Nadere regelgeving:
- Arbeidsomstandighedenbesluit
(Arbobesluit)
- Arbeidsomstandighedenregeling
(Arboregeling)
- Asbestverwijderingsbesluit 2005
- Besluit
Ctgb lijst van gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2007'
- Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- Besluit stralingsbescherming
- Productenbesluit asbest
- Regeling
gewasbeschermingsmiddelen en biociden'
- Regeling
natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008'
- Regeling
voorzieningen stralingsbescherming werknemers'
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Vuurwerkbesluit
WET van 18 maart 1999, houdende
bepalingen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden (Arbeidsomstandighedenwet
1998) ¹
1. Redactie: ingevolge artikel
I, onderdeel FF, van de Wet van 30 november
2006, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en enige andere wetten in
verband met het vergroten van de
verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers
voor het arbeidsomstandighedenbeleid (Stb.
2006, 673), is de Arbeidsomstandighedenwet 1998 met ingang van 1 januari
2007 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Arbeidsomstandighedenwet.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
kwaliteit van het arbeidsomstandighedenbeleid te verbeteren, meer ruimte
voor maatwerk te creëren en de bestuurlijke boete in te voeren alsmede
enige andere wijzigingen aan te brengen en daartoe een nieuwe
Arbeidsomstandighedenwet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
Definities
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of
publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van
arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt
gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet
verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het
verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan
onder:
a. werkgever:
1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste
lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste
lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet
verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gevallen;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die
als vrijwilliger arbeid verricht.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. ondernemingsraad: de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden;
c. personeelsvertegenwoordiging: de personeelsvertegenwoordiging,
bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden;
d. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in de Algemene wet
bestuursrecht, en als zodanig aangewezen op grond van artikel 24;
e. psychosociale arbeidsbelasting: de factoren direct of indirect
onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie, agressie en geweld,
pesten en werkdruk, in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen;
f. stress: een toestand die als negatief ervaren lichamelijke,
psychische of sociale gevolgen heeft;
g. arbeidsplaats: iedere plaats die in verband met het verrichten van
arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt;
h. arbeidsmiddelen: alle op de arbeidsplaats gebruikte machines,
installaties, apparaten en gereedschappen;
i. arbeidsongeval: een aan een werknemer in verband met het verrichten
van arbeid overkomen ongewilde, plotselinge gebeurtenis, die schade aan
de gezondheid tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad en heeft
geleid tot ziekteverzuim, of de dood tot vrijwel onmiddellijk gevolg
heeft gehad;
j. arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a, tweede en derde
lid;
k. zelfstandige: degene die zonder werkgever of werknemer te zijn in de
zin van het eerste of tweede lid arbeid verricht;
l. vrijwilliger: de persoon, die niet bij wijze van beroep arbeid
verricht voor een privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat
niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan wel voor een
sportorganisatie en die geen werknemer is in de zin van artikel 2 van de
Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van de persoon die arbeid
verricht:
1°. ter voorbereiding op beroepsmatige arbeid;
2°. in het kader van een taakstraf dan wel in het kader van het voldoen
aan voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging als bedoeld in
artikel 74, tweede lid, onderdeel f, of artikel 77f, eerste lid,
onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht dan wel in het kader van
deelneming aan een project als bedoeld in artikel 77e van het Wetboek
van Strafrecht;
3°. als bedoeld in artikel 16, zesde lid, onderdeel c.
4. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen de woorden
«bedrijf» en «inrichting» worden gebruikt om een plaats aan te
duiden, omvatten deze mede een andere plaats waar arbeid wordt verricht
of pleegt te worden verricht.
Uitbreiding Toepassingsgebied
Artikel 2
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op:
a. arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone;
b. verrichtingen van leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen of
gedeelten daarvan, open ruimten daaronder begrepen, die vergelijkbaar
zijn met arbeid in de beroepspraktijk;
c. arbeid die geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door
personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van Nederlandse
rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren;
d. arbeid die voor een in Nederland gevestigde werkgever geheel of ten
dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord
van luchtvaartuigen.
Hoofdstuk 2. Arbeidsomstandighedenbeleid
Arbobeleid
Artikel 3
1.De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de
werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en voert daartoe
een beleid dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden,
waarbij hij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele
dienstverlening, het volgende in acht neemt:
a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd organiseert de
werkgever de arbeid zodanig dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op
de veiligheid en de gezondheid van de werknemer;
b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd worden de gevaren
en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel
mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperkt; naar
de mate waarin dergelijke gevaren en risico's niet bij de bron kunnen
worden voorkomen of beperkt, worden daartoe andere doeltreffende
maatregelen getroffen waarbij maatregelen gericht op collectieve
bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele
bescherming; slechts indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat
maatregelen worden getroffen die zijn gericht op individuele
bescherming, worden doeltreffende en passende persoonlijke
beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking gesteld;
c. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de
arbeid gebruikte arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud worden zoveel
als redelijkerwijs kan worden gevergd aan de persoonlijke eigenschappen
van werknemers aangepast;
d. monotone en tempogebonden arbeid wordt, zoveel als redelijkerwijs kan
worden gevergd, vermeden dan wel, indien dat niet mogelijk is, beperkt;
e. doeltreffende maatregelen worden getroffen op het gebied van de
eerste hulp bij ongevallen, de brandbestrijding en de evacuatie van
werknemers en andere aanwezige personen, en doeltreffende verbindingen
worden onderhouden met de desbetreffende externe
hulpverleningsorganisaties;
f. elke werknemer moet bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn
eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn
technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen kunnen
nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen, waarbij
artikel 29, eerste lid, derde zin, van overeenkomstige toepassing is.
2.De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid,
een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is
beperking van psychosociale arbeidsbelasting.
3.Ter uitvoering van het eerste lid draagt de werkgever zorg voor een
goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de bij
de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met de
bekwaamheden van de werknemers.
4.De werkgever toetst het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig aan de
ervaringen die daarmee zijn opgedaan en past de maatregelen aan zo
dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.
