Nadere regelgeving:
- Besluit voorkoming dubbele
belasting 2001 (Bvdb 2001)
- Douanebesluit
(vervallen)
- Douaneregeling
(vervallen)
- Regeling
bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij
belastingen
- Uitvoeringsbeschikking
dividendbelasting 1965
- Uitvoeringsbeschikking
kansspelbelasting
- Uitvoeringsbeschikking
omzetbelasting 1968
- Uitvoeringsbesluit
accijns
- Uitvoeringsbesluit
motorrijtuigenbelasting 1994
- Uitvoeringsbesluit
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten
- Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
- Uitvoeringsregeling
Belastingdienst 2003
- Uitvoeringsregeling
Besluit voorkoming dubbele belasting 2001'
WET van 2 juli 1959, houdende regelen,
welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging
van de wetgeving inzake rijksbelastingen wenselijk is, regelen welke aan
een aantal belastingen gemeen zijn, in een algemene wet samen te vatten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. De bepalingen van deze wet gelden bij de heffing van
rijksbelastingen, de heffing van heffingsrente, revisierente en
bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden
vastgesteld of opgelegd, alsmede bij de uitvoering van de
basisregistratie inkomen.
2. Onder rijksbelastingen worden verstaan belastingen welke van
rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven.
3. Met betrekking tot de heffing van rijksbelastingen blijven titel 5.2
en afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing.
Artikel 2
1. Deze wet verstaat onder:
a. belastingwet: zowel deze wet als andere wettelijke bepalingen
betreffende de heffing van de onder artikel 1 vallende belastingen;
b. lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
doelvermogens.
2. Waar in de belastingwet wordt gesproken:
a. van vereniging, is daaronder begrepen de samenwerkingsvorm zonder
rechtspersoonlijkheid die met een vereniging maatschappelijk gelijk kan
worden gesteld;
b. met betrekking tot een lichaam van bestuurder, zijn daaronder
begrepen de beherende vennoot van een maat- of vennootschap en de
binnenlandse vertegenwoordiger van een niet binnen het Rijk gevestigd
lichaam, alsmede in geval van ontbinding hij die met de vereffening is
belast;
c. van Mogendheid, wordt daaronder mede begrepen een daarmee gelijk te
stellen bestuurlijke eenheid;
d. van staat, wordt daaronder mede begrepen Mogendheid;
e. van verdrag, wordt daaronder mede begrepen regelen ter voorkoming van
dubbele belasting die zijn overeengekomen met een in onderdeel c
bedoelde bestuurlijke eenheid;
f. van regeling ter voorkoming van dubbele belasting, wordt daaronder
mede begrepen regelen ter voorkoming van dubbele belasting die zijn
overeengekomen met een in onderdeel c bedoelde bestuurlijke eenheid.
3. De belastingwet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als zodanig
bij ministeriële regeling is aangewezen;
c. open commanditaire vennootschap: de commanditaire vennootschap
waarbij, buiten het geval van vererving of legaat, toetreding of
vervanging van commanditaire vennoten kan plaats hebben zonder
toestemming van alle vennoten, beherende zowel als commanditaire;
d.
1°. Rijk: Nederland;
2°. Nederland: Nederland, met dien verstande dat voor de heffing van de
inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting en de
assurantiebelasting Nederland tevens omvat de exclusieve economische
zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling
exclusieve economische zone, voorzover deze grenst aan de territoriale
zee van Nederland;
e. belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de
navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige
conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de conserverende
navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting, de schenk- en erfbelasting;
f. aandeel: mede de deelgerechtigdheid van een commanditaire vennoot in
een open commanditaire vennootschap;
g. Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van
het communautair douanewetboek (PbEG L 302);
h. toepassingsverordening Communautair douanewetboek: verordening (EEG)
nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli
1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van
verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 253);
i. kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn;
j. burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
k. sociaal-fiscaalnummer: het nummer dat door de rijksbelastingdienst is
toegekend aan de natuurlijke persoon aan wie geen burgerservicenummer is
toegekend.
4. Het in de belastingwet genoemde bestuur van ’s Rijks belastingen
wordt uitgeoefend door de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.
5. Hetgeen bij of krachtens deze wet wordt bepaald inzake de in het
derde lid, onderdeel e, bedoelde voorlopige aanslag, aanslag of
navorderingsaanslag, is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de in dat onderdeel bedoelde voorlopige conserverende aanslag,
onderscheidenlijk conserverende aanslag of conserverende
navorderingsaanslag, met dien verstande dat:
a. een voorlopige aanslag en in de belastingwet daartoe aangewezen
voorheffingen niet worden verrekend met een conserverende aanslag en een
voorlopige conserverende aanslag niet wordt verrekend met een aanslag;
b. een voorlopige conserverende aanslag niet wordt verrekend met een
conserverende aanslag doch vervalt tegelijk met de vaststelling van de
conserverende aanslag onder toerekening van het ter zake van de
voorlopige conserverende aanslag verleende uitstel van betaling, de
daaromtrent gestelde zekerheid, alsmede van de betalingen die op die
conserverende voorlopige aanslag mochten zijn verricht, aan de
conserverende aanslag.
6. Bepalingen van de belastingwet die rechtsgevolgen verbinden aan het
aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een
huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het
bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een
geregistreerd partnerschap.
7. Voor de toepassing van de belastingwet en de daarop berustende
bepalingen wordt een Europese coöperatieve vennootschap gelijkgesteld
met een Europese naamloze vennootschap met dien verstande dat bij
algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van de in die algemene
maatregel van bestuur genoemde bepalingen de rechtsvorm gelijkgesteld
kan worden met een coöperatie.
Artikel 3
1.De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet
bepaald naar een geografische indeling van Nederland.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst alsmede
omtrent de functionaris, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b,
onder wie een belastingplichtige ressorteert.
Artikel 4
1.Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
2.Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, ten
opzichte van de bemanning als deel van het Rijk beschouwd.
3.Voor de toepassing van de wettelijke bepalingen ter uitvoering van de
Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23
juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor
fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking
tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten (PbEG L 225), de
Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23
juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor
moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende
Lid-Staten (PbEG L 225) of Richtlijn nr. 2003/49/EG van de Raad van de
Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke
belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen
verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (Pb L 157) wordt, in
afwijking in zoverre van het eerste lid en voor zover dat voortvloeit
uit de genoemde Richtlijnen, een lichaam geacht te zijn gevestigd in een
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen indien dat lichaam volgens de
fiscale wetgeving van de Lid-Staat aldaar is gevestigd.
Artikel 5
1. De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake
daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De dagtekening
van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de
belastingaanslag. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering
van de daaruit blijkende belastingaanslag aan de ontvanger ter hand.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
het door de inspecteur nemen van een beschikking of het doen van
uitspraak strekkende tot - al dan niet nadere - vaststelling van een
ingevolge de belastingwet verschuldigd of terug te geven bedrag.
Artikel 5a [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk II. Aangifte
Artikel 6
1.Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij
wege van aanslag worden geheven, dan wel op aangifte worden voldaan of
afgedragen, kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk
belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van
aangifte. Worden door de belastingwet aangelegenheden van een derde
aangemerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk
belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, dan kan de inspecteur ook
die derde uitnodigen tot het doen van aangifte. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het
uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt.
2.Degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur indient,
wordt in elk geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.
3.Bij ministeriële regeling kan degene, die in de daarbij omschreven
omstandigheden verkeert, worden verplicht om binnen een te stellen
termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Artikel 7
1.In de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt opgave verlangd van
gegevens en kan overlegging of toezending worden gevraagd van bescheiden
en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan de kennisneming
voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.
2.Onder bescheiden en andere gegevensdragers worden voor de toepassing
van het eerste lid niet begrepen bescheiden en andere gegevensdragers
welke plegen te worden opgemaakt om te dienen als bewijs tegenover
derden.
Artikel 8
1.Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden
aangifte te doen door:
a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen,
te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, alsmede
b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers,
dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële regeling te bepalen
wijze in te leveren of toe te zenden.
2.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald:
a. voor welke belastingen of groepen van belastingplichtigen of
inhoudingsplichtigen het doen van aangifte uitsluitend langs
elektronische weg kan geschieden, en
b. onder welke voorwaarden hiervan door de inspecteur bij voor bezwaar
vatbare beschikking ontheffing kan worden verleend.
De in dit lid bedoelde belastingplichtigen kunnen uitsluitend betreffen
administratieplichtigen in de zin van artikel 52, tweede lid.
3.Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Bij ontvangst van de aangifte wordt desverlangd een
ontvangstbevestiging afgegeven.
5.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en
onder welke voorwaarden de inspecteur ontheffing kan verlenen van de
verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde
gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in
te leveren of toe te zenden.
Artikel 9
1.Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij
wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de
inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een
maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.
2.De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. Hij kan aan
de verlenging voorwaarden verbinden, onder meer dat vóór een door hem
te bepalen datum op bij ministeriële regeling te bepalen wijze gegevens
voor het opleggen van een voorlopige aanslag worden verstrekt.
3.De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het eerste,
onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de belastingplichtige
aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.
Artikel 10
1.Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op
aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte gedaan
bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot
het doen van aangifte.
2.Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan
binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand
na het einde van het tijdvak. Heeft de aangifte niet betrekking op een
tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde
termijn van ten minste een maand.
3.De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel van
het doen van aangifte verlenen.
Hoofdstuk III. Heffing van belasting bij wege van aanslag
Artikel 11
1.De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur.
2.De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte
afwijken, zomede de aanslag ambtshalve vaststellen.
3.De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop
van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze
termijn met de duur van dit uitstel verlengd.
4.Voor de toepassing van het derde lid wordt belastingschuld, waarvan de
grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover
de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip
waarop dat tijdvak eindigt.
Artikel 12
De inspecteur neemt het besluit om aan hem die aangifte heeft gedaan,
geen aanslag op te leggen, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 13
1.Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld
na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de
inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de
belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het
bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15
voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de
belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden
vastgesteld. Een voorlopige aanslag tot een positief bedrag wordt niet
vastgesteld voor de aanvang van het tijdvak waarover de belasting wordt
geheven.
2.Een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag die voor of in de loop
van het tijdvak wordt vastgesteld, wordt aangeduid als voorlopige
teruggaaf.
3.Een voorlopige aanslag kan, met inachtneming van de vorige leden, door
een of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld.
