| |
|
|
|
|
vorige
ARBEIDSTIJDENWET
(Atw)
Tekst zoals deze geldt op
18 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Arbeidstijdenbesluit
(Atb)
- Arbeidstijdenbesluit
vervoer (Atb vervoer)
- Beleidsregel
boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit
- Besluit
personenvervoer 2000 (Bp 2000)
- Besluit tarieven Dienst Wegverkeer
2008
(vervallen)
- Besluit
tarieven Dienst Wegverkeer 2009
- Nadere
regeling kinderarbeid
- Regeling
tachograafkaarten
WET van 23 november 1995, houdende
bepalingen inzake de arbeids- en rusttijden
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het met het oog op de
veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid, zulks
mede in verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijnen van de Raad
van de Europese Unie van 23 november 1993 betreffende een aantal
aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PbEG 1993, L 307)
en van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk
(PbEG 1994, L 216), en mede ter bevordering van de
combineerbaarheid van arbeid en zorgtaken, alsmede andere
verantwoordelijkheden buiten de arbeid, noodzakelijk is wettelijke
regelen te stellen inzake arbeids- en rusttijden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Begrippen werkgever en werknemer
Artikel 1:1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden
is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan
een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten
van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld
voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°;
b. werknemer: de ander bedoeld onder a.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder:
a. werkgever: degene die zonder werkgever of werknemer in de
zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid
doet verrichten;
b. werknemer: de ander bedoeld onder a.
3.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
jeugdige werknemer verstaan: een werknemer van 16 of 17 jaar.
Begrippen kind en arbeid in verband met kinderarbeid
Artikel 1:2
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder kind: een persoon jonger dan 16 jaar.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder arbeid: de verrichtingen van een kind ter naleving van
een overeenkomst.
Het begrip collectieve regeling
Artikel 1:3
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder collectieve regeling:
a. een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1
van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;
b. een rechtspositieregeling van werknemers in dienst van de
overheid alsmede een overeenkomstige rechtspositieregeling van
werknemers, werkzaam in instellingen van bijzonder onderwijs of
wetenschappelijk onderzoek;
c. een verordening als bedoeld in de artikelen 16, derde lid,
86, derde lid, en 93, tweede lid, onder d, van de Wet op de
bedrijfsorganisatie.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder collectieve regeling:
a. een besluit als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het
algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen
van collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij bepalingen van een
collectieve arbeidsovereenkomst algemeen verbindend zijn
verklaard;
b. een regeling als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Wet
op de loonvorming.
Gelijkstelling met collectieve regeling
Artikel 1:4
1.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt met een collectieve regeling als bedoeld in artikel
1:3 gelijkgesteld een regeling waaromtrent de werkgever schriftelijk
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan.
2.Indien zowel een regeling als bedoeld in het eerste lid, als een
collectieve regeling als bedoeld in artikel 1:3 gelden, zijn de in die
regelingen gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval
van strijd zijn de bepalingen in de collectieve regeling, bedoeld in
artikel 1:3, van toepassing.
Werkingsduur van de collectieve regeling
Artikel 1:5
1.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen geldt een collectieve regeling als bedoeld in de artikelen
1:3, eerste lid, en 1:4, eerste lid, gedurende 5 jaren, te rekenen van
het tijdstip waarop die regeling ingaat. Bij wijziging van de in de
eerste volzin bedoelde collectieve regeling binnen 5 jaren na
inwerkingtreding, wordt het in de eerste volzin bedoelde tijdvak
beëindigd op het tijdstip van inwerkingtreding van de gewijzigde
collectieve regeling.
2.Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing
op de collectieve regeling als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, met
dien verstande dat:
a. bij de inwerkingtreding van een overeenkomstige nieuwe
collectieve regeling binnen 5 jaren na inwerkingtreding van de in
de aanhef bedoelde collectieve regeling, het in de eerste volzin
van het eerste lid bedoelde tijdvak wordt beëindigd;
b. deze regeling te allen tijde eindigt op het tijdstip, dat er
geen overeenkomstige collectieve regeling als bedoeld in artikel
1:3, eerste lid, geldt op grond van het eerste lid, eerste volzin.
Het begrip medezeggenschapsorgaan
Artikel 1:6
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder medezeggenschapsorgaan:
a. de ondernemingsraad, ingesteld overeenkomstig de Wet op de
ondernemingsraden;
b. een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden;
c. een medezeggenschapscommissie ingesteld op grond van de
krachtens de artikelen 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en 12
van de Militaire Ambtenarenwet 1931 gestelde regels;
d. het uit en door het personeel gekozen deel van:
1°. de medezeggenschapsraad of deelraad, en de dienstraad,
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, of
2°. de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet
medezeggenschap onderwijs 1992;
e. het uit en door het personeel gekozen deel van de
medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen;
f. een medezeggenschapsregeling voor de in artikel 53b van de Wet
op de ondernemingsraden bedoelde ambtenaren.
Overige begrippen
Artikel 1:7
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. defensiepersoneel:
1°. de in werkelijke dienst zijnde militaire ambtenaren in
de zin van artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b, van de
Militaire ambtenarenwet 1931;
2°. de in werkelijke dienst zijnde dienstplichtigen in de
zin van de artikelen 18, 19 en 21 van de Kaderwet dienstplicht;
3°. het burgerpersoneel, werkzaam bij het ministerie van
Defensie;
c. dienst: een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt
verricht en die gelegen is tussen twee opeenvolgende onafgebroken
rusttijden van ten minste 8 uren;
d. nachtdienst: een dienst waarin meer dan een uur arbeid wordt
verricht tussen 00.00 uur en 06.00 uur;
e. pauze: een periode van ten minste 15 achtereenvolgende
minuten, waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de
werknemer geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen
arbeid;
f. Dienst Wegverkeer: de dienst, bedoeld in artikel 4a van de
Wegenverkeerswet 1994;
g. consignatie: een periode tussen twee opeenvolgende diensten of
tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is
bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op
oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;
h. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in de Algemene wet
bestuursrecht, en als zodanig aangewezen op grond van artikel 8:1,
eerste of tweede lid.
Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied
§ 2.1. Gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid
Algemeen
Artikel 2:1
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat deze
wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van
toepassing zijn op bij die maatregel omschreven arbeid of arbeid onder
daarbij omschreven omstandigheden.
2.Het geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn van deze wet
en de daarop berustende bepalingen, bepaald bij de in het eerste lid
bedoelde maatregel kan afhankelijk worden gesteld van voorwaarden.
Rampen
Artikel 2:2
1.Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van
toepassing op arbeid verricht in verband met:
a. een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Wet rampen en zware ongevallen;
b. een voorval als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid;
c. [vervallen;]
d. een ongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee;
e. aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de
omstandigheden, bedoeld in de onderdelen a tot en met d.
2.Het eerste lid geldt slechts voor zover de toepassing van deze
wet en de daarop berustende bepalingen een goede uitoefening van de in
dat lid bedoelde arbeid belemmert.
Onderwijs
Artikel 2:3
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing
op verrichtingen van leerlingen of studenten in onderwijsinstellingen of
gedeelten daarvan, open ruimten daaronder begrepen.
Defensie
Artikel 2:4
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder oefening:
elk door het defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen
bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan
de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te
vergroten of te onderhouden.
2.Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing
op arbeid verricht door defensiepersoneel, tenzij deze arbeid wordt
verricht:
a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede in de
gevallen genoemd in artikel 71 van het Wetboek van Militair
Strafrecht;
b. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen
opgedragen taken, voor zover de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
c. in door Onze Minister van Defensie te bepalen andere
gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
d. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op
de omstandigheden bedoeld in de onderdelen a, b en c.
3.Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van paragraaf 4.3, niet van toepassing op arbeid verricht
door defensiepersoneel:
a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;
b. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op
het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.
