Nadere regelgeving:
- Besluit Patentreglement Rijn
(vervallen)
- Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
(vervallen)
- Besluit Reglement radarpatenten
(vervallen)
- Besluit Reglement Rijnpatenten 1998
(vervallen)
- Besluit vaarbewijzen binnenvaart
(vervallen)
- Binnenschepenbesluit
(vervallen)
- Metingsbesluit Binnenvaartuigen
1978 (vervallen)
- Patentreglement Rijn
(vervallen)
- Regeling tarieven scheepvaart
2005
- Regeling vrijstellingen Binnenschepenwet
(vervallen)
- Reglement radarpatenten
(vervallen)
- Reglement Rijnpatenten 1998
(vervallen)
WET van 30 september 1981, houdende
bepalingen ter bevordering van de veiligheid van de vaart van schepen op
binnenwateren en van goede arbeidsomstandigheden aan boord van die
schepen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter
bevordering van de veiligheid van de vaart van schepen op binnenwateren
en van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de
arbeid aan boord van die schepen wettelijke regelen te stellen met
betrekking tot de deugdelijkheid van het schip, de inrichting en de
uitrusting daarvan, de bekwaamheid van de schipper alsmede ten aanzien
van de arbeidsomstandigheden aan boord;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
b. "Onze Ministers": Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. "binnenwateren": de wateren, die in Nederland zijn
gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen lijn;
d. rivieren, kanalen en meren: binnenwateren met uitzondering van
de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard
en het IJsselmeer met inbegrip van het IJmeer en het Markermeer, met
uitzondering van de Gouwzee;
e. "schipper": de gezagvoerder van een schip of degene,
die deze vervangt;
f. "lengte": de grootste lengte van de romp, roer en
boegspriet niet inbegrepen;
g. "Herziene Rijnvaartakte": de Herziene Rijnvaartakte,
ondertekend te Mannheim de 17de oktober 1868, sedert gewijzigd (Trb.
1955, 161 en 1964, 83);
h. inspecteur-generaal: inspecteur-generaal van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat;
i. divisie Scheepvaart: divisie Scheepvaart van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat;
j. "arbeid": alle werkzaamheden in een onderneming, dan
wel in een bedrijf of dienst onder beheer van het Rijk, een provincie,
een gemeente of ander publiekrechtelijk lichaam, van een vereniging of
van een stichting;
k. bedrijfsmatig: in de uitoefening van een beroep of bedrijf of
tegen vergoeding;
l. sleepboot: een schip dat is gebouwd om te slepen;
m. duwboot: een schip dat is gebouwd om te duwen.
2. Onder schepen worden mede verstaan draagvleugelboten,
veerponten, alsmede baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle
andere drijvende werktuigen, pontons of materieel van soortgelijke aard.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere voorwerpen,
die voor vervoer of opslag op binnenwateren worden gebruikt, voor de
toepassing van daarbij aangewezen bepalingen van deze wet met schepen
worden gelijkgesteld.
4. Met de eigenaar van een schip wordt gelijkgesteld de gebruiker
van het schip, niet zijnde een reis- of tijdbevrachter.
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk II. Het certificaat van onderzoek
Artikel 3
1. Schepen, behorende tot de volgende
categorieën, moeten bij gebruik op de binnenwateren zijn voorzien van
een geldig certificaat van onderzoek:
a. schepen, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van
goederen, met een laadvermogen van 15 ton of meer;
b. schepen, niet bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer
van goederen, met een lengte van 15 meter of meer;
c. sleep- of duwboten;
d. schepen, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van
meer dan 12 personen, buiten de bemanning.
2. [Dit lid is nog niet in werking getreden]
3. Het eerste lid geldt niet voor schepen die zich op de Rijn, de
Lek of de Waal bevinden, met uitzondering van veerponten.
4. [Dit lid is nog niet in werking getreden]
Artikel 4
1. Het certificaat van onderzoek is niet vereist voor:
a. schepen die voorzien zijn van een scheepspatent als bedoeld in
de Herziene Rijnvaartakte en zich begeven van de Rijn, de Lek of de
Waal naar open zee of naar België, of omgekeerd, dan wel bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van schepen die
voorzien zijn van een scheepspatent als bedoeld in de Herziene
Rijnvaartakte en zich bevinden op bij die algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen binnenwateren;
b. schepen, die voorzien zijn van een geldig certificaat van
deugdelijkheid, afgegeven krachtens de Schepenwet;
c. schepen die voorzien zijn van een ander dan onder a
bedoeld geldig document, dat door de bevoegde autoriteiten in het
buitenland ten bewijze van de deugdelijkheid van het schip is
afgegeven en voor zover dat bij internationale regeling dan wel door
Onze Minister is erkend;
d. schepen, die bestemd zijn tot het redden van drenkelingen;
e. schepen, die bestemd zijn om louter door spierkracht te worden
voortbewogen;
f. woonschepen, anders dan voor de vaart gebruikt;
g. baggermolens, grind- of zandzuigers en andere drijvende
werktuigen van soortgelijke aard, die zich bevinden in een grind- of
zandgat;
h. schepen die in beheer zijn bij de Koninklijke Marine, alsmede
andere schepen die in beheer zijn bij het Ministerie van Defensie,
voor zover zij behoren tot de organieke uitrusting van het legerkorps;
i. schepen, die in gebruik zijn bij enige bondgenootschappelijke
krijgsmacht.
2. Het certificaat van onderzoek is evenmin vereist voor:
a. schepen, die in aanbouw zijn of waarmede een proefvaart wordt
ondernomen;
b. de in het eerste lid, aanhef, onder f, bedoelde
woonschepen, die worden versleept of waarmede naar of van een werf
wordt gevaren;
c. schepen, die hetzij hier te lande voor buitenlandse rekening
zijn gebouwd, hetzij naar het buitenland zijn verkocht, en die over de
binnenwateren naar hun bestemmingsplaats worden gebracht;
d. schepen die voorzien zijn van een geldig voorlopig certificaat
van onderzoek als bedoeld in artikel 5b .