Artikel 14
1.In de gevallen waarin artikel 13 niet van toepassing is, kan de
inspecteur na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan,
volgens door Onze Minister te stellen regelen een voorlopige aanslag
opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal
worden vastgesteld.
2.Een voorlopige aanslag kan met inachtneming van het in het eerste lid
bepaalde, door één of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld.
Artikel 15
De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen
voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel - voor zoveel
nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare
beschikking.
Artikel 16
1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag
ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is
vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering,
ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan
wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting
navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs
bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren,
behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit
feit te kwader trouw is.
2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig
belasting is geheven, doordat:
a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of
een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag
is verrekend;
b. zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde of vierde
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is
gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag
bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs
kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven
belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet
verschuldigde belasting bedraagt.
3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag
vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de
belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van
toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt
de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De eerste
volzin is niet van toepassing voor zover navordering plaatsvindt met
toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid,
onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot
het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van
de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het
besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de
belastingaanslag is vastgesteld.
4. Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het
voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is
opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste
volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na
het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
5. Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van
verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in
verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of
teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft de
bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is over
het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is.
6. Indien een heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend aan de belastingplichtige doordat het maximale bedrag, bedoeld
in de artikelen 8.9, tweede lid, of 8.9a, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, is overschreden, blijft, na afloop van de
navorderingstermijn bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid tot
navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop een
belastingaanslag van zijn partner welke relevant is voor die
heffingskorting, of een beschikking dan wel uitspraak strekkende tot
vermindering van een zodanige belastingaanslag van zijn partner
onherroepelijk is geworden.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 18a
1.Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
onroerende zaken gegeven beschikking tot vaststelling van de waarde,
welke ingevolge een wettelijk voorschrift ten grondslag heeft gelegen
aan de heffing van belasting, is herzien met als gevolg dat:
a. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte achterwege is gelaten
of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de
belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, dan kan de inspecteur de
te weinig geheven belasting navorderen;
b. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene
vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte niet of tot een te
laag bedrag is verleend, dan vernietigt de inspecteur de ten onrechte
vastgestelde aanslag of navorderingsaanslag dan wel vermindert hij de
aanslag of navorderingsaanslag, onderscheidenlijk verleent hij alsnog de
in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf.
2.Het vaststellen van de navorderingsaanslag, onderscheidenlijk het
nemen van de beschikking tot vernietiging, vermindering, ontheffing of
teruggaaf op de voet van het eerste lid geschiedt binnen acht weken na
het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de
herziene vaststelling van de waarde onherroepelijk is geworden.
Eerstbedoelde beschikking is voor bezwaar vatbaar.
3.Ingeval de herziening gevolgen heeft voor de toepassing van artikel
3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot een jaar,
wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de termijn waarbinnen
navordering mogelijk is bepaald op de voet van artikel 16 en vangt de in
dat lid bedoelde termijn van acht weken niet eerder aan dan op het
tijdstip waarop de belastingplichtige een verzoek heeft ingediend tot
aanpassing van de aanslag of beschikking met betrekking tot dat jaar.
Een verzoek tot aanpassing wordt gedaan binnen een jaar na het tijdstip
waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene
vaststelling van de waarde, onherroepelijk is geworden.
4.Indien aan de heffing van belasting een aan een onroerende zaak
toegekende waarde ten grondslag ligt en met betrekking tot die
onroerende zaak voor een voor die heffing van belang zijnd kalenderjaar
een waarde wordt vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
waardering onroerende zaken, zijn het eerste, tweede en derde lid van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht
op aangifte
Artikel 19
1.In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak
verschuldigd geworden of afdracht van in een tijdvak ingehouden
belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige,
onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting binnen
één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan
de ontvanger te betalen.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld:
a. met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet worden
betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld volgens welke in de
loop van dat tijdvak één of meer voorlopige betalingen moeten worden
gedaan;
b. krachtens welke door de inspecteur aan de belastingplichtige,
onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel wordt verleend voor de
voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting of de
afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting, indien met betrekking
tot dat tijdvak dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór, tegelijk
met of minder dan 34 dagen na dat tijdvak een verzoek om teruggaaf van
belasting is ingediend.
3.In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet
voldoening of afdracht van belasting op aangifte voorschrijft, is de
belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden
de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen
binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is
ontstaan.
4.Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het
eerste en in het derde lid genoemde termijn van één maand met de duur
van dit uitstel verlengd.
5.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en
in het derde lid gestelde termijn van één maand.
Artikel 20
1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of
afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de
te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet
betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van
een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling
of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van
belasting is verleend.
2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt
opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel
aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling
of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen
waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de
belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk
de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de
naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.
3. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na
het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of
de teruggaaf is verleend.
4. Indien de belastingschuld is ontstaan door de verkrijging van de
economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze
zijn onderworpen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer, vervalt de bevoegdheid tot naheffing, in
afwijking in zoverre van het derde lid, door verloop van twaalf jaren na
het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
Hoofdstuk IVA. Basisregistratie inkomen
Artikel 21
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat
deze authentieke gegevens bevat;
b. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij
wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt;
c. verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de
Wet inkomstenbelasting 2001;
d. belastbaar loon: belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 van de Wet
op de loonbelasting 1964, met uitzondering van loon dat als een
eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast;
e. inkomensgegeven:
1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag
inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat
kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde
verzamelinkomen;
2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag
inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat
kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde
belastbare loon;
f. afnemer: bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift
bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven;
g. betrokkene: degene op wie het inkomensgegeven betrekking heeft;
h. terugmelding: melding als bedoeld in artikel 21h, eerste lid.
Artikel 21a
1.Er is een basisregistratie inkomen waarin inkomensgegevens met
bijbehorende temporele en meta-kenmerken zijn opgenomen. Het
inkomensgegeven, bedoeld in de vorige volzin, is een authentiek gegeven.
2.In de basisregistratie inkomen zijn ook bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen authentieke gegevens uit andere basisregistraties
opgenomen.
Artikel 21b
1.De basisregistratie inkomen heeft tot doel de afnemers te voorzien van
inkomensgegevens.
2.De inspecteur is belast met de uitvoering van de basisregistratie
inkomen.
3.De inspecteur draagt zorg voor de juistheid, volledigheid en
actualiteit van de inkomensgegevens.
4.De inspecteur draagt er zorg voor dat de weergave van een meegeleverd
authentiek gegeven uit een andere basisregistratie overeenstemt met dat
gegeven, als opgenomen in die andere basisregistratie.
Artikel 21c
1.Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, onder 1°, zijn de regels die gelden bij de heffing van de
inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.
2.Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, onder 2°, zijn de regels die gelden bij de heffing van de
loonbelasting van overeenkomstige toepassing.
3.Bij de bepaling van het inkomensgegeven blijft artikel 65 buiten
toepassing.
4.Indien in het kader van de heffing van de inkomstenbelasting of de
loonbelasting aan betrokkene een aanslagbiljet, een afschrift van de
uitspraak op bezwaar of een afschrift van de beschikking ambtshalve
vermindering wordt verstrekt, wordt het bijbehorende inkomensgegeven
afzonderlijk vermeld.
Artikel 21d
1.De inspecteur plaatst de aantekening «in onderzoek» bij een
inkomensgegeven indien ten aanzien van dat inkomensgegeven:
a. een terugmelding is gedaan;
b. een bezwaar- of beroepschrift is ingediend;
c. een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend, of
d. overigens gerede twijfel is ontstaan omtrent de juistheid van dat
gegeven.
Voor de onderdelen a en d geldt een bij ministeriële regeling te
bepalen termijn waarbinnen de inspecteur bepaalt of de aantekening «in
onderzoek» al dan niet wordt geplaatst.
2.De inspecteur verwijdert de aantekening «in onderzoek»:
a. na de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van de
terugmelding;
b. nadat de beslissing op bezwaar of de rechterlijke uitspraak
onherroepelijk is geworden;
c. na de afhandeling van het verzoek om ambtshalve vermindering, of
d. na de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van de situatie,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
Artikel 21e
1.De inspecteur verstrekt aan een afnemer op zijn verzoek een
inkomensgegeven met bijbehorende temporele en meta-kenmerken.
2.Een inkomensgegeven waarbij de aantekening «in onderzoek» is
geplaatst, wordt uitsluitend verstrekt onder mededeling van die
aantekening.
3.Met een inkomensgegeven kunnen authentieke gegevens uit andere
basisregistraties worden meegeleverd.
4.De inspecteur deelt, na verwijdering van de aantekening «in
onderzoek», op verzoek aan een afnemer die het desbetreffende
inkomensgegeven voorafgaand aan de verwijdering van de aantekening
verstrekt heeft gekregen mee dat de aantekening is verwijderd en of het
gegeven is gewijzigd.
Artikel 21f
1.Een afnemer gebruikt een inkomensgegeven uitsluitend bij de
uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift verleende
bevoegdheid tot gebruik van dit gegeven.
2.Een afnemer is niet bevoegd een inkomensgegeven verder bekend te maken
dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.
3.Voor zover een inkomensgegeven ten grondslag ligt aan een besluit van
een afnemer wordt het bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met
dat besluit.
Artikel 21g
1.Voor zover een afnemer een op grond van een wettelijk voorschrift
verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent,
gebruikt hij het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is
opgenomen in de basisregistratie inkomen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien bij het inkomensgegeven
de aantekening «in onderzoek» is geplaatst.
Artikel 21h
1.Een afnemer die gerede twijfel heeft over de juistheid van een
authentiek gegeven dat hij verstrekt heeft gekregen uit de
basisregistratie inkomen meldt dit aan de inspecteur, onder opgaaf van
redenen.
2.Voor zover een terugmelding betrekking heeft op een authentiek gegeven
dat is overgenomen uit een andere basisregistratie, zendt de inspecteur
die melding onverwijld door aan de beheerder van die andere
basisregistratie en doet daarvan mededeling aan de afnemer die de
terugmelding heeft gedaan.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de gevallen waarin een terugmelding achterwege kan blijven, omdat de
terugmelding niet van belang is voor het bijhouden van de
basisregistratie;
b. de wijze waarop een terugmelding moet worden gedaan;
c. de termijn waarbinnen de afhandeling van het onderzoek naar
aanleiding van een terugmelding over een inkomensgegeven moet
plaatsvinden.
