Nadere regelgeving:
- Arbeidsomstandighedenbesluit
(Arbobesluit)
- Arbeidsomstandighedenregeling
(Arboregeling)
- Asbestverwijderingsbesluit 2005
- Besluit
Ctgb lijst van gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2007'
- Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- Besluit stralingsbescherming
- Productenbesluit asbest
- Regeling
gewasbeschermingsmiddelen en biociden'
- Regeling
natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008'
- Regeling
voorzieningen stralingsbescherming werknemers'
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Vuurwerkbesluit
WET van 18 maart 1999, houdende
bepalingen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden (Arbeidsomstandighedenwet
1998) ¹
1. Redactie: ingevolge artikel
I, onderdeel FF, van de Wet van 30 november
2006, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en enige andere wetten in
verband met het vergroten van de
verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers
voor het arbeidsomstandighedenbeleid (Stb.
2006, 673), is de Arbeidsomstandighedenwet 1998 met ingang van 1 januari
2007 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Arbeidsomstandighedenwet.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
kwaliteit van het arbeidsomstandighedenbeleid te verbeteren, meer ruimte
voor maatwerk te creëren en de bestuurlijke boete in te voeren alsmede
enige andere wijzigingen aan te brengen en daartoe een nieuwe
Arbeidsomstandighedenwet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
Definities
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden
is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan
een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten
van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld
voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder:
a. werkgever:
1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van
het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet
verrichten;
2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van
het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid
in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen gevallen;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van
degene die als vrijwilliger arbeid verricht.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. ondernemingsraad: de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op
de ondernemingsraden;
c. personeelsvertegenwoordiging: de
personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden;
d. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in de Algemene
wet bestuursrecht, en als zodanig aangewezen op grond van artikel
24;
e. psychosociale arbeidsbelasting: de factoren direct of
indirect onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie,
agressie en geweld, pesten en werkdruk, in de arbeidssituatie die
stress teweeg brengen;
f. stress: een toestand die als negatief ervaren lichamelijke,
psychische of sociale gevolgen heeft;
g. arbeidsplaats: iedere plaats die in verband met het
verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt;
h. arbeidsmiddelen: alle op de arbeidsplaats gebruikte
machines, installaties, apparaten en gereedschappen;
i. arbeidsongeval: een aan een werknemer in verband met het
verrichten van arbeid overkomen ongewilde, plotselinge
gebeurtenis, die schade aan de gezondheid tot vrijwel onmiddellijk
gevolg heeft gehad en heeft geleid tot ziekteverzuim, of de dood
tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad;
j. arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a, tweede en
derde lid;
k. zelfstandige: degene die zonder werkgever of werknemer te
zijn in de zin van het eerste of tweede lid arbeid verricht;
l. vrijwilliger: de persoon, die niet bij wijze van beroep
arbeid verricht voor een privaatrechtelijk of publiekrechtelijk
lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan
wel voor een sportorganisatie en die geen werknemer is in de zin
van artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964, met
uitzondering van de persoon die arbeid verricht:
1°. ter voorbereiding op beroepsmatige arbeid;
2°. in het kader van een taakstraf dan wel in het kader
van het voldoen aan voorwaarden ter voorkoming van
strafvervolging als bedoeld in artikel 74, tweede lid,
onderdeel f, of artikel 77f, eerste lid, onderdeel b, van het
Wetboek van Strafrecht dan wel in het kader van deelneming aan
een project als bedoeld in artikel 77e van het Wetboek van
Strafrecht;
3°. als bedoeld in artikel 16, zesde lid, onderdeel c.
4. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen de
woorden«bedrijf» en «inrichting» worden gebruikt om een plaats aan
te duiden, omvatten deze mede een andere plaats waar arbeid wordt
verricht of pleegt te worden verricht.
Uitbreiding Toepassingsgebied
Artikel 2
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op:
a. arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone;
b. verrichtingen van leerlingen en studenten in
onderwijsinrichtingen of gedeelten daarvan, open ruimten daaronder
begrepen, die vergelijkbaar zijn met arbeid in de beroepspraktijk;
c. arbeid die geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht
door personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van
Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te
voeren;
d. arbeid die voor een in Nederland gevestigde werkgever geheel
of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam
aan boord van luchtvaartuigen.
Hoofdstuk 2. Arbeidsomstandighedenbeleid
Arbobeleid
Artikel 3
1.De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de
werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en voert
daartoe een beleid dat is gericht op zo goed mogelijke
arbeidsomstandigheden, waarbij hij, gelet op de stand van de
wetenschap en professionele dienstverlening, het volgende in acht
neemt:
a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd
organiseert de werkgever de arbeid zodanig dat daarvan geen
nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de
werknemer;
b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd worden de
gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de
werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan
voorkomen of beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren en
risico's niet bij de bron kunnen worden voorkomen of beperkt,
worden daartoe andere doeltreffende maatregelen getroffen waarbij
maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben
boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts
indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen
worden getroffen die zijn gericht op individuele bescherming,
worden doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen
aan de werknemer ter beschikking gesteld;
c. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de
bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud
worden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd aan de
persoonlijke eigenschappen van werknemers aangepast;
d. monotone en tempogebonden arbeid wordt, zoveel als
redelijkerwijs kan worden gevergd, vermeden dan wel, indien dat
niet mogelijk is, beperkt;
e. doeltreffende maatregelen worden getroffen op het gebied van
de eerste hulp bij ongevallen, de brandbestrijding en de evacuatie
van werknemers en andere aanwezige personen, en doeltreffende
verbindingen worden onderhouden met de desbetreffende externe
hulpverleningsorganisaties;
f. elke werknemer moet bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor
zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met
zijn technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen
kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen,
waarbij artikel 29, eerste lid, derde zin, van overeenkomstige
toepassing is.
2.De werkgever voert, binnen het algemeen
arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en
indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale
arbeidsbelasting.
3.Ter uitvoering van het eerste lid draagt de werkgever zorg voor
een goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen
de bij de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met
de bekwaamheden van de werknemers.
4.De werkgever toetst het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig
aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan en past de maatregelen aan
zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.
