WET van 12 juli 1962, houdende
vaststelling van nieuwe regelen met betrekking tot de handel in en het
gebruik van bestrijdingsmiddelen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen vast te stellen met betrekking tot de handel in en het gebruik
van bestrijdingsmiddelen, zowel uit een oogpunt van deugdelijkheid voor
het doel, waarvoor zij bestemd zijn, als uit een oogpunt van veiligheid
en gezondheid van de mens en van dieren, welker instandhouding gewenst
is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. planten: levende planten en levende delen van planten met
inbegrip van vers fruit en zaden;
b. plantaardige produkten: van planten afkomstige produkten die
geen of slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, zoals
malen, drogen of persen, voor zover het geen planten zijn;
c. organismen: organismen van het dieren- of plantenrijk en
virussen, bacteriën, mycoplasma's of andere pathogenen die schade
kunnen veroorzaken of waarvan uit anderen hoofde bestrijding of
afwering wenselijk is;
d. stof: chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals
deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met
inbegrip van verontreinigingen die onvermijdelijk bij het
fabricageproces ontstaan;
e. werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een
virus of fungus met een algemene of algemeen verkrijgbare werking als
bedoeld in de onderdelen g of h, op of tegen schadelijke
organismen;
f. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel of biocide;
g. gewasbeschermingsmiddel: werkzame stof of een preparaat dat
één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd om te worden gebruikt
om:
1°. planten of plantaardige produkten te beschermen tegen
organismen of de werking daarvan te voorkomen;
2°. levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover niet
zijnde meststoffen in de zin van de Meststoffenwet 1947 (Stb.
H. 123) of van de Meststoffenwet (Stb. 1986, 598);
3°. plantaardige produkten te bewaren;
4°. ongewenste planten te doden of
5°. delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van
planten te remmen of te voorkomen;
h. biocide: werkzame stof of preparaat, welke in de vorm waarin die
stof of dat preparaat aan de gebruiker wordt geleverd, een of meer
werkzame stoffen bevat, en bestemd is om een schadelijk organisme te
vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken, de effecten daarvan
te voorkomen af dat organisme op andere wijze langs chemische of
biologische weg te bestrijden, niet zijnde een
gewasbeschermingsmiddel, en welke is opgenomen in de lijst, bedoeld in
het vijfde lid;
i. biocide met gering risico: biocide dat als werkzame stof
uitsluitend een of meer, bij communautaire maatregel aangewezen, geen
aanleiding tot bezorgdheid gevende stoffen bevat;
j. basisstof: bij communautaire maatregel opgenomen stof die
hoofdzakelijk voor andere dan bestrijdingsdoeleinden wordt gebruikt,
doch in ondergeschikte mate als biocide wordt toegepast, hetzij
rechtstreeks, hetzij in een product dat bestaat uit die stof en een
eenvoudig oplosmiddel, dat zelf geen tot bezorgdheid aanleiding
gevende stof is, en die niet rechtstreeks voor gebruik als biocide op
de markt wordt gebracht;
k. tot bezorgdheid aanleiding gevende stof: iedere stof, met
uitzondering van de werkzame stof, die als intrinsieke eigenschap
heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het
milieu en die in een biocide in voldoende concentratie aanwezig is of
ontstaat om een dergelijk effect te veroorzaken;
l. afleveren: verkopen, te koop of in ruil aanbieden, ter
beschikking stellen, schenken alsmede uitdelen;
m. milieu: water, bodem, lucht en wilde soorten van dieren en
planten alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende
organismen;
n. geïntegreerde bestrijding: rationele toepassing van een
combinatie van biologische, biotechnologische, chemische, mechanische
en fysische bestrijding, teelt- of gewasverbeteringsmaatregelen,
waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt
beperkt tot het strikte minimum dat noodzakelijk is om populaties van
organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht
onaanvaardbare schade of verliezen optreden;
o. verpakking: omhulsel waarin een bestrijdingsmiddel aan of ten
behoeve van een gebruiker wordt afgeleverd, of dat daartoe is bestemd;
p. residu: een of meer van de in een bestrijdingsmiddel aanwezige
stoffen, die als gevolg van het gebruik ervan achterblijven, met
inbegrip van de metabolieten van die stof dan wel stoffen en de
producten die bij afbraak of reactie vrijkomen;
q. communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking
als bedoeld in artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91) betrekking hebbende
op onderwerpen geregeld in, dan wel hun grondslag hebbende in:
1. richtlijn nr. 91 /414/EEG van de Raad van 15 juli 1991
betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
(Pb EG L 236);
2. richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16
februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (Pb
EG L123);
o. bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66
van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
"Onze betrokken Minister":
a. voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van
gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige produkten die
slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan: Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in overeenstemming met Onze
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. voor wat betreft biociden alsmede gewasbeschermingsmiddelen
bestemd voor plantaardige produkten voor zover deze een eenvoudige
bewerking hebben ondergaan: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
"Onze Ministers": Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3. Onze betrokken Minister kan bij regeling deze wet ten aanzien
van bepaalde bestrijdingsmiddelen of groepen van bestrijdingsmiddelen
buiten toepassing verklaren.
4. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet
kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
a. andere zelfstandigheden worden gelijkgesteld met de in het
eerste lid bedoelde stoffen of werkzame stoffen;
b. andere bestemmingen worden gelijkgesteld met één of meer in de
maatregel aan te wijzen bestemmingen, genoemd in het eerste lid,
onderdelen g en h.
5. Bij ministeriele regeling wordt een lijst van soorten biociden
vastgesteld met voor elke soort een indicatieve lijst van
beschrijvingen.
6. Onze betrokken Minister doet mededeling in de Staatscourant
van de vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voor
zover daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de
artikelen van deze wet waarop de betreffende communautaire maatregel
betrekking heeft. Een communautaire maatregel of wijziging daarvan
treedt voor de toepassing van deze wet in werking met ingang van de dag
waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze
betrokken Minister hiervoor een ander tijdstip heeft vastgesteld.
§ 1a. College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
Artikel 1a
1. Er is een College voor de toelating van
bestrijdingsmiddelen, voor de toepassing van het bepaalde bij of
krachtens deze wet verder te noemen het college. Het college bezit
rechtspersoonlijkheid.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «Onze
Minister» verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Artikel 1b
1. Het college is belast met:
a. de uitvoering van de bij of krachtens deze wet aan hem
opgedragen taken en
b. andere, bij algemene maatregel van bestuur opgedragen taken, die
verband houden met de onder a bedoelde taken.
2. Het college draagt zorg voor de systematische bewaking van de
kwaliteit van de taakverrichting.
Artikel 1c
1. Het college bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder
begrepen, en ten hoogste vier plaatsvervangende leden, die op
voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd en
ontslagen. De benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid op het
gebied van de taken waarmee het college is belast. Geen benoeming
vindt plaats van aan Onze Ministers ondergeschikte personen.
2. De leden wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter
aan.
3. De leden, de plaatsvervangers en de voorzitter worden voor de
duur van vier jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste twee keer
herbenoembaar.
4. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het college
en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
5. De leden en de plaatsvervangend leden kunnen om zwaarwichtige
redenen door Onze Minister worden geschorst of tussentijds worden
ontslagen. Ontslag kan op eigen verzoek worden verleend.
6. Zolang in een vacature niet is voorzien, vormen de
overblijvende leden het college, met de bevoegdheid van het volledig
college.
7. Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds
opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens
plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.
8. Het college regelt bij reglement zijn werkwijze. Het reglement
behoeft de instemming van Onze Minister.
9. Onze Minister kent de leden van het college een vergoeding toe
voor hun werkzaamheden. Deze vergoeding komt ten laste van het college.
