| |
|
|
|
|
vorige
ALGEMENE
WET INKOMENSAFHANKELIJKE REGELINGEN (Awir)
Tekst zoals deze geldt op
14 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
-
Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen
2008'
- Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
- Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
WET van 23 juni 2005 tot harmonisatie van
inkomensafhankelijke regelingen (Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
inkomensafhankelijke regelingen, zoals die op het punt van wonen,
kinderen en zorg, zoveel mogelijk te harmoniseren door een aantal
algemene begrippen in die regelingen onder te brengen in één nieuwe
wet, en de uitvoering van deze regelingen te stroomlijnen door deze waar
mogelijk te laten plaatsvinden door de Belastingdienst/Toeslagen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Toepassingsgebied
Artikel 1. Toepassingsgebied
1.Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.
2.In afwijking van het eerste lid is deze wet op
inkomensafhankelijke regelingen die vóór 1 januari 2006 van kracht
zijn, slechts van toepassing voor zover dit in de desbetreffende
inkomensafhankelijke regeling is bepaald.
3.Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan bij of
krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen
aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of
bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die
regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht.
Paragraaf 2. Begrippen
Artikel 2. Definities
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in
inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:
a. belastbaar loon: het belastbare loon bedoeld in artikel 9
van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van loon dat
als een eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast;
b. berekeningsjaar: het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming
betrekking heeft;
c. kind: de persoon bedoeld in artikel 4;
d. lidstaat: een Staat die lid is van de Europese Unie of een
andere Staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
e. medebewoner: de persoon die op hetzelfde woonadres als de
belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, met dien verstande dat als
medebewoner niet wordt aangemerkt:
1°. de partner van de belanghebbende,
2°. de persoon die op basis van een schriftelijke
overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning
huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad
is van de belanghebbende of van diens partner,
3°. degene die tot het huishouden van de onder 2°
bedoelde persoon behoort;
f. partner: de persoon bedoeld in artikel 3;
g. sociaal-fiscaalnummer: het nummer bedoeld in artikel 2,
derde lid, onderdeel k, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
h. tegemoetkoming: een financiële bijdrage van het Rijk op
grond van een inkomensafhankelijke regeling;
i. toetsingsinkomen: het inkomen bedoeld in artikel 8;
j. verzamelinkomen: het verzamelinkomen bedoeld in artikel 2.18
van de Wet inkomstenbelasting 2001;
k. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet 2000;
l. inspecteur: de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
m. niet in Nederland belastbaar inkomen: inkomen dat niet in
het verzamelinkomen of het belastbare loon is begrepen omdat het
niet behoort tot het Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 7.1
van de Wet inkomstenbelasting 2001, of omdat het is vrijgesteld op
grond van bepalingen van interregionaal of internationaal recht;
n. ontvanger: de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel i, van de Invorderingswet 1990;
o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
p. burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder Onze Minister: Onze Minister van Financiën.
Artikel 3. Partner
1. De partner van de belanghebbende is degene die hierna als eerste
wordt genoemd:
a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of
geregistreerde partner;
b. degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende
staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens en:
1°. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001
voor het berekeningsjaar wordt aangemerkt als partner van de
belanghebbende;
2°. ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract
heeft gesloten met de belanghebbende;
3°. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is
geboren;
4°. een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel
van wie een kind door de belanghebbende is erkend;
5°. in een aan het berekeningsjaar voorafgaand
kalenderjaar partner van de belanghebbende was;
6°. voor de toepassing van een pensioenregeling als
partner van de belanghebbende is aangemeld, of
7°. samen met de belanghebbende een woning bewoont die
voor hen een eigen woning is in de zin van artikel 3.111 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, en aansprakelijk is of mede
aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als
onderpand dient;
c. de meerderjarige die in het berekeningsjaar gedurende meer
dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert
met de meerderjarige belanghebbende en gedurende die tijd op
hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met
uitzondering van:
1°. de bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de
belanghebbende;
2°. de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de
zijlijn van de belanghebbende gedurende de periode dat de
belanghebbende op hetzelfde woonadres als zijn ouder staat
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens.
2. Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het
berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner
aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover
hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende
staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens.
3. Indien ingevolge het eerste lid, onderdeel c, tegelijkertijd
meer dan één persoon als partner wordt aangemerkt, wijst de
belanghebbende bij de aanvraag van de tegemoetkoming een van deze
personen aan als partner.
Artikel 4. Kind
1.Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van
de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt
onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en op hetzelfde
woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens. Met een bloedverwant of
aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.
2.De in het eerste lid opgenomen voorwaarde van inschrijving in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt niet gedurende
de periode waarin de aldaar bedoelde persoon tegelijkertijd tot de
huishoudens van zijn beide ouders behoort en hij op hetzelfde
woonadres als een van die ouders staat ingeschreven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing
van de eerste volzin behoort iemand tegelijkertijd tot het huishouden
van beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per
week in elk van beide huishoudens verblijft.
