Nadere regelgeving:
- Besluit voorkoming dubbele
belasting 2001 (Bvdb 2001)
- Douanebesluit
(vervallen)
- Douaneregeling
(vervallen)
- Regeling
bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij
belastingen
- Uitvoeringsbeschikking
dividendbelasting 1965
- Uitvoeringsbeschikking
kansspelbelasting
- Uitvoeringsbeschikking
omzetbelasting 1968
- Uitvoeringsbesluit
accijns
- Uitvoeringsbesluit
motorrijtuigenbelasting 1994
- Uitvoeringsbesluit
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten
- Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
- Uitvoeringsregeling
Belastingdienst 2003
- Uitvoeringsregeling
Besluit voorkoming dubbele belasting 2001' (vervallen)
WET van 2 juli 1959, houdende regelen,
welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging
van de wetgeving inzake rijksbelastingen wenselijk is, regelen welke aan
een aantal belastingen gemeen zijn, in een algemene wet samen te vatten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. De bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing
van rijksbelastingen, de heffing van belastingrente, revisierente en
bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden
vastgesteld of opgelegd, alsmede bij de uitvoering van de
basisregistratie inkomen, een en ander met uitzondering van de
belastingen voor zover voor een belanghebbende na een door de
inspecteur gedane uitspraak op bezwaar met betrekking tot deze
belastingen beroep openstaat bij de Raad van Beroep voor
belastingzaken, bedoeld in hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES.
2. Onder rijksbelastingen worden verstaan belastingen welke van
rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven.
3. Met betrekking tot de heffing van rijksbelastingen blijven titel
5.2 en afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten
toepassing.
Artikel 2
1. Deze wet verstaat onder:
a. belastingwet: zowel deze wet als andere wettelijke
bepalingen betreffende de heffing van de onder artikel 1 vallende
belastingen;
b. lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, ondernemingen van publiekrechtelijke
rechtspersonen en doelvermogens.
2. Waar in de belastingwet wordt gesproken:
a. van vereniging, is daaronder begrepen de samenwerkingsvorm
zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging
maatschappelijk gelijk kan worden gesteld;
b. met betrekking tot een lichaam van bestuurder, zijn
daaronder begrepen de beherende vennoot van een maat- of
vennootschap en de binnenlandse vertegenwoordiger van een niet in
Nederland gevestigd lichaam, alsmede in geval van ontbinding hij
die met de vereffening is belast;
c. van Mogendheid, wordt daaronder mede begrepen een daarmee
gelijk te stellen bestuurlijke eenheid;
d. van staat, wordt daaronder mede begrepen Mogendheid;
e. van verdrag, wordt daaronder mede begrepen regelen ter
voorkoming van dubbele belasting die zijn overeengekomen met een
in onderdeel c bedoelde bestuurlijke eenheid;
f. van regeling ter voorkoming van dubbele belasting, wordt
daaronder mede begrepen regelen ter voorkoming van dubbele
belasting die zijn overeengekomen met een in onderdeel c bedoelde
bestuurlijke eenheid.
3. De belastingwet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als
zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen;
c. open commanditaire vennootschap: de commanditaire
vennootschap waarbij, buiten het geval van vererving of legaat,
toetreding of vervanging van commanditaire vennoten kan plaats
hebben zonder toestemming van alle vennoten, beherende zowel als
commanditaire;
d.
1°. Koninkrijk: Koninkrijk der Nederlanden;
2°. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES
eilanden;
3°. Nederland: het in Europa gelegen deel van het
Koninkrijk, met dien verstande dat voor de heffing van de
inkomstenbelasting, de loonbelasting, de
vennootschapsbelasting en de assurantiebelasting Nederland
tevens omvat de exclusieve economische zone van het
Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling
exclusieve economische zone, voorzover deze grenst aan de
territoriale zee in Nederland;
4°. BES eilanden: de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, met daaronder begrepen, met inachtneming
van de Rijkswet tot vaststelling van een zeegrens tussen
Curaçao en Bonaire en tussen Sint Maarten en Saba, het buiten
de territoriale zee van de BES eilanden gelegen deel van de
zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk
daar op grond van het internationale recht ten behoeve van de
exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen
soevereine rechten mag uitoefenen, alsmede de in, op, of boven
dat gebied aanwezige installaties en andere inrichtingen ten
behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke
rijkdommen in dat gebied;
e. belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de
navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige
conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de
conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting, de
schenk- en erfbelasting;
f. aandeel: mede de deelgerechtigdheid van een commanditaire
vennoot in een open commanditaire vennootschap;
g. Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot
vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302);
h. toepassingsverordening Communautair douanewetboek:
verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele
bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van het
communautair douanewetboek (PbEG L 253);
i. kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de
neergaande lijn;
j. burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
k. sociaal-fiscaalnummer: het nummer dat door de
rijksbelastingdienst is toegekend aan de natuurlijke persoon aan
wie geen burgerservicenummer is toegekend;
l. partner: persoon als bedoeld in artikel 5a;
m. algemeen nut beogende instelling: een instelling als bedoeld
in artikel 5b;
n. culturele instelling: een instelling als bedoeld in artikel
5b, vierde lid;
o. sociaal belang behartigende instelling: een instelling als
bedoeld in artikel 5c;
p. steunstichting SBBI: een stichting als bedoeld in artikel
5d.
4. Het in de belastingwet genoemde bestuur van ’s Rijks
belastingen wordt uitgeoefend door de door Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
5. Hetgeen bij of krachtens deze wet wordt bepaald inzake de in het
derde lid, onderdeel e, bedoelde voorlopige aanslag, aanslag of
navorderingsaanslag, is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de in dat onderdeel bedoelde voorlopige conserverende aanslag,
onderscheidenlijk conserverende aanslag of conserverende
navorderingsaanslag, met dien verstande dat:
a. een voorlopige aanslag en in de belastingwet daartoe
aangewezen voorheffingen niet worden verrekend met een
conserverende aanslag en een voorlopige conserverende aanslag niet
wordt verrekend met een aanslag;
b. een voorlopige conserverende aanslag niet wordt verrekend
met een conserverende aanslag doch vervalt tegelijk met de
vaststelling van de conserverende aanslag onder toerekening van
het ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleende
uitstel van betaling, de daaromtrent gestelde zekerheid, alsmede
van de betalingen die op die conserverende voorlopige aanslag
mochten zijn verricht, aan de conserverende aanslag.
6. Bepalingen van de belastingwet die rechtsgevolgen verbinden aan
het aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van
een huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het
bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een
geregistreerd partnerschap.
7. Voor de toepassing van de belastingwet en de daarop berustende
bepalingen wordt een Europese coöperatieve vennootschap gelijkgesteld
met een Europese naamloze vennootschap met dien verstande dat bij
algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van de in die
algemene maatregel van bestuur genoemde bepalingen de rechtsvorm
gelijkgesteld kan worden met een coöperatie.
Artikel 3
1. De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is
niet bepaald naar een geografische indeling van het Rijk.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst alsmede
omtrent de functionaris, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b,
onder wie een belastingplichtige ressorteert.
Artikel 4
1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar
de omstandigheden beoordeeld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte
van de bemanning als deel van Nederland beschouwd.
3. Voor de toepassing van de wettelijke bepalingen ter uitvoering
van Richtlijn nr. 2009/133/EG van de Raad van de Europese Unie van 19
oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor
fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en
aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende
lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE
of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PbEU L 310),
Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de
gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en
dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2011, L 345/8)
of Richtlijn nr. 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3
juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake
uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen
van verschillende lidstaten (Pb L 157) wordt, in afwijking in zoverre
van het eerste lid en voor zover dat voortvloeit uit de genoemde
Richtlijnen, een lichaam geacht te zijn gevestigd in een Lid-Staat van
de Europese Gemeenschappen indien dat lichaam volgens de fiscale
wetgeving van de Lid-Staat aldaar is gevestigd.
4. Een instelling voor collectieve belegging in effecten als
bedoeld in artikel 1 van Richtlijn nr. 2009/65/EU van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009 tot
coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende instellingen voor collectieve belegging in effecten (PbEU
L 302/32), wordt geacht te zijn gevestigd in de lidstaat of staat
waarvan de bevoegde autoriteit de instelling overeenkomstig artikel 5
van die richtlijn heeft toegelaten.
Artikel 5
1. De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter
zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De
dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de
vaststelling van de belastingaanslag. De inspecteur stelt het
aanslagbiljet ter invordering van de daaruit blijkende
belastingaanslag aan de ontvanger ter hand.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot het door de inspecteur nemen van een beschikking of het doen van
uitspraak strekkende tot - al dan niet nadere - vaststelling van een
ingevolge de belastingwet verschuldigd of terug te geven bedrag.
Artikel 5a
1. Als partner wordt aangemerkt:
a. de echtgenoot;
b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde
meerderjarige belastingplichtige een notarieel
samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat
ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en
strekking overeenkomende administratie buiten Nederland.
2. Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het
kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner
aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij
in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie
buiten Nederland.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon die van
tafel en bed is gescheiden, aangemerkt als ongehuwd. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de
uitvoering van dit lid.
4. In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als
partner aangemerkt ingeval:
a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk
169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding,
respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en
b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en
strekking overeenkomende administratie buiten Nederland staat
ingeschreven als de belastingplichtige.
5. Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben.
Ingeval een persoon meer dan één echtgenoot heeft, wordt alleen de
echtgenoot uit de oudste verbintenis als partner aangemerkt. Bij meer
dan één notarieel samenlevingscontract, wordt alleen het oudste
samenlevingscontract in aanmerking genomen. Een notarieel
samenlevingscontract met meer dan één persoon, wordt niet in
aanmerking genomen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op basis
waarvan iemand die niet in Nederland woont, geacht wordt op zijn
woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende
administratie buiten Nederland.
7. Personen die partners waren op grond van het eerste lid,
onderdeel b, blijven als partners aangemerkt nadat de in dat onderdeel
bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is
als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege
medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van
die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van
beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. De eerste
volzin vindt geen toepassing meer indien één van beiden door middel
van een schriftelijke kennisgeving aan de inspecteur laat weten dat
zij niet langer als partners willen worden aangemerkt. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve
van de uitvoering van dit lid.
Artikel 5b
1. Een algemeen nut beogende instelling is:
a. een instelling – niet zijnde een vennootschap met in
aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge
waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van
deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven –die:
1°. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut
beoogt;
2°. voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden;
3°. gevestigd is in het Koninkrijk, in een andere lidstaat
van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling
aangewezen staat, en
4°. door de inspecteur als zodanig is aangemerkt;
b. een niet in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de
Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen
staat gevestigde, door Onze Minister als zodanig aangemerkte
instelling indien en zolang zij voldoet aan de door hem te stellen
voorwaarden.
2. Publiekrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn algemeen nut beogende
instellingen.
3. Als algemeen nut in de zin van dit artikel wordt beschouwd:
a. welzijn;
b. cultuur;
c. onderwijs, wetenschap en onderzoek;
d. bescherming van natuur en milieu, daaronder begrepen
bevordering van duurzaamheid;
e. gezondheidszorg;
f. jeugd-en ouderenzorg;
g. ontwikkelingssamenwerking;
h. dierenwelzijn;
i. religie, levensbeschouwing en spiritualiteit;
j. de bevordering van de democratische rechtsorde;
k. volkshuisvesting;
l. een combinatie van de bovengenoemde doelen, alsmede
m. het financieel of op andere wijze ondersteunen van een
algemeen nut beogende instelling.
4. Een algemeen nut beogende instelling die zich uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend richt op cultuur, kan verzoeken tevens te worden
aangemerkt als culturele instelling.
5. Een instelling die werkzaamheden verricht die gericht zijn op
het bieden van volkshuisvesting als bedoeld in het derde lid,
onderdeel k, kan slechts worden aangemerkt als algemeen nut beogende
instelling, indien zij op de voet van artikel 70 van de Woningwet bij
koninklijk besluit is toegelaten als instelling die in het belang van
de volkshuisvesting werkzaam is.