Artikel 5
1. Het certificaat van onderzoek wordt op aanvraag afgegeven
door de inspecteur-generaal, indien na een onderzoek is gebleken dat
het schip voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen regelen, die betrekking kunnen hebben op de constructie, de
inrichting, de werktuigen, de uitrusting, het vrijboord, de
stabiliteit van het schip en de sleep- en duwverbindingen van schepen.
2. Ingeval tevens moet worden voldaan aan de in artikel 13,
eerste lid, aanhef, onder a , bedoelde regelen wordt het
certificaat niet eerder afgegeven dan nadat door een onderzoek gebleken
is dat ook aan die regelen is voldaan.
3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen verschillen met
het oog op de eigen omstandigheden van de vaart op bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen binnenwateren.
4. Het certificaat geeft aan voor welke binnenwateren het geldig
is en vermeldt tevens of het in het tweede lid bedoelde onderzoek is
ingesteld.
5. Aan een certificaat kunnen voorschriften worden verbonden
indien ouderdom, reeds bestaande of bijzondere constructie, inrichting,
werktuigen, of uitrusting van het schip het stellen van deze
voorschriften noodzakelijk maken. De voorschriften worden in het
certificaat vermeld. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van deze
voorschriften.
6. Onze Minister stelt het model van het certificaat vast.
Artikel 5a
1. Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde categorieën
van schepen van een of meer van de krachtens artikel 5, eerste lid,
gestelde regelen, zo nodig onder het geven van voorschriften,
vrijstelling verlenen, mits de veiligheid van de schepen en de
opvarenden voldoende gewaarborgd is.
2. De inspecteur-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen
ontheffing te verlenen van een of meer van de krachtens artikel 5,
eerste lid, gestelde regelen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en
beperkingen worden verbonden.
3. De inspecteur-generaal kan een krachtens het tweede lid
verleende ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften
en beperkingen niet worden nageleefd.
4. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van de voorschriften
en de beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5b
1. De inspecteur-generaal kan een voorlopig certificaat van
onderzoek afgeven voor schepen, behorende tot de categorieën, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, hetzij vooruitlopend op de afgifte van het
certificaat van onderzoek, hetzij in het geval dat de schepen een
zodanige schade hebben geleden dat de staat, waarin zij verkeren, niet
meer met het in het certificaat van onderzoek gestelde overeenstemt,
mits de veiligheid van het schip en de opvarenden voldoende
gewaarborgd is.
2. Het voorlopige certificaat van onderzoek wordt afgegeven voor
ten hoogste een maand.
3. Het voorlopige certificaat van onderzoek kan voorschriften
bevatten, die door de inspecteur-generaal in het belang van de
veiligheid van het schip of de opvarenden nodig worden geacht. De
eigenaar draagt zorg voor de naleving van deze voorschriften.
4. Onze Minister stelt het model vast van het voorlopige
certificaat van onderzoek.
Artikel 6
1. Het certificaat van onderzoek wordt afgegeven voor een
tijdvak van zeven jaren. Indien het echter schepen betreft die bestemd
zijn voor het vervoer van passagiers, wordt het certificaat van
onderzoek afgegeven voor een tijdvak van vier jaren.
2. Indien de toestand of de aard van het gebruik van het schip
daartoe aanleiding geeft, kan het certificaat worden afgegeven voor een
korter tijdvak dan in het vorige lid is vermeld.
3. Het tijdvak, waarvoor het certificaat wordt afgegeven, wordt
gerekend van de dag van afgifte af.
4. De in het eerste en tweede lid bedoelde tijdvakken kunnen in
bijzondere gevallen door de inspecteur-generaal met ten hoogste één
jaar worden verlengd.
Artikel 7
De eigenaar van een schip, waarvoor een certificaat van onderzoek is
afgegeven, draagt zorg dat de inspecteur-generaal onverwijld in kennis
wordt gesteld van:
a. belangrijke schade en herstellingen aan het schip;
b. verbouwingen en andere ingrijpende wijzigingen van het schip;
c. overgang van eigendom van het schip.
Artikel 8
1. Ten aanzien van schepen, waarvoor een certificaat van
onderzoek is afgegeven, wordt in de gevallen, bedoeld in artikel 7,
onder a en b , en bij vermoeden van ernstige gebreken
aan het schip, een onderzoek ingesteld. De eigenaar is verplicht om op
vordering van de ambtenaar van de dienst, belast met het onderzoek van
schepen, medewerking te verlenen aan dat onderzoek.
2. Het certificaat van onderzoek kan door de inspecteur-generaal
in de volgende gevallen ongeldig worden verklaard:
a. indien bij het onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan de in
artikel 5, eerste lid, bedoelde voorschriften;
b. indien bij het onderzoek blijkt dat bij gebruik van het schip de
veiligheid van de arbeid in gevaar wordt gebracht;
c. indien niet wordt voldaan aan de vordering tot medewerking aan
het onderzoek.
3. De ongeldigverklaring vindt niet plaats dan nadat de eigenaar
in de gelegenheid is gesteld de redenen voor de ongeldigverklaring weg
te nemen.
4. De inspecteur-generaal doet van een besluit tot
ongeldigverklaring mededeling in de Staatscourant.
5. Onverminderd artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt een besluit tot ongeldigverklaring in werking met ingang van de
dag na die waarop de in het vierde lid bedoelde mededeling is gedaan.
