WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel II
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel III
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel IV
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel V
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel VI
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel VII
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel VIII
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel IX
[Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen.]
Artikel X
[Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen.]
Artikel XI
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.]
Artikel XII
[Wijzigt de Wet op de accijns.]
Artikel XIII
Artikel 84a van de Wet op de accijns vindt geen toepassing op de in
artikel XII bedoelde verhoging van de accijns.
Artikel XIV
1. De accijns voor sigaretten wordt met ingang van 1 februari
2004 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde
prijsklasse sigaretten € 18,40 per 1000 stuks hoger zal liggen dan
het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 januari 2004. Indien met
ingang van 1 februari 2004 het aldus berekende accijnsbedrag lager is
dan het bedrag dat overeenkomt met 57 percent van de kleinhandelsprijs
van de meest gevraagde prijsklasse sigaretten, berekend per 1000
stuks, geldt het laatstbedoelde bedrag.
2. De accijns van rooktabak wordt met ingang van 1 februari 2004
zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde
prijsklasse rooktabak € 9,20 per kilogram hoger zal liggen dan het
accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 januari 2004.
3. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 februari
2004 de tarieven van de accijns, bedoeld in artikel 35, eerste lid,
onderdelen b en c, van de Wet op de accijns aangepast. De aanpassing
geschiedt zodanig dat voor sigaretten en rooktabak van de meest
gevraagde prijsklasse het specifieke gedeelte van de accijns 50%
bedraagt van de som van de totale accijns en de omzetbelasting. Daarbij
dient het bedrag van de totale accijns gelijk te blijven aan het bedrag
van de totale accijns dat na de verhoging van de accijns verschuldigd
zou zijn zonder de aanpassing. Bij de aanpassing vindt afronding plaats
van het procentuele gedeelte van de accijns op honderdsten van een
percent.
Artikel XV
[Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.]
Artikel XVI
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]
Artikel XVII
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]
Artikel XVIII
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]
Artikel XIX
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]
Artikel XX
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.]
Artikel XXI
[Wijzigt de Invorderingswet 1990.]
Artikel XXII
[Wijzigt de Wet werk en bijstand.]
Artikel XXIII
1. Indien het ingevolge de Zesde Richtlijn van de Raad van 17
mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten
inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over
de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (nr. 77/388/EEG, PbEG nr. L
145 van 13 juni 1977), met ingang van 1 januari 2004 niet langer
mogelijk is het BTW-tarief, bedoeld in Artikel 9, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968, toe te passen voor
een of meer van de diensten genoemd in de bij genoemde wet behorende
tabel I, onderdeel b, onder 4 tot en met 8, brengt Onze Minister van
Financiën bij ministeriële regeling een wijziging aan in genoemde
tabel, zodanig dat in die tabel de diensten waar het om gaat met
ingang van 1 januari 2004 vervallen.
2. Indien het in de eerste drie kalendermaanden van 2004
ingevolge de in het eerste lid genoemde Richtlijn 77/388/EEG opnieuw
mogelijk wordt een of meer van de in genoemde tabel I, onderdeel b,
onder 4 tot en met 8, zoals die luidt op 31 december 2003, genoemde
diensten te laten vallen onder de toepassing van het in het eerste lid
bedoelde tarief, brengt Onze Minister van Financiën bij ministeriële
regeling een wijziging aan in genoemde tabel I, zodanig dat de diensten
waar het om gaat opnieuw in die tabel worden opgenomen.
Artikel XXIV
Artikel III, onderdeel B, van de Wet van 12 december 1991 tot
wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en
spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en
directiepensioenlichamen (Stb. 697) vervalt.
Artikel XXV
[Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel XXVI
A. Overgangsrecht inkomstenbelasting
Artikel 3.51, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals
dat artikel luidde op 31 december 2003, blijft van toepassing met
betrekking tot de scholingsbijtelling ingevolge artikel 3.50 van die wet
zoals dat artikel luidde op 31 december 2003.
B. Overgangsrecht ter zake van vorming eigenwoningreserve
1. Voor de toepassing van artikel 3 119a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt, indien ten aanzien van de
belastingplichtige op 31 december 2003 twee woningen als eigen woning
werden aangemerkt, ter zake van de eerste vervreemding geen
eigenwoningreserve gevormd.
2. Indien de verwerving door de belastingplichtige van een
eigen woning het gevolg is van een op 31 december 2003 reeds bestaande
schriftelijke koopovereenkomst, wordt ter zake van de vervreemding van
een woning die op 31 december 2003 ten aanzien van hem als een eigen
woning werd aangemerkt geen eigenwoningreserve gevormd.
3. Indien de vervreemding door de belastingplichtige van een
eigen woning het gevolg is van een op 31 december 2003 reeds bestaande
schriftelijke verkoopovereenkomst, wordt ter zake van die vervreemding
geen eigenwoningreserve gevormd.
C. Vervallen
Artikel XXVII
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet belastingen op milieugrondslag en Wet
op de accijns (implementatie richtlijn Energiebelastingen).]
Artikel XXVIII
Vervallen.
Artikel XXIX
[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.]
Artikel XXX
Ingeval de samenloop van wetten die in 2003 in het Staatsblad zijn of
worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in één of meer
belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of als gevolg van die
samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelonderdelen,
verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, herstelt Onze
Minister van Financiën dat bij ministeriële regeling.
Artikel XXXA
Ingeval een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 bedoelde algemene maatregel van bestuur in
2004 in werking treedt heeft deze terugwerkende kracht tot en met
1 januari van dat jaar.
Artikel XXXI
1. Onder toepassing van Artikel 16 van de Tijdelijke
Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari
2004, met dien verstande dat:
a. Artikel I, onderdelen D, L, U, V, W, Y, Z en CC, en artikel V,
onderdelen Y, Z, AA en BB, toepassing vinden nadat artikel 10.1 Wet
inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2004 is
toegepast;
b. Artikel XI, onderdelen A, derde lid, en Bc en artikel XXIV voor
het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen
op of na 1 januari 2004;
c. Artikel XI, onderdelen Bi, Bj, Ca en Cb, met betrekking tot de
achterwaartse verrekening van verliezen voor het eerst toepassing
vindt op het verlies van het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari
2004;
d. Artikel XI, onderdelen Bi, Bj, Ca en Cb, met betrekking tot de
voorwaartse verrekening van verliezen voor het eerst toepassing vindt
op de verrekening met de belastbare winst, onderscheidenlijk het
Nederlandse inkomen, van het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari
2004;
e. Artikel I, onderdeel Rb en Rc, terugwerkt tot en met 1 januari
2003.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid treedt artikel XV,
onderdeel C, in werking op 1 januari 2005.
3. In afwijking in zoverre van het eerste lid treedt artikel XVI,
onderdeel A, in werking op 1 juli 2004.
Artikel XXXII
Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2004.