan de raad van
discipline der orde waarvan de betrokken advocaat deel uitmaakt;
e. indien de betrokken advocaat is ingeschreven bij een raad
voor rechtsbijstand en aan hem een maatregel als bedoeld in
artikel 48, tweede lid, onder a tot en met d is opgelegd en de
beslissing waarbij de maatregel is opgelegd in kracht van gewijsde
is gegaan dan wel de raad van discipline toezending nodig acht,
aan de voorzitter van de desbetreffende raad voor rechtsbijstand.
2.Indien werd beslist naar aanleiding van een klacht als bedoeld in
artikel 46c, eerste lid, wordt ook aan de klager bij aangetekende
brief een afschrift van de beslissing gezonden.
Artikel 50a
1.Bij ministeriële regeling aangewezen kosten die verbonden zijn
aan het voorzitterschap en het plaatsvervangend voorzitterschap komen
ten laste van de staat.
2.De reis- en verblijfkosten van de leden-advocaten en de
plaatsvervangende leden-advocaten van de raad van discipline en van de
griffier worden vergoed en komen ten laste van de Nederlandse orde van
advocaten.
Artikel 51
1.Het hof van discipline is gevestigd in de hoofdplaats van een
ressort. Het hof kan uit zijn midden kamers vormen voor het vervullen
van zijn taak. Kamers kunnen ook buiten de vestigingsplaats zitting
houden. Het hof bestaat uit ten hoogste tien door Ons benoemde leden,
waaronder de voorzitter en ten hoogste zes plaatsvervangende
voorzitters, en vier leden-advocaten, alsmede uit door Ons benoemde
plaatsvervangende leden en plaatsvervangende leden-advocaten, tot het
door Ons, onderscheidenlijk door het college van afgevaardigden nodig
geachte aantal.
2.De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de overige
door Ons benoemde leden en plaatsvervangende leden worden voor de tijd
van vijf jaren benoemd uit leden van de rechterlijke macht, met
rechtspraak belast. De leden-advocaten en plaatsvervangende
leden-advocaten worden door het college van afgevaardigden voor de
tijd van vijf jaren gekozen.
3.Het hof van discipline benoemt en ontslaat zijn griffier en
voorziet in zijn vervanging bij verhindering of afwezigheid.
4.De leden-advocaten, plaatsvervangende leden-advocaten en de
griffier van het hof van discipline kunnen niet gelijktijdig zijn lid
van de algemene raad of lid-advocaat of plaatsvervangend lid-advocaat
van een raad van discipline.
Artikel 52
1.De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de leden en
plaatsvervangende leden treden af met ingang van de eerstvolgende
maand nadat zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt. Indien
op dat tijdstip hun ambtstermijn nog niet is verstreken, kunnen zij,
op eigen verzoek, in functie blijven tot het tijdstip dat de
ambtstermijn is beëindigd.
2.Tussen de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden,
plaatsvervangende leden en de griffier mag geen bloed- of
aanverwantschap tot en met de derde graad bestaan. Tussen de
leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten mag voorts
niet bestaan een maatschap of ander duurzaam samenwerkingsverband tot
het uitoefenen van het beroep van advocaat of de verhouding van
werkgever tot werknemer.
Artikel 53
1.Als leden-advocaten en plaatsvervangende leden-advocaten van het
hof van discipline zijn slechts verkiesbaar advocaten, die langer dan
zeven jaren binnen het Rijk de praktijk hebben uitgeoefend en die de
ouderdom van zeventig jaren nog niet hebben bereikt.
2.De stemming geschiedt schriftelijk en voor elk lid afzonderlijk.
3.De plaatsvervangende leden van het hof nemen zitting in volgorde
van benoeming of verkiezing.
4.Leden van de algemene raad of van een raad van toezicht, die tot
lid of plaatsvervangend lid van het hof van discipline zijn gekozen,
treden bij het aanvaarden dezer functie af als lid van de betrokken
raad. Leden-advocaten of plaatsvervangende leden-advocaten van een
raad van discipline, die tot lid of plaatsvervangend lid van het hof
van discipline zijn gekozen, treden bij het aanvaarden dezer functie
af als lid-advocaat onderscheidenlijk plaatsvervangend lid-advocaat
van de raad van discipline.
Artikel 54
1. Het in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46i,
met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en
derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de leden en plaatsvervangende leden van het hof van discipline.