Artikel 1d
1. Het college heeft een secretaris en een secretariaat. Het
secretariaat is belast met de ondersteuning van het college.
2. De secretaris wordt op voordracht van het college benoemd door
Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Hij kan worden
geschorst of ontslagen door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij.
3. De secretaris van het college is tevens directeur van het
secretariaat. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan.
Artikel 1e
1. Het college kan bij het reglement, bedoeld in artikel 1c,
achtste lid, zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte opdragen aan
een of meer leden van het college of aan de secretaris. Het kan
bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op
bepaalde aangelegenheden.
2. Het college kan bij het reglement als bedoeld in artikel 1c,
achtste lid, de uitoefening van daarbij aan te wijzen taken en
bevoegdheden opdragen aan een of meer leden of aan de secretaris.
3. De opgedragen bevoegdheid wordt uit naam en onder
verantwoordelijkheid van het college uitgeoefend. Het college kan te
dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht.
Artikel 1f
1. De directeur en het personeel van het secretariaat zijn
ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet 1929, behoudens degene met
wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.
2. Onverminderd artikel 1d, tweede lid, is de rechtspositie van
de directeur en het personeel van het secretariaat in overeenstemming
met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de
ministeries en die behoren tot de sector Rijk, met dien verstande dat
waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister
dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid ten aanzien
van het personeel van het secretariaat wordt uitgeoefend door de
directeur.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan zo nodig worden
afgeweken van de in het tweede lid bedoelde regels.
Artikel 1g
1. De inkomsten van het college bestaan uit:
a. de opbrengsten van de bedragen, gelden en vergoedingen, bedoeld
in de artikelen 4, 4a, 6 en 15;
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
c. bijdragen van het Rijk;
d. andere baten, hoe ook genoemd.
2. Instemming van Onze Minister behoeft een besluit van het
college strekkende tot:
a. het aangaan van geldleningen die een door Onze Minister vast te
stellen bedrag te boven gaan;
b. het aangaan van lease-overeenkomsten waarvan de door het college
te leveren tegenprestatie een door Onze Minister vast te stellen
omvang te boven gaat;
c. het (mede) oprichten van rechtspersonen.
Artikel 1h
1. Het college stelt jaarlijks een werkplan voor het
eerstvolgende jaar vast. Het werkplan bevat tevens een visie op de
ontwikkelingen voor de eerstvolgende vier jaren met betrekking tot
aard en omvang van de aan het college toebedeelde taken en de daaruit
voortvloeiende gevolgen voor de organisatie. Het werkplan wordt vóór
1 oktober aan Onze Ministers ter kennis gebracht.
2. Het college stelt jaarlijks een begroting vast. De begroting
bevat ten minste een staat van lasten en baten, een balans en een
toelichting op deze stukken.
3. De begroting met daaraan toegevoegd een onderbouwing aan de
hand van kostencomponenten en prestatie-elementen alsmede een financieel
meerjarenplan wordt vóór 1 oktober van het voorafgaande jaar ter
instemming aan Onze Minister voorgelegd. Indien de begroting waarmee
Onze Minister heeft ingestemd niet toereikend is, legt het college
lopende het jaar een wijziging van die begroting ter instemming voor aan
Onze Minister.
4. Het college dient jaarlijks vóór 1 april bij Onze Ministers
een jaarrekening in waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd
over het afgelopen kalenderjaar. De jaarrekening gaat vergezeld van een
verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door
een door het college, in overleg met Onze Minister aangewezen accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dan wel aan een door hem
aangewezen accountant als bedoeld in het vijfde lid op diens verzoek
inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant. De
jaarrekening behoeft de instemming van Onze Minister.
5. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij belast
een tot de departementale accountantsdienst van het Ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij behorende accountant met een
onderzoek naar de controlewerkzaamheden van de accountant, bedoeld in
het vierde lid.
6. Het college stelt de in het vierde lid bedoelde stukken
algemeen verkrijgbaar.
7. Onze Minister kan tevens een onderzoek instellen naar de
doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het
college. Desgevraagd geeft het college ten behoeve van dit onderzoek
inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt het alle inlichtingen
die voor dit onderzoek nodig geoordeeld worden.
8. Onze Minister kan regelen stellen omtrent de inrichting van de
stukken, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, alsmede
omtrent de aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Artikel 1i
1. Op verzoek van Onze Ministers verstrekt het college alle
door Onze Ministers gevraagde gegevens en inlichtingen die zij nodig
achten voor de uitoefening van hun bevoegdheden en de uitvoering van
deze wet.
2. Onze Minister stelt na overleg met het college een
informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat regels met
betrekking tot de informatievoorziening tussen Onze Ministers en het
college.
3. Het college stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op
omtrent zijn werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de
doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in
het afgelopen kalenderjaar. Hij biedt dit verslag aan Onze Ministers aan
en stelt het algemeen verkrijgbaar.
Artikel 1j
Onze betrokken Minister kan het college aanwijzingen van algemene
aard geven met betrekking tot de uitoefening van de aan het college
opgedragen taken.
Artikel 1k
In de Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. de door het college vastgestelde reglementen;
b. de door Onze betrokken Minister gegeven aanwijzingen van
algemene aard, voor zover zij te beschouwen zijn als algemene regels
omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de
uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van de aan het
college toegekende bevoegdheden.
Artikel 1l
1. Indien het college de hem bij deze wet opgedragen taken niet
of niet naar behoren uitvoert, kan Onze betrokken Minister, zo nodig
in afwijking van deze wet, daarin voorzien.
2. Na het tot stand komen van een voorziening, bedoeld in het
eerste lid, draagt Onze betrokken Minister zorg voor vervanging van de
voorziening door een algemene maatregel van bestuur. De voordracht
daartoe wordt Ons zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie
maanden na inwerkingtreding van de voorziening gedaan.
Artikel 1m
1. De artikelen 10.28 tot en met 10.31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de instemming als
bedoeld in de artikelen 1c, achtste lid, 1g, tweede lid, en 1h, derde
en vierde lid.
2. Indien de instemming wordt onthouden aan de begroting, is het
college gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand
gedurende welke de instemming wordt onthouden, uitgaven te doen ter
grootte van ten hoogste een twaalfde deel van de begroting van het
voorafgaande jaar waarmee is ingestemd.
§ 2. De toelating en registratie van bestrijdingsmiddelen
Artikel 2
1. Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren,
voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te
gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is
toegelaten of voor zover het een biocide met een gering risico
betreft, is geregistreerd.
2. Voor de toepassing van het eerste lid gelden als toegelaten of
geregistreerd: bestrijdingsmiddelen, op de verpakking waarvan de naam
van een toegelaten of geregistreerd middel en het nummer van de
toelating of de registratie zijn vermeld.
3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het afleveren of
voorhanden of in voorraad hebben elders dan in winkels, op markten of op
enige andere voor het publiek toegankelijke verkoopplaats van
bestrijdingsmiddelen, welke kennelijk bestemd zijn voor uitvoer of
doorvoer, mits wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gestelde regelen.
4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:
a. het voorhanden of in voorraad hebben door een particuliere
persoon, voor zover het betreft een biocide dat kennelijk bestemd is
om door die persoon in een door hem bewoonde ruimte te worden
gebruikt;
b. het gebruiken van een biocide door een particuliere persoon in
een door hem bewoonde ruimte.
5. Het college maakt in de Staatscourant bekend dat een
bestrijdingsmiddel, dat ten gevolge van de toepassing van artikel 7,
eerste of tweede lid, niet meer is toegelaten of geregistreerd,
gedurende een bij die bekendmaking bepaalde termijn in afwijking van het
in het eerste lid bedoelde verbod nog mag worden afgeleverd, gebruikt
dan wel in voorraad of voorhanden gehouden. Daarbij kan het
voorschriften met betrekking tot het gebruik geven als bedoeld in
artikel 5, tweede lid. De termijn, bedoeld in de eerste volzin, staat in
verhouding tot de reden waarom het bestrijdingsmiddel niet meer is
toegelaten of geregistreerd.