Toezichthoudende en (bijzondere) opsporingsdiensten
Artikel 2:5
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op
arbeid verricht door personeel in burgerlijke openbare dienst, tenzij de
toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede
uitoefening van de bij wet en de daarop berustende bepalingen gegeven
taken, dan wel het handhaven van de rechtsorde en het opsporen van
strafbare feiten door dit personeel belemmert.
Brandweer
Artikel 2:6 [Vervallen per 01-04-2007]
§ 2.2. Uitbreiding van de toepasselijkheid
Zelfstandigen
Artikel 2:7
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat voor
de bij die maatregel en de daarop berustende bepalingen omschreven
arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden, deze wet en
de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede moeten
worden nageleefd door een persoon die, zonder werkgever of werknemer
te zijn in de zin van deze wet, deze arbeid verricht, indien zulks
noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig gevaar voor de veiligheid
of de gezondheid van andere personen.
2.Artikel 2:8, onderdelen b, c en d, is van overeenkomstige
toepassing.
Extra-territoriale werking
Artikel 2:8
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing:
a. op arbeid verricht op of vanaf een mijnbouwinstallatie op het
continentaal plat als bedoeld in de Mijnbouwwet;
b. op arbeid welke geheel of ten dele buiten Nederland wordt
verricht door personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op
grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse
vlag te voeren;
c. op duikwerkzaamheden ten behoeve van mijnbouwinstallaties op
het continentaal plat, bedoeld in de Mijnbouwwet, verricht op of
vanaf een zeeschip;
d. op arbeid, welke voor een in Nederland gevestigde werkgever,
geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen,
werkzaam:
1°. aan boord van luchtvaartuigen;
2°. in of op motorrijtuigen;
3°. in of op spoorvoertuigen;
e. arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone, met
uitzondering van de arbeid, bedoeld onder a en c.
§ 2.3. Bijzondere voorschriften voor vliegend, varend en rijdend
personeel
Artikel 2:9
1.Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van
toepassing op arbeid verricht aan boord van een zeeschip, dat niet op
grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag
te voeren en dat zich bevindt in de exclusieve economische zone, in de
territoriale zee, op een van de in artikel 10, eerste lid, van de
Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartwegen, op de Westerschelde,
haar mondingen of op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, of in de
haven van Scheveningen, door personen die behoren tot de bemanning van
dat zeeschip.
2.In afwijking van het eerste lid is deze wet van toepassing op
havensleepboten en op duikwerkzaamheden ten behoeve van
mijnbouwinstallaties, verricht op of vanaf zeeschepen.
3.Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van
toepassing op arbeid, welke voor een buiten Nederland gevestigde
werkgever, wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van een
luchtvaartuig dat zich in het Nederlandse luchtruim of op het
Nederlandse territoir bevindt.
Hoofdstuk 3. Het verbod van kinderarbeid
Begrip verantwoordelijke persoon
Artikel 3:1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder verantwoordelijke persoon:
a. de werkgever;
b. een ieder, die over een kind het ouderlijk gezag of de voogdij
uitoefent of in wiens huishouding een kind is opgenomen.
Het verbod van kinderarbeid
Artikel 3:2
1.De verantwoordelijke persoon zorgt er voor, dat een kind geen
arbeid verricht.
2.Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verrichten van
a. arbeid in het kader van een alternatieve sanctie door een
kind van 12 jaar of ouder, voor zover deze arbeid niet wordt
verricht gedurende de schooltijd;
b. niet-industriële arbeid van lichte aard door een kind van
13 jaar of ouder, voor zover deze arbeid niet wordt verricht
gedurende de schooltijd;
c. arbeid van lichte aard door een kind van 14 jaar of ouder
voor zover deze arbeid verricht wordt naast en in samenhang met
het onderwijs;
d. arbeid bestaande uit het bezorgen van ochtendkranten door
een kind van 15 jaar, voor zover deze arbeid niet wordt verricht
gedurende de schooltijd.
3.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het tweede lid.
4.De verantwoordelijke persoon leeft de nadere regels, bedoeld in
het derde lid na.
Ontheffing
Artikel 3:3
1. De toezichthouder, bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, kan
ontheffing verlenen van artikel 3:2, eerste lid, ten aanzien van het
door een kind verrichten van arbeid, bestaande uit het verlenen van
medewerking aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke,
opvoedkundige of artistieke aard, aan modeshows, aan audio-, visuele
of audio-visuele opnamen en daarmee vergelijkbare niet-industriële
arbeid van lichte aard. Een verzoek om ontheffing wordt gedaan door de
werkgever.
2. De werkgever leeft de voorschriften verbonden aan de ontheffing
na.
Voorlichting
Artikel 3:4
De werkgever zorgt ervoor dat een ieder, die over een kind het
ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding een kind
is opgenomen, doeltreffend wordt ingelicht over de aard van de arbeid en
de daaraan verbonden mogelijke gevaren en over de maatregelen die er op
gericht zijn deze gevaren te voorkomen of te beperken.
Nadere voorschriften
Artikel 3:5
1.Bij de in artikel 3:2, tweede lid, toegestane arbeid neemt de
verantwoordelijke persoon te allen tijde in acht, dat bij de aldaar
toegestane arbeid, de veiligheid van het kind niet in gevaar komt,
noch arbeid wordt verricht welke een nadelige invloed kan uitoefenen
op de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van dat kind.
2.Bij het stellen van de nadere regels, bedoeld in artikel 3:2,
derde lid, en het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel
3:3, eerste lid, wordt te allen tijde in acht genomen, dat bij de
aldaar toegestane arbeid, de veiligheid van het kind niet in gevaar
komt, noch arbeid wordt verricht welke een nadelige invloed kan
uitoefenen op de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van dat
kind.
3.Bij het stellen van de nadere regels, bedoeld in artikel 3:2,
derde lid, en het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel
3:3, eerste lid, wordt te allen tijde in acht genomen, dat een kind
een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke
aaneengesloten periode van 24 uren, waarin is begrepen de periode
tussen 23.00 uur en 06.00 uur.
Hoofdstuk 4. Algemene verplichtingen
§ 4.1. Algemeen
Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie
Artikel 4:1
1. De werkgever voert een zo goed mogelijk beleid terzake van
arbeids- en rusttijden van de werknemers, en houdt daarbij, voor zover
dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden, rekening met de
persoonlijke omstandigheden van die werknemers. Het beleid terzake van
arbeids- en rusttijden wordt gevoerd in samenhang met het
arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.
2. De uit het in het eerste lid bedoelde beleid voortvloeiende
arbeids- en rusttijdenpatronen worden door de werkgever schriftelijk
vastgelegd. De werkgever bewaart de op deze wijze vastgelegde arbeids-
en rusttijdenpatronen op een zodanige wijze, dat iedere werknemer de
mogelijkheid heeft hiervan desgewenst kennis te nemen.
3. De werkgever toetst de tot stand gekomen arbeids- en
rusttijdenpatronen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan,
alsmede hoe deze ervaringen zich verhouden met nieuwe ontwikkelingen
op het gebied van de organisatie van arbeids- en rusttijden. Indien
daartoe aanleiding is, vindt bijstelling van het beleid, bedoeld in
het eerste lid, en de daarop gebaseerde arbeids- en rusttijdenpatronen
plaats.
4. Artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet is van overeenkomstige
toepassing.
5. De toezichthouder kan, indien de in dit artikel neergelegde
verplichtingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden
nageleefd, een eis tot naleving stellen. Deze eis tot naleving bevat
de termijn waarbinnen er aan wordt voldaan.
6. De werkgever voldoet aan de eis tot naleving.
Vaststelling arbeids- en rusttijdenpatroon
Artikel 4:1a
De werkgever houdt, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden
gevergd, bij de vaststelling van het arbeidstijdpatroon van de werknemer
rekening met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer buiten de
arbeid, waaronder in elk geval begrepen de zorg(taken) voor kinderen,
(afhankelijke) familieleden, verwanten en naasten alsmede
maatschappelijke verantwoordelijkheden die door de werknemer worden
gedragen.