Aspecten van arbobeleid
Artikel 4. Aanpassing arbeidsplaats werknemer met structurele
functionele beperking
1. In aanvulling op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, past de
werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uit
hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in artikel 7:658a van
het Burgerlijk Wetboek en artikel 76e van de Ziektewet,
a. de inrichting van de arbeidsplaats, de werkmethoden en de bij de
arbeid gebruikte arbeidsmiddelen, alsmede de arbeidsinhoud aan zijn
werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten aan, en
b. de inrichting van het bedrijf aan die werknemer aan, voorzover de
behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming van die werknemer
aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het
bedrijf.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet en de persoon, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen
a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot de eigenrisicodrager in
dienstbetrekking stond, gedurende de periode dat de eigenrisicodrager
aan die persoon ziekengeld moet betalen.
Inventarisatie en evaluatie van risico's
Artikel 5
1.Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever
in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico's de
arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en
-evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de
risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere
categorieën van werknemers.
2.In de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aandacht besteed aan
de toegang van werknemers tot een deskundige werknemer of persoon,
bedoeld in de artikelen 13 en 14, of de arbodienst.
3.Een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen
worden genomen in verband met de bedoelde risico's en de samenhang
daartussen, een en ander overeenkomstig artikel 3, maakt deel uit van de
risico-inventarisatie en -evaluatie. In het plan van aanpak wordt tevens
aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen.
4.De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo dikwijls als
de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of
werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele
dienstverlening daartoe aanleiding geven.
5.Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem
ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van
de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de
beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren
en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op
de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt
aan de betrokken werknemer.
Voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen
zijn betrokken
Artikel 6
1. De werkgever neemt bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid
de maatregelen die nodig zijn ter voorkoming en beperking van zware
ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en de gevolgen
daarvan voor de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf, de
inrichting, of een deel daarvan werkzame werknemers. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de categorieën van bedrijven, inrichtingen of delen daarvan ten
aanzien waarvan de werkgever die maatregelen neemt;
b. de gegevens die de werkgever met betrekking tot de bedrijven,
inrichtingen of delen daarvan, bedoeld onder a, op schrift stelt of
verstrekt aan de toezichthouder of aan de werknemers en de andere
deskundige personen, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid,
de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid en de arbodienst;
c. de maatregelen die de werkgever neemt ten aanzien van de bedrijven,
inrichtingen of delen daarvan, bedoeld onder a;
d. het tijdstip waarop en de frequentie waarmee wordt voldaan aan de
verplichtingen, bedoeld onder b en c;
e. een verbod op de exploitatie van het bedrijf, de inrichting of een
deel daarvan, indien niet of niet voldoende is voldaan aan een of meer
verplichtingen krachtens dit artikel;
f. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel
bepaalde.
2. Onze Minister kan een bedrijf of een inrichting of een deel daarvan
afzonderlijk aanwijzen ten aanzien waarvan op de werkgever een of meer
van de verplichtingen bedoeld in of krachtens het eerste lid rusten
indien zich in verband met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen
bijzondere gevaren kunnen voordoen voor de veiligheid en de gezondheid
van de daarin werkzame werknemers. Bij de aanwijzing wordt bepaald op
welk tijdstip aan de betreffende verplichtingen moet zijn voldaan. De
werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de termijn voor het
indienen van een bezwaar- of beroepschrift is verstreken of, indien
bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is
beslist.
3. Het niet naleven van de eerste zin van het eerste lid is een
overtreding in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de
economische delicten. Voor zover het niet naleven van de bij of
krachtens het eerste lid gestelde regels is aangewezen als een strafbaar
feit, is dat feit eveneens een overtreding.
Informatie aan het publiek
Artikel 7
1.De toezichthouder stelt krachtens artikel 6, eerste lid, onder b,
verschafte en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens uit
eigen beweging ter beschikking van het publiek. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen terzake regels worden gesteld.
2.Onverminderd artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van
bestuur en in afwijking van artikel 10, tweede lid, van die wet blijft
het verstrekken van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege
voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. het belang, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wet
openbaarheid van bestuur;
b. het belang, bedoeld in artikel 10, zevende lid, onder b, van de Wet
openbaarheid van bestuur, voorzover het betreft het voorkomen van
sabotage.
3.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet openbaarheid van
bestuur is niet van toepassing op het op verzoek verstrekken van
gegevens die door de daartoe aangewezen ambtenaar bedoeld in artikel 24
zijn verkregen in verband met de toepassing van het bepaalde bij of
krachtens artikel 6 ter uitvoering van richtlijn nr. 96/82/EG van de
Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing
van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken (PbEG L 10).
4.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet openbaarheid van
bestuur is op het op verzoek verstrekken van informatie over gegevens
als bedoeld in het derde lid uitsluitend van toepassing, voorzover die
gegevens een vertrouwelijk karakter hebben.
5.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet openbaarheid van
bestuur is op het op verzoek verstrekken van gegevens als bedoeld in het
derde lid uitsluitend van toepassing voor zover het gegevens betreft die
afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid van het voorkomen van sabotage.
6.In afwijking van het vijfde lid is, voorzover het gaat om
milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer,
artikel 10, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wet openbaarheid van
bestuur uitsluitend van toepassing voorzover het gegevens betreft die
afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid van het voorkomen van sabotage.
Voorlichting en onderricht
Artikel 8
1.De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden
ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden
risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze
risico's te voorkomen of te beperken.
Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden
ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de
artikelen 13, 14, 14a en 15, in zijn bedrijf of inrichting is
georganiseerd.
2.De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en aan
hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met
betrekking tot de arbeidsomstandigheden.
3.Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de
werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins
beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de
werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop
zij deze dienen te gebruiken.
4.De werkgever ziet toe op de naleving van de instructies en
voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste
lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke
beschermingsmiddelen.
5.Indien binnen de onderneming werknemers jonger dan 18 jaar werkzaam
zijn, houdt de werkgever bij de uitvoering van de in de voorgaande leden
genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening met de aan de jeugdige
leeftijd inherente beperkte werkervaring en onvoltooide lichamelijke en
geestelijke ontwikkeling van deze werknemers.
Melding en registratie van arbeidsongevallen en beroepsziekten
Artikel 9
1.De werkgever meldt arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een
blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct aan de daartoe aangewezen
toezichthouder en rapporteert hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk
schriftelijk aan deze toezichthouder.