Artikel 21i
Voor zover artikel 21g, eerste lid, van toepassing is, hoeft een
betrokkene aan wie door een afnemer een inkomensgegeven wordt gevraagd
dat gegeven niet te verstrekken.
Artikel 21j
1.Met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur wordt
gelijkgesteld het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e,
onder 2°, zoals dat met het oorspronkelijke besluit van de afnemer is
bekendgemaakt op grond van artikel 21f, derde lid.
2.Een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om wijziging van het
besluit van de afnemer wordt, voor zover het gericht is tegen het
inkomensgegeven, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen of
verzoekschrift om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven.
3.Een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om ambtshalve vermindering
van het inkomensgegeven wordt, indien gericht tegen het besluit van de
afnemer, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift
om wijziging van het besluit van die afnemer.
Artikel 21ja
Voor de toepassing van de artikelen 21d en 21j wordt onder ambtshalve
vermindering mede verstaan een herziening als bedoeld in artikel 9.5,
eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 21k
1. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een
onjuist inkomensgegeven door de inspecteur ambtshalve verminderd.
2. Indien betrokkene een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan
en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de
inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Het met de belastingaanslag inkomstenbelasting samenhangende
inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, wordt
voor de toepassing van dit artikel geacht onderdeel uit te maken van die
belastingaanslag.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk V. Bezwaar en beroep
Afdeling 1. Bezwaar
Artikel 22j
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de
termijn voor het instellen van bezwaar aan:
a. met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of
van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de
dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, dan
wel
b. met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding
onderscheidenlijk de afdracht.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 24a
1. Hij die bezwaar heeft tegen meer dan één belastingaanslag of voor
bezwaar vatbare beschikking kan daartegen bezwaar maken bij één
bezwaarschrift.
2. Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar
vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op
één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt een bezwaarschrift tegen de
belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit
het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
3. Indien artikel 30j, tweede lid, eerste volzin, van toepassing is,
wordt de heffingsrente voor de toepassing van de wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep geacht onderdeel uit te maken van
de belastingaanslag.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
revisierente, bedoeld in artikel 30i, het verzamelinkomen, bedoeld in
artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de betalingskorting,
bedoeld in artikel 27a van de Invorderingswet 1990.
Artikel 25
1.In afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
de belanghebbende gehoord op zijn verzoek.
2.Indien omstandigheden daartoe nopen, kan het horen geschieden in
afwijking van artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een
navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met
betrekking tot welke:
a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of
b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen
41, 47, 47a, 49, 52, alsmede aan de verplichtingen ingevolge artikel 53,
eerste, tweede en derde lid, voorzover het verplichtingen van
administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de
belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen,
wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of de
beschikking gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de
belastingaanslag of de beschikking onjuist is.
De vorige volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht
tegen een vergrijpboete.
4.Indien bezwaar is gemaakt tegen meer dan één belastingaanslag of
voor bezwaar vatbare beschikking, kan de inspecteur de uitspraken
vervatten in één geschrift.
Artikel 25a
1.In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet en
de Algemene wet bestuursrecht bepaalde, zijn met betrekking tot in het
tweede lid bedoeld massaal bezwaar de volgende bepalingen van
toepassing.
2.Indien naar het oordeel van Onze Minister een groot aantal bezwaren is
gericht tegen de beslissing op eenzelfde rechtsvraag, al dan niet met
accessoire kwesties die zich lenen voor niet-individuele afdoening (de
rechtsvraag), kan hij die bezwaren aanwijzen als massaal bezwaar. Hij
doet dit voor bezwaren die alleen de rechtsvraag betreffen, waarop nog
geen uitspraak is gedaan en die zijn ingediend tot en met de dag
voorafgaande aan de dag waarop de in het zevende lid bedoelde
collectieve uitspraak terzake is gedaan, dan wel de dag voorafgaande aan
de dag waarop de in het elfde lid eerstbedoelde uitspraak onherroepelijk
wordt. Onze Minister zendt een afschrift van de aanwijzing aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal.
3.Bij de aanwijzing als massaal bezwaar zondert Onze Minister een of
meer bezwaren uit met het oog op beantwoording van de rechtsvraag door
de administratieve rechter in belastingzaken.
4.Bij de aanwijzing als massaal bezwaar wijst Onze Minister de
inspecteur aan die de in het zevende lid bedoelde collectieve uitspraak
zal doen.
5.De aanwijzing als massaal bezwaar treedt in werking vier weken na de
toezending van het afschrift ervan aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. De aanwijzing vervalt indien binnen die vier weken de
Tweede Kamer besluit zich niet met de aanwijzing te kunnen verenigen. De
inspecteur doet gedurende die vier weken geen uitspraak op de bezwaren
die Onze Minister als massaal bezwaar heeft aangewezen. Indien de
aanwijzing door een besluit van de Tweede Kamer vervalt, wordt de
termijn voor het doen van uitspraak op de desbetreffende
bezwaarschriften verlengd met vier weken.
6.De belanghebbende wordt ter zake van een als massaal bezwaar
aangewezen bezwaar niet gehoord.
7.Indien inzake de in het derde lid bedoelde uitgezonderde bezwaren het
standpunt van de belanghebbenden ter zake van de rechtsvraag bij
onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel is afgewezen, beslist de
aangewezen inspecteur binnen zes weken na het onherroepelijk worden van
de laatste van die uitspraken door middel van één uitspraak op alle
als massaal bezwaar aangewezen bezwaren (collectieve uitspraak). Als
massaal bezwaar aangewezen bezwaren worden steeds geacht ontvankelijk te
zijn.
8.De collectieve uitspraak wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan
in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
9.Tegen een collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld. Op
verzoek van de belanghebbende vervangt de te zijnen aanzien bevoegde
inspecteur de collectieve uitspraak door een individuele uitspraak. Het
verzoek wordt niet ingewilligd indien het onredelijk laat is gedaan.
10.Beroep tegen de individuele uitspraak kan slechts de rechtsvraag
betreffen.
11.Indien inzake een in het derde lid bedoeld uitgezonderd bezwaar bij
onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk aan het
standpunt van de belanghebbende ter zake van de rechtsvraag is
tegemoetgekomen, verliezen de desbetreffende bezwaren de status van
massaal bezwaar.
12.Indien de inspecteur voordat de collectieve uitspraak is gedaan
uitspraak doet op een bezwaar dat meer omvat dan de rechtsvraag, beslist
hij op de rechtsvraag in het nadeel van de belanghebbende. Indien de in
het elfde lid eerstbedoelde uitspraak daartoe aanleiding geeft, komt de
inspecteur alsnog aan het bezwaar inzake de rechtsvraag tegemoet.
13.Indien de in het elfde lid eerstbedoelde uitspraak daartoe aanleiding
geeft, herziet de inspecteur de in artikel 26, eerste lid, bedoelde
besluiten waarbij de rechtsvraag onjuist is beantwoord, voorzover
bezwaren daartegen op de voet van het tweede lid zouden hebben geleid
tot aanwijzing als massaal bezwaar. Herziening vindt niet plaats indien
de rechtshandeling onherroepelijk was ten tijde van de aanwijzing als
massaal bezwaar of indien de onjuiste beantwoording van de rechtsvraag
bij het verrichten van de rechtshandeling de inspecteur ter kennis komt
na het verstrijken van vijf jaren na de in de eerste volzin bedoelde
rechterlijke uitspraak. De herziening geschiedt bij voor bezwaar vatbare
beschikking binnen een jaar nadat de uitspraak onherroepelijk is
geworden dan wel, indien dat later is, de onjuiste beantwoording van de
rechtsvraag bij het verrichten van de desbetreffende rechtshandeling de
inspecteur bekend is geworden. Bezwaar en beroep tegen de beschikking
kan slechts de rechtsvraag betreffen. Artikel 25b is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de naar het oordeel van de inspecteur meest
gerede partij.
Artikel 25b
1.Een uit een uitspraak van de inspecteur voortvloeiende teruggaaf van
ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene
die het bezwaarschrift heeft ingediend.
2.Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden
ter zake van dezelfde feiten een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt,
indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die
teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden.
Afdeling 2. Beroep bij de rechtbank
Artikel 26
1.In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit
slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15
voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
2.De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een
inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de
mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare
beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake
bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige
toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de
inhouding zich daartegen niet verzet.
Artikel 26a
1.In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:
a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of
afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.
2.Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of
vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting
waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking
betrekking heeft.
3.De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde
belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking
tot de belastingaanslag of de beschikking voorzover deze gegevens voor
het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van
belang kunnen worden geacht.
Artikel 26b
1.Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat doen bij
één beroepschrift.
2.Artikel 24a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26c
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de
termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die
van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van
dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.
Artikel 27
Voor de toepassing van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht treden de rechtbanken te Leeuwarden, Arnhem, Haarlem, ’s-Gravenhage
en Breda in de plaats van de andere rechtbanken in hun ressort.
Artikel 27a
Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een
uitspraak door de inspecteur, kan de rechtbank bepalen dat hoofdstuk
VIII, afdeling 2, gedurende een daarbij te bepalen termijn van
toepassing blijft.
Artikel 27b
1. Het griffierecht bedraagt, in afwijking van artikel 8:41, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht:
a. € 41 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen
een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b;
b. € 150 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen
een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet op de
dividendbelasting 1965, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op de
belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, de Wet op de
accijns, de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en
van enkele andere produkten of de Wet belastingen op milieugrondslag;
c. € 298 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep is
ingesteld.
2. De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel
van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe
aanleiding geeft.
Artikel 27c
Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van toepassing
voorzover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een
bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd. In andere
gevallen heeft het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren,
maar kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek openbaar is, voorzover
de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad.
Artikel 27d
In afwijking van artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedraagt de termijn voor verdaging van de mondelinge
uitspraak ten hoogste twee weken.
Artikel 27e
Indien:
a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of
b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen
41, 47, 47a, 49, 52 , alsmede aan de verplichtingen ingevolge artikel
53, eerste, tweede en derde lid, voorzover het verplichtingen van
administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de
belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen;
verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en
in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
De vorige volzin vindt geen toepassing, voor zover het beroep is gericht
tegen een vergrijpboete.
Artikel 27f
1.Een uit een uitspraak van de rechtbank voortvloeiende teruggaaf van
ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene
die het beroep heeft ingesteld.
2.Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden
ter zake van dezelfde feiten beroep heeft ingesteld, wordt, indien uit
een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die teruggaaf
uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden.