Aspecten van arbobeleid
Artikel 4. Aanpassing arbeidsplaats werknemer met structurele
functionele beperking
1. In aanvulling op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, past
de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°
uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in artikel 7:658a
van het Burgerlijk Wetboek en artikel 76e van de Ziektewet,
a. de inrichting van de arbeidsplaats, de werkmethoden en de
bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen, alsmede de arbeidsinhoud
aan zijn werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge
van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten aan, en
b. de inrichting van het bedrijf aan die werknemer aan,
voorzover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming
van die werknemer aan de werkzaamheden of het daarmee
samenhangende verblijf in het bedrijf.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van
de Ziektewet en de persoon, bedoeld in artikel 29, tweede lid,
onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot de
eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond, gedurende de periode dat
de eigenrisicodrager aan die persoon ziekengeld moet betalen.
Inventarisatie en evaluatie van risico's
Artikel 5
1. Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de
werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke
risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze
risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van
de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor
bijzondere categorieën van werknemers.
2. In de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aandacht besteed
aan de toegang van werknemers tot een deskundige werknemer of persoon,
bedoeld in de artikelen 13 en 14, of de arbodienst.
3. Een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen
zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico's en de
samenhang daartussen, een en ander overeenkomstig artikel 3, maakt
deel uit van de risico-inventarisatie en -evaluatie. In het plan van
aanpak wordt tevens aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen
zullen worden genomen.
4. De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo
dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of
werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele
dienstverlening daartoe aanleiding geven.
5. Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer
die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de
aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter
beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en
-evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de
risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat
diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer.
6. De werkgever zorgt ervoor dat iedere werknemer kennis kan nemen
van de risico-inventarisatie en -evaluatie.
Voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke
stoffen zijn betrokken
Artikel 6
1. De werkgever neemt bij het voeren van het
arbeidsomstandighedenbeleid de maatregelen die nodig zijn ter
voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke
stoffen zijn betrokken en de gevolgen daarvan voor de veiligheid en de
gezondheid van de in het bedrijf, de inrichting, of een deel daarvan
werkzame werknemers. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de categorieën van bedrijven, inrichtingen of delen daarvan
ten aanzien waarvan de werkgever die maatregelen neemt;
b. de gegevens die de werkgever met betrekking tot de
bedrijven, inrichtingen of delen daarvan, bedoeld onder a, op
schrift stelt of verstrekt aan de toezichthouder of aan de
werknemers en de andere deskundige personen, bedoeld in artikel
13, eerste tot en met derde lid, de personen, bedoeld in artikel
14, eerste lid en de arbodienst;
c. de maatregelen die de werkgever neemt ten aanzien van de
bedrijven, inrichtingen of delen daarvan, bedoeld onder a;
d. het tijdstip waarop en de frequentie waarmee wordt voldaan
aan de verplichtingen, bedoeld onder b en c;
e. een verbod op de exploitatie van het bedrijf, de inrichting
of een deel daarvan, indien niet of niet voldoende is voldaan aan
een of meer verplichtingen krachtens dit artikel;
f. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit
artikel bepaalde.
2. Onze Minister kan een bedrijf of een inrichting of een deel
daarvan afzonderlijk aanwijzen ten aanzien waarvan op de werkgever een
of meer van de verplichtingen bedoeld in of krachtens het eerste lid
rusten indien zich in verband met de aanwezigheid van gevaarlijke
stoffen bijzondere gevaren kunnen voordoen voor de veiligheid en de
gezondheid van de daarin werkzame werknemers. Bij de aanwijzing wordt
bepaald op welk tijdstip aan de betreffende verplichtingen moet zijn
voldaan. De werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de
termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is
verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, op
het bezwaar of beroep is beslist.
3. Het niet naleven van de eerste zin van het eerste lid is een
overtreding in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de
economische delicten. Voor zover het niet naleven van de bij of
krachtens het eerste lid gestelde regels is aangewezen als een
strafbaar feit, is dat feit eveneens een overtreding.
Informatie aan het publiek
Artikel 7
1.De toezichthouder stelt krachtens artikel 6, eerste lid, onder b,
verschafte en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens
uit eigen beweging ter beschikking van het publiek. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen terzake regels worden gesteld.
2.Onverminderd artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van
bestuur en in afwijking van artikel 10, tweede lid, van die wet blijft
het verstrekken van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege
voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. het belang, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van
de Wet openbaarheid van bestuur;
b. het belang, bedoeld in artikel 10, zevende lid, onder b, van
de Wet openbaarheid van bestuur, voorzover het betreft het
voorkomen van sabotage.
3.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet
openbaarheid van bestuur is niet van toepassing op het op verzoek
verstrekken van gegevens die door de daartoe aangewezen ambtenaar
bedoeld in artikel 24 zijn verkregen in verband met de toepassing van
het bepaalde bij of krachtens artikel 6 ter uitvoering van richtlijn
nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996
betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij
gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 10).
4.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet
openbaarheid van bestuur is op het op verzoek verstrekken van
informatie over gegevens als bedoeld in het derde lid uitsluitend van
toepassing, voorzover die gegevens een vertrouwelijk karakter hebben.
5.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet
openbaarheid van bestuur is op het op verzoek verstrekken van gegevens
als bedoeld in het derde lid uitsluitend van toepassing voor zover het
gegevens betreft die afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid van het
voorkomen van sabotage.
6.In afwijking van het vijfde lid is, voorzover het gaat om
milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a van de Wet
milieubeheer, artikel 10, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wet
openbaarheid van bestuur uitsluitend van toepassing voorzover het
gegevens betreft die afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid van het
voorkomen van sabotage.
Voorlichting en onderricht
Artikel 8
1.De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden
ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden
risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze
risico's te voorkomen of te beperken.
Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend
worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld
in de artikelen 13, 14, 14a en15, in zijn bedrijf of inrichting is
georganiseerd.
2.De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en
aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met
betrekking tot de arbeidsomstandigheden.
3.Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de
werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins
beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de
werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze
waarop zij deze dienen te gebruiken.
