Nadere
regelgeving:
- Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand
- Besluit burgerlijke stand 1994
- Besluit geslachtsnaamswijziging
Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en
familierecht
Boek 1. Personen- en familierecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Allen die zich in Nederland bevinden,
zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten.
2.Persoonlijke dienstbaarheden, van welke
aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld.
Artikel 2
Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt
als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het
dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
Artikel 3
1.De graad van bloedverwantschap wordt
bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben
veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap of een adoptie als een geboorte.
2.Door huwelijk of door geregistreerd
partnerschap ontstaat tussen de ene echtgenoot dan wel de ene
geregistreerde partner en een bloedverwant van de andere echtgenoot dan
wel de andere geregistreerde partner aanverwantschap in dezelfde graad als
er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot dan wel de andere
geregistreerde partner en diens bloedverwant.
3.Door ontbinding van het huwelijk wordt de
aanverwantschap niet opgeheven.
Titel 2. Het recht op de naam
Artikel 4
1.Een ieder heeft de voornamen die hem in
zijn geboorteakte zijn gegeven.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of
overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen tenzij deze tevens
gebruikelijke voornamen zijn.
3.Geeft de aangever geen voornamen op, of
worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer
andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer
voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen
ambtshalve zijn gegeven.
4.Wijziging van de voornamen kan op verzoek
van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden
gelast door de rechtbank. De wijziging geschiedt doordat van de
beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt
toegevoegd, overeenkomstig artikel 20a, eerste lid. In geval van wijziging
van de voornamen van een buiten Nederland geboren persoon geeft de
rechtbank die de beschikking geeft, voor zoveel nodig ambtshalve hetzij
een last tot inschrijving van de akte van geboorte dan wel van de akte of
de uitspraak, bedoeld in artikel 25g, eerste lid, hetzij de in artikel 25c
bedoelde beschikking.
Artikel 5
1. Indien een kind alleen in
familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, heeft het haar
geslachtsnaam. Indien een kind door adoptie alleen in familierechtelijke
betrekking tot de vader staat, heeft het zijn geslachtsnaam.
2. Indien een kind door erkenning in
familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de
geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter
gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de
geslachtsnaam van de vader zal hebben. Van deze verklaring wordt melding
gemaakt in de akte van erkenning. De eerste twee volzinnen zijn van
overeenkomstige toepassing bij erkenning van een ongeboren kind. De ouders
kunnen evenwel ter gelegenheid van de voltrekking van hun huwelijk of van
de registratie van hun partnerschap alsnog gezamenlijk verklaren, dat hun
kind voortaan de geslachtsnaam van de andere ouder zal hebben. Van deze
verklaring wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Indien een kind door
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke
betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de geslachtsnaam van de
moeder, tenzij de moeder en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter
gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de
geslachtsnaam van de vader zal hebben. De rechterlijke uitspraak inzake de
vaststelling van het vaderschap vermeldt de verklaring van de ouders
hieromtrent.
3. Indien een kind door adoptie in
familierechtelijke betrekking komt te staan tot beide adoptanten van
verschillend geslacht, die met elkaar zijn gehuwd, heeft het kind de
geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter gelegenheid van de
adoptie gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de moeder
zal hebben. Indien de adoptanten niet met elkaar gehuwd zijn of indien
beide adoptanten van hetzelfde geslacht zijn en met elkaar gehuwd zijn,
houdt het kind de geslachtsnaam die het heeft, tenzij de adoptanten ter
gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het een van hun
beider geslachtsnamen zal hebben. Indien een kind door adoptie in
familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde partner of
andere levensgezel van een ouder komt te staan, houdt het zijn
geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens echtgenoot, geregistreerde partner
of andere levensgezel gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam
zal hebben van de echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel, dan wel de geslachtsnaam van die ouder. De rechterlijke
uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van de adoptanten
hieromtrent.
4. Indien een kind door geboorte in
familierechtelijke betrekking tot beide ouders komt te staan, verklaren de
ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte
welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring
van de ouders die voor de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt
een akte van naamskeuze opgemaakt. Van de verklaring van de ouders die ter
gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt melding
gemaakt in de akte van geboorte. De eerste drie volzinnen zijn van
overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk
het gezag als bedoeld in artikel 253sa over het kind zullen uitoefenen of
uitoefenen. De verklaring die niet ter gelegenheid van de aangifte van de
geboorte wordt afgelegd, kan ten overstaan van iedere ambtenaar van de
burgerlijke stand worden afgelegd.
5. Wordt een verklaring houdende
naamskeuze, bedoeld in het vierde lid, voor of ter gelegenheid van de
aangifte van de geboorte afgelegd, dan heeft het kind de gekozen naam
vanaf de geboorte. Geschiedt de naamskeuze niet uiterlijk ter gelegenheid
van de aangifte van de geboorte, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke
stand als geslachtsnaam van het kind in de geboorteakte op:
a. de geslachtsnaam van de vader in
geval het kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot
beide ouders komt te staan;
b. de geslachtsnaam van de moeder in
geval een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die niet
de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld
inartikel 253sa over het kind uitoefenen.
6. Indien de moeder na de geboorte van het
kind op grond van artikel 199, onderdeel b, het vaderschap van de
overleden echtgenoot ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de
ontkenning is hertrouwd, kunnen de moeder en haar echtgenoot gezamenlijk
ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van hun beider
geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders wordt
een akte van naamskeuze opgemaakt. Bij gebreke van een verklaring heeft
het kind de geslachtsnaam van de vader.
7. Indien een kind op het tijdstip van het
ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien
jaar of ouder is, verklaart het zelf ten overstaan van de ambtenaar van de
burgerlijke stand of van de notaris of, in geval van adoptie of
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ten overstaan van de
rechter of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben.
Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van erkenning of in
de rechterlijke uitspraak inzake adoptie of gerechtelijke vaststelling van
het vaderschap.
8. Een verklaring van de ouders als bedoeld
in het tweede, derde, vierde of zesde lid, kan slechts ten aanzien van de
geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van het eerste kind over wie de
ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is,
van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld in artikel 253sa zullen
uitoefenen of uitoefenen. Onverminderd het zevende lid, hebben volgende
kinderen van dezelfde ouders dan wel kinderen over wie dezelfde ouder en
dezelfde echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, van
rechtswege het gezag gezamenlijk zullen uitoefenen, dezelfde geslachtsnaam
als het eerste kind, met dien verstande dat in het geval dat volgende
kinderen blijkens de geboorteakte of krachtens toepasselijk recht een naam
hebben die afwijkt van de naam van het eerste kind, de ouders kunnen
verklaren dat het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal hebben
als het eerste kind. Indien voor de geboorte of ter gelegenheid van de
aangifte naamskeuze is gedaan ten aanzien van een kind dat levenloos ter
wereld komt of is gekomen, wordt deze keuze opgenomen in de akte, bedoeld
in artikel 19i, eerste lid, en geldt zij alleen ten aanzien van dit kind.
9. Is één van de ouders voorafgaand aan
het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan overleden en
is de naamskeuze niet gedaan, dan legt de andere ouder een verklaring
omtrent de naamskeuze af. Hetzelfde geldt indien één van de ouders
wegens geestelijke stoornis onder curatele staat dan wel indien ten
aanzien van hem of haar een mentorschap bestaat.
10. Zijn de vader en moeder onbekend, dan
neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de geboorteakte een
voorlopige voornaam en geslachtsnaam op, in afwachting van het koninklijk
besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden
vastgesteld.
11. Indien op grond van het tweede tot en
met negende lid een kind, wiens vader van adel is, niet zijn geslachtsnaam
verkrijgt, gaat de adeldom niet over op dat kind.
12. De geslachtsnaam van kinderen geboren
uit een huwelijk met een lid van het koninklijk huis wordt bij koninklijk
besluit bepaald.
Artikel 6
De geslachtsnaam wordt ten aanzien van een
ieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op
zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de
Koning worden gewijzigd.
2. Hij wiens geslachtsnaam of voornamen
niet bekend zijn, kan de Koning verzoeken voor hem een geslachtsnaam of
voornamen vast te stellen.
3. Een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam door de Koning heeft geen invloed op de geslachtsnaam van de
kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit
meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan.
4. Een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam door de Koning blijft in stand niettegenstaande een latere
erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de
geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en
behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en
betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
6. Indien Onze Minister van Justitie
voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit
strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of
tweede lid, deelt hij dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en
degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede, indien het verzoek op de
geslachtsnaam van een minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en degene
aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht,
rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het voornemen geldt
als een beschikking.
7. Onze Minister van Justitie doet de
schriftelijke mededeling van het voornemen binnen twintig weken.
Artikel 8
Hij die de naam van een ander zonder diens
toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig, wanneer hij
daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te
behoren.
Artikel 9
1.Een vrouw die gehuwd is of die gehuwd is
geweest dan wel wier partnerschap geregistreerd is of is geweest en die
niet is getrouwd na beëindiging van de registratie of is hertrouwd dan
wel niet een geregistreerd partnerschap is aangegaan na beëindiging van
het huwelijk of opnieuw is aangegaan, is steeds bevoegd de geslachtsnaam
van haar echtgenoot of van haar geregistreerde partner te voeren of aan de
hare te doen voorafgaan dan wel die te doen volgen op haar eigen
geslachtsnaam.
2.Indien het huwelijk door echtscheiding is
ontbonden en daaruit geen afstammelingen in leven zijn dan wel indien het
geregistreerd partnerschap op de wijze bedoeld in artikel 80c, onder c of
d, is beëindigd, kan de rechtbank, wanneer daartoe gegronde redenen
bestaan, op verzoek van de gewezen echtgenoot of de gewezen geregistreerde
partner aan de vrouw de haar in het eerste lid toegekende bevoegdheid
ontnemen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de man die gehuwd is of gehuwd
is geweest dan wel wiens partnerschap geregistreerd is of is geweest en
die niet is getrouwd na beëindiging van de registratie of is hertrouwd
dan wel niet een geregistreerd partnerschap is aangegaan na beëindiging
van het huwelijk of opnieuw is aangegaan.
Titel 3. Woonplaats
Artikel 10
1.De woonplaats van een natuurlijk persoon
bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse
van zijn werkelijk verblijf.
2.Een rechtspersoon heeft zijn woonplaats
ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn
statuten of reglementen zijn zetel heeft.
Artikel 11
1.Een natuurlijk persoon verliest zijn
woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.
2.Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn
woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk
voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van burgemeester en
wethouders heeft kennis gegeven.
Artikel 12
1.Een minderjarige volgt de woonplaats van
hem die het gezag over hem uitoefent, de onder curatele gestelde die van
zijn curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige
kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de
woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel
laatstelijk heeft verbleven.
2.Wanneer iemands goederen onder bewind
staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit bewind betreft, de
woonplaats van de bewindvoerder.
3.Wanneer ten behoeve van een persoon een
mentorschap is ingesteld, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit
mentorschap betreft, de woonplaats van de mentor.
4.Het eerste, tweede en derde lid zijn niet
van toepassing voor zover het betreft de relatieve bevoegdheid van de
rechter gedurende een curatele, een bewind als bedoeld in titel 19 en een
mentorschap. Hetzelfde geldt indien ten aanzien van een persoon een
curatele, een mentorschap of een bewind als bedoeld in titel 19 en tevens
een bewind als bedoeld in afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 of een bewind
als bedoeld in artikel 182 van Boek 7 van kracht zijn en de bevoegde
kantonrechter de andere kantonrechter als uitsluitend bevoegde heeft
aangewezen.
5.Wanneer de persoon, van wie de woonplaats
wordt afgeleid, overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid verliest,
duurt de afgeleide woonplaats voort, totdat een nieuwe woonplaats is
verkregen.
Artikel 13
Het sterfhuis van een overledene is daar,
waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad.
Artikel 14
Een persoon die een kantoor of een filiaal
houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal
betreffen mede aldaar woonplaats.
Artikel 15
Een persoon kan een andere woonplaats dan
zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of
wanneer de keuze bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane
overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of
rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk
belang aanwezig is. Indien de keuze bij langs elektronische weg aangegane
overeenkomst geschiedt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van overeenkomstige
toepassing.
Titel 4. Burgerlijke stand
Afdeling 1. De ambtenaar van de burgerlijke
stand
Artikel 16
1.In elke gemeente zijn twee, of, naar
goedvinden van burgemeester en wethouders, meer ambtenaren van de
burgerlijke stand. Daarenboven kunnen een of meer ambtenaren van de
burgerlijke stand worden belast met het verrichten van bepaalde taken.
Deze dragen de titel van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren
worden door burgemeester en wethouders benoemd, geschorst of ontslagen.
Een benoeming kan voor een bepaalde tijdsduur geschieden.
3.Ambtenaar van de burgerlijke stand van
een gemeente kan slechts zijn een ambtenaar in dienst van die gemeente of
een andere gemeente. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kan
mede zijn een persoon die geen ambtenaar in gemeentelijke dienst is.
4.De ambtenaar of buitengewoon ambtenaar
van de burgerlijke stand wordt tot zijn betrekking niet toegelaten dan na
voor de rechtbank tot wier rechtsgebied de gemeente behoort waar hij voor
het eerst wordt benoemd de navolgende eed dan wel belofte te hebben
afgelegd:
"Ik zweer (beloof) dat ik de
betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand met eerlijkheid en
nauwkeurigheid zal vervullen en dat ik de wettelijke voorschriften, de
burgerlijke stand betreffende, met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen;
dat ik voorts, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch
onmiddellijk, onder enige naam of voorwendsel, aan iemand iets heb gegeven
of beloofd, en dat ik, om iets in deze betrekking te doen of te laten, van
niemand enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of
onmiddellijk. Zo waarlijk helpe mij God almachtig". ("Dat
verklaar en beloof ik").
Artikel 16a
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand is
belast met het opnemen in de onder hem berustende registers van de
burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te voegen latere
vermeldingen, alsmede al datgene wat de instandhouding van de registers en
de zorg voor de toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens
betreft.
2.De buitengewoon ambtenaar van de
burgerlijke stand kan uitsluitend worden belast met de taken omschreven in
de artikelen 45, 45a, 63, 64, 65, 67, 80a, derde lid, en 80g.
Artikel 16b
Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand
in de uitoefening van zijn ambt op grond van enige bepaling van deze titel
of van enige andere titel van dit boek in rechte optreedt, kan hij dit
zonder advocaat doen.
Artikel 16c
Burgemeester en wethouders bepalen de uren,
waarop elk bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het publiek
geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de werkzaamheden van de
ambtenaren van de burgerlijke stand op die dagen zoveel mogelijk te
beperken, een afzonderlijke regeling getroffen voor de zaterdag, de zondag,
de algemeen erkende feestdagen en de overige daarvoor door burgemeester en
wethouders aan te wijzen dagen, waarop gemeentelijke diensten niet of
slechts gedeeltelijk zijn geopend.
Artikel 16d
Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld ten aanzien van de door het college van burgemeester en
wethouders te treffen voorzieningen ten behoeve van de taakuitoefening door
de ambtenaar van de burgerlijke stand, en voorts ten aanzien van al wat
verder de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand betreft.
Afdeling 2. De registers van de burgerlijke
stand en de bewaring daarvan
Artikel 17
1.Er bestaan voor iedere gemeente registers
van geboorten, van huwelijken, van geregistreerde partnerschappen en van
overlijden.
2.Er bestaat in de gemeente 's-Gravenhage,
naast de in het eerste lid genoemde registers, een register voor de
inschrijving van de in afdeling 6 bedoelde rechterlijke uitspraken.
Artikel 17a
1.De registers van de burgerlijke stand
worden in het gemeentehuis bewaard totdat zij naar een gemeentelijke
archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) worden
overgebracht.
2.De overbrenging naar de gemeentelijke
archiefbewaarplaats van de in het gemeentehuis berustende registers van
geboorten, van huwelijken dan wel geregistreerde partnerschappen en van
overlijden vindt eerst plaats onderscheidenlijk honderd jaar,
vijfenzeventig jaar en vijftig jaar na de afsluiting van deze registers.
Artikel 17b
De beheerder van een archiefbewaarplaats als
bedoeld in artikel 17a is belast met het bewaren van de onder hem berustende
registers, met het toevoegen van latere vermeldingen aan de daarin opgenomen
akten en met de afgifte van afschriften en uittreksels van deze akten.
Artikel 17c
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de registers, alsmede de
in artikel 17b genoemde handelingen ten aanzien van die registers.
Afdeling 3. Akten van de burgerlijke stand en
partijen bij deze akten
Artikel 18
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand mag
in de akten alleen opnemen hetgeen ingevolge het bij of krachtens de wet
bepaalde moet worden verklaard of opgenomen.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand is
bevoegd alvorens tot het opmaken van een akte over te gaan zich de door de
wet vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij doet zich ook andere
bescheiden vertonen, welke hij voor het opmaken van de akte of voor de
vaststelling van de in de akte op te nemen gegevens noodzakelijk acht. Hij
kan zich te dien einde, zonder hiervoor leges verschuldigd te zijn,
inlichtingen verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand en uit
andere openbare registers.
3.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al hetgeen het opmaken van de akten betreft.
Artikel 18a
1.Partijen bij een akte van de burgerlijke
stand zijn degenen die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een
aangifte doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen betreffende
een feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken.
2.Belanghebbende partijen zijn partijen die
met hun verklaring enig rechtsgevolg teweeg brengen voor henzelf of voor
medepartijen, dan wel voor henzelf en medepartijen.
3.De belanghebbende partijen kunnen zich
door een daartoe bij authentieke akte gevolmachtigde doen
vertegenwoordigen.
4.Wanneer een gevolmachtigde een verklaring
aflegt, geldt hij zowel als de door hem vertegenwoordigde persoon als
partij bij de akte.
5.De ambtenaar van de burgerlijke stand mag
geen akte verlijden waarin hijzelf als partij of belanghebbende partij
voorkomt.
Artikel 18b
1.Blijft een partij bij een akte van de
burgerlijke stand of een belanghebbende partij in gebreke de in artikel
18, tweede lid, bedoelde bescheiden over te leggen, of acht de ambtenaar
van de burgerlijke stand de overgelegde bescheiden ongenoegzaam, dan
weigert deze tot het opmaken van de akte over te gaan.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
weigert eveneens tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij van
oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
3.Van een weigering als bedoeld in het
eerste of het tweede lid doet de ambtenaar van de burgerlijke stand een
schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de partijen bij de akte
en de belanghebbende partijen toekomen, onder vermelding van de tegen die
weigering openstaande voorziening van afdeling 12 van deze titel. Een
afschrift van deze mededeling doet hij aan de korpschef toekomen.
Artikel 18c
1.Van alle in registers opgenomen akten van
de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift gehouden, volgens
regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld alles wat betreft de bewaring van de dubbelen of de afschriften
alsmede van de daarop betrekking hebbende latere vermeldingen.
3.Wanneer akten van de burgerlijke stand
verloren zijn gegaan of verminkt zijn, wordt ter vervanging van deze akten
van de dubbelen van de akten een afschrift gemaakt door een of meer door
Onze Minister van Justitie aan te wijzen Centrale Bewaarplaatsen waar de
dubbelen bewaard worden. De afschriften treden in de plaats van de
verloren gegane of verminkte akten.
4.Er wordt een lijst opgesteld van de akten
die vervangen worden, die in de Staatscourant wordt gepubliceerd.
5.De kosten voor de vervanging van akten
van de burgerlijke stand komen ten laste van de Staat, tenzij het de
vervanging van akten betreft die bewaard worden door een gemeente. In het
laatstgenoemde geval komen de kosten van vervanging voor rekening van de
gemeente.
6.Onze Minister van Justitie kan nadere
regels stellen omtrent de wijze waarop de vervanging van de akten dient te
worden uitgevoerd.
Afdeling 4. De akten van geboorte, van
overlijden en de akten houdende attestaties de vita
Artikel 19
1.Een akte van geboorte wordt opgemaakt
door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind
is geboren.
2.Indien de plaats van de geboorte van het
kind niet bekend is, wordt de akte opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is aangetroffen. Die
gemeente geldt als gemeente waar het kind is geboren.
Artikel 19a
1.In geval van geboorte op Nederlands
grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een
binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van geboorte
opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar
dat kind het voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel
waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het
kind is geboren.
2.In geval van geboorte tijdens een zeereis
met een in Nederland geregistreerd vaartuig, dan wel tijdens een
internationale luchtreis met een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig,
is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig verplicht een
voorlopige akte van geboorte binnen vierentwintig uur in het journaal in
te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen en zo mogelijk van de
vader. De gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo spoedig
mogelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage. Deze maakt de akte van geboorte op aan de hand van het
ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of
hem blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de
personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van de akte
toegezonden.
Artikel 19b
Indien de plaats of de dag van de geboorte
van het kind niet bekend is dan wel indien de naam, met inbegrip van de
voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de geboorteakte ten aanzien
van deze punten opgemaakt krachtens een bevel en overeenkomstig de
aanwijzingen van het openbaar ministerie.
Artikel 19c
Zijn krachtens artikel 5, tiende lid, van dit
boek in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam opgenomen, dan
zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld een volledig
afschrift van de akte aan Onze Minister van Justitie.
Artikel 19d
1.Indien het geslacht van het kind
twijfelachtig is, wordt een geboorteakte opgemaakt, waarin wordt vermeld
dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.
2.Binnen drie maanden na de geboorte, of,
bij overlijden binnen die termijn, ter gelegenheid van de aangifte van het
overlijden, wordt onder doorhaling van de in het eerste lid bedoelde akte
een nieuwe geboorteakte opgemaakt, waarin het geslacht, indien dit
inmiddels is vastgesteld, wordt vermeld aan de hand van een ter zake
overgelegde medische verklaring.
3.Is binnen de in het tweede lid genoemde
termijn geen medische verklaring overgelegd, of blijkt uit de overgelegde
medische verklaring dat het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld,
dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat het geslacht van het kind niet is
kunnen worden vastgesteld.
Artikel 19e
1.Tot de aangifte van een geboorte is
bevoegd de moeder van het kind.
