| |
|
|
|
WET van 29 juni 1994, houdende
regels inzake een algemeen stelsel van erkenning van
beroepsopleidingen in de Europese Gemeenschappen
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
bij de wet regels te stellen ter uitvoering van Richtlijn
nr. 92/51/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel
van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van
richtlijn nr. 89/48/EEG (PbEG
1992, L 209);
dat
deze regels ten aanzien van onderdanen van de Lid-Staten
van de Europese Gemeenschappen de toelating moeten
waarborgen tot beroepen waarvoor in Nederland een
nationaal kort-hoger-onderwijsdiploma dan wel een
nationaal diploma ter afsluiting van een beroepsopleiding
op niet-hoger-onderwijsniveau wordt vereist, indien deze
onderdanen in één van de overige Lid-Staten gerechtigd
zijn overeenkomstige beroepen uit te oefenen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk
I. Begripsbepalingen en reikwijdte
Artikel
1. Definities
In deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover
niet anders bepaald, verstaan onder:
| a. |
Onze
Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap;
|
| b. |
richtlijn
89/48: richtlijn nr. 89/48/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 21 december
1988, betreffende een algemeen stelsel van
erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s
waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie
jaar worden afgesloten (PbEG 1989, L 019) naar
de tekst zoals deze bij die richtlijn is
vastgesteld;
|
| c. |
richtlijn
92/51: richtlijn nr. 92/51/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992,
betreffende een tweede algemeen stelsel van
erkenning van beroepsopleidingen, ter
aanvulling van richtlijn nr. 89/48/EEG (PbEG
1992, L 209) naar de tekst zoals deze bij die
richtlijn is vastgesteld;
|
| d. |
gereglementeerd
beroep: een geheel van activiteiten, al dan
niet in loondienst verricht, waarvoor
| 1°. |
bij
of krachtens wet voor de toelating of
voor het voeren van een beroepstitel,
dan wel
|
| 2°. |
indien
het beroepen in de gezondheidszorg
betreft, krachtens het nationale
stelsel van sociale zekerheid voor het
voor bezoldiging of vergoeding in
aanmerking brengen, als vereiste is
gesteld het bezit van een nationaal
getuigschrift;
|
|
| e. |
hoger-onderwijsopleiding:
een voltijdse opleiding op het niveau van het
hoger onderwijs met een cursusduur van ten
minste drie jaren dan wel een daarmee naar
niveau en studielast overeenkomende deeltijdse
opleiding, in voorkomende gevallen gevolgd
door een aanvullende beroepsopleiding;
|
| f. |
kort-hoger-onderwijsopleiding:
een voltijdse opleiding op het niveau van het
hoger onderwijs met een cursusduur van ten
minste één en minder dan drie jaren dan wel
een daarmee naar niveau en studielast
overeenkomende deeltijdse opleiding, in
voorkomende gevallen gevolgd door een
aanvullende beroepsopleiding;
|
| g. |
gereglementeerde
opleiding: een opleiding die:
| 1°. |
specifiek
gericht is op een bepaald beroep, en
|
| 2°. |
bestaat
uit een studiecyclus, in voorkomend
geval aangevuld met een
beroepsopleiding, beroepsstage of
praktijkervaring, waarvan structuur en
niveau bij of krachtens wet zijn
vastgesteld;
|
|
| h. |
bekwaamheidsattest:
een bewijsstuk dat een opleiding met goed
gevolg is afgesloten, waarbij:
| a. |
het
in de aanhef bedoelde bewijsstuk geen
onderdeel uitmaakt van een geheel van
bewijsstukken dat een diploma dan wel
een certificaat als bedoeld in artikel
2 of artikel 3 dan wel artikel 4 of
artikel 5 onderscheidenlijk een
diploma als bedoeld in artikel
2 of artikel
3 van de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma’s
vormt, en
|
| b. |
het
bewijsstuk is afgegeven in een
Lid-Staat anders dan Nederland door
het daartoe bij of krachtens wet in
die Lid-Staat bevoegde gezag, naar
aanleiding van een beoordeling van de
persoonlijke kwaliteiten, de
bekwaamheden of de kennis van de
aanvrager, die voor de uitoefening van
een beroep van essentieel belang
worden geacht, zonder dat het bewijs
van een voorafgaande opleiding is
vereist;
|
|
| i. |
Lid-Staat:
een lidstaat van de Europese Unie, een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland;
|
| j. |
beroepservaring:
de daadwerkelijke en geoorloofde uitoefening
van het desbetreffende beroep in een Lid-Staat;
|
| k. |
aanpassingsstage:
de uitoefening in Nederland van een beroep
onder verantwoordelijkheid van een
gekwalificeerde beoefenaar van het
desbetreffende beroep, met in voorkomende
gevallen een aanvullende opleiding, teneinde
te kunnen beoordelen of aanvrager voldoende
bekwaamheid bezit om het desbetreffende beroep
uit te oefenen;
|
| l. |
proeve
van bekwaamheid: een toets inzake de
beroepskennis van aanvrager met betrekking tot
vakgebieden die niet worden bestreken door de
door aanvrager gevolgde opleiding en die
wezenlijk zijn voor de uitoefening van het
beroep in Nederland, teneinde te kunnen
beoordelen of aanvrager voldoende bekwaamheid
bezit om het desbetreffende beroep uit te
oefenen;
|
| m. |
EG-verklaring:
een verklaring als bedoeld in artikel 10,
tweede lid.
|
Artikel
2. Diploma vereist voor toelating tot een beroep in
een Lid-Staat
Een diploma
is een bewijsstuk, dan wel een geheel van
bewijsstukken, afgegeven in een Lid-Staat anders dan
Nederland door het daartoe bij of krachtens wet in die
Lid-Staat bevoegde gezag, waaruit blijkt dat de
bezitter voldoet aan de in die Lid-Staat bij of
krachtens wet voor de toelating tot een beroep
gestelde opleidingsvereisten door middel van:
- a.
- een
overwegend in een Lid-Staat genoten en met goed
gevolg afgesloten kort-hoger-onderwijsopleiding
dan wel een opleiding opgenomen in bijlage 2, of
- b.
-
- 1°.
- een
in een Lid-Staat anders dan Nederland genoten
en met goed gevolg afgesloten opleiding anders
dan een opleiding als bedoeld onder a,
- 2°.
- een
in een derde land genoten en met goed gevolg
afgesloten opleiding die voldoet aan de
wettelijke bestuursrechtelijke voorschriften
van een Lid-Staat, dan wel
- 3°.
- een
in overeenstemming met de opleidingsvereisten
voor de toelating tot het beroep in de in de
aanhef bedoelde Lid-Staat opgedane
beroepservaring van ten minste drie jaren, na
een in een derde land met goed gevolg
afgesloten opleiding,
welke
opleidingen door het daartoe bij of krachtens wet in
de in de aanhef bedoelde Lid-Staat bevoegde gezag als
gelijkwaardig zijn erkend met een opleiding als
bedoeld onder a.
Artikel
3. Diploma op grond van een beroepsvoorbereidende
opleiding
Indien in de
Lid-Staat waar betrokkene een beroep uitoefent dan wel
heeft uitgeoefend, voor de toelating tot dat beroep
geen diploma als bedoeld in artikel 2 is vereist,
geldt als diploma in de zin van deze wet een
bewijsstuk, dan wel een geheel van bewijsstukken,
- a.
- afgegeven
door het daartoe bij of krachtens wet in die
Lid-Staat bevoegde gezag,
- b.
- met
betrekking tot
- 1°.
- een
in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed
gevolg afgesloten
kort-hoger-onderwijsopleiding, dan wel
- 2°.
- een
in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed
gevolg afgesloten opleiding die door de
Lid-Staat, bedoeld in de aanhef, als
gelijkwaardig met een opleiding als bedoeld
onder 1° wordt aangemerkt, mits de andere
Lid-Staten en de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van deze gelijkwaardigheid in
kennis zijn gesteld, die hem op de betrokken
beroepsuitoefening heeft voorbereid,
en
- c.
- waaruit
blijkt dat betrokkene in de tien jaren voorafgaand
aan een aanvraag als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat
gedurende ten minste twee jaren voltijds of
gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds het
desbetreffende beroep heeft uitgeoefend.
Artikel
4. Certificaat vereist voor toelating tot een beroep
in een Lid-Staat
- 1.
- Een certificaat is
een bewijsstuk, dan wel een geheel van
bewijsstukken, afgegeven in een Lid-Staat anders
dan Nederland door het daartoe bij of krachtens
wet in die Lid-Staat bevoegde gezag, waaruit
blijkt dat de bezitter voldoet aan de in die
Lid-Staat bij of krachtens wet voor de toelating
tot een beroep gestelde opleidingsvereisten door
middel van een overwegend in een Lid-Staat genoten
en in de eerstbedoelde Lid-Staat met goed gevolg
afgesloten opleiding op niet-hoger-onderwijsniveau
al dan niet van technische of beroepsmatige aard,
gevolgd door:
- a.
- hetzij
een beroepsopleiding anders dan een
kort-hoger-onderwijsopleiding, die wordt
gegeven aan een onderwijsinstelling of in een
bedrijf, of afwisselend aan een
onderwijsinstelling en in een bedrijf, in
voorkomend geval aangevuld met de stage of
praktijkervaring die naast deze
beroepsopleiding is vereist,
- b.
