Nadere regelgeving:
- Archiefbesluit 1995
- Archiefregeling
- Regeling bouw en inrichting archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen' (vervallen)
- Regeling duurzaamheid
archiefbescheiden' (vervallen)
- Regeling geordende en toegankelijke staat
archiefbescheiden' (vervallen)
WET van 28 april 1995, houdende
vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 1962, 313) en in verband daarmede
wijziging van enige andere wetten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de ontwikkelingen op het
gebied van het archiefwezen het wenselijk maken de Archiefwet 1962 te
vervangen en in verband daarmede enige andere wetten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
b. overheidsorgaan:
1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld, of
2°. een ander persoon of college met enig openbaar gezag
bekleed;
c. archiefbescheiden:
1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen
ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te
berusten;
2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige
bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of
personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn
overgegaan;
3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge
overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen
dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn
opgenomen om daar te berusten;
4°. reprodukties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens
de wet in de plaats zijn gesteld van de onder 1°, 2° of 3°
bedoelde archiefbescheiden of welke op grond van het bepaalde in
artikel 7 zijn vervaardigd;
d. zorgdrager: degene die bij of krachtens de wet belast is met
de zorg voor de archiefbescheiden;
e. archiefruimte: een ruimte, bestemd of aangewezen voor de
bewaring van archiefbescheiden in afwachting van hun overbrenging
ingevolge artikel 12, eerste lid of 13, eerste lid;
f. archiefbewaarplaats: een bij of krachtens deze wet voor de
blijvende bewaring van archiefbescheiden aangewezen bewaarplaats.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
worden onder overheidsorganen tevens begrepen overheidsorganen, welke
voor of na de inwerkingtreding van deze wet zijn of zullen worden
opgeheven.
Artikel 2a
Het verbod persoonsgegevens te verwerken, bedoeld in artikel 16 van
de Wet bescherming persoonsgegevens, geldt niet voor verwerkingen die
verband houden met:
a. de vervanging van archiefbescheiden, bedoeld in artikel 7;
b. de overbrenging van archiefbescheiden naar een
archiefbewaarplaats, bedoeld in de artikelen 12 en 13;
c. de opneming van archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, onder 3°, in een archiefbewaarplaats, of;
d. het beheer van archiefbescheiden die in een
archiefbewaarplaats berusten, met uitzondering van het ter
raadpleging of gebruik beschikbaar stellen van zodanige
archiefbescheiden.
Hoofdstuk II. Archiefbescheiden in het algemeen
Artikel 3
De overheidsorganen zijn verplicht de onder hen berustende
archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen
en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de
daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.
Artikel 4
1. Een regeling, waarbij overheidsorganen worden opgeheven,
samengevoegd of gesplitst, dan wel waarbij een of meer taken van een
overheidsorgaan worden overgedragen aan een ander overheidsorgaan,
houdt een voorziening in omtrent hun archiefbescheiden.
2. Een regeling, waarbij een tijdelijk overheidsorgaan wordt
ingesteld, houdt een voorziening in omtrent de bewaring van de
archiefbescheiden na zijn opheffing.
3. Een regeling, waarbij taken van een overheidsorgaan geheel of
gedeeltelijk worden overgedragen aan een rechtspersoon houdt een
voorziening in omtrent de terbeschikkingstelling aan die rechtspersoon
van de op die taken betrekking hebbende archiefbescheiden, voor zover
deze niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, voor een
tijdvak van ten hoogste twintig jaar. Deze voorziening houdt tenminste
in een nadere bepaling van het in de eerste volzin bedoelde tijdvak,
alsmede een bepaling omtrent het toezicht op het beheer van de
desbetreffende archiefbescheiden, overeenkomstig het bij of krachtens
deze wet bepaalde.
Artikel 5
1. De zorgdrager is verplicht tot het ontwerpen van selectielijsten
waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor
vernietiging in aanmerking komen.
