Nadere regelgeving:
- Regeling
geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen
- Regeling
melding ongeoorloofde afwezigheid
- Regeling plaatsing en overplaatsing jeugdigen
- Regeling straf- en afzonderingscel justitiële jeugdinrichtingen
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg
WET van 2 november 2000 tot vaststelling
van een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband
houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van
Strafvordering en de Wet op de jeugdhulpverlening alsmede enige andere
wetten (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
integrale regeling te treffen voor de materiële en formele
rechtspositie ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt door verblijf
in een justitiële jeugdinrichting dan wel door deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma en in verband daarmede het Wetboek van
Strafrecht en de Wet op de jeugdhulpverlening te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. inrichting: justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel
3a;
c. particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister
wordt gesubsidieerd;
d. rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister in
stand wordt gehouden;
e. afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in
artikel 8, tweede lid;
f. afdelingshoofd: een personeelslid dat of medewerker die namens
de directeur is belast met de verantwoordelijkheid voor het beheer
van een afdeling;
g. jeugdige: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt
in een inrichting;
h. bestuur: het bestuur van een rechtspersoon die een
particuliere inrichting beheert;
i. directeur: de directeur van de inrichting, of diens
plaatsvervanger, bedoeld in artikel 3b, derde lid, dan wel 3c,
tweede lid;
j. personeelslid of medewerker: een persoon die een taak uitvoert
in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting;
k. Raad: Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
l. commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel
7, eerste lid;
m. beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 67,
eerste lid;
n. beroepscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 74,
tweede lid;
o. Inspectie jeugdzorg: de inspectie, bedoeld in artikel 47 van
de Wet op de jeugdzorg;
p. vrijheidsstraf: jeugddetentie en vervangende jeugddetentie;
q. vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis,
vreemdelingenbewaring en gijzeling voor zover de leeftijd van
achttien jaren nog niet is bereikt, plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen, alsmede de tenuitvoerlegging van een machtiging in een
geval als bedoeld in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de
jeugdzorg;
r. strafrestant: het gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf
dan wel van het samenstel van dergelijke straffen dat nog moet
worden ondergaan;
s. perspectiefplan: een plan als bedoeld in artikel 20;
t. scholings- en trainingsprogramma: een programma als bedoeld in
artikel 3, eerste lid;
u. huisregels: regels als bedoeld in artikel 4, eerste lid;
v. groep: drie of meer jeugdigen;
w. kamer: de aan de jeugdige ingevolge artikel 17, tweede lid,
toegewezen verblijfsruimte;
x. activiteiten: activiteiten ingevolge hoofdstuk IX;
ij. afzondering: het insluiten van een jeugdige in een van de
groep afgescheiden ruimte;
z. tijdelijke overplaatsing: de overplaatsing als bedoeld in
artikel 27;
aa. selectiefunctionaris: een persoon belast met de plaatsing en
overplaatsing van jeugdigen als bedoeld in artikel 12, derde lid;
bb. reclasseringswerker: een reclasseringswerker als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;
cc. rechtsbijstandverlener: de advocaat of de medewerker van een
stichting, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand;
dd. stichting: een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg;
ee. raad voor de kinderbescherming: de raad als bedoeld in
artikel 238 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
ff. behandeling: een samenstel van handelingen, gericht op het
bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of
stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische
aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen
beïnvloeden;
gg. adviescommissie: de adviescommissie individuele
trajectafdelingen, bedoeld in artikel 22c, vijfde lid.
Hoofdstuk II. Doelstelling, beheer en toezicht
Paragraaf 1. Doelstelling
Artikel 2
1. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een
vrijheidsbenemende maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens
de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan
wie deze is opgelegd in een inrichting dan wel door diens deelname aan
een scholings- en trainingsprogramma, als bedoeld in artikel 3, eerste
lid.
2. Met handhaving van het karakter van de straf of de maatregel
wordt de tenuitvoerlegging hiervan aangewend voor de opvoeding van de
jeugdige en zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding op
diens terugkeer in de maatschappij. In het geval dat een
vrijheidsbenemende maatregel behandeling inhoudt wordt de
tenuitvoerlegging tevens hierop afgestemd.
3. De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende
maatregelen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de oplegging van de
straf of de maatregel.
4. Jeugdigen in een inrichting worden aan geen andere beperkingen
onderworpen dan die welke noodzakelijk zijn voor:
a. het doel van de vrijheidsbeneming, waaronder begrepen hun
geestelijke en lichamelijke ontwikkeling en de uitvoering van het
perspectiefplan;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
Artikel 3
1. Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen plaatsvindt kunnen
in aansluiting op hun verblijf in de inrichting door de directeur met
machtiging van Onze Minister in de gelegenheid worden gesteld aan een
scholings- en trainingsprogramma deel te nemen. Een scholings- en
trainingsprogramma is een samenstel van activiteiten waaraan wordt
deelgenomen door jeugdigen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan
hen opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel dat als
zodanig door Onze Minister is erkend, met inachtneming van de regels
ingevolge het derde lid.
2. Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
jeugddetentie plaatsvindt waarvan de totale duur die van een ondergane
voorlopige hechtenis met een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen duur overschrijdt, nemen deel aan een scholings- en
trainingsprogramma. Het programma staat ten dienste aan de begeleiding
van de jeugdige in aansluiting op het verblijf in een justitiële
jeugdinrichting.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven die in elk geval de inhoud, de voorwaarden voor en het
toezicht op deelname, de gevolgen van niet-nakoming van de voorwaarden
en de rechtspositie van de deelnemers aan een scholings- en
trainingsprogramma betreffen.
4. Met inachtneming van de regels ingevolge het derde lid kan Onze
Minister bepalen welke jeugdigen voor deelname aan een scholings- en
trainingsprogramma in aanmerking komen.
5. Bij het niet voldoen aan de voorwaarden voor deelname, bedoeld
in het derde lid, kan de directeur de deelname beëindigen en wordt de
tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende
maatregelen in de inrichting voortgezet.
6. De jeugdige heeft het recht bij de directeur een met redenen
omkleed verzoekschrift in te dienen, strekkende tot deelname aan een
scholings-of trainingsprogramma. Artikel 66, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a
1. Onze Minister subsidieert of houdt in stand landelijke
voorzieningen van residentiële hulpverlening ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende
maatregelen als bedoeld in de artikelen 77h van het Wetboek van
Strafrecht alsmede voor de tenuitvoerlegging van een machtiging in een
geval als bedoeld in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de
jeugdzorg.
2. De inrichtingen worden onderscheiden in rijksinrichtingen en
particuliere inrichtingen.
Artikel 3b
1.Particuliere inrichtingen zijn in de Europese Economische Ruimte
gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid tot wier
doelstelling opvang en behandeling van jeugdigen als bedoeld in
artikel 1, onderdeel f, behoren en die daartoe door Onze Minister zijn
aangewezen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de aanwijzing als particuliere inrichting en de
daaraan te verbinden voorwaarden, alsmede omtrent het verstrekken van
subsidie.
3.Het beheer van een particuliere inrichting berust bij de
directeur, die door het bestuur benoemd wordt. De directeur van een
particuliere inrichting wijst met machtiging van het bestuur een of
meer personen als zijn vervanger aan.
Artikel 3c
1.Rijksinrichtingen worden door Onze Minister aangewezen. Het
opperbeheer van de rijksinrichtingen berust bij Onze Minister. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
betreffende de uitvoering hiervan.
2.Het beheer van een rijksinrichting berust bij de directeur, die
als zodanig door Onze Minister wordt aangewezen. Onze Minister wijst
een of meer personen aan als vervanger van de directeur.
3.Onze Minister kan mandaat verlenen betreffende de hem bij of
krachtens deze wet toegekende bevoegdheden tot het vaststellen van
algemeen verbindende voorschriften aan het hoofd van de Dienst
Justitiële Inrichtingen.
Artikel 3d
Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een goede
kwaliteit van de inrichtingen regels gesteld.
Paragraaf 2. Beheer
Artikel 4
1. De directeur stelt in aanvulling op de bij of krachtens deze wet
gestelde regels en met inachtneming van het dienaangaande door Onze
Minister vast te stellen model en door deze te geven aanwijzingen
huisregels voor de inrichting of afdeling vast.
2. De directeur kan personeelsleden en medewerkers machtigen tot de
uitoefening van hem bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden en
de naleving van zijn zorgplichten, met uitzondering van de
bevoegdheden, genoemd in het eerste en vierde lid.
3. De directeur is bevoegd aan de jeugdigen aanwijzingen te geven,
voor zover zulks noodzakelijk is in het belang van:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;
c. hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;
d. de uitvoering van het perspectiefplan.
De jeugdigen zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
4. Aan de directeur is voorbehouden de beslissing omtrent:
a. de deelname aan en beëindiging van de deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma;
b. de onderbrenging van een kind in een inrichting als bedoeld
in artikel 16, eerste en vierde lid;
c. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor
intensieve zorg of voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel
22a, derde lid, onderscheidenlijkartikel 22b, derde lid;
d. de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan
activiteiten en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 23,
derde lid, en 24, eerste lid, onder a en b, onderscheidenlijk
artikel 23, vierde lid, en 24, tweede lid, alsmede de verlenging
van uitsluiting van verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23,
tweede lid;
e. de plaatsing in afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste
lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a en b, de
verlenging hiervan, bedoeld in artikel 25, derde lid, en de
tenuitvoerlegging van de afzondering in een andere inrichting of
afdeling, bedoeld in artikel 26;
f. de tijdelijke overplaatsing en de verlenging hiervan,
bedoeld in artikel 27, eerste, onderscheidenlijk het derde lid;
g. de beperking en intrekking van het verlof bedoeld in de
artikelen 28, 29, en 30;
h. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste
lid;
i. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in
artikel 37;
j. de bevestiging van mechanische middelen, bedoeld in artikel
38, eerste lid;
k. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel
55, de toepassing van artikel 56, eerste en tweede lid, en artikel
57, derde en vierde lid.
5. In afwijking van het bepaalde in het tweede en vierde lid, kan
de directeur een afdelingshoofd machtigen tot het nemen van de
volgende beslissingen:
a. de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan
activiteiten, bedoeld in de artikelen 23, derde lid, en 24, eerste
lid, de verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep of
van deelname aan activiteiten, bedoeld in artikel 23, tweede lid
en vierde lid, en artikel 24, tweede lid;
b. de plaatsing in afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste
lid.
6. Indien de onder het vijfde lid genomen beslissingen worden
genomen door een afdelingshoofd dan wordt de directeur daarvan zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien uren na het nemen van
die beslissing, op de hoogte gesteld.
Artikel 5
1.De directeur meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere
voorvallen aan Onze Minister.
2.De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle
verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen
omtrent de inhoud en de wijze van melding.
Paragraaf 3. Toezicht
Artikel 6
De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XIV en
XV.
Artikel 7
1.Bij elke inrichting dan wel afdeling wordt door Onze Minister een
commissie van toezicht ingesteld.
2.De commissie van toezicht heeft tot taak:
a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming in de inrichting of afdeling;
b. kennis te nemen van door de jeugdigen, ouders of voogd,
stiefouder of pleegouders, naar voren gebrachte grieven en ter
zake te bemiddelen;
c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften
ingevolge hoofdstuk XIII;
d. aan Onze Minister, de Raad en de directeur advies en
inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.