- hetzij
de stage of periode van praktijkervaring die
bij de desbetreffende in de aanhef bedoelde
opleiding is vereist.
- 2.
- Het vermelde in
artikel 2, aanhef en onder b
, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel
5. Certificaat op grond van een beroepsvoorbereidende
opleiding
Indien in de
Lid-Staat waar betrokkene een beroep uitoefent dan wel
heeft uitgeoefend, voor de toelating tot dat beroep
geen certificaat als bedoeld in artikel 4 is vereist,
geldt als certificaat in de zin van deze wet een
bewijsstuk, dan wel een geheel van bewijsstukken,
- a.
- afgegeven
door het daartoe bij of krachtens wet in de in de
aanhef bedoelde Lid-Staat bevoegde gezag,
- b.
- met
betrekking tot
- 1°.
- een
in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed
gevolg afgesloten opleiding op
niet-hoger-onderwijsniveau al dan niet van
technische of beroepsmatige aard, gevolgd
door:
- a.
- hetzij
een beroepsopleiding anders dan een
kort-hoger-onderwijsopleiding, die wordt
gegeven aan een onderwijsinstelling of in
een bedrijf, of afwisselend aan een
onderwijsinstelling en in een bedrijf, in
voorkomend geval aangevuld met de stage of
praktijkervaring die naast deze
beroepsopleiding is vereist,
- b.
- hetzij
de stage of periode van praktijkervaring
die in de desbetreffende in de aanhef
bedoelde opleiding is vereist,
dan wel
- 2°.
- een
in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed
gevolg afgesloten opleiding die door de Lid-Staat,
bedoeld in de aanhef, als gelijkwaardig met een
opleiding als bedoeld onder 1° wordt aangemerkt,
mits de andere Lid-Staten en de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van deze gelijkwaardigheid
in kennis zijn gesteld, die hem op de betrokken
beroepsuitoefening heeft voorbereid,
en
- c.
- waaruit
blijkt dat betrokkene in de tien jaren voorafgaand
aan een aanvraag als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat
gedurende ten minste twee jaren voltijds of
gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds het
desbetreffende beroep heeft uitgeoefend.
Artikel
6. Reikwijdte wet
| 1. |
Onverminderd
de toepassing van de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma’s is de
onderhavige wet van toepassing op een
gereglementeerd beroep als bedoeld in artikel
1, onder d , tenzij
bij of krachtens wet ten aanzien van een
gereglementeerd beroep is geïmplementeerd:
| a. |
een
richtlijn opgenomen in bijlage 1, dan
wel
|
| b. |
een
separate Richtlijn inzake de
onderlinge erkenning van de diploma's,
certificaten en andere titels die de
Raad van de Europese Gemeenschappen
ten aanzien van het betrokken beroep
heeft vastgesteld.
|
|
| 2. |
Indien
met toepassing van artikel 15 van de richtlijn
92/51 wijzigingen worden aangebracht in de
lijsten van opleidingen, die in de bijlagen C
en D van die richtlijn zijn opgenomen, worden
deze wijzigingen door Onze Minister ambtshalve
in bijlage 2, voor zover het betreft
wijzigingen in bijlage C van die richtlijn, en
in bijlage 3, voor zover het betreft
wijzigingen in bijlage D van die richtlijn,
aangebracht en bekend gemaakt.
|
| 3. |
Onze
Minister maakt bekend in de Staatscourant
| a. |
op
welke beroepen deze wet in ieder geval
van toepassing is;
|
| b. |
indien
ingevolge het tweede lid bijlage 2 dan
wel bijlage 3 zijn gewijzigd, welke
wijzigingen in die bijlagen zijn
aangebracht.
|
|
Hoofdstuk
II. Toelating EG-onderdanen
§
1. Algemeen
Artikel
7. Principe toelating EG-onderdanen
- 1.
- Een onderdaan
van een Lid-Staat die ten aanzien van een
gereglementeerd beroep in het bezit is van een
EG-verklaring, voldoet aan de in Nederland bij
of krachtens wet voor de toelating tot het
desbetreffende beroep gestelde
opleidingsvereisten.
- 2.
- In afwijking van
het eerste lid voldoet de onderdaan van een
Lid-Staat die toelating verlangt tot een
gereglementeerd beroep waarvoor een Nederlands
bekwaamheidsattest wordt vereist, aan de
opleidingsvereisten indien hij:
- a.
- in
het bezit is van een bekwaamheidsattest
dat door een Lid-Staat anders dan
Nederland voor de toelating tot het
desbetreffende beroep is voorgeschreven,
dan wel
- b.
- in
een Lid-Staat anders dan Nederland
behaalde kwalificaties overlegt welke in
het bijzonder met betrekking tot de
gezondheid, de veiligheid, de
milieubescherming en de
consumentenbescherming garanties bieden
die gelijkwaardig zijn aan de garanties
welke bij of krachtens de wet in Nederland
vereist zijn.
- 3.
- In afwijking van
het eerste lid voldoet de onderdaan die
toelating verlangt tot een gereglementeerd
beroep waarvoor slechts het bezit is vereist
van een bewijsstuk dat met goed gevolg een
algemene opleiding op het niveau van het
Nederlandse basisonderwijs dan wel secundair
onderwijs is afgerond, aan de
opleidingsvereisten indien hij in het bezit is
van een bewijsstuk van een opleiding van het
overeenkomstige niveau dat in een Lid-Staat
anders dan Nederland is afgegeven door een
bevoegde instantie die is aangewezen
overeenkomstig de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van die
Lid-Staat.
Artikel
8. Bevoegde autoriteit
- 1.
- Onze Minister
die het aangaat, is bevoegd tot afgifte van
een EG-verklaring aan een onderdaan van een
Lid-Staat die toelating tot een
gereglementeerd beroep in Nederland verlangt.
- 2.
- Bij algemene
maatregel van bestuur, op de voordracht van
Onze Minister, mede namens Onze Minister die
het aangaat, kan ten aanzien van een
gereglementeerd beroep, in afwijking van het
in het eerste lid bepaalde, een andere
bevoegde autoriteit worden aangewezen.
Artikel
9. Bepalingen inzake enige mogelijke overige
toelatingsvereisten
- 1.
- Indien
de toelating tot een gereglementeerd beroep
mede afhankelijk is gesteld van het bezit van
een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens
dan wel een document betreffende de
lichamelijke of geestelijke gezondheid geldt
als zodanig een met die verklaring of dat
document overeenkomend document, afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag in de
Lid-Staat van oorsprong of herkomst.
- 2.
- Indien
in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een
met de in het eerste lid bedoelde verklaring
omtrent het gedrag overeenkomend document niet
wordt afgegeven, kan betrokkene volstaan met
het afleggen van een verklaring onder ede dan
wel een plechtige verklaring ten overstaan van
een daartoe bij of krachtens wet in die
Lid-Staat bevoegde instantie dan wel ten
overstaan van een notaris of een in die
Lid-Staat bevoegde beroepsorganisatie, welke
een attest afgeeft dat deze eed of plechtige
verklaring bewijskracht heeft.
- 3.
- Indien
in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een
met de in het eerste lid bedoelde verklaring
betreffende de lichamelijke of geestelijke
gezondheid overeenkomend document niet wordt
verlangd, kan betrokkene volstaan met een in
die Lid-Staat door een bevoegde instantie
afgegeven verklaring, die overeenstemt met de
in Nederland gebruikelijke verklaring.
- 4.
- Indien
een bewijs van financiële draagkracht is
vereist voor de toegang tot of de uitoefening
van een gereglementeerd beroep, zijn attesten
die zijn afgegeven door een financiële
instelling in de lidstaat van oorsprong of
herkomst gelijkwaardig aan die welke in
Nederland worden afgegeven.
- 5.
- Indien
Onze Minister die het aangaat, van een eigen
onderdaan die toelating verlangt tot een
gereglementeerd beroep, eist dat deze
verzekerd is tegen de financiële risico's van
zijn beroepsaansprakelijkheid, aanvaardt hij
een attest van een verzekeraar in een andere
lidstaat als gelijkwaardig aan een attest dat
in Nederland wordt afgegeven. Het attest
vermeldt dat de verzekeraar de in Nederland
van kracht zijnde bepalingen heeft nageleefd
voor wat betreft de voorwaarden en de
reikwijdte van de dekking.
- 6.
- De
in het eerste, tweede, derde en vijfde lid
bedoelde verklaringen, documenten of attesten
mogen bij indiening van een aanvraag als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, niet ouder
zijn dan drie maanden.
§
2. Werkwijze bevoegde autoriteit
Artikel
10. EG-verklaring
- 1.
- Een onderdaan
van een Lid-Staat die in Nederland op grond
van de onderhavige wet wil worden toegelaten
tot een gereglementeerd beroep, kan, tenzij
hij:
- a.
- toelating
verlangt tot een beroep als bedoeld in artikel
1, onder d, van
de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma's, en
tevens
- b.
- in
het bezit is van een diploma als bedoeld
in artikel 2 dan wel artikel
3 van de onder a
vermelde wet,
bij
de bevoegde autoriteit een aanvraag indienen
tot het verkrijgen van een EG-verklaring.
