| |
|
|
|
|
vorige
BELEMMERINGENWET
PRIVAATRECHT (Belwp)
Tekst zoals deze geldt op
18 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit erkenning van openbaar belang van werken ingevolge de
Deltawet
(vervallen)
WET van 13 mei 1927 tot opheffing van
privaatrechtelijke belemmeringen
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat er noodzakelijkheid
bestaat, de mogelijkheid te openen, op meer eenvoudige wijze dan thans
kan geschieden, de belemmeringen op te heffen, welke door hen, die ten
aanzien van onroerende goederen eenig recht kunnen doen gelden, aan de
totstandkoming en de instandhouding van werken, in het openbaar belang
bevolen of ondernomen, in den weg worden gelegd;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Wanneer ten behoeve van openbare werken:
die door het Rijk, door eene provincie of ingevolge het reglement
voor de instelling door een waterschap, veenschap of veenpolder worden
of zijn ondernomen,
die door Ons, Onze Minister die het aangaat of door provinciale
staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten krachtens de wet zijn
bevolen, die door een waterschap, veenschap of veenpolder anders dan
ingevolge het reglement voor de instelling of door eene gemeente worden
of zijn ondernomen of zijn bevolen terwijl het openbaar belang door Ons
of van Onzentwege is erkend,
die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden
of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van
Onzentwege is erkend, of
van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend,
een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet
worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder, die eenig recht heeft
ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden
verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand
gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de
belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen
en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan
redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig
is.
Artikel 2
1. Is met de rechthebbenden ten aanzien van enige onroerende zaak
geen overeenstemming verkregen, dan worden ten verzoeke van dengene,
wien het werk aangaat, door den burgemeester der gemeente, waarbinnen
die zaak is gelegen, gedurende veertien dagen ten gemeentehuize ter
inzage gelegd:
1°. eene beschrijving van het gedeelte van het werk, waarvoor
het gebruik van die zaak verlangd wordt;
2°. eene duidelijke grondteekening van dat gedeelte van het
werk.
2. Van die nederlegging wordt door den burgemeester hetzij in een
in zijne gemeente verspreid wordend nieuwsblad, of, bij het ontbreken
daarvan, door aanplakking in het openbaar, vooraf mededeeling gedaan.
Gelijktijdig daarmede wordt door den burgemeester schriftelijk kennis
gegeven aan de rechthebbenden, die in de basisregistratie kadaster als
zodanig staan vermeld, zoomede aan de overige rechthebbenden, voor
zooveel deze of hun vertegenwoordigers aan den burgemeester bekend
zijn en woonplaats binnen het Rijk hebben.
3. De in het vorige lid bedoelde mededeelingen en kennisgevingen
vermelden tevens plaats, dag en uur van de in het volgende lid
bedoelde zitting.
4. Na het einde van den in het eerste lid genoemden termijn wordt
eene zitting gehouden, waar bezwaren kunnen worden ingediend en
overleg kan worden gepleegd met den verzoeker. Deze zitting heeft
plaats ter secretarie van de gemeente, binnen welke de onroerende zaak
is gelegen, ten ware door Gedeputeerde Staten eene andere plaats of
gemeente is aangewezen. De zitting wordt geleid door een lid van
Gedeputeerde Staten, door dat College aangewezen, en bijgewoond door
een lid van het dagelijksch bestuur der gemeente, binnen welke de
onroerende zaak is gelegen, door dat bestuur aangewezen. Van het ter
zitting voorgevallene wordt ten overstaan van het lid van Gedeputeerde
Staten een proces-verbaal opgemaakt, dat binnen zes weken na die
zitting aan den verzoeker en de gehoorde personen ter
mede-onderteekening wordt aangeboden.
5. Is geen overeenstemming verkregen, dan kan eene verplichting,
als bij artikel 1 bedoeld, bij met redenen omkleede beslissing van
Onzen Minister van Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen
aan den verzoeker, worden opgelegd.
6. Op het verzoek tot het opleggen van een verplichting als bedoeld
in artikel 1 wordt beslist binnen zes maanden na ontvangst daarvan.
7. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat beslist niet dan nadat
gedeputeerde staten van de provincie, waarin de zaak is gelegen, zijn
gehoord. Gedeputeerde staten maken hun standpunt kenbaar binnen zes
weken na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister.