Mededeling arbeids- en rusttijdenpatroon
Artikel 4:2
1.De werkgever die een arbeids- en rusttijdenpatroon voor de bij
hem werkzame werknemers vaststelt of opnieuw vaststelt, deelt dit zo
tijdig mogelijk aan de werknemers mee. Met betrekking tot de
tijdigheid geldt hetgeen daaromtrent bij collectieve regeling is
bepaald of, indien geen collectieve regeling van toepassing is dan wel
de collectieve regeling terzake geen bepaling bevat, telkens met
instemming van de betrokken werknemer is bepaald.
2.Indien een bepaling inzake de tijdigheid, bedoeld in de tweede
zin van het eerste lid, ontbreekt, deelt de werkgever het arbeids- en
rusttijdenpatroon ten minste 28 dagen van te voren aan de werknemer
mee.
3.Indien in verband met de aard van de arbeid toepassing van het
tweede lid onmogelijk is, deelt de werkgever ten minste 28 dagen van
te voren aan de werknemer mee op welke dag de rusttijd, bedoeld in de
artikelen 5:5 en 5:6, begint. Tevens maakt hij aan die werknemer ten
minste 4 dagen van te voren de tijdstippen bekend waarop hij arbeid
moet verrichten.
Registratie
Artikel 4:3
1.Een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste
lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en
rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop
berustende bepalingen mogelijk maakt.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld welke aangeven op welke wijze aan de in het eerste lid
neergelegde verplichting wordt voldaan. Deze regels kunnen voor
verschillende sectoren verschillend worden gesteld.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent het door de werknemer en de persoon, bedoeld in
artikel 2:7, eerste lid, houden van een middel terzake van een
deugdelijke registratie, de wijze waarop een middel terzake van een
deugdelijke registratie wordt gebruikt alsmede de aanvraag van dit
middel.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent het bewaren van de gegevens en bescheiden met
betrekking tot de in dit artikel neergelegde registratieverplichting.
5.Indien de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede
tot en met vierde lid, betrekking heeft op de in artikel 5:12, tweede
lid, onderscheiden categorieën van arbeid, wordt de voordracht van
die algemene maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
§ 4.2. Jeugdige werknemers
Arbeid in verband met onderwijs
Artikel 4:4
1.De arbeid van een jeugdige werknemer wordt zodanig ingericht, dat
hij in staat is volgens de voor hem geldende wetgeving onderwijs te
volgen.
2.Voor de toepassing van hoofdstuk 5 en de daarop berustende
bepalingen geldt de tijd waarop een jeugdige werknemer onderwijs volgt
of pleegt te volgen, de onderbrekingen inbegrepen, als arbeidstijd.
3.Elk beding waarbij ten nadele van de jeugdige werknemer wordt
afgeweken van dit artikel, is nietig.
§ 4.3. Vrouwelijke werknemers
Arbeid en zwangerschap
Artikel 4:5
1.De arbeid van een zwangere werknemer wordt zodanig ingericht, dat
rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. De
werkgever voldoet, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde
lid, aan de voor hem uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting
binnen een redelijke termijn nadat een verzoek daartoe door de
zwangere werknemer is gedaan. Bij dit verzoek wordt desgevraagd een
schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een
verloskundige waaruit blijkt, dat de betrokken werknemer zwanger is.
2.De zwangere werknemer heeft het recht de arbeid af te wisselen
met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 5:4 of de bij
of krachtens artikel 5:12 voorgeschreven pauzes. Deze extra pauze
onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten hoogste één achtste
deel van de voor haar geldende arbeidstijd per dienst. De in de vorige
volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen als arbeidstijd.
3.De zwangere werknemer heeft het recht arbeid te verrichten in een
bestendig en regelmatig arbeids- en rusttijdenpatroon.
4.De zwangere werknemer van 18 jaar of ouder kan niet worden
verplicht meer arbeid te verrichten dan:
a. 10 uren per dienst;
b. gemiddeld 50 uren per week in elke periode van 4
aaneengesloten weken, en
c. gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 16
aaneengesloten weken.
5.De zwangere werknemer kan niet verplicht worden arbeid te
verrichten in nachtdienst, tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat
dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
6.De werkgever stelt de zwangere werknemer in de gelegenheid de
noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. Zij behoudt haar
aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon, indien zij door het
bedoelde zwangerschapsonderzoek verhinderd is geweest haar arbeid te
verrichten.
7.Elk beding waarbij ten nadele van de zwangere werknemer wordt
afgeweken van het eerste tot en met zesde lid, is nietig.
Bevalling
Artikel 4:6
De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een vrouwelijke
werknemer:
a. geen arbeid verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke
datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de
vrouwelijke werknemer aan de werkgever overgelegde schriftelijke
verklaring van een arts of verloskundige waaruit de vermoedelijke
datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak
wordt verlengd met het tijdvak, dat verloopt tussen de vermoedelijke
datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;
b. geen arbeid verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.
Arbeid na bevalling
Artikel 4:7
Artikel 4:5, met uitzondering van het zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een vrouwelijke werknemer
gedurende een periode van 6 maanden na de bevalling.
Voedingsrecht
Artikel 4:8
1.Een vrouwelijke werknemer, die een borstkind voedt, heeft, indien
zij de werkgever hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende de eerste
9 levensmaanden van dat kind het recht de arbeid te onderbreken ten
einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de
borstvoeding te kolven. De werkgever biedt haar daartoe de gelegenheid
en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter
beschikking.
2.De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo
vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een
vierde van de arbeidstijd per dienst. De vaststelling van het tijdstip
en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken
vrouwelijke werknemer na overleg met de werkgever.
3.De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden
voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als
arbeidstijd, waarover de vrouwelijke werknemer haar aanspraak op het
naar tijdruimte vastgesteld loon behoudt.
4.Elk beding waarbij ten nadele van de vrouwelijke werknemer wordt
afgeweken van dit artikel, is nietig.
§ 4.4. Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van
nachtdiensten
Artikel 4:9
1.Indien uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat de
gezondheidsproblemen van een werknemer voortvloeien uit het verrichten
van nachtdiensten, wordt de arbeid van die werknemer binnen redelijke
termijn zodanig ingericht, dat hij arbeid verricht anders dan in
nachtdienst. Elk beding waarbij wordt afgeweken van dit lid, is
nietig.
2.De werkgever voldoet aan de voor hem uit het eerste lid
voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt, dat de in
dat lid bedoelde inrichting van de arbeid redelijkerwijs niet van hem
kan worden gevergd.
Hoofdstuk 5. Arbeids- en rusttijden
§ 5.1. Algemene bepalingen
Gelijkstelling met de zondag
Artikel 5:1
1.Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen vinden ten
aanzien van de zondag voor werknemers, die in verband met hun
godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen, de wekelijkse
rustdag op een andere dag dan de zondag vieren, overeenkomstige
toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag,
indien die werknemers een daartoe strekkend schriftelijk verzoek tot
de werkgever hebben gericht.
2.Elk beding waarbij wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
Gelijkstelling met arbeidstijd
Artikel 5:2
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen, worden voor het bepalen van het aantal uren dat arbeid
wordt verricht meegeteld de uren waarop de werknemer de bedongen
arbeid zou hebben verricht, maar deze door de uitoefening van zijn
taak in het kader van het medezeggenschapsorgaan, ziekte, vakantie, de
vervulling van door wet of overheid opgelegde verplichting, welke niet
in zijn vrije tijd kon geschieden, of als gevolg van zeer bijzondere
persoonlijke omstandigheden, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, van
de Wet arbeid en zorg, niet heeft verricht.
