Nadere
regelgeving:
- Besluit
ex artikel 106 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
- Besluit
ex artikel 160, eerste lid, Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers
WET van 10 december 1969, houdende nieuwe
regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke
ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke
ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste afdeling. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende
tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd
uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en
pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt
uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van
maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen
wordt gesteld.
3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet
als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen
het tegendeel blijkt.
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 2a;
b. nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden politieke
ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde
politieke ambtsdrager op de dag van overlijden gehuwd was, dan wel
de man of vrouw ten aanzien van wie door de overledene aanmelding
had plaatsgevonden.
2. Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van
a. de tweede afdeling van deze wet: minister;
b. de derde afdeling van deze wet: lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal;
c. de vierde afdeling van deze wet: minister of lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal;
d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid
van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het
dagelijks bestuur van een deelgemeente of voorzitter of lid van het
dagelijks bestuur van een waterschap.
3. Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een
belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat,
wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd,
respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.
Aanmelding
Artikel 2a
1.De politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder
a en b, kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien
hij en deze man of vrouw:
a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven;
b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover
elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud;
c. beiden ongehuwd zijn;
d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en
e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.
2.Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid
kan, voordat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, eveneens een
aanmelding doen als bedoeld in dat lid.
3.Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt
afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is voldaan
aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een
afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan
wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris
dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.
4.Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste
lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding.
5.Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene
die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens is ingeschreven.
6.De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.
7.Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:
a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is
aangemeld, is ontvangen;
b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan
wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of
c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel
de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt,
hetzij partij is bij een volgende aanmelding.
8.Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging
vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan.
Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke
verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon
gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde
gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid,
onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien
evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een
wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de
aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract
overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een
notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de
voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
9.Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt
Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag.
10.Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde
vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem
vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen
voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is
gevraagd.
Artikel 2b
1. Artikel 2a is van overeenkomstige toepassing op de politieke
ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d.
2. Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden
gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders
onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de
plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens
bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde lid.
Artikel 3. Bijzonder nabestaandenpensioen
De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van
overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen,
tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
Artikel 4. Tijdelijk pensioen
De bepalingen van deze wet voor het nabestaanden- en wezenpensioen
zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen,
tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
Artikel 4a
Op een bij deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de artikelen
47, 53, 55, vierde lid, en 97 van de Pensioenwet van overeenkomstige
toepassing.
Tweede afdeling. Ministers en staatssecretarissen
Hoofdstuk 2. Begripsomschrijvingen
Artikel 5
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris.
2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde
wordt verstaan onder:
a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht
heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht
heeft op pensioen krachtens deze afdeling.
Hoofdstuk 3. De uitkering
Artikel 6. Het recht op uitkering
1. Aan een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend wordt
met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een uitkering toegekend op de
voet van de volgende artikelen.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing:
a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder
onderbreking weer als minister optreedt;
b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering
wordt toegekend, indien de belanghebbende:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal
oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons
oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt
beschouwd onwaardig heeft gedragen.
4. Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te
rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of
langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens
artikel 7, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag
dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende
duur.
Artikel 7. Duur van de uitkering
1. De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd
waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor
de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van vier jaren.
Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is
geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij
minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag,
waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat
tijdvak is onderbroken.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor
de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie
maanden minister is geweest.
3. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden de leeftijd
van 55 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat
direct aan zijn ontslag voorafgaat ten minste tien jaren minister is
geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste
lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd
waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd
waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2,
tweede lid, onder b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd
als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op
dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening
gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.
5. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens
artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering
toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde
uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
6. In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord,
bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met
inachtneming van artikel 11 vast te stellen termijn, die op dezelfde
wijze kan worden verlengd.
Artikel 7a
1. De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel 6, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn
inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid
belemmeren.
3. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de
krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend,
tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is
wordt in ieder geval bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid,
een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;
c. de reistijd naar en van het werk;
d. het geboden loon;
e. het werkloosheidsrisico.
4. Onze Minister is verantwoordelijk voor het in overleg met de
belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar
en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn
opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de onderdelen van het plan;
b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten
anders dan begeleiding;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan
opstelt.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:
a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en
daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de wedde,
bedoeld in artikel 8;
b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a.
6. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie
maanden na het aftreden van de belanghebbende.
Artikel 7b
1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 7a,
verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van
passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2. Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in
de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het
gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als
minister per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in
het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige
ondersteuning uitvoert.
Artikel 7c
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 7a of 7b
geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit
Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de
uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding
van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze
wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
Artikel 8. Bedrag van de uitkering
1.De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens
70% van de laatstelijk als minister genoten wedde.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten
wedde verstaan de wedde, de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering waarop de belanghebbende aanspraak had op de dag
voorafgaande aan de dag waarop hij als minister is ontslagen.
3.Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging
aanbrengen wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten
wedde voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van
ingang van de bezoldigingswijziging door Onze Minister
overeenkomstig de wijziging aangepast.
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8a
1.Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
inachtneming van artikel 11, de uitkering voor de duur van de
invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 8b.
2.Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet
is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met
soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3.Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
4.Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende
meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er
bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van
uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
5.Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de
uitkering niet voortgezet.
Artikel 8b
1.De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in
het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde
en het vijfde lid van dit artikel.
2.De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten wedde, bedoeld
in artikel 8, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van
deze wedde bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van
die wedde bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3.De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half jaar;
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4.De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van
het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten wedde,
bedoeld in artikel 8, en het minimumloon.
5.Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e
jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van
voortzetting van de uitkering.
6.Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en
minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23
jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd
geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de
daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet.
7.De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering,
indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
vastgestelde percentage van de laatstelijk als minister genoten
wedde.
8.De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage
van de laatstelijk als minister genoten wedde.
9.In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister
genoten wedde, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor
een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.
10.Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een
algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene
invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit
van 25% tot 55%: 37%.
11.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106,
eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging,
bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de
gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig
is, kenbaar dient te maken.
12.Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te
zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 9, minder bedraagt dan het
minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en
het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van
het minimumloon.
Artikel 8c
1.De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 8a, geschiedt
op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer
dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening
of intrekking van de uitkering.
2.Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor
het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een
aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die
termijn.
3.Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de
belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in
het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
4.Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende
aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet
tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
5.Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te
zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het
tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt
ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6.Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze
die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn
afgelopen.
7.Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen
invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan
wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid
genoemde termijn van drie jaar.
Artikel 8d
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de
eerste maal met toepassing van artikel 8a is voortgezet, doet Onze
Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als
gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene
invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van
de uitkering.
2. Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen
invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal
gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
3. Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de
belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate
van algemene invaliditeit.
4. Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is
ingekomen;
b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot
wijziging is genomen.
5. De toepassing van artikel 8a wordt ten aanzien van een
belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een
uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek
door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter
beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene
invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit
voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid
geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze
arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, kan worden
aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over
te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats
over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de
eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als
bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt
geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen
inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van
de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin
bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede
lid.
Artikel 8e
1.Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek
instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter
beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed
algemene invalide is als bedoeld in artikel 8a, tweede lid.
2.Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is
ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
Artikel 9. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
1. De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden met de
uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking
hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten
verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
verrichten van activiteiten geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van
de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens
voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen
3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering,
vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, waarvan
de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt
voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 7c, eerste
lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
4. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is
of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de
premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft
deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten
beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover
de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen
voor 1 juni 1985.
5. Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de
voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, zesde lid, en artikel
8a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten
wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
Artikel 9a
1.De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige
activiteiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, terstond
mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover
mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal
trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van
de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten
of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere
voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de
belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel
9, tweede lid.
2.Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat
de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een
vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder
voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is artikel 9 van toepassing, met
dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin
bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand
afzonderlijk.
3.Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de
vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
4.De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het
aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen,
die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen,
omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de
uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Artikel 10
1.De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse
termijnen betaald.
2.De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet
of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen
op grond van artikel 9a.
Artikel 11. Einde en verval van de uitkering
1.De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop
de gewezen minister is overleden.
2.De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de leeftijd van
65 jaar bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister
wordt;
c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid
voordoet, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b. Zodra die
omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
3.De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard
indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van
artikel 9a.
4.Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering
vervallen verklaren, indien de gewezen minister:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal
oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons
oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt
beschouwd onwaardig heeft gedragen.
Artikel 12. Uitkering bij overlijden
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister
wordt aan de weduwe of weduwnaar, van die de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
uitkering over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de
kinderbijslag voor het eerste en tweede kind waarop de gewezen
minister ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet op de dag van het
overlijden recht had.
2.Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan
geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag,
ten behoeve van de minderjarige kinderen die in familierechtelijke
betrekking stonden tot de overledene, of minderjarige kinderen
waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk
van enige verplichting daartoe of van het genieten van een
vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt
de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de
overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen,
broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3.Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en
tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de
betaling van die kosten ontoereikend is.
Hoofdstuk 4. Het eigen pensioen
Artikel 13. Het recht op eigen pensioen
1.Een minister heeft na zijn ontslag recht op pensioen, indien hij
op de dag van ingang van het ontslag de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, tenzij hij op dat tijdstip wederom als minister optreedt.
2.Een minister wie ontslag is verleend vóór het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar, verkrijgt recht op pensioen bij het bereiken
van die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip wederom het ambt van
minister vervult.
Artikel 13a. Bedrag van het eigen pensioen per dienstjaar
1. Het pensioen bedraagt voor ieder dienstjaar als minister 2
percent van de daarvoor geldende pensioengrondslag, volgens een of
meer van de artikelen 14, 14a en 14aa. Voor de toepassing van die
artikelen wordt verstaan onder wedde: de laatstelijk genoten wedde,
bedoeld in artikel 8, tweede lid, aangepast volgens de regels,
bedoeld in artikel 105, derde lid.
2. In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de wedde de
verhoging van de wedde per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de
voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen
1993.
3. Als diensttijd telt mee de tijd met recht op uitkering. Het
pensioen over die tijd wordt berekend naar 2 percent per jaar over
de eerste vier jaren van het recht op uitkering dan wel over de
volledige tijd met recht op uitkering indien die tijd minder is dan
vier jaren en vervolgens naar 1 percent per jaar. In het geval van
een uitkering als bedoeld in artikel 8a, wordt het pensioen over de
tijd met recht op uitkering berekend naar 2 percent per jaar voor
zover en voor zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55
percent of meer bedraagt. Voor de toepassing van de vorige volzin
wordt een uitkering als bedoeld in artikel 7 aangemerkt als een
uitkering als bedoeld in artikel 8a, indien en zolang de
belanghebbende tijdens de duur van de eerstbedoelde uitkering voor
55 percent of meer algemeen invalide is.
4. In afwijking van het derde lid wordt het pensioen over de in dat
lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid
toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de
uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als
bedoeld in artikel 9. Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in
het derde lid vindt plaats:
a. voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering
wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 tot nihil
is verminderd;
b. in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering, maar die
minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 106 berekende
inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor
draagt dat het bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval
als een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende daarom verzoekt.
5. Indien voor de pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd als
minister en als staatssecretaris voor het pensioen meetellen, wordt
over elk van die tijden een afzonderlijk pensioen berekend. De som
van die pensioenen wordt als een eenheid toegekend.
6. De minister en de gewezen minister hebben bij ingang van het
pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent
te verhogen, voorzover het is berekend over diensttijd die is
gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens
artikel 22 voor de berekening van het nabestandenpensioen in
aanmerking wordt genomen.
7. Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het zesde lid,
vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na
30 juni 1999.
8. De keuze, bedoeld in het zesde lid, kan slechts worden gedaan met
toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner. Onze
Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het doen van
de keuze.
9. De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag
waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk.
Artikel 14. Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw
algemeen pensioen
1. Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de wedde.
2. De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid
vermenigvuldigd met 100/110 indien deze laatstelijk is genoten
tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. De aldus vastgestelde
pensioengrondslag is echter niet lager dan de wedde verminderd met
€ 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008 € 4.434,37] . Het bedrag van
€ 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008 € 4.434,37] wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro’s, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
3. De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid
vermenigvuldigd met een debruteringsfactor overeenkomstig artikel
14a, tweede lid, indien deze laatstelijk is genoten na 31 december
1994. Op het aldus gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel
van toepassing.
4. Hoofdstuk 17 is van toepassing op het pensioen, indien of
voorzover berekend over de in het eerste lid bedoelde tijd.
Artikel 14a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1
januari 1995
1. Voor tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 is de
pensioengrondslag de wedde verminderd met een bedrag, genaamd
franchise.
2. De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid
vermenigvuldigd met een debruteringsfactor indien deze laatstelijk
is genoten na 31 december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de
teller honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het
percentage waarmee het inkomen als minister per 1 januari 1995
uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994
tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
(onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke
franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is gewijzigd.
3. De in het eerste lid bedoelde franchise is:
a. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de
Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende
maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een
gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen
ontstaat;
b. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de
Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende
maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een
ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen
ontstaat.
4. In de in het derde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de
bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet
recht bestaat.
5. Wanneer de in het derde lid bedoelde bedragen op grond van
persoonlijke omstandigheden worden gewijzigd, wordt de
pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat,
onverminderd artikel 14c, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop
de bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.
Artikel 14aa
Artikel 14a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december
1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld.
Artikel 14b. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31
december 1985 en 1 januari 1995
1. De gepensioneerde minister heeft recht op een toeslag op zijn
pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
franchise bedoeld in artikel 14a, derde lid, onderdeel a, en indien
de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen
meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt
met kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van
enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op
laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van
recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde minister wordt
aangemerkt.
3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
berekening van het pensioen meetellend jaar binnen de samenlopende
kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel 14a,
derde lid, onder a.
4. De toeslag wordt slechts toegekend op verzoek en gaat in op de
dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is
opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is
ingediend.
5. Voor de toepassing van hoofdstuk 5 wordt de toeslag ingevolge dit
artikel niet onder pensioen begrepen.
Artikel 14c. Verstrekken van inlichtingen
1.Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder
medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering,
ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht
op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een
pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór
1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze
Minister.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging
van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet
vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging
ambtshalve plaatsvond.
3.In bijzondere gevallen kan Onze Minister het tweede lid buiten
toepassing laten.
Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 15
1.De nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerd
minister heeft recht op pensioen.
2.In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op
nabestaandenpensioen:
a. indien het huwelijk is gesloten nadat de gepensioneerde minister
de leeftijd van 65 jaar had bereikt;
b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van
de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de
overledene is gelegen na 31 juli 2003;
c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en
de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13a, vijfde lid.
3.Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen
minister de gewezen minister met recht op uitkering als bedoeld in
artikel 6.
Artikel 16 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 17. Bijzonder nabestaandenpensioen
1.Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met
wie een overleden minister, gewezen minister of gepensioneerd
minister gehuwd is geweest, mits:
a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien
de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag
van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de
inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de
echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken
met toepassing van het voor genoemd tijdstip geldende recht.