2.De werkgever houdt een lijst bij van de gemelde arbeidsongevallen en
van arbeidsongevallen welke hebben geleid tot een verzuim van meer dan
drie werkdagen en registreert daarop de aard en datum van het ongeval.
3.De persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, die belast is met de
taak, bedoeld in onderdeel b van dat lid, of de arbodienst meldt
beroepsziekten aan een door Onze Minister hiertoe aangewezen instelling.
Voorkomen van gevaar voor derden
Artikel 10
1. Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever
door zijn werknemers doet verrichten in een bedrijf of een inrichting of
in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kan ontstaan voor de
veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers,
neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter voorkoming van dat
gevaar.
2. Het niet naleven van het eerste lid is een overtreding in de zin van
artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
Algemene verplichtingen van de werknemers
Artikel 11
De werknemer is verplicht om in zijn doen en laten op de arbeidsplaats,
overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven
instructies, naar vermogen zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en
gezondheid en die van de andere betrokken personen. Met name is hij
verplicht om:
a. arbeidsmiddelen en gevaarlijke stoffen op de juiste wijze te
gebruiken;
b. de hem ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen op
de juiste wijze te gebruiken en na gebruik op de daartoe bestemde plaats
op te bergen, een en ander voor zover niet krachtens deze wet is bepaald
dat werknemers niet verplicht zijn beschermingsmiddelen als vorenbedoeld
te gebruiken;
c. de op arbeidsmiddelen of anderszins aangebrachte beveiligingen niet
te veranderen of buiten noodzaak weg te halen en deze op de juiste wijze
te gebruiken;
d. mede te werken aan het voor hem georganiseerde onderricht bedoeld in
artikel 8;
e. de door hem opgemerkte gevaren voor de veiligheid of de gezondheid
terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degene die namens
deze ter plaatse met de leiding is belast;
f. de werkgever en de de werknemers en de andere deskundige personen,
bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid, de personen, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, en de arbodienst, indien nodig bij te staan
bij de uitvoering van hun verplichtingen en taken op grond van deze wet.
Hoofdstuk 3. Samenwerking, overleg, bijzondere rechten van de
ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging en de belanghebbende
werknemers en de regeling van de deskundige bijstand
Samenwerking, overleg en bijzondere rechten van de ondernemingsraad, de
personeelsvertegenwoordiging en de belanghebbende werknemers
Artikel 12
1.Bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid werken de
werkgever en de werknemers samen.
2.De werkgever voert overleg met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging over aangelegenheden die het
arbeidsomstandighedenbeleid betreffen alsmede over de uitvoering van dit
beleid, waarbij actief informatie wordt gewisseld.
3.De werkgever voert in ondernemingen waarin in de regel minder dan 10
personen werkzaam zijn, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging, overleg met de belanghebbende werknemers
over de risico-inventarisatie en -evaluatie, de organisatie van de
deskundige bijstand, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid,
de arbodienst en de deskundige bijstand, bedoeld in artikel 15.
4.Aan de leden van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging wordt in verband met hun taak in het kader
van de arbeidsomstandigheden van de werknemers:
a. de mogelijkheid geboden zich met de toezichthouder tijdens zijn
bezoek aan het bedrijf of de inrichting buiten tegenwoordigheid van
anderen te onderhouden;
b. de mogelijkheid geboden de toezichthouder tijdens zijn bezoek aan het
bedrijf of de inrichting te vergezellen, behoudens voor zover deze te
kennen geeft dat daartegen vanwege een goede uitoefening van zijn taak
bezwaren bestaan.
5.Voor het bij of krachtens deze wet bepaalde treedt voor de toepassing
van de afdelingen 3.6 en 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht een
ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging in de plaats van de
belanghebbende werknemers.
6.Bij het ontbreken van de ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging wordt, in afwijking van artikel 3.41 van de
Algemene wet bestuursrecht, van een beschikking zo spoedig mogelijk door
de werkgever mededeling gedaan aan de belanghebbende werknemers. Die
beschikking treedt, in afwijking van artikel 3.40 van de Algemene wet
bestuursrecht, voor hen niet eerder in werking dan nadat de werkgever
aan de mededelingsplicht, als bedoeld in de vorige zin, heeft voldaan.
Bijstand deskundige werknemers op het gebied van preventie en
bescherming
Artikel 13
1.De werkgever laat zich ten aanzien van de naleving van zijn
verplichtingen op grond van deze wet bijstaan door een of meer
deskundige werknemers.
2.Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen het
bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door
een combinatie van deskundige werknemers en andere deskundige personen.
3.Indien er geen mogelijkheden zijn om de bijstand binnen het bedrijf of
de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door andere
deskundige personen.
4.De werknemers en de andere deskundige personen beschikken over een
zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal,
gedurende zoveel tijd beschikbaar en zodanig georganiseerd, dat zij de
bijstand naar behoren kunnen verlenen.
5.De werkgever stelt de werknemers in de gelegenheid de bijstand
zelfstandig en onafhankelijk te verlenen. De werknemers worden uit
hoofde van een juiste taakuitoefening niet benadeeld in hun positie in
het bedrijf of de inrichting. Artikel 21, vierde zin, van de Wet op de
ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing.
6.De deskundige personen verlenen hun bijstand met behoud van hun
zelfstandigheid en van hun onafhankelijkheid ten opzichte van de
werkgever.
7.Het verlenen van bijstand omvat in ieder geval:
a. het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen van een
risico-inventarisatie en -evaluatie als bedoeld in artikel 5;
b. het adviseren aan onderscheidenlijk nauw samenwerken met de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, inzake de genomen en de
te nemen maatregelen, gericht op een zo goed mogelijk
arbeidsomstandighedenbeleid;
c. de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in onderdeel b, dan wel de
medewerking daaraan.
8.Een afschrift van een advies als bedoeld in het zevende lid, onderdeel
b, wordt aan de werkgever gezonden.
9.In de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5,
worden de maatregelen beschreven die nodig zijn om te voldoen aan het
vierde en tiende lid.
