Nadere regelgeving:
- Regeling
geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen
- Regeling
melding ongeoorloofde afwezigheid
- Regeling plaatsing en overplaatsing jeugdigen
- Regeling straf- en afzonderingscel justitiële jeugdinrichtingen
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg
WET van 2 november 2000 tot vaststelling
van een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband
houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van
Strafvordering en de Wet op de jeugdhulpverlening alsmede enige andere
wetten (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
integrale regeling te treffen voor de materiële en formele
rechtspositie ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt door verblijf
in een justitiële jeugdinrichting dan wel door deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma en in verband daarmede het Wetboek van
Strafrecht en de Wet op de jeugdhulpverlening te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. inrichting: justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a;
c. particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister wordt
gesubsidieerd;
d. rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister in stand wordt
gehouden;
e. afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in artikel 8,
tweede lid;
f. jeugdige: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een
inrichting;
g. bestuur: het bestuur van een rechtspersoon die een particuliere
inrichting beheert;
h. directeur: de directeur van de inrichting, of diens plaatsvervanger,
bedoeld in artikel 3b, derde lid, dan wel 3c, tweede lid;
i. personeelslid of medewerker: een persoon die een taak uitvoert in het
kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting;
j. Raad: Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
k. commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel 7,
eerste lid;
l. beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 67, eerste lid;
m. beroepscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 74, tweede
lid;
n. Inspectie jeugdzorg: de inspectie, bedoeld in artikel 47 van de Wet
op de jeugdzorg;
o. vrijheidsstraf: jeugddetentie en vervangende jeugddetentie;
p. vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis,
vreemdelingenbewaring en gijzeling voor zover de leeftijd van achttien
jaren nog niet is bereikt, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen,
alsmede de tenuitvoerlegging van een machtiging in een geval als bedoeld
in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg;
q. strafrestant: het gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf dan wel
van het samenstel van dergelijke straffen dat nog moet worden ondergaan;
r. verblijfsplan: een plan als bedoeld in artikel 20;
s. behandelplan: een plan als bedoeld in artikel 21;
t. scholings- en trainingsprogramma: een programma als bedoeld in
artikel 3, eerste lid;
u. huisregels: regels als bedoeld in artikel 4, eerste lid;
v. groep: drie of meer jeugdigen;
w. kamer: de aan de jeugdige ingevolge artikel 17, tweede lid,
toegewezen verblijfsruimte;
x. activiteiten: activiteiten ingevolge hoofdstuk IX;
ij. afzondering: het insluiten van een jeugdige in een van de groep
afgescheiden ruimte;
z. tijdelijke overplaatsing: de overplaatsing voor een bepaalde tijd
vanuit een behandelinrichting naar een opvanginrichting, dan wel vanuit
een opvanginrichting naar een andere opvanginrichting, dan wel vanuit
een behandelinrichting naar een andere behandelinrichting, op de gronden
genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b;
aa. selectiefunctionaris: een persoon belast met de plaatsing en
overplaatsing van jeugdigen als bedoeld in artikel 16, derde lid;
bb. reclasseringswerker: een reclasseringswerker als bedoeld in artikel
6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;
cc. rechtsbijstandverlener: de advocaat of de medewerker van een
stichting, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand;
dd. stichting: een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg;
ee. raad voor de kinderbescherming: de raad als bedoeld in artikel 238
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoofdstuk II. Doelstelling, beheer en toezicht
Paragraaf 1. Doelstelling
Artikel 2
1.De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende
maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is
bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is
opgelegd in een inrichting dan wel door diens deelname aan een scholings-
en trainingsprogramma, als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2.Met handhaving van het karakter van de straf of de maatregel wordt de
tenuitvoerlegging hiervan aangewend voor de opvoeding van de jeugdige en
zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding op diens
terugkeer in de maatschappij. In het geval dat een vrijheidsbenemende
maatregel behandeling inhoudt wordt de tenuitvoerlegging tevens hierop
afgestemd.
3.De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende
maatregelen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de oplegging van de
straf of de maatregel.
4.Jeugdigen in een inrichting worden aan geen andere beperkingen
onderworpen dan die welke noodzakelijk zijn voor:
a. het doel van de vrijheidsbeneming, waaronder begrepen hun geestelijke
en lichamelijke ontwikkeling en de uitvoering van het verblijfs- of
behandelplan;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
Artikel 3
1.Een scholings- en trainingsprogramma is een samenstel van activiteiten
waaraan wordt deelgenomen door jeugdigen ter verdere tenuitvoerlegging
van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
in aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door
Onze Minister is erkend met inachtneming van de regels ingevolge het
tweede lid.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven
die in elk geval de inhoud, de voorwaarden voor en het toezicht op
deelname, de gevolgen van niet-nakoming van de voorwaarden en de
rechtspositie van de deelnemers aan een scholings- en trainingsprogramma
betreffen.
3.Met inachtneming van de regels ingevolge het tweede lid kan Onze
Minister bepalen welke jeugdigen voor deelname aan een scholings- en
trainingsprogramma in aanmerking komen.
Artikel 3a
1.Onze Minister subsidieert of houdt in stand landelijke voorzieningen
van residentiële hulpverlening bestemd voor de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in de
artikelen 77h van het Wetboek van Strafrecht alsmede voor de
tenuitvoerlegging van een machtiging in een geval als bedoeld in artikel
29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg.
2.De inrichtingen worden onderscheiden in rijksinrichtingen en
particuliere inrichtingen.
Artikel 3b
1.Particuliere inrichtingen zijn in de Europese Economische Ruimte
gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid tot wier
doelstelling opvang en behandeling van jeugdigen als bedoeld in artikel
1, onderdeel f, behoren en die daartoe door Onze Minister zijn
aangewezen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de aanwijzing als particuliere inrichting en de daaraan
te verbinden voorwaarden, alsmede omtrent het verstrekken van subsidie.
3.Het beheer van een particuliere inrichting berust bij de directeur,
die door het bestuur benoemd wordt. De directeur van een particuliere
inrichting wijst met machtiging van het bestuur een of meer personen als
zijn vervanger aan.
Artikel 3c
1.Rijksinrichtingen worden door Onze Minister aangewezen. Het
opperbeheer van de rijksinrichtingen berust bij Onze Minister. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
betreffende de uitvoering hiervan.
2.Het beheer van een rijksinrichting berust bij de directeur, die als
zodanig door Onze Minister wordt aangewezen. Onze Minister wijst een of
meer personen aan als vervanger van de directeur.
3.Onze Minister kan mandaat verlenen betreffende de hem bij of krachtens
deze wet toegekende bevoegdheden tot het vaststellen van algemeen
verbindende voorschriften aan het hoofd van de Dienst Justitiële
Inrichtingen.
Artikel 3d
Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een goede
kwaliteit van de inrichtingen regels gesteld.
Paragraaf 2. Beheer
Artikel 4
1.De directeur stelt in aanvulling op de bij of krachtens deze wet
gestelde regels en met inachtneming van het dienaangaande door Onze
Minister vast te stellen model en door deze te geven aanwijzingen
huisregels voor de inrichting of afdeling vast.
2.De directeur kan personeelsleden en medewerkers machtigen tot de
uitoefening van hem bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden en de
naleving van zijn zorgplichten, met uitzondering van de bevoegdheden,
genoemd in het eerste en vierde lid.
3.De directeur is bevoegd aan de jeugdigen aanwijzingen te geven, voor
zover zulks noodzakelijk is in het belang van:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;
c. hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;
d. de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan.
De jeugdigen zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
4.Aan de directeur is voorbehouden de beslissing omtrent:
a. de onderbrenging van een kind in een inrichting als bedoeld in
artikel 13, tweede en vijfde lid;
b. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg
of voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22a, derde lid,
onderscheidenlijk artikel 22b, derde lid;
c. de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan
activiteiten en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 23, derde lid,
en 24, eerste lid, onder a en b, onderscheidenlijk artikel 23, vierde
lid, en 24, tweede lid, alsmede de verlenging van uitsluiting van
verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23, tweede lid;
d. de plaatsing in afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de
grond van artikel 24, eerste lid, onder a en b, de verlenging hiervan,
bedoeld in artikel 25, derde lid, en de tenuitvoerlegging van de
afzondering in een andere inrichting of afdeling, bedoeld in artikel 26;
e. de tijdelijke overplaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in
artikel 27, eerste, onderscheidenlijk het derde lid;
f. de beperking en de intrekking van verlof en proefverlof, bedoeld in
de artikelen 28, 29, 30 en 31;
g. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
h. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in artikel 37;
i. de bevestiging van mechanische middelen, bedoeld in artikel 38,
eerste lid;
j. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel 55, de
toepassing van artikel 56, eerste en tweede lid, en artikel 57, derde en
vierde lid.
Artikel 5
1.De directeur meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere
voorvallen aan Onze Minister.
2.De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde
inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud
en de wijze van melding.
Paragraaf 3. Toezicht
Artikel 6
De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XIV en XV.
Artikel 7
1.Bij elke inrichting dan wel afdeling wordt door Onze Minister een
commissie van toezicht ingesteld.
2.De commissie van toezicht heeft tot taak:
a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming in de inrichting of afdeling;
b. kennis te nemen van door de jeugdigen, ouders of voogd, stiefouder of
pleegouders, naar voren gebrachte grieven en ter zake te bemiddelen;
c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge
hoofdstuk XIII;
d. aan Onze Minister, de Raad en de directeur advies en inlichtingen te
geven omtrent het onder a gestelde.
3.Indien het advies of de inlichtingen een particuliere inrichting
betreffen en zijn bestemd voor Onze Minister of de Raad, voegt de
commissie de desbetreffende opmerkingen van het betrokken bestuur
daarbij, tenzij naar het oordeel van Onze Minister, de Raad of de
commissie bijzondere spoed geboden is dan wel het bestuur zijn
opmerkingen naar het oordeel van de commissie niet binnen een redelijke
termijn op schrift heeft gesteld.