2.Eveneens heeft recht op bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of
man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister, de
gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag van eindigen
van de aanmelding zou zijn overleden.
3.In afwijking van het het eerste en het tweede lid bestaat geen
recht op bijzonder nabestaandenpensioen:
a. indien de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister en
de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij
huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van
het huwelijk of de aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen
met of aanmelding door dezelfde minister wegens diens overlijden
recht op nabestaandenpensioen heeft;
c. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de
leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de
overledene is gelegen na 31 juli 2003;
d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en
de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13a, vijfde lid.
Artikel 18
Na het overlijden van een minister, gewezen minister of
gepensioneerd minister hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen
die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en
niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of
partij geweest zijn bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of
geadopteerd voor zijn ontslag is ingegaan of in de periode waarin
hij recht heeft op uitkering ter zake van het ontslag.
Artikel 19
Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke minister, gewezen
of gepensioneerde minister ten tijde van zijn overlijden een
onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een
dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde
voorwaarden als genoemd in artikel 18 recht op wezenpensioen.
Artikel 20
1.Kinderen voor welke de minister, gewezen minister of
gepensioneerde minister ten tijde van zijn overlijden de
pleegouderlijke zorg droeg, hebben onder dezelfde voorwaarden als
genoemd in artikel 18, recht op wezenpensioen met dien verstande dat
in plaats van het tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van
aanvang van de pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.
2.Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het vorige lid wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind,
als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
Artikel 21. Tijdelijk pensioen
1.Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister
naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die
aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op
tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen
van dit hoofdstuk is omschreven.
2.Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend
pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 22. Nabestaandenpensioen
1.Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het
pensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou
hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn
overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als
zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van
artikel 15, tweede lid, onder b en c.
2.In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
nabestaande van hem die overlijdt:
a. als minister vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar,
vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop die minister aanspraak
zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van
evengenoemde leeftijd zou hebben bekleed;
b. als gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is
toegekend, vijf zevende deel van het pensioen waarop de gewezen
minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering zou hebben
gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het pensioen
de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van
diensttijd op de dag van overlijden.
3.Indien wegens eenzelfde sterfgeval voor een nabestaande recht
ontstaat zowel op nabestaandenpensioen krachtens deze afdeling als
op een nabestaandenpensioen krachtens of op de voet van de derde of
vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de eigen
pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid, tijd,
die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de
berekening van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk
gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts
medegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het
hoogste bedrag oplevert.
4.Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van
het eigen pensioen voor zover artikel 14a daarop van toepassing is,
in alle gevallen gerekend met de franchise bedoeld in artikel 14a,
derde lid onder a.
5.Het nabestaandenpensioen wordt verminderd indien de nabestaande
meer dan tien jaar jonger was dan de overledene en het huwelijk dan
wel de aanmelding op de dag van overlijden nog geen vijf jaar heeft
geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat
het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.
Artikel 22a
1. De nabestaande die jonger is dan 65 jaar maar geen recht heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft
recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen,
indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31
december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent
van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar
waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.
3. De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40
jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van
12 maanden.
4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht
daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid,
vanaf 1 juli 1999.
5. Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande
65 jaar wordt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande
hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als
bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.
Artikel 22b
1. De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt
gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22
berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over
diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het
tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is
toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met
ingang van die vermindering.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent
van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag
herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die
wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het
verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van
het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief
zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels,
bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere vaststelling van de verminderdering van een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4. Artikel 22a, vierde en vijfde lid, zijn mede van toepassing op de
toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 22c
1.De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet en op 1 januari 1998 55 jaar of ouder
is, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende
pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na
31 december 1985, indien en voor zo lang hij recht heeft op een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die
krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1
januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de
nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon
onafgebroken ongehuwd samenwoont.
2.De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent
van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag
herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder
vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet
meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde
bedrag.
De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming
van de vanaf die datum geldende bedragen krachtens de Algemene
nabestaandenwet en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van
1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van die
bedragen.
3.Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande
de 65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande
trouwt of partij is bij een aanmelding;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering
van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4.Artikel 22a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22b is niet van toepassing.
Artikel 23. Bijzonder nabestaandenpensioen
1.Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte
van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van de minister,
gewezen minister of gepensioneerd minister zou zijn berekend indien
deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde
van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben
verkregen;
b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde
dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 17,
derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1
augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen.
2.Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder
nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 17, eerste of tweede
lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding
waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding
voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die samenloopt of geacht
kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van
de aanmelding.
3.Artikel 22, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat
aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan
verminderd.
Artikel 24. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding
Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of
wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang
van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor
pensioen in aanmerking komende diensttijd van de minister, de
gewezen minister of de gepensioneerde minister in aanmerking
genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.
Artikel 25. Wezenpensioen
1.Het wezenpensioen bedraagt:
a. voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de minister,
gewezen minister of gepensioneerd minister recht op pensioen
ontleent, een zevende gedeelte;
b. voor elk ander kind, twee zevende gedeelte, van het pensioen van
de overledene, berekend overeenkomstig artikel 22.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
begrepen de nabestaande, die op het tijdstip van zijn overlijden de
pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 20.
Artikel 25a
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
over diensttijd na 31 december 1985.
2. De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn volgens
artikel 25 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht heeft op
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. Deze
toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
wezenpensioen tellend jaar:
a. voor de wees, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, 0,375
percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de
nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar
waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de
daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;
b. voor de wees bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, 0,75
percent van het onder a bedoelde jaarbedrag.
3. Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede
lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan Onze Minister. De
toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de
maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag
ambtshalve is toegekend.
4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht
daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.
Artikel 26
1.Onze Minister maakt een herberekening van het wezenpensioen
overeenkomstig de artikelen 25 en 25a, wanneer het
nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de
ouder wegens diens overlijden is geëindigd.
2.Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 24
wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw wordt vastgesteld,
verhoogt Onze Minister het wezenpensioen bedoeld in artikel 25,
eerste lid, onder a, met een bedrag, dat zich verhoudt tot het
bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het
nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 22, vóór en na toepassing
van artikel 24 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die
toepassing.
3.Voor de toepassing van dit artikel is artikel 25, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 27. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen
1.Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag
gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die
pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2.Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen
worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar
de omvang van die pensioenen.
3.Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in
artikel 27b, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 27a. Toeslag op nabestaandenpensioen
1. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat
pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van
7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens
het bepaalde in het tweede en vierde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17
toepassing heeft gevonden.
3. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die
recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens
nabestaandenpensioen wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw is
vastgesteld.
4. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 €
38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari
1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 27b. Toeslag op wezenpensioen
1. De wees bedoeld in artikel 25 heeft vanaf de eerste dag van de
maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, recht
op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende
pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat pensioen,
behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17
toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 €
38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari
1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 28. Tijdelijk pensioen
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou
bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
overleden.
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
Artikel 29. Verval van uitzicht of recht op pensioen
Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht
op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat
uitzicht of recht heeft:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal
oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons
oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt
beschouwd onwaardig heeft gedragen.
Artikel 30. Herstel van uitzicht op pensioen
In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een
door of als gevolg van de toepassing van artikel 29 vervallen
uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.
Artikel 31. Verval van recht op pensioen bij het niet-invorderen
1.Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf
achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.
2.Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van
de toepassing van het vorige lid vervallen recht of uitzicht op
pensioen herstellen.
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 34. Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of
aanmelding
1.Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is
toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere
regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding
eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens
deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende
tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij
die tijd het hoogste bedrag oplevert.
2.Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of
ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste
van de Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in
Nederland of in evengenoemd land, dan wel ten laste van een door het
openbaar gezag in Nederland of in dat land ingesteld fonds.
Artikel 34a. Samenloop van wezenpensioenen
1.Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij
krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna
eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij
krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor
de berekening van de eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen
zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd
slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die
tijd het hoogste bedrag oplevert.
2.Artikel 34, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 35. Intrekking wet van 1 augustus 1956, Stb. 455
1.Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt op het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ingetrokken de wet van
1 augustus 1956, Stb. 455, houdende nadere regeling tot het
toekennen van uitkering en van pensioen aan gewezen ministers,
staatssecretarissen, leden van gedeputeerde staten ener provincie en
wethouders ener gemeente, zomede van een pensioen aan hun weduwen en
wezen, alsmede de overgangsbepalingen van die wet.
2.Artikel 4 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, blijft van
toepassing tot 1 januari 1969.
3.Artikel 14, onder a, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455,
blijft van toepassing tot het in artikel 167, eerste lid, bedoelde
tijdstip.
4.Te rekenen van 1 september 1956 af wordt in de opsomming van
artikelen in de aanhef van artikel 50, eerste lid, van de wet van 1
augustus 1956, Stb. 455, ingevoegd: 14, onder a.
Artikel 36
De wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 35 blijven van kracht
voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op grond van die
bepalingen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn
gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog niet is
voldaan.
Artikel 36a
1. De artikelen 7, derde en vierde lid, en 7a tot en met 7c zijn
niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is
ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepalingen. In
dat geval wordt in artikel 7, eerste lid, voor «vier jaren»
gelezen: zes jaren.
2. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 7a tot en met 7c het ambt van
minister vervult en geen ambt bekleedt in het na de eerstvolgende
verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer aantredende kabinet,
zijn de artikelen 7a tot en met 7c niet van toepassing. In dat geval
wordt in artikel 7, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen: zes
jaren.
Artikel 37. Toepasselijkheid van deze wet
De met ingang van een datum voorafgaande aan het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, aan ontslagen ministers en aan
weduwen en wezen van ministers, gewezen ministers en gepensioneerde
ministers toegekende uitkeringen en pensioenen worden met ingang van
dat tijdstip geacht krachtens deze wet te zijn toegekend.
Artikel 38. Keuze-bepaling
1. Met inachtneming van het volgende lid zullen de artikelen 6 tot
en met 14 van deze wet geen toepassing vinden en in de plaats
daarvan zullen de daarmede overeenkomende artikelen van Ons besluit
van 31 oktober 1952, Stb. 543, en van de Pensioenwet 1922, Stb. 240,
alsmede artikel 68, vierde lid, van laatstgenoemde wet, zoals deze
artikelen luidden op 31 augustus 1956, van overeenkomstige
toepassing zijn ten aanzien van hem, die op 31 augustus 1956 het
ambt van minister bekleedde en daartoe binnen zes maanden na het
tijdstip, waarop hem ontslag wordt verleend, schriftelijk aan Onze
Minister de wens te kennen geeft.
2. Ten aanzien van de belanghebbende, die de in het vorige lid
bedoelde wens heeft kenbaar gemaakt, wordt met ingang van de dag
waarop hem pensioen als gewezen minister wordt toegekend, over de
tijd voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet
1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als
diensttijd in aanmerking kwam, op de voet van de Algemene
burgerlijke pensioenwet ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds pensioen toegekend.
3. Pensioenen die ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds zijn toegekend op grond van artikel 52, tweede lid,
van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, worden voor zover het
recht op dat pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet herberekend op de voet van de
bepalingen van de Algemene burgerlijke pensioenwet, indien zulks
voor de belanghebbende voordeliger is.
4. In de gevallen waarin de tijd voorafgaand aan het ministerschap,
die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals die wet op 31
december 1965 luidde, als diensttijd in aanmerking kwam en geacht
moet worden met pensioen te zijn vergolden hoewel dit niet tot een
afzonderlijk pensioen ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds heeft geleid omdat het pensioen als gewezen minister
reeds het geldende maximum als bedoeld in artikel 68, derde lid, van
die wet, zoals dit artikel op 31 augustus 1956 luidde, had bereikt,
wordt met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet, over eerstbedoelde tijd ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds op de voet van de bepalingen van de Algemene
burgerlijke pensioenwet pensioen toegekend.
Artikel 39. Het bedrag van de uitkering (behoort bij hoofdstuk 3)
1.Ten aanzien van de gewezen minister aan wie een uitkering is
toegekend ter zake van een ontslag als zodanig ná 31 december 1963
doch vóór 1 september 1966, wordt het bedrag van de uitkering, na
aftrek van de eventueel daarop toegepaste vermindering wegens
inkomsten, verhoogd met een compensatie van de premie die ingevolge
de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet van de
uitkering wordt geheven, van 5,6 ten honderd van bedoeld bedrag over
het jaar 1964 en daarna van 7,1 ten honderd van bedoeld bedrag, met
inachtneming van de desbetreffende maximale grens.
2.Ten aanzien van uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een
ontslag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet,
blijft het bepaalde in artikel 3, eerste lid, en artikel 8, eerste
lid, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, van kracht.
3.Uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag voor het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, worden te rekenen van
1 januari 1969 of het latere tijdstip waarop de uitkering is
ingegaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 herzien.
Artikel 40. Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk
4)
Pensioenen toegekend ter zake van een ontslag verleend met een
ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1964 worden afgeleid van de
laatstelijk als minister genoten wedde, nadat daarop in mindering is
gebracht een zodanig gedeelte van de ter zake van die wedde
berekende premie, als bedoeld in artikel 23 van de Algemene
Ouderdomswet, als geacht moet worden door wedde-verhoging te zijn
gecompenseerd.
Artikel 41. Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij
hoofdstuk 5, § 1)
1.Aan de weduwe wier weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is
geëindigd op grond van artikel 22 van de wet van 1 augustus 1956,
Stb. 455, of op grond van het vierde lid wordt op haar verzoek aan
Onze Minister opnieuw weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk,
anders dan door opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt
ontbonden.
Indien haar ter zake van het latere huwelijk eveneens pensioen
toekomt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere
regeling, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, wordt het opnieuw
toe te kennen pensioen berekend met overeenkomstige toepassing van
artikel 24 en artikel 34, eerste lid, tenzij toekenning van een
dezer pensioenen, waarbij het recht op het andere pensioen vervalt,
tot een hoger bedrag leidt. De vorige volzin vindt overeenkomstige
toepassing, indien de weduwe ter zake van het latere huwelijk recht
op bijzonder weduwenpensioen verkrijgt.
2.Bij toekenning aan de weduwe van weduwenpensioen ingevolge het
vorige lid wordt het wezenpensioen van haar kinderen, als bedoeld in
artikel 25, eerste lid, eerste volzin, nader vastgesteld
overeenkomstig het bepaalde in dat artikel en met inachtneming van
artikel 26, tweede lid, indien artikel 24 overeenkomstige toepassing
vindt bij de berekening van het weduwenpensioen.
3.Het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen en het nader
vastgestelde wezenpensioen gaan in met de dag volgende op die van de
ontbinding van het huwelijk. Herberekening van de pensioenen
ingevolge de laatste volzin van het eerste lid geschiedt met ingang
van de dag, waarop het bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou
ingaan.
4.In afwijking van artikel 24 eindigt een ingevolge het eerste lid
opnieuw toegekend weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met
een man, met wie zij vóór 1 januari 1966 reeds gehuwd is geweest,
met ingang van de maand volgende op die waarin zij hertrouwt.