3.Een kind wordt in belangrijke mate onderhouden als bedoeld in het
eerste lid indien is voldaan aan de regels gesteld krachtens artikel
1.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 5
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
alsmede voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen, wordt
een wijziging in de omstandigheden en van de leeftijd van de
belanghebbende, de partner of een medebewoner die zich voordoet na de
eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van
de daaropvolgende maand.
Artikel 6. Gelijkstelling met gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens
1.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt met de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking
overeenkomende administratie buiten Nederland.
2.Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden
gesteld op basis waarvan iemand die niet in Nederland woont, geacht
wordt op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en
strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
overeenkomende administratie buiten Nederland.
3.Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden
gesteld op basis waarvan iemand die in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens niet op zijn woonadres is
ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn
ingeschreven.
4.Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt naar de
omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.
Paragraaf 3. Bepaling draagkracht
Artikel 7. Draagkracht
1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een
inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in
artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking
genomen.
2. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast
de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de
draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de
aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming,
wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking
genomen.
3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een
tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat
geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of,
indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner
heeft, zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en
beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001
in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen
indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen bedoeld in
afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.
4. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een
tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen van
medebewoners, bestaat tevens geen aanspraak op een tegemoetkoming
indien bij een medebewoner over het berekeningsjaar voordeel uit
sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in
aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met
de vrijstellingen bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van die wet. Het
bepaalde in de eerste volzin geldt alleen ten aanzien van degenen van
wie het medebewonerschap het gehele berekeningsjaar heeft geduurd.
5. Het toetsingsinkomen van een medebewoner die een eerstegraads
bloed- of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de
belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, en die bij
de aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft
bereikt, wordt voor de toepassing van het tweede lid slechts in
aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 4527.
6. Met betrekking tot het bedrag vermeld in het vijfde lid zijn de
artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8. Toetsingsinkomen
1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking
hebbende inkomensgegeven.
2. Niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking
is vastgesteld, wordt in aanvulling op het eerste lid mede als
toetsingsinkomen in aanmerking genomen.
3. Bij overlijden van de belanghebbende wordt, indien hij geen
partner heeft en er geen sprake is van een medebewoner, in afwijking
in zoverre van het eerste en tweede lid het toetsingsinkomen berekend
door het op grond van die leden bepaalde toetsingsinkomen
tijdsevenredig te herleiden naar een jaarinkomen.
Artikel 8a. Vaststelling van niet in Nederland belastbaar inkomen
1.Het niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld door
de inspecteur.
2.Het niet in Nederland belastbaar inkomen is:
a. ten aanzien van degene die binnenlandse belastingplichtige
is voor de inkomstenbelasting: het verschil tussen het
verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten ingeval er geen
vrijstelling van interregionaal of internationaal recht van
toepassing zou zijn en het verzamelinkomen dat hij met toepassing
van de vrijstelling geniet;
b. ten aanzien van degene die buitenlandse belastingplichtige
is voor de inkomstenbelasting: het verschil tussen enerzijds het
verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten ingeval hij op de voet
van artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou hebben
gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlandse
belastingplichtigen en, in geval van vrijstelling op grond van
bepalingen van interregionaal of internationaal recht, zonder die
vrijstelling, en anderzijds het verzamelinkomen dat hij heeft
genoten als buitenlandse belastingplichtige;
c. ten aanzien degene die geen belastingplichtige is voor de
inkomstenbelasting: het verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten
ingeval hij binnenlandse belastingplichtige zou zijn voor die
belasting en, in geval van vrijstelling op grond van bepalingen
van interregionaal of internationaal recht, zonder die
vrijstelling.
3.Indien er grond is voor het vermoeden dat vaststelling van het
niet in Nederland belastbaar inkomen ten onrechte achterwege is
gelaten of dat dit inkomen tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan
de inspecteur alsnog het niet in Nederland belastbaar inkomen
vaststellen dan wel het vastgestelde niet in Nederland belastbaar
inkomen herzien.
4.Bij de in het eerste lid bedoelde vaststelling van het niet in
Nederland belastbaar inkomen zijn, in afwijking in zoverre van de
Algemene wet bestuursrecht, de bepalingen van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met uitzondering van de hoofdstukken VA en VIIIA,
van toepassing als betrof het de vaststelling van een aanslag
inkomstenbelasting.
5.Bij de in het derde lid bedoelde vaststelling dan wel herziening
van het niet in Nederland belastbaar inkomen zijn, in afwijking in
zoverre van de Algemene wet bestuursrecht, de bepalingen van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de
hoofdstukken VA en VIIIA, van toepassing als betrof het de
vaststelling van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting.
6.Een beschikking op grond van dit artikel wordt aangemerkt als een
voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Paragraaf 4. Afwijkende rechten bij vreemdelingen
Artikel 9. Wijziging status vreemdelingen; partner of medebewoner is
vreemdeling
1.Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als
bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de
Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de
omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf
houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot
gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde
tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.