2. De leden-advocaten en plaatsvervangende leden-advocaten kunnen
worden ontslagen op de gronden aangegeven in de artikelen 46c, tweede
lid, 46d, tweede lid, 46i, met uitzondering van het eerste lid,
onderdeel c, 46j, 46l, eerste en derde lid, en 46m van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Daarnaast vervalt het
lidmaatschap van de leden-advocaten en de plaatsvervangende
leden-advocaten van rechtswege indien zij hebben opgehouden advocaat
te zijn.
Artikel 55
1.Het hof van discipline waakt tegen nodeloze vertraging van het
onderzoek door de raden van discipline.
2.Het kan zich de stukken doen overleggen en een termijn stellen,
binnen welke de beslissing moet zijn genomen.
3.Indien een raad van discipline hieraan niet voldoet, kan het hof
de behandeling van de zaak aan zich trekken en in het hoogste ressort
beslissen.
Artikel 56
1.Van de beslissingen van de raad van discipline kan gedurende
dertig dagen na de verzending van het in artikel 50 bedoelde afschrift
hoger beroep worden ingesteld bij het hof van discipline door:
a. de klager die ingevolge artikel 46c, eerste lid, de klacht
die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:
- daarbij de klacht geheel of ten dele ongegrond is
verklaard;
- bij gegrondbevinding van de klacht, het in artikel 48,
zevende lid, bedoelde verzoek wordt afgewezen;
b. de deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft
geleid, ter kennis van de raad van discipline heeft gebracht,
indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
c. de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.
2.Van alle beslissingen van de raad van discipline kan voorts
binnen dezelfde termijn hoger beroep worden ingesteld door de deken
der Nederlandse orde van advocaten. Hij kan zich vooraf de stukken
doen overleggen. Hij kan bij de uitoefening van deze bevoegdheden zich
door een lid van de algemene raad doen vervangen.
3.Het beroep wordt ingesteld bij met redenen omklede memorie, in
zevenvoud in te dienen bij de griffier van het hof van discipline en
vergezeld van zes afschriften van de beslissing waarvan beroep. De
griffier geeft van de instelling van het beroep onverwijld kennis aan
de raad van discipline die de beslissing in eerste aanleg heeft
genomen en, voorzover het hoger beroep niet door hem is ingesteld, aan
de deken van de orde waartoe de betrokken advocaat behoort, aan de
betrokken advocaat en aan de klager. Op verzoek van het hof van
discipline legt de deken een verklaring over waaruit blijkt of tegen
de advocaat, tegen wie de klacht is ingediend, eerder tuchtrechtelijke
klachten zijn ingediend. Indien de advocaat eerder tuchtrechtelijk is
veroordeeld, vermeldt de verklaring tevens de maatregel die is
opgelegd.
4.Aan de behandeling en de beslissing van beroepen door een kamer
bij het hof wordt op straffe van nietigheid deelgenomen door vijf
leden van het hof, onder wie de voorzitter of één van de
plaatsvervangende voorzitters, alsmede door twee door Ons benoemde
leden.
5.Indien een ingesteld hoger beroep wordt ingetrokken, bepaalt,
voor het geval dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van de
praktijk is opgelegd, het hof van discipline, de betrokken advocaat
gehoord of behoorlijk opgeroepen, de dag waarop de maatregel aanvangt.
6.De artikelen 512 tot en met 519 van het Wetboek van
Strafvordering zijn ten aanzien van de leden van het hof van
discipline van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56a
1.De voorzitter van het hof van discipline kan kennelijk
niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde beroepen, alsmede beroepen
die naar zijn oordeel niet zullen leiden tot een andere beslissing dan
die van de raad van discipline, binnen dertig dagen nadat zij zijn
ingesteld, bij met redenen omklede beslissing afwijzen.
2.Artikel 46g, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat ook een afschrift van de beslissing
wordt gezonden aan de deken van de Nederlandse orde van advocaten.
3.De voorzitter kan zich bij de uitoefening van de in het eerste
lid bedoelde bevoegdheden doen vervangen door een plaatsvervangend
voorzitter, lid van de rechterlijke macht.