2. De lijsten worden, nadat Onze minister de Raad voor cultuur,
bedoeld in artikel 2a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, heeft
gehoord, vastgesteld, voor zover het betreft:
a. archiefbescheiden van de Eerste en de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat en het Kabinet
van de Koning: bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
minister, in overeenstemming met het betrokken overheidsorgaan;
b. archiefbescheiden van de ministeries: door Onze minister en
Onze minister wie het mede aangaat;
c. archiefbescheiden van andere overheidsorganen: door Onze
minister.
3. Een besluit tot vaststelling van een selectielijst wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 6
Tot vernietiging van in een rijksarchiefbewaarplaats berustende
archiefbescheiden mag Onze minister slechts overgaan na machtiging van
degene, op wiens last deze archiefbescheiden zijn overgebracht.
Artikel 7
De zorgdrager is bevoegd archiefbescheiden te vervangen door
reprodukties, teneinde de aldus vervangen bescheiden te vernietigen.
Voor de vervanging van archiefbescheiden die niet als te vernietigen
worden aangemerkt in de in artikel 5 bedoelde lijsten, is een machtiging
vereist van Onze minister dan wel, indien het archiefbescheiden betreft
voor de bewaring waarvan een andere dan een rijksarchiefbewaarplaats is
aangewezen, van gedeputeerde staten. Deze machtiging houdt tevens een
machtiging tot vernietiging in.
Artikel 8
1. De zorgdrager is bevoegd tot vervreemding van niet in een
rijksarchiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, voor zover het
betreft:
a. archiefbescheiden van de Eerste en de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat en het Kabinet
van de Koning: na een bij koninklijk besluit, op voordracht van
Onze minister, verleende machtiging;
b. archiefbescheiden van andere overheidsorganen: na machtiging
van Onze minister.
2. Voor de vervreemding van archiefbescheiden als bedoeld in het
eerste lid is geen machtiging vereist indien de vervreemding geschiedt
ter uitvoering van een in enige wet neergelegd voorschrift.
3. Tot vervreemding van in een rijksarchiefbewaarplaats berustende
archiefbescheiden mag Onze minister slechts overgaan ter uitvoering
van een in enige wet neergelegd voorschrift of na machtiging van
degene, op wiens last deze archiefbescheiden zijn overgebracht.
Artikel 9
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent het ontwerpen van lijsten als bedoeld in
artikel 5 alsmede omtrent de vervanging en vervreemding van
archiefbescheiden.
2. Onze Minister-President kan regels stellen op grond waarvan in
geval van buitengewone omstandigheden kan worden afgeweken van hetgeen
in deze wet is bepaald met betrekking tot de vernietiging van
archiefbescheiden.
Artikel 10
Indien archiefbescheiden ten onrechte berusten onder een ander
overheidsorgaan dan dat waaronder zij behoren te berusten, zien de
betrokken zorgdragers erop toe, dat die bescheiden te bestemder plaatse
geraken.
Artikel 11
1. Ieder die archiefbescheiden onder zich heeft, is verplicht deze
binnen vier weken, nadat hij een daartoe strekkende kennisgeving heeft
ontvangen, aan het overheidsorgaan, waaronder zij volgens de
bepalingen van deze wet zouden behoren te berusten, voor rekening en
risico van dit overheidsorgaan af te staan, teneinde het in de
gelegenheid te stellen hiervan een reproduktie te vervaardigen.
2. Het overheidsorgaan geeft de archiefbescheiden binnen vier weken
na ontvangst terug aan degene, die deze heeft afgestaan, ook al kan de
overheid op die bescheiden uit anderen hoofde rechten doen gelden.
Artikel 12
1. De zorgdrager brengt de archiefbescheiden die niet voor
vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar over
naar een archiefbewaarplaats.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld, die bij de overbrenging van archiefbescheiden in acht dienen
te worden genomen.
Artikel 13
1.De zorgdrager kan archiefbescheiden die niet voor vernietiging in
aanmerking komen en jonger zijn dan twintig jaar naar een
archiefbewaarplaats overbrengen, wanneer naar het oordeel van de
beheerder van de archiefbewaarplaats voldoende aanleiding bestaat
hiervoor ruimte beschikbaar te stellen.
2.Een afwijzende beslissing krachtens het eerste lid kan door
degene aan wie de beheerder onmiddellijk ondergeschikt is worden
herzien.