2.Tot de aangifte is verplicht de vader.
3.Wanneer de vader ontbreekt of verhinderd
is de aangifte te doen, is tot aangifte verplicht:
a. ieder die bij het ter wereld komen
van het kind tegenwoordig is geweest;
b. de bewoner van het huis waar de
geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied in een
inrichting tot verpleging of verzorging bestemd, in een gevangenis of
in een soortgelijke inrichting, het hoofd van die inrichting of een
door hem bij onderhandse akte bijzonderlijk tot het doen van de
aangifte aangewezen ondergeschikte.
4.Voor een in het derde lid, onder b,
genoemde persoon bestaat de verplichting alleen indien een onder a
genoemde persoon ontbreekt of verhinderd is.
5.Wanneer tot de aangifte bevoegde of
verplichte personen ontbreken of nalaten de aangifte te doen, geschiedt
deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de
geboorteakte moet worden opgemaakt.
6.De verplichting tot aangifte moet worden
vervuld binnen drie dagen na de dag der bevalling. Van een aangifte later
dan de derde dag, bedoeld in de eerste zin van dit lid, wordt door de
ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling gedaan aan het openbaar
ministerie.
7.De ambtenaar van de burgerlijke stand
stelt de identiteit van de aangever vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
8.Bij de aangifte kan de ambtenaar van de
burgerlijke stand zich doen overleggen een door de arts of de
verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig was,
opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder opgegeven persoon is
geboren. Is het kind buiten de tegenwoordigheid van een arts of
verloskundige ter wereld gekomen, dan kan hij zich een door een zodanige
hulpverlener nadien opgemaakte verklaring doen overleggen.
9.Wordt geen gevolg gegeven aan het verzoek
van de ambtenaar van de burgerlijke stand om overlegging van een
verklaring als bedoeld in het achtste lid of is in de verklaring vermeld
dat de identiteit van de moeder onbekend is, dan is artikel 19b van
toepassing.
Artikel 19f
1.Een akte van overlijden wordt opgemaakt
door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het
overlijden heeft plaatsgevonden.
2.Indien een lijk is gevonden en de plaats
of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden
vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan
land gebracht.
3.Ongeacht het in het eerste lid bepaalde
is het tweede lid van overeenkomstige toepassing indien het overlijden
heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het lijk
in Nederland aan land wordt gebracht.
Artikel 19g
1.In geval van overlijden op Nederlands
grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een
binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van overlijden
opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar
het lijk het voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel
waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het
overlijden heeft plaatsgevonden.
2.In geval van overlijden tijdens een
zeereis met een in Nederland geregistreerd voertuig, dan wel tijdens een
internationale luchtreis met een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig,
is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig verplicht een
voorlopige akte van overlijden binnen vierentwintig uur in het journaal in
te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen. De gezagvoerder zendt
een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk naar de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. Deze maakt de akte van
overlijden op aan de hand van het ontvangen afschrift, met dien verstande
dat hij gegevens die ontbreken of hem blijken onjuist te zijn, zoveel
mogelijk aanvult of verbetert. Aan de personen op wie de akte betrekking
heeft, wordt een uittreksel van de akte toegezonden.
Artikel 19h
1.Tot de aangifte van een overlijden is
bevoegd wie daarvan uit eigen wetenschap kennis draagt.
2.Binnen de in de Wet op de lijkbezorging
(Stb. 1991, 130) gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan de
persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het eerste lid
bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte.
3.Wanneer tot de aangifte bevoegde personen
ontbreken of nalaten binnen de in de Wet op de lijkbezorging gestelde
termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te doen, geschiedt
deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de akte van
overlijden moet worden opgemaakt.
4.In de gevallen bedoeld in artikel 19f,
tweede en derde lid, geschiedt de aangifte schriftelijk door de
hulpofficier van justitie.
Artikel 19i
1.Wanneer een kind levenloos ter wereld is
gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register van overlijden
wordt opgenomen.
2.Wanneer een kind binnen de in artikel
19e, zesde lid, bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de
geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als een akte van
overlijden opgemaakt.
3.In de in de vorige leden bedoelde
gevallen is ten aanzien van de aangifte het bepaalde in artikel 19h van
overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid bedoelde geval blijft
artikel 19e buiten toepassing.
Artikel 19j
1.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het
opmaken van de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten van geboorte
en van overlijden, en de inhoud daarvan.
2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
tevens geregeld:
a. op welke wijze en waar de akten van
geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt en ingeschreven
wanneer dit ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van
andere buitengewone omstandigheden niet op de gewone wijze kan
geschieden; en
b. op welke wijze en waar
overlijdensakten zullen worden opgemaakt van militairen en van andere
personen, die tot de krijgsmacht behoren en die te velde, in de slag,
of in ’s Rijks dienst buiten Nederland zijn overleden.
Artikel 19k
1. Een ieder die zijn gewone verblijfplaats
in Nederland heeft, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn
woonplaats verzoeken om afgifte van een attestatie de vita opgesteld
overeenkomstig bijlage 1 van de op 10 september 1998 te Parijs tot stand
gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een attestatie de vita (Trb.
2004, 283).
2. De verzoeker verschijnt in persoon voor
de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn woonplaats, dan wel voor de
daartoe in Nederland bevoegde diplomatieke of consulaire autoriteit,
tenzij hij in de onmogelijkheid hiertoe verkeert. Hij toont zijn
identiteit aan aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van
de Wet op de identificatieplicht.
3. De attestatie de vita is gedurende zes
maanden geldig, te rekenen vanaf de datum van afgifte. Zij is vrijgesteld
van de vereisten van vertaling en van legalisatie dan wel van enig
soortgelijk formeel vereiste.
4. De attestatie de vita wordt afgegeven in
de Nederlandse taal en in de Franse taal. Op verzoek wordt daarbij tevens
afgegeven:
a. de lijst van coderingen en de
vertaling ervan in de officiële taal of in één van de officiële
talen van het land waar de attestatie overgelegd zal worden, of
b. de vertaling in de officiële taal
of in één van de officiële talen van de landen die bij de in het
eerste lid genoemde Overeenkomst partij zijn. De vertaling wordt
uitgevoerd overeenkomstig de in de bijlage bij de Overeenkomst
vastgestelde termen.
5. Iedere belanghebbende kan met betrekking
tot een attestatie de vita die is afgegeven in een ander land dat partij
is bij de in het eerste lid genoemde Overeenkomst, de ambtenaar van de
burgerlijke stand in zijn woonplaats dan wel de daartoe in Nederland
bevoegde diplomatieke of consulaire autoriteit verzoeken om afgifte van:
a. een vertaling van de coderingen in
het Nederlands, of
b. een vertaling van de attestatie de
vita in het Nederlands.
Afdeling 5. Latere vermeldingen
Artikel 20
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere
vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere authentieke
akten houdende naamskeuze, erkenning, ontkenning van het vaderschap door
de moeder, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen, van
bevestigingen van opties mede houdende vaststelling van namen en
naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van namen
alsmede van besluiten tot intrekking van zulke bevestigingen of besluiten,
van de opgave van afwijkende namen die een persoon die meer dan één
nationaliteit bezit, voert in overeenstemming met het recht van het land
waarvan hij mede de nationaliteit bezit, van akten houdende beëindiging
van een geregistreerd partnerschap, van akten van omzetting van een
geregistreerd partnerschap,, alsmede van rechterlijke uitspraken waarvan
de dagtekening ten minste drie maanden oud is en die inhouden:
a. een last tot wijziging van de
voornamen of van de geslachtsnaam, een last tot wijziging van de
vermelding van het geslacht, een adoptie, een herroeping van een
adoptie, een vernietiging van een erkenning, een gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap, een gegrondverklaring van een
ontkenning van het vaderschap of, of een vernietiging van zulk een
uitspraak;
b. de nietigverklaring van een huwelijk
of van een geregistreerd partnerschap of de vernietiging van zulk een
uitspraak tussen echtelieden of geregistreerde partners wier
huwelijksakte onderscheidenlijk akte van een geregistreerd
partnerschap, dan wel akte van omzetting van een geregistreerd
partnerschap of huwelijk in de Nederlandse registers van de
burgerlijke stand is opgenomen.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
voegt eveneens aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand
latere vermeldingen toe van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke
uitspraken die een echtscheiding of een ontbinding van een geregistreerd
partnerschap, een ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en
bed of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier
huwelijksakte, akte van registratie van een partnerschap of akte van
omzetting van een geregistreerd partnerschap of huwelijk in de Nederlandse
registers van de burgerlijke stand is opgenomen, inhouden.
Artikel 20a
1.De in artikel 20 bedoelde latere
vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen bedoeld in het eerste
lid, onder b, alsmede van de vermeldingen houdende beëindiging van een
geregistreerd partnerschap en van de vermeldingen van een omzetting van
een geregistreerd partnerschap, worden toegevoegd aan de geboorteakte van
de betrokken persoon. Van een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding toegevoegd aan de
geboorteakten van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover de
wijziging of vaststelling zich tot hen uitstrekt.
2.De in artikel 20, eerste lid, onder b, en
tweede lid, bedoelde latere vermeldingen alsmede de in de aanhef van
artikel 20, eerste lid, bedoelde beëindiging van een geregistreerd
partnerschap en de daar bedoelde omzetting, worden toegevoegd aan de
huwelijksakte dan wel aan de akte van registratie van een partnerschap van
de betrokken persoon.
3.Wanneer als gevolg van het huwelijk of
van de echtscheiding een verandering intreedt in de geslachtsnaam van een
persoon, wordt hiervan, voorzover zij niet in de huwelijksakte is vermeld,
aan deze akte een latere vermelding toegevoegd. Tevens wordt daarvan een
latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokkene en de
geboortenakten van diens kinderen, voor zover hun naam eveneens verandert.
4.Van een aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand betekende akte van stuiting van een huwelijk of van een
registratie van een partnerschap wordt, evenals van beschikkingen of akten
waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de akte van aangifte een latere
vermelding toegevoegd.
Artikel 20b
1.Van akten en uitspraken die buiten
Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking
hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 20,
wordt, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet, op
verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve, door de ambtenaar van
de burgerlijke stand een latere vermelding toegevoegd aan de
desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande
voorkomende huwelijksakte, akte van registratie van een partnerschap, akte
van omzetting van een geregistreerd partnerschap of huwelijk of
geboorteakte. Van een verandering van de geslachtsnaam wordt op verzoek
van een belanghebbende tevens een latere vermelding gevoegd bij de
geboorteakte van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover hun naam
eveneens verandert.
2.Indien een latere vermelding ambtshalve
aan een akte is toegevoegd, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand
een afschrift van de akte en de latere vermelding aan de persoon of
personen op wie de akte betrekking heeft.
Artikel 20c
De artikelen 18 en 18b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20d
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het
opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud daarvan.
Artikel 20e
1.Van de in artikel 20, eerste lid,
genoemde uitspraken zendt de griffier van het college waarvoor de zaak
laatstelijk aanhangig was niet eerder dan drie maanden na de dag van de
beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.
2.Van besluiten houdende wijziging of
vaststelling van namen en van naturalisatiebesluiten mede houdende
wijziging of vaststelling van namen zendt Onze Minister van Justitie
onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder
wie de akte van geboorte van de betrokken persoon berust.
3.De notaris die een akte van erkenning
heeft opgemaakt, zendt onverwijld een afschrift of een uittreksel daarvan
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte
van het kind berust.
Artikel 20f
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand die
de gegevens van een akte van naamskeuze opneemt in de akte van geboorte
van het kind, zendt een afschrift van die akte aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand die de akte van naamskeuze heeft opgemaakt. Deze akte
wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van
dat afschrift.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand die
een latere vermelding van de naamskeuze, de erkenning toevoegt aan de akte
van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte en de latere
vermelding aan de personen op wie de akte betrekking heeft. Hij zendt een
afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van
naamskeuze, van erkenning heeft opgemaakt. Laatstgenoemde akte wordt
bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van
laatstgenoemd afschrift dan wel, indien geen zodanig afschrift wordt
ontvangen, totdat achttien maanden zijn verstreken na het opmaken van de
akte.
Artikel 20g
De ambtenaar van de burgerlijke stand die aan
de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding toevoegt, waaruit
blijkt dat de minderjarige is erkend, of dat een naam van hem is gewijzigd,
geeft van dit feit kennis aan de bewaarder van het in artikel 244 van dit
boek bedoelde openbare register waarin rechtsfeiten omtrent die minderjarige
zijn opgenomen.
Artikel 20h [Vervallen per 01-01-1995]
Afdeling 6. Akten van inschrijving van
bepaalde rechterlijke uitspraken
Artikel 21
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage maakt akten van inschrijving op van in kracht van gewijsde
gegane rechterlijke uitspraken betreffende huwelijken of registraties van
een partnerschap, waarvan de akten niet in de Nederlandse registers van de
burgerlijke stand zijn opgenomen, welke inhouden de nietigverklaring van
een huwelijk of van een geregistreerd partnerschap, een echtscheiding, de
ontbinding van een geregistreerd partnerschap, de ontbinding van een
huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een
ingeschreven uitspraak, dan wel de beëindiging van een geregistreerd
partnerschap, bedoeld in artikel 80c, onder c, of de vernietiging daarvan.
2.De in het eerste lid bedoelde akten
worden ingeschreven in het daartoe bestemde register van de burgerlijke
stand te 's-Gravenhage.
3.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het
opmaken van de akten van inschrijving en de inhoud daarvan.
Afdeling 7. De bewijskracht van akten van de
burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels
Artikel 22
1.De akte van geboorte bewijst ten aanzien
van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de
daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht is
geboren. Vermeldt de akte dat de plaats van de geboorte van het kind niet
bekend is, dan komt dezelfde bewijskracht toe aan de vermelding van de
plaats waar het is aangetroffen.
2.De akte van overlijden bewijst ten
aanzien van een ieder, dat op de plaats, de dag en het uur, in de akte
vermeld, de daarin genoemde persoon is overleden of, indien de akte
krachtens artikel 19f, tweede lid, van dit boek is opgemaakt, dat het lijk
van de daarin genoemde persoon op de plaats, de dag en het uur, in de akte
vermeld, is gevonden.
3.Voor het overige hebben akten van de
burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke akten.
Artikel 22a
Authentieke afschriften of uittreksels, in de
wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde bewaarder van
het register, hebben dezelfde bewijskracht als het origineel, tenzij bewezen
wordt dat zij daarmede niet overeenstemmen.
Afdeling 8. De openbaarheid van de akten van
de burgerlijke stand
Artikel 23
De akten van de burgerlijke stand, daaronder
begrepen de dubbelen van deze akten, zijn openbaar voor zover te dien
aanzien in deze afdeling geen nadere voorziening is gegeven.
Artikel 23a
Van de akten van de burgerlijke stand mogen
slechts de bewaarders en het openbaar ministerie inzage nemen. Voorts kunnen
de rechter en het openbaar ministerie overlegging van akten bevelen.
Artikel 23b
1.Een ieder is bevoegd zich door de
ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten van
de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze
ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk, van registratie van
een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie van
een partnerschap, van omzetting van een registratie van een partnerschap
in een huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de
bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens, waaruit de
afstamming van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft,
niet blijkt.
2.Van de in het eerste lid bedoelde akten
alsmede van de akten van erkenning of ontkenning van het vaderschap door
de moeder wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker
aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Van
andere akten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn
berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven. Dit afschrift bevat
de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens.
3.Een verzoek om afgifte van een uittreksel
of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde personen
betrekking te hebben.
4.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van
afschriften en uittreksels betreft. Daarbij worden tevens regels gegeven
voor het opmaken van uittreksels van akten die voor de inwerkingtreding
van deze wet zijn opgemaakt.
5.Weigert de in het eerste lid bedoelde
ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij
aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn
weigering.
Artikel 23c
De dubbelen van de akten van de burgerlijke
stand zijn openbaar zolang zij onder de ambtenaar van de burgerlijke stand
berusten.
Afdeling 9. De aanvulling van de registers
van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten
en latere vermeldingen
Artikel 24
1. Aanvulling van een register van de
burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding,
doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere
vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere
vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan op verzoek van
belanghebbenden of van het openbaar ministerie worden gelast door de
rechtbank. De rechtbank kan bij haar beschikking tot verbetering van een
akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens
dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of latere
vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die buiten
haar rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
De in de tweede zin bedoelde bevoegdheid kan mede worden uitgeoefend ten
aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of
zijn afstammelingen die in de registers van de burgerlijke stand van de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen.
2. De griffier van het college waarvoor de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan drie maanden na de
dag van de beschikking een afschrift daarvan aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente, in welker registers de akte of latere
vermelding is of had moeten zijn opgenomen. Is deze gemeente opgeheven,
dan zendt hij het afschrift aan de ambtenaar van de gemeente in wier
archieven de registers van de burgerlijk stand van de opgeheven gemeente
berusten.
Artikel 24a
1.Kennelijke misslagen kunnen worden
verbeterd met toestemming van de officier van justitie binnen wiens
rechtsgebied de akte in de registers van de burgerlijke stand is
opgenomen. De toestemming van de officier van justitie kan eveneens
betrekking hebben op dezelfde verbetering ten aanzien van een akte
betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die in een ander
arrondissement in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
2.Kennelijke schrijf- of spelfouten kunnen
ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand worden verbeterd.
Artikel 24b
1.Aanvulling van een register van de
burgerlijke stand op grond van artikel 24 geschiedt door het opmaken van
een nieuwe akte in dat register.
2.Van een verbetering of een doorhaling op
grond van deze afdeling wordt een latere vermelding toegevoegd aan de
desbetreffende akte, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te
stellen.
Afdeling 10. Inschrijving van buitenlandse
akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een vervangende akte van
geboorte
Artikel 25
1. Buiten Nederland overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten
van geboorte, huwelijksakten, akten van registratie van een partnerschap
en akten van overlijden worden op bevel van het openbaar ministerie of op
verzoek van een belanghebbende ingeschreven in de registers
onderscheidenlijk van geboorten, van huwelijken, van geregistreerde
partnerschappen en van overlijden van de gemeente 's-Gravenhage, indien:
a. de akte een persoon betreft die op
het ogenblik van het verzoek Nederlander is of te eniger tijd
Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;
b. de akte een persoon betreft die
rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de
Vreemdelingenwet 2000.
2. Buiten Nederland overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten
van geboorte worden op bevel van het openbaar ministerie of op verzoek van
een belanghebbende ingeschreven in het register van geboorten van de
gemeente 's-Gravenhage, indien de akte een persoon van vreemde
nationaliteit betreft en op grond van enige bepaling van dit boek een
latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
3. De ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeente 's-Gravenhage kan ook ambtshalve de in de vorige leden
bedoelde akten inschrijven.
4. Alvorens op grond van het eerste of
derde lid tot de inschrijving van een huwelijksakte of van een akte van
registratie van een partnerschap over te gaan, doet de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage zich een door de korpschef
in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verklaring als bedoeld in
artikel 44, eerste lid, onder k, overleggen. Deze verklaring wordt
opgesteld op verzoek van de echtgenoot of de geregistreerde partner op wie
zij betrekking heeft. Bij het verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift als
bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, overgelegd. Heeft deze geen
woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere
echtgenoot of de andere geregistreerde partner. De verklaring is niet
vereist indien:
a. de echtgenoten of geregistreerde
partners aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland
woonplaats hebben;
b. de betrokken echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in
Nederland rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder b, d of
e, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap ten minste tien jaren vóór de inschrijving is
voltrokken, of
d. het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap is geëindigd.
5. In geval van adoptie gelast de
rechtbank, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de
inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akte van
geboorte.
6. De akte van inschrijving vermeldt de bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen gegevens.
7. Kennelijke misslagen of schrijf- of
spelfouten, die de ambtenaar van de burgerlijke stand in de in te
schrijven akte vaststelt op grond van een hier te lande in de registers
van de burgerlijke stand opgenomen akte of op grond van een rechterlijke
uitspraak, kunnen ambtshalve door hem worden verbeterd. De verbeteringen
worden afzonderlijk in de akte vermeld.
8. Indien een akte ambtshalve is
ingeschreven, wordt een afschrift van de akte van inschrijving toegezonden
aan de persoon of de personen op wie de akte betrekking heeft.
Artikel 25a
1.Indien na de inschrijving kennelijke
misslagen in de buiten Nederland opgemaakte akte overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd,
wordt de verbetering in de akte van inschrijving aangebracht doordat de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, aan wie
een afschrift van de beslissing tot verbetering en een afschrift van de
verbeterde akte zijn overgelegd, een latere vermelding van de verbetering
aan de akte van inschrijving toevoegt, nadat hij daartoe toestemming van
de officier van justitie heeft verkregen.
2.Kennelijke schrijf- en spelfouten, die in
de buiten Nederland opgemaakte akte overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd, kunnen ook
zonder toestemming van de officier van justitie, ambtshalve door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage aan de
hand van een afschrift van de verbeterde akte worden verbeterd op de in
het eerste lid aangegeven wijze.
Artikel 25b
Aan de akte van inschrijving, bedoeld in
artikel 25, worden de latere vermeldingen toegevoegd die op grond van dit
boek aan een in Nederland opgemaakte akte van geboorte, huwelijksakte of
akte van overlijden moeten worden toegevoegd.
Artikel 25c
1. Indien ten aanzien van een buiten
Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan
worden overgelegd, kan op verzoek van het openbaar ministerie, van een
belanghebbende of van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente 's-Gravenhage de rechtbank Den Haag de voor het opmaken van een
geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
a. die persoon Nederlander is of te
eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander
is geweest;
b. die persoon rechtmatig verblijft op
grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van dit boek een latere
vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
2. De rechtbank houdt rekening met alle
bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder, en het
tijdstip waarop de geboorte moet hebben plaatsgehad. De geslachtsnaam, de
voornamen, alsmede de plaats en de dag van de geboorte van de vader en van
de moeder worden vastgesteld, voor zover daarvoor aanwijzingen zijn
verkregen.
3. In geval van adoptie geeft de rechtbank
die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de in het eerste lid
bedoelde beschikking.