Artikel 27g
1.In afwijking van artikel 8:79, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling van
afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging van
de rechtbank.
2.Met betrekking tot schriftelijke uitspraken blijft de machtiging,
bedoeld in het eerste lid, slechts achterwege indien op een voor de
uitspraak gedaan verzoek van een der partijen de rechtbank oordeelt dat
ook na anonimisering de geheimhouding van persoonlijke en financiële
gegevens onvoldoende wordt beschermd en bovendien het belang van de
openbaarheid van de rechtspraak niet opweegt tegen dit belang.
Afdeling 3. Hoger beroep bij het gerechtshof
Artikel 27h
1. De belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te
stellen en de inspecteur kunnen bij het gerechtshof hoger beroep
instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling
8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van
die wet.
2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a van die
wet;
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde
lid, van die wet;
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van die wet;
e. een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84,
vierde lid, van die wet.
3. Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid
bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen:
a. een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet
bestuursrecht; of
b. een andere beslissing van de rechtbank.
4. De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, en 26b, eerste lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het
instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is
ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist. De eerste
volzin geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig
nemen van een besluit betreft.
Artikel 27i
1.De griffier doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk
mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft
gedaan.
2.De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt de
gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de
zitting, voorzover dit op de zaak betrekking heeft, en vier afschriften
van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde mededeling aan de griffier van het gerechtshof.
Artikel 27j
1.Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht,
met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:41, 8:74 en
8:82, van overeenkomstige toepassing, voorzover in deze afdeling niet
anders is bepaald.
2.De artikelen 27c, 27d, 27e, 27f en 27g zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 27k
1.De zaken die bij het gerechtshof aanhangig worden gemaakt, worden in
behandeling genomen door een meervoudige kamer.
2.Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is
voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar
een enkelvoudige kamer.
3.Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt
is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een
meervoudige kamer.
4.Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen
zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Artikel 27l
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van het
gerechtshof een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter
zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft, is eenmaal
griffierecht verschuldigd. In dat geval bedraagt het griffierecht het
hoogste op grond van het tweede lid verschuldigde bedrag.
2. Het griffierecht bedraagt:
a. € 111 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld
tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld
in onderdeel b;
b. € 224 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld
tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 27b,
eerste lid, onderdeel b;
c. € 448 indien anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep
is ingesteld.
3. Indien de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van
de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat een griffierecht
geheven van € 448.
4. Artikel 8:41, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige toepassing.
5. De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd voorzover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
Artikel 27m
1.De andere partij dan de partij die het hoger beroep heeft ingesteld,
kan bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen.
2.De partij die het hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de
gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van het
verweerschrift het incidentele hoger beroep te beantwoorden.
3.Het gerechtshof kan de in het tweede lid bedoelde termijn verlengen.
Artikel 27n
1.Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de griffier
een griffierecht geheven. Artikel 27l, eerste lid, tweede en derde
volzin, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen
welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient
plaats te vinden, twee weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een
kortere termijn stellen.
3.Indien een verzoek wordt ingetrokken omdat de inspecteur,
onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is
gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de
uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met
betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde
voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht
door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen kan de Staat,
indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel
of gedeeltelijk vergoeden.
4.De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de Staat
geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
5.Indien het verzoek is gedaan door de inspecteur en het verzoek geheel
of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het
betaalde griffierecht door de griffier aan de Staat geheel of
gedeeltelijk wordt terugbetaald.
6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om herziening
is gedaan.
Artikel 27o
Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met
overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele
of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank had
behoren te doen.
Artikel 27p
1.Indien het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank geheel of
gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat aan de
indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door
de Staat wordt vergoed.
2.In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde
griffierecht door de Staat geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Artikel 27q
1.Het gerechtshof wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in
eerste instantie heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het
beroep heeft uitgesproken en het gerechtshof deze uitspraak vernietigt
met bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk
ontvankelijkverklaring van het beroep, of
b. het gerechtshof om een andere reden dan bedoeld in onderdeel a van
oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.
2.De griffier zendt de gedingstukken, onder medezending van een
afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de
rechtbank.
Artikel 27r
In de gevallen als bedoeld in artikel 27q, eerste lid, onderdeel a, kan
het gerechtshof de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn
oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.
Artikel 27s
Indien het gerechtshof van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door
een andere rechtbank dan de bevoegde, kan het de onbevoegdheid voor
gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
Afdeling 4. Beroep in cassatie bij de Hoge Raad
Artikel 28
1.De belanghebbende die bevoegd was om hoger beroep bij het gerechtshof
in te stellen en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad beroep in
cassatie instellen tegen:
a. een uitspraak van het gerechtshof die overeenkomstig afdeling 8.2.6
van de Algemene wet bestuursrecht is gedaan, en
b. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof die
overeenkomstig artikel 8:86 van die wet is gedaan.
2.De belanghebbende en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad voorts
beroep in cassatie instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van die wet.
3.Indien de belanghebbenden en Onze Minister daarmee schriftelijk
instemmen, kan bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie worden
ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling
8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede tegen een uitspraak van
de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van
die wet.
4.Geen beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen:
a. een uitspraak van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig
artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
b. een uitspraak van de rechtbank overeenkomstig artikel 8:54a van die
wet;
c. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de
rechtbank overeenkomstig artikel 8:84, tweede lid, van die wet, en
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de
rechtbank overeenkomstig artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, in verband met artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht.
5.Tegen andere beslissingen van het gerechtshof, van de rechtbank of van
de voorzieningenrechter kan slechts tegelijkertijd met het beroep in
cassatie tegen de in het eerste of het tweede lid bedoelde uitspraak
beroep in cassatie worden ingesteld.
6.De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, en 26b, eerste lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
7.De werking van de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank of de
voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het
instellen van beroep in cassatie is verstreken of, indien beroep in
cassatie is ingesteld, op het beroep in cassatie is beslist.
Artikel 28a
1.De griffier van de Hoge Raad doet van het ingestelde beroep in
cassatie zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van het gerecht
dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
2.De griffier van dit gerecht zendt een afschrift van de uitspraak en de
op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken die onder hem
berusten, onverwijld aan de griffier van de Hoge Raad.
Artikel 28b
1.Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een mondelinge uitspraak,
wordt de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke
uitspraak, tenzij het beroep in cassatie kennelijk niet-ontvankelijk is
of de Hoge Raad anders bepaalt. De vervanging geschiedt binnen zes weken
na de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 28a, eerste lid, is
gedaan. Het beroep in cassatie wordt geacht gericht te zijn tegen de
schriftelijke uitspraak.
2.Het gerecht dat de mondelinge uitspraak heeft gedaan, verzendt de
vervangende schriftelijke uitspraak gelijktijdig aan partijen en aan de
griffier van de Hoge Raad.
3.In afwijking van artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene
wet bestuursrecht kan de indiener van het beroepschrift de gronden van
het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de dag waarop de
schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden.
Artikel 29
Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen 8:14 tot
en met 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 tot en met 8:40a, 8:43, 8:52,
8:53, 8:60, 8:70, 8:71, 8:72a en 8:75 tot en met 8:79 en titel 8.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing , voorzover
in deze afdeling niet anders is bepaald.
Artikel 29a
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van de
Hoge Raad een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter
zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft, is eenmaal
griffierecht verschuldigd. In dat geval bedraagt het griffierecht het
hoogste op grond van het tweede lid verschuldigde bedrag.
2. Het griffierecht bedraagt:
a. € 111 indien door een natuurlijke persoon beroep in cassatie is
ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan bedoeld in
onderdeel b;
b. € 224 indien door een natuurlijke persoon beroep in cassatie is
ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel
27b, eerste lid, onderdeel b;
c. € 448 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep in
cassatie is ingesteld.
3. Indien Onze Minister beroep in cassatie heeft ingesteld en de
uitspraak van het gerechtshof in stand blijft, wordt van de Staat een
griffierecht geheven van € 448.
4. Artikel 8:41, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige toepassing.
5. De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
Artikel 29b
1.De andere partij dan de partij die het beroep in cassatie heeft
ingesteld, kan binnen acht weken na de dag van verzending van het
beroepschrift een verweerschrift indienen.
2.De partij kan bij het verweerschrift incidenteel beroep in cassatie
instellen. In dat geval wordt de partij die beroep in cassatie heeft
ingesteld, in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending
van het verweerschrift het incidentele beroep te beantwoorden.
3.De Hoge Raad kan de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen
verlengen.
Artikel 29c
1. Indien, hetzij in het beroepschrift hetzij in het verweerschrift
hetzij nadien door degene die beroep in cassatie heeft ingesteld, binnen
twee weken nadat het afschrift van het verweerschrift ter post is
bezorgd, schriftelijk is verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten,
bepaalt de Hoge Raad dag en uur waarop de zaak door de advocaten van
partijen zal kunnen worden bepleit. De griffier stelt beide partijen of
de door hen aangewezen advocaten hiervan ten minste tien dagen tevoren
in kennis.
2. De advocaten kunnen in plaats van de zaak mondeling bij pleidooi toe
te lichten een schriftelijke toelichting overleggen of toezenden.
3. Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing voor zover het beroep in cassatie is gericht tegen een
uitspraak waarbij de gehele of gedeeltelijke handhaving van een
bestuurlijke boete in het geding is.
4. In andere gevallen dan in het derde lid bedoeld, heeft de mondelinge
behandeling plaats met gesloten deuren, maar kan de Hoge Raad bepalen
dat de behandeling openbaar is, voor zover de belangen van partijen
daardoor niet worden geschaad.
Artikel 29d
1.Nadat de toelichtingen zijn gehouden of ontvangen of, indien deze niet
zijn verzocht, na indiening van de schrifturen door partijen, stelt de
griffier, indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad de wens te
kennen heeft gegeven om te worden gehoord, alle stukken in diens handen.
2.De procureur-generaal brengt zijn schriftelijke conclusie ter kennis
van de Hoge Raad.
3.Een afschrift van de conclusie wordt aan partijen gezonden. Partijen
kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de
conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doen
toekomen.
Artikel 29e
1.De uitspraak van de Hoge Raad wordt schriftelijk gedaan.