2.Elk beding waarbij wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
§ 5.2. Arbeids- en rusttijden
Dagelijkse onafgebroken rusttijd
Artikel 5:3
1.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de jeugdige
werknemer een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke aaneengesloten periode van 24 uren, waarin zijn begrepen de uren
tussen 23.00 uur en 06.00 uur.
2.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van
18 jaar of ouder een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11
uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren, welke rusttijd
eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren mag worden
ingekort tot ten minste 8 uren, indien de aard van de arbeid of de
bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
3.De in het eerste of tweede lid bedoelde periode vangt aan op het
eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer arbeid verricht.
Pauzeregeling
Artikel 5:4
1.De werkgever organiseert de arbeid van een jeugdige werknemer
zodanig dat, indien hij meer dan 4,5 uren arbeid per dienst verricht,
zijn arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken door een pauze. De
pauze bedraagt ten minste 30 minuten, die zonodig kan worden gesplitst
in pauzes van elk ten minste 15 minuten.
2.De werkgever organiseert de arbeid van een werknemer van 18 jaar
of ouder zodanig, dat indien hij:
a. meer dan 5,5 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid
wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten, die
kan worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten;
b. meer dan 10 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid
wordt onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten, die
kan worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten.
3.Bij collectieve regeling kan van het tweede lid worden afgeweken.
Daarbij wordt in acht genomen dat de werkgever de arbeid zodanig
organiseert, dat indien de werknemer meer dan 5,5 uren arbeid per
dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten
minste 15 minuten. Elk beding, waarbij op een andere wijze dan in dit
lid is bepaald, wordt afgeweken van het tweede lid, is nietig.
Wekelijkse onafgebroken rusttijd
Artikel 5:5
1.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de jeugdige
werknemer een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in
elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren.
2.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van
18 jaar of ouder een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste:
a. 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren,
of
b. 72 uren in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren,
welke rusttijd kan worden gesplitst in onafgebroken rustperioden
van elk ten minste 32 uren.
3.De in het eerste of tweede lid bedoelde periode vangt aan op het
eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer arbeid verricht.
Arbeid op zondag
Artikel 5:6
1.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer op
zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de
arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
2.Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
het eerste lid worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij
het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. De werknemer
verricht in de omstandigheden, bedoeld in de vorige zin, uitsluitend
arbeid op zondag, indien hij daarmee voor dat geval instemt.
3.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer op
ten minste 13 zondagen in elke periode van 52 aaneengesloten weken
geen arbeid verricht.
4.Bij collectieve regeling kan van het derde lid worden afgeweken,
met inachtneming van:
a. het eerste lid, of
b. het tweede lid.
Bij toepassing van de aanhef en onderdeel a van de vorige zin,
verricht de werknemer uitsluitend op 40 of meer zondagen in elke
periode van 52 aaneengesloten weken arbeid, indien hij daarmee voor
dat geval instemt. Elk beding, waarbij op een andere wijze dan in dit
lid is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig.
Arbeidstijd
Artikel 5:7
1.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de jeugdige
werknemer ten hoogste arbeid verricht gedurende:
a. 9 uren per dienst;
b. 45 uren per week, en
c. gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 4
aaneengesloten weken.
2.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van
18 jaar of ouder ten hoogste arbeid verricht gedurende:
a. 12 uren per dienst;
b. 60 uren per week, en
c. gemiddeld 48 uren per week in elke periode van 16
aaneengesloten weken.
3.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van
18 jaar of ouder ten hoogste arbeid verricht gedurende gemiddeld 55
uren per week in elke periode van 4 aaneengesloten weken.
4.Bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het tweede
lid, van het derde lid worden afgeweken. Elk beding, waarbij op een
andere wijze dan in de vorige zin is bepaald, wordt afgeweken van het
derde lid, is nietig.
Arbeid in nachtdienst
Artikel 5:8
1.In afwijking van artikel 5:7, tweede lid, onderdeel a,
organiseert de werkgever, behoudens het derde lid, de arbeid zodanig,
dat een werknemer ten hoogste arbeid verricht gedurende 10 uren per
nachtdienst.
2.In elke periode van 16 aaneengesloten weken waarin een werknemer
16 of meer malen arbeid in een nachtdienst verricht organiseert de
werkgever, in afwijking van artikel 5:7, tweede lid, onderdeel c, de
arbeid zodanig dat ten hoogste gemiddeld 40 uren per week arbeid wordt
verricht in die periode van 16 aaneengesloten weken.
3.In afwijking van het eerste of vierde lid kan de werkgever ten
hoogste 5 malen in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, en
ten hoogste 22 malen in elke aaneengesloten periode van 52 weken, de
arbeid zodanig organiseren dat een werknemer:
a. ten hoogste arbeid verricht gedurende 12 uren in een
nachtdienst, en
b. aansluitend op die nachtdienst een onafgebroken rusttijd
heeft van ten minste 12 uren.
4.Indien arbeid in een nachtdienst wordt verricht waarbij die
dienst eindigt na 02.00 uur, organiseert de werkgever die arbeid
zodanig, dat na die dienst de werknemer, behoudens het derde lid, een
onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren, welke rusttijd
eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren mag worden
ingekort tot ten minste 8 uren, indien de aard van de arbeid of de
bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
5.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een werknemer na
het verrichten van een reeks van 3 of meer achtereenvolgende
nachtdiensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 46 uren.
6.Indien in een reeks van achtereenvolgende diensten een of meer
van deze diensten een nachtdienst betreft, organiseert de werkgever
die arbeid zodanig, dat een werknemer gedurende ten hoogste 7
achtereenvolgende diensten arbeid verricht. Bij collectieve regeling
kan, met inachtneming van het zevende lid, van de vorige zin worden
afgeweken. Elk beding, waarbij op een andere wijze dan in de vorige
zin is bepaald, wordt afgeweken van dit lid, is nietig.
7.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een werknemer ten
hoogste 8 achtereenvolgende diensten arbeid verricht, indien een of
meer van deze diensten een nachtdienst betreft en de aard van de
arbeid of bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen.
8.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een werknemer in
elke periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste 36 malen arbeid
verricht in een nachtdienst die eindigt na 02.00 uur. Bij collectieve
regeling kan, met inachtneming van het negende lid, van de vorige zin
worden afgeweken, indien de aard van de arbeid of
bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen. Elk beding, waarbij op
een andere wijze dan in de vorige zin is bepaald, wordt afgeweken van
dit lid, is nietig.
9.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een werknemer in
elke periode van:
a. 52 aaneengesloten weken ten hoogste 140 malen arbeid
verricht in een nachtdienst die eindigt na 02.00 uur, of
b. 2 aaneengesloten weken ten hoogste 38 uren arbeid verricht
tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
Consignatie
Artikel 5:9
1.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat consignatie
uitsluitend aan een werknemer van 18 jaar of ouder wordt opgelegd.
2.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer in
elke aaneengesloten periode van 28 maal 24 uren ten minste:
a. 14 maal een periode van 24 aaneengesloten uren geen
consignatie wordt opgelegd, en
b. 2 maal een aaneengesloten periode van 48 uren geen arbeid
verricht noch consignatie wordt opgelegd.
3.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen
consignatie wordt opgelegd gedurende:
a. 11 aaneengesloten uren voor elke nachtdienst, en
b. 14 aaneengesloten uren na elke nachtdienst.
4.In aanvulling op artikel 5:7, tweede lid, onderdeel a,
organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer aan wie
consignatie is opgelegd ten hoogste 13 uren in elke periode van 24
aaneengesloten uren arbeid verricht.
5.In afwijking van artikel 5:7, tweede lid, onderdeel c,
organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat een werknemer aan wie
in een periode van 16 aaneengesloten weken 16 of meer malen
consignatie is opgelegd, welke consignatie telkens geheel of
gedeeltelijk perioden tussen 00.00 uur en 06.00 uur omvat, in die
periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per
week arbeid verricht.