3.Indien archiefbescheiden ouder dan twintig jaar door het
overheidsorgaan nog veelvuldig worden gebruikt of geraadpleegd kan op
verzoek van de zorgdrager machtiging tot opschorting van de
overbrenging van die archiefbescheiden worden verleend door Onze
minister dan wel, indien het archiefbescheiden betreft voor de
bewaring waarvan een andere dan een rijksarchiefbewaarplaats is
aangewezen, door gedeputeerde staten.
4.De in het derde lid bedoelde machtiging, waaraan voorwaarden
kunnen worden verbonden, wordt verleend voor een periode van ten
hoogste tien jaar, na afloop waarvan verlenging kan worden verkregen.
Artikel 14
De archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten zijn,
behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17, openbaar. Ieder is,
behoudens de beperkingen die voortvloeien uit het in die artikelen
bepaalde, bevoegd die archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en
daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen
te maken of op zijn kosten te doen maken.
Artikel 15
1. Bij de overbrenging van de in artikel 1, onder c 1° en 2°,
bedoelde archiefbescheiden kan de zorgdrager, na advies van de
beheerder van de archiefbewaarplaats, slechts beperkingen aan de
openbaarheid stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op:
a. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten;
c. het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of
benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen
danwel van derden.
2. De zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats
berustende archiefbescheiden kan, na de in het eerste lid bedoelde
overbrenging, niet alsnog beperkingen als bedoeld in het eerste lid
stellen, tenzij zich na het tijdstip van overbrenging omstandigheden
hebben voorgedaan die, waren zij op dat tijdstip bekend geweest, tot
het stellen van beperkingen aan de openbaarheid ingevolge het eerste
lid zouden hebben geleid.
3. De zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats
berustende archiefbescheiden, kan, gehoord degene op wiens last de
archiefbescheiden zijn overgebracht, de ingevolge het eerste of het
tweede lid aan de openbaarheid gestelde beperkingen opheffen, dan wel
ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing laten, indien het
belang van de gestelde beperking niet opweegt tegen diens belang tot
raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden.
4. Ingevolge het eerste of het tweede lid aan de openbaarheid
gestelde beperkingen hebben geen betrekking op archiefbescheiden die
ouder zijn dan vijfenzeventig jaar, tenzij door Onze minister dan wel,
indien het archiefbescheiden betreft voor de bewaring waarvan een
andere dan een rijksarchiefbewaarplaats is aangewezen, door
gedeputeerde staten anders wordt beslist.
5. Het derde lid is niet van toepassing op archiefbescheiden aan de
openbaarheid waarvan beperkingen zijn gesteld met het oog op het
belang van de Staat of zijn bondgenoten.
6. In geval van archiefbescheiden die het belang van de Staat of
zijn bondgenoten betreffen vindt het vierde lid slechts toepassing
voor zover de ministerraad niet anders beslist.
7. Met betrekking tot de in het vijfde lid bedoelde
archiefbescheiden zijn van toepassing de regelingen inzake het recht
op informatie die zouden gelden indien de archiefbescheiden niet naar
een archiefbewaarplaats waren overgebracht.
Artikel 15a
1. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, is niet van
toepassing voorzover in de archiefbescheiden milieu-informatie als
bedoeld in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer is neergelegd.
2. Voorzover in de in de archiefbewaarplaats berustende
archiefbescheiden milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a van
de Wet milieubeheer is neergelegd, laat de zorgdrager, in afwijking
van artikel 15, derde lid, de ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef
en onder c, of tweede lid, aan de openbaarheid gestelde beperkingen
ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing.
3. In afwijking van artikel 15, eerste lid, onder a, en tweede lid
in verbinding met het eerste lid, onder a, worden geen beperkingen aan
de openbaarheid gesteld voorzover in de archiefbescheiden neergelegde
milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer
betrekking heeft op emissies in het milieu.