2.Wanneer de Hoge Raad, hetzij op de in het beroepschrift aangevoerde,
hetzij op andere gronden, de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank
of de voorzieningenrechter vernietigt, beslist hij bij dezelfde
uitspraak de zaak, zoals het gerechtshof, de rechtbank of de
voorzieningenrechter had behoren te doen. Indien de beslissing van de
hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere behandeling niet zijn
komen vast te staan, verwijst de Hoge Raad, tenzij het punten van
ondergeschikte aard betreft, het geding naar een gerechtshof of een
rechtbank, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met
inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
Artikel 29f
1.In geval van intrekking van het beroep in cassatie door Onze Minister,
kan Onze Minister op verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke
uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden veroordeeld.
2.De griffier zendt een door hem voor eensluidend getekend afschrift van
de intrekking onverwijld aan die belanghebbende.
3.De artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21 en
8:73a, tweede lid, eerste en tweede volzin, van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede de artikelen
29c en 29d.
Artikel 29g
1.Indien de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof, van de rechtbank
of van de voorzieningenrechter vernietigt, houdt de uitspraak tevens in
dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde
griffierecht door de door de Hoge Raad aangewezen rechtspersoon wordt
vergoed.
2.In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde
griffierecht geheel of gedeeltelijk door de door de Hoge Raad aangewezen
rechtspersoon wordt vergoed.
Artikel 29h
1.In geval van verwijzing zendt de griffier van de Hoge Raad de stukken
en een afschrift van de uitspraak binnen een week aan het gerechtshof of
aan de rechtbank waarheen de zaak is verwezen.
2.Indien de uitspraak geen verwijzing inhoudt, zendt de griffier de door
partijen overgelegde stukken onverwijld aan hen terug.
Artikel 29i
1.Een uit een uitspraak van de Hoge Raad voortvloeiende teruggaaf van
ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene
die het beroep in cassatie heeft ingesteld.
2.Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden
ter zake van dezelfde omstandigheden beroep in cassatie heeft ingesteld,
wordt, indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die
teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden.
Artikel 30
1.In afwijking van artikel 8:79, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling van
afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging van
de Hoge Raad.
2.Artikel 27g, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 30a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 30b [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 30c [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 30d [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 30e [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk VA. Heffingsrente en revisierente
Artikel 30f
1. Met betrekking tot de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting
en de erfbelasting wordt rente - heffingsrente - berekend ingeval een
voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt
vastgesteld. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot
inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in
artikel 2.8, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van
artikel 3.58, eerste lid, of artikel 3.64, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001. De eerste volzin is ook van toepassing met
betrekking tot conserverende aanslagen als bedoeld in artikel 37, tweede
lid, van de Successiewet 1956.
2. Met betrekking tot de loonbelasting, de omzetbelasting, de
overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van pruimtabak en snuiftabak en de in artikel 1 van de Wet
belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen wordt heffingsrente
berekend ingeval:
a. een naheffingsaanslag wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat
de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven,
tenzij die naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige
verbetering van de aangifte, welke wordt gedaan binnen drie maanden na
het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven
belasting betrekking heeft;
b. een teruggaaf van belasting plaatsvindt vanwege de omstandigheid dat
de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven.
Heffingsrente wordt eveneens berekend indien en voor zover de in
onderdeel a bedoelde belasting te laat, doch voordat een
naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens ingeval de
betaling plaatsvindt binnen drie maanden na het einde van het
kalenderjaar of het boekjaar waarop de te laat betaalde belasting
betrekking heeft.
3. De heffingsrente wordt enkelvoudig berekend:
a. met betrekking tot de inkomstenbelasting en de
vennootschapsbelasting: over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het
einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op
de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet;
b. met betrekking tot de erfbelasting:
1°. over het tijdvak dat aanvangt acht maanden na het overlijden of,
indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde,
de dag van de vervulling van deze voorwaarde, en eindigt op de dag van
de dagtekening van het aanslagbiljet;
2°. indien het betreft een aanslag als bedoeld in artikel 8, vijfde
lid, van de Natuurschoonwet 1928: over het tijdvak dat aanvangt op het
moment dat zich een van de gevallen, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
van de Natuurschoonwet 1928 voordoet, en eindigt op de dag van de
dagtekening van het aanslagbiljet;
c. met betrekking tot de loonbelasting:
1°. indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de werknemer, de
artiest, de beroepssporter of het buitenlandse gezelschap dan wel aan
hem een teruggaaf wordt verleend: over het tijdvak dat aanvangt op de
dag na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting dan
wel de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de
dagtekening van het aanslagbiljet dan wel op de dag van de dagtekening
van het afschrift van de beschikking of van de kennisgeving waaruit van
de teruggaaf blijkt;
2°. in de overige gevallen waarin een naheffingsaanslag wordt opgelegd:
over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het
kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt
op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet;
3°. in de overige gevallen waarin een teruggaaf wordt verleend: over
het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar
waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de
dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de beschikking of van
de kennisgeving waaruit van de teruggaaf blijkt;
d. met betrekking tot de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns en de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en
snuiftabak en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag
genoemde belastingen:
1°. indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd: over het tijdvak dat
aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar
waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van
de dagtekening van het aanslagbiljet;
2°. indien een teruggaaf wordt verleend: over het tijdvak dat aanvangt
drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de
teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van
het afschrift van de uitspraak of van de kennisgeving waaruit van de
teruggaaf blijkt;
e. ingeval het tweede lid, tweede volzin, van toepassing is: over het
tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het
boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft en
eindigt op de dag van betaling.
4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt als het bedrag van de
aanslag: het bedrag van de aanslag na de verrekening ingevolge
a. artikel 15;
b. de artikelen 3.152, vijfde lid, en 4.51, vijfde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. artikel 21, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
5. Het percentage van de heffingsrente in een kalenderkwartaal is gelijk
aan de op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan
dat kwartaal door de Europese Centrale Bank voor
basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet (de minimale
biedrente), dan wel, indien dit lager is, het naar de gemiddelde koers
van die dag door Onze Minister berekende, ongewogen gemiddelde
effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven staatsleningen die
zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een
vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wet op het
financieel toezicht is verleend waarbij dit effectieve rendement naar
beneden wordt afgerond op een vijfvoud van honderdstenprocenten en
vervolgens wordt verminderd met 0,5 procentpunt, met dien verstande dat
het aldus bepaalde percentage van de heffingsrente vervolgens wordt
vermeerderd met 1,50 procentpunt.
Artikel 30g
1.Heffingsrente wordt vergoed over het negatieve bedrag van de
voorlopige aanslag, over het negatieve bedrag van de aanslag, alsmede
over het bedrag van de teruggaaf.
2.Heffingsrente wordt mede vergoed bij vermindering van:
a. het negatieve bedrag van de aanslag: over die vermindering;
b. de aanslag die geen negatief bedrag beloopt tot een aanslag die wel
een negatief bedrag beloopt: over dat negatieve bedrag.
3.Bij vermindering van de aanslag eindigt in afwijking in zoverre van
artikel 30f, derde lid, het tijdvak waarover de heffingsrente wordt
berekend op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak
of van de kennisgeving waaruit van de vermindering blijkt.
4.Het tweede lid vindt geen toepassing bij een vermindering van de
aanslag die voortvloeit uit de verrekening van een verlies van een
volgend jaar.
Artikel 30h
1.Heffingsrente wordt in rekening gebracht over het positieve bedrag van
de belastingaanslag, dan wel, indien artikel 30f, tweede lid, tweede
volzin, van toepassing is, over het bedrag van de te laat betaalde
belasting.
2.De in rekening gebrachte heffingsrente wordt verlaagd bij vermindering
van het positieve bedrag van de belastingaanslag, tenzij de vermindering
voortvloeit uit de verrekening van een verlies van een volgend jaar.
Artikel 30i
1. Met betrekking tot de inkomstenbelasting wordt rente – revisierente
– verschuldigd, indien:
a. door de toepassing van artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste
volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in
verbinding met artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van
artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid,
van de laatstgenoemde wet de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of
aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, of de stamrechtspaarrekening of het
stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in artikel 11a van de Wet op de
loonbelasting 1964 tot het loon wordt gerekend;
b. ingevolge artikel 3.133, 3.136 of 7.2, tweede lid, aanhef en
onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 premies voor een
aanspraak op periodieke uitkeringen als negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoudens voorzover
artikel 3.69, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van genoemde wet met
betrekking tot deze negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
toepassing vindt;
c. ingevolge artikel 3.135 of 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel g,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 premies voor een aanspraak uit een
pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b,
van die wet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in
aanmerking worden genomen.
2. De revisierente bedraagt 20 percent van de waarde in het economische
verkeer van aanspraken als bedoeld in het eerste lid. In afwijking van
de eerste volzin bedraagt de revisierente, ingeval artikel 3.136,
tweede, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van
toepassing is, 20% van het bedrag dat ingevolge die leden als negatieve
uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking wordt genomen.
3. Ingeval de aanspraak is bedongen minder dan 10 jaren vóór het jaar
waarin de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op
periodieke uitkeringen tot loon wordt gerekend dan wel de negatieve
uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden genoten, wordt, indien de
belastingplichtige dit verzoekt, in afwijking van het tweede lid, de
revisierente gesteld op het door de belastingplichtige aannemelijk te
maken bedrag dat ingevolge de artikelen 30f en 30h aan heffingsrente in
rekening zou worden gebracht indien:
a. ingeval het betreft een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of
negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen: de mogelijkheid zou
bestaan de aftrek van de premies voor de aanspraak ongedaan te maken
door navorderingsaanslagen over de jaren van die aftrek, of
b. ingeval het betreft een aanspraak op periodieke uitkeringen: de
mogelijkheid zou bestaan de aanspraak tot inkomen uit werk en woning te
rekenen in het jaar waarop de aanspraak is ontstaan en ter zake daarvan
een navorderingsaanslag op te leggen.
Hierbij worden de bedragen van die navorderingsaanslagen gesteld op 50
percent van de premies, bedoeld in de vorige volzin onderdeel a, danwel
van de aanspraak, bedoeld in de vorige volzin onderdeel b, en wordt het
einde van het in artikel 30f, derde lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
gesteld op 31 december van het jaar waarin de aanspraak ingevolge een
pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon
wordt gerekend dan wel de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
worden genoten.
4. Indien revisierente wordt berekend met betrekking tot
inkomstenbelasting die betrekking heeft op inkomsten die in aanmerking
zijn genomen op grond van de artikelen 3.83, eerste of tweede lid,
3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste, tweede, derde,
vierde of vijfde lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001, wordt bij de toepassing van het derde lid artikel 30f, eerste lid,
tweede volzin, buiten aanmerking gelaten.