10.In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kunnen bij
werkgevers met niet meer dan 25 werknemers de taken in het kader van de
bijstand ook worden verricht door de werkgever zelf, indien deze
natuurlijk persoon is, of door de directeur indien de werkgever
rechtspersoon is, indien deze personen beschikken over voldoende
deskundigheid, ervaring en uitrusting om deze taken naar behoren te
vervullen.
Maatwerkregeling aanvullende deskundige bijstand bij specifieke taken op
het gebied van preventie en bescherming
Artikel 14
1. In aanvulling op artikel 13 laat de werkgever zich bij de volgende
taken bijstaan door een of meer deskundige personen ten behoeve van wie
overeenkomstig artikel 20 een certificaat is afgegeven of die als
bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend specialistenregister als
bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg:
a. het toetsen van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 5, en daarover adviseren;
b. de bijstand bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in
staat zijn hun arbeid te verrichten, met inbegrip van de bijstand bij de
uitvoering van bij of krachtens artikel 25, eerste, tweede, derde,
vierde en zevende lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
dan wel bij of krachtens artikel 71a, eerste, tweede, derde, vierde en
zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gestelde
regels;
c. het uitvoeren van:
1°. het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 18;
2°. de aanstellingskeuring, indien de werkgever deze laat verrichten.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het volgende in acht
genomen:
a. de bijstand bij de taken, bedoeld in het eerste lid, wordt
doeltreffend uitgevoerd;
b. de bijstand bij de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
wordt binnen het bedrijf of de inrichting georganiseerd;
c. voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand bij de
taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, binnen het bedrijf of de
inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door een of meer
andere deskundige personen als bedoeld in het eerste lid, aanhef;
d. de personen die de bijstand verrichten, hebben een zodanige
uitrusting en zijn zodanig in aantal, gedurende zoveel tijd beschikbaar
en zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand bij de taken, bedoeld in
het eerste lid, naar behoren kunnen verlenen.
3. Een afschrift van een advies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, wordt door de degene die dit advies heeft opgesteld gezonden aan de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging. Bij het ontbreken
van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging wordt een
afschrift van dit advies zo spoedig mogelijk door de werkgever gezonden
aan de belanghebbende werknemers.
4. De wijze waarop de bijstandverlening plaatsvindt met betrekking tot
de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt schriftelijk
vastgelegd.
5. Bij de gegevensverwerking noodzakelijk voor de uitvoering van de
taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt
van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
6. Artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voorzover het
betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 457 en 464,
tweede lid, onder b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is niet van
toepassing indien in verband met de uitvoering van deze wet handelingen
worden verricht op het gebied van de geneeskunst door personen die zijn
belast met de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
7. De deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in
artikel 13, en de personen, bedoeld in het eerste lid, werken bij het
verlenen van bijstand aan een werkgever samen.
8. Artikel 13, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
9. De organisatie van de bijstand bij de taken, bedoeld in het eerste
lid, kan, met inachtneming van het tweede lid, plaatsvinden bij:
a. collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan, of
b. regeling waaromtrent de werkgever schriftelijk overeenstemming heeft
bereikt met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
10. Indien zowel een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling als
bedoeld in het negende lid, onderdeel a, als een regeling als bedoeld in
het negende lid, onderdeel b, gelden, zijn de in die overeenkomst en
regelingen gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van
strijd zijn de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst of de
regeling, bedoeld in het negende lid, onderdeel a, van toepassing.
11. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende
bepalingen geldt een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in het
negende lid, onderdeel a, en een regeling als bedoeld in het negende
lid, onderdelen a en b, gedurende 5 jaren, te rekenen vanaf het tijdstip
waarop die collectieve arbeidsovereenkomst of die regeling ingaat. Bij
wijziging van de in de eerste zin bedoelde collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling binnen 5 jaren na inwerkingtreding,
wordt het in de eerste zin bedoelde tijdvak beëindigd op het tijdstip
van inwerkingtreding van de gewijzigde collectieve arbeidsovereenkomst
of regeling.
12. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten
aanzien van de werkgever:
a. die werknemers arbeid laat verrichten voor een tijdsduur van in
totaal ten hoogste 40 uur per week, of
b. met in de regel ten hoogste 25 werknemers, indien gebruik wordt
gemaakt van een model voor het opstellen van een risico-inventarisatie
en -evaluatie.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld voor:
a. de tijdsduur van arbeid die buiten beschouwing wordt gelaten bij de
toepassing van het twaalfde lid, onderdeel a;
b. het model, bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel b.
14. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat de bijstand bij een of meer taken als bedoeld in het eerste lid,
onderdelen b en c, niet verplicht is met inachtneming van bij of
krachtens die algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften.
Vangnetregeling aanvullende deskundige bijstand op het gebied van
preventie en bescherming
Artikel 14a
1.Indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
niet is georganiseerd met toepassing van artikel 14, negende lid, wordt
deze bijstand georganiseerd met inachtneming van dit artikel.
2.De werkgever laat zich met betrekking tot de taken, bedoeld in artikel
14, eerste lid, bijstaan door een arbodienst, ten behoeve waarvan
overeenkomstig artikel 20 een certificaat is afgegeven en die deel
uitmaakt van de organisatie van het bedrijf of de inrichting.
3.Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen het
bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door
een andere arbodienst ten behoeve waarvan, overeenkomstig artikel 20,
een certificaat is afgegeven.
4.De deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in
artikel 13, en de werknemers van een arbodienst, werken bij het verlenen
van bijstand aan een werkgever samen.
5.Artikel 13, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.Artikel 14, derde tot en met zesde lid, twaalfde tot en met veertiende
lid, is van toepassing.
Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening
Artikel 15
1.De werkgever laat zich ten aanzien van de naleving van zijn
verplichtingen op grond van artikel 3, eerste lid, onder e, van deze wet
bijstaan door een of meer werknemers die door hem zijn aangewezen als
bedrijfshulpverleners.
2.Het verlenen van de bijstand houdt in elk geval in:
a. het verlenen van eerste hulp bij ongevallen;
b. het beperken en het bestrijden van brand en het beperken van de
gevolgen van ongevallen;
c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en
andere personen in het bedrijf of de inrichting.
3.De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige opleiding en
uitrusting, zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij de
in het tweede lid genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.
