Nadere regelgeving:
-
Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen
2008'
- Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
- Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
WET van 23 juni 2005 tot harmonisatie van
inkomensafhankelijke regelingen (Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
inkomensafhankelijke regelingen, zoals die op het punt van wonen,
kinderen en zorg, zoveel mogelijk te harmoniseren door een aantal
algemene begrippen in die regelingen onder te brengen in één nieuwe
wet, en de uitvoering van deze regelingen te stroomlijnen door deze waar
mogelijk te laten plaatsvinden door de Belastingdienst/Toeslagen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Toepassingsgebied
Artikel 1. Toepassingsgebied
1.Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.
2.In afwijking van het eerste lid is deze wet op inkomensafhankelijke
regelingen die vóór 1 januari 2006 van kracht zijn, slechts van
toepassing voor zover dit in de desbetreffende inkomensafhankelijke
regeling is bepaald.
3.Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan bij of krachtens
wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op
een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of
bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die
regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht.
Paragraaf 2. Begrippen
Artikel 2. Definities
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in
inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:
a. belastbaar loon: het belastbare loon bedoeld in artikel 9 van de Wet
op de loonbelasting 1964, met uitzondering van loon dat als een
eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast;
b. berekeningsjaar: het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking
heeft;
c. kind: de persoon bedoeld in artikel 4;
d. lidstaat: een Staat die lid is van de Europese Unie of een andere
Staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
e. medebewoner: de persoon die op hetzelfde woonadres als de
belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt
aangemerkt:
1°. de partner van de belanghebbende,
2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de
belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of
aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens
partner,
3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon
behoort;
f. partner: de persoon bedoeld in artikel 3;
g. sociaal-fiscaalnummer: het nummer bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel k, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
h. tegemoetkoming: een financiële bijdrage van het Rijk op grond van
een inkomensafhankelijke regeling;
i. toetsingsinkomen: het inkomen bedoeld in artikel 8;
j. verzamelinkomen: het verzamelinkomen bedoeld in artikel 2.18 van de
Wet inkomstenbelasting 2001;
k. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
l. inspecteur: de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel
b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
m. niet in Nederland belastbaar inkomen: inkomen dat niet in het
verzamelinkomen of het belastbare loon is begrepen omdat het niet
behoort tot het Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 7.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of omdat het is vrijgesteld op grond van
bepalingen van interregionaal of internationaal recht;
n. ontvanger: de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
i, van de Invorderingswet 1990;
o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel
e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
p. burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
Onze Minister: Onze Minister van Financiën.
Artikel 3. Partner
1.De partner van de belanghebbende is degene die hierna als eerste wordt
genoemd:
a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde
partner;
b. degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en:
1°. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het
berekeningsjaar kiest voor kwalificatie als partner van de
belanghebbende;
2°. ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract heeft
gesloten met de belanghebbende;
3°. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;
4°. een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel van wie een
kind door de belanghebbende is erkend;
5°. in een aan het berekeningsjaar voorafgaand kalenderjaar partner van
de belanghebbende was;
6°. voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de
belanghebbende is aangemeld, of
7°. samen met de belanghebbende een woning bewoont die voor hen een
eigen woning is in de zin van artikel 3.111 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en aansprakelijk is of mede aansprakelijk is
voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient;
c. de meerderjarige die in het berekeningsjaar gedurende meer dan zes
maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert met de
meerderjarige belanghebbende en gedurende die tijd op hetzelfde
woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, met uitzondering van:
1°. de bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belanghebbende;
2°. de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de zijlijn van de
belanghebbende gedurende de periode dat de belanghebbende op hetzelfde
woonadres als zijn ouder staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens.
2.Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het
berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner
aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij
in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
3.Indien ingevolge het eerste lid, onderdeel c, tegelijkertijd meer dan
één persoon als partner wordt aangemerkt, wijst de belanghebbende bij
de aanvraag van de tegemoetkoming een van deze personen aan als partner.
Artikel 4. Kind
1.Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de
belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt
onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en op hetzelfde
woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens. Met een bloedverwant of aanverwant
in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.
2.De in het eerste lid opgenomen voorwaarde van inschrijving in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt niet gedurende
de periode waarin de aldaar bedoelde persoon tegelijkertijd tot de
huishoudens van zijn beide ouders behoort en hij op hetzelfde woonadres
als een van die ouders staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing van de eerste
volzin behoort iemand tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders
indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van
beide huishoudens verblijft.