3.Indien het advies of de inlichtingen een particuliere inrichting
betreffen en zijn bestemd voor Onze Minister of de Raad, voegt de
commissie de desbetreffende opmerkingen van het betrokken bestuur
daarbij, tenzij naar het oordeel van Onze Minister, de Raad of de
commissie bijzondere spoed geboden is dan wel het bestuur zijn
opmerkingen naar het oordeel van de commissie niet binnen een
redelijke termijn op schrift heeft gesteld.
4.De commissie van toezicht stelt zich door persoonlijk contact met
de jeugdigen regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en
gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als
maandcommissaris. De maandcommissaris vervult tevens de taken van de
vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 1, onder z van de Wet op de
jeugdzorg.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de
benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden
van de maandcommissaris.
Artikel 7a
1. Onze Minister houdt toezicht op het verblijf van personen ten
aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf
of maatregel in een inrichting plaatsvindt.
2. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren worden daartoe alle
ter zake dienende inlichtingen verstrekt en zij hebben te allen tijde
toegang tot een zodanige inrichting. Zij zijn, onder verplichting van
geheimhouding tegenover derden en voor zover dit voor de uitoefening
van hun taak redelijkerwijs nodig is, bevoegd de op personen als
bedoeld in het eerste lid betrekking hebbende stukken in te zien.
3. Onze Minister stelt regels omtrent het houden van aantekeningen
als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht
en omtrent het houden van aantekeningen van andere belangrijke
voorvallen ten tijde van het verblijf in de inrichting. Onze Minister
kan daartoe een model vaststellen.
Hoofdstuk III. De inrichting
Artikel 8
1. Inrichtingen zijn bestemd voor:
a. personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige
hechtenis is gegeven, voor zover zij ten tijde van het begaan van
het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht, de leeftijd van
achttien jaar nog niet hebben bereikt en personen ten aanzien van
wie een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven, voor zover zij
ten tijde van het begaan van het strafbaar feit waarvan zij worden
verdacht, de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben
bereikt en de officier van justitie voornemens is te vorderen dat
recht zal worden gedaan overeenkomstig artikel 77c van het Wetboek
van Strafrecht;
b. personen aan wie de straf van jeugddetentie, daaronder
begrepen vervangende jeugddetentie, is opgelegd;
c. personen in vreemdelingenbewaring, voor zover zij de
leeftijd van twaalf jaar wel maar die van achttien jaar nog niet
hebben bereikt;
d. personen ten aanzien van wie een bevel tot gijzeling is
gegeven, voor zover zij de leeftijd van achttien jaar nog niet
hebben bereikt;
e. personen aan wie de maatregel van plaatsing in een
inrichting voor jeugdigen is opgelegd;
f. personen ten aanzien van wie een machtiging als bedoeld in
artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg is gegeven;
g. personen die in de inrichting verblijven en ten aanzien van
wie een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, in
afwachting van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;
h. personen aan wie met toepassing van artikel 77b van het
Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling als
bedoeld in de artikel 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht
werd opgelegd, voorzover de jeugdige ten tijde van de
tenuitvoerlegging de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt,
en ten aanzien van wie Onze Minister, of de rechter blijkens het
vonnis of arrest waarbij de maatregel werd opgelegd, heeft bepaald
dat de plaatsing van de jeugdige in een inrichting gelet op diens
ontwikkeling aangewezen is.
2. Onze Minister bepaalt de bestemming van elke inrichting of
afdeling. Onze Minister kan delen van een inrichting als afdeling met
een aparte bestemming aanwijzen.
3. Inrichtingen of afdelingen daarvan kunnen door Onze Minister
worden aangewezen voor de onderbrenging van jeugdigen die een
bijzondere opvang of behandeling behoeven. Deze bijzondere opvang of
behandeling kan verband houden met de leeftijd, de geestelijke of
lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige of de uitvoering van het
perspectiefplan, alsmede met het delict waarvoor of de titel waarop de
jeugdige in een inrichting verblijft.
4. Onze Minister wijst inrichtingen, afdelingen of plaatsen aan,
waarin kinderen van de jeugdige tot een in de aanwijzing aangegeven
leeftijd met de jeugdige kunnen worden ondergebracht.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de wijze waarop het onderbrengen van jeugdigen in
inrichtingen plaats heeft dan wel omtrent de wijze waarop de
bijzondere bestemming invulling krijgt.
6. Onze Minister kan ten aanzien van de in het eerste lid onder h.
aangeduide personen bepalen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel
van terbeschikkingstelling kan voortduren ook nadat de leeftijd van 21
jaar is bereikt, maar de behandeling zich tegen onmiddellijke
overplaatsing verzet. In deze gevallen wordt de jeugdige zo snel als
de behandeling dit toelaat, overgeplaatst naar een inrichting als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b. van de Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden.
Artikel 9
1. In de inrichting worden mannelijke en vrouwelijke jeugdigen
gescheiden ondergebracht.
2. De directeur kan jeugdigen van verschillend geslacht die in
dezelfde inrichting verblijven in de gelegenheid stellen gezamenlijk
aan activiteiten deel te nemen.
3. Onze Minister kan inrichtingen of afdelingen aanwijzen, waarin
van het eerste lid wordt afgeweken vanwege de bijzondere bestemming
van de inrichting of de afdeling.
Artikel 10
1. Inrichtingen of afdelingen daarvan zijn naar de mate van
beveiliging als volgt te onderscheiden en aan te duiden:
a. beperkt beveiligd: een open inrichting of afdeling;
b. normaal beveiligd: een gesloten inrichting of afdeling.
2. Onze Minister bepaalt ten aanzien van elke inrichting of
afdeling daarvan de mate van beveiliging, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk IV. Plaatsing en plaatsingsprocedure
Paragraaf 1. Plaatsing en overplaatsing
Artikel 11
Onze Minister kan nadere regels stellen over:
a. de plaatsing, overplaatsing en overbrenging van jeugdigen;
b. de procedure van plaatsing, overplaatsing en overbrenging;
c. de criteria waaraan jeugdigen moeten voldoen voor plaatsing in
een inrichting of afdeling met een bijzondere bestemming, als
bedoeld inartikel 8, tweede en derde lid;
d. de onderbrenging van kinderen van jeugdigen in de inrichting,
afdeling of plaats waar de jeugdige verblijft.
Artikel 12
1. Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast, worden,
voor zover de tenuitvoerlegging in een inrichting plaatsvindt,
geplaatst in een inrichting of afdeling dan wel overgeplaatst naar een
inrichting of afdeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 2,
tweede tot en met vierde lid. De plaatsing geschiedt met inachtneming
van de titel van de vrijheidsbeneming, de persoon van de jeugdige of
de benodigde mate van beveiliging.
2. Personen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen e en
h, worden in elk geval geplaatst in een inrichting of op een afdeling
waar behandeling plaats kan vinden.
3. Met de plaatsing en overplaatsing zijn door Onze Minister
aangewezen selectiefunctionarissen belast. Deze zijn bevoegd daartoe
de overbrenging van personen te bevelen. Zij kunnen de overbrenging
doen geschieden door daartoe door hen aangewezen personeelsleden of
medewerkers.
4. De inrichting is verplicht de jeugdige op te nemen.
5. De selectiefunctionaris neemt bij de beslissing tot plaatsing,
overplaatsing of overbrenging de aanwijzingen van het openbaar
ministerie en van de autoriteiten die de straf of maatregel hebben
opgelegd, in aanmerking. De selectiefunctionaris neemt bij de
beslissing, bedoeld in het eerste lid, de aanwijzingen van de
stichting voor zover mogelijk in acht.
6. De selectiefunctionaris neemt de beslissing om een jeugdige te
plaatsen op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve
behandeling als bedoeld in artikel 22a, onderscheidenlijk artikel 22b,
na advies van een psychiater, die voor zover mogelijk overleg heeft
gevoerd met de behandelend gedragsdeskundige.
7. De selectiefunctionaris neemt de beslissing om een jeugdige te
plaatsen op een individuele trajectafdeling als bedoeld in artikel
22c, na daarover advies te hebben ingewonnen van de adviescommissie.
8. In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van
de geestvermogens van een jeugdige kan de selectiefunctionaris, met
inachtneming van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen, bepalen dat de jeugdige naar een psychiatrisch
ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om
daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd.
9. De selectiefunctionaris kan, op verzoek van de directeur,
beslissen dat de vrijheidsbenemende straf tijdelijk buiten de
inrichting op een plaats als bedoeld in artikel 8, vierde lid, ten
uitvoer wordt gelegd.
Artikel 13
1. Een plaatsing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, geschiedt
voordat de termijn van de maatregel drie maanden is verstreken.
2. Indien de plaatsing niet binnen de in het eerste lid gestelde
termijn mogelijk is, kan de selectiefunctionaris deze termijn telkens
met drie maanden verlengen.
3. Met een beslissing tot verlenging als bedoeld in het tweede lid
wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de in het eerste lid
genoemde termijn te beslissen.
Artikel 14
1. De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 29k,
tweede lid van de Wet op de jeugdzorg is bepaald dat hij in een
inrichting wordt geplaatst, heeft aanspraak op die plaatsing. Een
jeugdige heeft slechts aanspraak op deze plaatsing als de stichting,
die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft,
een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat hij op die plaatsing is
aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
voor gevallen waarin het besluit bedoeld in de tweede volzin niet
afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van de tweede
volzin.
2. De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden overgeplaatst
naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onder a.
Artikel 15
1. In afwijking van artikel 12, eerste lid, eerste volzin, kan de
selectiefunctionaris bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende
maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een
periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft
vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting.
De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen
zijn vastgesteld.
2. Het eerste lid kan voor een jeugdige in de leeftijd van twaalf
tot zestien jaar worden toegepast, met dien verstande dat de maximale
termijn voor verblijf in een politiecel dan drie dagen bedraagt en het
verblijf alleen mag worden toegepast in afwachting van het regelen van
vervoer naar de plaats in een inrichting.
Artikel 16
1. Indien een jeugdige een kind in de inrichting of afdeling als
bedoeld inartikel 8, vierde lid, wil onderbrengen ten einde het aldaar
te verzorgen en op te voeden, behoeft hij de toestemming van de
directeur. De directeur geeft deze toestemming, voor zover dit
verblijf zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de
geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de uitvoering van het perspectiefplan;
d. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
e. het over het kind gestelde gezag.
2. De directeur kan aan de toestemming voorwaarden verbinden met
het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid.
3. De directeur kan over een door hem voorgenomen onderbrenging van
een kind in de inrichting of afdeling het advies inwinnen van de raad
voor de kinderbescherming.
4. De directeur kan de toestemming intrekken, indien dit
noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het eerste
lid, of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt. Indien
de directeur een nader onderzoek nodig oordeelt, kan hij de
medewerking van de raad voor de kinderbescherming inroepen.
5. De directeur is verplicht de toestemming in te trekken, indien
de onderbrenging van het kind in de inrichting in strijd komt met
enige op het gezag over het kind betrekking hebbende beslissing.
6. In de huisregels worden nadere regels gesteld omtrent het
verblijf van kinderen in de inrichting.
7. De kosten van de verzorging van het kind komen voor rekening van
het Rijk, voor zover de jeugdige dan wel degene die belast is met het
gezag over het kind, niet zelf in die kosten kan voorzien.
8. Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met het zevende
lid kan de directeur de selectiefunctionaris verzoeken de jeugdige en
het kind elders te plaatsen.