Artikel 41a
Indien krachtens artikel U 31a van de Algemene burgerlijke
pensioenwet of een in strekking met dat artikel overeenkomende
bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen bestaat en voor
het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter zake van een
eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van
1 augustus 1956 (Stb. 455), wordt laatstbedoeld pensioen met ingang
van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat, nader vastgesteld
met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 26, tweede
lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van toepassing.
Artikel 42
Aan de weduwe en wezen van de gewezen minister aan wie op grond van
artikel 54 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, geen pensioen
is toegekend, wordt over de tijd voorafgaand aan het ministerschap,
die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals die wet op 31
december 1965 luidde, als diensttijd in aanmerking kwam, met ingang
van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ten laste van
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds pensioen toegekend op de voet
van de bepalingen van de Algemene burgerlijke pensioenwet, met dien
verstande dat artikel U 37 van laatstbedoelde wet niet van
toepassing is.
Artikel 43
1.Op verzoek wordt weduwenpensioen of wezenpensioen toegekend aan de
weduwe, die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
niet dan wel op dat tijdstip niet meer is hertrouwd,
onderscheidenlijk aan de kinderen, die recht op weduwenpensioen of
wezenpensioen hadden gehad, indien artikel 15 had gegolden op het
tijdstip van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden
ontlenen.
2.Indien voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter
zake van een ander huwelijk reeds recht op pensioen bestond
krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), wordt het pensioen,
waarop ter zake van het eerdere huwelijk krachtens de wet van 1
augustus 1956 (Stb. 455) recht bestond dan wel krachtens het vorige
lid recht bestaat, met ingang van de dag, waarop het krachtens het
vorige lid toe te kennen pensioen ingaat, nader vastgesteld dan wel
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel
26, tweede lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van toepassing.
3.Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, indien ter zake
van een ander huwelijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet reeds recht op pensioen bestond krachtens een andere
regeling als bedoeld in artikel 20a, tweede lid, van de wet van 1
augustus 1956 (Stb. 455), dan wel recht op pensioen bestaat
krachtens een in strekking met het eerste lid overeenkomende
bepaling in andere pensioenwetten.
4.Toekenning van pensioen krachtens het eerste lid vindt niet
plaats, indien toepassing van het tweede lid of van het derde lid
zou leiden tot een gezamenlijk bedrag aan pensioen lager dan het
bedrag van het pensioen, waarop reeds recht bestond.
5.[Vervallen.]
6.De in het eerste lid bedoelde pensioenen gaan in op het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien
het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel
167, eerste lid, is gedaan, zij niet vroeger ingaan dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 44 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 45
1.Op verzoek wordt wezenpensioen toegekend aan het kind dat de
leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt en niet
gehuwd is of gehuwd geweest is dat recht op zodanig pensioen had
gehad, indien de artikelen 19 en 20 hadden gegolden op het tijdstip
van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden ontlenen.
2.[Vervallen.]
3.Het in het eerste lid bedoelde pensioen gaat in op het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien
het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel
167, eerste lid, is gedaan, het niet vroeger ingaat dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 46. De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort
bij hoofdstuk 5, § 2)
De pensioenen toegekend aan weduwen en wezen van ministers, gewezen
ministers of gepensioneerde ministers worden, voor zover het recht
op pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet herberekend overeenkomstig artikel 22
onderscheidenlijk 25, met inachtneming van artikel 27, indien dit
voor de belanghebbende voordeliger is. Bij de herberekening worden
onder een uitkering als bedoeld in artikel 6 mede begrepen
uitkeringen, toegekend aan gewezen ministers krachtens aan deze wet
voorafgaande uitkeringsregelingen.
Artikel 47
De weduwen- en wezenpensioenen toe te kennen uit hoofde van een
overlijden op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet van degenen, die zich krachtens artikel 50 van de wet van 1
augustus 1956, Stb. 455, hebben uitgesproken voor de berekening van
hun pensioen krachtens het bepaalde in artikel 68, tweede lid, van
de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31
augustus 1956, worden berekend overeenkomstig artikel 22,
onderscheidenlijk 25, indien dit voor de belanghebbende voordeliger
is.
Artikel 48. Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 6)
Voor de termijn van vijf achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel
31, eerste lid, telt mede de tijd voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, gedurende welke de invordering van
het pensioen achterwege is gebleven.
Artikel 49. Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 7)
1.Pensioenen ten aanzien waarvan artikel 11 of 20a van de wet van 1
augustus 1956, Stb. 455, toepassing heeft gevonden, worden,
onverminderd de artikelen 93 en 94 zoals deze luidden op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en met inachtneming van
het volgende lid, met ingang van het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet of het later tijdstip waarop zij zijn
ingegaan, nader vastgesteld zonder de in eerstgenoemde artikelen
vervatte beperking.
2.De nadere vaststelling bedoeld in het vorige lid geschiedt
zodanig, dat niet daadwerkelijk gelijktijdig vervulde diensttijd
slechts wordt medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij
die tijd het hoogste bedrag oplevert. Bij de toepassing van de
vorige volzin wordt onder pensioen tevens verstaan een pensioen
krachtens een andere regeling bedoeld in artikel 34, tweede lid.
3.De voorgaande leden vinden slechts toepassing, indien tengevolge
daarvan de som van de pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben
bedragen, indien de op de dag voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet van kracht geweest zijnde bepalingen
van toepassing zouden zijn gebleven. Indien krachtens de voorgaande
volzin geen nadere vaststelling der pensioenen plaatsvindt, is op
het totaal der pensioenen artikel 105 van toepassing.
Derde afdeling. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Artikel 50. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde
wordt verstaan onder:
a. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
b. gewezen kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen
krachtens deze afdeling;
c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als
lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal recht heeft op pensioen
krachtens deze afdeling;
d. kamerlidtijd: tijd, gedurende welke belanghebbende als lid van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover
schadeloosstelling is genoten;
e. berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het
aftreden geldende schadeloosstelling en aanspraak op
eindejaarsuitkering, bedoeld in de artikelen 2 en 2b van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer, waarbij de evenbedoelde
aanspraak wordt berekend over de schadeloosstelling, bedoeld in
artikel 2 van de evengenoemde wet, verminderd met het in dat artikel
bedoelde percentage van de vakantie-uitkering.
Artikel 50a
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde
wordt tevens als kamerlidtijd aangemerkt een periode van tijdelijk
ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge
artikel X 10 van de Kieswet.
2.Deze wet is niet van toepassing op het kamerlid dat is benoemd in
de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag
van een lid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge
artikel X 12 van de Kieswet.
Hoofdstuk 10. De uitkering
Artikel 51. Het recht op uitkering
1. Aan een kamerlid wordt met ingang van de dag van zijn aftreden,
indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een
uitkering toegekend op de voet van de volgende artikelen.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing:
a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder
onderbreking weer als kamerlid optreedt;
b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te
rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of
langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens
artikel 52, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de
dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de
resterende duur.
4. Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet,
wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 52. Duur van de uitkering
1. De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd
waarin de belanghebbende kamerlid is geweest, maar ten minste voor
de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van vier jaren.
Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen kamerlid is
geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij
kamerlid is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden,
waarin zijn kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van
dat tijdvak is onderbroken.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor
de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie
maanden kamerlid is geweest.
3. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden de leeftijd
van 55 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat
direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren kamerlid
is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop
hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Indien de belanghebbende
gedurende een onderbreking van zijn kamerlidmaatschap in een tijdvak
als evenbedoeld minister is geweest, wordt dat tijdvak verlengd met
de duur van de tijd waarin hij minister was.
4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste
lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd
waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd
waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2,
tweede lid, onder a en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd
als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op
dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening
gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede
begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap
niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de
vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid
is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de
schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten.
6. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens
artikel 56, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering
toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde
uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
7. In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord,
bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met
inachtneming van artikel 56 vast te stellen termijn, die op dezelfde
wijze kan worden verlengd.
Artikel 52a
1. De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel 51, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn
inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid
belemmeren.
3. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden
van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid,
een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;
c. de reistijd naar en van het werk;
d. het geboden loon;
e. het werkloosheidsrisico.
4. Onze Minister is verantwoordelijk voor het in overleg met de
belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar
en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn
opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de onderdelen van het plan;
b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten
anders dan begeleiding;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan
opstelt.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:
a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en
daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53;
b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a.
6. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie
maanden na het aftreden van de belanghebbende.
Artikel 52b
1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 52a,
verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van
passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2. Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in
de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het
gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53, tweede lid. De
verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het
eerste lid, wordt volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige
ondersteuning uitvoert.
Artikel 52c
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 52a of 52b
geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit
Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de
uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding
van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze
wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
Artikel 52d
De voordracht voor een krachtens de artikelen 52a, 52b of 52c vast
te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan
dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 53. Bedrag van de uitkering
1.De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens
70% van de berekeningsgrondslag.
2.Indien de belanghebbende op de dag voor zijn aftreden als kamerlid
de verhoging of een toelage genoot, bedoeld in artikel 12, eerste
lid, respectievelijk artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer, wordt de berekeningsgrondslag
verhoogd met het bedrag van die verhoging respectievelijk toelage,
inbegrepen de daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering.
3.Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging
aanbrengen wordt de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd
ingevolge het tweede lid, voor de toepassing van het eerste lid met
ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging door
Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 53a
1.Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
inachtneming van artikel 56, de uitkering voor de duur van de
invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 53b.
2.Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet
is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met
soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3.Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
4.Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende
meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er
bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van
uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
5.Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de
uitkering niet voortgezet.
Artikel 53b
1.De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in
het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde
en het vijfde lid van dit artikel.
2.De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en
aangepast volgens artikel 53, bij een algemene invaliditeit van 80%
of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene
invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij
een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3.De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4.De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van
het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en
aangepast volgens artikel 53, en het minimumloon.
5.Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e
jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van
voortzetting van de uitkering.
6.Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en
minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23
jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd
geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de
daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet.
7.De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering,
indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel
verhoogd en aangepast volgens artikel 53.
8.De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage
van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens
artikel 53.
9.In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag,
eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, indien de
belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de
inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.
10.Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een
algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene
invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit
van 25% tot 55%: 37%.
11.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106,
eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging,
bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig
is, kenbaar dient te maken.
12.Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te
zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 54, minder bedraagt dan het
minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en
het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van
het minimumloon.
Artikel 53c
1.De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 53a,
geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van
niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde
over herziening of intrekking van de uitkering.
2.Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor
het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een
aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die
termijn.
3.Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de
belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in
het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
4.Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende
aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet
tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
5.Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te
zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het
tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt
ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6.Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze
die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn
afgelopen.
7.Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen
invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan
wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid
genoemde termijn van drie jaar.
Artikel 53d
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de
eerste maal met toepassing van artikel 53a is voortgezet, doet Onze
Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als
gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene
invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van
de uitkering.
2. Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen
invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal
gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
3. Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de
belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate
van algemene invaliditeit.
4. Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is
ingekomen;
b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot
wijziging is genomen.
5. De toepassing van artikel 53a wordt ten aanzien van een
belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een
uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek
door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter
beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene
invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit
voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid
geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze
arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid, kan worden
aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over
te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats
over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de
eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als
bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt
geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen
inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de
tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde
arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid.
Artikel 53e
1.Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek
instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter
beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed
algemene invalide is als bedoeld in artikel 53a, tweede lid.
2.Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is
ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
Artikel 54. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
1. De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden met de
uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking
hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten
verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
verrichten van activiteiten geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van
de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens
voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen
3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering,
vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is
afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van
de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde
inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een
uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of
uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering
krachtens de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden
Europees Parlement, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld
wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering
krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of
uitkering in aanmerking komt.
4. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is
of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de
premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft
deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten
beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover
de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen
voor 1 juni 1985.
5. Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de
voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel
53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn
genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
Artikel 54a
1.De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige
activiteiten als bedoeld in artikel 54, tweede lid, terstond
mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover
mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal
trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van
de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten
of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere
voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de
belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in
artikel 54, tweede lid.
2.Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat
de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een
vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder
voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde
termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met
dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin
bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand
afzonderlijk.
3.Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de
vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
4.De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het
aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen,
die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen,
omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de
uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Artikel 55
1.De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse
termijnen betaald.
2.De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet
of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen
op grond van artikel 54a.
Artikel 56. Einde en verval van de uitkering
1.De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop
het gewezen kamerlid is overleden.
2.De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de leeftijd van
65 jaar bereikt;
b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als
kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement;
c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid
voordoet, bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder b. Zodra die
omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
3.De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard
indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van
artikel 54a.
Artikel 57. Uitkering bij overlijden
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het gewezen kamerlid
wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan
driemaal het bedrag der uitkering, dat over de laatste volle maand
aan het gewezen kamerlid is uitgekeerd.
2.Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan
geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of
minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg
droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van
een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan
geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van
ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van
deze betrekkingen.
3.Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en
tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de
betaling van die kosten ontoereikend is.
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
Artikel 58. Het recht op eigen pensioen
1.Een kamerlid heeft na zijn aftreden recht op pensioen, indien hij
op de dag van ingang van zijn aftreden de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, tenzij hij op dat tijdstip wederom als kamerlid optreedt.
2.Een kamerlid dat is afgetreden voor het bereiken van de leeftijd
van 65 jaar, verkrijgt recht op pensioen bij het bereiken van die
leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip wederom als kamerlid optreedt.
Artikel 58a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als kamerlid
1. Het pensioen bedraagt voor ieder jaar van de kamerlidtijd 2
percent van de daarvoor geldende pensioengrondslag, volgens een of
meer van de artikelen 59, 59a en 59aa. Voor de toepassing van die
artikelen wordt verstaan onder berekeningsgrondslag: de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e, aangepast
volgens de regels, bedoeld in artikel 105, derde lid.
2. In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de
berekeningsgrondslag de verhoging van de schadeloosstelling per 1
januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
3. Indien het gewezen kamerlid tevens is opgetreden als voorzitter,
ondervoorzitter dan wel als fractievoorzitter wordt het pensioen
voor ieder jaar dat het kamerlid als zodanig is opgetreden, verhoogd
met 1,75 percent van de laatstelijk uit dien hoofde genoten toelage
of verhoging van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 11,
eerste en tweede lid, en artikel 12, eerste lid, van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer, inbegrepen de daarover
geldende aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 2b van
die wet en aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105,
derde lid.
4. Als kamerlidtijd telt mee de tijd met recht op uitkering. Het
pensioen over die tijd wordt berekend naar 2 percent per jaar over
de eerste vier jaren van het recht op uitkering dan wel over de
volledige tijd met recht op uitkering indien die tijd minder is dan
vier jaren en vervolgens naar 1 percent per jaar. In het geval van
een uitkering als bedoeld in artikel 53a, wordt het pensioen over de
tijd met recht op uitkering berekend naar 2 percent per jaar voor
zover en voor zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55
percent of meer bedraagt. Voor de toepassing van de vorige volzin
wordt een uitkering als bedoeld in artikel 51 aangemerkt als een
uitkering als bedoeld in artikel 53a, indien en zolang de
belanghebbende tijdens de duur van de eerstbedoelde uitkering voor
55 percent of meer algemeen invalide is.