3.Een kind wordt in belangrijke mate onderhouden als bedoeld in het
eerste lid indien is voldaan aan de regels gesteld krachtens artikel 1.5
van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 5
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
alsmede voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen, wordt
een wijziging in de omstandigheden en van de leeftijd van de
belanghebbende, de partner of een medebewoner die zich voordoet na de
eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van
de daaropvolgende maand.
Artikel 6. Gelijkstelling met gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens
1.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking overeenkomende
administratie buiten Nederland.
2.Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld op
basis waarvan iemand die niet in Nederland woont, geacht wordt op zijn
woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende
administratie buiten Nederland.
3.Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld op
basis waarvan iemand die in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt
daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven.
4.Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt naar de
omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.
Paragraaf 3. Bepaling draagkracht
Artikel 7. Draagkracht
1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een
inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in
artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking
genomen.
2. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de
draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht
van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op
of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het
toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.
3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een
tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat
geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of,
indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner
heeft, zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en
beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001
in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen
indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen bedoeld in
afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.
4. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een
tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen van
medebewoners, bestaat tevens geen aanspraak op een tegemoetkoming indien
bij een medebewoner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en
beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001
in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen
indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen bedoeld in
afdeling 5.3 en 5.3A van die wet. Het bepaalde in de eerste volzin geldt
alleen ten aanzien van degenen van wie het medebewonerschap het gehele
berekeningsjaar heeft geduurd.
5. Het toetsingsinkomen van een medebewoner die een eerstegraads bloed-
of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de
belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, en die bij de
aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft
bereikt, wordt voor de toepassing van het tweede lid slechts in
aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 4424.
6. Met betrekking tot het bedrag vermeld in het vijfde lid zijn de
artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8. Toetsingsinkomen
1.Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende
inkomensgegeven.
2.Niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is
vastgesteld, wordt in aanvulling op het eerste lid mede als
toetsingsinkomen in aanmerking genomen.
3.Indien zulks leidt tot een ten minste 10 percent lager
toetsingsinkomen, wordt bij beëindiging van het partnerschap in het
berekeningsjaar, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid,
op verzoek van de belanghebbende bij de berekening van het
toetsingsinkomen van de partner:
a. geen rekening gehouden met:
1°. belastbaar loon dat is genoten na de beëindiging van het
partnerschap;
2°. winst uit een onderneming die na de beëindiging van het
partnerschap is gestart; en
3°. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden indien de
werkzaamheden na beëindiging van het partnerschap zijn gestart;
b. het belastbare loon dat in de periode van partnerschap is genoten
tijdsevenredig herleid naar een jaarloon.
4.Bij beëindiging van het medebewonerschap in het berekeningsjaar is
het derde lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het
toetsingsinkomen van de medebewoner.
5.Bij overlijden van de belanghebbende, zijn partner, of een medebewoner
wordt, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid het
toetsingsinkomen van de overledene berekend door het op grond van die
leden bepaalde toetsingsinkomen tijdsevenredig te herleiden naar een
jaarinkomen.
6.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de
toepassing van het derde tot en met het vijfde lid.
Artikel 8a. Vaststelling van niet in Nederland belastbaar inkomen
1.Het niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld door de
inspecteur.
2.Het niet in Nederland belastbaar inkomen is:
a. ten aanzien van degene die binnenlandse belastingplichtige is voor de
inkomstenbelasting: het verschil tussen het verzamelinkomen dat hij zou
hebben genoten ingeval er geen vrijstelling van interregionaal of
internationaal recht van toepassing zou zijn en het verzamelinkomen dat
hij met toepassing van de vrijstelling geniet;
b. ten aanzien van degene die buitenlandse belastingplichtige is voor de
inkomstenbelasting: het verschil tussen enerzijds het verzamelinkomen
dat hij zou hebben genoten ingeval hij op de voet van artikel 2.5 van de
Wet inkomstenbelasting 2001 zou hebben gekozen voor toepassing van de
regels voor binnenlandse belastingplichtigen en, in geval van
vrijstelling op grond van bepalingen van interregionaal of
internationaal recht, zonder die vrijstelling, en anderzijds het
verzamelinkomen dat hij heeft genoten als buitenlandse
belastingplichtige;
c. ten aanzien degene die geen belastingplichtige is voor de
inkomstenbelasting: het verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten
ingeval hij binnenlandse belastingplichtige zou zijn voor die belasting
en, in geval van vrijstelling op grond van bepalingen van interregionaal
of internationaal recht, zonder die vrijstelling.
3.Indien er grond is voor het vermoeden dat vaststelling van het niet in
Nederland belastbaar inkomen ten onrechte achterwege is gelaten of dat
dit inkomen tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur
alsnog het niet in Nederland belastbaar inkomen vaststellen dan wel het
vastgestelde niet in Nederland belastbaar inkomen herzien.
