Nadere regelgeving:
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling
WET van 2 maart 1994, houdende algemene
regels ter bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit,
hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede
in verband met artikel 1 van de Grondwet, ter bevordering van de
deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven bescherming te
bieden tegen discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of
homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, dat het daarom wenselijk
is behoudens wettelijke uitzonderingen onderscheid op deze gronden te
verbieden en dat het in verband met de handhaving van dit verbod
wenselijk is een Commissie gelijke behandeling in te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Gelijke behandeling van personen ongeacht hun godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit,
hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht
daartoe;
b. direct onderscheid: onderscheid tussen personen op grond van
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;
c. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere hoedanigheden
of gedragingen dan die bedoeld in onderdeel b, dat direct onderscheid
tot gevolg heeft.
2.Onder direct onderscheid op grond van geslacht wordt mede verstaan
onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.
Artikel 1a
1.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in een
verbod van intimidatie en een verbod van seksuele intimidatie.
2.Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag
dat met de hoedanigheden of gedragingen, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel b, verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de
waardigheid van de persoon wordt aangetast en dat een bedreigende,
vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt
gecreëerd.
3.Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een
seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van
de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende,
vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt
gecreëerd.
4.Op het in deze wet neergelegde verbod van intimidatie en van seksuele
intimidatie zijn niet van toepassing de artikelen 2, 5, tweede tot en
met zesde lid, 6a, tweede lid, en 7, tweede en derde lid.
§ 2. Algemene uitzonderingen
Artikel 2
1.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief
gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het
bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
2.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van
geslacht geldt niet:
a. in gevallen waarin het geslacht bepalend is en
b. in gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, met name
in verband met zwangerschap en moederschap.
3.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet, indien
het onderscheid een specifieke maatregel betreft die tot doel heeft
vrouwen of personen behorende tot een bepaalde etnische of culturele
minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te kennen ten einde
feitelijke nadelen verband houdende met de gronden ras of geslacht op te
heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding
staat tot dat doel.
4.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van ras
geldt niet:
a. in gevallen waarin uiterlijke kenmerken die samenhangen met het ras
van een persoon bepalend zijn, mits het doel legitiem en het vereiste
evenredig aan dat doel is;
b. indien het onderscheid betrekking heeft op uiterlijke kenmerken die
samenhangen met het ras van een persoon en vanwege de aard van de
betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt
uitgeoefend, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, mits het
doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat doel is.
5.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van
nationaliteit geldt niet:
a. indien het onderscheid is gebaseerd op algemeen verbindende
voorschriften of geschreven of ongeschreven regels van internationaal
recht en
b. in gevallen waarin de nationaliteit bepalend is.
6.Bij algemene maatregel van bestuur worden de in het tweede, vierde en
vijfde lid, onderdeel b, bedoelde gevallen nader omschreven.
Artikel 3
Deze wet is niet van toepassing op:
a. rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige
onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, alsmede binnen andere
genootschappen op geestelijke grondslag;
b. het geestelijk ambt.
Artikel 4
Deze wet laat onverlet:
a. de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
b. de artikelen 646, 647, 667 en 670 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek.
§ 3. Bepalingen op het terrein van de arbeid en het vrije beroep
Artikel 5
1.Onderscheid is verboden bij:
a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling
van een openstaande betrekking;
b arbeidsbemiddeling;
c. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;
d. het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband
van een ambtenaar;
e. arbeidsvoorwaarden;
f. het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of
voorafgaand aan een arbeidsverhouding;
g. bevordering;
h. arbeidsomstandigheden.
