Nadere regelgeving:
- Geweldsinstructie inrichtingen
voor verpleging van terbeschikkinggestelden
- Regeling
melding ongeoorloofde afwezigheid
- Regeling rechten tijdens afzondering en separatie
- Reglement verpleging terbeschikkinggestelden
WET van 25 juni 1997 tot vaststelling van
een Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en overige
verpleegden strafrechtstoepassing en daarmede verband houdende
wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en de Beginselenwet
gevangeniswezen (Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels
vast te stellen omtrent de beginselen waarop de verpleging in
inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en de
rechtspositie van verpleegden, in het bijzonder van de ter beschikking
gestelden die in justitiële inrichtingen als bedoeld in artikel 90quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, worden
verpleegd, berusten en in verband daarmee enige bepalingen van het
Wetboek van Strafrecht en de Beginselenwet gevangeniswezen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden: een
inrichting als bedoeld in artikel 37d, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht;
c. particuliere inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel
90quinquies, eerste lid, in samenhang met artikel 37d, eerste lid, onder
a, van het Wetboek van Strafrecht;
d. inrichting: een justitiële inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90quinquies, tweede lid,
van het Wetboek van Strafrecht;
e. rijksinrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 90quinquies,
tweede lid, in samenhang met artikel 37d, eerste lid, onder b, van het
Wetboek van Strafrecht;
f. justitiële particuliere inrichting: een inrichting als bedoeld in
artikel 90quinquies, tweede lid, in samenhang met artikel 37d, eerste
lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht;
g. hoofd van de inrichting: het hoofd van de inrichting, waarin de
verpleegde is opgenomen, alsmede diens vervanger als bedoeld in artikel
6, vierde lid;
h. hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden:
het hoofd van de inrichting als bedoeld onder g of, ingeval een ter
beschikking gestelde in een particuliere inrichting, niet zijnde een
justitiële particuliere inrichting, is opgenomen, het hoofd van die
inrichting alsmede de voor de behandeling van de ter beschikking
gestelde verantwoordelijke persoon;
i. ter beschikking gestelde: een ter beschikking gestelde ten aanzien
van wie een bevel tot verpleging van overheidswege als bedoeld in
artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht is gegeven;
j. verpleegde: een persoon die in een inrichting is opgenomen;
k. personeelslid of medewerker: een persoon, die een taak uitvoert in
het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of
maatregel in een inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden;
l. reclasseringswerker: een reclasseringswerker als bedoeld in artikel
6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;
m. rechtsbijstandverlener: de advocaat of de medewerker van de
stichting, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de
rechtsbijstand;
n. Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
o. beroepscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 67, tweede
lid;
p. commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel 10;
q. uitspraak: een door een beklag- of beroepscommissie naar aanleiding
van een door een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
ingediend klaag- of beroepschrift genomen beslissing;
r. beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 59, eerste lid;
s. bestuur: het bestuur van de rechtspersoon die een justitiële
particuliere inrichting beheert;
t. verpleging: het samenstel van handelingen, gericht op:
1°. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen, en
2°. de verzorging van de verpleegde tijdens de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbenemende straf of maatregel, waaronder begrepen het doen van
een aanbod aan de verpleegde tot en het bevorderen en vergemakkelijken
van zijn behandeling;
u. behandeling: het samenstel van handelingen, gericht op een dusdanige
vermindering van de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende
gevaarlijkheid van de verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de
verpleegde of de algemene veiligheid van personen of goederen dat het
doen terugkeren van de verpleegde in de maatschappij verantwoord is;
v. verplegings- en behandelingsplan: een plan als bedoeld in artikel 16,
eerste lid, zoals dat ten aanzien van een verpleegde wordt toegepast;
w. verpleegdedossier: een dossier als bedoeld in artikel 19, eerste lid;
x. evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 18, tweede lid;
y. persoonlijke verblijfsruimte: de verblijfsruimte als bedoeld in
artikel 16, eerste lid;
z. afzondering: het insluiten van een verpleegde in een gangbare woon-
of verblijfsruimte, de persoonlijke verblijfsruimte daaronder begrepen,
in afwijking van de in de inrichting geldende regels;
aa. separatie: het insluiten van een verpleegde in een speciale voor
separatie bestemde verblijfsruimte;
bb. huisregels: regels als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
HOOFDSTUK II. DOELSTELLING, BESTEMMING EN BEHEER, TOEZICHT
Paragraaf 1. Doelstelling
Artikel 2
1.De tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in
een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden wordt
zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de behandeling van de
veroordeelde en de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij,
met inachtneming van het karakter van die vrijheidsbenemende straf of
maatregel.
2.Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsbenemende straf of maatregel in een inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden plaatsvindt, worden aan geen andere
beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de
vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de
veiligheid in de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden noodzakelijk zijn.
Paragraaf 2. Bestemming en beheer
Artikel 3
1.De inrichtingen zijn van inrichtingen als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, van de Penitentiaire beginselenwet gescheiden. Onze Minister kan
hierop ten aanzien van bepaalde inrichtingen een uitzondering maken.
2.Binnen een en dezelfde inrichting verblijven mannelijke en vrouwelijke
verpleegden gescheiden van elkaar. Onze Minister kan hierop ten aanzien
van bepaalde afdelingen een uitzondering maken. Het hoofd van de
inrichting kan verpleegden van verschillend geslacht, die niet op
dezelfde afdeling verblijven, in de gelegenheid stellen gezamenlijk aan
bepaalde activiteiten deel te nemen of bepaalde werkzaamheden te
verrichten.
Artikel 4
1.Inrichtingen zijn bestemd voor opneming van:
a. personen, wier verpleging van overheidswege op grond van artikel 37b
of 38c van het Wetboek van Strafrecht is bevolen;
b. personen als bedoeld in de artikelen 196, 317 en 509g van het Wetboek
van Strafvordering;
c. tot vrijheidsstraf veroordeelden ten aanzien van wie is besloten tot
toepassing van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht;
d. ter beschikking gestelden aan wie door de rechter een voorwaarde als
bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is
gesteld om zich in een inrichting te laten opnemen;
e. personen aan wie door de rechter als bijzondere voorwaarde is
opgelegd om zich in een inrichting te laten opnemen;
f. personen aan wie met toepassing van de artikel 77s van het Wetboek
van Strafrecht de maatregel van plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen is opgelegd;
g. personen, die op eigen verzoek:
1°. hun verblijf in een inrichting willen voortzetten of,
2°. opnieuw in een inrichting opgenomen willen worden.
2.Opneming in een inrichting van de personen als bedoeld in het eerste
lid onder d, e, en g, onder 2°, en voortzetting van het verblijf van
personen als bedoeld in het eerste lid, onder g, onder 1°, geschiedt
niet zonder machtiging van Onze Minister.
3.Opneming in een inrichting van de personen als bedoeld in het eerste
lid onder g, onder 2°, en voortzetting van het verblijf als bedoeld in
het eerste lid, onder g, onder 1°, geschiedt slechts indien zij
schriftelijk hiermee instemmen.
Artikel 5
1.Verpleging van ter beschikking gestelden in particuliere inrichtingen
wordt slechts opgedragen tot wederopzegging toe aan in Nederland
gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid tot wier
bemoeiing duurzame verpleging van personen met gebrekkige ontwikkeling
of ziekelijke stoornis van de geestvermogens behoort en die daartoe een
psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen beheren.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de aanwijzing als particuliere inrichting en de daaraan
te verbinden voorwaarden. Deze regels kunnen ook betreffen de wijze
waarop de verpleging en behandeling in de particuliere inrichtingen
plaatsvindt.
3.Het beheer van een particuliere inrichting berust bij het hoofd van de
inrichting dat als zodanig door het bestuur wordt benoemd.
Artikel 6
1.Onze Minister wijst de inrichtingen aan welke bestemd zijn voor
rijksinrichting.
2.Het opperbeheer van de rijksinrichtingen berust bij Onze Minister. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
betreffende de uitvoering hiervan. Onze Minister kan mandaat verlenen
betreffende de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden tot
het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan het hoofd van
de Dienst Justitiële Inrichtingen.
3.Het beheer van een rijksinrichting berust bij het hoofd van de
inrichting, die als zodanig door Onze Minister wordt aangewezen.
4.Het hoofd van de inrichting wijst, voor zover het de rijksinrichtingen
betreft met machtiging van Onze Minister en voor zover het de
justitiële particuliere inrichtingen betreft met machtiging van het
bestuur, een of meer personen als zijn vervanger aan.
Artikel 7
1.Het hoofd van de inrichting stelt, in aanvulling op de bij of
krachtens deze wet gestelde regels en met inachtneming van het
dienaangaande door Onze Minister vast te stellen model en door deze te
geven aanwijzingen, huisregels voor de inrichting of een of meer
afdelingen daarvan vast.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden kan de uitoefening van een bij of krachtens deze wet gestelde
bevoegdheid of de naleving van een bij of krachtens deze wet gestelde
plicht, met uitzondering van de bevoegdheden en plichten genoemd in het
eerste, vierde of vijfde lid, overdragen aan personeelsleden of
medewerkers.
3.Het hoofd van de inrichting is, voor zover dit noodzakelijk is in het
belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting
of een ongestoord verloop van de verpleging, bevoegd aan de verpleegden
aanwijzingen te geven. De verpleegden zijn verplicht deze aanwijzingen
op te volgen.
4.Voor zover in deze wet niet anders wordt bepaald, zijn aan het hoofd
van de inrichting voorbehouden:
a. de beslissingen met betrekking tot plaatsing of voortzetting van het
verblijf op een afdeling van intensieve zorg als bedoeld in artikel 32;
b. de separatie of de verlenging van de separatie als bedoeld in artikel
34;
c. een beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam als
bedoeld in de artikelen 25 tot en met 28;
d. de beslissingen met betrekking tot de onderbrenging van een kind in
de inrichting als bedoeld in artikel 47;
e. de beslissingen met betrekking tot disciplinaire straffen als bedoeld
in de artikelen 48 en 49.
