| |
|
|
|
|
vorige
BRANDWEERWET
1985
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit bedrijfsbrandweren
- Besluit brandweerpersoneel
- Besluit draagbare blustoestellen 1997
- Besluit kwaliteitscriteria planvorming rampenbestrijding
- Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding
- Besluit risico’s zware ongevallen 1999
- Besluit territoriale indeling brandweer- en GHOR-regio's
- Regeling
risico's zware ongevallen 1999'
WET van 30 januari 1985, houdende nieuwe
regels met betrekking tot het brandweerwezen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat
nieuwe regels met betrekking tot het brandweerwezen worden vastgesteld;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Met betrekking tot het brandweerwezen wordt de volgende wet
vastgesteld:
Artikel 1
1. Er is in elke
gemeente een gemeentelijke brandweer, behoudens indien ingevolge
samenwerking met andere gemeenten een regeling ter zake tot stand
gekomen is.
2. Burgemeester en wethouders regelen de organisatie, het beheer
en de taak van de gemeentelijke brandweer.
3. De regels inzake de organisatie betreffen in elk geval de
personeels- en materieelssterkte. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen over de minimumsterkte voorschriften worden gegeven.
4. Burgemeester en wethouders hebben de zorg voor:
a. het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken
van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en
al hetgeen daarmee verband houdt;
b. het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij
ongevallen anders dan bij brand.
5. Burgemeester en wethouders zijn belast met het benoemen,
schorsen en ontslaan van het personeel van de gemeentelijke brandweer.
6. De taak van de brandweer bestaat in elk geval uit de
feitelijke uitvoering van werkzaamheden ter zake van de in het vierde
lid genoemde onderwerpen alsmede ter zake van het beperken en bestrijden
van rampen en zware ongevallen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
rampen en zware ongevallen.
Artikel 2
Besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van de in artikel
1, tweede lid, bedoelde regels worden binnen een week na de vaststelling
aan gedeputeerde staten gezonden.
Artikel 3
1. Op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, wordt bij algemene maatregel van
bestuur een verdeling van gemeenten in regio's vastgesteld. De
colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren
tot één regio treffen een gemeenschappelijke regeling teneinde een
doelmatig georganiseerde en gecoördineerde uitvoering van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 1, zesde lid, te bewerkstelligen en
overigens een goede hulpverlening bij een ongeval of ramp te
bevorderen.
2. De verdeling van gemeenten in regio's, bedoeld in het eerste
lid, is gelijk aan de verdeling in de bijlage behorend bij de Politiewet
1993, met dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken, indien dat
noodzakelijk is voor een doelmatig georganiseerde en gecoördineerde
uitvoering van de werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de
rampenbestrijding.
3. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur, waarbij
een van de bijlage bij de Politiewet 1993 afwijkende verdeling van
gemeenten in regio's wordt voorgesteld, vindt niet plaats dan nadat
gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied de betrokken
regio's zijn gelegen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties gedurende een periode van ten minste acht weken in
de gelegenheid zijn gesteld daaromtrent een advies uit te brengen.
Gedeputeerde staten betrekken in hun advies de zienswijzen terzake van
alle bij het advies betrokken openbare lichamen.
Artikel 4
1. Bij de regeling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt
een openbaar lichaam met de aanduiding regionale brandweer ingesteld.
Het openbaar lichaam is rechtspersoon. Bij deze regeling worden door
de deelnemende gemeenten aan het bestuur van de regionale brandweer in
elk geval de volgende taken opgedragen:
1°. Het zorgdragen voor:
a. het instellen en in stand houden van een regionale
brandweeralarmcentrale;
b. het aanschaffen en beheren van gemeenschappelijk materieel;
c. het benoemen, schorsen en ontslaan van de commandant en het
overige personeel van de regionale brandweer en het vaststellen van
een instructie voor het personeel;
d. het beschikbaar stellen van personeel en materieel in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 8 en 9;
e. het voorbereiden van de coördinatie bij de bestrijding van
rampen en zware ongevallen;
f. het voorbereiden van de organisatie voor het optreden van de
brandweer in buitengewone omstandigheden en het regelen van de
operationele leiding bij de bestrijding van rampen en zware
ongevallen;
g. het verzamelen en evalueren van gegevens ten behoeve van de
waarschuwing en alarmering van de bevolking in geval van een ramp of
een zwaar ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;
h. het waarschuwen van de bevolking door middel van het
sirenenet, het verkennen van gevaarlijke stoffen en het verrichten
van ontsmetting;
2°. het vaststellen van:
a. een beheersplan als bedoeld in artikel 5 van de Wet rampen en
zware ongevallen;
b. een organisatieplan als bedoeld in artikel 4a.