6. Het aanmerken als een algemeen nut beogende instelling of als
culturele instelling geschiedt op verzoek van de instelling. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking
eventueel onder door hem te stellen voorwaarden. In afwijking van de
eerste volzin kan de inspecteur een categorie instellingen dan wel een
groep met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare
beschikking aanmerken als instellingen als bedoeld in het eerste lid,
ook zonder dat een daartoe strekkend verzoek is gedaan door die
instellingen.
7. Een instelling als bedoeld in het eerste lid, wordt door de
inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig
aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling niet
langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen nut beogend
karakter heeft, niet meer voldoet aan de bij ministeriële regeling
gestelde voorwaarden dan wel niet meer is gevestigd als aangegeven in
het eerste lid. Een instelling als bedoeld in het vierde lid wordt
door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als
zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling
zich niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur.
Het tijdstip van intrekking kan liggen voor de datum van de
dagtekening van de beschikking.
8. Een instelling wordt eveneens door de inspecteur niet, of niet
langer, als algemeen nut beogende instelling aangemerkt indien de
instelling, een bestuurder van die instelling of een persoon die
feitelijk leiding geeft aan die instelling, dan wel een voor de
instelling gezichtsbepalend persoon onherroepelijk is veroordeeld
wegens aanzetten tot haat, aanzetten tot geweld of gebruik van geweld
en nog geen vier kalenderjaren zijn verstreken sinds deze
veroordeling.
9. Voor de toepassing van het vierde en het zesde tot en met
achtste lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden
gesteld.
Artikel 5c
Een sociaal belang behartigende instelling is een instelling:
a. die in overeenstemming met haar regelgeving een sociaal belang
behartigt;
b. die niet aan een winstbelasting is onderworpen dan wel daarvan
is vrijgesteld;
c. die aan de leden van het orgaan van de instelling dat het
beleid bepaalt ter zake van de door die leden voor de instelling
verrichte werkzaamheden geen andere beloning toekent dan een
vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig
vacatiegeld;
d. die is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van
de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen
staat.
Artikel 5d
1. Een steunstichting SBBI is een stichting die voldoet aan bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden en die is opgericht
uitsluitend met het doel geld in te zamelen ter ondersteuning van een
sociaal belang behartigende instelling ten behoeve van een bij
ministeriële regeling aan te wijzen doel.
2. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het
eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt
vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Hoofdstuk II. Aangifte
Artikel 6
1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet
bij wege van aanslag worden geheven, dan wel op aangifte worden
voldaan of afgedragen, kan de inspecteur degene die naar zijn mening
vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot
het doen van aangifte. Worden door de belastingwet aangelegenheden van
een derde aangemerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk
belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, dan kan de inspecteur ook
die derde uitnodigen tot het doen van aangifte. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het
uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt.
2. Degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur
indient, wordt in elk geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.
3. Bij ministeriële regeling kan degene, die in de daarbij
omschreven omstandigheden verkeert, worden verplicht om binnen een te
stellen termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Artikel 7
1. In de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt opgave
verlangd van gegevens en kan overlegging of toezending worden gevraagd
van bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan
de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.
2. Onder bescheiden en andere gegevensdragers worden voor de
toepassing van het eerste lid niet begrepen bescheiden en andere
gegevensdragers welke plegen te worden opgemaakt om te dienen als
bewijs tegenover derden.
Artikel 8
1. Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden
aangifte te doen door:
a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig
en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen
wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te
zenden, alsmede
b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere
gegevensdragers, dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële
regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald:
a. voor welke belastingen of groepen van belastingplichtigen of
inhoudingsplichtigen het doen van aangifte uitsluitend langs
elektronische weg kan geschieden, en
b. onder welke voorwaarden hiervan door de inspecteur bij voor
bezwaar vatbare beschikking ontheffing kan worden verleend.
De in dit lid bedoelde belastingplichtigen kunnen uitsluitend
betreffen administratieplichtigen in de zin van artikel 52, tweede
lid.
3. Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van artikel
1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Bij ontvangst van de aangifte wordt desverlangd een
ontvangstbevestiging afgegeven.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen
en onder welke voorwaarden de inspecteur ontheffing kan verlenen van
de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte
gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de
inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden.
6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op verzoeken aan de inspecteur tot ontheffing op grond van
bepalingen krachtens het tweede lid, onderdeel b.
Artikel 9
1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet
bij wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de
inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een
maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.
2. De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. Hij
kan aan de verlenging voorwaarden verbinden, onder meer dat vóór een
door hem te bepalen datum op bij ministeriële regeling te bepalen
wijze gegevens voor het opleggen van een voorlopige aanslag worden
verstrekt.
3. De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het
eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de
belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn
aangifte te doen.
Artikel 10
1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet
op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte
gedaan bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de
uitnodiging tot het doen van aangifte.
2. Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij
gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste
een maand na het einde van het tijdvak. Heeft de aangifte niet
betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de
inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand.
3. De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel
van het doen van aangifte verlenen.
Artikel 10a
1. In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen
kunnen belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen worden gehouden de
inspecteur eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of
onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens
en inlichtingen die hun bekend zijn of zijn geworden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop mededeling
als bedoeld in het eerste lid gedaan moet worden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan het niet nakomen van de
in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting worden aangemerkt
als een overtreding. Indien het niet nakomen van die verplichting is
te wijten aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of
inhoudingsplichtige, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de
inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100
percent van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet
nakomen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting niet
is of zou zijn geheven.
Hoofdstuk III. Heffing van belasting bij wege van aanslag
Artikel 11
1. De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur.
2. De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de
aangifte afwijken, zomede de aanslag ambtshalve vaststellen.
3. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door
verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is
ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt
deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt belastingschuld,
waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het
tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan
op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt.
Artikel 12
De inspecteur neemt het besluit om aan hem die aangifte heeft gedaan,
geen aanslag op te leggen, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 13
1. Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden
vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt
geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag
opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing
van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige
aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen,
vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige aanslag tot een
positief bedrag wordt niet vastgesteld voor de aanvang van het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven.
2. Een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag die voor of in de
loop van het tijdvak wordt vastgesteld, wordt aangeduid als voorlopige
teruggaaf.
3. Een voorlopige aanslag kan, met inachtneming van de vorige
leden, door een of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld.
Artikel 14
1. In de gevallen waarin artikel 13 niet van toepassing is, kan de
inspecteur na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan,
volgens door Onze Minister te stellen regelen een voorlopige aanslag
opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal
worden vastgesteld.
2. Een voorlopige aanslag kan met inachtneming van het in het
eerste lid bepaalde, door één of meer voorlopige aanslagen worden
aangevuld.
Artikel 15
De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen
voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel - voor zoveel
nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare
beschikking.
Artikel 16
1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een
aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag
is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene
vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig
geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur
bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond
voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de
belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te
weinig belasting is geheven, doordat:
a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige
teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot
een onjuist bedrag is verrekend;
b. zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde
of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege
is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot
een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige
redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien
de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de
ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.
3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag
vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de
belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van
toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend,
wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De
eerste volzin is niet van toepassing voor zover navordering
plaatsvindt met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001. Voor zover navordering zonder toepassing van
het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de
bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in
afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren
na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te
leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld.
4. Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van
het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden
of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid,
eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf
jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
5. Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van
verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in
verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of
teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft
de bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is
over het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is.
6. Indien een heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is verleend aan de belastingplichtige doordat het maximale
bedrag, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, of 8.9a, derde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001, is overschreden, blijft, na afloop
van de navorderingstermijn bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid
tot navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop een
belastingaanslag van zijn partner welke relevant is voor die
heffingskorting, of een beschikking dan wel uitspraak strekkende tot
vermindering van een zodanige belastingaanslag van zijn partner
onherroepelijk is geworden.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 18a
1. Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
onroerende zaken gegeven beschikking tot vaststelling van de waarde,
welke ingevolge een wettelijk voorschrift ten grondslag heeft gelegen
aan de heffing van belasting, is herzien met als gevolg dat:
a. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte achterwege
is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat
een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of
teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, dan
kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen;
b. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet
voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte niet
of tot een te laag bedrag is verleend, dan vernietigt de
inspecteur de ten onrechte vastgestelde aanslag of
navorderingsaanslag dan wel vermindert hij de aanslag of
navorderingsaanslag, onderscheidenlijk verleent hij alsnog de in
de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf.
2. Het vaststellen van de navorderingsaanslag, onderscheidenlijk
het nemen van de beschikking tot vernietiging, vermindering,
ontheffing of teruggaaf op de voet van het eerste lid geschiedt binnen
acht weken na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak
strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde onherroepelijk
is geworden. Eerstbedoelde beschikking is voor bezwaar vatbaar.
3. Ingeval de herziening gevolgen heeft voor de toepassing van
artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot
een jaar, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de termijn
waarbinnen navordering mogelijk is bepaald op de voet van artikel 16
en vangt de in dat lid bedoelde termijn van acht weken niet eerder aan
dan op het tijdstip waarop de belastingplichtige een verzoek heeft
ingediend tot aanpassing van de aanslag of beschikking met betrekking
tot dat jaar. Een verzoek tot aanpassing wordt gedaan binnen een jaar
na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de
herziene vaststelling van de waarde, onherroepelijk is geworden.
4. Indien aan de heffing van belasting een aan een onroerende zaak
toegekende waarde ten grondslag ligt en met betrekking tot die
onroerende zaak voor een voor die heffing van belang zijnd
kalenderjaar een waarde wordt vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV
van de Wet waardering onroerende zaken, zijn het eerste, tweede en
derde lid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Heffing van belasting bij wege van voldoening of
afdracht op aangifte
Artikel 19
1. In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een
tijdvak verschuldigd geworden of afdracht van in een tijdvak
ingehouden belasting op aangifte voorschrijft, is de
belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden
de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak
overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld:
a. met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet
worden betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld
volgens welke in de loop van dat tijdvak één of meer voorlopige
betalingen moeten worden gedaan;
b. krachtens welke door de inspecteur aan de
belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige,
uitstel wordt verleend voor de voldoening van in een tijdvak
verschuldigd geworden belasting of de afdracht van in een tijdvak
ingehouden belasting, indien met betrekking tot dat tijdvak dan
wel een tijdvak dat is geëindigd vóór, tegelijk met of minder
dan 34 dagen na dat tijdvak een verzoek om teruggaaf van belasting
is ingediend.
3. In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de
belastingwet voldoening of afdracht van belasting op aangifte
voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de
inhoudingsplichtige, gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte
aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop
de belastingschuld is ontstaan.
4. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de
in het eerste en in het derde lid genoemde termijn van één maand met
de duur van dit uitstel verlengd.
5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het
eerste en in het derde lid gestelde termijn van één maand.
Artikel 20
1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of
afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur
de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk
niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar
aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog
bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan
wel teruggaaf van belasting is verleend.
2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt
opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel
aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag,
vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is
verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van
bepalingen van de belastingwet door een ander dan de
belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te
weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander
opgelegd.
3. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren
na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is
ontstaan of de teruggaaf is verleend.
4. Indien de belastingschuld is ontstaan door de verkrijging van de
economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze
zijn onderworpen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer, vervalt de bevoegdheid tot naheffing,
in afwijking in zoverre van het derde lid, door verloop van twaalf
jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is
ontstaan.
Hoofdstuk IVA. Basisregistratie inkomen
Artikel 21
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet is
bepaald dat deze authentieke gegevens bevat;
b. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven
dat bij wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt;
c. verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18
van de Wet inkomstenbelasting 2001;
d. belastbaar loon: belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 van
de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van loon dat als
een eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast;
e. inkomensgegeven:
1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of
navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld:
het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat
kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;
2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of
navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld:
het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat
kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon;
f. afnemer: bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk
voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven;
g. betrokkene: degene op wie het inkomensgegeven betrekking
heeft;
h. terugmelding: melding als bedoeld in artikel 21h, eerste lid.
Artikel 21a
1. Er is een basisregistratie inkomen waarin inkomensgegevens met
bijbehorende temporele en meta-kenmerken zijn opgenomen. Het
inkomensgegeven, bedoeld in de vorige volzin, is een authentiek
gegeven.
