Nadere
regelgeving:
- Besluit
ex artikel 106 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
- Besluit
ex artikel 160, eerste lid, Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers
- Besluit
sollicitatieplicht Appa voor gewezen politieke ambtsdragers
WET van 10 december 1969, houdende nieuwe
regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke
ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke
ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste afdeling. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1. Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. Rijksvertegenwoordiger:
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
2. Voor zover de voor uitkering en
pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of
kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren,
onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking
komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van
jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar
op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.
3. Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens
begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid,
tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. aanmelding: aanmelding als
bedoeld in artikel 2a;
b. nabestaande: de man of vrouw
met wie de overleden politieke ambtsdrager, gewezen politieke
ambtsdrager of gepensioneerde politieke ambtsdrager op de dag
van overlijden gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten aanzien
van wie door de overledene aanmelding had plaatsgevonden.
2. Onder politieke ambtsdrager
wordt verstaan voor de toepassing van
a. de tweede afdeling van deze
wet: minister;
b. de derde afdeling van deze
wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
c. de vierde afdeling van deze
wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
d. devijfde afdeling van deze
wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten,
burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een
deelgemeente, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van
een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.
3. Waar in deze wet betekenis
toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd
is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder
gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk:
geregistreerd partnerschap.
Aanmelding
Artikel 2a
1. De politieke ambtsdrager,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b, alsmede de
Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw
aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:
a. beiden als ingezetene met
het zelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens zijn ingeschreven;
b. zich bij een notarieel
verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben
verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud;
c. beiden ongehuwd zijn;
d. beiden ten tijde van de
aanmelding achttien jaar of ouder zijn en
e. geen bloed- of aanverwanten
in de rechte lijn zijn.
2. Een gewezen politieke
ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen
als bedoeld in dat lid.
3. Degene die een aanmelding doet,
voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens
uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens waaruit
blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste
lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in
het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een
verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse
onderhoudsplichtigheid blijkt.
4. Indien aan de voorwaarden voor
aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert
Onze Minister de aanmelding.
5. Onze Minister kan regels stellen
omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven.
6. De aanmelding eindigt met het
doorhalen ervan.
7. Een aanmelding als bedoeld in
het eerste lid wordt doorgehaald:
a. op de dag waarop een
aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan,
dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen;
b. op de dag van overlijden van
de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de
aanmelding heeft gedaan, of
c. op de dag waarop degene die
de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is
aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij
een volgende aanmelding.
8. Onze Minister kan, indien
daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de
voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de
aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring
ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk,
alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt
dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het
tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de
voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft
ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een
afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een
uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris
dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de
voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
9. Indien de bevestiging niet
binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het
achtste lid bedoelde vraag.
10. Indien de bevestiging niet
binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze
Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum
doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop
de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.
11. Voor de toepassing van dit
artikel ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger, kan voor
«gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens»telkens
worden gelezen: basisadministratie, als bedoeld in artikel 2 van
de Wet basisadministratie persoonsgegevens BES.
Artikel 2b
1. Artikel 2a is van
overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onder d met uitzondering van de
Rijksvertegenwoordiger.
2. Voor de toepassing, bedoeld in
het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van
burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur
van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd
ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde
lid.
Artikel 3. Bijzonder
nabestaandenpensioen
De bepalingen van deze wet voor het
nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het
bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende
bepalingen het tegendeel blijkt.
Artikel 4. Tijdelijk pensioen
De bepalingen van deze wet voor het
nabestaanden- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing
op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen
het tegendeel blijkt.
Artikel 4a
Op een bij deze wet vastgestelde
pensioenregeling zijn de artikelen 47, 53, 55, vierde lid, en 97 van
de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing.
Tweede afdeling. Ministers en
staatssecretarissen
Hoofdstuk 2. Begripsomschrijvingen
Artikel 5
1.Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan:
staatssecretaris.
2.Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:
a. gewezen minister: hij die
uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen
krachtens deze afdeling;
b. gepensioneerd minister: hij
die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen
krachtens deze afdeling.
Hoofdstuk 3. De uitkering
Artikel 6. Het recht op uitkering
1. Aan een minister aan wie door
Ons ontslag wordt verleend wordt met ingang van de dag van zijn
ontslag, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, een uitkering toegekend op de voet van de volgende
artikelen.
2. Het eerste lid vindt geen
toepassing:
a. indien de belanghebbende
daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als
minister optreedt;
b. indien aan de belanghebbende
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Wij, de Raad van State gehoord,
kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegekend, indien de
belanghebbende:
a. zich in vreemde krijgsdienst
of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons
oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt
beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit
is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich
uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft
gedragen.
4. Tenzij de omstandigheid bedoeld
in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van
het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van
de uitkering berekend volgens artikel 7, wordt de uitkering alsnog
toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet
meer voordoet, voor de resterende duur.
Artikel 7. Duur van de uitkering
1. De uitkering wordt toegekend
voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister
is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten
hoogste voor de duur van vier jaren. Indien de belanghebbende met
een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in
aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest
in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn
ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is
onderbroken.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien
de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest.
3. Indien de belanghebbende ten
tijde van zijn aftreden de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en
hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn ontslag
voorafgaat ten minste tien jaren minister is geweest, wordt de
uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van
65 jaar bereikt.
4. Voor de berekening van de
uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren,
bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende
minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie
heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b en d.
Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige
zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de
tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking
in de uitoefening van deze functies.
5. In geval van tussentijds
vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder
b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was
vervallen, zou zijn geëindigd.
6. In bijzondere gevallen kunnen
Wij, de Raad van State gehoord, bepalen, dat de uitkering wordt
voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 11 vast te
stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.
Artikel 7a
1. De belanghebbende die recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 6, is verplicht:
a. in voldoende mate te
trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid
te aanvaarden;
c. mee te werken aan
activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in
de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat
hij:
a. door eigen toedoen geen
passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende
arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het
aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Onder passende arbeid wordt
verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van
de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in
relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend
beroep of opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de
belanghebbende;
c. de reistijd naar en van het
werk;
d. het geboden loon;
e. het werkloosheidsrisico.
4. Onze Minister is
verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende
opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven
van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die
noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de onderdelen van het plan;
b. een tegemoetkoming voor de
in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;
c. de eisen die worden gesteld
aan de organisatie die het plan opstelt.
5. Dit artikel is niet van
toepassing op de belanghebbende die:
a. een ambt heeft aanvaard als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet
ten bedrage van 70% of meer van de wedde, bedoeld inartikel 8;
b. recht heeft op een
voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a.
6. Dit artikel is niet van
toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de
belanghebbende.
Artikel 7b
1. Onze Minister kan de
belanghebbende, bedoeld in artikel 7a, verplichten zich bij het
gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te
laten begeleiden en ondersteunen.
2. Onze Minister verstrekt de
belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige
begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en
verwerven van passende arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten
hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten
wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid. De verplichte planmatige
begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt
volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor
tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in
aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld
aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
Artikel 7c
1. Indien de belanghebbende een bij
of krachtens artikel 7a of 7b geregelde verplichting niet of niet
behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of
gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd
tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen
aan belanghebbende op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van
het eerste lid.
Artikel 8. Bedrag van de uitkering
1.De uitkering bedraagt gedurende
het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als
minister genoten wedde.
2.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder laatstelijk genoten wedde verstaan de wedde,
de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop de
belanghebbende aanspraak had op de dag voorafgaande aan de dag
waarop hij als minister is ontslagen.
3.Indien Wij in de bezoldiging van
het Rijkspersoneel een wijziging aanbrengen wordt de in het eerste
lid bedoelde laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dat
lid met ingang van het tijdstip van ingang van de
bezoldigingswijziging door Onze Minister overeenkomstig de
wijziging aangepast.
Voortzetting van de uitkering bij
invaliditeit
Artikel 8a
1.Indien de belanghebbende op de
dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk
algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 11, de
uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet
van artikel 8b.
2.Algemeen invalide, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of
gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk
verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle
algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet
begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld
in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3.Bij de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de
betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4.Indien de betrokkene zonder
redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste
opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van
een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de
mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of
scholing is afgerond.
5.Bij een algemene invaliditeit van
minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.
Artikel 8b
1.De voortzetting van de uitkering
vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en
vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit
artikel.
2.De uitkering bedraagt gedurende
een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk
als minister genoten wedde, bedoeld in artikel 8, bij een algemene
invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze wedde bij een algemene
invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die wedde bij een algemene
invaliditeit van 25% tot 55%.
3.De in het tweede lid bedoelde
periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van
voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf
jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half
jaar;
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4.De uitkering bedraagt na afloop
van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage,
volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon
verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk
als minister genoten wedde, bedoeld in artikel 8, en het
minimumloon.
5.Voor de berekening van het in het
vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het
aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de
belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6.Het minimumloon, bedoeld in het
vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per
maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een
betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag
herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de
genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
7.De belanghebbende heeft recht op
een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder
bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage
van de laatstelijk als minister genoten wedde.
8.De aanvulling is gelijk aan het
bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister
genoten wedde.
9.In afwijking van het achtste lid
is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven
percentage van de laatstelijk als minister genoten wedde, indien
de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de
inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.
10.Het in het negende lid bedoelde
percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer
65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een
algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11.Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld
met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze
Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip
waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid
bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12.Indien de wegens algemene
invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten,
bedoeld in artikel 9, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de
uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet
meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan
deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
Artikel 8c
1.De voortzetting van de uitkering,
bedoeld in artikel 8a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende
en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het
in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de
uitkering.
2.Onze Minister stelt de
belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de
in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de
mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de
uitkering na afloop van die termijn.
3.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden
voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
gedaan.
4.Indien Onze Minister niet tijdig
beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde
lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de
beslissing op de aanvraag.
5.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze
Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft
gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in
het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat
deze kennisgeving is ontvangen.
6.Indien de uitkering na afloop van
de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de
uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest
indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7.Onze Minister kan ten aanzien van
bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde
situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die
afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.
Artikel 8d
1. Binnen een jaar na het tijdstip
waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel
8a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten
einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed
hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn
voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Onze Minister kan ten aanzien
van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn
geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het
eerste lid genoemde termijn.
3. Onze Minister wijzigt ambtshalve
of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering
bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
4. Een wijziging van het bedrag van
de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag
is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand
volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
b. indien de wijziging
ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de
maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is
genomen.
5. De toepassing van artikel 8a
wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang
hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te
onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen
geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is
van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op
wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit
of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang
niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 8a,
tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of
intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de
eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten
periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de
inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste
volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in
verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede
volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde
arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid.
Artikel 8e
1.Op verzoek van een minister doet
Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem
aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de
minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in
artikel 8a, tweede lid.
2.Onze Minister brengt de uitkomst
van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter
kennis van de verzoeker.
Artikel 9. Inkomsten uit of in
verband met arbeid of bedrijf
1. De inkomsten die de
belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van
de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering
verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag
dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten
geniet als
a. winst uit een of meer
ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in
verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit
overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een
werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste
lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting
2001.
Onder inkomsten bedoeld in de
vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening
krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. De in het eerste lid bedoelde
verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met
het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten,
de laatstelijk genoten wedde, waarvan de uitkering is afgeleid,
overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de
uitkering de op grond van artikel 7c, eerste lid, opgelegde
inhouding buiten beschouwing gelaten.
4. Indien in het bedrag der
inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te
zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene
Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding
voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige
volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde
inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni
1985.
5. Kinderbijslag wordt niet
aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit
artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in
artikel 7, zesde lid, en artikel 8a, kan Onze Minister andere
inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 9a
1.De belanghebbende is verplicht
van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in
artikel 9, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze
Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die
hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet
vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het
ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft
genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het
doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de
activiteiten bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2.Brengt de aard van de
activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een
langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave
dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering
toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud
van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten
aanzien van deze verrekening is artikel 9 van toepassing, met dien
verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde
langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3.Onze Minister kan bij de
vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van
de belanghebbende afwijken.
4.De belanghebbende aan wie
uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering
geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het
oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn
omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering
van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Artikel 10
1.De uitkering, berekend over een
maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2.De uitkering wordt niet
uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van
artikel 9a.
Artikel 11. Einde en verval van de
uitkering
1.De uitkering eindigt met ingang
van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is
overleden.
2.De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop
de gewezen minister de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. met ingang van de dag waarop
de gewezen minister wederom minister wordt;
c. wanneer tijdens de duur van
de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich
niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige
toepassing.
3.De uitkering kan geheel of ten
dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende
herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan
zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.
4.Voorts kunnen Wij, de Raad van
State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen
minister:
a. zich in vreemde krijgsdienst
of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons
oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt
beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit
is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich
uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft
gedragen.
Artikel 12. Uitkering bij overlijden
1.Zo spoedig mogelijk na het
overlijden van de gewezen minister wordt aan de weduwe of
weduwnaar, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde,
een bedrag uitgekeerd gelijk aan de uitkering over een tijdvak van
drie maanden vermeerderd met de kinderbijslag voor het eerste en
tweede kind waarop de gewezen minister ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet op de dag van het overlijden recht had.
2.Laat de overledene geen weduwe of
weduwnaar na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam
gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het
eerste lid bedoelde bedrag, ten behoeve van de minderjarige
kinderen die in familierechtelijke betrekking stonden tot de
overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de
pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind,
als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken
ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het
eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was
van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten
behoeve van deze betrekkingen.
3.Laat de overledene geen
betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan
het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd
voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die
kosten ontoereikend is.
Hoofdstuk 4. Het eigen pensioen
Artikel 13. Het recht op eigen
pensioen
1.Een minister heeft na zijn
ontslag recht op pensioen, indien hij op de dag van ingang van het
ontslag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij hij op dat
tijdstip wederom als minister optreedt.
2.Een minister wie ontslag is
verleend vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar,
verkrijgt recht op pensioen bij het bereiken van die leeftijd,
tenzij hij op dat tijdstip wederom het ambt van minister vervult.
Artikel 13a. Bedrag van het eigen
pensioen per dienstjaar
1. Het pensioen bedraagt voor ieder
dienstjaar als minister 2 percent van de daarvoor geldende
pensioengrondslag, volgens een of meer van de artikelen 14, 14a en
14aa. Voor de toepassing van die artikelen wordt verstaan onder
wedde: de laatstelijk genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede
lid, aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, derde
lid.
2. In afwijking van het eerste lid
behoort niet tot de wedde de verhoging van de wedde per 1 januari
2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
3. Als diensttijd telt mee de tijd
met recht op uitkering. Het pensioen over die tijd wordt berekend
naar 2 percent per jaar over de eerste vier jaren van het recht op
uitkering dan wel over de volledige tijd met recht op uitkering
indien die tijd minder is dan vier jaren en vervolgens naar 1
percent per jaar. In het geval van een uitkering als bedoeld in
artikel 8a, wordt het pensioen over de tijd met recht op uitkering
berekend naar 2 percent per jaar voor zover en voor zolang het
percentage van de algemene invaliditeit 55 percent of meer
bedraagt. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt een
uitkering als bedoeld in artikel 7 aangemerkt als een uitkering
als bedoeld in artikel 8a, indien en zolang de belanghebbende
tijdens de duur van de eerstbedoelde uitkering voor 55 percent of
meer algemeen invalide is.
4. In afwijking van het derde lid
wordt het pensioen over de in dat lid bedoelde tijd berekend naar
de helft van het ingevolge dat lid toepasselijke percentage, over
het gedeelte van die tijd waarin de uitkering is verminderd wegens
het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9. Geen
meetelling van diensttijd als bedoeld in het derde lid vindt
plaats:
a. voor zover gedurende de in
dat lid bedoelde tijd de uitkering wegens het genieten van
inkomsten als bedoeld in artikel 9 tot nihil is verminderd;
b. in zover de belanghebbende
die recht heeft op uitkering, maar die minder uitkering geniet
dan de krachtens artikel 106 berekende inhoudingen ter zake
van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het
bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval als een
op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende
daarom verzoekt.
5. Indien voor de
pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd als minister en als
staatssecretaris voor het pensioen meetellen, wordt over elk van
die tijden een afzonderlijk pensioen berekend. De som van die
pensioenen wordt als een eenheid toegekend.
6. De minister en de gewezen
minister hebben bij ingang van het pensioen eenmalig de
keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen,
voorzover het is berekend over diensttijd die is gelegen na 30
juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 22
voor de berekening van het nabestaandenpensioen in aanmerking
wordt genomen.
7. Met de verhoging van het
pensioen, bedoeld in het zesde lid, vervalt de aanspraak op
nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na 30 juni 1999.
8. De keuze, bedoeld in het zesde
lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot
of de aangemelde partner. Onze Minister kan nadere regels stellen
met betrekking tot het doen van de keuze.
9. De verhoging van het pensioen
gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen
ontstaat en is onherroepelijk.
Artikel 13b
1. De gewezen minister kan na
afloop van de uitkeringsduur, bedoeld inartikel 7, eerste of
tweede lid, de vanaf 1 augustus 2003 opgebouwde aanspraken op
eigen pensioen omzetten in een aanspraak op nabestaandenpensioen
bij overlijden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
2. Voor de omzetting van het eigen
pensioen, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister bij
ministeriële regeling een leeftijdsafhankelijke ruilvoet vast.
3. Onze Minister informeert de
gewezen minister binnen vier maanden voor de afloop van zijn
uitkering over de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid.
4. De gewezen minister dient zijn
keuze binnen zes weken na ontvangst van deze mededeling
schriftelijk aan Onze Minister mee te delen. Tot het moment van
het eindigen van de termijn van zes weken, verkrijgt de gewezen
minister een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen
overeenkomstig de tijd tot het moment van aftreden van de
minister.
5. Als omzetting als bedoeld in het
eerste lid gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in
artikel 107, wordt de vermindering van het eigen pensioen
aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het
eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met
inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid.
6. Als een gewezen minister op enig
moment opnieuw minister wordt, wordt de vermindering van het eigen
pensioen, bedoeld in het eerste lid, aangepast. De aanspraak op
nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet
in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de
ruilvoet, bedoeld in het tweede lid, behorende bij de leeftijd van
de minister op het moment dat hij opnieuw het ambt van minister
vervult.
7. Het vijfde en zesde lid zijn
niet van toepassing bij het einde van het huwelijk na aftreden van
de minister en voor waardeoverdracht of voor het opnieuw vervullen
van het ministerschap.
Artikel 14. Pensioengrondslag tijd
voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen
1. Voor tijd vóór 1 januari 1986
is de pensioengrondslag de wedde.
2. De wedde wordt voor de
toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met 100/110 indien
deze laatstelijk is genoten tussen 31 december 1985 en 1 januari
1995. De aldus vastgestelde pensioengrondslag is echter niet lager
dan de wedde verminderd met € 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008
€ 4.434,37] . Het bedrag van € 2 867,89 [Red: per 1 januari
2008 € 4.434,37] wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro’s, op 1
januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
3. De wedde wordt voor de
toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een
debruteringsfactor overeenkomstig artikel 14a, tweede lid, indien
deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Op het aldus
gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel van toepassing.
4. Hoofdstuk 17 is van toepassing
op het pensioen, indien of voorzover berekend over de in het
eerste lid bedoelde tijd.
Artikel 14a. Pensioengrondslag tijd
tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
1. Voor tijd tussen 31 december
1985 en 1 januari 1995 is de pensioengrondslag de wedde verminderd
met een bedrag, genaamd franchise.
2. De wedde wordt voor de
toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een
debruteringsfactor indien deze laatstelijk is genoten na 31
december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de teller honderd
bedraagt en de noemer de som is van honderd en het percentage
waarmee het inkomen als minister per 1 januari 1995 uitsluitend
ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994 tot
wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
(onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke
franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is gewijzigd.
