| |
|
|
|
|
vorige
BOSWET
Tekst zoals deze geldt op
18 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit herbeplanting ex
artikel 3 Boswet
- Regeling
meldings- en herplantplicht
WET van 20 juli 1961, houdende nieuwe
bepalingen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen vast te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Afdeling I. Algemene bepaling
Artikel 1
1. Deze wet
verstaat onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw en Visserij;
eigenaar: hij, die krachtens eigendom of een beperkt recht het genot
heeft van grond;
dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter
bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden
beschouwd.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder herbeplanten mede
begrepen herbebossen en wordt onder vellen mede begrepen rooien alsmede
het verrichten van handelingen, welke de dood of ernstige beschadiging
van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
3. Het periodieke vellen van griend- en hakhout wordt voor de
toepassing van deze wet niet onder vellen begrepen.
4. De hierna volgende artikelen van deze wet zijn, behoudens het
bepaalde in afdeling VII, niet van toepassing op:
a. houtopstanden op erven en in tuinen;
b. andere houtopstanden dan op erven en in tuinen binnen een
bebouwde kom als bedoeld in het volgende lid;
c. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen;
d. Italiaanse populier, linde, paardenkastanje en treurwilg;
e. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
f. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaren, bestemd om te dienen
als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
terreinen;
g. kweekgoed.
5. De gemeenteraad stelt bij besluit vast, welke voor de
toepassing van deze wet de grenzen van de bebouwde kom of kommen der
gemeente zijn. Dit besluit behoeft de goedkeuring van gedeputeerde
staten. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang. Gedeputeerde Staten kunnen voor een door hen te
bepalen termijn van deze verplichting ontheffing verlenen. Het ontwerp
van het door de gemeenteraad te nemen besluit ligt gedurende dertig
dagen ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage. De burgemeester
maakt de nederlegging tevoren in de Staatscourant, in één of
meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden, en
voorts op de gebruikelijke wijze bekend.
Afdeling II. Velling en herbeplanting
Artikel 2
1. Hij, die het voornemen heeft om tot vellen of doen vellen
van houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, over te gaan, is
verplicht van dat voornemen ten minste één maand doch niet langer
dan één jaar tevoren door toezending van een formulier, dat als
aangetekend stuk wordt verzonden, kennis te geven aan Onze Minister
alsmede, zo hij niet de eigenaar is van de te ontbloten grond, ook aan
deze laatste. Onze Minister stelt het model voor dit formulier vast.
Onze Minister zendt onverwijld een bevestiging van de ontvangst van de
kennisgeving.
2. De in het vorige lid bedoelde afzender is verplicht het
formulier juist en volledig in te vullen en te ondertekenen.
3. Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij
wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als
bedoeld in het eerste lid is gedaan.
Artikel 3
1. De eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan
bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is
verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het
tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.
2. De in het vorige lid bedoelde eigenaar is tevens verplicht
beplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaren na de herbeplanting
te vervangen.
3. De in de voorgaande leden bedoelde eigenaar kan aan Onze
Minister een verklaring vragen, inhoudende dat de door hem voorgestelde
herbeplanting voldoet aan de regelen, krachtens het eerste lid gesteld.
Artikel 4
Hij, die de eigendom van grond als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
overdraagt of een gebruiksrecht daarop vestigt of overdraagt, is
verplicht aan de verkrijger kennis te geven van het bestaan van de
verplichting tot herbeplanting en van haar omvang en daarvan
uitdrukkelijk in de akte van levering, vereist voor de overdracht of
vestiging, te doen blijken.
Artikel 5
1. Het bepaalde bij de artikelen 2 en 3 vindt geen toepassing,
indien de grond, waarop de velling zal worden verricht of waarop zich
de gevelde of tenietgegane houtopstand bevond, nodig is voor de
uitvoering van een werk overeenkomstig het bestemmingsplan.
2. Het bepaalde bij de artikelen 2 en 3 vindt voorts geen
toepassing ten aanzien van houtopstanden, welke een zelfstandige eenheid
vormen, en hetzij geen grotere oppervlakte beslaan dan 10 are, hetzij
ingeval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet
meer bomen omvatten dan 20.
Artikel 6
1. Onze Minister kan bij regeling voor door hem daarbij aan te
wijzen groepen van gevallen, al dan niet onder voorwaarden,
vrijstelling van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3
verlenen.
2. Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 2 en 3, al dan niet onder voorwaarden,
ontheffing verlenen.
Afdeling III. Beroep
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 8
Tegen een op grond van Afdeling II genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Afdeling IV
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1998]
Afdeling V
Artikel 12 [Vervallen per 21-02-1997]
Afdeling VI. Kapverbod
Artikel 13
1. Onze Ministers van Onderwijs, Kunsten
en Wetenschappen en van Landbouw en Visserij kunnen ter bewaring van
natuur- en landschapsschoon het vellen en doen vellen, anders dan bij
wijze van dunning, van bossen en andere houtopstanden telkens voor ten
hoogste vijf jaar verbieden.
2. De bekendmaking van een besluit houdende een verbod als
bedoeld in het eerste lid, geschiedt door toezending of uitreiking aan
de gebruiker van de grond waarop de houtopstand zich bevindt en, indien
deze niet de eigenaar van die grond is, tevens aan deze laatste. Van het
besluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. Een verbod als bedoeld in het eerste lid kan niet worden
opgelegd in het geval, omschreven in artikel 5, eerste lid.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde gebruiker of eigenaar
tengevolge van een verbod, als bedoeld in het eerste lid, schade lijdt,
welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
blijven, kennen Onze in het eerste lid genoemde Ministers hem op zijn
verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding uit 's Lands
kas toe.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1994]
Afdeling VII. Voorzieningen door andere openbare lichamen
Artikel 15
1. De aan andere openbare lichamen
toekomende bevoegdheden worden ten aanzien van de onderwerpen, waarin
deze wet voorziet, slechts beperkt door hetgeen hierna uitdrukkelijk is
bepaald.
2. De provinciale staten en de gemeenteraad zijn niet bevoegd
regelen te stellen ter bewaring van:
a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen,
tenzij deze zijn geknot;
b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen
als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
terreinen;
d. kweekgoed.
3. Voorts zijn de in het vorige lid bedoelde colleges niet
bevoegd regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere
houtopstanden, welke deel uitmaken van bosbouwondernemingen, die als
zodanig bij het Bosschap geregistreerd staan, en niet gelegen zijn
binnen een bebouwde kom als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, behoudens
ter bewaring van houtopstanden als bedoeld in artikel 5, tweede lid.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 17
Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van
een krachtens provinciale of gemeentelijke verordening genomen besluit,
houdende een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot
ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt,
welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te
blijven, kennen de in de provinciale, onderscheidenlijk de gemeentelijke
verordening aangewezen organen hem op zijn verzoek een naar billijkheid
te bepalen schadevergoeding uit de provinciale, onderscheidenlijk de
gemeentekas toe.
Afdeling VIII. Straf-, slot- en overgangsbepalingen
Artikel 18 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 20
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 22
1. Ingetrokken worden:
a. de Boschwet 1922 (wet van 19 mei 1922, Stb. 349);
b. de Bodemproductiebeschikking 1949 Bosbouw en Houtteelt (Stcrt.
184);
2. [Wijzigt de Overgangswet Bodemproductie 1950]
Artikel 23
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Artikel 24
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel van "Boswet".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Het Loo, 20 juli 1961
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
De Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
Y. Scholten
Uitgegeven de tweeëntwintigste augustus 1961
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|
|
|