Artikel 17
1. De directeur bepaalt de wijze van onderbrenging van de jeugdigen
die overeenkomstig artikel 12 zijn geplaatst in de inrichting of
afdeling met het beheer waarvan hij is belast.
2. De directeur wijst iedere jeugdige een kamer toe.
3. De directeur kan onderdelen van de inrichting of de afdeling
aanwijzen voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere
opvang of behandeling in de zin van artikel 8, derde lid, behoeven.
4. De directeur bepaalt de criteria waaraan de jeugdige moet
voldoen om voor onderbrenging als bedoeld in het derde lid in
aanmerking te komen.
5. Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een kamer
als bedoeld in het tweede lid moet voldoen.
Artikel 17a
1.De directeur kan de tenuitvoerlegging van een machtiging als
bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg schorsen, als de
tenuitvoerlegging niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige
zich aan de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen
wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt
dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich
aan de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt
onttrokken.
2.Een besluit tot schorsing of intrekking wordt niet genomen dan
nadat de directeur daaromtrent overleg heeft gepleegd met de betrokken
stichting en de raad voor de kinderbescherming.
3.De directeur doet van een besluit tot schorsing of intrekking
mededeling aan de stichting en de raad voor de kinderbescherming.
Paragraaf 2. Bezwaar- en verzoekschriftprocedure
Artikel 18
1. De betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed
bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing:
a. tot verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 13, tweede
lid;
b. tot plaatsing of overplaatsing of overbrenging als bedoeld
in artikel 12, eerste onderscheidenlijk achtste lid;
c. tot plaatsing of overplaatsing op een afdeling als bedoeld
in de artikelen 22a, 22b, 22c en 22d;
d. tot het gebruiken van geweld of aanwenden van
vrijheidsbeperkende middelen, bedoeld in artikel 40, tweede lid.
2. Op de wijze van indiening is artikel 66, tweede, zesde en
zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
3. De selectiefunctionaris stelt de betrokkene in de gelegenheid
schriftelijk of mondeling diens bezwaarschrift toe te lichten, tenzij
hij het aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of
kennelijk gegrond acht.
4. De selectiefunctionaris stelt de indiener van het bezwaarschrift
binnen zes weken van zijn met redenen omklede beslissing schriftelijk
en zoveel mogelijk in een voor deze begrijpelijke taal op de hoogte.
Hierbij wijst hij hem op de mogelijkheid van het instellen van beroep,
bedoeld in hoofdstuk XV, alsmede de termijnen waarbinnen en de wijze
waarop dit gedaan moet worden.
5. Het indienen van een bezwaarschrift blijft achterwege, indien de
betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen een door
de selectiefunctionaris voorgenomen en hem betreffende beslissing als
bedoeld in het eerste lid kenbaar te maken.
Artikel 19
1. De betrokkene heeft het recht bij de selectiefunctionaris een
met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot
plaatsing in dan wel overplaatsing naar een bepaalde inrichting of
afdeling.
2. Met een verzoekschrift wordt gelijkgesteld een akkoordverklaring
van de jeugdige met het selectieadvies van de directeur van de
inrichting.
3. De artikel 66, tweede en zesde lid, en 18, derde en vierde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, is
afgewezen, kan twee maanden na de ontvangst van deze afwijzing opnieuw
een verzoekschrift worden ingediend.
Hoofdstuk V. Perspectiefplan
Artikel 20
1. De directeur van een inrichting stelt uiterlijk binnen drie
weken na de binnenkomst van de jeugdige een perspectiefplan voor hem
vast. Alvorens het plan vast te stellen, overlegt hij met de jeugdige.
De eerste volzin is niet van toepassing op jeugdigen die in de
inrichting een vervangende jeugddetentie ondergaan van een kortere
duur dan drie weken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de eisen waaraan een perspectiefplan ten minste moet voldoen, de
voorschriften die bij wijziging daarvan in acht genomen moeten worden
en de periodieke evaluatie van het perspectiefplan.
Artikel 21 [Vervallen per 01-07-2011]
Hoofdstuk VI. Bewegingsvrijheid
Paragraaf 1. Bewegingsvrijheid binnen de inrichting
Artikel 22
In inrichtingen verblijven jeugdigen in groepen en nemen deel aan
gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste 77 uren per week
waarvan ten minste acht en een half uren per dag. De jeugdigen houden
zich gedurende de voor de nachtrust bestemde uren in hun kamer op,
tenzij zij als onderdeel van het regime van de inrichting deelnemen aan
meerdaagse activiteiten buiten de inrichting.
Artikel 22a
1.Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen afdeling voor
intensieve zorg nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke
activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en
gedurende ten minste vier uren per dag in het weekeinde.
2.Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve zorg worden
geplaatst indien:
a. de jeugdige in een crisissituatie verkeert,
b. de crisissituatie vermoedelijk gevolg is van een
psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en
c. de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b
tijdelijk niet in een inrichting kan verblijven met een regime als
bedoeld in artikel 22.
De plaatsing geschiedt alleen indien dit noodzakelijk is ten
behoeve van het stabiliseren en het zo nodig stellen van een diagnose
ten aanzien van de jeugdige.
3.De directeur bepaalt telkens binnen ten hoogste zes weken en na
advies van een psychiater of de noodzaak tot voortzetting van het
verblijf op de afdeling voor intensieve zorg nog bestaat.
4.Een jeugdige die op een afdeling voor intensieve zorg is
geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een
groep van ten minste twee personen.
Artikel 22b
1.Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen afdeling voor
intensieve behandeling nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke
activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en
gedurende ten minste vier uren per dag in het weekeinde.
2.Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve behandeling
worden geplaatst indien:
a. de jeugdige extra begeleiding behoeft,
b. de behoefte aan extra begeleiding het gevolg is van een
psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en
c. de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b
tijdelijk niet in een inrichting kan verblijven met een regime als
bedoeld in artikel 22.
De plaatsing geschiedt alleen indien dit noodzakelijk is ter
stabilisatie en behandeling van de jeugdige.
3.De directeur bepaalt telkens binnen ten hoogste drie maanden en
na advies van een psychiater of de noodzaak tot voortzetting van het
verblijf op de afdeling voor intensieve behandeling nog bestaat.
4.Een jeugdige die op een afdeling voor intensieve behandeling is
geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een
groep van ten minste twee personen.
Artikel 22c
1. Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen individuele
trajectafdeling nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke
activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en ten
minste vier uren in het weekeinde.
2. Een jeugdige kan op een individuele trajectafdeling worden
geplaatst indien:
a. de jeugdige extra individuele begeleiding behoeft,
b. de behoefte aan extra individuele begeleiding het gevolg is
van een persoonlijkheidsstoornis en
c. de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b niet
in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in
artikel 22.
3. Het verblijf van de jeugdige is gericht op de bevordering van de
terugkeer in een regime als bedoeld in artikel 22 of de terugkeer van
de jeugdige in de samenleving.
4. Een jeugdige die op een individuele trajectafdeling is
geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een
groep van tenminste twee personen.
5. De directeur van de inrichting waar de jeugdige op de
individuele trajectafdeling is geplaatst, bepaalt telkens binnen ten
hoogste zes maanden en na het advies te hebben ingewonnen van de
adviescommissie of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op de
afdeling voor individuele trajectafdeling nog bestaat.
6. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de taak, samenstelling
en werkwijze van de adviescommissie, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 22d
1. Onze Minister kan bepalen dat een jeugdige aan wie de maatregel
van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, voor een
periode van ten hoogste zeven weken ter observatie wordt geplaatst in
een daartoe aangewezen inrichting.
2. Onze Minister kan, indien dit noodzakelijk is, de termijn
genoemd in het eerste lid met ten hoogste vier weken verlengen.
3. De jeugdige keert na het verstrijken van de observatietermijn
terug naar de inrichting waar hij voorheen was geplaatst, tenzij uit
de observatierapportage blijkt dat overplaatsing naar een andere
inrichting aangewezen is.
4. De plaatsing ter observatie kan op verzoek van de directeur van
de inrichting waar de jeugdige verblijft plaatsvinden in de volgende
gevallen:
a. indien daartoe uit het oogpunt van de behandeling van de
jeugdige aanleiding bestaat;
b. indien deze noodzakelijk wordt geacht met het oog op de
opstelling van een advies ten behoeve van verlenging van de
maatregel.
Artikel 23
1. De directeur kan een jeugdige gedurende ten hoogste een week na
zijn binnenkomst in de inrichting uitsluiten van het verblijf in een
groep en zijn deelname aan gemeenschappelijke activiteiten beperken
tot ten minste zes uren per dag, indien dit noodzakelijk is:
a. ter voorbereiding van de beslissing omtrent onderbrenging
van de jeugdige in de groep;
b. ten behoeve van de vaststelling van een perspectiefplan.
2. De directeur kan de periode, bedoeld in het eerste lid, tweemaal
met ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg met een
gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe
nog bestaat.
3. De directeur kan de jeugdige gedurende ten hoogste een week
uitsluiten van verblijf in de groep of beperken in de deelname aan
gemeenschappelijke activiteiten, indien dit noodzakelijk is in het
belang van:
a. zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;
b. de uitvoering van het hem betreffende perspectiefplan.
4. De directeur kan de uitsluiting of beperking, bedoeld in het
derde lid, telkens met ten hoogste een week verlengen, indien hij na
overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de
noodzaak hiertoe nog bestaat.
5. De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van
uitsluiting, bedoeld in het eerste en derde lid, en de verlenging,
bedoeld in het tweede en vierde lid, aantekening in een register.
Artikel 23a
1. Een personeelslid of medewerker kan de jeugdige voor een
maximale aaneengesloten duur van een uur uitsluiten van het verblijf
in de groep of van gemeenschappelijke activiteiten indien het gedrag
van de jeugdige verstorend is voor de rust in de groep, en in verband
daarmee de kortdurende uitsluiting ertoe bijdraagt dat het gedrag van
de jeugdige gunstig wordt beïnvloed.
2. Een uitsluiting als bedoeld in het eerste lid kan op een dag
herhaaldelijk worden toegepast, met dien verstande dat de totale duur
van de uitsluitingen de twee uren per etmaal niet overstijgt.
3. De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van
uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, en de herhaalde toepassing,
bedoeld in het tweede lid, aantekening in een register. De directeur
stelt aan de hand van dit register elke drie maanden de commissie van
toezicht van de toepassing van de maatregel op de hoogte en treedt
daarover met de commissie in overleg.
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Artikel 24
1.De directeur kan de jeugdige uitsluiten van het verblijf in de
groep of de deelname aan een of meer activiteiten behoudens het
dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde
lid:
a. indien dit in het belang van de orde of de veiligheid van de
inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige
noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken
jeugdige;
d. indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit
verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
2.De uitsluiting ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten
hoogste twee dagen. De directeur kan deze uitsluiting telkens voor ten
hoogste twee dagen verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen
dat de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat.
3.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitsluiting, bedoeld
in het eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of
medewerker de maatregel, bedoeld in het eerste lid, voor een periode
van ten hoogste vijftien uren treffen.
4.De maatregel van uitsluiting van het verblijf in de groep of van
de deelname aan een of meer activiteiten wordt ten uitvoer gelegd op
de kamer van de jeugdige.
5.De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van
uitsluiting, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de verlenging,
bedoeld in het tweede lid, aantekening in een register. Bij toepassing
van het derde lid wordt de aantekening door het betrokken
personeelslid of medewerker gemaakt.