3. De in het eerste lid bedoelde
franchise is:
a. voor de gepensioneerde
minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet
als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een
jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een gehuwde per 1
januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat;
b. voor de gepensioneerde
minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet
als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een
jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een ongehuwde per 1
januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.
4. In de in het derde lid bedoelde
bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop
ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht bestaat.
5. Wanneer de in het derde lid
bedoelde bedragen op grond van persoonlijke omstandigheden worden
gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het
herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel 14c, tweede lid,
in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijzigingen zich hebben
voorgedaan.
Artikel 14aa
Artikel 14a, eerste lid, is van
toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de
franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
vastgesteld.
Artikel 14b. Samenvallende diensttijd
van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
1. De gepensioneerde minister heeft
recht op een toeslag op zijn pensioen indien dat pensioen is
berekend met toepassing van de franchise bedoeld in artikel 14a,
derde lid, onderdeel a, en indien de kalendertijd, waarin de voor
de berekening van zijn pensioen meetellende diensttijd is gelegen,
geheel of gedeeltelijk samenvalt met kalendertijd, die in
aanmerking is genomen bij de berekening van enig pensioen waarop
zijn echtgenoot recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een
vermindering is toegepast uit hoofde van recht op
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de
toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de
gepensioneerde minister wordt aangemerkt.
3. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt voor elk voor de berekening van het pensioen
meetellend jaar binnen de samenlopende kalendertijd 0,525 percent
van de franchise bedoeld in artikel 14a, derde lid, onder a.
4. De toeslag wordt slechts
toegekend op verzoek en gaat in op de dag waarop de in het eerste
lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat
de toeslag niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van
de maand waarin het verzoek is ingediend.
5. Voor de toepassing van hoofdstuk
5 wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder pensioen
begrepen.
Artikel 14c. Verstrekken van
inlichtingen
1.Indien in het bedrag van het
ouderdomspensioen, waaronder medebegrepen een eventuele toeslag en
de vakantie-uitkering, ingevolge de Algemene Ouderdomswet een
wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke
omstandigheden, is degene aan wie een pensioen krachtens dit
hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór 1 januari 1995,
gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
2.Indien de in het eerste lid
bedoelde wijziging leidt tot verhoging van het pensioen krachtens
dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin de daarbedoelde
kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging ambtshalve
plaatsvond.
3.In bijzondere gevallen kan Onze
Minister het tweede lid buiten toepassing laten.
Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en
wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 15
1. De nabestaande van een minister,
gewezen minister of gepensioneerd minister heeft recht op
pensioen.
2. In afwijking van het eerste lid
bestaat geen recht op nabestaandenpensioen:
a. indien het huwelijk is
gesloten nadat de gepensioneerde minister de leeftijd van 65
jaar had bereikt;
b. bij overlijden van een
gewezen minister vóór het bereiken van de leeftijd van 65
jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is
gelegen na 31 juli 2003;
c. bij overlijden van een
gepensioneerd minister, voorzover de pensioengeldige tijd van
de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is
gedaan, bedoeld in artikel 13a, zesde lid.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid geldt niet als gewezen minister de gewezen minister met
recht op uitkering als bedoeld in artikel 6.
Artikel 16 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 17. Bijzonder
nabestaandenpensioen
1. Recht op bijzonder
nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden
minister, gewezen minister of gepensioneerd minister gehuwd is
geweest, mits:
a. hij of zij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister,
gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag van het
vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
b. de onder a bedoelde dag ligt
na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening
echtscheidingsrecht en de echtscheiding of ontbinding van het
huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor
genoemd tijdstip geldende recht.
2. Eveneens heeft recht op
bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of man van wie de
aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister, de
gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag van eindigen
van de aanmelding zou zijn overleden.
3. In afwijking van het het eerste
en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder
nabestaandenpensioen:
a. indien de minister, gewezen
minister of gepensioneerd minister en de desbetreffende vrouw
of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij
geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de
aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien de onder a bedoelde
vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door
dezelfde minister wegens diens overlijden recht op
nabestaandenpensioen heeft;
c. bij overlijden van een
minister of gewezen minister voor de leeftijd van 65 jaar,
voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen
na 31 juli 2003;
d. bij overlijden van een
gepensioneerd minister voorzover de pensioengeldige tijd van
de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is
gedaan, bedoeld in artikel 13a, zesde lid.
Artikel 18
Na het overlijden van een minister,
gewezen minister of gepensioneerd minister hebben recht op
wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren
nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn
dan wel niet partij zijn of partij geweest zijn bij een aanmelding,
mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn ontslag is ingegaan
of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van
het ontslag.
Artikel 19
Kinderen ten opzichte van welke aan
een mannelijke minister, gewezen of gepensioneerde minister ten
tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 394 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek BES was opgelegd, dan wel door hem bij
authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben
onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 18 recht op
wezenpensioen.
Artikel 20
1.Kinderen voor welke de minister,
gewezen minister of gepensioneerde minister ten tijde van zijn
overlijden de pleegouderlijke zorg droeg, hebben onder dezelfde
voorwaarden als genoemd in artikel 18, recht op wezenpensioen met
dien verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of
adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke zorg in
aanmerking wordt genomen.
2.Onder pleegouderlijke zorg
bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen
kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het
genieten van een vergoeding daarvoor.
Artikel 21. Tijdelijk pensioen
1.Indien een minister, gewezen
minister of gepensioneerd minister naar het oordeel van Onze
Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht
op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op
dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is
omschreven.
2.Het tijdelijk pensioen gaat van
rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden
van de vermiste vaststaat.
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 22. Nabestaandenpensioen
1. Het nabestaandenpensioen
bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop de
overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien
hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen
of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of
uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede
lid, onder b en c.
2. In afwijking van het vorige lid
bedraagt het pensioen van de nabestaande van hem die overlijdt:
a. als minister vóór het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar, vijf zevende gedeelte
van het pensioen waarop die minister aanspraak zou hebben
kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van
evengenoemde leeftijd zou hebben bekleed;
b. als gewezen minister in de
periode, waarover hem een uitkering is toegekend, vijf zevende
deel van het pensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou
hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar recht op uitkering zou hebben gehad, met
dien verstande, dat voor de berekening van het pensioen de
diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van
diensttijd op de dag van overlijden.
3. Indien wegens eenzelfde
sterfgeval voor een nabestaande recht ontstaat zowel op
nabestaandenpensioen krachtens deze afdeling als op een
nabestaandenpensioen krachtens of op de voet van de derde of
vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de
eigen pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid,
tijd, die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als
voor de berekening van het andere pensioen medetelt en niet
daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is
doorgebracht, slechts medegeteld voor de berekening van het
pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
4. Bij de toepassing van de
voorgaande leden wordt ten aanzien van het eigen pensioen voor
zover artikel 14a daarop van toepassing is, in alle gevallen
gerekend met de franchise bedoeld in artikel 14a, derde lid onder
a.
Artikel 22a
1. De nabestaande die jonger is dan
65 jaar maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, heeft recht op een toeslag op zijn
volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of
mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot
een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals
die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat.
3. De nabestaande, bedoeld in het
eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat
lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden.
4. De toeslag gaat in met ingang
van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang
van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld
in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999.
5. Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande 65 jaar wordt;
b. met ingang van de maand
volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner
wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet wordt aangemerkt.
Artikel 22b
1. De nabestaande die recht heeft
op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een
toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat
is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens
de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli
1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in
mindering is gebracht, met ingang van die vermindering.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75
percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het
jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de
vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet
meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde
bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader
vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van
ieder jaar volgens de regels, bedoeld inartikel 105, eerste
lid, vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere
vaststelling van de verminderdering van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4. Artikel 22a, vierde en vijfde
lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 22c
1.De nabestaande die recht heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en op
1 januari 1998 55 jaar of ouder is, heeft recht op een toeslag op
zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend
of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985, indien en
voor zo lang hij recht heeft op een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67,
derde of negende lid van die wet vanaf 1 januari 1998 wordt
verminderd wegens de omstandigheid dat de nabestaande vanaf een
tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon onafgebroken
ongehuwd samenwoont.
2.De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75
procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde
bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de
eerste volzin eerstbedoelde bedrag.
De toeslag wordt vanaf 1 januari
1998 vastgesteld met inachtneming van de vanaf die datum geldende
bedragen krachtens de Algemene nabestaandenwet en wordt vervolgens
nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand
van de ontwikkeling van die bedragen.
3.Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd
bereikt;
b. met ingang van de maand
volgend op die waarin de nabestaande trouwt of partij is bij
een aanmelding;
c. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de vermindering van de
nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4.Artikel 22a, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. Artikel 22b is niet van toepassing.
Artikel 23. Bijzonder
nabestaandenpensioen
1.Het bijzonder
nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen
pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag
waarnaar het pensioen van de minister, gewezen minister of
gepensioneerd minister zou zijn berekend indien deze op de dag
van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de
aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen;
b. pensioengeldige tijd die is
gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat
in de gevallen bedoeld in artikel 17, derde lid, onder c en d,
uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1
juli 1999 in aanmerking wordt genomen.
2.Indien er recht bestaat op meer
dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 17,
eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige
toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het
bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die
samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.
3.Artikel 22, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Indien er bij een overlijden
recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen
wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
ontleend met het bedrag daarvan verminderd.
Artikel 24. Nabestaandenpensioen bij
hertrouwen dan wel aanmelding
Indien een nabestaande hertrouwt,
partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd
samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn
pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende
maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking
komende diensttijd van de minister, de gewezen minister of de
gepensioneerde minister in aanmerking genomen, die gelegen is voor
het tijdstip van diens overlijden.
Artikel 25. Wezenpensioen
1.Het wezenpensioen bedraagt:
a. voor elk kind, wiens ouder
aan het overlijden van de minister, gewezen minister of
gepensioneerd minister recht op pensioen ontleent, een zevende
gedeelte;
b. voor elk ander kind, twee
zevende gedeelte, van het pensioen van de overledene, berekend
overeenkomstig artikel 22.
2.Voor de toepassing van het eerste
lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande, die op het
tijdstip van zijn overlijden de pleegouderlijke zorg had van het
kind, bedoeld in artikel 20.
Artikel 25a
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december
1985.
2. De wees die geen recht heeft op
wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet heeft recht
op een toeslag op zijn volgens artikel 25 berekende pensioen,
tenzij zijn ouder recht heeft op halfwezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
voor de berekening van het wezenpensioen tellend jaar:
a. voor de wees, bedoeld in
artikel 25, eerste lid, onder a, 0,375 percent van de tot een
jaarbedrag herleide som van de nabestaandenuitkering en de
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de daarover
berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;
b. voor de wees bedoeld in
artikel 25, eerste lid, onder b, 0,75 percent van het onder a
bedoelde jaarbedrag.
3. Indien aanspraak ontstaat op de
toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan
onverwijld kennis aan Onze Minister. De toeslag gaat niet eerder
in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is
toegekend.
4. De toeslag gaat in met ingang
van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang
van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld
in artikel 105, eerste lid.
Artikel 26
1.Onze Minister maakt een
herberekening van het wezenpensioen overeenkomstig de artikelen 25
en 25a, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder
nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is
geëindigd.
2.Wanneer het nabestaandenpensioen
van de ouder krachtens artikel 24 wegens hertrouwen of een
aanmelding opnieuw wordt vastgesteld, verhoogt Onze Minister het
wezenpensioen bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, met een
bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen,
zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in
artikel 22, vóór en na toepassing van artikel 24 zich verhoudt
tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.
3.Voor de toepassing van dit
artikel is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27. Beperking gezamenlijk
bedrag wezenpensioenen
1.Het gezamenlijk bedrag van de
wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte
van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2.Indien wegens toepassing van het
eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze
vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt de toeslag, bedoeld in artikel 27b, buiten beschouwing
gelaten.
Artikel 27a. Toeslag op
nabestaandenpensioen
1. De nabestaande die de leeftijd
van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de
maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn
volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van
15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1
augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na
31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het
pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
3. Dit artikel is niet van
toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder
nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen
wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw is vastgesteld.
4. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80
[Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 27b. Toeslag op wezenpensioen
1. De wees bedoeld in artikel 25
heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van
vijftien jaar heeft bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens
de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van
vijftien percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het
pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80
[Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 28. Tijdelijk pensioen
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan
het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag
van zijn vermissing was overleden.
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
Artikel 29. Verval van uitzicht of
recht op pensioen
Wij, de Raad van State gehoord,
verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht
heeft:
a. zich in vreemde krijgsdienst
of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel
zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd
onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is
veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit
Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
Artikel 30. Herstel van uitzicht op
pensioen
In bijzondere gevallen kunnen Wij, de
Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van
artikel 29 vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of
gedeeltelijk herstellen.
Artikel 31. Verval van recht op
pensioen bij het niet-invorderen
1.Het recht op pensioen vervalt
indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering
achterwege is gebleven.
2.Wij kunnen, de Raad van State
gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van het vorige
lid vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 34. Samenloop
nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding
1. Indien een nabestaande aan wie
reeds een nabestaandenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze
wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later
huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op
nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij
krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts
medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het
hoogste bedrag oplevert.
2. Onder een pensioen krachtens een
andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een
pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan
ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de
verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao,
van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in
evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar
gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen
ingesteld fonds.
Artikel 34a. Samenloop van
wezenpensioenen
1.Indien een wees die reeds recht
op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij
krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander
wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij
krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de
eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten
worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij
de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
bedrag oplevert.
2.Artikel 34, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 35. Intrekking wet van 1
augustus 1956, Stb. 455
1.Behoudens het in dit hoofdstuk
verder bepaalde wordt op het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet ingetrokken de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455,
houdende nadere regeling tot het toekennen van uitkering en van
pensioen aan gewezen ministers, staatssecretarissen, leden van
gedeputeerde staten ener provincie en wethouders ener gemeente,
zomede van een pensioen aan hun weduwen en wezen, alsmede de
overgangsbepalingen van die wet.
2.Artikel 4 van de wet van 1
augustus 1956, Stb. 455, blijft van toepassing tot 1 januari 1969.
3.Artikel 14, onder a, van de wet
van 1 augustus 1956, Stb. 455, blijft van toepassing tot het in
artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip.
4.Te rekenen van 1 september 1956
af wordt in de opsomming van artikelen in de aanhef van artikel
50, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455,
ingevoegd: 14, onder a.
Artikel 36
De wettelijke bepalingen bedoeld in
artikel 35 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en
verplichtingen die op grond van die bepalingen voor het tijdstip van
de inwerkingtreding van deze wet zijn ontstaan en die op dat
tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht onderscheidenlijk
waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.
Artikel 36a
1. Deartikelen 7, derde en vierde
lid, en 7a tot en met 7c zijn niet van toepassing ter zake van een
ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór de datum van
inwerkingtreding van die bepalingen. In dat geval wordt in artikel
7, eerste lid, voor «vier jaren»gelezen: zes jaren.
2. Ten aanzien van de
belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van de
artikelen 7a tot en met 7c het ambt van minister vervult en geen
ambt bekleedt in het na de eerstvolgende verkiezing voor de leden
van de Tweede Kamer aantredende kabinet, zijn de artikelen 7a tot
en met 7c niet van toepassing. In dat geval wordt in artikel 7,
eerste lid, voor«vier jaren» gelezen: zes jaren.
Artikel 37. Toepasselijkheid van deze
wet
De met ingang van een datum
voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet,
aan ontslagen ministers en aan weduwen en wezen van ministers,
gewezen ministers en gepensioneerde ministers toegekende uitkeringen
en pensioenen worden met ingang van dat tijdstip geacht krachtens
deze wet te zijn toegekend.
Artikel 38. Keuze-bepaling
1. Met inachtneming van het
volgende lid zullen de artikelen 6 tot en met 14 van deze wet geen
toepassing vinden en in de plaats daarvan zullen de daarmede
overeenkomende artikelen van Ons besluit van 31 oktober 1952, Stb.
543, en van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, alsmede artikel 68,
vierde lid, van laatstgenoemde wet, zoals deze artikelen luidden
op 31 augustus 1956, van overeenkomstige toepassing zijn ten
aanzien van hem, die op 31 augustus 1956 het ambt van minister
bekleedde en daartoe binnen zes maanden na het tijdstip, waarop
hem ontslag wordt verleend, schriftelijk aan Onze Minister de wens
te kennen geeft.
2. Ten aanzien van de
belanghebbende, die de in het vorige lid bedoelde wens heeft
kenbaar gemaakt, wordt met ingang van de dag waarop hem pensioen
als gewezen minister wordt toegekend, over de tijd voorafgaand aan
het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240,
zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als diensttijd in
aanmerking kwam, op de voet van de Algemene burgerlijke
pensioenwet ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
pensioen toegekend.
3. Pensioenen die ten laste van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds zijn toegekend op grond van
artikel 52, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455,
worden voor zover het recht op dat pensioen niet is vervallen, met
ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
herberekend op de voet van de bepalingen van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, indien zulks voor de belanghebbende
voordeliger is.
4. In de gevallen waarin de tijd
voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet
1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als
diensttijd in aanmerking kwam en geacht moet worden met pensioen
te zijn vergolden hoewel dit niet tot een afzonderlijk pensioen
ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft geleid
omdat het pensioen als gewezen minister reeds het geldende maximum
als bedoeld in artikel 68, derde lid, van die wet, zoals dit
artikel op 31 augustus 1956 luidde, had bereikt, wordt met ingang
van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, over
eerstbedoelde tijd ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds op de voet van de bepalingen van de Algemene
burgerlijke pensioenwet pensioen toegekend.
Artikel 39. Het bedrag van de
uitkering (behoort bij hoofdstuk 3)
1.Ten aanzien van de gewezen
minister aan wie een uitkering is toegekend ter zake van een
ontslag als zodanig ná 31 december 1963 doch vóór 1 september
1966, wordt het bedrag van de uitkering, na aftrek van de
eventueel daarop toegepaste vermindering wegens inkomsten,
verhoogd met een compensatie van de premie die ingevolge de
Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet van de
uitkering wordt geheven, van 5,6 ten honderd van bedoeld bedrag
over het jaar 1964 en daarna van 7,1 ten honderd van bedoeld
bedrag, met inachtneming van de desbetreffende maximale grens.
2.Ten aanzien van uitkeringen die
zijn toegekend ter zake van een ontslag voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, blijft het bepaalde in artikel 3,
eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de wet van 1 augustus
1956, Stb. 455, van kracht.
3.Uitkeringen die zijn toegekend
ter zake van een ontslag voor het tijdstip van de inwerkingtreding
van deze wet, worden te rekenen van 1 januari 1969 of het latere
tijdstip waarop de uitkering is ingegaan, overeenkomstig het
bepaalde in artikel 8 herzien.
Artikel 40. Het bedrag van het eigen
pensioen (behoort bij hoofdstuk 4)
Pensioenen toegekend ter zake van een
ontslag verleend met een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1964
worden afgeleid van de laatstelijk als minister genoten wedde, nadat
daarop in mindering is gebracht een zodanig gedeelte van de ter zake
van die wedde berekende premie, als bedoeld in artikel 23 van de
Algemene Ouderdomswet, als geacht moet worden door wedde-verhoging
te zijn gecompenseerd.
Artikel 40a
1. In afwijking van artikel 13b,
derde lid, informeert Onze Minister de gewezen minister van wie de
uitkeringsduur, bedoeld in artikel 7, eerste of tweede lid, is
geëindigd in de periode gelegen tussen 31 december 2007 en de dag
van inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele andere
wetten 2011, binnen vier maanden na inwerkingtreding van de Wet
aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011 over de mogelijkheid,
bedoeld in artikel 13b, eerste lid.