6.In plaats van het vijfde lid kan de werkgever de arbeid van een
werknemer aan wie in een periode van 16 aaneengesloten weken 16 of
meer malen consignatie is opgelegd, die telkens geheel of gedeeltelijk
perioden tussen 00.00 uur en 06.00 uur omvat, ook zodanig organiseren
dat de werknemer:
a. na de laatste oproep die is aangevangen tussen 00.00 uur en
06.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren,
dan wel, indien zijn dienst aanvangt direct aansluitend op een
oproep die is aangevangen tussen 00.00 uur en 06.00 uur, in de
direct aaneengesloten periode van 18 uren welke periode begint om
06.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren,
en
b. in die periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste
gemiddeld 45 uren arbeid per week verricht.
7.Voor de toepassing van het tweede tot en met zesde lid vangt de
arbeid tijdens consignatie aan op het moment van een oproep. Indien
binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit
een oproep tijdens consignatie, opnieuw een dergelijke oproep wordt
gedaan, is de tussenliggende tijd arbeid. Indien binnen een half uur
een of meer malen arbeid voortvloeiend uit een oproep tijdens
consignatie wordt verricht, wordt de arbeid geacht ten minste een half
uur te bedragen.
8.De arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie
wordt voor de toepassing van de artikelen 5:3, tweede lid, 5:4, tweede
of derde lid, 5:5, tweede lid, en 5:8, vierde en vijfde lid, alsmede
van de voorschriften bij of krachtens artikel 5:12 ten aanzien van de
rusttijd en de pauze, buiten beschouwing gelaten.
9.Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie
is artikel 5:8, zesde tot en met negende lid, en de bij of krachtens
artikel 5:12 gestelde regels ten aanzien van het aantal malen dat
arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Plotseling onvoorziene situaties
Artikel 5:10
1.Deze paragraaf en de op artikel 5:12, eerste lid, berustende
bepalingen zijn niet van toepassing op een werknemer van 18 jaar en
ouder die arbeid verricht in verband met een zich plotseling
voordoende onvoorziene situatie waarbij personen ernstig letsel
oplopen, dan wel daartoe de onmiddellijke dreiging bestaat, of
buitengewoon ernstige schade aan goederen ontstaat, dan wel
onmiddellijk dreigt te ontstaan, en die arbeid geen uitstel duldt en
door andere maatregelen redelijkerwijs niet is te voorkomen. De
artikelen 5:6, 5:7, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en 5:9 zijn in
afwijking van de eerste zin van toepassing.
2.De eerste zin van het eerste lid geldt slechts voor zover de
toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede
uitoefening van de in dat lid bedoelde arbeid belemmert.
3.Bij toepassing van dit artikel organiseert de werkgever de arbeid
zodanig, dat de door een werknemer niet genoten dagelijkse of
wekelijkse onafgebroken rusttijd alsnog kan worden genoten.
Artikel 5:11
Gereserveerd.
§ 5.3. Bijzondere voorschriften
Artikel 5:12
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot bepaalde arbeid of arbeid onder
bepaalde omstandigheden die afwijken van of strekken tot aanvulling
van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van:
a. de rusttijd;
b. arbeid op zondag;
c. de arbeidstijd;
d. de referentieperiode, waarover de gemiddelde arbeidstijd
wordt berekend;
e. de pauze;
f. arbeid in nachtdienst;
g. de consignatie.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met
uitzondering van arbeid verricht door defensiepersoneel, regels worden
gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot
aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid
verricht door:
a. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of
motorrijtuigen;
b. personen, werkzaam aan boord van luchtvaartuigen, zee- of
binnenschepen;
c. loodsen.
3.De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat en Onze Minister tezamen.
§ 5.4. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 5:13 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 5:14
1.Onze Minister kan, indien er zich een situatie voordoet die niet
gelegen is in functiegebonden omstandigheden van de werknemer van 18
jaar of ouder, maar die voortvloeit uit zeer bijzondere
sociaal-maatschappelijke privé-omstandigheden van die werknemer, op
verzoek van die werknemer ontheffing verlenen van artikel 5:8, achtste
en negende lid, mits het een bestendig en regelmatig arbeids- en
rusttijdenpatroon betreft waarbij die werknemer in elke periode van 4
achtereenvolgende weken ten hoogste 20 maal arbeid verricht in
nachtdienst.
2.De in het eerste lid bedoelde werknemer legt de ontheffing of een
afschrift daarvan over aan zijn werkgever.
3.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat die werknemer
geen arbeid verricht in strijd met de in het eerste lid bedoelde
ontheffing en de daarbij gegeven voorschriften.
§ 5.5. Samenloop
Artikel 5:15
1.Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop
meerdere regels, welke voortvloeien uit de op artikel 5:12, tweede
lid, of artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende
bepalingen of paragraaf 5.2 van toepassing zijn, geldt elk van die
regels op de onderscheiden categorieën van arbeid.
2.Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop
meerdere regels, welke hetzij voortvloeien uit de op artikel 5:12,
tweede lid, berustende bepalingen, hetzij voortvloeien uit paragraaf
5.2 en de op artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende
bepalingen, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing zijn, en
waarbij één van die regels op ten minste driekwart van de arbeid
tijdens die dienst van toepassing is met een minimum van ten minste 1
uur, geldt uitsluitend die regel gedurende die gehele dienst.
3.Indien het tweede lid niet van toepassing is en een werknemer
tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke
hetzij voortvloeien uit de op artikel 5:12, tweede lid, berustende
bepalingen, hetzij voortvloeien uit paragraaf 5.2 en de op artikel
5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen, ten aanzien
van dezelfde arbeid van toepassing zijn, en waarbij twee of meer van
die regels elk ten minste 1 uur tijdens het verrichten van die arbeid
van toepassing zijn, geldt:
a. indien het een jeugdige werknemer betreft, dat hij tijdens
die dienst ten hoogste 9 uren arbeid verricht en hij na die dienst
een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren,
b. indien het een werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat
hij tijdens die dienst ten hoogste 12 uren arbeid verricht en hij
na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11
uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7
maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren, indien de
aard van de arbeid of de bedrijfsomstandigheden dit met zich
brengen.
4.Indien een werknemer arbeid verricht in een dienst waarop een
regel, welke voortvloeit uit een op artikel 5:12, tweede lid, of
artikel 5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepaling, of
paragraaf 5.2, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing is en
deze dienst wordt gevolgd door een dienst waarop een andere regel,
welke voortvloeit uit een op artikel 5:12, tweede lid, of artikel
5:12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepaling, of paragraaf
5.2, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing is, geldt:
a. indien het een jeugdige werknemer betreft, dat hij tussen
deze 2 diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12
uren,
b. indien het een werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat
hij tussen deze diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten
minste 11 uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten
periode van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8
uren, indien de aard van de arbeid of de bedrijfsomstandigheden
dit met zich brengen.
5.Bij de toepassing van dit artikel wordt verordening (EG) nr.
561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot
harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het
wegvervoer, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3821/85 en (EG)
nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr.
3820/85 van de Raad (PbEG L 102) in acht genomen.
6.De werknemer die bij meer dan één werkgever arbeid verricht,
verstrekt aan ieder van die werkgevers uit eigen beweging tijdig de
voor de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen
nodige inlichtingen betreffende zijn arbeid.
7.De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen
arbeid verricht in strijd met dit artikel.
Artikel 5:16
1.Indien een werknemer naast het verrichten van arbeid in Nederland
tevens buiten Nederland arbeid verricht, zorgt de in Nederland
gevestigde werkgever ervoor, dat die werknemer geen arbeid verricht in
strijd met deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2.De werknemer, bedoeld in het eerste lid, verstrekt aan de in
Nederland gevestigde werkgever uit eigen beweging tijdig de voor de
naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen nodige
inlichtingen betreffende zijn arbeid.