Artikel 25
1.De directeur is bevoegd een jeugdige in afzondering te plaatsen
op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid. De afzondering op de
gronden van artikel 24, eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste
één dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen
voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.
2.De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of
in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering
neemt de jeugdige niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur
niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de
buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid.
3.De directeur kan de afzondering, bedoeld in het eerste lid, op de
grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, eenmaal voor ten
hoogste één dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee
dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder verlengen, indien hij
tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog
bestaat.
4.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering op de
grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een
personeelslid of medewerker een jeugdige voor een periode van ten
hoogste vijftien uren in afzondering plaatsen. De directeur wordt van
deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.
5.De directeur draagt zorg dat tijdens de afzondering het nodige
contact tussen personeelsleden en medewerkers van de inrichting en de
jeugdige wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie
van de jeugdige wordt afgestemd.
6.De directeur draagt zorg dat ingeval de afzondering in een
afzonderingscel langer dan vierentwintig uren duurt, de commissie van
toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger
alsmede de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting,
terstond hiervan in kennis worden gesteld.
7.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de
inrichting van de afzonderingscel. Deze betreffen in elk geval de
rechten die tijdens het verblijf in de afzonderingscel aan de jeugdige
toekomen.
8.De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van
afzondering, bedoeld in het eerste lid, en de verlenging daarvan,
bedoeld in het derde lid, aantekening in een register. Bij toepassing
van het vierde lid wordt de aantekening door het betrokken
personeelslid of medewerker gemaakt.
Artikel 25a
1.De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke
of lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat
de jeugdige die in een afzonderingscel verblijft, dag en nacht door
middel van een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een
gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit
advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het
advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Artikel 26
1.Indien de tenuitvoerlegging van de afzondering in de inrichting
of afdeling waar zij is opgelegd op ernstige bezwaren stuit, kan zij
in een andere inrichting of afdeling worden ondergaan.
2.Indien de directeur van oordeel is dat van de in het eerste lid
bedoelde omstandigheid sprake is, plaatst hij in overeenstemming met
de selectiefunctionaris de jeugdige over.
3.Over de verlenging van de afzondering waarvan de
tenuitvoerlegging plaatsvindt in een andere inrichting of afdeling,
beslist de directeur van de inrichting of de afdeling waarin de
afzondering was opgelegd in overeenstemming met de
selectiefunctionaris en gehoord de directeur van de inrichting of
afdeling waar de tenuitvoerlegging van de afzondering plaatsvindt.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van
plaatsing, overplaatsing en verlenging van de afzondering ingevolge
het tweede onderscheidenlijk het derde lid.
5.De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting,
worden van de beslissing, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op de
hoogte gesteld.
6.De directeur houdt van de tenuitvoerlegging van de maatregel van
afzondering in een andere inrichting, bedoeld in het eerste lid en de
verlenging daarvan, bedoeld in het derde lid, aantekening in een
register.
Artikel 27
1.De directeur is bevoegd een jeugdige, na overleg met een
gedragsdeskundige en de selectiefunctionaris, tijdelijk over te
plaatsen op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en
b.
2.De directeur neemt de beslissing tot tijdelijke plaatsing van de
jeugdige die met een machtiging als bedoeld in artikel 29k, tweede
lid, van de Wet op de jeugdzorg in een inrichting is geplaatst niet
dan nadat hij daarvoor toestemming van de stichting heeft verkregen.
Deze toestemming wordt niet gegeven zonder machtiging van de
kinderrechter in de daartoe aangewezen gevallen. Voor de jeugdige aan
wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is
opgelegd is de toestemming van Onze Minister noodzakelijk.
3.De tijdelijke plaatsing duurt ten hoogste veertien dagen. De
directeur kan deze tijdelijke plaatsing eenmaal voor ten hoogste
veertien dagen verlengen, indien hij na overleg met een
gedragsdeskundige, de directeur van de inrichting waar de tijdelijke
plaatsing ten uitvoer wordt gelegd en de selectiefunctionaris tot het
oordeel is gekomen dat de noodzaak en de mogelijkheden hiertoe nog
bestaan.
4.Na de tenuitvoerlegging van de tijdelijke plaatsing dan wel de
verlenging hiervan wordt de jeugdige teruggeplaatst in de inrichting
waarin de maatregel werd opgelegd.
5.De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting,
worden van een beslissing als bedoeld in het eerste en derde lid,
onverwijld op de hoogte gesteld.
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Artikel 28
1.De directeur stelt een jeugdige in de gelegenheid onder door hem
te stellen voorwaarden de inrichting te verlaten teneinde een
gerechtelijke procedure bij te wonen:
a. indien de jeugdige krachtens wettelijk voorschrift verplicht
is voor een rechter of bestuursorgaan te verschijnen;
b. ter voldoening aan een oproep van de rechter.
2.Met het oog op het verlaten van de inrichting, bedoeld in het
eerste lid, kan de directeur aan daartoe door hem aangewezen
personeelsleden of medewerkers bevelen dat de betrokken persoon naar
de daartoe bestemde plaats wordt overgebracht.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop
het vervoer van de jeugdige ten behoeve van het bijwonen van een
gerechtelijke procedure, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
Artikel 29
1. De directeur stelt een jeugdige die in een inrichting verblijft
op grond van de tenuitvoerlegging van een machtiging in een geval als
bedoeld in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg in de
gelegenheid de inrichting ten minste eenmaal per zes weken voor een
periode van ten minste twaalf uren te verlaten bij wijze van verlof.
Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De directeur kan van het in het eerste lid bepaalde afwijken,
indien naar zijn redelijk oordeel:
a. de mogelijkheid voor de jeugdige ontbreekt om het verlof op
verantwoorde wijze door te brengen;
b. de jeugdige een gevaar voor zichzelf of de omgeving
oplevert.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij
wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een
jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de
bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en
intrekking alsmede de duur en frequentie van het verlof en de
voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.
Artikel 30
1. De directeur kan met machtiging van Onze Minister een jeugdige
die in een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, anders dan bedoeld
in artikel 29, eerste lid, in de gelegenheid stellen de inrichting te
verlaten bij wijze van verlof.
2. Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid,
schort de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel niet op.
3. Als algemene voorwaarde geldt dat de jeugdige zich tijdens het
verlof niet aan enig misdrijf zal schuldig maken. De directeur kan aan
het verlof bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige
betreffende, verbinden.
4. De directeur kan het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk
is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de
gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de
jeugdige of de algemene veiligheid van personen of goederen of indien
de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij
wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een
jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de
bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en
intrekking alsmede de duur, frequentie en het doel van het verlof en
de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2011]
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Artikel 32
Het recht van de jeugdige op onaantastbaarheid van zijn lichaam, zijn
kleding en de van zijn lichaam afgescheiden stoffen en zijn kamer kan
overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden beperkt.
Artikel 33
1. De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de
inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de
identiteit van de jeugdige vast. Indien de jeugdige in een
behandelinrichting verblijft, stelt hij slechts bij de eerste opname
in de inrichting en bij de tenuitvoerlegging van het bevel, bedoeld in
de eerste volzin, de identiteit van de jeugdige vast.
2. De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van
bezoek de identiteit van de jeugdige vast, tenzij een personeelslid of
medewerker op de jeugdige voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.
3. Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige omvat bij de
eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen,
geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en
het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het
omvat tevens het nemen van een of meer van zijn vingerafdrukken. In de
gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het Wetboek
van Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn
genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij
binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn
vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere
gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van
zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
4. Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige omvat in de
andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van
een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken
met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de
tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de
jeugdige tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek
van Strafvordering genomen en verwerkt.
5. De directeur is bevoegd van de jeugdige een of meer foto’s te
nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van
een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en
berechten van strafbare feiten. De jeugdige is verplicht het
legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar
of medewerker te tonen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het
derde tot en met vijfde lid.
Artikel 34
1.De directeur is bevoegd een jeugdige bij binnenkomst of bij het
verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van bezoek,
dan wel, indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, aan zijn
lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.
2.Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige omvat mede het
uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de
jeugdige. Het onderzoek aan de kleding van de jeugdige omvat mede het
onderzoek van de voorwerpen die de jeugdige bij zich draagt of met
zich mee voert.
3.Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige wordt op besloten
plaatsen en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht
als de jeugdige verricht.
4.Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen
worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn,
en, voor zover het onderzoek betrekking heeft op de openingen of
holten van het lichaam van de jeugdige, deze voorwerpen zonder het
gebruik van hulpmiddelen daaruit kunnen worden verwijderd, is de
directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze
voorwerpen, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten
behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met
toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de
voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
Artikel 35
1.De directeur kan, indien dit noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel in
verband met de beslissing tot plaatsing of overplaatsing dan wel in
verband met de toestemming tot het verlaten van de inrichting, een
jeugdige verplichten urine af te staan ten behoeve van een onderzoek
van die urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen.
2.Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de wijze van
uitvoering van het urineonderzoek. Deze regels betreffen in elk geval
het recht van de jeugdige om de uitslag te vernemen en om voor eigen
rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten
plaatsvinden. Artikel 34, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 36
1.De directeur kan bepalen dat een jeugdige in het lichaam wordt
onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig
gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de
inrichting dan wel voor de gezondheid van de jeugdige. Het onderzoek
in het lichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht,
door een verpleegkundige.
2.Een personeelslid of medewerker van de inrichting waar de
jeugdige verblijft kan bij dringende noodzakelijkheid een beslissing
als bedoeld in het eerste lid nemen.
3.Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden
aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, en deze
voorwerpen door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen
worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen.
Artikel 34, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 37
1.De directeur kan een jeugdige verplichten te gedogen dat ten
aanzien van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht,
indien die handeling naar het oordeel van een arts volstrekt
noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of
veiligheid van de jeugdige of van anderen. De handeling wordt verricht
door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de toepassing van het eerste lid. Deze regels betreffen in
ieder geval de melding en de registratie van de geneeskundige
handeling, alsmede de taak van de verantwoordelijke arts indien de
geneeskundige handeling volstrekt noodzakelijk is ter afwending van
gevaar voortvloeiend uit de geestelijke stoornis van de jeugdige.
Artikel 38
1.De directeur kan bepalen dat een jeugdige tijdens de afzondering
door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam voor een
periode van ten hoogste twaalf uren voor jeugdigen tot zestien jaar en
ten hoogste vierentwintig uren voor jeugdigen van zestien jaar en
ouder in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt, indien die beperking
noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig
gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de
jeugdige. De directeur stelt de arts of diens vervanger en de
commissie van toezicht van de bevestiging onverwijld in kennis.
2.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, geboden is, kan een personeelslid of medewerker deze
voor een periode van ten hoogste vier uren ten uitvoer leggen. De
directeur en de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht
worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de bevestiging van
mechanische middelen aan het lichaam.
Artikel 39
1.De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige op de
aanwezigheid van voorwerpen die niet in zijn bezit mogen zijn te
onderzoeken:
a. indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van het
algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de
kamers van jeugdigen;
b. indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
2.Artikel 34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige te onderzoeken
op de aanwezigheid van voorwerpen waarop vermoedelijk celmateriaal van
de jeugdige aanwezig is en deze voorwerpen in beslag te nemen, indien
de officier van justitie hem op grond van artikel 6, eerste lid, van
de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden een opdracht tot het in beslag
nemen van deze voorwerpen heeft gegeven.