5.Aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden zijn voorbehouden:
a. de voorlopige overplaatsing als bedoeld in artikel 14, tweede lid;
b. de beslissingen met betrekking tot het verlof en proefverlof als
bedoeld in artikel 50, onderscheidenlijk artikel 51;
c. de hoorplicht als bedoeld in artikel 53 en de mededelingsplicht als
bedoeld in artikel 54, voor zover het hoofd van de inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden de desbetreffende beslissing
zelf neemt onderscheidenlijk heeft genomen.
Artikel 7a
1.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere
voorvallen aan Onze Minister.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde
inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud
en de wijze van melding.
Paragraaf 3. Toezicht
Artikel 8
1.Onze Minister houdt toezicht op de verpleging van personen ten aanzien
van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of
maatregel in een particuliere inrichting plaatsvindt.
2.De door Onze Minister aangewezen ambtenaren worden daartoe alle ter
zake dienende inlichtingen verstrekt en hebben te allen tijde toegang
tot een zodanige inrichting. Zij zijn, onder verplichting van
geheimhouding tegenover derden en voor zover dit voor de uitoefening van
hun taak redelijkerwijs nodig is, bevoegd de op personen als bedoeld in
het eerste lid betrekking hebbende stukken in te zien.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent het houden van aantekeningen als bedoeld in artikel 509o, tweede
lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering en het aantekenen van
andere belangrijke voorvallen in inrichtingen voor verpleging van ter
beschikking gestelden in een register, waarvan het model door Onze
Minister wordt vastgesteld.
Artikel 9
De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XV en XVI.
Artikel 10
1.Bij elke inrichting wordt door Onze Minister een commissie van
toezicht ingesteld.
2.De commissie van toezicht heeft tot taak:
a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van
vrijheidsbenemende straffen en maatregelen in de inrichting;
b. kennis te nemen van de door verpleegden naar voren gebrachte grieven
en zonodig ter zake tussen een verpleegde en het hoofd van de inrichting
te bemiddelen;
c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het
bepaalde in hoofdstuk XIV;
d. aan Onze Minister, de Raad en het bestuur advies en inlichtingen te
geven omtrent het onder a gestelde.
3.Indien het advies of de inlichtingen een justitiële particuliere
inrichting betreffen en zijn bestemd voor Onze Minister of de Raad,
voegt de commissie de desbetreffende opmerkingen van het betrokken
bestuur daarbij, tenzij naar het oordeel van Onze Minister of de
commissie bijzondere spoed geboden is dan wel het bestuur zijn
opmerkingen naar het oordeel van de commissie niet binnen een redelijke
termijn op schrift heeft gesteld.
4.De commissie stelt zich door persoonlijk contact met de verpleegden
regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en gevoelens. Bij
toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als maandcommissaris.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de
benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden
van de maandcommissaris.
HOOFDSTUK III. PLAATSING EN OVERPLAATSING
Artikel 11
1. De plaatsing van ter beschikking gestelden in een inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden geschiedt op last van Onze
Minister. De inrichting is verplicht de betrokkene op te nemen. De
inrichting is tevens verplicht ter beschikking gestelden op te nemen aan
wie op grond van een uitspraak van de rechter als bedoeld in artikel 38
van het Wetboek van Strafrecht de voorwaarde is gesteld tot opname in
een door de rechter aangewezen inrichting.
2. Bij de plaatsing worden in ieder geval in de overwegingen betrokken:
a. de eisen die de bescherming van de maatschappij tegen de
gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van
anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van
personen of goederen stelt;
b. de eisen die de behandeling van de ter beschikking gestelde gezien de
aard van de bij hem geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
stoornis van zijn geestvermogens stelt.
3. Ten aanzien van de overplaatsing van ter beschikking gestelden naar
een andere inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden zijn
het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. In verband met de in het tweede lid, onder a, genoemde eisen kan Onze
Minister bij de plaatsing of overplaatsing voorwaarden stellen waaraan
de verpleging van de ter beschikking gestelde dient te voldoen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de plaatsing en overplaatsing, bedoeld in het
eerste onderscheidenlijk derde lid, en de wijze waarop het vervoer van
de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde plaatsvindt.
Artikel 12
1.De plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de
termijn van terbeschikkingstelling zes maanden heeft gelopen.
2.Indien Onze Minister, rekening houdende met de in artikel 11, tweede
lid, genoemde eisen, van oordeel is dat de plaatsing niet binnen de in
het eerste lid gestelde termijn mogelijk is, kan hij deze termijn
telkens met drie maanden verlengen.
3.Met een beslissing tot verlenging als bedoeld in het tweede lid wordt
gelijk gesteld de weigering om binnen de in het eerste lid genoemde
termijn te beslissen.
Artikel 13
1.Onze Minister kan bepalen dat een ter beschikking gestelde of
anderszins verpleegde tijdelijk voor een periode van ten hoogste zeven
weken ter observatie wordt geplaatst in een andere inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden dan wel een psychiatrisch
ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd, door Onze
Minister overeenkomstig artikel 198, derde lid, van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen. Indien de ter beschikking gestelde of
anderszins verpleegde niet naar een andere inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden wordt overgeplaatst, keert hij na het
verstrijken van deze termijn naar de inrichting waarin hij was opgenomen
terug.
2.Onze Minister kan, indien dit met het oog op de voorbereiding van de
terugkeer van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde naar
de inrichting waarin hij was opgenomen noodzakelijk is, de termijn,
bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vier weken verlengen.
Artikel 14
1.Indien de aard van de bij de ter beschikking gestelde of anderszins
verpleegde geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis
van zijn geestvermogens daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister
bepalen dat de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde naar
een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de
Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, niet zijnde
een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, zal worden
overgeplaatst om daar zolang dat noodzakelijk is, te worden verpleegd.
2.Indien de beslissing van Onze Minister niet kan worden afgewacht, kan
het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden een voorlopige beslissing nemen.
Artikel 15
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de plaatsing en de overplaatsing van ter beschikking
gestelden.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de overbrenging van ter beschikking gestelden met het oog op de
aanvang of voortzetting van de tenuitvoerlegging van het bevel tot
verpleging en de te volgen procedure bij ongeoorloofde afwezigheid van
ter beschikking gestelden.
HOOFDSTUK IV. VERPLEGING, BEHANDELING EN EVALUATIE
Artikel 16
1.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat zo spoedig mogelijk en in
ieder geval binnen drie maanden na binnenkomst van de verpleegde in de
inrichting, zoveel mogelijk in overleg met hem, een verplegings- en
behandelingsplan wordt vastgesteld. Hij wijst iedere verpleegde een
persoonlijke verblijfsruimte toe en draagt zorg dat deze behoorlijk is
ingericht. Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een
verblijfsruimte moet voldoen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
eisen waaraan een verplegings- en behandelingsplan tenminste moet
voldoen en de voorschriften die bij een wijziging daarvan in acht
genomen moeten worden.
3.Alvorens het verplegings- en behandelingsplan wordt vastgesteld, wordt
overleg gepleegd met:
a. de curator, indien de verpleegde onder curatele is gesteld;
b. de mentor, indien ten behoeve van de verpleegde een mentorschap is
ingesteld;
c. de ouders of voogd, indien de verpleegde minderjarig is.
Artikel 17
1.De behandeling vindt plaats vanwege de inrichting. Indien een gedeelte
van de behandeling niet vanwege de inrichting kan worden verricht,
draagt het hoofd van de inrichting zorg dat dit door een daartoe
gekwalificeerde derde kan geschieden.
2.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat de behandeling
overeenkomstig het verplegings- en behandelingsplan plaatsvindt.
Artikel 18
1.De verpleegde heeft recht op een periodieke evaluatie door het hoofd
van de inrichting van het verloop van de verpleging en behandeling. Deze
evaluatie vindt ten minste eenmaal per jaar en, indien de verpleegde een
ter beschikking gestelde is, in ieder geval tijdig voor de opmaking van
een advies als bedoeld in artikel 509o, tweede lid, onder 1°, van het
Wetboek van Strafvordering plaats.
2.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat van iedere evaluatie een
verslag wordt gemaakt en dat dit verslag zo spoedig mogelijk met de
verpleegde wordt besproken.
3.Indien de verpleegde van oordeel is dat het evaluatieverslag feitelijk
onjuist of onvolledig is, heeft hij het recht op dit verslag
schriftelijk commentaar te geven. Indien het evaluatieverslag niet
overeenkomstig het commentaar wordt verbeterd of aangevuld, draagt het
hoofd van de inrichting zorg dat het commentaar aan het evaluatieverslag
wordt gehecht.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
procedure die met betrekking tot de evaluatie dient te worden gevolgd en
de eisen die aan het verslag daarvan ten minste dienen te worden
gesteld.
Artikel 19
1.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat ten dienste van de
verpleging en de behandeling van de verpleegde een dossier wordt
aangelegd, waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vastgelegd:
a. rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende de ten
uitvoerlegging van de aan de verpleegde opgelegde vrijheidsbenemende
straf of maatregel;
b. het verplegings- en behandelingsplan;
c. op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor zover
betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van het
verplegings- en behandelingsplan;
d. evaluatieverslagen;
e. adviezen en aantekeningen als bedoeld in artikel 509o, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering;
f. opname- en ontslaggegevens;
g. de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire straf als
bedoeld in artikel 49, zevende lid.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake
de eisen waaraan het verpleegdedossier ten minste moet voldoen, de
gegevens die daarin moeten worden vastgelegd, de termijn gedurende welke
het verpleegdedossier moet worden bewaard, de wijze waarop het
verpleegdedossier moet worden beheerd, bewaard en, na afloop van de
bewaartermijn, vernietigd, alsmede de overdracht van gegevens in geval
van een overplaatsing van de verpleegde.
3.Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 454 en 455 van dit boek niet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
1.De verpleegde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede lid en
derde lid te stellen beperkingen, recht op kennisneming van de in het
verpleegdedossier vastgelegde gegevens.