Artikel 25d
De rechtbank Den Haag kan op verzoek van het
openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage de krachtens artikel 25c
gegeven beschikking wijzigen op grond dat de vastgestelde gegevens onjuist
of onvolledig zijn.
Artikel 25e [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 25f
1.De griffier van het college waarvoor de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan drie maanden na de
dag van de beschikking een afschrift daarvan, aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage.
2.Deze ambtenaar maakt van de beschikking,
bedoeld in artikel 25c een akte van inschrijving op, die geldt als een
akte van geboorte in de zin van artikel 19 van dit boek. Deze akte is in
overeenstemming met de beschikking en vermeldt dit uitdrukkelijk.
3.Van de beschikking, bedoeld in artikel
25d, wordt een latere vermelding toegevoegd aan de akte als bedoeld in het
vorige lid.
Artikel 25g
1.Op akten en uitspraken die buiten
Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking
hebben als de in artikel 25c van dit boek bedoelde beschikkingen, zijn de
artikelen 25 tot en met 25b van overeenkomstige toepassing. De
inschrijving als bedoeld in artikel 25 vindt niet plaats indien de
Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
2.In geval van adoptie van een buiten
Nederland geboren kind ten aanzien waarvan een akte of uitspraak als
bedoeld in het vorige lid is opgemaakt of gedaan, geeft de rechtbank die
de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk last tot inschrijving van
die akte of uitspraak.
Afdeling 11. De verklaring voor recht omtrent
de rechtsgeldigheid in Nederland van een buitenlandse akte of uitspraak
Artikel 26
1.Een ieder die daarbij een gerechtvaardigd
belang heeft, kan de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te
geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte
of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een
bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is
voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
2.De in het eerste lid bedoelde verklaring
voor recht kan eveneens op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke
stand of van het openbaar ministerie worden afgegeven.
Artikel 26a
De rechtbank kan, op verzoek of ambtshalve,
bij de in het eerste lid van artikel 26 bedoelde verklaring voor recht
tevens de toevoeging van een latere vermelding, op grond van artikel 24,
eerste lid, aan een in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand
voorkomende akte gelasten.
Artikel 26b
Is met betrekking tot de verzoeker geen akte
in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand opgenomen, dan kan de
rechtbank Den Haag, op verzoek of ambtshalve, bij haar beschikking tevens de
inschrijving, overeenkomstig artikel 25, van een daarvoor in aanmerking
komende in het buitenland opgemaakte akte in de registers van de burgerlijke
stand te 's-Gravenhage gelasten, alsmede de verbetering van de akte van
inschrijving op grond van artikel 24, eerste lid. Ook kan zij bij haar
beschikking een last als bedoeld in artikel 25c geven alsmede een last tot
verbetering, overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van de door de ambtenaar
van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage op te maken akte.
Artikel 26c [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 26d
De overlegging van een authentiek afschrift
van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het verzoek betrekking heeft,
kan worden verlangd. Artikel 986, derde en vierde lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26e
De griffier van het college, waarbij de zaak
laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens registers een op de
belanghebbende betrekking hebbende akte is opgenomen, waaraan een latere
vermelding van de beschikking moet worden toegevoegd. Is bij de beschikking
een last tot inschrijving van een in het buitenland opgemaakte akte gegeven,
dan zendt de griffier een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van
de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
Artikel 26f [Vervallen per 01-04-1995]
Afdeling 12. Voorziening tegen de weigering
tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere
verrichting
Artikel 27
Naar aanleiding van een besluit van een
ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b of 20c te
weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere
vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van
het huwelijk of het geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van een
afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, hebben
belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen zes weken na de
verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de rechtbank
binnen welker rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de
burgerlijke stand is gelegen.
Artikel 27a
De rechtbank kan, op verzoek van een
belanghebbende partij of ambtshalve, bij haar beschikking tevens een
verklaring als bedoeld in artikel 26 afgeven, alsmede een last als bedoeld
in artikel 26a, onderscheidenlijk artikel 26b.
Artikel 27b
De griffier zendt een afschrift van de
beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand.
Artikel 27c [Vervallen per 01-04-1995]
Afdeling 13. De rechterlijke last tot
wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte
Artikel 28
1.Iedere Nederlander die de overtuiging
heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de akte van
geboorte en lichamelijk aan het verlangde geslacht is aangepast voor zover
dit uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is, kan
de rechtbank verzoeken wijziging van de vermelding van het geslacht in de
akte van geboorte te gelasten, indien deze persoon als mannelijk in de
akte van geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen
te verwekken, dan wel als vrouwelijk in de akte van geboorte vermeld
staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen te baren.
2.Voor de toepassing van het bepaalde in
het eerste lid en de artikelen 28a en 28b van dit boek wordt onder akte
van geboorte mede verstaan een akte van inschrijving van een buiten
Nederland opgemaakte akte van geboorte of van een beschikking als bedoeld
in artikel 25c van dit boek.
3.Degene, die de Nederlandse nationaliteit
niet bezit, kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid doen, indien hij
reeds gedurende een tijdvak van ten minste één jaar, onmiddellijk
voorafgaande aan het verzoek, woonplaats in Nederland heeft en een
rechtsgeldige verblijfstitel heeft en voor het overige voldoet aan de in
het eerste lid gestelde voorwaarden. Indien de akte van geboorte niet hier
te lande in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, wordt
tevens de rechtbank verzocht de inschrijving te gelasten van de akte van
geboorte in het register van geboorten van de gemeente 's-Gravenhage.
Artikel 28a
1. Bij het verzoek moeten worden overgelegd
een afschrift van de akte van geboorte alsmede een gezamenlijk
ondertekende verklaring van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
deskundigen, afgegeven ten hoogste zes maanden voor de datum van indiening
van het verzoek, waaruit blijkt:
a. de overtuiging van de verzoeker dat
hij tot het andere geslacht behoort dan in de akte van geboorte is
vermeld en waarin is vervat het oordeel van de daartoe bevoegde
deskundige dat die overtuiging, gelet op de periode waarin de
verzoeker als zodanig heeft geleefd en zo mogelijk op andere daarbij
te vermelden feiten of omstandigheden, als van blijvende aard kan
worden beschouwd;
b. of en zo ja, in hoeverre de
verzoeker lichamelijk aan het verlangde geslacht zodanig is aangepast
als uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is;
c. dat de verzoeker als mannelijk in de
akte van geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn
kinderen te verwekken, dan wel als vrouwelijk in de akte van geboorte
vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen te baren.
2. In de verklaring behoeft het in het
eerste lid onder a bedoelde onderdeel niet te worden opgenomen indien de
verzoeker lichamelijk reeds aan het verlangde geslacht is aangepast.
Artikel 28b
1.Het verzoek wordt toegewezen indien de
rechtbank van oordeel is dat voldoende is komen vast te staan dat de
verzoeker de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan in
de akte van geboorte is vermeld en dat deze overtuiging als van blijvende
aard kan worden beschouwd en de verzoeker voldoet aan de in het eerste lid
van artikel 28 gestelde voorwaarden.
2.Indien de rechtbank het verzoek om
wijziging van de vermelding van het geslacht inwilligt, kan zij
desverzocht tevens de wijziging van de voornamen van de verzoeker
gelasten.
Artikel 28c
1.De wijziging van de vermelding van het
geslacht heeft haar gevolgen, die uit dit boek voortvloeien, vanaf de dag
waarop de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van geboorte een
latere vermelding toevoegt van de last tot wijziging.
2.De wijziging van de vermelding van het
geslacht laat de op het in het eerste lid genoemde tijdstip bestaande
familierechtelijke betrekkingen en de daaruit voortvloeiende op dit boek
gegronde rechten, bevoegdheden en verplichtingen onverlet. De verzoeken in
verband met artikel 157 en in verband met artikel 394 van dit boek kunnen
ook worden gedaan na het in het eerste lid genoemde tijdstip.
Afdeling 14. De Commissie van advies voor de
zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit
Artikel 29
Er is een Commissie van advies voor de zaken
betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
Artikel 29a
1.De Commissie bestaat uit ten minste negen
en ten hoogste vijftien leden.
2.De Commissie bestaat uit ten minste een
lid van de rechterlijke macht, ten minste een lid uit de kring van het
wetenschappelijk onderzoek, ten minste twee leden uit de kring van de
ambtenaren van de burgerlijke stand en ten minste twee leden uit de kring
van de gemeentelijke basisadministratie.
3.Onze Minister van Justitie benoemt en
ontslaat de in het voorgaande lid bedoelde leden in overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Voorts wijst hij een voorzitter en
een secretaris aan.
Artikel 29b
1.De Commissie brengt op verzoek van een
ambtenaar van de burgerlijke stand of een ander bestuursorgaan advies uit
over vragen betreffende de rechtstoepassing in zaken van burgerlijke staat
of nationaliteit.
2.Indien een advies van algemeen belang is,
wordt het openbaar gemaakt. De Commissie bepaalt de wijze van
openbaarmaking.
Artikel 29c
Indien een ambtenaar van de burgerlijke stand
gerede twijfel heeft over de vraag of een aan een buiten Nederland
opgemaakte akte van de burgerlijke stand of ander geschrift te ontlenen
gegeven in aanmerking komt om in een akte van de burgerlijke stand te worden
opgenomen, is hij gehouden het advies van de Commissie in te winnen.
Artikel 29d
Indien een ambtenaar van de burgerlijke stand
een door de Commissie gegeven advies niet opvolgt, stelt hij de Commissie en
de officier van justitie hiervan in kennis.
Artikel 29e
Onze Minister van Justitie kan nadere regels
stellen omtrent de taak en de werkwijze van de Commissie.
Artikel 29f
Telkens binnen een termijn van vier jaren
brengt de Commissie een rapport uit aan Onze Minister van Justitie, waarin
de taakvervulling van de Commissie aan een onderzoek wordt onderworpen en
voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen.
Titel 5. Het huwelijk
Algemene bepaling
Artikel 30
1.Een huwelijk kan worden aangegaan door
twee personen van verschillend of van gelijk geslacht.
2.De wet beschouwt het huwelijk alleen in
zijn burgerlijke betrekkingen.
Afdeling 1. Vereisten tot het aangaan van een
huwelijk
Artikel 31
1.Om een huwelijk te mogen aangaan moeten
een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.
2.Het in het vorige lid vermelde
huwelijksbeletsel bestaat niet wanneer zij die met elkander een huwelijk
willen aangaan de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en de vrouw
een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is, dan wel haar kind
reeds ter wereld heeft gebracht.
3.Onze Minister van Justitie kan om
gewichtige redenen ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde
vereiste.
Artikel 32
Een huwelijk mag niet worden aangegaan,
wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze
niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te
begrijpen.
Artikel 33
Een persoon kan tegelijkertijd slechts met
één andere persoon door het huwelijk verbonden zijn.
Artikel 34 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 35
1.Een minderjarige mag geen huwelijk
aangaan zonder toestemming van zijn ouders.
2.Zijn de geestvermogens van een ouder
zodanig gestoord, dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de
betekenis van zijn verklaring te begrijpen, dan is zijn toestemming niet
vereist.
3.Een minderjarige, die onder voogdij
staat, heeft bovendien de toestemming van zijn voogd nodig.
Artikel 36
Voor zover een volgens het vorige artikel
vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan zij op verzoek van de
minderjarige door die van de rechtbank worden vervangen.
Artikel 37
1.Hij die wegens verkwisting of
drankmisbruik onder curatele staat, mag geen huwelijk aangaan zonder de
toestemming van zijn curator.
2.Voor zover die toestemming niet wordt
verkregen, kan zij op verzoek van de onder curatele gestelde door
toestemming van de kantonrechter worden vervangen.
Artikel 38
Hij die wegens een geestelijke stoornis onder
curatele staat, mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming van de
kantonrechter.
Artikel 39
1.Heeft de rechter de toestemming verleend,
dan is de termijn van beroep veertien dagen en kan gedurende die termijn
de beschikking niet worden ten uitvoer gelegd.
2.Hij die tegen een verleende toestemming
opkomt, is verplicht dit binnen de termijn van beroep bij
deurwaardersexploit te doen aanzeggen aan de ambtenaar of ambtenaren van
de burgerlijke stand ten overstaan van wie het huwelijk kan worden
voltrokken. Door dit te verzuimen verliest hij het recht om de
nietigverklaring van het huwelijk op grond van het ontbreken van zijn
toestemming te vragen, indien het gerechtshof de in het eerste lid
bedoelde beschikking vernietigt en het huwelijk reeds is voltrokken.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1988]
Artikel 41
1.Een huwelijk mag niet worden gesloten
tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij familierechtelijk,
bestaan in de opgaande en in de nederdalende lijn of als broeders, zusters
of broeder en zuster.
2.Onze Minister van Justitie kan om
gewichtige redenen ontheffing van het verbod verlenen aan hen die
broeders, zusters of broeder en zuster door adoptie zijn.
Artikel 42
Zij die met elkander een huwelijk willen
aangaan, mogen niet tegelijkertijd een geregistreerd partnerschap zijn
aangegaan.
Afdeling 2. Formaliteiten die aan de
voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan
Artikel 43
1.Zij die met elkaar een huwelijk willen
aangaan, moeten daarvan onder overlegging van de in artikel 44 van dit
boek genoemde bescheiden, aangifte doen bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de woonplaats van één der partijen. Wanneer de
aanstaande echtgenoten, van wie ten minste één de Nederlandse
nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats hebben en in een
Nederlandse gemeente een huwelijk met elkaar willen aangaan, geschiedt de
aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
2.Bij de aangifte kunnen de aanstaande
echtgenoten verklaren dat het huwelijk zal worden voltrokken in een andere
gemeente dan die waarin een van hen op het tijdstip van de
huwelijksaangifte woonplaats heeft, dan wel indien de tweede zin van het
eerste lid van toepassing is, in een andere gemeente dan 's-Gravenhage.
3.De aangifte geschiedt in persoon of bij
zodanige geschriften waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenoten
met genoegzame zekerheid kan blijken.
4.De ambtenaar van de burgerlijke stand
maakt van de aangifte een akte op.
Artikel 44
1.Voor de aangifte van het huwelijk worden
de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
overgelegd:
a. de geboorteakte van ieder der
aanstaande echtgenoten en van elk van hen een gewaarmerkt afschrift
van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, tenzij zij
niet als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens
behoeven te zijn ingeschreven;
b. een akte van huwelijkstoestemming,
gegeven door hen, wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is.
De akte van huwelijkstoestemming wordt door een ambtenaar van de
burgerlijke stand of door een notaris opgemaakt. De toestemming kan
ook bij de huwelijksakte worden gegeven. Is de toestemming door de
rechter verleend, dan wordt diens beschikking overgelegd;
c. een akte van overlijden van allen,
wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren
geweest;
d. ingeval van tweede of verder
huwelijk dan wel huwelijk na registratie, bewijsstukken aantonende dat
het vorige huwelijk dan wel het eerdere geregistreerd partnerschap
geen beletsel voor een nieuw huwelijk oplevert;
e. de akte van huwelijksaangifte;
f. indien stuiting heeft
plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven;
g. het bewijs van de ontheffing of de
vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval deze is vereist;
h. indien een beschikking als bedoeld
in afdeling 12 van Titel 4 van dit boek of een vrijstelling krachtens
artikel 62 van dit boek is verkregen, ook deze;
i. de verklaring, bedoeld in artikel
31, tweede lid, van dit boek, ingeval deze vereist is;
j. een schriftelijke opgave van de
namen en de adressen van de personen die zijn uitgenodigd om als
getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig te zijn;
k. een door de korpschef in de zin van
de Vreemdelingenwet 2000 aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de aanstaande echtgenoot die
niet de Nederlandse nationaliteit bezit, rechtmatig in Nederland
verblijft als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, dan
wel voornemens is niet in Nederland te verblijven. De verklaring wordt
opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij
betrekking heeft. Bij het verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift als
bedoeld onder a, overgelegd. Heeft deze geen woonplaats in Nederland,
dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere aanstaande
echtgenoot.
2.De verklaring, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel k, is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk
kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats hebben. De
verklaring is evenmin vereist indien de aanstaande echtgenoot die niet de
Nederlandse nationaliteit bezit, in Nederland rechtmatig verblijft op
grond van artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het in het eerste
lid onder a bedoelde gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens, alsmede de in hetzelfde lid onder k
bedoelde verklaring.
Artikel 45
1.Een aanstaande echtgenoot die in de
onmogelijkheid is, zijn door het vorige artikel vereiste geboorteakte te
vertonen, kan dit verhelpen door een akte van bekendheid, afgegeven door
de kantonrechter van zijn geboorteplaats of woonplaats, op verklaring van
vier meerderjarige getuigen.
2.Deze verklaring houdt de vermelding in
van de plaats en, zo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, benevens
de oorzaken, die beletten een akte daarvan over te leggen.
3.Het ontbreken van een geboorteakte kan
ook worden verholpen, hetzij door een dergelijke, maar beëdigde
verklaring, afgelegd door de getuigen, die bij de voltrekking van het
huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van de aanstaande
echtgenoot, inhoudende dat hij zich geen geboorteakte of akte van
bekendheid kan verschaffen. In de huwelijksakte wordt van de afgelegde
verklaring melding gemaakt.
Artikel 45a
Indien partijen niet in staat zijn de akten
van overlijden, bij artikel 44, eerste lid, onder c van dit boek bedoeld,
over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde wijze als in het geval van het
vorige artikel worden verholpen.
Artikel 46
Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te
rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is voltrokken,
mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte is gedaan.
Artikel 47
1.Indien een minderjarige een huwelijk
wenst aan te gaan, onderzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand, van
welke personen daartoe de toestemming wordt vereist.
2.Voorts onderzoekt die ambtenaar of de
minderjarige onder toezicht gesteld is of onder voorlopige voogdij is
geplaatst. Blijkt dit het geval, dan verwittigt hij bij
ondertoezichtstelling de kinderrechter en in het andere geval de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
onverwijld van het voorgenomen huwelijk.
Artikel 48
Indien hij die wil hertrouwen het gezag heeft
over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de gedane aangifte onverwijld kennis aan de rechtbank van de
woonplaats van de bedoelde ouder.
Artikel 49
1.Trouwbeloften geven geen rechtsvordering
tot het aangaan van een huwelijk, noch tot schadevergoeding wegens de
niet-vervulling van de beloften; alle afwijkende bedingen zijn nietig.
2.Indien echter een akte van
huwelijksaangifte is opgemaakt, kan dit grond opleveren tot een vordering
tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder dat daarbij enige
winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door verloop van
achttien maanden, te rekenen van de datum van de akte van
huwelijksaangifte.
Artikel 49a
1.Indien een Nederlander buiten Nederland
een huwelijk wenst aan te gaan, wordt op zijn verzoek aan hem een
verklaring van huwelijksbevoegdheid overeenkomstig de bijlage van de
Overeenkomst van München van 5 september 1980 (Trb. 1981, 71, en 1982,
116) afgegeven.
2.Deze verklaring wordt afgegeven:
a. aan degene die binnen Nederland
woonplaats heeft, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn
woonplaats;
b. aan degene die binnen Nederland geen
woonplaats heeft, maar wel heeft gehad, door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de laatste woonplaats aldaar;
c. aan degene die binnen Nederland geen
woonplaats heeft of heeft gehad, door het hoofd van de diplomatieke of
consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in
het ressort waar het huwelijk wordt voltrokken.
3.De verklaring wordt door de bevoegde
autoriteit niet afgegeven alvorens deze, door kennisneming van de
bescheiden, vermeld in artikel 44, eerste lid, onder a, b, c, d en g, en
zo nodig van die, vermeld in de artikelen 45 en 45a, alsmede in artikel
27b, zich ervan heeft overtuigd dat naar Nederlands recht geen beletselen
tegen het huwelijk bestaan.
4.De verklaring van huwelijksbevoegdheid
is, te rekenen van het tijdstip van afgifte, gedurende zes maanden geldig.
Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk
Artikel 50
Een huwelijk kan worden gestuit, wanneer
partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan,
dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner,
niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat
verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.
Artikel 51
1.Bevoegd tot stuiting, wanneer partijen
niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, zijn
bloedverwanten in de rechte lijn, broeders, zusters, voogden en curatoren
van een der aanstaande echtgenoten.
2.De in het vorige lid genoemde personen
zijn ook bevoegd een huwelijk te stuiten, wanneer de andere aanstaande
echtgenoot onder curatele staat, en het huwelijk klaarblijkelijk het
ongeluk zou veroorzaken van de partij, waarvan zij bloedverwant, voogd of
curator zijn.
Artikel 52
Hij die met een der partijen door huwelijk
verbonden is dan wel met een der partijen een geregistreerd partnerschap is
aangegaan, kan op grond van het bestaan van dat huwelijk of dat
geregistreerd partnerschap een nieuw aan te gaan huwelijk stuiten.
Artikel 53
1.Het openbaar ministerie is verplicht een
voorgenomen huwelijk te stuiten, indien het met een der in de artikelen 31
tot en met 33, 41 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is.
2.Het openbaar ministerie is bevoegd het
huwelijk te stuiten van een minderjarige, die onder toezicht is gesteld of
onder voorlopige voogdij is geplaatst, indien het belang van die
minderjarige zich tegen het aangaan van het huwelijk verzet; daarbij kan
het belang dat de wederpartij bij het huwelijk heeft, mede in aanmerking
worden genomen.
3.Het openbaar ministerie is voorts bevoegd
het huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare
orde te stuiten indien het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één
hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de
huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating
tot Nederland.
Artikel 54
1.De stuiting geschiedt door betekening van
een akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van één der gemeenten
waar het huwelijk kan worden voltrokken.
2.De akte houdt de keus van een woonplaats
in die gemeente en de gronden van de stuiting in en vermeldt de
hoedanigheid die aan de opposant de bevoegdheid geeft om het huwelijk te
stuiten; alles op straffe van nietigheid.
3.De ambtenaar, aan wie de akte is
betekend, zal van de gedane stuiting onverwijld kennis geven aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand der andere gemeenten, waar het huwelijk
kan worden voltrokken.
4.De opposant zal afschrift der akte van
stuiting onverwijld doen betekenen aan de partij, tegen welke de stuiting
is gericht.