2.Het eerste lid laat onverlet:
a. de vrijheid van een instelling op godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag om eisen te stellen, die gelet op het
doel van de instelling, nodig zijn voor de vervulling van een functie,
waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het
enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit,
hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;
b. de vrijheid van een instelling op politieke grondslag om eisen te
stellen, die gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de
vervulling van een functie, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot
onderscheid op grond van het enkele feit van ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat
en
c. de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om eisen te
stellen over de vervulling van een functie, die, gelet op het doel van
de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag,
waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het
enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit,
hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op eisen, die, gelet op het
privé-karakter van de werkverhouding in redelijkheid aan een
werkverhouding kunnen worden gesteld.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op eisen met betrekking tot de
politieke gezindheid die in redelijkheid kunnen worden gesteld in
verband met de vervulling van functies in bestuursorganen en
adviesorganen.
5.Het eerste lid is niet van toepassing op eisen met betrekking tot de
politieke gezindheid die in redelijkheid kunnen worden gesteld in
verband met de vervulling van vertrouwensfuncties.
6.Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op onderscheid op
grond van burgerlijke staat met betrekking tot
nabestaandenpensioen-voorzieningen en met betrekking tot aanspraken op
pensioen die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I,
onderdeel B, van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de
Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het
recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van
nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb.
625), zijn opgebouwd.
Artikel 6
Onderscheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de
toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep.
Artikel 6a
1.Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid
bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een vereniging van
beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat lidmaatschap of uit
die betrokkenheid voortvloeien.
2.Het eerste lid laat onverlet:
a. de vrijheid van een op godsdienstige of levensbeschouwelijke
grondslag gebaseerde organisatie of vereniging om eisen te stellen, die
gelet op haar doel, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar
grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond
van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat
en
b. de vrijheid van een op politieke grondslag gebaseerde organisatie of
vereniging om eisen te stellen, die gelet op haar doel, nodig zijn voor
de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen
leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
§ 4. Overige bepalingen op sociaal-economisch terrein
Artikel 7
1.Onderscheid is verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang
tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen
van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van
loopbaanoriëntatie en advies of voorlichting over school- of
beroepskeuze, indien dit geschiedt:
a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
b. door de openbare dienst;
c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van
volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs of
d. door natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, voor zover het aanbod in het openbaar geschiedt.
2.Het eerste lid, onderdeel c, laat onverlet de vrijheid van een
instelling van bijzonder onderwijs om bij de toelating en ten aanzien
van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het
doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar
grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond
van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
Onderscheid op grond van geslacht is alleen toegestaan, indien de eigen
aard van de instelling dit eist en voor leerlingen van beide geslachten
gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn.
3.Het eerste lid, onderdelen a en d, is niet van toepassing op eisen die
gelet op het privé-karakter van de omstandigheden waarop de
rechtsverhouding ziet in redelijkheid kunnen worden gesteld.
Artikel 7a
1.Onverminderd artikel 7 is onderscheid op grond van ras verboden bij
sociale bescherming, daaronder begrepen sociale zekerheid, en sociale
voordelen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de begrippen sociale
bescherming, sociale zekerheid en sociale voordelen, bedoeld in het
eerste lid, worden omschreven. De voordracht voor een krachtens de
eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
§ 5. Bescherming en handhaving
Artikel 8
1.Beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever in strijd met
artikel 5, wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op artikel 5 of terzake bijstand heeft verleend,
is vernietigbaar.
2.Onverminderd hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, vervalt
twee maanden na de beëindiging van de arbeidsverhouding de bevoegdheid
van de werknemer een beroep te doen op de vernietigingsgrond, bedoeld in
het eerste lid. Het beroep op de vernietigingsgrond geschiedt door
kennisgeving aan de werkgever. Artikel 55 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek is niet van toepassing.
3.Een rechtsvordering in verband met de vernietiging verjaart door
verloop van zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding is
geëindigd.
4.De beëindiging, bedoeld in het eerste lid, maakt de werkgever niet
schadeplichtig.
Artikel 8a
1.Het is verboden personen te benadelen wegens het feit dat zij in of
buiten rechte een beroep hebben gedaan op deze wet of ter zake bijstand
hebben verleend.
2.Het feit dat een persoon het in artikel 1a, tweede en derde lid,
bedoelde gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, mag niet ten grondslag
liggen aan een beslissing die die persoon treft.