2.Het hoofd van de inrichting kan de verpleegde na een verzoek tot
kennisneming van bepaalde gegevens hem deze onthouden, indien dit
noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van
de orde of de veiligheid in de inrichting of ter bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van anderen dan de verpleegde.
3.Het hoofd van de inrichting kan het recht op kennisneming van
evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting,
indien de verpleging dit vereist.
4.Het hoofd van de inrichting kan, in geval van toepassing van het
tweede of derde lid, een door de verpleegde gemachtigde persoon doen
kennis nemen van de gegevens waarvan de kennisneming aan de verpleegde
onthouden wordt.
5.Voor wat betreft het verplegings- en behandelingsplan en het
evaluatieverslag omvat het recht op kennisneming tevens het recht op het
ontvangen van een afschrift.
6.Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek is artikel 456 van dit boek niet van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK V. CONTROLE EN GEWELDGEBRUIK
Artikel 21
1.Het recht van de verpleegde op onaantastbaarheid van zijn lichaam, de
van zijn lichaam afgescheiden stoffen, zijn kleding en zijn persoonlijke
verblijfsruimte kan overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk
worden beperkt.
2.Het recht van de ter beschikking gestelde op onaantastbaarheid van
zijn lichaam kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 30 worden
beperkt.
Artikel 22
1. Het hoofd van de inrichting stelt bij de eerste opname in de
inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de
identiteit van de verpleegde vast.
2. Het vaststellen van de identiteit van de verpleegde omvat bij de
eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen,
geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en het
adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat
tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen waarin
van de verpleegde eerder overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering
vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn
identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van
zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de
andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek
van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
3. Het vaststellen van de identiteit van de verpleegde omvat in de
andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een
of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met
de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de
tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de
verpleegde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek
van Strafvordering genomen en verwerkt.
4. Het hoofd van de inrichting is bevoegd van de verpleegde een of meer
foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het
vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen,
vervolgen en berechten van strafbare feiten. De verpleegde is verplicht
het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een
personeelslid of medewerker te tonen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het tweede tot en
met vierde lid.
Artikel 23
1.Het hoofd van de inrichting is bevoegd een verpleegde bij binnenkomst
in of bij het verlaten van een inrichting, voorafgaand aan of na afloop
van bezoek, dan wel indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang
van de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen dan wel de handhaving van
de orde of de veiligheid in de inrichting, aan zijn lichaam of aan zijn
kleding te onderzoeken.
2.Het onderzoek aan het lichaam van de verpleegde omvat mede het
uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de
verpleegde. Het onderzoek aan de kleding van de verpleegde omvat mede
het onderzoek van de voorwerpen die de verpleegde bij zich draagt of met
zich mee voert.
3.Het onderzoek aan het lichaam van de verpleegde wordt op besloten
plaatsen en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht
als de verpleegde verricht.
4.Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen
worden aangetroffen die niet in het bezit van de verpleegde mogen zijn
is het hoofd van de inrichting bevoegd deze in beslag te nemen. Deze
bevoegdheid omvat mede het verwijderen van deze voorwerpen uit de
openingen en holten van het lichaam voor zover dit kan plaatsvinden
zonder het gebruik van hulpmiddelen. Hij draagt zorg dat deze
voorwerpen, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten
behoeve van de verpleegde worden bewaard, hetzij met toestemming van de
verpleegde in diens aanwezigheid worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming
of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 24
1.Het hoofd van de inrichting kan, indien dit noodzakelijk is in het
belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting
dan wel in verband met de verlening van verlof, een verpleegde
verplichten urine af te staan ten behoeve van een onderzoek van die
urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen.
2.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de wijze van uitvoering van
het urineonderzoek. Deze regels betreffen in elk geval het recht van de
verpleegde om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een
hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden.
Artikel 23, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
1.Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat een verpleegde in het
lichaam wordt onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van
ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de
inrichting of ernstig gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de
verpleegde. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts
of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
2.Het hoofd van de afdeling waar de verpleegde verblijft kan bij
dringende noodzakelijkheid een beslissing als bedoeld in het eerste lid
nemen.
3.Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden aangetroffen
die niet in het bezit van de verpleegde mogen zijn, en deze voorwerpen
door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen worden
verwijderd, is het hoofd van de inrichting bevoegd deze in beslag te
nemen. Artikel 23, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 26
1.Het hoofd van de inrichting kan een verpleegde verplichten te gedogen
dat ten aanzien van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt
verricht, indien die handeling naar het oordeel van een arts volstrekt
noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of de
veiligheid van de verpleegde of van anderen. De handeling wordt verricht
door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
2.Artikel 25, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de toepassing van het eerste lid. Deze regels betreffen in ieder
geval de melding en de registratie van de geneeskundige handeling,
alsmede de taak van de verantwoordelijke arts indien de geneeskundige
handeling volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar
voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens van de verpleegde.
De algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 27
1.Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat een verpleegde tijdens de
separatie door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam
voor een periode van ten hoogste vierentwintig uren in zijn
bewegingsvrijheid wordt beperkt, indien die beperking noodzakelijk is
ter afwending van een van de verpleegde uitgaand ernstig gevaar voor
diens gezondheid of veiligheid of die van anderen. Het hoofd van de
inrichting stelt de arts of diens plaatsvervanger en de commissie van
toezicht van de bevestiging onverwijld in kennis.
2.In geval van toepassing van artikel 34, derde lid, kan het hoofd van
de afdeling waar de verpleegde verblijft bij dringende noodzakelijkheid
een beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen. Het hoofd van de
inrichting, de arts of diens plaatsvervanger en de commissie van
toezicht worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
3.Het hoofd van de inrichting kan de bevestiging van mechanische
middelen aan het lichaam van de verpleegde telkens met ten hoogste
vierentwintig uren verlengen. De beslissing tot verlenging wordt genomen
na overleg met een aan de inrichting verbonden arts.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de bevestiging van
mechanische middelen aan het lichaam.
Artikel 28
1.Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat een op afwending of
vermindering van gevaarlijk gedrag gerichte ingreep in het lichaam van
een verpleegde, waarvan de gevolgen, naar is te voorzien, niet ongedaan
gemaakt kunnen worden, wordt verricht.
2.Een ingreep als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien:
a. de arts die voornemens is de ingreep uit te voeren de verpleegde
heeft voorgelicht over de aard en de gevolgen van de ingreep;
b. de verpleegde schriftelijk heeft verklaard in te stemmen met de
ingreep;
c. een termijn van veertien dagen in acht genomen wordt tussen de
instemming van de verpleegde en de uitvoering van de ingreep.
3.Een arts die voornemens is een ingreep als bedoeld in het eerste lid
uit te voeren dient hieromtrent het advies in te winnen van een niet aan
de inrichting verbonden arts.
Artikel 29
1.Het hoofd van de inrichting is bevoegd de persoonlijke verblijfsruimte
van een verpleegde op de aanwezigheid van voorwerpen, die niet in zijn
bezit mogen zijn, te onderzoeken:
a. indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van het algemeen
toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de persoonlijke
verblijfsruimten van verpleegden;
b. indien dit anderszins noodzakelijk is met het oog op een belang als
bedoeld in artikel 23, eerste lid.
2.Artikel 23, vierde lid, eerste en laatste volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Het hoofd van de inrichting is bevoegd de persoonlijke verblijfsruimte
van een verpleegde te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen
waarop vermoedelijk celmateriaal van de verpleegde aanwezig is en deze
voorwerpen in beslag te nemen, indien de officier van justitie hem op
grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden een opdracht tot het in beslag nemen van deze voorwerpen
heeft gegeven.
Artikel 30
1.Het hoofd van de inrichting is bevoegd jegens een verpleegde geweld te
gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover dit
noodzakelijk is met het oog op één van de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de uitvoering van een bij of krachtens deze wet genomen beslissing;
c. de voorkoming van de onttrekking van een verpleegde aan het op hem
uitgeoefende toezicht;
d. de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van Strafvordering of de
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de officier van justitie of de
rechter-commissaris genomen beslissing.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden is bevoegd jegens een ter beschikking gestelde geweld te
gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden met het oog op
een belang als bedoeld in het eerste lid, onder b of c.
3.Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een
schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden toekomen.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld en de
aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.
HOOFDSTUK VI. BEWEGINGSVRIJHEID BINNEN DE INRICHTING
Artikel 31
1.De bewegingsvrijheid van verpleegden binnen de inrichting kan zowel
per afdeling als per verpleegde verschillen.
2.Een verpleegde heeft, behoudens in geval van toepassing van artikel
32, 34 of 49, eerste lid, onder a, het recht in totaal tenminste vier
uren per dag samen met een of meer medeverpleegden door te brengen.
3.De plaatsing op en overplaatsing naar een afdeling geschieden door het
hoofd van de inrichting met inachtneming van de volgende belangen:
a. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de uitvoering van het verplegings- en behandelingsplan.
4.Het hoofd van de inrichting kan aan de plaatsing op een afdeling, voor
zover deze een uitbreiding van de bewegingsvrijheid met zich brengt,
voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden kunnen voor een verpleegde de
verplichting inhouden om aan bepaalde activiteiten deel te nemen of
werkzaamheden of arbeid te verrichten.
Artikel 32
1.Het hoofd van de inrichting kan een verpleegde op een door Onze
Minister als zodanig aangewezen afdeling voor intensieve zorg plaatsen,
indien dit noodzakelijk is met het oog op één van de volgende
belangen:
a. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid van de verpleegde.
2.Het hoofd van de inrichting bepaalt telkens na ten hoogste zes maanden
of voortzetting van het verblijf op de afdeling voor intensieve zorg met
het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is.
3.Een verpleegde, die op een afdeling voor intensieve zorg verblijft,
heeft het recht ten minste twee maal een half uur per dag samen met een
of meer medeverpleegden door te brengen.
Artikel 33
Indien de bewegingsvrijheid waarop de verpleegde op grond van de bij of
krachtens deze wet gestelde regels recht heeft, niet is beperkt tot de
afdeling waar hij verblijft, kan het hoofd van de inrichting zodanige
beperking niettemin telkens voor een periode van ten hoogste vier weken
opleggen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als
bedoeld in artikel 32, eerste lid.