Informatierechten deskundige werknemers en personen,
bedrijfshulpverleners en arbodiensten
Artikel 15a
De werkgever zorgt ervoor dat de deskundige werknemers en de andere
deskundige personen, bedoeld in artikel 13, de personen, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, de bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 15,
en de arbodienst kennis kunnen nemen van:
a. de ongevalsrapportages en de lijst van arbeidsongevallen, bedoeld in
artikel 9;
b. een eis als bedoeld in artikel 27, eerste lid;
c. een bevel als bedoeld in artikel 28, eerste lid;
d. een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 30, tweede lid;
e. een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang of tot
oplegging van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 28a;
f. een rapport als bedoeld in artikel 36, eerste lid;
g. een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste lid.
Hoofdstuk 4. Bijzondere verplichtingen
Nadere regels met betrekking tot arbeidsomstandigheden alsmede
uitzonderingen op en uitbreidingen van toepassingsgebied
Artikel 16
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.
2. De in het eerste lid bedoelde regels
a. hebben betrekking op de arbozorg en de organisatie van de arbeid, de
inrichting van de arbeidsplaatsen, het werken met gevaarlijke stoffen en
biologische agentia, de mate van fysieke belasting waaraan werknemers
blootstaan, de fysische factoren die zich op de arbeidsplaats voordoen,
de bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen en de op de arbeidsplaats te gebruiken veiligheids-
en gezondheidssignalering en
b. kunnen mede strekken ter uitvoering van de artikelen 3, 4, 5, 8, 9,
13, 14, 14a, 15 en 18.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde regels kunnen inhouden:
a. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te
verrichten of te doen verrichten waaraan bijzondere gevaren voor de
veiligheid of de gezondheid zijn verbonden;
b. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te
verrichten of te doen verrichten, indien met betrekking tot die arbeid
niet aan de bij of krachtens die maatregel vastgestelde voorwaarden of
voorschriften is voldaan;
c. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven gevaarlijke
stoffen of voorwerpen voorhanden te hebben, waaraan bijzondere gevaren
voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden;
d. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven gevaarlijke
stoffen of voorwerpen voorhanden te hebben, indien met betrekking tot
die stoffen of voorwerpen niet aan de bij of krachtens die maatregel
vastgestelde voorwaarden of voorschriften is voldaan;
e. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te
verrichten of te doen verrichten indien de werknemers niet
arbeidsgezondheidskundig zijn onderzocht.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk
niet van toepassing zijn op:
a. arbeid verricht in of op een luchtvaartuig, dan wel een zeeschip of
binnenvaartuig, dan wel een voertuig op een openbare weg of een spoor-
of tramweg;
b. arbeid verricht in militaire dienst;
c. arbeid verricht door werknemers en verrichtingen als bedoeld in
artikel 2, onderdeel b, van leerlingen en studenten in
onderwijsinrichtingen;
d. arbeid verricht bij een verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen
van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen als
bedoeld in de Mijnbouwwet;
e. arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone.
5. De in het derde lid, onder e, bedoelde maatregel stelt het verrichten
van arbeid slechts afhankelijk van het resultaat van een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor zover die arbeid bijzondere
gevaren meebrengt voor het leven of de gezondheid van de werknemer zelf
of van andere personen of voor zover dit om andere bijzondere redenen
geboden is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met
betrekking tot dit arbeidsgezondheidskundig onderzoek en de wijze van
registratie, verwerking en bewaring van de uitslag daarvan nadere regels
gesteld. Deze hebben in ieder geval betrekking op de gevallen waarin en
de wijze waarop een verzoek tot herkeuring kan worden gedaan.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot de arbeid of de verrichtingen:
a. bedoeld in het vierde lid;
b. verricht in de burgerlijke openbare dienst;
c. verricht in een gevangenis of huis van bewaring als bedoeld in de
Penitentiaire beginselenwet, een justitiële inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden als bedoeld in de Beginselenwet verpleging
ter beschikking gestelden of een inrichting als bedoeld in de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen,
regels worden gesteld die afwijken van deze wet of de daarop berustende
bepalingen of strekken tot aanvulling daarvan. Met betrekking tot de
arbeid of de verrichtingen, bedoeld in het vierde lid, onder c, kan bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
verplichting tot naleving van daarbij aangewezen voorschriften van deze
wet of de daarop berustende bepalingen, voorzover zij betrekking hebben
op arbeid waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid
zijn verbonden, zich mede richt tot:
a. een zelfstandige;
b. een werkgever die deze arbeid zelf verricht;
c. degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn;
d. een vrijwilliger.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
verplichting tot naleving van daarbij aangegeven voorschriften in de
gevallen bij die maatregel omschreven rust op een ander dan de
werkgever. Aangewezen kunnen worden de eigenaar of beheerder dan wel
degene die anderszins bevoegd is te beslissen over het ontwerp, de
vervaardiging dan wel het onderhoud van arbeidsplaatsen en
arbeidsmiddelen, zoals zonodig nader bij die maatregel is bepaald.
9. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op
andere onderwerpen dan die genoemd in het tweede lid of zich richten tot
andere personen dan de werkgever of de in het zevende en achtste lid
bedoelde personen, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
vastgestelde verplichtingen met betrekking tot de bevordering van de
verbetering van het arbeidsmilieu.
10. De werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het
zevende, achtste of negende lid en de werknemers zijn verplicht tot
naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens
de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24,
negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op
de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.
11. Voor zover het niet naleven van de in het tiende lid bedoelde
voorschriften en verboden is aangewezen als een strafbaar feit, is dat
feit een overtreding in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op
de economische delicten.
Maatwerk door werkgevers en werknemers
Artikel 17
Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van in die
maatregel gegeven voorschriften, worden bepaald dat aan een of meer van
de krachtens deze wet vastgestelde bepalingen op een andere wijze kan
worden voldaan dan in die bepalingen is aangegeven, echter uitsluitend
bij collectieve regeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de
Arbeidstijdenwet, dan wel een regeling waaromtrent de werkgever
schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging. Daarbij wordt te allen tijde in acht
genomen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau van de
in de eerste volzin bedoelde bepalingen.
Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 18
De werkgever stelt de werknemers periodiek in de gelegenheid een
onderzoek te ondergaan, dat erop is gericht de risico's die de arbeid
voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken.
Verschillende werkgevers
Artikel 19
1.Indien in een bedrijf of een inrichting verschillende werkgevers
arbeid doen verrichten, werken zij onderling op doelmatige wijze samen
teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te
verzekeren.
2.Alvorens werkzaamheden behorende tot een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen categorie aanvangen zorgen de werkgevers ervoor dat
schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zal worden samengewerkt, welke
voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die
voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend.
Certificatie
Artikel 20
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
op grond waarvan werkgevers, werknemers, andere personen of instellingen
in het bezit moeten zijn van een of meer certificaten waaruit blijkt dat
zij voldoen aan voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet.
2. Onze Minister dan wel een door Onze Minister op verzoek aangewezen
instelling beslist op aanvraag over de afgifte van het certificaat en is
tevens bevoegd een afgegeven certificaat in te trekken of te schorsen.
3. Een certificaat als bedoeld in het eerste lid en een aanwijzing als
bedoeld in het tweede lid worden gegeven voor een beperkte tijdsduur.
Aan een aanwijzing en een certificaat kunnen voorschriften worden
verbonden. De bedoelde beperking en voorschriften worden in de
aanwijzing en het certificaat vermeld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
onder meer met betrekking tot:
a. de wijze waarop de aanvraag om een certificaat als bedoeld in het
eerste lid en een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt gedaan
en de gegevens die daarbij van de aanvrager worden verlangd;
b. de gronden waarop een aanwijzing kan worden gegeven, gewijzigd,
geschorst of ingetrokken;
c. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een
certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat kan
worden geschorst of ingetrokken;
d. de vergoeding van de kosten die is verschuldigd in verband met de
afgifte van een certificaat of het geven van een aanwijzing.
5. De kosten van onderzoeken of nog steeds wordt voldaan aan de
voorwaarden voor de afgifte van een certificaat onderscheidenlijk het
geven van een aanwijzing, kunnen eveneens ten laste worden gebracht van
de houder van het certificaat onderscheidenlijk de aangewezen
instelling, mits deze onderzoeken en kosten zijn vastgelegd in een
voorschrift als bedoeld in het derde lid.
6. Indien bij de afgifte van een certificaat, het geven van een
aanwijzing of het verrichten van een onderzoek als bedoeld in het vijfde
lid, diensten van derden worden benut, kunnen ook de door die derden
gemaakte kosten ten laste worden gebracht van de houder van het
certificaat onderscheidenlijk de aangewezen instelling dan wel de
aanvrager, bedoeld in het vierde lid, onder a.
7. De berekening van de door derden gemaakte kosten als bedoeld in het
zesde lid, voor zover deze ten laste worden gebracht van de houder van
een certificaat onderscheidenlijk de aangewezen instelling dan wel de
aanvrager, bedoeld in het vierde lid, onder a, geschiedt door die derden
op zorgvuldige, transparante en éénduidige wijze met inachtneming van
de redelijkheid en proportionaliteit.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld betreffende
de wijze van betaling van de vergoeding van de kosten, bedoeld in het
vierde, vijfde en zesde lid.
9. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit
artikel en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren
van de krachtens het tweede lid aangewezen instellingen.
Informatievoorziening
Artikel 21
1.De krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen instellingen
verstrekken desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de krachtens artikel 20,
tweede lid, aangewezen instellingen worden verplicht tot het periodiek
opstellen en toezenden aan Onze Minister van een verslag van de in
artikel 20, tweede lid, genoemde werkzaamheden en de rechtmatigheid en
doeltreffendheid van die werkzaamheden en werkwijze in de afgelopen
periode.
Aanwijzingen
Artikel 22
1.Onze Minister kan de krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen
instellingen aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van
hun taak. Hij treedt daarbij niet in individuele gevallen.
2.De krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen instellingen zijn
gehouden overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te
handelen.
Taakverwaarlozing
Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zoveel nodig in
afwijking van deze wet, voorzieningen worden getroffen voor het geval de
krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen instellingen hun uit deze
wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen.
Hoofdstuk 5. Toezicht en ambtelijke bevelen
Ambtenaren belast met het toezicht
Artikel 24
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen onder
hem ressorterende ambtenaren.
2. Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van
arbeid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet belast of mede belast de door hem aangewezen andere
ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien ambtenaren worden
aangewezen die ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit
tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze Minister en die
andere minister gezamenlijk. Van een besluit als bedoeld in het eerste
lid en in dit lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
3. De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
4. De toezichthouder is voorts bevoegd te allen tijde ter zake van een
arbeidsongeval een onderzoek in te stellen. Hij stelt naar aanleiding
van dat onderzoek een rapport op.
5. De toezichthouder stelt ter voldoening aan artikel 5:18, zesde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht een rapport op; dit rapport en een
rapport als bedoeld in het vierde lid zendt hij aan de werkgever, aan de
ondernemingsraad of aan de personeelsvertegenwoordiging.
6. De toezichthouder is bevoegd bij het verwerken van persoonsgegevens
gebruik te maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, voorzover dat voor de vervulling van
zijn taak redelijkerwijs nodig is.
7. De toezichthouder geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan het verzoek om
een onderzoek in te stellen, gedaan door de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging, dan wel door een vereniging van
werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van
haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken
onderneming of bedrijfstak werkzaam is en in het bezit is van volledige
rechtsbevoegdheid.
8. Ten dienste van het onderzoek naar een overtreding is de
toezichthouder, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is, bevoegd ieder staande te houden en te vorderen
dat hij zijn naam, voornamen, geboortedatum en geboortejaar en adres
opgeeft.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat in de bij of krachtens die maatregel te bepalen gevallen en wijze
degene die arbeid verricht of doet verrichten in de territoriale zee of
de exclusieve economische zone, verplicht is de toezichthouder bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden te vervoeren naar door de
toezichthouder aan te duiden plaatsen waar deze arbeid wordt of zal
worden verricht.
Toezicht op instellingen
Artikel 25
Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van
het bepaalde bij en krachtens deze wet door krachtens artikel 20, tweede
lid, aangewezen instellingen.