Artikel 9
1. De vaart met schepen, die voorzien moeten zijn van een
certificaat van onderzoek, en met schepen, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onder b en c, en tweede lid, kan worden
onderbroken door de ambtenaren van de divisie Scheepvaart en door de
door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe
aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren, indien de staat waarin
het schip zich bevindt zodanig is dat de veiligheid van het schip en
de opvarenden of van andere schepen en hun opvarenden onmiddellijk
gevaar loopt.
2. In geval van toepassing van het vorige lid is de schipper
verplicht het schip onverwijld en met inachtneming van de aanwijzingen
van de ambtenaar te voeren of te doen voeren naar een door de ambtenaar
geschikt geachte plaats.
3. De schipper is verplicht het schip op de aangewezen plaats te
laten liggen totdat de redenen voor het onderbreken van de vaart zijn
weggenomen.
4. De voorgaande leden zijn mede van toepassing op schepen,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a , voor zover zij zich
bevinden op enig binnenwater, niet zijnde de Rijn, de Lek of de Waal.
5. Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.
Artikel 10
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten
aanzien van schepen, die voorzien moeten zijn van een certificaat van
onderzoek, regelen gegeven, die betrekking kunnen hebben op het
handhaven van de deugdelijke staat van het schip, van de werktuigen en
de uitrusting, de belading van het schip, de inachtneming van het
vrijboord, het aantal personen dat ten hoogste kan worden toegelaten,
en hetgeen overigens in het belang van de veiligheid van het schip en
de opvarenden dient te worden verricht of nagelaten.
2. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van de in het vorige
lid bedoelde regelen.
Artikel 11
Een gelijke verplichting als die, welke bij de artikelen 5, vijfde
lid, 5a, vierde lid, 5b, derde lid, 7, 8, eerste lid, en
10, tweede lid, op de eigenaar van het schip is gelegd, rust op de
schipper.
Artikel 12
1. De kosten van behandeling van een aanvraag van een
certificaat van onderzoek, van het verlenen van een ontheffing en van
een onderzoek en daarmee samenhangende werkzaamheden komen ten laste
van de eigenaar van het schip.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid komen de
kosten van een onderzoek en daarmee samenhangende werkzaamheden, voor
zover deze worden verricht door de in artikel 27, eerste en tweede lid,
bedoelde diensten en personen, ten laste van het Rijk:
a. indien naar aanleiding van een vermoeden ten aanzien van de
aanwezigheid van ernstige gebreken aan het schip op grond van het
bepaalde in artikel 8 een onderzoek is ingesteld en hetzij bij dat
onderzoek, hetzij na een ingesteld beroep tegen de ongeldigverklaring
van het certificaat van onderzoek, gebleken is dat het vermoeden
onjuist is geweest;
b. indien op grond van het bepaalde in artikel 9 de vaart met een
schip is onderbroken en hetzij bij een daaropvolgend onderzoek, hetzij
na een ingesteld beroep tegen het onderbreken van de vaart, gebleken
is dat het onderbreken van de vaart met het schip ten onrechte is
geschied.
3. Bij regeling van Onze Minister worden de tarieven voor de
kosten van behandeling van een aanvraag van een certificaat en van een
ontheffing vastgesteld. Bij regeling van Onze Minister worden in
overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
Ministers de tarieven vastgesteld voor de onderzoeken en werkzaamheden,
voor zover deze worden verricht door de in artikel 27, eerste en tweede
lid, bedoelde diensten en personen.
Hoofdstuk IIa. De technische eisen voor de vaart op de Rijn in
Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek
Artikel 12a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende:
a. de bouw, inrichting en uitrusting van schepen die de Rijn in
Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, bevaren;
b. het onderzoek van schepen, hun uitrusting en de afgifte van
documenten ten behoeve van schepen die de in onderdeel a genoemde
scheepvaartwegen bevaren;
c. de instellingen en bedrijven die onderzoeken verrichten en
documenten afgeven als bedoeld in onderdeel b;
d. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast zijn
met de uitvoering van de in dit lid bedoelde regels.
2. Voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling
vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand
van onder andere de ouderdom van de schepen of hun uitrusting, de aard
van de schepen of hun uitrusting, het aantal inspecties, de aard, het
tijdstip en de plaats van de inspecties en de aard van de documenten.
Voor de werkzaamheden verricht door instellingen en bedrijven als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in deze regeling een
maximumtarief worden opgenomen.
3. Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen
in de binnenvaart of om proefnemingen mogelijk te maken, kunnen,
uitsluitend overeenkomstig de door de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart aangenomen resoluties, bij ministeriële regeling
voorschriften worden vastgesteld waarbij tijdelijke afwijkingen voor ten
hoogste drie jaren van de in het eerste lid bedoelde regels toegelaten
zijn.
Artikel 12b
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende:
a. eisen en keuringsvoorwaarden voor uitrusting, bestemd voor of
aanwezig op schepen die de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal
en de Lek, bevaren;
b. de keuring van uitrusting als bedoeld in onderdeel a en de
afgifte van met de keuring verband houdende documenten ten behoeve van
schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen bevaren;
c. de procedure van typekeuring van uitrusting als bedoeld in
onderdeel a en de afgifte van met de keuring verband houdende
documenten en aan te brengen merken, alsmede de aanwijzing en
erkenning van keuringsinstellingen en de intrekking daarvan;
d. de instellingen en bedrijven en de aanwijzing en erkenning
daarvan, die de inbouw of vervanging, de reparatie en het onderhoud
van uitrusting als bedoeld in onderdeel a verrichten;
e. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast zijn
met de uitvoering van de in dit lid bedoelde regels.
2. Voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling
vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand
van onder andere de ouderdom van de uitrusting, de aard van de
uitrusting, het aantal keuringen, de aard, het tijdstip en de plaats van
de keuring en de aard van de documenten. Voor de werkzaamheden verricht
door instellingen en bedrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdelen
c en d, kan in deze regeling een maximumtarief worden opgenomen.