4.De commissie van toezicht stelt zich door persoonlijk contact met de
jeugdigen regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en
gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als
maandcommissaris. De maandcommissaris vervult tevens de taken van de
vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 1, onder z van de Wet op de
jeugdzorg.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de
benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden
van de maandcommissaris.
Hoofdstuk III. Bestemming
Artikel 8
1.Onze Minister bepaalt de bestemming van elke inrichting of afdeling
ingevolge de artikelen 9 tot en met 15. Hij stelt regels voor de
plaatsing en de overplaatsing van de jeugdigen.
2.Onze Minister kan delen van een inrichting als afdeling met een aparte
bestemming aanwijzen.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de wijze waarop de opvang en de behandeling in
inrichtingen plaatshebben.
Artikel 9
1.Inrichtingen zijn te onderscheiden in opvanginrichtingen en
behandelinrichtingen.
2.Opvanginrichtingen zijn bestemd voor de onderbrenging van:
a. personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige hechtenis is
gegeven, voor zover zij ten tijde van het begaan van het strafbaar feit
waarvan zij worden verdacht, de leeftijd van achttien jaren nog niet
hebben bereikt;
b. personen aan wie de straf van jeugddetentie, daaronder begrepen
vervangende jeugddetentie, is opgelegd;
c. personen in vreemdelingenbewaring, voor zover zij de leeftijd van
achttien jaren nog niet hebben bereikt;
d. personen aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen is opgelegd, dan wel personen die de leeftijd van achttien
jaar nog niet hebben bereikt en ten aanzien van wie een rechterlijke
machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen is gegeven, personen ten aanzien van wie artikel 29k,
tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg toepassing heeft gevonden en die
bij plaatsing de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt voor
zolang opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk is dan wel
voor zolang die plaats nog niet bepaald is dan wel indien voor hen geen
andere plaats bestemd is;
e. personen die in een behandelinrichting verblijven en aan wie de
maatregel van tijdelijke overplaatsing naar een opvanginrichting is
opgelegd;
f. personen ten aanzien van wie een bevel tot gijzeling is gegeven, voor
zover zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.
Artikel 10
1.Behandelinrichtingen zijn bestemd voor de onderbrenging van personen
aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is
opgelegd, alsmede voor de tenuitvoerlegging van een machtiging in een
geval als bedoeld in artikel 29k, tweede lid van de Wet op de jeugdzorg.
2.Onder behandeling wordt verstaan een samenstel van handelingen gericht
op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of
stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard
die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden.
Artikel 11
1.De plaatsing in een behandelinrichting van een persoon aan wie de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd
geschiedt voordat de termijn van de maatregel drie maanden heeft
gelopen.
2.Indien de plaatsing niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn
mogelijk is, kan de selectiefunctionaris deze termijn telkens met drie
maanden verlengen.
3.Met een beslissing tot verlenging als bedoeld in het tweede lid wordt
gelijk gesteld de weigering om binnen de in het eerste lid genoemde
termijn te beslissen.
Artikel 11a
1.De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 29k, tweede
lid van de Wet op de jeugdzorg is bepaald dat hij in een inrichting
wordt geplaatst, heeft aanspraak op die plaatsing. Een jeugdige heeft
slechts aanspraak op deze plaatsing als de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die werkzaam is in de provincie
waarin de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit
blijkt dat hij op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit
bedoeld in de tweede volzin niet afgewacht kan worden. Daarbij kan
worden afgeweken van de tweede volzin.
2.De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden overgeplaatst naar
een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
onder a.
Artikel 12
1.In opvanginrichtingen worden mannelijke en vrouwelijke jeugdigen
gescheiden ondergebracht.
2.Onze Minister kan opvanginrichtingen of -afdelingen aanwijzen waarin
van het eerste lid wordt afgeweken vanwege de bestemming van de
inrichting of de afdeling voor bijzondere opvang, bedoeld in artikel 15.
3.De directeur kan jeugdigen van verschillend geslacht die in dezelfde
opvanginrichting verblijven in de gelegenheid stellen gezamenlijk aan
activiteiten deel te nemen.
4.In behandelinrichtingen worden mannelijke en vrouwelijke jeugdigen
gescheiden dan wel tezamen ondergebracht.
Artikel 13
1.Onze Minister wijst de inrichtingen of de afdelingen aan waarin
kinderen van de jeugdige tot een in de aanwijzing aangegeven leeftijd
kunnen worden ondergebracht.
2.Indien een jeugdige een kind in de inrichting of de afdeling, bedoeld
in het eerste lid, wil onderbrengen ten einde het aldaar te verzorgen en
op te voeden behoeft hij de toestemming van de directeur. De directeur
geeft deze toestemming, voor zover dit verblijf zich verdraagt met de
volgende belangen:
a. de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de geestelijke of
lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;
d. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
e. het over het kind gestelde gezag.
3.De directeur kan aan de toestemming voorwaarden verbinden met het oog
op een belang als bedoeld in het tweede lid.
4.De directeur kan over een door hem voorgenomen onderbrenging van een
kind in de inrichting of afdeling het advies inwinnen van de raad voor
de kinderbescherming.
5.De directeur kan de toestemming intrekken, indien dit noodzakelijk is
met het oog op een belang als bedoeld in het tweede lid, of indien de
jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt. Indien de directeur een
nader onderzoek nodig oordeelt, kan hij de medewerking van de raad voor
de kinderbescherming inroepen.
6.De directeur is verplicht de toestemming in te trekken, indien de
onderbrenging van het kind in de inrichting in strijd komt met enige op
het gezag over het kind betrekking hebbende beslissing.
7.In de huisregels worden nadere regels gesteld omtrent het verblijf van
kinderen in de inrichting.
8.De kosten van de verzorging van het kind komen voor rekening van het
Rijk, voor zover de jeugdige dan wel degene die belast is met het gezag
over het kind, niet zelf in die kosten kan voorzien.
Artikel 14
1.Inrichtingen of afdelingen daarvan zijn naar de mate van beveiliging
als volgt te onderscheiden en aan te duiden:
a. beperkt beveiligd: een open inrichting of afdeling;
b. normaal beveiligd: een gesloten inrichting of afdeling.
2.Onze Minister bepaalt ten aanzien van elke inrichting of afdeling
daarvan de mate van beveiliging, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15
1.Inrichtingen of afdelingen daarvan kunnen door Onze Minister worden
bestemd voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere opvang of
behandeling behoeven.
2.De bijzondere opvang of behandeling, bedoeld in het eerste lid, kan
verband houden met de leeftijd, de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling van de jeugdigen of de uitvoering van het verblijfs- of
behandelplan, alsmede met het delict waarvoor zij in een inrichting zijn
opgenomen.
3.Onze Minister bepaalt de criteria waaraan jeugdigen moeten voldoen om
voor plaatsing in een inrichting of een afdeling met een bijzondere
opvang of behandeling als bedoeld in het eerste lid, in aanmerking te
komen.
Hoofdstuk IV. Plaatsing en plaatsingsprocedure
Paragraaf 1. Plaatsing en overplaatsing
Artikel 16
1.Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast, worden,
voor zover de tenuitvoerlegging in een inrichting plaatsvindt, geplaatst
in een inrichting of afdeling dan wel overgeplaatst naar een inrichting
of afdeling overeenkomstig de bestemming daarvan ingevolge hoofdstuk
III. Van het bepaalde omtrent de bestemming kan worden afgeweken op
gronden gelegen in de persoon van de betrokkene. Indien een persoon voor
plaatsing in meer dan één inrichting of afdeling in aanmerking komt,
geschiedt deze met inachtneming van artikel 2, tweede, derde en vierde
lid.
2.Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast kunnen in
aansluiting op hun verblijf in de inrichting in de gelegenheid worden
gesteld tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma. Bij het
niet voldoen aan de voorwaarden voor deelname, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, kan de deelname worden beëindigd.
3.Met de plaatsing en overplaatsing, bedoeld in het eerste lid en de
beslissingen, bedoeld in het tweede lid, zijn door Onze Minister als
zodanig aangewezen selectiefunctionarissen belast. Deze zijn bevoegd de
overbrenging van personen te bevelen naar de voor hen bestemde
inrichting of afdeling dan wel ten behoeve van deelname aan het voor hen
bestemde scholings- en trainingsprogramma dan wel de beëindiging
hiervan. Zij kunnen de overbrenging doen geschieden door daartoe door
hen aangewezen personeelsleden of medewerkers. De inrichting is
verplicht de jeugdige op te nemen.
4.De selectiefunctionarissen nemen bij de beslissing, bedoeld in het
eerste lid, de aanwijzingen van het openbaar ministerie en van de
autoriteiten die de straf of maatregel hebben opgelegd, in aanmerking.
De selectiefunctionarissen nemen bij de beslissing, bedoeld in het
eerste lid, de aanwijzingen van de stichting voor zover mogelijk in
acht.
5.De selectiefunctionarissen nemen de beslissing om een jeugdige te
plaatsen op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve
behandeling als bedoeld in artikel 22a, onderscheidenlijk artikel 22b,
na advies van een psychiater, die voor zover mogelijk overleg heeft
gevoerd met de behandelend gedragsdeskundige.
6.In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de
geestvermogens van een jeugdige kan de selectiefunctionaris, met
inachtneming van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen, bepalen dat de jeugdige naar een psychiatrisch ziekenhuis
als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang als
dat noodzakelijk is te worden verpleegd.
7.Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de procedure van
plaatsing en overplaatsing en overbrenging, bedoeld in het eerste
onderscheidenlijk het zesde lid, en omtrent de wijze waarop het vervoer
van de jeugdige plaatsvindt.
Artikel 16a
1.In afwijking van artikel 16, eerste lid, eerste volzin, kan de
selectiefunctionaris bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende
maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een
periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft
vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting.
De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn
vastgesteld.
