Nadere regelgeving:
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling
WET van 2 maart 1994, houdende algemene
regels ter bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit,
hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede
in verband met artikel 1 van de Grondwet, ter bevordering van de
deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven bescherming te
bieden tegen discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of
homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, dat het daarom wenselijk
is behoudens wettelijke uitzonderingen onderscheid op deze gronden te
verbieden en dat het in verband met de handhaving van dit verbod
wenselijk is een Commissie gelijke behandeling in te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Gelijke behandeling van personen ongeacht hun
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de
opdracht daartoe;
b. direct onderscheid: indien een persoon op een andere wijze
wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt,
is of zou worden behandeld, op grond van godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat;
c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale
bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras,
geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of
burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder
treft.
2. Onder direct onderscheid op grond van geslacht wordt mede
verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap.
Artikel 1a
1.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in
een verbod van intimidatie en een verbod van seksuele intimidatie.
2.Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
gedrag dat met de hoedanigheden of gedragingen, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft
dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en dat een
bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende
omgeving wordt gecreëerd.
3.Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een
seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid
van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een
bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende
omgeving wordt gecreëerd.
4.Op het in deze wet neergelegde verbod van intimidatie en van
seksuele intimidatie zijn niet van toepassing de artikelen 2, 5,
tweede tot en met zesde lid, 6a, tweede lid, en 7, tweede en derde
lid.
§ 2. Algemene uitzonderingen
Artikel 2
1.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief
gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het
bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
2.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van
geslacht geldt niet:
a. in gevallen waarin het geslacht bepalend is en
b. in gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft,
met name in verband met zwangerschap en moederschap.
3.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet,
indien het onderscheid een specifieke maatregel betreft die tot doel
heeft vrouwen of personen behorende tot een bepaalde etnische of
culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te kennen ten
einde feitelijke nadelen verband houdende met de gronden ras of
geslacht op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een
redelijke verhouding staat tot dat doel.
4.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van
ras geldt niet:
a. in gevallen waarin uiterlijke kenmerken die samenhangen met
het ras van een persoon bepalend zijn, mits het doel legitiem en
het vereiste evenredig aan dat doel is;
b. indien het onderscheid betrekking heeft op uiterlijke
kenmerken die samenhangen met het ras van een persoon en vanwege
de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de
context waarin deze wordt uitgeoefend, een wezenlijk en bepalend
beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem is en het vereiste
evenredig aan dat doel is.
5.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van
nationaliteit geldt niet:
a. indien het onderscheid is gebaseerd op algemeen verbindende
voorschriften of geschreven of ongeschreven regels van
internationaal recht en
b. in gevallen waarin de nationaliteit bepalend is.
6.Bij algemene maatregel van bestuur worden de in het tweede,
vierde en vijfde lid, onderdeel b, bedoelde gevallen nader omschreven.
Artikel 3
Deze wet is niet van toepassing op:
a. rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen alsmede hun
zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd,
alsmede binnen andere genootschappen op geestelijke grondslag;
b. het geestelijk ambt.
Artikel 4
Deze wet laat onverlet:
a. de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
b. de artikelen 646, 647, 667 en 670 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
§ 3. Bepalingen op het terrein van de arbeid en het vrije beroep
Artikel 5
1. Onderscheid is verboden bij:
a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking;
b arbeidsbemiddeling;
c. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;
d. het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het
dienstverband van een ambtenaar;
e. arbeidsvoorwaarden;
f. het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens
of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;
g. bevordering;
h. arbeidsomstandigheden.