2. De gewezen minister kan tot een
jaar na de inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele
andere wetten 2011 Onze Minister verzoeken tot omzetting van eigen
pensioen in nabestaandenpensioen als bedoeld inartikel 13b.
Artikel 41. Het recht op weduwen- en
wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 1)
1.Aan de weduwe wier
weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is geëindigd op grond
van artikel 22 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, of op
grond van het vierde lid wordt op haar verzoek aan Onze Minister
opnieuw weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk, anders dan
door opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt ontbonden.
Indien haar ter zake van het latere
huwelijk eveneens pensioen toekomt, hetzij krachtens deze wet,
hetzij krachtens een andere regeling, als bedoeld in artikel 34,
tweede lid, wordt het opnieuw toe te kennen pensioen berekend met
overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 34, eerste
lid, tenzij toekenning van een dezer pensioenen, waarbij het recht
op het andere pensioen vervalt, tot een hoger bedrag leidt. De
vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing, indien de weduwe
ter zake van het latere huwelijk recht op bijzonder
weduwenpensioen verkrijgt.
2.Bij toekenning aan de weduwe van
weduwenpensioen ingevolge het vorige lid wordt het wezenpensioen
van haar kinderen, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, eerste
volzin, nader vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in dat
artikel en met inachtneming van artikel 26, tweede lid, indien
artikel 24 overeenkomstige toepassing vindt bij de berekening van
het weduwenpensioen.
3.Het weduwenpensioen of de
weduwenpensioenen en het nader vastgestelde wezenpensioen gaan in
met de dag volgende op die van de ontbinding van het huwelijk.
Herberekening van de pensioenen ingevolge de laatste volzin van
het eerste lid geschiedt met ingang van de dag, waarop het
bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou ingaan.
4.In afwijking van artikel 24
eindigt een ingevolge het eerste lid opnieuw toegekend
weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met een man, met wie
zij vóór 1 januari 1966 reeds gehuwd is geweest, met ingang van
de maand volgende op die waarin zij hertrouwt.
Artikel 41a
Indien krachtens artikel U 31a van de
Algemene burgerlijke pensioenwet of een in strekking met dat artikel
overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen
bestaat en voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
ter zake van een eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond
krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), wordt laatstbedoeld
pensioen met ingang van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat,
nader vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en
artikel 26, tweede lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van
toepassing.
Artikel 42
Aan de weduwe en wezen van de gewezen
minister aan wie op grond van artikel 54 van de wet van 1 augustus
1956, Stb. 455, geen pensioen is toegekend, wordt over de tijd
voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet
1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als
diensttijd in aanmerking kwam, met ingang van het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds pensioen toegekend op de voet van de bepalingen van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, met dien verstande dat artikel U
37 van laatstbedoelde wet niet van toepassing is.
Artikel 43
1. Op verzoek wordt weduwenpensioen
of wezenpensioen toegekend aan de weduwe, die voor het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet niet dan wel op dat tijdstip
niet meer is hertrouwd, onderscheidenlijk aan de kinderen, die
recht op weduwenpensioen of wezenpensioen hadden gehad, indien
artikel 15 had gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan
zij zodanig recht konden ontlenen.
2. Indien voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet ter zake van een ander huwelijk
reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 1 augustus
1956 (Stb. 455), wordt het pensioen, waarop ter zake van het
eerdere huwelijk krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455)
recht bestond dan wel krachtens het vorige lid recht bestaat, met
ingang van de dag, waarop het krachtens het vorige lid toe te
kennen pensioen ingaat, nader vastgesteld dan wel vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 26, tweede
lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van toepassing.
3. Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing, indien ter zake van een ander huwelijk
voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds recht
op pensioen bestond krachtens een andere regeling als bedoeld in
artikel 20a, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1956 (Stb.
455), dan wel recht op pensioen bestaat krachtens een in strekking
met het eerste lid overeenkomende bepaling in andere
pensioenwetten.
4. Toekenning van pensioen
krachtens het eerste lid vindt niet plaats, indien toepassing van
het tweede lid of van het derde lid zou leiden tot een gezamenlijk
bedrag aan pensioen lager dan het bedrag van het pensioen, waarop
reeds recht bestond.
5. [Vervallen.]
6. De in het eerste lid bedoelde
pensioenen gaan in op het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een
jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is
gedaan, zij niet vroeger ingaan dan een jaar voor de eerste dag
van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 44 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 45
1. Op verzoek wordt wezenpensioen
toegekend aan het kind dat de leeftijd van eenentwintig jaren nog
niet heeft bereikt en niet gehuwd is of gehuwd geweest is dat
recht op zodanig pensioen had gehad, indien de artikelen 19 en 20
hadden gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan zij
zodanig recht konden ontlenen.
2. [Vervallen.]
3. Het in het eerste lid bedoelde
pensioen gaat in op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een jaar
na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is gedaan, het
niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand
waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 46. De berekening van het
weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 2)
De pensioenen toegekend aan weduwen
en wezen van ministers, gewezen ministers of gepensioneerde
ministers worden, voor zover het recht op pensioen niet is
vervallen, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet herberekend overeenkomstig artikel 22 onderscheidenlijk 25,
met inachtneming van artikel 27, indien dit voor de belanghebbende
voordeliger is. Bij de herberekening worden onder een uitkering als
bedoeld in artikel 6 mede begrepen uitkeringen, toegekend aan
gewezen ministers krachtens aan deze wet voorafgaande
uitkeringsregelingen.
Artikel 47
De weduwen- en wezenpensioenen toe te
kennen uit hoofde van een overlijden op of na het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet van degenen, die zich krachtens
artikel 50 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, hebben
uitgesproken voor de berekening van hun pensioen krachtens het
bepaalde in artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb.
240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, worden berekend
overeenkomstig artikel 22, onderscheidenlijk 25, indien dit voor de
belanghebbende voordeliger is.
Artikel 48. Verval van pensioen
(behoort bij hoofdstuk 6)
Voor de termijn van vijf
achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel 31, eerste lid, telt mede
de tijd voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet,
gedurende welke de invordering van het pensioen achterwege is
gebleven.
Artikel 49. Samenloop van pensioenen
(behoort bij hoofdstuk 7)
1. Pensioenen ten aanzien waarvan
artikel 11 of 20a van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455,
toepassing heeft gevonden, worden, onverminderd de artikelen 93 en
94 zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet en met inachtneming van het volgende lid, met ingang van
het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet of het later
tijdstip waarop zij zijn ingegaan, nader vastgesteld zonder de in
eerstgenoemde artikelen vervatte beperking.
2. De nadere vaststelling bedoeld
in het vorige lid geschiedt zodanig, dat niet daadwerkelijk
gelijktijdig vervulde diensttijd slechts wordt medegeteld bij de
berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag
oplevert. Bij de toepassing van de vorige volzin wordt onder
pensioen tevens verstaan een pensioen krachtens een andere
regeling bedoeld in artikel 34, tweede lid.
3. De voorgaande leden vinden
slechts toepassing, indien tengevolge daarvan de som van de
pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben bedragen, indien de
op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
van kracht geweest zijnde bepalingen van toepassing zouden zijn
gebleven. Indien krachtens de voorgaande volzin geen nadere
vaststelling der pensioenen plaatsvindt, is op het totaal der
pensioenen artikel 105 van toepassing.
Derde afdeling. Leden van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Artikel 50. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:
a. kamerlid: lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal;
b. gewezen kamerlid: hij die uit
hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen krachtens deze
afdeling;
c. gepensioneerd kamerlid: hij
die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
d. kamerlidtijd: tijd, gedurende
welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is
genoten;
e. berekeningsgrondslag: het
bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldende
schadeloosstelling en aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld
in de artikelen 2 en 2b van de Wet schadeloosstelling leden
Tweede Kamer, waarbij de evenbedoelde aanspraak wordt berekend
over de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2 van de
evengenoemde wet, verminderd met het in dat artikel bedoelde
percentage van de vakantie-uitkering.
Artikel 50a
1.Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze afdeling bepaalde wordt tevens als kamerlidtijd
aangemerkt een periode van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap
en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 10 van de Kieswet.
2.Deze wet is niet van toepassing
op het kamerlid dat is benoemd in de plaats die is opengevallen
als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid wegens
zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de
Kieswet.
Hoofdstuk 10. De uitkering
Artikel 51. Het recht op uitkering
1. Aan een kamerlid wordt met
ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een uitkering toegekend op de
voet van de volgende artikelen.
2. Het eerste lid vindt geen
toepassing:
a. indien de belanghebbende
daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als
kamerlid optreedt;
b. indien aan de belanghebbende
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Tenzij de omstandigheid bedoeld
in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van
het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van
de uitkering berekend volgens artikel 52, wordt de uitkering
alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich
niet meer voordoet, voor de resterende duur.
4. Een tijdelijk ontslag als
bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet, wordt niet aangemerkt als
aftreden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 52. Duur van de uitkering
1. De uitkering wordt toegekend
voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende kamerlid
is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten
hoogste voor de duur van vier jaren. Indien de belanghebbende met
een of meer onderbrekingen kamerlid is geweest, wordt in
aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij kamerlid is geweest
in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden, waarin zijn
kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak
is onderbroken.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien
de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest.
3. Indien de belanghebbende ten
tijde van zijn aftreden de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en
hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden
voorafgaat ten minste tien jaren kamerlid is geweest, wordt de
uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van
65 jaar bereikt.
4. Voor de berekening van de
uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren,
bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende
kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie
heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a en d.
Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige
zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de
tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen
in de uitoefening van deze functies.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees
Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd
vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de
tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt
niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als
kamerlid niet werd genoten.
6. In geval van tussentijds
vervallen van de uitkering krachtens artikel 56, tweede lid, onder
b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was
vervallen, zou zijn geëindigd.
7. In bijzondere gevallen kunnen
Wij, de Raad van State gehoord, bepalen, dat de uitkering wordt
voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 56 vast te
stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.
Artikel 52a
1. De belanghebbende die recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 51, is verplicht:
a. in voldoende mate te
trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid
te aanvaarden;
c. mee te werken aan
activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in
de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat
hij:
a. door eigen toedoen geen
passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende
arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het
aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Onder passende arbeid als
bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan alle arbeid die
voor de krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is
berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of
arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in
relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend
beroep of opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de
belanghebbende;
c. de reistijd naar en van het
werk;
d. het geboden loon;
e. het werkloosheidsrisico.
4. Onze Minister is
verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende
opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven
van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die
noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de onderdelen van het plan;
b. een tegemoetkoming voor de
in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;
c. de eisen die worden gesteld
aan de organisatie die het plan opstelt.
5. Dit artikel is niet van
toepassing op de belanghebbende die:
a. een ambt heeft aanvaard als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet
ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag,
bedoeld in artikel 53;
b. recht heeft op een
voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a.
6. Dit artikel is niet van
toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de
belanghebbende.
Artikel 52b
1. Onze Minister kan de
belanghebbende, bedoeld in artikel 52a, verplichten zich bij het
gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te
laten begeleiden en ondersteunen.
2. Onze Minister verstrekt de
belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige
begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en
verwerven van passende arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten
hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53,
tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning,
bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor
tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in
aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld
aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
Artikel 52c
1. Indien de belanghebbende een bij
of krachtens artikel 52a of 52b geregelde verplichting niet of
niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of
gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd
tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen
aan belanghebbende op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van
het eerste lid.
Artikel 52d
De voordracht voor een krachtens de
artikelen 52a,52b of 52c vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 53. Bedrag van de uitkering
1.De uitkering bedraagt gedurende
het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.
2.Indien de belanghebbende op de
dag voor zijn aftreden als kamerlid de verhoging of een toelage
genoot, bedoeld in artikel 12, eerste lid, respectievelijk artikel
11, eerste en tweede lid, van de Wet schadeloosstelling leden
Tweede Kamer, wordt de berekeningsgrondslag verhoogd met het
bedrag van die verhoging respectievelijk toelage, inbegrepen de
daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering.
3.Indien Wij in de bezoldiging van
het Rijkspersoneel een wijziging aanbrengen wordt de
berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd ingevolge het tweede lid,
voor de toepassing van het eerste lid met ingang van het tijdstip
van ingang van de bezoldigingswijziging door Onze Minister
overeenkomstig de wijziging aangepast.
Voortzetting van de uitkering bij
invaliditeit
Artikel 53a
1.Indien de belanghebbende op de
dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk
algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 56, de
uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet
van artikel 53b.
2.Algemeen invalide, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of
gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk
verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle
algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet
begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld
in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3.Bij de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de
betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4.Indien de betrokkene zonder
redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste
opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van
een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de
mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of
scholing is afgerond.
5.Bij een algemene invaliditeit van
minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.
Artikel 53b
1.De voortzetting van de uitkering
vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en
vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit
artikel.
2.De uitkering bedraagt gedurende
een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de
berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens
artikel 53, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van
die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot
80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene
invaliditeit van 25% tot 55%.
3.De in het tweede lid bedoelde
periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip
van voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf
jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half
jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4.De uitkering bedraagt na afloop
van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage,
volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon
verhoogd met een percentage van het verschil tussen de
berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens
artikel 53, en het minimumloon.
5.Voor de berekening van het in het
vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het
aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de
betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6.Het minimumloon, bedoeld in het
vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per
maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een
betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag
herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de
genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
7.De belanghebbende heeft recht op
een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder
bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage
van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast
volgens artikel 53.
8.De aanvulling is gelijk aan het
bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag,
eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.
9.In afwijking van het achtste lid
is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven
percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en
aangepast volgens artikel 53, indien de belanghebbende de keuze
heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge
artikel 106, eerste lid.
10.Het in het negende lid bedoelde
percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer
65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een
algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11.Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld
met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze
Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip
waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het
gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het
negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te
maken.
12.Indien de wegens algemene
invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten,
bedoeld in artikel 54, minder bedraagt dan het minimumloon wordt
de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt
niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag
waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het
minimumloon.
Artikel 53c
1.De voortzetting van de uitkering,
bedoeld in artikel 53a, geschiedt op aanvraag van de
belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar,
onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of
intrekking van de uitkering.
2.Onze Minister stelt de
belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de
in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de
mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de
uitkering na afloop van die termijn.
3.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden
voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
gedaan.
4.Indien Onze Minister niet tijdig
beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde
lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de
beslissing op de aanvraag.
5.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze
Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft
gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in
het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat
deze kennisgeving is ontvangen.
6.Indien de uitkering na afloop van
de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de
uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest
indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7.Onze Minister kan ten aanzien van
bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde
situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die
afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.
Artikel 53d
1. Binnen een jaar na het tijdstip
waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel
53a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten
einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed
hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn
voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Onze Minister kan ten aanzien
van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn
geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het
eerste lid genoemde termijn.
3. Onze Minister wijzigt ambtshalve
of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering
bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
4. Een wijziging van het bedrag van
de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag
is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand
volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
b. indien de wijziging
ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de
maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is
genomen.
5. De toepassing van artikel 53a
wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang
hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te
onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen
geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is
van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op
wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit
of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang
niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 53a,
tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of
intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de
eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten
periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de
inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste
volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in
verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin
genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid
aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid.
Artikel 53e
1.Op verzoek van een kamerlid doet
Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem
aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het
kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in
artikel 53a, tweede lid.
2.Onze Minister brengt de uitkomst
van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter
kennis van de verzoeker.
Artikel 54. Inkomsten uit of in
verband met arbeid of bedrijf
1. De inkomsten die de
belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van
de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering
verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag
dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten
geniet als
a. winst uit een of meer
ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in
verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit
overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een
werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste
lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting
2001.
Onder inkomsten bedoeld in de
vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening
krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. De in het eerste lid bedoelde
verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met
het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten,
het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de
verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van
artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing
gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze
afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een
andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de Wet
schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees
Parlement, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld
wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering
krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of
uitkering in aanmerking komt.
4. Indien in het bedrag der
inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te
zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene
Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding
voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige
volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde
inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni
1985.
5. Kinderbijslag wordt niet
aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit
artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in
artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere
inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 54a
1.De belanghebbende is verplicht
van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in
artikel 54, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze
Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die
hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet
vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het
ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft
genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het
doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de
activiteiten, bedoeld in artikel 54, tweede lid.
2.Brengt de aard van de
activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een
langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave
dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering
toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud
van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is
artikel 54 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt
over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van
over iedere maand afzonderlijk.
3.Onze Minister kan bij de
vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van
de belanghebbende afwijken.
4.De belanghebbende, aan wie
uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering
geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het
oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn
omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering
van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Artikel 55
1.De uitkering, berekend over een
maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2.De uitkering wordt niet
uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van
artikel 54a.
Artikel 56. Einde en verval van de
uitkering
1.De uitkering eindigt met ingang
van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is
overleden.
2.De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop
het gewezen kamerlid de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. met ingang van de dag waarop
het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid
wordt van het Europees Parlement;
c. wanneer tijdens de duur van
de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich
niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige
toepassing.
3.De uitkering kan geheel of ten
dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende
herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan
zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.
Artikel 57. Uitkering bij overlijden
1.Zo spoedig mogelijk na het
overlijden van het gewezen kamerlid wordt aan de weduwe of
weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde,
een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag der
uitkering, dat over de laatste volle maand aan het gewezen
kamerlid is uitgekeerd.
2.Laat de overledene geen weduwe of
weduwnaar na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam
gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de
minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke
betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene
de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind,
als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken
ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de
overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen,
broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3.Laat de overledene geen
betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan
het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd
voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die
kosten ontoereikend is.
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
Artikel 58. Het recht op eigen
pensioen
1.Een kamerlid heeft na zijn
aftreden recht op pensioen, indien hij op de dag van ingang van
zijn aftreden de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij hij op
dat tijdstip wederom als kamerlid optreedt.
2.Een kamerlid dat is afgetreden
voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, verkrijgt recht op
pensioen bij het bereiken van die leeftijd, tenzij hij op dat
tijdstip wederom als kamerlid optreedt.
Artikel 58a. Bedrag van het eigen
pensioen per jaar als kamerlid
1. Het pensioen bedraagt voor ieder
jaar van de kamerlidtijd 2 percent van de daarvoor geldende
pensioengrondslag, volgens een of meer van de artikelen 59, 59a en
59aa. Voor de toepassing van die artikelen wordt verstaan onder
berekeningsgrondslag: de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel
50, onderdeel e, aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel
105, derde lid.
2. In afwijking van het eerste lid
behoort niet tot de berekeningsgrondslag de verhoging van de
schadeloosstelling per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet
van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen
1993.
3. Indien het gewezen kamerlid
tevens is opgetreden als voorzitter, ondervoorzitter dan wel als
fractievoorzitter wordt het pensioen voor ieder jaar dat het
kamerlid als zodanig is opgetreden, verhoogd met 1,75 percent van
de laatstelijk uit dien hoofde genoten toelage of verhoging van de
schadeloosstelling, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid,
en artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden
Tweede Kamer, inbegrepen de daarover geldende aanspraak op
eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 2b van die wet en
aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, derde lid.
4. Als kamerlidtijd telt mee de
tijd met recht op uitkering. Het pensioen over die tijd wordt
berekend naar 2 percent per jaar over de eerste vier jaren van het
recht op uitkering dan wel over de volledige tijd met recht op
uitkering indien die tijd minder is dan vier jaren en vervolgens
naar 1 percent per jaar. In het geval van een uitkering als
bedoeld in artikel 53a, wordt het pensioen over de tijd met recht
op uitkering berekend naar 2 percent per jaar voor zover en voor
zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55 percent of
meer bedraagt. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt een
uitkering als bedoeld in artikel 51 aangemerkt als een uitkering
als bedoeld in artikel 53a, indien en zolang de belanghebbende
tijdens de duur van de eerstbedoelde uitkering voor 55 percent of
meer algemeen invalide is.