- 2.
- De bevoegde
autoriteit geeft een EG-verklaring af aan
aanvrager:
- a.
- ingeval
een diploma als bedoeld in artikel 2 of
artikel 3 wordt vereist en betrokkene in
het bezit is van een diploma als bedoeld
in artikel
2 dan wel artikel
3 van de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma's,
onderscheidenlijk
- b.
- ingeval
een diploma als bedoeld in artikel 2 of
artikel 3 dan wel als bedoeld in artikel
2 of artikel
3 van de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma’s wordt
vereist en betrokkene in het bezit is van
een diploma als bedoeld in artikel 2 dan
wel artikel 3 dan wel een gereglementeerde
opleiding als bedoeld in bijlage 3 met
goed gevolg heeft afgerond,
onderscheidenlijk
- c.
- ingeval
een diploma als bedoeld in artikel 2 of
artikel 3 wordt vereist en betrokkene in
het bezit is van een certificaat als
bedoeld in artikel 4 dan wel artikel 5,
onderscheidenlijk
- d.
- ingeval
een certificaat als bedoeld in artikel 2
of artikel 3 wordt vereist, en betrokkene:
- 1.
- in
het bezit is van een diploma als
bedoeld in artikel
2 dan wel artikel
3 van de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma's,
- 2.
- in
het bezit is van een diploma als
bedoeld in artikel 2 dan wel artikel
3,
- 3.
- in
het bezit is van een certificaat als
bedoeld in artikel 4 dan wel artikel
5,
- 4.
- een
gereglementeerde opleiding met goed
gevolg heeft afgerond, dan wel
- 5.
- tijdens
de tien jaren voorafgaande aan de
aanvraag als bedoeld in de aanhef
gedurende drie aaneengesloten jaren
voltijds dan wel een gelijkwaardige
periode deeltijds het desbetreffende
beroep heeft uitgeoefend, en tevens:
- 1°.
- aan
betrokkene geen aanvullende
vereisten worden gesteld op grond
van artikel 11 of op grond van
artikel 12, dan wel
- 2°.
- binnen
vier weken nadat betrokkene ten
genoegen van de bevoegde
autoriteit heeft aangetoond dat
hij aan de hiervoor onder 1°
bedoelde aanvullende vereisten
heeft voldaan.
- 3.
- Aan aanvrager
wordt binnen de in artikel 15 bedoelde termijn
bekendgemaakt of de beschikking van de
bevoegde autoriteit betreft:
- a.
- een
afwijzing van de aanvraag,
- b.
- een
toewijzing van de aanvraag, dan wel
- c.
- het
stellen van aanvullende vereisten als
bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt
aangegeven op welke praktische dan wel
theoretische kennis de aanvullende
vereisten betrekking hebben.
Artikel
11. Kortere opleiding ingeval een diploma wordt
vereist
- 1.
- Indien de duur
van de door een aanvrager met goed gevolg
afgesloten kort-hoger-onderwijsopleiding ten
minste een jaar korter is dan de in Nederland
bij of krachtens wet voor de toelating tot het
desbetreffende beroep vereiste opleiding, kan
de bevoegde autoriteit van aanvrager eisen dat
hij aantoont te beschikken over
beroepservaring. Bij een aanvrager die een
deeltijdse opleiding dan wel een opleiding als
bedoeld in artikel 2, onder b
, heeft gevolgd, wordt in afwijking van het
bepaalde in de eerste volzin niet uitgegaan
van de duur van de door hem gevolgde
opleiding, maar van de voltijdse duur van de
opleiding als bedoeld in artikel 2, onder a
.
- 2.
- Op grond van het
eerste lid kan ten hoogste vier jaren
beroepservaring worden verlangd, met dien
verstande dat geëist mag worden:
- a.
- een
beroepservaring gedurende een periode die
het dubbele bedraagt van de ontbrekende
periode, wanneer deze periode betrekking
heeft op een opleiding op het niveau van
het hoger onderwijs dan wel op een met een
examen af te sluiten stage onder toezicht;
- b.
- een
beroepservaring gedurende een periode die
gelijk is aan de ontbrekende periode,
wanneer deze periode betrekking heeft op
praktijkervaring opgedaan onder
begeleiding van een geschoolde
beroepsbeoefenaar.
- 3.
- De
beroepservaring, bedoeld in artikel 3, onder c
, geldt als beroepservaring als bedoeld in dit
artikel.
- 4.
- Dit artikel
vindt geen toepassing indien:
- a.
- ten
aanzien van aanvrager met het oog op de
toelating tot het desbetreffende beroep
toepassing is gegeven aan artikel 12, dan
wel
- b.
- indien
voor de toelating tot het beroep een met
goed gevolg afgesloten opleiding opgenomen
in bijlage 2 wordt vereist en aanvrager
een hoger-onderwijsopleiding
onderscheidenlijk een
kort-hoger-onderwijsopleiding met goed
gevolg heeft afgesloten.
Artikel
12. Wezenlijke verschillen
- 1.
- Indien de door
aanvrager gevolgde opleiding betrekking heeft
op vakgebieden die wezenlijk verschillen van
die welke worden bestreken door de in
Nederland voor de toelating tot het
desbetreffende beroep bij of krachtens wet
vereiste opleiding, kan de bevoegde autoriteit
van aanvrager verlangen dat hij een proeve van
bekwaamheid aflegt dan wel een
aanpassingsstage van ten hoogste drie
onderscheidenlijk twee jaren volgt, indien
voor de toelating tot het desbetreffende
beroep een diploma onderscheidenlijk een
certificaat wordt vereist. Indien de bevoegde
autoriteit van aanvrager verlangt een
aanpassingsstage te doorlopen of een proeve
van bekwaamheid af te leggen, gaat de bevoegde
autoriteit eerst na of de kennis die aanvrager
tijdens zijn beroepservaring heeft verworven,
van dien aard is dat het wezenlijke verschil,
bedoeld in de eerste volzin, daardoor geheel
of ten dele wordt ondervangen.
- 2.
- Aanvrager wordt
de keuze gelaten of hij een aanpassingsstage
doorloopt dan wel een proeve van bekwaamheid
aflegt.
Artikel
13. Afwijking keuzerecht
- 1.
- In afwijking van
artikel 12, tweede lid, wordt het afleggen van
een proeve van bekwaamheid als aanvullend
vereiste gesteld indien:
- a.
- voor
de toelating tot het beroep een diploma
wordt vereist en aanvrager in het bezit is
van een diploma als bedoeld in artikel 2
dan wel in artikel 3, en tevens
- b.
- voor
het uitoefenen van het beroep waarvoor een
EG-verklaring wordt gevraagd,
gedetailleerde kennis van onderdelen van
het Nederlands recht is vereist en het
verstrekken van adviezen of het verlenen
van bijstand op het gebied van het
Nederlands recht een wezenlijk onderdeel
van de uitoefening van het beroep vormt,
dan wel
- c.
- voor
de toelating tot het beroep een opleiding
op het niveau van het hoger onderwijs met
een cursusduur van ten minste drie jaren
wordt vereist.
- 2.
- In afwijking van
artikel 12, tweede lid, kan de bevoegde
autoriteit zich de keuze tussen een
aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid
voorbehouden indien sprake is van een situatie
als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder d
, ten vijfde.
- 3.
- Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen andere dan de in
het eerste lid bedoelde beroepen worden
aangewezen waarvoor de bevoegde autoriteit een
uitzondering kan maken op het keuzerecht van
de aanvrager.
Artikel
14. Regels aanvraag, stage en proeve
Onze
Minister die het aangaat geeft per gereglementeerd
beroep regels ten aanzien van de aanvraag tot het
verkrijgen van een EG-verklaring, de
aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid.
Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de
documenten die bij de aanvraag moeten worden
gevoegd alsmede op de beoordeling van de
aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid.
Artikel
15. Termijn
De
bevoegde autoriteit beslist over de aanvraag
binnen vier maanden nadat zij de aanvraag heeft
ontvangen.
Hoofdstuk
III. Wijzigingen in andere wetten
Artikel
16. Wet op het
notarisambt
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
17. Wet op de
rechterlijke organisatie
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
18. Advocatenwet
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
19. Wet op het
primair onderwijs
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
20. Wet op de
expertisecentra
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
21. Wet op het
voortgezet onderwijs
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
22. Wet op het cursorisch beroepsonderwijs
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
23. Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
24. Wet op de architecten titel
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
25. Kadasterwet
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
26. Wet op de zeevaartdiploma’s
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
27. Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
28. Loodsenwet
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
29. Wet van 25 december 1878
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
30. Wet opde paramedische beroepen
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
31. Wet op de
ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
32. Wet inzake de
tandprothetici
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
33. Wijziging Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma’s
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
34. Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk
IV. Slotbepalingen
Artikel
35. Inwerkingtreding
Deze wet
treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel
36. Citeertitel
Deze wet
wordt aangehaald als: Algemene wet erkenning
EG-beroepsopleidingen.
Gegeven te 's-Gravenhage,
29 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en
Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
Uitgegeven de dertigste
augustus 1994
De Minister van Justitie,
W.