Artikel 3
1. Ten verzoeke van dengene, wien het werk aangaat, kunnen
rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken, waarvan krachtens
overeenstemming of krachtens beslissing, als in het voorgaande artikel
bedoeld, wordt gebruik gemaakt, behoudens recht op schadevergoeding,
worden verplicht te gedoogen, dat in het werk verandering wordt
gebracht en dat het aldus veranderde werk in stand wordt gehouden, of
ook, dat het werk naar een andere plaats van de onroerende zaak wordt
overgebracht en op die plaats in stand wordt gehouden, indien naar het
oordeel van Onzen Minister van Waterstaat hunne belangen
redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de
onroerende zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan
redelijkerwijs voor de verandering of de overbrenging en voor de
instandhouding van het werk noodig is.
2. Is met de rechthebbenden omtrent de verandering of de
verplaatsing geen overeenstemming verkregen, dan kan, nadat zij in de
gelegenheid zijn gesteld, hunne bezwaren te doen kennen, eene
verplichting, als bedoeld bij het eerste lid van dit artikel, bij met
redenen omkleede beslissing van Onzen Minister van Waterstaat, zoo
noodig onder voorwaarden te stellen aan den verzoeker, worden
opgelegd.
3. Op het verzoek tot het opleggen van een verplichting als bedoeld
in het eerste en tweede lid, zijn artikel 2, zesde en zevende lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1.Afschrift van eene beslissing, als bedoeld in het vijfde lid van
artikel 2 of het tweede lid van artikel 3, wordt toegezonden aan den
burgemeester der gemeente, binnen welke de onroerende zaak, waarop de
beslissing betrekking heeft, is gelegen. Dit afschrift wordt door den
burgemeester onverwijld ten gemeentehuize ter inzage gelegd en daarvan
wordt mededeeling en kennisgeving gedaan op de wijze, als bepaald in
het tweede lid van artikel 2. Binnen een maand, nadat het afschrift
ter inzage is gelegd, kan ieder die eenig recht heeft ten aanzien van
de onroerende zaak, aan het Gerechtshof, binnen het gebied waarvan die
zaak gelegen is, vernietiging van de beslissing verzoeken op grond,
dat daarbij ten onrechte is geoordeeld hetzij dat de belangen van de
rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijze onteigening
niet vorderen hetzij dat in het gebruik van die zaak niet meer
belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor den aanleg, de
instandhouding, de verandering of de overbrenging van het werk noodig
is.
2.Het met redenen omkleede verzoekschrift wordt ingediend door een
advocaat. Het wordt, binnen eene week na ontvangst, door den griffier
van het Hof gezonden aan Onzen Minister van Waterstaat, die aan het
Hof een vertoogschrift kan overleggen, onder terugzending van het
verzoekschrift en bijvoeging van een afschrift van het vertoogschrift.
Het afschrift wordt door den griffier onverwijld aan den advocaat
gezonden.
3.Indien hetzij in het verzoekschrift, hetzij in het
vertoogschrift, hetzij binnen een week na verzending van het afschrift
van het laatste, is verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten of
te doen toelichten, of wel het Hof mondelinge toelichting noodig acht,
worden degeen, namens wien het verzoekschrift is ingediend en Onze
Minister van Waterstaat of de door dezen laatste in het vertoogschrift
aangewezen persoon tot dat einde door den griffier opgeroepen.
4.Het Hof kan, alvorens op het verzoek te beschikken, zich door een
of meer deskundigen doen voorlichten; het kan mede eene plaatsopneming
doen geschieden door een of meer zijner leden, vergezeld van den
griffier. De vergoeding voor reis- en verblijfkosten der deskundigen
en hunne vacatiën worden door den Voorzitter vastgesteld op den voet
van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.
Deze kosten, alsmede die welke de gerechtelijke plaatsopneming
medebrengt, worden door den griffier bij voorschot voldaan. De
griffier verhaalt de kosten, bij vernietiging van de beslissing van
Onzen Minister van Waterstaat, op dengene, wien het werk aangaat, en,
bij bevestiging van de beslissing, op dengene, namens wien het
verzoekschrift tot vernietiging is ingediend. De invordering
geschiedt, zo nodig, op de wijze als bij de Wet tarieven in
burgerlijke zaken ten aanzien van de invordering van griffierechten is
bepaald.
5.De beschikking van het Hof wordt met redenen omkleed en in het
openbaar uitgesproken. Daartegen staat geenerlei voorziening open.
6.Zoolang de in het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn
niet is verstreken of op het verzoekschrift nog niet is beslist, mag,
behalve in de gevallen, dat naar het oordeel van Onzen Minister van
Waterstaat met de uitvoering niet kan worden gewacht, aan de
beslissing van dien Minister geenerlei gevolg worden gegeven.