Artikel 56b
1.Tegen de beslissing in het vorige artikel bedoeld, kunnen degene
die het beroep heeft ingesteld, alsmede de deken van de Nederlandse
orde van advocaten binnen veertien dagen na de verzending van het
afschrift van de beslissing, schriftelijk verzet doen bij het hof van
discipline.
2.Artikel 46h, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat van de beslissing tot
niet-ontvankelijk- of ongegrondverklaring ook een afschrift aan de
deken van de Nederlandse orde van advocaten wordt gezonden.
Artikel 57
1.Het hof van discipline beslist niet dan na verhoor of behoorlijke
oproeping van de klager, de betrokken advocaat en, zo dezen hoger
beroep hebben ingesteld, de deken die in eerste aanleg de klacht ter
kennis van de raad van discipline heeft gebracht en de deken van de
Nederlandse orde van advocaten.
2.Op de behandeling in het hoger beroep zijn de artikelen 47a, 48,
eerste lid, en 49 van overeenkomstige toepassing.
3.Het hof van discipline kan de deken, die de betrokken zaak heeft
onderzocht of het lid van de raad van toezicht, dat hem bij de
instructie van de zaak heeft vervangen, alsmede de raad van discipline
die de beslissing heeft genomen, uitnodigen nadere inlichtingen te
verschaffen.
4.Het hof van discipline onderzoekt op grondslag van de beslissing
van de raad van discipline. Het hof kan mede oordelen over feiten die
de raad van discipline niet voor een maatregel vatbaar heeft geacht,
en kan door de raad van discipline onbewezen geachte feiten
onderzoeken.
5.Indien alleen de betrokken advocaat hoger beroep heeft ingesteld
kan het hof van discipline slechts met eenparigheid van stemmen de
opgelegde maatregel verzwaren. In de overige gevallen kan het hof van
discipline een maatregel opleggen, een opgelegde maatregel verlichten
of verzwaren, of bepalen dat er geen grond is voor het opleggen van
een maatregel.
Artikel 57a
Indien het hof van discipline bij oplegging van de maatregel van
schorsing beslist dat deze, overeenkomstig het in artikel 48a bepaalde,
geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, wordt de
beslissing over de tenuitvoerlegging overgelaten aan de raad van
discipline die in eerste aanleg over de klacht heeft geoordeeld. De
artikelen 48b tot en met 48g zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 58
De griffier van het hof van discipline zendt van de beslissing bij
aangetekende brief onverwijld afschrift:
a. aan de betrokken advocaat;
b. aan de deken van de Nederlandse orde van advocaten;
c. aan de raad van discipline die de zaak in eerste aanleg heeft
behandeld;
d. aan de deken van de orde waarvan de betrokken advocaat deel
uitmaakt, of, indien de betrokken advocaat de deken is, aan het lid
van de raad van toezicht bedoeld in het eerste lid van artikel 23;
e. indien de beslissing in eerste aanleg werd gegeven krachtens
een verwijzing als bedoeld in het derde lid van artikel 46a, aan de
voorzitter van de raad van discipline, waartoe de betrokken advocaat
behoort;
f. indien aan de betrokken advocaat die is ingeschreven bij een
raad voor rechtsbijstand, een maatregel als bedoeld in artikel 48,
tweede lid, onder a tot en met d is opgelegd dan wel het hof van
discipline toezending nodig acht, aan de voorzitter van de
desbetreffende raad voor rechtsbijstand.
g. aan de klager, indien werd beslist naar aanleiding van een
klacht in eerste aanleg als bedoeld in artikel 46c, eerste lid.
Artikel 59
1.De maatregelen van schorsing in de uitoefening van de praktijk en
van schrapping van het tableau worden, zodra de beslissing in kracht
van gewijsde is gegaan, door de griffier van de raad van discipline
medegedeeld aan de secretaris van de algemene raad met het oog op de
verwerking op het tableau.
2.De deken van de orde, waarvan de betrokken advocaat deel
uitmaakt, of in het geval vermeld in artikel 50, eerste lid, onder c,
het daar bedoelde lid, draagt zorg voor de openbaarmaking, als bedoeld
in artikel 48, derde lid.
3.In geval van toepassing van de artikelen 48a tot en met 48g
geschieden de mededeling, bedoeld in het eerste lid, en de
openbaarmaking, bedoeld in het tweede lid, niet dan nadat last tot
tenuitvoerlegging van de beslissing of het betrokken deel daarvan is
gegeven.