2.Het eerste lid kan voor een jeugdige in de leeftijd van twaalf tot
zestien jaar worden toegepast, met dien verstande dat de maximale
termijn voor verblijf in een politiecel dan drie dagen bedraagt en het
verblijf alleen mag worden toegepast in afwachting van het regelen van
vervoer naar de plaats in een inrichting.
Artikel 17
1.De directeur bepaalt de wijze van onderbrenging van de jeugdigen die
overeenkomstig artikel 16 zijn geplaatst in de inrichting of afdeling
met het beheer waarvan hij is belast.
2.De directeur wijst iedere jeugdige een kamer toe.
3.De directeur kan onderdelen van de inrichting of de afdeling aanwijzen
voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere opvang of
behandeling in de zin van artikel 15, tweede lid, behoeven.
4.De directeur bepaalt de criteria waaraan de jeugdige moet voldoen om
voor onderbrenging als bedoeld in het derde lid in aanmerking te komen.
5.Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een kamer als
bedoeld in het tweede lid moet voldoen.
Artikel 17a
1.De directeur kan de tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld
in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg schorsen, als de
tenuitvoerlegging niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige
zich aan de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen
wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat
de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan
de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt
onttrokken.
2.Een besluit tot schorsing of intrekking wordt niet genomen dan nadat
de directeur daaromtrent overleg heeft gepleegd met de betrokken
stichting en de raad voor de kinderbescherming.
3.De directeur doet van een besluit tot schorsing of intrekking
mededeling aan de stichting en de raad voor de kinderbescherming.
Paragraaf 2. Bezwaar- en verzoekschriftprocedure
Artikel 18
1.De betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed bezwaarschrift
in te dienen tegen de beslissing:
a. tot verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 11, tweede lid;
b. tot plaatsing of overplaatsing of overbrenging als bedoeld in artikel
16, eerste onderscheidenlijk vijfde lid;
c. tot plaatsing of overplaatsing op een afdeling als bedoeld in artikel
22a of 22b;
d. tot beëindiging van zijn deelname aan een scholings- en
trainingsprogramma;
e. tot het gebruiken van geweld of aanwenden van vrijheidsbeperkende
middelen, bedoeld in artikel 40, tweede lid.
2.Op de wijze van indiening is artikel 66, tweede, vierde en vijfde lid,
van overeenkomstige toepassing.
3.De selectiefunctionaris stelt de betrokkene in de gelegenheid
schriftelijk of mondeling diens bezwaarschrift toe te lichten, tenzij
hij het aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of
kennelijk gegrond acht.
4.De selectiefunctionaris stelt de indiener van het bezwaarschrift
binnen zes weken van zijn met redenen omklede beslissing schriftelijk en
zoveel mogelijk in een voor deze begrijpelijke taal op de hoogte.
Hierbij wijst hij hem op de mogelijkheid van het instellen van beroep,
bedoeld in hoofdstuk XV, alsmede de termijnen waarbinnen en de wijze
waarop dit gedaan moet worden.
5.Het indienen van een bezwaarschrift blijft achterwege, indien de
betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen een door de
selectiefunctionaris voorgenomen en hem betreffende beslissing als
bedoeld in het eerste lid kenbaar te maken.
Artikel 19
1.De betrokkene heeft het recht bij de selectiefunctionaris een met
redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot:
a. plaatsing in dan wel overplaatsing naar een bepaalde inrichting of
afdeling;
b. deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.
2.Met een verzoekschrift wordt gelijkgesteld een akkoordverklaring van
de jeugdige met het selectieadvies van de directeur van de inrichting.
3.De artikelen 66, tweede en vierde lid, en 18, derde en vierde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Indien het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, is afgewezen,
kan twee maanden na de ontvangst van deze afwijzing opnieuw een
verzoekschrift worden ingediend.
Hoofdstuk V. Verblijfsplan en behandelplan
Artikel 20
1.De directeur van een opvanginrichting kan voor een jeugdige een
verblijfsplan vaststellen. Hij stelt in elk geval een verblijfsplan vast
voor een jeugdige met een strafrestant van drie maanden of meer.
Alvorens het plan vast te stellen overlegt hij met de jeugdige.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
eisen waaraan een verblijfsplan ten minste moet voldoen, de
voorschriften die bij wijziging daarvan in acht genomen moeten worden en
de periodieke evaluatie van het verblijfsplan.
Artikel 21
1.De directeur van een behandelinrichting draagt zorg dat binnen zes
weken na binnenkomst van de jeugdige in de inrichting een behandelplan
wordt vastgesteld. Alvorens het plan vast te stellen overlegt hij met de
jeugdige.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
eisen waaraan het behandelplan ten minste moet voldoen, de voorschriften
die bij wijziging daarvan in acht genomen moeten worden en de periodieke
evaluatie van het behandelplan.
Hoofdstuk VI. Bewegingsvrijheid
Paragraaf 1. Bewegingsvrijheid binnen de inrichting
Artikel 22
In inrichtingen verblijven jeugdigen in groepen en nemen deel aan
gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste twaalf uren per dag
gedurende de week en ten minste acht en een half uren per dag gedurende
het weekeinde. De jeugdigen houden zich gedurende de voor de nachtrust
bestemde uren in hun kamer op, tenzij zij als onderdeel van het regime
van de inrichting deelnemen aan meerdaagse activiteiten buiten de
inrichting.
Artikel 22a
1.Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen afdeling voor
intensieve zorg nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke activiteiten
gedurende ten minste zes uren per dag door de week en gedurende ten
minste vier uren per dag in het weekeinde.
2.Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve zorg worden geplaatst
indien:
a. de jeugdige in een crisissituatie verkeert,
b. de crisissituatie vermoedelijk gevolg is van een psychiatrische
stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en
c. de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b tijdelijk niet
in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in artikel
22.
De plaatsing geschiedt alleen indien dit noodzakelijk is ten behoeve van
het stabiliseren en het zo nodig stellen van een diagnose ten aanzien
van de jeugdige.
3.De directeur bepaalt telkens binnen ten hoogste zes weken en na advies
van een psychiater of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op
de afdeling voor intensieve zorg nog bestaat.
4.Een jeugdige die op een afdeling voor intensieve zorg is geplaatst,
verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een groep van ten
minste twee personen.
Artikel 22b
1.Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen afdeling voor
intensieve behandeling nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke
activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en
gedurende ten minste vier uren per dag in het weekeinde.
2.Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve behandeling worden
geplaatst indien:
a. de jeugdige extra begeleiding behoeft,
b. de behoefte aan extra begeleiding het gevolg is van een
psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en
c. de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b tijdelijk niet
in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in artikel
22.
De plaatsing geschiedt alleen indien dit noodzakelijk is ter
stabilisatie en behandeling van de jeugdige.
3.De directeur bepaalt telkens binnen ten hoogste drie maanden en na
advies van een psychiater of de noodzaak tot voortzetting van het
verblijf op de afdeling voor intensieve behandeling nog bestaat.
4.Een jeugdige die op een afdeling voor intensieve behandeling is
geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een groep
van ten minste twee personen.
Artikel 23
1.De directeur kan een jeugdige gedurende ten hoogste een week na zijn
binnenkomst in de inrichting uitsluiten van het verblijf in een groep en
zijn deelname aan gemeenschappelijke activiteiten beperken tot ten
minste zes uren per dag, indien dit noodzakelijk is:
a. ter voorbereiding van de beslissing omtrent onderbrenging van de
jeugdige in de groep;
b. ten behoeve van de vaststelling van een verblijfs- of behandelplan.
2.De directeur kan de periode, bedoeld in het eerste lid, tweemaal met
ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg met een
gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog
bestaat.
3.De directeur kan de jeugdige gedurende ten hoogste een week uitsluiten
van verblijf in de groep of beperken in de deelname aan
gemeenschappelijke activiteiten, indien dit noodzakelijk is in het
belang van:
a. zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;
b. de uitvoering van het hem betreffende verblijfs- of behandelplan.
4.De directeur kan de uitsluiting of beperking, bedoeld in het derde
lid, telkens met ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg
met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak
hiertoe nog bestaat.
5.De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting,
bedoeld in het eerste en derde lid, en de verlenging, bedoeld in het
tweede en vierde lid, aantekening in een register.
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Artikel 24
1.De directeur kan de jeugdige uitsluiten van het verblijf in de groep
of de deelname aan een of meer activiteiten behoudens het dagelijks
verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid:
a. indien dit in het belang van de orde of de veiligheid van de
inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken jeugdige;
d. indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit verzoek
redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
2.De uitsluiting ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten
hoogste twee dagen. De directeur kan deze uitsluiting telkens voor ten
hoogste twee dagen verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat
de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat.
3.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitsluiting, bedoeld in
het eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of
medewerker de maatregel, bedoeld in het eerste lid, voor een periode van
ten hoogste vijftien uren treffen.
4.De maatregel van uitsluiting van het verblijf in de groep of van de
deelname aan een of meer activiteiten wordt ten uitvoer gelegd op de
kamer van de jeugdige.
5.De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting,
bedoeld in het eerste en tweede lid, en de verlenging, bedoeld in het
tweede lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het derde
lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker
gemaakt.
Artikel 25
1.De directeur is bevoegd een jeugdige in afzondering te plaatsen op de
gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid. De afzondering op de gronden
van artikel 24, eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste één dag
voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor jeugdigen
van zestien jaar en ouder.
2.De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of in
een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering neemt
de jeugdige niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur niet
anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht,
bedoeld in artikel 53, vijfde lid.
3.De directeur kan de afzondering, bedoeld in het eerste lid, op de
grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, eenmaal voor ten hoogste
één dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor
jeugdigen van zestien jaar en ouder verlengen, indien hij tot het
oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.
4.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering op de grond
van artikel 24, eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een
personeelslid of medewerker een jeugdige voor een periode van ten
hoogste vijftien uren in afzondering plaatsen. De directeur wordt van
deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.