4.Bij de in het eerste lid bedoelde vaststelling van het niet in
Nederland belastbaar inkomen zijn, in afwijking in zoverre van de
Algemene wet bestuursrecht, de bepalingen van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met uitzondering van de hoofdstukken VA en VIIIA, van
toepassing als betrof het de vaststelling van een aanslag
inkomstenbelasting.
5.Bij de in het derde lid bedoelde vaststelling dan wel herziening van
het niet in Nederland belastbaar inkomen zijn, in afwijking in zoverre
van de Algemene wet bestuursrecht, de bepalingen van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de hoofdstukken VA en
VIIIA, van toepassing als betrof het de vaststelling van een
navorderingsaanslag inkomstenbelasting.
6.Een beschikking op grond van dit artikel wordt aangemerkt als een voor
bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
Paragraaf 4. Afwijkende rechten bij vreemdelingen
Artikel 9. Wijziging status vreemdelingen; partner of medebewoner is
vreemdeling
1.Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld
in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet
2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de omstandigheid dat hij
aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van
artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij
daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende
de periode van laatstgenoemd verblijf.
2.Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet
rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een
tegemoetkoming.
3.Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de
draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht
van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op
of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, heeft de
belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming ingeval een
medebewoner een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de
zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Indien de medebewoner
een alleenstaande minderjarige vreemdeling is in de zin van artikel 1,
onderdeel e, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005, geldt de eerste volzin niet tot het
moment waarop het recht op opvang ingevolge die regeling eindigt.
Paragraaf 5. Uitoefening rechten door minderjarigen
Artikel 10. Uitoefening rechten door minderjarigen
1.Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die
noodzakelijk zijn om een tegemoetkoming te verkrijgen. Hij is voorts
bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn met
betrekking tot de uitoefening, onderscheidenlijk de nakoming van de voor
hem uit de toekenning van tegemoetkomingen voortvloeiende rechten en
verplichtingen.
2.Indien op grond van een inkomensafhankelijke regeling alleen
meerderjarigen aanspraak op een tegemoetkoming hebben, wordt voor die
regeling mede als meerderjarige aangemerkt de minderjarige met een kind
of de minderjarige van wie beide ouders zijn overleden.
Hoofdstuk 2. Procedure bij uitvoering door belastingdienst/toeslagen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 11. Toepassingsgebied
1.De bepalingen van dit hoofdstuk gelden voor de inkomensafhankelijke
regelingen waarvan de uitvoering bij die regeling is opgedragen aan de
Belastingdienst/Toeslagen.
2.Onder Belastingdienst/Toeslagen wordt verstaan: het
organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst dat is belast met het
toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen.
Artikel 12
Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven titel 4.2 en artikel 4:125
van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing en zijn artikel
3:40, titel 4.1 en de hoofdstukken 6 en 7 van die wet niet van
toepassing op de verrekeningsbeschikking, bedoeld in artikel 30.
Artikel 13. Gebruik burgerservicenummer of sociaal-fiscaalnummer
De Belastingdienst/Toeslagen maakt voor de uitvoering van deze wet
gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
Paragraaf 2. Tegemoetkoming
Artikel 14. Toekennen tegemoetkoming
1.Een tegemoetkoming wordt op aanvraag toegekend door de
Belastingdienst/Toeslagen.
2.Indien partners een gezamenlijke aanspraak op een tegemoetkoming
hebben, wordt de tegemoetkoming uitsluitend toegekend aan de aanvrager.
3.Het bedrag van de tegemoetkoming wordt rekenkundig afgerond op hele
euro’s.
4.Een tegemoetkoming wordt niet toegekend indien deze minder dan
€ 24 zou bedragen.
5.Bij wet kan worden bepaald dat een belanghebbende geacht wordt een
aanvraag te hebben gedaan.
Artikel 15. Aanvraag tegemoetkoming
1.Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een
berekeningsjaar kan tot 1 april van het jaar volgend op het
berekeningsjaar worden ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
Indien de belanghebbende, diens partner of een medebewoner voor de in de
eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar
aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum
verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de
laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte
gestelde termijn. Indien meer dan een van de personen, bedoeld in de
tweede volzin, is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen,
wordt voor de toepassing van die volzin uitgegaan van de aangifte
waarvan de indieningstermijn het laatst verloopt.
2.Indien de belanghebbende een partner heeft, wordt de aanvraag mede
ondertekend door de partner.
3.Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de
draagkracht van belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van
medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de
bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt de aanvraag mede
ondertekend door de medebewoners.
4.Een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het
berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.
