WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
c. het Verdrag: het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap;
d. de Europese Centrale Bank: de Europese Centrale Bank, bedoeld in
artikel 4A van het Verdrag;
e. het Europees Stelsel van Centrale Banken: het Europees Stelsel
van Centrale Banken, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag;
f. de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken: de
Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de
Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag.
2. De Bank vormt een integrerend onderdeel van het Europees
Stelsel van Centrale Banken met betrekking tot de taken en plichten die
het Verdrag aan dat Stelsel opdraagt.
Hoofdstuk II. Doelstellingen, taken en werkzaamheden van de Bank
§ 1. Doelstellingen en taken
Artikel 2
1. Ter uitvoering van het Verdrag heeft de Bank als
doelstelling het handhaven van prijsstabiliteit.
2. Ter uitvoering van het Verdrag ondersteunt de Bank,
onverminderd het doel van prijsstabiliteit, het algemene economische
beleid in de Europese Gemeenschap teneinde bij te dragen tot de
verwezenlijking van de in artikel 2 van het Verdrag omschreven
doelstellingen van de Gemeenschap.
3. De Bank handelt in overeenstemming met het beginsel van een
open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige
allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de
beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 A van het Verdrag.
4. De Bank heeft voorts als doelstelling het uitvoeren van taken,
anders dan die bedoeld in artikel 3, voorzover deze haar bij of
krachtens de wet zijn opgedragen.
Artikel 3
1. Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader
van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij aan de vervulling van
de volgende taken
a. het bepalen van het monetaire beleid en het ten uitvoer leggen
van dat beleid;
b. het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met
artikel 109 van het Verdrag;
c. het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves;
d. het verzorgen van de geldsomloop voorzover deze uit
bankbiljetten bestaat;
e. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer.
2. Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader van
het Europees Stelsel van Centrale Banken bij tot een goede
beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het
bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van
het financiële stelsel.
3. Ter uitvoering van het Verdrag is het de Bank toegestaan bij
de uitoefening van haar taken en plichten ingevolge het eerste en tweede
lid instructies te vragen aan en te aanvaarden van uitsluitend de
Europese Centrale Bank.
Artikel 4
1. De Bank heeft tot taak het uitoefenen van toezicht op
financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende
wettelijke regelingen.
2. De Bank heeft tot taak het bevorderen van de goede werking van
het betalingsverkeer.
3. De Bank heeft tot taak het verzamelen van statistische
gegevens en het vervaardigen van statistieken op de voet van de daarvoor
geldende wettelijke regelingen.
4. De Bank kan, na toestemming bij koninklijk besluit, in het
algemeen belang andere taken uitvoeren dan de in deze wet genoemde.
§ 2. Werkzaamheden
Artikel 5
De Bank is bevoegd die werkzaamheden te verrichten die nodig zijn ter
uitvoering van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde taken, waaronder
met name de werkzaamheden die in deze paragraaf zijn genoemd. De Bank
verricht deze werkzaamheden in overeenstemming met het Verdrag.
Artikel 6
De Bank is bevoegd tot het uitgeven van bankbiljetten.
Artikel 7
De Bank is bevoegd de Europese Centrale Bank bij te staan bij het
verzamelen van gegevens op de voet van artikel 5 van de Statuten van het
Europees Stelsel van Centrale Banken.
Artikel 8
1. De Bank is bevoegd tot het verrichten van transacties in de
financiële markten, daaronder het ontvangen van gelden in
rekening-courant van rekeninghouders, het in bewaring nemen van
effecten en andere voorwerpen van waarde en het verrichten van
krediettransacties voorzover deze gedekt zijn door toereikend
onderpand.
2. Op verzoek van Onze Minister verricht de Bank de in het eerste
lid bedoelde werkzaamheden ten behoeve van de Staat en ten behoeve van
instellingen die bij wet of bij koninklijk besluit in het leven zijn
geroepen.