Artikel 55
Een stuiting kan worden opgeheven:
a. op dezelfde wijze als waarop zij is
geschied;
b. door een verklaring, in persoon
afgelegd ten overstaan van een der ambtenaren van de burgerlijke stand,
genoemd in het vorige artikel;
c. door een verklaring, afgelegd ten
overstaan van een notaris;
d. door een in kracht van gewijsde gegane
beschikking, gegeven op verzoek van een belanghebbende.
Artikel 56
Het huwelijk mag niet worden voltrokken,
voordat de stuiting is opgeheven. Mocht het desniettemin voltrokken zijn
hangende een geding tot opheffing van de stuiting, dan kan dit geding op
verlangen van de opposant worden voortgezet en wordt het huwelijk nietig
verklaard, indien de rechter de gegrondheid der stuiting aanvaardt.
Artikel 57
Een ambtenaar van de burgerlijke stand aan
wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met 33, 41 en 42
omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot een huwelijksaangifte
of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al zou geen stuiting hebben
plaatsgehad.
Afdeling 4. De voltrekking van het huwelijk
Artikel 58
1.Komt vast te staan dat op het tijdstip
waarop de voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden meer dan zes
maanden zullen zijn verstreken sinds de afgifte van een verklaring als
bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k, dan doet de ambtenaar van de
burgerlijke stand zich, alvorens tot de voltrekking van het huwelijk over
te gaan, wederom een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond
van het derde lid niet vereist is.
2.Indien de overlegging van een verklaring
als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k, op het tijdstip van de
aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet de ambtenaar van de
burgerlijke stand zich, alvorens tot voltrekking van het huwelijk over te
gaan, alsnog een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van
het derde lid niet vereist is.
3.De verklaring wordt opgesteld op verzoek
van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Heeft deze geen
woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere
aanstaande echtgenoot. De verklaring is niet vereist indien de aanstaande
echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland
woonplaats hebben. De verklaring is evenmin vereist indien de aanstaande
echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in Nederland
rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder b, d of e, van de
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 59 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 60 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 62
1.Het huwelijk mag niet worden voltrokken
vóór de veertiende dag na de datum van de akte van huwelijksaangifte.
2.Het openbaar ministerie bij de rechtbank,
binnen wier rechtsgebied de huwelijksaangifte is geschied, is bevoegd uit
hoofde van gewichtige redenen vrijstelling te verlenen van de
voorgeschreven wachttijd.
Artikel 63
Een huwelijk wordt in tegenwoordigheid van
ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen in het openbaar
in het gemeentehuis voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de
burgerlijke stand van:
a. de woonplaats van één der partijen
ten tijde van de datum van de akte van huwelijksaangifte, of
b. 's-Gravenhage, in het geval bedoeld in
artikel 43, eerste lid, tweede zin, van dit boek, of
c. de bij de huwelijksaangifte aangewezen
gemeente.
Artikel 64
Indien een der partijen uit hoofde van een
behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar het
gemeentehuis te begeven, kan het huwelijk worden voltrokken in een bijzonder
huis binnen dezelfde gemeente, mits dit in tegenwoordigheid van zes
meerderjarige getuigen geschiedt.
Artikel 65
De aanstaande echtgenoten zijn verplicht bij
de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de ambtenaar van de
burgerlijke stand te verschijnen.
Artikel 66
Het staat Onze Minister van Justitie vrij,
uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen het huwelijk
door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde te voltrekken.
Artikel 67
1.De aanstaande echtgenoten moeten ten
overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid
van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenoten en
dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen, die door de wet aan de
huwelijkse staat worden verbonden.
2.Terstond nadat deze verklaring is
afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat partijen
door de echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij daarvan in het
daartoe bestemde register een akte op.
Artikel 68
Geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen
plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst zullen
hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de
burgerlijke stand is voltrokken.
Afdeling 5. Nietigverklaring van een huwelijk
Artikel 69
1.Voor zover hieronder niet anders is
bepaald, kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich
verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van
het huwelijk worden verzocht door:
a. de bloedverwanten in de opgaande
lijn van een der echtgenoten;
b. ieder der echtgenoten;
c. alle overige personen, die daarbij
een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter deze alleen na de
ontbinding van het huwelijk;
d. het openbaar ministerie, echter
alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden.
2.Hij die met een der echtgenoten nog door
een vroeger huwelijk dan wel door een eerder geregistreerd partnerschap is
verbonden, is eveneens bevoegd op grond van het bestaan van dat huwelijk
of die registratie de nietigverklaring van het daarna gesloten huwelijk te
verzoeken.
Artikel 70
1.Op verzoek van de ouders, de echtgenoten
en het openbaar ministerie kan een huwelijk worden nietig verklaard,
wanneer het ten overstaan van een niet bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van het vereiste aantal
getuigen is voltrokken.
2.De bevoegdheid van een echtgenoot om uit
dien hoofde de nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken vervalt,
indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat en een akte van
huwelijksvoltrekking ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke
stand verleden, aanwezig zijn.
Artikel 71
1.Een echtgenoot kan de nietigverklaring
van zijn huwelijk verzoeken, wanneer dit onder invloed van een
onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten.
2.Een gelijk verzoek komt de echtgenoot
toe, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon
van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de door hem
afgelegde verklaring.
3.De bevoegdheid van de echtgenoot de
nietigverklaring wegens bedreiging of dwaling te verzoeken vervalt,
wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert het ophouden
van de bedreiging of de ontdekking van de dwaling, zonder dat het verzoek
is gedaan.
Artikel 71a
Op verzoek van het openbaar ministerie kan
een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare
orde worden nietig verklaard indien het oogmerk van de echtgenoten, of één
hunner, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de
huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating
tot Nederland.
Artikel 72
Een huwelijk kan niet nietig worden verklaard
uit hoofde dat op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking een der
echtgenoten onder curatele stond, en het huwelijk klaarblijkelijk het
ongeluk van de andere echtgenoot zou veroorzaken.
Artikel 73
De nietigverklaring van een huwelijk uit
hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de stoornis
alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het
verzoek vervalt door een samenwoning van ten minste zes maanden na het
ophouden van de stoornis.
Artikel 74
De nietigverklaring van een huwelijk, dat
aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan niet worden
verzocht wanneer deze op de dag van het verzoek de vereiste ouderdom heeft,
noch wanneer de vrouw vóór de dag van het verzoek zwanger is geworden.
Artikel 75
1.Wegens het ontbreken van een vereiste
toestemming van een derde kan de nietigverklaring van het huwelijk alleen
door die derde of, in het geval van artikel 38 van dit boek, door de
curator worden verzocht. Dit verzoek vervalt, wanneer hij die bevoegd is
de nietigverklaring te verzoeken, het huwelijk uitdrukkelijk of
stilzwijgend heeft goedgekeurd, of wanneer drie maanden verlopen zijn
nadat hij met de huwelijksvoltrekking bekend is geworden.
2.Hij die bevoegd is de nietigverklaring te
verzoeken, wordt vermoed met het huwelijk bekend te zijn geworden, wanneer
het hier te lande is voltrokken, of wanneer het, buiten Nederland
aangegaan, hier te lande in de registers van de burgerlijke stand is
ingeschreven.
Artikel 76
Behoudens het in artikel 56 van dit boek
bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op grond van een
verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
Artikel 77
1.De nietigverklaring van het huwelijk
werkt, zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan; zij werkt
terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.
2.Nochtans mist de beschikking
terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde gevolg als een echtscheiding:
a. ten aanzien van de kinderen der
echtgenoten;
b. ten aanzien van de te goeder trouw
zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een gemeenschap van
goederen aanspraak maken, wanneer het huwelijk wegens het bestaan van
een vroeger huwelijk of een eerder geregistreerd partnerschap is
nietig verklaard;
c. ten aanzien van andere personen dan
de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te goeder trouw vóór
de inschrijving der nietigverklaring rechten hebben verkregen.
Afdeling 5A [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 77a [Vervallen per 01-03-2009]
Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het
huwelijk
Artikel 78
Het bestaan van een in Nederland gesloten
huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de huwelijksakte dan wel
door de akte van omzetting, bedoeld in artikel 80g, behoudens in de gevallen
bij de volgende artikelen voorzien.
Artikel 79
Heeft het huwelijksregister niet bestaan of
is het verloren gegaan of ontbreekt daaraan de huwelijksakte, dan wel de
akte van omzetting, bedoeld in artikel 80g, dan kan het huwelijk door
getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er een uiterlijk bezit van de
huwelijkse staat aanwezig is.
Artikel 80
Wordt in een geding betwist dat een kind, dat
uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is geboren, dan levert het
feit dat de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd, voldoende
bewijs op.
Titel 5A. Het geregistreerd partnerschap
Artikel 80a
1.Een persoon kan tegelijkertijd slechts
met één andere persoon van hetzelfde of andere geslacht een
geregistreerd partnerschap aangaan.
2.Zij die een geregistreerd partnerschap
aangaan, mogen niet tegelijkertijd gehuwd zijn.
3.Registratie van partnerschap geschiedt
bij een akte van registratie van partnerschap opgemaakt door een ambtenaar
van de burgerlijke stand.
4.Zij die een geregistreerd partnerschap
willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van gegevens omtrent hun
burgerlijke staat, en indien zij eerder een partnerschap hadden laten
registreren of gehuwd zijn geweest, met vermelding van de namen van de
vroegere partner dan wel van de namen van de vroegere echtgenoot, aangifte
doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van één
der partijen. Wanneer de aanstaande geregistreerde partners, van wie ten
minste één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland
woonplaats hebben en in een Nederlandse gemeente een geregistreerd
partnerschap met elkaar willen aangaan, geschiedt de aangifte bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage. De artikelen 43,
tweede tot en met vierde lid, en 46 zijn van overeenkomstige toepassing.
5.Een partnerschapsregistratie kan worden
gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich verenigen om de
registratie aan te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande
geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op de vervulling
van de door de wet aan de partnerschapsregistratie verbonden plichten,
doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een stuiting zijn
de artikelen 51, 52, 53, tweede en derde lid, en 54 tot en met 56 van
overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is verplicht een
partnerschapsregistratie te stuiten, indien het met een van de in de
artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van dit artikel
omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde beletselen bekend
is, mag hij niet tot een aangifte of registratie meewerken, ook al zou
geen stuiting hebben plaatsgehad.
6.Ter zake van de partnerschapsregistratie
zijn de artikelen 31, 32, 35 tot en met 39, 41, 44 tot en met 49, 58, en
62 tot en met 66 van overeenkomstige toepassing.
7.Op de nietigverklaring van een
partnerschapsregistratie zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen
69 tot en met 73, 74, 75 tot en met 77, eerste lid en tweede lid.
8.Op het bewijs van het bestaan van de
partnerschapsregistratie zijn de artikelen 78 en 79 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 80b
Op een geregistreerd partnerschap zijn de
titels 6, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het
omtrent scheiding van tafel en bed bepaalde.
Artikel 80c
1.Het geregistreerd partnerschap eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling van de
achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden dan wel overleden
is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven
geregistreerde partner een nieuw geregistreerd partnerschap of
huwelijk is aangegaan: door de voltrekking van dit geregistreerd
partnerschap of huwelijk;
c. met wederzijds goedvinden door
inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van een door
beide partners en een of meer advocaten of notarissen ondertekende en
gedateerde verklaring waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de
partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap
een overeenkomst hebben gesloten.
d. door ontbinding op verzoek van de
partners of een van hen;
e. door omzetting van een geregistreerd
partnerschap in een huwelijk.
2.Tot inschrijving van verklaringen als
bedoeld in het eerste lid, onder c, is de ambtenaar van de burgerlijke
stand steeds bevoegd indien het geregistreerd partnerschap in Nederland is
aangegaan. Indien het partnerschap buiten Nederland is aangegaan, is de
ambtenaar van de burgerlijke stand tot inschrijving van verklaringen als
bedoeld in het eerste lid, onder c, bevoegd indien voldaan is aan de
voorwaarden van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering voor de bevoegdheid van de rechter in geval van de
ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
3.Een geregistreerd partnerschap kan niet
met wederzijds goedvinden als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden
beëindigd indien de partners:
a. al dan niet gezamenlijk het gezag
uitoefenen over een of meer van hun gezamenlijke kinderen;
b. ingevolge artikel 253sa of 253t het
gezag gezamenlijk uitoefenen over een of meer kinderen.
Artikel 80d
1.De in artikel 80c, onder c, bedoelde
overeenkomst betreft ten minste de verklaring van beide partners dat hun
geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij het willen
beëindigen. Voorts betreft de overeenkomst, evenwel niet op straffe van
nietigheid:
a. de uitkering tot levensonderhoud ten
behoeve van de geregistreerde partner die niet voldoende inkomsten tot
zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven;
b. wie van de geregistreerde partners
huurder van de woonruimte die hen tot hoofdverblijf dient, zal zijn of
wie van de geregistreerde partners gedurende een bij de overeenkomst
te bepalen termijn het gebruik zal hebben van de woning en de inboedel
die een van hen of hen beiden toebehoren dan wel ten gebruike
toekomen;
c. de verdeling van enige gemeenschap
waarin de partners de registratie zijn aangegaan dan wel de
verrekening die bij voorwaarden als bedoeld in titel 8 is
overeengekomen;
d. de verevening of verrekening van
pensioenrechten.
2.Op een beëindiging van het geregistreerd
partnerschap met wederzijds goedvinden zijn de artikelen 155, 157, vierde
en zesde lid, 158, 159, eerste en derde lid, 159a, 160 en 164 van
overeenkomstige toepassing.
3.De verklaring, bedoeld in artikel 80c,
onder c, wordt slechts ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand, indien zij de ambtenaar van de burgerlijke stand uiterlijk drie
maanden na het sluiten van de overeenkomst heeft bereikt.
Artikel 80e
1.Op een ontbinding van een geregistreerd
partnerschap als bedoeld in artikel 80c, onder d, zijn de artikelen 151,
153, 155, 157 tot en met 160, 164 en 165 van overeenkomstige toepassing.
2.De ontbinding komt tot stand door
inschrijving van een rechterlijke uitspraak op verzoek van partijen of van
één van hen in de registers van de burgerlijke stand. Artikel 163, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80f
Indien de partijen wier geregistreerd
partnerschap is beëindigd, opnieuw een geregistreerd partnerschap met
elkaar aangaan dan wel met elkaar in het huwelijk treden, herleven alle
gevolgen van het geregistreerd partnerschap van rechtswege alsof er geen
beëindiging heeft plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van
rechtshandelingen die tussen de inschrijving van de beëindiging en de
nieuwe registratie of het huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het
tijdstip van de handeling.
Artikel 80g
1.Indien twee personen aan de ambtenaar van
de burgerlijke stand kenbaar maken dat zij het geregistreerd partnerschap
dat zij zijn aangegaan, omgezet wensen te zien in een huwelijk, kan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van één der
partijen ter zake een akte van omzetting opmaken. Indien de geregistreerde
partners van wie ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit,
buiten Nederland woonplaats hebben en in Nederland hun geregistreerd
partnerschap in een huwelijk willen omzetten, geschiedt de omzetting bij
de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
2.De artikelen 65 en 66 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Een omzetting doet het geregistreerd
partnerschap eindigen en het huwelijk aanvangen op het tijdstip dat de
akte van omzetting in het register van huwelijken is opgemaakt. De
omzetting brengt geen wijziging in de al dan niet bestaande
familierechtelijke betrekkingen met kinderen die voor de omzetting zijn
geboren.
Titel 6. Rechten en verplichtingen van
echtgenoten
Artikel 81
Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp
en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te
verschaffen.
Artikel 82
Echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht de
tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden
en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen.
Artikel 83
Echtgenoten verschaffen elkaar desgevraagd
inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van
hun goederen en schulden.
Artikel 84
1.De kosten der huishouding, daaronder
begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten
laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit
ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid
daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten
laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten
laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander
geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.
2.De echtgenoten zijn jegens elkaar
verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het eerste lid
bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de onder
hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere omstandigheden zich
daartegen niet verzetten.
3.Bij schriftelijke overeenkomst kan een
van het eerste en tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.
4.Geschillen tussen de echtgenoten omtrent
de toepassing van het eerste tot en met derde lid worden door de rechtbank
op verzoek van beiden of een van hen beslist.
5.Op verzoek van beide of van een van de
echtgenoten kan de rechtbank een gegeven beschikking of een onderling
getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.
Artikel 85
De ene echtgenoot is naast de andere voor het
geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de gewone gang van de
huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke
voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding
aangegane arbeidsovereenkomsten.
Artikel 86
1.De rechtbank kan, wanneer daartoe
gegronde redenen bestaan, op verzoek van een echtgenoot bepalen dat deze
niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in het
vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in het vorige artikel.
2.Een overeenkomstig dit artikel gegeven
rechterlijke beschikking kan bij veranderde omstandigheden op gelijke
wijze als zij is tot stand gekomen, worden gewijzigd of opgeheven.
3.De beschikking kan aan derden die van
haar bestaan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij
ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel
116 van dit boek, en na de inschrijving veertien dagen waren verlopen.
4.In de beschikking kan worden bepaald dat
zij bovendien moet worden bekend gemaakt in een of meer door de rechter
aangewezen dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten nadele van
derden die daarvan onkundig waren, ook niet vóór deze bekendmaking.
Artikel 87
1. Indien een echtgenoot ten laste van het
vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal
behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere
echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend
goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot
een plicht tot vergoeding.
2. De vergoeding beloopt een gedeelte van
de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan.
Dit gedeelte:
a. is in het geval van een verkrijging
ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het
uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het
goed;
b. komt in het geval van een voldoening
of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot
overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of
afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het
tijdstip van die voldoening of aflossing.
3. Ten aanzien van de vergoeding gelden
voorts de volgende regels:
a. tenzij de echtgenoot het vermogen
van de andere echtgenoot met diens toestemming heeft aangewend op de
wijze als bedoeld in het eerste lid, beloopt de vergoeding ten minste
het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere
echtgenoot is gekomen;
b. ter zake van goederen die naar hun
aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding steeds
het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere
echtgenoot is gekomen;
c. ter zake van goederen die inmiddels
zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats zijn
gekomen, wordt in plaats van de waarde, bedoeld in de aanhef van het
tweede lid, uitgegaan van de waarde ten tijde van de vervreemding. Met
een vervreemding wordt gelijkgesteld het onherroepelijk worden van een
begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij
een beding ten behoeve van een derde.
4. Echtgenoten kunnen bij overeenkomst
afwijken van het eerste lid tot en met het derde lid. Geen vergoeding is
verschuldigd voorzover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten
laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op
die echtgenoot rustende verbintenis.
5. Kan de vergoeding overeenkomstig het
eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan
wordt zij geschat.
Artikel 88
1. Een echtgenoot behoeft de toestemming
van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:
a. overeenkomsten strekkende tot
vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen
strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de
echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde
woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de inboedel
daarvan behoren;
b. giften, met uitzondering van de
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. overeenkomsten die ertoe strekken
dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of
bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich
voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een
schuld van de derde verbindt;
d. overeenkomsten van koop op
afbetaling, behalve van zaken welke kennelijk uitsluitend of
hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep
of bedrijf strekken.
2. De echtgenoot behoeft de toestemming
niet, indien hij tot het verrichten der rechtshandeling is verplicht op
grond van de wet of op grond van een voorafgaande rechtshandeling waarvoor
die toestemming is verleend of niet was vereist.
3. De toestemming moet schriftelijk of
langs elektronische weg worden verleend, indien de wet voor het verrichten
van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.
4. In afwijking van lid 1, onder b, is geen
toestemming vereist voor giften welke de strekking hebben dat zij pas
zullen worden uitgevoerd na het overlijden van degene die de gift doet, en
niet reeds tijdens diens leven worden uitgevoerd. Bestaat de gift in de
aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering die tijdens het
leven van de verzekeringnemer is aanvaard of kan worden aanvaard, dan is
daarvoor wel toestemming vereist.
5. Toestemming voor een rechtshandeling als
bedoeld in lid 1 onder c, is niet vereist, indien zij wordt verricht door
een bestuurder van een naamloze vennootschap of van een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met
zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij
geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die
vennootschap.
6. Indien de andere echtgenoot door
afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn wil
te verklaren of zijn toestemming niet verleent, kan de beslissing van de
rechtbank worden ingeroepen.
Artikel 89
1. Een rechtshandeling die een echtgenoot
in strijd met het vorige artikel heeft verricht, is vernietigbaar; slechts
de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen.
2. Het vorige lid geldt niet voor een
andere handeling dan een gift, indien de wederpartij te goeder trouw was.
3. Het einde van het huwelijk en scheiding
van tafel en bed hebben geen invloed op de bevoegdheid om ter vernietiging
van een rechtshandeling van een echtgenoot een beroep op de
vernietigingsgrond te doen, die voordien was ontstaan. Indien de andere
echtgenoot dientengevolge schuldenaar uit die rechtshandeling wordt, geldt
artikel 51 lid 3 van Boek 3 voor hem slechts, zolang de termijn van
artikel 52 lid 1 van Boek 3 niet is verstreken.
4. De verklaring of rechtsvordering tot
vernietiging behoeft in afwijking van de artikelen 50 lid 1 en 51 lid 2
van Boek 3 niet mede te worden gericht tot de echtgenoot die de handeling
heeft verricht.
5. De echtgenoot die een beroep op de
vernietigingsgrond heeft gedaan, kan tevens alle uit de nietigheid
voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.
Artikel 90
1. Een echtgenoot is bevoegd tot het
bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel 97, tot
het bestuur van goederen van een gemeenschap.
2. Het bestuur van een echtgenoot over een
goed omvat de uitoefening van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder
begrepen de bevoegdheid tot beschikking en tot beheer en de bevoegdheid om
ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te
laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere
echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen.
3. Tussen de echtgenoot die het hem
toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze laatste zijn
de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met
inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der
goederen.