3°. het adviseren van de colleges van burgemeester en wethouders:
a. op het gebied van de brandpreventie,
b. ter zake van voorbereidende maatregelen op het gebied van de
brandbestrijding en -beperking in bepaalde objecten,
c. over het aanschaffen van materieel, een en ander
overeenkomstig de in de regeling neergelegde regels.
4°. het verzorgen van:
a. oefeningen met het oog op het optreden in groter verband;
b. opleidingen.
2. De regeling bevat bepalingen omtrent onderlinge bijstand bij
het beperken en bestrijden van brand en bij de hulpverlening bij
ongevallen en rampen, alsmede omtrent de feitelijke leiding over de
brandweer bij het optreden in groter verband.
Artikel 4a
1. Het bestuur van de regionale brandweer stelt ingevolge
artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder b, ten minste één maal in
de vier jaren een organisatieplan vast. Het organisatieplan bevat de
operationele prestaties van de regionale brandweer die nodig zijn om
uitvoering te geven aan het beheersplan, bedoeld in artikel 5 van de
Wet rampen en zware ongevallen.
2. Het organisatieplan wordt tussentijds geactualiseerd, indien
gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.
3. Het plan bevat in ieder geval:
a. de taken van de brandweer en de maatregelen gericht op de
realisering daarvan;
b. de werkwijzen van de brandweer en de maatregelen gericht op de
realisering daarvan;
c. de personeel- en materieelsterkte van de brandweer en de
maatregelen gericht op de realisering daarvan;
d. het opleidingsniveau en de geoefendheid van het
brandweerpersoneel en de maatregelen gericht op de realisering
daarvan.
4. Het organisatieplan en de wijzigingen daarop worden
toegezonden aan de besturen van het regionale college, bedoeld in
artikel 22 van de Politiewet 1993, en van het samenwerkingsverband
inzake de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, bedoeld
in artikel 3 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en
rampen en aan de commissaris van de Koning.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden
gesteld ten aanzien van de inhoud van het organisatieplan.
Artikel 5
1. Tot vergoeding van de kosten die voor de regionale
brandweren voortvloeien uit de uitoefening van hun taken in het kader
van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in buitengewone
omstandigheden en de voorbereiding daarop wordt uit ’s Rijks kas een
bijdrage verleend.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 7
1. Indien de bijstand, verleend door de
regionale brandweer waaraan de gemeente deelneemt, niet toereikend is,
verzoekt de burgemeester Onze commissaris in de provincie de nodige
voorzieningen te treffen.
2. De burgemeester doet de voorzitter van het dagelijks bestuur
van de regionale brandweer mededeling van het doen van een verzoek, als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
1. De voorzitter van het dagelijks bestuur van de regionale
brandweer stelt op verzoek van Onze commissaris in de provincie waarin
de plaats van vestiging is gelegen personeel en materieel ter
beschikking ten behoeve van bijstand binnen de provincie. De colleges
van burgemeester en wethouders verlenen de voorzitter de hiervoor
nodige medewerking.
2. Onze commissaris in de provincie doet Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mededeling van het doen van
een verzoek, als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9
1. Indien de bijstand, verleend ingevolge artikel 8, niet
toereikend is, verzoekt Onze commissaris in de provincie Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige voorzieningen
te treffen. Deze wendt zich tot Onze commissarissen van andere
provincies.
2. De voorzitter van het dagelijks bestuur van de regionale
brandweer stelt op verzoek van Onze commissaris in de provincie waarin
de plaats van vestiging is gelegen personeel en materieel ter
beschikking ten behoeve van bijstand buiten de provincie. De colleges
van burgemeester en wethouders verlenen de voorzitter de hiervoor nodige
medewerking.
Artikel 10
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze
commissaris in de provincie treffen de nodige voorbereidende maatregelen
met het oog op de uitoefening van hun bevoegdheden bedoeld in de
artikelen 8 en 9. Voorzover deze maatregelen van rechtstreeks belang
zijn voor een regionale brandweer, treffen Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onderscheidenlijk Onze
commissaris in de provincie deze niet dan na overleg met Onze
commissaris in de provincie, onderscheidenlijk de voorzitter van het
dagelijks bestuur van de regionale brandweer.