5. In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in dat
lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid
toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de
uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als
bedoeld in artikel 54. Geen meetelling van kamerlidtijd als bedoeld
in het vierde lid vindt plaats:
a. voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering
wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 54 tot
nihil is verminderd;
b. in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering, maar die
minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 106 berekende
inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor
draagt dat het bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval
als een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende daarom verzoekt.
6. Een kamerlid en een gewezen kamerlid hebben bij ingang van het
pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent
te verhogen, voorzover het is berekend over kamerlidtijd die is
gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens
artikel 67 voor de berekening van het nabestandenpensioen in
aanmerking wordt genomen.
7. Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het zesde lid,
vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na
30 juni 1999.
8. De keuze, bedoeld in het zesde lid, kan slechts worden gedaan met
toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner. Onze
Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het doen van
de keuze.
9. De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag
waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk.
Artikel 59. Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw
algemeen pensioen
1. Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de
berekeningsgrondslag.
2. De berekeningsgrondslag wordt voor de toepassing van het eerste
lid vermenigvuldigd met 100/110 indien de schadeloosstelling
laatstelijk is genoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. De
aldus vastgestelde pensioengrondslag is echter niet lager dan de
schadeloosstelling verminderd met € 2 867,89 [Red: per 1 januari
2008 € 4.434,37] . Het bedrag van € 2 867,89 [Red: per 1 januari
2008 € 4.434,37] wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro’s, op 1
januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
3. De berekeningsgrondslag wordt voor de toepassing van het eerste
lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor overeenkomstig
artikel 59a, tweede lid, indien de schadeloosstelling laatstelijk is
genoten na 31 december 1994. Op het aldus gevonden bedrag is het
tweede lid van dit artikel van toepassing.
4. Hoofdstuk 17 is van toepassing op het pensioen, indien of
voorzover berekend over de in het eerste lid bedoelde tijd.
Artikel 59a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1
januari 1995
1. Voor tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 is de
pensioengrondslag de berekeningsgrondslag verminderd met een bedrag,
genaamd franchise.
2. De berekeningsgrondslag wordt voor de toepassing van het eerste
lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor indien de
schadeloosstelling laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Deze
factor is de breuk, waarvan de teller honderd bedraagt en de noemer
de som is van honderd en het percentage waarmee het inkomen als
kamerlid per 1 januari 1995 uitsluitend ter uitvoering van artikel
II van de wet van 19 mei 1994 tot wijziging van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van
inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de
pensioenberekening) (Stb. 418) is gewijzigd.
3. De in het eerste lid bedoelde franchise is:
a. voor het gepensioneerde kamerlid dat voor de toepassing van de
Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende
maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een
gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen
ontstaat;
b. voor het gepensioneerde kamerlid dat voor de toepassing van de
Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende
maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een
ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen
ontstaat.
4. In de in het derde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de
bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet
recht bestaat.
5. Wanneer de in het derde lid bedoelde bedragen op grond van
persoonlijke omstandigheden worden gewijzigd, wordt de
pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat,
onverminderd artikel 59c, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop
de bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.
Artikel 59aa
Artikel 59a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december
1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld.
Artikel 59b. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31
december 1985 en 1 januari 1995
1. Het gepensioneerde kamerlid heeft recht op een toeslag op zijn
pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
franchise bedoeld in artikel 59a, derde lid, onderdeel a, en indien
de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen
meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt
met kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van
enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op
laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van
recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet als echtgenoot van het gepensioneerde kamerlid wordt
aangemerkt.
3. De in het eerste lid bedoeld toeslag bedraagt voor elk voor de
berekening van het pensioen meetellend jaar binnen de samenlopende
kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel 59a,
derde lid, onder a.
4. De toeslag wordt slechts toegekend op verzoek en gaat in op de
dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is
opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is
ingediend.
5. Voor de toepassing van hoofdstuk 5 wordt de toeslag ingevolge dit
artikel niet onder pensioen begrepen.
Artikel 59c. Verstrekken van inlichtingen
1.Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder
medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering,
ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht
op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een
pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór
1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze
Minister.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging
van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet
vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging
ambtshalve plaatsvond.
3.In bijzondere gevallen kan Onze Minister het tweede lid buiten
toepassing laten.
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 60
1. De nabestaande van een kamerlid, gewezen kamerlid of
gepensioneerd kamerlid heeft recht op pensioen.
2. In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op
nabestaandenpensioen:
a. indien het huwelijk is gesloten nadat het gepensioneerde kamerlid
de leeftijd van 65 jaar had bereikt;
b. bij overlijden van een gewezen kamerlid vóór het bereiken van
de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de
overledene is gelegen na 31 juli 2003;
c. bij overlijden van een gepensioneerd kamerlid, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en
de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 58a, zesde lid.
3. Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen
kamerlid het gewezen kamerlid met recht op uitkering als bedoeld in
artikel 51.
Artikel 61 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 62. Bijzonder nabestaandenpensioen
1. Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met
wie een overleden kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd
kamerlid gehuwd is geweest, mits:
a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien
het kamerlid, het gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid op de
dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van
het huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de
inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de
echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken
met toepassing van het voor genoemd tijdstip geldende recht.
2. Eveneens heeft recht op bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw
of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het kamerlid, het
gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid op de dag van eindigen
van de aanmelding zou zijn overleden.
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid bestaat geen recht
op bijzonder nabestaandenpensioen:
a. indien het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid
en de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij
huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van
het huwelijk of de aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen
met of aanmelding door hetzelfde kamerlid wegens diens overlijden
recht op nabestaandenpensioen heeft;
c. bij overlijden van een kamerlid of gewezen kamerlid voor de
leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de
overledene is gelegen na 31 juli 2003;
d. bij overlijden van een gepensioneerd kamerlid, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en
de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 58a, zesde lid.
Artikel 63
Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of
gepensioneerd kamerlid hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen
die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en
niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of
partij zijn geweest bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of
geadopteerd voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode waarin
hij recht heeft op uitkering ter zake van het aftreden.
Artikel 64
Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijk kamerlid ten tijde
van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij
authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben
onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 63 recht op
wezenpensioen.
Artikel 65
1.Kinderen voor welke het kamerlid, gewezen kamerlid of
gepensioneerde kamerlid ten tijde van zijn overlijden de
pleegouderlijke zorg droeg, hebben onder dezelfde voorwaarden als
genoemd in artikel 63, recht op wezenpensioen met dien verstande dat
in plaats van het tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van
aanvang van de pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.
2.Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het vorige lid wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind,
als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
Artikel 66. Tijdelijk pensioen
1.Indien een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid
naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die
aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op
tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen
van dit hoofdstuk is omschreven.
2.Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend
pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 67. Nabestaandenpensioen
1.Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het
pensioen, waarop het overleden kamerlid als zodanig aanspraak zou
hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn
overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen kamerlid
als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van
artikel 60, tweede lid, onder b en c.
2.In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
nabestaande van hem die overlijdt:
a. als kamerlid vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar,
vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop dat kamerlid aanspraak
zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van
evengenoemde leeftijd het kamerlidmaatschap zou hebben bekleed;
b. als gewezen kamerlid in de periode, waarover hem een uitkering is
toegekend, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop het gewezen
kamerlid aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering zou hebben
gehad, met dien verstande dat voor de berekening van het pensioen de
kamerlidtijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van
kamerlidtijd op de dag van overlijden.
3.Indien wegens eenzelfde sterfgeval voor een nabestaande recht
ontstaat zowel op nabestaandenpensioen krachtens deze afdeling als
op een nabestaandenpensioen krachtens of op de voet van de tweede of
vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de eigen
pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid, tijd die
zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de
berekening van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk
gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts
medegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het
hoogste bedrag oplevert.
4.Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van
het eigen pensioen voor zover artikel 59a daarop van toepassing is,
in alle gevallen gerekend met de franchise bedoeld in artikel 59a,
derde lid, onder a.
5.Het nabestaandenpensioen wordt verminderd indien de nabestaande
meer dan tien jaar jonger was dan de overledene en het huwelijk dan
wel de aanmelding op de dag van overlijden nog geen vijf jaar heeft
geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat
het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.
Artikel 67a
1. De nabestaande die jonger is dan 65 jaar maar geen recht heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals
die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat heeft recht op een toeslag op zijn
volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend of
mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent
van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet.
3. De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40
jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van
12 maanden.
4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht
daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid,
vanaf 1 juli 1999.
5. Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande
65 jaar wordt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande
hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als
bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.
Artikel 67b
1. De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt
gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67
berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over
diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het
tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is
toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met
ingang van die vermindering.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent
van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag
herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die
wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het
verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van
het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief
zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels,
bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere vaststelling van de verminderdering van een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4. Artikel 67a, vierde en vijfde lid, zijn mede van toepassing op de
toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 67c
1.De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet en op 1 januari 1998 55 jaar of ouder
is, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende
pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na
31 december 1985, indien en voor zo lang hij recht heeft op een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die
krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1
januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de
nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon
onafgebroken ongehuwd samenwoont.
2.De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent
van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag
herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder
vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet
meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde
bedrag.
De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming
van de vanaf die datum geldende bedragen krachtens de Algemene
nabestaandenwet en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van
1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van die
bedragen.
3.Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande
de 65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande
trouwt of partij is bij een aanmelding;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering
van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4.Artikel 67a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67b is niet van toepassing.
Artikel 68. Bijzonder nabestaandenpensioen
1.Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte
van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van het kamerlid,
gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid zou zijn berekend indien
deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde
van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben
verkregen;
b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde
dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 62,
derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1
augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen.
2.Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder
nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 62, eerste of tweede
lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding
waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding
voorafgaat slechts de kamerlidtijd medetelt die samenloopt of geacht
kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van
de aanmelding.
3.Artikel 67, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat
aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan
verminderd.
Artikel 69. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding
Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of
wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang
van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor
pensioen in aanmerking komende tijd van het kamerlid, het gewezen
kamerlid of het gepensioneerde kamerlid in aanmerking genomen, die
gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.
Artikel 70. Wezenpensioen
1.Het wezenpensioen bedraagt:
a. voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van het kamerlid,
gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid recht op pensioen
ontleent, een zevende gedeelte;
b. voor elk ander kind, twee zevende gedeelte, van het pensioen van
de overledene, berekend overeenkomstig artikel 67.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
begrepen de nabestaande, die op het tijdstip van diens overlijden de
pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 65.
Artikel 70a
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
over diensttijd na 31 december 1985.
2. De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn volgens
artikel 70 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht heeft op
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. Deze
toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
wezenpensioen tellend jaar:
a. voor de wees, bedoeld in artikel 70, eerste lid, onder a, 0,375
percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de
nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar
waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de
daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;
b. voor de wees bedoeld in artikel 70, eerste lid, onder b, 0,75
percent van het onder a bedoelde jaarbedrag.
3. Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede
lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan Onze Minister. De
toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de
maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag
ambtshalve is toegekend.
4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht
daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.
Artikel 71
1.Onze Minister maakt een herberekening van het wezenpensioen
overeenkomstig de artikelen 70 en 70a, wanneer het
nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de
ouder wegens diens overlijden is geëindigd.
2.Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 69
wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw wordt vastgesteld,
verhoogt Onze Minister het wezenpensioen bedoeld in artikel 70,
eerste lid, onder a, met een bedrag, dat zich verhoudt tot het
bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het
nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 60, vóór en na toepassing
van artikel 69 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die
toepassing.
3.Voor de toepassing van dit artikel is artikel 70, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 72. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen
1.Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag
gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die
pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2.Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen
worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar
de omvang van die pensioenen.
3.Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in
artikel 73a, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 73. Toeslag op nabestaandenpensioen
1. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat
pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van
7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens
het bepaalde in het tweede en vierde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17
toepassing heeft gevonden.
3. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die
recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens
nabestaandenpensioen wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw is
vastgesteld.
4. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 €
38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari
1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 73a. Toeslag op wezenpensioen
1. De wees bedoeld in artikel 70 heeft vanaf de eerste dag van de
maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, recht
op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende
pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat pensioen,
behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17
toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 €
38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat op dat, omgerekend naar euro's, op 1
januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 74. Tijdelijk pensioen
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou
bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
overleden.
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Artikel 75. Verval van recht op pensioen bij niet-invorderen
Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf
achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.
Artikel 76. Herstel van uitzicht of recht op pensioen
Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de
toepassing van artikel 75 vervallen recht of uitzicht op pensioen
herstellen.
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 79. Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of
aanmelding
1.Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is
toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere
regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding
eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens
deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende
tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij
die tijd het hoogste bedrag oplevert.
2.Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of
ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste
van de Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in
Nederland of in evengenoemd land, dan wel ten laste van een door het
openbaar gezag in Nederland of in dat land ingesteld fonds.
Artikel 79a. Samenloop van wezenpensioenen
1.Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij
krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna
eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij
krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor
de berekening van de eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen
zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd
slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die
tijd het hoogste bedrag oplevert.
2.Artikel 79, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 80. Intrekking wet van 31 juli 1957, Stb. 324
1.Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt op het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ingetrokken de wet van
31 juli 1957, Stb. 324, houdende toekenning van een uitkering en een
pensioen aan gewezen leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
zomede van een pensioen aan hun weduwen en wezen, alsmede de
overgangsbepalingen van die wet.
2.De artikelen 3, 9, 17 en 18 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324,
blijven van toepassing tot 1 januari 1969.
3.Artikel 13, onder a, van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, blijft
van toepassing tot het in artikel 167, eerste lid, bedoelde
tijdstip.
Artikel 81
De wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 80 blijven van kracht
voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op grond van die
bepalingen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn
gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog niet is
voldaan.
Artikel 82. Toepasselijkheid van deze wet
De met ingang van een datum voorafgaande aan het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, aan afgetreden kamerleden en aan
weduwen en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of
gepensioneerde kamerleden toegekende uitkeringen en pensioenen
worden met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze wet te zijn
toegekend.
Artikel 83. Keuze-bepaling
De in de hoofdstukken 10 en 11 van deze afdeling vervatte regelingen
zullen geen toepassing vinden en in de plaats daarvan zullen de
bepalingen omtrent het pensioen van afgetreden en aftredende
kamerleden, zoals deze luidden op 31 augustus 1957, blijven gelden
ten aanzien van hem, die op die datum het lidmaatschap van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal bekleedde en daartoe binnen drie maanden
na het tijdstip, waarop hij is afgetreden, zonder onmiddellijk
herkozen en toegelaten te zijn, schriftelijk aan Onze Minister de
wens te kennen geeft.
Artikel 84. Uitkering (behoort bij hoofdstuk 10)
1.Ten aanzien van uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een
aftreden verleend met een ingangsdatum vóór 1 januari 1969, blijft
het bepaalde in artikel 5 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, van
kracht.