2.Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die
niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een
tegemoetkoming.
3.Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast
de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de
draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de
aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming,
heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming ingeval
een medebewoner een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt
in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Indien de
medebewoner een alleenstaande minderjarige vreemdeling is in de zin
van artikel 1, onderdeel e, van de Regeling verstrekkingen
asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, geldt de
eerste volzin niet tot het moment waarop het recht op opvang ingevolge
die regeling eindigt.
Paragraaf 5. Uitoefening rechten door minderjarigen
Artikel 10. Uitoefening rechten door minderjarigen
1.Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten
die noodzakelijk zijn om een tegemoetkoming te verkrijgen. Hij is
voorts bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk
zijn met betrekking tot de uitoefening, onderscheidenlijk de nakoming
van de voor hem uit de toekenning van tegemoetkomingen voortvloeiende
rechten en verplichtingen.
2.Indien op grond van een inkomensafhankelijke regeling alleen
meerderjarigen aanspraak op een tegemoetkoming hebben, wordt voor die
regeling mede als meerderjarige aangemerkt de minderjarige met een
kind of de minderjarige van wie beide ouders zijn overleden.
Hoofdstuk 2. Procedure bij uitvoering door belastingdienst/toeslagen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 11. Toepassingsgebied
1.De bepalingen van dit hoofdstuk gelden voor de
inkomensafhankelijke regelingen waarvan de uitvoering bij die regeling
is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2.Onder Belastingdienst/Toeslagen wordt verstaan: het
organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst dat is belast met het
toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen.
Artikel 12
Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven titel 4.2 en artikel
4:125 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing en zijn
artikel 3:40, titel 4.1 en de hoofdstukken 6 en 7 van die wet niet van
toepassing op de verrekeningsbeschikking, bedoeld in artikel 30.
Artikel 13. Gebruik burgerservicenummer of sociaal-fiscaalnummer
De Belastingdienst/Toeslagen maakt voor de uitvoering van deze wet
gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
Paragraaf 2. Tegemoetkoming
Artikel 14. Toekennen tegemoetkoming
1. Een tegemoetkoming wordt op aanvraag toegekend door de
Belastingdienst/Toeslagen.
2. Indien partners een gezamenlijke aanspraak op een tegemoetkoming
hebben, wordt de tegemoetkoming uitsluitend toegekend aan de
aanvrager.
3. Indien op het moment van de toekenning van een tegemoetkoming
ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over
het berekeningsjaar geen inkomensgegeven in de basisregistratie
inkomen, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd
tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en van die persoon ook
geen beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen is
of wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de
tegemoetkoming toe als ware het toetsingsinkomen van die persoon
nihil. De inspecteur stelt bij beschikking vast dat op het moment van
de toekenning van de tegemoetkoming van die persoon geen
inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen, bedoeld in artikel
21a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is
opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte
inkomstenbelasting en van die persoon ook geen beschikking ter zake
van niet in Nederland belastbaar inkomen is of wordt vastgesteld. Deze
beschikking wordt aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking
als bedoeld in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
en vervat in hetzelfde geschrift als de toekenning van de
tegemoetkoming.
4. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt rekenkundig afgerond op
hele euro’s.
5. Een tegemoetkoming wordt niet toegekend indien deze minder dan
€ 24 zou bedragen.
6. Bij wet kan worden bepaald dat een belanghebbende geacht wordt
een aanvraag te hebben gedaan.
Artikel 15. Aanvraag tegemoetkoming
1.Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een
berekeningsjaar kan tot 1 april van het jaar volgend op het
berekeningsjaar worden ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
Indien de belanghebbende, diens partner of een medebewoner voor de in
de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het
berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn
die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn
verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het
indienen van die aangifte gestelde termijn. Indien meer dan een van de
personen, bedoeld in de tweede volzin, is uitgenodigd om aangifte
inkomstenbelasting te doen, wordt voor de toepassing van die volzin
uitgegaan van de aangifte waarvan de indieningstermijn het laatst
verloopt.
2.Indien de belanghebbende een partner heeft, wordt de aanvraag
mede ondertekend door de partner.
3.Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast
de draagkracht van belanghebbende en diens partner ook de draagkracht
van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op
of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt de aanvraag
mede ondertekend door de medebewoners.
4.Een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het
berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.
5.Indien de Belastingdienst/Toeslagen van oordeel is dat toepassing
van het vierde lid kan worden beëindigd, deelt hij dit de
belanghebbende schriftelijk mee.
6.De Belastingdienst/Toeslagen kan op eigen initiatief een
aanvraagformulier toezenden aan degene die vermoedelijk voor een
tegemoetkoming in aanmerking komt. Op dat formulier kunnen voor de
belanghebbende en zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of
geregistreerde partner de gegevens worden vermeld die van belang
kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak of de bepaling van de
hoogte van de tegemoetkoming.