4.De werkgever ziet toe op de naleving van de instructies en
voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het
eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van
persoonlijke beschermingsmiddelen.
5.Indien binnen de onderneming werknemers jonger dan 18 jaar
werkzaam zijn, houdt de werkgever bij de uitvoering van de in de
voorgaande leden genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening met
de aan de jeugdige leeftijd inherente beperkte werkervaring en
onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van deze
werknemers.
Melding en registratie van arbeidsongevallen en beroepsziekten
Artikel 9
1. De werkgever meldt arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een
blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct aan de daartoe
aangewezen toezichthouder en rapporteert hierover desgevraagd zo
spoedig mogelijk aan deze toezichthouder.
2. De werkgever houdt een lijst bij van de gemelde
arbeidsongevallen en van arbeidsongevallen welke hebben geleid tot een
verzuim van meer dan drie werkdagen en registreert daarop de aard en
datum van het ongeval.
3. De persoon, bedoeld inartikel 14, eerste lid, die belast is met
de taak, bedoeld in onderdeel b van dat lid, of de arbodienst meldt
beroepsziekten aan een door Onze Minister hiertoe aangewezen
instelling.
Voorkomen van gevaar voor derden
Artikel 10
1. Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de
werkgever door zijn werknemers doet verrichten in een bedrijf of een
inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kan ontstaan
voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die
werknemers, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter
voorkoming van dat gevaar.
2. Het niet naleven van het eerste lid is een overtreding in de zin
van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
Algemene verplichtingen van de werknemers
Artikel 11
De werknemer is verplicht om in zijn doen en laten op de
arbeidsplaats, overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever
gegeven instructies, naar vermogen zorg te dragen voor zijn eigen
veiligheid en gezondheid en die van de andere betrokken personen. Met
name is hij verplicht om:
a. arbeidsmiddelen en gevaarlijke stoffen op de juiste wijze te
gebruiken;
b. de hem ter beschikking gestelde persoonlijke
beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken en na gebruik
op de daartoe bestemde plaats op te bergen, een en ander voor zover
niet krachtens deze wet is bepaald dat werknemers niet verplicht
zijn beschermingsmiddelen als vorenbedoeld te gebruiken;
c. de op arbeidsmiddelen of anderszins aangebrachte beveiligingen
niet te veranderen of buiten noodzaak weg te halen en deze op de
juiste wijze te gebruiken;
d. mede te werken aan het voor hem georganiseerde onderricht
bedoeld in artikel 8;
e. de door hem opgemerkte gevaren voor de veiligheid of de
gezondheid terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degene
die namens deze ter plaatse met de leiding is belast;
f. de werkgever en de de werknemers en de andere deskundige
personen, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid, de
personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en de arbodienst,
indien nodig bij te staan bij de uitvoering van hun verplichtingen
en taken op grond van deze wet.
Hoofdstuk 3. Samenwerking, overleg, bijzondere rechten van de
ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging en de belanghebbende
werknemers en de regeling van de deskundige bijstand
Samenwerking, overleg en bijzondere rechten van de ondernemingsraad,
de personeelsvertegenwoordiging en de belanghebbende werknemers
Artikel 12
1.Bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid werken de
werkgever en de werknemers samen.
2.De werkgever voert overleg met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging over aangelegenheden die het
arbeidsomstandighedenbeleid betreffen alsmede over de uitvoering van
dit beleid, waarbij actief informatie wordt gewisseld.
3.De werkgever voert in ondernemingen waarin in de regel minder dan
10 personen werkzaam zijn, bij het ontbreken van een ondernemingsraad
of personeelsvertegenwoordiging, overleg met de belanghebbende
werknemers over de risico-inventarisatie en -evaluatie, de organisatie
van de deskundige bijstand, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met
derde lid, de arbodienst en de deskundige bijstand, bedoeld in artikel
15.
4.Aan de leden van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging wordt in verband met hun taak in het
kader van de arbeidsomstandigheden van de werknemers:
a. de mogelijkheid geboden zich met de toezichthouder tijdens
zijn bezoek aan het bedrijf of de inrichting buiten
tegenwoordigheid van anderen te onderhouden;
b. de mogelijkheid geboden de toezichthouder tijdens zijn
bezoek aan het bedrijf of de inrichting te vergezellen, behoudens
voor zover deze te kennen geeft dat daartegen vanwege een goede
uitoefening van zijn taak bezwaren bestaan.
5.Voor het bij of krachtens deze wet bepaalde treedt voor de
toepassing van de afdelingen 3.6 en 4.1.2. van de Algemene wet
bestuursrecht een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging in
de plaats van de belanghebbende werknemers.
6.Bij het ontbreken van de ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging wordt, in afwijking van artikel 3.41 van
de Algemene wet bestuursrecht, van een beschikking zo spoedig mogelijk
door de werkgever mededeling gedaan aan de belanghebbende werknemers.
Die beschikking treedt, in afwijking van artikel 3.40 van de Algemene
wet bestuursrecht, voor hen niet eerder in werking dan nadat de
werkgever aan de mededelingsplicht, als bedoeld in de vorige zin,
heeft voldaan.
Bijstand deskundige werknemers op het gebied van preventie en
bescherming
Artikel 13
1.De werkgever laat zich ten aanzien van de naleving van zijn
verplichtingen op grond van deze wet bijstaan door een of meer
deskundige werknemers.
2.Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen
het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand
verleend door een combinatie van deskundige werknemers en andere
deskundige personen.
3.Indien er geen mogelijkheden zijn om de bijstand binnen het
bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend
door andere deskundige personen.
4.De werknemers en de andere deskundige personen beschikken over
een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in
aantal, gedurende zoveel tijd beschikbaar en zodanig georganiseerd,
dat zij de bijstand naar behoren kunnen verlenen.
5.De werkgever stelt de werknemers in de gelegenheid de bijstand
zelfstandig en onafhankelijk te verlenen. De werknemers worden uit
hoofde van een juiste taakuitoefening niet benadeeld in hun positie in
het bedrijf of de inrichting. Artikel 21, vierde zin, van de Wet op de
ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing.