5.Indien de Belastingdienst/Toeslagen van oordeel is dat toepassing van
het vierde lid kan worden beëindigd, deelt hij dit de belanghebbende
schriftelijk mee.
6.De Belastingdienst/Toeslagen kan op eigen initiatief een
aanvraagformulier toezenden aan degene die vermoedelijk voor een
tegemoetkoming in aanmerking komt. Op dat formulier kunnen voor de
belanghebbende en zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of
geregistreerde partner de gegevens worden vermeld die van belang kunnen
zijn voor de beoordeling van de aanspraak of de bepaling van de hoogte
van de tegemoetkoming.
7.In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen kan de in
het zesde lid bedoelde vermelding van gegevens ook plaatsvinden voor de
partner die niet is de in dat lid bedoelde partner. De voordracht voor
een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
8.De belanghebbende of de partner die niet in Nederland belastbaar
inkomen geniet, is gehouden aan de inspecteur een opgaaf te verstrekken
van dat inkomen. Ter zake van die opgaaf is de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met uitzondering van Hoofdstuk VIIIA, van toepassing,
als ware het een aangifte inkomstenbelasting.
9.Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de
draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht
van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op
of voor de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, is het achtste
lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de medebewoner die
niet in Nederland belastbaar inkomen geniet.
10.Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner in het
berekeningsjaar als binnenlands belastingplichtige voor de
inkomstenbelasting inkomen geniet ter zake waarvan recht bestaat op een
vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van
regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, wordt ten aanzien van
degene die dat inkomen geniet de aanvraag voor zoveel nodig tevens
aangemerkt als een verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van
aangifte inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 16. Voorschot op tegemoetkoming
1.Indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, verleent de
Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het bedrag
waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.
2.Ingeval de belanghebbende voor het gehele berekeningsjaar aanspraak
heeft op een tegemoetkoming wordt het voorschot verleend:
a. indien de aanvraag ten minste acht weken vóór het berekeningsjaar
is ingediend of indien de tegemoetkoming wordt toegekend met toepassing
van artikel 15, vierde lid: vóór de aanvang van het berekeningsjaar;
b. in andere gevallen: binnen acht weken na de ontvangst van de
aanvraag.
3.Indien de Belastingdienst/Toeslagen voor de beoordeling van de
aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming
informatie nodig heeft van buiten Nederland kunnen de in het tweede lid
genoemde termijnen worden verlengd met ten hoogste zes maanden. De
Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende schriftelijk van deze
verlenging in kennis.
4.De Belastingdienst/Toeslagen kan het voorschot herzien.
5.Een herziening van het voorschot kan leiden tot een terug te vorderen
bedrag.
Artikel 17. Na voorschot melding wijziging omstandigheden
1. Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een
relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn
voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van
de tegemoetkoming, is de belanghebbende gehouden die wijziging te melden
aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke wijzigingen in
omstandigheden aanleiding geven voor een melding en op welke wijze en
binnen welke termijn de melding wordt gedaan.
3. Indien de belanghebbende een partner heeft, kan de melding ook door
de partner worden gedaan.
4. Indien de melding betrekking heeft op een medebewoner, kan de melding
ook worden gedaan door de medebewoner.
Artikel 18. Verzoeken van Belastingdienst/Toeslagen tot
informatieverstrekking
1.Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de
Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die
voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van
de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.
2.De gegevens en inlichtingen worden verstrekt binnen een door de
Belastingdienst/Toeslagen te stellen termijn.
3.Indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt door de
persoon aan wie dit is gevraagd, maant de Belastingdienst/Toeslagen hem
aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde
gegevens en inlichtingen te verstrekken.
4.Indien niet aan de in de vorige leden genoemde verplichtingen is
voldaan, bepaalt de Belastingdienst/Toeslagen ambtshalve de hoogte van
de tegemoetkoming.
Artikel 19. Beslistermijn toekenning tegemoetkoming
1.Indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner
over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt
vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met
betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen 13 weken nadat de laatste
in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend,
of, indien dat eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de
laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van
de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend
vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te
zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar.
Indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner
over het berekeningsjaar een beschikking ter zake van niet in Nederland
belastbaar inkomen wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen
de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen acht
weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde
beschikking. De derde volzin is uitsluitend van toepassing indien de in
die volzin genoemde termijn verloopt op een datum die gelegen is na
afloop van de in de eerste volzin bedoelde termijn.
2.Indien voor geen van de in het eerste lid bedoelde personen over het
berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting of een beschikking ter
zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld, kent de
Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot dat
berekeningsjaar toe vóór 1 december van het jaar volgend op het
berekeningsjaar.