Artikel 11
1. In de kosten die voor de regionale brandweren en de
gemeenten voortvloeien uit de uitvoering van de artikelen 8, eerste
lid en 9, tweede lid, kan uit ’s Rijks kas een bijdrage worden
verleend.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 12
De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast omtrent het
voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van
brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al
hetgeen daarmee verband houdt (brandbeveiligingsverordening), voor zover
daarin niet bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet is
voorzien.
Artikel 13
1. Burgemeester en wethouders kunnen een inrichting die in
geval van een brand of ongeval bijzonder gevaar kan opleveren voor de
openbare veiligheid aanwijzen als bedrijfsbrandweerplichtig. Het hoofd
of de bestuurder van een aangewezen inrichting is verplicht er voor te
zorgen, dat in die inrichting kan worden beschikt over een
bedrijfsbrandweer, die voldoet aan de bij de aanwijzing gestelde eisen
inzake personeel en materieel. Voordat een aanwijzing plaatsvindt,
horen burgemeester en wethouders het hoofd of de bestuurder van de
inrichting.
2. In afwijking van het eerste lid vindt de aanwijzing door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties plaats indien het
een inrichting betreft die is gelegen op of deel uitmaakt van een bij de
krijgsmacht in gebruik zijnd terrein, voor zover er gegevens in het
geding zijn waarvan de geheimhouding door het belang van de veiligheid
van de staat is geboden. Voordat een aanwijzing plaatsvindt, hoort Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het hoofd of de
bestuurder van de inrichting.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
inrichtingen kunnen worden aangewezen, welke eisen inzake personeel en
materieel kunnen worden gesteld en worden nadere regels gegeven
betreffende de wijze van totstandkoming van een aanwijzing.
4. Het hoofd of de bestuurder van een inrichting als bedoeld in
het derde lid is verplicht burgemeester en wethouders en Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige inlichtingen te
verstrekken ten behoeve van de uitoefening van de in dit artikel
bedoelde bevoegdheid tot aanwijzing.
5. Voor 1 februari van ieder jaar zendt het hoofd of de
bestuurder van een aangewezen inrichting aan burgemeester en wethouders
en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een
overzicht van de werkelijke sterkte van de bedrijfsbrandweer op 1
januari van dat jaar.
6. Het hoofd of de bestuurder van een aangewezen inrichting
draagt er zorg voor dat de bedrijfsbrandweer ter zake van het optreden,
dat noodzakelijk is ter bestrijding van brand of van gevaar anderszins
binnen de inrichting, de aanwijzingen opvolgt van degene die op grond
van een wettelijk voorschrift met de feitelijke leiding van die
bestrijding is belast.
Artikel 14
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor het personeel
van de gemeentelijke brandweer, de regionale brandweer en het
Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding, bedoeld in
artikel 18a, eerste lid, regels worden gegeven ten aanzien van:
a. de eisen van aanstelling en bevordering;
b. de rangen;
c. de eisen met betrekking tot de keuring en de controle op
lichamelijke en geestelijke geschiktheid;
d. de kleding en de uitrusting.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven
betreffende de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over het
ontwerp van een maatregel, vast te stellen krachtens het eerste lid van
dit artikel.
Artikel 15
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
opleidingen worden afgesloten met een rijksexamen. Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt het examenreglement vast
en geeft het diploma af.
Artikel 15a [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 17
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gegeven betreffende de veiligheid, deugdelijkheid,
normalisatie en standaardisatie waaraan brandweer- en reddingsmaterieel
moet voldoen, dat met het oog op gebruik hier te lande wordt
vervaardigd, ingevoerd of in de handel gebracht.
2. Voor verrichtingen van overheidswege, die krachtens een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid worden
gedaan kunnen overeenkomstig daarbij te stellen regels vergoedingen in
rekening worden gebracht. Deze vergoedingen worden niet in rekening
gebracht aan publiekrechtelijke lichamen.
Artikel 18 [Vervallen per 09-04-1997]
Artikel 18a
1. Er is een Nederlands instituut voor
brandweer en rampenbestrijding. Het instituut bezit
rechtspersoonlijkheid.