Hoofdstuk IIb. De meting
Artikel 12c
1. Schippers van binnenschepen die ingevolge artikel 785,
eerste lid, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek teboekgesteld moeten
zijn, zijn bij gebruik van die schepen voorzien van een geldige
meetbrief, afgegeven volgens de voorschriften, bedoeld in het tweede
lid, dan wel een meetbrief als bedoeld in artikel 1.10, eerste lid,
onderdeel f, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van de op 15 februari 1966 te Genève tot stand gekomen
Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen (Trb.1967, 43),
regels gesteld betreffende:
a. de meting van binnenschepen;
b. de afgifte van meetbrieven;
c. de overige werkzaamheden samenhangend met de meting van
binnenschepen.
3. Voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, is een
vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling vast te
stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand van onder
andere de aard van de meting, de verplaatsing en de aard van het schip,
de aard van de meetbrieven en de aard van de werkzaamheden.
Hoofdstuk III. De arbeidsomstandigheden aan boord
Artikel 13
1. Ter bevordering van de arbeidsomstandigheden aan boord van
schepen bij gebruik op de binnenwateren worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regelen gegeven met betrekking tot:
a. de inrichting en de uitrusting van schepen;
b. de arbeid aan boord daarvan.
Onder arbeid aan boord van schepen wordt in de vorige zin niet
verstaan het laden en lossen van goederen.
2. De in het vorige lid bedoelde regelen zijn van toepassing voor
zover zij verenigbaar zijn met bij of krachtens de Herziene
Rijnvaartakte gegeven regelen.
3. Zij gelden met betrekking tot schepen, behorende tot de in
artikel 3, eerste lid, bedoelde categorieën, aan boord waarvan arbeid
pleegt te worden verricht, uitgezonderd:
a. voor wat betreft de regelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef,
onder a: schepen, die teboekstaan in een buitenlands register
voor binnenschepen en voor de vaart tussen het buitenland en Nederland
worden gebruikt;
b. voor wat betreft de regelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef,
onder a en b:
1°. schepen, uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt voor de vaart
ter zee;
2°. schepen die in beheer zijn bij de Koninklijke Marine,
alsmede andere schepen die in beheer zijn bij het Ministerie van
Defensie, voor zover zij behoren tot de organieke uitrusting van het
legerkorps;
3°. schepen, die in gebruik zijn bij enige
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
4°. baggermolens, grind- of zandzuigers en andere drijvende
werktuigen van soortgelijke aard.
Artikel 13a
1. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kan met betrekking tot bepaalde
categorieën van schepen van een of meer van de krachtens artikel 13,
eerste lid, gestelde regelen, zo nodig onder het geven van
voorschriften, vrijstelling verlenen, mits de arbeidsomstandigheden
aan boord voldoende gewaarborgd zijn.
2. De inspecteur-generaal, in overeenstemming met een door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder
hem ressorterende ambtenaar, is bevoegd om in bijzondere gevallen
ontheffing te verlenen van een of meer van de krachtens artikel 13,
eerste lid, gestelde regelen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en
beperkingen worden verbonden.
3. De inspecteur-generaal, in overeenstemming met een door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder
hem ressorterende ambtenaar, kan een krachtens het tweede lid verleende
ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften en
beperkingen niet worden nageleefd.
Artikel 14
1. Door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren kunnen in een
bepaald geval voorschriften geven met betrekking tot de naleving van
de in artikel 13 bedoelde regelen.
2. Indien omtrent de uitleg van de krachtens artikel 13, eerste
lid, aanhef en onder a , gestelde regels een onoverkomelijk
verschil van opvatting bestaat tussen een door Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar en
een belanghebbende, geeft een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid,
op verzoek van de belanghebbende zo spoedig mogelijk een verklaring
houdende een weergave van zijn opvatting.
3. Bij het geven van een voorschrift als bedoeld in het eerste
lid wordt een termijn bepaald, binnen welke er aan behoort te zijn
voldaan.
Artikel 15
1. De eigenaar van een schip, waarvoor regelen als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, gelden, draagt zorg dat die regelen alsmede de
krachtens artikel 13a gegeven voorschriften en beperkingen en
de krachtens artikel 14 gegeven voorschriften bij gebruik van het
schip op binnenwateren worden nageleefd.
2. Een gelijke verplichting rust op de schipper van het schip.
3. Degene, die arbeid verricht, waarop een regel of voorschrift
als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, aanhef, onder b, 13a,
eerste lid, en 14, eerste lid, of een aan een ontheffing verbonden
voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 13a, tweede lid,
betrekking heeft, is verplicht die regel, dat voorschrift of die
beperking, voor zover hij redelijkerwijs geacht kan worden daarmee
bekend te zijn, na te leven, voor zover en op de wijze als bij die
regel, dat voorschrift of die beperking is bepaald.
Hoofdstuk IV. Het vaarbewijs
Artikel 16
1. Een schipper is bij het varen op de binnenwateren in het
bezit van een geldig groot vaarbewijs, indien hij vaart met:
a. een schip met een lengte van 20 meter of meer, dat bedrijfsmatig
wordt gebruikt of voor bedrijfsmatig gebruik is bestemd;
b. een schip, dat wordt gebruikt of is bestemd voor het
bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen, buiten de bemanning;
c. een schip, dat wordt gebruikt om een schip met een lengte van 20
meter of meer te slepen, langszij vastgemaakt mee te voeren of te
duwen.