Artikel 40
1.De directeur is bevoegd jegens een jeugdige geweld te gebruiken
dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover zulks
noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing;
c. de voorkoming van het zich onttrekken door de jeugdige aan
het op hem uitgeoefende toezicht;
d. de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van
Strafvordering of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de
officier van justitie of de rechter-commissaris genomen
beslissing.
2.De selectiefunctionaris of een daartoe door hem aangewezen
personeelslid of medewerker is bevoegd jegens een jeugdige geweld te
gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden voor zover
zulks noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de uitvoering van een door hem genomen beslissing;
b. de voorkoming van het zich onttrekken van de jeugdige aan
het op hem uitgeoefende toezicht.
3.Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing
vooraf. Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een
schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan de directeur
onderscheidenlijk de selectiefunctionaris toekomen.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld
en de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Artikel 41
1. De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en
met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht brieven en
stukken per post te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden
kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de
jeugdige.
2. De directeur is bevoegd enveloppen of andere poststukken,
afkomstig van of bestemd voor jeugdigen, op de aanwezigheid van
bijgesloten voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen.
Indien de enveloppen of andere poststukken afkomstig zijn van of
bestemd zijn voor de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde
personen of instanties, geschiedt dit onderzoek in aanwezigheid van de
betrokken jeugdige.
3. De directeur is bevoegd op de inhoud van brieven of andere
poststukken afkomstig van of bestemd voor jeugdigen toezicht uit te
oefenen met het oog op een belang als bedoeld in het vierde lid. Dit
toezicht kan omvatten het kopiëren van brieven of andere poststukken.
Van de wijze van uitoefenen van toezicht wordt aan de jeugdige tevoren
mededeling gedaan.
4. De directeur kan de verzending of de uitreiking van bepaalde
brieven of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren,
indien dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende
belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten;
c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins
betrokkenen bij misdrijven;
d. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
e. de uitvoering van het perspectiefplan.
5. De directeur draagt zorg dat de niet uitgereikte brieven of
andere poststukken dan wel bijgesloten voorwerpen, hetzij worden
teruggegeven aan de jeugdige of voor diens rekening worden gezonden
aan de verzender of een door de jeugdige op te geven adres, hetzij
onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige
worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden
vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld
met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 42
1.Artikel 41, derde en vierde lid, is niet van toepassing op
brieven door de jeugdige gericht aan of afkomstig van:
a. leden van het Koninklijk Huis;
b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden
daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een
commissie uit een van beide parlementen;
c. Onze Minister;
d. justitiële autoriteiten;
e. de Nationale ombudsman;
f. de geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid en de
inspecteurs van de Inspectie jeugdzorg;
g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;
h. de commissie van toezicht, een beklagcommissie, of leden
daarvan;
i. diens rechtsbijstandverlener;
j. diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de
stichting;
k. diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, behoudens
ingeval zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen
verzetten;
l. andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen
personen of instanties.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder d, wordt onder
justitiële autoriteiten mede begrepen: organen die krachtens een
wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag bevoegd zijn
tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht
aangevangen zaken.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van
verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde
personen en instanties.
Artikel 43
1. De jeugdige heeft het recht gedurende ten minste één uur per
week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te
ontvangen. In de huisregels worden regels gesteld omtrent het
aanvragen van bezoek.
2. De directeur kan het aantal tegelijk tot de jeugdige toe te
laten personen beperken, indien dit noodzakelijk is in het belang van
de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
3. De directeur kan de toelating tot de jeugdige van een bepaalde
persoon of bepaalde personen weigeren, indien dit noodzakelijk is met
het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Deze
weigering van een bezoeker op de grond van artikel 41, vierde lid,
onder a, b, d of e, geldt voor ten hoogste vier weken.
4. De directeur kan bepalen dat tijdens het bezoek toezicht wordt
uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als
bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het
beluisteren of het opnemen van het gesprek tussen de bezoeker en de
jeugdige. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan van de aard
en de reden van het toezicht.
5. Iedere bezoeker dient zich bij binnenkomst op deugdelijke wijze
te legitimeren. De directeur kan bepalen dat een bezoeker aan zijn
kleding wordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een
gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de
inrichting. Dit onderzoek kan ook betrekking hebben op door hem
meegebrachte voorwerpen. De directeur is bevoegd dergelijke voorwerpen
gedurende de duur van het bezoek onder zich te nemen tegen afgifte van
een bewijs van ontvangst dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand
te stellen met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare
feiten.
6. De directeur kan het bezoek binnen de daarvoor bestemde tijd
beëindigen en de bezoeker uit de inrichting doen verwijderen, indien
dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel
41, vierde lid.
7. De in artikel 42, eerste lid, onder f, g en h, genoemde personen
en instanties hebben te allen tijde toegang tot de jeugdige. De
overige in dat lid genoemde personen en instanties hebben toegang tot
de jeugdige op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen.
Indien de in artikel 42, eerste lid, onder k, genoemde personen
vanwege dringende verplichtingen of belemmeringen niet in staat
blijken de jeugdige op de in de huisregels vastgestelde tijden en
plaatsen gedurende de week te bezoeken, stelt de directeur hen buiten
deze tijden, door de week of in het weekeinde, daartoe in de
gelegenheid. Tijdens dit bezoek kunnen zij zich vrijelijk met de
jeugdige onderhouden, behoudens ingeval de directeur, na overleg met
de desbetreffende bezoeker, van mening is dat van de jeugdige een
ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de bezoeker. In dat
geval laat de directeur voor het bezoek weten welke toezichthoudende
maatregelen genomen worden om het onderhoud zo ongestoord mogelijk te
laten verlopen. De toezichthoudende maatregelen mogen er niet toe
leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de
jeugdige en diens rechtsbijstandverlener bij derden bekend kunnen
worden.
Artikel 44
1. De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en
met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht ten minste
tweemaal per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen
en met behulp van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien
minuten een of meer telefoongesprekken te voeren met personen buiten
de inrichting. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur
anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige. In verband met het
uitoefenen van toezicht als bedoeld in het tweede lid, kunnen
telefoongesprekken worden opgenomen.
2. De directeur kan bepalen dat op de door of met de jeugdige
gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit
noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de jeugdige
een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op een belang
als bedoeld inartikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het
beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van een
opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan
van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen van
telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen
telefoongesprekken.
3. De directeur kan de gelegenheid tot het voeren van een bepaald
telefoongesprek of telefoongesprekken weigeren of een telefoongesprek
binnen de daarvoor bestemde tijd beëindigen, indien dit noodzakelijk
is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. De
beslissing tot het weigeren van een bepaald telefoongesprek of
bepaalde telefoongesprekken geldt voor ten hoogste vier weken.
4. De jeugdige wordt in staat gesteld met de in artikel 42, eerste
lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben,
indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaan. Op deze
gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan voor zover
noodzakelijk is om de identiteit van de persoon of instantie met wie
de jeugdige een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te
stellen.
Artikel 45
1. De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een
gesprek tussen de jeugdige en een vertegenwoordiger van de media, voor
zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;
c. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
d. de uitvoering van het perspectiefplan;
e. de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen
dan de jeugdige;
f. de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
2. De directeur kan met het oog op de bescherming van de in het
eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger
van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden. De directeur is
bevoegd een vertegenwoordiger van de media uit de inrichting te doen
verwijderen, indien hij de hem opgelegde voorwaarden niet nakomt.
3. De directeur kan op het contact met een vertegenwoordiger van de
media toezicht uitoefenen, indien dit noodzakelijk is met het oog op
een belang als bedoeld in het eerste lid. Artikel 43, vierde lid,
tweede en derde volzin, en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk IX. Verzorging, onderwijs en andere activiteiten
Paragraaf 1. Verzorging
Artikel 46
1.De jeugdige heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging,
individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te
beleven.
2.De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende
geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst
of levensovertuiging van de jeugdigen, beschikbaar is.
3.De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid op in de
huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
a. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke
verzorger van de godsdienst of de levensovertuiging van zijn
keuze, die aan de inrichting is verbonden;
b. contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde
geestelijke verzorgers volgens artikel 43;
c. in de inrichting te houden godsdienstige of
levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen.
Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke
verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van
geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van
godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging
van de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke
verzorgers bij een inrichting.
Artikel 47
1.De jeugdige heeft recht op verzorging door een aan de inrichting
verbonden arts of diens vervanger.
2.De jeugdige heeft recht op raadpleging, voor eigen rekening, van
een arts van zijn keuze. De directeur stelt in overleg met de gekozen
arts de plaats en het tijdstip van de raadpleging vast.
3.De directeur draagt zorg dat een aan de inrichting verbonden arts
of diens vervanger:
a. regelmatig beschikbaar is voor het houden van een spreekuur;
b. op andere tijdstippen beschikbaar is, indien dit in het
belang van de gezondheid van de jeugdige noodzakelijk is;
c. de jeugdigen die hiervoor in aanmerking komen onderzoekt op
hun geschiktheid voor deelname aan sport of een andere activiteit.
4.De directeur draagt zorg voor:
a. de verstrekking van de door de aan de inrichting verbonden
arts of diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diëten;
b. de behandeling van de jeugdige op aanwijzing van de aan de
inrichting verbonden arts of diens vervanger;
c. de overbrenging van de jeugdige naar een ziekenhuis dan wel
een andere instelling, indien de onder b bedoelde behandeling
aldaar plaatsvindt.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake
het klagen over beslissingen die ten aanzien van jeugdigen zijn
genomen door de aan de inrichting verbonden arts of diens
plaatsvervanger.
Artikel 48
1.De jeugdige heeft recht op sociale verzorging en hulpverlening.
2.De directeur draagt zorg dat de maatschappelijk werkers van
stichtingen, reclasseringswerkers en daarvoor in aanmerking komende
gedragsdeskundigen de in het eerste lid omschreven zorg en hulp in de
inrichting kunnen verlenen.
3.De directeur draagt zorg voor overbrenging van de jeugdige naar
de daartoe bestemde plaats, indien de in het eerste lid omschreven
zorg en hulp dit noodzakelijk maken en een dergelijke overbrenging
zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming.
Artikel 49
1.De directeur draagt zorg dat aan de jeugdige voeding,
noodzakelijke kleding en schoeisel worden verstrekt dan wel dat hem
voldoende geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar
behoren te voorzien.
2.De jeugdige heeft recht op het dragen van eigen kleding en
schoeisel, tenzij die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de
veiligheid in de inrichting. Hij kan worden verplicht tijdens het
deelnemen aan activiteiten of sport aangepaste kleding of schoeisel te
dragen. In de huisregels kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze
van gebruik en onderhoud van kleding en schoeisel.
3.De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding
zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of de
levensovertuiging van de jeugdigen.
4.De directeur draagt zorg dat de jeugdige in staat wordt gesteld
zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen.
5.In de huisregels worden regels gesteld omtrent de aankoop door
jeugdigen van andere gebruiksartikelen dan die welke door de directeur
ter beschikking worden gesteld.
Artikel 50
1. In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde
soorten voorwerpen binnen de inrichting of een bepaalde afdeling
daarvan verboden is, indien dit noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel de
beperking van de aansprakelijkheid van de directeur voor de
voorwerpen.
2. De directeur kan een jeugdige toestemming geven hem toebehorende
voorwerpen waarvan het bezit niet is verboden ingevolge het eerste
lid, in zijn kamer te plaatsen dan wel bij zich te hebben voor zover
dit zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de geestelijke of de lichamelijke ontwikkeling van de
jeugdige;
c. de uitvoering van het perspectiefplan;
d. de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.