6.De deskundige personen verlenen hun bijstand met behoud van hun
zelfstandigheid en van hun onafhankelijkheid ten opzichte van de
werkgever.
7.Het verlenen van bijstand omvat in ieder geval:
a. het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen
van een risico-inventarisatie en -evaluatie als bedoeld inartikel
5;
b. het adviseren aan onderscheidenlijk nauw samenwerken met de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, inzake de genomen
en de te nemen maatregelen, gericht op een zo goed mogelijk
arbeidsomstandighedenbeleid;
c. de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in onderdeel b,
dan wel de medewerking daaraan.
8.Een afschrift van een advies als bedoeld in het zevende lid,
onderdeel b, wordt aan de werkgever gezonden.
9.In de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5,
worden de maatregelen beschreven die nodig zijn om te voldoen aan het
vierde en tiende lid.
10.In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kunnen bij
werkgevers met niet meer dan 25 werknemers de taken in het kader van
de bijstand ook worden verricht door de werkgever zelf, indien deze
natuurlijk persoon is, of door de directeur indien de werkgever
rechtspersoon is, indien deze personen beschikken over voldoende
deskundigheid, ervaring en uitrusting om deze taken naar behoren te
vervullen.
Maatwerkregeling aanvullende deskundige bijstand bij specifieke taken
op het gebied van preventie en bescherming
Artikel 14
1. In aanvulling op artikel 13 laat de werkgever zich bij de
volgende taken bijstaan door een of meer deskundige personen ten
behoeve van wie overeenkomstig artikel 20 een certificaat is afgegeven
of die als bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend
specialistenregister als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg:
a. het toetsen van de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld in artikel 5, en daarover adviseren;
b. de bijstand bij de begeleiding van werknemers die door
ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten, met inbegrip
van de bijstand bij de uitvoering van bij of krachtens artikel 25,
eerste, tweede, derde, vierde en zevende lid van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel bij of krachtens artikel
71a, eerste, tweede, derde, vierde en zevende lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering gestelde regels;
c. het uitvoeren van:
1°. het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in
artikel 18;
2°. de aanstellingskeuring, indien de werkgever deze laat
verrichten.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het volgende in acht
genomen:
a. de bijstand bij de taken, bedoeld in het eerste lid, wordt
doeltreffend uitgevoerd;
b. de bijstand bij de taak, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, wordt binnen het bedrijf of de inrichting
georganiseerd;
c. voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand
bij de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, binnen het
bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand
verleend door een of meer andere deskundige personen als bedoeld
in het eerste lid, aanhef;
d. de personen die de bijstand verrichten, hebben een zodanige
uitrusting en zijn zodanig in aantal, gedurende zoveel tijd
beschikbaar en zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand bij de
taken, bedoeld in het eerste lid, naar behoren kunnen verlenen.
3. Een afschrift van een advies als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, wordt door de degene die dit advies heeft opgesteld
gezonden aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging wordt een afschrift van dit advies zo
spoedig mogelijk door de werkgever gezonden aan de belanghebbende
werknemers.
4. De wijze waarop de bijstandverlening plaatsvindt met betrekking
tot de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt
schriftelijk vastgelegd.
5. Bij de gegevensverwerking noodzakelijk voor de uitvoering van de
taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan gebruik worden
gemaakt van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
6. Artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voorzover het
betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 457 en 464,
tweede lid, onder b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is niet
van toepassing indien in verband met de uitvoering van deze wet
handelingen worden verricht op het gebied van de geneeskunst door
personen die zijn belast met de taken, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b.
7. De deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld
in artikel 13, en de personen, bedoeld in het eerste lid, werken bij
het verlenen van bijstand aan een werkgever samen.
8. Artikel 13, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
9. De organisatie van de bijstand bij de taken, bedoeld in het
eerste lid, kan, met inachtneming van het tweede lid, plaatsvinden
bij:
a. collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, of
b. regeling waaromtrent de werkgever schriftelijk
overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging.
10. Indien zowel een collectieve arbeidsovereenkomst of een
regeling als bedoeld in het negende lid, onderdeel a, als een regeling
als bedoeld in het negende lid, onderdeel b, gelden, zijn de in die
overeenkomst en regelingen gegeven bepalingen naast elkaar van
toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van de collectieve
arbeidsovereenkomst of de regeling, bedoeld in het negende lid,
onderdeel a, van toepassing.
11. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende
bepalingen geldt een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in
het negende lid, onderdeel a, en een regeling als bedoeld in het
negende lid, onderdelen a en b, gedurende 5 jaren, te rekenen vanaf
het tijdstip waarop die collectieve arbeidsovereenkomst of die
regeling ingaat. Bij wijziging van de in de eerste zin bedoelde
collectieve arbeidsovereenkomst of regeling binnen 5 jaren na
inwerkingtreding, wordt het in de eerste zin bedoelde tijdvak
beëindigd op het tijdstip van inwerkingtreding van de gewijzigde
collectieve arbeidsovereenkomst of regeling.
12. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing
ten aanzien van de werkgever:
a. die werknemers arbeid laat verrichten voor een tijdsduur van
in totaal ten hoogste 40 uur per week, of
b. met in de regel ten hoogste 25 werknemers, indien voor het
opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie gebruik
wordt gemaakt van:
1°. een model dat is opgenomen in een collectieve
arbeidsovereenkomst of in een regeling door een daartoe
bevoegd bestuursorgaan en een onverplicht karakter heeft, of
2°. een instrument dat is aangemeld bij Onze Minister dan
wel bij een door Onze Minister aangewezen instelling.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld voor:
a. de tijdsduur van arbeid die buiten beschouwing wordt gelaten
bij de toepassing van het twaalfde lid, onderdeel a;
b. het model en het instrument, bedoeld in het twaalfde lid,
onderdeel b.
14. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat de bijstand bij een of meer taken als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen b en c, niet verplicht is met inachtneming van
bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften.
Vangnetregeling aanvullende deskundige bijstand op het gebied van
preventie en bescherming
Artikel 14a
1.Indien de bijstand bij de taken, bedoeld inartikel 14, eerste
lid, niet is georganiseerd met toepassing vanartikel 14, negende lid,
wordt deze bijstand georganiseerd met inachtneming van dit artikel.