2. Onverminderd het eerste lid, is een schipper bij het varen op
de binnenwateren in het bezit van een geldig klein vaarbewijs, indien
hij vaart met:
a. een schip met een lengte van 15 meter of meer dat niet
bedrijfsmatig wordt gebruikt;
b. een schip met een lengte tussen de 15 en 20 meter dat
bedrijfsmatig wordt gebruikt of voor bedrijfsmatig gebruik is bestemd;
c. een sleep- of duwboot;
d. een motorboot met een lengte van minder dan 15 meter die een
snelheid van meer dan 20 kilometer per uur kan bereiken.
3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op schepen die
zich op de Rijn in Nederland, op de Lek of de Waal bevinden, voor zover
deze toepassing verenigbaar is met bij of krachtens de Herziene
Rijnvaartakte gegeven regelen.
4. Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de schipper
voorzien van een groot, dan wel een klein vaarbewijs, voor rivieren
kanalen en meren. Voor de vaart op de overige binnenwateren is de
schipper voorzien van een groot, dan wel klein vaarbewijs, voor alle
binnenwateren.
5. Het groot vaarbewijs is geldig voor het varen met alle
schepen.
6. De vaarbewijzen worden afgegeven door Onze Minister.
7. De modellen van de vaarbewijzen worden bij regeling van Onze
Minister vastgesteld.
Artikel 17
1. Het vaarbewijs is niet vereist:
a. indien het een schip betreft in beheer bij de Koninklijke
Marine, of een ander schip in beheer bij het Ministerie van Defensie,
voor zover het behoort tot de organieke uitrusting van het legerkorps,
of indien het een schip betreft in gebruik bij enige
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
b. indien het schip bestemd is tot het redden van drenkelingen;
c. indien het schip bestemd is om louter door spierkracht te worden
voortbewogen;
d. indien het schip wordt gebruikt voor grind- of zandwinning in
den natte en zich bevindt in een grind- of zandgat;
e. indien het schip uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor
de vaart ter zee en de schipper is voorzien van een bewijs van
bekwaamheid voor de zeevaart, afgegeven door een bevoegde autoriteit
in Nederland of in het buitenland;
f. indien de schipper is voorzien van een groot patent als bedoeld
in artikel 1.05 van het Patentreglement Rijn, dan wel van een
krachtens artikel 4.01 van dat reglement geldig Rijnschipperspatent of
groot patent;
g. indien de schipper is voorzien van een bewijs van bekwaamheid
voor de binnenvaart, dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit in
het buitenland en voor zover dat bij internationale regeling dan wel
door Onze Minister is erkend voor de daarbij aan te geven categorie
schepen;
h. indien het een schip betreft dat behoort tot een door Onze
Minister aangewezen categorie schepen, de schipper is voorzien van een
door Onze Minister aangewezen bewijs van bekwaamheid dat is erkend
ingevolge onderdeel g, en de schipper of een ander lid van de
dekbemanning is voorzien van een door Onze Minister aangewezen
aanvullend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart, dat is
afgegeven door een bevoegde autoriteit in het buitenland.
2. Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde categorieën van
schippers vrijstelling verlenen van de in artikel 16 bedoelde
verplichting, zo nodig onder het geven van voorschriften, indien de
veilige vaart met het schip op binnenwateren voldoende gewaarborgd is.
De schipper draagt zorg voor de naleving van de voorschriften.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in artikel 16
bedoelde verplichting, indien naar zijn oordeel de veilige vaart met het
schip op binnenwateren voldoende gewaarborgd is. Aan een ontheffing
kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De schipper draagt
zorg voor de naleving van de voorschriften en de beperkingen.
4. Onze Minister kan een krachtens het derde lid verleende
ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften en
beperkingen niet worden nageleefd.
Artikel 18 [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 19
1. Afgifte van een vaarbewijs vindt
plaats na overlegging van verklaringen, waaruit blijkt dat de aanvrager
voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
eisen, die betrekking hebben op:
a. de algemene lichamelijke geschiktheid, de geestelijke
geschiktheid en de geschiktheid van de gezichts- en gehoororganen;
b. de kennis en bekwaamheid om het schip te voeren.
2. De aan de aanvrager van het vaarbewijs te stellen eisen kunnen
tevens betrekking hebben op de tijd, doorgebracht als lid van de
dekbemanning aan boord van een schip.
3. De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen verschillend zijn
naar gelang het betreft een vaarbewijs voor de vaart op de rivieren,
kanalen en meren, of voor de vaart op alle binnenwateren en naar gelang
het betreft een klein of een groot vaarbewijs.
4. Ter uitvoering van het eerste lid worden persoonsgegevens
betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens
vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de aanvrager voldoet aan
de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen
betreffende de algemene lichamelijke geschiktheid, de geestelijke
geschiktheid en de geschiktheid van de gezichts- en gehoororganen. Onze
Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 20
Een vaarbewijs wordt niet afgegeven aan degene die de leeftijd van 18
jaren nog niet heeft bereikt.
Artikel 21
1. Onze Minister wijst artsen aan die onderzoeken of door de
aanvrager van een vaarbewijs wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, aanhef, onder a. Zij geven een
verklaring af indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft
plaatsgevonden. Indien uit het onderzoek blijkt, dat het om een
beperkte geschiktheid gaat, kunnen aan het vaarbewijs voorschriften
worden verbonden, die op het vaarbewijs worden opgenomen.
2. Wordt de afgifte van een verklaring geweigerd, dan wordt op
verzoek van de aanvrager door een door Onze Minister aangewezen
deskundige, niet zijnde de arts die het onderzoek heeft verricht,
nogmaals onderzocht of aan de aanvrager een verklaring, als bedoeld in
het vorige lid, kan worden afgegeven. Indien uit het onderzoek blijkt,
dat het om een beperkte geschiktheid gaat, kunnen aan het vaarbewijs
voorschriften worden verbonden, die op het vaarbewijs worden opgenomen.