Artikel 9
Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig.
Artikel 10
1.Indien degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat
onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat
niet in strijd met deze wet is gehandeld.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vorderingen als
bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en op
beroepen ingesteld in bestuursrechtelijke procedures door
belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. De commissie gelijke behandeling
Artikel 11
1.Er is een Commissie gelijke behandeling, hierna te noemen: de
Commissie.
2.De Commissie kan uit haar midden kamers vormen voor het vervullen van
haar taak.
Artikel 12
1.De Commissie kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, en haar oordeel daaromtrent kenbaar maken. Voorts
kan de Commissie uit eigen beweging onderzoeken of zodanig onderscheid
stelselmatig wordt gemaakt en haar oordeel daarover kenbaar maken.
2.Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan worden
ingediend door:
a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd gezag, die
wensen te weten of zij een onderscheid maken als bedoeld in deze wet, de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met
betrekking tot onderscheid als bedoeld in deze wet, de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek;
d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze
is ingesteld, onderscheidenlijk een met die ondernemingsraad
vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent dat in het
organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is ingesteld,
onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in artikel 646 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of in de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen;
e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting, die in
overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van diegenen in
wier bescherming deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek beoogt te
voorzien.
3.In het geval een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede lid,
onderdelen d en e, personen noemt ten nadele van wie zou zijn gehandeld,
dan wel indien een onderzoek ingesteld uit eigen beweging, betrekking
heeft op zodanige personen, stelt de Commissie deze personen op de
hoogte van het voornemen tot onderzoek. De Commissie is niet bevoegd in
het onderzoek en de beoordeling personen als bedoeld in de eerste volzin
te betrekken die schriftelijk hebben verklaard daartegen bedenkingen te
hebben.
Artikel 13
1.De Commissie stelt een onderzoek in en brengt haar oordeel
schriftelijk en met redenen omkleed ter kennis van de verzoeker, van
degene die het onderscheid zou maken, alsmede, in voorkomend geval, van
degene, jegens wie het onderscheid zou worden gemaakt.
2.De Commissie kan bij het ter kennis brengen van haar oordeel aan
degene die het onderscheid zou maken, aanbevelingen doen.
3.De Commissie kan haar oordeel ter kennis brengen van Onze Ministers
wie het aangaat, van naar haar mening in aanmerking komende organisaties
van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van
overheidspersoneel, van eindgebruikers van goederen of diensten en van
betrokken overlegorganen.
Artikel 14
1.De Commissie stelt geen onderzoek in, indien:
a. het in artikel 12, tweede lid, bedoelde verzoek kennelijk ongegrond
is;
b. het belang van de verzoeker of het gewicht van de gedraging kennelijk
onvoldoende is;
c. sinds het in artikel 12 bedoelde onderscheid een zodanige termijn is
verstreken dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan plaatsvinden.
2.Indien zich gevallen als bedoeld in het eerste lid voordoen, doet de
Commissie daarover aan verzoeker schriftelijk en met redenen omkleed
mededeling.
Artikel 15
1.De Commissie kan in rechte vorderen dat een gedraging die in strijd is
met deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of
artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onrechtmatig wordt
verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel wordt gegeven om de
gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.
2.Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een vordering
als bedoeld in het eerste lid, voor zover degene die door deze gedraging
wordt getroffen, daartegen bedenkingen heeft.
Artikel 16
1. De Commissie bestaat uit negen leden, onder wie een voorzitter en
twee ondervoorzitters. Voorts kunnen plaatsvervangende leden worden
benoemd.
2. De voorzitter en de ondervoorzitters moeten voldoen aan de bij of
krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
gestelde vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar.
3. De benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden geschiedt
door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Ministers
van Binnenlandse Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van
Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
4. De artikelen 46c, 46d, tweede lid, 46f, 46g,46i, met uitzondering van
het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid, met uitzondering van
onderdeel c, en derde lid, 46m, 46n, 46o en 46p van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat:
a. de disciplinaire maatregel, bedoeld in artikel 46c, eerste lid, ten
aanzien van de leden van de Commissie door de voorzitter van het College
wordt opgelegd;
b. het in artikel 46c, eerste lid, onderdeel b, genoemde verbod zich in
een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten
of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van
hen aan te nemen niet op de leden van de Commissie van toepassing is.