Sorgdrager
Inhoudsopgave
|
Hoofdstuk
I
|
Begripsbepalingen
en reikwijdte
|
|
Artikel 1.
|
Definities
|
|
Artikel 2.
|
Diploma
vereist voor toelating tot een beroep in een
Lid-Staat
|
|
Artikel 3.
|
Diploma op
grond van een beroepsvoorbereidende opleiding
|
|
Artikel 4.
|
Certificaat
vereist voor toelating tot een beroep in een
Lid-Staat
|
|
Artikel 5.
|
Certificaat
op grond van een beroepsvoorbereidende opleiding
|
|
Artikel 6.
|
Reikwijdte
wet
|
|
Hoofdstuk
II
|
Toelating
EG-onderdanen
|
|
§ 1
|
Algemeen
|
|
Artikel 7.
|
Principe
toelating EG-onderdanen
|
|
Artikel 8.
|
Bevoegde
autoriteit
|
|
Artikel 9.
|
Bepalingen
inzake enige mogelijke overige toelatingsvereisten
|
|
§ 2
|
Werkwijze
bevoegde autoriteit
|
|
Artikel
10.
|
EG-verklaring
|
|
Artikel
11.
|
Kortere
opleiding ingeval een diploma wordt vereist
|
|
Artikel
12.
|
Wezenlijke
verschillen
|
|
Artikel
13.
|
Afwijking
keuzerecht
|
|
Artikel
14.
|
Regels
aanvraag, stage en proeve
|
|
Artikel
15.
|
Termijn
|
|
Hoofdstuk
III
|
Wijzigingen
in andere wetten
|
|
Artikel
16.
|
Wet op het
Notarisambt
|
|
Artikel
17.
|
Wet op de
rechterlijke organisatie
|
|
Artikel
18.
|
Advocatenwet
|
|
Artikel
19.
|
Wet op het
primair onderwijs
|
|
Artikel
20.
|
Wet op de
expertisecentra
|
|
Artikel
21.
|
Wet op het
voortgezet onderwijs
|
|
Artikel
22.
|
Wet op het
cursorisch beroepsonderwijs
|
|
Artikel
23.
|
Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
|
|
Artikel
24.
|
Wet op de
architectentitel
|
|
Artikel
25.
|
Kadasterwet
|
|
Artikel
26.
|
Wet op de
zeevaartdiploma's
|
|
Artikel
27.
|
Wet op de
zeevischvaartdiploma’s 1935, Stb. 455
|
|
Artikel
28.
|
Loodsenwet
|
|
Artikel
29.
|
Wet van 25
december 1878
|
|
Artikel
30.
|
Wet op de
paramedische beroepen
|
|
Artikel
31.
|
Wet op de
ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters
|
|
Artikel
32.
|
Wet inzake
de tandprothetici
|
|
Artikel
33.
|
Wijziging
Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's
|
|
Artikel
34.
|
Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg
|
|
Hoofdstuk
IV
|
Slotbepalingen
|
|
Artikel
35.
|
Inwerkingtreding
|
|
Artikel
36.
|
Citeertitel
|
|
Bijlagen 1
t/m 3
|
|
Bijlage 1.
Opgave van in bijlage A en B van richtlijn 92/51/EEG
vermelde overgangsrichtlijnen
De onder Bijlage A
van de richtlijn vermelde overgangsrichtlijnen zijn:
| 1. |
Richtlijn
van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten voor anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en
verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23
tot en met 40 van de ISIC (industrie en ambacht);
richtlijn 64/429/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
117 van 23 juli 1964.
Richtlijn van de
Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op
het gebied van de anders dan in loondienst verrichte
werkzaamheden van be- en verwerkende nijverheid behorende
tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en
Ambacht); richtlijn 64/427/EEG.
Gepubliceerd in PbEG
117 van 23 juli 1964.
| 2. |
Richtlijn
van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten voor anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden in de
levensmiddelenindustrie alsmede bij de vervaardiging
van dranken (klassen 20 en 21 CITI); richtlijn
68/365/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 260 van 22 oktober 1968.
Richtlijn van de
Raad van 15 oktober 1968 betreffende de overgangsmaatregelen
op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte
werkzaamheden in de levensmiddelenindustrie alsmede bij de
vervaardiging van dranken (klassen 20 en 21 CITI); richtlijn
68/366/EEG.
Gepubliceerd in PbEG
L 260 van 22 oktober 1968.
| 3. |
Richtlijn
van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden
welke onder de groothandel ressorteren; richtlijn
64/223/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
56 van 4 april 1964.
Richtlijn van de
Raad van 25 februari 1964 betreffende de verwezenlijking van
de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van
diensten voor de werkzaamheden van tussenpersonen in handel,
industrie en ambacht; richtlijn 64/224/EEG.
Gepubliceerd in PbEG
56 van 4 april 1964
Richtlijn van de
Raad van 25 februari 1964 betreffende de
overgangsmaatregelen op het gebied van de werkzaamheden in
de groothandel en van de werkzaamheden van tussenpersonen in
de handel, industrie en ambacht; richtlijn 64/222/EEG.
Gepubliceerd in PbEG
56 van 4 april 1964.
| 4. |
Richtlijn
van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten voor anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de
kleinhandel ressorteren (ex groep 612 CITI);
richtlijn 68/363/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 260 van 22 oktober 1968
Richtlijn van de
Raad van 15 oktober 1968 betreffende de overgangsmaatregelen
op het gebied van anders dan in loondienst verrichte
werkzaamheden welke onder de kleinhandel ressorteren (ex
groep 612 CITI); richtlijn 68/364/EEG.
Gepubliceerd in PbEG
L 260 van 22 oktober 1968.
| 5. |
Richtlijn
van de Raad van 30 november 1970 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de
groothandel in steenkool ressorteren en voor de
werkzaamheden van tussenpersonen op het gebied van
steenkool (ex groep 6112 CITI); richtlijn
70/522/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 267 van 10 december 1970.
Richtlijn van de
Raad van 30 november 1970 betreffende de
overgangsmaatregelen op het gebied van anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de
groothandel in steenkool ressorteren en van de werkzaamheden
van tussenpersonen op het gebied van steenkool (ex groep
6112 CITI); richtlijn 70/523/EEG.
Gepubliceerd in PbEG
L 267 van 10 december 1970.
| 6. |
Richtlijn
van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten voor de anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden en voor de
werkzaamheden van tussenpersonen welke onder de
handel in en de distributie van giftige produkten
ressorteren; richtlijn 74/557/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 307 van 18 november 1974.
Richtlijn van de
Raad van 4 juni 1974 betreffende de overgangsmaatregelen op
het gebied op het gebied van de werkzaamheden welke onder de
handel in en de distributie van giftige stoffen ressorteren
en de werkzaamheden die beroepsmatig gebruik van die
produkten meebrengen met inbegrip van de werkzaamheden van
tussenpersonen; richtlijn 74/556.
Gepubliceerd in PbEG
L 307 van 18 november 1974.
| 7. |
Richtlijn
van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de
verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het
vrij verrichten van diensten voor anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de
persoonlijke diensten ressorteren (ex klasse 85 CITI):
| 1. |
restaurants
en slijterijen (groep 852 CITI)
|
| 2. |
hotels,
pensions en dergelijke inrichtingen,
kampeerterreinen (groep 853 CITI); richtlijn
68/367/EEG.
|
|
Gepubliceerd in PbEG
L 260 van 22 oktober 1968.
Richtlijn van de
Raad van 15 oktober 1968 betreffende de overgangsmaatregelen
op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte
werkzaamheden welke onder de persoonlijke diensten
ressorteren (ex klasse 85 CITI):
| 1. |
restaurants
en slijterijen (groep 852 CITI)
|
| 2. |
hotels,
pension en dergelijke inrichtingen, kampeerterreinen
(groep 853 CITI); richtlijn 68/368/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 260 van 22 oktober 1968.
| 8. |
Richtlijn
van de Raad van 13 december 1976 houdende
maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke
uitoefening van het recht van vestiging en het vrij
verrichten van diensten voor de werkzaamheden van
verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep
630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen
voor deze werkzaamheden; richtlijn 77/92/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 26 van 31 januari 1977.
| 9. |
Richtlijn
van de Raad van 29 juni 1982 houdende maatregelen
ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening
van het recht van vestiging en het vrij verrichten
van diensten voor de anders dan in loondienst
verrichte werkzaamheden van bepaalde tussenpersonen
op het gebied van het vervoer en van
reisbureaubedrijven (groep 718 CITI) alsmede van
opslagbedrijven (groep 720 CITI); richtlijn
82/470/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 213 van 21 juli 1982.
| 10. |
Richtlijn
van de Raad van 19 juli 1982 houdende maatregelen
ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke
uitoefening van het recht van vestiging en het vrij
verrichten van diensten van kappers; richtlijn
82/489/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 218 van 27 juli 1982.
| 11. |
Richtlijn
van de Raad van 16 juni 1975 houdende maatregelen
ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening
van het recht van vestiging en het vrij verrichten
van diensten voor diverse werkzaamheden (ex klasse
01 tot en met 85 CITI) en houdende met name
overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden;
richtlijn 75/368/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 167 van 30 juni 1975.
| 12. |
Richtlijn
van de Raad van 16 juni 1975 houdende maatregelen
ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening
van het recht van vestiging en het vrij verrichten
van diensten voor de werkzaamheden die op ambulante
wijze worden verricht en houdende met name
overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden;
richtlijn 75/369/EEG.
|
Gepubliceerd in PbEG
L 167 van 30 juni 1975.