5.De directeur draagt zorg dat tijdens de afzondering het nodige contact
tussen personeelsleden en medewerkers van de inrichting en de jeugdige
wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de
jeugdige wordt afgestemd.
6.De directeur draagt zorg dat ingeval de afzondering in een
afzonderingscel langer dan vierentwintig uren duurt, de commissie van
toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger
alsmede de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting,
terstond hiervan in kennis worden gesteld.
7.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de
inrichting van de afzonderingscel. Deze betreffen in elk geval de
rechten die tijdens het verblijf in de afzonderingscel aan de jeugdige
toekomen.
8.De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van afzondering,
bedoeld in het eerste lid, en de verlenging daarvan, bedoeld in het
derde lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het vierde
lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker
gemaakt.
Artikel 25a
1.De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke of
lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat de
jeugdige die in een afzonderingscel verblijft, dag en nacht door middel
van een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een
gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit
advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het
advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Artikel 26
1.Indien de tenuitvoerlegging van de afzondering in de inrichting of
afdeling waar zij is opgelegd op ernstige bezwaren stuit, kan zij in een
andere inrichting of afdeling worden ondergaan.
2.Indien de directeur van oordeel is dat van de in het eerste lid
bedoelde omstandigheid sprake is, plaatst hij in overeenstemming met de
selectiefunctionaris de jeugdige over.
3.Over de verlenging van de afzondering waarvan de tenuitvoerlegging
plaatsvindt in een andere inrichting of afdeling, beslist de directeur
van de inrichting of de afdeling waarin de afzondering was opgelegd in
overeenstemming met de selectiefunctionaris en gehoord de directeur van
de inrichting of afdeling waar de tenuitvoerlegging van de afzondering
plaatsvindt.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van plaatsing,
overplaatsing en verlenging van de afzondering ingevolge het tweede
onderscheidenlijk het derde lid.
5.De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting, worden
van de beslissing, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op de hoogte
gesteld.
6.De directeur houdt van de tenuitvoerlegging van de maatregel van
afzondering in een andere inrichting, bedoeld in het eerste lid en de
verlenging daarvan, bedoeld in het derde lid, aantekening in een
register.
Artikel 27
1.De directeur is bevoegd een jeugdige, na overleg met een
gedragsdeskundige en de selectiefunctionaris, tijdelijk over te plaatsen
op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b.
2.De directeur neemt de beslissing tot tijdelijke plaatsing van de
jeugdige die met een machtiging als bedoeld in artikel 29k, tweede lid,
van de Wet op de jeugdzorg in een inrichting is geplaatst niet dan nadat
hij daarvoor toestemming van de stichting heeft verkregen. Deze
toestemming wordt niet gegeven zonder machtiging van de kinderrechter in
de daartoe aangewezen gevallen. Voor de jeugdige aan wie de maatregel
van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd is de
toestemming van Onze Minister noodzakelijk.
3.De tijdelijke plaatsing duurt ten hoogste veertien dagen. De directeur
kan deze tijdelijke plaatsing eenmaal voor ten hoogste veertien dagen
verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige, de directeur
van de inrichting waar de tijdelijke plaatsing ten uitvoer wordt gelegd
en de selectiefunctionaris tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak en
de mogelijkheden hiertoe nog bestaan.
4.Na de tenuitvoerlegging van de tijdelijke plaatsing dan wel de
verlenging hiervan wordt de jeugdige teruggeplaatst in de inrichting
waarin de maatregel werd opgelegd.
5.De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting, worden
van een beslissing als bedoeld in het eerste en derde lid, onverwijld op
de hoogte gesteld.
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Artikel 28
1.De directeur stelt een jeugdige in de gelegenheid onder door hem te
stellen voorwaarden de inrichting te verlaten teneinde een gerechtelijke
procedure bij te wonen:
a. indien de jeugdige krachtens wettelijk voorschrift verplicht is voor
een rechter of bestuursorgaan te verschijnen;
b. ter voldoening aan een oproep van de rechter.
2.Met het oog op het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste
lid, kan de directeur aan daartoe door hem aangewezen personeelsleden of
medewerkers bevelen dat de betrokken persoon naar de daartoe bestemde
plaats wordt overgebracht.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het
vervoer van de jeugdige ten behoeve van het bijwonen van een
gerechtelijke procedure, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
Artikel 29
1. De directeur stelt een jeugdige die in een inrichting verblijft op
grond van de tenuitvoerlegging van een machtiging in een geval als
bedoeld in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg in de
gelegenheid de inrichting ten minste eenmaal per zes weken voor een
periode van ten minste twaalf uren te verlaten bij wijze van verlof.
Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De directeur kan van het in het eerste lid bepaalde afwijken, indien
naar zijn redelijk oordeel:
a. de mogelijkheid voor de jeugdige ontbreekt om het verlof op
verantwoorde wijze door te brengen;
b. de jeugdige een gevaar voor zichzelf of de omgeving oplevert.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van
verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige
moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid
tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking
alsmede de duur en frequentie van het verlof en de voorwaarden die aan
het verlof kunnen worden verbonden.
Artikel 30
1.De directeur kan met machtiging van Onze Minister een jeugdige die in
een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, anders dan bedoeld in
artikel 29, eerste lid, in de gelegenheid stellen de inrichting te
verlaten bij wijze van verlof.
2.Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, schort de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
niet op.
3.Als algemene voorwaarde geldt dat de jeugdige zich tijdens het verlof
niet aan enig misdrijf zal schuldig maken. De directeur kan aan het
verlof bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende,
verbinden.
4.De directeur kan het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk is met
het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid
van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de jeugdige of de
algemene veiligheid van personen of goederen of indien de jeugdige een
bepaalde voorwaarde niet nakomt.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van
verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige
moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid
tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking
alsmede de duur en frequentie van het verlof en de voorwaarden die aan
het verlof kunnen worden verbonden.
Artikel 31
1.De directeur kan, met machtiging van Onze Minister, de jeugdige die in
de inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, proefverlof
verlenen.
2.De directeur kan het proefverlof, bedoeld in het eerste lid, slechts
verlenen, indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende
gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de
jeugdige of voor de algemene veiligheid van personen of goederen
dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is hem bij wijze van proef
in de maatschappij te doen terugkeren.
3.Artikel 30, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden dat de jeugdige
zich voor het verkrijgen van hulp en steun wendt tot een in de
machtiging van Onze Minister aangewezen instelling, die aan bepaalde,
bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, voldoet.
4.De jeugdige aan wie proefverlof is verleend, geniet, behoudens de
verplichtingen die voortvloeien uit de hem opgelegde voorwaarden,
vrijheid van beweging.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking
tot het proefverlof nadere regels gesteld.
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Artikel 32
Het recht van de jeugdige op onaantastbaarheid van zijn lichaam, zijn
kleding en de van zijn lichaam afgescheiden stoffen en zijn kamer kan
overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden beperkt.
Artikel 33
1.De directeur kan de jeugdige verplichten een legitimatiebewijs bij
zich te dragen en dit op verzoek van een personeelslid of medewerker te
tonen.
2.De jeugdige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het
vastleggen van zijn beeltenis, het nemen van een vingerafdruk of het
afnemen van een handscan.
Artikel 34
1.De directeur is bevoegd een jeugdige bij binnenkomst of bij het
verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van bezoek, dan
wel, indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, aan zijn
lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.
2.Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige omvat mede het uitwendig
schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de jeugdige. Het
onderzoek aan de kleding van de jeugdige omvat mede het onderzoek van de
voorwerpen die de jeugdige bij zich draagt of met zich mee voert.
3.Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige wordt op besloten
plaatsen en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht
als de jeugdige verricht.
4.Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen
worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn,
en, voor zover het onderzoek betrekking heeft op de openingen of holten
van het lichaam van de jeugdige, deze voorwerpen zonder het gebruik van
hulpmiddelen daaruit kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd
deze in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen, hetzij
onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige
op diens kosten worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige
worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden
gesteld met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare
feiten.
Artikel 35
1.De directeur kan, indien dit noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel in
verband met de beslissing tot plaatsing of overplaatsing dan wel in
verband met de toestemming tot het verlaten van de inrichting, een
jeugdige verplichten urine af te staan ten behoeve van een onderzoek van
die urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen.
2.Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de wijze van uitvoering
van het urineonderzoek. Deze regels betreffen in elk geval het recht van
de jeugdige om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een
hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden.
Artikel 34, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36
1.De directeur kan bepalen dat een jeugdige in het lichaam wordt
onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar
voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel
voor de gezondheid van de jeugdige. Het onderzoek in het lichaam wordt
verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
2.Een personeelslid of medewerker van de inrichting waar de jeugdige
verblijft kan bij dringende noodzakelijkheid een beslissing als bedoeld
in het eerste lid nemen.
3.Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden aangetroffen
die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, en deze voorwerpen
door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen worden
verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Artikel 34,
vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37
1.De directeur kan een jeugdige verplichten te gedogen dat ten aanzien
van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht, indien die
handeling naar het oordeel van een arts volstrekt noodzakelijk is ter
afwending van gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de jeugdige of
van anderen. De handeling wordt verricht door een arts of, in diens
opdracht, door een verpleegkundige.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de toepassing van het eerste lid. Deze regels betreffen in ieder
geval de melding en de registratie van de geneeskundige handeling,
alsmede de taak van de verantwoordelijke arts indien de geneeskundige
handeling volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar
voortvloeiend uit de geestelijke stoornis van de jeugdige.
Artikel 38
1.De directeur kan bepalen dat een jeugdige tijdens de afzondering door
bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam voor een periode
van ten hoogste twaalf uren voor jeugdigen tot zestien jaar en ten
hoogste vierentwintig uren voor jeugdigen van zestien jaar en ouder in
zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt, indien die beperking noodzakelijk
is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor
diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige. De
directeur stelt de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht
van de bevestiging onverwijld in kennis.