5. In afwijking van het vierde lid
wordt het pensioen over de in dat lid bedoelde tijd berekend naar
de helft van het ingevolge dat lid toepasselijke percentage, over
het gedeelte van die tijd waarin de uitkering is verminderd wegens
het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 54. Geen
meetelling van kamerlidtijd als bedoeld in het vierde lid vindt
plaats:
a. voor zover gedurende de in
dat lid bedoelde tijd de uitkering wegens het genieten van
inkomsten als bedoeld in artikel 54 tot nihil is verminderd;
b. in zover de belanghebbende
die recht heeft op uitkering, maar die minder uitkering geniet
dan de krachtens artikel 106 berekende inhoudingen ter zake
van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het
bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval als een
op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende
daarom verzoekt.
6. Een kamerlid en een gewezen
kamerlid hebben bij ingang van het pensioen eenmalig de
keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen,
voorzover het is berekend over kamerlidtijd die is gelegen na 30
juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 67
voor de berekening van het nabestaandenpensioen in aanmerking
wordt genomen.
7. Met de verhoging van het
pensioen, bedoeld in het zesde lid, vervalt de aanspraak op
nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na 30 juni 1999.
8. De keuze, bedoeld in het zesde
lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot
of de aangemelde partner. Onze Minister kan nadere regels stellen
met betrekking tot het doen van de keuze.
9. De verhoging van het pensioen
gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen
ontstaat en is onherroepelijk.
Artikel 58b
1. Een gewezen kamerlid kan na
afloop van de uitkeringsduur, bedoeld inartikel 52, eerste of
tweede lid, de vanaf 1 augustus 2003 opgebouwde aanspraken op
eigen pensioen omzetten in een aanspraak op nabestaandenpensioen
bij overlijden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
2. Voor de omzetting van het eigen
pensioen, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister bij
ministeriële regeling een leeftijdsafhankelijke ruilvoet vast.
3. Onze Minister informeert het
gewezen kamerlid binnen vier maanden voor het einde van de
uitkering over de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid.
4. Het gewezen kamerlid dient zijn
keuze binnen zes weken na ontvangst van deze mededeling
schriftelijk aan Onze Minister mee te delen. Tot het moment van
het eindigen van de termijn van zes weken, verkrijgt het gewezen
kamerlid een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen
overeenkomstig de tijd tot het moment van aftreden van het
kamerlid.
5. Als omzetting als bedoeld in het
eerste lid gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in
artikel 107, wordt de vermindering van het eigen pensioen
aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het
eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met
inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid.
6. Als een gewezen kamerlid op enig
moment opnieuw kamerlid wordt, wordt de vermindering van het eigen
pensioen, bedoeld in het eerste lid, aangepast. De aanspraak op
nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet
in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de
ruilvoet, bedoeld in het tweede lid, behorende bij de leeftijd van
het kamerlid op het moment dat hij opnieuw lid van de Tweede Kamer
wordt.
7. Het vijfde en zesde lid zijn
niet van toepassing bij het einde van het huwelijk na aftreden van
het kamerlid en voor waardeoverdracht of voor het opnieuw lid
worden van de Tweede Kamer.
Artikel 59. Pensioengrondslag tijd
voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen
1. Voor tijd vóór 1 januari 1986
is de pensioengrondslag de berekeningsgrondslag.
2. De berekeningsgrondslag wordt
voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met 100/110
indien de schadeloosstelling laatstelijk is genoten tussen 31
december 1985 en 1 januari 1995. De aldus vastgestelde
pensioengrondslag is echter niet lager dan de schadeloosstelling
verminderd met € 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008 € 4.434,37]
. Het bedrag van € 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008 €
4.434,37] wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de aanpassing
van een bedrag dat, omgerekend naar euro’s, op 1 januari 1985
€ 28 678,91 bedroeg.
3. De berekeningsgrondslag wordt
voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een
debruteringsfactor overeenkomstig artikel 59a, tweede lid, indien
de schadeloosstelling laatstelijk is genoten na 31 december 1994.
Op het aldus gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel van
toepassing.
4. Hoofdstuk 17 is van toepassing
op het pensioen, indien of voorzover berekend over de in het
eerste lid bedoelde tijd.
Artikel 59a. Pensioengrondslag tijd
tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
1. Voor tijd tussen 31 december
1985 en 1 januari 1995 is de pensioengrondslag de
berekeningsgrondslag verminderd met een bedrag, genaamd franchise.
2. De berekeningsgrondslag wordt
voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een
debruteringsfactor indien de schadeloosstelling laatstelijk is
genoten na 31 december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de
teller honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het
percentage waarmee het inkomen als kamerlid per 1 januari 1995
uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei
1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen
en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is
gewijzigd.
3. De in het eerste lid bedoelde
franchise is:
a. voor het gepensioneerde
kamerlid dat voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet
als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een
jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een gehuwde per 1
januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat;
b. voor het gepensioneerde
kamerlid dat voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet
als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een
jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een ongehuwde per 1
januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.
4. In de in het derde lid bedoelde
bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop
ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht bestaat.
5. Wanneer de in het derde lid
bedoelde bedragen op grond van persoonlijke omstandigheden worden
gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het
herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel 59c, tweede lid,
in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijzigingen zich hebben
voorgedaan.
Artikel 59aa
Artikel 59a, eerste lid, is van
toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de
franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
vastgesteld.
Artikel 59b. Samenvallende diensttijd
van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
1. Het gepensioneerde kamerlid
heeft recht op een toeslag op zijn pensioen indien dat pensioen is
berekend met toepassing van de franchise bedoeld in artikel 59a,
derde lid, onderdeel a, en indien de kalendertijd, waarin de voor
de berekening van zijn pensioen meetellende diensttijd is gelegen,
geheel of gedeeltelijk samenvalt met kalendertijd, die in
aanmerking is genomen bij de berekening van enig pensioen waarop
zijn echtgenoot recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een
vermindering is toegepast uit hoofde van recht op
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de
toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van het
gepensioneerde kamerlid wordt aangemerkt.
3. De in het eerste lid bedoeld
toeslag bedraagt voor elk voor de berekening van het pensioen
meetellend jaar binnen de samenlopende kalendertijd 0,525 percent
van de franchise bedoeld in artikel 59a, derde lid, onder a.
4. De toeslag wordt slechts
toegekend op verzoek en gaat in op de dag waarop de in het eerste
lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat
de toeslag niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van
de maand waarin het verzoek is ingediend.
5. Voor de toepassing van hoofdstuk
5 wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder pensioen
begrepen.
Artikel 59c. Verstrekken van
inlichtingen
1.Indien in het bedrag van het
ouderdomspensioen, waaronder medebegrepen een eventuele toeslag en
de vakantie-uitkering, ingevolge de Algemene Ouderdomswet een
wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke
omstandigheden, is degene aan wie een pensioen krachtens dit
hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór 1 januari 1995,
gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
2.Indien de in het eerste lid
bedoelde wijziging leidt tot verhoging van het pensioen krachtens
dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin de daarbedoelde
kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging ambtshalve
plaatsvond.
3.In bijzondere gevallen kan Onze
Minister het tweede lid buiten toepassing laten.
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en
wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 60
1. De nabestaande van een kamerlid,
gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft recht op
pensioen.
2. In afwijking van het eerste lid
bestaat geen recht op nabestaandenpensioen:
a. indien het huwelijk is
gesloten nadat het gepensioneerde kamerlid de leeftijd van 65
jaar had bereikt;
b. bij overlijden van een
gewezen kamerlid vóór het bereiken van de leeftijd van 65
jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is
gelegen na 31 juli 2003;
c. bij overlijden van een
gepensioneerd kamerlid, voorzover de pensioengeldige tijd van
de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is
gedaan, bedoeld in artikel 58a, zesde lid.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid geldt niet als gewezen kamerlid het gewezen kamerlid
met recht op uitkering als bedoeld in artikel 51.
Artikel 61 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 62. Bijzonder
nabestaandenpensioen
1. Recht op bijzonder
nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden
kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid gehuwd is
geweest, mits:
a. hij of zij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het kamerlid,
het gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid op de dag van
het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
b. de onder a bedoelde dag ligt
na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening
echtscheidingsrecht en de echtscheiding of ontbinding van het
huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor
genoemd tijdstip geldende recht.
2. Eveneens heeft recht op
bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of man van wie de
aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het kamerlid, het
gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid op de dag van eindigen
van de aanmelding zou zijn overleden.
3. In afwijking van het eerste en
het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder
nabestaandenpensioen:
a. indien het kamerlid, gewezen
kamerlid of gepensioneerde kamerlid en de desbetreffende vrouw
of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij
geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de
aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien de onder a bedoelde
vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door
hetzelfde kamerlid wegens diens overlijden recht op
nabestaandenpensioen heeft;
c. bij overlijden van een
kamerlid of gewezen kamerlid voor de leeftijd van 65 jaar,
voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen
na 31 juli 2003;
d. bij overlijden van een
gepensioneerd kamerlid, voorzover de pensioengeldige tijd van
de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is
gedaan, bedoeld in artikel 58a, zesde lid.
Artikel 63
Na het overlijden van een kamerlid,
gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben recht op
wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren
nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn
dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest bij een aanmelding,
mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn aftreden is ingegaan
of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van
het aftreden.
Artikel 64
Kinderen ten opzichte van welke aan
een mannelijk kamerlid ten tijde van zijn overlijden een
onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek dan wel artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
BES was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een
dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde
voorwaarden als genoemd in artikel 63 recht op wezenpensioen.
Artikel 65
1.Kinderen voor welke het kamerlid,
gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid ten tijde van zijn
overlijden de pleegouderlijke zorg droeg, hebben onder dezelfde
voorwaarden als genoemd in artikel 63, recht op wezenpensioen met
dien verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of
adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke zorg in
aanmerking wordt genomen.
2.Onder pleegouderlijke zorg
bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen
kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het
genieten van een vergoeding daarvoor.
Artikel 66. Tijdelijk pensioen
1.Indien een kamerlid, gewezen
kamerlid of gepensioneerd kamerlid naar het oordeel van Onze
Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht
op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op
dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is
omschreven.
2.Het tijdelijk pensioen gaat van
rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden
van de vermiste vaststaat.
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 67. Nabestaandenpensioen
1. Het nabestaandenpensioen
bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het
overleden kamerlid als zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien
hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was
ontslagen, of waarop het overleden gewezen kamerlid als zodanig
recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel
60, tweede lid, onder b en c.
2. In afwijking van het vorige lid
bedraagt het pensioen van de nabestaande van hem die overlijdt:
a. als kamerlid vóór het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar, vijf zevende gedeelte
van het pensioen waarop dat kamerlid aanspraak zou hebben
kunnen maken, indien hij tot het bereiken van evengenoemde
leeftijd het kamerlidmaatschap zou hebben bekleed;
b. als gewezen kamerlid in de
periode, waarover hem een uitkering is toegekend, vijf zevende
gedeelte van het pensioen waarop het gewezen kamerlid
aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering zou hebben
gehad, met dien verstande dat voor de berekening van het
pensioen de kamerlidtijd wordt doorgeteld naar de mate van
medetelling van kamerlidtijd op de dag van overlijden.
3. Indien wegens eenzelfde
sterfgeval voor een nabestaande recht ontstaat zowel op
nabestaandenpensioen krachtens deze afdeling als op een
nabestaandenpensioen krachtens of op de voet van de tweede of
vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de
eigen pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid,
tijd die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als
voor de berekening van het andere pensioen medetelt en niet
daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is
doorgebracht, slechts medegeteld voor de berekening van het
pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
4. Bij de toepassing van de
voorgaande leden wordt ten aanzien van het eigen pensioen voor
zover artikel 59a daarop van toepassing is, in alle gevallen
gerekend met de franchise bedoeld in artikel 59a, derde lid, onder
a.
Artikel 67a
1. De nabestaande die jonger is dan
65 jaar maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van
het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat heeft recht
op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen,
indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31
december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot
een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
3. De nabestaande, bedoeld in het
eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat
lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden.
4. De toeslag gaat in met ingang
van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang
van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld
in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999.
5. Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande 65 jaar wordt;
b. met ingang van de maand
volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner
wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet wordt aangemerkt.
Artikel 67b
1. De nabestaande die recht heeft
op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een
toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat
is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens
de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli
1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in
mindering is gebracht, met ingang van die vermindering.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75
percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het
jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de
vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet
meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde
bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader
vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van
ieder jaar volgens de regels, bedoeld inartikel 105, eerste
lid, vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere
vaststelling van de verminderdering van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4. Artikel 67a, vierde en vijfde
lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 67c
1.De nabestaande die recht heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en op
1 januari 1998 55 jaar of ouder is, heeft recht op een toeslag op
zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend
of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985, indien en
voor zo lang hij recht heeft op een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67,
derde of negende lid van die wet vanaf 1 januari 1998 wordt
verminderd wegens de omstandigheid dat de nabestaande vanaf een
tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon onafgebroken
ongehuwd samenwoont.
2.De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75
procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde
bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de
eerste volzin eerstbedoelde bedrag.
De toeslag wordt vanaf 1 januari
1998 vastgesteld met inachtneming van de vanaf die datum geldende
bedragen krachtens de Algemene nabestaandenwet en wordt vervolgens
nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand
van de ontwikkeling van die bedragen.
3.Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd
bereikt;
b. met ingang van de maand
volgend op die waarin de nabestaande trouwt of partij is bij
een aanmelding;
c. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de vermindering van de
nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4.Artikel 67a, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. Artikel 67b is niet van toepassing.
Artikel 68. Bijzonder
nabestaandenpensioen
1.Het bijzonder
nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen
pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag
waarnaar het pensioen van het kamerlid, gewezen kamerlid of
gepensioneerd kamerlid zou zijn berekend indien deze op de dag
van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de
aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen;
b. pensioengeldige tijd die is
gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat
in de gevallen bedoeld in artikel 62, derde lid, onder c en d,
uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1
juli 1999 in aanmerking wordt genomen.
2.Indien er recht bestaat op meer
dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 62,
eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige
toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het
bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
aanmelding voorafgaat slechts de kamerlidtijd medetelt die
samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.
3.Artikel 67, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Indien er bij een overlijden
recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen
wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
ontleend met het bedrag daarvan verminderd.
Artikel 69. Nabestaandenpensioen bij
hertrouwen dan wel aanmelding
Indien een nabestaande hertrouwt,
partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd
samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn
pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende
maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking
komende tijd van het kamerlid, het gewezen kamerlid of het
gepensioneerde kamerlid in aanmerking genomen, die gelegen is voor
het tijdstip van diens overlijden.
Artikel 70. Wezenpensioen
1.Het wezenpensioen bedraagt:
a. voor elk kind, wiens ouder
aan het overlijden van het kamerlid, gewezen kamerlid of
gepensioneerd kamerlid recht op pensioen ontleent, een zevende
gedeelte;
b. voor elk ander kind, twee
zevende gedeelte, van het pensioen van de overledene, berekend
overeenkomstig artikel 67.
2.Voor de toepassing van het eerste
lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande, die op het
tijdstip van diens overlijden de pleegouderlijke zorg had van het
kind, bedoeld in artikel 65.
Artikel 70a
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december
1985.
2. De wees die geen recht heeft op
wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet heeft recht
op een toeslag op zijn volgens artikel 70 berekende pensioen,
tenzij zijn ouder recht heeft op halfwezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
voor de berekening van het wezenpensioen tellend jaar:
a. voor de wees, bedoeld in
artikel 70, eerste lid, onder a, 0,375 percent van de tot een
jaarbedrag herleide som van de nabestaandenuitkering en de
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de daarover
berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;
b. voor de wees bedoeld in
artikel 70, eerste lid, onder b, 0,75 percent van het onder a
bedoelde jaarbedrag.
3. Indien aanspraak ontstaat op de
toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan
onverwijld kennis aan Onze Minister. De toeslag gaat niet eerder
in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is
toegekend.
4. De toeslag gaat in met ingang
van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang
van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld
in artikel 105, eerste lid.
Artikel 71
1.Onze Minister maakt een
herberekening van het wezenpensioen overeenkomstig de artikelen 70
en 70a, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder
nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is
geëindigd.
2.Wanneer het nabestaandenpensioen
van de ouder krachtens artikel 69 wegens hertrouwen of een
aanmelding opnieuw wordt vastgesteld, verhoogt Onze Minister het
wezenpensioen bedoeld in artikel 70, eerste lid, onder a, met een
bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen,
zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in
artikel 60, vóór en na toepassing van artikel 69 zich verhoudt
tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.
3.Voor de toepassing van dit
artikel is artikel 70, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 72. Beperking gezamenlijk
bedrag wezenpensioenen
1.Het gezamenlijk bedrag van de
wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte
van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2.Indien wegens toepassing van het
eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze
vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt de toeslag, bedoeld in artikel 73a, buiten beschouwing
gelaten.
Artikel 73. Toeslag op
nabestaandenpensioen
1. De nabestaande die de leeftijd
van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de
maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn
volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van
15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1
augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na
31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het
pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
3. Dit artikel is niet van
toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder
nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen
wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw is vastgesteld.
4. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80
[Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 73a. Toeslag op wezenpensioen
1. De wees bedoeld in artikel 70
heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van
vijftien jaar heeft bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens
de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van
vijftien percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het
pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80
[Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op dat,
omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 74. Tijdelijk pensioen
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan
het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag
van zijn vermissing was overleden.
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Artikel 75. Verval van recht op
pensioen bij niet-invorderen
Het recht op pensioen vervalt indien
gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege
is gebleven.
Artikel 76. Herstel van uitzicht of
recht op pensioen
Wij kunnen, de Raad van State
gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 75
vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.
Hoofdstuk 14. Samenloop van
pensioenen
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1979]
Artikel 79. Samenloop
nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding
1. Indien een nabestaande aan wie
reeds een nabestaandenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze
wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later
huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op
nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij
krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts
medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het
hoogste bedrag oplevert.
2. Onder een pensioen krachtens een
andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een
pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan
ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de
verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao,
van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in
evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar
gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen
ingesteld fonds.
Artikel 79a. Samenloop van
wezenpensioenen
1.Indien een wees die reeds recht
op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij
krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander
wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij
krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de
eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten
worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij
de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
bedrag oplevert.
2.Artikel 79, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 80. Intrekking wet van 31
juli 1957, Stb. 324
1.Behoudens het in dit hoofdstuk
verder bepaalde wordt op het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet ingetrokken de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, houdende
toekenning van een uitkering en een pensioen aan gewezen leden van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zomede van een pensioen aan
hun weduwen en wezen, alsmede de overgangsbepalingen van die wet.
2.De artikelen 3, 9, 17 en 18 van
de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, blijven van toepassing tot 1
januari 1969.
3.Artikel 13, onder a, van de wet
van 31 juli 1957, Stb. 324, blijft van toepassing tot het in
artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip.
Artikel 81
De wettelijke bepalingen bedoeld in
artikel 80 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en
verplichtingen die op grond van die bepalingen voor het tijdstip van
de inwerkingtreding van deze wet zijn ontstaan en die op dat
tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht onderscheidenlijk
waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.
Artikel 82. Toepasselijkheid van deze
wet
De met ingang van een datum
voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet,
aan afgetreden kamerleden en aan weduwen en wezen van kamerleden,
gewezen kamerleden of gepensioneerde kamerleden toegekende
uitkeringen en pensioenen worden met ingang van dat tijdstip geacht
krachtens deze wet te zijn toegekend.