Hoofdstuk 6. Medezeggenschapsaspecten
Beraadslaging
Artikel 6:1
De werkgever die een arbeids- en rusttijdenregeling vaststelt,
wijzigt of intrekt, bespreekt dit bij het ontbreken van een
medezeggenschapsorgaan vooraf met de belanghebbende werknemers.
Informatierecht
Artikel 6:2
1.De werkgever brengt binnen 7 dagen de inhoud van een verzoek om
ontheffing of van een op andere wijze dan schriftelijk gegeven bevel
tot het staken van de arbeid alsmede van een beschikking bij
gedagtekend schrijven ter kennis van het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers en van
werknemers, andere personen en diensten als bedoeld in artikel 14 van
de Arbeidsomstandighedenwet.
2.De in het eerste lid bedoelde termijn van 7 dagen vangt aan op de
dag volgend op die waarop het verzoek om ontheffing is ingediend of
het op een andere wijze dan schriftelijk gegeven bevel tot het staken
van de arbeid is gegeven of de beschikking aan de werkgever bekend is
gemaakt.
Vergezelrecht en recht op een onderhoud
Artikel 6:3
De werkgever stelt de leden van een medezeggenschapsorgaan in verband
met hun taak inzake arbeids- en rusttijden in de gelegenheid:
a. om de toezichthouders tijdens hun bezoek te vergezellen,
behoudens voor zover deze laatstbedoelden te kennen geven, dat
daartegen vanwege een goede uitoefening van hun taak bedenkingen
bestaan, alsmede
b. om zich buiten tegenwoordigheid van anderen met deze
toezichthouders te onderhouden.
Hoofdstuk 7. Overige bestuursrechtelijke aspecten
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:1
Voor deze wet en de daarop berustende bepalingen treedt voor de
toepassing van de afdelingen 3.6. en 4.1.2. van de Algemene wet
bestuursrecht een medezeggenschapsorgaan in de plaats van de
belanghebbende werknemers, tenzij het een beschikking betreft die zich
richt tot een nader aangeduide werknemer.
Artikel 7:2
1.Tegen een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als
bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, kan administratief beroep worden
ingesteld bij Onze Minister, met uitzondering van beschikkingen die
betrekking hebben op:
a. arbeid verricht door personen als bedoeld in artikel 5:12,
tweede lid, alsmede
b. arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks
betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als
bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a.
2.Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als
bedoeld in de artikelen 8:1, eerste lid, en 10:5, eerste lid, wordt
genomen namens Onze Minister.
3.Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als
bedoeld in de artikelen 8:1, tweede, en 10:5, tweede lid, voor zover
het betreft de arbeid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
wordt genomen namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Vrijstelling en ontheffing
Artikel 7:3
Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2:7,
eerste lid, 4:3, tweede tot en met vierde lid, en 5:12, tweede lid, kan
aan Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tezamen of
aan één van beiden de bevoegdheid worden toegekend omtrent het
verlenen van vrijstellingen en ontheffingen.
Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing
Artikel 7:4
1.Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend.
2.Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
3.Een vrijstelling of ontheffing kan worden ingetrokken, wanneer:
a. één of meer van de redenen waarom zij is verleend is of
zijn vervallen;
b. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden
hebben voorgedaan dat, indien deze ten tijde van de verlening
bekend waren geweest, de vrijstelling of de ontheffing niet of
niet in die vorm zou zijn verleend.
4.Een ontheffing kan tevens worden ingetrokken, wanneer één of
meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden
nageleefd.
Eis tot naleving
Artikel 7:5 [Vervallen per 01-04-2007]
Nadere voorschriften registratiemiddelen
Artikel 7:6
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de goedkeuring, verlening, afgifte, weigering,
schorsing, intrekking of inname door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat van het middel:
a. terzake van een deugdelijke registratie als bedoeld in
artikel 4:3, tweede en derde lid, ten aanzien van arbeid verricht
door personen werkzaam in of op motorrijtuigen;
b. ten behoeve van de controle op een deugdelijke registratie
van arbeids- en rusttijden ten aanzien van arbeid verricht door
personen werkzaam in of op motorrijtuigen, bedoeld in artikel 8:5;
c. bedoeld in artikel 9:2 ten behoeve van het installeren,
onderzoeken of herstellen van een apparaat als bedoeld in artikel
9:1, eerste lid, alsmede van het vastleggen en doorgeven van de
daarin opgeslagen gegevens.
2.De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
Artikel 7:7
1.Onze Minister van Verkeer en Waterstaat houdt een registratie bij
van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen en daarbij
behorende gegevens van betrokkenen.
2.De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen worden verwerkt in
het belang van een goede uitvoering en handhaving van de bij of
krachtens deze wet gestelde voorschriften met betrekking tot een
rechtmatig bezit en gebruik van de in artikel 7:6, eerste lid,
bedoelde middelen.
3.Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
regels worden gesteld over de verstrekking van de in het eerste lid
bedoelde gegevens aan belanghebbenden voor zover zulks in het belang
is van een goede uitvoering en handhaving van de bij of krachtens deze
wet gestelde voorschriften met betrekking tot een rechtmatig bezit en
gebruik van de in artikel 7:6, eerste lid, bedoelde middelen en over
de wijze van verwerken van deze gegevens.
Hoofdstuk 8. Toezicht
§ 8.1. Toezicht
Aanwijzing toezichthouders
Artikel 8:1
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen onder
hem ressorterende ambtenaren.
2.Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van
arbeid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet belast of mede belast de door hem aangewezen andere
ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien ambtenaren worden
aangewezen die ressorteren onder een andere minister, wordt het
besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze Minister
en die andere minister gezamenlijk.
3.In afwijking van het tweede lid wordt het aldaar bedoelde
besluit, voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden
categorieën van arbeid betreft, genomen door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
4.Van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de voorgaande leden
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat in de bij of krachtens die maatregel te bepalen gevallen
en wijze degene die arbeid verricht of doet verrichten in de
territoriale zee of de exclusieve economische zone, verplicht is de
ambtenaren, bedoeld in het eerste of tweede lid, bij de uitoefening
van hun bevoegdheden te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te
duiden plaatsen waar deze arbeid wordt of zal worden verricht. Artikel
4:3, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 8.2. Het bevel tot staken van de arbeid
Het bevel tot staken van de arbeid
Artikel 8:2
1. Een toezichthouder kan bevelen, dat, indien artikel 3:2, eerste
lid, naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden, een kind de
arbeid staakt.
2. Een toezichthouder kan bevelen dat, indien arbeid wordt verricht
die naar zijn oordeel in ernstige mate in strijd is met de bij deze
wet en de daarop berustende bepalingen gegeven regels inzake arbeids-
en rusttijden of deugdelijke registratie, voor zover aangeduid als
overtredingen in de zin van artikel 10:1 of overtredingen of
misdrijven in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de
economische delicten, een kind, de werknemer of een persoon als
bedoeld in artikel 2:7, die arbeid staakt tot op een nader te bepalen
tijdstip. Het tijdstip wordt niet later gesteld dan dat, waarop
hervatting van de arbeid wettelijk weer geoorloofd is
onderscheidenlijk deugdelijk kan worden uitgevoerd.
3. Voor zover het in het eerste en tweede lid bedoelde bevel op
enigerlei andere wijze dan schriftelijk wordt gegeven, wordt zij
binnen 7 dagen, nadat het bevel is gegeven, schriftelijk bevestigd.
4. Degene, die een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid,
heeft gegeven, is bevoegd met betrekking tot de uitvoering ervan de
nodige maatregelen te treffen, met inbegrip van de oplegging van een
last onder bestuursdwang” de nodige aanwijzingen te geven en de hulp
van de sterke arm in te roepen.
5. Degene die het bevel heeft gegeven, kan dit bevel te allen tijde
intrekken.