7.In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen kan de
in het zesde lid bedoelde vermelding van gegevens ook plaatsvinden
voor de partner die niet is de in dat lid bedoelde partner. De
voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
8.De belanghebbende of de partner die niet in Nederland belastbaar
inkomen geniet, is gehouden aan de inspecteur een opgaaf te
verstrekken van dat inkomen. Ter zake van die opgaaf is de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van Hoofdstuk VIIIA, van
toepassing, als ware het een aangifte inkomstenbelasting.
9.Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast
de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de
draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de
aanspraak op of voor de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming,
is het achtste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
medebewoner die niet in Nederland belastbaar inkomen geniet.
10.Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner in het
berekeningsjaar als binnenlands belastingplichtige voor de
inkomstenbelasting inkomen geniet ter zake waarvan recht bestaat op
een vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van
regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, wordt ten aanzien van
degene die dat inkomen geniet de aanvraag voor zoveel nodig tevens
aangemerkt als een verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van
aangifte inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 16. Voorschot op tegemoetkoming
1.Indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken
na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, verleent de
Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het
bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.
2.Ingeval de belanghebbende voor het gehele berekeningsjaar
aanspraak heeft op een tegemoetkoming wordt het voorschot verleend:
a. indien de aanvraag ten minste acht weken vóór het
berekeningsjaar is ingediend of indien de tegemoetkoming wordt
toegekend met toepassing van artikel 15, vierde lid: vóór de
aanvang van het berekeningsjaar;
b. in andere gevallen: binnen acht weken na de ontvangst van de
aanvraag.
3.Indien de Belastingdienst/Toeslagen voor de beoordeling van de
aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming
informatie nodig heeft van buiten Nederland kunnen de in het tweede
lid genoemde termijnen worden verlengd met ten hoogste zes maanden. De
Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende schriftelijk van
deze verlenging in kennis.
4.De Belastingdienst/Toeslagen kan het voorschot herzien.
5.Een herziening van het voorschot kan leiden tot een terug te
vorderen bedrag.
Artikel 17. Na voorschot melding wijziging omstandigheden
1. Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een
relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn
voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte
van de tegemoetkoming, is de belanghebbende gehouden die wijziging te
melden aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke wijzigingen
in omstandigheden aanleiding geven voor een melding en op welke wijze
en binnen welke termijn de melding wordt gedaan.
3. Indien de belanghebbende een partner heeft, kan de melding ook
door de partner worden gedaan.
4. Indien de melding betrekking heeft op een medebewoner, kan de
melding ook worden gedaan door de medebewoner.
Artikel 18. Verzoeken van Belastingdienst/Toeslagen tot
informatieverstrekking
1.Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de
Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen
die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de
hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.
2.De gegevens en inlichtingen worden verstrekt binnen een door de
Belastingdienst/Toeslagen te stellen termijn.
3.Indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt
door de persoon aan wie dit is gevraagd, maant de
Belastingdienst/Toeslagen hem aan onder het stellen van een nadere
termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te
verstrekken.
4.Indien niet aan de in de vorige leden genoemde verplichtingen is
voldaan, bepaalt de Belastingdienst/Toeslagen ambtshalve de hoogte van
de tegemoetkoming.
Artikel 19. Beslistermijn toekenning tegemoetkoming
1.Indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een
medebewoner over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting
wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming
met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen 13 weken nadat de
laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is
ingediend, of, indien dat eerder is, binnen acht weken na de
vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag.
Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte
inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar
volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van
het jaar volgend op het berekeningsjaar. Indien ten name van de
belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het
berekeningsjaar een beschikking ter zake van niet in Nederland
belastbaar inkomen wordt vastgesteld, kent de
Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot dat
berekeningsjaar toe binnen acht weken na de vaststelling van de
laatste in dit kader van belang zijnde beschikking. De derde volzin is
uitsluitend van toepassing indien de in die volzin genoemde termijn
verloopt op een datum die gelegen is na afloop van de in de eerste
volzin bedoelde termijn.
2.Indien voor geen van de in het eerste lid bedoelde personen over
het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting of een beschikking
ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld,
kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot
dat berekeningsjaar toe vóór 1 december van het jaar volgend op het
berekeningsjaar.
3.Indien de tegemoetkoming niet binnen de in de vorige leden
genoemde termijn kan worden toegekend, stelt de
Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende hiervan schriftelijk in
kennis onder het noemen van een redelijke termijn waarbinnen
toekenning zal plaatsvinden.
Artikel 20. Herziening tegemoetkoming wegens alsnog beschikbaar komen
of wijziging fiscale gegevens na toekenning
1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste
vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of
niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot
een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de
Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die
eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.
2. De herziening geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop
het voor het eerst vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde
inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden
dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste
lid bedoelde vaststelling, bepaling of wijziging onherroepelijk is
geworden.
3. Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een uit
te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag.
Artikel 21. Herziening tegemoetkoming in het nadeel van
belanghebbende om andere reden
1. De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming
herzien:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de
Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op
de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming
vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of
b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend
en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te
weten.
2. Een tegemoetkoming kan met toepassing van dit artikel niet meer
worden herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van
het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
3. Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een terug
te vorderen bedrag.
Artikel 21a. Herziening tegemoetkoming in het voordeel van
belanghebbende om andere reden
In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de
Belastingdienst/Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die
onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende.
Paragraaf 3. Uitbetaling en terugvordering
Artikel 22. Uitbetaling voorschot
1. Een voorschot dat wordt verleend vóór de aanvang van het
berekeningsjaar waarop het voorschot betrekking heeft, wordt
uitbetaald in 12 termijnen. De uitbetaling van de eerste termijn vindt
plaats in de maand december voorafgaand aan het berekeningsjaar en
elke volgende termijn telkens een maand later.
2. Een voorschot dat wordt verleend in de loop van het
berekeningsjaar waarop het voorschot betrekking heeft, en waarvan de
beschikking een dagtekening heeft die ligt vóór 1 november van dat
jaar, wordt uitbetaald in zoveel termijnen als er na de maand van
dagtekening nog kalendermaanden van dat jaar overblijven. De
uitbetaling van de eerste termijn vindt plaats in de maand van
dagtekening en elke volgende termijn telkens een maand later.
3. Indien de belanghebbende voor een deel van het berekeningsjaar
aanspraak heeft op een tegemoetkoming wordt, in zoverre in afwijking
van de voorgaande leden, het voorschot in zoveel termijnen uitbetaald
als het aantal kalendermaanden waarin de aanspraak bestaat. De
uitbetaling van de eerste termijn vindt niet eerder plaats dan in de
maand voorafgaand aan de maand waarin de aanspraak ontstaat.
4. Indien een beschikking waarbij over het berekeningsjaar voor het
eerst een voorschot wordt verleend een dagtekening heeft die ligt na
de maand waarin de aanspraak is ontstaan, wordt het voorschot
voorzover dat betrekking heeft op de in het berekeningsjaar reeds
verstreken kalendermaanden waarin de aanspraak bestond met inbegrip
van de maand van dagtekening van de beschikking, in één bedrag
uitbetaald in de maand van dagtekening en wordt het daarna nog
resterende deel van het voorschot uitbetaald overeenkomstig het tweede
lid.
5. Een voorschot dat wordt verleend in de loop van of na afloop van
het berekeningsjaar waarop het voorschot betrekking heeft en waarvan
de beschikking een dagtekening heeft die ligt na 31 oktober van dat
jaar, wordt in één bedrag uitbetaald in de maand van dagtekening.
6. Ingeval er bij de uitbetaling van een voorschot een situatie van
interregionaal of internationaal recht van toepassing is, kan de
uitbetaling op een ander moment dan als bepaald in de voorgaande leden
plaatsvinden.
7. Indien executoriaal beslag is gelegd op een in een of meer
termijnen uit te betalen bedrag op grond van een voorschot, wordt het
beslag geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag
van een voorschot in het kader van dezelfde inkomensafhankelijke
regeling voor een volgend jaar voor zover:
a. de uit te betalen termijnen van de voorschotten op elkaar
aansluiten, en
b. de schuld waarvoor beslag is gelegd niet geheel is voldaan.
Artikel 23. Opschorten uitbetaling voorschot
De Belastingdienst/Toeslagen kan de uitbetaling van een voorschot
geheel of gedeeltelijk opschorten indien redelijkerwijs kan worden
vermoed dat het voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend. De belanghebbende wordt van de opschorting schriftelijk in
kennis gesteld.
Artikel 24. Uitbetaling tegemoetkoming
1.Een tegemoetkoming wordt uitbetaald binnen vier weken na
dagtekening van de beschikking.
2.Indien voorschotten zijn verleend, worden deze verrekend met de
tegemoetkoming.
3.De in het tweede lid bedoelde verrekening kan leiden tot een
terug te vorderen bedrag.
Artikel 25. Wijze van uitbetaling
1. Uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming geschiedt
door de Belastingdienst/Toeslagen door middel van een bijschrijving op
een ten name van de belanghebbende of diens partner bestaande
bankrekening, tenzij daartoe door de belanghebbende een andere
rekening is aangewezen.
2. Indien daartoe gegronde redenen aanwezig zijn, kan de
Belastingdienst/Toeslagen in afwijking van de aanwijzing, bedoeld in
het eerste lid, een voorschot of een tegemoetkoming bijschrijven op
een ten name van de belanghebbende of diens partner bestaande
bankrekening.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de aanwijzing van een andere rekening als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 26. Terugvordering is verschuldigd door belanghebbende
Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van
een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een
verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is
de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel
verschuldigd.