2.Op de in het vorige lid bedoelde uitkeringen is te rekenen van 1
januari 1969 af artikel 105 van overeenkomstige toepassing.
3.Uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een aftreden voor het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, worden te rekenen van
1 januari 1969 of het latere tijdstip waarop de uitkering is
ingegaan, overeenkomstig de in artikel 53, eerste lid, genoemde
percentages herzien.
Artikel 84a
1. De artikelen 52, vierde lid, en 52a tot en met 52c zijn niet van
toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan
vóór de datum van inwerkingtreding van die bepalingen. In dat
geval wordt in artikel 52, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen
«zes jaren» en in artikel 52, derde lid, wordt voor «55 jaar»
gelezen: 50 jaar.
2. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 52, vierde lid, lid is van de Tweede
Kamer van de Staten-Generaal en na de eerstvolgende verkiezing voor
de leden van de Tweede Kamer niet wordt herbenoemd, dan wel bij
herbenoeming onmiddellijk na de eerstvolgende verkiezing de leeftijd
van 50 jaar heeft bereikt, wordt in artikel 52, eerste lid, voor
«vier jaren» gelezen «zes jaren» en in artikel 52, derde lid,
voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.
3. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 52a tot en met 52c lid is van de
Tweede Kamer van de Staten-Generaal en na de eerstvolgende
verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer niet wordt herbenoemd,
zijn de artikelen 52a tot en met 52c niet van toepassing.
Artikel 85. Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk
11)
Pensioenen toegekend of toe te kennen ter zake van een aftreden met
een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1969 worden afgeleid van
de laatstelijk als kamerlid genoten schadeloosstelling aangepast
naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur
bedoeld in artikel 105, met dien verstande, dat, indien het betreft
een aftreden vóór 1 januari 1959 de schadeloosstelling wordt
verminderd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder b, van de wet
van 17 juli 1923, Stb. 364, zoals dit artikel luidde tot 1 januari
1959.
Artikel 86. Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij
hoofdstuk 12, § 1)
1.Aan de weduwe wier weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is
geëindigd op grond van artikel 22 van de wet van 31 juli 1957, Stb.
324, of op grond van het vierde lid wordt op haar verzoek aan Onze
Minister opnieuw weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk,
anders dan door opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt
ontbonden.
Indien haar ter zake van het latere huwelijk eveneens pensioen
toekomt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere
regeling, als bedoeld in artikel 79, tweede lid, wordt het opnieuw
toe te kennen pensioen berekend met overeenkomstige toepassing van
artikel 69 en artikel 79, eerste lid, tenzij toekenning van een
dezer pensioenen, waarbij het recht op het andere pensioen vervalt,
tot een hoger bedrag leidt. De vorige volzin vindt overeenkomstige
toepassing, indien de weduwe ter zake van het latere huwelijk recht
op bijzonder weduwenpensioen verkrijgt.
2.Bij toekenning aan de weduwe van weduwenpensioen ingevolge het
vorige lid wordt het wezenpensioen van haar kinderen, als bedoeld in
artikel 70, eerste lid, eerste volzin, nader vastgesteld
overeenkomstig het bepaalde in dat artikel en met inachtneming van
artikel 71, tweede lid, indien artikel 69 overeenkomstige toepassing
vindt bij de berekening van het weduwenpensioen.
3.Het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen en het nader
vastgestelde wezenpensioen gaan in met de dag volgende op die van de
ontbinding van het huwelijk. Herberekening van de pensioenen
ingevolge de laatste volzin van het eerste lid geschiedt met ingang
van de dag, waarop het bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou
ingaan.
4.In afwijking van artikel 69 eindigt een ingevolge het eerste lid
opnieuw toegekend weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met
een man, met wie zij vóór 1 januari 1966 reeds gehuwd is geweest,
met ingang van de maand volgende op die waarin zij hertrouwt.
Artikel 86a
Indien krachtens artikel U 31a van de Algemene burgerlijke
pensioenwet of een in strekking met dat artikel overeenkomende
bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen bestaat en voor
het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet terzake van een
eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van
31 juli 1957 (Stb. 324), wordt laatstbedoeld pensioen met ingang van
de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat, nader vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 71, tweede lid,
en is voorts artikel 79, eerste lid, van toepassing.
Artikel 87
1.Op verzoek wordt weduwenpensioen of wezenpensioen toegekend aan de
weduwe, die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
niet dan wel op dat tijdstip niet meer is hertrouwd,
onderscheidenlijk aan de kinderen, die recht op weduwenpensioen of
wezenpensioen hadden gehad, indien artikel 60 had gegolden op het
tijdstip van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden
ontlenen.
2.Indien voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter
zake van een ander huwelijk reeds recht op pensioen bestond
krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324), wordt het pensioen,
waarop ter zake van het eerdere huwelijk krachtens de wet van 31
juli 1957 (Stb. 324) recht bestond dan wel krachtens het vorige lid
recht bestaat, met ingang van de dag, waarop het krachtens het
vorige lid toe te kennen pensioen ingaat, nader vastgesteld dan wel
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel
71, tweede lid, en is voorts artikel 79, eerste lid, van toepassing.
3.Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, indien ter zake
van een ander huwelijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet reeds recht op pensioen bestond krachtens een andere
regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet van 31
juli 1957 (Stb. 324), dan wel recht op pensioen bestaat krachtens
een in strekking met het eerste lid overeenkomende bepaling in
andere pensioenwetten.
4.Toekenning van pensioen krachtens het eerste lid vindt niet
plaats, indien toepassing van het tweede lid of van het derde lid
zou leiden tot een gezamenlijk bedrag aan pensioen lager dan het
bedrag van het pensioen, waarop reeds recht bestond.
5.Het verzoek bedoeld in het eerste lid moet bij Onze Minister
worden ingediend binnen vijf jaren na het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet.
6.De in het eerste lid bedoelde pensioenen gaan in op het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien
het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel
167, eerste lid, is gedaan, zij niet vroeger ingaan dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 88 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 89
1.Op verzoek wordt wezenpensioen toegekend aan het kind dat de
leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt en niet
gehuwd is of gehuwd geweest is dat recht op zodanig pensioen had
gehad, indien de artikelen 64 en 65 hadden gegolden op het tijdstip
van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden ontlenen.
2.[Vervallen.]
3.Het in het eerste lid bedoelde pensioen gaat in op het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien
het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel
167, eerste lid, is gedaan, het niet vroeger ingaat dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 90. De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort
bij hoofdstuk 12, § 2)
1.De pensioenen toegekend aan weduwen en wezen van kamerleden,
gewezen kamerleden of gepensioneerde kamerleden worden, voor zover
het recht op pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet herberekend, overeenkomstig
artikel 67 onderscheidenlijk artikel 70, met inachtneming van de
artikelen 72 en 73, indien dit voor belanghebbenden voordeliger is.
Bij de herberekening worden onder een uitkering als bedoeld in
artikel 51 mede begrepen uitkeringen, toegekend krachtens de wet van
31 juli 1957, Stb. 324.
2.Het bepaalde in artikel 85 is ten aanzien van toegekende of toe te
kennen pensioenen aan weduwen en wezen van kamerleden, gewezen
kamerleden of gepensioneerde kamerleden, die zijn afgetreden c.q.
overleden vóór 1 januari 1969, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 91. Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 13)
Voor de termijn van vijf achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel
75, telt mede de tijd voor het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet, gedurende welke de invordering van het pensioen achterwege
is gebleven.
Artikel 92. Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 14)
1.Pensioenen ten aanzien waarvan artikel 10 of 19 van de wet van 31
juli 1957, Stb. 324, toepassing heeft gevonden, worden, onverminderd
de artikelen 93 en 94 zoals deze luidden op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet en met inachtneming van het volgende
lid, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet of het later tijdstip waarop zij zijn ingegaan, nader
vastgesteld zonder de in eerstgenoemde artikelen vervatte beperking.
2.De nadere vaststelling bedoeld in het vorige lid geschiedt
zodanig, dat niet daadwerkelijk gelijktijdig vervulde kamerlidtijd
slechts wordt medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij
die tijd het hoogste bedrag oplevert. Bij toepassing van de vorige
volzin wordt onder pensioen tevens verstaan een pensioen krachtens
een andere regeling als bedoeld in artikel 79, tweede lid.
3.De voorgaande leden vinden slechts toepassing, indien tengevolge
daarvan de som van de pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben
bedragen, indien de op de dag voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet van kracht geweest zijnde bepalingen
van toepassing zouden zijn gebleven. Indien krachtens de voorgaande
volzin geen nadere vaststelling der pensioenen plaatsvindt, is op
het totaal der pensioenen artikel 105 van toepassing.
Vierde afdeling. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de
pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 16
Artikel 93 [Vervallen per 15-08-2001]
Artikel 94 [Vervallen per 15-08-2001]
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over
diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 95. Begripsomschrijvingen
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor
zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of
geacht wordt te zijn toegekend krachtens de tweede en derde afdeling
van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in
artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
b. een algemeen pensioen:
1e. een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene
Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende
vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de
overlijdensuitkering krachtens die wet;
2e. een nabestaandenuitkering, een halfwezenuitkering en een
wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;
3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke
regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde
mogendheid en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen
pensioen als omschreven onder 1e of 2e;
c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen.
2.Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen
pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot
recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de
toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt
degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als
echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.
3.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als
bedoeld in artikel 101, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als
bedoeld in artikel 102, eerste lid, voorzover dit pensioen of
gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in
aanmerking genomen.
Artikel 96. Volle-wezenpensioen
Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt,
indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit
hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot
een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.
Artikel 97. Inbouwbedrag
1. Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen
pensioen, wordt het deel daarvan dat geacht kan worden betrekking te
hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn
pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40
jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen,
met dien verstande dat:
a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt
vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;
b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen
wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.
Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.
2. Het inbouwbedrag wordt berekend aan de hand van het bedrag van
het algemeen pensioen zoals dat luidt op 1 januari van het jaar
waarin het recht op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen,
bijzonder nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat.
3. Indien het bedrag van het algemeen pensioen op grond van
persoonlijke omstandigheden wordt gewijzigd, wordt de
pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat,
onverminderd artikel 14c, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop
de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan.
4. Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor
hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen
heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag
van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of
zo veel later als het pensioen is ingegaan.
5. Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld
in artikel 17 of 62, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in
verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het
eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing
dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin
dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is
geëindigd.
6. Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen
pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak,
liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar
het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend.
Artikel 98. Mededelingsplicht
1.Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan
wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering
eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een
wijziging wordt gebracht op grond van persoonlijke omstandigheden
van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden
hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
2.Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde
kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het
inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de
maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve
vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.
Artikel 99. Algemeen pensioen en diensttijd
Voor de toepassing van artikel 97 geldt het volgende:
a. Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het
tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de
leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar heeft bereikt met dien
verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op
nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige
toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het
recht op pensioen wordt ontleend.
b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop
de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt
geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen
krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
c. Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering
alsmede halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op
halfwezenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt
uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering.
d. [Vervallen.]
e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de leeftijd van 15
jaar en die van 65 jaar is bereikt.
f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van
artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit
artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van
de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld
in artikel 38, eerste lid, wordt tot een maximum van 2,4 jaar
vermenigvuldigd met 4,76.
g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te
zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.
h. Diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn
berekend en die niet daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is
doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de
ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor
zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip
waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt wordt die
diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn
doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van
onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager
doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang
van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
i. Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd,
waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben
het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen
door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene
Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet.
j. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en
de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze
als het algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald.
Artikel 100. Gehuwde vrouw met recht op pensioen
Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de
toepassing van artikel 97 uitgegaan van het algemeen pensioen voor
een ongehuwde pensioengerechtigde.
Artikel 101. Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende
diensttijd
1.Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of geacht
wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen
zijn of geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk
samenvalt, overschrijdt de som van de inbouwbedragen - voor zover
deze geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd
overeenkomende met de samenvallende diensttijd - niet het bedrag van
het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op
een tijd overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd.
2.Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou
vinden, wordt het voor ieder pensioen berekende inbouwbedrag, voor
zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in
het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van
het algemeen pensioen bedoeld aan het slot van het vorige lid, als
elk inbouwbedrag zich verhoudt tot de som van die bedragen.
3.Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het
vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen
pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering
gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding waarin elk van die
bedragen staat tot de som daarvan.
4.Indien aan een belanghebbende pensioen is of geacht wordt te zijn
toegekend en tevens pensioen krachtens een andere regeling, als
bedoeld in het volgende lid, is - of voor de toepassing van met dit
hoofdstuk overeenkomende bepalingen van die regeling geacht wordt te
zijn - toegekend, vinden de vorige leden voor zoveel mogelijk
overeenkomstige toepassing.
Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat
indien het betreft pensioenen toegekend krachtens een militaire
pensioenwet, voor de toepassing van dit artikel niet als diensttijd
geldt de diensttijd, die krachtens die wet met vier per mille van de
pensioengrondslag is vergolden.
5.Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of
ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste
van de Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in
Nederland of in evengenoemd land, dan wel ten laste van een door het
openbaar gezag in Nederland of in dat land ingesteld fonds.
6.Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig
toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn
of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet,
hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 102, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 102. Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier
pensioen
1.Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht
op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander
pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, wordt het bedrag
van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op
het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor
zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die
gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan
worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in
dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt
een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 99,
onderdeel h.
2.De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid
gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is
opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een
jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende
verzoek werd ingediend.
3.Bij toepassing van het eerste lid wordt in geval op meer dan een
pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde
vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar
verhouding van evenbedoelde bedragen.
4.Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het
andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit
artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen
overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering
gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de
diensttijd waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag
betrekking heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het
totaal van de diensttijden.
5.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in
artikel 101, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van
belanghebbende.
Artikel 103. Verrekening
Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een
tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te
veel pensioen is betaald, kan de Sociale verzekeringsbank het te
veel betaalde pensioen ten behoeve van het lichaam te welks laste
het pensioen komt, inhouden op het algemeen pensioen, voor zover
betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.
Artikel 104. Gemoedsbezwaren
De bepalingen van dit hoofdstuk blijven buiten toepassing ten
aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op
algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij
zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot
diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als
bedoeld in artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet.
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
§ 1. Financiële bepalingen
Artikel 105
1. Een pensioen op grond van de tweede of de derde afdeling van deze
wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt
telkens aangepast overeenkomstig een aanpassing aan een algemene
bezoldigingswijziging, van een pensioen van een gepensioneerde
overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP die
werkzaam is geweest in de sector Rijk.
2. Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in
het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan
degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid,
overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.
3. Onze Minister stelt regels voor de toepassing van het eerste en
het tweede lid. Deze regels werken zonodig terug tot en met de datum
waarop een pensioenaanpassing is ingegaan of recht is ontstaan op
een eenmalige uitkering.
Artikel 106. Inhoudingen
1. Op de wedde van de minister en op de schadeloosstelling van het
lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de
eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in artikel 12,
eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, en met
inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter,
bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet
worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van
bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het
overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid,
ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid
worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van
bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op
een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom
en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als
pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 8a en
53a, alsmede in de gevallen bedoeld in de laatste volzin van de
artikelen 13a, tweede lid, en 58a, derde lid.