Artikel 34
1.Het hoofd van de inrichting is bevoegd een verpleegde af te zonderen
of te separeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang
als bedoeld in artikel 32, eerste lid.
2.Een ononderbroken verblijf in afzondering of separatie duurt ten
hoogste vier weken, behoudens verlenging overeenkomstig het bepaalde in
het vierde lid.
3.Het hoofd van de afdeling waar de verpleegde verblijft kan bij
dringende noodzakelijkheid de beslissing tot separatie nemen voor ten
hoogste vijftien uren.
4.Het hoofd van de inrichting kan de afzondering of separatie telkens,
met schriftelijke machtiging van Onze Minister, met ten hoogste vier
weken verlengen.
5.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat, ingeval de separatie
langer dan vierentwintig uren duurt, een aan de inrichting verbonden
arts en de commissie van toezicht onverwijld hiervan in kennis worden
gesteld.
6.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat in geval van afzondering
of separatie het nodige contact tussen personeelsleden of medewerkers en
verpleegde wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie
van de verpleegde wordt afgestemd.
7.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toepassing van de
afzondering of separatie. Deze regels betreffen in elk geval de rechten
die tijdens de afzondering of separatie aan de verpleegde toekomen.
Artikel 34a
1.Het hoofd van de inrichting kan, indien dit ter bescherming van de
geestelijke of lichamelijke toestand van de verpleegde noodzakelijk is,
bepalen dat de verpleegde die in afzondering of separatie verblijft, dag
en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van de voor de
behandeling verantwoordelijke psychiater onderscheidenlijk een aan de
inrichting verbonden arts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht.
In dat geval wint het hoofd van de inrichting het advies zo spoedig
mogelijk na zijn beslissing in.
HOOFDSTUK VII. CONTACT MET DE BUITENWERELD
Artikel 35
1.De verpleegde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met
vijfde lid te stellen beperkingen, het recht brieven en stukken per post
te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij
het hoofd van de inrichting anders bepaalt, voor rekening van de
verpleegde.
2.Het hoofd van de inrichting is bevoegd enveloppen of andere
poststukken afkomstig van of bestemd voor verpleegden op de aanwezigheid
van bijgesloten voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen. Het
openen geschiedt, voor zover mogelijk, in aanwezigheid van de betrokken
verpleegde. Ten aanzien van de in artikel 4, eerste lid, onder g,
genoemde verpleegden geldt deze bevoegdheid slechts indien de
kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage hiertoe de last heeft
gegeven.
3.Het hoofd van de inrichting is bevoegd op de inhoud van brieven of
andere poststukken afkomstig van of bestemd voor de verpleegde telkens
voor een periode van ten hoogste vier weken toezicht uit te oefenen,
indien dit noodzakelijk is met het oog op één van de volgende
belangen:
a. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid van de verpleegde;
d. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij
door een verpleegde begane misdrijven;
e. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
4.Het toezicht, bedoeld in het derde lid, kan worden beperkt tot
bepaalde personen of instanties.
5.Het hoofd van de inrichting kan de verzending of uitreiking van
bepaalde brieven of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen
weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als
bedoeld in het derde lid.
6.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat de niet uitgereikte
brieven of andere poststukken dan wel bijgesloten voorwerpen, hetzij
worden terug gegeven aan de verpleegde of voor diens rekening worden
teruggezonden aan de verzender of een ander door de verpleegde op te
geven adres, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten
behoeve van de verpleegde worden bewaard, hetzij met toestemming van de
verpleegde in diens aanwezigheid worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming
of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 36
1.Het bepaalde in artikel 35, derde tot en met het vijfde lid, is niet
van toepassing op brieven, door de verpleegde gericht aan of afkomstig
van:
a. leden van het Koninklijk Huis;
b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, een commissie daaruit
of leden daarvan;
c. Onze Minister;
d. justitiële autoriteiten;
e. de Nationale ombudsman;
f. de geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid;
g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;
h. de commissie van toezicht of een beklagcommissie, of leden daarvan;
i. diens rechtsbijstandverlener;
j. diens reclasseringswerker;
k. het bestuur, voor zover het een justitiële particuliere inrichting
betreft;
l. andere door Onze Minister of het hoofd van de inrichting aan te
wijzen personen of instanties.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder d, wordt onder
justitiële autoriteiten mede begrepen: organen die krachtens een
wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag bevoegd zijn
tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht
aangevangen zaken.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van
verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde
personen en instanties.
Artikel 37
1.De verpleegde heeft het recht ten minste gedurende een uur per week op
in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te ontvangen. In
de huisregels worden regels gesteld omtrent het aanvragen van bezoek.
2.Het hoofd van de inrichting kan het aantal tegelijk tot de verpleegde
toe te laten personen beperken, indien dit noodzakelijk is in het belang
van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
3.Het hoofd van de inrichting kan de toelating tot de verpleegde van
bezoek of van een bepaalde persoon of bepaalde personen telkens voor een
periode van ten hoogste vier weken weigeren, indien dit noodzakelijk is
met het oog op een belang als bedoeld in artikel 35, derde lid.
4.Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat tijdens het bezoek
toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is met het oog op
een belang als bedoeld in artikel 35, derde lid. Dit toezicht kan
omvatten het beluisteren of opnemen van het gesprek tussen een bezoeker
en de verpleegde. Tevoren wordt aan de verpleegde mededeling gedaan van
de aard en de reden van het toezicht.
5.Iedere bezoeker dient zich bij binnenkomst op deugdelijke wijze te
legitimeren. Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat een bezoeker
aan zijn kleding wordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die
een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de
inrichting. Dit onderzoek kan ook betrekking hebben op door de bezoeker
meegebrachte voorwerpen. Het hoofd van de inrichting is bevoegd
dergelijke voorwerpen gedurende de duur van het bezoek onder zich te
nemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst dan wel aan een
opsporingsambtenaar ter hand te stellen met het oog op de voorkoming of
opsporing van strafbare feiten.
6.Het hoofd van de inrichting kan het bezoek binnen de daarvoor bestemde
tijd beëindigen en de bezoeker uit de inrichting doen verwijderen,
indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in
artikel 35, derde lid.
7.De in artikel 36, eerste lid, onder g en h, genoemde personen en
instanties hebben te allen tijde toegang tot de verpleegde. De overige
in dat lid genoemde personen en instanties hebben toegang tot de
verpleegde op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen. Tijdens
het bezoek kunnen zij zich vrijelijk met de verpleegde onderhouden,
behoudens ingeval van de verpleegde een ernstig gevaar uitgaat voor de
veiligheid van de bezoeker.
Artikel 38
1. De verpleegde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en
met het vijfde lid te stellen beperkingen, het recht tenminste eenmaal
per week gedurende tien minuten een of meer telefoongesprekken te voeren
met personen buiten de inrichting. In de huisregels worden de tijden en
plaatsen alsmede het voor het gesprek of de gesprekken te gebruiken
toestel aangewezen. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij het hoofd
van de inrichting anders bepaalt, voor rekening van de verpleegde. In
verband met het uitoefenen van toezicht als bedoeld in het tweede lid,
kunnen telefoongesprekken worden opgenomen.
2. Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat op de door of met een
verpleegde gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend,
indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de
verpleegde een telefoongesprek voert vast te stellen dan wel met het oog
op een belang als bedoeld in artikel 35, derde lid. Dit toezicht kan
omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van
een opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan
van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen van
telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen
telefoongesprekken.
3. Het hoofd van de inrichting kan het voeren van telefoongesprekken of
een bepaald telefoongesprek telkens voor een periode van ten hoogste
vier weken weigeren of een telefoongesprek binnen de daarvoor bestemde
tijd beëindigen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang
als bedoeld in artikel 35, derde lid.
4. De verpleegde heeft het recht met de in artikel 36, eerste lid,
genoemde personen en instanties telefoongesprekken te voeren op in de
huisregels vastgestelde tijden en plaatsen. Op deze gesprekken wordt
geen ander toezicht uitgeoefend dan noodzakelijk is om de identiteit van
de persoon of instantie met wie de verpleegde een telefoongesprek voert
of wenst te voeren vast te stellen.
Artikel 39
1.Het hoofd van de inrichting kan toestemming geven voor het voeren van
een gesprek tussen de verpleegde en een vertegenwoordiger van de media,
voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;
d. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de
verpleegde;
e. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
2.Het hoofd van de inrichting kan met het oog op de bescherming van de
in het eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een
vertegenwoordiger van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden.
Het hoofd van de inrichting is bevoegd een vertegenwoordiger van de
media uit de inrichting te doen verwijderen, indien hij de hem opgelegde
voorwaarden niet nakomt.
3.Het hoofd van de inrichting kan op het contact met een
vertegenwoordiger van de media toezicht uitoefenen, indien dit
noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 37, vierde lid, tweede en derde volzin, en vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK VIII. VERZORGING, ACTIVITEITEN, WERKZAAMHEDEN EN ARBEID
Paragraaf 1. Verzorging en activiteiten
Artikel 40
1.De verpleegde heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging,
individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te
beleven.
2.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat in de inrichting voldoende
geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst
of levensovertuiging van de verpleegden, beschikbaar is.
3.Het hoofd van de inrichting stelt de verpleegde in de gelegenheid op
in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
a. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van
de godsdienst of levensovertuiging van zijn keuze, die aan de inrichting
is verbonden;
b. contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke
verzorgers volgens het bepaalde in artikel 37;
c. in de inrichting te houden godsdienstige en levensbeschouwelijke
bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen, tenzij het hoofd van de
inrichting dit verbiedt in verband met de handhaving van de orde of de
veiligheid in de inrichting.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke
verzorging. Deze regels kunnen betrekking hebben op de verlening van
geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van
godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van
de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke
verzorgers bij een inrichting.
Artikel 41
1.De verpleegde heeft recht op verzorging door een aan de inrichting
verbonden arts.
