Nadere regelgeving:
- Algemeen militair
ambtenarenreglement (AMAR)
- Algemeen Rijksambtenarenreglement
(ARAR)
- Ambtenarenreglement Staten-Generaal
(ARSG)
- Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de
sector Defensie
- Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de
sector Rijk
- Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren
- Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel
(Bwoo)
- Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel
primair onderwijs (Bza)
- Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
(BBRA 1984)
- Burgerlijk ambtenarenreglement defensie
(BARD)
- Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie
- Inkomstenbesluit militairen
(IBM)
- Rechtspositiebesluit burgemeesters
- Reglement Dienst Buitenlandse
Zaken (RDBZ)
- Rijkswachtgeldbesluit 1959
WET van 12 december 1929, houdende
regelen betreffende den rechtstoestand van ambtenaren
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen,
salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat regelen betreffende den
rechtstoestand van ambtenaren behooren te worden gesteld;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemeene bepalingen
Artikel 1
1. Ambtenaar in de zin van deze wet is degene, die is aangesteld om
in openbare dienst werkzaam te zijn.
2. Tot den openbaren dienst behooren alle diensten en bedrijven
door den Staat en de openbare lichamen beheerd.
3. Niet is ambtenaar in de zin van deze wet degene, met wie een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.
4. Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder ambtenaren
gewezen ambtenaren begrepen.
Artikel 2
1. Titel III is niet van toepassing op:
– ministers en staatssecretarissen;
– de commissarissen van de Koning;
– gedeputeerden;
– burgemeesters;
– wethouders;
– de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
– krachtens de Grondwet of de wet voor hun leven benoemde
ambtenaren;
– de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen;
– notarissen en gerechtsdeurwaarders;
– de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de
buitengewone leden van het College bescherming persoonsgegevens,
bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
– de leden van dagelijkse besturen van waterschappen,
waaronder de voorzitters;
– de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de
andere leden van de Sociaal-Economische Raad, de voorzitters en de
plaatsvervangende voorzitters van de produkt-, de hoofdbedrijf- en
de bedrijfschappen en de leden van de besturen van deze lichamen,
alsmede degenen die deel uitmaken van organen van lichamen als
bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
– het personeel in dienst van de Sociaal-Economische Raad, de
produkt-, de hoofdbedrijf- en de bedrijfschappen en de lichamen,
bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
– de leden van de Raden van bestuur van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, bedoeld in de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
– de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, de leden
van het bestuur van dit lichaam en de leden van andere bij of
krachtens de Wet op het accountantsberoep ingestelde colleges;
– de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van
het bestuur van de Organisatie ter verbetering van de
binnenvisserij;
– de voorzitter en de leden van het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet;
– de voorzitter en de leden van het College bouw
zorginstellingen en het College sanering zorginstellingen, bedoeld
in de Wet toelating zorginstellingen;
– de voorzitter en de leden van de Nederlandse
Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg;
– militaire ambtenaren;
– onbezoldigde ambtenaren, behorende tot het personeel van de
buitenlandse dienst;
– de leden en de plaatsvervangende leden van het College voor
de rechten van de mens;
– de leden van een adviescollege als bedoeld in de Kaderwet
adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in
artikel 3 van die wet;
– de voorzitter en de andere leden van het bestuur van het
Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid,
van de Wet op het notarisambt;
– de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de
Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de andere leden van het
bestuur van dit lichaam en de leden van het bestuur van de ringen
en hun plaatsvervangers;
– de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de
Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders en de
andere leden van het bestuur van dit lichaam;
– de voorzitter en de leden van de commissie van toezicht,
bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002;
– de leden van de KNMI-raad, bedoeld in artikel 11 van de Wet
op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;
– het lid van het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
– de deskundige leden, bedoeld in de artikelen 48, derde lid,
55a, tweede lid, 66, tweede en derde lid, 67, derde lid, 69,
tweede lid, en 70, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, de militaire leden, bedoeld in de artikelen 54, derde
lid, 55, tweede lid, en 68, tweede lid, van diezelfde wet, en hun
plaatsvervangers;
– de leden van zelfstandige bestuursorganen aan wie een
schadeloosstelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is toegekend;
– de buitengriffiers en de waarnemend griffiers, bedoeld in
de artikelen 14, vierde lid, en 73, tweede lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie;
– de voorzitter en de leden van het CAK, genoemd in artikel
48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
2. De artikelen 125, 125bis, 125ter,125quater, 125quinquies, 125a,
125c, 125d, 125f en 126 zijn niet van toepassing op de rechterlijke
ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en
met 9°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en de rechterlijke
ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 145 van diezelfde wet.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 14a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 22a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 22b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23c [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23d [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23e [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 51a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 88 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 91 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 92 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 95 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 96 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 97 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 98a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 99 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 100 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 101a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 101b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 102 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 103 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 105 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 106 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 107 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 108 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 109 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 110 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 110a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 110b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 111 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 114 [Vervallen per 01-01-1994]
Titel II. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 115
1. In deze titel wordt verstaan onder bezoldiging:
a. de bedragen - onder de benaming bezoldiging of welke
benaming ook - waarop de ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn
dienstbetrekking aanspraak heeft:
b. de bedragen - onder de benaming pensioen, wachtgeld,
uitkering of welke benaming ook - waarop de gewezen ambtenaar als
zodanig uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking aanspraak
heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn
overlijden aanspraak hebben.