2. Het instituut heeft de volgende taken:
a. het verzorgen van de officiersopleidingen voor de brandweer die
met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten,
b. het verzorgen van de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties aan te wijzen andere opleidingen die met een
rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten,
c. het werven en selecteren van kandidaten voor opleidingen,
bedoeld onder a en b, en
d. het ontwikkelen van leerstof en instructiemethoden en -middelen
voor de opleidingen, bedoeld onder a en b.
3. Het instituut kan andere werkzaamheden verrichten dan die
welke uit de in het tweede lid genoemde taken voortvloeien, voor zover
het betreft:
a. het verzorgen van andere opleidingen op het gebied van de
brandweerzorg en de rampenbestrijding dan die welke in het tweede lid,
onder a en b zijn bedoeld, en van oefeningen op dat
gebied,
b. het werven en selecteren van kandidaten voor opleidingen en
oefeningen, bedoeld onder a,
c. het ontwikkelen van leerstof en instructiemethoden en -middelen
voor andere opleidingen dan die welke in het tweede lid, onder a
en b, zijn bedoeld,
d. het vaststellen van examenreglementen voor opleidingen die niet
met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten,
e. het ontwikkelen, in stand houden en beschikbaar stellen van
expertise met betrekking tot de brandweerzorg en rampenbestrijding en
f. het verrichten van andere activiteiten die de deskundigheid van
personen op het gebied van de brandweerzorg en rampenbestrijding of
het functioneren van de organisaties waarvoor zij werkzaam zijn,
bevorderen.
4. De in het derde lid genoemde werkzaamheden mogen niet leiden
tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van
vergelijkbare diensten en worden tegen kostendekkende tarieven verricht.
5. De inkomsten van het instituut bestaan uit:
a. de kosten die het instituut bij de uitvoering van de in het
tweede lid bedoelde taken en de in het derde lid bedoelde
werkzaamheden bij derden in rekening brengt,
b. de bijdragen, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, en
c. andere baten.
6. Het instituut trekt geen gelden aan die dagelijks of op
termijn opvorderbaar zijn. In afwijking van de eerste volzin is het het
instituut toegestaan ter overbrugging van tijdelijke kastekorten bij een
bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
tijdelijke kredieten in rekening-courant op te nemen.
Artikel 18b
1. Het instituut heeft een bestuur dat uit vijf leden bestaat,
waaronder de voorzitter.
2. De voorzitter en de overige leden van het bestuur worden bij
koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. De Raad, bedoeld in
artikel 18c, zevende lid, kan een aanbeveling doen voor de
voordracht voor het koninklijk besluit tot benoeming.
3. De leden van het bestuur hebben, behoudens tussentijds
ontslag, zitting voor vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden
herbenoemd.
Artikel 18c
1. Het bestuur heeft de algemene leiding over het instituut.
2. Het bestuur benoemt een directeur, die de dagelijkse leiding
over het instituut heeft.
3. Het bestuur stelt bij reglement regels over de inrichting en
werkwijze van het instituut en nadere regels over de taken en
bevoegdheden van de directeur vast.
4. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting van de inkomsten en
uitgaven voor het daarop volgende kalenderjaar, een meerjarenraming van
de inkomsten en uitgaven voor de daarop volgende vier kalenderjaren en
de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven van het
daaraan voorafgaande kalenderjaar vast. Deze behoeven de goedkeuring van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
5. Het bestuur verstrekt desgevraagd aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is.
6. Het bestuur stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid
en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen
kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
7. Het bestuur stelt bij reglement een Raad voor het Nederlands
instituut voor brandweer en rampenbestrijding in, waarin
vertegenwoordigers zitting hebben uit de kring van openbare lichamen en
organisaties die een taak vervullen op het terrein van de brandweerzorg
en rampenbestrijding. Het bestuur voert overleg met de Raad over
aangelegenheden die betrekking hebben op het instituut in het algemeen
en de opleidingen in het bijzonder. In het reglement, bedoeld in het
derde lid, worden regels gegeven over de samenstelling, taak en
werkwijze van de Raad alsmede over de wijze van benoeming van de leden
van de Raad.
Artikel 18d
1. Het personeel van het instituut is ambtenaar in de zin van
de Ambtenarenwet.
2. De regels die op grond van artikel 125, eerste lid, van de
Ambtenarenwet zijn vastgesteld voor de ambtenaren die bij een ministerie
anders dan het Ministerie van Defensie zijn aangesteld, zijn van
overeenkomstige toepassing op de ambtenaren die in dienst van het
instituut zijn. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden vastgesteld.