2.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in het
eerste lid, geboden is, kan een personeelslid of medewerker deze voor
een periode van ten hoogste vier uren ten uitvoer leggen. De directeur
en de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht worden
hiervan onverwijld in kennis gesteld.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de bevestiging van
mechanische middelen aan het lichaam.
Artikel 39
1.De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige op de aanwezigheid
van voorwerpen die niet in zijn bezit mogen zijn te onderzoeken:
a. indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van het algemeen
toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de kamers van
jeugdigen;
b. indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving
van de orde of de veiligheid in de inrichting.
2.Artikel 34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige te onderzoeken op de
aanwezigheid van voorwerpen waarop vermoedelijk celmateriaal van de
jeugdige aanwezig is en deze voorwerpen in beslag te nemen, indien de
officier van justitie hem op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet
DNA-onderzoek bij veroordeelden een opdracht tot het in beslag nemen van
deze voorwerpen heeft gegeven.
Artikel 40
1.De directeur is bevoegd jegens een jeugdige geweld te gebruiken dan
wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover zulks
noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing;
c. de voorkoming van het zich onttrekken door de jeugdige aan het op hem
uitgeoefende toezicht;
d. de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van Strafvordering of de
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de officier van justitie of de
rechter-commissaris genomen beslissing.
2.De selectiefunctionaris of een daartoe door hem aangewezen
personeelslid of medewerker is bevoegd jegens een jeugdige geweld te
gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden voor zover zulks
noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de uitvoering van een door hem genomen beslissing;
b. de voorkoming van het zich onttrekken van de jeugdige aan het op hem
uitgeoefende toezicht.
3.Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een
schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan de directeur
onderscheidenlijk de selectiefunctionaris toekomen.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld en de
aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Artikel 41
1.De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met
het vierde lid te stellen beperkingen, het recht brieven en stukken per
post te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden kosten komen,
tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige.
2.De directeur is bevoegd enveloppen of andere poststukken, afkomstig
van of bestemd voor jeugdigen, op de aanwezigheid van bijgesloten
voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen. Indien de
enveloppen of andere poststukken afkomstig zijn van of bestemd zijn voor
de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde personen of instanties,
geschiedt dit onderzoek in aanwezigheid van de betrokken jeugdige.
3.De directeur is bevoegd op de inhoud van brieven of andere poststukken
afkomstig van of bestemd voor jeugdigen toezicht uit te oefenen met het
oog op een belang als bedoeld in het vierde lid. Dit toezicht kan
omvatten het kopiëren van brieven of andere poststukken. Van de wijze
van uitoefenen van toezicht wordt aan de jeugdige tevoren mededeling
gedaan.
4.De directeur kan de verzending of de uitreiking van bepaalde brieven
of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren, indien
dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten;
c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij
misdrijven;
d. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
e. de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan.
5.De directeur draagt zorg dat de niet uitgereikte brieven of andere
poststukken dan wel bijgesloten voorwerpen, hetzij worden teruggegeven
aan de jeugdige of voor diens rekening worden gezonden aan de verzender
of een door de jeugdige op te geven adres, hetzij onder afgifte van een
bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige worden bewaard, hetzij
met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming
of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 42
1.Artikel 41, derde en vierde lid, is niet van toepassing op brieven
door de jeugdige gericht aan of afkomstig van:
a. leden van het Koninklijk Huis;
b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden daarvan, de
Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een
van beide parlementen;
c. Onze Minister;
d. justitiële autoriteiten;
e. de Nationale ombudsman;
f. de geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid en de inspecteurs
van de Inspectie jeugdzorg;
g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;
h. de commissie van toezicht, een beklagcommissie, of leden daarvan;
i. diens rechtsbijstandverlener;
j. diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de stichting;
k. diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, behoudens ingeval
zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten;
l. andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen personen of
instanties.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder d, wordt onder
justitiële autoriteiten mede begrepen: organen die krachtens een
wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag bevoegd zijn
tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht
aangevangen zaken.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van
verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde
personen en instanties.
Artikel 43
1.De jeugdige heeft het recht gedurende ten minste één uur per week op
in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te ontvangen. In
de huisregels worden regels gesteld omtrent het aanvragen van bezoek.
2.De directeur kan het aantal tegelijk tot de jeugdige toe te laten
personen beperken, indien dit noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
3.De directeur kan de toelating tot de jeugdige van een bepaalde persoon
of bepaalde personen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op
een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Deze weigering van een
bezoeker op de grond van artikel 41, vierde lid, onder a, b, d of e,
geldt voor ten hoogste vier weken.
4.De directeur kan bepalen dat tijdens het bezoek toezicht wordt
uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als
bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het
beluisteren of het opnemen van het gesprek tussen de bezoeker en de
jeugdige. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan van de aard en
de reden van het toezicht.
5.Iedere bezoeker dient zich bij binnenkomst op deugdelijke wijze te
legitimeren. De directeur kan bepalen dat een bezoeker aan zijn kleding
wordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar kunnen
opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. Dit onderzoek
kan ook betrekking hebben op door hem meegebrachte voorwerpen. De
directeur is bevoegd dergelijke voorwerpen gedurende de duur van het
bezoek onder zich te nemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst
dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand te stellen met het oog op
de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
6.De directeur kan het bezoek binnen de daarvoor bestemde tijd
beëindigen en de bezoeker uit de inrichting doen verwijderen, indien
dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41,
vierde lid.
7.De in artikel 42, eerste lid, onder f, g en h, genoemde personen en
instanties hebben te allen tijde toegang tot de jeugdige. De overige in
dat lid genoemde personen en instanties hebben toegang tot de jeugdige
op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen. Tijdens dit bezoek
kunnen zij zich vrijelijk met de jeugdige onderhouden, behoudens ingeval
de directeur, na overleg met de desbetreffende bezoeker, van mening is
dat van de jeugdige een ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de
bezoeker. In dat geval laat de directeur voor het bezoek weten welke
toezichthoudende maatregelen genomen worden om het onderhoud zo
ongestoord mogelijk te laten verlopen. De toezichthoudende maatregelen
mogen er niet toe leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het
onderhoud tussen de jeugdige en diens rechtsbijstandverlener bij derden
bekend kunnen worden.
Artikel 44
1.De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met
het vierde lid te stellen beperkingen, het recht ten minste tweemaal per
week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen en met behulp
van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien minuten een of meer
telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. De
hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor
rekening van de jeugdige.
2.De directeur kan bepalen dat op de door of met de jeugdige gevoerde
telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk
is om de identiteit van de persoon met wie de jeugdige een gesprek voert
vast te stellen dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel
41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren of het opnemen
van het telefoongesprek. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan
van de aard en de reden van het toezicht. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bewaren en
verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.
3.De directeur kan de gelegenheid tot het voeren van een bepaald
telefoongesprek of telefoongesprekken weigeren of een telefoongesprek
binnen de daarvoor bestemde tijd beëindigen, indien dit noodzakelijk is
met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. De
beslissing tot het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde
telefoongesprekken geldt voor ten hoogste vier weken.
4.De jeugdige wordt in staat gesteld met de in artikel 42, eerste lid,
genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien
hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaan. Op deze gesprekken wordt
geen ander toezicht uitgeoefend dan voor zover noodzakelijk is om de
identiteit van de persoon of instantie met wie de jeugdige een
telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.
Artikel 45
1.De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een gesprek
tussen de jeugdige en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit
zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;
c. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
d. de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;
e. de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen dan de
jeugdige;
f. de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
2.De directeur kan met het oog op de bescherming van de in het eerste
lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger van de
media tot de inrichting voorwaarden verbinden. De directeur is bevoegd
een vertegenwoordiger van de media uit de inrichting te doen
verwijderen, indien hij de hem opgelegde voorwaarden niet nakomt.
3.De directeur kan op het contact met een vertegenwoordiger van de media
toezicht uitoefenen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een
belang als bedoeld in het eerste lid. Artikel 43, vierde lid, tweede en
derde volzin, en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IX. Verzorging, onderwijs en andere activiteiten
Paragraaf 1. Verzorging
Artikel 46
1.De jeugdige heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging,
individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te
beleven.
2.De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende geestelijke
verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of
levensovertuiging van de jeugdigen, beschikbaar is.
3.De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid op in de huisregels
vastgestelde tijden en plaatsen:
a. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van
de godsdienst of de levensovertuiging van zijn keuze, die aan de
inrichting is verbonden;
b. contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke
verzorgers volgens artikel 43;
c. in de inrichting te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke
bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen. Artikel 24 is van
overeenkomstige toepassing.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke
verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van
geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van
godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van
de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke
verzorgers bij een inrichting.
Artikel 47
1.De jeugdige heeft recht op verzorging door een aan de inrichting
verbonden arts of diens vervanger.
2.De jeugdige heeft recht op raadpleging, voor eigen rekening, van een
arts van zijn keuze. De directeur stelt in overleg met de gekozen arts
de plaats en het tijdstip van de raadpleging vast.
3.De directeur draagt zorg dat een aan de inrichting verbonden arts of
diens vervanger:
a. regelmatig beschikbaar is voor het houden van een spreekuur;
b. op andere tijdstippen beschikbaar is, indien dit in het belang van de
gezondheid van de jeugdige noodzakelijk is;
c. de jeugdigen die hiervoor in aanmerking komen onderzoekt op hun
geschiktheid voor deelname aan sport of een andere activiteit.
4.De directeur draagt zorg voor:
a. de verstrekking van de door de aan de inrichting verbonden arts of
diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diëten;
b. de behandeling van de jeugdige op aanwijzing van de aan de inrichting
verbonden arts of diens vervanger;
c. de overbrenging van de jeugdige naar een ziekenhuis dan wel een
andere instelling, indien de onder b bedoelde behandeling aldaar
plaatsvindt.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het
klagen over beslissingen die ten aanzien van jeugdigen zijn genomen door
de aan de inrichting verbonden arts of diens plaatsvervanger.