De onder Bijlage B
van de richtlijn vermelde overgangsrichtlijnen zijn:
Het betreft hier
de rubrieken 1 tot en met 7 van de hier boven aangegeven
richtlijnen, met uitzondering van de onder rubriek 6
genoemde richtlijn 74/566/EEG.
Opmerking:
Er moet op gewezen
worden dat de verschillende in deze bijlage vermelde
richtlijnen in de loop der jaren diverse malen zijn
gewijzigd c.q. aangevuld, onder meer in verband met de
toetreding van een aantal nieuwe Lid-Staten tot de
Gemeenschap.
Bijlage 2. De
lijst van opleidingen met een bijzondere structuur die is
opgenomen in bijlage c van richtlijn 92/51 naar de tekst
zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld Lijst van
opleidingen met een bijzondere structuur als bedoeld in
artikel 1, onder a, eerste alinea, tweede streepje, onder ii),
van de richtlijn 92/51
1. Paramedisch
en sociaal-pedagogisch gebied
In
Duitsland
| - |
kinderverpleegkundige
("Kinderkrankenschwester/Kinderkrankenpfleger")
|
| - |
fysiotherapeut
("Krankengymnast(in)/Physiotherapeut(in)")
1
|
| - |
bezigheids-
en arbeidstherapeut ("Beschäftigungs- und
Arbeitstherapeut (-in)")
|
| - |
logopedist
("Logopäde/Logopädin")
|
| - |
orthopodist
("Orthoptist(in)")
|
| - |
van
staatswege erkend pedagogisch werker ("Staatlich
anerkannte(r) Erzieher(in)")
|
| - |
van
staatswege erkend orthopedagogisch werker ("Staatlich
anerkannte(r) Heilpädagoge(in)")
|
| - |
medisch
laborant ("Medizinisch-technische(r)
Laboratoriums-Assistent(in)")
|
| - |
radiologisch
laborant ("Medizinisch-technische(r)
Radiologie-Assistent(in)")
|
| - |
medisch-technisch
assistent functionele diagnostiek ("Medizinisch-technische(r)
Assistent(in) für Funktionsdiagnostik")
|
| - |
diergeneeskundig-technisch
assistent ("Veterinärmedizinisch-technische(r)-Assistent(in)")
|
| - |
diëtist
("Diätassistent(in)")
|
| - |
farmaceutische
technicus ("Pharmazie-ingenieur")
gegeven vóór 31 maart 1994 op het grondgebied
van de voormalige Duitse Democratische Republiek
|
| - |
psychiatrisch
verpleegkundige ('Psychiatrische(r)
Krankenschwester/ Krankenpfleger")
|
| - |
spraaktherapeut
("Sprachtherapeut(in)")
|
In
Italië
de opleidingen
voor
| - |
tandtechnicus
("odontotecnico")
|
| - |
opticien
("ottico")
|
| - |
podoloog
("podologo")
|
In
Luxemburg
de opleidingen
voor
| - |
radiologisch
laborant ("assistant(e) technique médical(e)
en radiologie")
|
| - |
medisch
laborant ("assitant(e) technique mëdical(e)
de laboratoire")
|
| - |
psychiatrisch
verpleegkundige ("infirmier(ière)
psychiatrique")
|
| - |
chirurgie-assistent
("assistant(e) technique médical(e) en
chirurgie")
|
| - |
kinderverpleegkundige
("infirmier(ière) puericulteur(trice)")
|
| - |
anesthesieverpleegkundige
("infirmier(ière) anesthésiste")
|
| - |
gediplomeerd
masseur ("masseur(euse) diplômé(e)")
|
| - |
pedagogisch
werker ("éducateur(trice)")
|
In
Nederland
in Oostenrijk
- speciale
basisopleiding kinder- en jeugdzorg (`spezielle
Grundausbildung in der Kinder- und Jugendlichenpflege'),
- speciale
basisopleiding psychiatrische gezondheids- en ziekenzorg
(`spezielle Grundausbildung in der psychiatrischen
Gesundheits- und Krankenpflege')
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste dertien
jaar, waarvan
| - |
hetzij
ten minste drie jaar beroepsopleiding aan een
gespecialiseerde school, afgesloten met een
examen, eventueel aangevuld met een
specialisatiecyclus van een of twee jaar,
afgesloten met een examen,
|
| - |
hetzij
ten minste twee en een half jaar aan een
gespecialiseerde school, afgesloten met een examen
en aangevuld met een praktijkervaring van ten
minste zes maanden of een beroepsstage van ten
minste zes maanden aan een erkende instelling,
|
| - |
hetzij
ten minste twee jaar aan een gespecialiseerde
school, afgesloten met een examen en aangevuld met
een praktijkervaring van ten minste één jaar of
een beroepsstage van ten minste één jaar aan een
erkende instelling;
|
| - |
hetzij,
in het geval van de dierenartsassistent in
Nederland, drie jaar beroepsopleiding aan een
gespecialiseerde school (MBO-stelsel) of drie jaar
beroepsopleiding in het leerlingwezen (LLW), die
beide worden afgesloten met een examen;
|
In
Oostenrijk
de opleidingen
voor
| - |
contactlensopticien
("Kontaktlinsenoptiker")
|
| - |
pedicure
("Fusspfleger")
|
| - |
audicien
("Hörgeräteakustiker")
|
| - |
drogist
("Drogist")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste
veertien jaar, waarvan gedurende ten minste vijf jaar een
opleiding in een gestructureerd kader wordt gevolgd,
verdeeld in een leerlingenopleiding van ten minste drie
jaar, gedeeltelijk in het bedrijf en gedeeltelijk aan een
instelling voor beroepsonderwijs, en een periode van
praktijkervaring en opleiding afgesloten met een
beroepsexamen dat het recht verleent het beroep uit te
oefenen en leerlingen op te leiden;
de opleidingen
voor
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van dertien jaar,
waarvan gedurende vier jaar een opleiding in een
gestructureerd kader wordt gevolgd, verdeeld in een
leerlingenopleiding van twee jaar, en een periode van
praktijkervaring en opleiding gedurende twee jaar,
afgesloten met een beroepsexamen dat het recht verleent
het beroep uit te oefenen en leerlingen op te leiden;
| - |
kleuterleidster
("Kindergärtner/in")
|
| - |
pedagogisch
werker ("Erzieher")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van dertien jaar,
waarvan gedurende vijf jaar een beroepsopleiding in een
gespecialiseerde school wordt gevolgd, afgesloten met een
examen.
2. Sector
meesters ("Mester"/"Meister"/"Maître")
overeenkomende met opleidingen voor ambachtelijke
activiteiten die niet onder de in bijlage A van de
richtlijn 92/51 genoemde richtlijnen vallen
In
Denemarken
de opleidingen
voor
overeenkomende
met een opleidingscyclus met een totale duur van veertien
jaar, waarvan gedurende ten minste vijf jaar een
beroepsopleiding wordt gevolgd, verdeeld in een door de
instelling voor beroepsonderwijs verzorgde theoretische
opleiding van twee en een half jaar en een praktische
opleiding van twee en een half jaar in het bedrijf,
afgesloten met een erkend examen dat betrekking heeft op
de ambachtelijke activiteit en het recht verleent de titel
"Mester" te voeren;
| - |
prothese/orthesemaker
("Ortopædimekaniker")
|
overeenkomende
met een opleidingscyclus met een totale duur van twaalf en
een half jaar, waarvan gedurende drie en een half jaar een
beroepsopleiding wordt gevolgd, verdeeld in een door de
instelling voor beroepsonderwijs verzorgde theoretische
opleiding van een semester en een praktische opleiding van
drie jaar in het bedrijf, afgesloten met een erkend examen
dat betrekking heeft op de ambachtelijke activiteit en het
recht verleent de titel "Mester" te voeren;
| - |
orhtopedisch
schoenmaker ("Orthopædiskomager")
|
overeenkomende
met een opleidingscyclus met een totale duur van dertien
en een half jaar, waarvan gedurende vier en een half jaar
een beroepsopleiding wordt gevolgd, verdeeld in een door
de instelling voor beroepsonderwijs verzorgde theoretische
opleiding van twee jaar en een praktische opleiding van
twee en een half jaar in het bedrijf, afgesloten met een
erkend examen dat betrekking heeft op de ambachtelijke
activiteit en het recht verleent de titel
"Mester" te voeren.