4. De echtgenoot die een goed bestuurt, kan
als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot een rechtshandeling
die deze laatste met betrekking tot dat goed heeft verricht. De verklaring
van toetreding wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling
zijn; artikel 56 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. Is voor het
verrichten van de rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan
geldt voor de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding
tot bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen
uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden onder
eerbiediging van tevoren aan derden verleende rechten.
Artikel 91
1.Indien een echtgenoot door afwezigheid of
een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de
goederen der gemeenschap te besturen, of in ernstige mate tekortschiet in
het bestuur van de goederen der gemeenschap, kan de rechtbank op verzoek
van de andere echtgenoot aan deze het bestuur over die goederen of een
deel daarvan met uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot opdragen. De
rechter kan bij de opdracht nadere regelen stellen omtrent het bestuur en
de vertegenwoordiging in de zin van lid 4.
2.De artikelen 86 leden 2-4 en 90 lid 3
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De rechter gelast de oproeping van beide
echtgenoten en, zo de in lid 1 eerstgenoemde echtgenoot een
vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook deze.
4.De echtgenoot aan wie het bestuur over
goederen wordt opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging van de
echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan
bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.
Artikel 92
1.Is aan een derde niet kenbaar wie van de
echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die geen
registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag hij de echtgenoot die
de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft, bevoegd achten.
2.De echtgenoot die ten gevolge van een
rechtshandeling van de andere echtgenoot door een derde te goeder trouw in
het bestuur van een goed is gestoord, verliest het recht tot beëindiging
van de stoornis, indien hij zich tegen de stoornis niet heeft verzet
binnen een redelijke termijn nadat zij te zijner kennis is gekomen. De
bevoegdheid van de echtgenoot tot beëindiging van de stoornis vervalt
eveneens indien de derde hem een redelijke termijn heeft gesteld ter
uitoefening van die bevoegdheid en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
3.Aan een derde kan niet worden
tegengeworpen dat een vordering tot vergoeding welke tijdens het huwelijk
is ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de echtgenoten onderling
of tussen een der echtgenoten en een tussen hen bestaande gemeenschap,
niet opeisbaar is.
Artikel 92a
Deze titel is niet van toepassing op van
tafel en bed gescheiden echtgenoten.
Titel 7. De wettelijke gemeenschap van
goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 93
Bij huwelijkse voorwaarden kan uitdrukkelijk
of door de aard der bedingen worden afgeweken van bepalingen van deze titel,
behalve voorzover bepalingen zich uitdrukkelijk of naar hun aard tegen
afwijking verzetten.
Artikel 94
1. Van het ogenblik der voltrekking van het
huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van
goederen.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten
betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap
aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen,
met uitzondering van:
a. goederen ten aanzien waarvan bij
uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat
zij buiten de gemeenschap vallen;
b. pensioenrechten waarop de Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is alsmede met
die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
c. rechten op het vestigen van
vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4,
vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede
hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 34 van Boek 4.
3. Goederen en schulden die aan een der
echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts
in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
4. Vruchten van goederen die niet in de
gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de
gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de
gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats
van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een
vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
5. De gemeenschap omvat, wat haar lasten
betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van
schulden:
a. betreffende van de gemeenschap
uitgezonderde goederen;
b. uit door een der echtgenoten gedane
giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in
artikel 126, eerste lid, en tweede lid, onder a en c, van Boek 4.
6. Bestaat tussen echtgenoten een geschil
aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn
recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als gemeenschapsgoed
aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der
echtgenoten.
Artikel 95
1. Een goed dat een echtgenoot anders dan
om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie
bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van
zijn eigen vermogen. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de
gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de
gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig
artikel 87, tweede en derde lid.
2. Indien een goed tot de gemeenschap gaat
behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan
de tegenprestatie heeft bijgedragen, komt deze echtgenoot een
vergoedingsvordering toe, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 87,
tweede en derde lid, wordt bepaald.
Artikel 96
1. Voor een schuld van een echtgenoot
kunnen, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen
der gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen.
2. Voor een niet in de gemeenschap gevallen
schuld van een echtgenoot kunnen de goederen van de gemeenschap niet
worden uitgewonnen, indien de andere echtgenoot eigen goederen van
eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden.
3. De echtgenoot uit wiens eigen goederen
een schuld der gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding
uit de goederen der gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een
tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding
bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.
4. De echtgenoot wiens niet in de
gemeenschap gevallen schuld uit goederen der gemeenschap is voldaan, is
deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. Betreft het een schuld
ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed, dan wordt het
beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en
derde lid.
5. De echtgenoot die een schuldeiser
tegenwerpt dat een goed waarop deze verhaal zoekt niet behoort tot de
gemeenschap, draagt daarvan de bewijslast.
Artikel 96a
Indien een echtgenoot door een begunstiging
bij een door zijn overlijden tot uitkering komende sommenverzekering een
gift aan een derde heeft gedaan en ten laste van de gemeenschap premies voor
die verzekering zijn gekomen, is de echtgenoot deswege gehouden tot
vergoeding aan de gemeenschap. De vergoeding beloopt een gedeelte van de
waarde van de uitkering, evenredig aan het uit de gemeenschap afkomstige
aandeel in de premies.
Artikel 96b
Echtgenoten kunnen bij overeenkomst het
beloop van vergoedingen ingevolge de artikelen 95, 96 en 96a anders bepalen.
Artikel 87, vierde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing. Kan
de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschap
Artikel 97
1. Een goed dat op naam van een echtgenoot
staat of dat hij krachtens erfopvolging bij versterf, making,
lastbevoordeling of gift heeft verkregen, staat onder diens bestuur. Voor
het overige is ieder der echtgenoten bevoegd tot het bestuur over de
goederen van de gemeenschap. Artikel 170, eerste lid, van Boek 3 is van
overeenkomstige toepassing.
2. Is een goed der gemeenschap met
toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur dat goed
alleen of mede stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere
echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het
handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf
zijn te beschouwen, uitsluitend bij laatstbedoelde echtgenoot en voor het
overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende toestemming geldt
voor de gehele duur van het beroep of bedrijf, tenzij de echtgenoten
anders overeenkomen, doch de rechtbank kan de dienstbaarheid op verzoek
van een echtgenoot te allen tijde wegens gegronde redenen beëindigen.
3. Geschillen tussen de echtgenoten over
het bestuur ten aanzien van tot de gemeenschap behorende goederen, kunnen
op verzoek van de echtgenoten of van een van hen aan de rechtbank worden
voorgelegd.
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap
Artikel 99
1. De gemeenschap wordt van rechtswege
ontbonden:
a. in geval van het eindigen van het
huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: op het
tijdstip van overlijden;
b. in geval van beëindiging van het
huwelijk door echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd
partnerschap door de rechter: op het tijdstip van indiening van het
verzoek tot echtscheiding onderscheidenlijk indiening van het verzoek
tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap;
c. in geval van scheiding van tafel en
bed: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van
tafel en bed;
d. in geval van opheffing van de
gemeenschap door een beschikking: op het tijdstip van indiening van
het verzoek tot opheffing van de gemeenschap;
e. in geval van beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: op het tijdstip
waarop de overeenkomst tot beëindiging wordt gesloten;
f. in geval van vermissing en een
daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: op het tijdstip
waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid, in kracht
van gewijsde is gegaan;
g. in geval van opheffing bij latere
huwelijkse voorwaarden: op het tijdstip, bedoeld in artikel 120,
eerste lid.
2. De ontbinding van de gemeenschap door
indiening van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d,
alsmede door sluiting van een overeenkomst als bedoeld onder e, kan aan
derden die daarvan onkundig waren slechts worden tegengeworpen, indien het
desbetreffende verzoek dan wel de overeenkomst ingeschreven was in het
huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116.
3. Indien vast komt te staan dat een
verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, dan wel een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder e, niet meer kan leiden
tot echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap,
scheiding van tafel en bed, opheffing van de gemeenschap door een
beschikking, onderscheidenlijk beëindiging van het geregistreerd
partnerschap met wederzijds goedvinden, herleven van rechtswege alle
gevolgen van de gemeenschap, alsof er geen verzoek was ingediend of
overeenkomst was gesloten, tenzij zich inmiddels een andere grond voor
ontbinding heeft voorgedaan. Nochtans wordt de geldigheid van
rechtshandelingen die zijn verricht tussen het tijdstip van indiening van
het verzoek of sluiting van de overeenkomst en het tijdstip waarop komt
vast te staan dat het verzoek of de overeenkomst niet meer tot het in de
eerste zin bedoelde gevolg kan leiden, beoordeeld naar het tijdstip van de
handeling.
4. Tezamen met een verzoek als bedoeld in
het eerste lid, onder b, c of d kan reeds overeenkomstig titel 7 van Boek
3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de gemeenschap, tot
gelasten van de wijze van verdeling en tot vaststelling van de verdeling.
Artikel 100
1.De echtgenoten hebben een gelijk aandeel
in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse
voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij
geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der
gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij
huwelijkse voorwaarden.
2.Zij die bij de ontbinding van de
gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht van
verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn.
Artikel 101
Na de ontbinding der gemeenschap heeft ieder
der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike strekkende kleren en
kleinodiën, alsmede zijn beroeps- en bedrijfsmiddelen en de papieren en
gedenkstukken tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs over te
nemen.
Artikel 102
Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder
der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden
waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is
hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande
evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde
van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen
190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3. De rechtsvordering tot
voldoening van de in de tweede volzin bedoelde schuld verjaart
tegelijkertijd met de rechtsvordering tegen de echtgenoot, in wiens persoon
de in die volzin bedoelde gemeenschapsschuld is ontstaan.
Artikel 103
1.Ieder der echtgenoten heeft het recht van
de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede strijdige overeenkomsten
zijn nietig.
2.Het deel der gemeenschap waarvan afstand
wordt gedaan, wast aan bij het deel van de andere echtgenoot.
3.De echtgenoot die afstand heeft gedaan,
kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan alleen zijn bed met
bijbehorend beddegoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik
nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken, tot zijn familie
behorende, tegen de geschatte prijs overnemen.
4.Door deze afstand wordt hij ontheven van
de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden der gemeenschap,
waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was.
5.Hij blijft aansprakelijk voor de schulden
der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap
aansprakelijk was. Indien hij een schuld, waarvoor beide echtgenoten
vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren,
voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij voor het meerdere verhaal
tegen de andere echtgenoot.
6.Indien de andere echtgenoot een schuld
der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet
aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan, heeft hij deswege
verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan. Heeft hij een
schuld, waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap
voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan
heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand
heeft gedaan.
Artikel 104
1. De echtgenoot die van het bij het vorige
artikel omschreven voorrecht wil gebruik maken, is verplicht binnen drie
maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van afstand te doen
inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116
van dit boek, op verbeurte van dit voorrecht.
2. Indien de gemeenschap door de dood van
de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden
te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil gebruik
maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de gemeenschap is
ontbonden op de wijze als bedoeld in artikel 99, eerste lid, onder c en d,
eindigt de termijn drie maanden nadat het verzoek tot opheffing van de
gemeenschap of tot scheiding van tafel en bed bij de rechtbank is
ingediend.
Artikel 105
1.De erfgenamen van een echtgenoot, door
wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden, of die binnen de in het
vorige artikel gestelde termijn is overleden zonder afstand te hebben
gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in het vorige artikel
omschreven wijze afstand te doen binnen drie maanden nadat zij met het
overlijden bekend zijn geworden.
2.De aanspraak van de echtgenoot tot
terugvordering van zijn bed, beddegoed, en kleren uit de gemeenschap kan
niet worden overgedragen en gaat ook niet over op zijn erfgenamen.
Artikel 106
De rechtbank van de plaats waar de akte van
afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de inschrijving gestelde
termijn voor de afloop daarvan een of meer malen op grond van bijzondere
omstandigheden verlengen.
Artikel 107
1.De echtgenoot of zijn erfgenaam, die zich
de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft
weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Daden van dagelijks
bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet teweeg.
2.Hij die na gedane afstand goederen der
gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de bevoegdheid artikel 103
lid 4 van dit boek in te roepen.
Artikel 108
1.Afstand van de gemeenschap, door een
echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat door de andere
echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd gedaan, heeft
niet de gevolgen, omschreven in artikel 103 leden 2 en 3 van dit boek, en
verplicht hen die tot de gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen.
Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 betreffende de vereffening van
nalatenschappen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
2.Indien hij die tot vereffening van de
gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de rekening en
verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze verplichting
te voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 103 lid 4 van dit boek in
te roepen.
Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap bij
beschikking
Artikel 109
Een echtgenoot kan opheffing van de
gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze
schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt, handelingen verricht,
die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over
goederen der gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent
de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop verhaalbare
schulden en het over die goederen gevoerde bestuur.
Artikel 110
De echtgenoot die de opheffing van de
gemeenschap verzoekt, kan tot behoud van zijn recht de maatregelen nemen,
die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader zijn aangegeven.
Artikel 111
1. Indien de echtgenoot tegen wie het
verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de
aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een
rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste
toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden
de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het vorige lid gegronde vordering
kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat het verzoek tot
opheffing van de gemeenschap bij de rechtbank is ingediend.
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 113
Is de gemeenschap door opheffing ontbonden,
dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij huwelijkse voorwaarden,
wederom een gemeenschap overeenkomen.
Titel 8. Huwelijkse voorwaarden
Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het
algemeen
Artikel 114
Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door
aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door
echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.
Artikel 115
1.Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe
van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan.
2.Een volmacht tot het aangaan van
huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend en moet de in de
huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.
Artikel 116
1. Bepalingen in huwelijkse voorwaarden
kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden
tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar
huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie der rechtbank binnen
welker rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of, indien het huwelijk
buiten Nederland is aangegaan, ter griffie van de rechtbank Den Haag.
2. De wijze van inrichting en raadpleging
van het register wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
3. In afwijking van het eerste lid kan bij
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het register elders dan
ter griffie der rechtbank wordt gehouden. Bij algemene maatregel van
bestuur kan eveneens worden bepaald dat de verstrekking van gegevens ter
inschrijving in het register uitsluitend op een in die maatregel aan te
geven wijze plaats vindt.
Artikel 117
1.Huwelijkse voorwaarden vóór het
huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij wier
toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun toestemming
tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben gegeven; is de
toestemming van de rechter nodig, dan kan worden volstaan met vasthechting
van zijn beschikking aan de minuut van de akte. Op het verzoek tot
toestemming van de rechter is artikel 39 lid 1 van dit boek van
overeenkomstige toepassing.
2.Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse
voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het
huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen.
Artikel 118
De echtgenoot die onder curatele staat, kan
na de huwelijksvoltrekking slechts met toestemming van zijn curator
huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen.
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 120
1.Tijdens het huwelijk gemaakte of
gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op de dag, volgende
op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip is
aangewezen.
2.Bepalingen in deze huwelijkse voorwaarden
kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden
tegengeworpen, indien zij ten minste veertien dagen in het
huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.
Artikel 121
1.Partijen kunnen bij huwelijkse
voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap, mits die
voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de
openbare orde strijden.
2.Zij kunnen niet bepalen dat een hunner
tot een groter aandeel in de schulden zal zijn gehouden, dan zijn aandeel
in de goederen der gemeenschap beloopt.
3.Zij kunnen niet afwijken van de rechten
die uit het ouderlijk gezag voortspruiten, noch van de rechten die de wet
aan een langstlevende echtgenoot toekent.
Artikel 122 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 123 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 124 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 125 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 126 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 127 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 128 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 129 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 130
Een echtgenoot kan tegen derden zijn aanbreng
van bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap gehouden goederen, voor
wat betreft rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn,
slechts bewijzen door hun vermelding in de akte van huwelijkse voorwaarden
of in een door de partijen en de notaris ondertekende, aan de minuut van die
akte vastgehechte beschrijving. Indien de vermelding van een goed geen
afdoende omschrijving daarvan biedt, kan aanvullend bewijs door alle
middelen worden geleverd; ten aanzien van goederen die een echtgenoot buiten
diens weten opgekomen waren, kan het bewijs door alle middelen worden
geleverd.
Artikel 131
1. Bestaat tussen niet in gemeenschap van
goederen gehuwde echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht
aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen
van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan
ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.
2. Het vermoeden werkt niet ten nadele van
de schuldeisers der echtgenoten.
Afdeling 2. Verrekenbedingen
Paragraaf 1. Algemene regels voor
verrekenbedingen
Artikel 132
1.Deze afdeling is van toepassing op
huwelijkse voorwaarden die een of meer verplichtingen inhouden tot
verrekening van inkomsten of van vermogen.
2.Tenzij anders is bepaald, kan van deze
afdeling bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de aard der
bedingen worden afgeweken.
Artikel 133
1. De verplichting tot verrekening van
inkomsten of van vermogen is wederkerig.
2. De verplichting tot verrekening heeft
uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat de echtgenoten
tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. De
verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op vermogen dat
krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift
wordt verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat vermogen
of voor die vruchten in de plaats getreden goederen. Evenmin heeft de
verplichting tot verrekening betrekking op vermogen dat bestaat uit
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29
en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is
gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35,
36, 38 en 126, tweede lid, onder a en c, van Boek 4, en afdeling 3 van
titel 4 van Boek 4.
Artikel 134
Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift
kan worden bepaald dat geen verrekening van krachtens erfopvolging bij
versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de
vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge
huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.
Artikel 135
1.De verrekening van inkomsten of van
vermogen geschiedt bij helfte.
2.Op de verrekening zijn de artikelen 181,
183 en 195 tot en met 200 van Boek 3 van dit wetboek van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor de beoordeling van de vraag of
benadeling als bedoeld in artikel 196 van Boek 3 van dit wetboek heeft
plaatsgevonden, de in artikel 142 genoemde tijdstippen bepalend zijn. De
artikelen 677 tot en met 680 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Een echtgenoot die opzettelijk een tot
het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoek maakt of
verborgen houdt waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is
betrokken, dient de waarde daarvan niet te verrekenen, maar geheel aan de
andere echtgenoot te vergoeden.
Artikel 136
1.Indien een goed onder aanwending van te
verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te
verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij
de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de
tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Indien een
echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is
aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te
verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend
of daaruit is afgelost of betaald.
2.Bestaat tussen de echtgenoten een geschil
omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend
en kan geen van beiden bewijzen dat het goed tot het niet te verrekenen
vermogen wordt gerekend, dan wordt dat goed aangemerkt als te rekenen tot
het te verrekenen vermogen. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de
schuldeisers der echtgenoten.
Artikel 137
1.Onverminderd het derde lid, geschiedt een
verrekening in geld.
2.Indien op grond van een verrekenbeding
over en weer opeisbare vorderingen ontstaan, worden beide vorderingen van
rechtswege met elkaar verrekend tot aan hun gemeenschappelijk beloop.
3.Een echtgenoot is slechts gehouden een
inbetalinggeving van goederen te aanvaarden dan wel kan deze slechts
verlangen in plaats van een verrekening in geld, voor zover de verrekening
in geld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou
zijn.
Artikel 138
1.De ene echtgenoot is aan de andere geen
verantwoording over het bestuur van zijn goederen schuldig. Slecht bestuur
over die goederen verplicht niet tot schadevergoeding.
2.De ene echtgenoot kan jaarlijks van de
andere echtgenoot een gespecificeerde, schriftelijke en ondertekende
opgave verzoeken van de te verrekenen inkomsten en van het te verrekenen
vermogen. Van deze bepaling kan niet worden afgeweken.
3.Geschillen tussen de echtgenoten
betreffende de opgave worden op verzoek van een van hen door de rechtbank
beslist.
Artikel 139
1. Een echtgenoot kan de opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening verzoeken, wanneer de andere
echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, zijn goederen verspilt
of weigert de in artikel 138, tweede lid, bedoelde verplichte opgave
omtrent zijn te verrekenen inkomsten of vermogen te verstrekken.
2. Indien de echtgenoot tegen wie het
verzoek zich richt, het te verrekenen vermogen benadeelt doordat hij na de
aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, te verrekenen goederen heeft verspild, of een
rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming
of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden de
aangerichte schade te vergoeden.
3. Van het eerste en tweede lid kan niet
worden afgeweken.
Artikel 140
1.Op verzoek van de verrekenplichtige
echtgenoot kan de rechter wegens gewichtige redenen bepalen dat een
verschuldigde geldsom, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking
te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop van zekere tijd, hetzij
ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de
rechter op de belangen van beide partijen. De rechter kan de
verrekenplichtige echtgenoot verplichten binnen een bepaalde tijd
zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening van de
verschuldigde geldsom.
2.Hetgeen in het eerste lid omtrent een
echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden
voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel.
3.Van het eerste en tweede lid kan niet
worden afgeweken.
Paragraaf 2. Periodieke verrekenbedingen
Artikel 141
1.Indien een verrekenplicht betrekking
heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het
huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting
tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het
saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend
is, alsmede over de vruchten daarvan.
2.Indien een verrekenplicht betrekking
heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het
huwelijk, dan eindigt die verrekenplicht op het tijdstip zoals in artikel
142 bepaald, als dat tijdvak nog loopt.
3.Indien bij het einde van het huwelijk aan
een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht
als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige
vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden,
tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de
aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143 is
van overeenkomstige toepassing.
4.Indien een echtgenoot in overwegende mate
bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam
uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen,
en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat,
worden de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in
het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking
genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot,
onverminderd het eerste lid.
5.Het vierde lid is van overeenkomstige
toepassing, indien een echtgenoot op eigen naam een onderneming uitoefent.
6.De vordering tot verrekening, bedoeld in
het eerste lid, verjaart niet eerder dan drie jaren na de beëindiging van
het huwelijk dan wel het onherroepelijk worden van de beschikking tot
scheiding van tafel en bed. Deze termijn kan niet worden verkort.