2. Het eerste lid laat onverlet:
a. de vrijheid van een instelling op godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag om eisen te stellen, die gelet op
het doel van de instelling, nodig zijn voor de vervulling van een
functie, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op
grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat;
b. de vrijheid van een instelling op politieke grondslag om
eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling, nodig
zijn voor de vervulling van een functie, waarbij deze eisen niet
mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van ras,
geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of
burgerlijke staat en
c. de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om
eisen te stellen over de vervulling van een functie, die, gelet op
het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van
haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot
onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid,
ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid
of burgerlijke staat.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. de werkverhouding een privékarakter heeft,
b. het verschil in behandeling berust op een kenmerk dat
verband houdt met godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele
gerichtheid of burgerlijke staat, en
c. dat kenmerk vanwege de aard van de betrokken specifieke
beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend, een
wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, mits het doel
legitiem is en het vereiste evenredig is aan dat doel.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op eisen met betrekking
tot de politieke gezindheid die in redelijkheid kunnen worden gesteld
in verband met de vervulling van functies in bestuursorganen en
adviesorganen.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op eisen met betrekking
tot de politieke gezindheid die in redelijkheid kunnen worden gesteld
in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties.
6. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op
onderscheid op grond van burgerlijke staat met betrekking tot
nabestaandenpensioen-voorzieningen en met betrekking tot aanspraken op
pensioen die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I,
onderdeel B, van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van
de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met
het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van
nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(Stb. 625), zijn opgebouwd.
Artikel 6
Onderscheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de
toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep.
Artikel 6a
1.Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de
betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een
vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat
lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.
2.Het eerste lid laat onverlet:
a. de vrijheid van een op godsdienstige of levensbeschouwelijke
grondslag gebaseerde organisatie of vereniging om eisen te
stellen, die gelet op haar doel, nodig zijn voor de
verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen
leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke
gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele
gerichtheid of burgerlijke staat en
b. de vrijheid van een op politieke grondslag gebaseerde
organisatie of vereniging om eisen te stellen, die gelet op haar
doel, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag,
waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van
het enkele feit van ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of
homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
§ 4. Overige bepalingen op sociaal-economisch terrein
Artikel 7
1. Onderscheid is verboden bij het aanbieden van of verlenen van
toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van
loopbaanoriëntatie en advies of voorlichting over school- of
beroepskeuze, indien dit geschiedt:
a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
b. door de openbare dienst;
c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van
volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs
of
d. door natuurlijke personen die niet handelen in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, voor zover het aanbod in
het openbaar geschiedt.
2. Het eerste lid, onderdeel c, laat onverlet de vrijheid van een
instelling van bijzonder onderwijs om bij de toelating en ten aanzien
van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het
doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar
grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op
grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat. Onderscheid op grond van geslacht is alleen toegestaan, indien
de eigen aard van de instelling dit eist en voor leerlingen van beide
geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn.
3. Het eerste lid, onderdelen a en d, is niet van toepassing
indien:
a. de rechtsverhouding een privékarakter heeft,
b. het verschil in behandeling berust op een kenmerk dat
verband houdt met godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele
gerichtheid of burgerlijke staat, en
c. het verschil in behandeling door een legitiem doel wordt
gerechtvaardigd en de middelen voor het bereiken van dat doel
passend en noodzakelijk zijn.
Artikel 7a
1.Onverminderd artikel 7 is onderscheid op grond van ras verboden
bij sociale bescherming, daaronder begrepen sociale zekerheid, en
sociale voordelen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de begrippen sociale
bescherming, sociale zekerheid en sociale voordelen, bedoeld in het
eerste lid, worden omschreven. De voordracht voor een krachtens de
eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 5. Bescherming en handhaving
Artikel 8
1.Beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever in strijd
met artikel 5, wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten
rechte een beroep heeft gedaan op artikel 5 of terzake bijstand heeft
verleend, is vernietigbaar.
2.Onverminderd hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht,
vervalt twee maanden na de beëindiging van de arbeidsverhouding de
bevoegdheid van de werknemer een beroep te doen op de
vernietigingsgrond, bedoeld in het eerste lid. Het beroep op de
vernietigingsgrond geschiedt door kennisgeving aan de werkgever.
Artikel 55 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van
toepassing.
3.Een rechtsvordering in verband met de vernietiging verjaart door
verloop van zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding is
geëindigd.
4.De beëindiging, bedoeld in het eerste lid, maakt de werkgever
niet schadeplichtig.
Artikel 8a
1.Het is verboden personen te benadelen wegens het feit dat zij in
of buiten rechte een beroep hebben gedaan op deze wet of ter zake
bijstand hebben verleend.