6. Bij regeling van Onze betrokken Minister kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de aflevering of het in voorraad of
voorhanden hebben van de in het vijfde lid bedoelde
bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld
omtrent de verwijdering binnen een daarbij te bepalen tijdvak van een
niet meer toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel.
7. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan Onze
betrokken Minister, indien er bij het college gegronde aanwijzingen
bestaan om te oordelen dat een ingevolge een communautaire maatregel toe
te laten of te registreren middel gevaar oplevert voor de gezondheid van
mens of dier of voor het milieu, tijdelijk bepalen dat de aflevering en
het gebruik van dat middel verboden is.
Artikel 2a
1. Het is verboden een werkzame stof af te leveren, voorhanden
of in voorraad te hebben of binnen Nederland te brengen, tenzij het
bepaalde in artikel 4a in acht is genomen.
2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een werkzame
stof:
a. die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze wet
toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel of van een
bestrijdingsmiddel waarvoor deze wet buiten toepassing is verklaard,
of
b. die kennelijk bestemd is om overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens artikel 15 voor een proef te worden gebruikt.
Artikel 2b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 3
1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts
toegelaten of geregistreerd indien:
a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische
kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens
artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de
beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn
omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens deze wet wordt gebruikt:
1. voldoende werkzaam is;
2. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of
plantaardige produkten;
3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de
mens, hetzij direct, hetzij indirect;
4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren,
hetzij direct, hetzij indirect;
5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar
brengt van degene die het middel toepast;
6. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar
brengt van diegenen, die na toepassing van het middel door het
verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in
aanraking komen;
7. de hoedanigheid van voedingsmiddelen niet schaadt;
8. het welzijn van de te bestrijden gewervelde dieren niet
onnodig schaadt;
9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;
10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in
het bijzonder rekening wordt gehouden met:
- de plaats waar het bestrijdingsmiddel in het milieu terecht
komt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van
het water, met inbegrip van drink- en grondwater en belasting van
de bodem;
- de gevolgen voor niet-doelsoorten;
b. de aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en zo nodig de
in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht belangrijke onzuiverheden
en hulpstoffen en omzettingsprodukten kunnen worden bepaald
overeenkomstig de bij een communautaire maatregel vastgestelde
methoden, of, voor zover deze methoden niet zijn vastgesteld, door
Onze betrokken Minister zijn vastgesteld of worden goedgekeurd;
c. de residuen die het gevolg zijn van het gebruik van het
bestrijdingsmiddel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze
wet en die uit toxicologisch of milieu-oogpunt van belang zijn, kunnen
worden bepaald door middel van methoden die voldoen aan door Onze
betrokken Minister gestelde regelen;
d. de fysisch-chemische eigenschappen van het bestrijdingsmiddel
worden vastgesteld en voor het gebruik van het bestrijdingsmiddel
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet aanvaardbaar
zijn.
2. Een bestrijdingsmiddel wordt voorts slechts toegelaten of
geregistreerd indien:
a. voor zover het een bestrijdingsmiddel betreft, de werkzame stof
of werkzame stoffen zijn aangewezen bij een communautaire maatregel
die de werkzame stoffen vermeldt die mogen worden gebruikt als basis
voor bestrijdingsmiddelen en aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt
voldaan;
b. het gehalte aan werkzame stof of werkzame stoffen en de verdere
samenstelling, de kleur, vorm, afwerking, verpakking en aanduidingen
en vermeldingen op, aan of bij de verpakking voldoen aan door Onze
betrokken Minister gestelde regelen;
c. voor zover het betreft een biocide, voldaan is aan de ingevolge
een communautaire maatregel gestelde eisen.
3. Een biocide wordt voorts slechts toegelaten of geregistreerd
indien op adequate wijze rekening wordt gehouden met:
a. alle omstandigheden waaronder het biocide normaliter gebruikt
wordt,
b. de wijze waarop het met het biocide behandelde materiaal kan
worden gebruikt en
c. de gevolgen van gebruik en verwijdering van het biocide.
Artikel 3a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria
of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel
a en het tweede lid, onderdeel c, en kunnen beginselen voor de
beoordeling worden vastgesteld.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op de
toelatingscriteria of registratiecriteria, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a , ten eerste, ten tweede, ten vierde en
ten achtste en derde lid, Ons gedaan door Onze betrokken Minister;
b. voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op de
toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a , ten derde en ten zevende en derde
lid, Ons gedaan door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
c. voor zover daarin gestelde regelen, betrekking hebben op de
toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, ten derde, ten vijfde en ten zesde,
Ons gedaan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in
overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
d. voor zover daarin gestelde regelen, betrekking hebben op de
toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, ten negende en ten tiende, Ons gedaan
door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
e. voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op meerdere
toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a en derde lid, Ons gedaan door Onze
meest betrokken minister in overeenstemming met de andere in onderdeel
b, c of d genoemde ministers.
3. Indien Onze Minister, bedoeld in het tweede lid, overweegt een
voordracht te doen tot vaststelling, wijziging of intrekking van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kan hij
indien in verband met de toelatingscriteria of registratiecriteria,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a , naar zijn oordeel
een onmiddellijke voorziening is vereist, in overeenstemming met de
andere in het tweede lid genoemde ministers regelen stellen
overeenkomstig de in overweging zijnde maatregelen.
4. Een regeling als bedoeld in het derde lid blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene
maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht
maanden na het in werking treden van de regeling.
Artikel 4
1. Over de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel
wordt op aanvraag beslist door het college.
2. Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van
een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen
gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten
grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van
behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald:
a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een
daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
b. in welke gevallen een aanvraag voor een toelating of registratie
niet in behandeling wordt genomen.
3. Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald in
welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gevraagde
gegevens achterwege kan blijven.
4. Degene die het voornemen heeft een aanvraag in te dienen,
dient, indien aan de over te leggen gegevens dierproeven ten grondslag
liggen, alvorens tot dergelijke proeven wordt overgegaan, inlichtingen
in te winnen bij het college omtrent:
a. het reeds verleend zijn van een toelating of registratie voor
het betrokken middel en omtrent de identiteit van degenen die daartoe
de betrokken gegevens hebben overgelegd, en
b. voor zover het een niet bij een communautaire maatregel als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , aangewezen
werkzame stof van een middel betreft, het met betrekking tot die stof
reeds overgelegd zijn van aan dierproeven ontleende gegevens en
omtrent de identiteit van degenen die deze gegevens hebben overgelegd.
De identiteit van de betrokken partijen wordt door het college over
en weer aan hen bekendgemaakt nadat zij zekerheid heeft verkregen over
het voornemen. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven
zonder dat daaraan voorafgaand de in de eerste zin bedoelde inlichtingen
zijn ingewonnen, wordt de aanvraag door het college niet in behandeling
genomen.
5. Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld die onder
meer betrekking kunnen hebben op:
a. gegevens die het verzoek om inlichtingen als bedoeld in het
vierde lid dienen te vergezellen;
b. de te volgen procedure om tot verwijzing naar of uitwisseling
van gegevens als bedoeld in het vierde lid te komen, en,
c. de voorwaarden waaronder de gegevens als bedoeld in het vierde
lid niet behoeven te worden overgelegd indien partijen niet tot
overeenstemming komen omtrent de verwijzing naar of uitwisseling van
die gegevens; onder deze voorwaarden kan zijn begrepen de betaling van
een geldsom ter vergoeding aan degenen die die gegevens hebben
overgelegd.