Artikel 83. Keuze-bepaling
De in de hoofdstukken 10 en 11 van
deze afdeling vervatte regelingen zullen geen toepassing vinden en
in de plaats daarvan zullen de bepalingen omtrent het pensioen van
afgetreden en aftredende kamerleden, zoals deze luidden op 31
augustus 1957, blijven gelden ten aanzien van hem, die op die datum
het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekleedde
en daartoe binnen drie maanden na het tijdstip, waarop hij is
afgetreden, zonder onmiddellijk herkozen en toegelaten te zijn,
schriftelijk aan Onze Minister de wens te kennen geeft.
Artikel 84. Uitkering (behoort bij
hoofdstuk 10)
1. Ten aanzien van uitkeringen die
zijn toegekend ter zake van een aftreden verleend met een
ingangsdatum vóór 1 januari 1969, blijft het bepaalde in artikel
5 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, van kracht.
2. Op de in het vorige lid bedoelde
uitkeringen is te rekenen van 1 januari 1969 af artikel 105 van
overeenkomstige toepassing.
3. Uitkeringen die zijn toegekend
ter zake van een aftreden voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, worden te rekenen van 1 januari
1969 of het latere tijdstip waarop de uitkering is ingegaan,
overeenkomstig de in artikel 53, eerste lid, genoemde percentages
herzien.
Artikel 84a
1. Deartikelen 52, vierde lid, en
52a tot en met 52c zijn niet van toepassing ter zake van een
ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór de datum van
inwerkingtreding van die bepalingen. In dat geval wordt in artikel
52, eerste lid, voor «vier jaren»gelezen «zes jaren» en in
artikel 52, derde lid, wordt voor«55 jaar» gelezen: 50 jaar.
2. Ten aanzien van de
belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 52, vierde lid, lid is van de Tweede Kamer van de
Staten-Generaal en na de eerstvolgende verkiezing voor de leden
van de Tweede Kamer niet wordt herbenoemd, dan wel bij
herbenoeming onmiddellijk na de eerstvolgende verkiezing de
leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, wordt in artikel 52, eerste
lid, voor «vier jaren» gelezen «zes jaren» en in artikel 52,
derde lid, voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.
3. Ten aanzien van de
belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van de
artikelen 52a tot en met 52c lid is van de Tweede Kamer van de
Staten-Generaal en na de eerstvolgende verkiezing voor de leden
van de Tweede Kamer niet wordt herbenoemd, zijn de artikelen 52a
tot en met 52c niet van toepassing.
Artikel 85. Het bedrag van het eigen
pensioen (behoort bij hoofdstuk 11)
Pensioenen toegekend of toe te kennen
ter zake van een aftreden met een ingangsdatum gelegen vóór 1
januari 1969 worden afgeleid van de laatstelijk als kamerlid genoten
schadeloosstelling aangepast naar de regelen vastgesteld bij de
algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105, met dien
verstande, dat, indien het betreft een aftreden vóór 1 januari
1959 de schadeloosstelling wordt verminderd overeenkomstig artikel
4, eerste lid, onder b, van de wet van 17 juli 1923, Stb. 364, zoals
dit artikel luidde tot 1 januari 1959.
Artikel 85a
1. In afwijking van artikel 58b,
derde lid, informeert Onze Minister het gewezen kamerlid van wie
de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 52, eerste of tweede lid, is
geëindigd in de periode gelegen tussen 31 december 2007 en de dag
van inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele andere
wetten 2011, binnen vier maanden na inwerkingtreding van de Wet
aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011 over de mogelijkheid,
bedoeld in artikel 58b, eerste lid.
2. De gewezen minister kan tot een
jaar na de inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele
andere wetten 2011 Onze Minister verzoeken tot omzetting van eigen
pensioen in nabestaandenpensioen als bedoeld inartikel 58b.
Artikel 86. Het recht op weduwen- en
wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 1)
1.Aan de weduwe wier
weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is geëindigd op grond
van artikel 22 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, of op grond
van het vierde lid wordt op haar verzoek aan Onze Minister opnieuw
weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk, anders dan door
opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt ontbonden.
Indien haar ter zake van het latere
huwelijk eveneens pensioen toekomt, hetzij krachtens deze wet,
hetzij krachtens een andere regeling, als bedoeld in artikel 79,
tweede lid, wordt het opnieuw toe te kennen pensioen berekend met
overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 79, eerste
lid, tenzij toekenning van een dezer pensioenen, waarbij het recht
op het andere pensioen vervalt, tot een hoger bedrag leidt. De
vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing, indien de weduwe
ter zake van het latere huwelijk recht op bijzonder
weduwenpensioen verkrijgt.
2.Bij toekenning aan de weduwe van
weduwenpensioen ingevolge het vorige lid wordt het wezenpensioen
van haar kinderen, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, eerste
volzin, nader vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in dat
artikel en met inachtneming van artikel 71, tweede lid, indien
artikel 69 overeenkomstige toepassing vindt bij de berekening van
het weduwenpensioen.
3.Het weduwenpensioen of de
weduwenpensioenen en het nader vastgestelde wezenpensioen gaan in
met de dag volgende op die van de ontbinding van het huwelijk.
Herberekening van de pensioenen ingevolge de laatste volzin van
het eerste lid geschiedt met ingang van de dag, waarop het
bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou ingaan.
4.In afwijking van artikel 69
eindigt een ingevolge het eerste lid opnieuw toegekend
weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met een man, met wie
zij vóór 1 januari 1966 reeds gehuwd is geweest, met ingang van
de maand volgende op die waarin zij hertrouwt.
Artikel 86a
Indien krachtens artikel U 31a van de
Algemene burgerlijke pensioenwet of een in strekking met dat artikel
overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen
bestaat en voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
terzake van een eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond
krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324), wordt laatstbedoeld
pensioen met ingang van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat,
nader vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 69 en
artikel 71, tweede lid, en is voorts artikel 79, eerste lid, van
toepassing.
Artikel 87
1.Op verzoek wordt weduwenpensioen
of wezenpensioen toegekend aan de weduwe, die voor het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet niet dan wel op dat tijdstip
niet meer is hertrouwd, onderscheidenlijk aan de kinderen, die
recht op weduwenpensioen of wezenpensioen hadden gehad, indien
artikel 60 had gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan
zij zodanig recht konden ontlenen.
2.Indien voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet ter zake van een ander huwelijk
reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 31 juli 1957
(Stb. 324), wordt het pensioen, waarop ter zake van het eerdere
huwelijk krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324) recht
bestond dan wel krachtens het vorige lid recht bestaat, met ingang
van de dag, waarop het krachtens het vorige lid toe te kennen
pensioen ingaat, nader vastgesteld dan wel vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 71, tweede
lid, en is voorts artikel 79, eerste lid, van toepassing.
3.Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing, indien ter zake van een ander huwelijk
voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds recht
op pensioen bestond krachtens een andere regeling als bedoeld in
artikel 19, tweede lid, van de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324),
dan wel recht op pensioen bestaat krachtens een in strekking met
het eerste lid overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten.
4.Toekenning van pensioen krachtens
het eerste lid vindt niet plaats, indien toepassing van het tweede
lid of van het derde lid zou leiden tot een gezamenlijk bedrag aan
pensioen lager dan het bedrag van het pensioen, waarop reeds recht
bestond.
5.Het verzoek bedoeld in het eerste
lid moet bij Onze Minister worden ingediend binnen vijf jaren na
het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.
6.De in het eerste lid bedoelde
pensioenen gaan in op het tijdstip van de inwerkingtreding van
deze wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een
jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is
gedaan, zij niet vroeger ingaan dan een jaar voor de eerste dag
van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 88 [Vervallen per 18-12-1992]
Artikel 89
1. Op verzoek wordt wezenpensioen
toegekend aan het kind dat de leeftijd van eenentwintig jaren nog
niet heeft bereikt en niet gehuwd is of gehuwd geweest is dat
recht op zodanig pensioen had gehad, indien de artikelen 64 en 65
hadden gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan zij
zodanig recht konden ontlenen.
2. [Vervallen.]
3. Het in het eerste lid bedoelde
pensioen gaat in op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een jaar
na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is gedaan, het
niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand
waarin het verzoek werd ingediend.
Artikel 90. De berekening van het
weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 2)
1. De pensioenen toegekend aan
weduwen en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of
gepensioneerde kamerleden worden, voor zover het recht op pensioen
niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet herberekend, overeenkomstig artikel
67 onderscheidenlijk artikel 70, met inachtneming van de artikelen
72 en 73, indien dit voor belanghebbenden voordeliger is. Bij de
herberekening worden onder een uitkering als bedoeld in artikel 51
mede begrepen uitkeringen, toegekend krachtens de wet van 31 juli
1957, Stb. 324.
2. Het bepaalde in artikel 85 is
ten aanzien van toegekende of toe te kennen pensioenen aan weduwen
en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of gepensioneerde
kamerleden, die zijn afgetreden c.q. overleden vóór 1 januari
1969, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 91. Verval van pensioen
(behoort bij hoofdstuk 13)
Voor de termijn van vijf
achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel 75, telt mede de tijd
voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, gedurende
welke de invordering van het pensioen achterwege is gebleven.
Artikel 92. Samenloop van pensioenen
(behoort bij hoofdstuk 14)
1. Pensioenen ten aanzien waarvan
artikel 10 of 19 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, toepassing
heeft gevonden, worden, onverminderd de artikelen 93 en 94 zoals
deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en
met inachtneming van het volgende lid, met ingang van het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet of het later tijdstip waarop
zij zijn ingegaan, nader vastgesteld zonder de in eerstgenoemde
artikelen vervatte beperking.
2. De nadere vaststelling bedoeld
in het vorige lid geschiedt zodanig, dat niet daadwerkelijk
gelijktijdig vervulde kamerlidtijd slechts wordt medegeteld bij de
berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag
oplevert. Bij toepassing van de vorige volzin wordt onder pensioen
tevens verstaan een pensioen krachtens een andere regeling als
bedoeld in artikel 79, tweede lid.
3. De voorgaande leden vinden
slechts toepassing, indien tengevolge daarvan de som van de
pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben bedragen, indien de
op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
van kracht geweest zijnde bepalingen van toepassing zouden zijn
gebleven. Indien krachtens de voorgaande volzin geen nadere
vaststelling der pensioenen plaatsvindt, is op het totaal der
pensioenen artikel 105 van toepassing.
Vierde afdeling. Gemeenschappelijke
bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en
derde afdeling
Hoofdstuk 16
Artikel 93 [Vervallen per 15-08-2001]
Artikel 94 [Vervallen per 15-08-2001]
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen
en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 95. Begripsomschrijvingen
1. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. een pensioen: een pensioen
of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd
voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn
toegekend krachtens de tweede en derde afdeling van deze wet,
met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4
van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
b. een algemeen pensioen:
1e. een
bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene
Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende
vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de
overlijdensuitkering krachtens die wet;
2e. een
nabestaandenuitkering, een halfwezenuitkering en een
wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;
3e. een pensioen of
uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van
Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van een vreemde
mogendheid of krachtens een wettelijke regeling die
uitsluitend in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba van toepassing is en naar aard en
strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als
omschreven onder 1e of 2e;
c. een belanghebbende: degene
die recht heeft op een pensioen.
2. Voor de toepassing van deze
paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende
die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, mede begrepen het
algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het
echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de
vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor
de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de
belanghebbende wordt aangemerkt.
3. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in artikel 101, vijfde
lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in artikel 102,
eerste lid, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend
over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.
Artikel 96. Volle-wezenpensioen
Het pensioen waarop twee of meer
volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is
toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van
genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat
pensioen gedeeld door hun aantal.
Artikel 97. Inbouwbedrag
1. Voor een belanghebbende die
tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel
daarvan dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd
overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn pensioen is of
geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren,
gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met
dien verstande dat:
a. voor zover diensttijd met
3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze
diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;
b. voor zover diensttijd met
0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze
diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.
Het in de vorige volzin omschreven
deel wordt inbouwbedrag genoemd.
2. Het inbouwbedrag wordt berekend
aan de hand van het bedrag van het algemeen pensioen zoals dat
luidt op 1 januari van het jaar waarin het recht op
ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, bijzonder
nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat.
3. Indien het bedrag van het
algemeen pensioen op grond van persoonlijke omstandigheden wordt
gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het
herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel 14c, tweede lid,
in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijziging zich heeft
voorgedaan.
4. Ten aanzien van hem die op het
tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen
ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid
toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het
recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het
pensioen is ingegaan.
5. Op een nabestaandenpensioen,
niet zijnde een pensioen als bedoeld inartikel 17 of 62, dat is
afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een
algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing
was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de
eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen
krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
6. Het inbouwbedrag overschrijdt
niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden
betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en
het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht
wordt te zijn berekend.
Artikel 98. Mededelingsplicht
1.Indien een belanghebbende een
algemeen pensioen gaat genieten dan wel het genot van een algemeen
pensioen of tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag
van het algemeen pensioen een wijziging wordt gebracht op grond
van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of
zijn kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven
aan Onze Minister.
2.Indien een belanghebbende de in
het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat
een verlaging van het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan
of waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.
Artikel 99. Algemeen pensioen en
diensttijd
Voor de toepassing van artikel 97
geldt het volgende:
a. Het algemeen pensioen wordt
geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de
tijdstippen waarop belanghebbende de leeftijd van 15 jaar en die
van 65 jaar heeft bereikt met dien verstande dat, indien een
belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen,
het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met
degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt
ontleend.
b. Het recht op een algemeen
pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is
overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te
duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het
bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
c. Indien een nabestaande recht
heeft op nabestaandenuitkering alsmede halfwezenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet, maar geen van de kinderen
aan welke de nabestaande het recht op halfwezenuitkering
ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan
van het bedrag van de nabestaandenuitkering.
d. [Vervallen.]
e. Als diensttijd wordt
uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen
de tijdstippen, waarop de leeftijd van 15 jaar en die van 65
jaar is bereikt.
f. De diensttijd, waarnaar een
pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de
Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31
augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als
bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt tot een maximum van 2,4
jaar vermenigvuldigd met 4,76.
g. Een pensioen dat niet is
berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een
diensttijd van 40 jaren.
h. Diensttijd, waarnaar een
pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet
daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt
geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling
waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover
dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip
waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt wordt die
diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn
doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van
onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager
doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de
aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
i. Van de diensttijd wordt buiten
beschouwing gelaten de tijd, waarop betrekking heeft of geacht
kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen
pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige
premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet
en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet.
j. De vakantie-uitkeringen,
bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het
algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald.
Artikel 100. Gehuwde vrouw met recht
op pensioen
Indien de belanghebbende een gehuwde
vrouw is, wordt voor de toepassing van artikel 97 uitgegaan van het
algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.
Artikel 101. Vermindering
inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd
1. Indien aan een belanghebbende
meer dan een pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend, en de
diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn
berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt de som van
de inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden
betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de
samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen
pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd
overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd.
2. Indien een overschrijding als
bedoeld in het vorige lid plaats zou vinden, wordt het voor ieder
pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op
samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd
tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen
bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich
verhoudt tot de som van die bedragen.
3. Indien de som van de
inbouwbedragen, ook na toepassing van het vorige lid, een bedrag
gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt,
wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk
inbouwbedrag in de verhouding waarin elk van die bedragen staat
tot de som daarvan.
4. Indien aan een belanghebbende
pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend en tevens pensioen
krachtens een andere regeling, als bedoeld in het volgende lid, is
- of voor de toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende
bepalingen van die regeling geacht wordt te zijn - toegekend,
vinden de vorige leden voor zoveel mogelijk overeenkomstige
toepassing.
Het bepaalde in de vorige volzin
geldt met dien verstande, dat indien het betreft pensioenen
toegekend krachtens een militaire pensioenwet, voor de toepassing
van dit artikel niet als diensttijd geldt de diensttijd, die
krachtens die wet met vier per mille van de pensioengrondslag is
vergolden.
5. Onder een pensioen krachtens een
andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een
pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan
ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de
verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao,
van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in
evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar
gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen
ingesteld fonds.
6. Op verzoek van de belanghebbende
wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens
echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn
toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere
regeling als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 102, tweede lid,
is daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 102. Vermindering
inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen
1.Op verzoek van degene die
aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een
vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in
artikel 101, vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering
voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De
vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde
vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de
desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn
vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding
of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats
toegekend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 99, onderdeel h.
2.De vermindering van het
inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat in met de dag waarop
de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien
verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste
dag van de maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.
3.Bij toepassing van het eerste lid
wordt in geval op meer dan een pensioen recht bestaat, het bedrag
van de in dat lid bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in
mindering gebracht naar verhouding van evenbedoelde bedragen.
4.Indien de som van het
inbouwbedrag en de vermindering van het andere pensioen, ook na
toepassing van de overige bepalingen van dit artikel, een bedrag
gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt,
wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op
het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd
waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking
heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal
van de diensttijden.
5.Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt
van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid,
toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende.
Artikel 103. Verrekening
Indien een algemeen pensioen wordt
toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds pensioen werd
betaald en dientengevolge te veel pensioen is betaald, kan de
Sociale verzekeringsbank het te veel betaalde pensioen ten behoeve
van het lichaam te welks laste het pensioen komt, inhouden op het
algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd
tijdvak.
Artikel 104. Gemoedsbezwaren
De bepalingen van dit hoofdstuk
blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen die op grond van
gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet geldend maken,
met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige
toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die
recht hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de
Algemene Ouderdomswet.
Hoofdstuk 18. Bepalingen van
administratieve aard
§ 1. Financiële bepalingen
Artikel 105
1. Een pensioen op grond van de
tweede of de derde afdeling van deze wet, daaronder niet begrepen
de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast
overeenkomstig een aanpassing aan een algemene
bezoldigingswijziging, van een pensioen van een gepensioneerde
overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP die
werkzaam is geweest in de sector Rijk.
2. Indien aan een gepensioneerde
overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige
uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een
pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige
uitkering toegekend.
3. Onze Minister stelt regels voor
de toepassing van het eerste en het tweede lid. Deze regels werken
zonodig terug tot en met de datum waarop een pensioenaanpassing is
ingegaan of recht is ontstaan op een eenmalige uitkering.
Artikel 106. Inhoudingen
1. Op de wedde van de minister en
op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als
fractievoorzitter, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer, en met inbegrip van de
eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in
artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet worden, volgens
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter
zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte,
arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van de gewezen
minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen
ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van
aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor
overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter
zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor
zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen
bedoeld in de artikelen 8a en 53a, alsmede in de gevallen bedoeld
in de laatste volzin van de artikelen 13a, tweede lid, en 58a,
derde lid.
Artikel 107
1.Op aanvraag van een gewezen
minister of een gewezen kamerlid draagt het Rijk de waarde van de
door de aanvrager krachtens de tweede respectievelijk derde
afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over,
overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake
waardeoverdracht.
2.De bij of krachtens artikel 71
van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige
toepassing op de waardeoverdracht.
3.De waarde van de
pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op
uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de
waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor
zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het
recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is
gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering
overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
4.Voor de toepassing van de
Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel
beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
5.Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de
pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.
Artikel 108
1.Op aanvraag van een minister of
een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door
betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter
verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede
respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht
geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwet aan
een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking
tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2.De overgedragen
pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de
tweede, respectievelijk derde afdeling van deze wet en behandeld
als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid
verkrijgt krachtens de tweede respectievelijk derde afdelingvan
deze wet.
3.De bij of krachtens artikel 71
van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige
toepassing op de waardeoverdracht.
4.Voor de toepassing van de
Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel
beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die
wet.
5.Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de
pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.
§ 2. Aanvraag en toekenning van
pensioen
Artikel 109. Toekenning pensioen;
voorschotverlening
1.Onze Minister beslist over de
toekenning van pensioen op aanvraag door of vanwege de betrokkene.
2.Onze Minister is bevoegd een
pensioen ambtshalve toe te kennen.