2. In de basisregistratie inkomen zijn ook bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen authentieke gegevens uit andere
basisregistraties opgenomen.
Artikel 21b
1. De basisregistratie inkomen heeft tot doel de afnemers te
voorzien van inkomensgegevens.
2. De inspecteur is belast met de uitvoering van de
basisregistratie inkomen.
3. De inspecteur draagt zorg voor de juistheid, volledigheid en
actualiteit van de inkomensgegevens.
4. De inspecteur draagt er zorg voor dat de weergave van een
meegeleverd authentiek gegeven uit een andere basisregistratie
overeenstemt met dat gegeven, als opgenomen in die andere
basisregistratie.
Artikel 21c
1. Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, onder 1°, zijn de regels die gelden bij de heffing van
de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.
2. Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, onder 2°, zijn de regels die gelden bij de heffing van
de loonbelasting van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de bepaling van het inkomensgegeven blijftartikel 65 buiten
toepassing.
4. Indien in het kader van de heffing van de inkomstenbelasting of
de loonbelasting aan betrokkene een aanslagbiljet, een afschrift van
de uitspraak op bezwaar of een afschrift van de beschikking ambtshalve
vermindering wordt verstrekt, wordt het bijbehorende inkomensgegeven
afzonderlijk vermeld.
Artikel 21d
1. De inspecteur plaatst de aantekening«in onderzoek» bij een
inkomensgegeven indien ten aanzien van dat inkomensgegeven:
a. een terugmelding is gedaan;
b. een bezwaar- of beroepschrift is ingediend;
c. een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend, of
d. overigens gerede twijfel is ontstaan omtrent de juistheid
van dat gegeven.
Voor de onderdelen a en d geldt een bij ministeriële regeling te
bepalen termijn waarbinnen de inspecteur bepaalt of de aantekening
«in onderzoek» al dan niet wordt geplaatst.
2. De inspecteur verwijdert de aantekening «in onderzoek»:
a. na de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van de
terugmelding;
b. nadat de beslissing op bezwaar of de rechterlijke uitspraak
onherroepelijk is geworden;
c. na de afhandeling van het verzoek om ambtshalve
vermindering, of
d. na de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van de
situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
Artikel 21e
1. De inspecteur verstrekt aan een afnemer op zijn verzoek een
inkomensgegeven met bijbehorende temporele en meta-kenmerken.
2. Een inkomensgegeven waarbij de aantekening «in onderzoek» is
geplaatst, wordt uitsluitend verstrekt onder mededeling van die
aantekening.
3. Met een inkomensgegeven kunnen authentieke gegevens uit andere
basisregistraties worden meegeleverd.
4. De inspecteur deelt, na verwijdering van de aantekening «in
onderzoek», op verzoek aan een afnemer die het desbetreffende
inkomensgegeven voorafgaand aan de verwijdering van de aantekening
verstrekt heeft gekregen mee dat de aantekening is verwijderd en of
het gegeven is gewijzigd.
Artikel 21f
1. Een afnemer gebruikt een inkomensgegeven uitsluitend bij de
uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift verleende
bevoegdheid tot gebruik van dit gegeven.
2. Een afnemer is niet bevoegd een inkomensgegeven verder bekend te
maken dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende
bevoegdheid.
3. Voor zover een inkomensgegeven ten grondslag ligt aan een
besluit van een afnemer wordt het bekendgemaakt en verenigd in één
geschrift met dat besluit.
Artikel 21g
1. Voor zover een afnemer een op grond van een wettelijk
voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven
uitoefent, gebruikt hij het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van
het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien bij het
inkomensgegeven de aantekening «in onderzoek» is geplaatst.
Artikel 21h
1. Een afnemer die gerede twijfel heeft over de juistheid van een
authentiek gegeven dat hij verstrekt heeft gekregen uit de
basisregistratie inkomen meldt dit aan de inspecteur, onder opgaaf van
redenen.
2. Voor zover een terugmelding betrekking heeft op een authentiek
gegeven dat is overgenomen uit een andere basisregistratie, zendt de
inspecteur die melding onverwijld door aan de beheerder van die andere
basisregistratie en doet daarvan mededeling aan de afnemer die de
terugmelding heeft gedaan.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de gevallen waarin een terugmelding achterwege kan blijven,
omdat de terugmelding niet van belang is voor het bijhouden van de
basisregistratie;
b. de wijze waarop een terugmelding moet worden gedaan;
c. de termijn waarbinnen de afhandeling van het onderzoek naar
aanleiding van een terugmelding over een inkomensgegeven moet
plaatsvinden.
Artikel 21i
Voor zoverartikel 21g, eerste lid, van toepassing is, hoeft een
betrokkene aan wie door een afnemer een inkomensgegeven wordt gevraagd
dat gegeven niet te verstrekken.
Artikel 21j
1. Met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur wordt
gelijkgesteld het inkomensgegeven, bedoeld inartikel 21, onderdeel e,
onder 2°, zoals dat met het oorspronkelijke besluit van de afnemer is
bekendgemaakt op grond vanartikel 21f, derde lid.
2. Een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om wijziging van het
besluit van de afnemer wordt, voor zover het gericht is tegen het
inkomensgegeven, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen of
verzoekschrift om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven.
3. Een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om ambtshalve
vermindering van het inkomensgegeven wordt, indien gericht tegen het
besluit van de afnemer, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen
of verzoekschrift om wijziging van het besluit van die afnemer.
Artikel 21ja
Voor de toepassing van de artikelen 21d en 21jwordt onder ambtshalve
vermindering mede verstaan een herziening als bedoeld in artikel 9.5,
eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 21k
1. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een
onjuist inkomensgegeven door de inspecteur ambtshalve verminderd.
2. Indien betrokkene een verzoek om ambtshalve vermindering heeft
gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist
de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Het met de belastingaanslag inkomstenbelasting samenhangende
inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, wordt
voor de toepassing van dit artikel geacht onderdeel uit te maken van
die belastingaanslag.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk V. Bezwaar en beroep
Afdeling 1. Bezwaar
Artikel 22j
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt
de termijn voor het instellen van bezwaar aan:
a. met ingang van de dag na die van dagtekening van een
aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare
beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag
van de bekendmaking, dan wel
b. met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding
onderscheidenlijk de afdracht.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 24a
1. Hij die bezwaar heeft tegen meer dan één belastingaanslag of
voor bezwaar vatbare beschikking kan daartegen bezwaar maken bij één
bezwaarschrift.
2. Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor
bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt
opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt een bezwaarschrift
tegen de belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete,
tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
3. Indienartikel 30j, tweede lid, eerste volzin, van toepassing is,
wordt de belastingrente voor de toepassing van de wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep geacht onderdeel uit te maken van
de belastingaanslag.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de revisierente, bedoeld in artikel 30i, het verzamelinkomen,
bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de
betalingskorting, bedoeld in artikel 27a van de Invorderingswet 1990.
Artikel 25
1. In afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de belanghebbende gehoord op zijn verzoek.
2. Indien omstandigheden daartoe nopen, kan het horen geschieden in
afwijking van artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een
navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met
betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is
van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in
artikel 52a, eerste lid, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift
de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd, tenzij is gebleken dat
en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. De
eerste volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht
tegen een vergrijpboete.
4. Indien bezwaar is gemaakt tegen meer dan één belastingaanslag
of voor bezwaar vatbare beschikking, kan de inspecteur de uitspraken
vervatten in één geschrift.
Artikel 25a
1. In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze
wet en de Algemene wet bestuursrecht bepaalde, zijn met betrekking tot
in het tweede lid bedoeld massaal bezwaar de volgende bepalingen van
toepassing.
2. Indien naar het oordeel van Onze Minister een groot aantal
bezwaren is gericht tegen de beslissing op eenzelfde rechtsvraag, al
dan niet met accessoire kwesties die zich lenen voor niet-individuele
afdoening (de rechtsvraag), kan hij die bezwaren aanwijzen als massaal
bezwaar. Hij doet dit voor bezwaren die alleen de rechtsvraag
betreffen, waarop nog geen uitspraak is gedaan en die zijn ingediend
tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de in het zevende lid
bedoelde collectieve uitspraak terzake is gedaan, dan wel de dag
voorafgaande aan de dag waarop de in het elfde lid eerstbedoelde
uitspraak onherroepelijk wordt. Onze Minister zendt een afschrift van
de aanwijzing aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
3. Bij de aanwijzing als massaal bezwaar zondert Onze Minister een
of meer bezwaren uit met het oog op beantwoording van de rechtsvraag
door de bestuursrechter in belastingzaken.
4. Bij de aanwijzing als massaal bezwaar wijst Onze Minister de
inspecteur aan die de in het zevende lid bedoelde collectieve
uitspraak zal doen.
5. De aanwijzing als massaal bezwaar treedt in werking vier weken
na de toezending van het afschrift ervan aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. De aanwijzing vervalt indien binnen die vier weken de
Tweede Kamer besluit zich niet met de aanwijzing te kunnen verenigen.
De inspecteur doet gedurende die vier weken geen uitspraak op de
bezwaren die Onze Minister als massaal bezwaar heeft aangewezen.
Indien de aanwijzing door een besluit van de Tweede Kamer vervalt,
wordt de termijn voor het doen van uitspraak op de desbetreffende
bezwaarschriften verlengd met vier weken.
6. De belanghebbende wordt ter zake van een als massaal bezwaar
aangewezen bezwaar niet gehoord.
7. Indien inzake de in het derde lid bedoelde uitgezonderde
bezwaren het standpunt van de belanghebbenden ter zake van de
rechtsvraag bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel is
afgewezen, beslist de aangewezen inspecteur binnen zes weken na het
onherroepelijk worden van de laatste van die uitspraken door middel
van één uitspraak op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaren
(collectieve uitspraak). Als massaal bezwaar aangewezen bezwaren
worden steeds geacht ontvankelijk te zijn.
8. De collectieve uitspraak wordt bekendgemaakt door kennisgeving
ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
9. Tegen een collectieve uitspraak kan geen beroep worden
ingesteld. Op verzoek van de belanghebbende vervangt de te zijnen
aanzien bevoegde inspecteur de collectieve uitspraak door een
individuele uitspraak. Het verzoek wordt niet ingewilligd indien het
onredelijk laat is gedaan.
10. Beroep tegen de individuele uitspraak kan slechts de
rechtsvraag betreffen.
11. Indien inzake een in het derde lid bedoeld uitgezonderd bezwaar
bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk aan
het standpunt van de belanghebbende ter zake van de rechtsvraag is
tegemoetgekomen, verliezen de desbetreffende bezwaren de status van
massaal bezwaar.
12. Indien de inspecteur voordat de collectieve uitspraak is gedaan
uitspraak doet op een bezwaar dat meer omvat dan de rechtsvraag,
beslist hij op de rechtsvraag in het nadeel van de belanghebbende.
Indien de in het elfde lid eerstbedoelde uitspraak daartoe aanleiding
geeft, komt de inspecteur alsnog aan het bezwaar inzake de rechtsvraag
tegemoet.
13. Indien de in het elfde lid eerstbedoelde uitspraak daartoe
aanleiding geeft, herziet de inspecteur de in artikel 26, eerste lid,
bedoelde besluiten waarbij de rechtsvraag onjuist is beantwoord,
voorzover bezwaren daartegen op de voet van het tweede lid zouden
hebben geleid tot aanwijzing als massaal bezwaar. Herziening vindt
niet plaats indien de rechtshandeling onherroepelijk was ten tijde van
de aanwijzing als massaal bezwaar of indien de onjuiste beantwoording
van de rechtsvraag bij het verrichten van de rechtshandeling de
inspecteur ter kennis komt na het verstrijken van vijf jaren na de in
de eerste volzin bedoelde rechterlijke uitspraak. De herziening
geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking binnen een jaar nadat
de uitspraak onherroepelijk is geworden dan wel, indien dat later is,
de onjuiste beantwoording van de rechtsvraag bij het verrichten van de
desbetreffende rechtshandeling de inspecteur bekend is geworden.