Geheimhouding
Artikel 26
De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit
kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de
namen van de personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is
gedaan van een overtreding van deze wet en de daarop berustende
bepalingen, behoudens wanneer deze personen hun schriftelijk hebben
verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bedenkingen te hebben.
Eis tot naleving
Artikel 27
1.Een daartoe aangewezen toezichthouder kan aan een werkgever een eis
stellen betreffende de wijze waarop een of meer bepalingen gesteld bij
of krachtens deze wet moeten worden nageleefd.
2.Een eis vermeldt van welke regelen hij de wijze van naleving bepaalt
en bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan.
3.De werkgever is verplicht om aan de eis te voldoen. De werknemers zijn
verplicht aan de eis te voldoen voor zover zulks bij de eis is bepaald.
De werkgever draagt zorg dat de werknemers van de op hen rustende
verplichting zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld.
4.Voor de toepassing van de vorige leden worden met een werkgever
gelijkgesteld: de in artikel 16, zevende, achtste en negende lid,
bedoelde personen voor zover het betreft de krachtens dat artikel
omschreven verplichtingen.
5.Een eis kan worden gesteld tot naleving van de artikelen 3, 4, 5, 6,
8, 11, 13, eerste tot en met vierde lid, negende en tiende lid, 14,
eerste, tweede en zevende lid, 14a, tweede, derde en vierde lid, 15,
eerste en derde lid, 16, voorzover dat bij de krachtens dat artikel
gestelde regels is bepaald, 18 en 19.
Stillegging van het werk
Artikel 28
1. Een daartoe aangewezen toezichthouder is bevoegd mondeling of bij
gedagtekend schrijven te bevelen, dat personen niet mogen blijven in
door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen werkzaamheden
worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen, indien naar zijn
redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar
opleveren voor personen.
2. Een mondeling bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd
aan de werkgever of aan de andere personen, bedoeld in artikel 16,
zevende, achtste en negende lid.
3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt mede in die
gevallen, waarin op grond van het bepaalde in artikel 27 aan een
gestelde eis nog geen uitvoering behoeft te worden gegeven.
4. Zodra naar het oordeel van de toezichthouder die een bevel als
bedoeld in het eerste lid gaf, geen ernstig gevaar meer aanwezig is,
trekt hij het bevel in.
5. De toezichthouder, die een bevel als bedoeld in het eerste lid
gegeven heeft, is bevoegd met betrekking tot dit bevel de nodige
maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van
de sterke arm in te roepen. De maatregelen en aanwijzingen kunnen onder
meer betrekking hebben op het verzegelen van arbeidsmiddelen en
arbeidsplaatsen.
6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig
een bevel, als bedoeld in het eerste lid en een aanwijzing als bedoeld
in het vijfde lid.
7. Het opzettelijk niet naleven van het zesde lid is een misdrijf in de
zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
Last onder bestuursdwang
Artikel 28a
Een daartoe aangewezen toezichthouder is bevoegd tot oplegging van een
last onder bestuursdwang ter zake van de naleving van artikel 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het de verplichting betreft
tot het verlenen van medewerking aan de toezichthouder, de artikelen 24,
negende lid, en 28, eerste lid, en de daartoe bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen bepalingen krachtens deze wet.
Werkonderbreking
Artikel 29
1.Een werknemer is bevoegd het werk te onderbreken en de onderbreking
voort te zetten, indien en zolang naar zijn redelijk oordeel ernstig
gevaar voor personen als bedoeld in artikel 28 aanwezig is en naar zijn
redelijk oordeel het gevaar zo onmiddellijk dreigt dat een
toezichthouder niet tijdig kan optreden. Voor de duur van de
onderbreking behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte
vastgesteld loon. De werknemer mag als gevolg van de werkonderbreking
niet worden benadeeld in zijn positie in het bedrijf of in de
inrichting.
2.Degene die stelt dat de werknemer de aanwezigheid van onmiddellijk
dreigend gevaar als bedoeld in het eerste lid op grond van de feiten
waarop hij zich beroept, niet naar zijn redelijk oordeel mocht aannemen,
moet dit bewijzen.
3.Indien de onderbreking van het werk geschiedt buiten weten van de
werkgever onderscheidenlijk de bij de arbeid betrokken leidinggevende
persoon, moet de werknemer de onderbreking terstond bij deze melden.
4.De onderbreking van het werk wordt zo spoedig mogelijk ter kennis
gebracht van de daartoe aangewezen toezichthouder, die een bevel geeft
krachtens artikel 28, eerste lid, of verklaart, zo nodig onder het
stellen van een eis als bedoeld in artikel 27, dat de arbeid kan worden
verricht. Door de beschikking van de daartoe aangewezen toezichthouder
eindigt de bevoegdheid van de werknemer de werkonderbreking voort te
zetten.
Artikel 29a. Gegevensuitwisseling
1. Bestuursorganen en een instelling als bedoeld in artikel 20, tweede
lid, zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze
Minister en de toezichthouder kosteloos alle gegevens en inlichtingen te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het toezicht op
de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en dit
noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of
meer van de voornoemde instanties.
2. Onze Minister en de toezichthouder verstrekken andere bestuursorganen
en een instelling als bedoeld in artikel 20, tweede lid, kosteloos alle
gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet,
welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en
dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee
of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen, de toezichthouder en een instelling
als bedoeld in artikel 20, tweede lid, kunnen bij het verwerken van
persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt
niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval
gegevens worden verstrekt.
Hoofdstuk 6. Vrijstellingen, ontheffingen en beroep
Vrijstelling en ontheffing
Artikel 30
1.Onze Minister kan met betrekking tot categorieën van bedrijven,
inrichtingen, of arbeidsverhoudingen vrijstelling verlenen van de
voorschriften zoals die bij of krachtens artikel 5, en de artikelen 12
tot en met 18 zijn vastgesteld.
2.Een daartoe aangewezen toezichthouder kan met betrekking tot een
individueel bedrijf of inrichting ontheffing verlenen van de in het
eerste lid bedoelde voorschriften, tenzij met betrekking tot een
dergelijk voorschrift een eis is gesteld.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
inzake het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in
het eerste onderscheidenlijk tweede lid.