Artikel 27. Rente bij beschikkingen na een half jaar na
berekeningsjaar
1. Over uit te betalen bedragen wordt rente vergoed en over terug
te vorderen bedragen wordt rente in rekening gebracht.
2. De rente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat
aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en
eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking tot toekenning
onderscheidenlijk de beschikking tot herziening van de tegemoetkoming.
3. Het percentage van de rente is gelijk aan het percentage,
bedoeld in artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
Artikel 28. Betalingstermijn bij terugvordering
1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een
terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde
rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot
terugvordering te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2. Het bedrag van een bestuurlijke boete moet worden betaald binnen
zes weken na de dagtekening van de boetebeschikking.
3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit
artikel gestelde termijnen.
Artikel 29. Rente bij te late betaling terugvordering
Bij overschrijding van de in artikel 28 bedoelde betalingstermijn is
rente verschuldigd met overeenkomstige toepassing van de artikelen 28 en
29 van de Invorderingswet 1990.
Artikel 30. Verrekening
1. De Belastingdienst/Toeslagen is bevoegd tot verrekening van een
door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een
aan hem uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop, een en
ander ongeacht de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en
ongeacht het berekeningsjaar.
2. De Belastingdienst/Toeslagen is tevens bevoegd, in afwijking van
artikel 3 van de Invorderingswet 1990, tot verrekening van een door de
belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met aan hem uit
te betalen bedragen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, en
heffingsrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag
inkomstenbelasting.
3. Een verrekening vindt niet eerder plaats dan nadat de termijn
bedoeld in artikel 28 is verstreken. De in de artikelen 27 en 29
bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten kunnen in de verrekening
worden betrokken.
Artikel 31
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
het verlenen van uitstel van betaling.
Artikel 32. Dwanginvordering bij terugvordering
1. Indien de belanghebbende het bedrag van de terugvordering,
daaronder begrepen de in artikel 27 bedoelde rente alsmede
bestuurlijke boeten, niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de
Belastingdienst/Toeslagen hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee
weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
2. De invordering van het bedrag van de terugvordering kan
geschieden bij een door de Belastingdienst/Toeslagen uit te vaardigen
dwangbevel. In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten
van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde
renten worden ingevorderd.
3. De betekening van het dwangbevel geschiedt met overeenkomstige
toepassing van artikel 13 van de Invorderingswet 1990.
4. Artikel 14 van de Invorderingswet 1990 is van overeenkomstige
toepassing.
5. De belanghebbende kan met overeenkomstige toepassing van artikel
17 van de Invorderingswet 1990, tegen de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel in verzet komen.
6. Een derde die aan de belanghebbende loon, pensioen, lijfrente of
uitkeringen, een en ander als bedoeld in artikel 19 van de
Invorderingswet 1990, verschuldigd is, of een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waarbij
belanghebbende een tegoed op een rekening heeft, kan op vordering van
de Belastingdienst/Toeslagen met overeenkomstige toepassing van
artikel 19 van de Invorderingswet 1990 worden verplicht het door de
belanghebbende verschuldigde bedrag aan terugvordering te betalen.
7. Artikel 27, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33. Aansprakelijkheid bij terugvordering
1. De partner van de belanghebbende is hoofdelijk aansprakelijk
voor een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan
terugvordering, daaronder begrepen de in de artikelen 27 en 29
bedoelde rente alsmede de kosten van aanmaning en de kosten van
invordering bij dwangbevel. De partner is niet aansprakelijk voor een
aan de belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete, tenzij het belopen
daarvan mede aan hem is te wijten.
2. Aansprakelijkstelling geschiedt bij beschikking van de
Belastingdienst/Toeslagen. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid
bestaat, is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de
beschikking. De artikelen 28, derde lid, 30, 31 en 32 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Op de beschikking, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen
4:97 tot en met 4:102 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing
Artikel 34. Aanvullende bepalingen inzake invordering van een
terugvordering
1. Tot het verrichten van de bij of krachtens een wet aan een
deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voor zover die werkzaamheden
geschieden in opdracht van de Belastingdienst/Toeslagen, uitsluitend
een belastingdeurwaarder als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel j, van de Invorderingswet 1990, bevoegd.
2. De Kostenwet invordering rijksbelastingen is van overeenkomstige
toepassing.
3. In afwijking van artikel 4:92, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de toerekening van de betalingen
achtereenvolgens aan:
a. de kosten van invordering;
b. de rente bij te late betaling;
c. de terugvordering, de in rekening gebrachte rente bedoeld in
artikel 27 en de bestuurlijke boete, naar evenredigheid.
Paragraaf 4. Bezwaar en beroep
Artikel 35. Aanvang bezwaartermijn
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt
de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van
dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is
vóór de dag van de bekendmaking.
Artikel 36. Aanvang beroepstermijn
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt
de termijn voor het instellen van beroep tegen een uitspraak op bezwaar
aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak, tenzij de dag van
dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.