Bezwaar en beroep tegen de beschikking kan slechts de rechtsvraag
betreffen. Artikel 25b is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de naar het oordeel van de inspecteur meest gerede partij.
Artikel 25b
1. Een uit een uitspraak van de inspecteur voortvloeiende teruggaaf
van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan
degene die het bezwaarschrift heeft ingediend.
2. Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is
ingehouden ter zake van dezelfde feiten een bezwaarschrift heeft
ingediend, wordt, indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf
voortvloeit, die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is
ingehouden.
Afdeling 2. Beroep en hoger beroep
Artikel 26
1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht
kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep
bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15
voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
2. De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door
een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de
mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare
beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake
bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige
toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de
inhouding zich daartegen niet verzet.
Artikel 26a
1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht
kan het beroep slechts worden ingesteld door:
a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan
of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich
richt.
2. Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie
inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van
de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare
beschikking betrekking heeft.
3. De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde
belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking
tot de belastingaanslag of de beschikking voorzover deze gegevens voor
het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van
belang kunnen worden geacht.
Artikel 26b
1. Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat
doen bij één beroepschrift.
2. Artikel 24a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26c
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt
de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na
die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag
van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27a
Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een
uitspraak door de inspecteur, kan de rechtbank bepalen dat hoofdstuk
VIII, afdeling 2, gedurende een daarbij te bepalen termijn van
toepassing blijft.
Artikel 27b [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27c
Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van
toepassing voorzover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij
een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd. In andere
gevallen heeft het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren,
maar kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek openbaar is, voorzover
de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad.
Artikel 27d
In afwijking van artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedraagt de termijn voor verdaging van de mondelinge
uitspraak ten hoogste twee weken.
Artikel 27e
1. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een
onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel
52a, eerste lid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij
is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
2. Indien de rechtbank het beroep tegen een in artikel 52a, eerste
lid, bedoelde informatiebeschikking ongegrond verklaart, stelt de
rechtbank een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in die
beschikking bedoelde verplichtingen, in situaties waarin daar nog
gevolg aan kan worden gegeven, tenzij sprake is van kennelijk
onredelijk gebruik van procesrecht.
3. Dit artikel vindt geen toepassing voor zover het beroep is
gericht tegen een vergrijpboete.
Artikel 27f
1. Een uit een uitspraak van de rechtbank voortvloeiende teruggaaf
van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan
degene die het beroep heeft ingesteld.
2. Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is
ingehouden ter zake van dezelfde feiten beroep heeft ingesteld, wordt,
indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die
teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden.
Artikel 27g
1. In afwijking van artikel 8:79, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling
van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging
van de rechtbank.
2. Met betrekking tot schriftelijke uitspraken blijft de
machtiging, bedoeld in het eerste lid, slechts achterwege indien op
een voor de uitspraak gedaan verzoek van een der partijen de rechtbank
oordeelt dat ook na anonimisering de geheimhouding van persoonlijke en
financiële gegevens onvoldoende wordt beschermd en bovendien het
belang van de openbaarheid van de rechtspraak niet opweegt tegen dit
belang.
Artikel 27h
1. In afwijking van artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Algemene wet bestuursrecht kunnen slechts de belanghebbende die
bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur
hoger beroep instellen.
2. De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, 26b, eerste lid,
en 27c tot en met 27g zijn van overeenkomstige toepassing in hoger
beroep.
3. De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het
instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is
ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist. De eerste
volzin geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig
nemen van een besluit betreft.
Afdeling 3. Beroep in cassatie bij de Hoge Raad
Artikel 27i [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27j [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27k [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27l [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27m
1. De andere partij dan de partij die het hoger beroep heeft
ingesteld, kan bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep
instellen.
2. De partij die het hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de
gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van het
verweerschrift het incidentele hoger beroep te beantwoorden.
3. Het gerechtshof kan de in het tweede lid bedoelde termijn
verlengen.
Artikel 27n [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27o [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27p [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27q [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27r [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27s [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 28
1. De belanghebbende die bevoegd was om hoger beroep bij het
gerechtshof in te stellen en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad
beroep in cassatie instellen tegen:
a. een uitspraak van het gerechtshof die overeenkomstig
afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht is gedaan, en
b. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het
gerechtshof die overeenkomstig artikel 8:86 van die wet is gedaan.
2. De belanghebbende en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad
voorts beroep in cassatie instellen tegen een uitspraak van de
rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van die wet.
3. Indien de belanghebbenden en Onze Minister daarmee schriftelijk
instemmen, kan bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie worden
ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling
8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede tegen een uitspraak
van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel
8:86 van die wet.
4. Geen beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen:
a. een uitspraak van het gerechtshof of de rechtbank
overeenkomstig artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht;
b. een uitspraak van de rechtbank overeenkomstig artikel 8:54a
van die wet;
c. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het
gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8:84, tweede
lid, van die wet, en
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het
gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8:75a, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in verband met artikel
8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Tegen andere beslissingen van het gerechtshof, van de rechtbank
of van de voorzieningenrechter kan slechts tegelijkertijd met het
beroep in cassatie tegen de in het eerste of het tweede lid bedoelde
uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld.
6. De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, en26b, eerste lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
7. De werking van de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank of
de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het
instellen van beroep in cassatie is verstreken of, indien beroep in
cassatie is ingesteld, op het beroep in cassatie is beslist.
Artikel 28a
1. De griffier van de Hoge Raad doet van het ingestelde beroep in
cassatie zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van het
gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
2. De griffier van dit gerecht zendt een afschrift van de uitspraak
en de op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken die onder hem
berusten, onverwijld aan de griffier van de Hoge Raad.
3. De griffier maakt zo nodig onverwijld alsnog een proces-verbaal
op van de zitting en zendt dit aan de griffier van de Hoge Raad.
Artikel 28b
1. Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een mondelinge
uitspraak, wordt de mondelinge uitspraak vervangen door een
schriftelijke uitspraak, tenzij het beroep in cassatie kennelijk
niet-ontvankelijk is of de Hoge Raad anders bepaalt. De vervanging
geschiedt binnen zes weken na de dag waarop de mededeling, bedoeld in
artikel 28a, eerste lid, is gedaan. Het beroep in cassatie wordt
geacht gericht te zijn tegen de schriftelijke uitspraak.
2. Het gerecht dat de mondelinge uitspraak heeft gedaan, verzendt
de vervangende schriftelijke uitspraak gelijktijdig aan partijen en
aan de griffier van de Hoge Raad.
3. In afwijking van artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de
Algemene wet bestuursrecht kan de indiener van het beroepschrift de
gronden van het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de
dag waarop de schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden.
Artikel 29
Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen 8:14
tot en met 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 tot en met 8:40a, 8:41, met
uitzondering van het tweede lid, 8:41a, 8:43 tot en met 8:45, 8:52,
8:53, 8:60, 8:70, 8:71, 8:72a, 8:75 tot en met 8:79, 8:109, 8:110, derde
en vijfde lid, 8:111, 8:112, 8:113, tweede lid, 8:114 en titel 8.6 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, voor zover
in deze afdeling niet anders is bepaald.
Artikel 29a [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 29b
1. De andere partij dan de partij die het beroep in cassatie heeft
ingesteld, kan binnen acht weken na de dag van verzending van het
beroepschrift een verweerschrift indienen.
2. De partij kan bij het verweerschrift incidenteel beroep in
cassatie instellen. In dat geval wordt de partij die beroep in
cassatie heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld om binnen vier
weken na verzending van het verweerschrift het incidentele beroep te
beantwoorden.
3. De Hoge Raad kan de in het eerste en tweede lid bedoelde
termijnen verlengen.
Artikel 29c
1. Indien, hetzij in het beroepschrift hetzij in het verweerschrift
hetzij nadien door degene die beroep in cassatie heeft ingesteld,
binnen twee weken nadat het afschrift van het verweerschrift ter post
is bezorgd, schriftelijk is verzocht de zaak mondeling te mogen
toelichten, bepaalt de Hoge Raad dag en uur waarop de zaak door de
advocaten van partijen zal kunnen worden bepleit. De griffier stelt
beide partijen of de door hen aangewezen advocaten hiervan ten minste
tien dagen tevoren in kennis.
2. De advocaten kunnen in plaats van de zaak mondeling bij pleidooi
toe te lichten een schriftelijke toelichting overleggen of toezenden.
3. Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing voor zover het beroep in cassatie is
gericht tegen een uitspraak waarbij de gehele of gedeeltelijke
handhaving van een bestuurlijke boete in het geding is.
4. In andere gevallen dan in het derde lid bedoeld, heeft de
mondelinge behandeling plaats met gesloten deuren, maar kan de Hoge
Raad bepalen dat de behandeling openbaar is, voor zover de belangen
van partijen daardoor niet worden geschaad.
Artikel 29d
1. Nadat de toelichtingen zijn gehouden of ontvangen of, indien
deze niet zijn verzocht, na indiening van de schrifturen door
partijen, stelt de griffier, indien de procureur-generaal bij de Hoge
Raad de wens te kennen heeft gegeven om te worden gehoord, alle
stukken in diens handen.
2. De procureur-generaal brengt zijn schriftelijke conclusie ter
kennis van de Hoge Raad.
3. Een afschrift van de conclusie wordt aan partijen gezonden.
Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van
de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doen
toekomen.
Artikel 29e
1. De uitspraak van de Hoge Raad wordt schriftelijk gedaan.
2. Wanneer de Hoge Raad, hetzij op de in het beroepschrift
aangevoerde, hetzij op andere gronden, de uitspraak van het
gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter vernietigt,
beslist hij bij dezelfde uitspraak de zaak, zoals het gerechtshof, de
rechtbank of de voorzieningenrechter had behoren te doen. Indien de
beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere
behandeling niet zijn komen vast te staan, verwijst de Hoge Raad,
tenzij het punten van ondergeschikte aard betreft, het geding naar een
gerechtshof of een rechtbank, ter verdere behandeling en beslissing
van de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
Artikel 29f
1. In geval van intrekking van het beroep in cassatie door Onze
Minister, kan Onze Minister op verzoek van de belanghebbende bij
afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden
veroordeeld.
2. De griffier zendt een door hem voor eensluidend getekend
afschrift van de intrekking onverwijld aan die belanghebbende.
3. De artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21 en
8:73a, tweede lid, eerste en tweede volzin, van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede de
artikelen 29c en 29d.
Artikel 29g [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 29h
1. In geval van verwijzing zendt de griffier van de Hoge Raad de
stukken en een afschrift van de uitspraak binnen een week aan het
gerechtshof of aan de rechtbank waarheen de zaak is verwezen.
2. Indien de uitspraak geen verwijzing inhoudt, zendt de griffier
de door partijen overgelegde stukken onverwijld aan hen terug.
Artikel 29i
1. Een uit een uitspraak van de Hoge Raad voortvloeiende teruggaaf
van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan
degene die het beroep in cassatie heeft ingesteld.
2. Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is
ingehouden ter zake van dezelfde omstandigheden beroep in cassatie
heeft ingesteld, wordt, indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf
voortvloeit, die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is
ingehouden.
Artikel 30
1. In afwijking van artikel 8:79, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling
van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging
van de Hoge Raad.
2. Artikel 27g, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VA. Belastingrente en revisierente
Artikel 30f
1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de
vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6
maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de
belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld,
wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente
– belastingrente – in rekening gebracht.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand
aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is ingevolge
artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te
betalen bedrag aan belasting.
3. Ingeval de voorlopige aanslag is vastgesteld overeenkomstig een
op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of
overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de
belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede
lid, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek,
onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van deze
aangifte.
4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de
voorlopige aanslag is vastgesteld overeenkomstig een op de door de
inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek dat is ontvangen voor de
eerste dag van de vijfde maand, onderscheidenlijk overeenkomstig een
ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vierde
maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.
Artikel 30fa
1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de
vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6
maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag
aan te betalen belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot
die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente –
vergoed ingeval wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de voorlopige aanslag is overeenkomstig een op de door de
inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de
ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven, en
b. tussen de datum van ontvangst van dat verzoek of die
aangifte en de datum van vaststelling van de voorlopige aanslag
zijn meer dan 8 weken, onderscheidenlijk meer dan 13 weken,
verstreken.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk
13 weken na ontvangst van de aangifte, doch niet eerder dan 6 maanden
te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt
geheven, en eindigt 6 weken na de dagtekening van het aanslagbiljet en
heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.