4. Voorzover in de in de archiefbewaarplaats berustende
archiefbescheiden milieu-informatie die betrekking heeft op emissies
in het milieu is neergelegd, laat de zorgdrager in afwijking van
artikel 15, derde lid, ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats
berustende archiefbescheiden, de ingevolge artikel 15, eerste lid,
onder a, of tweede lid in verbinding met het eerste lid, onder a, aan
de openbaarheid gestelde beperkingen ten aanzien van een verzoeker
buiten toepassing.
Artikel 16
1. De openbaarheid van de in artikel 1, onder c 3°, bedoelde
archiefbescheiden kan worden beperkt bij de desbetreffende
overeenkomsten en beschikkingen.
2. Indien deze archiefbescheiden uit anderen hoofde in een
archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten, kan de
zorgdrager beperkingen aan de openbaarheid stellen. Het in artikel 15
bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1. De beheerder van een archiefbewaarplaats stelt de daar
berustende archiefbescheiden aan de verzoeker ter raadpleging of
gebruik beschikbaar met inachtneming van de aan de openbaarheid
gestelde beperkingen.
2. De beheerder is bevoegd een verzoek tot raadpleging of gebruik
van archiefbescheiden af te wijzen, indien naar zijn oordeel de
toestand van de archiefbescheiden zich daartegen verzet of deze aan de
verzoeker niet veilig kunnen worden toevertrouwd.
3. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk
verzoek tot raadpleging of gebruik vindt schriftelijk plaats. In geval
van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats,
indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze
mogelijkheid gewezen.
4. Indien de aard of de mate van raadpleging of gebruik van
archiefbescheiden een ernstige bedreiging vormt voor hun toestand, is
de beheerder bevoegd te bepalen dat in de plaats van die
archiefbescheiden reprodukties, niet zijnde archiefbescheiden als
bedoeld in artikel 1, onder c 4°, ter beschikking worden gesteld.
Artikel 18
1. De beheerder van een archiefbewaarplaats is verplicht
archiefbescheiden voor een bepaalde tijd uit te lenen aan het
overheidsorgaan, waaronder de bescheiden, indien zij niet naar een
archiefbewaarplaats waren overgebracht, zouden berusten, tenzij naar
zijn oordeel de toestand van de archiefbescheiden zich daartegen
verzet.
2. De beheerder van een archiefbewaarplaats is, met inachtneming
van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen, bevoegd
archiefbescheiden voor een bepaalde tijd uit te lenen aan een
instelling, mits een deskundig beheer en een veilige bewaring zijn
gewaarborgd. Aan een zodanige uitlening kunnen voorwaarden worden
verbonden.
3. De beheerder is bevoegd een verzoek tot uitlening als bedoeld in
het tweede lid af te wijzen, indien naar zijn oordeel de toestand van
de archiefbescheiden zich daartegen verzet of deze aan de verzoeker
niet veilig kunnen worden toevertrouwd.
4. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk
verzoek tot raadpleging of gebruik vindt schriftelijk plaats. In geval
van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats,
indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze
mogelijkheid gewezen.
5. Indien de aard of de mate van raadpleging of gebruik van de
archiefbescheiden bij de in het tweede lid bedoelde uitlening een
ernstige bedreiging vormt voor hun toestand, is de beheerder bevoegd
te bepalen dat in de plaats van die archiefbescheiden reprodukties
worden uitgeleend.
6. De aan de uitlening verbonden kosten kunnen de verzoeker in
rekening worden gebracht.
Artikel 19
De zorgdrager stelt, indien de kosten, bedoeld in de artikelen 14 en
18, zesde lid, in rekening worden gebracht, regels omtrent die kosten.
Artikel 20
De beheerder van een archiefbewaarplaats is bevoegd afschriften af te
geven van een authentieke akte die volgens deze wet door hem bewaard
moet worden.
Artikel 21
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de duurzaamheid van door overheidsorganen
op te maken archiefbescheiden, omtrent de bouw, verbouwing, inrichting
en verandering van inrichting van archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen, alsmede omtrent de ingebruikneming van gebouwen
of gedeelten van gebouwen als archiefruimte of archiefbewaarplaats.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het in geordende en toegankelijke
staat brengen en bewaren van archiefbescheiden.
Artikel 22
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de opleiding tot en het verkrijgen van diploma's in de
archivistiek.
