WIJ WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het van belang is om, op
het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken en van de wet op
de regterlijke organisatie, de nog in werking zijnde wetboeken, en wel
over dezelfde stoffen handelende, uitdrukkelijk afteschaffen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal,
Artikel 1
[1.]
Te rekenen van den dag der
invoering van het burgerlijk wetboek der Nederlanden, wordt afgeschaft
en zal ophouden kracht van wet te hebben, het wetboek van Napoleon, met
al de daartoe behoorende besluiten en verordeningen.
[2.] Insgelijks zijn op hetzelfde tijdstip afgeschaft de
algemeene en plaatselijke gebruiken in de stoffen welke bij het nieuwe
wetboek worden behandeld. Het wettelijk gezag van het romeinsche regt is
en blijft afgeschaft.
Artikel 2
Het tegenwoordige wetboek op de manier van procederen in burgerlijke
zaken, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk,
zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe wetboek van
burgerlijke regtsvordering.
Artikel 3
Het tegenwoordige wetboek van koophandel, mitsgaders de besluiten en
verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der
invoering van het nieuwe wetboek van koophandel.
Artikel 4
Het tegenwoordige wetboek op het strafregt, mitsgaders de besluiten
en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der
invoering van het nieuwe wetboek op het strafregt.
Artikel 5
Het tegenwoordige wetboek van criminele instructie, mitsgaders de
besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den
dag der invoering van het nieuwe wetboek van strafvordering.
Artikel 6
De tegenwoordige wetten op de zamenstelling der regterlijke magt,
mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn
afgeschaft op den dag der invoering van de wet van 18 April 1827.
Artikel 7
Ieder wetboek van het Koningrijk zal in eene doorloopende reeks van
artikelen worden vervat, met in achtneming der orde bij de vastgestelde
titels aangenomen, en met zoodanige wijzigingen en verbeteringen, als
bij eenige afzonderlijke wetten reeds zijn of nader zullen worden
aangenomen, behoudens:
1°. Dat de 12e titel van het 1e boek van het burgerlijk wetboek,
handelende van de akten van den burgerlijken stand, onmiddellijk
zal volgen op den 2e titel van dat boek, handelende van Nederlanders en
Vreemdelingen.
2°. Dat de 5e titel van het 3e boek, handelende van schenkingen,
zal worden geplaatst dadelijk na den 9e titel van hetzelfde boek.
Lasten en bevelen dat deze in het staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
kollegien en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Brussel, den 16den Mei des jaars 1829, en van Onze
regering het zestiende.
WILLEM
Van wege den Koning,
J.G. de Mey van Streefkerk
Uitgegeven den zeven en twintigsten Mei 1829,
De Secretaris van Staat,
J.G. de Mey van Streefkerk