Artikel 30fb
1. Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige
aanslag met een hoger positief bedrag, wordt met betrekking tot het
verschil belastingrente in rekening gebracht over het tijdvak dat
aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak waarover de belasting
wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop het
verschil invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet
1990. Ingeval de herziening is vastgesteld overeenkomstig een op de
door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of
overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de
belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste
volzin, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek,
onderscheidenlijk 19 weken na ontvangst van de aangifte.
2. Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige
aanslag met een lager positief bedrag, wordt, zo eerder ter zake van
dat positieve bedrag belastingrente in rekening is gebracht, die
eerder in rekening gebrachte belastingrente voor zover toerekenbaar
aan het verschil, verminderd. Ter zake van het verschil in positieve
bedragen wordt belastingrente vergoed ingeval wordt voldaan aan de
voorwaarden van artikel 30fa, eerste lid, welke wordt berekend volgens
het tweede lid van dat artikel.
3. Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige
aanslag met een negatief bedrag, wordt, zo eerder ter zake van dat
positieve bedrag belastingrente in rekening is gebracht, die eerder in
rekening gebrachte belastingrente verminderd. Ter zake van het
verschil tussen het positieve bedrag en het negatieve bedrag wordt
belastingrente vergoed ingeval wordt voldaan aan de voorwaarden
vanartikel 30fa, eerste lid, welke wordt berekend volgens het tweede
lid van dat artikel.
4. Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting met een negatief bedrag tot een voorlopige
aanslag met positief bedrag, wordt met betrekking tot het verschil
tussen die bedragen belastingrente in rekening gebracht over het
tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak waarover
de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag
waarop het verschil invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de
Invorderingswet 1990. Ingeval de herziening is vastgesteld
overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend
verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot
het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak
waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van
de eerste volzin uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het
verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van deze
aangifte.
5. Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting met een negatief bedrag tot een voorlopige
aanslag met een kleiner negatief bedrag wordt met betrekking tot het
verschil tussen die bedragen belastingrente in rekening gebracht over
het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand
aan de dag waarop het verschil invorderbaar is ingevolge artikel 9 van
de Invorderingswet 1990. Ingeval de herziening is vastgesteld
overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend
verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot
het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak
waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van
de eerste volzin, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het
verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de
aangifte.
6. Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting met een negatief bedrag tot een voorlopige
aanslag met een groter negatief bedrag wordt, ingeval wordt voldaan
aan de voorwaarden van artikel 30fa, eerste lid, belastingrente
vergoed, berekend over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid van dat
artikel, en met als grondslag het verschil tussen de twee negatieve
bedragen.
7. Indien naar aanleiding van een bezwaarschrift of een
daaropvolgende gerechtelijke procedure een voorlopige aanslag wordt
herzien overeenkomstig het tweede, derde of zesde lid, wordt geen
rente vergoed. In het geval ter zake van de herziene voorlopige
aanslag eerder belastingrente in rekening is gebracht, wordt deze
rente verminderd overeenkomstig het tweede lid, onderscheidenlijk
derde lid.
Artikel 30fc
1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6
maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven een aanslag of een navorderingsaanslag met een
door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt
vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, onderscheidenlijk
die navorderingsaanslag, aan de belastingplichtige rente –
belastingrente – in rekening gebracht.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand
aan de dag waarop de aanslag, onderscheidenlijk de
navorderingsaanslag, invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de
Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan
belasting.
3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende
aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt
berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19
weken na de datum van ontvangst van de aangifte.
4. Ingeval de navorderingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding
van een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt
berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 12
weken na de datum van ontvangst van het verzoek.
5. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot
inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in
artikel 2.8, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing
van artikel 3.58, eerste lid, of artikel 3.64, eerste lid, van die
wet.
6. Voor de toepassing van dit artikel geldt als het te betalen
bedrag aan belasting: het bedrag na de verrekening ingevolge:
a. artikel 15;
b. de artikelen 3 152, zesde lid, en 4.51, zesde lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001;
c. artikel 21, derde lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 30fd
1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de
vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6
maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven een aanslag tot een negatief bedrag aan te
betalen belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die
aanslag aan de belastingplichtige rente– belastingrente – vergoed
ingeval wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de aanslag is overeenkomstig de ingediende aangifte, en
b. tussen de datum van ontvangst van die aangifte en de datum
van vaststelling van de aanslag zijn meer dan 13 weken verstreken.
2. Artikel 30fc, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Ingeval met de aanslag geen voorlopige aanslag is verrekend,
wordt de belastingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat
aanvangt 13 weken na ontvangst van de aangifte doch niet eerder dan 6
maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven, en eindigt 6 weken na de dagtekening van het
aanslagbiljet en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan
belasting.
4. Ingeval met de aanslag wel een voorlopige aanslag is verrekend,
vindt de renteberekening plaats overeenkomstig de renteberekening bij
een herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting,
onderscheidenlijk vennootschapsbelasting, bedoeld in artikel 30fb.
Artikel 30fe
1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de
vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6
maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de
belasting wordt geheven naar aanleiding van een bezwaarschrift of een
daaropvolgende gerechtelijke procedure een aanslag of een
navorderingsaanslag wordt verminderd of wordt vernietigd, dan wel een
aanslag of navorderingsaanslag ambtshalve wordt verminderd, wordt geen
rente vergoed. In het geval ter zake van de verminderde of vernietigde
aanslag of navorderingsaanslag eerder belastingrente in rekening is
gebracht, wordt deze rente verminderd overeenkomstig de herziening van
een voorlopige aanslag, bedoeld inartikel 30fb, tweede en derde lid.
2. Dit artikel vindt geen toepassing bij een vermindering van een
aanslag of navorderingsaanslag die voortvloeit uit een verrekening van
een verlies van een volgend jaar.
Artikel 30g
1. Indien met betrekking tot de erfbelasting een belastingaanslag
met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting
wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die belastingaanslag rente
–belastingrente – in rekening gebracht.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend:
a. indien het betreft een belastingaanslag ter zake van een
overlijden: over het tijdvak dat aanvangt 8 maanden na het
overlijden en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de
belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de
Invorderingswet 1990;
b. indien het betreft een belastingaanslag ter zake van een
verkrijging ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde: over
het tijdvak dat aanvangt op de dag van de vervulling van de
voorwaarde en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de
belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de
Invorderingswet 1990;
c. indien het betreft een belastingaanslag als bedoeld in
artikel 8, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928: over het
tijdvak dat aanvangt op de dag dat zich een van de gevallen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928,
voordoet en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de
belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de
Invorderingswet 1990.
De renteberekening heeft als grondslag het te betalen bedrag aan
belasting.
3. Indien de belastingaanslag is vastgesteld overeenkomstig een
verzoek of overeenkomstig de aangifte, eindigt het tijdvak waarover de
belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede
lid uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek,
onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte.
Ingeval het betreft een navorderingsaanslag die is vastgesteld naar
aanleiding van een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de
belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste
volzin uiterlijk 12 weken na de datum van de ontvangst van het
verzoek.
4. Indien een belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente in
rekening is gebracht naar aanleiding van een bezwaarschrift, een
daaropvolgende gerechtelijke procedure of een ambtshalve vermindering
wordt verminderd of wordt vernietigd, wordt de eerder in rekening
gebrachte rente naar evenredigheid verminderd, onderscheidenlijk
vernietigd.
5. Voor de toepassing van dit artikel geldt als het te betalen
bedrag aan belasting, het bedrag na de verrekening ingevolge artikel
15.
Artikel 30h
1. Met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van
loonbelasting, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van
personenauto’s en motorrijwielen, accijns of een in artikel 1 van de
Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belasting, wordt aan
degene ten name van wie de naheffingsaanslag is gesteld, rente –
belastingrente – in rekening gebracht, ingeval de naheffingsaanslag
is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de
nageheven belasting betrekking heeft.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar of boekjaar waarop
de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag
voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is
ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag
de nageheven belasting.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval de
naheffingsaanslag het gevolg is van een verbetering van een aangifte
(suppletie), welke is gedaan binnen 3 maanden na het einde van het
kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking
heeft.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
voor zover een in het eerste lid bedoelde belasting te laat, doch
voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens
ingeval de betaling plaatsvindt binnen 3 maanden na het einde van het
kalenderjaar of boekjaar waarop de te laat betaalde belasting
betrekking heeft. Belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat
aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar of boekjaar waarop de
te laat betaalde belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van
betaling en heeft als grondslag het bedrag van de te laat betaalde
belasting.
5. Indien een naheffingsaanslag ter zake waarvan belastingrente in
rekening is gebracht naar aanleiding van een bezwaarschrift, een
daaropvolgende gerechtelijke procedure of een ambtshalve vermindering
wordt verminderd of wordt vernietigd, wordt de eerder in rekening
gebrachte rente naar evenredigheid verminderd, onderscheidenlijk
vernietigd.
Artikel 30ha
1. Met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen wordt
rente– belastingrente – vergoed ingeval een teruggaafbeschikking
niet wordt vastgesteld binnen 8 weken na de ontvangst van het verzoek
om die beschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over
het tijdvak dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek, doch
niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of
boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na
de dagtekening van de teruggaafbeschikking.
2. Uitgezonderd bij een vermindering van een naheffingsaanslag,
wordt met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen ook
belastingrente vergoed indien recht ontstaat op een terug te geven
bedrag dat verband houdt met een door de inspecteur ingenomen
standpunt ter zake van de bij wege van voldoening of afdracht op
aangifte verschuldigde of terug te geven belasting. De belastingrente
wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na
die van de voldoening of afdracht van die belasting, doch niet eerder
dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de
teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van
de teruggaafbeschikking en heeft als grondslag het terug te geven
bedrag.
3. Met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen wordt
ook belastingrente vergoed indien een afwijzende beschikking op een
verzoek om een teruggaaf wordt vervangen door een
teruggaafbeschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend
over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek
om de teruggaaf, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het
kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en
eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking.
Artikel 30hb
Het percentage van de belastingrente is gelijk aan het percentage van
de ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke
rente, bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek.
Artikel 30i
1. Met betrekking tot de inkomstenbelasting wordt rente –
revisierente – verschuldigd, indien:
a. door de toepassing van artikel 19b, eerste lid, tweede lid,
eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964
in verbinding met artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001
of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel artikel 7.2,
achtste lid, van de laatstgenoemde wet de aanspraak ingevolge een
pensioenregeling of aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of de
stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in
artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon wordt
gerekend;
b. ingevolge artikel 3.133, 3.136 of 7.2, tweede lid, aanhef en
onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 premies voor een
aanspraak op periodieke uitkeringen als negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoudens
voorzover artikel 3.69, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van
genoemde wet met betrekking tot deze negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen toepassing vindt;
c. ingevolge artikel 3.135 of 7.2, tweede lid, aanhef en
onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 premies voor een
aanspraak uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7,
tweede lid, onderdeel b, van die wet als negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen.
2. De revisierente bedraagt 20 percent van de waarde in het
economische verkeer van aanspraken als bedoeld in het eerste lid. In
afwijking van de eerste volzin bedraagt de revisierente, ingeval
artikel 3.136, tweede, derde of vierde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, 20% van het bedrag dat
ingevolge die leden als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
in aanmerking wordt genomen.
3. Ingeval de aanspraak is bedongen minder dan 10 jaren vóór het
jaar waarin de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de
aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon wordt gerekend dan wel de
negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden genoten, wordt,
indien de belastingplichtige dit verzoekt, in afwijking van het tweede
lid, de revisierente gesteld op het door de belastingplichtige
aannemelijk te maken bedrag dat ingevolge artikel 30fc aan
belastingrente in rekening zou worden gebracht indien:
a. ingeval het betreft een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling of negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen:
de mogelijkheid zou bestaan de aftrek van de premies voor de
aanspraak ongedaan te maken door navorderingsaanslagen over de
jaren van die aftrek, of
b. ingeval het betreft een aanspraak op periodieke uitkeringen:
de mogelijkheid zou bestaan de aanspraak tot inkomen uit werk en
woning te rekenen in het jaar waarop de aanspraak is ontstaan en
ter zake daarvan een navorderingsaanslag op te leggen.