Artikel 37. Bezwaar inzake meer beschikkingen vervat in één
geschrift
1. Een bezwaar tegen de toekenning of herziening van een
tegemoetkoming wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel
blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning of herziening
van andere tegemoetkomingen over hetzelfde berekeningsjaar die bij
hetzelfde geschrift zijn toegekend of herzien, alsmede tegen de in
verband daarmee berekende rente.
2. Indien een tegemoetkoming is herzien en naar aanleiding daarvan
een bestuurlijke boete is opgelegd die is vervat in hetzelfde
geschrift als de herziening, wordt een bezwaarschrift tegen de
herziening geacht mede te zijn gericht tegen de boete.
3. Een bezwaar tegen de toekenning van een tegemoetkoming wordt,
tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te
zijn gericht tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in
artikel 14, derde lid, die is vervat in hetzelfde geschrift.
4. Een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld
in artikel 14, derde lid, wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het
tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning van
een tegemoetkoming die is vervat in hetzelfde geschrift.
5. De Belastingdienst/Toeslagen kan uitspraken op bezwaar in de in
het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde gevallen vervatten in
één geschrift.
Paragraaf 5. Informatieverstrekking en informatie-uitwisseling
Artikel 38. Informatieverstrekking aan de Belastingdienst/Toeslagen
1. Openbare lichamen met uitzondering van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba en rechtspersonen die bij of krachtens
een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder
hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die
hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, en ieder
ander die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen verstrekken
op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze aan de
Belastingdienst/Toeslagen kosteloos de gegevens en inlichtingen
waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de uitvoering van
deze wet.
2. De gegevens en inlichtingen worden verstrekt binnen een door de
Belastingdienst/Toeslagen te stellen termijn.
3. Indien de gevraagde gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn
verstrekt, maant de Belastingdienst/Toeslagen aan onder het stellen
van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen
te verstrekken.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de vermelding van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de
gegevens en inlichtingen betrekking hebben bij het verstrekken van de
gegevens en inlichtingen.
5. In de gevallen waarin het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer dient te worden vermeld,
is degene op wie de in het eerste lid bedoelde gegevens en
inlichtingen betrekking hebben gehouden zijn burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer te verstrekken
aan de in het eerste lid bedoelde openbare lichamen met uitzondering
van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
rechtspersonen alsmede degenen die ingevolge het eerste lid bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
Artikel 38a. Gegevensverstrekking door de Belastingdienst/Toeslagen
De Belastingdienst/Toeslagen kan onder bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden ten behoeve van bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen voorzieningen die de
dienstverlening voortvloeiende uit de uitvoering van deze wet
verbeteren, gegevens verstrekken die voor deze dienstverlening nodig
zijn.
Artikel 39. Informatie-uitwisseling
1.De Belastingdienst/Toeslagen en de inspecteur en de ontvanger
wisselen de gegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de
uitvoering van deze wet en voor de heffing en invordering van
rijksbelastingen, onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de
gegevens of inlichtingen betrekking hebben.
2.Onze Minister verstrekt aan Onze Ministers wie het aangaat de
inlichtingen die zij nodig hebben voor de beleidsvorming en
beleidsevaluatie alsmede voor het volgen van de ontwikkeling van de
uitgaven, met betrekking tot inkomensafhankelijke regelingen.
3.Onze Ministers wie het aangaat verstrekken aan Onze Minister de
inlichtingen die hij nodig heeft voor de uitvoering van
inkomensafhankelijke regelingen door de Belastingdienst/Toeslagen.
Paragraaf 6. Bestuurlijke boete
Artikel 40. Bestuurlijke boete bij niet, niet tijdige of onjuiste
informatieverstrekking door belanghebbenden
1. Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner
gehouden is tot het verstrekken van gegevens of inlichtingen,
waaronder begrepen de inartikel 15, achtste en negende lid, bedoelde
opgaaf van het niet in Nederland belastbaar inkomen, en deze persoon
daaraan niet, dan wel niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft
voldaan, kan de Belastingdienst/Toeslagen hem een bestuurlijke boete
van ten hoogste€ 1500 opleggen.
2. Indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende, zijn
partner of een medebewoner is te wijten dat geen, dan wel onjuiste of
onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt tengevolge waarvan
een of meer tegemoetkomingen tot een te hoog bedrag is of zijn
toegekend, kan de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende, zijn
partner of de medebewoner een bestuurlijke boete opleggen van 25
procent van het bedrag dat van de belanghebbende in verband daarmee
wordt teruggevorderd bij een herziening. De boete bedraagt niet meer
dan € 5000.
3. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete is artikel 67g,
tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij het opleggen van de in het eerste lid bedoelde bestuurlijke
boete vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen
toepassing.