Artikel 107
1.Op aanvraag van een gewezen minister of een gewezen kamerlid
draagt het Rijk de waarde van de door de aanvrager krachtens de
tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet verkregen
pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de
Pensioenwet inzake waardeoverdracht.
2.De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels
zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
3.De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde
van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt
gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het
eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit
hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen
rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op
uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het
eerste lid.
4.Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter
uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende
pensioenuitvoerder.
5.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de
waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een
kamerlid.
Artikel 108
1.Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht
om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan
te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de
tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze
waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de
Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld
met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde
pensioenaanspraken.
2.De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken
krachtens de tweede, respectievelijk derde afdeling van deze wet en
behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het
kamerlid verkrijgt krachtens de tweede respectievelijk derde
afdeling van deze wet.
3.De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels
zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
4.Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter
uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende
pensioenuitvoerder in de zin van die wet.
5.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de
waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een
kamerlid.
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
Artikel 109. Toekenning pensioen; voorschotverlening
1.Onze Minister beslist over de toekenning van pensioen op aanvraag
door of vanwege de betrokkene.
2.Onze Minister is bevoegd een pensioen ambtshalve toe te kennen.
3.Onze Minister is voorts bevoegd een voorschot op een pensioen te
verlenen.
Artikel 110. Pensioenbeschikking
In een beschikking tot toekenning van pensioen worden de voor het
pensioen medetellende diensttijd alsmede het bedrag waarover het
pensioen wordt berekend vastgesteld.
Artikel 111. Vrijdom van leges
De stukken die Onze Minister nodig acht voor de toepassing van deze
paragraaf zijn vrij van leges.
§ 3. Ingang en einde van de pensioenen
Artikel 112. Ingang eigen pensioen
Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop
ontstaat, met dien verstande dat het niet vroeger ingaat dan een
jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd
ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond.
Artikel 113. Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk
pensioen
1.Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met de dag volgende op
die van het overlijden van hem aan wie het wordt ontleend, met dien
verstande dat artikel 112 van overeenkomstige toepassing is.
2.Het tijdelijk pensioen gaat in met een door Onze Minister te
bepalen dag.
Artikel 114. Ingang hersteld pensioen
Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt
hersteld gaat het pensioen in met de eerste dag van de maand waarin
het herstel heeft plaatsgevonden.
Artikel 115. Einde pensioen
1.Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de
rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de
rechthebbende eindigt het pensioen met een door Onze Minister te
bepalen dag.
2.Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt
te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag.
3.Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 29 vervallen is
verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing
inzake het vervallen verklaren is genomen.
4.Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand
waarin:
a. de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt
of, de leeftijd van van eenentwintig jaren nog niet bereikt
hebbende, in het huwelijk is getreden dan wel partij is bij een
aanmelding, of
b. ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt vast te staan
van een een ander dan degene aan wiens overlijden het recht op
wezenpensioen wordt ontleend.
Artikel 116. Nabestaandenuitkering
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd
minister of kamerlid wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet
duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van
het pensioen van die minister of van dat kamerlid over een tijdvak
van twee maanden (nabestaandenuitkering). Bij ontstentenis van een
nabestaande van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde,
geschiedt de uitkering ten behoeve van minderjarige kinderen tot wie
de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of
minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg
droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van
een vergoeding daarvoor.
2.Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld
in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze
Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van
de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de
nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten
ontoereikend is.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan
het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing
van hoofdstuk 17.
Artikel 117. Terugvordering
1.Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel 115,
wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover verrekening
daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens artikel 116.
2.Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 116, is
betaald worden teruggevorderd.
§ 4. Betaling van de pensioenen
Artikel 118. Maandbetaling
1.Onze Minister draagt zorg voor de betaling van de pensioenen. De
betaling geschiedt in maandelijkse termijnen.
2.Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent
wijze en voorwaarden van de betaling. Daarbij kunnen Wij tevens
regelen stellen met betrekking tot de betaling van bepaalde
pensioenen over tijdvakken van langer dan een maand.
3.Het pensioen van een gewezen minister onderscheidenlijk van een
gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt niet
genoten, zolang een gewezen minister wederom het ambt van Minister
bekleedt of zolang een gewezen kamerlid na herkiezing, een
schadeloosstelling bedoeld in de Wet schadeloosstelling leden Tweede
Kamer, ontvangt.
Artikel 119. Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan
gepensioneerde
1.Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen
zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke
gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de
uitbetaling van pensioen, is Onze Minister bevoegd het pensioen uit
te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In
andere door hem aan te wijzen bijzondere gevallen is Onze Minister
eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan de gepensioneerde
zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hem aan te
wijzen persoon of instelling.
2.Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 6 en 13 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een
bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister
bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in
de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te
betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
3.Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de
in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte
van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan
wordt uitbetaald.
Artikel 120. Verval van pensioentermijnen
1.Onze Minister betaalt de termijnen van een pensioen niet meer uit
indien deze niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na het einde van
het tijdvak waarover zij zijn verschuldigd.
2.Indien naar het oordeel van Onze Minister de belanghebbende
redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest
vindt het vorige lid geen toepassing.
§ 5. Beroep en herziening
Artikel 121. Beroep
1.De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de
Vijfde Afdeling, worden genomen door Onze Minister.
2.Een belanghebbende kan tegen een besluit op grond van deze wet
beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 122. Herziening, wijziging en herstel
1.Onze Minister herziet een door hem genomen beslissing, indien:
a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt;
b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten
grondslag dienen te worden gelegd.
2.Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in
die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze
beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden,
wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de
gewijzigde feiten.
3.Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent
toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig artikel 105 -,
herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien
daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden,
voorkomt.
4.Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel
vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing
laten.
Artikel 123
1.Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een
herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een
herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de
herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag
wordt bepaald.
2.Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene
redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
uitbetaald.
3.Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel
enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit
redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan
Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten.
4.In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 117
is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te
veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing,
onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier
maanden na de dagtekening van de herziene beslissing,
onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht
heeft ontvangen van wijziging in de feiten.
5.Herstel van een beslissing, als bedoeld in artikel 122, derde lid,
binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing,
leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde
pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de
vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot
terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen,
indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem
te veel werd uitbetaald.
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Artikel 124. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede en derde
afdeling en samenloop van een of meer van die pensioenen met een
pensioen krachtens een andere regeling (behoort bij hoofdstuk 16)
1.De artikelen 93 en 94 vinden tot het in artikel 167, eerste lid,
bedoelde tijdstip geen toepassing in gevallen waarin die toepassing
zou leiden tot terugvordering van reeds betaalde pensioenbedragen.
2.Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde pensioenen blijven
tot het daar bedoelde tijdstip de artikelen 11 en 20a van de wet van
1 augustus 1956, Stb. 455, en de artikelen 10 en 19 van de wet van
31 juli 1957, Stb. 324, van toepassing.
3.Met ingang van het in het eerste lid bedoelde tijdstip worden de
daar bedoelde pensioenen herberekend met inachtneming van de
artikelen 93 en 94 en wordt een toelage toegekend ten bedrage van
het verschil tussen het bedrag van het toegekende pensioen en het
bedrag van het herberekende pensioen. Op deze toelage, die voor de
toepassing van hoofdstuk 17 en van de artikelen 118 en 119 als
pensioen wordt aangemerkt, worden verhogingen van die pensioenen na
het in de vorige volzin bedoelde tijdstip in mindering gebracht.
Artikel 125. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort
bij hoofdstuk 17)
In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 97 en
onverminderd het bepaalde in artikel 99, onder e, vindt voor de
berekening van het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van
tijd, gelegen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
die voor de berekening van een pensioen als daarbedoeld in
aanmerking wordt genomen.
Artikel 126
1.Voor de toepassing van deze wet wordt de overgangstoeslag
toegekend krachtens artikel 4 van de derde afdeling van de
Pensioenmaatregelen 1963, geacht krachtens deze wet te zijn
toegekend.
2.Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na de dag
voorafgaand aan die van de inwerkingtreding van de
Pensioenmaatregelen 1963, recht op een lager bedrag aan algemeen
pensioen, als bedoeld in artikel 95 ontstaat, of het recht op
evenbedoeld algemeen pensioen vervalt dan wel recht op een hoger
pensioen anders dan krachtens artikel 105 ontstaat, vervalt de
overgangstoeslag of wordt deze op zodanig lager bedrag vastgesteld,
alsof de omstandigheid die tot wijziging luidde reeds op
laatstbedoelde dag aanwezig was geweest.
3.Het pensioen en de daarbij behorende overgangstoeslag worden als
een eenheid beschouwd, waarop de op het pensioen betrekking hebbende
wettelijke bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, met
uitzondering van artikel 105 en van hoofdstuk 17.
Artikel 127
1.Op verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of uitkering
als bedoeld in artikel 19, onder 2e, der Ongevallenwet 1921, artikel
40, onder 2e, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919
dan wel een zodanige uitkering krachtens de liquiditeitswet
ongevallenwetten, daaronder begrepen de daarop verleende toe- en
bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene
Ouderdomswet Ongevallenrentetrekkers, is beperkt uit hoofde van haar
recht op algemeen weduwenpensioen als bedoeld in de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, wordt het bedrag van die beperking in
mindering gebracht op het inbouwbedrag bedoeld in artikel 97.
2.Indien op de dag waarop het verzoek, bedoeld in het vorige lid,
bij Onze Minister is ingekomen, meer dan een jaar is verstreken
nadat de omstandigheid, bedoeld in het vorige lid, is opgetreden,
gaat de in dat lid bedoelde vermindering niet vroeger in dan een
jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd
ingediend.
Bepalingen van administratieve aard
Artikel 128. Betaling AOW/AWW-premie (behoort bij hoofdstuk 18)
De rechthebbende op een pensioen, die krachtens artikel 6 van de
derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963 op de dag voor het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergoeding geniet
ter zake van de premie die van dat pensioen wordt geheven ingevolge
de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, met
uitzondering van degene op wie artikel 108 toepassing vindt, heeft
recht op een vergoeding ter zake van die premie. Deze vergoeding
beloopt een zodanig gedeelte van bedoelde premie als wordt
aangegeven door een breuk, waarvan de teller is 7,1 en de noemer
10,2 is.
Artikel 129. Beroep en herziening
In afwijking van artikel 122 is herziening van een in dat artikel
bedoelde beslissing, die genomen is met toepassing van de in de
artikelen 35 en 80 genoemde wetten niet meer mogelijk nadat vijf
jaren zijn verstreken sinds het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet.
Vijfde afdeling. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden,
burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Artikel 130
1. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters,
wethouders en leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten: burgemeester, wethouder of lid van
het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
b. provincie: gemeente;
c. provinciale staten: de raad;
d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorzitters en
leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, met dien
verstande dat wordt gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van
een waterschap, waaronder de voorzitter;
b. provincie: waterschap;
c. provinciale staten: het algemeen bestuur van een waterschap;
d. gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van een waterschap.
3. Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van
deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de
commissaris van de Koning of de gedeputeerde.
4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de
hoofdstukken 22 tot en met 29 niet van toepassing op de commissaris
van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden
van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun
functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de
toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan
onder:
a. gewezen lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een
ontslag uitzicht op pensioen heeft;
b. gepensioneerd lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van
een ontslag recht heeft op pensioen;
c. wedde: wedde inclusief vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering, waarop het gewezen of gepensioneerd lid van
gedeputeerde staten op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij
ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij
uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;
d. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de
genoten wedde exclusief de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag
herleide bedrag waarvan die wedde is afgeleid.
Hoofdstuk 21. De uitkering
Het recht op uitkering
Artikel 131
1. Aan een lid van gedeputeerde staten wordt met ingang van de dag
van zijn aftreden, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, recht op uitkering verleend ten laste van de provincie
waarin hij als zodanig optrad, op de voet van de volgende artikelen.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing:
a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder
onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt, tenzij
hij als zodanig een betrekking in een mindere omvang is gaan
uitoefenen;
b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te
rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of
langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens
artikel 132, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de
dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de
resterende duur.
Duur van de uitkering
Artikel 132
1. De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd
waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest,
maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de
duur van vier jaren. Indien de belanghebbende met een of meer
onderbrekingen lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt in
aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij lid van gedeputeerde
staten is geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield
lid van gedeputeerde staten te zijn, waarin zijn lidmaatschap van
gedeputeerde staten voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak
is onderbroken.
2. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als lid van
gedeputeerde staten de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en hij in
het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat
ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt
de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van
65 jaar bereikt.
3. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste
lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd
waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest
gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als
genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, b en d. Indien sprake is
van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met
betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van
het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de
uitoefening van deze functies.
4. In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor
de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie
maanden lid van gedeputeerde staten is geweest.
5. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens
artikel 136, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering
toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde
uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
6. In bijzondere gevallen kunnen provinciale staten bepalen dat de
uitkering wordt voortgezet voor een met inachtneming van artikel 136
vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden
verlengd.
Artikel 132a
1. De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel 131, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn
inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid
belemmeren.
3. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de
krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend,
tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is
wordt in ieder geval bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid,
een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;
c. de reistijd naar en van het werk;
d. het geboden loon;
e. het werkloosheidsrisico.
4. Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het in overleg met
de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken
naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn
opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de onderdelen van het plan;
b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten
anders dan begeleiding;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan
opstelt.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:
a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en
daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de wedde,
bedoeld in artikel 133;
b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 133a.
6. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie
maanden na het aftreden van de belanghebbende.
Artikel 132b
1. Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in artikel
132a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van
passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2. Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een
tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en
ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende
arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als
gedeputeerde per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 133, tweede
lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld
in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige
ondersteuning uitvoert.
Artikel 132c
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 132a of
132b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen,
besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding
van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening
van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende
op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
Bedrag van de uitkering
Artikel 133
1.De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens
70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten
wedde.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten
wedde verstaan de wedde, waarop de belanghebbende op de dag
voorafgaande aan de dag, waarop hij heeft opgehouden lid van
gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had of bij waarneming van
zijn ambt zou hebben gehad.
3.Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging
aanbrengen wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten
wedde voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van
ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig de wijziging
aangepast.
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 133a
1.Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
inachtneming van artikel 136, de uitkering voor de duur van de
invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 133b.
2.Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet
is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met
soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3.Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
4.Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende
meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er
bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van
uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
5.Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de
uitkering niet voortgezet.
Artikel 133b
1.De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in
het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde
en het vijfde lid van dit artikel.
2.De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
derde lid 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten
genoten wedde, bedoeld in artikel 133, bij een algemene invaliditeit
van 80% of meer, 60% van die wedde bij een algemene invaliditeit van
55% tot 80% en 40% van die wedde bij een algemene invaliditeit van
25% tot 55%.
3.De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4.De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van
het verschil tussen de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten
genoten wedde, bedoeld in artikel 133, en het minimumloon.