3.Indien de tegemoetkoming niet binnen de in de vorige leden genoemde
termijn kan worden toegekend, stelt de Belastingdienst/Toeslagen de
belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis onder het noemen van een
redelijke termijn waarbinnen toekenning zal plaatsvinden.
Artikel 20. Herziening tegemoetkoming wegens wijziging fiscale gegevens
na toekenning
1.Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een wijziging van
een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat
de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend,
herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming
van die wijziging.
2.De herziening geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop het
gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is
geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het
eerste lid bedoelde wijziging onherroepelijk is geworden.
3.Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een uit te
betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag.
Artikel 21. Herziening tegemoetkoming om andere reden
1.De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming
herzien:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de
Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de
hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot
een te hoog bedrag is toegekend, of
b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de
belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.
2.Een tegemoetkoming kan met toepassing van dit artikel niet meer worden
herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het
berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
3.Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een terug te
vorderen bedrag.
Paragraaf 3. Uitbetaling en terugvordering
Artikel 22. Uitbetaling voorschot
1.Een voorschot dat wordt verleend vóór de aanvang van het
berekeningsjaar waarop het voorschot betrekking heeft, wordt uitbetaald
in 12 termijnen. De uitbetaling van de eerste termijn vindt plaats in de
maand december voorafgaand aan het berekeningsjaar en elke volgende
termijn telkens een maand later.
2.Een voorschot dat wordt verleend in de loop van het berekeningsjaar
waarop het voorschot betrekking heeft, en waarvan de beschikking een
dagtekening heeft die ligt vóór 1 november van dat jaar, wordt
uitbetaald in zoveel termijnen als er na de maand van dagtekening nog
kalendermaanden van dat jaar overblijven. De uitbetaling van de eerste
termijn vindt plaats in de maand van dagtekening en elke volgende
termijn telkens een maand later.
3.Indien de belanghebbende voor een deel van het berekeningsjaar
aanspraak heeft op een tegemoetkoming wordt, in zoverre in afwijking van
de voorgaande leden, het voorschot in zoveel termijnen uitbetaald als
het aantal kalendermaanden waarin de aanspraak bestaat. De uitbetaling
van de eerste termijn vindt niet eerder plaats dan in de maand
voorafgaand aan de maand waarin de aanspraak ontstaat.
4.Indien een beschikking waarbij over het berekeningsjaar voor het eerst
een voorschot wordt verleend een dagtekening heeft die ligt na de maand
waarin de aanspraak is ontstaan, wordt het voorschot voorzover dat
betrekking heeft op de in het berekeningsjaar reeds verstreken
kalendermaanden waarin de aanspraak bestond met inbegrip van de maand
van dagtekening van de beschikking, in één bedrag uitbetaald in de
maand van dagtekening en wordt het daarna nog resterende deel van het
voorschot uitbetaald overeenkomstig het tweede lid.
5.Een voorschot dat wordt verleend in de loop van of na afloop van het
berekeningsjaar waarop het voorschot betrekking heeft en waarvan de
beschikking een dagtekening heeft die ligt na 31 oktober van dat jaar,
wordt in één bedrag uitbetaald in de maand van dagtekening.
6.Ingeval er bij de uitbetaling van een voorschot een situatie van
interregionaal of internationaal recht van toepassing is, kan de
uitbetaling op een ander moment dan als bepaald in de voorgaande leden
plaatsvinden.
Artikel 23. Opschorten uitbetaling voorschot
De Belastingdienst/Toeslagen kan de uitbetaling van een voorschot geheel
of gedeeltelijk opschorten indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat
het voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. De
belanghebbende wordt van de opschorting schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 24. Uitbetaling tegemoetkoming
1.Een tegemoetkoming wordt uitbetaald binnen vier weken na dagtekening
van de beschikking.
2.Indien voorschotten zijn verleend, worden deze verrekend met de
tegemoetkoming.
3.De in het tweede lid bedoelde verrekening kan leiden tot een terug te
vorderen bedrag.
Artikel 25. Wijze van uitbetaling
1. Uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming geschiedt door de
Belastingdienst/Toeslagen door middel van een bijschrijving op een ten
name van de belanghebbende of diens partner bestaande bankrekening,
tenzij daartoe door de belanghebbende een andere rekening is aangewezen.
2. Indien daartoe gegronde redenen aanwezig zijn, kan de
Belastingdienst/Toeslagen in afwijking van de aanwijzing, bedoeld in het
eerste lid, een voorschot of een tegemoetkoming bijschrijven op een ten
name van de belanghebbende of diens partner bestaande bankrekening.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de aanwijzing van een andere rekening als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 26. Terugvordering is verschuldigd door belanghebbende
Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een
voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening
van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de
belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel
verschuldigd.