Aansprakelijkheid
Artikel 8:3
1. Een ieder, wie zulks aangaat, gedraagt zich overeenkomstig een
bevel als bedoeld in artikel 8:2, eerste en tweede lid, en een
maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vierde lid van dat artikel.
2. Een gedraging in strijd met het eerste lid is een misdrijf in de
zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten.
§ 8.3. Geheimhouding
Artikel 8:4
De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij
uit hoofde van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding
van de namen van de personen door wie een klacht is ingediend of
aangifte is gedaan van een overtreding of misdrijf in de zin van artikel
2, derde lid, van de Wet op de economische delicten voor zover
betrekking hebbend op deze wet en de daarop berustende bepalingen,
behoudens wanneer deze personen hen schriftelijk hebben verklaard tegen
de mededeling van hun namen geen bedenkingen te hebben.
§ 8.4. Controlemiddelen toezichthouders
Artikel 8:5
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de aanvraag en het gebruik van middelen door
toezichthouders ten behoeve van de controle op een deugdelijke
registratie van arbeids- en rusttijden ten aanzien van arbeid verricht
door personen werkzaam in of op motorrijtuigen.
2.De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
Artikel 8:6
1.Een toezichthouder kan afgifte vorderen van een middel terzake
van de deugdelijke registratie, bedoeld in artikel 4:3, derde lid, dat
betrekking heeft op arbeid verricht door personen in of op
motorrijtuigen, in bij algemene maatregel van bestuur omschreven
gevallen van onrechtmatig bezit en gebruik van dat middel.
2.Een ieder is op eerste vordering verplicht tot afgifte van een
door hem gehouden middel als bedoeld in het eerste lid.
3.Een ingevorderd middel wordt met een door de toezichthouder
opgemaakt rapport inzake de toedracht van vordering tot afgifte
gezonden aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
4.De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
§ 8.5. Gegevensuitwisseling
Artikel 8:7
1. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht
desgevraagd aan Onze Minister en de toezichthouder kosteloos alle
gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering en het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet en dit noodzakelijk is ten behoeve van een
samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
2. Onze Minister en de toezichthouder verstrekken andere
bestuursorganen kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn
verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet, welke noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van hun wettelijke taak en dit noodzakelijk is ten behoeve
van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde
instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen en de toezichthouder kunnen bij
het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid,
vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder
geval gegevens worden verstrekt.
Hoofdstuk 9. Zelfstandige bestuursorganen
Dienst Wegverkeer
Artikel 9:1
1.De Dienst Wegverkeer is belast met het erkennen van natuurlijke
of rechtspersonen die een apparaat ter controle van de naleving van de
bij of krachtens de in de artikelen 2:7 en 5:12, tweede lid, bedoelde
algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, voor zover het
betreft arbeid verricht door personen, werkzaam in of op
motorrijtuigen, installeren, onderzoeken of herstellen.
2.De Dienst Wegverkeer is belast met het toezicht op het
installeren, onderzoeken en herstellen van de in het eerste lid
bedoelde apparaten door de in dat artikellid bedoelde erkende
natuurlijke of rechtspersonen.
3.De Dienst Wegverkeer is belast met het goedkeuren van
registratiebladen en van de in het eerste lid bedoelde apparaten.
Artikel 9:2
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent:
a. de erkenning van de natuurlijke of rechtspersonen, bedoeld
in artikel 9:1, eerste lid, de aanvraag van een erkenning, de voor
een erkenning gestelde eisen, en de aan een erkenning te verbinden
voorschriften en de intrekking of schorsing van een erkenning;
b. de aanvraag en het gebruik van middelen ten behoeve van het
installeren, onderzoeken of herstellen van een apparaat als
bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, alsmede van het vastleggen en
doorgeven van de daarin opgeslagen gegevens;
c. de aanvraag van een goedkeuring als bedoeld in artikel 9:1,
derde lid.
2.De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
Hoofdstuk 10. Bestuursrechtelijke handhaving
§ 10.1. Overtredingen
Aanwijzing overtredingen
Artikel 10:1
Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen
3:2, eerste en vierde lid, 3:3, tweede lid, 3:4, 3:5, eerste lid, 4:1,
zesde lid, 4:3, eerste lid, 4:6, 5:3, eerste en tweede lid, 5:4, eerste
lid, 5:5, eerste en tweede lid, 5:7, eerste en tweede lid, 5:8, eerste
tot en met vijfde lid, zevende en negende lid, 5:9, eerste tot en met
zevende lid, 5:14, derde lid, 5:15, zevende lid, 5:16, eerste lid, voor
zover het niet naleven van dit artikellid een overtreding oplevert, 8:6,
tweede lid, alsmede – voor zover aangeduid als overtredingen – de
voorschriften krachtens de artikelen 2:7, eerste lid, 4:3, tweede tot en
met vierde lid, 5:12, eerste en tweede lid, 8:1, vijfde lid, en 9:2,
eerste lid, ten aanzien van het gebruik van middelen ten behoeve van het
installeren, onderzoeken of herstellen van een apparaat als bedoeld in
artikel 9:1, eerste lid.
Aanduiding pleger beboetbaar feit [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 10:2 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 10.2. Het boeterapport
Boeterapport
Artikel 10:3
1. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt het rapport in ieder geval:
a. de bij de overtreding betrokken persoon of personen;
b. het officiële nummer waaronder het desbetreffende
vervoermiddel is geregistreerd, voor zover in verband met de
overtreding van belang.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van artikel 10:5,
eerste of tweede lid, aangewezen ambtenaar.
§ 10.3. Oplegging van de boete
Kennisgeving boete oplegging [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 10:4 [Vervallen per 01-07-2009]
Het opleggen van de boete
Artikel 10:5
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de
natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke
voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor
zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
2. Voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden
categorieën van arbeid betreft legt een daartoe door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen aangewezen
ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke persoon of
rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit
deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet
naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
3. De ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of
ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot
elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.
4. Indien een werknemer die in dienst is van een buiten Nederland
gevestigde werkgever in diens opdracht arbeid verricht voor een in
Nederland gevestigde werkgever, rusten de verplichtingen welke
voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor
zover deze zijn aangeduid als overtredingen, mede op de hiervoor
bedoelde in Nederland gevestigde werkgever.
Geen oplegging van de bestuurlijke boete
Artikel 10:6
Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien een gedraging die in
strijd is met deze wet of de daarop berustende bepalingen, tevens een
strafbaar feit als bedoeld in artikel 11:3, eerste tot en met derde lid,
oplevert.
De hoogte van de bestuurlijke boete
Artikel 10:7
1. De bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding kan
worden opgelegd, is, indien begaan door:
a. een natuurlijke persoon, gelijk aan de geldsom van ten
hoogste € 11 250,
b. een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste €
45 000.
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel
10:5, eerste of tweede lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen
bestuurlijke boete met 50%, indien op de dag van het constateren van
de overtreding nog geen 24 maanden zijn verstreken nadat een eerdere
overtreding bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke
verplichting is geconstateerd en de boete wegens de eerdere
overtreding onherroepelijk is geworden.
3. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen
voor de overtredingen worden vastgesteld. Voor overtredingen begaan
door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, stellen Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen
beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen
worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is
van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op
grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is
nageleefd.
4. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de boete ook
ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
De boetebeschikking [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 10:8 [Vervallen per 01-07-2009]
Vervaltermijn [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 10:9 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 10.4. Inlichtingenplicht en terugbetaling
Inlichtingenplicht jegens de boeteoplegger
Artikel 10:10
De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verstrekt
desgevraagd aan de daartoe op grond van artikel 10:5, eerste of tweede
lid, aangewezen ambtenaar de inlichtingen die redelijkerwijs voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete nodig zijn.