Artikel 60
1.Bij ministeriële regeling aangewezen kosten die verbonden zijn
aan het lidmaatschap van de door Ons benoemde leden en
plaatsvervangende leden komen ten laste van de staat.
2.De leden-advocaten en plaatsvervangende leden-advocaten en de
griffier ontvangen vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere
verschotten van de Nederlandse orde. De griffier ontvangt bovendien
een vergoeding van de Nederlandse orde, waarvan het bedrag wordt
vastgesteld door de algemene raad.
3.De overige kosten van het hof van discipline komen ten laste van
de Nederlandse orde, met dien verstande dat de kosten die voortvloeien
uit beroepen bedoeld in artikel 56, eerste lid, onder a, door de staat
aan de Nederlandse orde worden vergoed.
Artikel 60a
De voorgaande bepalingen van deze paragraaf, met uitzondering van
artikel 46fa, zijn eveneens van toepassing op bezoekende advocaten als
bedoeld in artikel 16b, met dien verstande dat:
1. in afwijking van artikel 46 de tuchtrechtspraak in eerste
aanleg wordt uitgeoefend door de raad van discipline die bevoegd is
ten aanzien van de samenwerkende advocaat en bij gebreke van dien
door de raad van discipline te 's-Gravenhage;
2. in afwijking van artikel 48, tweede lid, als maatregelen
kunnen worden opgelegd:
a. enkele waarschuwing;
b. berisping;
c. schorsing gedurende ten hoogste één jaar in de
bevoegdheid in Nederland de in artikel 16b bedoelde
werkzaamheden uit te oefenen;
d. ontzegging van de bevoegdheid in Nederland de in artikel
16b bedoelde werkzaamheden uit te oefenen;
3. het in artikel 48, derde lid, bepaalde omtrent openbaarmaking
mede van toepassing is op de in het vorige lid onder b, c en d
genoemde straffen;
4. aan de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van de
betrokken advocaat mededelingen kunnen worden gevraagd van de nodige
gegevens over diens beroepsuitoefening en kennis zal worden gegeven
van iedere genomen beslissing, een en ander onverminderd het
vertrouwelijke karakter van die inlichtingen.
Artikel 60aa
1.De artikelen 46 tot en met 46f en 46g tot en met 60 alsmede de
artikelen 60b tot en met 60g zijn van overeenkomstige toepassing op de
advocaten die hun werkzaamheden uitoefenen onder hun oorspronkelijke
beroepstitel als bedoeld in artikel 16h.
2.In afwijking van artikel 48, tweede lid, kunnen als maatregelen
worden opgelegd:
a. de enkele waarschuwing;
b. de berisping;
c. de schorsing gedurende ten hoogste één jaar in de
bevoegdheid in Nederland de in artikel 16h bedoelde werkzaamheden
uit te oefenen;
d. de doorhaling van de inschrijving.
3.Het in artikel 48, derde lid bepaalde omtrent openbaarmaking is
mede van toepassing op de in het tweede lid genoemde maatregelen.
4.De bevoegde autoriteit van de staat van herkomst wordt in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 46h, derde lid, 48f, 49, 56, vijfde
lid, 57, eerste lid, 60b, eerste en zevende lid en 60c, derde en
vierde lid in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.
5.Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst of de
tuchtrechter aldaar de uitoefening van het beroep advocaat tijdelijk
of blijvend heeft ontzegd is de betrokken advocaat van rechtswege niet
meer bevoegd om in Nederland zijn beroep onder zijn oorspronkelijke
beroepstitel uit te oefenen. De raad van toezicht haalt alsdan de
inschrijving van de advocaat tijdelijk onderscheidenlijk blijvend
door. De raad van toezicht stelt de bevoegde autoriteit van de staat
van herkomst in kennis van de doorhaling.
6.Alvorens jegens de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel
werkzame advocaat een tuchtrechtelijke procedure in te stellen dan wel
een procedure inzake de onbehoorlijke praktijkuitoefening aan te
vangen, stelt de raad van toezicht waarbij deze advocaat zich heeft
laten inschrijven de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van
die advocaat daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij deze alle
dienstige inlichtingen.
7.Gedurende de procedure werkt de raad van toezicht met de bevoegde
autoriteit van de staat van herkomst samen. Het vierde lid van artikel
60a is van overeenkomstige toepassing.