Hierbij worden de bedragen van die navorderingsaanslagen gesteld op
50 percent van de premies, bedoeld in de vorige volzin onderdeel a,
danwel van de aanspraak, bedoeld in de vorige volzin onderdeel b, en
wordt het einde van het in artikel 30fc, tweede lid, bedoelde tijdvak
gesteld op 31 december van het jaar waarin de aanspraak ingevolge een
pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon
wordt gerekend dan wel de negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen worden genoten.
4. Indien revisierente wordt berekend met betrekking tot
inkomstenbelasting die betrekking heeft op inkomsten die in aanmerking
zijn genomen op grond van de artikelen 3.83, eerste of tweede lid,
3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste, tweede, derde,
vierde of vijfde lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, wordt bij de toepassing van het derde
lidartikel 30fc, vijfde lid, buiten toepassing gelaten.
Artikel 30j
1. De inspecteur stelt het bedrag van de belastingrente vast bij
voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot deze beschikking
zijn de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de
belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend, van
overeenkomstige toepassing.
2. Het bedrag van de belastingrente wordt op het aanslagbiljet of
op het afschrift van de uitspraak of bij de bekendmaking afzonderlijk
vermeld. Ingeval de eerste volzin geen toepassing vindt, blijkt het
bedrag van de belastingrente uit het afschrift van de beschikking.
3. Met betrekking tot de revisierente bedoeld in artikel 30i zijn
het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de
bij de berekening van belastingrente toe te passen afrondingen. Voorts
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een doelmatige
berekening van de belastingrente.
Artikel 30k
Onze Minister kan in het kader van een regeling voor onderling
overleg op grond van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting
in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (Trb. 1990,
173), de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting, voor bepaalde gevallen of groepen van
gevallen afwijkingen toestaan van de artikelen 30f tot en met 30hb.
Hoofdstuk VI. Bevordering van de richtige heffing
Artikel 31
Voor de heffing van de directe belastingen en de inkomstenbelasting
wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van
de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke
verhoudingen hebben ten doel gehad, of op grond van andere bepaalde
feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij zouden
achterwege gebleven zijn indien daarmede niet de heffing van de
belasting voor het vervolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk
gemaakt.
Artikel 32
Het besluit van de inspecteur om een belastingaanslag met toepassing
van artikel 31 vast te stellen, wordt genomen bij voor bezwaar vatbare
beschikking en niet dan nadat Onze Minister daartoe toestemming heeft
verleend.
Artikel 33
1. In geval van twijfel of een beraamde rechtshandeling onder
artikel 31 zou vallen, kan de belanghebbende deze vraag onderwerpen
aan het oordeel van de inspecteur. De beslissing van de inspecteur
wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Indien de inspecteur de in het eerste lid bedoelde vraag
ontkennend beantwoordt, kan artikel 31 op de rechtshandeling, zo zij
tot stand komt, niet worden toegepast, tenzij mocht blijken, dat de
feiten niet volkomen overeenstemmen met de tevoren gegeven
voorstelling.
Artikel 34
In geval van beroep tegen een uitspraak op een bezwaarschrift
betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 32 of 33, handhaaft
de rechtbank de uitspraak indien blijkt, dat de in de beschikking
omschreven rechtshandeling voldoet aan de voor de toepassing van artikel
31 gestelde voorwaarden, en vernietigt het de uitspraak indien dit niet
het geval is.
Artikel 35
Nadat de in artikel 32 bedoelde beschikking onherroepelijk is
geworden kan daaraan uitvoering worden gegeven. Een na het
onherroepelijk worden van de in de artikelen 32 of 33 bedoelde
beschikking, met toepassing van artikel 31 vastgestelde belastingaanslag
kan niet worden bestreden met het bezwaar, dat artikel 31 geen
toepassing had mogen vinden.
Artikel 36
De termijnen van artikel 11, derde lid, artikel 16, derde en vierde
lid, en artikel 20, derde lid, worden verlengd met de tijd die verloopt
tussen de dagtekening van het afschrift van de in artikel 32 bedoelde
beschikking en de dag welke valt een jaar na die waarop die beschikking
onherroepelijk geworden dan wel vernietigd is.
Hoofdstuk VII. Bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting
Artikel 37
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met
inachtneming van het beginsel van wederkerigheid, regelen worden
gesteld, waardoor in aansluiting aan de desbetreffende bepalingen
voorkomende in de wetgeving van een ander deel van het Koninkrijk of
van een andere Mogendheid dan wel in de besluiten van een
volkenrechtelijke organisatie, dubbele belasting geheel of
gedeeltelijk wordt voorkomen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet
op andere wijze is voorzien, regels worden gesteld ten einde gehele of
gedeeltelijke vrijstelling of vermindering te verlenen van de
belasting die betrekking heeft op inkomen of vermogen uit de BES
eilanden.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 38
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet
op andere wijze is voorzien, regelen worden gesteld ten einde gehele
of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering van belasting te
verlenen, indien en voor zover het voorwerp van de belasting is
onderworpen aan een belasting die vanwege een ander land van het
Koninkrijk, een andere Mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie
wordt geheven.
2. Belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid wordt voor de
toepassing van het eerste lid geacht te zijn onderworpen aan een
belasting die vanwege een andere Mogendheid wordt geheven, indien zij
wordt genoten uit privaatrechtelijke dienstbetrekking tot een
werkgever die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in
een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voorzover dat
loon betrekking heeft op arbeid die gedurende ten minste drie
aaneengesloten maanden wordt verricht binnen het gebied van een
Mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten en met betrekking waartoe geen regelen zijn
gesteld op grond van artikel 37. Voor de toepassing van de vorige
volzin omvat het gebied van een andere Mogendheid mede het gebied
buiten de territoriale wateren van die Mogendheid waar deze in
overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kan
uitoefenen. Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen
van gevallen te bepalen dat loon betrekking heeft op arbeid die
gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verricht.
Artikel 39
In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van
Onze Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt
vrijstelling van belasting verleend. Onze Minister is bevoegd ter zake
nadere regelen te stellen.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk VIII. Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. Vertegenwoordiging buiten rechte
Artikel 41
Hij die zich, ingevolge de belastingwet opgeroepen tot het mondeling
aan de inspecteur verstrekken van gegevens en inlichtingen, voor het
onderhoud met de inspecteur doet vertegenwoordigen, is desgevorderd
gehouden zijn vertegenwoordiger te vergezellen.
Artikel 42
De bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn
verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder.
Artikel 43
De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder
curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of
ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden
uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator
en bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van de
verplichtingen gehouden.
Artikel 44
1. Na iemands overlijden kunnen zijn rechtverkrijgenden onder
algemene titel in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen
van de verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij
in leven gebleven, worden vertegenwoordigd door een hunner, de
executeur, de door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap
of de bewindvoerder over de nalatenschap. Desgevorderd is ieder der in
dit lid genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen
gehouden.
2. Stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene
kunnen worden gericht aan een der in het eerste lid genoemde personen.
Artikel 45
Om geldige redenen kan de inspecteur vertegenwoordiging uitsluiten in
de nakoming van een verplichting van hem die zelf tot die nakoming in
staat is.
Artikel 46
De bepalingen van deze afdeling gelden niet met betrekking tot
strafvordering.
Afdeling 2. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 47
1. Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de
belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;
b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de
raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten
welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen
aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.
2. Ingeval de belastingwet aangelegenheden van een derde aanmerkt
als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig is,
gelden, voor zover het deze aangelegenheden betreft, gelijke
verplichtingen voor de derde.
3. Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is
verplicht op vordering van de inspecteur terstond een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aan te bieden, indien dit van belang
kan zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien.
Artikel 47a
1. Met betrekking tot een vennootschap met een geheel of ten dele
in aandelen verdeeld kapitaal waarin een niet in Nederland gevestigd
lichaam of een niet in Nederland wonende natuurlijke persoon een
belang heeft van meer dan 50 percent en met betrekking tot een ander
lichaam waarover dat niet in Nederland gevestigde lichaam of die
natuurlijke persoon de zeggenschap heeft, is artikel 47, eerste lid,
van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen
alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van dat niet in
Nederland gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon. De vorige
volzin is van overeenkomstige toepassing in gevallen waarin twee of
meer lichamen of natuurlijke personen waarvan er ten minste één niet
in Nederland is gevestigd of woont, volgens een onderlinge regeling
tot samenwerking een belang houden van meer dan 50 percent in een
vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal
dan wel de zeggenschap hebben in een ander lichaam. Ter zake van die
gegevensdragers kan worden volstaan met het voor raadpleging
beschikbaar stellen van de inhoud daarvan door middel van kopieën,
leesbare afdrukken of uittreksels.
2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vennootschap en
het andere lichaam is artikel 47, eerste lid, eveneens van
overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen
alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van een niet in
Nederland gevestigde vennootschap met een geheel of ten dele in
aandelen verdeeld kapitaal waarin een in het eerste lid bedoeld niet
in Nederland gevestigd lichaam of wonend natuurlijk persoon een belang
heeft van meer dan 50 percent of die in het bezit zijn van een ander
niet in Nederland gevestigd lichaam waarover dat niet in Nederland
gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon zeggenschap heeft. Ter
zake van die gegevensdragers kan worden volstaan met het voor
raadpleging beschikbaar stellen van de inhoud daarvan door middel van
kopieén, leesbare afdrukken of uittreksels.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien het
in die leden bedoelde niet in Nederland gevestigde lichaam of de in
die leden bedoelde natuurlijke persoon is gevestigd onderscheidenlijk
woont in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een staat waarmee in de
relatie met Nederland een wederkerige regeling bestaat die voorziet in
inlichtingenuitwisseling met betrekking tot de belasting voor de
heffing waarvan de inspecteur de gegevens, inlichtingen of
gegevensdragers nodig heeft.
4. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister de inspecteur
toestaan het eerste en het tweede lid alsnog toe te passen indien is
gebleken dat bij toepassing van het derde lid de gevraagde
inlichtingen niet kunnen worden verkregen.
5. Voor een weigering om te voldoen aan de in dit artikel
omschreven verplichtingen kunnen de vennootschap en het andere lichaam
zich niet met vrucht beroepen op een gebrek aan medewerking van het
niet in Nederland gevestigde lichaam of de niet in Nederland wonende
natuurlijke persoon.
Artikel 47b
1. Ieder die de inspecteur verzoekt hem een sociaal-fiscaalnummer
toe te kennen dan wel een hem toegekend sociaal-fiscaalnummer aan hem
bekend te maken, is ter vaststelling van zijn identiteit gehouden een
document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met
3°, van de Wet op de identificatieplicht ter inzage te verstrekken
aan de inspecteur, die de aard en het nummer van dat document in de
administratie opneemt.
2. Degene op wie de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel
53, tweede en derde lid, betrekking hebben, is gehouden, volgens bij
of krachtens de belastingwet te stellen regels, aan de
administratieplichtige opgave te verstrekken van zijn
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn
sociaal-fiscaalnummer.
Artikel 48
1. De in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, bedoelde verplichting
geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers
bevinden van degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de
inspecteur voor raadpleging beschikbaar te stellen.
2. De inspecteur stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een
derde voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis.
Artikel 49
1. De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere
wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - en binnen een door de
inspecteur te stellen termijn.
2. Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar
gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
Artikel 49a
1. Bij ministeriële regeling wordt aangewezen degene die is
gehouden bij het verrichten van de in die ministeriële regeling aan
te wijzen werkzaamheden het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer te gebruiken ten behoeve van de
rijksbelastingdienst. Voor aanwijzing komt niet in aanmerking een
overheidsorgaan als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer of degene aan wie het
burgerservicenummer is toegekend. Onder werkzaamheden als bedoeld in
de eerste volzin wordt mede verstaan het doen van aangifte.