6. De kosten van het onderzoek, voortvloeiende uit een aanvraag,
de kosten van voortgezette onderzoekingen na de beslissing op een
aanvraag, alsmede de kosten voortvloeiende uit de toepassing van het
vierde en vijfde lid kunnen geheel of gedeeltelijk ten laste van de
aanvrager worden gebracht.
7. De toelatinghouder of registratiehouder, die in het in artikel
6, tweede lid, bedoelde register staat vermeld, is periodiek een
vergoeding verschuldigd.
8. Een aanvraag kan slechts worden gedaan door een binnen de
Europese Gemeenschappen permanent gevestigde natuurlijke of
rechtspersoon die er verantwoordelijk voor is dat het middel wordt
afgeleverd.
9. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing
op de verlenging van een toelating of registratie.
Artikel 4a
1. Ten behoeve van de aanwijzing van een werkzame stof bij een
communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdeel a , alsmede de verlenging van die aanwijzing dient
een aanvraag te worden gedaan.
2. Artikel 4, tweede, zesde, achtste en negende lid, is van
overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid. Onze betrokken Minister stelt daarbij voorts regelen met betrekking
tot de door de aanvrager aan de bevoegde instanties van de andere
Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen alsmede aan de Commissie van
de Europese Gemeenschappen te zenden gegevens en de wijze waarop dit
dient te geschieden.
3. Onze betrokken Minister kan regelen stellen met betrekking tot
de verstrekking door toelatinghouders of registratiehouders van gegevens
met betrekking tot werkzame stoffen aan de in het tweede lid genoemde
instanties en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4. Ten behoeve van het anders dan op aanvraag als bedoeld in het
eerste lid aanwijzen van een werkzame stof bij een communautaire
maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , het
herbeoordelen van die aanwijzing alsmede het verlengen van die
aanwijzing, kan Onze betrokken Minister bepalen dat de kosten verbonden
aan de beoordeling van die werkzame stof geheel of gedeeltelijk ten
laste worden gebracht van de kennisgevers als bedoeld in een
communautaire maatregel van die werkzame stof of van een
bestrijdingsmiddel waarin die werkzame stof wordt gebruikt.
Artikel 4b
1. De bedragen, gelden en vergoedingen als bedoeld in de
artikelen 4, 4a, 6 en 15 worden met inachtneming van het bepaalde
krachtens het tweede lid door het college vastgesteld en in de
Staatscourant bekendgemaakt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld inzake bedragen, gelden en vergoedingen als bedoeld in de
artikelen 4, 4a, 6 en 15.
3. De tarieven behoeven de goedkeuring van Onze betrokken
Minister.
4. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het
recht of het algemeen belang.
Artikel 5
1. De toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel geldt
voor een in het besluit tot toelating of registratie te bepalen
termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating of registratie kan
één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd
indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating of
registratie is voldaan. Zonodig kan de toelating of registratie worden
verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot
verlenging gemoeid is.
2. Bij de toelating of de registratie:
a. worden voorschriften gegeven omtrent:
1. de doeleinden waarvoor het middel uitsluitend dan wel niet
gebruikt mag worden;
2. voor zover het een biocide betreft, een rationele toepassing
van een combinatie van fysische, biologische, chemische of eventueel
andere maatregelen, waardoor het gebruik van biociden tot het strikt
noodzakelijke wordt beperkt, en
3. voor zover het de toelating van een gewasbeschermingsmiddel
betreft, waar mogelijk, de toepassing van de beginselen van
geïntegreerde bestrijding;
b. kunnen voorschriften worden gegeven welke onder meer betrekking
hebben op:
1. de tijden en de plaatsen waarop,
2. de klimatologische omstandigheden waaronder,
3. de doseringen waarin,
4. de wijze waarop, of
5. de technische hulpmiddelen waarmede het middel uitsluitend dan
wel niet mag worden gebruikt, alsmede op de bij het gebruik in acht
te nemen veiligheidstermijnen.
3. Bij de toelating of registratie kunnen nadere voorschriften
worden gegeven omtrent de samenstelling, kleur, vorm, afwerking,
verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking
van het bestrijdingsmiddel.
4. Bij de toelating:
a. kan worden bepaald, dat het bestrijdingsmiddel uitsluitend mag
worden afgeleverd aan en gebruikt door personen of rechtspersonen,
behorende tot een daarbij aangewezen categorie;
b. wordt bepaald dat het verboden is aan het grote publiek biociden
af te leveren, welke ingevolge richtlijn nr. 1999/45/EG van het
Europese Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de
onderlinge aanpassingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke preparaten (Pb EG L 187) als vergiftig, zeer
vergiftig, kankerverwekkend of mutageen categorie 1 of 2, of als
vergiftig voor de voortplanting categorie 1 of 2 zijn ingedeeld.
5. Het college kan, hetzij op een met redenen omkleed
schriftelijk verzoek van de toelatinghouder of registratiehouder, hetzij
in bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen, de
ingevolge dit artikel gestelde voorschriften wijzigen met ingang van een
bij die wijziging aan te geven tijdstip. Alvorens tot wijziging van de
voorschriften te besluiten, stelt het college de toelatinghouder of
registratiehouder binnen een daarvoor aangegeven termijn in de
gelegenheid zijn zienswijze omtrent de voorgenomen wijziging en het
tijdstip van ingang daarvan kenbaar te maken en kan hij hem verzoeken
aanvullende informatie te verschaffen. Artikel 4, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing op de op verzoek of anders dan op
verzoek te verstrekken gegevens. Indien is overgegaan tot het verrichten
van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de bedoelde inlichtingen
zijn ingewonnen, worden de uit die dierproeven verkregen gegevens door
het college bij de beslissing buiten beschouwing gelaten, tenzij zij
leiden tot een inperking van de toelating.
6. Het college kan, voor zover het gewasbeschermingsmiddelen
betreft, op aanvraag van wetenschappelijke instanties, lichamen,
organisaties en instellingen die werkzaamheden verrichten of mede
verrichten op het gebied van de landbouw dan wel van organisaties van
gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen onder nader door Onze betrokken
Minister gestelde regelen, de doeleinden waarvoor het middel gebruikt
mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden.
7. Het college kan voorts op aanvraag van de toelating- of
registratiehouder onder nader door Onze betrokken Minister te stellen
regelen de doeleinden waarvoor een bestrijdingsmiddel gebruikt mag
worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden, voor zover het een
gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide betreft dat een
werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, onderscheidenlijk
vóór 15 mei 2000 werd afgeleverd en niet bij een in artikel 3, tweede
lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen of ten
aanzien waarvan geen communautaire maatregel geldt op grond waarvan de
toelating of registratie niet verleend mag worden of dient te worden
ingetrokken.
8. Met uitzondering van het toelatingscriterium, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde, kan bij de regelen,
bedoeld in het zesde en zevende lid, voor bij die regelen aangewezen
bestrijdingsmiddelen onder meer worden bepaald dat voor de beoordeling
van de uitbreiding van de doeleinden, waarvoor het middel mag worden
gebruikt, één of meer eisen van toepassing zijn aan de hand waarvan
het betrokken middel of een ander bestrijdingsmiddel dat dezelfde
werkzame stof bevat en is toegelaten of geregistreerd voor een naar het
oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is
beoordeeld, en dat die beoordeling, in afwijking van artikel 3, eerste
lid, onderdeel a, aanhef, plaatsvindt aan de hand van de stand van de
wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het
betrokken middel, dan wel een ander bestrijdingsmiddel, zoals hiervoor
bedoeld, laatstelijk is beoordeeld. Het college kan, indien het belang
van de volksgezondheid zich hier naar het oordeel van het college niet
tegen verzet, op een daartoe gemotiveerd verzoek van de aanvrager,
bepalen dat de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden van een
bestrijdingsmiddel aan de hand van het toelatingscriterium, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde, voor zover dat
toelatingscriterium betrekking heeft op de beoordeling van de uitwerking
van residuen van bestrijdingsmiddelen op de gezondheid van de mens, in
afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, aanhef, plaatsvindt
aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis
op het tijdstip waarop het betrokken middel laatstelijk is beoordeeld.