Artikel 48
1.De jeugdige heeft recht op sociale verzorging en hulpverlening.
2.De directeur draagt zorg dat de maatschappelijk werkers van
stichtingen, reclasseringswerkers en daarvoor in aanmerking komende
gedragsdeskundigen de in het eerste lid omschreven zorg en hulp in de
inrichting kunnen verlenen.
3.De directeur draagt zorg voor overbrenging van de jeugdige naar de
daartoe bestemde plaats, indien de in het eerste lid omschreven zorg en
hulp dit noodzakelijk maken en een dergelijke overbrenging zich
verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
Artikel 49
1.De directeur draagt zorg dat aan de jeugdige voeding, noodzakelijke
kleding en schoeisel worden verstrekt dan wel dat hem voldoende
geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar behoren te
voorzien.
2.De jeugdige heeft recht op het dragen van eigen kleding en schoeisel,
tenzij die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in
de inrichting. Hij kan worden verplicht tijdens het deelnemen aan
activiteiten of sport aangepaste kleding of schoeisel te dragen. In de
huisregels kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van gebruik en
onderhoud van kleding en schoeisel.
3.De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding zoveel
mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of de
levensovertuiging van de jeugdigen.
4.De directeur draagt zorg dat de jeugdige in staat wordt gesteld zijn
uiterlijk en lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen.
5.In de huisregels worden regels gesteld omtrent de aankoop door
jeugdigen van andere gebruiksartikelen dan die welke door de directeur
ter beschikking worden gesteld.
Artikel 50
1.In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde soorten
voorwerpen binnen de inrichting of een bepaalde afdeling daarvan
verboden is, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving
van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel de beperking van
de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.
2.De directeur kan een jeugdige toestemming geven hem toebehorende
voorwerpen waarvan het bezit niet is verboden ingevolge het eerste lid,
in zijn kamer te plaatsen dan wel bij zich te hebben voor zover dit zich
verdraagt met de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de geestelijke of de lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
c. de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;
d. de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.
3.De directeur kan aan de toestemming, bedoeld in het tweede lid,
voorwaarden verbinden die kunnen betreffen het gebruik van en de
aansprakelijkheid voor deze voorwerpen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld krachtens welke de
aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige
ingevolge het tweede lid onder zich heeft wordt beperkt tot een bepaald
bedrag.
4.De directeur is bevoegd aan de jeugdige toebehorende voorwerpen voor
diens rekening te laten onderzoeken, ten einde vast te stellen of de
toelating of het bezit daarvan kan worden toegestaan dan wel is verboden
ingevolge het eerste onderscheidenlijk het tweede lid.
5.De directeur is bevoegd voorwerpen die verboden zijn dan wel ten
aanzien waarvan geen toestemming is verleend ingevolge het eerste
onderscheidenlijk het tweede lid, in beslag te nemen. Hij draagt zorg
dat deze voorwerpen hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst
ten behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met
toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming
of de opsporing van strafbare feiten.
Artikel 51
1.Het bezit van contant geld door de jeugdigen in de inrichting of een
afdeling is verboden, tenzij in de huisregels anders is bepaald.
2.In inrichtingen of afdelingen waar het bezit door de jeugdigen van
contant geld is verboden, heeft de jeugdige de beschikking over een
rekening-courant bij de inrichting.
3.Aan de jeugdige kan een zakgeld worden toegekend volgens door Onze
Minister te stellen regels.
4.In de huisregels kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bezit
van contant geld en het gebruik van de rekening-courant. Deze regels
kunnen een beperking inhouden van het bedrag waarover de jeugdige ten
hoogste in contanten of door middel van zijn rekening-courant mag
beschikken.
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Artikel 52
1.De jeugdige is verplicht tot het volgen van onderwijs dan wel tot het
deelnemen aan andere activiteiten in het kader van zijn pedagogische
vorming.
2.In het voor de jeugdige opgestelde verblijfs- of behandelplan wordt
opgenomen welk onderwijs hij volgt of aan welke activiteiten in het
kader van zijn pedagogische vorming hij deelneemt. Bij de keuze daarvan
worden de mate van beveiliging van de inrichting of de afdeling en het
voor de jeugdige geldende stelsel van vrijheden in acht genomen, en
wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met redelijke wensen van de
jeugdige, alsmede met die van zijn ouders of voogd, stiefouder of
pleegouders.
3.De directeur draagt zorg voor de beschikbaarheid van onderwijs en
andere activiteiten in het kader van de pedagogische vorming, alsmede
voor de voorziening daarin door daarvoor in aanmerking komende
functionarissen.
4.Onze Minister stelt regels omtrent de voorwaarden waaronder een
tegemoetkoming kan worden verleend in de kosten die voor de jeugdige aan
het volgen van onderwijs en het deelnemen aan activiteiten in het kader
van zijn pedagogische vorming, voor zover hierin niet door de directeur
van de inrichting kan worden voorzien, kunnen zijn verbonden. Deze
voorwaarden kunnen betreffen de aard, de duur en de kosten van deze
activiteiten alsmede de vooropleiding van de jeugdige en diens
vorderingen.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de eisen waaraan het onderwijs in de inrichting en de andere
activiteiten in het kader van de pedagogische vorming moeten voldoen.
Artikel 53
1.De jeugdige heeft recht op het kennis nemen van het nieuws, voor eigen
rekening, en het wekelijks gebruik maken van een bibliotheekvoorziening.
2.De jeugdige heeft recht op lichamelijke oefening en het beoefenen van
sport gedurende ten minste tweemaal drie kwartier per week, voor zover
zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.
3.De jeugdige heeft recht op recreatie en dagelijks verblijf in de
buitenlucht, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.
4.De directeur draagt zorg dat de jeugdige in de gelegenheid wordt
gesteld tot deelname aan recreatieve activiteiten gedurende ten minste
twee uren per dag.
5.De directeur draagt zorg dat jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld
dagelijks ten minste een uur in de buitenlucht te verblijven.
Hoofdstuk X. Disciplinaire straffen
Artikel 54
1.Indien een personeelslid of medewerker constateert dat een jeugdige
betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de
veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging
van de vrijheidsbeneming en hij voornemens is daarover aan de directeur
schriftelijk verslag te doen, deelt hij dit de jeugdige mede.
2.De directeur beslist over het opleggen van een disciplinaire straf zo
spoedig mogelijk nadat hem dit verslag is gedaan.
3.Indien de directeur of zijn plaatsvervanger feiten als bedoeld in het
eerste lid constateert, blijft het eerste lid buiten toepassing.
4.Een straf kan worden opgelegd dan wel ten uitvoer gelegd in een andere
inrichting of afdeling dan waarin het verslag, bedoeld in het eerste lid
is opgemaakt.
Artikel 55
1.De directeur kan wegens het begaan van feiten als bedoeld in artikel
54, eerste lid, de navolgende disciplinaire straffen opleggen:
a. opsluiting in een strafcel dan wel een andere verblijfsruimte voor
ten hoogste vier dagen voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste
zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder;
b. ontzegging van bezoek van een bepaald persoon of bepaalde personen
voor ten hoogste vier weken, indien het feit plaatsvond in verband met
bezoek van die persoon of personen;
c. uitsluiting van deelname aan een of meer bepaalde activiteiten voor
ten hoogste vier dagen voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste
zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder;
d. weigering, intrekking of beperking van het eerstvolgende verlof;
e. geldboete tot een bedrag van ten hoogste het zakgeld, bedoeld in
artikel 51, derde lid, over één week.
2.De directeur bepaalt bij de oplegging van een geldboete tevens door
welke andere straf deze zal worden vervangen, ingeval de boete niet
binnen de daartoe door hem gestelde termijn is betaald.
3.De directeur kan voor feiten als bedoeld in artikel 54, eerste lid,
meer dan één straf opleggen, met dien verstande dat de in het eerste
lid onder a en c genoemde straffen slechts kunnen worden opgelegd voor
zover zij te zamen niet langer duren dan vier dagen voor jeugdigen tot
zestien jaar en zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.
4.De oplegging van een straf laat onverlet de mogelijkheid voor de
directeur om ter zake van de door de jeugdige toegebrachte schade met
hem dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een regeling te treffen.
5.Geen straf kan worden opgelegd, indien de jeugdige voor het begaan van
een feit als bedoeld in artikel 54, eerste lid, niet verantwoordelijk
kan worden gesteld.
6.Indien een straf is opgelegd wordt deze onverwijld ten uitvoer gelegd.
De directeur kan bepalen dat een straf niet of slechts ten dele ten
uitvoer wordt gelegd.
Artikel 55a
1.De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke of
lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat de
jeugdige die in de strafcel verblijft, dag en nacht door middel van een
camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een
gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit
advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het
advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Artikel 56
1.Indien de tenuitvoerlegging van de opsluiting in een strafcel of
andere verblijfsruimte in de inrichting of de afdeling waarin zij is
opgelegd niet mogelijk is of op ernstige bezwaren stuit, kan zij in een
andere inrichting of afdeling worden ondergaan.
2.Indien de directeur van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde
omstandigheid zich voordoet, plaatst hij in overeenstemming met de
selectiefunctionaris de jeugdige hiertoe over.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van
overplaatsing ingevolge het tweede lid.
Artikel 57
1.Een straf kan geheel of ten dele voorwaardelijk worden opgelegd. De
proeftijd bedraagt ten hoogste twee maanden.
2.De directeur stelt in elk geval als voorwaarde dat de jeugdige zich
onthoudt van het plegen van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of
de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. De directeur kan andere
voorwaarden aan het gedrag van de jeugdige stellen. De opgelegde
voorwaarden worden vermeld in de mededeling, bedoeld in artikel 62,
eerste lid.