§ 4a. De procedure inzake het spoedshalve schorsen of treffen van
een voorlopige voorziening
Artikel 60ab
1. Op verzoek van de deken van de orde waartoe de advocaat behoort,
kan de raad van discipline de advocaat jegens wie een ernstig
vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door
artikel 46 beschermd belang zeer ernstig is geschaad of dreigt te
worden geschaad, met onmiddellijke ingang schorsen in de uitoefening
van de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot de
praktijkuitoefening van de betrokken advocaat treffen, indien het door
artikel 46 beschermde belang dit vergt. Hij beslist niet dan na
verhoor of behoorlijke oproeping van de advocaat en de deken van de
orde waartoe de advocaat behoort.
2. De deken stelt de betrokken advocaat schriftelijk op de hoogte
van het in het eerste lid bedoelde verzoek, alsmede van de gronden
waarop het verzoek rust.
3. De raad van discipline beslist binnen veertien dagen nadat het
verzoek van de deken van de orde waartoe de advocaat behoort
overeenkomstig het eerste lid aan hem ter kennis is gebracht. De raad
van discipline kan deze termijn ten hoogste eenmaal verlengen met
eenzelfde termijn.
4. Indien de klacht of het bezwaar tegen de advocaat op grond
waarvan het ernstige vermoeden is gerezen niet reeds schriftelijk ter
kennis is gebracht van de raad van discipline, bepaalt de raad van
discipline bij zijn beslissing op het in het eerste lid bedoelde
verzoek tevens een redelijke termijn van niet langer dan zes weken,
waarbinnen de deken de klacht of het bezwaar schriftelijk ter kennis
van de raad van discipline brengt. Bij overschrijding van deze termijn
vervalt de beslissing op het in het eerste lid bedoelde verzoek van
rechtswege. De raad van discipline kan op schriftelijk verzoek van de
deken de termijn ten hoogste eenmaal verlengen met een door hem te
bepalen redelijke termijn van niet langer dan zes weken. Paragraaf 4
is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen
46c, eerste lid, en 46d, eerste tot en met derde lid.
5. Op verzoek van de betrokken advocaat kan de raad van discipline
te allen tijde de op grond van het eerste lid opgelegde schorsing of
voorlopige voorziening opheffen. Hij beslist niet dan na verhoor of
behoorlijke oproeping van de advocaat en de deken van de orde waartoe
de advocaat behoort.
Artikel 60ac
1. De maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk
wordt door de griffier van de raad van discipline medegedeeld aan de
secretaris van de algemene raad met het oog op de verwerking op het
tableau.
2. De geschorste advocaat mag gedurende de schorsing de titel van
advocaat niet voeren.
3. Schorsing in de uitoefening van de praktijk brengt mede verlies
voor de duur van de schorsing van de betrekkingen, waarbij de
hoedanigheid van advocaat vereiste voor verkiesbaarheid of
benoembaarheid is.
Artikel 60ad
1. Tegen een beslissing op grond van artikel 60ab, eerste en vijfde
lid, kunnen de betrokken advocaat, de deken van de orde waartoe de
advocaat behoort en de deken van de Nederlandse orde van advocaten
binnen dertig dagen na verzending van een afschrift van de beslissing
hoger beroep instellen bij het hof van discipline.
2. Het hoger beroep schorst niet de werking van de beslissing
waartegen het is gericht.
Artikel 60ae
Zodra de beslissing van de raad van discipline op een door de deken
ter kennis van de raad gebrachte klacht of bezwaar als bedoeld in
artikel 60ab, vierde lid, in kracht van gewijsde is gegaan, vervalt de
op grond van artikel 60ab, eerste lid, opgelegde schorsing of voorlopige
voorziening van rechtswege.
Artikel 60af
1. Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op bezoekende
advocaten als bedoeld in artikel 16b, en op de advocaten die hun
werkzaamheden uitoefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel als
bedoeld in artikel 16h.
2. Indien de advocaat jegens wie het voornemen bestaat hem te
schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige
voorziening te treffen op grond van artikel 60ab, eerste lid, zich
krachtens het nationale recht van een andere lidstaat van de Europese
Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte dat uitvoering geeft aan artikel 3 van
richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de
permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere
lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, heeft laten
inschrijven, stelt de raad van toezicht voor de aanvang van de
procedure de bevoegde autoriteit in die lidstaat of lidstaten van dit
voornemen op de hoogte en verstrekt hij aan die autoriteit of
autoriteiten alle dienstige inlichtingen.