2.Het feit dat een persoon het in artikel 1a, tweede en derde lid,
bedoelde gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, mag niet ten grondslag
liggen aan een beslissing die die persoon treft.
Artikel 9
Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig.
Artikel 10
1.Indien degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of
wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die
dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te
bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vorderingen
als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en
op beroepen ingesteld in bestuursrechtelijke procedures door
belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. De commissie gelijke behandeling
Artikel 11
1.Er is een Commissie gelijke behandeling, hierna te noemen: de
Commissie.
2.De Commissie kan uit haar midden kamers vormen voor het vervullen
van haar taak.
Artikel 12
1.De Commissie kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, en haar oordeel daaromtrent kenbaar maken.
Voorts kan de Commissie uit eigen beweging onderzoeken of zodanig
onderscheid stelselmatig wordt gemaakt en haar oordeel daarover
kenbaar maken.
2.Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan
worden ingediend door:
a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of
wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek;
b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd
gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als
bedoeld in deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met
betrekking tot onderscheid als bedoeld in deze wet, de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek;
d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming
waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die
ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent
dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is
ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in
artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of in de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting,
die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van
diegenen in wier bescherming deze wet, de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek beoogt te voorzien.
3.In het geval een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede
lid, onderdelen d en e, personen noemt ten nadele van wie zou zijn
gehandeld, dan wel indien een onderzoek ingesteld uit eigen beweging,
betrekking heeft op zodanige personen, stelt de Commissie deze
personen op de hoogte van het voornemen tot onderzoek. De Commissie is
niet bevoegd in het onderzoek en de beoordeling personen als bedoeld
in de eerste volzin te betrekken die schriftelijk hebben verklaard
daartegen bedenkingen te hebben.
Artikel 13
1.De Commissie stelt een onderzoek in en brengt haar oordeel
schriftelijk en met redenen omkleed ter kennis van de verzoeker, van
degene die het onderscheid zou maken, alsmede, in voorkomend geval,
van degene, jegens wie het onderscheid zou worden gemaakt.
2.De Commissie kan bij het ter kennis brengen van haar oordeel aan
degene die het onderscheid zou maken, aanbevelingen doen.
3.De Commissie kan haar oordeel ter kennis brengen van Onze
Ministers wie het aangaat, van naar haar mening in aanmerking komende
organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of
van overheidspersoneel, van eindgebruikers van goederen of diensten en
van betrokken overlegorganen.
Artikel 14
1.De Commissie stelt geen onderzoek in, indien:
a. het in artikel 12, tweede lid, bedoelde verzoek kennelijk
ongegrond is;
b. het belang van de verzoeker of het gewicht van de gedraging
kennelijk onvoldoende is;
c. sinds het in artikel 12 bedoelde onderscheid een zodanige
termijn is verstreken dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan
plaatsvinden.
2.Indien zich gevallen als bedoeld in het eerste lid voordoen, doet
de Commissie daarover aan verzoeker schriftelijk en met redenen
omkleed mededeling.
Artikel 15
1.De Commissie kan in rechte vorderen dat een gedraging die in
strijd is met deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel
wordt gegeven om de gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.
2.Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een
vordering als bedoeld in het eerste lid, voor zover degene die door
deze gedraging wordt getroffen, daartegen bedenkingen heeft.
Artikel 16
1. De Commissie bestaat uit negen leden, onder wie een voorzitter
en twee ondervoorzitters. Voorts kunnen plaatsvervangende leden worden
benoemd.
2. De voorzitter en de ondervoorzitters moeten voldoen aan de bij
of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren gestelde vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk
ambtenaar.
3. De benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden
geschiedt door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze
Ministers van Binnenlandse Zaken, van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur.
4. De artikelen 46c, 46d, tweede lid, 46f, 46g,46i, met
uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid,
met uitzondering van onderdeel c, en derde lid, 46m, 46n, 46o en 46p
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de disciplinaire maatregel, bedoeld in artikel 46c, eerste
lid, ten aanzien van de leden van de Commissie door de voorzitter
van het College wordt opgelegd;
b. het in artikel 46c, eerste lid, onderdeel b, genoemde verbod
zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of
haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of
schriftelijk stuk van hen aan te nemen niet op de leden van de
Commissie van toepassing is.