3. De directeur kan aan de toestemming, bedoeld in het tweede lid,
voorwaarden verbinden die kunnen betreffen het gebruik van en de
aansprakelijkheid voor deze voorwerpen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld krachtens welke de
aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige
ingevolge het tweede lid onder zich heeft wordt beperkt tot een
bepaald bedrag.
4. De directeur is bevoegd aan de jeugdige toebehorende voorwerpen
voor diens rekening te laten onderzoeken, ten einde vast te stellen of
de toelating of het bezit daarvan kan worden toegestaan dan wel is
verboden ingevolge het eerste onderscheidenlijk het tweede lid.
5. De directeur is bevoegd voorwerpen die verboden zijn dan wel ten
aanzien waarvan geen toestemming is verleend ingevolge het eerste
onderscheidenlijk het tweede lid, in beslag te nemen. Hij draagt zorg
dat deze voorwerpen hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst
ten behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met
toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de
voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
Artikel 51
1.Het bezit van contant geld door de jeugdigen in de inrichting of
een afdeling is verboden, tenzij in de huisregels anders is bepaald.
2.In inrichtingen of afdelingen waar het bezit door de jeugdigen
van contant geld is verboden, heeft de jeugdige de beschikking over
een rekening-courant bij de inrichting.
3.Aan de jeugdige kan een zakgeld worden toegekend volgens door
Onze Minister te stellen regels.
4.In de huisregels kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het
bezit van contant geld en het gebruik van de rekening-courant. Deze
regels kunnen een beperking inhouden van het bedrag waarover de
jeugdige ten hoogste in contanten of door middel van zijn
rekening-courant mag beschikken.
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Artikel 52
1. De jeugdige is verplicht tot het volgen van onderwijs dan wel
tot het deelnemen aan andere activiteiten in het kader van zijn
pedagogische vorming.
2. In het voor de jeugdige opgestelde perspectiefplan wordt
opgenomen welk onderwijs hij volgt of aan welke activiteiten in het
kader van zijn pedagogische vorming hij deelneemt. Bij de keuze
daarvan worden de mate van beveiliging van de inrichting of de
afdeling en het voor de jeugdige geldende stelsel van vrijheden in
acht genomen, en wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met
redelijke wensen van de jeugdige, alsmede met die van zijn ouders of
voogd, stiefouder of pleegouders.
3. De directeur draagt zorg voor de beschikbaarheid van onderwijs
en andere activiteiten in het kader van de pedagogische vorming,
alsmede voor de voorziening daarin door daarvoor in aanmerking komende
functionarissen.
4. Onze Minister kan regels stellen omtrent de voorwaarden
waaronder een tegemoetkoming kan worden verleend in de kosten die voor
de jeugdige aan het volgen van onderwijs en het deelnemen aan
activiteiten in het kader van zijn pedagogische vorming, voor zover
hierin niet door de directeur van de inrichting kan worden voorzien,
kunnen zijn verbonden. Deze voorwaarden kunnen betreffen de aard, de
duur en de kosten van deze activiteiten alsmede de vooropleiding van
de jeugdige en diens vorderingen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de eisen waaraan het onderwijs in de inrichting en de
andere activiteiten in het kader van de pedagogische vorming moeten
voldoen.
Artikel 53
1. De jeugdige heeft recht op het kennis nemen van het nieuws, voor
eigen rekening, en het wekelijks gebruik maken van een
bibliotheekvoorziening.
2. De jeugdige heeft recht op lichamelijke oefening en het
beoefenen van sport gedurende ten minste tweemaal drie kwartier per
week, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.
3. De jeugdige heeft recht op recreatie en dagelijks verblijf in de
buitenlucht, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.
4. De directeur draagt zorg dat de jeugdige in de gelegenheid wordt
gesteld tot deelname aan recreatieve activiteiten gedurende ten minste
twee uren per dag.
5. De directeur draagt zorg dat de jeugdige in de gelegenheid wordt
gesteld dagelijks ten minste een uur in de buitenlucht te verblijven.
Hoofdstuk X. Disciplinaire straffen
Artikel 54
1.Indien een personeelslid of medewerker constateert dat een
jeugdige betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of
de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en hij voornemens is
daarover aan de directeur schriftelijk verslag te doen, deelt hij dit
de jeugdige mede.
2.De directeur beslist over het opleggen van een disciplinaire
straf zo spoedig mogelijk nadat hem dit verslag is gedaan.
3.Indien de directeur of zijn plaatsvervanger feiten als bedoeld in
het eerste lid constateert, blijft het eerste lid buiten toepassing.
4.Een straf kan worden opgelegd dan wel ten uitvoer gelegd in een
andere inrichting of afdeling dan waarin het verslag, bedoeld in het
eerste lid is opgemaakt.
Artikel 55
1.De directeur kan wegens het begaan van feiten als bedoeld in
artikel 54, eerste lid, de navolgende disciplinaire straffen opleggen:
a. opsluiting in een strafcel dan wel een andere
verblijfsruimte voor ten hoogste vier dagen voor jeugdigen tot
zestien jaar en ten hoogste zeven dagen voor jeugdigen van zestien
jaar en ouder;
b. ontzegging van bezoek van een bepaald persoon of bepaalde
personen voor ten hoogste vier weken, indien het feit plaatsvond
in verband met bezoek van die persoon of personen;
c. uitsluiting van deelname aan een of meer bepaalde
activiteiten voor ten hoogste vier dagen voor jeugdigen tot
zestien jaar en ten hoogste zeven dagen voor jeugdigen van zestien
jaar en ouder;
d. weigering, intrekking of beperking van het eerstvolgende
verlof;
e. geldboete tot een bedrag van ten hoogste het zakgeld,
bedoeld in artikel 51, derde lid, over één week.
2.De directeur bepaalt bij de oplegging van een geldboete tevens
door welke andere straf deze zal worden vervangen, ingeval de boete
niet binnen de daartoe door hem gestelde termijn is betaald.
3.De directeur kan voor feiten als bedoeld in artikel 54, eerste
lid, meer dan één straf opleggen, met dien verstande dat de in het
eerste lid onder a en c genoemde straffen slechts kunnen worden
opgelegd voor zover zij te zamen niet langer duren dan vier dagen voor
jeugdigen tot zestien jaar en zeven dagen voor jeugdigen van zestien
jaar en ouder.
4.De oplegging van een straf laat onverlet de mogelijkheid voor de
directeur om ter zake van de door de jeugdige toegebrachte schade met
hem dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een regeling te treffen.
5.Geen straf kan worden opgelegd, indien de jeugdige voor het
begaan van een feit als bedoeld in artikel 54, eerste lid, niet
verantwoordelijk kan worden gesteld.
6.Indien een straf is opgelegd wordt deze onverwijld ten uitvoer
gelegd. De directeur kan bepalen dat een straf niet of slechts ten
dele ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 55a
1.De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke
of lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat
de jeugdige die in de strafcel verblijft, dag en nacht door middel van
een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een
gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit
advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het
advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Artikel 56
1.Indien de tenuitvoerlegging van de opsluiting in een strafcel of
andere verblijfsruimte in de inrichting of de afdeling waarin zij is
opgelegd niet mogelijk is of op ernstige bezwaren stuit, kan zij in
een andere inrichting of afdeling worden ondergaan.
2.Indien de directeur van oordeel is dat de in het eerste lid
bedoelde omstandigheid zich voordoet, plaatst hij in overeenstemming
met de selectiefunctionaris de jeugdige hiertoe over.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van
overplaatsing ingevolge het tweede lid.
Artikel 57
1.Een straf kan geheel of ten dele voorwaardelijk worden opgelegd.
De proeftijd bedraagt ten hoogste twee maanden.
2.De directeur stelt in elk geval als voorwaarde dat de jeugdige
zich onthoudt van het plegen van feiten die onverenigbaar zijn met de
orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. De directeur kan andere
voorwaarden aan het gedrag van de jeugdige stellen. De opgelegde
voorwaarden worden vermeld in de mededeling, bedoeld in artikel 62,
eerste lid.
3.Bij het overtreden van een voorwaarde binnen de proeftijd kan de
directeur bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke straf geheel of ten
dele ten uitvoer wordt gelegd.
4.De directeur kan een onvoorwaardelijke straf geheel of ten dele
omzetten in een voorwaardelijke straf.
Artikel 58
1. Van elke strafoplegging dan wel wijziging daarvan houdt de
directeur aantekening in een register.
2. Indien een straf ingevolge de hoofdstukken XII, XIII of XIV
geheel of ten dele wordt herzien, houdt de directeur hiervan
aantekening in een register.
3. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de
stichting, worden van het opleggen van een straf, bedoeld in artikel
55, eerste lid, en van de redenen daarvan op de hoogte gesteld. Ten
aanzien van jeugdigen van achttien jaar en ouder is de instemming van
de jeugdige vereist.
4. De directeur kan van het doen van mededelingen omtrent de
redenen voor het opleggen van de straf afzien indien:
a. de ouders, voogd, stiefouder of pleegouders te kennen hebben
gegeven niet betrokken te willen worden bij het verblijf van de
jeugdige in de inrichting;
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich tegen het doen
van deze mededelingen verzetten.
Artikel 59
1.De jeugdige aan wie de disciplinaire straf van opsluiting,
bedoeld in artikel 55, eerste lid, onder a, is opgelegd is uitgesloten
van deelname aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders
bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld
in artikel 53, derde lid. De directeur kan het contact met de
buitenwereld, bedoeld in hoofdstuk VIII, gedurende de opsluiting
beperken of uitsluiten.
2.De directeur draagt zorg dat, ingeval de opsluiting in een
strafcel ten uitvoer wordt gelegd en langer dan vierentwintig uren
duurt, de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden
arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis worden gesteld.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de
inrichting van de strafcel. Deze betreffen in elk geval de rechten die
tijdens het verblijf in de strafcel aan de jeugdige toekomen.
Hoofdstuk XI. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier
Artikel 60
1.De directeur draagt zorg dat de jeugdige bij binnenkomst in de
inrichting, schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal, op de hoogte wordt gesteld van zijn bij of
krachtens deze wet gestelde rechten en plichten.
2.De jeugdige wordt hierbij in het bijzonder gewezen op diens
bevoegdheid:
a. een bezwaar- of verzoekschrift in te dienen overeenkomstig
hoofdstuk IV;
b. zich te wenden tot de maandcommissaris van de commissie van
toezicht overeenkomstig hoofdstuk XII;
c. een klaag- of beroepschrift in te dienen overeenkomstig de
hoofdstukken XIII, XIV en XV.