Paragraaf 3. Finale verrekenbedingen
Artikel 142
1. Als tijdstip waarop de samenstelling en
de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, geldt:
a. in geval van het eindigen van het
huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: het
tijdstip van overlijden;
b. in geval van beëindiging van het
huwelijk door echtscheiding: het tijdstip van indiening van het
verzoek tot echtscheiding;
c. in geval van scheiding van tafel en
bed: het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van
tafel en bed;
d. in geval van opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening als bedoeld in artikel 139:
het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van die
verplichting;
e. in geval van beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: het tijdstip
waarop de overeenkomst tot beëindiging wordt gesloten;
f. in geval van ontbinding van het
geregistreerd partnerschap op verzoek: het tijdstip van indiening van
het verzoek;
g. in geval van vermissing en een
daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: het tijdstip
waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid, in kracht
van gewijsde is gegaan;
h. in geval van opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening bij huwelijkse voorwaarden:
het tijdstip, bedoeld in artikel 120, eerste lid.
2. Van het eerste lid, aanhef en onder b
tot en met f, kan bij op schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 143
1.Vanaf de in het eerste lid van artikel
142 vermelde tijdstippen kan ieder der echtgenoten verzoeken dat het te
verrekenen vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven.
2.De artikelen 671 tot en met 676 en 679
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.Hetgeen in de vorige leden omtrent een
echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden
voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel.
4.Van het eerste tot en met het derde lid
kan niet worden afgeweken.
Artikel 144 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 145 [Vervallen per 01-09-2002]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 146 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 147 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 148 [Vervallen per 01-01-2003]
Titel 9. Ontbinding van het huwelijk
Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in
het algemeen
Artikel 149
Het huwelijk eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die overeenkomstig
de bepalingen van de tweede of derde afdeling van de achttiende titel
van dit boek vermoedelijk overleden dan wel overleden is verklaard, nog
in leven is op de dag waarop de achtergebleven echtgenoot een nieuw
huwelijk of geregistreerd partnerschap is aangegaan: door de voltrekking
van dit huwelijk of geregistreerd partnerschap;
c. door echtscheiding, overeenkomstig de
bepalingen van de tweede afdeling van deze titel;
d. door ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed, overeenkomstig de bepalingen van de tweede
afdeling van de tiende titel van dit boek.
Afdeling 2. Echtscheiding
Artikel 150
Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van
tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van één der
echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.
Artikel 151
Echtscheiding wordt op verzoek van één der
echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.
Artikel 152 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 153
1.Indien als gevolg van de verzochte
echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere
echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft
gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere
echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden
toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op
de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten
billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te verwachten
is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende
voorzieningen kan treffen;
b. indien de duurzame ontwrichting van
het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere
echtgenoot.
Artikel 154
1.Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk
verzoek van de echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op
hun beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is.
2.Ieder der echtgenoten is tot op het
tijdstip der uitspraak bevoegd het verzoek in te trekken.
Artikel 155
In geval van echtscheiding en voor zover de
ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding
pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding recht op pensioenverevening, tenzij de
echtgenoten op de wijze voorzien in deze Wet toepasselijkheid daarvan hebben
uitgesloten.
Artikel 156 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 157
1.De rechter kan bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die
niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in
redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere
echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.
2.Bij de vaststelling van de uitkering kan
de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in het
levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de
uitkering is gehouden.
3.De rechter kan op verzoek van één van
de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden
en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de
uitkering later eindigt dan twaalf jaren na de datum van inschrijving van
de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
4.Indien de rechter geen termijn heeft
vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na
het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum
van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke
stand.
5.Indien de beëindiging van de uitkering
ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn
van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de
uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens
verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te
worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn
verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de
termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.
6.Indien de duur van het huwelijk niet meer
bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren,
eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het
verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en
die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de
registers van de burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn
vaststelt, kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de uitkering
op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het geval zou
zijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing met dien verstande
dat in de eerste zin in plaats van "de in het vierde lid bedoelde
termijn" wordt gelezen: de in de eerste zin bedoelde termijn.
Artikel 158
Vóór of na de beschikking tot echtscheiding
kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag,
na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens
levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is
opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 159
1.Bij de overeenkomst kan worden bedongen
dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op
grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts
schriftelijk worden gemaakt.
2.Het beding vervalt, indien de
overeenkomst is aangegaan vóór de indiening van het verzoek tot
echtscheiding, tenzij dit binnen drie maanden na de overeenkomst is
ingediend. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij een
gemeenschappelijk verzoek.
3.Ondanks een zodanig beding kan op verzoek
van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op
grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de
verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan
het beding mag worden gehouden.
Artikel 159a
Een overeenkomst als bedoeld in de artikelen
158 en 159 van dit boek staat niet in de weg aan verhaal op grond van
paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand en laat de vaststelling van het te
verhalen bedrag onverlet.
Artikel 160
Een verplichting van een gewezen echtgenoot
om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de
wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een
geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander
als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.
Artikel 161 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 161a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 162 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 162a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 163
1.De echtscheiding komt tot stand door de
inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.De inschrijving geschiedt op verzoek van
partijen of van één van hen.
3.Indien het verzoek tot inschrijving niet
is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht
van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 164
1. Indien een tussen de echtgenoten
bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat
hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft
verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek
zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft
verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de
echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te
vergoeden.
2. Een op het vorige lid gegronde
rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de
inschrijving van de beschikking.
Artikel 165
1.Op verzoek van een echtgenoot kan de
rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen
dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking
een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede
toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de
inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving
van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.
2.Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder
zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet
worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid omschreven
bevoegdheid.
3.Weigert hij zijn toestemming of is hij
niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste
aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de
andere gewezen echtgenoot, bepalen dat het vorige lid buiten toepassing
blijft.
Artikel 166
Indien de gescheiden echtgenoten met elkander
hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, herleven alle gevolgen
van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats
gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de
ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk of het geregistreerd
partnerschap zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling.
Artikel 167 [Vervallen per 05-07-1982]
Titel 10. Scheiding van tafel en bed en
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed
Artikel 168 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 169
1.Scheiding van tafel en bed kan worden
verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding.
2.De artikelen 151, 154 tot en met 159a
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijnen,
bedoeld in artikel 157, derde tot en met zesde lid, aanvangen op de dag
waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in
het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, en dat de duur
van het huwelijk wordt berekend tot die dag.
3.Een verplichting van een echtgenoot om
uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen
aan de andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.
Artikel 170 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 171 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 171a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 172 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 173
1.De scheiding van tafel en bed komt tot
stand door de inschrijving van de beschikking in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
2.De inschrijving geschiedt op verzoek van
de echtgenoten of van één van hen.
3.Indien het verzoek niet is gedaan
uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 174
1. Indien een tussen de echtgenoten
bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat
hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft
verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek
zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft
verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking waarbij de scheiding van
tafel en bed is uitgesproken, is ingeschreven, de aangerichte schade aan
de gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het eerste lid gegronde
rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de
inschrijving van de beschikking van scheiding van tafel en bed.
Artikel 175
1.Op verzoek van een echtgenoot kan de
rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij
latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de
inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere
echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij
jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de
bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na de inschrijving van de beschikking, tegen een redelijke
vergoeding voort te zetten.
2.Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder
zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet
worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid omschreven
bevoegdheid.
3.Weigert hij zijn toestemming of is hij
niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste
aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op
verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat het vorige lid buiten
toepassing blijft.
Artikel 176
1.Een scheiding van tafel en bed eindigt
door de verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun
eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in
artikel 116, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te
bestaan.
2.De inschrijving doet alle gevolgen van
het huwelijk van rechtswege herleven, alsof er geen scheiding van tafel en
bed had plaatsgehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen
die tussen de scheiding van tafel en bed en de verzoening zijn verricht,
beoordeeld naar het tijdstip van de handeling.
Artikel 177 [Vervallen per 01-06-2001]
Artikel 178 [Vervallen per 05-07-1982]
Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed
Artikel 179
1.Ontbinding van het huwelijk van
echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van een
der echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding tenminste drie jaren
heeft geduurd.
2.De termijn van drie jaren kan op verzoek
van een echtgenoot worden bekort tot ten minste een jaar, indien de andere
echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat
van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd
het huwelijk te doen voortbestaan.
Artikel 180
1.Indien als gevolg van de gevraagde
ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan
de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek
heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de
andere echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek
niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen
die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide
echtgenoten billijk is te achten.
De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te verwachten
is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende
voorzieningen kan treffen;
b. indien de andere echtgenoot zich
gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de
echtgenoot die het verzoek heeft gedaan naar redelijkheid generlei
verstrekking van levensonderhoud zou kunnen worden gevergd.
Artikel 181
Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten
die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk verzoek
uitgesproken.
Artikel 182
De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en
met 160 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen worden
verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed
een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en
dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking
tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
Artikel 183
1.De ontbinding van het huwelijk komt tot
stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
2.De artikelen 163, tweede en derde lid, en
166 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 184 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 185 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 186 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 187 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 188 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 189 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 190 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 191 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 192 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 193 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 194 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 195 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 196 [Vervallen per 01-10-1971]
Titel 11. Afstamming
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 197
Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten
staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.
Artikel 198
Moeder van een kind is de vrouw uit wie het
kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.
Artikel 199
Vader van een kind is de man:
a. die op het tijdstip van de geboorte
van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij
onderdeel b geldt;
b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie
het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door
zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien
echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was
gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat
tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de
geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke
stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het
kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op
het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige
echtgenoot de vader van het kind;
c. die het kind heeft erkend;
d. wiens vaderschap gerechtelijk is
vastgesteld; of
e. die het kind heeft geadopteerd.
Afdeling 2. Ontkenning van het door huwelijk
ontstane vaderschap
Artikel 200
1.Het in artikel 199, onder a en b,
bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader
van het kind is, worden ontkend:
a. door de vader of de moeder van het
kind;
b. door het kind zelf.
2.De vader of moeder kan het in artikel
199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man
vóór het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.
3.De vader of moeder kan het in artikel
199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man
heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan
hebben gehad.
4.Het tweede en derde lid zijn niet van
toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen
omtrent de verwekker.
5.Het verzoek tot gegrondverklaring van de
ontkenning wordt door de moeder bij de rechtbank ingediend binnen een jaar
na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader
ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat
hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.
6.Het verzoek tot gegrondverklaring van de
ontkenning wordt door het kind bij de rechtbank ingediend binnen drie
jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man
vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel
gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het
verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden,
worden ingediend.
Artikel 201
1.Overlijdt de vader of de moeder voor de
afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een
afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van
zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, de rechtbank
verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het
verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het
overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.
2.Overlijdt het kind voor de afloop van de
in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling in
de eerste graad van het kind de rechtbank verzoeken de ontkenning van het
vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten
tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de
dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van
de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid,
dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in
leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan wel, indien het
overlijden op een later tijdstip ter kennis is gekomen van de verzoeker
binnen een jaar na die kennisneming.
Artikel 202
1.Nadat de beschikking houdende
gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan
vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk
ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2.Te goeder trouw door derden verkregen
rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3.Door de gegrondverklaring van de
ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van verzorging
en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch tot
teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen
verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen,
voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het
verzoek daardoor niet was gebaat.
Afdeling 3. Erkenning
Artikel 203
1.Erkenning kan geschieden:
a. bij een akte van erkenning,
opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. bij notariële akte.
2.De erkenning heeft gevolg vanaf het
tijdstip waarop zij is gedaan.
Artikel 204
1.De erkenning is nietig, indien zij is
gedaan:
a. door een man die krachtens artikel
41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;
b. door een minderjarige die de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c. indien het kind de leeftijd van
zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de moeder;
d. zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder;
e. door een op het tijdstip van de
erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de rechtbank heeft
vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band
bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op
één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe
persoonlijke betrekking bestaat;
f. terwijl er twee ouders zijn.
2.De in het vorige lid onder c en d
vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken
van de akte van erkenning.
3.De toestemming van de moeder wier kind de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming
van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de man die het
kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen,
indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde
verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en
de man de verwekker is van het kind.
4.Een man die wegens geestelijke stoornis
onder curatele staat, mag slechts erkennen nadat daartoe toestemming is
verkregen van de kantonrechter.
Artikel 205
1.Een verzoek tot vernietiging van de
erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van
het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij de
erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij door
bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door
misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
c. door de moeder, indien zij door
bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door
misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te
geven.
2.Het openbaar ministerie kan wegens strijd
met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische
vader van het kind is, vernietiging van de erkenning verzoeken.
3.In geval van bedreiging of misbruik van
omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet
later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken
en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het
bedrog of de dwaling heeft ontdekt.
4.Het verzoek wordt door het kind ingediend
binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de
man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel
gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het
verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden,
worden ingediend.
5.Voor het geval de erkenner of de moeder
overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is
artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Voor het geval
het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde
termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 206
1.Nadat de beschikking houdende
vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de
erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2.Te goeder trouw door derden verkregen
rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3.Door de vernietiging ontstaat geen
vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van
levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot
genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten
vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid,
voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van
het verzoek daardoor niet was gebaat.
Afdeling 4. Gerechtelijke vaststelling van
het vaderschap
Artikel 207
1.Het vaderschap van een man kan, ook
indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het
kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd
heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben
gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
b. het kind.
2.Vaststelling van het vaderschap kan niet
geschieden, indien:
a. het kind twee ouders heeft;
b. tussen de man en de moeder van het
kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten; of
c. de in de aanhef van het eerste lid
bedoelde man een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog
niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt
is overleden.
3.Het verzoek wordt door de moeder
ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van
onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van
onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop
de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.
4.Overlijdt het kind voordat vaststelling
van het vaderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling van
het kind in de eerste graad de vaststelling van het vaderschap aan de
rechtbank verzoeken, mits de man bedoeld in het eerste lid, nog in leven
is. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of
binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is
gekomen.
5.De vaststelling van het vaderschap, mits
de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot
het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden
verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat
geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor
zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek
daardoor niet was gebaat.
Artikel 208
Bij de uitspraak waarbij het vaderschap wordt
vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek ten behoeve van
het kind een bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als
bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud en studie als
bedoeld in artikel 395a.
Afdeling 5. Inroeping of betwisting van staat
Artikel 209
Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte
kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig
die akte heeft.
Artikel 210
Een verzoek tot gegrondverklaring van de
inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.
Artikel 211
1.Een verzoek tot gegrondverklaring van de
inroeping van staat kan worden ingediend:
a. door het kind zelf;
b. door de erfgenamen van het kind,
indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaren
nadien is overleden.
2.Indien het kind een verzoek als bedoeld
in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure
voortzetten.
Afdeling 6. De bijzondere curator
Artikel 212
In zaken van afstamming wordt het
minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende,
vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de
rechtbank die over de zaak beslist.
Artikel 213 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 214 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 215 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 216 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 217 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 218 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 219 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 220 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 221 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 222 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 223 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 224 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 225 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 226 [Vervallen per 01-04-1998]
Titel 12. Adoptie
Artikel 227
1.Adoptie geschiedt door een uitspraak van
de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één
persoon alleen. Twee personen tezamen kunnen geen verzoek tot adoptie
doen, indien zij krachtens artikel 41 geen huwelijk met elkaar zouden
mogen aangaan.
2.Het verzoek door twee personen tezamen
kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar
hebben samengeleefd. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, kan slechts
worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder
heeft samengeleefd. De in de tweede zin bedoelde voorwaarde geldt evenwel
niet indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant
en die ouder.
3.Het verzoek kan alleen worden toegewezen,
indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip
van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs
te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de
hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd
in artikel 228, wordt voldaan.
4.Indien het kind is of wordt geboren
binnen de relatie van de adoptant en de ouder en het kind door en
tengevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1,
onder c, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is verwekt en
een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan
afgegeven verklaring wordt overgelegd, wordt het verzoek toegewezen,
tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is, of niet is
voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228.
5.Zijn de voornamen van het kind niet
bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het
kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de
adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.
6.In zaken van adoptie is de minderjarige
ouder bekwaam in rechte op te treden.
Artikel 228
1.Voorwaarden voor adoptie zijn:
a. dat het kind op de dag van het
eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag
van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn
verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen
blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren
tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag
van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt,
maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen ter zake;
b. dat het kind niet is een kleinkind
van een adoptant;
c. dat de adoptant of ieder der
adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
d. dat geen der ouders het verzoek
tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder van het
kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt;
f. dat de adoptant of de adoptanten het
kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en
opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij
gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en
opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het moment
van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden;
g. dat de ouder of ouders niet of niet
langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind
adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde
echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag
heeft.
2.Aan de tegenspraak van een ouder als
bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan:
a. indien het kind en de ouder niet of
nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of
b. indien de ouder het gezag over het
kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op
grove wijze heeft verwaarloosd; of
c. indien de ouder onherroepelijk is
veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de
misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en
met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.
3.De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid,
onder f, geldt niet indien het kind wordt geboren binnen de relatie van de
moeder met een levensgezel van gelijk geslacht.
Artikel 229
1.Door adoptie komen de geadopteerde, de
adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun
bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.
2.Tegelijkertijd houdt de
familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn oorspronkelijke
ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.
3.In afwijking van het tweede lid blijft de
familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en
diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner
of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert.
4.Indien het kind op het tijdstip van de
adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de
familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank bepalen
dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen 377a,
tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 230
1.De adoptie heeft haar gevolgen van de
dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Indien het kind is geboren binnen de
relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de geboorte van het
kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van geboorte van het
kind; indien de adoptie uiterlijk zes maanden na de geboorte van het kind
is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van indiening van het
verzoek. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing indien
voor de adoptie familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het
kind en een andere ouder en deze door de adoptie zijn verbroken. De
adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook worden
uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is overleden.
3.De adoptie blijft haar gevolgen behouden,
ook al zou blijken, dat de rechter de door artikel 228 van dit boek
gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.
Artikel 231
1.De adoptie kan door een uitspraak van de
rechtbank op verzoek van de geadopteerde worden herroepen.
2.Het verzoek kan alleen worden toegewezen,
indien de herroeping in het kennelijk belang van de geadopteerde is, de
rechter van de redelijkheid der herroeping in gemoede overtuigd is, en het
verzoek is ingediend niet eerder dan twee jaren en niet later dan vijf
jaren na de dag, waarop de geadopteerde meerderjarig is geworden.
Artikel 232
1.Door herroeping van de adoptie houdt de
familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen
enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten
anderzijds op te bestaan.
2.De familierechtelijke betrekking die door
de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping.
3.Artikel 230 vindt ten aanzien van de
herroeping overeenkomstige toepassing.
Titel 13. Minderjarigheid
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 233
Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van
achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd of geregistreerd zijn dan
wel gehuwd of geregistreerd zijn geweest of met toepassing van artikel 253ha
meerderjarig zijn verklaard.
Artikel 234
1.Een minderjarige is, mits hij met
toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam
rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.
2.De toestemming kan slechts worden
verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel.
3.De toestemming wordt aan de minderjarige
verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten
aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat
minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.
Afdeling 2. Handlichting
Artikel 235
1.Handlichting waarbij aan een minderjarige
bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend, kan wanneer
de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, op zijn
verzoek door de kantonrechter worden verleend.
2.Zij wordt niet verleend tegen de wil van
de ouders voor zover deze het gezag over de minderjarige uitoefenen, met
inachtneming nochtans van artikel 253a, eerste lid.
3.Bij het verlenen van handlichting bepaalt
de kantonrechter uitdrukkelijk, welke bevoegdheden van een meerderjarige
aan de minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden mogen zich niet
verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de gehele ontvangst van
zijn inkomsten en de beschikking daarover, het sluiten van verhuringen en
verpachtingen, het in een vennootschap deelnemen en het uitoefenen van een
beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door handlichting niet
bekwaam tot het beschikken over registergoederen, effecten, of door
hypotheek gedekte vorderingen.
4.Hij kan ter zake van de handlichting zelf
en van handelingen, waartoe hij krachtens de verkregen handlichting
bekwaam is, eisende of verwerende in rechte optreden. Artikel 12 lid 1 van
dit boek geldt voor die handelingen niet.
Artikel 236
1.Een verleende handlichting kan door de
kantonrechter worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik
maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen.
2.De intrekking geschiedt op verzoek van
een van de ouders van de minderjarige, voor zover deze het gezag over hem
uitoefenen en met inachtneming van artikel 253a, eerste lid, of op verzoek
van de voogd.
Artikel 237
1.Een beschikking waarbij handlichting is
verleend of ingetrokken, moet worden bekend gemaakt in de Staatscourant en
in twee in de beschikking aan te wijzen dagbladen.
2.In de bekendmaking moet nauwkeurig worden
vermeld hoedanig, en tot welk einde zij is verleend. Vóór de
bekendmaking werkt zomin de handlichting als haar intrekking tegen derden
die hiervan onkundig waren.
Afdeling 3. De raad voor de kinderbescherming
Artikel 238
1.Er is één raad voor de
kinderbescherming.
2.De wet bepaalt de taken en bevoegdheden
van de raad voor de kinderbescherming. Deze worden door de raad voor de
kinderbescherming namens onze Minister van Justitie uitgevoerd.
3.Ten behoeve van de vervulling van zijn
taak houdt de raad zich in ieder geval op de hoogte van de ontwikkeling
van de kinderbescherming, bevordert hij de samenwerking met de
instellingen van kinderbescherming en jeugdhulpverlening en dient hij op
verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen van advies.
4.Zijn bemoeiingen laten de godsdienstige
of levensbeschouwelijke grondslag van de instellingen van
kinderbescherming onverlet.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden
de zetel, de werkwijze, voor zover het de samenwerking met de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, betreft en de
organisatie van de raad geregeld.
Artikel 239
1.De raad voor de kinderbescherming kan
optreden ten behoeve van minderjarigen die in Nederland hetzij hun
woonplaats of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben.
Eveneens kan de raad optreden ten behoeve van Nederlandse minderjarigen
die in Nederland noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk
verblijf hebben.
2.Ten behoeve van de minderjarigen die
binnen een arrondissement hetzij hun woonplaats of laatste woonplaats,
hetzij hun werkelijk verblijf hebben, treden voor de raad voor de
kinderbescherming de in dat arrondissement aanwezige werkeenheden van de
raad op.