2.De werkgever laat zich met betrekking tot de taken, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, bijstaan door een arbodienst, ten behoeve
waarvan overeenkomstig artikel 20 een certificaat is afgegeven en die
deel uitmaakt van de organisatie van het bedrijf of de inrichting.
3.Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen
het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand
verleend door een andere arbodienst ten behoeve waarvan,
overeenkomstig artikel 20, een certificaat is afgegeven.
4.De deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld
in artikel 13, en de werknemers van een arbodienst, werken bij het
verlenen van bijstand aan een werkgever samen.
5.Artikel 13, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
6.Artikel 14, derde tot en met zesde lid, twaalfde tot en met
veertiende lid, is van toepassing.
Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening
Artikel 15
1.De werkgever laat zich ten aanzien van de naleving van zijn
verplichtingen op grond van artikel 3, eerste lid, onder e, van deze
wet bijstaan door een of meer werknemers die door hem zijn aangewezen
als bedrijfshulpverleners.
2.Het verlenen van de bijstand houdt in elk geval in:
a. het verlenen van eerste hulp bij ongevallen;
b. het beperken en het bestrijden van brand en het beperken van
de gevolgen van ongevallen;
c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle
werknemers en andere personen in het bedrijf of de inrichting.
3.De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige opleiding
en uitrusting, zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij
de in het tweede lid genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.
Informatierechten deskundige werknemers en personen,
bedrijfshulpverleners en arbodiensten
Artikel 15a
De werkgever zorgt ervoor dat de deskundige werknemers en de andere
deskundige personen, bedoeld in artikel 13, de personen, bedoeld
inartikel 14, eerste lid, de bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel
15, en de arbodienst kennis kunnen nemen van:
a. de ongevalsrapportages en de lijst van arbeidsongevallen,
bedoeld in artikel 9;
b. een eis als bedoeld in artikel 27, eerste lid;
c. een bevel als bedoeld inartikel 28, eerste lid;
d. een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 30, tweede
lid;
e. een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang
of tot oplegging van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel
28a;
f. een rapport als bedoeld in artikel 36, eerste lid;
g. een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste lid.
Hoofdstuk 4. Bijzondere verplichtingen
Nadere regels met betrekking tot arbeidsomstandigheden alsmede
uitzonderingen op en uitbreidingen van toepassingsgebied
Artikel 16
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.
2. De in het eerste lid bedoelde regels
a. hebben betrekking op de arbozorg en de organisatie van de
arbeid, de inrichting van de arbeidsplaatsen, het werken met
gevaarlijke stoffen en biologische agentia, de mate van fysieke
belasting waaraan werknemers blootstaan, de fysische factoren die
zich op de arbeidsplaats voordoen, de bij de arbeid gebruikte
arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen en de op de
arbeidsplaats te gebruiken veiligheids- en gezondheidssignalering
en
b. kunnen mede strekken ter uitvoering van de artikelen 3, 4,
5, 8, 9, 13, 14, 14a, 15 en18.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde regels kunnen inhouden:
a. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid
te verrichten of te doen verrichten waaraan bijzondere gevaren
voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden;
b. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid
te verrichten of te doen verrichten, indien met betrekking tot die
arbeid niet aan de bij of krachtens die maatregel vastgestelde
voorwaarden of voorschriften is voldaan;
c. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven
gevaarlijke stoffen of voorwerpen voorhanden te hebben, waaraan
bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn
verbonden;
d. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven
gevaarlijke stoffen of voorwerpen voorhanden te hebben, indien met
betrekking tot die stoffen of voorwerpen niet aan de bij of
krachtens die maatregel vastgestelde voorwaarden of voorschriften
is voldaan;
e. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid
te verrichten of te doen verrichten indien de werknemers niet
arbeidsgezondheidskundig zijn onderzocht.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing zijn op:
a. arbeid verricht in of op een luchtvaartuig, dan wel een
zeeschip of binnenvaartuig, dan wel een voertuig op een openbare
weg of een spoor- of tramweg;
b. arbeid verricht in militaire dienst;
c. arbeid verricht door werknemers en verrichtingen als bedoeld
in artikel 2, onderdeel b, van leerlingen en studenten in
onderwijsinrichtingen;
d. arbeid verricht bij een verkenningsonderzoek, het opsporen
of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van
stoffen als bedoeld in de Mijnbouwwet;
e. arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone.
5. De in het derde lid, onder e, bedoelde maatregel stelt het
verrichten van arbeid slechts afhankelijk van het resultaat van een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor zover die arbeid bijzondere
gevaren meebrengt voor het leven of de gezondheid van de werknemer
zelf of van andere personen of voor zover dit om andere bijzondere
redenen geboden is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden met betrekking tot dit arbeidsgezondheidskundig onderzoek en de
wijze van registratie, verwerking en bewaring van de uitslag daarvan
nadere regels gesteld. Deze hebben in ieder geval betrekking op de
gevallen waarin en de wijze waarop een verzoek tot herkeuring kan
worden gedaan.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot de arbeid of de verrichtingen:
a. bedoeld in het vierde lid;
b. verricht in de burgerlijke openbare dienst;
c. verricht in een gevangenis of huis van bewaring als bedoeld
in de Penitentiaire beginselenwet, een justitiële inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of een
inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen,
regels worden gesteld die afwijken van deze wet of de daarop
berustende bepalingen of strekken tot aanvulling daarvan. Met
betrekking tot de arbeid of de verrichtingen, bedoeld in het vierde
lid, onder c, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden bepaald dat afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing is.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
verplichting tot naleving van daarbij aangewezen voorschriften van
deze wet of de daarop berustende bepalingen, voorzover zij betrekking
hebben op arbeid waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de
gezondheid zijn verbonden, zich mede richt tot:
a. een zelfstandige;
b. een werkgever die deze arbeid zelf verricht;
c. degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn;
d. een vrijwilliger.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
verplichting tot naleving van daarbij aangegeven voorschriften in de
gevallen bij die maatregel omschreven rust op een ander dan de
werkgever. Aangewezen kunnen worden de eigenaar of beheerder dan wel
degene die anderszins bevoegd is te beslissen over het ontwerp, de
vervaardiging dan wel het onderhoud van arbeidsplaatsen en
arbeidsmiddelen, zoals zonodig nader bij die maatregel is bepaald.
9. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op
andere onderwerpen dan die genoemd in het tweede lid of zich richten
tot andere personen dan de werkgever of de in het zevende en achtste
lid bedoelde personen, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
vastgestelde verplichtingen met betrekking tot de bevordering van de
verbetering van het arbeidsmilieu.
10. De werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het
zevende, achtste of negende lid en de werknemers zijn verplicht tot
naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens
de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, enartikel 24,
negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en
op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.
11. Voor zover het niet naleven van de in het tiende lid bedoelde
voorschriften en verboden is aangewezen als een strafbaar feit, is dat
feit een overtreding in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op
de economische delicten.
Maatwerk door werkgevers en werknemers
Artikel 17
Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van in die
maatregel gegeven voorschriften, worden bepaald dat aan een of meer van
de krachtens deze wet vastgestelde bepalingen op een andere wijze kan
worden voldaan dan in die bepalingen is aangegeven, echter uitsluitend
bij collectieve regeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de
Arbeidstijdenwet, dan wel een regeling waaromtrent de werkgever
schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging. Daarbij wordt te allen tijde in acht
genomen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau van de
in de eerste volzin bedoelde bepalingen.
Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 18
De werkgever stelt de werknemers periodiek in de gelegenheid een
onderzoek te ondergaan, dat erop is gericht de risico's die de arbeid
voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken.
Verschillende werkgevers
Artikel 19
1.Indien in een bedrijf of een inrichting verschillende werkgevers
arbeid doen verrichten, werken zij onderling op doelmatige wijze samen
teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te
verzekeren.
2.Alvorens werkzaamheden behorende tot een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorie aanvangen zorgen de werkgevers ervoor
dat schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zal worden samengewerkt,
welke voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze
op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend.
Certificatie
Artikel 20
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld op grond waarvan werkgevers, werknemers, andere personen of
instellingen in het bezit moeten zijn van een of meer certificaten
waaruit blijkt dat zij voldoen aan voorschriften, gesteld bij of
krachtens deze wet.
2. Onze Minister dan wel een door Onze Minister op verzoek
aangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte van het
certificaat en is tevens bevoegd een afgegeven certificaat in te
trekken of te schorsen. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is
niet van toepassing op aangewezen instellingen als bedoeld in de
eerste zin.
3. Een certificaat als bedoeld in het eerste lid en een aanwijzing
als bedoeld in het tweede lid worden gegeven voor een beperkte
tijdsduur. Aan een aanwijzing en een certificaat kunnen voorschriften
worden verbonden. De bedoelde beperking en voorschriften worden in de
aanwijzing en het certificaat vermeld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld onder meer met betrekking tot:
a. de wijze waarop de aanvraag om een certificaat als bedoeld
in het eerste lid en een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid
wordt gedaan en de gegevens die daarbij van de aanvrager worden
verlangd;
b. de gronden waarop een aanwijzing kan worden gegeven,
gewijzigd, geschorst of ingetrokken;
c. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een
certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat
kan worden geschorst of ingetrokken;
d. de vergoeding van de kosten die is verschuldigd in verband
met de afgifte van een certificaat of het geven van een
aanwijzing.
5. De kosten van onderzoeken of nog steeds wordt voldaan aan de
voorwaarden voor de afgifte van een certificaat onderscheidenlijk het
geven van een aanwijzing, kunnen eveneens ten laste worden gebracht
van de houder van het certificaat onderscheidenlijk de aangewezen
instelling, mits deze onderzoeken en kosten zijn vastgelegd in een
voorschrift als bedoeld in het derde lid.
6. Indien bij de afgifte van een certificaat, het geven van een
aanwijzing of het verrichten van een onderzoek als bedoeld in het
vijfde lid, diensten van derden worden benut, kunnen ook de door die
derden gemaakte kosten ten laste worden gebracht van de houder van het
certificaat onderscheidenlijk de aangewezen instelling dan wel de
aanvrager, bedoeld in het vierde lid, onder a.
7. De berekening van de door derden gemaakte kosten als bedoeld in
het zesde lid, voor zover deze ten laste worden gebracht van de houder
van een certificaat onderscheidenlijk de aangewezen instelling dan wel
de aanvrager, bedoeld in het vierde lid, onder a, geschiedt door die
derden op zorgvuldige, transparante en éénduidige wijze met
inachtneming van de redelijkheid en proportionaliteit.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
betreffende de wijze van betaling van de vergoeding van de kosten,
bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid.
Informatievoorziening
Artikel 21
1.De krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen instellingen
verstrekken desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de krachtens artikel
20, tweede lid, aangewezen instellingen worden verplicht tot het
periodiek opstellen en toezenden aan Onze Minister van een verslag van
de in artikel 20, tweede lid, genoemde werkzaamheden en de
rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden en werkwijze
in de afgelopen periode.
Aanwijzingen
Artikel 22
1.Onze Minister kan de krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen
instellingen aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van
hun taak. Hij treedt daarbij niet in individuele gevallen.
2.De krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen instellingen zijn
gehouden overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te
handelen.
Taakverwaarlozing
Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zoveel nodig in
afwijking van deze wet, voorzieningen worden getroffen voor het geval de
krachtens artikel 20, tweede lid, aangewezen instellingen hun uit deze
wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen.
Hoofdstuk 5. Toezicht en ambtelijke bevelen
Ambtenaren belast met het toezicht
Artikel 24
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren.
2. Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën
van arbeid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
of krachtens deze wet belast of mede belast de door hem aangewezen
andere ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien ambtenaren
worden aangewezen die ressorteren onder een andere minister, wordt het
besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze Minister
en die andere minister gezamenlijk. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid en in dit lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
3. De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
4. De toezichthouder is voorts bevoegd te allen tijde ter zake van
een arbeidsongeval een onderzoek in te stellen. Hij stelt naar
aanleiding van dat onderzoek een rapport op.