Artikel 61
1. De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid te worden
gehoord, zoveel mogelijk in een voor de jeugdige begrijpelijke taal,
alvorens hij beslist omtrent:
a. de weigering op het verzoek tot deelname aan een scholings-
en trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, zesde lid, alsmede de
beëindiging van de deelname aan een scholings- en
trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, vijfde lid;
b. de weigering of de intrekking van de toestemming om een kind
in de inrichting onder te brengen, bedoeld in artikel 16;
c. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor
intensieve zorg, bedoeld in artikel 22a, derde lid, op een
afdeling voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22b,
derde lid, of een individuele trajectafdeling, bedoeld in artikel
22c, vijfde lid;
d. de uitsluiting van het verblijf in de groep of van deelname
aan activiteiten en de verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23,
derde lid, en 24, eerste lid, aanhef en onder a of b,
onderscheidenlijk artikel 23, vierde lid en 24, tweede lid,
alsmede verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep,
bedoeld in artikel 23, tweede lid;
e. de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan,
bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24,
eerste lid, onder a of b, onderscheidenlijk artikel 25, derde lid,
en de toepassing van artikel 26;
f. de tijdelijke plaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in
artikel 27, eerste onderscheidenlijk derde lid;
g. de beperking en de intrekking van verlof, bedoeld in de
artikelen 29, tweede lid, 30, derde en vierde lid;
h. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste
lid;
i. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in
artikel 37;
j. de bevestiging door mechanische middelen, bedoeld in artikel
38, eerste lid;
k. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel
55 en de toepassing van de artikelen 56 en 57, derde lid;
l. de observatie door middel van een camera, bedoeld in de
artikelen 25a, eerste lid, en 55a, eerste lid.
2. Van het horen van de jeugdige wordt aantekening gehouden.
3. Toepassing van het eerste lid, onder d, e, f, g, h, i en j kan
achterwege blijven indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de gemoedstoestand van de jeugdige daaraan in de weg staat.
Dit laat onverlet dat de jeugdige zo spoedig mogelijk achteraf
alsnog wordt gehoord.
4. Indien de beslissing tot
a. de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan
activiteiten en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 23,
derde lid, en 24, eerste lid, onder a en b, onderscheidenlijk
artikel 23, vierde lid, en 24, tweede lid, alsmede de verlenging
van uitsluiting van verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23,
tweede lid;
b. de plaatsing in afzondering, als bedoeld in artikel 25,
eerste lid, op de grond vanartikel 24, eerste lid, onder a en b,
en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 25, derde lid;
wordt genomen door een afdelingshoofd, stelt deze de jeugdige in de
gelegenheid te worden gehoord.
5. Een jeugdige vreemdeling wordt bij binnenkomst in de inrichting
geïnformeerd over zijn recht de consulaire vertegenwoordiger van zijn
land van zijn detentie op de hoogte te laten stellen.
Artikel 62
1.De directeur geeft de jeugdige van elke beslissing als bedoeld in
artikel 61, eerste lid, onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in
een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende
en ondertekende mededeling.
2.De directeur geeft de jeugdige op de in het eerste lid omschreven
wijze een mededeling omtrent:
a. de weigering van verzending of uitreiking van een brief of
ander poststuk dan wel van bijgesloten voorwerpen als bedoeld in
artikel 41, vierde lid;
b. de weigering van de toelating tot de jeugdige van een
bepaald persoon of bepaalde personen als bedoeld in artikel 43,
derde lid;
c. het verbod van het voeren van een bepaald telefoongesprek of
bepaalde telefoongesprekken als bedoeld in artikel 44, derde lid;
d. de weigering van een contact met een vertegenwoordiger van
de media als bedoeld in artikel 45, eerste lid.
3.In de gevallen, genoemd in het tweede lid, kan de mededeling
achterwege blijven, indien de beslissing van de directeur strekt ter
uitvoering van een beperking die aan de jeugdige is opgelegd ingevolge
de artikelen 62, 62a en 76 van het Wetboek van Strafvordering.
4.De jeugdige wordt in de mededeling, bedoeld in het eerste en
tweede lid, gewezen op de mogelijkheid van het verzoeken om
bemiddeling, bedoeld in hoofdstuk XII of het instellen van beklag,
bedoeld in hoofdstuk XIII, de wijze waarop en de termijn waarbinnen
zulks dient te geschieden, alsmede op de mogelijkheid tot het doen van
een verzoek aan de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de
uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing
geheel of gedeeltelijk te schorsen.
Artikel 63
1. De directeur draagt zorg dat ten dienste van het verblijf van de
jeugdige een dossier wordt aangelegd, waarin in ieder geval de
volgende gegevens worden vastgelegd:
a. rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende
de tenuitvoerlegging van de aan de jeugdige opgelegde
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
b. het perspectiefplan;
c. op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor
zover betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van
het verblijfs- en behandelplan;
d. evaluatieverslagen;
e. opname- en ontslaggegevens;
f. de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire
straf als bedoeld in artikel 58, eerste lid;
g. adviezen en aantekeningen als bedoeld in artikel 77t, vijfde
lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
inzake de eisen waaraan het dossier ten minste moet voldoen, de
gegevens die daarin moeten worden vastgelegd, het recht op inzage of
afschrift van het dossier door de betrokken jeugdige en zijn ouders of
voogd, stiefouders of pleegouders dan wel de stichting en de
beperkingen daarop, de termijn gedurende welke het dossier moet worden
bewaard, de wijze waarop het dossier moet worden beheerd, bewaard en,
na afloop van de bewaartermijn, vernietigd, alsmede de overdracht van
gegevens in geval van een overplaatsing van de jeugdige.
3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 454, 455 en 456 van dit boek
niet van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XII. Bemiddeling
Artikel 64
1. De jeugdige heeft het recht zich, mondeling of schriftelijk, tot
de maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, vierde lid, te wenden met
het verzoek te bemiddelen terzake van een grief omtrent de wijze
waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem
heeft gedragen of een bij of krachtens deze wet gestelde zorgplicht
heeft betracht. Een gedraging van een personeelslid of medewerker van
de inrichting jegens de jeugdige wordt met het oog op de toepassing
van deze bepaling als een gedraging van de directeur aangemerkt.
2. Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag
openstaat, dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop
de jeugdige kennis heeft gekregen van die beslissing te worden
ingediend.
3. De maandcommissaris streeft ernaar binnen zes weken een voor
partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
4. De maandcommissaris stelt de jeugdige en de directeur in de
gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt
mondeling toe te lichten. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet
voldoende beheerst, draagt de maandcommissaris zorg voor de bijstand
van een tolk.
5. Hij legt de resultaten van de bemiddeling neer in een
schriftelijke mededeling en zendt een gedagtekend afschrift daarvan
aan de directeur en de jeugdige. De datum van die toezending of
uitreiking wordt op dit afschrift aangetekend. Indien de jeugdige de
Nederlandse taal niet voldoende begrijpt, draagt de maandcommissaris
zorg voor een vertaling van de mededeling. In de gevallen, bedoeld in
artikel 65, wordt de jeugdige gewezen op de mogelijkheid van beklag en
de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan.
6. De directeur deelt, binnen vier weken na ontvangst van de
mededeling, bedoeld in het vijfde lid, de jeugdige alsmede de
commissie van toezicht mede of hij het oordeel van de maandcommissaris
over de grief deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel
maatregelen zal nemen en zo ja welke.
7. Tegen de beslissing, bedoeld in het zesde lid, kan de jeugdige
een klacht indienen bij de beklagcommissie. In dat geval is het
bepaalde inartikel 68, vierde lid, niet van toepassing.
8. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben het recht
als bedoeld in het eerste lid ter zake van een grief omtrent de wijze
waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hen
heeft gedragen. Het eerste en derde tot en met zevende lid is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XIII. Beklag
Artikel 65
1. Een jeugdige kan bij de beklagcommissie beklag doen over een hem
betreffende door of namens de directeur genomen beslissing
betreffende:
a. de weigering op het verzoek tot deelname aan een
scholings-en trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, zesde lid,
alsmede de beëindiging van de deelname aan een scholings- en
trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, vijfde lid;
b. de weigering of de intrekking van de toestemming om een kind
in de inrichting onder te brengen, bedoeld in artikel 16;
c. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor
intensieve zorg, bedoeld inartikel 22a, derde lid, op een afdeling
voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22b, derde lid, of
een individuele trajectafdeling, bedoeld in artikel 22c, vijfde
lid;
d. de uitsluiting van het verblijf in de groep of van deelname
aan activiteiten en de verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23,
derde lid, en 24, eerste lid, aanhef en onder a of b,
onderscheidenlijk artikel 23, vierde lid en 24, tweede lid,
alsmede verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep,
bedoeld in artikel 23, tweede lid;
e. de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan,
bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24,
eerste lid, onder a of b, onderscheidenlijk artikel 25, derde lid,
en de toepassing van artikel 26;
f. de tijdelijke plaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in
artikel 27, eerste onderscheidenlijk derde lid;
g. de beperking en de intrekking van verlof, bedoeld in de
artikelen 29, tweede lid, 30, derde en vierde lid;
h. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste
lid;
i. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in
artikel 37;
j. de bevestiging door mechanische middelen, bedoeld in artikel
38, eerste lid;
k. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel
55 en de toepassing van de artikelen 56 en 57, derde lid;
l. de observatie door middel van een camera, bedoeld in de
artikelen 25a, eerste lid, en55a, eerste lid;
m. enige andere beslissing die een beperking inhoudt van een
recht dat de jeugdige op grond van een bij of krachtens deze wet
of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend
verdrag toekomt.
2. Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van
een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet
binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een
redelijke termijn een beslissing is genomen.
3. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te
doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Artikel 66
1. De jeugdige doet beklag door de indiening van een klaagschrift
bij de beklagcommissie bij de inrichting waar de beslissing waarover
hij klaagt is genomen.
2. De indiening van het klaagschrift kan door tussenkomst van de
directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De
directeur draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift, of, indien
het klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een
dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
3. Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing
waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag.
4. De beklagcommissie stelt de maandcommissaris onverwijld op de
hoogte van de klacht en doet hem deze onverwijld in een gesloten
enveloppe toekomen. Indien de indiening van het klaagschrift heeft
plaatsgevonden door tussenkomst van de directeur, dan stelt deze de
maandcommissaris onverwijld op de hoogte van de klacht en doet deze
toekomen aan de maandcommissaris.
5. De maandcommissaris onderzoekt of terzake het onderwerp van de
klacht tussen de jeugdige en de directeur kan worden bemiddeld.
Artikel 64, derde tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
6. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst
kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter
van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de
Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de
vertaling gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij
algemene maatregel van bestuur.
7. Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die waarop
de jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich
wenst te beklagen ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediend
klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de jeugdige in verzuim is geweest.
8. Indien de jeugdige een verzoek tot bemiddeling heeft gedaan,
wordt, in afwijking van het zevende lid, het klaagschrift ingediend
uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige de schriftelijke
mededeling van bevindingen van de maandcommissaris heeft ontvangen.
Het indienen van een verzoek tot bemiddeling, stuit de in het vorige
lid genoemde termijn voor het indienen van een klaagschrift.
Artikel 67
1.Het klaagschrift wordt behandeld door een door de commissie van
toezicht uit haar midden benoemde beklagcommissie, bestaande uit drie
leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. Een lid van de
commissie van toezicht neemt geen deel aan de behandeling van het
klaagschrift, indien hij heeft bemiddeld ter zake van de beslissing
waarop het klaagschrift betrekking heeft of daarmee op enige andere
wijze bemoeienis heeft gehad.
2.De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beklagcommissie kan, indien hij het beklag van eenvoudige aard, dan
wel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk
gegrond acht, het klaagschrift enkelvoudig afdoen, met dien verstande
dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de
voltallige beklagcommissie toekomen.
3.De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in
het tweede lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beklagcommissie.
4.De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar
plaats, behoudens ingeval de beklagcommissie van oordeel is dat de
niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder
verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
Artikel 68
1. De secretaris van de beklagcommissie zendt de directeur een
afschrift van het klaagschrift toe.