5.Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e
jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van
voortzetting van de uitkering.
6.Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en
minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23
jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd
geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de
daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet.
7.De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering,
indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
vastgestelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde
staten genoten wedde.
8.De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage
van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten wedde.
9.In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als lid van
gedeputeerde staten genoten wedde, indien de belanghebbende de keuze
heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel
160, eerste lid.
10.Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een
algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene
invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit
van 25% tot 55%: 37%.
11.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 160,
eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging,
bedoeld in het negende lid. Regels op grond van artikel 8b, elfde
lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het negende lid
bedoelde keuze.
12.Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te
zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 134, minder bedraagt dan het
minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en
het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van
het minimumloon.
Artikel 133c
1.De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 133a,
geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van
niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde
over herziening of intrekking van de uitkering.
2.Gedeputeerde staten stellen de belanghebbende uiterlijk vier
maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde
termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van
een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die
termijn.
3.Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de
belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in
het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
4.Indien gedeputeerde staten niet tijdig beslissen op een tijdig
ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering
voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
5.Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te
zijn ingediend indien gedeputeerde staten de kennisgeving, bedoeld
in het tweede lid, niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt
ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6.Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze
die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn
afgelopen.
7.Bepalingen op grond van artikel 8c, zevende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op in het eerste lid bedoelde
belanghebbenden.
Artikel 133d
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de
eerste maal met toepassing van artikel 133a is voortgezet, doen
gedeputeerde staten een onderzoek instellen ten einde te doen bezien
of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van
algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of
intrekking van de uitkering.
2. Bepalingen op grond van artikel 8d, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde
onderzoek.
3. Gedeputeerde staten wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de
belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate
van algemene invaliditeit.
4. Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is
ingekomen;
b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot
wijziging is genomen.
5. De toepassing van artikel 133a wordt ten aanzien van een
belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een
uitnodiging van gedeputeerde staten zich te onderwerpen aan een
onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter
beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene
invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit
voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid
geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd, zolang niet vaststaat of
deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 133a, tweede lid, kan
worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de
uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten
hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren,
aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband
met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode
wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand
geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in
de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin
bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 133a,
tweede lid.
Artikel 133e
1.Op verzoek van een lid van gedeputeerde staten doen provinciale
staten een onderzoek instellen, door een of meer door hen aangewezen
geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het lid van
gedeputeerde staten dat het verzoek deed algemeen invalide is als
bedoeld in artikel 133a, tweede lid.
2.Provinciale staten brengen de uitkomst van een onderzoek als
bedoeld in het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Artikel 134
1. De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden met de
uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking
hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten
verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na
de dag waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te
zijn, geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van
de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens
voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen
3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. Voor de toepassing van de vorige leden worden mede als inkomsten
aangemerkt:
a. de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten ter
hand genomen door de belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk
voorafgaand aan het tijdstip van aftreden;
b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij
gedurende zijn zittingstijd als lid van gedeputeerde staten op
non-activiteit was gesteld;
c. de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van provinciale
staten.
4. Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede
lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van
algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde
activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan
bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere
inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering,
vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, waarvan
de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt
voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 132c, eerste
lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
6. Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet
verstaan kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie
ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet,
welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De
vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van
toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben
of kunnen worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen
voor 1 juni 1985.
7. Een ministeriële regeling op grond van artikel 9, zesde lid,
geldt mede voor de toepassing van dit artikel, ten aanzien van de
voortgezette uitkering bedoeld in artikel 132, zesde lid, en in
artikel 133a.
Artikel 134a
1.De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige
activiteiten als bedoeld in artikel 134, tweede lid, terstond
mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover
mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken.
Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór
het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten,
die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de
vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in artikel 9a,
eerste lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat
de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een
vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder
voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is artikel 134 van toepassing, met
dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin
bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand
afzonderlijk.
3.Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van het bedrag van
de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
4.De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het
aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen,
die daarvoor naar het oordeel van gedeputeerde staten in aanmerking
komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke
voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Betaling
Artikel 135
1.De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse
termijnen betaald.
2.De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet
of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen
op grond van artikel 134a.
Einde en verval van de uitkering
Artikel 136
1.De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop
de belanghebbende is overleden.
2.De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de leeftijd van 65
jaar bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van
gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de
uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is
gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan
hij het recht op uitkering ontleent;
c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid
voordoet, bedoeld in artikel 131, tweede lid, onder b. Zodra die
omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
3.De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard
indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van
artikel 134a.
Uitkering bij overlijden
Artikel 137
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende wordt
aan de weduwe of weduwnaar een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
uitkering eventueel vermeerderd met de kinderbijslag voor het eerste
en tweede kind waarop de belanghebbende ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet op de dag van het overlijden recht had, over een
tijdvak van drie maanden.
2.Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, dan geschiedt de
uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van
de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke
betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene
ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk
van enige verplichting daartoe of van het genieten van een
vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt
de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag indien de
overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen,
broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3.Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en
tweede lid na, dan wordt het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten
dele uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling
van die kosten ontoereikend is.
Artikel 137a. Waarneming
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die
krachtens artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet, dan wel
krachtens artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet het ambt
vancommissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van
burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking
heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur
van de uitkering, ten dele in afwijking van artikel 132, steeds
gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het
volgens artikel 133 toepasselijke percentage van de als waarnemer
genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid
van dat artikel.
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Artikel 138. Het recht op eigen pensioen
1.Aan hem, die ophoudt lid van gedeputeerde staten te zijn, wordt,
ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad, recht op
pensioen verleend, indien hij op het tijdstip waarop hij ophoudt lid
van gedeputeerde staten te zijn, de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, tenzij hij op dat tijdstip weder als zodanig optreedt.
2.Aan hem, die ophoudt lid van gedeputeerde staten te zijn voor het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar, wordt recht op een pensioen
verleend bij het bereiken van die leeftijd, tenzij hij op dat
tijdstip weder als lid van gedeputeerde staten optreedt in de
provincie ten laste waarvan het pensioen komt.
Artikel 138a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als lid van
gedeputeerde staten
1. Het pensioen bedraagt voor ieder jaar als lid van gedeputeerde
staten 2 percent van de daarvoor geldende pensioengrondslag, volgens
een of meer van de artikelen 139, 139a en 139aa. Voor de toepassing
van die artikelen wordt verstaan onder wedde: de wedde, bedoeld in
artikel 130, tweede lid, onder c, aangepast volgens de regels,
bedoeld in artikel 157, derde lid. Ten aanzien van een lid van
gedeputeerde staten dat voor zijn bezoldiging geacht wordt niet de
volledige werkweek aan het ambt te besteden, is voor de toepassing
van de artikelen 139a en 139aa de wedde het tot een jaarbedrag
herleide bedrag waarvan de wedde, bedoeld in artikel 130, tweede
lid, onder c, is afgeleid, aangepast volgens de in de tweede volzin
bedoelde regels.
2. In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de wedde de
verhoging van de wedde per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de
voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen
1993.
3. Als tijd als lid van gedeputeerde staten telt mee de tijd met
recht op uitkering. Het pensioen over die tijd wordt berekend naar 2
percent per jaar over de eerste vier jaren van het recht op
uitkering dan wel over de volledige tijd met recht op uitkering
indien die tijd minder is dan vier jaren en vervolgens naar 1
percent per jaar. In het geval van een uitkering als bedoeld in
artikel 133a, wordt het pensioen over de tijd met recht op uitkering
berekend naar 2 percent per jaar voor zover en voor zolang het
percentage van de algemene invaliditeit 55 percent of meer bedraagt.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt een uitkering als
bedoeld in artikel 131 aangemerkt als een uitkering als bedoeld in
artikel 133a, indien en zolang de belanghebbende tijdens de duur van
de eerstbedoelde uitkering voor 55 percent of meer algemeen invalide
is.
4. In afwijking van het derde lid wordt het pensioen over de in dat
lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid
toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de
uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als
bedoeld in artikel 134. Geen meetelling van diensttijd als bedoeld
in het derde lid vindt plaats:
a. voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering
wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 134 tot
nihil is verminderd;
b. in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering, maar die
minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 160 berekende
inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor
draagt dat het bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval
als een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende daarom verzoekt.
Voor de toepassing van de eerste en de tweede volzin wordt de
vergoeding voor de werkzaamheden als lid van provinciale staten niet
beschouwd als daar bedoelde inkomsten, indien gedeputeerde staten
geen collectieve verzekering hebben afgesloten waarbij ten behoeve
van de leden van provinciale staten wordt voorzien in de opbouw van
een ouderdomspensioen en in geldelijke voorzieningen bij
invaliditeit en overlijden.
5. Een lid van gedeputeerde staten en een gewezen lid van
gedeputeerde staten hebben bij ingang van het pensioen eenmalig de
keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen, voorzover
het is berekend over tijd als lid van gedeputeerde staten die is
gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens
artikel 145 voor de berekening van het nabestandenpensioen in
aanmerking wordt genomen.
6. Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het vijfde lid,
vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na
30 juni 1999.
7. De keuze, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts worden gedaan
met toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner. De
regels, bedoeld in artikel 13a, achtste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
8. De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag
waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk.
Artikel 139. Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw
algemeen pensioen
1. Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de wedde.
2. De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid
vermenigvuldigd met 100/110 indien deze laatstelijk is genoten
tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. De aldus vastgestelde
pensioengrondslag is echter niet lager dan de wedde verminderd met
€ 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008 € 4.434,37] . Het bedrag van
€ 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008 € 4.434,37] wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro’s, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
3. De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid
vermenigvuldigd met een debruteringsfactor overeenkomstig artikel
139a, tweede lid, indien deze laatstelijk is genoten na 31 december
1994. Op het aldus gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel
van toepassing.
4. Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die
voor 1 januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de
wedde, vastgesteld volgens het tweede of het derde lid,
vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
5. Hoofdstuk 17 is van toepassing op het pensioen, voor zover
berekend over de in het eerste lid bedoelde tijd.
Artikel 139a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1
januari 1995
1. Voor tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 is de
pensioengrondslag de wedde verminderd met een bedrag, genaamd
franchise.
2. De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid
vermenigvuldigd met een debruteringsfactor indien deze laatstelijk
is genoten na 31 december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de
teller honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het
percentage waarmee het inkomen als lid van gedeputeerde staten per 1
januari 1995 uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet
van 19 mei 1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen
en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is
gewijzigd.
3. De in het eerste lid bedoelde franchise is:
a. voor het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten dat voor de
toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt
twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat
geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht
op pensioen ontstaat;
b. voor het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten dat voor de
toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt
aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag
dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het
recht op pensioen ontstaat.
4. In de in het derde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de
bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet
recht bestaat.
5. Wanneer de in het derde lid bedoelde bedragen op grond van
persoonlijke omstandigheden worden gewijzigd, wordt de
pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat,
onverminderd artikel 139d, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop
de bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.
Artikel 139aa. Pensioengrondslag tijd na 31 december 1994
Artikel 139a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december
1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld.
Artikel 139b
Tijd, doorgebracht als lid van gedeputeerde staten, gedurende welke
de belanghebbende voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
volledige werkweek aan zijn ambt te besteden, telt voor de
pensioenberekening met toepassing van artikel 139a of 139aa, dan wel
met toepassing van beide artikelen, mee met inachtneming van de voor
die tijd toepasselijke deeltijdfactor of deeltijdfactoren.
Artikel 139c. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31
december 1985 en 1 januari 1995
1. Het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten heeft recht op een
toeslag op zijn pensioen indien dat pensioen is berekend met
toepassing van de franchise bedoeld in artikel 139a, derde lid,
onderdeel a, en indien de kalendertijd, waarin de voor de berekening
van zijn pensioen meetellende diensttijd is gelegen, geheel of
gedeeltelijk samenvalt met kalendertijd, die in aanmerking is
genomen bij de berekening van enig pensioen waarop zijn echtgenoot
recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een vermindering is
toegepast uit hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet als echtgenoot van het gepensioneerde lid van
gedeputeerde staten wordt aangemerkt.
3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
berekening van het pensioen meetellend jaar binnen de samenlopende
kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel 139a,
derde lid, onderdeel a.
4. De toeslag wordt slechts toegekend op verzoek en gaat in de op de
dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is
opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is
ingediend.
5. Voor de toepassing van hoofdstuk 23 wordt de toeslag ingevolge
dit artikel niet onder pensioen begrepen.
Artikel 139d. Verstrekken van inlichtingen
1.Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder
medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering,
ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht
op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een
pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór
1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan
provinciale staten.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging
van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet
vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging
ambtshalve plaatsvond.
3.In bijzondere gevallen kunnen provinciale staten het tweede lid
buiten toepassing laten.
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 140. Nabestaandenpensioen
1. De nabestaande van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid
van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten
heeft recht op pensioen.
2. In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op
nabestaandenpensioen:
a. indien het huwelijk is gesloten nadat het gepensioneerde lid van
gedeputeerde staten de leeftijd van 65 jaar had bereikt;
b. bij overlijden van een gewezen lid van gedeputeerde staten vóór
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;
c. bij overlijden van een gepensioneerd lid van gedeputeerde staten,
voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30
juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 138a, vijfde
lid.
3. Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen lid
van gedeputeerde staten het gewezen lid van gedeputeerde staten met
recht op uitkering als bedoeld in artikel 131.
Artikel 141 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 142. Bijzonder nabestaandenpensioen
1.Ten laste van de provincie wordt recht op bijzonder
nabestaandenpensioen verleend aan de vrouw of man met wie een
overleden lid, gewezen lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde
staten gehuwd is geweest, mits:
a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien
het lid, gewezen lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op
de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van
het huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de
inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de
echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken
met toepassing van het voor genoemd tijdstip geldende recht.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij
recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het lid van
gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten op de dag van eindigen
van de aanmelding zou zijn overleden.
3.In afwijking van het het eerste en het tweede lid bestaat geen
recht op bijzonder nabestaandenpensioen:
a. indien het lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van
gedeputeerde staten of gepensioneerde lid van gedeputeerde staten en
de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij
huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van
het huwelijk of de aanmelding, en gedeptuteerde staten daarmee
instemmen;
b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen
met of aanmelding door hetzelfde lid van gedeputeerde staten wegens
diens overlijden recht op nabestaandenpensioen heeft;
c. bij overlijden van een lid van gedeputeerde staten of gewezen lid
van gedeputeerde staten voor de leeftijd van 65 jaar, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;
d. bij overlijden van een gepensioneerd lid van gedeputeerde staten,
voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30
juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 138a, vierde
lid.
Artikel 143. Wezenpensioen
1.Ten laste van de provincie wordt recht op wezenpensioen verleend
aan:
a. de kinderen, van hem die overlijdt als lid, gewezen of
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten, die de leeftijd van
eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of
gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest
bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn
aftreden is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op
uitkering ter zake van het aftreden;
b. de kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijk lid, gewezen
of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten ten tijde van zijn
overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij
authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, onder
dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, en
c. de kinderen voor welke het lid, gewezen lid of gepensioneerd lid
van gedeputeerde staten ten tijd van zijn overlijden de
pleegouderlijke zorg droeg, onder dezelfde voorwaarden als genoemd
in onderdeel a, met dien verstande dat in plaats van het tijdstip
van geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de
pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.