5. De benoeming van de leden en van de plaatsvervangende leden geschiedt
voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar. Herbenoeming is terstond
mogelijk. Op eigen verzoek worden zij door de Minister van Justitie
ontslagen.
Artikel 17
1.Aan de Commissie staat ter ondersteuning van haar taak een bureau ten
dienste.
2.Onze Minister van Justitie benoemt, bevordert, schorst en ontslaat, op
voordracht van de Commissie, de personen die tot het bureau behoren.
Onze Minister van Justitie bepaalt in welke gevallen zij worden benoemd,
bevorderd, geschorst en ontslagen.
Artikel 18
1.De Commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak doen bijstaan
door daartoe door Onze Minister wie het aangaat aangewezen ambtenaren.
2.De Commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak doen bijstaan
door een of meer personen ten einde haar de inlichtingen te verschaffen
die voor de vervulling van de taak van de Commissie nodig zijn.
Artikel 19
1.De Commissie en de in artikel 17 bedoelde personen die door de
Commissie daartoe zijn aangewezen, kunnen alle inlichtingen en
bescheiden vorderen die voor de vervulling van de taak van de Commissie
redelijkerwijze nodig zijn.
2.Een ieder is verplicht, behoudens verschoning wegens ambts- of
beroepsgeheim, de ingevolge het eerste lid gevorderde inlichtingen en
bescheiden volledig en naar waarheid te verstrekken, een en ander op de
wijze en binnen de termijn door of namens de Commissie vast te stellen.
Deze verplichting geldt niet, indien een persoon daardoor of zichzelf of
een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn
in de tweede of de derde graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot
dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het
gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf
zou blootstellen.
Artikel 20
1.De Commissie brengt jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden en
maakt dit verslag openbaar. Zij zendt dit verslag in ieder geval aan
Onze Ministers wie het aangaat en aan de adviesorganen die het aangaat.
2.De Commissie stelt, te rekenen vanaf het tijdstip waarop deze wet in
werking is getreden, telkens na verloop van vijf jaar een rapport op van
haar bevindingen ten aanzien van de werking in de praktijk van deze wet,
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 646 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Zij zendt dit rapport aan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken.
Artikel 21
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de werkwijze van de Commissie, waaronder in ieder geval regels
betreffende:
a. de wijze van behandeling;
b. hoor en wederhoor;
c. de openbaarheid van zittingen;
d. de openbaarmaking van haar oordeel, bedoeld in artikel 13, derde lid.
2.De leden van de Commissie genieten een bezoldiging voor hun
werkzaamheden. Over hun rechtspositie worden nadere regels gesteld bij
algemene maatregel van bestuur. Deze regels hebben in ieder geval
betrekking op aanstelling en loopbaanvorming, bezoldiging, toelagen,
toeslagen, vergoedingen, rechten en plichten bij reorganisaties,
disciplinaire straffen, schorsing en ontslag.
3.De plaatsvervangende leden genieten een zittingsgeld voor hun
werkzaamheden, alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 22 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 23 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 25 [Vervallen per 01-04-1997]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 30 [Vervallen per 05-05-1995]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 33
Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt in overeenstemming met Onze
Ministers van Justitie, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van
Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zo
spoedig mogelijk na de ontvangst van het in artikel 20, tweede lid,
bedoelde rapport, aan de Staten-Generaal een verslag over de werking in
de praktijk van deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen en artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 34
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de zesde
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij
wordt geplaatst. Bij koninklijk besluit kan een eerder tijdstip van
inwerkingtreding worden vastgesteld.
Artikel 35
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet gelijke behandeling.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Wallage
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d’Ancona
Uitgegeven de eenendertigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|