2.De verpleegde heeft recht op raadpleging voor eigen rekening van een
arts van zijn keuze.
3.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat een aan de inrichting
verbonden arts:
a. regelmatig beschikbaar is voor het houden van een spreekuur;
b. op andere tijdstippen beschikbaar is, indien dit in het belang van de
gezondheid van de verpleegde noodzakelijk is;
c. de verpleegden die hiervoor in aanmerking komen onderzoekt op hun
geschiktheid voor deelname aan arbeid, sport of een andere
gemeenschappelijke werkzaamheid of activiteit.
4.Het hoofd van de inrichting draagt zorg voor:
a. de verstrekking van de door een aan de inrichting verbonden arts
voorgeschreven medicijnen en diëten;
b. de behandeling van de verpleegde op aanwijzing van een aan de
inrichting verbonden arts voor zover deze niet kan worden aangemerkt als
een behandeling, bedoeld in artikel 1, onder u;
c. de overbrenging van de verpleegde naar een ziekenhuis dan wel andere
instelling, indien de onder b bedoelde behandeling aldaar plaatsvindt.
Artikel 42
1.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat aan de verpleegden
voeding, noodzakelijke kleding en schoeisel worden verstrekt dan wel dat
hem voldoende geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar
behoren te voorzien.
2.De verpleegde heeft recht op het dragen van eigen kleding en
schoeisel, tenzij die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de
veiligheid in de inrichting. Hij kan worden verplicht tijdens het
verrichten van werkzaamheden of sport aangepaste kleding of schoeisel te
dragen.
3.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat bij de verstrekking van
voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of
levensovertuiging van de verpleegden.
4.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat de verpleegde in staat
gesteld wordt het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne naar behoren te
verzorgen.
5.In de huisregels worden regels gesteld omtrent de aankoop door
verpleegden van andere gebruiksartikelen dan die welke door het hoofd
van de inrichting ter beschikking worden gesteld.
Artikel 43
1.Het hoofd van de inrichting draagt zorg voor de sociale verzorging en
hulpverlening, vorming en onderwijs, ontspannings- en sportactiviteiten
voor de verpleegden, voor zover daarin niet reeds is voorzien in het
verplegings- en behandelingsplan van de betrokken verpleegde.
2.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat een bibliotheekvoorziening
aanwezig is. In de huisregels worden regels gesteld omtrent het gebruik
van de bibliotheek door verpleegden.
3.De verpleegde heeft recht op verblijf in de buitenlucht gedurende
tenminste een uur per dag.
4.Onze Minister stelt regels omtrent de voorwaarden waaronder een
tegemoetkoming kan worden verleend in de kosten die voor de verpleegde
aan het volgen van onderwijs en het deelnemen aan andere educatieve
activiteiten voor zover hierin niet in de inrichting wordt voorzien,
kunnen zijn verbonden. Deze voorwaarden kunnen betreffen de aard, de
duur en de kosten van deze activiteiten alsmede de vooropleiding van de
verpleegde en diens vorderingen.
Artikel 44
1.De verpleegde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met
het vierde lid te stellen beperkingen, het recht hem toebehorende
voorwerpen in zijn persoonlijke verblijfsruimte te plaatsen dan wel bij
zich te hebben.
2.In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde soorten
voorwerpen binnen de inrichting of een bepaalde afdeling daarvan
verboden is, indien dit bezit een gevaar kan opleveren voor:
a. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde of de
algemene veiligheid van personen of goederen;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel
voor zover zich dit niet verdraagt met de aansprakelijkheid van het
hoofd van de inrichting voor de voorwerpen.
3.Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat een verpleegde een hem
toebehorend voorwerp, niet behorende tot de soorten voorwerpen, bedoeld
in het tweede lid, niet in zijn persoonlijke verblijfsruimte mag
plaatsen of bij zich mag hebben, indien dit noodzakelijk is met het oog
op één van de belangen als genoemd in het tweede lid.
4.Het hoofd van de inrichting is bevoegd aan de verpleegde toebehorende
voorwerpen voor diens rekening te laten onderzoeken ten einde vast te
stellen of de toelating of het bezit daarvan ingevolge het bepaalde in
het tweede of derde lid kan worden toegestaan dan wel is verboden.
5.Artikel 23, vierde lid, eerste en laatste volzin is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot het beheer van het eigen geld van de verpleegde,
waaronder begrepen de vergoeding voor het verrichten van werkzaamheden
en het arbeidsloon als bedoeld in artikel 46, tweede, onderscheidenlijk
derde lid, en de besteding daarvan door verpleegden, alsmede het zak- en
kleedgeld.
Paragraaf 2. Werkzaamheden en arbeid
Artikel 46
1.De verpleegde is niet verplicht binnen de inrichting werkzaamheden te
verrichten, behoudens:
a. voor zover dit voortvloeit uit een aan de uitbreiding van zijn
bewegingsvrijheid verbonden voorwaarde als bedoeld in artikel 31, vierde
lid, of
b. deze werkzaamheden van huishoudelijke aard zijn en betrekking hebben
op de ruimten waar zij verblijven, de persoonlijke verblijfsruimte
daaronder begrepen.
2.Voor het verrichten van werkzaamheden, met uitzondering van de in het
eerste lid, onder b, omschreven werkzaamheden, heeft de verpleegde recht
op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding. Deze vergoeding
wordt bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten buiten beschouwing gelaten.
3.De verpleegde is niet verplicht buiten de inrichting arbeid te
verrichten, behoudens voor zover dit voortvloeit uit een aan het verlof
of het proefverlof verbonden voorwaarde als bedoeld in artikel 50,
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 51, tweede lid. Indien de
verpleegde buiten de inrichting arbeid verricht, blijft het door hem
verdiende arbeidsloon zijn eigendom, onverminderd het bepaalde bij of
krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
HOOFDSTUK IX. ONDERBRENGING VAN EEN KIND IN DE INRICHTING
Artikel 47
1.Indien een verpleegde een kind in de inrichting wil onderbrengen ten
einde het aldaar te verzorgen en op te voeden behoeft hij hiertoe de
toestemming van het hoofd van de inrichting. Het hoofd van de inrichting
kan deze toestemming geven, voor zover dit verblijf zich verdraagt met
de volgende belangen:
a. de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de geestelijke of
lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de uitvoering van het verplegings- en behandelingsplan.
2.Het hoofd van de inrichting kan aan de toestemming voorwaarden
verbinden met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid.
3.Het hoofd van de inrichting kan over een door hem voorgenomen
onderbrenging van een kind in de inrichting het advies inwinnen van de
Raad voor de Kinderbescherming.
4.Het hoofd van de inrichting kan de toestemming intrekken, indien dit
noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid
of indien de verpleegde een bepaalde voorwaarde niet nakomt. Indien het
hoofd van de inrichting een nader onderzoek nodig oordeelt, kan hij de
medewerking van de Raad voor de Kinderbescherming inroepen.
5.Het hoofd van de inrichting is verplicht de toestemming te weigeren of
in te trekken, indien de onderbrenging van het kind in de inrichting in
strijd komt met enige op het gezag over het kind betrekking hebbende
beslissing.
6.In de huisregels worden nadere regels gesteld omtrent het verblijf van
kinderen in de inrichting.
7.De kosten van de verzorging van het kind komen alleen voor rekening
van het Rijk, voor zover de verpleegde zelf niet in die kosten kan
voorzien.
HOOFDSTUK X. DISCIPLINAIRE STRAFFEN
Artikel 48
1.Indien een personeelslid of medewerker van de inrichting constateert
dat een verpleegde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de
orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met een ongestoord
verloop van de verpleging en hij voornemens is daarover aan het hoofd
van de inrichting schriftelijk verslag te doen, deelt hij dit de
verpleegde mede.
2.Het hoofd van de inrichting beslist over het opleggen van een
disciplinaire straf zo spoedig mogelijk nadat hem verslag is gedaan.
3.Indien het hoofd van de inrichting of zijn vervanger feiten als
bedoeld in het eerste lid, constateert, blijft het eerste lid buiten
toepassing.
Artikel 49
1.Het hoofd van de inrichting kan wegens het begaan van feiten als
bedoeld in artikel 48, eerste lid, een of meer van de volgende
disciplinaire straffen opleggen:
a. afzondering in de persoonlijke verblijfsruimte, gedurende het gehele
etmaal of bepaalde uren daarvan, voor ten hoogste twee weken;
b. beperking van de bewegingsvrijheid tot de afdeling, waar de
verpleegde verblijft, voor ten hoogste twee weken;
c. geldboete tot een door Onze Minister te bepalen maximum;
d. ontzegging van bezoek van een bepaalde persoon of van bepaalde
personen voor ten hoogste twee weken, indien het feit plaatsvond in
verband met bezoek van die persoon of personen;
e. uitsluiting van deelname aan een of meer gemeenschappelijke
activiteiten of werkzaamheden voor ten hoogste twee weken, indien het
feit plaatsvond in verband met die gemeenschappelijke activiteit of
werkzaamheid.
2.Het hoofd van de inrichting bepaalt bij de oplegging van een geldboete
tevens door welke andere straf de boete zal worden vervangen, ingeval
deze niet binnen de daartoe door hem gestelde termijn is betaald.
3.Het hoofd van de inrichting kan voor feiten als bedoeld in artikel 48,
eerste lid, meer dan één straf opleggen, met dien verstande dat de in
het eerste lid onder a en e genoemde straffen slechts kunnen worden
opgelegd voor zover zij te zamen niet langer duren dan twee weken.
4.De oplegging van een straf laat onverlet de mogelijkheid voor het
hoofd van de inrichting om ter zake van de door de verpleegde
toegebrachte schade aan eigendommen van de inrichting of personeelsleden
of medewerkers dan wel van medeverpleegden met de verpleegde een
regeling te treffen.
5.Indien een straf is opgelegd wordt deze onverwijld ten uitvoer gelegd.
Het hoofd van de inrichting kan bepalen dat een straf niet of slechts
ten dele ten uitvoer wordt gelegd.