3.Indien op grond van het vorige lid meer
werkeenheden in verschillende arrondissementen bevoegd zouden zijn ten
behoeve van een zelfde minderjarige op te treden, doet het optreden van
een van deze werkeenheden de bevoegdheid van de ander eindigen.
4.Ten behoeve van Nederlandse
minderjarigen, die in Nederland noch woonplaats, noch laatste woonplaats,
noch werkelijk verblijf hebben, treden de werkeenheden van de raad in het
arrondissement Amsterdam op voor de raad voor de kinderbescherming.
5.Bij algemene maatregel van bestuur wordt
de behandeling van klachten ter zake van een bij de raad in behandeling
zijnde of geweest zijnde aangelegenheid van kinderbescherming geregeld.
Artikel 240
Degene die op grond van een wettelijk
voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is
verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de raad
voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk
kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de raad.
Artikel 241
1.Indien de raad voor de kinderbescherming
blijkt, dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag
staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de
rechter in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien.
2.Indien dit ter voorkoming van ernstig
gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van
zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de
kinderrechter een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg, belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige.
De raad voor de kinderbescherming wendt zich in dit geval binnen zes weken
tot de rechter teneinde een voorziening in het gezag over deze
minderjarige te verkrijgen.
3.De in het tweede lid bedoelde maatregel
kan eveneens worden getroffen indien een minderjarige, de leeftijd van zes
maanden nog niet bereikt hebbende en niet staande onder voogdij van een
rechtspersoon, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de raad
voor de kinderbescherming als pleegkind is opgenomen.
4.De kinderrechter beschikt op verzoek van
de raad voor de kinderbescherming of van de officier van justitie. Hij
stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van deze
minderjarige worden toegekend en bepaalt de duur van de maatregel.
5.De maatregel vervalt na verloop van zes
weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn
om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. De
kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf weken bepalen, dit
evenwel uitsluitend op de grond dat het in de eerste volzin bedoelde
verzoek aan de vereisten van artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zal kunnen voldoen.
6.De maatregel kan worden ingetrokken of
gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een verzoek
als bedoeld in het vijfde lid is ingediend. In dat geval beslist de
rechter bij wie dit verzoek aanhangig is.
7.In afwijking van het tweede lid, kan de
rechter de voorlopige voogdij over een minderjarige door of voor wie een
aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en in
verband daarmee in Nederland verblijft, alsmede over door Onze Minister
van Justitie aan te wijzen categorieën andere minderjarigen, opdragen aan
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid.
Artikel 241a
Op de uitoefening van de voorlopige voogdij
door een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg is artikel 243 van dit Boek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 242
De raad voor de kinderbescherming stelt zich
op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het
gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden.
Artikel 243
1.De colleges van burgemeester en
wethouders en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de raad voor
de kinderbescherming kosteloos alle inlichtingen, en verstrekken de raad
kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers, die de raad
ter uitvoering van zijn taak van hen vraagt. Wanneer de raad voor de
kinderbescherming een taak vervult of een bevoegdheid uitoefent op grond
van een van de bepalingen van deze titel of van de titels 9, 10, 14, 15 en
17 van dit boek, alsmede op grond van de daarmee verband houdende
bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verschaffen de
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties of personen de
raad kosteloos die inlichtingen die voor een goede uitoefening van hun
taak noodzakelijk zijn.
2.Alle verzoeken die de raad voor de
kinderbescherming ter uitvoering van zijn taak tot de rechter richt,
worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die
hij tot dat doel aanvraagt, worden hem door de griffiers vrij van alle
kosten uitgereikt.
3.Exploiten door de deurwaarders ten
verzoeke van de raad voor de kinderbescherming uitgebracht, worden volgens
het gewone tarief vergoed. Advocaten kunnen voor hun aan de raad voor de
kinderbescherming bewezen diensten salaris in rekening brengen.
4.Wanneer de raad voor de kinderbescherming
op grond van een van de bepalingen van deze titel, of van de titels 9, 10,
12, 14, 15 en 17 van dit boek in rechte optreedt, kan hij dit zonder
advocaat doen, behalve in gedingen die met een dagvaarding aanvangen.
Afdeling 4. Registers betreffende het over
minderjarigen uitgeoefende gezag
Artikel 244
Bij de rechtbanken berusten openbare
registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het
over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden,
en op welke wijze deze aantekening geschiedt.
Titel 14. Het gezag over minderjarige
kinderen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 245
1.Minderjarigen staan onder gezag.
2.Onder gezag wordt verstaan ouderlijk
gezag dan wel voogdij.
3.Ouderlijk gezag wordt door de ouders
gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander
dan een ouder uitgeoefend.
4.Het gezag heeft betrekking op de persoon
van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn
vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.
5.Het gezag van de ouder die dit krachtens
artikel 253sa of krachtens een rechterlijke beslissing overeenkomstig
artikel 253t samen met een ander dan een ouder uitoefent, wordt aangemerkt
als ouderlijk gezag dat door ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij
uit een wettelijke bepaling het tegendeel voortvloeit.
Artikel 246
Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen,
zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestvermogens zodanig zijn
gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen,
tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.
Artikel 246a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 247
1.Het ouderlijk gezag omvat de plicht en
het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.
2.Onder verzorging en opvoeding worden mede
verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en
lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen
van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en
opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk
geweld of enige andere vernederende behandeling toe.
3.Het ouderlijk gezag omvat mede de
verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind
met de andere ouder te bevorderen.
4.Een kind over wie de ouders gezamenlijk
het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood of na scheiding van tafel en bed, na het beëindigen van het
geregistreerd partnerschap, of na het beëindigen van de samenleving
indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is
geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide
ouders.
5.Ouders kunnen ter uitvoering van het
vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met
praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het
huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, het
beëindigen van het geregistreerd partnerschap, of het beëindigen van de
samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid,
is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende
belemmeringen bestaan.
Artikel 247a
Indien een aantekening als bedoeld in artikel
252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving beëindigen,
stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede lid,
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 248
Het tweede lid van artikel 247 van dit boek
is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een
minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die
minderjarige toekomt.
Artikel 249
De minderjarige dient rekening te houden met
de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag
toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van de overige leden van
het gezin waarvan hij deel uitmaakt.
Artikel 250
Wanneer in aangelegenheden betreffende diens
verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de
belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de
voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige,
benoemt de rechtbank, danwel, indien het een aangelegenheid inzake het
vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak
reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang
van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van
deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende
of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in
als buiten rechte, te vertegenwoordigen.
Afdeling 2. Ouderlijk gezag
§ 1. Het gezamenlijk gezag van ouders binnen
en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding
Artikel 251
1.Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders
het gezag gezamenlijk uit.
2.Na ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die
gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Artikel 251a
1.De rechter kan na ontbinding van het
huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op
verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een
kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat
het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te
verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering
zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins
in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.De beslissing op grond van het eerste lid
wordt gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed,
echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel
en bed of bij latere beschikking.
3.Indien een beslissing op grond van het
eerste lid niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult de rechtbank
haar aan op verzoek van een van de ouders, van de raad voor de
kinderbescherming of ambtshalve.
4.De rechter kan, indien hem blijkt dat de
minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een
beslissing geven op de voet van het eerste lid. Hetzelfde geldt indien de
minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in
staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter
zake.
Artikel 252
1.De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd
of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan oefenen het gezag over
hun minderjarige kinderen gezamenlijk uit, indien dit op hun beider
verzoek in het register, bedoeld in artikel 244, is aangetekend. Een
verzoek als bedoeld in de eerste volzin kan niet worden gedaan ten aanzien
van de kinderen over wie zij het gezag gezamenlijk hebben uitgeoefend.
2.De aantekening wordt door de griffier
geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek:
a. één of beide ouders onbevoegd is
tot het gezag; of
b. één van beide ouders is ontheven
of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag uitoefent; of
c. een voogd met het gezag over het
kind is belast; of
d. de voorziening in het gezag over het
kind is komen te ontbreken; of
e. de ouder die het gezag heeft, dit
gezamenlijk met een ander dan een ouder uitoefent.
3.Tegen de weigering van de aantekening is
alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op grond van
onbevoegdheid van één of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege
minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de rechtbank worden
verzocht de aantekening te gelasten. Zij wijst het verzoek af, indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden
worden verwaarloosd.
Artikel 253
1.Indien gewezen echtgenoten met elkaar
hertrouwen dan wel een geregistreerd partnerschap aangegaan en
onmiddellijk daaraan voorafgaande één der echtgenoten het gezag over de
minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het gezamenlijk
gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd is tot dit gezag of daarvan is
ontheven of ontzet dan wel het gezag gezamenlijk met een ander dan de
ouder uitoefent.
2.De echtgenoot voor wie het gezag niet is
herleefd, kan de rechtbank verzoeken hem daarmede te belasten. Dit verzoek
wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging
de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing, indien door verzoening van de echtgenoten een
scheiding van tafel en bed eindigt.
4.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien gewezen geregistreerde partners die
gezamenlijk gezag uitoefenden over het kind, opnieuw met elkaar een
geregistreerd partnerschap aangaan dan wel met elkaar huwen.
Artikel 253a
1.In geval van gezamenlijke uitoefening van
het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van
een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een
zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk
voorkomt.
2.De rechtbank kan eveneens op verzoek van
de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening
van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders
van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het
belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om
met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het
kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent
gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het
vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind
niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder
wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door
derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt
verschaft.
3.Indien op de ouders de verplichting van
artikel 247a rust en zij daaraan niet hebben voldaan, houdt de rechter de
beslissing op een in het tweede lid bedoeld verzoek ambtshalve aan, totdat
aan die verplichting is voldaan. Aanhouding blijft achterwege indien het
belang van het kind dit vergt.
4.Deartikelen 377a, vierde lid, 377e en
377g zijn van overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen
gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan
gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
5.De rechtbank beproeft alvorens te
beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een
vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook ambtshalve, zulks
indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich
daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen,
dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing
van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.
6.De rechtbank behandelt het verzoek binnen
zes weken.
Paragraaf 1a. Het gezamenlijk gezag van
ouders binnen een geregistreerd partnerschap
Artikel 253aa
1.Gedurende hun geregistreerd partnerschap
oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.
2.De bepalingen met betrekking tot het
gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede lid, en 251a, tweede en derde lid.
§ 2. Het gezag van ouders anders dan na
scheiding
Artikel 253b
1.Indien ten aanzien van een kind alleen
het moederschap vaststaat of indien de ouders van een kind niet met elkaar
gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk
uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege het gezag over het kind alleen
uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.
2.De in het eerste lid bedoelde moeder die
ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt dit
van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op
dat tijdstip een ander met het gezag is belast.
3.Indien op bedoeld tijdstip een ander het
gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken
hem met het gezag over het kind te belasten.
4.Wanneer de andere ouder het gezag over
het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de
rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
5.Wanneer een voogd het gezag over het kind
uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
Artikel 253c
1.De tot het gezag bevoegde vader van het
kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend,
kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem
alleen met het gezag over het kind te belasten.
2.Indien het verzoek ertoe strekt de ouders
met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk
gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat
het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te
verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering
zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang
van het kind noodzakelijk is.
3.Wanneer de andere ouder het gezag over
het kind uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met het gezag te
belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van
het kind wenselijk oordeelt.
4.Wanneer niet in het gezag is voorzien of
wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de vader
alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
5.Een verzoek om de ouders met het
gezamenlijk gezag te belasten als bedoeld in het eerste lid, kan ook door
de moeder worden gedaan.
Artikel 253d
1.Indien de voorziening in het gezag over
een kind als bedoeld in artikel 253b, eerste lid, van dit boek komt te
ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor
zover zij tot het gezag bevoegd zijn - de rechtbank verzoeken met het
gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast.
2.Het in het eerste lid bedoelde verzoek
wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging
de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.Hebben beiden een verzoek ingediend
anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het
verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in het
belang van het kind oordeelt.
4.Indien, voordat over het verzoek van
één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het
kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit
in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
Artikel 253e
Inwilliging van het verzoek van een der
ouders als bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d van dit boek heeft,
indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg dat de laatste
het gezag verliest. Dit gevolg treedt niet in indien de ouders als gevolg
van de rechterlijke beslissing met het gezamenlijk gezag zijn belast.
Artikel 253f
Na de dood van een der ouders oefent de
overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit, indien en
voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.
Artikel 253g
1.Indien van de ouders diegene overlijdt
die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de
rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze
kinderen wordt belast.
2.De rechter doet dit op verzoek van de
raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve.
3.Het verzoek om de overlevende ouder met
het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
4.De bepaling van het voorgaande lid is
mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen
overeenkomstig artikel 292 van dit boek.
Artikel 253h
1.Indien na het overlijden van één der
ouders een voogd is benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen tijde
in dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd
is, alsnog met het gezag wordt belast.
2.Zij gaat hiertoe slechts over op verzoek
van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.Wanneer de andere ouder een voogd had
aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek en deze inmiddels is
opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar
na het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt
afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen
van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring
Artikel 253ha
1.De minderjarige vrouw die als degene die
het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te voeden kan, indien
zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de kinderrechter
verzoeken haar meerderjarig te verklaren.
2.Het verzoek kan ten behoeve van de vrouw
ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming. Deze behoeft
hiertoe haar schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt, indien de
vrouw haar toestemming intrekt.
3.Het verzoek kan ook voor de bevalling
door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw
eerst omstreeks het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien
jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder
dan na de bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien
jaar is, nadat zij die leeftijd heeft bereikt, beslist.
4.De kinderrechter willigt het verzoek
slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind
wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is belast, wordt de
moeder daarmee belast.
5.De minderjarige vrouw is bekwaam in
rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.
§ 3. Het bewind van de ouders
Artikel 253i
1.Ingeval van gezamenlijke
gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het
vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in
burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits
niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is.
2.Artikel 253a van dit boek is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van "de
rechtbank" wordt gelezen "de kantonrechter".
3.Oefent een ouder het gezag alleen uit,
dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd
en het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigd.
4.Van het bepaalde in het eerste en derde
lid kan worden afgeweken:
a. indien de rechter bij de beschikking
waarbij de uitoefening van het gezag over het kind aan een van de
ouders wordt opgedragen op eensluidend verzoek van de ouders of op
verzoek van één van hen, mits de ander zich daartegen niet verzet,
heeft bepaald dat de ouder die niet het gezag over het kind zal
uitoefenen, het bewind over het vermogen van het kind zal voeren;
b. ingevolge artikel 276, tweede lid,
van dit boek, bij ontheffing of ontzetting van het gezag;
c. indien hij die een minderjarige
goederen schenkt of vermaakt, bij de gift, onderscheidenlijk bij de
uiterste wilsbeschikking, heeft bepaald dat een ander het bewind over
die goederen zal voeren.
5.In het laatstbedoelde geval zijn de
ouders, of - indien een ouder het gezag alleen uitoefent - die ouder,
bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen.
6.Bij het vervallen van het door de
schenker of erflater ingesteld bewind zijn het eerste en tweede lid,
onderscheidenlijk het derde lid, van toepassing.
Artikel 253j
De ouders of een ouder moeten het bewind over
het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren. Bij slecht bewind
zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk, behoudens voor de
vruchten van dat vermogen voor zover de wet hun het genot daarvan toekent.
Artikel 253k
Op het bewind van de ouders of een ouder zijn
de artikelen 342, tweede lid, 344 tot en met 357 en 370 van dit boek van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 253l
1.Elke ouder die het gezag over zijn kind
uitoefent, heeft het vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij
de ouder inwoont en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, is
het verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de
huishouding van het gezin.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing in geval de ouder van het gezag is ontheven, tenzij de andere
ouder het gezag uitoefent.
3.Aan bedoeld vruchtgenot zijn de lasten
verbonden, die op vruchtgebruikers rusten.
Artikel 253m
De ouder heeft geen vruchtgenot van het
vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater
of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zullen
hebben.
Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen
betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door
één van hen
Artikel 253n
1. Op verzoek van de niet met elkaar
gehuwde ouders of een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk gezag,
bedoeld in de artikelen 251a, eerste lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde
lid, of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn
gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige
gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders
voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
2. Heteerste en derde lid van artikel 251a
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253o
1.Beslissingen waarbij een ouder alleen met
het gezag is belast, gegeven ingevolge het bepaalde in de paragrafen 1, 2
en 2a van deze titel en het bepaalde in artikel 253n van dit boek kunnen
op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden
gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij
het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan.
Artikel 253p
1.In de gevallen waarin door de rechter het
gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, neemt dit
een aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is
gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat
de beschikking is verstrekt of verzonden.
2.Na de gerechtelijke ontbinding van het
huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag nochtans niet
voordat de beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of voordat de
beschikking houdende scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
3.Indien een aantekening was gedaan als
bedoeld in artikel 252, eerste lid, van dit boek, begint het aan één der
ouders opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening door de
griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier schriftelijk
mededeling aan beide ouders.
Artikel 253q
1.Wanneer een van de ouders die gezamenlijk
het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel
246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen
het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is
weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag.
2.Wanneer beide ouders die gezamenlijk het
gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in
artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechtbank een
voogd.
3.Wanneer een ouder die alleen het gezag
uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd
is, belast de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde
vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
Alsdan benoemt zij een voogd.
4.De in het tweede en derde lid bedoelde
beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of
aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming of
ambtshalve.
5.Wanneer de grond van de onbevoegdheid van
de in het derde lid eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op zijn
verzoek, wederom met het gezag belast, indien de rechtbank overtuigd is
dat het kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd. Op verzoek van
de ouders of een van hen kan zij de ouders gezamenlijk met het gezag
belasten.
Artikel 253r
1.Het bepaalde in artikel 253q van dit boek
is van overeenkomstige toepassing, indien:
a. één of beide ouders al dan niet
tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of
b. het bestaan of de verblijfplaats van
één of beide ouders onbekend is.
2.Het gezag dat aan één of beide ouders
toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste
lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.
Artikel 253s
1.Indien het kind met instemming van zijn
ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar
door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en
opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de
verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf
van het kind brengen.
2.Voor zover de volgens het vorige lid
vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de
ouders door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.In geval van afwijzing van het verzoek is
de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen
termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter
voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van
het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders
aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek
bij gewijsde is beslist.
Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van een ouder
tezamen met een ander dan een ouder
Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van
rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Artikel 253sa
1.Over het staande hun huwelijk of
geregistreerd partnerschap geboren kind oefenen een ouder en zijn
echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, gezamenlijk het
gezag uit, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat
tot een andere ouder.
2.De bepalingen met betrekking tot het
gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede lid, en 251a, tweede en derde lid.
Paragraaf 2. Het gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens rechterlijke beslissing
Artikel 253t
1.Indien het gezag over een kind bij één
ouder berust, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag
belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke
betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind
belasten.
2.In het geval dat het kind tevens in
familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt het verzoek
slechts toegewezen, indien:
a. de ouder en de ander op de dag van
het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een
jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg
voor het kind hebben gehad; en
b. de ouder die het verzoek doet op de
dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode
van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
3.Het verzoek wordt afgewezen indien, mede
in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat
dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
4.Het gezamenlijk gezag, bedoeld in het
eerste lid, kan niet worden toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel
253q, eerste lid, en artikel 253r. Het staat niet open voor
rechtspersonen.
5.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid
kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van
het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de
ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien
a. het kind van twaalf jaar of ouder
ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek, bedoeld in het eerste
lid, wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet.
Artikel 253u
Het gezamenlijk gezag begint op de dag waarop
de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is gegaan,
of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de
beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 253v
1.Op de gezamenlijke gezagsuitoefening door
de ouder en de ander zijn de artikelen 246, 247, 249, 250, 253a, 253j tot
en met 253m, 253q, eerste lid, alsmede 253r van overeenkomstige
toepassing.
2.Artikel 253i is van overeenkomstige
toepassing, tenzij de met het gezag belaste ouder het bewind niet voert
ingevolge artikel 253i, vierde lid, onder a of c.
3.Artikel 253n is van overeenkomstige
toepassing. De rechtbank geeft geen beslissing tot beëindiging van het
gezamenlijk gezag, bedoeld inartikel 253t, dan nadat zij de ouders of de
niet met het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te
verzoeken in het belang van het kind de ouders gezamenlijk met het gezag
over het kind te belasten of de niet met het gezag belaste ouder daarmee
te belasten.
4.Indien de rechtbank na beëindiging van
het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander, deze ander met de voogdij
heeft belast, kan zij te allen tijde wegens wijziging van omstandigheden
op verzoek van de ouders of van één van hen in het belang van het kind
één ouder met het gezag of de ouders met het gezamenlijk gezag belasten.
5.Artikel 253q, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de rechtbank geen voogd
benoemt dan nadat zij de niet met het gezag belaste ouder in de
gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het kind hem met
het gezag over het kind te belasten. Het verzoek, bedoeld in artikel 253q,
tweede lid, kan tevens door de ander dan de ouder worden gedaan.
6.De afdelingen 4 en 5 van deze titel zijn
van overeenkomstige toepassing op het gezamenlijk gezag van de ouder en de
ander, met dien verstande dat in geval van ontheffing of ontzetting van de
ouder die gezamenlijk met de ander het gezag uitoefent, de ander niet
alleen met het gezag wordt belast dan nadat de rechtbank de niet met het
gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken hem met
het gezag over het kind te belasten.
Paragraaf 3. Gemeenschappelijke bepalingen
inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een
ouder
Artikel 253w
De ander die met de ouder gezamenlijk het
gezag uitoefent, is verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud jegens
het kind dat onder zijn gezag staat. Indien het gezamenlijk gezag door de
meerderjarigheid van het kind is geëindigd, duurt de onderhoudsplicht voort
totdat het kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. Nadat een
rechterlijke beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag in kracht
van gewijsde is gegaan of na het overlijden van de ouder met wie tot het
tijdstip van overlijden het gezag gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze
onderhoudsplicht gedurende de termijn dat het gezamenlijk gezag heeft
geduurd, bestaan, tenzij de rechter in bijzondere omstandigheden op verzoek
van de ouder of de ander een langere termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk
op het tijdstip dat het kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft
bereikt. De artikelen 392, derde lid, 395a, eerste lid, 395b, 397, 398, 399,
400, 401, eerste, vierde en vijfde lid, 402, 402a, 403, 404, eerste lid, 406
en 408 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253x
1.Na de dood van de ouder die tezamen met
de ander het gezag uitoefende, oefent die ander van rechtswege de voogdij
over de kinderen uit.