2.Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder c,
wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het
kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor.
Artikel 144. Tijdelijk pensioen
1.Indien een lid, gewezen lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde
staten is vermist, wordt aan degenen, die aan zijn overlijden recht
op pensioen zouden ontlenen, ten laste van de provincie recht op
tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen
van dit hoofdstuk is omschreven, verleend.
2.Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend
pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 145. Nabestaandenpensioen
1.Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het
pensioen, waarop het overleden lid van gedeputeerde staten als
zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag
na die van zijn overlijden was ontslagen, of waarop het overleden
gewezen lid van gedeputeerde staten als zodanig recht of uitzicht
had, een en ander met inachtneming van artikel 140, tweede lid,
onder b en c.
2.In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
nabestaande van hem die overlijdt:
a. als lid van gedeputeerde staten vóór het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop
dit lid aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn
lidmaatschap tot het bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben
bekleed;
b. als gewezen lid van gedeputeerde staten in de periode, waarover
hem een uitkering is toegekend, vijf zevende gedeelte van het
pensioen waarop het gewezen lid aanspraak zou hebben kunnen maken,
indien hij tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op
uitkering zou hebben gehad, met dien verstande dat voor de
berekening van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de
mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden.
3.Indien wegens eenzelfde sterfgeval voor een nabestaande recht
ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen op de voet van deze
afdeling dan wel op een nabestaandenpensioen op de voet van deze
afdeling en op een nabestaandenpensioen krachtens de tweede of derde
afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de eigen
pensioenen, waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid, tijd
die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de
berekening van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk
gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts
medegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het
hoogste bedrag oplevert.
4.Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van
het eigen pensioen voor zover artikel 139a daarop van toepassing is,
in alle gevallen gerekend met de franchise bedoeld in artikel 139a,
derde lid, onderdeel a.
5.Het nabestaandenpensioen wordt verminderd indien de nabestaande
meer dan tien jaar jonger was dan de overledene en het huwelijk dan
wel de aanmelding op de dag van overlijden nog geen vijf jaar heeft
geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat
het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.
Artikel 145a
1. De nabestaande die jonger is dan 65 jaar maar geen recht heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft
recht op een toeslag op zijn volgens artikel 145 berekende pensioen,
indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31
december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent
van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar
waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.
3. De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40
jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van
12 maanden.
4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht
daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 157, eerste lid,
vanaf 1 juli 1999.
5. Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande
65 jaar wordt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande
hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als
bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.
Artikel 145b
1. De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt
gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 145
berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over
diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het
tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is
toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met
ingang van die vermindering.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent
van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag
herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die
wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het
verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van
het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief
zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels,
bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere vaststelling van de verminderdering van een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
3. Artikel 145a, vierde en vijfde lid, zijn mede van toepassing op
de toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 145c
1.De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet en op 1 januari 1998 55 jaar of ouder
is, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 145 berekende
pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na
31 december 1985, indien en voor zo lang hij recht heeft op een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die
krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1
januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de
nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon
onafgebroken ongehuwd samenwoont.
2.De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent
van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag
herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder
vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet
meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde
bedrag.
De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming
van de vanaf die datum geldende bedragen krachtens de Algemene
nabestaandenwet en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van
1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van die
bedragen.
3.Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande
de 65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande
trouwt of partij is bij een aanmelding;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering
van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4.Artikel 145a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 145b is niet van toepassing.
Artikel 146. Bijzonder nabestaandenpensioen
1.Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte
van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van het lid van
gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten zou zijn berekend indien
deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde
van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben
verkregen;
b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde
dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 142,
derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1
augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking word genomen.
2.Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder
nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 142, eerste of tweede
lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding
waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding
voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die samenloopt of geacht
kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van
de aanmelding.
3.Artikel 145, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat
aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan
verminderd.
Artikel 147. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding
Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of
wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang
van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor
pensioen in aanmerking komende diensttijd van het lid van
gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of het
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten in aanmerking genomen,
die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.
Artikel 148. Wezenpensioen
1.Het wezenpensioen bedraagt:
a. voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van het lid,
gewezen lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten recht op
pensioen ontleent, een zevende gedeelte;
b. voor elk ander kind, twee zevende gedeelte, van het pensioen van
de overledene, berekend overeenkomstig artikel 145.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
begrepen de nabestaande, die op het tijdstip van zijn overlijden de
pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 145.
Artikel 148a
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
over diensttijd na 31 december 1985.
2. De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn volgens
artikel 148 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht heeft op
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. Deze
toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
wezenpensioen tellend jaar:
a. voor de wees, bedoeld in artikel 148, eerste lid, onder a, 0,375
percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de
nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar
waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de
daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;
b. voor de wees bedoeld in artikel 148, eerste lid, onder b, 0,75
percent van het onder a bedoelde jaarbedrag.
3. Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede
lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan de provincie. De
toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de
maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag
ambtshalve is toegekend.
4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht
daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 157, eerste lid.
Artikel 149
1.Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de artikelen
148 en 148a, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder
nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is
geëindigd.
2.Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel
147 wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw wordt
vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 148, eerste
lid, onder a, verhoogd met een bedrag dat zich verhoudt tot het
bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het
nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 145, vóór en na toepassing
van artikel 147 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór
die toepassing.
3.Voor de toepassing van dit artikel is artikel 148, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 150. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen
1.Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag
gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die
pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2.Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen
worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar
de omvang van die pensioenen.
3.Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in
artikel 150b, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 150a. Toeslag op nabestaandenpensioen
1. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat
pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van
7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens
het bepaalde in het tweede en vierde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 25
toepassing heeft gevonden.
3. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die
recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens
nabestaandenpensioen wegens hertrouwen dan wel een aanmelding
opnieuw is vastgesteld.
4. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 €
38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari
1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 150b. Toeslag op wezenpensioen
1. De wees bedoeld in artikel 148 heeft vanaf de eerste dag van de
maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, recht
op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende
pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat pensioen,
behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 25
toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 €
38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari
1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 151. Tijdelijk pensioen
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou
bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
overleden.
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Artikel 152
1.Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf
achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.
2.Provinciale staten kunnen een op grond van het eerste lid
vervallen recht op pensioen herstellen
Hoofdstuk 25. Samenloop
§ 1. Samenloop van pensioenen
Artikel 153
Hoofdstuk 7 van deze wet is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde
afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens
een andere regeling
Artikel 154 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 3. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
Artikel 155
Hoofdstuk 17 en de artikelen 125 tot en met 127 van deze wet zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling
bedoelde pensioenen.
Artikel 156. Verlaging inbouwbedrag
1.Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
over jaren gelegen voor 1 januari 1986.
2.Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
berekening van het pensioen, nadat dat bedrag is aangepast aan de
hand van de regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, op de dag met
ingang waarvan artikel 155 voor de eerste maal ten aanzien van het
pensioen toepassing vindt, lager is dan f 32.094,- [Red: per 1
januari 2007 € 16.519,54] , wordt het met toepassing van
laatstgenoemd artikel berekende inbouwbedrag vermenigvuldigd met een
breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag op bedoelde dag en
waarvan de noemer is f 32.094,- [Red: per 1 januari 2007 €
16.519,54] . De uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat
geval het inbouwbedrag. Het in de eerste volzin genoemd bedrag wordt
gewijzigd bij de ministeriële regeling bedoeld in artikel 157.
3.Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid van een
eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het vorige lid als
grondslag voor de berekening van het pensioen, het bedrag dat heeft
gestrekt tot grondslag voor de berekening van het eigen pensioen.
4.Indien het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen, dat gerekend
wordt deel uit te maken van het pensioen, reeds is verminderd
krachtens het eerste lid, vindt artikel 102, eerste lid, slechts
toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen, dat de som van
evenbedoeld verminderd bedrag en het bedrag van de vermindering,
bedoeld in het eerste lid van artikel 102, zou overschrijden het
bedrag dat, zonder toepassing van het eerste lid, krachtens artikel
97 gerekend zou worden deel uit te maken van het bedrag van het
pensioen.
De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing in het geval
bedoeld in artikel 102, derde lid.
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene
bezoldigingswijzigingen
Artikel 157
1. Een pensioen op grond van deze afdeling, waaronder niet begrepen
de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast
overeenkomstig een aanpassing aan een algemene
bezoldigingswijziging, van een pensioen van een gepensioneerde
overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP die
werkzaam is geweest in de sector Rijk.
2. Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in
het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan
degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid,
overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.
3. Onze Minister stelt regels voor de toepassing van het eerste en
het tweede lid. Deze regels werken zonodig terug tot en met de datum
waarop een pensioenaanpassing is ingegaan of recht is ontstaan op
een eenmalige uitkering.
Hoofdstuk 27. Bepalingen van administratieve aard
Artikel 158
Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de
artikelen 111, 112, 113, 114, 115, 118, derde lid, 122, 123 en 128
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 159. Nabestaandenuitkering
Het bepaalde in artikel 116 is ten aanzien van de in deze afdeling
bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Artikel 160. Inhoudingen
1. Op de wedde van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen,
bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter
zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid,
ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van het gewezen lid van gedeputeerde staten
worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van
bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op
een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom
en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als
pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 133a,
alsmede in de gevallen bedoeld in artikel 138a, derde lid, laatste
volzin.
Artikel 160a
1.Op aanvraag van een gewezen gedeputeerde draagt de desbetreffende
provincie de waarde van de door de aanvrager krachtens de vijfde
afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over,
overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake
waardeoverdracht.
2.De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels
zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
3.De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde
van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt
gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het
eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit
hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen
rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op
uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het
eerste lid.
4.Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de provincie ter
uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende
pensioenuitvoerder.
5.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de
waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
Artikel 160b
1.Op aanvraag van een gedeputeerde is de desbetreffende provincie
verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde
pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van
pensioenaanspraken op grond van de vijfde afdeling van deze wet.
Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in
de Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld
met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde
pensioenaanspraken.
2.De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken
krachtens de vijfde afdeling van deze wet en behandeld als een
geheel met de aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens de
vijfde afdeling van deze wet.
3.De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels
zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
4.Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de provincie ter
uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende
pensioenuitvoerder.
5.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de
waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
Artikel 161 [Vervallen per 15-08-2001]
Artikel 162. Beroep
1. De besluiten ter uitvoering van deze afdeling worden genomen door
gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders
onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap, tenzij
anders is bepaald.
2. Een belanghebbende kan tegen een besluit op grond van deze
afdeling beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Hoofdstuk 29. Overgangsbepalingen
Artikel 163
1.Bij verordening kan worden bepaald dat de pensioenen van gewezen
leden van gedeputeerde staten zomede die van de weduwen en wezen van
leden, gewezen leden of gepensioneerde leden van gedeputeerde
staten, voor zover het recht daarop niet is vervallen, met ingang
van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, worden
herberekend overeenkomstig de artikelen 90 en 92.
2.De verordeningen vastgesteld op grond van de wet van 1 augustus
1956, Stb. 455, behouden hun rechtskracht gedurende twee jaren na
het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet voor zover zij
niet eerder door andere verordeningen overeenkomstig deze wet zijn
vervangen.
In laatstbedoelde verordeningen kunnen zo nodig overeenkomstige
overgangsbepalingen worden opgenomen als vermeld in de hoofdstukken
8 en 15, en in artikel 124.
3.Artikel 134, derde lid, vindt geen toepassing ten aanzien van
uitkeringen toegekend ter zake van een aftreden voor het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 163a
In afwijking van artikel 130 is deze afdeling niet van toepassing op
gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en
gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de
vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de
Wet privatisering ABP, en wier ontslag of aftreden is ingegaan
vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling.
Artikel 163b
1. De artikelen 132, derde lid, en 132a tot en met 132c zijn niet
van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan
vóór de datum van inwerkingtreding van die bepalingen. In artikel
132, eerste lid, wordt in dat geval voor «vier jaren» gelezen
«zes jaren» en in artikel 132, tweede lid, wordt in dat geval voor
«55 jaar» gelezen: 50 jaar.
2. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 132, derde lid, is benoemd als lid van
gedeputeerde staten, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van
een deelgemeente of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap
en op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
132, derde lid, niet overheidswerknemer in de zin van de Wet
privatisering ABP was, en na de eerstvolgende verkiezing voor de
leden van provinciale staten, de gemeenteraad onderscheidenlijk het
algemeen bestuur van het waterschap niet wordt herbenoemd, dan wel
bij herbenoeming in hetzelfde ambt onmiddellijk na de eerstvolgende
verkiezing de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, wordt in artikel
132, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen «zes jaren» en in
artikel 132, tweede lid, voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.
3. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 132a tot en met 132c is benoemd
als lid van gedeputeerde staten, wethouder, lid van het dagelijks
bestuur van een deelgemeente of lid van het dagelijks bestuur van
een waterschap dat op het tijdstip voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de artikelen 132a tot en met 132c niet
overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP was, en na
de eerstvolgende verkiezing voor de leden van provinciale staten, de
gemeenteraad onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het
waterschap niet wordt herbenoemd, zijn de artikelen 132a tot en met
132c niet van toepassing.
Zesde afdeling
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Artikel 164. Kosten uitkering en pensioen
De kosten van de in deze wet bedoelde uitkeringen en pensioenen en
de kosten van de overname van en de gedeeltelijke vergoeding van de
premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
Weduwen- en Wezenwet daarover wordt geheven, voor zover niet is
bepaald dat deze kosten ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds komen, komen ten laste van Hoofdstuk VII van de
rijksbegroting, voor zover deze kosten betrekking hebben op
ministers, gewezen ministers, gepensioneerde ministers, nabestaanden
en wezen van gewezen ministers, en ten laste van Hoofdstuk II van de
rijksbegroting, indien meergenoemde kosten betrekking hebben op
leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gepensioneerde
kamerleden, nabestaanden en wezen van deze leden.
Artikel 165
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 166
Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers.
Artikel 167
1.Behoudens het tweede lid treedt deze wet in werking met ingang van
de eerste dag van de maand volgende op die van uitgifte van het
Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
2.[Vervallen.]
3.Met uitzondering van de in het tweede en vierde lid genoemde
artikelen en onderdelen van artikelen en van de artikelen 37, 39,
tweede en derde lid, 43, tweede lid, 44, tweede lid, 45, tweede lid,
82, 84, 87, tweede lid, 88, tweede lid, 89, tweede lid, 118, derde
lid, 128, 129 en 163, tweede en derde lid, werkt deze wet terug tot
1 januari 1966.
4.De artikelen 8, 50, onder e, 52, eerste lid, laatste volzin, 53,
54, 59, 67, 70 en 133 werken terug tot 1 januari 1969.
|