2. Onder ambtenaar worden in deze titel mede verstaan de nagelaten
betrekkingen van een ambtenaar die uit hoofde van zijn overlijden
pensioen genieten.
3. Beslag omvat in deze titel ook de vordering bedoeld in artikel
19 van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221).
Artikel 116
1. Op bezoldiging is, voor zover in deze titel niet anders is
bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het
gemene recht.
2. Kostenvergoedingen welke verband houden met de dienstverrichting
zijn niet vatbaar voor beslag.
Artikel 116a
Door de Staat of de openbare lichamen onverschuldigd betaalde
bezoldiging kan worden teruggevorderd.
Artikel 117
1. Met de door de Staat of de openbare lichamen verschuldigde
bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de ambtenaar als zodanig aan
hen zelf verschuldigd is.
2. Verrekening kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste
korting als bedoeld in artikel 118, eerste lid.
3. Verrekening is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van
hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens
kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije
voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering vormt.
Artikel 118
1. De Staat en de openbare lichamen kunnen op de bezoldiging ten
behoeve van een schuldeiser van de ambtenaar een korting toepassen,
mits de ambtenaar de vordering van de schuldeiser erkent of het
bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane
rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de ambtenaar van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen sluiten korting uit.
Artikel 119
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en
475d vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 117, tweede lid, en artikel 118, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 120
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 121
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de
ambtenaar enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent is
slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig
zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 122
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de
Staat of het openbare lichaam, indien een gegeven opdracht tot de
betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de
Staat of het openbare lichaam van het eindigen van de volmacht kennis
kreeg.
Artikel 123 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 123a [Vervallen per 01-12-1992]
Artikel 123b [Vervallen per 01-12-1992]
Artikel 124
De bepalingen van deze titel vinden overeenkomstige toepassing op de
bezoldiging, ingevolge enig algemeen verbindend voorschrift verschuldigd
door de Staat of enig openbaar lichaam hier te lande aan personen, die
niet zijn ambtenaar, gewezen ambtenaar of nagelaten betrekking van een
ambtenaar.
Titel III. Bepalingen van materieel recht
Artikel 125
1. Voor zover deze onderwerpen niet reeds bij of krachtens de wet
zijn geregeld, worden voor de ambtenaren, door of vanwege het rijk
aangesteld, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
voorschriften vastgesteld betreffende:
a. aanstelling, schorsing en ontslag;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
c. bezoldiging en wachtgeld;
d. diensttijden;
e. verlof en vakantie;
f. voorzieningen in verband met ziekte;
g. bescherming bij de arbeid;
h. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
i. medezeggenschap;
j. overige rechten en verplichtingen;
k. disciplinaire straffen, met dien verstande dat een boete dan
wel een inhouding of korting op de bezoldiging per opgelegde
disciplinaire straf ten hoogste gelijk is aan het bedrag van het
salaris van de ambtenaar over anderhalve maand;
l. de instelling en werkwijze van commissies waaraan de
beslissing met uitsluiting van administratieve organen is
opgedragen, voor zover deze worden mogelijk gemaakt;
m. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over
aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de
ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat
overleg dient te worden bereikt;
n. de gevallen waarin berichten inzake de rechtspositie van de
ambtenaar in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht uitsluitend elektronisch verzonden
behoeven te worden en de voorwaarden die daarbij in acht worden
genomen.
2. Het bevoegd gezag van provincies, gemeenten en waterschappen
stelt voor de ambtenaar door of vanwege deze lichamen aangesteld,
onder gelijk voorbehoud voorschriften vast omtrent de onderwerpen,
genoemd in het eerste lid. Als ambtenaar aangesteld door of vanwege
een waterschap wordt aangemerkt hij die is aangesteld door het in het
reglement van die instelling daartoe aangewezen gezag teneinde in
dienst van het waterschap werkzaam te zijn.
Artikel 125bis
Het is de voorzitter, de leden en de secretaris van commissies als
bedoeld in artikel 125, eerste lid, onderdeel l, alsmede hun
plaatsvervangers verboden:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te
maken dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd;
b. de gevoelens te openbaren die bij de beraadslaging zijn geuit;
c. over een voor hen aanhangige zaak of over een zaak die naar
zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden voor hen aanhangig zal
worden, op enigerlei bijzondere wijze in contact te treden met
partijen, hun gemachtigden of hun raadslieden.