3. Indien de advocaat zich in Zwitserland heeft laten inschrijven
met inachtneming van de op 21 juni 1999 tot stand gekomen Overeenkomst
tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de
Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen,
is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. De bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van de
betrokken advocaat wordt in de gevallen, bedoeld in artikel 60ab,
eerste en vijfde lid, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te
maken.
5. Aan de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van de
betrokken advocaat kunnen mededelingen worden gevraagd van de nodige
gegevens over diens beroepsuitoefening en wordt kennis gegeven van
iedere genomen beslissing, een en ander onverminderd het
vertrouwelijke karakter van die inlichtingen.
§ 4b. De procedure inzake de onbehoorlijke praktijkuitoefening
Artikel 60b
1.De raad van discipline kan, al dan niet nadat een onderzoek
overeenkomstig de artikelen 60c tot en met 60g heeft plaatsgevonden,
op verzoek van de deken van de orde waartoe de advocaat behoort een
advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk
behoorlijk uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de
uitoefening van de praktijk schorsen dan wel een of meer voorzieningen
met betrekking tot de praktijkuitoefening van de betrokken advocaat
treffen die hij geboden acht. De raad van discipline kan
tegelijkertijd met het opleggen van een schorsing een voorziening
treffen. Hij beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van
de deken van de orde waartoe de advocaat behoort en de betrokken
advocaat.
2.Op de behandeling van de zaak zijn de artikelen 47, eerste en
tweede lid, en 49, tweede tot en met tiende lid, van overeenkomstige
toepassing. De behandeling geschiedt met gesloten deuren, tenzij de
betrokken advocaat behandeling in een openbare zitting wenst.
3.Op de verzending van een afschrift van de beslissingen van de
raad van discipline, bedoeld in het eerste lid, is het eerste lid,
onder a tot en met d van artikel 50 van overeenkomstige toepassing.
Bovendien zendt de griffier van de raad van discipline bij
aangetekende brief onverwijld afschrift van de beslissing inzake de
schorsing van de betrokken advocaat, bedoeld in het eerste lid, aan de
secretaris van de algemene raad met het oog op de verwerking op het
tableau, en indien de betrokken advocaat is ingeschreven bij een raad
voor rechtsbijstand, aan de voorzitter van de desbetreffende raad voor
rechtsbijstand.
4.Zowel de advocaat als de deken van de orde waartoe de advocaat
behoort kan gedurende dertig dagen na verzending van een afschrift van
de beslissing tegen de beslissing, bedoeld in het eerste lid, hoger
beroep instellen bij het hof van discipline. De tweede zin van het
tweede lid is van toepassing. Op de behandeling van de zaak zijn de
artikelen 55, 56, tweede, derde, vierde en zesde lid van toepassing.
Artikel 57 met uitzondering van de verwijzing in het tweede lid naar
artikel 47a en het eerste lid van artikel 48 en met uitzondering van
het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid,
onder a tot en met f van artikel 58 is van toepassing met dien
verstande dat de griffier van het hof van discipline aan de voorzitter
van de raad van rechtsbijstand bij welke de advocaat is ingeschreven
uitsluitend een afschrift van de beslissing inzake de schorsing zendt.
Met het oog op de verwerking op het tableau ontvangt de secretaris van
de algemene raad ontvangt eveneens een afschrift van de beslissing van
het hof inzake de schorsing van de betrokken advocaat. Het hoger
beroep schorst niet de werking van de beslissing waartegen het is
gericht.
5.De geschorste advocaat mag gedurende de schorsing de titel van
advocaat niet voeren. Het zesde lid van artikel 48 is van toepassing.
6.Met betrekking tot het toezien op de naleving van de
voorzieningen als bedoeld in het eerste lid is artikel 48c van
overeenkomstige toepassing.
7.Op verzoek van de advocaat kan de raad van discipline te allen
tijde de schorsing of de getroffen voorzieningen opheffen. Hij beslist
hierover niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de deken en
de betrokken advocaat. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 60c
1.De deken kan de voorzitter van de raad van discipline
schriftelijk verzoeken tot het instellen van een onderzoek naar de
toestand waarin de praktijk van een advocaat zich bevindt, indien hij
aanwijzingen heeft dat een situatie als bedoeld in artikel 60b, eerste
lid, zich voordoet. Het verzoekschrift bevat de gronden waarop het
berust.