5. De benoeming van de leden en van de plaatsvervangende leden
geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar. Herbenoeming is
terstond mogelijk. Op eigen verzoek worden zij door de Minister van
Justitie ontslagen.
6. De artikelen 13a tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke
organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
gedragingen van de leden van de Commissie, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder
«het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter
van de Commissie; en
b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13b, eerste
lid, onderdelen b en c, onder «overeenkomstig artikel 26 of 75
een klacht»wordt verstaan: een klacht.
Artikel 17
1.Aan de Commissie staat ter ondersteuning van haar taak een bureau
ten dienste.
2.Onze Minister van Justitie benoemt, bevordert, schorst en
ontslaat, op voordracht van de Commissie, de personen die tot het
bureau behoren. Onze Minister van Justitie bepaalt in welke gevallen
zij worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.
Artikel 18
1.De Commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak doen
bijstaan door daartoe door Onze Minister wie het aangaat aangewezen
ambtenaren.
2.De Commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak doen
bijstaan door een of meer personen ten einde haar de inlichtingen te
verschaffen die voor de vervulling van de taak van de Commissie nodig
zijn.
Artikel 19
1.De Commissie en de in artikel 17 bedoelde personen die door de
Commissie daartoe zijn aangewezen, kunnen alle inlichtingen en
bescheiden vorderen die voor de vervulling van de taak van de
Commissie redelijkerwijze nodig zijn.
2.Een ieder is verplicht, behoudens verschoning wegens ambts- of
beroepsgeheim, de ingevolge het eerste lid gevorderde inlichtingen en
bescheiden volledig en naar waarheid te verstrekken, een en ander op
de wijze en binnen de termijn door of namens de Commissie vast te
stellen. Deze verplichting geldt niet, indien een persoon daardoor of
zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of
in de zijlijn in de tweede of de derde graad of zijn echtgenoot of
eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere
geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke
veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.
Artikel 20
1.De Commissie brengt jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden
en maakt dit verslag openbaar. Zij zendt dit verslag in ieder geval
aan Onze Ministers wie het aangaat en aan de adviesorganen die het
aangaat.
2.De Commissie stelt, te rekenen vanaf het tijdstip waarop deze wet
in werking is getreden, telkens na verloop van vijf jaar een rapport
op van haar bevindingen ten aanzien van de werking in de praktijk van
deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel
646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Zij zendt dit rapport aan
Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 21
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de werkwijze van de Commissie, waaronder in ieder geval regels
betreffende:
a. de wijze van behandeling;
b. hoor en wederhoor;
c. de openbaarheid van zittingen;
d. de openbaarmaking van haar oordeel, bedoeld in artikel 13,
derde lid.
2.De leden van de Commissie genieten een bezoldiging voor hun
werkzaamheden. Over hun rechtspositie worden nadere regels gesteld bij
algemene maatregel van bestuur. Deze regels hebben in ieder geval
betrekking op aanstelling en loopbaanvorming, bezoldiging, toelagen,
toeslagen, vergoedingen, rechten en plichten bij reorganisaties,
disciplinaire straffen, schorsing en ontslag.
3.De plaatsvervangende leden genieten een zittingsgeld voor hun
werkzaamheden, alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 22 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 23 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 25 [Vervallen per 01-04-1997]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 30 [Vervallen per 05-05-1995]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 33
Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt in overeenstemming met
Onze Ministers van Justitie, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van
Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zo
spoedig mogelijk na de ontvangst van het in artikel 20, tweede lid,
bedoelde rapport, aan de Staten-Generaal een verslag over de werking in
de praktijk van deze wet, de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen en artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 34
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de zesde
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst. Bij koninklijk besluit kan een eerder tijdstip van
inwerkingtreding worden vastgesteld.
Artikel 35
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet gelijke behandeling.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Wallage
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d’Ancona
Uitgegeven de eenendertigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|