Artikel 125ter
Het bevoegd gezag en de ambtenaar zijn verplicht zich als een goed
werkgever en een goed ambtenaar te gedragen.
Artikel 125quater
Het bevoegd gezag van ambtenaren die door of vanwege het rijk, de
provincies, de gemeenten of de waterschappen zijn aangesteld,
a. voert een integriteitsbeleid dat is gericht op het bevorderen
van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht besteedt
aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen
van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en
discriminatie;
b. zorgt ervoor dat het integriteitsbeleid een vast onderdeel
uitmaakt van het personeelsbeleid in ieder geval door integriteit in
functioneringsgesprekken en werkoverleg aan de orde te stellen en
door het aanbieden van scholing en vorming op het gebied van
integriteit;
c. draagt zorg voor de totstandkoming van een gedragscode voor
goed ambtelijk handelen;
d. stelt in overeenstemming met de Tweede Kamer,
onderscheidenlijk provinciale staten, de raad of het algemeen
bestuur, vast op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd
over het gevoerde integriteitsbeleid en over de naleving van de
gedragscode.
Artikel 125quinquies
1. Voor zover deze onderwerpen niet bij of krachtens de wet zijn
geregeld, worden voor de ambtenaren, door of vanwege het rijk
aangesteld, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
voorschriften vastgesteld betreffende:
a. de verplichte aflegging van de eed of belofte door de
ambtenaar bij zijn aanstelling;
b. de melding en de registratie van nevenwerkzaamheden die de
belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de
functievervulling, kunnen raken;
c. de openbaarmaking van de krachtens onderdeel b
geregistreerde nevenwerkzaamheden van ambtenaren aangesteld in een
functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk
is;
d. het verbieden van nevenwerkzaamheden waardoor de goede
vervulling van de functie of de goede functionering van de
openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd;
e. de melding van financiële belangen respectievelijk van het
bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de
dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling,
kunnen raken voor ambtenaren aangesteld in een functie waaraan in
het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of
het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie
verbonden is;
f. een procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende
vermoedens van misstanden binnen de organisatie waar hij werkzaam
is.
2. Het bevoegd gezag van provincies, gemeenten en waterschappen
stelt voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen aangesteld,
onder gelijk voorbehoud voorschriften vast omtrent de onderwerpen,
genoemd in het eerste lid. Als ambtenaar aangesteld door of vanwege
een waterschap wordt aangemerkt hij die is aangesteld door het in het
reglement van die instelling daartoe aangewezen gezag teneinde in
dienst van het waterschap werkzaam te zijn.
3. De ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens
van misstanden meldt volgens de procedure, bedoeld in het eerste lid
onder f, zal als gevolg van het melden van die vermoedens geen
nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na
het volgen van die procedure.
Artikel 125a
1. De ambtenaar dient zich te onthouden van het openbaren van
gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot
vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de
uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of
de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in
verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou
zijn verzekerd.
2. Het eerste lid is, voor wat betreft het recht van vereniging,
niet van toepassing op het lidmaatschap van:
a. een politieke groepering, waarvan de aanduiding is
ingeschreven overeenkomstig de Kieswet of
b. een vakvereniging.
3. De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in
verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die
verplichting uit de aard der zaak volgt.
Artikel 125b
De ambtenaar is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op
grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en
rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.
Artikel 125c
1. Een ambtenaar, die een functie in publiekrechtelijke colleges,
waarin hij is benoemd of verkozen, gezien de omvang van de daaruit
voortvloeiende werkzaamheden, niet gelijktijdig kan vervullen met zijn
ambt, wordt in verband daarmede tijdelijk ontheven van de waarneming
van zijn ambt, tenzij het dienstbelang zich tegen ontheffing verzet.
Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk
aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der
provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of
vanwege deze lichamen aangesteld, regels worden gesteld.
2. Indien de ambtenaar in verband met een functie in
publiekrechtelijke colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, niet
op grond van het eerste lid van de waarneming van zijn ambt is
ontheven, wordt hem voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen
van deze colleges en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende
werkzaamheden ten behoeve van deze colleges, buitengewoon verlof
verleend, tenzij het dienstbelang zich tegen verlofverlening verzet.
Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk
aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der
provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of
vanwege deze lichamen aangesteld, regels worden gesteld.
3. Aan de ambtenaar wordt, tenzij het dienstbelang zich tegen
verlofverlening verzet, buitengewoon verlof verleend voor aan te
wijzen activiteiten van of voor vakorganisaties van overheidspersoneel
overeenkomstig regels te stellen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur voor de door of vanwege het rijk aangestelde ambtenaren,
dan wel door het bevoegde gezag der provinciën, gemeenten en
waterschappen voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen
aangesteld.