2. De directeur geeft dienaangaande desgevraagd zo spoedig mogelijk
schriftelijk de nodige inlichtingen aan de beklagcommissie. Hij voegt
daaraan de opmerkingen toe, waartoe het klaagschrift hem overigens
aanleiding geeft.
3. Aan de klager geeft de secretaris van de beklagcommissie
schriftelijk kennis van de inhoud van deze inlichtingen en
opmerkingen.
4. Indien de commissie van toezicht omtrent de beslissing waarover
wordt geklaagd heeft bemiddeld en zij haar bevindingen schriftelijk
aan de klager en de directeur mede heeft gedeeld, voegt de secretaris
van de beklagcommissie de bevindingen bij de processtukken.
Artikel 69
1.De beklagcommissie stelt de klager en de directeur in de
gelegenheid omtrent het klaagschrift mondeling opmerkingen te maken,
tenzij zij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk
ongegrond of kennelijk gegrond acht.
2.De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de
beklagcommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te
zien.
3.De beklagcommissie kan de directeur en de klager buiten elkaars
aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld
vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt
de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de
voorzitter van de beklagcommissie aan de klager onderscheidenlijk de
directeur mondeling medegedeeld.
4.De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of
schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen
worden ingewonnen, zijn het tweede en derde lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
1.De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een
rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon, die daartoe
van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de
klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de
vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen
bij algemene maatregel van bestuur.
2.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst,
draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning
en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden
volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
3.Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie aan de klager
op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
4.Indien de klager elders verblijft, kunnen de opmerkingen, bedoeld
in artikel 69, eerste lid, op verzoek van de beklagcommissie ten
overstaan van een lid van een andere beklagcommissie worden gemaakt.
5.Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een
schriftelijk verslag, dat door de voorzitter en de secretaris wordt
ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan
in het verslag vermeld.
Artikel 71
1.Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van
de beroepscommissie op verzoek van de klager, na de directeur te
hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het
klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen.
2.De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur
en de klager.
Artikel 72
1. De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval
binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de datum waarop het
klaagschrift is ontvangen, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan
de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen.
Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling
gedaan.
2. De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij bevat
een verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. Zij
wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij
verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak
vermeld. Aan de klager en de directeur wordt onverwijld en kosteloos
een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of
uitgereikt. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit
afschrift aangetekend.
3. De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van
beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn
waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot
schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in
artikel 75, tweede lid.
4. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en
in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden
voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een
vertaling van de uitspraak en de mededeling, bedoeld in het tweede,
onderscheidenlijk derde lid. De vergoeding van de voor de vertaling
gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene
maatregel van bestuur.
5. De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook
mondeling mededelen aan de klager en de directeur. Deze worden daarbij
gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de
beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet
worden gedaan, alsmede op de mogelijkheid tot schorsing van de
tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in artikel 75, tweede lid.
Als dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze
mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt de
uitspraak op het klaagschrift aangetekend.
6. Indien het vijfde lid toepassing heeft gevonden en beroep wordt
ingesteld als voorzien in artikel 74, eerste lid, vindt uitwerking van
de beslissing van de beklagcommissie plaats op de wijze, bedoeld in
het tweede lid. De secretaris van de beklagcommissie zendt een
afschrift van deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de
beroepscommissie.
7. De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie
een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op
kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift
daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens
bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid. Met
betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is het
bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 73
1.De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beklag;
b. ongegrondverklaring van het beklag;
c. gegrondverklaring van het beklag.
2.Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing
waarover is geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk
voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in
Nederland geldend verdrag, dan wel
b. bij afweging van alle in aanmerking komende belangen,
onredelijk of onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het
beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of
gedeeltelijk.
3.Bij toepassing van het tweede lid kan de beklagcommissie:
a. de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met
inachtneming van haar uitspraak;
b. bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de
vernietigde beslissing;
c. volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging.
4.Bij toepassing van het derde lid, onder a, kan de beklagcommissie
in haar uitspraak een termijn stellen.
5.De beklagcommissie kan bepalen dat de uitspraak buiten werking
blijft totdat deze onherroepelijk is geworden.
6.Indien het tweede lid toepassing vindt, worden de rechtsgevolgen
van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur
ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak
van de beklagcommissie.
7.Voor zover de in het zesde lid bedoelde gevolgen niet meer
ongedaan te maken zijn, bepaalt de beklagcommissie dan wel de
voorzitter, na de directeur te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming
aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk
van aard kan zijn, vast.
Hoofdstuk XIV. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Artikel 74
1.Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen de directeur en
de klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift.
Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag
na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak
onderscheidenlijk na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak
worden ingediend.
2.Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door
de Raad benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan
door een secretaris.
3.Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de
artikelen 65, derde lid, 66, tweede en vierde lid, 67, vierde lid, 68
eerste, tweede en derde lid, 69 en 70, eerste, tweede en derde lid,
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
beroepscommissie kan bepalen dat:
a. de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid
worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
beroepscommissie kunnen worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de
gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die
zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
Artikel 75
1.Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging
van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze
de toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 73,
zevende lid, inhoudt.
2.Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van
de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft
ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de
tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of
gedeeltelijk schorsen. Hij doet hiervan onverwijld mededeling aan de
directeur en de klager.
Artikel 76
1.De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
2.De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
b. bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij
met overneming, hetzij met verbetering van de gronden;
c. vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.
3.Indien het tweede lid, onder c, toepassing vindt, doet de
beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.
4.Ten aanzien van de uitspraak van de beroepscommissie zijn de
artikelen 71 en 72, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde
volzin, vierde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof,
deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Artikel 77
1. De betrokkene heeft het recht tegen de beslissing van de
selectiefunctionaris op het bezwaar- of verzoekschrift voor zover dit
betreft een gehele of gedeeltelijke ongegrondverklaring,
onderscheidenlijk afwijzing als bedoeld in de artikelen 18 en 19 een
met redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie,
bedoeld in artikel 78, eerste lid. De betrokkene heeft ook het recht
een beroepschrift in te dienen in het geval dat het indienen van een
bezwaarschrift op de grond als vermeld in artikel 18, vijfde lid,
achterwege is gebleven.
2. De jeugdige heeft het recht tegen een hem betreffende beslissing
aangaande verlof, voor zover hiertegen geen beklag ingevolge artikel
65, eerste en tweede lid, openstaat, een met redenen omkleed
beroepschrift in te dienen bij de commissie, bedoeld in artikel 78,
eerste lid.
3. Het tweede lid is overeenkomstig van toepassing op de beslissing
van de selectiefunctionaris, strekkende tot weigering van het verlenen
van een machtiging tot deelname aan het scholings- en
trainingsprogramma, na het verzoek, bedoeld in artikel 3, zesde lid.
Artikel 78
1. Het beroepschrift wordt behandeld door een door de Raad benoemde
commissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.
2. Het beroepschrift moet worden ingediend uiterlijk op de zevende
dag na die waarop de betrokkene kennis heeft gekregen van de
beslissing waartegen hij beroep instelt. Een na afloop van deze
termijn ingediend beroepschrift is niettemin ontvankelijk, indien
blijkt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene
in verzuim is geweest.
3. Indien de betrokkene in een inrichting verblijft, kan de
indiening van het beroepschrift geschieden door tussenkomst van de
directeur van de inrichting of afdeling. De directeur draagt zorg dat
het beroepschrift onverwijld van een dagtekening wordt voorzien. Als
dag waarop het beroepschrift is ingediend geldt die van de
dagtekening.
4. De artikelen 65, derde lid, 66, vierde lid, 68, eerste, tweede
en derde lid, 69, 70, 71, 72, tweede lid, eerste en derde tot en met
vijfde volzin, vierde en zevende lid, met uitzondering van de eerste
volzin, 73, eerste tot en met vierde, zesde en zevende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de commissie,
bedoeld in het eerste lid, kan bepalen dat:
a. de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld
het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
commissie, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden
gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon
gesteld wensen te zien.
Hoofdstuk XVI. Medezeggenschap en vertegenwoordiging
Artikel 79
De directeur draagt zorg voor een regelmatig overleg met de jeugdigen
over zaken die rechtstreeks hun verblijf raken. Zowel de jeugdigen als
de directeur kunnen deze onderwerpen in dat overleg aan de orde stellen.
Artikel 80
1.De in de artikelen 18 en 19 alsmede hoofdstukken XII tot en met
XV aan de jeugdige toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de
selectiefunctionaris onderscheidenlijk de beklag- of beroepscommissie
van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich
daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door diens ouders of
voogd, stiefouder of pleegouders.
2.De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde
personen bij binnenkomst van de jeugdige schriftelijk en voor zover
mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal op deze rechten opmerkzaam
worden gemaakt.
Hoofdstuk XVIa. Experimenten
Artikel 80a
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bij wijze van
experiment regels worden gesteld waarmee tijdelijk wordt afgeweken van
de in artikel 80bte noemen bepalingen, zulks met inachtneming van de
aldaar genoemde doelen met het oog waarop afwijking van de betreffende
bepaling gedurende de werkingsduur van de maatregel plaats kan hebben.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het
experiment.
4. Onze Minister zendt tenminste drie maanden voor het einde van de
werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van het experiment in de praktijk.
5. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid,
geldt voor een periode van ten hoogste twee jaar na inwerkingtreding
daarvan.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing, indien binnen de twee
jaar voordracht plaatsvindt van een voorstel van wet, waarmee in het
onderwerp van de maatregel wordt voorzien.
Artikel 80b
Op de wijze als voorzien in artikel 80a kan worden afgeweken van:
a. artikel 1, onderdeel v, ten aanzien van de grootte van de
groep, voor zover dit dienstig is aan een experiment ingevolge de
navolgende onderdelen van dit artikel en voor zover dit in het
belang is van de opvoeding of de behandeling van de jeugdige;
b. artikel 3, met als doel de vaststelling van een vroeger moment
waarop de jeugdige aan een scholings- en trainingsprogramma kan
deelnemen;
c. artikel 10, met als doel de vaststelling van andersoortige
mate van beveiliging voor zover bijzondere technologische
ontwikkelingen daartoe aanleiding geven;
d. artikel 17, met als doel de vaststelling van andersoortige
wijzen van onderbrenging van de jeugdige;
e. deartikelen 22 tot en met 22b, voorzover dit dienstig is aan
een experiment waarbij de jeugdige in een inrichting, afdeling of
plaats met een bijzondere bestemming als bedoeld in artikel 8, derde
lid, verblijft en voor zover dit in het belang is van de opvoeding
of de behandeling van de jeugdige;
f. artikel 49, tweede lid, met als doel het voorkomen van
ordeverstorend gedrag dan wel het structureel bevorderen van de orde
of veiligheid binnen de inrichting;
g. artikel 64, met als doel het bevorderen van het gebruik van de
bemiddelingsprocedure als wijze van geschillenbeslechting.
Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 81
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 82
[Wijzigt de Wet op de jeugdhulpverlening]
Artikel 83
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 84
[Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek]
Artikel 85
[Wijzigt de Gratiewet]
Artikel 86
[Wijzigt de Wet ziekenhuisvoorzieningen]
Artikel 87
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet]
Artikel 88
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 89
Deze wet heeft geen gevolgen voor klaagschriften of beroepschriften
die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 90
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 91
Deze wet wordt aangehaald als: Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 november 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de zestiende november 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|