3. In afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels kunnen
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven
voor de ambtenaren die bij het instituut zijn aangesteld voor de duur
van een opleiding als bedoeld in artikel 15, voor zover dit in verband
met hun bijzondere positie noodzakelijk is.
Artikel 18e
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
verstrekt het instituut jaarlijks uit ’s Rijks kas een bijdrage met
het oog op de kosten van de uitvoering van de in artikel 18a,
tweede lid, bedoelde taken. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kan het instituut een tijdelijke bijdrage voor een
bijzonder doel verstrekken.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan beleidsregels vaststellen over de uitvoering van de aan het
instituut toegekende taken.
Artikel 18f
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven over:
a. de taken en bevoegdheden van het bestuur,
b. de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur, en
c. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de bijdragen,
bedoeld in artikel 18e, eerste lid, worden verstrekt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gegeven over de controle op de rechtmatigheid van het gevoerde
financiële beheer en de verantwoording daarover en op de doelmatigheid
van het beheer, de organisatie en het gevoerde beleid van het bestuur.
Artikel 18g
1. Er is een Nederlands bureau brandweerexamens dat
rechtspersoonlijkheid bezit.
2. Het bureau heeft tot taak:
a. te zorgen voor de ontwikkeling, de uitvoering, de organisatie en
de afneming van een rijksexamen als bedoeld in artikel 15;
b. het afgeven van vrijstellingen en certificaten;
c. het vaststellen van de uitslag van een examen en het adviseren
aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over
het afgeven van een diploma.
3. Het bureau kan andere werkzaamheden verrichten dan die welke
uit het tweede lid voortvloeien, voor zover het betreft:
a. het zorgen voor de ontwikkeling, de uitvoering, de organisatie
en de afneming van andere examens op het gebied van de brandweerzorg
en de rampenbestrijding dan die welke in het tweede lid, onder a,
zijn bedoeld, alsmede het afgeven van vrijstellingen, certificaten en
diploma's;
b. het ontwikkelen, het in stand houden en het beschikbaar stellen
van expertise met betrekking tot de examinering van opleidingen op het
gebied van de brandweerzorg en de rampenbestrijding.
4. De in het derde lid genoemde werkzaamheden mogen niet leiden
tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van
vergelijkbare diensten en worden tegen kostendekkende tarieven verricht.
5. Het bureau heeft een bestuur dat bestaat uit zeven leden, de
voorzitter daaronder begrepen.
6. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
benoemt, schorst en ontslaat de leden van het bestuur. Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan een vertegenwoordiger
benoemen die deelneemt aan de beraadslagingen van het bestuur.
7. Het bestuur stelt bij reglement regels met betrekking tot de
uitvoering, de organisatie en de afneming van een rijksexamen als
bedoeld in artikel 15.
8. Het bestuur verstrekt desgevraagd aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is.
9. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan beleidsregels vaststellen over de uitvoering van de aan het bureau
toegekende taken.
10. Het personeel van het bureau is ambtenaar in de zin van de
Ambtenarenwet, behoudens degenen met wie een arbeidsovereenkomst is
gesloten naar burgerlijk recht. Het bestuur stelt bij reglement regels
met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in artikel 125, eerste lid,
van de Ambtenarenwet. Indien het bestuur, ondanks daartoe strekkende
uitnodiging, nalatig blijft hieraan uitvoering te geven, stelt Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bedoeld reglement
vast.
11. De inkomsten van het bureau bestaan uit de kosten die het bij
de uitvoering van de taken, bedoeld in het tweede lid, en de
werkzaamheden, bedoeld in het derde lid, bij derden in rekening brengt
en andere baten.
12. De begroting van de inkomsten en uitgaven voor het daarop
volgende kalenderjaar, de meerjarenraming van de inkomsten en uitgaven
en het jaarverslag van het voorafgaande kalenderjaar behoeven de
goedkeuring van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van het
bureau, de taak, de samenstelling en de openbaarheid van de
vergaderingen van het bestuur en de controle op het financieel beheer.