Hoofdstuk III. Archiefbescheiden van het rijk
Artikel 23
1. De Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de andere Hoge
Colleges van Staat, de directeur van het Kabinet van de Koning en Onze
ministers dragen zorg voor hun archiefbescheiden, voor zover deze niet
zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats.
2. Onze commissarissen in de provincie dragen zorg voor de
archiefbescheiden die verband houden met de taken, bedoeld in artikel
182, eerste en tweede lid, van de Provinciewet, voor zover deze
archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een
rijksarchiefbewaarplaats.
3. Onze minister draagt tevens zorg voor de archiefbescheiden, die
in de rijksarchiefbewaarplaatsen berusten.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde zorg wordt uitgeoefend.
Artikel 24
1. Onze minister is bevoegd overheidsorganen als bedoeld in de
artikelen 23, eerste lid en tweede lid, en 41, eerste lid, er op te
wijzen dat zij dienen te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens
deze wet.
2. Onze minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang in geval een overheidsorgaan een aanwijzing als bedoeld
in het eerste lid niet opvolgt.
3. Onze minister maakt van zijn bevoegdheid, genoemd in het tweede
lid, geen gebruik dan na overleg met het betrokken overheidsorgaan.
4. De bevoegdheid, genoemd in het tweede lid, geldt niet ten
aanzien van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de andere
Hoge Colleges van Staat en het Kabinet van de Koning.
Artikel 25
1. Er is onder de bevelen van Onze minister een rijksarchiefdienst,
aan het hoofd waarvan staat de algemene rijksarchivaris, die in het
bezit dient te zijn van een diploma archivistiek.
2. De rijksarchiefdienst heeft tot taak:
a. het beheer van de in de rijksarchiefbewaarplaatsen
berustende archiefbescheiden;
b. het verrichten van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur of door Onze minister opgedragen taken.
Artikel 25a
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet
bepaalde ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld
in de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 41, eerste lid, zijn
belast de bij besluit van Onze minister als hoofdinspecteur en
inspecteurs aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
3. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd in
artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Indien een toezichthouder met toepassing van artikel 5:15 van de
Algemene wet bestuursrecht een ruimte betreedt waarin de in de
artikelen 23, eerste of tweede lid, dan wel artikel 41, eerste lid,
bedoelde archiefbescheiden worden bewaard, dan wel met toepassing van
artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht inzage vordert van die
archiefbescheiden, neemt hij de voorschriften ten aanzien van de
beveiliging van geheimen in acht.
Artikel 25b
1. De hoofdinspecteur, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, doet aan
het overheidsorgaan mededeling van de bevindingen van het toezicht en
van de voorzieningen die naar zijn oordeel dienen te worden getroffen.
2. Hij brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze minister schriftelijk
verslag uit van de bevindingen van het toezicht gedurende het
afgelopen kalenderjaar. Onze minister legt dit verslag, vergezeld van
zijn standpunt, over aan de Staten-Generaal.
Artikel 26
1. Te 's-Gravenhage is gevestigd de algemene
rijksarchiefbewaarplaats, welke is bestemd voor de bewaring van de
archiefbescheiden der overheidsorganen, waarvan de functies zich over
het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt. De algemene
rijksarchivaris is daarvan de beheerder.
2. In de hoofdplaats van elke provincie is gevestigd een
rijksarchiefbewaarplaats, welke is bestemd voor de bewaring van de
archiefbescheiden van de provinciale organen. Voorts is de
rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van een provincie bestemd
voor de bewaring van de archiefbescheiden van de in die provincie
gevestigde organen van het rijk, van de voormalige provinciale en
departementale besturen en van de in artikel 41, eerste lid, bedoelde
overheidsorganen, waarvan de functies zich niet over het gehele rijk
uitstrekken of hebben uitgestrekt. Een rijksarchivaris, die in het
bezit dient te zijn van een diploma archivistiek, is daarvan de
beheerder.
3. Bij koninklijk besluit kunnen andere rijksarchiefbewaarplaatsen
worden aangewezen of gevestigd dan de in het eerste en tweede lid
bedoelde.
4. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald, dat archiefbescheiden
van overheidsorganen, waarvan de functies zich over het gehele rijk
uitstrekken of hebben uitgestrekt, worden bewaard in de
rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van de provincie, waarin
deze overheidsorganen gevestigd zijn of zijn geweest.
5. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald, dat archiefbescheiden
van overheidsorganen, waarvan de functies zich over meer dan een
provincie doch niet over het gehele rijk uitstrekken of hebben
uitgestrekt, worden bewaard in de algemene rijksarchiefbewaarplaats.
6. Omtrent de bewaring in rijksarchiefbewaarplaatsen van andere dan
in het eerste en tweede lid bedoelde archiefbescheiden beslist Onze
minister.
7. Onze minister stelt de verdere inrichting van de
rijksarchiefdienst vast.
Hoofdstuk IV. Archiefbescheiden van provincies
Artikel 27
1. Overeenkomstig een door provinciale staten vast te stellen
verordening dragen gedeputeerde staten zorg voor de archiefbescheiden
van de provinciale organen, voor zover deze archiefbescheiden niet
zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
2. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid
bedoelde zorg, komen ten laste van de provincie.
Artikel 28
1. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in
artikel 27, is, onder de bevelen van gedeputeerde staten, met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet
belast de provinciale inspecteur. Met betrekking tot dit toezicht op
de naleving stellen provinciale staten een verordening vast.
2. De provinciale inspecteur, die in het bezit dient te zijn van
een diploma archivistiek, wordt door gedeputeerde staten benoemd,
geschorst en ontslagen.
Artikel 29
1. Gedeputeerde staten kunnen Onze minister voorstellen doen
omtrent het beheer van de in een rijksarchiefbewaarplaats berustende
archiefbescheiden van de provinciale organen.
2. Onze minister wijkt van dat voorstel niet af dan na overleg met
gedeputeerde staten.
Hoofdstuk V. Archiefbescheiden van gemeenten
Artikel 30
1. Overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen
verordening, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld, dragen
burgemeester en wethouders zorg voor de archiefbescheiden van de
gemeentelijke organen.
2. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid
bedoelde zorg, komen ten laste van de gemeente.
3. Onze minister kan in bijzondere gevallen een subsidie
verstrekken voor de kosten van het beheer van de in de gemeentelijke
archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, indien de aard of de
omvang van de archiefbescheiden naar zijn oordeel daartoe aanleiding
geeft.
4. In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht op de
subsidie, bedoeld in het derde lid, van toepassing.
Artikel 31
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en
artikel 13, eerste lid, over te brengen archiefbescheiden van de
gemeentelijke organen wijzen burgemeester en wethouders een
gemeentelijke archiefbewaarplaats aan.
Artikel 32
1. De gemeentelijke archiefbewaarplaats wordt beheerd door een
gemeentearchivaris, die in het bezit dient te zijn van een diploma
archivistiek of, zo geen zodanige archivaris mocht zijn benoemd, door
de secretaris.
2. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de
gemeentelijke organen, voorzover deze archiefbescheiden niet zijn
overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van
burgemeester en wethouders, met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet belast de gemeentearchivaris. Met
betrekking tot dit toezicht stelt de gemeenteraad een verordening
vast, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.
3. De gemeentearchivaris wordt door burgemeester en wethouders
benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 33
1. Overeenkomstig een door provinciale staten vast te stellen
verordening oefenen gedeputeerde staten toezicht uit op de aan
burgemeester en wethouders in artikel 30, eerste lid, opgedragen zorg
voor de archiefbescheiden. Zij bedienen zich daartoe van de in artikel
28 genoemde provinciale inspecteur.
2. Burgemeester en wethouders onderwerpen de plannen betreffende
bouw, verbouwing, inrichting of verandering van inrichting van een
archiefbewaarplaats of tot ingebruikneming van gebouwen of gedeelten
van gebouwen als archiefbewaarplaats, aan de goedkeuring van
gedeputeerde staten. Goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of het algemeen belang. Het niet tijdig bekendmaken van
een besluit omtrent goedkeuring of een besluit tot verdaging van de
beslissing omtrent goedkeuring heeft niet tot gevolg dat een besluit
tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.