7.Indien in de in het vorig lid bedoelde gevallen aan de beslissing
van Onzen Minister van Waterstaat gevolg is gegeven voordat de in het
eerste lid bedoelde termijn is verstreken of op het verzoekschrift is
beslist, dan zal in het geval de beslissing van genoemden Minister
door het Hof wordt vernietigd, voor zooveel van de betrokken
onroerende zaak gebruik is gemaakt, alles zooveel mogelijk in den
vorigen staat worden teruggebracht, onverminderd het recht op
schadevergoeding van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak.
Artikel 5
1. Onze Minister van Waterstaat kan op verzoek van rechthebbenden
ten aanzien van onroerende zaken, waarvan krachtens overeenstemming of
krachtens beslissing, als in de voorgaande artikelen bedoeld, is of
wordt gebruik gemaakt, de verplaatsing van het werk onder aan den
verzoeker te stellen voorwaarden bevelen.
2. Bepaald kan onder meer worden, dat tot verplaatsing niet zal
behoeven te worden overgegaan, dan nadat de daaruit voortvloeiende
schade door dengene, op wiens verzoek de verplaatsing zoude
geschieden, geheel of gedeeltelijk zal zijn vergoed of voor die
vergoeding zekerheid zal zijn gesteld. Indien de verplaatsing der
werken zoude geschieden ten behoeve van de oprichting van gebouwen of
de uitvoering van andere werken, kan ook worden bepaald, dat zekerheid
zal moeten worden gegeven voor vergoeding van de schade, uit de
verplaatsing voortvloeiende, voor het geval de gebouwen niet, of niet
binnen den bij het bevel gestelden termijn, worden opgericht, of de
werken niet, of niet binnen dien termijn, worden uitgevoerd.
3. De in het eerste lid bedoelde rechthebbenden zijn in hun verzoek
niet-ontvankelijk:
a. indien met hen omtrent het gebruik hunner onroerende zaken
eene regeling werd getroffen en zij zich het recht om eenzijdig
die regeling te doen eindigen of te wijzigen, niet uitdrukkelijk
of stilzwijgend hebben voorbehouden;
b. indien het werk aanwezig is krachtens een beperkt recht
waaraan de betrokken onroerende zaak onderworpen is of krachtens
een beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek, dat is ingeschreven in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van dat wetboek.
4. Op het verzoek om een bevel als bedoeld in het eerste lid wordt
beslist binnen zes maanden na ontvangst daarvan.
Artikel 6
De beslissingen bedoeld in het vijfde lid van artikel 2 en het tweede
lid van artikel 3, zijn, met inachtneming van de ingevolge artikel 5,
eerste lid, genomen beslissingen, mede van kracht voor de volgende
rechthebbenden ten aanzien van de betrokken onroerende zaken.
Artikel 7
De kosten, voor de gemeente uit het bij het tweede lid van artikel 2
en het eerste lid van artikel 4 bepaalde voortvloeiende, worden aan deze
door den verzoeker vergoed.
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 9
1.De rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken, waarvan
krachtens overeenstemming of krachtens beslissing, als in de
voorgaande artikelen bedoeld, is gebruik gemaakt, zijn, behoudens
recht op schadevergoeding, verplicht te gedoogen, dat het werk wordt
opgeruimd, tenzij daaromtrent anders is overeengekomen of beslist.
2.Bij die opruiming zullen de onroerende zaken zooveel mogelijk in
den vorigen staat worden teruggebracht, voorzoover niet met de
rechthebbenden anders is overeengekomen.
Artikel 10
1.Voor zoover met betrekking tot boomen en beplantingen ingevolge
eene beslissing als bedoeld bij art. 2, vijfde lid, niet reeds eene
verplichting tot gedoogen daarvan bestaat kunnen rechthebbenden ten
aanzien van zoodanige boomen en beplantingen behoudens recht op
schadevergoeding worden verplicht, deze te rooien of op te snoeien of
de takken of wortels in te korten, indien en voorzoover die boomen en
beplantingen hinderlijk zijn of worden voor den aanleg of het gebruik
van het werk.
2.Is met de in het vorig lid bedoelde rechthebbenden omtrent deze
werkzaamheden geen overeenstemming verkregen, dan kan, nadat zij in de
gelegenheid zijn gesteld, hunne bezwaren te doen kennen, de
verplichting bij beslissing van of vanwege Onzen Minister van
Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen aan dengene, wien
het werk aangaat, worden opgelegd.
3.Heeft de rechthebbende niet binnen den bij schriftelijke
kennisgeving te stellen termijn aan de hem opgelegde verplichting
voldaan, dan kunnen de werkzaamheden door dengene, wien het werk
aangaat, worden verricht.
4.In spoedeischende gevallen kan, in afwijking van het bepaalde in
de voorgaande drie leden van dit artikel, en behoudens het recht van
de rechthebbenden op schadevergoeding, degene, wien het werk aangaat,
onmiddellijk tot het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden
overgaan. Aan de rechthebbenden wordt hiervan zoo spoedig mogelijk
kennis gegeven.