In
Duitsland
de opleidingen
voor
| - |
opticien
("Augenoptiker")
|
| - |
tandtechnicus
("Zahntechniker")
|
| - |
bandagist
("Bandagist")
|
| - |
audicien
("Hörgeräte-Akustiker")
|
| - |
prothese/orthesemaker
("Orthopädiemechaniker")
|
| - |
orthopedisch
schoenmaker ("Orthopädieschuhmacher")
|
In
Luxemburg
de opleidingen
voor
| - |
opticien
("opticien")
|
| - |
tandtechnicus
("mécanicien dentaire")
|
| - |
audicien
("audioprothésiste")
|
| - |
prothese/orthesemaker-bandagist
("mécanicien orthopédiste/bandagiste)
|
| - |
orthopedisch
schoenmaker ("orthopédiste-cordonnier)
|
overeenkomende
met een opleidingscyclus met een totale duur van veertien
jaar, waarvan gedurende ten minste vijf jaar een opleiding
in een gestructureerd kader wordt gevolgd, gedeeltelijk in
het bedrijf en gedeeltelijk aan de instelling voor
beroepsonderwijs, afgesloten met een examen dat met succes
moet worden afgelegd om een als ambachtelijk beschouwde
activiteit als zelfstandige of als werknemer in loondienst
met een vergelijkbaar verantwoordelijkheidsniveau uit te
mogen oefenen
In
Oostenrijk
de opleidingen
voor
| - |
bandagist
("Bandagist")
|
| - |
korsettenmaker
("Miederwarenerzeuger")
|
| - |
opticien
("Optiker")
|
| - |
orthopedisch
schoenmaker ("Orthopädieschuhmacher")
|
| - |
prothese/orthesemaker
("Orthopädietechniker")
|
| - |
tandtechnicus
("Zahntechniker")
|
| - |
tuinier
("Gärtner")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste
veertien jaar, waarvan gedurende ten minste vijf jaar een
opleiding in een gestructureerd kader wordt gevolgd,
verdeeld in een leerlingenopleiding van ten minste drie
jaar, gedeeltelijk in het bedrijf en gedeeltelijk aan een
instelling voor beroepsonderwijs, en een periode van
praktijkervaring en beroepsopleiding van ten minste twee
jaar, afgesloten met een examen voor meesterkwalificatie
dat het recht verleent het beroep uit te oefenen,
leerlingen op te leiden en de titel "Meister" te
voeren;
de opleidingen
voor meesterkwalificaties op het gebied van landbouw en
bosbouw, namelijk
| - |
meesterkwalificatie
landbouw ("Meister in der Landwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
huishoudwetenschappen ("Meister in der ländlichen
Hauswirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
tuinbouw ("Meister im Gartenbau")
|
| - |
meesterkwalificatie
akkertuinbouw ("Meister im Feldgemüsebau")
|
| - |
meesterkwalificatie
fruitteelt en fruitverwerking ("Meister im
Obstbau und in der Obstverwertung")
|
| - |
meesterkwalificatie
wijnbouw en oenologie ("Meister im Weinbau
und in der Kellerwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
zuivelbereiding ("Meister in der Molkerei und
Käsereiwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
paardenfokkerij ("Meister in der
Pferdewirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
visserij ("Meister in der Fischereiwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
pluimveefokkerij ("Meister in der Geflügelwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
bijenteelt ("Meister in der Bienenwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
bosbouw ("Meister in der Forstwirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
bosaanplantingen en bosbeheer ("Meister in
der Forstgarten- und Forstpflegewirtschaft")
|
| - |
meesterkwalificatie
opslag landbouwprodukten ("Meister in der
landwirtschaftlichen Lagerhaltung")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste
vijftien jaar, waarvan gedurende ten minste zes jaar een
opleiding in een gestructureerd kader wordt gevolgd,
verdeeld in een leerlingenopleiding van ten minste drie
jaar, gedeeltelijk in het bedrijf en gedeeltelijk aan een
instelling voor beroepsonderwijs, en een periode van
praktijkervaring van drie jaar, afgesloten met een examen
voor de desbetreffende meesterkwalificatie dat het recht
verleent leerlingen op te leiden en de titel
"Meister" te voeren.
In
Noorwegen
de opleidingen
voor
| - |
groenvoorzieningstechnicus
("anleggsgartner")
|
| - |
tandtechnicus
("tanntekniker")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste
veertien jaar, waarvan gedurende ten minste vijf jaar een
opleiding in een gestructureerd kader, verdeeld in een
leerlingenopleiding van ten minste drie jaar, gedeeltelijk
in het bedrijf en gedeeltelijk aan een instelling voor
beroepsonderwijs, en een periode van praktijkervaring en
beroepsopleiding van twee jaar, afgesloten met een examen
voor de desbetreffende meesterkwalificatie dat het recht
verleent leerlingen op te leiden en de titel
"Mester" te voeren.
3. Maritieme
sector
a.
Zeescheepvaart
In
Denemarken
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
van de koopvaardij ("skibsforer")
|
| - |
eerste
stuurman ("overstyrmand")
|
| - |
stuurman,
officier werktuigkundige ("enestyrmand,
vagthavende styrmand")
|
| - |
officier
werktuigkundige ("vagthavende styrmand")
|
| - |
scheepswerktuigkundige
("maskinchef")
|
| - |
eerste
officier werktuigkundige ("1. maskinmester")
|
| - |
eerste
officier werktuigkundige/stuurman
werktuigkundige ("1. maskinmester/vagthavende
maskinmester")
|
In
Duitsland
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
AM ("Kapitän AM")
|
| - |
kapitein
AK ("Kapitän AK")
|
| - |
zeevaartkundig
scheepsofficier AMW ("Nautischer
Schiffsoffizier AMW")
|
| - |
zeevaartkundig
scheepsofficier AKW ("Nautischer
Schiffsoffizier AK)
|
| - |
scheepswerktuigkundige
CT - hoofdmachinist ("Schiffbetriebstechniker
CT - Leiter von Maschinenanlagen")
|
| - |
scheepsmachinist
CMa - hoofdmachinist ("Schiffsmaschinist
CMa Leiter von Maschinenanlagen")
|
| - |
scheepswerktuigkundige
CTW ("Schiffbetriebstechniker CTW")
|
| - |
scheepsmachinist
CMaW - enig technisch officier aan boord ("Schiffsmaschinist
CMaW - Technischer Alleinoffizier")
|
In
Italië
de opleidingen
voor
| - |
dekofficier
("ufficiale di coperta")
|
| - |
werktuigkundige
("ufficiale di macchina")
|
In
Nederland
de opleidingen
voor
| - |
stuurman
kleine handelsvaart (met aanvulling)
|
| - |
diploma
motordrijver
|
| - |
VTS-functionaris
|
In
IJsland
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
van de koopvaardij ("skipstjóri")
|
| - |
eerste
stuurman ("styrimaÐur")
|
| - |
dekofficier
("undirstyrimaÐur")
|
| - |
scheepswerktuigkundige
eerste rang ("vélstjóri 1. stigs")
|
In
Noorwegen
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
van de koopvaardij ("skipsforer")
|
| - |
eerste
stuurman ("overstyrmann")
|
| - |
dekofficier
derde klas ("kystskipper")
|
| - |
stuurman/dekofficier
vierde klas ("styrmann")
|
| - |
officier
werktuigkundige eerste klas ("maskinsjef")
|
| - |
officier
werktuigkundige tweede klas ("1. maskinist")
|
| - |
officier
werktuigkundige derde klas ("enemaskinist")
|
| - |
officier
werktuigkundige vierde klas ("maskinoffiser")
|
overeenkomende
met de volgende opleidingen
| - |
in
Denemarken, negen jaar lager onderwijs, gevolgd
door een basisopleiding en/of dienst op zee
gedurende 17 à 36 maanden en aangevuld
|
| - |
voor
de officier werktuigkundige: met een jaar
gespecialiseerde beroepsopleiding,
|
| - |
voor
de andere: met drie jaar gespecialiseerde
beroepsopleiding;
|
| - |
in
Duitsland, een opleiding waarvan de totale duur
tussen 14 en 18 jaar ligt en die het volgende
inhoudt: een basisberoepsopleiding van 3 jaar en
dienst op zee gedurende één jaar, gevolgd door
een gespecialiseerde beroepsopleiding van 1 à 2
jaar, eventueel aangevuld met twee jaar
praktijkervaring;
|
| - |
in
Italië, een opleiding van in totaal dertien
jaar, waarvan ten minste vijf jaar
beroepsopleiding, afgesloten met een examen,
eventueel aangevuld met een beroepsstage;
|
| - |
In
Nederland
|
| - |
voor
stuurman kleine handelsvaart (met aanvulling) en
diploma motordrijver, een onderwijscyclus van
veertien jaar, waarvan ten minste twee jaar aan
een gespecialiseerde instelling voor
beroepsonderwijs, en aangevuld met twaalf
maanden praktijkervaring;
|
| - |
voor
VTS-functionaris, een onderwijscyclus met een
totale duur van ten minste vijftien jaar,
waarvan ten minste drie jaar hoger
beroepsonderwijs (HBO) of middelbaar
beroepsonderwijs (MBO), gevolgd door landelijke
en regionale opleidingen, die elk ten minste
twaalf weken theoretische opleidingen omvatten
en met een examen worden afgesloten;
|
| - |
In
IJsland negen of tien jaar lager onderwijs,
gevolgd door dienst op zee gedurende twee jaar,
aangevuld met een gespecialiseerde
beroepsopleiding van drie jaar (vijf jaar voor
scheepswerktuigkundigen);
|
| - |
In
Noorwegen negen jaar lager onderwijs, gevolgd
door een basisopleiding en dienst op zee
gedurende drie jaar (twee en een half jaar voor
officiers werktuigkundigen), aangevuld
|
| - |
met
een gespecialiseerde beroepsopleiding van een
jaar voor stuurlieden,
|
| - |
met
een gespecialiseerde beroepsopleiding van twee
jaar voor de anderen.
|
die erkend
zijn in het kader van het Internationale STCW-Verdrag
(Internationaal Verdrag van 1978 betreffende normen voor
opleiding, diplomering en wachtlopen voor zeevarenden en
- voor zover het betreft IJsland en Noorwegen - met meer
dienst op zee).