3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van het in het eerste
lid bedoelde toezicht, komen ten laste van de provincie.
Artikel 34
1. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ingeval burgemeester en wethouders niet aan de in
artikel 30, eerste lid, genoemde verplichting voldoen.
2. Gedeputeerde staten maken van hun bevoegdheid, genoemd in het
eerste lid, geen gebruik dan na overleg met de betrokken
overheidsorganen.
Hoofdstuk VI. Archiefbescheiden van waterschappen
Artikel 35
1. Overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen verordening,
welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld, draagt het dagelijks
bestuur zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het
waterschap.
2. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid
bedoelde zorg, komen ten laste van het waterschap.
3. Onze minister kan in bijzondere gevallen een subsidie
verstrekken voor de kosten van het beheer van de in de
waterschapsarchiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, indien de
aard of de omvang van de archiefbescheiden naar zijn oordeel daartoe
aanleiding geeft.
4. In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht op de
subsidie, bedoeld in het derde lid, van toepassing.
Artikel 36
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en
artikel 13, eerste lid, over te brengen archiefbescheiden van de organen
van het waterschap wijst het bestuur een archiefbewaarplaats aan.
Artikel 37
1. De archiefbewaarplaats wordt beheerd door een
waterschapsarchivaris, die in het bezit dient te zijn van een diploma
archivistiek of, zo geen zodanige archivaris mocht zijn benoemd, door
de secretaris.
2. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de
organen van het waterschap, voorzover deze archiefbescheiden niet zijn
overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van
het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet belast de waterschapsarchivaris.
Met betrekking tot dit toezicht stelt het bestuur een verordening
vast, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.
3. De waterschapsarchivaris wordt door het bestuur benoemd,
geschorst en ontslagen.
Artikel 38
1. Overeenkomstig een door provinciale staten vast te stellen
verordening oefenen gedeputeerde staten toezicht uit op de aan het
dagelijks bestuur in artikel 35, eerste lid, opgedragen zorg voor de
archiefbescheiden. Zij bedienen zich daartoe van de in artikel 28
genoemde provinciale inspecteur.
2. Het dagelijks bestuur onderwerpt de plannen betreffende bouw,
verbouwing, inrichting of verandering van inrichting van een
archiefbewaarplaats of tot ingebruikneming van gebouwen of gedeelten
van gebouwen als archiefbewaarplaats, aan de goedkeuring van
gedeputeerde staten. Goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of het algemeen belang. Het niet tijdig bekendmaken van
een besluit omtrent goedkeuring of een besluit tot verdaging van de
beslissing omtrent goedkeuring heeft niet tot gevolg dat een besluit
tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.
3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van het in het eerste
lid bedoelde toezicht, komen ten laste van de provincie.
Artikel 39
1. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang in geval het dagelijks bestuur niet aan de in
artikel 35, eerste lid, genoemde verplichting voldoet.
2. Gedeputeerde staten maken van hun bevoegdheid, genoemd in het
eerste lid, geen gebruik dan na overleg met de betrokken
overheidsorganen.
Hoofdstuk VII. Archiefbescheiden van andere overheidsorganen
Artikel 40
1. Een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen
(Stb. 1989, 571) houdt tevens een voorziening in omtrent de zorg voor
de archiefbescheiden van bij die regeling ingestelde openbare lichamen
of gemeenschappelijke organen.
2. Deze voorziening wordt getroffen zoveel mogelijk overeenkomstig
de bepalingen van deze wet.
3. Zolang bij een gemeenschappelijke regeling niet is voldaan aan
de verplichting tot het treffen van een voorziening als bedoeld in het
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen die
terzake gelden voor de gemeente dan wel, indien een provincie aan de
regeling deelneemt, voor de provincie, waar het ingestelde lichaam of
orgaan is gevestigd.