2.Bevoegd tot het indienen van een verzoekschrift is de deken van
de orde waartoe de advocaat behoort. Indien de betrokken advocaat de
deken is, is het in artikel 23, eerste lid, bedoelde lid van de raad
van toezicht bevoegd. Bevoegd tot kennisneming is de voorzitter van de
raad van discipline binnen wiens ressort de betrokken advocaat kantoor
houdt. De voorzitter kan zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheid
door één van de plaatsvervangende voorzitters doen vervangen.
3.De voorzitter beslist op het verzoek als bedoeld in het eerste
lid zo spoedig mogelijk na verhoor of behoorlijke oproeping van de
deken en de betrokken advocaat. De behandeling geschiedt ter zitting
met gesloten deuren, tenzij de betrokken advocaat behandeling in een
openbare zitting wenst.
4.Tegen de beslissing, bedoeld in het derde lid, kunnen de
betrokken advocaat en de deken binnen veertien dagen na verzending van
een afschrift van de beslissing verzet doen bij de raad van
discipline. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Het
verzet schorst niet de werking van de beslissing waartegen het is
gericht.
Artikel 60d
1.Bij het instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel 60c,
eerste lid benoemt de voorzitter van de raad van discipline één of
meer rapporteurs onder vaststelling van een termijn van ten hoogste
zes weken waarbinnen aan hem verslag moet worden uitgebracht over de
toestand waarin de praktijk van de betrokken advocaat zich bevindt. De
voorzitter kan deze termijn op verzoek van de rapporteur of
rapporteurs één maal met ten hoogste zes weken verlengen.
2.De voorzitter bepaalt bij de beslissing, bedoeld in het eerste
lid, de grondslag voor de vergoeding van de door hem benoemde
rapporteur of rapporteurs en stelt het bedrag vast dat het onderzoek
ten hoogste mag kosten. Hij kan hangende het onderzoek dit bedrag op
verzoek van de rapporteur of rapporteurs verhogen. De voorzitter kan
voorts bepalen dat de betrokken advocaat voor de betaling van de
kosten zekerheid stelt.
3.De raad van discipline stelt met inachtneming van het tweede lid,
het bedrag vast dat overeenkomstig het vierde lid moet worden vergoed.
4.De betrokken advocaat draagt de kosten van het onderzoek, tenzij
de raad van discipline naar aanleiding van de resultaten van het
verslag de betrokken advocaat niet schorst dan wel geen voorziening
treft als bedoeld in artikel 60b, eerste lid of de betrokken advocaat
niet of slechts gedeeltelijk in staat is deze kosten te dragen. In het
laatste geval draagt de advocaat een gedeelte van de kosten.
5.De kosten van het onderzoek die niet door de advocaat worden
gedragen, worden vergoed door de orde in het arrondissement waarin de
advocaat kantoor houdt.
6.Indien het hof van discipline in hoger beroep beslist dat er geen
grond is voor het opleggen van een schorsing of het treffen van een
voorziening, kan het hof van discipline tevens bepalen dat een geheel
of gedeelte van de kosten van het onderzoek wordt gedragen door de
orde in het arrondissement waarin de advocaat kantoor houdt.
Artikel 60e
1.De rapporteur alsmede de door hem aangewezen personen die hem
vergezellen, is bevoegd elke plaats te betreden waarin de praktijk van
de betrokken advocaat wordt uitgeoefend en zij zijn gerechtigd tot
inzage van de dossiers, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers
betrekking hebbende op de praktijk van de advocaat waarvan de
rapporteur de kennisneming in verband met een juiste vervulling van
zijn taak nodig acht met inbegrip van die van het samenwerkingsverband
waarbinnen de advocaat zijn praktijk uitoefent. De rapporteur kan de
hulp van de sterke arm inroepen.
2.De betrokken advocaat en de advocaten met wie hij een
samenwerkingsverband vormt, degenen die in dienst van de advocaat of
het samenwerkingsverband zijn alsmede de werkgever van de betrokken
advocaat zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen die
de rapporteur nodig oordeelt voor zijn onderzoek en inzage te
verschaffen in de in het eerste lid bedoelde gegevensdragers. Indien
het onderzoek – mede – betrekking heeft op een rechtspersoon,
berust op de bestuurders en commissarissen van die rechtspersoon
eenzelfde verplichting.