3. Bij de weigering wordt de aanvrager opmerkzaam gemaakt op het
bepaalde in het vorige lid, indien hij nog niet door een deskundige is
onderzocht.
Artikel 22
1. Het onderzoek of de aanvrager voldoet aan de eisen bedoeld
in artikel 19, eerste lid, aanhef, onder b, en tweede lid,
geschiedt door instellingen of personen, die door Onze Minister worden
aangewezen. Zij geven een verklaring af indien het onderzoek met
gunstig gevolg heeft plaatsgevonden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regelen gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek
en de wijze van onderzoek.
3. Onze Minister kan de aanwijzing ingevolge het eerste lid
intrekken indien de in het vorig lid bedoelde regelen niet in acht
worden genomen.
4. Onze Minister wijst gecommitteerden aan die het onderzoek
kunnen bijwonen. Zij ontvangen ten laste van het Rijk vergoeding van
reis- en verblijfkosten alsmede, voor zover hun benoeming haar oorzaak
niet vindt in het ambt dat zij bekleden, vacatiegelden.
Artikel 23
1. Het onderzoek, bedoeld in artikel 21, blijft achterwege:
a. indien de aanvrager het klein vaarbewijs wenst te verkrijgen;
b. indien de aanvrager reeds een vaarbewijs bezit en hij tevens de
50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt;
c. indien de aanvrager niet langer dan drie maanden tevoren een
overeenkomstig onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan.
2. In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt volstaan met
een eigen verklaring van de aanvrager, waaruit blijkt dat hij
lichamelijk, in het bijzonder voor wat betreft zijn gezichts- en
gehoororganen, en geestelijk geschikt is voor het beoefenen van de vaart
op de binnenwateren.
3. Het onderzoek, bedoeld in artikel 22, kan geheel of
gedeeltelijk achterwege blijven indien de aanvrager in het bezit is van:
a. een geldig vaarbewijs;
b. een vaarbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur;
c. een ander bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenvaart, dat
door Onze Minister is erkend.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regelen gegeven met betrekking tot het bepaalde in de vorige leden.
Artikel 23a
1. Het groot vaarbewijs, afgegeven voor de 50-jarige leeftijd
van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 50 jaar
en drie maanden bereikt.
2. Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de
50-jarige, doch voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd van de
houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 55 jaar en drie
maanden bereikt.
3. Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de
55-jarige, doch voor het bereiken van de 60-jarige leeftijd van de
houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar en drie
maanden bereikt.
4. Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de
60-jarige, doch voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de
houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar en drie
maanden bereikt.
5. Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de
65-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot drie maanden na de
eerstvolgende verjaardag van de houder.
Artikel 24
1. Het klein vaarbewijs, afgegeven voor de 65-jarige leeftijd
van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd
bereikt.
2. In afwijking van het eerste lid is het klein vaarbewijs,
afgegeven voor de 65-jarige leeftijd doch na het bereiken van de
62-jarige leeftijd van de houder, drie jaar geldig.
3. Het klein vaarbewijs, afgegeven nadat de houder de 65-jarige
leeftijd heeft bereikt, is drie jaar geldig.
Artikel 25
1. Op vordering van Onze Minister is de schipper te wiens naam
een geldig vaarbewijs staat en te wiens aanzien een vermoeden van
lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot of onbekwaamheid in het
voeren van het schip bestaat, verplicht zich te onderwerpen aan een
onderzoek.
2. Bij vermoeden van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid
wordt het onderzoek ingesteld naar de algemene lichamelijke of
geestelijke geschiktheid dan wel naar de geschiktheid van de gezichts-
of gehoororganen op de voet van het bepaalde bij of krachtens artikel
21. Bij vermoeden van onbekwaamheid wordt het onderzoek ingesteld op de
voet van het bepaalde bij of krachtens artikel 22. Artikel 23 is in de
in dit lid bedoelde gevallen niet van toepassing.
3. Indien bij een in het vorige lid bedoeld onderzoek de afgifte
van een verklaring wordt geweigerd, of indien de schipper niet aan de in
het eerste lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een geldige
reden daartoe blijkt, kan degene die met de afgifte van vaarbewijzen is
belast het afgegeven vaarbewijs ongeldig verklaren.
4. Degene die met de afgifte van vaarbewijzen is belast, doet van
een besluit tot ongeldigverklaring mededeling in de Staatscourant.
5. Onverminderd artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt een besluit tot ongeldigverklaring in werking met ingang van de
dag na die waarop de in het vierde lid bedoelde mededeling is gedaan.
6. Ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid worden
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 16 van
de Wet bescherming persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze
gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van
lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de schipper. Onze
Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 26
1. De kosten van behandeling van de aanvrage van het vaarbewijs
of van een ontheffing en de kosten, welke verbonden zijn aan de in
deartikelen 21 en 22 bedoelde onderzoeken, komen ten laste van de
aanvrager.
2. Indien bij een in artikel 25 bedoeld onderzoek de
ongeschiktheid of onbekwaamheid van de schipper niet blijkt, komen de
kosten van het onderzoek ten laste van het Rijk.
3. Bij regeling van Onze Minister worden de tarieven voor de
kosten vastgesteld.
Hoofdstuk IVa. De bevoegdheidsbewijzen voor de vaart op de Rijn in
Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek
Artikel 26a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende:
a. de voorwaarden die gesteld worden aan personen die werkzaam zijn
op schepen die de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de
Lek, bevaren;
b. de onderzoeken voorafgaand aan de afgifte, alsmede de afgifte
van bevoegdheidsbewijzen en verklaringen ten behoeve van personen
werkzaam op schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen
bevaren;
c. de instellingen en bedrijven en de aanwijzing en erkenning
daarvan die onderzoeken verrichten en documenten afgeven als bedoeld
in onderdeel b;
d. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast zijn
met de uitvoering van deze regels.
2. Voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling
vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand
van onder andere de aard van de examens, de aard van
bevoegdheidsbewijzen en verklaringen ten behoeve van personen en de aard
van de mutaties die daarin worden aangebracht. Voor werkzaamheden
verricht door instellingen en bedrijven als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, kan in deze regeling een maximumtarief worden opgenomen.
Hoofdstuk V. Onderzoek en toezicht
Artikel 27
1. De ambtenaren van de divisie Scheepvaart en de door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem
ressorterende ambtenaren zijn belast met het onderzoek van schepen.
Zij onderzoeken of voldaan wordt aan de regelen bedoeld in de
artikelen 5, eerste lid, en 13, eerste lid, aanhef, onder a .
Onze Ministers kunnen beleidsregels vaststellen ten aanzien van de
taakvervulling door deze ambtenaren.
2. Onze Ministers kunnen in overeenstemming met Onze bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen Ministers andere diensten en personen
aanwijzen, die voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden,
samenhangende met het onderzoek van schepen, ter beschikking worden
gesteld van de divisie Scheepvaart of de door Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren.
3. Voor de krachtens het tweede lid aangewezen diensten en
personen, ressorterende onder een ander departement dan dat van Onze
Ministers, worden beleidsregels betreffende de vervulling van hun in het
tweede lid bedoelde taak niet gesteld dan in overeenstemming met Onze
Ministers.
4. Van een krachtens het tweede lid vastgesteld besluit wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. Door Ons kunnen onderzoekingsbureaus worden aangewezen wier
verklaringen, dat de constructie, de inrichting, de werktuigen en de
uitrusting van een schip voldoen aan hun voorschriften, dan wel aan de
in artikel 5, eerste lid, bedoelde regelen, in aanmerking worden genomen
bij het onderzoek van schepen.
6. Onze Ministers kunnen instellingen of personen aanwijzen voor
het verrichten van bepaalde werkzaamheden, samenhangend met het
onderzoek van schepen. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant. Het bepaalde in het eerste lid, tweede en derde
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
7. Het onderzoek van schepen wordt bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nader geregeld.
Artikel 28
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde zijn belast de ambtenaren van de divisie Scheepvaart
en de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren.
2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet en de Herziene Rijnvaartakte zijn voorts belast de
bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. Indien Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen
aanwijst, doet hij dit eveneens in overeenstemming met de desbetreffende
besturen.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 29
1. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd
in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. De toezichthouder dan wel de inspecteur, bedoeld in artikel
1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet, is bevoegd
afgifte te vorderen van ongeldige certificaten van onderzoek en
vaarbewijzen.
Hoofdstuk VI
§ 1. Beroep tegen beschikkingen betreffende de veiligheid van de
vaart
Artikel 30
1. Tegen een beschikking, gegeven op grond van het bepaalde in
deartikelen 5, eerste en vierde lid, 5a, tweede lid, 5b,
eerste en derde lid, 8, tweede lid, aanhef, onder a en c
, en 54, staat beroep open bij Onze Minister.
2. Beroep bij Onze Minister staat eveneens open tegen een
beschikking, gegeven op grond van het bepaalde in de artikelen 5, vijfde
lid, 6, tweede lid, en 9, eerste lid juncto vierde lid, indien de
beschikking de veiligheid van de vaart betreft.
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 32 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 33 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 34 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 35 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 36 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 37 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 38 [Vervallen per 01-07-1999]
§ 2. Beroep tegen beschikkingen betreffende de arbeidsomstandigheden
Artikel 39
1. Tegen een beschikking, gegeven op
grond van het bepaalde in de artikelen 5, tweede lid, 8, tweede lid,
aanhef, onder b , 13a, tweede en derde lid, en 14, eerste
lid, en tegen een verklaring, bedoeld in artikel 14, tweede lid, staat
beroep open bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. Beroep bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
staat eveneens open tegen een beschikking, gegeven op grond van het
bepaalde in de artikelen 5, vijfde lid, 6, tweede lid en 9, eerste lid
juncto vierde lid, voor zover de beschikking de arbeidsomstandigheden
betreft.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 43
Behalve waar het een beschikking betreft, gegeven krachtens de
artikelen 8, tweede lid, aanhef, onder b, en 9, eerste lid juncto vierde
lid, vloeit uit een beschikking, waarvan beroep kan worden ingesteld,
geen verplichting voort gedurende de termijn waarbinnen beroep ingevolge
artikel 39 kan worden ingesteld en zolang op een zodanig beroep niet is
beslist.
Hoofdstuk VII. Strafbepalingen
Artikel 44
De eigenaar van een schip, dat niet voorzien is van een geldig
certificaat van onderzoek in de gevallen waarin dit ingevolge hoofdstuk
II wordt vereist, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee
weken of geldboete van de derde categorie.
Artikel 45
Handelen of nalaten in strijd met een verplichting voortvloeiende uit
het bepaalde in de artikelen 3, tweede lid, 5, vijfde lid, 5a,
vierde lid, 5b, derde lid, 7, 10, tweede lid, 11, 15 en 17,
tweede en derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een
week of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 46
De schipper die niet is voorzien van een geldige meetbrief als
bedoeld in artikel 12c, eerste lid, of die niet in het bezit is van een
geldig vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste een week of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 47
De in dit hoofdstuk strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 48
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet en de bij
de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de in artikel
28 genoemde ambtenaren, die daartoe door Onze Minister van Justitie en
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, zijn aangewezen, waarbij artikel 28, tweede lid,
tweede volzin, van overeenkomstige toepassing is. Met de opsporing van
de bij de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, voorts
belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake
douane. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de
feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184
van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking
hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door
henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 49
1. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de in artikel 48 bedoelde ambtenaren.