5. In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid, vijf jaren na de dag
waarop de in artikel 18, derde lid, gestelde termijn is verstreken en
een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid, vijf jaren na
het einde van het berekeningsjaar waarop de te hoog toegekende
tegemoetkoming betrekking heeft.
6. Indien de tegemoetkoming wordt herzien als gevolg van een
vaststelling of herziening van de beschikking verzamelinkomen als
bedoeld in artikel 9.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een
vaststelling of herziening van een beschikking niet in Nederland
belastbaar inkomen, worden onder de in het tweede lid bedoelde
gegevens of inlichtingen mede verstaan de gegevens of inlichtingen die
ten behoeve van deze beschikking aan de inspecteur zijn verstrekt dan
wel hadden moeten worden verstrekt. Artikel 67d van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is niet van toepassing.
6. Indien de tegemoetkoming wordt herzien als gevolg van:
a. een eerste bepaling of herziening van het inkomensgegeven,
bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, in het geval er geen inkomstenbelasting
verschuldigd is, dan wel de aanslag inkomstenbelasting is
vastgesteld op nihil;
b. een vaststelling of herziening van een beschikking niet in
Nederland belastbaar inkomen;
worden onder de in het tweede lid bedoelde gegevens of inlichtingen
mede verstaan de gegevens of inlichtingen die ten behoeve van deze
beschikking aan de inspecteur zijn verstrekt dan wel hadden moeten
worden verstrekt. Artikel 67d van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is niet van toepassing.
Artikel 41. Bestuurlijke boete bij niet, niet tijdige of onjuiste
informatieverstrekking door derden
1. Indien degene die op grond van artikel 38, eerste lid, bij
algemene maatregel van bestuur is aangewezen, op grond van artikel 38
gehouden is tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen, en hij
of zij deze niet dan wel niet binnen de ingevolge artikel 38, derde
lid, gestelde termijn verstrekt, kan de Belastingdienst/Toeslagen hem
of haar een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1500 opleggen.
2. Indien het aan opzet of grove schuld van degene die op grond van
artikel 38, eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen en op grond van artikel 38 gehouden is tot het verstrekken
van gegevens en inlichtingen, is te wijten dat geen, dan wel onjuiste
of onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt kan de
Belastingdienst/Toeslagen hem of haar een bestuurlijke boete opleggen
van ten hoogste € 5000.
3. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete zijn de artikelen
67g, tweede lid, en 67p van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
van overeenkomstige toepassing.
4. Bij het opleggen van de in het eerste lid bedoelde bestuurlijke
boete vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen
toepassing.
5. In afwijking in zoverre van 5:45 van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete vijf jaren na de dag waarop de in artikel 38, derde
lid, gestelde termijn is verstreken.
Artikel 41a. Indexatie boetebedragen [Treedt in werking per
01-07-2012]
1. De in deartikelen 40, eerste lid, en 41, eerste lid, genoemde
bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar,
bij ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het
eerst plaats per 1 januari 2015. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van
de factoren van de laatste vijf kalenderjaren.
2. De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met
betrekking tot overtredingen die hebben plaatsgevonden na het begin
van het kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn
gewijzigd.
Artikel 42. Vrijwillige verbetering
Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de
Belastingdienst/Toeslagen alsnog de juiste en volledige gegevens en
inlichtingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat de Belastingdienst/Toeslagen met de onjuistheid of onvolledigheid
bekend is of bekend zal worden, wordt aan hem niet de bestuurlijke
boete, bedoeld in artikel 40, opgelegd.
Hoofdstuk 3. Toezicht en opsporing
Artikel 43. Toezichthouders
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Ministers wie het
aangaat, aangewezen ambtenaren.
2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in
de artikelen 5:15, 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 44. Opsporingsambtenaren
1.Met de opsporing van de feiten omschreven in de artikelen 225 tot
en met 227b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover
het feit voor de toepassing van deze wet van belang is, zijn,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de
ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Ministers wie het aangaat.
Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van feiten,
strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182, en 184 van het
Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op
een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen
Artikel 45. Beslagverbod
1.Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding,
belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement
of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,
tenzij het betreft beslag wegens:
a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting
wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting
ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming;
b. een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan
terugvordering dat betrekking heeft op dezelfde
inkomensafhankelijke regeling.
De uitzondering opgenomen in onderdeel a van dit lid is niet van
toepassing met betrekking tot een tegemoetkoming in het kader van de
Wet op het kindgebonden budget.
2.Elk beding dat strijdt met het eerste lid is nietig.
Artikel 46. Samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de samenloop van tegemoetkomingen met tegemoetkomingen op
grond van een buitenlandse regeling of een regeling van een
volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 47. Hardheidsclausule
Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers wie
het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen
tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich
bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, mochten voordoen.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 48. Evaluatie
Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Ministers wie het
mede aangaat, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en
vervolgens vijfjaarlijks, aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 50. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op 1 september 2005 en geldt voor
berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2006.
Artikel 51. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 juni 2005
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de vijfde juli 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|