Nadere regelgeving:
- Regeling vaststelling model machtiging tot
binnentreden
WET van 22 juni 1994 tot vaststelling
van de Algemene wet op het binnentreden
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede in verband met de
verandering van de desbetreffende bepalingen in de Grondwet wenselijk is
te komen tot herziening en eenmaking van de wettelijke bepalingen inzake
het binnentreden in woningen en het betreden van enkele bijzondere
plaatsen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Binnentreden in woningen in het algemeen
Artikel 1
1.Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van
strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een
wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan
wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde
in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren
en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of
meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten
deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de
leiding heeft.
2.Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen
naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor
de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel
naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van
misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze
verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die
omstandigheden kan worden gevergd.
3.Een persoon in dienst van een bestuursorgaan die zich ingevolge het
eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven
door of in opdracht van dat bestuursorgaan. Het legitimatiebewijs bevat
een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de
veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn
identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer
worden vermeld.
4.De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de
bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden
diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst
binnen te treden.
§ 2. Binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner
Artikel 2
1.Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner
is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet
aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie,
burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de
bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder
toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.
2.Onze Minister van Justitie stelt het model van deze machtiging vast.
3.Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet
vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en
onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond
in de woning moet worden binnengetreden.
Artikel 3
1. Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn:
a. de advocaat-generaal bij het ressortsparket;
b. de officier van justitie;
c. de hulpofficier van justitie.
2. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de burgemeester bevoegd tot
het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen
binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering.
3. Degene die bevoegd is een machtiging te geven, gaat daartoe slechts
over, indien het doel waartoe wordt binnengetreden het binnentreden
zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.
Artikel 4
De machtiging kan uitsluitend worden gegeven aan degene die bij of
krachtens de wet bevoegd is verklaard zonder toestemming van de bewoners
in een woning binnen te treden.
Artikel 5
1. De machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in één in de
machtiging te noemen woning. Zo nodig kan in de machtiging worden
bepaald dat zij tevens geldt voor ten hoogste drie andere afzonderlijk
te noemen woningen.
2. Ten behoeve van de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten, is de advocaat-generaal bij het ressortsparket
of de officier van justitie bevoegd een machtiging te geven die
betrekking heeft op een groter aantal woningen. Bij dringende
noodzakelijkheid en indien het optreden van de advocaat-generaal of de
officier van justitie niet kan worden afgewacht, komt de bevoegdheid tot
het geven van een machtiging toe aan de hulpofficier van Justitie.
3. Ten behoeve van de aanhouding, de medebrenging of de gevangenneming
van een in de machtiging te noemen of, wanneer zijn naam onbekend is, zo
duidelijk mogelijk aan te wijzen persoon onderscheidenlijk van de
inbeslagneming van een in de machtiging te noemen of, wanneer dat niet
mogelijk is, zo duidelijk mogelijk te omschrijven goed is de
advocaat-generaal bij het ressortsparket of de officier van justitie
bevoegd een machtiging te geven die geldt voor iedere woning waarin
bedoelde persoon onderscheidenlijk bedoeld goed zich bevindt of
verondersteld wordt zich te bevinden. Bij dringende noodzakelijkheid en
indien het optreden van de advocaat-generaal of de officier van justitie
niet kan worden afgewacht, komt de bevoegdheid tot het geven van een
machtiging toe aan de hulpofficier van justitie.
Artikel 6
1.De machtiging is ondertekend en vermeldt:
a. de naam en de hoedanigheid van degene die de machtiging heeft
gegeven;
b. de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de
machtiging is gegeven;
c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel
waartoe wordt binnengetreden;
d. de dagtekening.
2.De machtiging blijft ten hoogste van kracht tot en met de derde dag na
die waarop zij is gegeven. De Algemene termijnwet is niet van
toepassing.
Artikel 7
1.Tussen middernacht en 6 uur ’s morgens kan slechts zonder
toestemming van de bewoner worden binnengetreden, voor zover dit
dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt
binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
2.Bij afwezigheid van de bewoner kan slechts worden binnengetreden, voor
zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging
wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
Artikel 8
1.Degene die de machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is
binnen te treden, vergezellen.
2.Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te
treden, kan zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het
doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens
een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk
bepaalt.
Artikel 9
Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te
treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen,
voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Hij
kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.
Artikel 10
1.Degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is
binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk
verslag op omtrent het binnentreden.
2.In het verslag vermeldt hij:
a. zijn naam of nummer en hoedanigheid;
b. de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van
degene die de machtiging tot binnentreden heeft gegeven:
c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel
waartoe is binnengetreden;
d. de plaats van de woning en de naam van de bewoner;
e. de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is
binnengetreden en waarop deze is verlaten;
f. hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het
aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld, de namen
van de personen aan wie in de woning hun vrijheid is benomen en de
voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen;
g. voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het
bepaalde in artikel 1, tweede lid, dan wel artikel 2, derde lid,
toepassing heeft gevonden.
Artikel 11
1.Indien krachtens een machtiging is binnengetreden, wordt het verslag
uiterlijk op de vierde dag na die waarop in de woning is binnengetreden,
toegezonden aan degene die de machtiging heeft gegeven. Is de machtiging
gegeven door een hulpofficier van justitie, dan wordt het verslag ook
aan de officier van justitie toegezonden. Indien overeenkomstig het
bepaalde in artikel 2, derde lid, zonder machtiging is binnengetreden,
wordt het verslag toegezonden aan de officier van justitie dan wel, voor
zover is binnengetreden voor andere doeleinden dan strafvordering, aan
de burgemeester.
2.Een afschrift van het verslag wordt uiterlijk op de vierde dag na die
waarop in de woning is binnengetreden, aan de bewoner uitgereikt of
toegezonden. Indien het doel waartoe wordt binnengetreden daartoe
noodzaakt, kan de uitreiking of de toezending aan de bewoner worden
uitgesteld. Uitreiking of toezending geschiedt in dat geval, zodra het
belang van dit doel dit toelaat. Indien het niet mogelijk is dit
afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie
overeenkomstig het eerste lid het verslag is toegezonden dan wel degene
die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft
uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner
beschikbaar.
§ 3. Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Artikel 12
In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens een
wettelijke voorschrift is toegelaten, geschiedt dit buiten het geval van
ontdekking op heterdaad niet:
a. in de vergaderruimten van de Staten-Generaal, van de staten van een
provincie, van de raad van een gemeente of van enig ander algemeen
vertegenwoordigend orgaan, gedurende de vergadering;
b. in de ruimte bestemd voor godsdienstoefeningen of
bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de
godsdienstoefening of bezinningssamenkomst;
c. in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de
terechtzitting.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 13
Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding
van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van de artikelen 1 en 2 van deze wet in de praktijk.
Artikel 14
Deze wet kan worden aangehaald als Algemene wet op het binnentreden.
Artikel 15
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A. Kosto
De Minister van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
Uitgegeven de negende augustus 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|