2. De in artikel 48 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder
toestemming van de bewoner.
3. De in artikel 48 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd afgifte te
vorderen van ongeldige certificaten van onderzoek en vaarbewijzen.
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 52
1. De ingevolge deze wet afgegeven
documenten moeten aan boord van het schip aanwezig zijn.
2. Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde soorten schepen
vrijstelling verlenen van de in het vorige lid bedoelde verplichting.
Artikel 52a
1. Op de eerste vordering van de in de artikelen 28 en 48
bedoelde ambtenaren is de schipper verplicht de volgende documenten
behoorlijk ter inzage af te geven:
a. een geldig certificaat van onderzoek dan wel een document als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b, of c, of tweede lid,
onder d;
b. een geldig vaarbewijs dan wel een document als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, onder e, f of g, of een bewijs van een
ontheffing als bedoeld in artikel 17, derde lid;
c. een geldige meetbrief.
2. Handelen of nalaten in strijd met een verplichting,
voortvloeiende uit het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk VIII
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 54
1. Indien niet wordt voldaan aan de in
artikel 5, eerste lid, bedoelde regelen ten aanzien van:
a. schepen waarvan de bouw was voltooid;
b. schepen waarvoor het bouwcontract was gesloten;
c. schepen waarvoor geen bouwcontract is gesloten, maar waarvan de
kiel was gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar
stadium bevond;
een en ander op het tijdstip van het in werking treden van artikel 5,
wordt op aanvraag een certificaat van onderzoek afgegeven als bedoeld
onder artikel 5, vijfde lid, mits voorzieningen zijn getroffen welke
voldoen aan de eisen, neergelegd in de algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 10.
2. Het vorige lid is niet van toepassing met betrekking tot
schepen, die na het in werking treden van artikel 5 uit het buitenland
worden gekocht.
Artikel 55
1. In afwijking van artikel 19 wordt een vaarbewijs afgegeven
aan een ieder, die bij het in werking treden van artikel 19:
a. als schipper werkzaam is en sedert het tijdstip, gelegen drie
jaren voor het in werking treden van artikel 19, als schipper werkzaam
is geweest aan boord van een schip, dat tot de in artikel 16 bedoelde
categorieën behoort en waarmede bedrijfsmatig op binnenwateren wordt
gevaren, of
b. in eigendom heeft en sedert het tijdstip, gelegen drie jaren
voor het in werking treden van artikel 19 in eigendom heeft gehad een
schip, dat tot de in artikel 16 bedoelde categorieën behoort en
waarmede niet bedrijfsmatig wordt gevaren, of
c. in het bezit is van een bewijs van vaarbekwaamheid voor de
binnenvaart, dat afgegeven is voor de bedrijfsmatige vaart en dat door
Onze Minister is erkend, of
d. in het bezit is van een bewijs van vaarbekwaamheid voor de
binnenvaart, dat afgegeven is voor de niet-bedrijfsmatige vaart en dat
door Onze Minister is erkend.
2. De aanvrage ter verkrijging van het vaarbewijs dient uiterlijk
een jaar na het in werking treden van artikel 19 te worden ingediend.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder a
en c, onderscheidenlijk b en d, wordt afgegeven het
groot vaarbewijs, onderscheidenlijk het klein vaarbewijs.
4. Indien de aanvrager bij het in werking treden van artikel 19
65 jaar of ouder is, wordt het vaarbewijs niet eerder afgegeven dan
nadat de verklaringen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef, onder a
, zijn overgelegd.
5. Het vaarbewijs is geldig voor de vaart op alle binnenwateren.
Artikel 55a
1. Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan
de houder de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt op de datum van
inwerkingtreding van artikel 23a, is geldig tot de dag waarop de
houder de leeftijd van 50 jaar en drie maanden bereikt.
2. Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de
houder de 50-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van
inwerkingtreding van artikel 23a, is geldig tot de dag waarop de houder
de leeftijd van 55 jaar en drie maanden heeft bereikt.
3. Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de
houder de 55-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van
inwerkingtreding van artikel 23a, is geldig tot de dag waarop de houder
de leeftijd van 60 jaar en drie maanden heeft bereikt.
4. Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de
houder de 60-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van
inwerkingtreding van artikel 23a, is geldig tot de dag waarop de houder
de leeftijd van 65 jaar en drie maanden heeft bereikt.
5. Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de
houder de 65-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van
inwerkingtreding van artikel 23a, is geldig tot drie maanden na de
eerstvolgende verjaardag van de houder.
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 56
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 56a
in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen,
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking
is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit
naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 56a
De bepalingen van en krachtens deze wet ten aanzien van schepen en
schippers gelden slechts voor zover zulks bij algemene maatregel van
bestuur is bepaald.
Artikel 57 [Vervallen per 05-04-2000]
Artikel 58
1. Indien in deze wet geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere
regeling behoeven, kan deze geschieden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in de artikelen 3, tweede lid, 5, eerste lid, 10, eerste lid, 13, eerste
lid en 19, eerste lid, wordt Ons niet gedaan dan twee maanden nadat een
ontwerp-tekst van die maatregel in de Staatscourant is bekend
gemaakt en daarvan aan de Staten-Generaal mededeling is gedaan.
Artikel 59
De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft
ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd,
voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.
Artikel 60
De Wet van 23 April 1880, S. 67, betreffende de openbare
middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten, wordt
ingetrokken.
Artikel 61 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 62
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 63
Deze wet kan worden aangehaald als: Binnenschepenwet.
Artikel 64
De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld met betrekking tot door Ons te
bepalen categorieën schepen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 30 september 1981
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C.Th. van der Doef
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Den Uyl
Uitgegeven de vierentwintigste november 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|