3. Op verzoek van Onze Minister en in afwijking van het eerste
lid verstrekt de Bank aan de Staat, telkens wanneer Onze Minister dit
nodig acht voor de ordelijke afwikkeling van betalingen ten laste van de
Staat, kredieten in rekening-courant, zonder onderpand en tegen een,
tussen Onze Minister en de Bank overeen te komen rentevergoeding. De
Staat is verplicht deze kredieten af te lossen op de dag waarop zij zijn
verstrekt.
Artikel 9
De Bank kan na toestemming bij koninklijk besluit:
a. deelnemingen houden in het kapitaal van rechtspersonen, van
instellingen en van organisaties waarin haar deelname in het
kapitaal bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is
geregeld;
b. deelnemen aan de werkzaamheden van rechtspersonen, van
instellingen en van organisaties waarin haar deelname in de
werkzaamheden bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is
geregeld;
c. in het algemeen belang andere werkzaamheden verrichten dan
bedoeld in deze paragraaf.
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende de vennootschap
Artikel 10
Artikel 153 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is niet van
toepassing op de Bank.
Artikel 11
Bepalingen van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die bij toepassing
op de Bank strijdigheid opleveren met het Verdrag of de Statuten van het
Europees Stelsel van Centrale Banken zijn niet van toepassing op de
Bank. Met het oog op de uitvoering van artikel 108 van het Verdrag
worden deze bepalingen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
Artikel 12
1. De directie van de Bank is belast met het besturen van de
Bank. De directie bestaat uit een president en tenminste drie en ten
hoogste vijf directeuren.
2. De president en de directeuren worden telkens voor een periode
van 7 jaar bij koninklijk besluit benoemd. Voor elke benoeming wordt in
een gemeenschappelijke vergadering van de directie en de raad van
commissarissen een aanbevelingslijst van drie personen opgemaakt.
3. De president en de directeuren kunnen slechts uit hun functie
worden geschorst of ontheven indien zij niet meer voldoen aan de eisen
voor de uitoefening van hun functie of op ernstige wijze zijn
tekortgeschoten.
4. Met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter
verwezenlijking van de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
neemt de directie de hoedanigheid van de president als lid van de Raad
van bestuur alsmede van de Algemene Raad van de Europese Centrale Bank
in acht.
5. De salarissen en de toezeggingen omtrent het pensioen alsmede
regelingen omtrent vergoeding van onkosten van de president en de
directeuren worden vastgesteld door de raad van commissarissen en
goedgekeurd door Onze Minister.
Artikel 13
1. De raad van commissarissen bestaat uit tenminste negen en
ten hoogste twaalf leden.
2. Eén lid van de raad van commissarissen wordt van
overheidswege benoemd, telkens voor een periode van vier jaar.
3. De voorzitter alsmede de overige leden van de raad van
commissarissen worden telkens voor een periode van vier jaar benoemd
door de aandeelhouders uit een voordracht van drie personen voor elke te
vervullen plaats, opgemaakt door de raad van commissarissen. Bij
afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een
daartoe door de vergadering aangewezen lid.
4. De raad van commissarissen ziet toe op het beheer van de Bank
en stelt de jaarrekening vast. De vastgestelde jaarrekening behoeft de
goedkeuring van de aandeelhouders.
Artikel 14
1. Ten behoeve van Onze Minister kan degene die ingevolge
artikel 13, tweede lid, tot lid van de raad van commissarissen is
benoemd op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging en met
inachtneming van artikel 107 van het Verdrag bij de directie van de
Bank gegevens en inlichtingen inwinnen over de wijze waarop de Bank
haar taken uitvoert. Hij kan op verzoek van Onze Minister of uit eigen
beweging en met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag zijn
bevindingen aan Onze Minister kenbaar maken.
2. De directie van de Bank is gehouden de in het eerste lid
bedoelde persoon telkens op diens aanvraag al die gegevens en
inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke uitoefening van
zijn taak als bedoeld in het eerste lid, nodig acht, met uitzondering
van gegevens en inlichtingen die ingevolge het Verdrag of de in artikel
4 bedoelde wettelijke regelingen geheim zijn.