Artikel 125d
De ambtenaar is verplicht tijdens het verblijf op zijn werk zich te
onderwerpen aan een in het belang van de dienst door het bevoegde gezag
gelast onderzoek aan zijn lichaam of aan zijn kleding of van zijn daar
aanwezige goederen. Het bevoegd gezag, op wiens last het onderzoek
plaatsheeft, neemt de nodige maatregelen ten einde daarbij een
onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen.
Artikel 125e
1. Voor de vervulling van een vertrouwensfunctie komt slechts in
aanmerking degene die Nederlander is. Degene die geen Nederlander is,
kan niettemin worden aangesteld wanneer het dienstbelang dat
bepaaldelijk vordert.
2. Aan een ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend, indien hij
op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10,
tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een
vertrouwensfunctie moet worden ontheven.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld ter zake van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 125f
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor categorieën van
ambtenaren die door of vanwege het Rijk zijn aangesteld en die uit
hoofde van hun functie kennis kunnen nemen van zeer geheime of geheime
gegevens betreffende de veiligheid of andere gewichtige belangen van
de staat, voorschriften worden gesteld betreffende de verplichtingen
waaraan deze ambtenaren zijn onderworpen in verband met het anders dan
in de uitoefening van hun functie reizen naar en het verblijven in
landen waarin het verblijf door deze ambtenaren een bijzonder risico
voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat kan
opleveren en die er toe strekken dit risico zoveel mogelijk te
beperken.
2. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 125g
1. Het bevoegd gezag mag geen onderscheid maken tussen ambtenaren
op grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder
een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij
een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
2. Het bevoegd gezag mag het dienstverband met de ambtenaar niet
beëindigen wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op het eerste lid of terzake bijstand heeft
verleend.
3. Het College, genoemd in artikel 1 van de Wet College voor de
rechten van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in dit artikel. De artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en
23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Het bevoegd gezag mag de werknemer niet benadelen wegens de
omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft
gedaan op het bepaalde in het eerste lid of terzake bijstand heeft
verleend.
Artikel 125h
1. Het bevoegd gezag mag geen onderscheid maken tussen ambtenaren
in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk
karakter van de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid
objectief gerechtvaardigd is.
2. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar die is aangesteld in
tijdelijke dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met
een dienstverband voor onbepaalde tijd.
3. Het bevoegd gezag mag het dienstverband met de ambtenaar niet
beëindigen wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid of terzake
bijstand heeft verleend.
4. Het College, genoemd in artikel 1 van de Wet College voor de
rechten van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in het eerste lid. De artikelen 10, 11, 12, 13, 22
en 23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Het bevoegd gezag mag de ambtenaar niet benadelen wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft
gedaan op het bepaalde in het eerste lid of terzake bijstand heeft
verleend.
Artikel 126
1. Indien het bevoegd gezag van een waterschap niet of niet naar
behoren uitvoering geeft aan artikel 125 of artikel 125quinquies, zijn
de artikelen 121 tot en met 121g van de Provinciewet van
overeenkomstige toepassing.
2. Hoofdstuk XVIII van de Provinciewet is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van door het bevoegd gezag van een waterschap
krachtens artikel 125 of artikel 125quinquies vastgestelde
uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 127 [Vervallen per 01-01-1985]
Titel IV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 128 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 129 [Vervallen per 01-01-1937]
Artikel 130 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 131 [Vervallen per 01-01-1937]
Artikel 132 [Vervallen per 01-01-1937]
Artikel 133
1. Binnen één jaar na de invoering van artikel 125 moet aan dit
artikel uitvoering zijn gegeven.
2. De door het bevoegd gezag der provinciën, gemeenten,
waterschappen, veenschappen en veenpolders op het oogenblik van de
invoering van artikel 125 vastgestelde voorschriften, die betreffen
onderwerpen in dat artikel vermeld, blijven bij die invoering van
kracht en worden geacht tot uitvoering van artikel 125 te zijn
gegeven.
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 134
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
bepalingen vastgesteld betreffende de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder door of vanwege het rijk indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan plaatshebben. De
artikelen 125a tot en met 125f van deze wet en artikel 648 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Omtrent dezelfde onderwerpen worden door het bevoegd gezag der
provinciën, gemeenten en waterschappen, bepalingen vastgesteld,
indien door of vanwege die lichamen indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht plaatsheeft. De artikelen
125a tot en met 125d , 126 en 133, tweede lid, van deze wet en artikel
648 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op de dienstbetrekking,
bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening.
Artikel 135 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 136 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 137
Deze wet wordt aangehaald als: Ambtenarenwet.
Lasten en bevelen, dat deze met eene indeeling in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den 12den December 1929
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
J. Donner
Uitgegeven den zeven en twintigsten December
1929
De Minister van Justitie,
J. Donner
|