In
Noorwegen
de opleiding
voor
| - |
scheepselectricien
("elektromasjonstekniker/skipselektriker")
|
overeenkomende
met negen jaar lager onderwijs, gevolgd door een
basisopleiding van twee jaar, aangevuld met
praktijkervaring gedurende een jaar en dienst op zee en
een gespecialiseerde beroepsopleiding van een jaar.
b.
Zeevisserij
In
Duitsland
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
BG visserij ("Kapitän BG/Fischerei")
|
| - |
kapitein
BK visserij ("Kapitän BK/Fischerei")
|
| - |
zeevaartkundig
scheepsofficier BGW visserij ("Nautischer
Schiffsoffizier BGW/Fischerei")
|
| - |
zeevaartkundig
scheepsofficier BKW visserij ("Nautischer
Schiffsoffizier BKW/Fischerei")
|
In
Nederland
de opleidingen
voor
| - |
stuurman
werktuigkundige V
|
| - |
werktuigkundige
IV visvaart
|
| - |
stuurman
IV visvaart
|
| - |
stuurman
werktuigkundige VI
|
In
IJsland
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
visserij ("skipstjóri")
|
| - |
eerste
stuurman ("styrimaÐur")
|
| - |
dekofficier
("undirstyrimaÐur")
|
overeenkomende
met de volgende opleidingen
| - |
in
Duitsland, een opleiding waarvan de totale duur
tussen 14 en 18 jaar ligt en die het volgende
inhoudt: een basisberoepsopleiding van 3 jaar en
dienst op zee gedurende één jaar, gevolgd door
een gespecialiseerde beroepsopleiding van 1 à 2
jaar, eventueel aangevuld met twee jaar
praktijkervaring;
|
| - |
in
Nederland, een onderwijscyclus van 13 à 15 jaar
waarvan ten minste twee jaar aan een
gespecialiseerde instelling voor
beroepsonderwijs, aangevuld met 12 maanden
praktijkervaring, die erkend zijn in het kader
van het Verdrag van Torremolinos (Internationaal
Verdrag van 1977 voor de beveiliging van
vissersvaartuigen);
|
| - |
In
IJsland, negen of tien jaar lager onderwijs,
gevolgd door dienst op zee gedurende twee jaar,
aangevuld met een gespecialiseerde
beroepsopleiding van twee jaar, afgesloten met
een examen en erkend in het kader van het
Verdrag van Torremolinos (internationaal Verdrag
van 1977 voor de beveiliging van
vissersvaartuigen).
|
c. Personeel
van mobiele boorplatforms
In
Noorwegen
de opleidingen
voor
| - |
kapitein
produktieplatform ("plattformsjef")
|
| - |
verantwoordelijke
stabiliteit ("stabilitetssjef")
|
| - |
operator
meet- en regelkamer ("kontrollromoperator")
|
| - |
chef
technische dienst ("teknisk sjef")
|
| - |
hulptechnicus
("teknisk assistent")
|
overeenkomende
met negen jaar lager onderwijs, gevolgd door een
basisopleiding van twee jaar, aangevuld met dienst
offshore gedurende ten minste een jaar, en
| - |
een
gespecialiseerde beroepsopleiding gedurende een
jaar voor operatoren meet- en regelkamer;
|
| - |
een
gespecialiseerde beroepsopleiding gedurende twee
en een half jaar voor de anderen.
|
4. Technische
sector
In
Italië
| - |
landmeter
("geometra")
|
| - |
agronoom
("perito agrario")
|
overeenkomend
met cyclussen van technisch secundair onderwijs met een
totale duur van ten minste 13 jaar, waarvan acht jaar
verplicht onderwijs gevolgd door vijf jaar secundair
onderwijs, waarvan drie jaar beroepsgericht onderwijs,
afgesloten met het examen van het technisch baccalaureaat
en aangevuld:
| - |
in het
geval van de landmeter, met hetzij een
praktijkstage van ten minste twee jaar
|
| - |
op een
landmetersbureau, hetzij een beroepservaring van
vijf jaar,
|
| - |
in het
geval van de agronoom, met een praktijkstage van
ten minste twee jaar, gevolgd door het
staatsexamen.
|
In
Nederland
De opleidingen
voor
| - |
gerechtsdeurwaarder
|
| - |
tandprotheticus
|
overeenkomend
met een onderwijs- en beroepsopleidingscyclus met een
totale duur van:
| - |
in het
geval van de gerechtsdeurwaarder, negentien jaar,
waarvan acht jaar verplicht schoolonderwijs,
gevolgd door acht jaar secundair onderwijs,
waarvan vier jaar technisch onderwijs afgesloten
met een staatsexamen, en aangevuld met drie jaar
theorieonderwijs en een praktijkgerichte opleiding
toegespitst op de uitoefening van het beroep;
|
| - |
in het
geval van de tandprotheticus, ten minste vijftien
jaar voltijds en drie jaar deeltijds onderwijs,
waarvan acht jaar basisonderwijs, vier jaar
algemeen vormend secundair onderwijs en drie jaar
beroepsgerichte opleiding, waaronder een
theoretische en praktische opleiding
tandtechnicus, aangevuld met drie jaar deeltijdse
opleiding tandprotheticus, die wordt afgesloten
met een examen.
|
In
Oostenrijk
de opleidingen
voor
| - |
houtvester
("Förster")
|
| - |
bedrijfsadviseur
("Technisches Büro")
|
| - |
medewerker
uitzendbureau ("Überlassung von Arbeitskräften
- Arbeitsleihe")
|
| - |
arbeidsbemiddelaar
("Arbeitsvermittlung")
|
| - |
beleggingsadviseur
("Vermögensberater")
|
| - |
particulier
detective ("Berufsdetektiv")
|
| - |
beveiligingsbeambte
("Bewachungsgewerbe")
|
| - |
makelaar
onroerende goederen ("Immobilienmakler")
|
| - |
beheerder
onroerende goederen ("Immobilienverwalter")
|
| - |
reclamespecialist
("Werbebüro")
|
| - |
bouwprojectleider
("Bauträger, (Bauorganisator, Baubetreuer)")
|
| - |
medewerker
incassobureau ("Inkassobüro")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste
vijftien jaar, waarvan acht jaar verplicht onderwijs
gevolgd door vijf jaar secundair technisch of commercieel
onderwijs, afgesloten met een technisch of commercieel
eindexamen, aangevuld met een opleiding in het bedrijf
gedurende ten minste twee jaar, afgesloten met een
beroepsexamen;
| - |
assurantie-adviseur
("Berater in Versicherungsangelegenheiten")
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van vijftien
jaar, waarvan gedurende zes jaar een opleiding in
een gestructureerd kader wordt gevolgd, verdeeld
in een leerlingenopleiding van drie jaar en een
periode van praktijkervaring en beroepsopleiding
gedurende drie jaar, afgesloten met een examen;
| - |
bouwkundig
opzichter-tekenaar ("Planender
Baumeister")
|
| - |
meester-timmerman/ontwerp
en berekeningen("Planender
Zimmermeister")
|
overeenkomende
met opleidingen met een totale duur van ten minste
achttien jaar, waarvan ten minste negen jaar
beroepsopleiding, verdeeld in vier jaar secundair
technisch onderwijs en vijf jaar praktijkervaring
en beroepsopleiding, afgesloten met een
beroepsexamen dat het recht verleent het beroep
uit te oefenen en leerlingen op te leiden, voor
zover deze opleiding betrekking heeft op het recht
gebouwen te ontwerpen, technische berekeningen uit
te voeren en toezicht uit te oefenen op
bouwwerkzaamheden ("het
Maria-Theresia-privilege") |
5. Opleidingen
die in het Verenigd Koninkrijk zijn goedgekeurd als
National Vocational Qualifications of als Scottish
Vocational Qualifications
de opleidingen
voor
| - |
elektrotechnisch
mijningenieur ("Mine electrical engineer")
|
| - |
werktuigbouwkundig
mijningenieur ("Mine mechanical engineer")
|
| - |
gebitstherapeut
("Dental therapist")
|
| - |
gebitshygiënist
("Dental hygienist")
|
| - |
opticien
("Dispensing optician")
|
| - |
veiligheidsopzichter
mijnen ("Mine deputy")
|
| - |
functionaris
belast met insolventiezaken ("Insolvency
practitioner")
|
| - |
erkend
opsteller van overdrachtsakten ("Licensed
conveyancer")
|
| - |
eerste
stuurman - vracht/passagiersschepen - onbeperkt
("First mate-Freight/Passenger ships -
unrestricted")
|
| - |
tweede
stuurman - vracht/passagiersschepen - onbeperkt
("Second mate - Freight/Passenger ships -
unrestricted")
|
| - |
derde
stuurman - vracht/passagiersschepen - onbeperkt
("Third mate - Freight/Passenger ships -
unrestricted")
|
| - |
stuurman
- vracht/passagiersschepen - onbeperkt ("Deck
officer - Freight/Passenger ships - unrestricted")
|
| - |
klasse 2
scheepswerktuigkundige - vracht/passagiersschepen
- onbeperkt handelsgebied ("Engineer officer
- Freight/Passenger ships unlimited trading area")
|
| - |
gediplomeerd
technisch beheerder afvalverwerking (`certified
technically competent person in waste management')
|
die leiden tot
kwalificaties die zijn goedgekeurd als "National
Vocational Qualifications" (NVQ), of in Schotland
zijn goedgekeurd als "Scottish Vocational
Qualifications", en behoren tot de niveaus 3 en 4 van
het National Framework of Vocational Qualifications van
het Verenigd Koninkrijk.