3.Onze Minister is voorts bevoegd
een voorschot op een pensioen te verlenen.
Artikel 110. Pensioenbeschikking
In een beschikking tot toekenning van
pensioen worden de voor het pensioen medetellende diensttijd alsmede
het bedrag waarover het pensioen wordt berekend vastgesteld.
Artikel 111. Vrijdom van leges
De stukken die Onze Minister nodig
acht voor de toepassing van deze paragraaf zijn vrij van leges.
§ 3. Ingang en einde van de
pensioenen
Artikel 112. Ingang eigen pensioen
Het eigen pensioen gaat in met de dag
waarop het recht daarop ontstaat, met dien verstande dat het niet
vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin
de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning
plaatsvond.
Artikel 113. Ingang nabestaanden- en
wezenpensioen en tijdelijk pensioen
1.Het nabestaanden- en
wezenpensioen gaat in met de dag volgende op die van het
overlijden van hem aan wie het wordt ontleend, met dien verstande
dat artikel 112 van overeenkomstige toepassing is.
2.Het tijdelijk pensioen gaat in
met een door Onze Minister te bepalen dag.
Artikel 114. Ingang hersteld pensioen
Wanneer een vervallen recht op
pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in
met de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft
plaatsgevonden.
Artikel 115. Einde pensioen
1.Elk pensioen eindigt met het
einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval
van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met een
door Onze Minister te bepalen dag.
2.Het tijdelijk pensioen eindigt
wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze
Minister te bepalen dag.
3.Een pensioen waarop het recht
krachtens artikel 29 vervallen is verklaard, eindigt met het einde
van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren
is genomen.
4.Het wezenpensioen eindigt voorts
met het einde van de maand waarin:
a. de rechthebbende de leeftijd
van eenentwintig jaren heeft bereikt of, de leeftijd van van
eenentwintig jaren nog niet bereikt hebbende, in het huwelijk
is getreden dan wel partij is bij een aanmelding, of
b. ten opzichte van de
rechthebbende ouderschap komt vast te staan van een een ander
dan degene aan wiens overlijden het recht op wezenpensioen
wordt ontleend.
Artikel 116. Nabestaandenuitkering
1.Zo spoedig mogelijk na het
overlijden van een gepensioneerd minister of kamerlid wordt aan
diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde,
een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die
minister of van dat kamerlid over een tijdvak van twee maanden
(nabestaandenuitkering). Bij ontstentenis van een nabestaande van
wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de
uitkering ten behoeve van minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige
kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg.
Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen
kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het
genieten van een vergoeding daarvoor.
2.Indien de overleden
gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid
nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of
ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van
de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
3.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de
overledene recht had, eventueel na toepassing van hoofdstuk 17.
Artikel 117. Terugvordering
1.Indien meer pensioen is betaald
dan overeenstemt met artikel 115, wordt het te veel betaalde
teruggevorderd voor zover verrekening daarvan kan plaatsvinden met
een uitkering krachtens artikel 116.
2.Indien een vermiste in leven
blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan
uitkering, bedoeld in artikel 116, is betaald worden
teruggevorderd.
§ 4. Betaling van de pensioenen
Artikel 118. Maandbetaling
1.Onze Minister draagt zorg voor de
betaling van de pensioenen. De betaling geschiedt in maandelijkse
termijnen.
2.Wij geven bij algemene maatregel
van bestuur voorschriften omtrent wijze en voorwaarden van de
betaling. Daarbij kunnen Wij tevens regelen stellen met betrekking
tot de betaling van bepaalde pensioenen over tijdvakken van langer
dan een maand.
3.Het pensioen van een gewezen
minister onderscheidenlijk van een gewezen lid van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal wordt niet genoten, zolang een gewezen
minister wederom het ambt van Minister bekleedt of zolang een
gewezen kamerlid na herkiezing, een schadeloosstelling bedoeld in
de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, ontvangt.
Artikel 119. Pensioenbetaling zonder
machtiging aan een ander dan gepensioneerde
1.Indien een gepensioneerde in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op
grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te
verlenen voor de uitbetaling van pensioen, is Onze Minister
bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hem aan te wijzen
persoon of instelling. In andere door hem aan te wijzen bijzondere
gevallen is Onze Minister eveneens bevoegd het pensioen in plaats
van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen
aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling.
2.Indien een gepensioneerde
ingevolge het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6 en 13 van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd
is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen
tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan
de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het
College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid,
van de Zorgverzekeringswet.
3.Indien het bepaalde in het vorige
lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet
aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
Artikel 120. Verval van
pensioentermijnen
1.Onze Minister betaalt de
termijnen van een pensioen niet meer uit indien deze niet zijn
ingevorderd binnen twee jaren na het einde van het tijdvak
waarover zij zijn verschuldigd.
2.Indien naar het oordeel van Onze
Minister de belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden
in gebreke te zijn geweest vindt het vorige lid geen toepassing.
§ 5. Beroep en herziening
Artikel 121. Beroep
1.De besluiten ter uitvoering van
deze wet, met uitzondering van de Vijfde Afdeling, worden genomen
door Onze Minister.
2.Een belanghebbende kan tegen een
besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Centrale
Raad van Beroep.
Artikel 122. Herziening, wijziging en
herstel
1.Onze Minister herziet een door
hem genomen beslissing, indien:
a. aan die beslissing een
feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt;
b. na die beslissing blijkt dat
aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te
worden gelegd.
2.Indien na een beslissing van Onze
Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden
zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als
zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de
beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten.
3.Onze Minister herstelt een door
hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing
overeenkomstig artikel 105 -, herziening, wijziging of
betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een
onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt.
4.Indien vijf jaren zijn verstreken
na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor
herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze
Minister die leden buiten toepassing laten.
Artikel 123
1.Een herzieningsbeslissing, een
wijzigingsbeslissing en een herstelbeslissing vermelden de dag van
de inwerkingtreding. Bij een herzieningsbeslissing is deze dag
dezelfde als die waarop de herziene beslissing in werking is
getreden, tenzij een latere dag wordt bepaald.
2.Een herzieningsbeslissing leidt
niet tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde
bedragen, tenzij de betrokkene redelijkerwijze had moeten
begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.
3.Een wijzigingsbeslissing leidt
slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde
bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet
hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden
verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van
een wijziging in de feiten.
4.In afwijking van de vorige twee
leden en onverminderd artikel 117 is Onze Minister bevoegd tot
terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen,
indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de
wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de
dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen
vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van
wijziging in de feiten.
5.Herstel van een beslissing, als
bedoeld in artikel 122, derde lid, binnen vier maanden na de
dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering
of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van
een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de
daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of
verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de
betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel
werd uitbetaald.
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Artikel 124. Samenloop van pensioenen
bedoeld in de tweede en derde afdeling en samenloop van een of meer
van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
(behoort bij hoofdstuk 16)
1.De artikelen 93 en 94 vinden tot
het in artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip geen toepassing
in gevallen waarin die toepassing zou leiden tot terugvordering
van reeds betaalde pensioenbedragen.
2.Ten aanzien van de in het vorige
lid bedoelde pensioenen blijven tot het daar bedoelde tijdstip de
artikelen 11 en 20a van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, en
de artikelen 10 en 19 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, van
toepassing.
3.Met ingang van het in het eerste
lid bedoelde tijdstip worden de daar bedoelde pensioenen
herberekend met inachtneming van de artikelen 93 en 94 en wordt
een toelage toegekend ten bedrage van het verschil tussen het
bedrag van het toegekende pensioen en het bedrag van het
herberekende pensioen. Op deze toelage, die voor de toepassing van
hoofdstuk 17 en van de artikelen 118 en 119 als pensioen wordt
aangemerkt, worden verhogingen van die pensioenen na het in de
vorige volzin bedoelde tijdstip in mindering gebracht.
Artikel 125. Samenloop van pensioen
en algemeen pensioen (behoort bij hoofdstuk 17)
In afwijking in zoverre van het
bepaalde in artikel 97 en onverminderd het bepaalde in artikel 99,
onder e, vindt voor de berekening van het inbouwbedrag geen
vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet die voor de berekening van een
pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt genomen.
Artikel 126
1. Voor de toepassing van deze wet
wordt de overgangstoeslag toegekend krachtens artikel 4 van de
derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963, geacht krachtens
deze wet te zijn toegekend.
2. Met ingang van de dag waarop
voor belanghebbende na de dag voorafgaand aan die van de
inwerkingtreding van de Pensioenmaatregelen 1963, recht op een
lager bedrag aan algemeen pensioen, als bedoeld in artikel 95
ontstaat, of het recht op evenbedoeld algemeen pensioen vervalt
dan wel recht op een hoger pensioen anders dan krachtens artikel
105 ontstaat, vervalt de overgangstoeslag of wordt deze op zodanig
lager bedrag vastgesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging
luidde reeds op laatstbedoelde dag aanwezig was geweest.
3. Het pensioen en de daarbij
behorende overgangstoeslag worden als een eenheid beschouwd,
waarop de op het pensioen betrekking hebbende wettelijke
bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, met uitzondering
van artikel 105 en van hoofdstuk 17.
Artikel 127
1. Op verzoek van de weduwe, die
aantoont, dat een rente of uitkering als bedoeld in artikel 19,
onder 2e, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2e, der Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede
lid, der Zeeongevallenwet 1919 dan wel een zodanige uitkering
krachtens de liquiditeitswet ongevallenwetten, daaronder begrepen
de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet
compensatie premie Algemene Ouderdomswet Ongevallenrentetrekkers,
is beperkt uit hoofde van haar recht op algemeen weduwenpensioen
als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet, wordt het bedrag
van die beperking in mindering gebracht op het inbouwbedrag
bedoeld in artikel 97.
2. Indien op de dag waarop het
verzoek, bedoeld in het vorige lid, bij Onze Minister is
ingekomen, meer dan een jaar is verstreken nadat de omstandigheid,
bedoeld in het vorige lid, is opgetreden, gaat de in dat lid
bedoelde vermindering niet vroeger in dan een jaar voor de eerste
dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.
Bepalingen van administratieve aard
Artikel 128. Betaling AOW/AWW-premie
(behoort bij hoofdstuk 18)
De rechthebbende op een pensioen, die
krachtens artikel 6 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen
1963 op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet een vergoeding geniet ter zake van de premie die van dat
pensioen wordt geheven ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de
Algemene Weduwen- en Wezenwet, met uitzondering van degene op wie
artikel 108 toepassing vindt, heeft recht op een vergoeding ter zake
van die premie. Deze vergoeding beloopt een zodanig gedeelte van
bedoelde premie als wordt aangegeven door een breuk, waarvan de
teller is 7,1 en de noemer 10,2 is.
Artikel 129. Beroep en herziening
In afwijking van artikel 122 is
herziening van een in dat artikel bedoelde beslissing, die genomen
is met toepassing van de in de artikelen 35 en 80 genoemde wetten
niet meer mogelijk nadat vijf jaren zijn verstreken sinds het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.
Vijfde afdeling. Commissarissen van
de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders
van waterschappen
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Artikel 130
1. Deze afdeling is van
overeenkomstige toepassing op burgemeesters, wethouders en leden
van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, met dien verstande
dat wordt gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten:
burgemeester, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van
een deelgemeente;
b. provincie: gemeente;
c. provinciale staten: de raad;
d. gedeputeerde staten: college
van burgemeester en wethouders.
2. Deze afdeling is van
overeenkomstige toepassing op voorzitters en leden van het
dagelijks bestuur van een waterschap, met dien verstande dat wordt
gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten:
lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, waaronder de
voorzitter;
b. provincie: waterschap;
c. provinciale staten: het
algemeen bestuur van een waterschap;
d. gedeputeerde staten: het
dagelijks bestuur van een waterschap.
3. Onder lid van gedeputeerde
staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop
gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de
gedeputeerde.
4. In afwijking van het eerste,
tweede en derde lid, zijn de hoofdstukken 22 tot en met 29 niet
van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester
alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van
het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden
een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot
en met 29 wordt verstaan onder:
a. gewezen lid van gedeputeerde
staten: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op
pensioen heeft;
b. gepensioneerd lid van
gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag recht
heeft op pensioen;
c. wedde: wedde inclusief
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop het
gewezen of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag
voorafgaande aan de dag, waarop hij ophield lid van
gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij uit de
desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;
d. deeltijdfactor: een breuk
waarvan de teller wordt gevormd door de genoten wedde
exclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en
de noemer door het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan
die wedde is afgeleid.
Artikel 130a
Deze afdeling is niet van toepassing
op een gedeputeerde die is benoemd met toepassing van artikel 44b
van de Provinciewet.
Artikel 130b
1. Tenzij in de volgende leden
anders is bepaald, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing
op de Rijksvertegenwoordiger, met dien verstande dat wordt gelezen
voor:
a. lid van gedeputeerde staten:
Rijksvertegenwoordiger;
b. provincie: Rijk;
c. provinciale staten: Onze
Minister;
d. gedeputeerde staten: Onze
Minister.
2. Voor zover het de
Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen,
de Raad van State gehoord, in afwijking van artikel 132, zesde
lid, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met
inachtneming van artikel 136 vast te stellen termijn, die op
dezelfde wijze kan worden verlengd.
3. Voor de toepassing van artikel
137a wordt gelezen voor:
a. artikel 76, eerste lid, van
de Provinciewet: artikel 200, eerste lid, Wet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
b. commissaris van de Koning:
Rijksvertegenwoordiger.
4. In afwijking van artikel 152,
tweede lid, kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als
gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen
recht op pensioen herstellen.
Hoofdstuk 21. De uitkering
Het recht op uitkering
Artikel 131
1. Aan een lid van gedeputeerde
staten wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij
nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, recht op uitkering
verleend ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad,
op de voet van de volgende artikelen.
2. Het eerste lid vindt geen
toepassing:
a. indien de belanghebbende
daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als
lid van gedeputeerde staten optreedt, tenzij hij als zodanig
een betrekking in een mindere omvang is gaan uitoefenen;
b. indien aan de belanghebbende
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Tenzij de omstandigheid bedoeld
in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van
het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van
de uitkering berekend volgens artikel 132, wordt de uitkering
alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich
niet meer voordoet, voor de resterende duur.
Duur van de uitkering
Artikel 132
1. De uitkering wordt toegekend
voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van
gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van
twee jaren en ten hoogste voor de duur van vier jaren. Indien de
belanghebbende met een of meer onderbrekingen lid van gedeputeerde
staten is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende
welke hij lid van gedeputeerde staten is geweest in een tijdvak,
laatstelijk voordat hij ophield lid van gedeputeerde staten te
zijn, waarin zijn lidmaatschap van gedeputeerde staten voor ten
hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.
2. Indien de belanghebbende ten
tijde van zijn aftreden als lid van gedeputeerde staten de
leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van
twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste
tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de
uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van
65 jaar bereikt.
3. Voor de berekening van de
uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren,
bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende
lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd
waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2,
tweede lid, onder a, b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde
tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die
tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid
rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze
functies.
4. In afwijking van het eerste lid
wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien
de belanghebbende korter dan drie maanden lid van gedeputeerde
staten is geweest.
5. In geval van tussentijds
vervallen van de uitkering krachtens artikel 136, tweede lid,
onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was
vervallen, zou zijn geëindigd.
6. In bijzondere gevallen kunnen
provinciale staten bepalen dat de uitkering wordt voortgezet voor
een met inachtneming van artikel 136 vast te stellen termijn,
welke op dezelfde wijze kan worden verlengd.
Artikel 132a
1. De belanghebbende die recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 131, is verplicht:
a. in voldoende mate te
trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid
te aanvaarden;
c. mee te werken aan
activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in
de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat
hij:
a. door eigen toedoen geen
passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende
arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het
aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Onder passende arbeid wordt
verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van
de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in
relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend
beroep of opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de
belanghebbende;
c. de reistijd naar en van het
werk;
d. het geboden loon;
e. het werkloosheidsrisico.
4. Gedeputeerde staten zijn
verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende
opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven
van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die
noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de onderdelen van het plan;
b. een tegemoetkoming voor de
in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;
c. de eisen die worden gesteld
aan de organisatie die het plan opstelt.
5. Dit artikel is niet van
toepassing op de belanghebbende die:
a. een ambt heeft aanvaard als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet
ten bedrage van 70% of meer van de wedde, bedoeld inartikel
133;
b. recht heeft op een
voortgezette uitkering ingevolge artikel 133a.
6. Dit artikel is niet van
toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de
belanghebbende.
Artikel 132b
1. Gedeputeerde staten kunnen de
belanghebbende, bedoeld in artikel 132a, verplichten zich bij het
gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te
laten begeleiden en ondersteunen.
2. Gedeputeerde staten verstrekken
de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige
begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en
verwerven van passende arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten
hoogste 20% van de laatstelijk als gedeputeerde per jaar genoten
wedde, bedoeld in artikel 133, tweede lid. De verplichte
planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste
lid, wordt volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor
tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in
aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld
aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
Artikel 132c
1. Indien de belanghebbende een bij
of krachtens artikel 132a of 132b geregelde verplichting niet of
niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot
gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde
staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de
uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van
het eerste lid.
Bedrag van de uitkering
Artikel 133
1.De uitkering bedraagt gedurende
het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid
van gedeputeerde staten genoten wedde.
2.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder laatstelijk genoten wedde verstaan de wedde,
waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan de dag, waarop
hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn,
aanspraak had of bij waarneming van zijn ambt zou hebben gehad.
3.Indien Wij in de bezoldiging van
het Rijkspersoneel een wijziging aanbrengen wordt de in het eerste
lid bedoelde laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dat
lid met ingang van het tijdstip van ingang van de
bezoldigingswijziging overeenkomstig de wijziging aangepast.
Voortzetting van de uitkering bij
invaliditeit
Artikel 133a
1.Indien de belanghebbende op de
dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk
algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 136, de
uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet
van artikel 133b.
2.Algemeen invalide, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of
gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk
verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle
algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet
begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld
in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3.Bij de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de
betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4.Indien de betrokkene zonder
redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste
opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van
een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de
mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of
scholing is afgerond.
5.Bij een algemene invaliditeit van
minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.
Artikel 133b
1.De voortzetting van de uitkering
vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en
vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit
artikel.
2.De uitkering bedraagt gedurende
een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk
als lid van gedeputeerde staten genoten wedde, bedoeld in artikel
133, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die
wedde bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die
wedde bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3.De in het tweede lid bedoelde
periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip
van voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf
jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half
jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4.De uitkering bedraagt na afloop
van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage,
volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon
verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk
als lid van gedeputeerde staten genoten wedde, bedoeld in artikel
133, en het minimumloon.
5.Voor de berekening van het in het
vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het
aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de
betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6.Het minimumloon, bedoeld in het
vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per
maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een
betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag
herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de
genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
7.De belanghebbende heeft recht op
een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder
bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage
van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten wedde.
8.De aanvulling is gelijk aan het
bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als lid van
gedeputeerde staten genoten wedde.
9.In afwijking van het achtste lid
is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven
percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten
genoten wedde, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt
voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 160, eerste
lid.
10.Het in het negende lid bedoelde
percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer
65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een
algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11.Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 160, eerste lid, worden regels gesteld
met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid.
Regels op grond van artikel 8b, elfde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de in het negende lid bedoelde
keuze.
12.Indien de wegens algemene
invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten,
bedoeld in artikel 134, minder bedraagt dan het minimumloon wordt
de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt
niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag
waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het
minimumloon.
Artikel 133c
1.De voortzetting van de uitkering,
bedoeld in artikel 133a, geschiedt op aanvraag van de
belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar,
onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of
intrekking van de uitkering.
2.Gedeputeerde staten stellen de
belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de
in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de
mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de
uitkering na afloop van die termijn.