3.Op de advocaten met wie de betrokken advocaat een
samenwerkingsverband vormt zijn de artikelen 217 tot en met 219 van
het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 60f
1.Tijdens het onderzoek kan de voorzitter van de raad van
discipline op verzoek van de rapporteur of de rapporteurs voor ten
hoogste de duur van het onderzoek een voorlopige voorziening treffen
indien het belang van het onderzoek dit eist.
2.Tijdens het onderzoek kan de voorzitter van de raad van
discipline op verzoek van de deken of de rapporteur of de rapporteurs
een voorlopige voorziening treffen indien hij dit in verband met de
toestand van de praktijk noodzakelijk acht. Deze voorziening blijft
gelden totdat een beslissing als bedoeld in artikel 60b, eerste lid,
is genomen of de voorzitter van de raad de voorlopige voorziening
opheft op de grond dat deze niet langer noodzakelijk is in verband met
de toestand van de praktijk.
3.Tegen een beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid
kunnen de betrokken advocaat en de deken binnen veertien dagen na
verzending van een afschrift van de beslissing verzet doen bij de raad
van discipline. Artikel 60c, derde lid, tweede volzin, is van
overeenkomstige toepassing. Het verzet schorst niet de werking van de
beslissing waartegen het is gericht.
Artikel 60g
1.De rapporteur zendt zijn verslag, dat een met redenen omkleed
oordeel over de toestand van de praktijk van de betrokken advocaat en
desgewenst een of meer aanbevelingen bevat, aan de voorzitter van de
raad. De griffier van de raad doet onverwijld aan de betrokken
advocaat alsmede aan de deken een afschrift van het verslag toekomen.
2.Behalve door de betrokken advocaat en door de deken aan de raad
van toezicht waarvan hij deel uitmaakt, mag zonder toestemming van de
voorzitter van de raad van discipline uit het verslag geen mededeling
aan derden worden gedaan. De rapporteur en degenen die de rapporteur
bij het onderzoek heeft betrokken maken hetgeen hun bij het onderzoek
blijkt, niet verder bekend dan de opdracht met zich brengt.
3.De raad van discipline neemt een beslissing als bedoeld in
artikel 60b, eerste lid, binnen vier weken na de ontvangst van het
verslag.
4.Onverminderd de bevoegdheid van de voorzitter van de raad een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 60f, tweede lid, eerder
op te heffen, is een dergelijke voorziening van rechtswege opgeheven
met ingang van de eerste dag na ommekomst van de in het derde lid van
dit artikel genoemde termijn indien de raad een beslissing als bedoeld
in artikel 60b, eerste lid, niet heeft genomen.
Artikel 60h
1.Indien de advocaat jegens wie het voornemen bestaat een procedure
inzake de onbehoorlijke praktijkuitoefening aan te vangen, zich
krachtens het nationale recht van een andere lidstaat van de Europese
Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte dat uitvoering geeft aan artikel 3 van
richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de
permanente uitoefening van het beroep van advocaat, heeft laten
inschrijven, stelt de raad van toezicht voor de aanvang van de
procedure de bevoegde autoriteit in die lidstaat of lidstaten van dit
voornemen op de hoogte en verstrekt hij aan die autoriteit of
autoriteiten alle dienstige inlichtingen.
2.Indien de advocaat zich in Zwitserland heeft laten inschrijven
met inachtneming van de op 21 juni 1999 tot stand gekomen Overeenkomst
tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de
Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 61 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 62 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 63 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 64 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 65 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 66 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 67 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 68 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 69 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 69a [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 70
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het ambtskostuum van de advocaten.
Artikel 71
Deze wet wordt aangehaald als: Advocatenwet.
Artikel 72 [Vervallen per 01-05-1968]
Artikel 73 [Vervallen per 01-05-1968]
Artikel 74 [Vervallen per 01-05-1968]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 78 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 79 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 80 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 81 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 82 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 83 [Vervallen per 01-06-1999]
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 Juni 1952.
JULIANA
De Minister van Justitie,
H. Mulderije
Uitgegeven de eerste Juli 1952
De Minister van Justitie,
H. Mulderije
|