5. De toezichthouder stelt ter voldoening aan artikel 5:18, zesde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht een rapport op; dit rapport en
een rapport als bedoeld in het vierde lid zendt hij aan de werkgever,
aan de ondernemingsraad of aan de personeelsvertegenwoordiging.
6. De toezichthouder is bevoegd bij het verwerken van
persoonsgegevens gebruik te maken van het burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, voorzover dat voor
de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
7. De toezichthouder geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan het
verzoek om een onderzoek in te stellen, gedaan door de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, dan wel door een
vereniging van werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft
de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig
in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is en in het bezit
is van volledige rechtsbevoegdheid.
8. Ten dienste van het onderzoek naar een overtreding is de
toezichthouder, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is, bevoegd ieder staande te houden en te
vorderen dat hij zijn naam, voornamen, geboortedatum en geboortejaar
en adres opgeeft.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat in de bij of krachtens die maatregel te bepalen gevallen
en wijze degene die arbeid verricht of doet verrichten in de
territoriale zee of de exclusieve economische zone, verplicht is de
toezichthouder bij de uitoefening van zijn bevoegdheden te vervoeren
naar door de toezichthouder aan te duiden plaatsen waar deze arbeid
wordt of zal worden verricht.
Toezicht op instellingen
Artikel 25
Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering
van het bepaalde bij en krachtens deze wet door krachtens artikel 20,
tweede lid, aangewezen instellingen.
Geheimhouding
Artikel 26
De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij
uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding
van de namen van de personen door wie een klacht is ingediend of
aangifte is gedaan van een overtreding van deze wet en de daarop
berustende bepalingen, behoudens wanneer deze personen hun schriftelijk
hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bedenkingen te
hebben.
Eis tot naleving
Artikel 27
1.Een daartoe aangewezen toezichthouder kan aan een werkgever een
eis stellen betreffende de wijze waarop een of meer bepalingen gesteld
bij of krachtens deze wet moeten worden nageleefd.
2.Een eis vermeldt van welke regelen hij de wijze van naleving
bepaalt en bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan.
3.De werkgever is verplicht om aan de eis te voldoen. De werknemers
zijn verplicht aan de eis te voldoen voor zover zulks bij de eis is
bepaald. De werkgever draagt zorg dat de werknemers van de op hen
rustende verplichting zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld.
4.Voor de toepassing van de vorige leden worden met een werkgever
gelijkgesteld: de in artikel 16, zevende, achtste en negende lid,
bedoelde personen voor zover het betreft de krachtens dat artikel
omschreven verplichtingen.
5.Een eis kan worden gesteld tot naleving van de artikelen 3, 4, 5,
6, 8, 11,13, eerste tot en met vierde lid, negende en tiende lid, 14,
eerste, tweede en zevende lid, 14a, tweede, derde en vierde lid, 15,
eerste en derde lid, 16, voorzover dat bij de krachtens dat artikel
gestelde regels is bepaald, 18 en 19.
Stillegging van het werk
Artikel 28
1. Een daartoe aangewezen toezichthouder is bevoegd mondeling of
bij gedagtekend schrijven te bevelen, dat personen niet mogen blijven
in door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen
werkzaamheden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen,
indien naar zijn redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden
ernstig gevaar opleveren voor personen.
2. Een mondeling bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk
bevestigd aan de werkgever of aan de andere personen, bedoeld in
artikel 16, zevende, achtste en negende lid.
3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt mede in die
gevallen, waarin op grond van het bepaalde in artikel 27 aan een
gestelde eis nog geen uitvoering behoeft te worden gegeven.
4. Zodra naar het oordeel van de toezichthouder die een bevel als
bedoeld in het eerste lid gaf, geen ernstig gevaar meer aanwezig is,
trekt hij het bevel in.
5. De toezichthouder, die een bevel als bedoeld in het eerste lid
gegeven heeft, is bevoegd met betrekking tot dit bevel de nodige
maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van
de sterke arm in te roepen. De maatregelen en aanwijzingen kunnen
onder meer betrekking hebben op het verzegelen van arbeidsmiddelen en
arbeidsplaatsen.
6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen
overeenkomstig een bevel, als bedoeld in het eerste lid en een
aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.
7. Het opzettelijk niet naleven van het zesde lid is een misdrijf
in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische
delicten.
Last onder bestuursdwang
Artikel 28a
Een daartoe aangewezen toezichthouder is bevoegd tot oplegging van
een last onder bestuursdwang ter zake van de naleving van artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het de verplichting
betreft tot het verlenen van medewerking aan de toezichthouder, de
artikelen 24, negende lid, en 28, eerste lid, en de daartoe bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen bepalingen krachtens deze wet.
Werkonderbreking
Artikel 29
1.Een werknemer is bevoegd het werk te onderbreken en de
onderbreking voort te zetten, indien en zolang naar zijn redelijk
oordeel ernstig gevaar voor personen als bedoeld in artikel 28
aanwezig is en naar zijn redelijk oordeel het gevaar zo onmiddellijk
dreigt dat een toezichthouder niet tijdig kan optreden. Voor de duur
van de onderbreking behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar
tijdruimte vastgesteld loon. De werknemer mag als gevolg van de
werkonderbreking niet worden benadeeld in zijn positie in het bedrijf
of in de inrichting.
2.Degene die stelt dat de werknemer de aanwezigheid van
onmiddellijk dreigend gevaar als bedoeld in het eerste lid op grond
van de feiten waarop hij zich beroept, niet naar zijn redelijk oordeel
mocht aannemen, moet dit bewijzen.
3.Indien de onderbreking van het werk geschiedt buiten weten van de
werkgever onderscheidenlijk de bij de arbeid betrokken leidinggevende
persoon, moet de werknemer de onderbreking terstond bij deze melden.
4.De onderbreking van het werk wordt zo spoedig mogelijk ter kennis
gebracht van de daartoe aangewezen toezichthouder, die een bevel geeft
krachtens artikel 28, eerste lid, of verklaart, zo nodig onder het
stellen van een eis als bedoeld in artikel 27, dat de arbeid kan
worden verricht. Door de beschikking van de daartoe aangewezen
toezichthouder eindigt de bevoegdheid van de werknemer de
werkonderbreking voort te zetten.