Artikel 11
Wanneer tot het maken van het plan van eenig werk als in de
voorgaande artikelen bedoeld, gravingen, opmetingen of het stellen van
teekenen in of op iemands onroerende zaak noodig geacht worden, moeten
de rechthebbenden ten aanzien van die zaak dit, behoudens recht op
schadevergoeding, gedoogen, mits hun dit twee maal vier en twintig uren
te voren door den burgemeester schriftelijk zij aangezegd.
Artikel 12
Ten behoeve van de in de voorgaande artikelen bedoelde werken en
werkzaamheden hebben de daarmede belaste personen, behoudens de
verplichting tot schadevergoeding, toegang tot de percelen, met inbegrip
van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Artikel 13
De in de voorgaande artikelen bedoelde werken en werkzaamheden moeten
in dier voege worden uitgevoerd, dat in het gebruik van de onroerende
zaken niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijs noodig is.
Artikel 14
1.Alle rechtsvorderingen, tot vergoeding van schade, bedoeld in de
artikelen 1, 3, 4, 5 en 9 tot en met 12, staan ter kennisneming van de
rechtbank van het arrondissement, waarin de onroerende zaken, ten
aanzien waarvan bij of krachtens deze wet aan rechthebbenden eene
verplichting is opgelegd, geheel of gedeeltelijk zijn gelegen. De
rechtsvorderingen worden behandeld en beslist door de kantonrechter
van de rechtbank.
2.De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op
de twistgedingen, in dit artikel bedoeld, van toepassing, voorzoover
daarvan bij het vorige lid niet is afgeweken.
3.Ook vóórdat omtrent de schadevergoeding overeenstemming
verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot de uitvoering van de in de
voorgaande artikelen bedoelde werken en werkzaamheden worden
overgegaan.
Artikel 15
1.Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie wordt gestraft hij, die den aanleg of de verandering
of de verplaatsing van werken, strekkende ten behoeve van openbare
werken als in artikel 1 bedoeld, belet of poogt te beletten, een en
ander voor zooveel die aanleg, verandering of verplaatsing geschiedt
krachtens overeenstemming of steunt op eene krachtens de artikelen 2,
3, 4 of 5 genomen beslissing, alsmede hij, die verhindert of poogt te
verhinderen, dat van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 10,
derde en vierde lid, 11 en 12, wordt gebruik gemaakt.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij, die de instandhouding van
werken, strekkende ten behoeve van openbare werken als in artikel 1
bedoeld, wederrechtelijk belet of poogt te beletten, alsmede hij, die
deze werken wederrechtelijk verwijdert of poogt te verwijderen.
3.De feiten, in dit artikel strafbaar gesteld, worden beschouwd als
overtredingen.
Artikel 16
1.Alle bevoegdheid, die de Provinciale Staten, de gemeenteraden en
de besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders vóór de
totstandkoming van deze wet omtrent het in deze wet behandelde
onderwerp konden ontleenen aan de uitoefening van hun wettelijk
verordeningsrecht, blijft onverlet.
2.De inwerkingtreding dezer wet heeft niet tot gevolg, dat de
bepalingen, door de Provinciale Staten, de gemeenteraden en de
besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders omtrent het in
deze wet behandelde onderwerp krachtens hun in het vorige lid bedoeld
verordeningsrecht vastgesteld, van rechtswege ophouden te gelden.
Artikel 17
Bepalingen, in bijzondere wetten omtrent het in deze wet behandelde
onderwerp voorkomende, blijven van kracht.
Artikel 18
1.De wet van 26 April 1918 (Staatsblad n°. 276) is
vervallen.
2.Is de aanleg, de verplaatsing, de verandering of de
instandhouding van electriciteitswerken geschied krachtens
overeenstemming of krachtens beslissing, als in artikel 2, artikel 3
of artikel 5 van de in het eerste lid van dit artikel genoemde wet
bedoeld, of met toepassing, als in artikel 10 dier wet bedoeld, eener
provinciale verordening, dan wordt overeenstemming of beslissing
geacht verkregen te zijn overeenkomstig artikel 2, artikel 3 of
artikel 5 dezer wet.
Artikel 19
Deze wet kan worden aangehaald onder den naam "Belemmeringenwet
Privaatrecht".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 13den Mei 1927
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat,
H. v. d. Vegte
De Minister van Justitie,
J. Donner
Uitgegeven den vijf en twintigsten Mei 1927
De Minister van Justitie,
J. Donner
|
|
|