4.Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend.
5.Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden.
6.Een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing kan worden ingetrokken
wanneer:
a. een of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;
b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of
worden nageleefd;
c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat,
indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de
vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
7.De werking van een beschikking inzake een ontheffing wordt opgeschort
totdat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is
verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, op het
bezwaar of beroep is beslist.
Beroep
Artikel 31
1.Tegen een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als
bedoeld in artikel 24, tweede lid, kan door een belanghebbende
administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister.
2.Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in
de artikelen 24, eerste lid, en 34, eerste lid, wordt gegeven namens
Onze Minister.
Hoofdstuk 7. Sancties
Strafbepaling
Artikel 32
1. Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten
in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien
daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of
ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of
te verwachten is.
2. Het niet naleven van het eerste lid is een misdrijf in de zin van
artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
Overtredingen
Artikel 33
1. Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 3,
4, eerste lid, 5, 8, 9, eerste en tweede lid, 11, 13, eerste tot en met
vierde lid, negende en tiende lid, 14, eerste, tweede en zevende lid,
14a, tweede, derde en vierde lid, 15, eerste en derde lid, 18 en 19. Ter
zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, kan een
bestuurlijke boete worden opgelegd van de eerste categorie.
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het niet naleven van artikel
16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid
bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de
overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden
opgelegd van de eerste of tweede categorie.
3. Een overtreding als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
aangemerkt als een strafbaar feit, indien tweemaal binnen een aan de dag
van het constateren van die overtreding voorafgaande periode van 48
maanden, met respectievelijke tussenliggende perioden van ten hoogste 24
maanden, voor een overtreding bestaande uit het niet naleven van
eenzelfde wettelijke bepaling een bestuurlijke boete is opgelegd die
onherroepelijk is geworden.
4. Geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten.
5. Het strafbaar feit, bedoeld in het derde lid, is een overtreding in
de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
Aanduiding pleger beboetbaar feit [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 33a [Vervallen per 01-07-2009]
Hoogte bestuurlijke boete en recidive
Artikel 34
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende
ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de
verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop
berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid
als overtreding.
2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is niet reeds aangewezen als
toezichthouder.
3. De hoogte van de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een
overtreding kan worden opgelegd is gelijk aan de geldsom van de
categorie die voor de overtreding is bepaald. Artikel 5:53 van de
Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld
bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd, niet is nageleefd.
4. Er zijn 2 categorieën:
1°. de eerste categorie: € 9.000;
2°. de tweede categorie: € 22.500.
5. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe de
hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete wordt bepaald.
6. Onverminderd het vierde lid verhoogt de aangewezen ambtenaar, bedoeld
in het eerste lid, de op te leggen bestuurlijke boete met 50%, indien op
de dag van het constateren van de overtreding nog geen 24 maanden zijn
verstreken nadat een eerdere overtreding bestaande uit het niet naleven
van eenzelfde wettelijke verplichting is geconstateerd en de
bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is
geworden.
7. Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het
overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
Informatie, zwijgrecht en cautie [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 35 [Vervallen per 01-07-2009]
Boeterapport
Artikel 36
1. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt het rapport naast de overtreder in ieder geval de
andere bij de overtreding betrokken persoon of personen.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de daartoe op grond van artikel 34,
eerste lid, aangewezen ambtenaar.
3. Een afschrift van het rapport wordt toegezonden of uitgereikt aan de
andere bij de overtreding betrokken persoon of personen, bedoeld in het
eerste lid.
Boetebeschikking
Artikel 37
Een afschrift van de boetebeschikking wordt toegezonden of uitgereikt
aan de andere bij de overtreding betrokken persoon of personen, bedoeld
in artikel 36, eerste lid, en in voorkomend geval, desgevraagd aan zijn
of hun nabestaande of nabestaanden.
Inlichtingenplicht jegens de boeteoplegger
Artikel 38
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht
desgevraagd aan de daartoe op grond van artikel 34, eerste lid,
aangewezen ambtenaar de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
Aanmaning [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2009]
Invordering [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 40
1.Bij gebreke van tijdige betaling vordert de daartoe op grond van
artikel 34, eerste lid, aangewezen ambtenaar van degene aan wie de boete
is opgelegd, de verschuldigde boete, verhoogd met de op de aanmaning en
invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel in.
2.Het dwangbevel wordt op kosten van degene aan wie de boete is opgelegd
bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in
de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
3.Gedurende 6 weken staat verzet tegen het dwangbevel open door
dagvaarding van de Staat.
4.Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de beschikking,
bedoeld in artikel 37, niet is ontvangen of dat de bij die beschikking
opgelegde boete ten onrechte of op een te hoge geldsom is vastgesteld.
5.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding anders beslist.
Vervaltermijn [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2009]
Wijziging boetebedrag
Artikel 42
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke
boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
Terugbetaling
Artikel 43
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze
binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten
onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende terugbetaald.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Kosten
Artikel 44
De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of
krachtens deze wet zijn gesteld, worden niet ten laste van de werknemers
gebracht.
Evaluatie
Artikel 45
Onze Minister zendt binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van de Wet van
30 november 2006 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en
enige andere wetten in verband met het vergroten van de
verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het
arbeidsomstandighedenbeleid (Stb. 2006, 673) aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Citeertitel
Artikel 46
Deze wet wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenwet.
Evaluatie [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2007]
Intrekking [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2007]
Overgang [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2007]
Overgangsrecht wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in verband
met een gewijzigde organisatie van de deskundige bijstand bij het
arbeidsomstandighedenbeleid en de daarmee samenhangende bepalingen
[Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 53 [Vervallen per 01-05-2004]
Artikel 54 [Vervallen per 29-12-2000]
Overgang verzoeken en beroepen [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2007]
Arbeidstijdenwet [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2007]
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2007]
Wet medezeggenschap onderwijs 1992 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2007]
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2007]
Wet op de ondernemingsraden [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2007]
Wet privatisering RBB [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2007]
Organisatiewet sociale verzekeringen [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2007]
Ziektewet [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-2007]
Burgerlijk Wetboek [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2007]
Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2007]
Citeertitel [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2007]
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 maart 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de negenentwintigste april 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|