Artikel 29a. Gegevensuitwisseling
1. Bestuursorganen en een instelling als bedoeld in artikel 20,
tweede lid, zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd
aan Onze Minister en de toezichthouder kosteloos alle gegevens en
inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
en het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband
tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
2. Onze Minister en de toezichthouder verstrekken andere
bestuursorganen en een instelling als bedoeld in artikel 20, tweede
lid, kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door
de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun
wettelijke taak en dit noodzakelijk is ten behoeve van een
samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen, de toezichthouder en een
instelling als bedoeld in artikel 20, tweede lid, kunnen bij het
verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid,
vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder
geval gegevens worden verstrekt.
Hoofdstuk 6. Vrijstellingen, ontheffingen en beroep
Vrijstelling en ontheffing
Artikel 30
1.Onze Minister kan met betrekking tot categorieën van bedrijven,
inrichtingen, of arbeidsverhoudingen vrijstelling verlenen van de
voorschriften zoals die bij of krachtens artikel 5, en de artikelen 12
tot en met 18 zijn vastgesteld.
2.Een daartoe aangewezen toezichthouder kan met betrekking tot een
individueel bedrijf of inrichting ontheffing verlenen van de in het
eerste lid bedoelde voorschriften, tenzij met betrekking tot een
dergelijk voorschrift een eis is gesteld.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
inzake het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in
het eerste onderscheidenlijk tweede lid.
4.Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend.
5.Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
6.Een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing kan worden
ingetrokken wanneer:
a. een of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn
vervallen;
b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet
wordt of worden nageleefd;
c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden
voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren
geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm
zou zijn verleend.
7.De werking van een beschikking inzake een ontheffing wordt
opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of
beroepschrift is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of beroep is
ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.
Beroep
Artikel 31
1.Tegen een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als
bedoeld in artikel 24, tweede lid, kan door een belanghebbende
administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister.
2.Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als
bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, en 34, eerste lid, wordt
gegeven namens Onze Minister.
Hoofdstuk 7. Sancties
Strafbepaling
Artikel 32
1. Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te
laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien
daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of
ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat
of te verwachten is.
2. Het niet naleven van het eerste lid is een misdrijf in de zin
van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
Overtredingen
Artikel 33
1. Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de
artikelen 3, 4, eerste lid, 5, 8, 9, eerste en tweede lid, 11, 13,
eerste tot en met vierde lid, negende en tiende lid, 14, eerste,
tweede en zevende lid,14a, tweede, derde en vierde lid, 15, eerste en
derde lid, 18 en 19. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de
vorige zin, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd van de eerste
categorie.
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het niet naleven van
artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat
artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake
van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.
3. Een overtreding als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
aangemerkt als een strafbaar feit, indien tweemaal binnen een aan de
dag van het constateren van die overtreding voorafgaande periode van
48 maanden, met respectievelijke tussenliggende perioden van ten
hoogste 24 maanden, voor een overtreding bestaande uit het niet
naleven van eenzelfde wettelijke bepaling een bestuurlijke boete is
opgelegd die onherroepelijk is geworden.
4. Geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten.
5. Het strafbaar feit, bedoeld in het derde lid, is een overtreding
in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische
delicten.
Artikel 33a [Vervallen per 01-07-2009]
Hoogte bestuurlijke boete en recidive
Artikel 34
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de
overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze
wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven
daarvan is aangeduid als overtreding.
2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is niet reeds
aangewezen als toezichthouder.
3. De hoogte van de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een
overtreding kan worden opgelegd is gelijk aan de geldsom van de
categorie die voor de overtreding is bepaald. Artikel 5:53 van de
Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel
gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke
boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
4. Er zijn 2 categorieën:
1°. de eerste categorie: € 9.000;
2°. de tweede categorie: € 22.500.
5. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe
de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete wordt bepaald.
6. Onverminderd het vierde lid verhoogt de aangewezen ambtenaar,
bedoeld in het eerste lid, de op te leggen bestuurlijke boete met 50%,
indien op de dag van het constateren van de overtreding nog geen 24
maanden zijn verstreken nadat een eerdere overtreding bestaande uit
het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is
geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding
onherroepelijk is geworden.
Artikel 35 [Vervallen per 01-07-2009]
Boeterapport
Artikel 36
1. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt het rapport naast de overtreder in ieder geval
de andere bij de overtreding betrokken persoon of personen.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de daartoe op grond van
artikel 34, eerste lid, aangewezen ambtenaar.
3. Een afschrift van het rapport wordt toegezonden of uitgereikt
aan de andere bij de overtreding betrokken persoon of personen,
bedoeld in het eerste lid.
Boetebeschikking
Artikel 37
Een afschrift van de boetebeschikking wordt toegezonden of uitgereikt
aan de andere bij de overtreding betrokken persoon of personen, bedoeld
inartikel 36, eerste lid, en in voorkomend geval, desgevraagd aan zijn
of hun nabestaande of nabestaanden.
Inlichtingenplicht jegens de boeteoplegger
Artikel 38
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht
desgevraagd aan de daartoe op grond van artikel 34, eerste lid,
aangewezen ambtenaar de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2009]
Invordering
Artikel 40 [Vervallen per 01-04-2011]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2009]
Wijziging boetebedrag
Artikel 42
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan
de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke
boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
Terugbetaling
Artikel 43
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze
binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten
onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende terugbetaald.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Kosten
Artikel 44
De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of
krachtens deze wet zijn gesteld, worden niet ten laste van de werknemers
gebracht.
Evaluatie
Artikel 45
Onze Minister zendt binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van de Wet
van 30 november 2006 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998
en enige andere wetten in verband met het vergroten van de
verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het
arbeidsomstandighedenbeleid (Stb. 2006, 673) aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Citeertitel
Artikel 46
Deze wet wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenwet.
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 53 [Vervallen per 01-05-2004]
Artikel 54 [Vervallen per 29-12-2000]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2007]
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 maart 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de negenentwintigste april 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|