9. Het bepaalde in artikel 4, tweede tot en met zesde, achtste en
negende lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als
bedoeld in het zesde, onderscheidenlijk zevende lid. In het geval het
college overweegt een wijziging aan te brengen in de uitbreiding,
bedoeld in het zesde, onderscheidenlijk zevende lid, is het bepaalde in
het vijfde lid, met uitzondering van de eerste volzin, van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, indien het een
uitbreiding betreft als bedoeld in het zesde lid, ook de toelatinghouder
of registratiehouder bij die procedure wordt betrokken.
Artikel 5a
1. Onze betrokken Minister kan bij regeling voorschriften geven
omtrent:
a. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het oogsten van
met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of bij het in het
verkeer brengen van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of
delen daarvan;
b. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het in het
verkeer brengen van voortbrengselen van met een bestrijdingsmiddel
behandelde dieren of bij het slachten van zodanige dieren;
c. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten
of delen van planten;
d. het telen van gewassen op met een bestrijdingsmiddel behandelde
grond;
e. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandeld water;
f. het betreden onderscheidenlijk gebruiken van met een
bestrijdingsmiddel behandelde ruimten, oppervlakken en goederen, dan
wel van ruimten waarin zich behandelde goederen bevinden of bevonden
hebben;
g. het rekening houden met de voordelen van het gebruik van het
biocide.
2. Ten aanzien van een bestrijdingsmiddel, waarop de in het
vorige lid bedoelde regeling geen betrekking heeft, kunnen bij de
toelating of registratie één of meer voorschriften van die regeling
van toepassing worden verklaard. Dit wordt bekend gemaakt in de
Staatscourant.
3. Degene die een bestrijdingsmiddel ten aanzien waarvan een
voorschrift geldt, als bedoeld in de vorige leden, heeft gebruikt met
betrekking tot in het eerste lid bedoelde zelfstandigheden waarvan een
ander het genot heeft, is verplicht omtrent dat gebruik de ander, onder
vermelding van de naam, de werkzame stof en het nummer van toelating of
registratie van het bestrijdingsmiddel, zodanig op de hoogte te stellen
als voor deze nodig is om vorenbedoeld voorschrift te kunnen naleven.
Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op
degene die het genot van zelfstandigheden als daar bedoeld aan een ander
overdraagt.
4. Behoudens tegenbewijs wordt men geacht niet aan de in het
derde lid bedoelde verplichting te hebben voldaan, voor zover dit niet
blijkt uit een geschrift, ondertekend door degene aan wie de
inlichtingen moesten worden verstrekt.
Artikel 6
1. Van een toelating of registratie wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant.
2. Het college draagt zorg, dat van de toegelaten of
geregistreerde bestrijdingsmiddelen aantekening wordt gehouden in een
register dat volgens door Onze betrokken Minister te stellen regelen
wordt ingericht.
3. Op aanvraag van de in het register vermelde fabrikant,
importeur of handelaar en tegen betaling van een bedrag worden
wijzigingen in het register aangetekend.
4. Van de wijziging wordt aan de belanghebbenden een bewijs
verstrekt en wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 7
1. Het college trekt een toelating of registratie als bedoeld
in artikel 4 in, indien:
a. niet of niet meer wordt voldaan aan het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 3 en 3a ;
b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking
tot de gegevens op grond waarvan een toelating of registratie als
bedoeld in artikel 4 is verleend of
c. zulks noodzakelijk is ter uitvoering van een communautaire
maatregel.
2. Het college trekt een toelating of registratie als bedoeld in
artikel 4 in, indien de toelatinghouder of registratiehouder hiertoe een
aanvraag indient.
3. Een besluit op grond van het eerste of tweede lid wordt bekend
gemaakt in de Staatscourant.
4. Het besluit vermeldt de datum met ingang waarvan de intrekking
van kracht wordt.
5. Een toelating of registratie kan tijdelijk worden ingetrokken,
indien het college gegronde aanwijzingen heeft dat het
bestrijdingsmiddel een gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of
dier of voor het milieu. Het bepaalde in het derde en vierde lid is van
overeenkomstige toepassing op de tijdelijke intrekking.
6. In afwijking van artikel 2, eerste lid, is het toegestaan een
bestrijdingsmiddel, waarvan de toelating of registratie tijdelijk is
ingetrokken, voorhanden of in voorraad te hebben.
7. Artikel 4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de op verzoek of anders dan op verzoek te verstrekken
gegevens. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder
dat daaraan voorafgaand de bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, worden
de uit die dierproeven verkregen gegevens door het college bij de
beslissing buiten beschouwing gelaten.
Artikel 8
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Artikel 9
1. Op verzoek van Onze betrokken Minister wordt een
bestrijdingsmiddel door het college ambtshalve toegelaten of
geregistreerd.
2. Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid
kunnen voorschriften, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, worden
verbonden.
3. Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid
kunnen nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 5, derde en vierde
lid, worden verbonden.
4. Een besluit tot ambtshalve toelating of registratie, tot
wijziging van de in het tweede en derde lid bedoelde voorschriften en
tot intrekking van de toelating of registratie wordt in de Staatscourant
bekend gemaakt.
Artikel 9a
1. De toelatinghouder of registratiehouder alsmede de
instanties, lichamen, organisaties of instellingen waarvan het verzoek
als bedoeld in artikel 5, zesde lid, is toegewezen, zijn verplicht
terstond mededeling aan het college te doen van alle nieuwe gegevens
die zij verkrijgen met betrekking tot de mogelijke gevaarlijke
gevolgen van een bestrijdingsmiddel of van de residuen van een
werkzame stof voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
2. De toelatinghouder of registratiehouder alsmede de in het
eerste lid bedoelde instanties, lichamen, organisaties of instellingen
zijn onverminderd het eerste lid tevens verplicht de gegevens, bedoeld
in het eerste lid terstond te melden aan de bevoegde instanties van de
andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen alsmede aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen.
3. Onze betrokken Minister kan regelen stellen omtrent de wijze
waarop en de instanties waaraan een mededeling als bedoeld in het eerste
of tweede lid dient te geschieden.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens dienen te worden
medegedeeld. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op deze
gegevens.
§ 3. Ge- en verbodsbepalingen met betrekking tot toegelaten
bestrijdingsmiddelen
Artikel 10
1. Het is verboden te handelen in strijd met de krachtens de
artikelen 5, tweede, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, 5a,
eerste en tweede lid, en 9, tweede en derde lid, vastgestelde
voorschriften.
2. Het is een ieder verboden van een bij regeling van Onze
betrokken Minister aangewezen bestrijdingsmiddel een hoeveelheid
voorhanden of in voorraad te hebben, tenzij die hoeveelheid bestemd is
voor een gebruik waarvoor het middel is toegelaten, geregistreerd of ter
aflevering.
3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een particuliere
persoon, voor zover het betreft het gebruiken van een bestrijdingsmiddel
in een door hem bewoonde ruimte.