Artikel 27. Rente bij beschikkingen na een half jaar na berekeningsjaar
1. Over uit te betalen bedragen wordt rente vergoed en over terug te
vorderen bedragen wordt rente in rekening gebracht.
2. De rente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op
1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag
van de dagtekening van de beschikking tot toekenning onderscheidenlijk
de beschikking tot herziening van de tegemoetkoming.
3. Het percentage van de rente is gelijk aan het percentage, bedoeld in
artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 28. Betalingstermijn bij terugvordering
1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een
terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente
binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering
te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2. Het bedrag van een bestuurlijke boete moet worden betaald binnen zes
weken na de dagtekening van de boetebeschikking.
3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
gestelde termijnen.
Artikel 29. Rente bij te late betaling terugvordering
Bij overschrijding van de in artikel 28 bedoelde betalingstermijn is
rente verschuldigd met overeenkomstige toepassing van de artikelen 28 en
29 van de Invorderingswet 1990.
Artikel 30. Verrekening
1. De Belastingdienst/Toeslagen is bevoegd tot verrekening van een door
de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een aan hem
uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop, een en ander ongeacht
de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en ongeacht het
berekeningsjaar.
2. De Belastingdienst/Toeslagen is tevens bevoegd, in afwijking van
artikel 3 van de Invorderingswet 1990, tot verrekening van een door de
belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met aan hem uit te
betalen bedragen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, en
heffingsrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag
inkomstenbelasting.
3. Een verrekening vindt niet eerder plaats dan nadat de termijn bedoeld
in artikel 28 is verstreken. De in de artikelen 27 en 29 bedoelde rente
alsmede bestuurlijke boeten kunnen in de verrekening worden betrokken.
Artikel 31
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het
verlenen van uitstel van betaling.
Artikel 32. Dwanginvordering bij terugvordering
1. Indien de belanghebbende het bedrag van de terugvordering, daaronder
begrepen de in artikel 27 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten,
niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de
Belastingdienst/Toeslagen hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee
weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
2. De invordering van het bedrag van de terugvordering kan geschieden
bij een door de Belastingdienst/Toeslagen uit te vaardigen dwangbevel.
In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de
aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde renten
worden ingevorderd.
3. De betekening van het dwangbevel geschiedt met overeenkomstige
toepassing van artikel 13 van de Invorderingswet 1990.
4. Artikel 14 van de Invorderingswet 1990 is van overeenkomstige
toepassing.
5. De belanghebbende kan met overeenkomstige toepassing van artikel 17
van de Invorderingswet 1990, tegen de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel in verzet komen.
6. Een derde die aan de belanghebbende loon, pensioen, lijfrente of
uitkeringen, een en ander als bedoeld in artikel 19 van de
Invorderingswet 1990, verschuldigd is, of een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waarbij belanghebbende
een tegoed op een rekening heeft, kan op vordering van de
Belastingdienst/Toeslagen met overeenkomstige toepassing van artikel 19
van de Invorderingswet 1990 worden verplicht het door de belanghebbende
verschuldigde bedrag aan terugvordering te betalen.
7. Artikel 27, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33. Aansprakelijkheid bij terugvordering
1. De partner van de belanghebbende is hoofdelijk aansprakelijk voor een
door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering, daaronder
begrepen de in de artikelen 27 en 29 bedoelde rente alsmede de kosten
van aanmaning en de kosten van invordering bij dwangbevel. De partner is
niet aansprakelijk voor een aan de belanghebbende opgelegde bestuurlijke
boete, tenzij het belopen daarvan mede aan hem is te wijten.
2. Aansprakelijkstelling geschiedt bij beschikking van de
Belastingdienst/Toeslagen. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid
bestaat, is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de beschikking.
De artikelen 28, vierde lid, 30, 31 en 32 zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Op de beschikking, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 4:97
tot en met 4:102 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing
Artikel 34. Aanvullende bepalingen inzake invordering van een
terugvordering
1. Tot het verrichten van de bij of krachtens een wet aan een
deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voor zover die werkzaamheden
geschieden in opdracht van de Belastingdienst/Toeslagen, uitsluitend een
belastingdeurwaarder als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j,
van de Invorderingswet 1990, bevoegd.
2. De Kostenwet invordering rijksbelastingen is van overeenkomstige
toepassing.
3. In afwijking van artikel 4:92, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de toerekening van de betalingen
achtereenvolgens aan:
a. de kosten van invordering;
b. de rente bij te late betaling;
c. de terugvordering, de in rekening gebrachte rente bedoeld in artikel
27 en de bestuurlijke boete, naar evenredigheid.