3.Bij het overtreden van een voorwaarde binnen de proeftijd kan de
directeur bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke straf geheel of ten
dele ten uitvoer wordt gelegd.
4.De directeur kan een onvoorwaardelijke straf geheel of ten dele
omzetten in een voorwaardelijke straf.
Artikel 58
1.Van elke strafoplegging dan wel wijziging daarvan houdt de directeur
aantekening in een register.
2.Indien een straf ingevolge de hoofdstukken XII, XIII of XIV geheel of
ten dele wordt herzien, houdt de directeur hiervan aantekening in een
register.
Artikel 59
1.De jeugdige aan wie de disciplinaire straf van opsluiting, bedoeld in
artikel 55, eerste lid, onder a, is opgelegd is uitgesloten van deelname
aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en
behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel
53, derde lid. De directeur kan het contact met de buitenwereld, bedoeld
in hoofdstuk VIII, gedurende de opsluiting beperken of uitsluiten.
2.De directeur draagt zorg dat, ingeval de opsluiting in een strafcel
ten uitvoer wordt gelegd en langer dan vierentwintig uren duurt, de
commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens
vervanger terstond hiervan in kennis worden gesteld.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de
inrichting van de strafcel. Deze betreffen in elk geval de rechten die
tijdens het verblijf in de strafcel aan de jeugdige toekomen.
Hoofdstuk XI. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier
Artikel 60
1.De directeur draagt zorg dat de jeugdige bij binnenkomst in de
inrichting, schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal, op de hoogte wordt gesteld van zijn bij of krachtens
deze wet gestelde rechten en plichten.
2.De jeugdige wordt hierbij in het bijzonder gewezen op diens
bevoegdheid:
a. een bezwaar- of verzoekschrift in te dienen overeenkomstig hoofdstuk
IV;
b. zich te wenden tot de maandcommissaris van de commissie van toezicht
overeenkomstig hoofdstuk XII;
c. een klaag- of beroepschrift in te dienen overeenkomstig de
hoofdstukken XIII, XIV en XV.
Artikel 61
1.De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid te worden gehoord,
zoveel mogelijk in een voor de jeugdige begrijpelijke taal, alvorens hij
beslist omtrent:
a. de weigering of de intrekking van de toestemming om een kind in de
inrichting onder te brengen, bedoeld in artikel 13;
b. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg
of voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22a, derde lid,
onderscheidenlijk artikel 22b, derde lid;
c. de uitsluiting van het verblijf in de groep of van deelname aan
activiteiten en de verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23, derde lid,
en 24, eerste lid, aanhef en onder a of b, onderscheidenlijk artikel 23,
vierde lid en 24, tweede lid, alsmede verlenging van de uitsluiting van
verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23, tweede lid;
d. de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan, bedoeld in
artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a
of b, onderscheidenlijk artikel 25, derde lid, en de toepassing van
artikel 26;
e. de tijdelijke plaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel
27, eerste onderscheidenlijk derde lid;
f. de beperking en de intrekking van verlof en proefverlof, bedoeld in
de artikelen 29, tweede lid, 30, derde en vierde lid, en 31, derde lid;
g. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
h. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in artikel 37;
i. de bevestiging door mechanische middelen, bedoeld in artikel 38,
eerste lid;
j. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel 55 en de
toepassing van de artikelen 56 en 57, derde lid;
k. de observatie door middel van een camera, bedoeld in de artikelen
25a, eerste lid, en 55a, eerste lid.
2.Van het horen van de jeugdige wordt aantekening gehouden.
3.Toepassing van het eerste lid, onder c, d, e, f, g, h en i kan
achterwege blijven indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de gemoedstoestand van de jeugdige daaraan in de weg staat.
Dit laat onverlet dat de jeugdige zo spoedig mogelijk achteraf alsnog
wordt gehoord.
4.Een jeugdige vreemdeling wordt bij binnenkomst in de inrichting
geïnformeerd over zijn recht de consulaire vertegenwoordiger van zijn
land van zijn detentie op de hoogte te laten stellen.
Artikel 62
1.De directeur geeft de jeugdige van elke beslissing als bedoeld in
artikel 61, eerste lid, onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in
een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en
ondertekende mededeling.
2.De directeur geeft de jeugdige op de in het eerste lid omschreven
wijze een mededeling omtrent:
a. de weigering van verzending of uitreiking van een brief of ander
poststuk dan wel van bijgesloten voorwerpen als bedoeld in artikel 41,
vierde lid;
b. de weigering van de toelating tot de jeugdige van een bepaald persoon
of bepaalde personen als bedoeld in artikel 43, derde lid;
c. het verbod van het voeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde
telefoongesprekken als bedoeld in artikel 44, derde lid;
d. de weigering van een contact met een vertegenwoordiger van de media
als bedoeld in artikel 45, eerste lid.
3.In de gevallen, genoemd in het tweede lid, kan de mededeling
achterwege blijven, indien de beslissing van de directeur strekt ter
uitvoering van een beperking die aan de jeugdige is opgelegd ingevolge
de artikelen 62, 62a en 76 van het Wetboek van Strafvordering.
4.De jeugdige wordt in de mededeling, bedoeld in het eerste en tweede
lid, gewezen op de mogelijkheid van het verzoeken om bemiddeling,
bedoeld in hoofdstuk XII of het instellen van beklag, bedoeld in
hoofdstuk XIII, de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te
geschieden, alsmede op de mogelijkheid tot het doen van een verzoek aan
de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de uitspraak op het
klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of
gedeeltelijk te schorsen.
Artikel 63
1.De directeur draagt zorg dat ten dienste van de opvang en de
behandeling van de jeugdige een dossier wordt aangelegd, waarin in ieder
geval de volgende gegevens worden vastgelegd:
a. rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende de
tenuitvoerlegging van de aan de jeugdige opgelegde vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
b. het verblijfs- of behandelplan;
c. op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor zover
betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van het verblijfs-
en behandelplan;
d. evaluatieverslagen;
e. opname- en ontslaggegevens;
f. de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire straf als
bedoeld in artikel 58, eerste lid.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake
de eisen waaraan het dossier ten minste moet voldoen, de gegevens die
daarin moeten worden vastgelegd, het recht op inzage of afschrift van
het dossier door de betrokken jeugdige en zijn ouders of voogd,
stiefouders of pleegouders dan wel de stichting en de beperkingen
daarop, de termijn gedurende welke het dossier moet worden bewaard, de
wijze waarop het dossier moet worden beheerd, bewaard en, na afloop van
de bewaartermijn, vernietigd, alsmede de overdracht van gegevens in
geval van een overplaatsing van de jeugdige.
3.Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 454, 455 en 456 van dit boek niet
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XII. Bemiddeling
Artikel 64
1.De jeugdige heeft het recht zich, mondeling of schriftelijk, tot de
maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, vierde lid, te wenden met het
verzoek te bemiddelen terzake van een grief omtrent de wijze waarop de
directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen
of een bij of krachtens deze wet gestelde zorgplicht heeft betracht. Een
gedraging van een personeelslid of medewerker van de inrichting jegens
de jeugdige wordt met het oog op de toepassing van deze bepaling als een
gedraging van de directeur aangemerkt.
2.Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag openstaat,
dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige
kennis heeft gekregen van die beslissing te worden ingediend.
3.De maandcommissaris streeft ernaar binnen zes weken een voor partijen
aanvaardbare oplossing te bereiken.
4.De maandcommissaris stelt de jeugdige en de directeur in de
gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt
mondeling toe te lichten. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet
voldoende beheerst, draagt de maandcommissaris zorg voor de bijstand van
een tolk.
5.Hij legt de resultaten van de bemiddeling neer in een schriftelijke
mededeling en zendt een gedagtekend afschrift daarvan aan de directeur
en de jeugdige. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit
afschrift aangetekend. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet
voldoende begrijpt, draagt de maandcommissaris zorg voor een vertaling
van de mededeling. In de gevallen, bedoeld in artikel 65, wordt de
jeugdige gewezen op de mogelijkheid van beklag en de wijze waarop en de
termijn waarbinnen dit moet worden gedaan.
6.De directeur deelt, binnen vier weken na ontvangst van de mededeling,
bedoeld in het vijfde lid, de jeugdige alsmede de commissie van toezicht
mede of hij het oordeel van de maandcommissaris over de grief deelt en
of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja
welke.
7.Tegen de mededeling, bedoeld in het zesde lid, kan de jeugdige een
klacht indienen bij de beklagcommissie. Ten aanzien van de behandeling
van de klacht zijn het eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige
toepassing.
8.De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben het recht als
bedoeld in het eerste lid ter zake van een grief omtrent de wijze waarop
de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hen heeft
gedragen. Het eerste en derde tot en met zevende lid is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XIII. Beklag
Artikel 65
1.Een jeugdige kan bij de beklagcommissie beklag doen over een hem
betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.
2.Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld
een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing
wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de
wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn
een beslissing is genomen.
3.De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te doen
daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Artikel 66
1.De jeugdige doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij de
beklagcommissie bij de inrichting waar de beslissing waarover hij klaagt
is genomen.
2.De indiening van het klaagschrift kan door tussenkomst van de
directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De
directeur draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift, of, indien het
klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een dagtekening
wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
3.Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing
waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag.
4.Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij
het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de
beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal
wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten
geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
5.Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die waarop de
jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst
te beklagen ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediend
klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de jeugdige in verzuim is geweest.
6.Indien de jeugdige een verzoek tot bemiddeling heeft gedaan, wordt, in
afwijking van het vijfde lid, het klaagschrift ingediend uiterlijk op de
zevende dag na die waarop de jeugdige de schriftelijke mededeling van
bevindingen van de maandcommissaris heeft ontvangen.