Artikel 11
Het is verboden toegelaten of geregistreerde bestrijdingsmiddelen af
te leveren, en, voor zover ze voor de handel bestemd zijn, voorhanden of
in voorraad te hebben, indien de krachtens artikel 5, tweede lid, of
krachtens artikel 9, tweede lid, voor het gebruik gegeven voorschriften
niet op de daarbij voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking
zijn vermeld, en indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere
samenstelling kleur, vorm, afwerking, verpakking, aanduidingen of
vermeldingen op, aan of bij de verpakking niet voldoen aan de krachtens
artikel 3, tweede lid, onderdeel b , gegeven algemene
voorschriften, of de krachtens artikel 5, derde lid, of artikel 9, derde
lid, gegeven nadere voorschriften.
Artikel 11a
1. Het aanbevelen of aanprijzen van een niet ingevolge deze wet
toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel of van enig gebruik van
een bestrijdingsmiddel in strijd met het bij of krachtens deze wet
bepaalde, is verboden.
2. Onze betrokken Minister stelt ter uitvoering van richtlijn nr.
98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998
betreffende het op de markt brengen van biociden (Pb EG L 123), nadere
regels betreffende het aanbevelen en aanprijzen van biociden.
Artikel 12
1. Het is verboden aan personen beneden de leeftijd van zestien
jaren bestrijdingsmiddelen af te leveren, voor welke krachtens artikel
3, tweede lid, onderdeel b , artikel 5, derde lid, of artikel
9, derde lid, is voorgeschreven, dat de giftigheid moet worden
aangeduid door middel van een doodshoofd.
2. Het is verboden de in het vorige lid bedoelde
bestrijdingsmiddelen af te leveren aan personen, die niet in het bezit
zijn van een daartoe door Onze betrokken Minister aangewezen
legitimatiebewijs, tenzij degene aan wie wordt afgeleverd aantoont, dat
hij de handel in bestrijdingsmiddelen uitoefent. Aangewezen zullen
worden legitimatiebewijzen, waaruit blijkt, dat de houder een beroep
uitoefent, hetwelk het gebruik van in dit artikel bedoelde
bestrijdingsmiddelen meebrengt.
3. Het is aan anderen dan de houder der in het tweede lid
bedoelde legitimatiebewijzen verboden de in het eerste lid bedoelde
bestrijdingsmiddelen te gebruiken.
4. Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt niet ten aanzien
van door Onze betrokken Minister bij in de Staatscourant bekend
te maken regeling aangewezen middelen ter bestrijding van schadelijke
knaagdieren, waarvan uit een bij die regeling vastgestelde aanduiding op
de verpakking blijkt, dat deze voor gebruik door particuliere personen
zijn bestemd.
Artikel 13
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften onderscheidenlijk nadere voorschriften worden gegeven
betreffende het afleveren, het voorhanden of in voorraad hebben, het
vervoeren na aflevering aan de kleinhandel anders dan in een
vervoeronderneming, het vervoeren door de gebruiker, en het gebruiken
van bestrijdingsmiddelen, alsmede omtrent het verwijderen en
vernietigen van bestrijdingsmiddelen, resten van bestrijdingsmiddelen
en ledige verpakkingen. Voorzover de in de vorige volzin bedoelde
voorschriften het verwijderen van de daarbedoelde zelfstandigheden
betreffen kunnen zij mede betrekking hebben op de afgifte van die
zelfstandigheden aan, het vervoer naar en de in ontvangstneming door
personen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie.
2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende het
gebruik van bestrijdingsmiddelen in verband met de veiligheid en de
gezondheid bij de arbeid. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking
hebben op:
a. de verdamping of verspreiding van bestrijdingsmiddelen op de
werkplek;
b. de omgang met en de opslag van bestrijdingsmiddelen;
c. de voorkoming van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen;
d. kleding, kledingbergplaatsen, kleedruimten, toiletten en
wasgelegenheden;
e. persoonlijke beschermingsmiddelen;
f. het registreren, melden of bewaren van gegevens met betrekking
tot bestrijdingsmiddelen, het melden van ongevallen met
bestrijdingsmiddelen of het melden van beroepsziekten in verband met
bestrijdingsmiddelen.
3. Door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren zijn namens hem
bevoegd voorschriften te geven betreffende de uitvoering van een of meer
voorschriften als bedoeld in het eerste en tweede lid met betrekking tot
het vervoer of het gebruik van bestrijdingsmiddelen in verband met de
arbeid alsmede omtrent het voorhanden hebben van deze middelen en het
opbergen van ledige verpakkingen of restanten van bestrijdingsmiddelen.
Bij de bekendmaking van het voorschrift wordt de termijn gesteld,
waarbinnen aan het voorschrift moet worden voldaan. Een bezwaarschrift,
ingediend tegen het voorschrift, heeft schorsende werking.
4. Een ieder is verplicht ten aanzien van bestrijdingsmiddelen,
resten van bestrijdingsmiddelen en ledige verpakkingen:
a. zodanige zorgvuldigheid in acht te nemen dat geen gevaar
ontstaat voor de mens dan wel voor dieren of planten welker
instandhouding gewenst is of voor grond of water, en
b. overigens zodanige zorgvuldigheid in acht te nemen als
redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te voorkomen dat schade
wordt toegebracht aan planten of delen van planten, welke aan anderen
toebehoren.
Artikel 13a
Onze betrokken Minister kan regels stellen omtrent het voeren van een
administratie en het verstrekken van gegevens door toelatinghouders of
registratiehouders en, voor zover zij geen toelatinghouder of
registratiehouder zijn, door fabrikanten, importeurs, handelaren en
gebruikers met betrekking tot de door hen in voorraad gehouden,
ontvangen, afgeleverde en gebruikte hoeveelheden van aangewezen
bestrijdingsmiddelen of groepen van bestrijdingsmiddelen. De regels
hebben geen betrekking op onderwerpen die uit hoofde van het bepaalde in
artikel 13, tweede lid, aanhef en onderdeel f, gesteld kunnen worden.
Artikel 13b
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen degenen die
bestrijdingsmiddelen afleveren waarvan de toelating of registratie
niet te hunnen name is gesteld worden verplicht zich te doen
inschrijven in een register.
2. Bij of krachtens een algemene maatregel, bedoeld in het vorige
lid, wordt bepaald waar de inschrijving geschiedt, en kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van het register, de
wijze van aanmelding ter inschrijving, de wijze waarop van de
inschrijving kan blijken, de duur van de inschrijving en het vervallen
van de inschrijving.
3. In geval van toepassing van het eerste lid is het verboden
bestrijdingsmiddelen af te leveren aan anderen dan degenen die in het
register zijn ingeschreven.
4. Het verbod, gesteld in het vorige lid, geldt niet voor het
afleveren van bestrijdingsmiddelen aan gebruikers.
Artikel 13c
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
arbeid met bestrijdingsmiddelen of categorieën van
bestrijdingsmiddelen, dan wel arbeid met bestrijdingsmiddelen onder
bepaalde omstandigheden, slechts mag worden verricht nadat degenen die
de arbeid verrichten gezondheidskundig zijn onderzocht. Daarbij kan
voorts worden bepaald dat dit gezondheidskundig onderzoek na de
aanvang van de werkzaamheden met een bestrijdingsmiddel periodiek moet
worden herhaald.
2. Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde onderzoek
kunnen door een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar eisen
worden gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop en de termijn waarbinnen het onderzoek moet
worden verricht;
b. de persoon of personen door wie of onder wier leiding het
onderzoek moet worden gedaan.
Artikel 14
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang
van de veiligheid en de gezondheid van de mens en van dieren, welker
instandhouding gewenst is, voorschriften worden gegeven betreffende het
aanbrengen van waarschuwingstekens in verband met het gebruik van
bestrijdingsmiddelen.
Artikel 15
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven betreffende het afleveren, voorhanden of in
voorraad hebben en gebruiken van bestrijdingsmiddelen welke als
zodanig dan wel voor wat betreft een uitbreiding van de
toepassingsmogelijkheden kennelijk in een proefstadium verkeren.