Artikel 15
1. Er is een bankraad, bestaande uit tenminste elf en ten
hoogste dertien leden, te weten:
a. het in het tweede lid van artikel 13 bedoelde lid van de raad
van commissarissen;
b. één door de raad van commissarissen uit hun midden aan te
wijzen lid;
c. ten minste negen en ten hoogste elf leden die steeds voor vier
jaar worden benoemd door de bankraad.
2. De benoeming van leden, bedoeld in het eerste lid onder c,
geschiedt uit een aanbevelingslijst van tenminste twee personen voor
elke te vervullen plaats, op te maken door de directie van de Bank,
waarbij wordt gestreefd naar representatie van de verschillende
maatschappelijke geledingen.
3. De bankraad benoemt uit zijn midden een voorzitter. Bij
afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een
daartoe door de vergadering aangewezen lid. Het secretariaat wordt
vervuld door de Bank.
4. De directie van de Bank en de thesaurier-generaal of zijn
plaatsvervanger wonen de vergaderingen van de bankraad bij en kunnen
deelnemen aan de beraadslagingen.
5. De president van de Bank brengt aan de bankraad verslag uit
over de algemene economische en financiële ontwikkeling en bespreekt
met de bankraad de door de Bank gevoerde politiek. Daarnaast wordt
beraadslaagd over de onderwerpen, welke door één of meer leden ter
tafel worden gebracht in verband met de doelstellingen, taken en
werkzaamheden van de Bank.
Artikel 16
1. De Bank stelt, met inachtneming van het Verdrag en na
overleg met Onze Minister, interne richtlijnen vast voor het beheer
van effecten, geldswaardige papieren en de goud- en deviezenvoorraad
die niet is overgedragen aan de Europese Centrale Bank overeenkomstig
artikel 30 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale
Banken, daarbij op gepaste wijze rekening houdend met de belangen van
de Staat.
2. De Bank is bevoegd, met toestemming van Onze Minister,
reserves na winstvaststelling te vormen. Stortingen in en onttrekkingen
aan deze reserves behoeven de toestemming van Onze Minister.
Artikel 17
1. De artikelen 2:363, zesde lid, 2:380, 2:383, tweede lid,
tweede zin, met uitzondering van de openstaande bedragen, alsmede de
afdelingen 3 en 4 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
zijn niet van toepassing op de Bank. De Bank mag, mede ter bepaling
van het resultaat, de waardering van de beleggingen, effecten en
valuta doen berusten op grondslagen die afwijken van het bepaalde in
artikel 2:384, eerste lid, tweede zin, of tweede lid, tweede zin, van
het Burgerlijk Wetboek, voorzover dit in overeenstemming is met
hetgeen in afdeling 14 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek daaromtrent is bepaald.
2. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek wijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het
oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de
verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.
3. Van de bepalingen vantitel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek wijkt de Bank bovendien af voor zover die afwijking noodzakelijk
is om uitvoering te kunnen geven aan instructies, als bedoeld in artikel
3, derde lid. De Bank stelt de raad van commissarissen onverwijld van de
afwijking in kennis.
Hoofdstuk IV. Inlichtingen en geheimhouding
Artikel 18
1. Onze Minister is, met inachtneming van artikel 107 van het
Verdrag, bevoegd de Bank met betrekking tot de taken en werkzaamheden
ter verwezenlijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
doelstelling, gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel
nodig zijn ter bepaling van het financieel-economisch beleid van de
regering.
2. De Bank is, met inachtneming van artikel 10.4 en artikel 38
van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, verplicht
aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen
te verstrekken.
Artikel 19
Met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking van
de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan de president van
de Bank, met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag en van artikel
10.4 en artikel 38 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale
Banken, door elk der beide kamers der Staten-Generaal op hun verzoek
worden gehoord.