Aanmaning [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 10:11 [Vervallen per 01-07-2009]
Dwangbevel [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 10:12 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 10.5. Terugbetaling
Terugbetaling
Artikel 10:13
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze
binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten
onrechte is vastgesteld, aan de rechthebbende terugbetaald.
§ 10.6. Bijzondere voorschriften voor bestuurders van motorrijtuigen
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland
Begrippen
Artikel 10:14
1.Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. Verordening (EEG) nr. 3820/85: Verordening (EEG) nr. 3820/85
van de Raad van de Europese gemeenschappen van 20 december 1985
tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor
het wegvervoer (PbEG L 370);
b. voertuig: een motorrijtuig en een trekker;
c. kenteken: het kenteken waaronder een voertuig in het
buitenland is geregistreerd.
2.Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder
«bestuurder», «motorrijtuig» en «trekker» hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, onderdeel 3, onderscheidenlijk artikel 1,
onderdeel 2, aanhef en onderdelen a en b, van Verordening (EEG) nr.
3820/85 (PbEG L 370).
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 10:15
In afwijking van de paragrafen 10.2 tot en met 10.4, met uitzondering
van artikel 10:7 eerste en derde lid, kan deze paragraaf worden
toegepast indien de overtreding heeft plaatsgevonden met of door middel
van een voertuig waarvan aannemelijk is dat de houder van het kenteken
geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft of dat de
bestuurder van een voertuig in Nederland geen bekende woon- of
verblijfplaats heeft.
Artikel 10:16
1. Een bestuurlijke boete wordt opgelegd door de toezichthouder,
bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, of in artikel 8:1, tweede lid, ten
aanzien van de in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, bedoelde
personen ten aanzien van arbeid door hen verricht in of op
motorrijtuigen.
2. Onverminderd artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt de beschikking in ieder geval:
a. het officiële nummer waaronder het desbetreffende voertuig
is geregistreerd;
b. de houder van het kenteken.
Betaling van de boete
Artikel 10:17
De in artikel 10:16 bedoelde toezichthouders kunnen vorderen dat de
bestuurlijke boete terstond wordt voldaan.
Voorlopige maatregelen
Artikel 10:18
De in artikel 10:16 bedoelde toezichthouders zijn bevoegd bij wijze
van voorlopige maatregel het voertuig naar een door hen aangewezen
plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen, dan wel aan het
voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor
verhinderd wordt dat het voertuig wordt weggereden. Zij kunnen vorderen
dat, alvorens het voertuig aan de bestuurder wordt teruggegeven, naast
de kosten van overbrenging en bewaring eveneens de bestuurlijke boete
zal worden voldaan.
Hoofdstuk 11. Strafbaarstelling en daarmee samenhangende bepalingen
Toepasselijkheid Nederlandse strafwet
Artikel 11:1
De Nederlandse strafwet is mede van toepassing op de Nederlander en
de in Nederland gevestigde werkgever die zich buiten Nederland schuldig
maakt aan een overtreding van de regels, welke voortvloeien uit de op de
artikelen 2:7, eerste lid, 4:3, tweede tot en met vierde lid, en 5:12,
tweede lid, berustende bepalingen, voor zover deze regels betrekking
hebben op arbeid verricht door personen, werkzaam in of op
motorrijtuigen.
Bijzondere aansprakelijkheid
Artikel 11:2
1.Indien een werknemer die in dienst is van een buiten Nederland
gevestigde werkgever in diens opdracht arbeid verricht voor een in
Nederland gevestigde werkgever, rusten de verplichtingen welke
voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor
zover deze zijn aangeduid als strafbare feiten, mede op de hiervoor
bedoelde in Nederland gevestigde werkgever.
2.Indien een werknemer een tot hem in de op grond van artikel 5:12,
tweede lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur gerichte
bepaling niet naleeft, kan in die maatregel worden bepaald, dat de
werkgever wordt aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft
nageleefd.
Strafbepalingen
Artikel 11:3
1. Het niet naleven van een bepaling, genoemd in artikel 10:1 wordt
aangemerkt als een strafbaar feit, indien tweemaal binnen een aan de
dag van het constateren van dat beboetbare feit voorafgaande periode
van 48 maanden, met respectievelijke tussenliggende perioden van ten
hoogste 24 maanden, voor een beboetbaar feit bestaande uit het niet
naleven van eenzelfde wettelijke verplichting een bestuurlijke boete
is opgelegd die onherroepelijk is geworden, behoudens in bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
2. Het niet naleven van artikel 3:2, eerste en vierde lid, en 3:3,
tweede lid, wordt aangemerkt als een strafbaar feit indien een kind
bij het verrichten van arbeid een ongeval overkomt dat ernstig
lichamelijk of geestelijk letsel of de dood ten gevolge heeft of
indien redelijkerwijs te verwachten is dat de hiervoor genoemde
gevolgen aan het verrichten van arbeid zijn verbonden.
3. Bij arbeid verricht door de in artikel 5:12, tweede lid,
bedoelde personen wordt het niet naleven van de artikelen 5:3, eerste
en tweede lid, 5:4, eerste lid, 5:5, eerste en tweede lid, 5:7, eerste
en tweede lid, 5:8, eerste tot en met vijfde lid, zevende en negende
lid, 5:9, eerste tot en met zevende lid, 5:14, derde lid, 5:15,
zevende lid, 5:16, eerste lid, voor zover het niet naleven van dit
artikellid een overtreding oplevert alsmede – voor zover aangeduid
als overtredingen – de voorschriften krachtens de artikelen 2:7,
eerste lid, en 5:12, tweede lid, aangemerkt als strafbaar feit, als
daardoor de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht of
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verkeersveiligheid ernstig
in gevaar is gebracht.
4. Een strafbaar feit als bedoeld in dit artikel is een overtreding
in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische
delicten.
Strafoplegging
Artikel 11:4
De terzake van deze wet in de Wet op de economische delicten
strafbaar gestelde feiten, gelden ten opzichte van elk persoon, met of
ten aanzien van wie de overtreding van deze wet en de daarop berustende
bepalingen is gepleegd, en met betrekking tot elke dag in de loop
waarvan deze overtreding is gepleegd.
Uitreiking gerechtelijke mededelingen
Artikel 11:5
De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende
overtredingen, welke voortvloeien uit een op de artikelen 4:3, tweede
tot en met vierde lid, en 5:12, tweede lid, berustende bepaling, met
betrekking tot personen, werkzaam in of op een motorrijtuig, begaan door
een niet in Nederland gevestigde werkgever, kan eveneens geschieden aan
de bestuurder van dat motorrijtuig die zich bereid verklaart om de
mededeling onverwijld aan degene voor wie zij is bestemd te doen
toekomen.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Voordracht
Artikel 12:1
Waar in deze wet niet anders wordt bepaald, wordt de voordracht tot
een algemene maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister.
Tarifering
Artikel 12:2
1.Onze Minister stelt de vergoeding vast die verschuldigd is voor
de kosten van de stukken, opgemaakt op grond van deze wet en de daarop
berustende bepalingen alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de
kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag, tenzij zulks
betrekking heeft op de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden
categorieën van arbeid.
2.Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt de vergoeding vast
die verschuldigd is voor de kosten van de stukken, opgemaakt of
middelen afgegeven, op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen voor de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden
categorieën van arbeid, alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de
kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag voor die
onderscheiden categorieën van arbeid.
3.Het aan het goedkeuren, aan het toezicht en aan de erkenning,
bedoeld in artikel 9:1, verbonden tarief alsmede de wijze van betaling
daarvan worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer en kunnen voor
verschillende vormen van toezicht en verschillende soorten van
erkenningen verschillend worden gesteld. Artikel 4q, eerste lid, van
de Wegenverkeerswet 1994 is van overeenkomstige toepassing.
Citeertitel
Artikel 12:3
Deze wet wordt aangehaald als: Arbeidstijdenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 november 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negentiende december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|