Daarbij kan worden afgeweken van de bepalingen van deze wet.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven betreffende het afleveren, voorhanden of in
voorraad hebben en gebruiken van niet-toegelaten of niet-geregistreerde
bestrijdingsmiddelen voor onderzoeksdoeleinden.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het
oog op behandelingen, uitgevoerd met de in het eerste en tweede lid
bedoelde middelen, voorschriften worden gegeven als bedoeld in artikel 5a,
eerste lid. Ten aanzien van zodanige voorschriften is artikel 5a,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Voor zover krachtens het eerste en tweede lid proefnemingen
als daar bedoeld slechts na daartoe gedane aanvraag kunnen worden
toegestaan, kunnen de kosten voortvloeiende uit deze aanvraag geheel of
gedeeltelijk ten laste van de aanvrager worden gebracht.
Artikel 16
1. Indien op of in eet- of drinkwaren een hoeveelheid van een
of meer bestrijdingsmiddelen, bestanddelen daarvan of
omzettingsprodukten van deze aanwezig is, welke groter is dan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald, worden zij voor
de toepassing van artikel 14, eerste lid, van verordening (EG) nr.
178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot
vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de
levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit
voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor
voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31) aangemerkt als onveilige
levensmiddelen.
2. In de krachtens het eerste lid bepaalde hoeveelheid wordt
geacht te zijn begrepen een uit anderen hoofde aanwezige hoeveelheid van
dezelfde stof.
3. De krachtens het eerste lid te bepalen hoeveelheid kan worden
uitgedrukt in termen van een kenmerkend element, een kenmerkende
moleculaire groep of een reactieprodukt van de betreffende stof.
Artikel 16a
1. Onze betrokken Minister kan in bijzondere omstandigheden van
het bepaalde in de artikelen 2, eerste lid, en 10, eerste en tweede
lid voor ten hoogste 120 dagen, vrijstelling of ontheffing verlenen:
a. voor zover het gewasbeschermingsmiddelen betreft, indien de
plantaardige produktie door onvoorziene, op geen enkele andere wijze
te bestrijden gevaren wordt bedreigd;
b. voor zover het biociden betreft, voor zover noodzakelijk wegens
een onvoorzien, niet op andere wijze te bestrijden gevaar.
2. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling of ontheffing wordt
in ieder geval verleend ter uitvoering van een communautaire maatregel
met in achtneming van het daarin gestelde.
3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend en te allen
tijde worden ingetrokken.
Artikel 16aa
1. Onze betrokken Minister kan, wanneer de belangen van de
landbouw zulks dringend vereisen, vrijstelling of ontheffing verlenen
van het bepaalde in de artikelen 2, eerste lid, en 10, eerste en
tweede lid, ten aanzien van een gewasbeschermingsmiddel dat een
werkzame stof bevat:
a. die reeds vóór 26 juli 1993 werd afgeleverd;
b. die niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde
communautaire maatregel is aangewezen, en
c. ten aanzien waarvan het onderzoek, bedoeld in artikel 8, tweede
lid, van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 juli 1991, betreffende het op de markt
brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230), na
26 juli 2003 wordt aangevangen of voortgezet.
2. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend en te allen
tijde worden ingetrokken.
Artikel 16b
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter
uitvoering van artikel 13 de medewerking worden gevorderd van het
bestuur van een bedrijfslichaam.
2. Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde
medewerking bestaat in het stellen van nadere regels bij verordening,
behoeft deze verordening de goedkeuring van Onze Minister en van Onze
Ministers wie het mede aangaat, tezamen. Krachtens de verordening
genomen besluiten behoeven, voorzover dit bij of krachtens de maatregel,
bedoeld in het eerste lid, is bepaald, de goedkeuring van de daarbij
aangewezen autoriteit.
§ 3a. Toezicht op de naleving
Artikel 16c
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet of onderdelen daarvan zijn belast de bij besluit
van Onze betrokken Minister aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 16d
Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
§ 3b. Bestuurlijke handhaving
Artikel 16e [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 16f [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 16g [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
§ 4. Monsterneming
Artikel 17
1. De opsporingsambtenaar, die een
monster van een bestrijdingsmiddel neemt, verpakt en verzegelt dit ter
plaatse.
2. Op verlangen van hem, in wiens bezit het bestrijdingsmiddel
zich tijdens de monsterneming bevindt, neemt de opsporingsambtenaar een
tweede monster, hetwelk hij verpakt en verzegeld in diens bezit laat.
Artikel 18
1. De ambtenaar, die het monster heeft genomen, stelt dit in
handen van de instelling, die voor onderzoek daarvan bij regeling van
Onze betrokken Minister is aangewezen.
2. Het monster wordt zo spoedig mogelijk door de aangewezen
instelling onderzocht.
3. Indien de directeur van de aangewezen instelling van mening
is, dat de resultaten van het onderzoek aanleiding kunnen geven tot het
uitlokken van een strafvervolging, doet hij hiervan mededeling aan de
ambtenaar, die het monster heeft genomen. De uitkomsten van het
onderzoek worden als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd.
Artikel 19
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regelen worden gegeven
betreffende de wijze van monsterneming, het verpakken en het verzegelen
der monsters.
§ 5. Adviesinstantie
Artikel 20 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 20a [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 20b [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 20c [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 20d [Vervallen per 21-02-1997]
§ 6. Plaatselijke voorzieningen
Artikel 21
1. Bij gemeentelijke verordening worden
geen bepalingen vastgesteld met betrekking tot de onderwerpen waarin
deze wet voorziet.
2. Bestaande bepalingen van gemeentelijke verordeningen met
betrekking tot de onderwerpen waarin deze wet voorziet vervallen een
jaar na het in werking treden van dit artikel.
§ 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22
1. De verplichting tot geheimhouding op grond van artikel 2:5
van de Algemene wet bestuursrecht geldt niet ten aanzien van die
bestanddelen van een bestrijdingsmiddel, welke schadelijk zijn voor de
mens, of voor dieren of planten, welker instandhouding gewenst is.
2. Indien in een stuk dat ingevolge het bij of krachtens deze wet
bepaalde aan Onze betrokken Minister, onderscheidenlijk het college, dan
wel aan een andere persoon of instelling wordt overgelegd, gegevens
voorkomen of uit zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan
de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is,
besluit Onze betrokken Minister, onderscheidenlijk het college, op een
daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene die het stuk overlegt,
dat die gegevens geheim worden gehouden. Een zodanig verzoek is met
redenen omkleed.
3. Onze betrokken Minister stelt regelen met betrekking tot de
gegevens waarvoor de verplichting tot geheimhouding niet geldt.
Artikel 23
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van
een communautaire maatregel inzake onderwerpen waarop deze wet van
toepassing is, regelen worden gesteld.
2. Bij de regelen, bedoeld in het eerste lid, kan worden
afgeweken van het bij deze wet bepaalde inzoverre het betreft:
a. de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste of tweede lid;
b. werkzame stoffen voor bestrijdingsmiddelen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e ;
c. de invulling van de in onderdeel a bedoelde voorwaarden,
bedoeld in artikel 3a, eerste lid;
d. de aanvraag als bedoeld in de artikelen 4, 4a of 5,
vijfde lid;
e. de duur van de toelating of registratie alsmede van de
verlenging daarvan als bedoeld in artikel 5, eerste lid;
f. de datum van 26 juli 2003, genoemd in artikel 25, eerste lid;
g. de datum van 13 mei 2010, genoemd in artikel 25b, eerste lid.