6.Geen straf kan worden opgelegd indien de verpleegde voor het begaan
van een feit als bedoeld in artikel 48, eerste lid, niet
verantwoordelijk kan worden gesteld.
7.Van elke strafoplegging dan wel wijziging daarvan houdt het hoofd van
de inrichting aantekening. Indien een straf ingevolge hoofdstuk XIII,
XIV of XV geheel of ten dele wordt herzien, houdt het hoofd van de
inrichting hiervan aantekening.
HOOFDSTUK XI. VERLOF EN PROEFVERLOF
Artikel 50
1.Indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende
gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van
anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van
personen of goederen dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is
hem tijdelijk de inrichting te doen verlaten, kan het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, met machtiging
van Onze Minister, de ter beschikking gestelde verlof verlenen zich al
dan niet onder toezicht buiten de inrichting te begeven. Verlof kan
omvatten een verblijf geheel buiten de inrichting.
2.Als algemene voorwaarde geldt dat de ter beschikking gestelde zich
niet aan enig misdrijf zal schuldig maken. Het hoofd van de inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden kan aan het verlof
bijzondere voorwaarden, het gedrag van de ter beschikking gestelde
betreffende, verbinden. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat de ter
beschikking gestelde zich dient te gedragen overeenkomstig de door de
toezichthouder gegeven aanwijzingen.
3.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden kan het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk is met het
oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de
ter beschikking gestelde voor de veiligheid van anderen dan de ter
beschikking gestelde of de algemene veiligheid van personen of goederen
of indien de ter beschikking gestelde een bepaalde voorwaarde niet
nakomt.
4.Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid is van
overeenkomstige toepassing op verpleegden die niet ter beschikking zijn
gesteld.
5.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden stelt de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde in
de gelegenheid de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden te verlaten teneinde een gerechtelijke procedure bij te wonen:
a. indien hij krachtens wettelijk voorschrift verplicht is voor een
rechter of bestuursorgaan te verschijnen;
b. indien hij terzake van een misdrijf moet terecht staan;
c. indien hij bij het bijwonen van de procedure een aanmerkelijk belang
heeft en tegen het verlaten van de inrichting hiertoe geen overwegend
bezwaar bestaat.
6.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het
vervoer van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde ten
behoeve van het bijwonen van een gerechtelijke procedure, bedoeld in het
vijfde lid, plaatsvindt.
7.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden kan bepalen dat tijdens het verlaten van de inrichting
toezicht wordt uitgeoefend.
Artikel 51
1. Indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende
gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van
anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van
personen of goederen dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is
hem bij wijze van proef in de maatschappij te doen terugkeren, kan het
hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden,
met machtiging van Onze Minister, de ter beschikking gestelde
proefverlof verlenen.
2. Artikel 50, tweede lid, eerste en tweede volzin, is van
overeenkomstige toepassing. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden
dat de ter beschikking gestelde zich voor het verkrijgen van hulp en
steun wendt tot een in de machtiging van Onze Minister aangewezen
instelling, die aan bepaalde, bij algemene maatregel van bestuur te
stellen eisen, voldoet. Bij het verlenen van hulp en steun wordt de
identiteit van de ter beschikking gestelde vastgesteld. Artikel 27a,
eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
3. De ter beschikking gestelde aan wie proefverlof is verleend, geniet,
behoudens de verplichtingen die voortvloeien uit hem opgelegde
voorwaarden, vrijheid van beweging. Artikel 50, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking
tot het verlof en het proefverlof nadere regels gesteld.
HOOFDSTUK XII. INFORMATIE EN HOORPLICHT
Artikel 52
1.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat de verpleegde bij
binnenkomst in de inrichting, schriftelijk en zoveel mogelijk in een
voor hem begrijpelijke taal, op de hoogte wordt gesteld van zijn bij of
krachtens deze wet gestelde rechten en plichten.
2.De verpleegde wordt hierbij in het bijzonder gewezen op diens
bevoegdheid:
a. een verzoek tot bemiddeling in te dienen overeenkomstig het bepaalde
in hoofdstuk XIII;
b. een klaag- of beroepschrift in te dienen overeenkomstig het bepaalde
in de hoofdstukken XIV tot en met XVI.
3.Een verpleegde vreemdeling wordt bij binnenkomst in de inrichting
geïnformeerd over zijn recht de consulaire vertegenwoordiger van zijn
land van zijn vrijheidsbeneming op de hoogte te laten stellen.
Artikel 53
1.De verpleegde wordt, zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke
taal, gehoord althans daartoe in de gelegenheid gesteld alvorens een
beslissing wordt genomen omtrent:
a. de plaatsing of voortzetting van het verblijf op een afdeling van
intensieve zorg als bedoeld in artikel 32;
b. een beperking van de bewegingsvrijheid als bedoeld in de artikelen 33
of 34;
c. een beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam als
bedoeld in artikelen 25 tot en met 27;
d. de beslissingen met betrekking tot de onderbrenging van een kind in
de inrichting als bedoeld in artikel 47;
e. de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49;
f. de observatie door middel van een camera, bedoeld in artikel 34a,
eerste lid.
2.De ter beschikking gestelde wordt, zoveel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal, gehoord althans daartoe in de gelegenheid gesteld
alvorens een beslissing wordt genomen omtrent:
a. de beslissingen met betrekking tot de plaatsing of overplaatsing
overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III;
b. de intrekking van een verlof of proefverlof als bedoeld in
onderscheidenlijk de artikelen 50, derde lid, en 51, derde lid.
3.Zo nodig geschiedt het horen van betrokkene met bijstand van een tolk.
Van het horen van betrokkene wordt aantekening gehouden.
4.Het horen van betrokkene kan achterwege blijven, indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de gemoedstoestand van betrokkene daaraan in de weg staat.
Artikel 54
1.De verpleegde ontvangt onverwijld, schriftelijk en voor zoveel
mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, een met redenen omklede,
gedagtekende en ondertekende mededeling betreffende:
a. elke beslissing als bedoeld in artikel 53, eerste lid;
b. de weigering van verzending of uitreiking van een brief of ander
poststuk dan wel van bijgesloten voorwerpen als bedoeld in artikel 35,
vijfde lid;
c. de weigering van de toelating tot de verpleegde van bezoek of een
bepaalde bezoeker als bedoeld in artikel 37, derde lid;
d. de weigering van het voeren van telefoongesprekken of een bepaald
telefoongesprek als bedoeld in artikel 38, derde lid;
e. het verbod van een contact met een vertegenwoordiger van de media als
bedoeld in artikel 39, tweede lid.
2.De ter beschikking gestelde ontvangt onverwijld, schriftelijk en voor
zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, een met redenen
omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling omtrent elke beslissing
als bedoeld in artikel 53, tweede lid.
3.Betrokkene wordt, voor zover van toepassing, in de mededeling gewezen
op de mogelijkheid van bemiddeling, beklag of beroep en de wijze waarop
en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede op de
mogelijkheid van het doen van een verzoek aan de voorzitter van de
beroepscommissie om hangende de uitspraak op het klaagschrift de
tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen.
4.Indien ter zake van de beslissing de machtiging van Onze Minister
vereist is, wordt aan de mededeling een afschrift daarvan gehecht.
HOOFDSTUK XIII. BEMIDDELING
Artikel 55
1.De verpleegde heeft het recht zich, mondeling of schriftelijk, tot de
commissie van toezicht te wenden met het verzoek te bemiddelen ter zake
van een grief omtrent de wijze waarop het hoofd van de inrichting zich
in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen of een bij of
krachtens deze wet gestelde zorgplicht betracht. Een gedraging van een
personeelslid of medewerker van de inrichting jegens de verpleegde wordt
met het oog op de toepassing van deze bepaling als een gedraging van het
hoofd van de inrichting aangemerkt.
2.Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag openstaat,
dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de
verpleegde kennis heeft gekregen van die beslissing te worden ingediend.
3.De commissie van toezicht streeft ernaar binnen vier weken een voor
beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken. Zij kan de
bemiddeling geheel of ten dele aan de maandcommissaris of een ander uit
haar midden aangewezen lid opdragen.
4.De commissie van toezicht stelt de verpleegde en het hoofd van de
inrichting in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid,
hun standpunt mondeling toe te lichten. Indien de verpleegde de
Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de commissie van
toezicht zorg voor de bijstand van een tolk.
5.Zij sluit de bemiddeling af met een mededeling van haar bevindingen
aan het hoofd van de inrichting en de verpleegde. In de gevallen,
bedoeld in artikel 56, wordt de verpleegde gewezen op de mogelijkheid
van beklag en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden
gedaan.
6.Indien het hoofd van de inrichting of de verpleegde hierom verzoekt,
wordt hem zo spoedig mogelijk een gedagtekend afschrift van de
mededeling toegezonden of uitgereikt. De datum van die toezending of
uitreiking wordt op dit afschrift aangetekend. Indien de verpleegde de
Nederlandse taal niet voldoende begrijpt, draagt de commissie van
toezicht zorg voor een vertaling van de mededeling.
HOOFDSTUK XIV. BEKLAG
Artikel 56
1.Een verpleegde kan bij de beklagcommissie beklag doen over de volgende
door het hoofd van de inrichting genomen beslissingen:
a. de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49;
b. de plaatsing of voortzetting van het verblijf op een afdeling voor
intensieve zorg als bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid;
c. een beslissing die een beperking inhoudt van het contact met de
buitenwereld als bedoeld in hoofdstuk VII;
d. de weigering of intrekking van de toestemming om een kind in de
inrichting onder te brengen als bedoeld in artikel 47, eerste en vierde
lid;
e. enige andere beslissing die een beperking inhoudt van een recht, dat
hem op grond van een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift dan
wel enig ander wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende
bepaling van een in Nederland geldend verdrag toekomt behoudens het
gestelde in artikel 57.