3.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden
voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
gedaan.
4.Indien gedeputeerde staten niet
tijdig beslissen op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in
het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van
de beslissing op de aanvraag.
5.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien
gedeputeerde staten de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid,
niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als
bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een
maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6.Indien de uitkering na afloop van
de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de
uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest
indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7.Bepalingen op grond van artikel
8c, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op in het
eerste lid bedoelde belanghebbenden.
Artikel 133d
1. Binnen een jaar na het tijdstip
waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel
133a is voortgezet, doen gedeputeerde staten een onderzoek
instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden
die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen
aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Bepalingen op grond van artikel
8d, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het in het
eerste lid bedoelde onderzoek.
3. Gedeputeerde staten wijzigen
ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de
uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
4. Een wijziging van het bedrag van
de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag
is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand
volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
b. indien de wijziging
ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de
maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is
genomen.
5. De toepassing van artikel 133a
wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang
hij niet voldoet aan een uitnodiging van gedeputeerde staten zich
te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen
aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er
nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op
wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit
of in verband met arbeid geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd,
zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in
artikel 133a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot
herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De
toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een
aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste
dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in
de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te
zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of
in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin
genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid
aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 133a, tweede lid.
Artikel 133e
1.Op verzoek van een lid van
gedeputeerde staten doen provinciale staten een onderzoek
instellen, door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen,
ter beantwoording van de vraag of het lid van gedeputeerde staten
dat het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel
133a, tweede lid.
2.Provinciale staten brengen de
uitkomst van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid ter
kennis van de verzoeker.
Inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf
Artikel 134
1. De inkomsten die de
belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van
de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering
verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid worden onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag
dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten, ter
hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft
opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, geniet als
a. winst uit een of meer
ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in
verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit
overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een
werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste
lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting
2001.
Onder inkomsten bedoeld in de
vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening
krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. Voor de toepassing van de vorige
leden worden mede als inkomsten aangemerkt:
a. de inkomsten wegens in het
tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen door de
belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan
het tijdstip van aftreden;
b. de inkomsten die worden
genoten uit een betrekking waarin hij gedurende zijn
zittingstijd als lid van gedeputeerde staten op non-activiteit
was gesteld;
c. de vaste vergoeding die
wordt genoten als lid van provinciale staten.
4. Indien de belanghebbende op of
na de dag bedoeld in het tweede lid inkomsten of hogere inkomsten,
anders dan ten gevolge van algemene loonsverhogingen, verkrijgt
uit in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen voor
de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het derde lid, is ten
aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het
eerste lid van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde
verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met
het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten,
de laatstelijk genoten wedde, waarvan de uitkering is afgeleid,
overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de
uitkering de op grond van artikel 132c, eerste lid, opgelegde
inhouding buiten beschouwing gelaten.
6. Onder inkomsten bedoeld in de
voorgaande leden wordt niet verstaan kinderbijslag alsmede de
compensatie voor de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en
de Algemene nabestaandenwet, welke in die inkomsten is of geacht
kan worden te zijn begrepen. De vorige volzin is wat betreft de
premiecompensatie slechts van toepassing voor zover de daar
bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden geacht
betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
7. Een ministeriële regeling op
grond van artikel 9, zesde lid, geldt mede voor de toepassing van
dit artikel, ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in
artikel 132, zesde lid, en in artikel 133a.
Artikel 134a
1.De belanghebbende is verplicht
van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in
artikel 134, tweede lid, terstond mededeling te doen aan
gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de
inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de
inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het
verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten,
die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de
vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in artikel 9a,
eerste lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Brengt de aard van de
activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een
langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave
dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering
toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud
van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten
aanzien van deze verrekening is artikel 134 van toepassing, met
dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin
bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand
afzonderlijk.
3.Gedeputeerde staten kunnen bij de
vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van
de belanghebbende afwijken.
4.De belanghebbende aan wie
uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering
geacht erin toe te stemmen dat allen, die daarvoor naar het
oordeel van gedeputeerde staten in aanmerking komen, omtrent zijn
omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering
van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Betaling
Artikel 135
1.De uitkering, berekend over een
maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2.De uitkering wordt niet
uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van
artikel 134a.
Einde en verval van de uitkering
Artikel 136
1.De uitkering eindigt met ingang
van de dag volgende op die, waarop de belanghebbende is overleden.
2.De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop
de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. met ingang van de dag waarop
de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in
de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten,
tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in
een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht
op uitkering ontleent;
c. wanneer tijdens de duur van
de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in
artikel 131, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich
niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige
toepassing.
3.De uitkering kan geheel of ten
dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende
herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan
zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.
Uitkering bij overlijden
Artikel 137
1.Zo spoedig mogelijk na het
overlijden van de belanghebbende wordt aan de weduwe of weduwnaar
een bedrag uitgekeerd gelijk aan de uitkering eventueel
vermeerderd met de kinderbijslag voor het eerste en tweede kind
waarop de belanghebbende ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet op
de dag van het overlijden recht had, over een tijdvak van drie
maanden.
2.Laat de overledene geen weduwe of
weduwnaar na, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid
bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie
de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of
minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het
overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke
zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van
het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de
uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag indien de
overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen,
broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3.Laat de overledene geen
betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan
wordt het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele uitgekeerd
voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die
kosten ontoereikend is.
Artikel 137a. Waarneming
1. Dit hoofdstuk is van
overeenkomstige toepassing op degene die krachtens artikel 76,
eerste lid, van de Provinciewet, dan wel krachtens artikel 78,
eerste lid, van de Gemeentewet het ambt van commissaris van de
Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer
dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor
degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten
dele in afwijking van artikel 132, steeds gelijk aan de duur van
de waarneming. De uitkering bedraagt het volgens artikel 133
toepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding
en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel.
2. In afwijking van artikel 131
komt de uitkering die de provincie of de gemeente na ontheffing
van de waarneming verschuldigd is op grond van het eerste lid ten
laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
Artikel 137b. Uitkering na
herindeling
Bij eervol ontslag van een
burgemeester wegens opheffing van de gemeente komt de uitkering ten
laste van hoofdstuk VII van de Rijksbegroting.
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Artikel 138. Het recht op eigen
pensioen
1.Aan hem, die ophoudt lid van
gedeputeerde staten te zijn, wordt, ten laste van de provincie
waarin hij als zodanig optrad, recht op pensioen verleend, indien
hij op het tijdstip waarop hij ophoudt lid van gedeputeerde staten
te zijn, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij hij op dat
tijdstip weder als zodanig optreedt.
2.Aan hem, die ophoudt lid van
gedeputeerde staten te zijn voor het bereiken van de leeftijd van
65 jaar, wordt recht op een pensioen verleend bij het bereiken van
die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weder als lid van
gedeputeerde staten optreedt in de provincie ten laste waarvan het
pensioen komt.
Artikel 138a. Bedrag van het eigen
pensioen per jaar als lid van gedeputeerde staten
1. Het pensioen bedraagt voor ieder
jaar als lid van gedeputeerde staten 2 percent van de daarvoor
geldende pensioengrondslag, volgens een of meer van de artikelen
139, 139a en 139aa, waarbij niet in aanmerking wordt genomen de
diensttijd, doorgebracht na het bereiken van de leeftijd van 65
jaar, voor zover de gewezen gedeputeerde bij of na het bereiken
van die leeftijd wederom het ambt van lid van gedeputeerde staten
in de betrokken provincie aanvaardt. Voor de toepassing van die
artikelen wordt verstaan onder wedde: de wedde, bedoeld in artikel
130, vierde lid, onder c, aangepast volgens de regels, bedoeld in
artikel 157, derde lid. Ten aanzien van een lid van gedeputeerde
staten dat voor zijn bezoldiging geacht wordt niet de volledige
werkweek aan het ambt te besteden, is voor de toepassing van de
artikelen 139a en 139aa de wedde het tot een jaarbedrag herleide
bedrag waarvan de wedde, bedoeld in artikel 130, vierde lid, onder
c, is afgeleid, aangepast volgens de in de tweede volzin bedoelde
regels.
2. In afwijking van het eerste lid
behoort niet tot de wedde de verhoging van de wedde per 1 januari
2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
3. Als tijd als lid van
gedeputeerde staten telt mee de tijd met recht op uitkering. Het
pensioen over die tijd wordt berekend naar 2 percent per jaar over
de eerste vier jaren van het recht op uitkering dan wel over de
volledige tijd met recht op uitkering indien die tijd minder is
dan vier jaren en vervolgens naar 1 percent per jaar. In het geval
van een uitkering als bedoeld in artikel 133a, wordt het pensioen
over de tijd met recht op uitkering berekend naar 2 percent per
jaar voor zover en voor zolang het percentage van de algemene
invaliditeit 55 percent of meer bedraagt. Voor de toepassing van
de vorige volzin wordt een uitkering als bedoeld in artikel 131
aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 133a, indien
en zolang de belanghebbende tijdens de duur van de eerstbedoelde
uitkering voor 55 percent of meer algemeen invalide is.
4. In afwijking van het derde lid
wordt het pensioen over de in dat lid bedoelde tijd berekend naar
de helft van het ingevolge dat lid toepasselijke percentage, over
het gedeelte van die tijd waarin de uitkering is verminderd wegens
het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 134. Geen
meetelling van diensttijd als bedoeld in het derde lid vindt
plaats:
a. voor zover gedurende de in
dat lid bedoelde tijd de uitkering wegens het genieten van
inkomsten als bedoeld in artikel 134 tot nihil is verminderd;
b. in zover de belanghebbende
die recht heeft op uitkering, maar die minder uitkering geniet
dan de krachtens artikel 160 berekende inhoudingen ter zake
van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het
bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval als een
op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende
daarom verzoekt.
Voor de toepassing van de eerste en
de tweede volzin wordt de vergoeding voor de werkzaamheden als lid
van provinciale staten niet beschouwd als daar bedoelde inkomsten,
indien gedeputeerde staten geen collectieve verzekering hebben
afgesloten waarbij ten behoeve van de leden van provinciale staten
wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in
geldelijke voorzieningen bij invaliditeit en overlijden.
5. Een lid van gedeputeerde staten
en een gewezen lid van gedeputeerde staten hebben bij ingang van
het pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12
percent te verhogen, voorzover het is berekend over tijd als lid
van gedeputeerde staten die is gelegen na 30 juni 1999 en die
overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 145 voor de
berekening van het nabestaandenpensioen in aanmerking wordt
genomen.
6. Met de verhoging van het
pensioen, bedoeld in het vijfde lid, vervalt de aanspraak op
nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na 30 juni 1999.
7. De keuze, bedoeld in het vijfde
lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot
of de aangemelde partner. De regels, bedoeld in artikel 13a,
achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
8. De verhoging van het pensioen
gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen
ontstaat en is onherroepelijk.
Artikel 138b
1. Een gewezen lid van gedeputeerde
staten kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
132, eerste of tweede lid, de vanaf 1 augustus 2003 opgebouwde
aanspraken op eigen pensioen omzetten in een aanspraak op
nabestaandenpensioen bij overlijden voor het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar.
2. Voor de omzetting van het eigen
pensioen, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister bij
ministeriële regeling een leeftijdsafhankelijke ruilvoet vast.
3. Gedeputeerde staten informeert
het gewezen lid van gedeputeerde staten binnen vier maanden voor
het einde van de uitkering over de mogelijkheid, bedoeld in het
eerste lid.
4. Het gewezen lid van gedeputeerde
staten dient zijn keuze binnen zes weken na ontvangst van deze
mededeling schriftelijk aan gedeputeerde staten mee te delen. Tot
het moment van het eindigen van de termijn van zes weken,
verkrijgt het gewezen lid van gedeputeerde staten een premievrije
aanspraak op nabestaandenpensioen overeenkomstig de tijd tot het
moment van aftreden van de minister.
5. Als omzetting als bedoeld in het
eerste lid gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in
artikel 160a, wordt de vermindering van het eigen pensioen
aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het
eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met
inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid.
6. Als een gewezen lid van
gedeputeerde staten op enig moment opnieuw lid van gedeputeerde
staten wordt, wordt de vermindering van het eigen pensioen,
bedoeld in het eerste lid, aangepast. De aanspraak op
nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet
in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de
ruilvoet, bedoeld in het tweede lid, behorende bij de leeftijd van
het lid van gedeputeerde staten op het moment dat hij opnieuw lid
wordt van gedeputeerde staten.
7. Het vijfde en zesde lid zijn
niet van toepassing bij het einde van het huwelijk na aftreden van
het lid van gedeputeerde staten en voor waardeoverdracht of voor
het opnieuw lid worden van gedeputeerde staten.
Artikel 139. Pensioengrondslag tijd
voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen
1. Voor tijd vóór 1 januari 1986
is de pensioengrondslag de wedde.
2. De wedde wordt voor de
toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met 100/110 indien
deze laatstelijk is genoten tussen 31 december 1985 en 1 januari
1995. De aldus vastgestelde pensioengrondslag is echter niet lager
dan de wedde verminderd met € 2 867,89 [Red: per 1 januari 2008
€ 4.434,37] . Het bedrag van € 2 867,89 [Red: per 1 januari
2008 € 4.434,37] wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, overeenkomstig de
aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro’s, op 1
januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
3. De wedde wordt voor de
toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een
debruteringsfactor overeenkomstig artikel 139a, tweede lid, indien
deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Op het aldus
gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel van toepassing.
4. Bij de berekening van een
pensioen van een gewezen wethouder die voor 1 januari 1986 voor
zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan het
wethouderschap te besteden, wordt de wedde, vastgesteld volgens
het tweede of het derde lid, vermenigvuldigd met de
deeltijdfactor.
5. Hoofdstuk 17 is van toepassing
op het pensioen, voor zover berekend over de in het eerste lid
bedoelde tijd.
Artikel 139a. Pensioengrondslag tijd
tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
1. Voor tijd tussen 31 december
1985 en 1 januari 1995 is de pensioengrondslag de wedde verminderd
met een bedrag, genaamd franchise.
2. De wedde wordt voor de
toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een
debruteringsfactor indien deze laatstelijk is genoten na 31
december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de teller honderd
bedraagt en de noemer de som is van honderd en het percentage
waarmee het inkomen als lid van gedeputeerde staten per 1 januari
1995 uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19
mei 1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen
en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is
gewijzigd.
3. De in het eerste lid bedoelde
franchise is:
a. voor het gepensioneerde lid
van gedeputeerde staten dat voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal
het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een
gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op
pensioen ontstaat;
b. voor het gepensioneerde lid
van gedeputeerde staten dat voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal
het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een
ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op
pensioen ontstaat.
4. In de in het derde lid bedoelde
bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop
ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht bestaat.
5. Wanneer de in het derde lid
bedoelde bedragen op grond van persoonlijke omstandigheden worden
gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het
herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel 139d, tweede lid,
in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijzigingen zich hebben
voorgedaan.
Artikel 139aa. Pensioengrondslag tijd
na 31 december 1994
Artikel 139a, eerste lid, is van
toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de
franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
vastgesteld.
Artikel 139b
Tijd, doorgebracht als lid van
gedeputeerde staten, gedurende welke de belanghebbende voor zijn
bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan zijn ambt te
besteden, telt voor de pensioenberekening met toepassing van artikel
139a of 139aa, dan wel met toepassing van beide artikelen, mee met
inachtneming van de voor die tijd toepasselijke deeltijdfactor of
deeltijdfactoren.
Artikel 139c. Samenvallende
diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
1. Het gepensioneerde lid van
gedeputeerde staten heeft recht op een toeslag op zijn pensioen
indien dat pensioen is berekend met toepassing van de franchise
bedoeld in artikel 139a, derde lid, onderdeel a, en indien de
kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen
meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk
samenvalt met kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de
berekening van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft,
mits op laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit
hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de
toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van het
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten wordt aangemerkt.
3. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt voor elk voor de berekening van het pensioen
meetellend jaar binnen de samenlopende kalendertijd 0,525 percent
van de franchise bedoeld in artikel 139a, derde lid, onderdeel a.
4. De toeslag wordt slechts
toegekend op verzoek en gaat in de op de dag waarop de in het
eerste lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien
verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat dan een jaar voor de
eerste dag van de maand waarin het verzoek is ingediend.
5. Voor de toepassing van hoofdstuk
23 wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder pensioen
begrepen.
Artikel 139d. Verstrekken van
inlichtingen
1.Indien in het bedrag van het
ouderdomspensioen, waaronder medebegrepen een eventuele toeslag en
de vakantie-uitkering, ingevolge de Algemene Ouderdomswet een
wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke
omstandigheden, is degene aan wie een pensioen krachtens dit
hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór 1 januari 1995,
gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan provinciale
staten.
2.Indien de in het eerste lid
bedoelde wijziging leidt tot verhoging van het pensioen krachtens
dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar
voor de eerste dag van de maand waarin de daarbedoelde
kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging ambtshalve
plaatsvond.
3.In bijzondere gevallen kunnen
provinciale staten het tweede lid buiten toepassing laten.
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en
wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 140. Nabestaandenpensioen
1. De nabestaande van een lid van
gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of
gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft recht op pensioen.
2. In afwijking van het eerste lid
bestaat geen recht op nabestaandenpensioen:
a. indien het huwelijk is
gesloten nadat het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten
de leeftijd van 65 jaar had bereikt;
b. bij overlijden van een
gewezen lid van gedeputeerde staten vóór het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de
overledene is gelegen na 31 juli 2003;
c. bij overlijden van een
gepensioneerd lid van gedeputeerde staten, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni
1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 138a, vijfde
lid.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid geldt niet als gewezen lid van gedeputeerde staten het
gewezen lid van gedeputeerde staten met recht op uitkering als
bedoeld in artikel 131.
Artikel 141 [Vervallen per
18-12-1992]
Artikel 142. Bijzonder
nabestaandenpensioen
1. Ten laste van de provincie wordt
recht op bijzonder nabestaandenpensioen verleend aan de vrouw of
man met wie een overleden lid, gewezen lid of gepensioneerd lid
van gedeputeerde staten gehuwd is geweest, mits:
a. hij of zij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het lid, gewezen
lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag van
het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
b. de onder a bedoelde dag ligt
na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening
echtscheidingsrecht en de echtscheiding of ontbinding van het
huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor
genoemd tijdstip geldende recht.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vrouw of man van wie
de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op
nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het lid van
gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten op de dag van eindigen
van de aanmelding zou zijn overleden.
3. In afwijking van het het eerste
en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder
nabestaandenpensioen:
a. indien het lid van
gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of
gepensioneerde lid van gedeputeerde staten en de
desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij
huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde
van het huwelijk of de aanmelding, en gedeptuteerde staten
daarmee instemmen;
b. indien de onder a bedoelde
vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door
hetzelfde lid van gedeputeerde staten wegens diens overlijden
recht op nabestaandenpensioen heeft;
c. bij overlijden van een lid
van gedeputeerde staten of gewezen lid van gedeputeerde staten
voor de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige
tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;
d. bij overlijden van een
gepensioneerd lid van gedeputeerde staten, voorzover de
pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni
1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 138a, vijfde
lid.
Artikel 143. Wezenpensioen
1. Ten laste van de provincie wordt
recht op wezenpensioen verleend aan:
a. de kinderen, van hem die
overlijdt als lid, gewezen of gepensioneerde lid van
gedeputeerde staten, die de leeftijd van eenentwintig jaren
nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest
zijn dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest bij een
aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn
aftreden is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft
op uitkering ter zake van het aftreden;
b. de kinderen ten opzichte van
welke aan een mannelijk lid, gewezen of gepensioneerd lid van
gedeputeerde staten ten tijde van zijn overlijden een
onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 394 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek BES was opgelegd, dan wel door hem bij
authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, onder
dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, en
c. de kinderen voor welke het
lid, gewezen lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten
ten tijd van zijn overlijden de pleegouderlijke zorg droeg,
onder dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, met
dien verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of
adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke zorg
in aanmerking wordt genomen.