Paragraaf 4. Bezwaar en beroep
Artikel 35. Aanvang bezwaartermijn
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de
termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van
dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is
vóór de dag van de bekendmaking.
Artikel 36. Aanvang beroepstermijn
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de
termijn voor het instellen van beroep tegen een uitspraak op bezwaar aan
op de dag na die van dagtekening van de uitspraak, tenzij de dag van
dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.
Artikel 37. Bezwaar inzake meer beschikkingen vervat in één geschrift
1.Een bezwaar tegen de toekenning of herziening van een tegemoetkoming
wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede
te zijn gericht tegen de toekenning of herziening van andere
tegemoetkomingen over hetzelfde berekeningsjaar die bij hetzelfde
geschrift zijn toegekend of herzien, alsmede tegen de in verband daarmee
berekende rente.
2.Indien een tegemoetkoming is herzien en naar aanleiding daarvan een
bestuurlijke boete is opgelegd die is vervat in hetzelfde geschrift als
de herziening, wordt een bezwaarschrift tegen de herziening geacht mede
te zijn gericht tegen de boete.
3.De Belastingdienst/Toeslagen kan uitspraken op bezwaar in de in het
eerste en tweede lid bedoelde gevallen vervatten in één geschrift.
Paragraaf 5. Informatieverstrekking en informatie-uitwisseling
Artikel 38. Informatieverstrekking aan de Belastingdienst/Toeslagen
1.Openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een
bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen
ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die
hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, en ieder
ander die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen verstrekken
op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze aan de
Belastingdienst/Toeslagen kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan
de kennisneming van belang kan zijn voor de uitvoering van deze wet.
2.De gegevens en inlichtingen worden verstrekt binnen een door de
Belastingdienst/Toeslagen te stellen termijn.
3.Indien de gevraagde gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn
verstrekt, maant de Belastingdienst/Toeslagen aan onder het stellen van
een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te
verstrekken.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over de vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens en
inlichtingen betrekking hebben bij het verstrekken van de gegevens en
inlichtingen.
5.In de gevallen waarin het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer dient te worden vermeld, is degene op
wie de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen betrekking
hebben gehouden zijn burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
zijn sociaal-fiscaalnummer te verstrekken aan de in het eerste lid
bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen alsmede degenen die
ingevolge het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur zijn
aangewezen.
Artikel 38a. Gegevensverstrekking door de Belastingdienst/Toeslagen
De Belastingdienst/Toeslagen kan onder bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden ten behoeve van bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen voorzieningen die de
dienstverlening voortvloeiende uit de uitvoering van deze wet
verbeteren, gegevens verstrekken die voor deze dienstverlening nodig
zijn.
Artikel 39. Informatie-uitwisseling
1.De Belastingdienst/Toeslagen en de inspecteur en de ontvanger wisselen
de gegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitvoering van
deze wet en voor de heffing en invordering van rijksbelastingen, onder
vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens of inlichtingen
betrekking hebben.
2.Onze Minister verstrekt aan Onze Ministers wie het aangaat de
inlichtingen die zij nodig hebben voor de beleidsvorming en
beleidsevaluatie alsmede voor het volgen van de ontwikkeling van de
uitgaven, met betrekking tot inkomensafhankelijke regelingen.
3.Onze Ministers wie het aangaat verstrekken aan Onze Minister de
inlichtingen die hij nodig heeft voor de uitvoering van
inkomensafhankelijke regelingen door de Belastingdienst/Toeslagen.
Paragraaf 6. Bestuurlijke boete
Artikel 40. Bestuurlijke boete bij niet, niet tijdige of onjuiste
informatieverstrekking door belanghebbenden
1. Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner gehouden is
tot het verstrekken van gegevens of inlichtingen, waaronder begrepen de
in artikel 15, achtste en negende lid, bedoelde opgaaf van het niet in
Nederland belastbaar inkomen, en deze persoon daaraan niet, dan wel niet
binnen de daartoe gestelde termijn heeft voldaan, kan de
Belastingdienst/Toeslagen hem een bestuurlijke boete van ten hoogste €
1500 opleggen.
2. Indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende, zijn
partner of een medebewoner is te wijten dat geen, dan wel onjuiste of
onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt tengevolge waarvan
een of meer tegemoetkomingen tot een te hoog bedrag is of zijn
toegekend, kan de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende, zijn
partner of de medebewoner een bestuurlijke boete opleggen van 25 procent
van het bedrag dat van de belanghebbende in verband daarmee wordt
teruggevorderd bij een herziening. De boete bedraagt niet meer dan €
5000.
3. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete is artikel 67g, tweede
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij het opleggen van de in het eerste lid bedoelde bestuurlijke boete
vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing.