Artikel 30j
1.De inspecteur stelt het bedrag van de heffingsrente vast bij voor
bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot deze beschikking zijn de
bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter
zake waarvan heffingsrente wordt berekend, van overeenkomstige
toepassing.
2.Het bedrag van de heffingsrente wordt op het aanslagbiljet of op het
afschrift van de uitspraak of bij de bekendmaking afzonderlijk vermeld.
Ingeval de eerste volzin geen toepassing vindt, blijkt het bedrag van de
heffingsrente uit het afschrift van de beschikking.
3.Met betrekking tot de revisierente bedoeld in artikel 30i zijn het
eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30k
Onze Minister kan in het kader van een regeling voor onderling overleg
op grond van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval
van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (Trb. 1990, 173), de
Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van
dubbele belasting, voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen
afwijkingen toestaan van de artikelen 30f, 30g en 30h.
Hoofdstuk VI. Bevordering van de richtige heffing
Artikel 31
Voor de heffing van de directe belastingen en de inkomstenbelasting
wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van
de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke
verhoudingen hebben ten doel gehad, of op grond van andere bepaalde
feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij zouden
achterwege gebleven zijn indien daarmede niet de heffing van de
belasting voor het vervolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk
gemaakt.
Artikel 32
Het besluit van de inspecteur om een belastingaanslag met toepassing van
artikel 31 vast te stellen, wordt genomen bij voor bezwaar vatbare
beschikking en niet dan nadat Onze Minister daartoe toestemming heeft
verleend.
Artikel 33
1.In geval van twijfel of een beraamde rechtshandeling onder artikel 31
zou vallen, kan de belanghebbende deze vraag onderwerpen aan het oordeel
van de inspecteur. De beslissing van de inspecteur wordt genomen bij
voor bezwaar vatbare beschikking.
2.Indien de inspecteur de in het eerste lid bedoelde vraag ontkennend
beantwoordt, kan artikel 31 op de rechtshandeling, zo zij tot stand
komt, niet worden toegepast, tenzij mocht blijken, dat de feiten niet
volkomen overeenstemmen met de tevoren gegeven voorstelling.
Artikel 34
In geval van beroep tegen een uitspraak op een bezwaarschrift
betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 32 of 33, handhaaft
de rechtbank de uitspraak indien blijkt, dat de in de beschikking
omschreven rechtshandeling voldoet aan de voor de toepassing van artikel
31 gestelde voorwaarden, en vernietigt het de uitspraak indien dit niet
het geval is.
Artikel 35
Nadat de in artikel 32 bedoelde beschikking onherroepelijk is geworden
kan daaraan uitvoering worden gegeven. Een na het onherroepelijk worden
van de in de artikelen 32 of 33 bedoelde beschikking, met toepassing van
artikel 31 vastgestelde belastingaanslag kan niet worden bestreden met
het bezwaar, dat artikel 31 geen toepassing had mogen vinden.
Artikel 36
De termijnen van artikel 11, derde lid, artikel 16, derde en vierde lid,
en artikel 20, derde lid, worden verlengd met de tijd die verloopt
tussen de dagtekening van het afschrift van de in artikel 32 bedoelde
beschikking en de dag welke valt een jaar na die waarop die beschikking
onherroepelijk geworden dan wel vernietigd is.
Hoofdstuk VII. Bepalingen van interregionaal en van internationaal recht
Artikel 37
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, met inachtneming van het
beginsel van wederkerigheid, regelen worden gesteld, waardoor in
aansluiting aan de desbetreffende bepalingen voorkomende in de wetgeving
van een ander deel van het Koninkrijk of van een andere Mogendheid dan
wel in de besluiten van een volkenrechtelijke organisatie, dubbele
belasting geheel of gedeeltelijk wordt voorkomen.
Artikel 38
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming van dubbele
belasting in gevallen waarin daaromtrent niet op andere wijze is
voorzien, regelen worden gesteld ten einde gehele of gedeeltelijke
vrijstelling of vermindering van belasting te verlenen, indien en voor
zover het voorwerp van de belasting is onderworpen aan een belasting die
vanwege een ander land van het Koninkrijk, een andere Mogendheid of een
volkenrechtelijke organisatie wordt geheven.
2. Belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid wordt voor de toepassing van
het eerste lid geacht te zijn onderworpen aan een belasting die vanwege
een andere Mogendheid wordt geheven, indien zij wordt genoten uit
privaatrechtelijke dienstbetrekking tot een werkgever die is gevestigd
in een lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte, voorzover dat loon betrekking heeft op
arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt
verricht binnen het gebied van een Mogendheid waarmee Nederland geen
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en met
betrekking waartoe geen regelen zijn gesteld op grond van artikel 37.
Voor de toepassing van de vorige volzin omvat het gebied van een andere
Mogendheid mede het gebied buiten de territoriale wateren van die
Mogendheid waar deze in overeenstemming met het internationale recht
soevereine rechten kan uitoefenen. Onze Minister is bevoegd voor
bepaalde gevallen of groepen van gevallen te bepalen dat loon betrekking
heeft op arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden
wordt verricht.
Artikel 39
In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze
Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt vrijstelling
van belasting verleend. Onze Minister is bevoegd ter zake nadere regelen
te stellen.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk VIII. Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. Vertegenwoordiging buiten rechte
Artikel 41
Hij die zich, ingevolge de belastingwet opgeroepen tot het mondeling aan
de inspecteur verstrekken van gegevens en inlichtingen, voor het
onderhoud met de inspecteur doet vertegenwoordigen, is desgevorderd
gehouden zijn vertegenwoordiger te vergezellen.
Artikel 42
De bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn
verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder.
Artikel 43
De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder
curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of
ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden
uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator
en bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van de
verplichtingen gehouden.
Artikel 44
1.Na iemands overlijden kunnen zijn rechtverkrijgenden onder algemene
titel in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen van de
verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij in leven
gebleven, worden vertegenwoordigd door een hunner, de executeur, de door
de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder
over de nalatenschap. Desgevorderd is ieder der in dit lid genoemde
personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
2.Stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene kunnen
worden gericht aan een der in het eerste lid genoemde personen.
Artikel 45
Om geldige redenen kan de inspecteur vertegenwoordiging uitsluiten in de
nakoming van een verplichting van hem die zelf tot die nakoming in staat
is.
Artikel 46
De bepalingen van deze afdeling gelden niet met betrekking tot
strafvordering.
Afdeling 2. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 47
1.Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de
belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;
b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan
- zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang
kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen
uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel
beschikbaar te stellen.
2.Ingeval de belastingwet aangelegenheden van een derde aanmerkt als
aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig is,
gelden, voor zover het deze aangelegenheden betreft, gelijke
verplichtingen voor de derde.
3.Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is
verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage
aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing
te zijnen aanzien.
Artikel 47a
1.Met betrekking tot een vennootschap met een geheel of ten dele in
aandelen verdeeld kapitaal waarin een niet binnen het Rijk gevestigd
lichaam of een niet binnen het Rijk wonende natuurlijke persoon een
belang heeft van meer dan 50 percent en met betrekking tot een ander
lichaam waarover dat niet binnen het Rijk gevestigde lichaam of die
natuurlijke persoon de zeggenschap heeft, is artikel 47, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede
gegevensdragers die in het bezit zijn van dat niet binnen het Rijk
gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing in gevallen waarin twee of meer lichamen of
natuurlijke personen waarvan er ten minste één niet binnen het Rijk is
gevestigd of woont, volgens een onderlinge regeling tot samenwerking een
belang houden van meer dan 50 percent in een vennootschap met een geheel
of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal dan wel de zeggenschap hebben
in een ander lichaam. Ter zake van die gegevensdragers kan worden
volstaan met het voor raadpleging beschikbaar stellen van de inhoud
daarvan door middel van kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels.
2.Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vennootschap en het
andere lichaam is artikel 47, eerste lid, eveneens van overeenkomstige
toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers
die in het bezit zijn van een niet binnen het Rijk gevestigde
vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal
waarin een in het eerste lid bedoeld niet binnen het Rijk gevestigd
lichaam of wonend natuurlijk persoon een belang heeft van meer dan 50
percent of die in het bezit zijn van een ander niet binnen het Rijk
gevestigd lichaam waarover dat niet binnen het Rijk gevestigde lichaam
of die natuurlijke persoon zeggenschap heeft. Ter zake van die
gegevensdragers kan worden volstaan met het voor raadpleging beschikbaar
stellen van de inhoud daarvan door middel van kopieén, leesbare
afdrukken of uittreksels.
3.Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien het in
die leden bedoelde niet binnen het Rijk gevestigde lichaam of de in die
leden bedoelde natuurlijke persoon is gevestigd onderscheidenlijk woont
in een staat waarmee in de relatie met Nederland een wederkerige
regeling bestaat die voorziet in inlichtingenuitwisseling met betrekking
tot de belasting voor de heffing waarvan de inspecteur de gegevens,
inlichtingen of gegevensdragers nodig heeft.
4.In afwijking van het derde lid kan Onze Minister de inspecteur
toestaan het eerste en het tweede lid alsnog toe te passen indien is
gebleken dat bij toepassing van het derde lid de gevraagde inlichtingen
niet kunnen worden verkregen.
5.Voor een weigering om te voldoen aan de in dit artikel omschreven
verplichtingen kunnen de vennootschap en het andere lichaam zich niet
met vrucht beroepen op een gebrek aan medewerking van het niet binnen
het Rijk gevestigde lichaam of de niet binnen het Rijk wonende
natuurlijke persoon.
Artikel 47b
1.Ieder die de inspecteur verzoekt hem een sociaal-fiscaalnummer toe te
kennen dan wel een hem toegekend sociaal-fiscaalnummer aan hem bekend te
maken, is ter vaststelling van zijn identiteit gehouden een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet
op de identificatieplicht ter inzage te verstrekken aan de inspecteur,
die de aard en het nummer van dat document in de administratie opneemt.
2.Degene op wie de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 53,
tweede en derde lid, betrekking hebben, is gehouden, volgens bij of
krachtens de belastingwet te stellen regels, aan de
administratieplichtige opgave te verstrekken van zijn
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn
sociaal-fiscaalnummer.
Artikel 48
1.De in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, bedoelde verplichting geldt
onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers bevinden van
degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de inspecteur
voor raadpleging beschikbaar te stellen.