2. Onder pleegouderlijke zorg
bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan de zorg voor
het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen
kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het
genieten van een vergoeding daarvoor.
Artikel 144. Tijdelijk pensioen
1.Indien een lid, gewezen lid of
gepensioneerd lid van gedeputeerde staten is vermist, wordt aan
degenen, die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden
ontlenen, ten laste van de provincie recht op tijdelijk pensioen
op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk
is omschreven, verleend.
2.Het tijdelijk pensioen gaat van
rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden
van de vermiste vaststaat.
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 145. Nabestaandenpensioen
1. Het nabestaandenpensioen
bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het
overleden lid van gedeputeerde staten als zodanig aanspraak zou
hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn
overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen lid van
gedeputeerde staten als zodanig recht of uitzicht had, een en
ander met inachtneming van artikel 140, tweede lid, onder b en c.
2. In afwijking van het vorige lid
bedraagt het pensioen van de nabestaande van hem die overlijdt:
a. als lid van gedeputeerde
staten vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, vijf
zevende gedeelte van het pensioen waarop dit lid aanspraak zou
hebben kunnen maken, indien hij zijn lidmaatschap tot het
bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben bekleed;
b. als gewezen lid van
gedeputeerde staten in de periode, waarover hem een uitkering
is toegekend, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop
het gewezen lid aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij
tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op
uitkering zou hebben gehad, met dien verstande dat voor de
berekening van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld
naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van
overlijden.
3. Indien wegens eenzelfde
sterfgeval voor een nabestaande recht ontstaat op meer dan een
nabestaandenpensioen op de voet van deze afdeling dan wel op een
nabestaandenpensioen op de voet van deze afdeling en op een
nabestaandenpensioen krachtens de tweede of derde afdeling van
deze wet, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen,
waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid, tijd die zowel
voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de
berekening van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk
gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts
medegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd
het hoogste bedrag oplevert.
4. Bij de toepassing van de
voorgaande leden wordt ten aanzien van het eigen pensioen voor
zover artikel 139a daarop van toepassing is, in alle gevallen
gerekend met de franchise bedoeld in artikel 139a, derde lid,
onderdeel a.
Artikel 145a
1. De nabestaande die jonger is dan
65 jaar maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, heeft recht op een toeslag op zijn
volgens artikel 145 berekende pensioen, indien dat is berekend of
mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot
een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals
die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat.
3. De nabestaande, bedoeld in het
eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat
lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden.
4. De toeslag gaat in met ingang
van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang
van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld
in artikel 157, eerste lid, vanaf 1 juli 1999.
5. Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande 65 jaar wordt;
b. met ingang van de maand
volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner
wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet wordt aangemerkt.
Artikel 145b
1. De nabestaande die recht heeft
op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een
toeslag op zijn volgens artikel 145 berekende pensioen, indien dat
is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens
de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli
1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in
mindering is gebracht, met ingang van die vermindering.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75
percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het
jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de
vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet
meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde
bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader
vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van
ieder jaar volgens de regels, bedoeld inartikel 105, eerste
lid, vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere
vaststelling van de verminderdering van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
3. Artikel 145a, vierde en vijfde
lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 145c
1.De nabestaande die recht heeft op
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en op
1 januari 1998 55 jaar of ouder is, heeft recht op een toeslag op
zijn volgens artikel 145 berekende pensioen, indien dat is
berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985,
indien en voor zo lang hij recht heeft op een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die
krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1
januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de
nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde
persoon onafgebroken ongehuwd samenwoont.
2.De toeslag bedraagt jaarlijks
voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend
jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75
procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde
bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de
eerste volzin eerstbedoelde bedrag.
De toeslag wordt vanaf 1 januari
1998 vastgesteld met inachtneming van de vanaf die datum geldende
bedragen krachtens de Algemene nabestaandenwet en wordt vervolgens
nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand
van de ontwikkeling van die bedragen.
3.Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd
bereikt;
b. met ingang van de maand
volgend op die waarin de nabestaande trouwt of partij is bij
een aanmelding;
c. met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de vermindering van de
nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4.Artikel 145a, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. Artikel 145b is niet van toepassing.
Artikel 146. Bijzonder
nabestaandenpensioen
1.Het bijzonder
nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen
pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag
waarnaar het pensioen van het lid van gedeputeerde staten,
gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerde lid van
gedeputeerde staten zou zijn berekend indien deze op de dag
van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de
aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen;
b. pensioengeldige tijd die is
gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat
in de gevallen bedoeld in artikel 142, derde lid, onder c en
d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en
1 juli 1999 in aanmerking word genomen.
2.Indien er recht bestaat op meer
dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 142,
eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige
toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het
bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die
samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.
3.Artikel 145, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Indien er bij een overlijden
recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen
wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
ontleend met het bedrag daarvan verminderd.
Artikel 147. Nabestaandenpensioen bij
hertrouwen dan wel aanmelding
Indien een nabestaande hertrouwt,
partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd
samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn
pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende
maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking
komende diensttijd van het lid van gedeputeerde staten, het gewezen
lid van gedeputeerde staten of het gepensioneerde lid van
gedeputeerde staten in aanmerking genomen, die gelegen is voor het
tijdstip van diens overlijden.
Artikel 148. Wezenpensioen
1.Het wezenpensioen bedraagt:
a. voor elk kind, wiens ouder
aan het overlijden van het lid, gewezen lid of gepensioneerd
lid van gedeputeerde staten recht op pensioen ontleent, een
zevende gedeelte;
b. voor elk ander kind, twee
zevende gedeelte, van het pensioen van de overledene, berekend
overeenkomstig artikel 145.
2.Voor de toepassing van het eerste
lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande, die op het
tijdstip van zijn overlijden de pleegouderlijke zorg had van het
kind, bedoeld in artikel 145.
Artikel 148a
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december
1985.
2. De wees die geen recht heeft op
wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet heeft recht
op een toeslag op zijn volgens artikel 148 berekende pensioen,
tenzij zijn ouder recht heeft op halfwezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
voor de berekening van het wezenpensioen tellend jaar:
a. voor de wees, bedoeld in
artikel 148, eerste lid, onder a, 0,375 percent van de tot een
jaarbedrag herleide som van de nabestaandenuitkering en de
halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op
nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de daarover
berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;
b. voor de wees bedoeld in
artikel 148, eerste lid, onder b, 0,75 percent van het onder a
bedoelde jaarbedrag.
3. Indien aanspraak ontstaat op de
toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan
onverwijld kennis aan de provincie. De toeslag gaat niet eerder in
dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is
toegekend.
4. De toeslag gaat in met ingang
van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang
van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld
in artikel 157, eerste lid.
Artikel 149
1.Het wezenpensioen wordt
herberekend overeenkomstig de artikelen 148 en 148a, wanneer het
nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de
ouder wegens diens overlijden is geëindigd.
2.Wanneer het nabestaandenpensioen
van de ouder krachtens artikel 147 wegens hertrouwen dan wel een
aanmelding opnieuw wordt vastgesteld, wordt het wezenpensioen
bedoeld in artikel 148, eerste lid, onder a, verhoogd met een
bedrag dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen,
zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in
artikel 145, vóór en na toepassing van artikel 147 zich verhoudt
tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.
3.Voor de toepassing van dit
artikel is artikel 148, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 150. Beperking gezamenlijk
bedrag wezenpensioenen
1.Het gezamenlijk bedrag van de
wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte
van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2.Indien wegens toepassing van het
eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze
vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt de toeslag, bedoeld in artikel 150b, buiten beschouwing
gelaten.
Artikel 150a. Toeslag op
nabestaandenpensioen
1. De nabestaande die de leeftijd
van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de
maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn
volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van
15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1
augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na
31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het
pensioen nadat eventueel hoofdstuk 25 toepassing heeft gevonden.
3. Dit artikel is niet van
toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder
nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen
wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw is vastgesteld.
4. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80
[Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 150b. Toeslag op
wezenpensioen
1. De wees bedoeld in artikel 148
heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van
vijftien jaar heeft bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens
de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van
vijftien percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het
pensioen nadat eventueel hoofdstuk 25 toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde
toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80
[Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens
gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat,
omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985 € 28 678,91 bedroeg.
Artikel 151. Tijdelijk pensioen
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan
het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag
van zijn vermissing was overleden.
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Artikel 152
1.Het recht op pensioen vervalt
indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering
achterwege is gebleven.
2.Provinciale staten kunnen een op
grond van het eerste lid vervallen recht op pensioen herstellen
Hoofdstuk 25. Samenloop
§ 1. Samenloop van pensioenen
Artikel 153
Hoofdstuk 7 van deze wet is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling
bedoelde pensioenen.
§ 2. Samenloop van pensioenen
bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die
pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
Artikel 154 [Vervallen per
01-01-2005]
§ 3. Samenloop van pensioen en
algemeen pensioen
Artikel 155
Hoofdstuk 17 en de artikelen 125 tot
en met 127 van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.
Artikel 156. Verlaging inbouwbedrag
1.Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1
januari 1986.
2.Indien het bedrag dat tot
grondslag heeft gestrekt voor de berekening van het pensioen,
nadat dat bedrag is aangepast aan de hand van de regels, bedoeld
in artikel 157, derde lid, op de dag met ingang waarvan artikel
155 voor de eerste maal ten aanzien van het pensioen toepassing
vindt, lager is dan f 32.094,- [Red: per 1 januari 2007 €
16.519,54] , wordt het met toepassing van laatstgenoemd artikel
berekende inbouwbedrag vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de
teller is eerstbedoeld bedrag op bedoelde dag en waarvan de noemer
is f 32.094,- [Red: per 1 januari 2007 € 16.519,54] . De
uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat geval het
inbouwbedrag. Het in de eerste volzin genoemd bedrag wordt
gewijzigd bij de ministeriële regeling bedoeld in artikel 157.
3.Indien het pensioen rechtstreeks
of middellijk is afgeleid van een eigen pensioen, geldt voor de
toepassing van het vorige lid als grondslag voor de berekening van
het pensioen, het bedrag dat heeft gestrekt tot grondslag voor de
berekening van het eigen pensioen.
4.Indien het bedrag van het
algemeen ouderdomspensioen, dat gerekend wordt deel uit te maken
van het pensioen, reeds is verminderd krachtens het eerste lid,
vindt artikel 102, eerste lid, slechts toepassing voor zover zulks
nodig is om te voorkomen, dat de som van evenbedoeld verminderd
bedrag en het bedrag van de vermindering, bedoeld in het eerste
lid van artikel 102, zou overschrijden het bedrag dat, zonder
toepassing van het eerste lid, krachtens artikel 97 gerekend zou
worden deel uit te maken van het bedrag van het pensioen.
De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 102,
derde lid.
Hoofdstuk 26. Aanpassing der
pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Artikel 157
1. Een pensioen op grond van deze
afdeling, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen,
wordt telkens aangepast overeenkomstig een aanpassing aan een
algemene bezoldigingswijziging, van een pensioen van een
gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de Wet
privatisering ABP die werkzaam is geweest in de sector Rijk.
2. Indien aan een gepensioneerde
overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige
uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een
pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige
uitkering toegekend.
3. Onze Minister stelt regels voor
de toepassing van het eerste en het tweede lid. Deze regels werken
zonodig terug tot en met de datum waarop een pensioenaanpassing is
ingegaan of recht is ontstaan op een eenmalige uitkering.
Hoofdstuk 27. Bepalingen van
administratieve aard
Artikel 158
Ten aanzien van de in deze afdeling
bedoelde pensioenen zijn de artikelen 111, 112, 113, 114, 115, 122,
123 en 128 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 159. Nabestaandenuitkering
Het bepaalde in artikel 116 is ten
aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Artikel 160. Inhoudingen
1. Op de wedde van het lid van
gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden
overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van
degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van
aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid,
ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van het gewezen
lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen
ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van
aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor
overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter
zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor
zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen
bedoeld in de artikelen 133a, alsmede in de gevallen bedoeld in
artikel 138a, derde lid, laatste volzin.
Artikel 160a
1.Op aanvraag van een gewezen
gedeputeerde draagt de desbetreffende provincie de waarde van de
door de aanvrager krachtens de vijfde afdeling van deze wet
verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in
de Pensioenwet inzake waardeoverdracht.
2.De bij of krachtens artikel 71
van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige
toepassing op de waardeoverdracht.
3.De waarde van de
pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op
uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de
waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor
zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het
recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is
gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering
overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
4.Voor de toepassing van de
Pensioenwet wordt de provincie ter uitvoering van dit artikel
beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
5.Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de
pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
Artikel 160b
1.Op aanvraag van een gedeputeerde
is de desbetreffende provincie verplicht om de waarde van door
betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter
verwerving van pensioenaanspraken op grond van de vijfde afdeling
van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de
voorwaarden die in de Pensioenwet aan een ontvangende
pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de
waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2.De overgedragen
pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de
vijfde afdeling van deze wet en behandeld als een geheel met de
aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens de vijfde
afdeling van deze wet.
3.De bij of krachtens artikel 71
van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige
toepassing op de waardeoverdracht.
4.Voor de toepassing van de
Pensioenwet wordt de provincie ter uitvoering van dit artikel
beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder.
5.Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de
pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
Artikel 161 [Vervallen per
15-08-2001]
Artikel 162. Beroep
1. De besluiten ter uitvoering van
deze afdeling worden genomen door gedeputeerde staten, het college
van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks
bestuur van het waterschap, tenzij anders is bepaald.
2. Een belanghebbende kan tegen een
besluit op grond van deze afdeling beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep.
Hoofdstuk 29. Overgangsbepalingen
Artikel 163
1.Bij verordening kan worden
bepaald dat de pensioenen van gewezen leden van gedeputeerde
staten zomede die van de weduwen en wezen van leden, gewezen leden
of gepensioneerde leden van gedeputeerde staten, voor zover het
recht daarop niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, worden herberekend overeenkomstig
de artikelen 90 en 92.
2.De verordeningen vastgesteld op
grond van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, behouden hun
rechtskracht gedurende twee jaren na het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet voor zover zij niet eerder door
andere verordeningen overeenkomstig deze wet zijn vervangen.
In laatstbedoelde verordeningen
kunnen zo nodig overeenkomstige overgangsbepalingen worden
opgenomen als vermeld in de hoofdstukken 8 en 15, en in artikel
124.
3.Artikel 134, derde lid, vindt
geen toepassing ten aanzien van uitkeringen toegekend ter zake van
een aftreden voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet.
Artikel 163a
In afwijking van artikel 130 is deze
afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de
Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks
bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt
overheidswerknemer waren in de zin van de Wet privatisering ABP, en
wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van
inwerkingtreding van die bepaling.
Artikel 163b
1. Deartikelen 132, derde lid, en
132a tot en met 132c zijn niet van toepassing ter zake van een
ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór de datum van
inwerkingtreding van die bepalingen. In artikel 132, eerste lid,
wordt in dat geval voor «vier jaren»gelezen «zes jaren» en in
artikel 132, tweede lid, wordt in dat geval voor «55 jaar»
gelezen: 50 jaar.
2. Ten aanzien van de
belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 132, derde lid, is benoemd als lid van gedeputeerde
staten, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een
deelgemeente of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap
en op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
132, derde lid, niet overheidswerknemer in de zin van de Wet
privatisering ABP was, en na de eerstvolgende verkiezing voor de
leden van provinciale staten, de gemeenteraad onderscheidenlijk
het algemeen bestuur van het waterschap niet wordt herbenoemd, dan
wel bij herbenoeming in hetzelfde ambt onmiddellijk na de
eerstvolgende verkiezing de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt,
wordt in artikel 132, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen
«zes jaren» en in artikel 132, tweede lid, voor «55 jaar»
gelezen: 50 jaar.
3. Ten aanzien van de
belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van de
artikelen 132a tot en met 132c is benoemd als lid van gedeputeerde
staten, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een
deelgemeente of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap
dat op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van de
artikelen 132a tot en met 132c niet overheidswerknemer in de zin
van de Wet privatisering ABP was, en na de eerstvolgende
verkiezing voor de leden van provinciale staten, de gemeenteraad
onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap niet
wordt herbenoemd, zijn de artikelen 132a tot en met 132c niet van
toepassing.
Artikel 163c
1. In afwijking van artikel 138b,
derde lid, informeert gedeputeerde staten het gewezen lid van
gedeputeerde staten van wie de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
132, eerste of tweede lid, is geëindigd in de periode gelegen
tussen 31 december 2007 en de dag van inwerkingtreding van de Wet
aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011, binnen vier maanden
na inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele andere
wetten 2011 over de mogelijkheid, bedoeld in artikel 138b, eerste
lid.
2. Het gewezen lid van gedeputeerde
staten kan tot een jaar na de inwerkingtreding van de Wet
aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011 gedeputeerde staten
verzoeken tot omzetting van eigen pensioen in nabestaandenpensioen
als bedoeld in artikel 138b.
Artikel 163d
Ten aanzien van leden van het
dagelijks bestuur van een waterschap die na de
waterschapsverkiezingen in 2008 op 8 januari 2009 zijn herbenoemd,
wordt voor de opbouw van het pensioen over de pensioengeldige tijd
tot en met 7 januari 2009 gerekend met de pensioengrondslag
gebaseerd op de wedde die het lid van het dagelijks bestuur genoot
op 7 januari 2009.
Zesde afdeling
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Artikel 164. Kosten uitkering en
pensioen
De kosten van de in deze wet bedoelde
uitkeringen en pensioenen en de kosten van de overname van en de
gedeeltelijke vergoeding van de premie die ingevolge de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet daarover wordt
geheven, voor zover niet is bepaald dat deze kosten ten laste van
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds komen, komen ten laste van
Hoofdstuk VII van de rijksbegroting, voor zover deze kosten
betrekking hebben op ministers, gewezen ministers, gepensioneerde
ministers, nabestaanden en wezen van gewezen ministers, en ten laste
van Hoofdstuk II van de rijksbegroting, indien meergenoemde kosten
betrekking hebben op leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
gepensioneerde kamerleden, nabestaanden en wezen van deze leden.
Artikel 164a [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister, gedeputeerde
staten van een provincie, het college van burgemeester en
wethouders van een gemeente en het dagelijks bestuur van een
waterschap verstrekken op verzoek van de politieke ambtsdrager
tijdig zijn gegevens met betrekking tot pensioenaanspraken door
middel van het pensioenregister, bedoeld in artikel 51, eerste
lid, van de Pensioenwet.
2. Artikel 51, vierde lid, van de
Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 165
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 166
Deze wet kan worden aangehaald als:
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
Artikel 167
1.Behoudens het tweede lid treedt
deze wet in werking met ingang van de eerste dag van de maand
volgende op die van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt
geplaatst.
2.[Vervallen]
3.Met uitzondering van de in het
tweede en vierde lid genoemde artikelen en onderdelen van
artikelen en van de artikelen 37, 39, tweede en derde lid, 43,
tweede lid, 44, tweede lid, 45, tweede lid, 82, 84, 87, tweede
lid, 88, tweede lid, 89, tweede lid, 118, derde lid, 128, 129 en
163, tweede en derde lid, werkt deze wet terug tot 1 januari 1966.
4.De artikelen 8, 50, onder e, 52,
eerste lid, laatste volzin, 53, 54, 59, 67, 70 en 133 werken terug
tot 1 januari 1969.
5.Waar in deze wet sprake is van
het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt daarmede,
behoudens in de in het derde lid genoemde artikelen en
artikelleden en in artikel 125, bedoeld 1 januari 1966.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 10 december 1969.
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
De Jong
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.K.J. Beernink
Uitgegeven de dertigste december 1969
De Minister van Justitie a.i.,
H.K.J. Beernink
|