Artikel 20
Voor zover deze wet strekt ter uitvoering van de handelingen ter
verwezenlijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstelling,
is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of
van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden
van gegevens of inlichtingen die hij bij die taakuitvoering heeft
verkregen verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders
bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze
wet wordt geëist.
Hoofdstuk V. Wijziging van andere wetten
Artikel 21
[Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992.]
Artikel 22
[Wijzigt de Noodwet financieel verkeer.]
Artikel 23
[Wijzigt de Muntwet 1987.]
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
1. Tot het tijdstip dat de Europese Centrale Bank en het
Europees Stelsel van Centrale Banken worden opgericht overeenkomstig
artikel 109 L, eerste lid, van het Verdrag, gelden de volgende leden.
2. In de gevallen, waarin Onze Minister zulks ter coördinatie
van de monetaire en financiële politiek van de Regering en de politiek
van de Bank noodzakelijk acht, geeft hij, de bankraad gehoord, aan de
directie de ter bereiking van dat doel nodige aanwijzingen. Behoudens
het bepaalde in het volgende lid, is de directie gehouden die
aanwijzingen op te volgen.
3. De directie kan tegen het opvolgen van een aanwijzing als in
het tweede lid bedoeld bezwaar maken. In afwijking van artikel 6:7 van
de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van
een bezwaarschrift drie dagen. De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Onze Minister
beslist op het bezwaar in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad.
4. Indien de beslissing van Onze Minister overeenkomstig het
derde lid ertoe leidt dat de aanwijzingen zullen worden opgevolgd,
wordt, indien het landsbelang zich hiertegen naar het oordeel van de
ministerraad niet verzet, van het bezwaar van de directie en de
beslissing van Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip wordt door Onze
Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 25
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 26
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 27
1. [Vervallen.]
2. De artikelen 229i-k van het Wetboek van Koophandelzijn niet
van toepassing op bankbiljetten.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de verwisseling, intrekking en
aftekening van bankbiljetten door de Bank, en de door de Bank aan het
publiek te verstrekken informatie hieromtrent.
4. Dit artikel of een onderdeel ervan vervalt op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 28
Na inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet berusten de
koninklijk besluiten die op grond van artikel 23, leden 1 en 2, van de
Bankwet 1948 van kracht zijn, op artikel 12, lid 2, van deze wet.
Artikel 29
1. De benoeming voor de eerste maal van de leden van de raad
van commissarissen, bedoeld in artikel 13, derde lid, geschiedt door
de aandeelhouders binnen 8 weken na inwerkingtreding van deze wet. Op
dat tijdstip treden de commissarissen, benoemd overeenkomstig artikel
27 van de Bankwet 1948, af.
2. De voor de eerste maal benoemde leden van de raad van
commissarissen, bedoeld in artikel 13, derde lid, hebben, in afwijking
van artikel 13, derde lid, zitting voor de tijd van één tot vier jaren
volgens een door de raad van commissarissen op te stellen rooster.
Artikel 30
1. De benoeming voor de eerste maal van de leden van de
bankraad, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder c, geschiedt door
de Bank binnen 8 weken na inwerkingtreding van deze wet. Op dat
tijdstip treden de leden van de bankraad, benoemd overeenkomstig
artikel 32 van de Bankwet 1948, af.
2. De overeenkomstig het eerste lid benoemde leden hebben zitting
voor de tijd van één tot vier jaren, volgens een door de bankraad op
te stellen rooster.
Artikel 31
Na de inwerkingtreding van artikel 9 van deze Wet berusten de
koninklijke besluiten die op grond van artikel 21 van de Bankwet 1948
van kracht zijn, op artikel 9 van deze wet.
Artikel 32
De Bankwet 1948 wordt ingetrokken.
Artikel 33
De wet van 11 januari 1956 houdende bepalingen ter uitvoering van
artikel 17 van de Bankwet 1948, wordt ingetrokken.
Artikel 34
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 35
Deze wet wordt aangehaald als: Bankwet 1998.