2.De inspecteur stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een derde
voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis.
Artikel 49
1.De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere
wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - en binnen een door de
inspecteur te stellen termijn.
2.Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde
gegevensdragers of de inhoud daarvan.
Artikel 49a
1. Bij ministeriële regeling wordt aangewezen degene die is gehouden
bij het verrichten van de in die ministeriële regeling aan te wijzen
werkzaamheden het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer te gebruiken ten behoeve van de
rijksbelastingdienst. Voor aanwijzing komt niet in aanmerking een
overheidsorgaan als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer of degene aan wie het
burgerservicenummer is toegekend.
2. Op het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het
eerste lid, is artikel 51, tweede lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 50
1.Degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, is verplicht de
inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te
verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw en alle grond, voor zover dat
voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is.
2.De gevraagde toegang moet worden verleend, tussen acht uur ’s
ochtends en zes uur ’s avonds, met uitzondering van zaterdagen,
zondagen en algemeen erkende feestdagen.
3.Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen van
een bedrijf, een zelfstandig beroep of een werkzaamheid als bedoeld in
artikel 52, eerste lid, wordt, voor zover het redelijkerwijs niet
mogelijk is het onderzoek te doen plaatsvinden gedurende de in het
tweede lid bedoelde uren, de gevraagde toegang verleend tijdens de uren
waarin het gebruik voor de uitoefening van dat bedrijf, dat zelfstandig
beroep of die werkzaamheid daadwerkelijk plaatsvindt.
4.De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevraagd de
aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.
Artikel 51
Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 47, 47a, 47b, 48
en 49 omschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op
de omstandigheden dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding
verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is
opgelegd.
Artikel 52
1.Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van
alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar
de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op
zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende
boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te
bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de
voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens
hieruit duidelijk blijken.
2.Administratieplichtigen zijn:
a. lichamen;
b. natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep
uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit
onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting
2001 genieten;
c. natuurlijke personen die inhoudingsplichtige zijn;
d. natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen
3.91, 3.92 en 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001 verrichten.
3.Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten
wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt.
4.Voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald,
zijn administratieplichtigen verplicht de in de voorgaande leden
bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.
5.De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op
papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een
andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de
overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en
deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en
binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.
6.De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd
en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle
daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.
Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met
inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de
werking van de administratie.
Artikel 52a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 53
1.Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52
zijn de in de artikelen 47 en 48 tot en met 50 geregelde verplichtingen
van overeenkomstige toepassing ten behoeve van:
a. de belastingheffing van derden;
b. de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is
opgedragen.
2.Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de bij
of krachtens de belastingwet aan te wijzen administratieplichtigen
gehouden de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen gegevens en
inlichtingen waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting
van belang kan zijn eigener beweging te verstrekken aan de inspecteur
volgens bij of krachtens de belastingwet te stellen regels.
3.De administratieplichtigen, bedoeld in het tweede lid, zijn gehouden
bij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer te vermelden van degene op wie de gegevens en
inlichtingen betrekking hebben.
4.Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van
toepassing op de personen en de lichamen als bedoeld in artikel 55, voor
zover het de in dat artikel bedoelde gegevens en inlichtingen betreft.
Artikel 53a
1.Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van
de belastingheffing van derden kunnen alleen bekleders van een
geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich
beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of
beroep tot geheimhouding verplicht zijn.
2.Met betrekking tot de verplichtingen ten behoeve van de heffing van de
belasting waarvan de inhouding aan administratieplichtigen is
opgedragen, is artikel 51 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 54
De administratieplichtige die niet of niet volledig voldoet aan de
vordering gegevensdragers, of de inhoud daarvan, voor raadpleging
beschikbaar te stellen, wordt voor de toepassing van de artikelen 25 en
27e geacht niet volledig te hebben voldaan aan een bij of krachtens
artikel 52 opgelegde verplichting, tenzij aannemelijk is dat de
afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud
daarvan het gevolg is van overmacht.
Artikel 55
1.Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of
krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de
onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die
hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen,
mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de
inspecteur - de gegevens en inlichtingen, en wel kosteloos, die hun door
de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd.
2.Onze Minister kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing verlenen van de
in het eerste lid omschreven verplichting.
Artikel 56
De verplichtingen welke volgens deze afdeling bestaan jegens de
inspecteur, gelden mede jegens iedere door Onze Minister aangewezen
andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst.
Afdeling 3. Domiciliekeuze en uitreiking van stukken
Artikel 57
In bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften moet hij die
niet binnen het Rijk een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft,
domicilie kiezen binnen het Rijk.
Artikel 58
Het uitnodigen tot het doen van aangifte van degene die niet binnen het
Rijk een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, alsmede het
ingevolge de belastingwet uitreiken van een stuk aan die persoon, kan
ook geschieden aan de binnen het Rijk gelegen vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het
kantoor van de binnen het Rijk wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Afdeling 4. Overschrijding van termijnen
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 60
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift is
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 5. Toekenning van bevoegdheden
Artikel 61
Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur bepalingen vast
te stellen tot verzekering van de heffing en invordering van belasting
van hen die niet binnen het Rijk een vaste woonplaats of plaats van
vestiging hebben.
Artikel 62
Onze Minister is bevoegd regelen te geven ter uitvoering van de
belastingwet.
Artikel 63
Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen
tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich
bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen.
Artikel 64
1.Ter bevordering van een doelmatige formalisering van de uit een
belastingwet voortvloeiende schuld of van de op grond van een
belastingwet op te leggen bestuurlijke boete kan de inspecteur afwijken
van het overigens bij of krachtens de belastingwet bepaalde, indien:
a. degene aan wie de belastingaanslag wordt opgelegd, instemt met deze
wijze van formaliseren, en
b. de formalisering niet leidt tot een lagere schuld dan de schuld die
zonder toepassing van dit artikel voortvloeit uit de belastingwet of tot
een lagere bestuurlijke boete dan de zonder toepassing van dit artikel
op grond van de belastingwet op te leggen bestuurlijke boete.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de
toepassing van dit artikel.
Artikel 65
1.Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur
ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene
vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden
verleend.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen,
of van wie een onjuist bedrag is ingehouden.
Artikel 66
Van de bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete kan door Onze
Minister gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.
Afdeling 6. Geheimhouding
Artikel 67
1.Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige
werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of
zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken
dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de
invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet
1990 (geheimhoudingsplicht).
2.De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking
noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak
van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking
hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
3.In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister
ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
Hoofdstuk VIIIA. Bestuurlijke boeten
Afdeling 1. Overtredingen
Paragraaf 1. Verzuimboeten
Artikel 67a
1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij
wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge
artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een
verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de
vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste €
4 920 kan opleggen.
2. Indien over een jaar zowel een aanslag als een conserverende aanslag
wordt vastgesteld, wordt de in het eerste lid bedoelde boete uitsluitend
opgelegd bij het vaststellen van de aanslag. Wordt over een jaar
uitsluitend een conserverende aanslag vastgesteld, dan wordt die boete
opgelegd bij het vaststellen van de conserverende aanslag.
Artikel 67b
1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte
voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen
niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn heeft
gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 123 kan opleggen.
2. Indien de inhoudingsplichtige de aangifte loonbelasting niet, niet
binnen de in artikel 10 bedoelde termijn, dan wel onjuist of onvolledig
heeft gedaan, vormt dit, in afwijking van het eerste lid, een verzuim
terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste
€ 1 230 kan opleggen.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het niet dan wel
niet tijdig doen van de aangifte vervalt door verloop van een jaar na
het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden
gedaan. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het doen van
een onjuiste of onvolledige aangifte vervalt door verloop van vijf jaar
na het einde van het kalenderjaar van het aangiftetijdvak waarop de
aangifte betrekking heeft.
Artikel 67c
1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting
welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk
niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft
betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 4 920 kan opleggen.
2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op,
gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig
betalen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
4. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67ca
1. Degene die niet voldoet aan de verplichting hem opgelegd bij of
krachtens:
a. de artikelen 6, derde lid, 43, 44, 47b, tweede lid, 49, tweede lid,
en 50, eerste lid;
b. artikel 7, tweede lid, van de Wet op de kansspelbelasting;
c. de artikelen 28, aanhef en onderdelen a, b, d, en e, 29, 35d, 35e,
aanhef en onderdelen a, b, d, en e, 35k, 35l en 35m, aanhef en
onderdelen a en c, van de Wet op de loonbelasting 1964;
d. artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965;
e. artikel 35, eerste, tweede, en derde lid, van de Wet op de
omzetbelasting 1968, of
f. artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, begaat een
verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van
ten hoogste € 4 920 kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde
boete vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin de verplichting is ontstaan.
Artikel 67cb
1. De in de artikelen 67a, eerste en tweede lid, 67b, eerste en tweede
lid, 67c, eerste lid, en 67ca, eerste lid, genoemde bedragen worden elke
vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij ministeriële
regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het eerst plaats per 1
januari 2015. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting
2001 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als
tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de factoren van de
laatste vijf kalenderjaren.
2. De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met
betrekking tot verzuimen die zijn begaan na het begin van het
kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd.
Paragraaf 2. Vergrijpboeten
Artikel 67d
1. Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met
betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven,
de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een
vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de
vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten
hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor
de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:
a. het bedrag van de aanslag, dan wel
b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag
waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die
verliezen;
een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van de
belastingplichtige niet zou zijn geheven.
3. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg
daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete,
bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het
opleggen van de boete vervalt door verloop van de termijn die geldt voor
het vaststellen van de aanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien
geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt met verliezen
gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
5. Voor zover de aanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op
belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, bedraagt de boete, in zoverre in afwijking van
het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover verschuldigde
belasting zoals deze bij de aanslag is vastgesteld.
Artikel 67e
1. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van
aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de
belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is
vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een
vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de
vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan
opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven
grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:
a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel
b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag
waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te
houden met die verliezen;
een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove
schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.
3. De inspecteur kan, in afwijking van het eerste lid, binnen zes
maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke
boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt
nagevorderd eerst bekend worden op of na het tijdstip dat is gelegen zes
maanden vóór de afloop van de in artikel 16 bedoelde termijnen, en er
tevens aanwijzingen bestaan dat het aan opzet of grove schuld van de
belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is
vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Alsdan doet de
inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag
mededeling aan de belastingplichtige dat wordt onderzocht of in verband
met de navordering het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd
is.
4. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg
daarvan geen navorderingsaanslag kan worden vastgesteld, kan de
inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De
bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de
termijn die geldt voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die
zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden
zijn genomen.
5. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt met verliezen
gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. Voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking
heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, bedraagt de boete, in zoverre in afwijking van
het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover verschuldigde
belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.
Artikel 67f
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de
inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet
worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet
binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een
vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan
opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven
grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de
belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als
gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de
inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.
3. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op,
gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig
betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
5. Artikel 67e, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67fa
Bij toepassing van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de voorwaarde van gelijktijdigheid, bedoeld in de
artikelen 67a, eerste lid, 67c, tweede lid, 67d, eerste lid, 67e, eerste
lid en 67f, derde lid, voor zover nodig.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van
bestuurlijke boeten
Artikel 67g
1. De inspecteur legt de bestuurlijke boete op bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
2. In afwijking van artikel 5:9 van de Algemene wet bestuursrecht stelt
de inspecteur de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige, uiterlijk
bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van de in dat
artikel bedoelde gegevens.
Artikel 67h
Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door het
bedrag van de belasting, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid
verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding
van belasting, voor zover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of
kwijtschelding het bedrag betreft waarover de boete is berekend.
Artikel 67i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67k [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67l [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67m [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67n
1. Wanneer de belastingplichtige uiterlijk twee jaar nadat hij een
onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten
doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en
volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de
onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt geen
vergrijpboete opgelegd.
2. Ook na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van
twee jaar is het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte, dan
wel het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens of
aanwijzingen door de belastingplichtige vóórdat hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of
onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, een omstandigheid die
aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete.
Artikel 67o [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67p
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen
dan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige aan wie ingevolge de
belastingwet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 67pa
1. Met betrekking tot het opleggen van een verzuimboete vindt artikel
5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing.
2. In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de bevoegdheid om een in een belastingwet
geregelde verzuim- of vergrijpboete op te leggen niet na drie,
onderscheidenlijk vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
Artikel 67pb
In afwijking van artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan degene die de overtreding constateert ook worden
belast met het opleggen van een bestuurlijke boete.
Hoofdstuk IX. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 1. Strafbare feiten
Artikel 68
1. Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:
a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze
niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden,
andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel
beschikbaar stelt;
c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden,
andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of
vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;
d. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of
krachtens de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie
niet voert;
e. het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, en deze
niet bewaart;
f. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, en
deze niet verleent;
g. het uitreiken van een factuur of nota, en een onjuiste of onvolledige
factuur of nota verstrekt;
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
2. Degene die niet voldoet aan de verplichting, hem opgelegd bij artikel
47, derde lid, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
3. Niet strafbaar is degene die de in artikel 47a bedoelde verplichting
niet nakomt ten gevolge van een voor het niet binnen het Rijk gevestigde
lichaam of de niet binnen het Rijk wonende natuurlijke persoon geldend
wettelijk of rechterlijk verbod tot het verlenen van medewerking aan de
verstrekking van de verlangde gegevens of inlichtingen of het voor
raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan, dan wel ten gevolge van een hem
niet toe te rekenen weigering van het niet binnen het Rijk gevestigde
lichaam of de niet binnen het Rijk wonende natuurlijke persoon de
verlangde gegevens of inlichtingen te verstrekken of boeken, bescheiden,
andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar
te stellen.
Artikel 69
1. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte
niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een
der feiten begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdelen a,
b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig
belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag
hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven
belasting.
2. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte
onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in
artikel 68, eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt
dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien
dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig
geheven belasting, met dien verstande dat voor zover de onjuistheid in
of onvolledigheid van de aangifte betrekking heeft op belastbaar inkomen
als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de
geldboete ten hoogste driemaal het bedrag van de te weinig geheven
belasting bedraagt.
3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt,
indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan
wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt
vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van
de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of
onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.
4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd,
zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid,
als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede
lid, uitgesloten.
5. Artikel 68, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in het
eerste en tweede lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening
van dat beroep worden ontzet.
Artikel 69a [Vervallen per 01-07-2009]
Afdeling 1A. Strafbare feiten in algemene maatregelen van bestuur en
ministeriële regelingen
Artikel 70
Overtreding van door Ons krachtens de belastingwet bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die
overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van
de derde categorie.
Artikel 71
Overtreding van door Onze Minister krachtens de belastingwet
vastgestelde algemene voorschriften wordt, voor zover die overtreding is
aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
Afdeling 2. Algemene bepalingen van strafrecht
Artikel 72
De bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf
is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij de belastingwet strafbaar
gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 73
De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op ieder die zich buiten
het Rijk schuldig maakt aan enig in de belastingwet omschreven misdrijf.
Artikel 74
Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt artikel
36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing.
Artikel 75 [Vervallen per 11-06-1988]
Artikel 76
1.Ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten gelden
in plaats van de artikelen 74 en 74a van het Wetboek van Strafrecht de
volgende bepalingen.
2.Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welke het proces-verbaal
niet overeenkomstig artikel 80, tweede lid, in handen van de officier
van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering door
vrijwillige voldoening aan de voorwaarden welke het bestuur van ’s
Rijks belastingen ter voorkoming van de strafvervolging mocht hebben
gesteld.
3.Als voorwaarden kunnen worden gesteld:
a. betaling aan de Staat van een geldsom, te bepalen op ten minste € 3
en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden
opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn
voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde, van
voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan de Staat van een geldbedrag gelijk aan of lager dan
het geschatte voordeel - met inbegrip van besparing van kosten - door de
verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit;
e. het alsnog voldoen aan een bij de belastingwet gestelde verplichting;
4.Het bestuur van ’s Rijks belastingen bepaalt telkens de termijn
binnen welke aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan en zo nodig
tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde termijn kan
vóór de afloop daarvan éénmaal worden verlengd.
5.Artikel 552ab van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2A [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 76a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 76b [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 76c [Vervallen per 01-08-2008]
Afdeling 3. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 77
1.De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij de belastingwet
strafbaar gestelde feiten.
2.De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voor zover zij zijn
gewezen:
a. ter zake van misdrijven;
b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip
waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien
jaren nog niet had bereikt.
3.Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien
hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer
is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar
ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft
gevorderd.
Artikel 78
Ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten worden
lichamen voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van
Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 79 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 80
1.Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten
zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
bedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.
2.In afwijking van de artikelen 155, 156 en 157 van het Wetboek van
Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van
’s Rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal
betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of
voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de
bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld
toekomen aan de bevoegde officier van justitie. De overige
processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging
wenselijk acht.
3.De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weder in
handen van het bestuur van ’s Rijks belastingen te stellen, hetwelk
daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 76.
4.Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin het bestuur van
’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet aan de officier van
justitie heeft doen toekomen.
Artikel 81
De ambtenaren belast met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar
gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de
ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 82
1. In zaken waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het
proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 80, tweede lid,
aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van
het bestuur van ’s Rijks belastingen hetgeen in artikel 116 van het
Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is
bepaald.
2. In de zaken, bedoeld in het vorige lid, wordt bij de toepassing van
de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens
het gerecht ingevolge artikel 552a, zesde lid, onderscheidenlijk artikel
552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, ook het
bestuur van ’s Rijks belastingen in de gelegenheid gesteld te worden
gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat
wetboek, niet het openbaar ministerie doch het bestuur van ’s Rijks
belastingen bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De
griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a,
zesde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking
neemt, deelt deze onverwijld mede aan het bestuur van ’s Rijks
belastingen.
Artikel 83
Bij het opsporen van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit
hebben de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot
elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun
taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen
personen te doen vergezellen.
Artikel 84
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij de belastingwet
strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie, ambtenaren van de rijksbelastingdienst aanwijzen,
die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 85
De griffiers verstrekken aan het bestuur van ’s Rijks belastingen
desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen,
in belastingstrafzaken gewezen.
Artikel 86
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij de belastingwet
strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering
aan ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
toegekend.
Artikel 87
Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten hebben de
ambtenaren van de rijksbelastingdienst de bevoegdheid van deurwaarders.
Artikel 88
1.De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn tevens belast met de
opsporing van:
a. de misdrijven omschreven in de artikelen 179 tot en met 182 van het
Wetboek van Strafrecht, welke jegens hen zijn begaan;
b. het misdrijf omschreven in artikel 184 van het Wetboek van
Strafrecht, indien het bevel of de vordering is gedaan krachtens of de
handeling is ondernomen ter uitvoering van de belastingwet.
2.De artikelen 152, 153, 157 en 159 van het Wetboek van Strafvordering
zijn te dezen op de ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 88a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 88b [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 88c [Vervallen per 01-08-2008]
Hoofdstuk X. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 89
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 90
De krachtens de wet van 14 Juni 1930 (Stb. 244), houdende bepalingen tot
voorkoming van dubbele belasting, uitgevaardigde voorschriften worden
geacht krachtens Hoofdstuk VII te zijn uitgevaardigd.
Artikel 91
De wet van 13 Januari 1922 (Stb. 9), betreffende het opleggen van
voorlopige aanslagen in de directe belastingen, wordt ingetrokken.
Artikel 92
De wet van 29 April 1925 (Stb. 171), tot bevordering van de richtige
heffing der directe belastingen, wordt ingetrokken.
Artikel 93
De wet van 28 Juni 1926 (Stb. 227), houdende bepalingen met betrekking
tot het overschrijden van in belastingwetten gestelde termijnen, wordt
ingetrokken.
Artikel 94
De wet van 23 April 1952 (Stb. 191), houdende bepalingen inzake
vervanging van het fiscale noodrecht, wordt ingetrokken, behoudens ten
aanzien van begane strafbare feiten.
Artikel 95
1.De bepalingen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat verschillend kan zijn zowel voor de onderscheidene
bepalingen van de wet als voor de onderscheidene belastingen en
tijdvakken waarin of waarover deze worden geheven.
2.Voor zoverre de bepalingen van deze wet ten aanzien van enige
belasting in werking zijn getreden, blijven, behoudens ten aanzien van
begane strafbare feiten, de bepalingen in andere belastingwetten
betreffende de onderwerpen, geregeld in eerstbedoelde bepalingen, ten
aanzien van die belasting in zoverre buiten toepassing.
Artikel 96
Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2 juli 1959
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de achtentwintigste augustus 1959
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|