Artikel 24
1. Artikel 3, tweede lid, onderdeel a , is niet van
toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten
die op 25 juli 1993 nog niet eerder werden afgeleverd en die niet bij
de in dat artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn
aangewezen, mits:
a. voldaan is aan de regelen, bedoeld in artikel 4a, tweede
lid, tweede zin;
b. door het college wordt vastgesteld dat:
- de residuen van de betreffende werkzame stoffen geen
schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier of
op het grondwater en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect, en
deze residuen, voor zover zij in toxicologisch opzicht of uit
milieu-oogpunt van belang zijn, door middel van algemeen gebruikte
methoden kunnen worden gemeten;
- het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na een toepassing die
in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen
schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier en geen
voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel a , ten derde tot en met ten tiende,
en
- het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de overige voorwaarden
voor toelating, bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en
3a .
2. In geval van een toelating waarbij toepassing is gegeven aan
het eerste lid, geldt deze voor een termijn van ten hoogste drie jaren.
Indien de termijn van toelating korter is dan drie jaren, kan deze één
of meerdere malen worden verlengd met dien verstande, dat de totale duur
van de termijn niet langer zal zijn dan drie jaren, tenzij ter
uitvoering van een communautaire maatregel een langere termijn kan
worden gesteld.
3. Het college kan een toelating waarbij toepassing is gegeven
aan het eerste lid intrekken. Artikel 7 is van overeenkomstige
toepassing op een zodanige intrekking.
Artikel 25
1. Artikel 3, tweede lid, onderdeel a , is tot 26 juli
2003 evenmin van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die
uitsluitend werkzame stoffen bevatten die niet bij de in dat
artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen en
reeds vóór 26 juli 1993 werden afgeleverd.
2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 7 trekt het
college ter uitvoering van een communautaire maatregel met betrekking
tot een bestrijdingsmiddel als bedoeld in het eerste lid een toelating,
waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, in, of wijzigt het de
voorschriften als bedoeld in artikel 5, tweede lid. Artikel 7, derde en
vierde lid, zijn op de intrekking van de toelating en artikel 5, vijfde
lid, laatste zin, is op de wijziging van de voorschriften van
toepassing.
Artikel 25a
1. Artikel 3, tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing
op biociden die werkzame stoffen bevatten die op 13 mei 2000 nog niet
eerder werden afgeleverd en die niet bij de in dat artikelonderdeel
bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen, mits voldaan is aan
de regelen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b en
d; 3a en 4a, tweede lid, tweede zin.
2. In geval van een toelating dan wel registratie waarbij
toepassing is gegeven aan het eerste lid, geldt deze voor een termijn
van ten hoogste drie jaren. Indien de termijn van toelating dan wel
registratie korter is dan drie jaren, kan deze een of meerdere malen
worden verlengd met dien verstande, dat de totale duur van de termijn
niet langer zal zijn dan drie jaren.
3. Het college kan een toelating dan wel registratie waarbij
toepassing is gegeven aan het eerste lid intrekken. Artikel 7 is van
overeenkomstige toepassing op een zodanige intrekking.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan ter
uitvoering van een communautaire maatregel, de termijn van drie jaren
met ten hoogste een jaar worden verlengd.
Artikel 25b
1. Artikel 3, tweede lid, onderdeel a, is tot en met 13 mei
2010 evenmin van toepassing op biociden die uitsluitend werkzame
stoffen bevatten die niet bij de in dat artikelonderdeel bedoelde
communautaire maatregel zijn aangewezen en reeds voor 13 mei 2000
werden afgeleverd.
2. Onverminderd artikel 5 wijzigt het college ter uitvoering van
een communautaire maatregel met betrekking tot een bestrijdingsmiddel
als bedoeld in het eerste lid, de voorschriften, bedoeld in artikel 5,
tweede lid waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid. Artikel 5,
vijfde lid, is van toepassing op de wijziging van de voorschriften.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 trekt het college ter
uitvoering van een communautaire maatregel met betrekking tot een
bestrijdingsmiddel als bedoeld in het eerste lid, een toelating of
registratie in, waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid.
Artikel 7, derde en vierde lid, is van toepassing op de intrekking van
de toelating of registratie.
Artikel 25c [Vervallen per 01-03-2003]
Artikel 25d
1. Een bestrijdingsmiddel, waarvan de
werkzame stof of stoffen door het college zijn aangewezen, is, in
afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a en van
de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van rechtswege toegelaten
of geregistreerd met ingang van het in het derde lid bedoelde tijdstip.
2. Bij de aanwijzing van een werkzame stof, bedoeld in het eerste
lid, wordt rekening gehouden met de effecten van de betrokken werkzame
stof, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en
met ten tiende.
3. De toelating of registratie, bedoeld in het eerste lid, is van
kracht met ingang van het tijdstip van beëindiging van de uit hoofde
van artikel 4 afgegeven toelating of registratie, met dien verstande dat
indien dit tijdstip van beëindiging reeds is verstreken, de toelating,
onderscheidenlijk registratie terug werkt tot en met dat tijdstip. De
toelating, onderscheidenlijk registratie geldt, in afwijking van artikel
5, eerste lid, tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet zijn
gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stof
vastgestelde communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede
lid, onderdeel a, met dien verstande dat zij in ieder geval doorloopt na
26 juli 2003, dan wel 15 mei 2010 indien uiterlijk op die onderscheiden
datum geen communautaire maatregel is vastgesteld die vermeldt of de
betrokken werkzame stof mag worden gebruikt als basis voor een
gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide.
4. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
bestrijdingsmiddelen is het verboden te handelen in strijd met de
krachtens artikel 5, tweede en derde lid, gegeven voorschriften, zoals
deze golden tot het moment van beëindiging van de toelating of
registratie uit hoofde van artikel 4, en met de krachtens artikel 13
gegeven voorschriften.
5. Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt een toelating of
registratie als bedoeld in het eerste lid, door het college ingetrokken
of worden de voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede lid, door het
college gewijzigd indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van een
communautaire maatregel. Artikel 7, derde en vierde lid, zijn op de
intrekking van de toelating, onderscheidenlijk registratie van
toepassing.
6. Het eerste lid is:
a. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de
toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel niet
verleend mag worden;
b. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de
toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel dient
te worden ingetrokken, vanaf het tijdstip waarop aan die maatregel
uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven;
c. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat een
werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, indien het een
gewasbeschermingsmiddel betreft, onderscheidenlijk 15 mei 2000, indien
het een biocide betreft, werd afgeleverd en niet bij een in artikel 3,
tweede lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is
aangewezen;
d. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat is
toegelaten of laatstelijk op 1 januari 2001 toegelaten is geweest of
is geregistreerd;
e. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de
toelating of registratie is ingetrokken op verzoek van de
toelatinghouder of ten aanzien waarvan geen aanvraag tot verlenging
van de toelating of registratie is ingediend overeenkomstig de
krachtens artikel 4 gestelde regelen omtrent het indienen van een
aanvraag;
f. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarop artikel II
van de wet van 25 januari 2001, houdende wijziging van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (landbouwkundig onmisbare
gewasbeschermingsmiddelen) van toepassing is of is geweest.
7. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt door de
zorg van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de
Staatscourant bekend gemaakt. Hij gaat daartoe niet eerder over dan
nadat de aanwijzing aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd
voor een periode van 30 dagen.
8. Onze betrokken minister kan, ter uitvoering van een
communautaire maatregel, dit artikel onder door hem te stellen regelen
van overeenkomstige toepassing verklaren voor bestrijdingsmiddelen op
basis van door hem aangewezen werkzame stoffen.
Artikel 26
Deze wet wordt aangehaald als Bestrijdingsmiddelenwet 1962.
Artikel 27 [Vervallen per 01-03-1995]
Artikel 28 [Vervallen per 01-03-1995]
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Het Loo, 12 juli 1962
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de zevende augustus 1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|