5. In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid, vijf jaren na de dag
waarop de in artikel 18, derde lid, gestelde termijn is verstreken en
een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid, vijf jaren na het
einde van het berekeningsjaar waarop de te hoog toegekende
tegemoetkoming betrekking heeft.
6. Indien de tegemoetkoming wordt herzien als gevolg van een
vaststelling of herziening van de beschikking verzamelinkomen als
bedoeld in artikel 9.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een
vaststelling of herziening van een beschikking niet in Nederland
belastbaar inkomen, worden onder de in het tweede lid bedoelde gegevens
of inlichtingen mede verstaan de gegevens of inlichtingen die ten
behoeve van deze beschikking aan de inspecteur zijn verstrekt dan wel
hadden moeten worden verstrekt. Artikel 67d van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is niet van toepassing.
6. Indien de tegemoetkoming wordt herzien als gevolg van:
a. een eerste bepaling of herziening van het inkomensgegeven, bedoeld in
artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, in het geval er geen inkomstenbelasting verschuldigd
is, dan wel de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld op nihil;
b. een vaststelling of herziening van een beschikking niet in Nederland
belastbaar inkomen;
worden onder de in het tweede lid bedoelde gegevens of inlichtingen mede
verstaan de gegevens of inlichtingen die ten behoeve van deze
beschikking aan de inspecteur zijn verstrekt dan wel hadden moeten
worden verstrekt. Artikel 67d van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is niet van toepassing.
Artikel 41. Bestuurlijke boete bij niet, niet tijdige of onjuiste
informatieverstrekking door derden
1. Indien degene die op grond van artikel 38, eerste lid, bij algemene
maatregel van bestuur is aangewezen, op grond van artikel 38 gehouden is
tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen, en hij of zij deze
niet dan wel niet binnen de ingevolge artikel 38, derde lid, gestelde
termijn verstrekt, kan de Belastingdienst/Toeslagen hem of haar een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 1500 opleggen.
2. Indien het aan opzet of grove schuld van degene die op grond van
artikel 38, eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen
en op grond van artikel 38 gehouden is tot het verstrekken van gegevens
en inlichtingen, is te wijten dat geen, dan wel onjuiste of onvolledige
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt kan de Belastingdienst/Toeslagen
hem of haar een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000.
3. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete zijn de artikelen 67g,
tweede lid, en 67p van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij het opleggen van de in het eerste lid bedoelde bestuurlijke boete
vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing.
5. In afwijking in zoverre van 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht
vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vijf
jaren na de dag waarop de in artikel 38, derde lid, gestelde termijn is
verstreken.
Artikel 42. Vrijwillige verbetering
Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de
Belastingdienst/Toeslagen alsnog de juiste en volledige gegevens en
inlichtingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat de Belastingdienst/Toeslagen met de onjuistheid of onvolledigheid
bekend is of bekend zal worden, wordt aan hem niet de bestuurlijke
boete, bedoeld in artikel 40, opgelegd.
Hoofdstuk 3. Toezicht en opsporing
Artikel 43. Toezichthouders
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet zijn belast de bij besluit van Onze Ministers wie het aangaat,
aangewezen ambtenaren.
2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de
artikelen 5:15, 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 44. Opsporingsambtenaren
1.Met de opsporing van de feiten omschreven in de artikelen 225 tot en
met 227b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het
feit voor de toepassing van deze wet van belang is, zijn, onverminderd
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren,
aangewezen bij besluit van Onze Ministers wie het aangaat. Deze
ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van feiten, strafbaar
gesteld in de artikelen 179 tot en met 182, en 184 van het Wetboek van
Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel,
vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen
Artikel 45. Beslagverbod
1.Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding,
belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of
toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij
het betreft beslag wegens:
a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een
geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die
prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming;
b. een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering dat
betrekking heeft op dezelfde inkomensafhankelijke regeling.
De uitzondering opgenomen in onderdeel a van dit lid is niet van
toepassing met betrekking tot een tegemoetkoming in het kader van de Wet
op het kindgebonden budget.
2.Elk beding dat strijdt met het eerste lid is nietig.
Artikel 46. Samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van tegemoetkomingen
met naar aard en strekking daarmee overeenkomende tegemoetkomingen op
grond van een buitenlandse regeling of een regeling van een
volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 47. Hardheidsclausule
Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers wie het
aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te
komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de
toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, mochten voordoen.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 48. Evaluatie
Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede
aangaat, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en
vervolgens vijfjaarlijks, aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 50. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op 1 september 2005 en geldt voor
berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2006.
Artikel 51. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 juni 2005
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de vijfde juli 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|