Artikel 67
1.Het klaagschrift wordt behandeld door een door de commissie van
toezicht uit haar midden benoemde beklagcommissie, bestaande uit drie
leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. Een lid van de
commissie van toezicht neemt geen deel aan de behandeling van het
klaagschrift, indien hij heeft bemiddeld ter zake van de beslissing
waarop het klaagschrift betrekking heeft of daarmee op enige andere
wijze bemoeienis heeft gehad.
2.De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beklagcommissie kan, indien hij het beklag van eenvoudige aard, dan wel
kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond
acht, het klaagschrift enkelvoudig afdoen, met dien verstande dat hij
tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de voltallige
beklagcommissie toekomen.
3.De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in het
tweede lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beklagcommissie.
4.De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar plaats,
behoudens ingeval de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare
behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling
van een in Nederland geldend verdrag.
Artikel 68
1.De secretaris van de beklagcommissie zendt de directeur een afschrift
van het klaagschrift toe.
2.De directeur geeft dienaangaande desgevraagd zo spoedig mogelijk
schriftelijk de nodige inlichtingen aan de beklagcommissie. Hij voegt
daaraan de opmerkingen toe, waartoe het klaagschrift hem overigens
aanleiding geeft.
3.Aan de klager geeft de secretaris van de beklagcommissie schriftelijk
kennis van de inhoud van deze inlichtingen en opmerkingen.
4.De beklagcommissie kan het klaagschrift in handen stellen van het lid
van de commissie van toezicht, bedoeld in artikel 7, vierde lid,
teneinde deze in de gelegenheid te stellen terzake te bemiddelen. De
secretaris doet hiervan mededeling aan de directeur.
5.Indien de commissie van toezicht omtrent de beslissing waarover wordt
geklaagd heeft bemiddeld en zij haar bevindingen schriftelijk aan de
klager en de directeur mede heeft gedeeld, voegt de secretaris van de
beklagcommissie de bevindingen bij de processtukken.
Artikel 69
1.De beklagcommissie stelt de klager en de directeur in de gelegenheid
omtrent het klaagschrift mondeling opmerkingen te maken, tenzij zij het
beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of
kennelijk gegrond acht.
2.De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de beklagcommissie
de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.
3.De beklagcommissie kan de directeur en de klager buiten elkaars
aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld
vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de
zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter
van de beklagcommissie aan de klager onderscheidenlijk de directeur
mondeling medegedeeld.
4.De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of
schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, zijn het tweede en derde lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
1.De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een
rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon, die daartoe van
de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een
advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van
de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen bij algemene
maatregel van bestuur.
2.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt
de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning en de
vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden volgens
regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
3.Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie aan de klager op
diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
4.Indien de klager elders verblijft, kunnen de opmerkingen, bedoeld in
artikel 69, eerste lid, op verzoek van de beklagcommissie ten overstaan
van een lid van een andere beklagcommissie worden gemaakt.
5.Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een schriftelijk
verslag, dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend. Bij
verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in het verslag
vermeld.
Artikel 71
1.Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van de
beroepscommissie op verzoek van de klager, na de directeur te hebben
gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift
betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen.
2.De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur en
de klager.
Artikel 72
1.De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval
binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de datum waarop het
klaagschrift is ontvangen, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan
de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen.
Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling
gedaan.
2.De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij bevat een
verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. Zij wordt
door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij
verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak
vermeld. Aan de klager en de directeur wordt onverwijld en kosteloos een
afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of
uitgereikt. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit
afschrift aangetekend.
3.De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij
de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet
worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de
tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in artikel 75, tweede lid.
4.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de
inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien,
draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van
de uitspraak en de mededeling, bedoeld in het tweede, onderscheidenlijk
derde lid. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten
geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
5.De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling
mededelen aan de klager en de directeur. Deze worden daarbij gewezen op
de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de
wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede op
de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak,
bedoeld in artikel 75, tweede lid. Als dag van de uitspraak geldt de dag
van het doen van deze mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt
gedaan, wordt de uitspraak op het klaagschrift aangetekend.
6.Indien het vijfde lid toepassing heeft gevonden en beroep wordt
ingesteld als voorzien in artikel 74, eerste lid, vindt uitwerking van
de beslissing van de beklagcommissie plaats op de wijze, bedoeld in het
tweede lid. De secretaris van de beklagcommissie zendt een afschrift van
deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de beroepscommissie.
7.De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een
afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van
deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze
Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de
identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid. Met betrekking tot de
kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de
Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 73
1.De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beklag;
b. ongegrondverklaring van het beklag;
c. gegrondverklaring van het beklag.
2.Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover is
geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift
of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend
verdrag, dan wel
b. bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of
onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het beklag gegrond en
vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk.
3.Bij toepassing van het tweede lid kan de beklagcommissie:
a. de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming
van haar uitspraak;
b. bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde
beslissing;
c. volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging.
4.Bij toepassing van het derde lid, onder a, kan de beklagcommissie in
haar uitspraak een termijn stellen.
5.De beklagcommissie kan bepalen dat de uitspraak buiten werking blijft
totdat deze onherroepelijk is geworden.
6.Indien het tweede lid toepassing vindt, worden de rechtsgevolgen van
de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur
ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak
van de beklagcommissie.
7.Voor zover de in het zesde lid bedoelde gevolgen niet meer ongedaan te
maken zijn, bepaalt de beklagcommissie dan wel de voorzitter, na de
directeur te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming aan de klager
geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan
zijn, vast.
Hoofdstuk XIV. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Artikel 74
1.Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen de directeur en de
klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift. Het met
redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die
van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak onderscheidenlijk na
die van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend.
2.Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de
Raad benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan door
een secretaris.
3.Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen
65, derde lid, 66, tweede en vierde lid, 67, vierde lid, 68 eerste,
tweede en derde lid, 69 en 70, eerste, tweede en derde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beroepscommissie
kan bepalen dat:
a. de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden
gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
beroepscommissie kunnen worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid
worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die
persoon gesteld wensen te zien.
Artikel 75
1.Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de
uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze de
toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 73, zevende
lid, inhoudt.
2.Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de
beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en
gehoord de andere betrokkene in de procedure de tenuitvoerlegging van de
uitspraak van de beklagcommissie geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij
doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur en de klager.
Artikel 76
1.De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
2.De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
b. bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met
overneming, hetzij met verbetering van de gronden;
c. vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.
3.Indien het tweede lid, onder c, toepassing vindt, doet de
beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.
4.Ten aanzien van de uitspraak van de beroepscommissie zijn de artikelen
71 en 72, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde volzin, vierde
en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof,
proefverlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en
strafonderbreking
Artikel 77
1.De betrokkene heeft het recht tegen de beslissing van de
selectiefunctionaris op het bezwaar- of verzoekschrift voor zover dit
betreft een gehele of gedeeltelijke ongegrondverklaring,
onderscheidenlijk afwijzing als bedoeld in de artikelen 18 en 19 een met
redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie, bedoeld in
artikel 78, eerste lid. De betrokkene heeft ook het recht een
beroepschrift in te dienen in het geval dat het indienen van een
bezwaarschrift op de grond als vermeld in artikel 18, vijfde lid,
achterwege is gebleven.
2.De jeugdige heeft het recht tegen een hem betreffende beslissing
aangaande verlof of proefverlof, voor zover hiertegen geen beklag
ingevolge artikel 65, eerste en tweede lid, openstaat, een met redenen
omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie, bedoeld in artikel
78, eerste lid.
Artikel 78
1.Het beroepschrift wordt behandeld door een door de Raad benoemde
commissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.
2.Het beroepschrift moet worden ingediend uiterlijk op de zevende dag na
die waarop de betrokkene kennis heeft gekregen van de beslissing
waartegen hij beroep instelt. Een na afloop van deze termijn ingediend
beroepschrift is niettemin ontvankelijk, indien blijkt dat
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim
is geweest.
3.Indien de betrokkene in een inrichting verblijft, kan de indiening van
het beroepschrift geschieden door tussenkomst van de directeur van de
inrichting of afdeling. De directeur draagt zorg dat het beroepschrift
onverwijld van een dagtekening wordt voorzien. Als dag waarop het
beroepschrift is ingediend geldt die van de dagtekening.
4.De artikelen 65, derde lid, 66, vierde lid, 68, eerste, tweede, derde
en vierde lid, 69, 70, 71, 72, tweede lid, eerste en derde tot en met
vijfde volzin, vierde en zevende lid, met uitzondering van de eerste
volzin, 73, eerste tot en met vierde, zesde en zevende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de commissie, bedoeld
in het eerste lid, kan bepalen dat:
a. de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het
beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie,
bedoeld in het eerste lid, kunnen worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld
schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld
wensen te zien.
Hoofdstuk XVI. Medezeggenschap en vertegenwoordiging
Artikel 79
De directeur draagt zorg voor een regelmatig overleg met de jeugdigen
over zaken die rechtstreeks hun verblijf raken. Zowel de jeugdigen als
de directeur kunnen deze onderwerpen in dat overleg aan de orde stellen.
Artikel 80
1.De in de artikelen 18 en 19 alsmede hoofdstukken XII tot en met XV aan
de jeugdige toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de
selectiefunctionaris onderscheidenlijk de beklag- of beroepscommissie
van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen
verzetten, mede worden uitgeoefend door diens ouders of voogd,
stiefouder of pleegouders.
2.De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen
bij binnenkomst van de jeugdige schriftelijk en voor zover mogelijk in
een voor hem begrijpelijke taal op deze rechten opmerkzaam worden
gemaakt.
Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 81
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 82
[Wijzigt de Wet op de jeugdhulpverlening]
Artikel 83
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 84
[Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek]
Artikel 85
[Wijzigt de Gratiewet]
Artikel 86
[Wijzigt de Wet ziekenhuisvoorzieningen]
Artikel 87
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet]
Artikel 88
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 89
Deze wet heeft geen gevolgen voor klaagschriften of beroepschriften die
zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 90
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 91
Deze wet wordt aangehaald als: Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 november 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de zestiende november 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|