Deze niveaus
komen overeen met de volgende omschrijvingen:
| - |
niveau
3: Bekwaamheid voor een groot aantal uiteenlopende
werkzaamheden in zeer verschillende
omstandigheden, meestal met een complex karakter
en geen routinewerk. Er is een grote
verantwoordelijkheid en zelfstandigheid aan
verbonden en vaak wordt verlangd dat men toezicht
uitoefent op of leiding geeft aan anderen.
|
| - |
niveau
4: Bekwaamheid voor een groot aantal complexe,
technische of gespecialiseerde werkzaamheden in
zeer verschillende omstandigheden en met een hoge
mate van persoonlijke verantwoordelijkheid en
zelfstandigheid. Dikwijls is men verantwoordelijk
voor het werk van anderen en voor de verdeling van
financiële middelen.
|
Bijlage 3. De
lijst van opleidingen met een bijzondere structuur die is
opgenomen in bijlage D van richtlijn 92/51 naar de tekst
zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld
Lijst van
opleidingen met een bijzondere structuur, als bedoeld in
artikel 3, onder b), eerste alinea, derde streepje van de
richtlijn 92/51
In het Verenigd
Koninkrijk
De
gereglementeerde opleidingen die leiden tot kwalificaties
die als "National Vocational Qualifications" (NVQ)
zijn goedgekeurd, of in Schotland zijn goedgekeurd als
"Scottish Vocational Qualifications", en die
behoren tot de niveaus 3 en 4 van het National Framework of
Vocational Qualifications van het Verenigd Koninkrijk.
Deze niveaus komen
overeen met de volgende omschrijvingen:
| - |
niveau 3:
Bekwaamheid voor een groot aantal uiteenlopende
werkzaamheden in zeer verschillende omstandigheden,
meestal met een complex karakter en geen
routinewerk. Er is een grote verantwoordelijkheid en
zelfstandigheid aan verbonden en vaak wordt verlangd
dat men toezicht uitoefent op of leiding geeft aan
anderen.
|
| - |
niveau 4:
Bekwaamheid voor een groot aantal complexe,
technische of gespecialiseerde werkzaamheden in zeer
verschillende omstandigheden en met een hoge mate
van persoonlijke verantwoordelijkheid en
zelfstandigheid. Dikwijls is men verantwoordelijk
voor het werk van anderen en voor de verdeling van
financiële middelen.
|
In Duitsland
de volgende
gereglementeerde opleidingen:
| - |
die voor
de beroepen technisch assistent
("Technischer/Technische Assistent(in)")
en commercieel assistent ("Kaufmännischer/Kaufmännische
Assistent(in)") en voor de sociale beroepen
("Soziale Berufe"), alsook voor het beroep
van adem-, spraak- en stemleraar met een
staatsdiploma ("Staatlich geprüfter Atem-,
Sprech- und Stimmlehrer(in)"), met een totale
duur van ten minste 13 jaar, die impliceren dat de
eerste cyclus van het secundair onderwijs ("Mittlerer
Bildungsabschluss") met succes werd voltooid en
het volgende omvatten:
|
| - |
hetzij ten
minste drie jaar 2 beroepsopleiding aan een
vakschool ("Fachschule"), die met een
examen wordt afgesloten, eventueel aangevuld met een
specialisatiecyclus van één of twee jaar, die met
een examen wordt afgesloten,
|
| - |
hetzij ten
minste twee en een half jaar beroepsopleiding aan
een vakschool ("Fachschule"), die met een
examen wordt afgesloten, aangevuld met ten minste
zes maanden beroepspraktijk of ten minste zes
maanden beroepsgerichte stage in een erkende
instelling,
|
| - |
hetzij ten
minste twee jaar beroepsopleiding aan een vakschool
("Fachschule") die met een examen wordt
afgesloten, aangevuld met ten minste één jaar
beroepspraktijk of ten minste één jaar
beroepsgerichte stage in een erkende instelling;
|
| - |
die voor
het beroep van technicus ("Techniker(in)"),
bedrijfseconoom ("Betriebswirte(in)"),
ontwerper ("Gestalter(in)") en
gezinsverzorger ("Familienpfleger(in)")
met een staatsdiploma ("Staatlich geprüft"),
met een totale duur van ten minste 16 jaar, die
impliceren dat het verplichte schoolonderwijs of een
soortgelijke opleiding werd gevolgd (doorgaans negen
jaar) en dat een opleiding aan een vakschool ("Berufsschule")
van ten minste drie jaar met succes is voltooid, en
het volgende omvatten: ten minste twee jaar
praktijkervaring gevolgd door een opleiding van ten
minste twee jaar voltijds of van een gelijkwaardige
duur deeltijds;
|
| - |
de
gereglementeerde opleidingen en de gereglementeerde
vervolgopleidingen, met een totale duur van ten
minste 15 jaar, die gewoonlijk impliceren dat het
verplichte schoolonderwijs (doorgaans negen jaar) en
een beroepsopleiding (doorgaans drie jaar) werden
gevolgd en gewoonlijk het volgende omvatten: ten
minste twee jaar (doorgaans drie jaar)
beroepspraktijk alsook een examen in het kader van
de vervolgopleiding ter voorbereiding waarvan
gewoonlijk begeleidende opleidingsmaatregelen worden
genomen hetzij naast de beroepspraktijk (ten minste
1000 uren), hetzij voltijds (ten minste één jaar).
|
In Nederland
de volgende
gereglementeerde opleidingen
| - |
gereglementeerde
opleidingscyclussen met een totale duur van ten
minste vijftien jaar, die impliceren dat acht jaar
basisonderwijs, plus vier jaar hetzij middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs (MAVO), hetzij
voorbereidend beroepsonderwijs (VBO), hetzij
algemeen voortgezet onderwijs van een hoger niveau
met succes is voltooid en dat een drie- of
vierjarige opleiding in een school voor middelbaar
beroepsonderwijs (MBO) is voltooid, die wordt
afgesloten met een examen;
|
| - |
gereglementeerde
opleidingscyclussen met een totale duur van ten
minste zestien jaar, die impliceren dat acht jaar
basisonderwijs, plus minstens vier jaar
voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) of algemeen
voortgezet van een hoger niveau met succes is
voltooid en dat een beroepsopleiding van ten minste
vier jaar in het leerlingwezen is voltooid, met ten
minste één dag per week theoretisch onderwijs op
school en de andere dagen een praktijkopleiding in
een bedrijf of praktijkleerplaats, afgesloten met
een examen van het secundaire of tertiaire niveau.
|
In Oostenrijk
| - |
opleidingen
die worden verstrekt in scholen voor hoger
beroepsonderwijs ("berufsbildende höhere
Schulen") en onderwijsinstellingen van een
hoger niveau voor land- en bosbouw ("höhere
land- und fortwirtschaftlichen Lehranstalten"),
met inbegrip van de bijzondere vormen ("einschließlich
der Sonderformen"), waarvan structuur en niveau
zijn vastgesteld bij wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen. Deze opleidingen
hebben een totale duur van ten minste dertien jaar
en omvatten vijf jaar beroepsopleiding, die wordt
afgesloten met een eindexamen, dat het bewijs levert
van vakbekwaamheid;
|
| - |
opleidingen
in meesterscholen ("Meisterschulen"),
meesterklassen ("Meisterklassen"),
industriële meesterscholen ("Werkmeisterschulen")
of vakscholen voor bouwvakarbeiders ("Bauhandwerkerschulen"),
waarvan structuur en niveau zijn vastgesteld bij
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. Deze
opleidingen hebben een totale duur van ten minste
dertien jaar, waarvan negen jaar verplicht
schoolonderwijs gevolgd door hetzij ten minste drie
jaar beroepsopleiding in een gespecialiseerde
school, hetzij ten minste drie jaar opleiding in een
bedrijf en parallel in een vakschool ("Berufsschule"),
die beide afgesloten worden met een examen en
aangevuld worden met een opleiding van ten minste
één jaar in een meesterschool ("Meisterschule"),
meesterklas ("Meisterklasse"), industriële
meesterschool ("Werkmeisterschule") of
vakschool voor bouwvakarbeiders ("Bauhandwerkerschule").
In de meeste gevallen bedraagt de totale duur ten
minste vijftien jaar, waarvan perioden met
werkervaring, die voorafgaand aan de opleidingen in
deze instellingen werd opgedaan of wordt aangevuld
met deeltijdse opleidingen (minstens 960 uren).
|
Voetnoten:
|
|
|