2.Een verpleegde kan bij de beklagcommissie beklag doen over de volgende
door het hoofd van de inrichting genomen beslissing tot:
a. de intrekking van verlof als bedoeld in artikel 50, derde lid, indien
het verlof op het moment dat het wordt ingetrokken een aaneengesloten
periode van meer dan een week heeft geduurd;
b. tegen de intrekking van het proefverlof als bedoeld in artikel 51,
derde lid.
3.Een beslissing van een personeelslid of medewerker van de inrichting
wordt met het oog op de toepassing van deze bepaling als een beslissing
van het hoofd van de inrichting aangemerkt.
4.Tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting een bij of krachtens
deze wet gestelde zorgplicht betracht staat geen beklag open.
5.Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld
een weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht
te zijn geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het
ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is
genomen.
6.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat een verpleegde die beklag
wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt
gesteld.
Artikel 57
1.Tegen een beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid als
bedoeld in artikel 33 staat beklag open nadat deze een week heeft
geduurd.
2.Tegen een beslissing tot separatie en de duur van de separatie staat
beklag open nadat de separatie een dag heeft geduurd.
3.Tegen een beslissing tot afzondering en de duur van de afzondering
staat beklag open, nadat de afzondering twee dagen heeft geduurd.
4.De dag waarop een beslissing als bedoeld in het eerste tot en met
derde lid is genomen blijft buiten beschouwing.
5.Tegen de beslissing tot verlenging van de separatie of afzondering op
de voet van het bepaalde in artikel 34, vierde lid, staat beklag open.
6.Tegen de beslissing tot het toepassen van cameraobservatie op grond
van artikel 34a, eerste lid, staat beklag open.
Artikel 58
1.De verpleegde doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij
de secretaris van de beklagcommissie van de inrichting waar de
beslissing waarover hij klaagt is genomen.
2.De indiening van het klaagschrift kan door tussenkomst van het hoofd
van de inrichting waar de verpleegde verblijft geschieden. Het hoofd van
de inrichting draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift, of, indien
het klaagschrift zich in een gesloten envelop bevindt de envelop, van
een dagtekening wordt voorzien.
3.Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing
waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag. Indien de
verpleegde omtrent de beslissing waarover hij klaagt geen verzoek tot
bemiddeling heeft gedaan, vermeldt hij de redenen hiervoor in het
klaagschrift.
4.Indien de verpleegde de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, kan
hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de
beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal
wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten
geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur
5.Het klaagschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die waarop de
verpleegde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich
wenst te beklagen worden ingediend. Als dag waarop het klaagschrift is
ingediend, geldt die van de ontvangst door de secretaris dan wel de
dagtekening, bedoeld in het tweede lid. Een na afloop van deze termijn
ingediend klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat de verpleegde in verzuim is geweest.
6.Ingeval de verpleegde een verzoek tot bemiddeling inzake de bestreden
beslissing heeft gedaan, dan moet, in afwijking van het bepaalde in het
vijfde lid, het klaagschrift worden ingediend uiterlijk op de zevende
dag na die waarop de verpleegde de schriftelijke mededeling van de
bevindingen van de commissie van toezicht heeft ontvangen.
Artikel 59
1.Het klaagschrift wordt behandeld door een door de commissie van
toezicht uit haar midden benoemde beklagcommissie, bestaande uit drie
leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. Een lid van de
commissie van toezicht neemt geen deel aan de behandeling van het
klaagschrift, indien hij heeft bemiddeld ter zake van de beslissing
waarop het klaagschrift betrekking heeft of daarmede op enige andere
wijze bemoeienis heeft gehad.
2.Onze Minister kan, bij justitiële particuliere inrichtingen op
voordracht van het bestuur, leden van andere commissies van toezicht
aanwijzen die van een beklagcommissie deel uit kunnen maken.
3.De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beklagcommissie kan, indien hij het beklag van eenvoudige aard, dan wel
kennelijk niet ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond
acht, als enkelvoudig lid van de beklagcommissie het klaagschrift
afdoen, met dien verstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan
de voorzitter van de voltallige beklagcommissie toekomen.
4.De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid als bedoeld in het
derde lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beklagcommissie.
5.De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar plaats,
behoudens ingeval de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare
behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling
van een in Nederland geldend verdrag.
Artikel 60
1.De secretaris van de beklagcommissie zendt het hoofd van de inrichting
een afschrift van het klaagschrift toe. Het hoofd van de inrichting
geeft dienaangaande zo spoedig mogelijk schriftelijk de nodige
inlichtingen aan de beklagcommissie, tenzij hij van oordeel is dat het
klaagschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Hij
voegt daaraan de opmerkingen toe waartoe het klaagschrift hem overigens
aanleiding geeft. Aan de klager geeft de secretaris van de
beklagcommissie schriftelijk kennis van de inhoud van deze inlichtingen
en opmerkingen.
2.Indien de commissie van toezicht omtrent de beslissing waarover wordt
geklaagd heeft bemiddeld en zij haar bevindingen schriftelijk aan de
klager en het hoofd van de inrichting heeft medegedeeld, voegt de
secretaris van de beklagcommissie de bevindingen bij de processtukken.
Artikel 61
1.De beklagcommissie stelt de klager en het hoofd van de inrichting in
de gelegenheid omtrent het klaagschrift mondeling opmerkingen te maken,
tenzij zij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk
ongegrond of kennelijk gegrond acht.
2.De klager en het hoofd van de inrichting kunnen de voorzitter van de
beklagcommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te
zien.
3.De beklagcommissie kan het hoofd van de inrichting en de klager buiten
elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid
gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en
wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de
voorzitter van de beklagcommissie aan de klager onderscheidenlijk het
hoofd van de inrichting mondeling medegedeeld.
4.De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of
schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden
ingewonnen zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 62
1.De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een
rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon, die daartoe van
de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een
advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van
de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen bij algemene
maatregel van bestuur.
2.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt
de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning van de
tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden
volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
3.Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie aan de klager op
diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
4.Indien de klager elders verblijft kunnen de opmerkingen als bedoeld in
artikel 61, eerste lid, op verzoek van de beklagcommissie ten overstaan
van een lid van een andere beklagcommissie worden gemaakt.
5.Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een schriftelijk
verslag, dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend. Bij
verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in het verslag
vermeld.
Artikel 63
De voorzitter van de beklagcommissie kan de behandeling van het
klaagschrift voor bepaalde of onbepaalde tijd uitstellen, indien hij van
oordeel is dat het klaagschrift zich leent voor bemiddeling of indien de
bemiddelingsprocedure nog niet is afgesloten. In het eerste geval stelt
de voorzitter een afschrift van het klaagschrift ter hand aan de
maandcommissaris of aan een ander lid van de commissie van toezicht met
het verzoek om te bemiddelen. Artikel 55 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 64
1.Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van de
beroepscommissie op verzoek van de klager, na het hoofd van de
inrichting te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing
waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk
schorsen.
2.De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan het hoofd van de
inrichting en de klager.
Artikel 65
1.De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval
binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de datum waarop het
klaagschrift is ontvangen of, bij toepassing van artikel 63, te rekenen
vanaf de datum waarop de bemiddeling is afgesloten, uitspraak. In
bijzondere omstandigheden kan de beklagcommissie deze termijn met ten
hoogste vier weken verlengen. Van deze verlenging wordt aan het hoofd
van de inrichting en de klager mededeling gedaan.
2.De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Aan de uitspraak
is een verslag van de door de beklagcommissie gehoorde personen gehecht.
Zij wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend.
Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de
uitspraak vermeld. Aan de klager en het hoofd van de inrichting wordt
onverwijld en kosteloos een afschrift van de uitspraak van de
beklagcommissie toegezonden of uitgereikt. De datum van die toezending
of uitreiking wordt op dit afschrift aangetekend.
3.De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij
de beroepscommissie en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet
worden gedaan alsmede de mogelijkheid van het doen van een verzoek aan
de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de uitspraak op het
beroepschrift de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de
beklagcommissie geheel of gedeeltelijk te schorsen.
4.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de
inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien,
draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van
de uitspraak en de mededeling als bedoeld in het tweede,
onderscheidenlijk derde lid. De vergoeding van de voor de vertaling
gemaakte kosten geschieden volgens regelen te stellen bij algemene
maatregel van bestuur.
5.De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling
mededelen aan de klager en het hoofd van de inrichting. Deze worden
daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de
beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet
worden gedaan, alsmede op de mogelijkheid tot schorsing van de
tenuitvoerlegging van de uitspraak als bedoeld in artikel 67, vierde
lid. Als dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze
mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt de uitspraak
op het klaagschrift aangetekend.
6.Indien het vijfde lid toepassing heeft gevonden en beroep wordt
ingesteld als voorzien in artikel 67, eerste lid, vindt uitwerking van
de uitspraak van de beklagcommissie plaats op de wijze als bedoeld in
het tweede lid. De secretaris van de beklagcommissie zendt een afschrift
van deze uitspraak toe aan het hoofd van de inrichting, de klager en de
beroepscommissie.
7.De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een
afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van
deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze
Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de
identiteit van de verpleegde kan worden afgeleid. Met betrekking tot de
kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de
Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Artikel 66
1.De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beklag;
b. ongegrondverklaring van het beklag;
c. gegrondverklaring van het beklag.
2.Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover is
geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift
of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend
verdrag dan wel
b. bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of
onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het beklag gegrond en
vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk.
3.Bij toepassing van het bepaalde in het tweede lid kan de
beklagcommissie:
a. het hoofd van de inrichting opdragen een nieuwe beslissing te nemen
met inachtneming van haar uitspraak;
b. bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde
beslissing;
c. volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging.
4.Bij toepassing van het bepaalde in het derde lid, onder a, kan de
beklagcommissie in haar uitspraak een termijn stellen.
5.De beklagcommissie kan bepalen dat de uitspraak geheel of gedeeltelijk
buiten werking blijft totdat deze onherroepelijk is geworden.
6.Indien het bepaalde in het tweede lid toepassing vindt, worden de
rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door
het hoofd van de inrichting ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming
gebracht met de uitspraak van de beklagcommissie.