2. Op het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het
eerste lid, is artikel 51, tweede lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 50
1. Degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, is verplicht de
inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang
te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw en alle grond, voor
zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek
nodig is.
2. De gevraagde toegang moet worden verleend, tussen acht uur ’s
ochtends en zes uur ’s avonds, met uitzondering van zaterdagen,
zondagen en algemeen erkende feestdagen.
3. Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen
van een bedrijf, een zelfstandig beroep of een werkzaamheid als
bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt, voor zover het
redelijkerwijs niet mogelijk is het onderzoek te doen plaatsvinden
gedurende de in het tweede lid bedoelde uren, de gevraagde toegang
verleend tijdens de uren waarin het gebruik voor de uitoefening van
dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid daadwerkelijk
plaatsvindt.
4. De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevraagd
de aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.
Artikel 51
Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 47, 47a, 47b,
48 en 49 omschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen
op de omstandigheden dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding
verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is
opgelegd.
Artikel 52
1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand
en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of
werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of
die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de
daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op
zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en
verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van
belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.
2. Administratieplichtigen zijn:
a. lichamen;
b. natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een
beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare
winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 genieten;
c. natuurlijke personen die inhoudingsplichtige zijn;
d. natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de
artikelen 3.91, 3.92 en 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001
verrichten.
3. Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere
belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt.
4. Voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is
bepaald, zijn administratieplichtigen verplicht de in de voorgaande
leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.
5. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de
op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een
andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de
overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens
en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en
binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.
6. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden
gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat
controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn
mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde
medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht
in de opzet en de werking van de administratie.
7. Ingeval een administratieplichtige een door de inspecteur op het
eerste lid gebaseerde verplichting is nagekomen maar van oordeel is
dat de verplichting onrechtmatig is opgelegd, kan hij verzoeken om
vergoeding van kosten die rechtstreeks verband houden met deze
nakoming. De inspecteur beslist op dat verzoek bij voor bezwaar
vatbare beschikking en kent een redelijke kostenvergoeding toe in
geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting.
Artikel 52a
1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag,
navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking
niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge
artikel 41, 47, 47a, 49, 52, en, voor zover het verplichtingen van
administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de
belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen, aan de
verplichtingen ingevolgeartikel 53, eerste, tweede en derde lid, kan
de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking
(informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de
informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.
2. De termijn voor de vaststelling van een aanslag,
navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of het nemen van een
beschikking wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van
de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen
informatiebeschikking waarin wordt vastgesteld dat de
belastingplichtige niet of niet volledig aan zijn verplichtingen heeft
voldaan en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk
komt vast te staan of wordt vernietigd.
3. Indien de inspecteur een aanslag, navorderingsaanslag of
naheffingsaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met
betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen
informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de
informatiebeschikking.
4. Dit artikel laat onverlet de mogelijkheid voor de inspecteur om
een procedure aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter strekkende
tot een veroordeling tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiende
uit deze wet op straffe van een dwangsom.
Artikel 53
1. Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in
artikel 52 zijn de in de artikelen 47 en 48 tot en met 50 geregelde
verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van:
a. de belastingheffing van derden;
b. de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is
opgedragen.
2. Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn
de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen
administratieplichtigen gehouden de bij of krachtens de belastingwet
aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de
heffing van de belasting van belang kan zijn eigener beweging te
verstrekken aan de inspecteur volgens bij of krachtens de belastingwet
te stellen regels.
3. De administratieplichtigen, bedoeld in het tweede lid, zijn
gehouden bij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid,
het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer te vermelden van degene op wie de gegevens en
inlichtingen betrekking hebben.
4. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet
van toepassing op de personen en de lichamen als bedoeld in artikel
55, voor zover het de in dat artikel bedoelde gegevens en inlichtingen
betreft.
5. Ingeval een administratieplichtige een door de inspecteur op het
eerste lid, aanhef en onderdeel a, gebaseerde verplichting is
nagekomen maar van oordeel is dat de verplichting onrechtmatig is
opgelegd, kan hij verzoeken om vergoeding van kosten die rechtstreeks
verband houden met deze nakoming. De inspecteur beslist op dat verzoek
bij voor bezwaar vatbare beschikking en kent een redelijke
kostenvergoeding toe in geval van een onrechtmatig opgelegde
verplichting.
Artikel 53a
1. Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten
behoeve van de belastingheffing van derden kunnen alleen bekleders van
een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich
beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt
of beroep tot geheimhouding verplicht zijn.
2. Met betrekking tot de verplichtingen ten behoeve van de heffing
van de belasting waarvan de inhouding aan administratieplichtigen is
opgedragen, is artikel 51 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 54
De administratieplichtige die niet of niet volledig voldoet aan de
vordering gegevensdragers, of de inhoud daarvan, voor raadpleging
beschikbaar te stellen, wordt voor de toepassing van de artikelen 25 en
27e geacht niet volledig te hebben voldaan aan een bij of krachtens
artikel 52 opgelegde verplichting, tenzij aannemelijk is dat de
afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud
daarvan het gevolg is van overmacht.
Artikel 55
1. Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of
krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen,
de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen
die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van de
rijksoverheid, verschaffen, mondeling, schriftelijk of op andere wijze
- zulks ter keuze van de inspecteur - de gegevens en inlichtingen, en
wel kosteloos, die hun door de inspecteur ter uitvoering van de
belastingwet worden gevraagd.
2. Onze Minister kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing verlenen
van de in het eerste lid omschreven verplichting.
Artikel 56
De verplichtingen welke volgens deze afdeling bestaan jegens de
inspecteur, gelden mede jegens iedere door Onze Minister aangewezen
andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst.
Afdeling 3. Domiciliekeuze en uitreiking van stukken
Artikel 57
In bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften moet hij
die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging
heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 58
Het uitnodigen tot het doen van aangifte van degene die niet in
Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, alsmede
het ingevolge de belastingwet uitreiken van een stuk aan die persoon,
kan ook geschieden aan de in Nederland gelegen vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het
kantoor van de in Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Afdeling 4. Overschrijding van termijnen
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 60
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift
is artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 5. Toekenning van bevoegdheden
Artikel 61
Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur bepalingen
vast te stellen tot verzekering van de heffing en invordering van
belasting van hen die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats
van vestiging hebben.
Artikel 62
Onze Minister is bevoegd regelen te geven ter uitvoering van de
belastingwet.
Artikel 63
Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van
gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard,
welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen.
Artikel 64
1. Ter bevordering van een doelmatige formalisering van de uit een
belastingwet voortvloeiende schuld of van de op grond van een
belastingwet op te leggen bestuurlijke boete kan de inspecteur
afwijken van het overigens bij of krachtens de belastingwet bepaalde,
indien:
a. degene aan wie de belastingaanslag wordt opgelegd, instemt
met deze wijze van formaliseren, en
b. de formalisering niet leidt tot een lagere schuld dan de
schuld die zonder toepassing van dit artikel voortvloeit uit de
belastingwet of tot een lagere bestuurlijke boete dan de zonder
toepassing van dit artikel op grond van de belastingwet op te
leggen bestuurlijke boete.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 65
1. Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de
inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet
voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem
ambtshalve worden verleend.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen,
of van wie een onjuist bedrag is ingehouden.
Artikel 66
Van de bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete kan door Onze
Minister gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.
Afdeling 6. Geheimhouding
Artikel 67
1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met
enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de
persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder
bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de
belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als
bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).
2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking
noodzakelijk is voor de goede vervulling van een
publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens
betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn
verstrekt.
3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze
Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
Hoofdstuk VIIIA. Bestuurlijke boeten
Afdeling 1. Overtredingen
Paragraaf 1. Verzuimboeten
Artikel 67a
1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting
welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de
ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt
dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, uiterlijk bij de
vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste
€ 4 920 kan opleggen.
2. Indien over een jaar zowel een aanslag als een conserverende
aanslag wordt vastgesteld, wordt de in het eerste lid bedoelde boete
uitsluitend opgelegd uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag.
Wordt over een jaar uitsluitend een conserverende aanslag vastgesteld,
dan wordt die boete opgelegd bij het vaststellen van de conserverende
aanslag.
Artikel 67b
1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de
aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of
afgedragen niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn
heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem
een bestuurlijke boete van ten hoogste € 123 kan opleggen.
2. Indien de inhoudingsplichtige de aangifte loonbelasting niet,
niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn, dan wel onjuist of
onvolledig heeft gedaan, vormt dit, in afwijking van het eerste lid,
een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete
van ten hoogste € 1 230 kan opleggen.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het niet dan
wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door verloop van een jaar
na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden
gedaan. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het doen
van een onjuiste of onvolledige aangifte vervalt door verloop van vijf
jaar na het einde van het kalenderjaar van het aangiftetijdvak waarop
de aangifte betrekking heeft.
Artikel 67c
1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de
belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet,
gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde
termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de
inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4 920 kan
opleggen.
2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de
boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig
betalen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
4. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67ca
1. Degene die niet voldoet aan de verplichting hem opgelegd bij of
krachtens:
a. deartikelen 6, derde lid, 43, 44, 47b, tweede lid, 49,
tweede lid, en 50, eerste lid;
b. artikel 7, tweede lid, van de Wet op de kansspelbelasting;
c. de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en
f, 29, 35d, 35e, aanhef en onderdelen a, b, d en e, 35k, 35l en
35m, aanhef en onderdelen a en c, van de Wet op de loonbelasting
1964;
d. artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting
1965;
e. de artikelen 34c, eerste lid, 34e, 34g en 35a, eerste en
tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, of
f. artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer,
begaat een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een
bestuurlijke boete van ten hoogste€ 4 920 kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid
bedoelde boete vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van
het kalenderjaar waarin de verplichting is ontstaan.
Artikel 67cb
1. De in deartikelen 67a, eerste en tweede lid, 67b, eerste en
tweede lid, 67c, eerste lid, en 67ca, eerste lid, genoemde bedragen
worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij
ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het eerst
plaats per 1 januari 2015. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van
de factoren van de laatste vijf kalenderjaren.
2. De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met
betrekking tot verzuimen die zijn begaan na het begin van het
kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd.
Paragraaf 2. Vergrijpboeten
Artikel 67d
1. Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat
met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt
geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan,
vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem,
gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke
boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede
lid omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:
a. het bedrag van de aanslag, dan wel
b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het
bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te
houden met die verliezen;
een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van
de belastingplichtige niet zou zijn geheven.
3. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als
gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur
de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De
bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de
termijn die geldt voor het vaststellen van de aanslag, die zou kunnen
zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn
genomen.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt met
verliezen gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel
6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
5. Voor zover de aanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op
belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, bedraagt de boete, in zoverre in afwijking
van het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover
verschuldigde belasting zoals deze bij de aanslag is vastgesteld.
Artikel 67e
1. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van
aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de
belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag
is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit
een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de
vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan
opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid
omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:
a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel
b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het
bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder
rekening te houden met die verliezen;
een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of
de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.
3. De inspecteur kan, in afwijking van het eerste lid, binnen zes
maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag, een
bestuurlijke boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op
grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend worden op of na het
tijdstip dat is gelegen zes maanden vóór de afloop van de in artikel
16 bedoelde termijnen, en er tevens aanwijzingen bestaan dat het aan
opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de
aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig
belasting is geheven. Alsdan doet de inspecteur gelijktijdig met de
vaststelling van de navorderingsaanslag mededeling aan de
belastingplichtige dat wordt onderzocht of in verband met de
navordering het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.
4. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als
gevolg daarvan geen navorderingsaanslag kan worden vastgesteld, kan de
inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De
bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de
termijn die geldt voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die
zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden
zijn genomen.
5. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt met
verliezen gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel
6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. Voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk
betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, bedraagt de boete, in zoverre in
afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover
verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is
vastgesteld.
Artikel 67f
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige
of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte
moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel
niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt
dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke
boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede
lid omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de
belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag
als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige
of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.
3. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de
boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig
betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
5. Artikel 67e, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67fa
Bij toepassing van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt voor zover nodig:
a. de voorwaarde van gelijktijdigheid, bedoeld in de artikelen
67c, tweede lid, 67d, eerste lid, 67e, eerste lid, en 67f, derde
lid;
b. de voorwaarde dat uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag
een verzuimboete kan worden opgelegd, bedoeld in artikel 67a, eerste
lid.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van
bestuurlijke boeten
Artikel 67g
1. De inspecteur legt de bestuurlijke boete op bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
2. In afwijking van artikel 5:9 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de inspecteur de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige,
uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van
de in dat artikel bedoelde gegevens.
Artikel 67h
Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door
het bedrag van de belasting, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid
verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding
van belasting, voor zover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of
kwijtschelding het bedrag betreft waarover de boete is berekend.
Artikel 67i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67k [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67l [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67m [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67n
1. Wanneer de belastingplichtige uiterlijk twee jaar nadat hij een
onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten
doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en
volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat
hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de
onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt
geen vergrijpboete opgelegd.
2. Ook na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
van twee jaar is het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte,
dan wel het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens
of aanwijzingen door de belastingplichtige vóórdat hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of
onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, een omstandigheid die
aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete.
Artikel 67o [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67p
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
anderen dan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige aan wie
ingevolge de belastingwet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 67pa
1. Met betrekking tot het opleggen van een verzuimboete vindt
artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing.
2. In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de bevoegdheid om een in een belastingwet
geregelde verzuim- of vergrijpboete op te leggen niet na drie,
onderscheidenlijk vijf jaren nadat de overtreding heeft
plaatsgevonden.
Artikel 67pb
In afwijking van artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan degene die de overtreding constateert ook worden
belast met het opleggen van een bestuurlijke boete.
Artikel 67q
1. In afwijking van artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als
waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd, indien nieuwe bezwaren
bekend zijn geworden.
2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen
van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en
boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan,
welke later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht.
3. Het rapport, bedoeld in artikel 5:48 van de Algemene wet
bestuursrecht, vermeldt tevens waaruit de nieuwe bezwaren bestaan.
4. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens
hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete.
5. Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van
gelijktijdigheid, bedoeld in de artikelen 67d, eerste lid, 67e, eerste
lid, en 67f, derde lid, voor zover nodig.
Hoofdstuk IX. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 1. Strafbare feiten
Artikel 68
1. Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:
a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen,
en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken,
bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze
niet voor dit doel beschikbaar stelt;
c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken,
bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze
in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;
d. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan
bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige
administratie niet voert;
e. het bewaren van boeken, bescheiden of andere
gegevensdragers, en deze niet bewaart;
f. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52,
zesde lid, en deze niet verleent;
g. het uitreiken van een factuur of nota, en een onjuiste of
onvolledige factuur of nota verstrekt;
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. Degene die niet voldoet aan de verplichting, hem opgelegd bij
artikel 47, derde lid, wordt gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
3. Niet strafbaar is degene die de in artikel 47a bedoelde
verplichting niet nakomt ten gevolge van een voor het niet in
Nederland gevestigde lichaam of de niet in Nederland wonende
natuurlijke persoon geldend wettelijk of rechterlijk verbod tot het
verlenen van medewerking aan de verstrekking van de verlangde gegevens
of inlichtingen of het voor raadpleging beschikbaar stellen van
boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, dan
wel ten gevolge van een hem niet toe te rekenen weigering van het niet
in Nederland gevestigde lichaam of de niet in Nederland wonende
natuurlijke persoon de verlangde gegevens of inlichtingen te
verstrekken of boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen.
Artikel 69
1. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene
aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan
wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid,
onderdelen a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat
te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien
dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig
geheven belasting.
2. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene
aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat,
omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het
feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het
bedrag van de te weinig geheven belasting, met dien verstande dat voor
zover de onjuistheid in of onvolledigheid van de aangifte betrekking
heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 de geldboete ten hoogste driemaal het bedrag
van de te weinig geheven belasting bedraagt.
3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel
vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte
doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of
aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde
ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal
worden.
4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden
vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het
tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek
van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225,
tweede lid, uitgesloten.
5. Artikel 68, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in
het eerste en tweede lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de
uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 69a [Vervallen per 01-07-2009]
Afdeling 1A. Strafbare feiten in algemene maatregelen van bestuur en
ministeriële regelingen
Artikel 70
Overtreding van door Ons krachtens de belastingwet bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die
overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van
de derde categorie.
Artikel 71
Overtreding van door Onze Minister krachtens de belastingwet
vastgestelde algemene voorschriften wordt, voor zover die overtreding is
aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
Afdeling 2. Algemene bepalingen van strafrecht
Artikel 72
De bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten waarop
gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 73
De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op ieder die zich niet
in Nederland schuldig maakt aan enig in de belastingwet omschreven
misdrijf.
Artikel 74
Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing.
Artikel 75 [Vervallen per 11-06-1988]
Artikel 76
1. Ten aanzien van de bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten
met betrekking tot welke het proces-verbaal niet overeenkomstig
artikel 80, tweede lid, in handen van de officier van justitie is
gesteld, kan, in afwijking van de artikelen 257a, 257b en 257ba van
het Wetboek van Strafvordering, uitsluitend het bestuur van’s Rijks
belastingen een strafbeschikking uitvaardigen. Bij ministeriële
regeling kunnen functionarissen worden aangewezen die deze bevoegdheid
namens dat bestuur kunnen uitoefenen.
2. In deze strafbeschikking kan een geldboete worden opgelegd.
Voorts kan deze strafbeschikking aanwijzingen bevatten waaraan de
verdachte moet voldoen. De aanwijzingen kunnen inhouden:
a. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar
zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
b. uitlevering, of voldoening aan de staat van de geschatte
waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
c. voldoening aan de Staat van een geldbedrag gelijk aan of
lager dan het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing
van kosten – door de verdachte verkregen door middel van of uit
het strafbare feit;
d. het alsnog voldoen aan een bij de belastingwet gestelde
verplichting.
3. Een strafbeschikking waarin een geldboete wordt opgelegd van
meer dan€ 2 000, wordt, in afwijking van artikel 257c, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering, slechts uitgevaardigd indien de
verdachte daaraan voorafgaand is gehoord.
4. Een geldboete wordt, in zoverre in afwijking van artikel 257g
van het Wetboek van Strafvordering, ingevorderd op de wijze, voorzien
in de Invorderingswet 1990. Daartoe wordt een afschrift van de
strafbeschikking aan de ontvanger ter hand gesteld. Het bestuur van
’s Rijks belastingen of de aangewezen functionaris bepaalt voorts de
termijn binnen welke aan de gegeven aanwijzingen moet zijn voldaan en
zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde
termijn kan voor de afloop daarvan eenmaal worden verlengd.
5. In afwijking van artikel 257h, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering verstrekt het bestuur van ’s Rijks belastingen
desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aan ieder ander dan
de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel
van het bestuur ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien
van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in
de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te
worden geweigerd. In het laatste geval kan het bestuur van ’s Rijks
belastingen een geanonimiseerd afschrift van de strafbeschikking
verstrekken.
6. Indien binnen veertien dagen geen afschrift dan wel een
geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker een
klaagschrift indienen bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. Deze
stelt het klaagschrift, de strafbeschikking en het proces-verbaal in
handen van de officier van justitie, welke het klaagschrift en de
processtukken onverwijld ter kennis brengt van de rechtbank, tenzij
hij alsnog aan het verzoek tegemoetkomt. De procesdeelnemers zijn, in
afwijking van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van
Strafvordering niet bevoegd van de inhoud van de processtukken kennis
te nemen dan voorzover de rechtbank zulks toestaat.
7. Artikel 552ab van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2A [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 76a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 76b [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 76c [Vervallen per 01-08-2008]
Afdeling 3. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 77
1. De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten.
2. De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voor zover zij
zijn gewezen:
a. ter zake van misdrijven;
b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het
tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de
leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt.
3. Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen,
indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113
of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken;
het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke
straffen heeft gevorderd.
Artikel 78
Ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten worden
lichamen voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van
Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 79 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 80
1. Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde
feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde personen, de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst belast.
2. In afwijking van de artikel 156 van het Wetboek van
Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van
’s Rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal
betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling
of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil
van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie. De overige
processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging of
verdere vervolging door deze wenselijk acht.
3. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weder
in handen van het bestuur van ’s Rijks belastingen te stellen,
hetwelk daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 76.
4. Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin het bestuur van
’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet aan de officier van
justitie heeft doen toekomen.
Artikel 81
De ambtenaren belast met het opsporen van bij de belastingwet
strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot
inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor
inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering
vorderen.
Artikel 82
1. In zaken waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het
proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 80, tweede lid,
aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien
van het bestuur van ’s Rijks belastingen hetgeen in artikel 116 van
het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie
is bepaald.
2. In de zaken, bedoeld in het vorige lid, wordt bij de toepassing
van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering,
alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, zesde lid,
onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een
beschikking neemt, ook het bestuur van ’s Rijks belastingen in de
gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het
bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie
doch het bestuur van ’s Rijks belastingen bevoegd tot het instellen
van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die
zaken ingevolge artikel 552a, zesde lid, of artikel 552ab, vierde lid,
van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mede aan
het bestuur van ’s Rijks belastingen.
Artikel 83
Bij het opsporen van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit
hebben de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot
elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun
taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen
personen te doen vergezellen.
Artikel 84
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij de belastingwet
strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Veiligheid en Justitie, ambtenaren van de
rijksbelastingdienst aanwijzen, die het contact onderhouden met het
openbaar ministerie.
Artikel 85
De griffiers verstrekken aan het bestuur van ’s Rijks belastingen
desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen,
in belastingstrafzaken gewezen.
Artikel 86
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering
aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, toegekend.
Artikel 87
Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten hebben de
ambtenaren van de rijksbelastingdienst de bevoegdheid van deurwaarders.
Artikel 88
1. De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn tevens belast met
de opsporing van:
a. de misdrijven omschreven in de artikelen 179 tot en met 182
van het Wetboek van Strafrecht, welke jegens hen zijn begaan;
b. het misdrijf omschreven in artikel 184 van het Wetboek van
Strafrecht, indien het bevel of de vordering is gedaan krachtens
of de handeling is ondernomen ter uitvoering van de belastingwet.
2. De artikelen 152, 153, 156 en 159 van het Wetboek van
Strafvordering zijn te dezen op de ambtenaren van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 4 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 88a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 88b [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 88c [Vervallen per 01-08-2008]
Hoofdstuk X. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 89
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 90
De krachtens de wet van 14 Juni 1930 (Stb. 244), houdende bepalingen
tot voorkoming van dubbele belasting, uitgevaardigde voorschriften
worden geacht krachtens Hoofdstuk VII te zijn uitgevaardigd.
Artikel 91
De wet van 13 Januari 1922 (Stb. 9), betreffende het opleggen van
voorlopige aanslagen in de directe belastingen, wordt ingetrokken.
Artikel 92
De wet van 29 April 1925 (Stb. 171), tot bevordering van de richtige
heffing der directe belastingen, wordt ingetrokken.
Artikel 93
De wet van 28 Juni 1926 (Stb. 227), houdende bepalingen met
betrekking tot het overschrijden van in belastingwetten gestelde
termijnen, wordt ingetrokken.
Artikel 94
De wet van 23 April 1952 (Stb. 191), houdende bepalingen inzake
vervanging van het fiscale noodrecht, wordt ingetrokken, behoudens ten
aanzien van begane strafbare feiten.
Artikel 95
1. De bepalingen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat verschillend kan zijn zowel voor de
onderscheidene bepalingen van de wet als voor de onderscheidene
belastingen en tijdvakken waarin of waarover deze worden geheven.
2. Voor zoverre de bepalingen van deze wet ten aanzien van enige
belasting in werking zijn getreden, blijven, behoudens ten aanzien van
begane strafbare feiten, de bepalingen in andere belastingwetten
betreffende de onderwerpen, geregeld in eerstbedoelde bepalingen, ten
aanzien van die belasting in zoverre buiten toepassing.
Artikel 96
Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2 juli 1959
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de achtentwintigste augustus 1959
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|