Artikel 41
1. Met de zorg voor de archiefbescheiden van andere dan in de
voorafgaande artikelen bedoelde overheidsorganen, voor zover de
archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats,
is belast:
a. het dagelijks bestuur of in de gevallen, dat er geen
dagelijks bestuur is, het bestuur:
b. in andere gevallen: de persoon met enig openbaar gezag
bekleed.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de wijze waarop de in de in het eerste lid bedoelde zorg wordt
uitgeoefend.
3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid
bedoelde zorg, komen ten laste van het desbetreffende overheidsorgaan.
Hoofdstuk VIII. Strafbepaling
Artikel 42
1. Hij die aan de bij artikel 11, eerste lid, gestelde verplichting
niet voldoet, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. Het feit is een overtreding.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 43
De Archiefwet 1962 (Stb. 313) wordt ingetrokken.
Artikel 44
De voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van de artikelen 7a
en 7b van de Archiefwet 1962 aan de openbaarheid gestelde beperkingen
blijven van kracht.
Artikel 45
De onder de overheidsorganen berustende archiefbescheiden die op het
moment van de inwerkingtreding van deze wet ouder zijn dan twintig jaar,
worden op last van de zorgdrager binnen een tijdvak van tien jaar na
inwerkingtreding van deze wet naar een archiefbewaarplaats overgebracht.
Artikel 46
1.De op grond van het koninklijk besluit van 28 augustus 1919 (Stb.
547) tussen het Rijk en gemeenten getroffen regelingen met betrekking
tot de inbewaringgeving van archiefbescheiden van de rechtbanken in
eerste aanleg en van de vredegerechten blijven gehandhaafd, totdat
deze regelingen na overleg met burgemeester en wethouders van de
desbetreffende gemeente worden beëindigd.
2.De op grond van de koninklijke besluiten van 19 april 1929 (Stb.
171), 31 mei 1929 (Stb. 269), 6 juli 1929 ( Stb. 381) en 24 november
1932 (Stb. 560) tussen het Rijk en de gemeenten getroffen regelingen
met betrekking tot de inbewaringgeving van de in die besluiten
bedoelde archiefbescheiden blijven gehandhaafd, totdat deze regelingen
zijn vervangen door een regeling tot de vervreemding van die
archiefbescheiden.
3.De ingevolge de in het tweede lid genoemde koninklijke besluiten
naar een rijksarchiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden
worden, op verzoek van de desbetreffende gemeente tot vervreemding van
die archiefbescheiden, aan die gemeente overgedragen, indien zij
dientengevolge komen te berusten in een ingevolge artikel 33, tweede
lid, goedgekeurde archiefbewaarplaats, beheerd door een
gemeentearchivaris die is benoemd overeenkomstig het in artikel 32,
derde lid, bepaalde.
Artikel 47
Andere dan de in artikel 46 bedoelde inbewaringgevingen blijven in
stand tot het moment dat zij na overleg tussen de betrokken
overheidslichamen zijn beëindigd.
Artikel 48
De ingevolge artikel 3 van het Archiefbesluit (Stb. 1968, 200), zoals
dit luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, vastgestelde lijsten
van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden blijven
gehandhaafd totdat zij zijn vervangen door op grond van artikel 5 van
deze wet vastgestelde selectielijsten.
Artikel 49
De machtigingen, verleend op grond van artikel 20 van het
Archiefbesluit, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van deze wet,
blijven gelden totdat zij zijn vervangen door een machtiging afgegeven
overeenkomstig het in artikel 13, derde lid, van deze wet bepaalde.
Artikel 50
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 51
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 52
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 54
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 55
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 56
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 57
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 58
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 59
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 60
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 61
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 62
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 63
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 64
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 65
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 66
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 67
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 69
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 70
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 71
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 72
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 73
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 74
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 75
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 76
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 77
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 78
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 79
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 80
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 81
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 82
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 83
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 84
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 85
Bij plaatsing in het Staatsblad wordt de in deze wet voorkomende
aanduiding "19.." vervangen door het jaartal van het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en worden de drie puntjes in
de in deze wet voorkomende aanduiding (Stb. ...) vervangen door
het nummer van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
Artikel 86
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 87
Deze wet kan worden aangehaald als Archiefwet met vermelding van het
jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 28 april 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis
Uitgegeven de dertigste mei 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|