7.Voor zover de in het zesde lid bedoelde gevolgen niet meer ongedaan te
maken zijn, bepaalt de beklagcommissie, na het hoofd van de inrichting
te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij
stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.
HOOFDSTUK XV. BEROEP TEGEN DE UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE
Artikel 67
1.Tegen de uitspraak van de beklagcommissie, kunnen het hoofd van de
inrichting en de klager beroep instellen bij de beroepscommissie door
het indienen van een beroepschrift. Het met redenen omklede
beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst
van het afschrift van de uitspraak onderscheidenlijk na die van de
mondelinge mededeling van de uitspraak bij de secretaris van de
beroepscommissie worden ingediend.
2.Het beroepschrift wordt behandeld door een door de Raad benoemde
commissie van tenminste drie leden, die wordt bijgestaan door een
secretaris.
3.Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen
56, vijfde lid, 58, tweede, vierde en vijfde lid, tweede en derde
volzin, 59, vijfde lid, 60, eerste lid, 61 en 62, eerste, tweede, derde
en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
beroepscommissie kan bepalen dat:
a. het hoofd van de inrichting en de klager uitsluitend in de
gelegenheid worden gesteld omtrent het beroepschrift schriftelijk
opmerkingen te maken;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
beroepscommissie worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, het hoofd van de inrichting en de klager uitsluitend in de
gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij
aan die persoon gesteld wensen te zien.
4.De indiening van het beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de
uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze de
vaststelling van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 66, zevende
lid, inhoudt. Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de
voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die beroep
heeft ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de
tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie schorsen. Hij
doet hiervan onverwijld mededeling aan het hoofd van de inrichting en de
klager.
Artikel 68
1.De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
2.De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
b. bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met
overneming, hetzij met verbetering van de gronden;
c. vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.
3.Indien het bepaalde in het tweede lid, onder c, toepassing vindt, doet
de beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.
4.Ten aanzien van de uitspraak van de beroepscommissie zijn de artikelen
65, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde volzin, vierde en
zevende lid, en 66, met uitzondering van het vijfde lid, van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK XVI. BEROEP TEGEN BESLISSINGEN WAARTEGEN GEEN BEKLAG OPENSTAAT
Artikel 69
1.Een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde kan beroep
instellen tegen:
a. de plaatsing of overplaatsing overeenkomstig het bepaalde in de
artikelen 11, 13 en 14;
b. de verlenging van de termijnen, bedoeld in artikel 12, tweede lid,
onderscheidenlijk 13, tweede lid;
c. de intrekking van de machtiging door Onze Minister als bedoeld in de
artikelen 50 en 51;
d. de beslissing van het hoofd van de particuliere inrichting, niet
zijnde een justitiële particuliere inrichting, inzake intrekking van
verlof als bedoeld in artikel 50, derde lid, indien het verlof op het
moment dat het wordt ingetrokken een aaneengesloten periode van meer dan
een week heeft geduurd;
e. de beslissing van het hoofd van de particuliere inrichting, niet
zijnde een justitiële particuliere inrichting, inzake de intrekking van
het proefverlof als bedoeld in artikel 51, derde lid;
f. enige andere door Onze Minister genomen beslissing die een beperking
inhoudt van een recht, dat hem op grond van een bij of krachtens deze
wet gegeven voorschrift dan wel enig ander wettelijk voorschrift of
enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend
verdrag toekomt.
2.Het beroepschrift wordt behandeld door een door de Raad benoemde
commissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.
3.Artikel 56, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Met betrekking tot de behandeling van het beroepschrift zijn de
artikelen 56, vijfde lid, 58, tweede lid, derde lid, met uitzondering
van de tweede volzin, vierde en vijfde lid, 59, vijfde lid, 60, eerste
lid, 61, 62, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 64 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de commissie kan
bepalen dat:
a. omtrent het beroepschrift uitsluitend schriftelijk opmerkingen kunnen
worden gemaakt;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie
worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld
schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld
wensen te zien.
5.De commissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. Met betrekking tot de
uitspraak zijn de artikelen 65, tweede en vierde lid, en zevende lid,
met uitzondering van de eerste volzin, en 66, met uitzondering van het
vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK XVII. MEDEZEGGENSCHAP EN VERTEGENWOORDIGING
Artikel 70
1.Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat uit en door de verpleegden
een verpleegdenraad kan worden gekozen.
2.De verpleegdenraad heeft tot taak met het hoofd van de inrichting in
overleg te treden over alle algemene onderwerpen betreffende het leef-
en woonklimaat van de inrichting. Zowel de raad als het hoofd van de
inrichting kunnen deze onderwerpen in dat overleg aan de orde stellen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de verpleegdenraad.
Artikel 71
1.De in de hoofdstukken XII tot en met XVI aan de ter beschikking
gestelde of de verpleegde toekomende rechten kunnen, behoudens ingeval
de beklag- of beroepscommissie of commissie als bedoeld in artikel 69,
tweede lid, van oordeel is dat zwaarwegende belangen van betrokkene zich
daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:
a. de curator, indien betrokkene onder curatele is gesteld;
b. de mentor, indien ten behoeve van betrokkene een mentorschap is
ingesteld;
c. de ouders of voogd, indien betrokkene minderjarig is.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen op deze
rechten opmerkzaam worden gemaakt.
HOOFDSTUK XVIII. BIJZONDERE BEPALING TEN AANZIEN VAN MET HUN INSTEMMING
OPGENOMEN VERPLEEGDEN
Artikel 72
1.Het hoofd van de inrichting kan het verblijf van een verpleegde als
bedoeld in artikel 4 onder d, e of g, beëindigen, indien zich één van
de volgende omstandigheden voordoet:
a. de stoornis van de geestvermogens van de verpleegde is zodanig
verminderd dat het, mede gelet op de veiligheid van anderen dan de
verpleegde of de algemene veiligheid van personen of goederen,
verantwoord is hem in de maatschappij te doen terugkeren;
b. de voortzetting van het verblijf in de inrichting van de verpleegde
levert gevaar op voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de
inrichting of de behandeling van andere verpleegden;
c. het belang van de verpleegde brengt mee dat zijn behandeling elders
wordt voortgezet;
d. de behandeling van de verpleegde geeft onvoldoende resultaten te
zien.
2.Het hoofd van de inrichting beëindigt het verblijf van een verpleegde
als bedoeld in het eerste lid onverwijld indien deze daarom verzoekt.
HOOFDSTUK XVIIIA. SUBSIDIËRING VAN JUSTITIËLE PARTICULIERE
INRICHTINGEN
Artikel 73
1.Onze Minister verstrekt aan de rechtspersoon die een justitiële
particuliere inrichting beheert een subsidie voor de kosten van de
exploitatie van de inrichting.
2.De subsidie wordt per boekjaar verstrekt.
3.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
4.Onze Minister kan voorschotten op de in het eerste lid bedoelde
subsidie verlenen.
Artikel 74
1.Omtrent de verstrekking van de subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste
lid, sluit Onze Minister namens de Staat een overeenkomst met de
rechtspersoon die de justitiële particuliere inrichting beheert.
2.Met betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, kan
hetgeen ingevolge titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht bij
wettelijk voorschrift kan worden bepaald, in afwijking van die titel
worden bepaald bij de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 75
De overeenkomst regelt in ieder geval:
a. welke gegevens Onze Minister met het oog op het opstellen van de
begroting van de inrichting verstrekt aan de rechtspersoon die de
inrichting beheert, alsmede op welk tijdstip deze gegevens uiterlijk
worden verstrekt;
b. welke termijn bij de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening
in acht wordt genomen;
c. de bij de aanvraag tot subsidieverlening, onderscheidenlijk de
aanvraag tot subsidievaststelling over te leggen gegevens of bescheiden;
d. op welke wijze het bedrag van de subsidie wordt bepaald;
e. op welke wijze het bedrag van de voorschotten wordt bepaald en op
welke tijdstippen deze worden betaald;
f. aan welke eisen de begroting, het financiële verslag en het
activiteitenverslag moeten voldoen;
g. voor welke handelingen de rechtspersoon die de inrichting beheert de
toestemming van Onze Minister behoeft;
h. in welke gevallen de rechtspersoon die de inrichting beheert een
vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de
Algemene wet bestuursrecht verschuldigd is, alsmede op welke wijze deze
vergoeding wordt berekend;
i. het vormen van een egalisatiereserve door de rechtspersoon die de
inrichting beheert, en
j. het door de rechtspersoon die de inrichting beheert verstrekken van
gegevens ten behoeve van het door Onze Minister ten aanzien van de
strafrechtstoepassing te voeren beleid.
Artikel 76
1.Onze Minister kan de overeenkomst opzeggen met ingang van het tijdstip
waarop de aanwijzing als justitiële particuliere inrichting eindigt.
2.De overeenkomst kan voorts worden opgezegd met inachtneming van de in
de overeenkomst bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van zulk een
termijn, met inachtneming van een redelijke termijn.
Artikel 77
1.Naast een subsidie in de exploitatiekosten kan Onze Minister aan de
rechtspersoon die een particuliere justitiële inrichting beheert
subsidie verstrekken voor:
a. bouwprojecten;
b. bijzondere projecten.
2.Onze Minister kan voorschotten op de in het eerste lid bedoelde
subsidies verlenen.
HOOFDSTUK XIX. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 78
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 79
[Wijzigt de Beginselenwet gevangeniswezen]
Artikel 80
[Wijzigt de Wet ziekenhuisvoorzieningen]
Artikel 81
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet]
Artikel 82
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 83 [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 84
De regels vastgesteld krachtens artikel 37c van het Wetboek van
Strafrecht, zoals dit artikel gold vóór de inwerkingtreding van deze
wet, worden geacht te zijn vastgesteld krachtens de toepasselijke
bepalingen van deze wet.
Artikel 85
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze
wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 86
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden
vastgesteld waarop de artikelen 12 en 74, onderdeel K, in werking
treden.
Artikel 87
Deze wet kan worden aangehaald als: Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 juni 1997
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de achtste juli 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|