14. Het bureau stelt jaarlijks een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid
en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen
kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 19
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
heeft tot taak:
a. het toetsen van de wijze waarop een bestuursorgaan van een
provincie, een gemeente, een lichaam dat bij gemeenschappelijke
regeling is ingesteld dan wel een ander openbaar lichaam uitvoering
geeft aan de taken met betrekking tot het voorkomen van, het
voorbereiden op en het bestrijden van een brand, ongeval of ramp;
b. het verrichten van onderzoek naar aanleiding van een brand,
ongeval of ramp, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in
artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, naar de
brand, het ongeval of de ramp een onderzoek instelt.
2. Een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente, een
lichaam dat bij gemeenschappelijke regeling is ingesteld of een ander
openbaar lichaam is desgevraagd verplicht de door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen ambtenaren de
inlichtingen te verstrekken die zij redelijkerwijs nodig hebben in
verband met de uitvoering van een toets als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a.
3. Een bestuursorgaan van één van de openbare lichamen, bedoeld
in het tweede lid, of van het Rijk dan wel een ieder die werkzaam is bij
een organisatie, een instelling, een inrichting die of een bedrijf dat
betrokken is bij een brand, ongeval of ramp is desgevraagd verplicht de
door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
aangewezen ambtenaren de inlichtingen te verstrekken die zij
redelijkerwijs nodig hebben in verband met het verrichten van een
onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 19a
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
toetst, in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieu, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
periodiek de voorbereiding op de rampenbestrijding door de
bestuursorganen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, en
brengt in een multidisciplinaire rapportage aan de Tweede Kamer van de
Staten-Generaal verslag uit van zijn bevindingen.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
informeert de Tweede Kamer van de Staten-Generaal jaarlijks over de
wijze waarop in het daarop volgende jaar uitvoering zal worden gegeven
aan het eerste lid door toezending van een werkprogramma.
Artikel 20
1. De burgemeester, de commandant van de gemeentelijke
brandweer, de commandant van de regionale brandweer en het door hen
aangewezen ter plaatse dienstdoende personeel van de brandweer,
alsmede de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 19,
tweede en derde lid, hebben vrije toegang tot alle plaatsen, voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo
nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
Zij kunnen zich bij het binnentreden doen vergezellen van door hen
aangewezen personen.
2. De burgemeester, de commandant van de gemeentelijke brandweer,
de commandant van de regionale brandweer en het door hen aangewezen ter
plaatse dienstdoende personeel van de brandweer, alsmede de door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen
ambtenaren, bedoeld in artikel 19, tweede en derde lid, zijn bevoegd
alle benodigde uitrustingsstukken en hulpmiddelen op de plaatsen,
bedoeld in het eerste lid, mee te nemen en daarvan op zodanige wijze
gebruik te maken als zij voor een goede vervulling van hun taak
noodzakelijk achten.
Artikel 21
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 13 en 17 zijn belast de bij besluit van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen
ambtenaren. Zij kunnen tevens worden belast met het toezicht op de
veiligheid en deugdelijkheid van brandweer- en reddingsmaterieel. Van
het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Met het toezicht op de naleving van de
brandbeveiligingsverordening, bedoeld in artikel 12, zijn belast de bij
besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen
ambtenaren.
Artikel 21a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 23
1. Op overtreding van de regels van de
brandbeveiligingsverordening en het bij of krachtens artikel 17, eerste
lid, bepaalde kan als straf gesteld worden hechtenis van ten hoogste een
jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Overtreding van het bij of krachtens artikel 13, eerste,
vierde en vijfde lid bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
3. In geval van overtreding van artikel 13, eerste lid, kan als
bijkomende straf worden opgelegd gehele of gedeeltelijke stillegging van
de inrichting voor een tijd van ten hoogste een jaar.
4. De feiten zijn overtredingen.
Artikel 24
1. Met de opsporing van de bij artikel 23 strafbaar gestelde
feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Onverminderd de eisen, gesteld krachtens de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van
Strafvordering, kan slechts als opsporingsambtenaar worden aangewezen
degene die voldoet aan de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties te stellen regels over de eisen van bekwaamheid.
3. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot inbeslagneming van
daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering
vorderen.
Artikel 25 [Vervallen per 09-04-1997]
Artikel 26 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 27 [Vervallen per 20-09-1995]
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 29
Deze wet kan worden aangehaald als Brandweerwet met vermelding van
het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
B
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
C
De onderdelen A en B treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend
kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 30 januari 1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
Van Amelsvoort
Uitgegeven de zesentwintigste februari 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|