2.De rechtbank kan op verzoek van de
overlevende ouder te allen tijde bepalen dat deze, mits daartoe bevoegd,
alsnog met het gezag wordt belast.
3.De artikelen 253g en h zijn niet van
toepassing.
Artikel 253y
1.Het gezamenlijk gezag, bedoeld in de
artikelen 253sa en 253t, eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde
is gegaan de beschikking waarbij aan de ouders gezamenlijk gezag is
toegekend of het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander is beëindigd.
2.Is de beschikking, bedoeld in het eerste
lid, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan eindigt het gezamenlijk gezag
van de ouder en de ander daags nadat de beschikking is verstrekt of
verzonden.
Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van
minderjarigen
Artikel 254
1.Indien een minderjarige zodanig opgroeit,
dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig
worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging
hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter
hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
2.De kinderrechter kan een in het eerste
lid bedoelde minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28
van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend en die in verband daarmee in een
opvangcentrum als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet Centraal
Orgaan opvang asielzoekers verblijft, onder toezicht stellen van een
daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3.Onze Minister van Justitie kan
voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding,
bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd
aanvaarden.
4.De kinderrechter kan een minderjarige
onder toezicht stellen op verzoek van een ouder, een ander die de
minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad
voor de kinderbescherming, of het openbaar ministerie.
5.Op verzoek van de stichting, dan wel op
verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf
jaren of ouder, kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die het toezicht heeft, vervangen
door een zodanige stichting in een andere provincie. De raad voor de
kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde verzoek in
te dienen, indien de raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing niet
op de voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd. Indien
ten tijde van een verlenging van de duur van de ondertoezichtstelling niet
meer wordt voldaan aan de eisen voor benoembaarheid, bedoeld in het tweede
lid, vervangt de kinderrechter ambtshalve de door Onze Minister van
Justitie aanvaarde rechtspersoon door een stichting als bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, tenzij voortzetting van de taken
door bedoelde rechtspersoon hem om reden van continuïteit noodzakelijk
voorkomt.
6.Op een rechtspersoon als bedoeld in het
tweede lid, zijn de bepalingen van de afdelingen 4 en 5 alsmede artikel
326 van overeenkomstige toepassing. In geval van vervanging op de voet van
het vijfde lid van de in het tweede lid bedoelde rechtspersoon, wordt de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg in de
provincie waar de desbetreffende minderjarige duurzaam verblijft benoemd.
Artikel 255
De kinderrechter kan hangende het onderzoek
de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en
onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van dit voorlopige toezicht
op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.
Artikel 256
1.De kinderrechter bepaalt de duur van de
ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar.
2.De kinderrechter kan de duur telkens voor
ten hoogste een jaar verlengen. Hij kan dit doen op verzoek van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, een
ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt
en opvoedt, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie.
3.Indien de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot een verzoek tot
verlenging doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van
een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling mededeling aan de
raad voor de kinderbescherming.
4.De kinderrechter kan de
ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer
bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, de met het gezag belaste ouder of
de minderjarige van twaalf jaren of ouder.
Artikel 257
1.De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg houdt toezicht op de minderjarige en zorgt
dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun
worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke
belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.
2.Deze hulp en steun zijn erop gericht de
met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden. Bij algemene maatregel van
bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de
aard en de omvang van de hulp en steun.
3.Indien het leeftijds- en
ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte
zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten
daartoe noodzaken, zijn de hulp en steun, meer dan op het vergroten van de
mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden,
gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.
4.De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg bevordert de gezinsband tussen de met het
gezag belaste ouder en de minderjarige.
Artikel 258
1.De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg kan ter uitvoering van haar taak
schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van
de minderjarige.
2.De met het gezag belaste ouder en de
minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen.
3.Plaatsing van de minderjarige gedurende
dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de
met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg overgaat, alleen
krachtens artikel 261.
Artikel 259
1.Op verzoek van de met het gezag belaste
ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de kinderrechter
een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek
heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel
bepaalt.
2.Bij de indiening van het verzoek wordt de
beslissing van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg overgelegd.
3.De termijn voor het indienen van het
verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang
van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.
4.Ten aanzien van een na afloop van de
termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond
daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan
worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 260
1.De met het gezag belaste ouder en de
minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg verzoeken een aanwijzing
wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken.
2.De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing binnen
twee weken na ontvangst van het verzoek.
3.Artikel 259 is van overeenkomstige
toepassing.
4.Het niet of niet tijdig nemen van een
beslissing door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld met
afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek
bij de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet heeft beslist en
eindigt, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg alsnog beslist, twee weken daarna.
Artikel 261
1.Indien dit noodzakelijk is in het belang
van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van
diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op
haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te
plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de
raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.Indien de uithuisplaatsing betrekking
heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de
jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld
in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek
overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij
het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt
gevraagd.
3.In afwijking van de eerste volzin van het
tweede lid kan in de gevallen, omschreven in de regels, gesteld krachtens
artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg en van artikel 9b,
tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een machtiging tot
uithuisplaatsing worden verleend zonder een daartoe strekkend besluit. De
machtiging tot uithuisplaatsing geldt in dat geval totdat een besluit als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is genomen.
De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van
kracht blijft indien het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
Wet op de jeugdzorg strekt tot uithuisplaatsing.
4.De kinderrechter kan eveneens een
machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een besluit
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt
overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de
kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die
wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen
wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging
wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de
stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met
niet-tenuitvoerlegging instemt.
5.Voor opneming en verblijf als bedoeld in
artikel 29b, eerste lid, of 29c, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is
geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging
als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de
toepassing van de artikelen 258, derde lid, 268, tweede lid, 269, eerste
lid, onder d, en 327, eerste lid, onder g, als een machtiging als bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 262
1.De kinderrechter bepaalt de duur van de
machtiging tot uithuisplaatsing op ten hoogste een jaar. Op verzoek van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg of
van de raad voor de kinderbescherming kan hij de duur telkens met ten
hoogste een jaar verlengen.
2.Indien de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot een verzoek tot
verlenging, doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van
een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan de raad
voor de kinderbescherming.
3.Een machtiging vervalt, indien deze
gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
Artikel 263
1.Een uithuisplaatsing kan worden
beëindigd door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg, doet hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van
een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan de raad
voor de kinderbescherming.
2.De met het gezag belaste ouder, een ander
die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en de
minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen wegens gewijzigde
omstandigheden de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg verzoeken:
a. de uithuisplaatsing te beëindigen;
b. de duur ervan te bekorten;
c. af te zien van een krachtens de
machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de
minderjarige. Onder wijziging van de verblijfplaats wordt mede
verstaan de plaatsing van de minderjarige bij de ouder die het gezag
heeft.
3.De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing binnen
twee weken na ontvangst van het verzoek.
4.Op verzoek van de in het tweede lid
genoemde personen kan de kinderrechter de machtiging geheel of
gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 259, eerste lid,
tweede volzin, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 260, vierde
lid, zijn van toepassing.
Artikel 263a
1.Voor zover noodzakelijk met het oog op
het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in
artikel 261, kan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen
de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.
2.De beslissing van de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg geldt als een
aanwijzing. Artikel 259 en artikel 260 zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling
kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Artikel 263b
1. Voor de duur van de maatregel kan de
kinderrechter op verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg een rechterlijke beslissing tot vaststelling
van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht wijzigen voor
zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de
ondertoezichtstelling.
2. Op het verzoek van de met het gezag
belaste ouder, de omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaren of
ouder en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing
wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij
het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan.
3. Zodra de ondertoezichtstelling is
geëindigd, geldt een ingevolge deze bepaling vastgestelde regeling als
een regeling bedoeld in artikel 377a dan wel 377f.
Artikel 264
Indien een medische behandeling van een
minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor
diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn
toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg worden
vervangen door die van de kinderrechter.
Artikel 265
1. Verzoeken op grond van artikel 254,
vijfde lid, en de artikelen 256-264 moeten schriftelijk worden gedaan.
Voor zover zij zich tot de kinderrechter richten, kunnen zij worden
ingediend zonder advocaat.
2. De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg die een verzoek indient of wordt
opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het
plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg en een
verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter.
3. Het plan en het verslag, bedoeld in het
tweede lid, worden eveneens gezonden aan de raad voor de
kinderbescherming.
4. De verzoeken die de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg ter uitvoering van haar
taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en
worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die
zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle
kosten uitgereikt.
Afdeling 5. Ontheffing en ontzetting van het
ouderlijk gezag
Artikel 266
Mits het belang van de kinderen zich daar
niet tegen verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer
van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is
zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.
Artikel 267
1.Ontheffing wordt slechts uitgesproken op
verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar
ministerie.
2.In het geval, bedoeld bij het tweede lid
onder d, van artikel 268 van dit boek, kan, indien de kinderrechter een
verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf van hun
kind heeft afgewezen, de ontheffing bovendien verzocht worden door degene,
die het kind op het tijdstip van het verzoek ten minste een jaar verzorgd
en opgevoed heeft. Indien het kind door meer dan een persoon wordt
verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk
worden gedaan. Is de ontheffing verzocht, dan blijft het tweede lid van
artikel 253s, van dit boek buiten toepassing, totdat op het verzoek bij
gewijsde is beslist.
Artikel 268
1.Ontheffing kan niet worden uitgesproken,
indien de ouder zich daartegen verzet.
2.Deze regel lijdt uitzondering:
a. indien na een ondertoezichtstelling
van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing
krachtens het bepaalde in artikel 261 van dit boek van meer dan een
jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door
de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot
verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging
als bedoeld in artikel 254 af te wenden;
b. indien zonder de ontheffing van de
ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de kinderen niet aan
diens invloed zou onttrekken;
c. indien de geestvermogens van de
ouder zodanig zijn gestoord, dat hij niet in staat is zijn wil te
bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;
d. indien na een verzorging en
opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit hoofde van een
ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - van
ten minste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een
voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder
ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.
Artikel 269
1.Indien de rechtbank dit in het belang van
de kinderen noodzakelijk oordeelt, kan zij een ouder van het gezag over
een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van:
a. misbruik van het gezag, of grove
verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen;
b. slecht levensgedrag;
c. onherroepelijke veroordeling:
1°. wegens opzettelijke deelneming
aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;
2°. wegens het plegen tegen de
minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels
XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek van het Wetboek van
Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf van
twee jaar of langer;
d. het in ernstige mate veronachtzamen
van de aanwijzingen van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg of belemmering van een uithuisplaatsing
krachtens het bepaalde in artikel 261;
e. het bestaan van gegronde vrees voor
verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind
terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding
op zich hebben genomen.
2.Onder misdrijf worden in dit artikel
begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
Artikel 270
1.Ontzetting van het gezag wordt slechts
uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of
aanverwanten van de kinderen tot en met de vierde graad, de raad voor de
kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.In het geval bedoeld bij het eerste lid
van het vorig artikel onder e, kan de ontzetting bovendien verzocht worden
door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op zich genomen
heeft.
Artikel 271
1.Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een ouder, wiens ontzetting verzocht is,
hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het
gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen. Gelijke bevoegdheid
komt haar toe ten opzichte van een ouder, wiens ontheffing verzocht is, in
de gevallen bedoeld in artikel 268, tweede lid, van dit boek.
2.Indien de andere ouder mede het gezag
uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem alleen
uitgeoefend.
3.Acht de rechtbank in dit laatste geval de
schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om de kinderen aan diens
invloed te onttrekken, dan kan zij ook de andere ouder schorsen.
4.Betreft de schorsing beide ouders of een
ouder die het gezag alleen uitoefent, dan belast de rechtbank een
stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
met de voorlopige voogdij over het kind. Zij stelt vast welke bevoegdheden
ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind worden toegekend.
5.De in dit artikel bedoelde beschikkingen
blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de ontzetting of de
ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank kan zodanige
beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.
Artikel 271a
In plaats van schorsing van beide ouders of
van een ouder in de uitoefening van het gezag en voorziening in de
voorlopige voogdij als bedoeld in artikel 271, kan de rechtbank een kind
onder toezicht stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 272
1.Op grond van feiten die tot ontzetting of
tot de in het tweede lid van artikel 268 van dit Boek bedoelde ontheffing
van een ouder kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de kinderrechter de ouders geheel of gedeeltelijk in
de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg belasten met de
voorlopige voogdij over een kind.
2.De kinderrechter beschikt op verzoek van
de raad voor de kinderbescherming of de officier van justitie. Hij stelt
vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind
worden toegekend en bepaalt de duur van de maatregel.
3.De maatregel vervalt na verloop van zes
weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn
een verzoek tot ontzetting of ontheffing aanhangig is gemaakt. De
kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf weken bepalen, dit
evenwel uitsluitend op de grond dat het in de eerste volzin bedoelde
verzoek aan de vereisten van artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zal kunnen voldoen. Ingeval voor het einde van de van
toepassing zijnde termijn een verzoek tot ontzetting of ontheffing
aanhangig is gemaakt, blijft de maatregel van kracht totdat over het
verzoek bij gewijsde is beslist, tenzij de kinderrechter een kortere
termijn heeft vastgesteld.
4.De maatregel kan worden ingetrokken of
gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een verzoek
als bedoeld in het derde lid is ingediend. In dat geval beslist de rechter
bij wie dit verzoek aanhangig is.
Artikel 272a
De rechtbank die een verzoek tot ontheffing
of ontzetting afwijst, is bevoegd een minderjarige onder toezicht te stellen
als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 273 [Vervallen per 01-05-1995]
Artikel 274
1.Indien de ouders gezamenlijk het gezag
uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van hen voortaan
het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend.
2.In geval van ontheffing of ontzetting van
een ouder, die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de
rechtbank te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te
worden belast. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
3.De rechtbank die het verzoek bedoeld bij
het vorige lid heeft afgewezen, kan deze beschikking steeds wijzigen. Zij
doet dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder, en niet dan op
grond van omstandigheden, waarmede de rechter bij het geven van de
beschikking geen rekening heeft kunnen houden.
Artikel 275
1.Indien de andere ouder het gezag niet
voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de
minderjarigen.
2.Ieder die tot uitoefening van de voogdij
bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank
verzoeken met de voogdij te worden belast.
3.In geval van ontheffing met toepassing
van het tweede lid onder d, van artikel 268 van dit boek, benoemt de
rechtbank bij voorkeur tot voogd degene, dan wel een dergenen, die op het
tijdstip van het verzoek het kind ten minste een jaar heeft verzorgd en
opgevoed, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.
Artikel 276
1.Indien de ontheven of ontzette ouder het
bewind over het vermogen van zijn kinderen voerde, wordt hij tevens
veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan zijn
opvolger in dit bewind.
2.Hebben de kinderen goederen gemeen, maar
komen zij onder het gezag van verschillende personen, dan kan de rechtbank
een van dezen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de
verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de
waarborgen die de rechtbank van hem verlangt.
3.Op het bewind krachtens het vorige lid is
artikel 253k van toepassing, indien een der ouders als bewindvoerder is
aangewezen, en anders paragraaf 10 van afdeling 6 van deze titel. De
bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van
rechtshandelingen van minderjarige deelgenoten, strekkend tot beheer of
beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.
Artikel 277
1.Indien de rechtbank overtuigd is, dat een
minderjarige wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden
toevertrouwd, kan zij deze ouder op zijn verzoek in het gezag herstellen.
Indien de niet met elkaar gehuwde ouders gezamenlijk het gezag willen
uitoefenen, wordt het verzoek daartoe door hen beiden of een van hen
gedaan.
2.Indien bij gelegenheid van de ontzetting
of ontheffing het gezag aan de andere ouder was opgedragen, belast de
rechtbank de ontheven of ontzette ouder die alleen het in het eerste lid
bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het
nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd
opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e van dit boek
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 278
1.Een verzoek als bedoeld in artikel 277
van dit boek kan ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming.
2.Hangende het onderzoek kan zowel de raad
voor de kinderbescherming als de te herstellen ouder de rechtbank
verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een door haar te
bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal het
kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De rechtbank is
te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindigen.
Afdeling 6. Voogdij
§ 1. Voogdij in het algemeen
Artikel 279 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 280
De voogdij begint:
a. voor de voogd die door een ouder is
benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het overlijden van deze
ouder bereid verklaart de voogdij te aanvaarden. De verklaring moet door
de betrokkene in persoon of bij bijzondere gevolmachtigde worden
afgelegd ter griffie van de rechtbank die overeenkomstig de tweede
afdeling van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering in zaken betreffende minderjarigen bevoegd
is. De verklaring moet worden afgelegd binnen veertien dagen, of -
indien de persoon, die de verklaring moet afleggen, zich buiten
Nederland bevindt - binnen twee maanden, nadat de benoeming is betekend.
Tot betekening kan iedere belanghebbende, alsmede de raad voor de
kinderbescherming opdracht geven.
b. voor de voogd die - nadat hij zich
bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden - door de rechter is
benoemd: op de dag, waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in
kracht van gewijsde is gegaan, of - zo deze uitvoerbaar bij voorraad is
verklaard - daags nadat de beslissing die de benoeming inhoudt, is
verstrekt of verzonden. Een mondelinge bereidverklaring geschiedt ten
overstaan van de rechter die benoemt; een schriftelijke bereidverklaring
wordt neergelegd ter griffie waar de benoeming zal geschieden.
Artikel 281
1.De voogdij eindigt op de dag, waarop in
kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij:
a. de voogd is ontslagen of ontzet;
b. het gezag over de onder zijn voogdij
staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen; of
c. de voogdij overeenkomstig artikel
299a van dit boek aan een andere voogd is opgedragen.
2.Is een beschikking als in het eerste lid
bedoeld, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, dan eindigt de voogdij daags
nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 282
1.Op eensluidend verzoek van de voogd en
een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, kan
de rechter bepalen dat de voogdij door hen gezamenlijk wordt uitgeoefend.
2.Voor de duur van de gezamenlijke
uitoefening van de voogdij worden beide in het eerste lid bedoelde
personen als voogd aangemerkt.
3.Het verzoek wordt afgewezen indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden
worden verwaarloosd.
4.Gezamenlijke uitoefening van de voogdij
is niet mogelijk ten aanzien van tijdelijke voogdij als bedoeld in de
artikelen 296 en 297. Zij staat niet open voor rechtspersonen.
5.Artikel 253a is van overeenkomstige
toepassing.
6.In afwijking van artikel 336 hebben twee
voogden die gezamenlijk de voogdij uitoefenen, de plicht en het recht het
minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Artikel 253w is, zolang de
gezamenlijke voogdij voortduurt, ten aanzien van hen beiden van
overeenkomstige toepassing.
7.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid
kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van
het kind in de geslachtsnaam van een van de voogden. Een zodanig verzoek
wordt afgewezen, indien:
a. het kind van twaalf jaar of ouder
ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek tot gezamenlijke voogdij
wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet.
Artikel 282a
De gezamenlijke uitoefening van de voogdij
eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking
waarbij de gezamenlijke uitoefening van de voogdij is beëindigd of waarbij
de voogdij is geëindigd ingevolge artikel 281, alsmede na het overlijden
van een van de voogden.
Artikel 282b
Na de dood van een voogd die de voogdij samen
met een ander uitoefende, oefent de andere voogd voortaan alleen de voogdij
over de kinderen uit.
Artikel 283
De verzoeken die de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, dan wel de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 302, tweede lid, in verband met de uitoefening van de
voogdij tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en
worden kosteloos behandeld. De grossen, afschriften, en uittreksels, die zij
tot dit doel aanvragen, worden hun door de griffiers vrij van alle kosten
uitgereikt.
Artikel 284 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 285 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 286 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 287 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 288 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 289 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 290 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 291 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 291a [Vervallen per 15-12-1995]
§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen
Artikel 292
1.Een ouder kan bij uiterste
wilsbeschikking bepalen welke persoon dan wel welke twee personen na zijn
dood voortaan als voogd onderscheidenlijk als gezamenlijke voogden het
gezag over zijn kinderen zal uitoefenen.
2.Hij kan geen rechtspersoon als voogd
aanwijzen.
3.Hebben beide ouders van deze bevoegdheid
gebruik gemaakt, en sterven zij, zonder dat men kan weten wie het eerst
overleden is, dan bepaalt de rechtbank ambtshalve wiens beschikking gevolg
heeft.
Artikel 293
De door de ouder getroffen regeling heeft
geen gevolg of vervalt:
a. indien na zijn overlijden de andere
ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke beschikking het gezag
over zijn kinderen uitoefent;
b. indien en voor zover hij op het
tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn kinderen niet heeft;
c. indien de ander die met de ouder
gezamenlijk het gezag uitoefent van rechtswege de voogd over de kinderen
wordt.
Artikel 294 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 3. Voogdij door de rechter opgedragen
Artikel 295
De rechtbank benoemt een voogd over alle
minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet
op wettige wijze is voorzien.
Artikel 296
1.Is voorziening nodig in afwachting van
het begin der voogdij overeenkomstig artikel 280 van dit boek, dan benoemt
de rechtbank een voogd voor de duur van deze omstandigheden.
2.Zodra bedoelde omstandigheden zijn
vervallen, wordt deze voogd op verzoek van hem die hij vervangt, door de
rechtbank ontslagen.
Artikel 297
1.De rechtbank benoemt insgelijks een
voogd, wanneer voorziening nodig is wegens:
a. tijdelijke onmogelijkheid, waarin
een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen; of
b. onbekendheid van bestaan of
verblijfplaats van de voogd; of
c. in gebreke blijven van de voogd, het
gezag uit te oefenen.
2.Is de benoeming op het eerste lid onder c
gegrond, dan kan de rechtbank de benoemde voogd een beloning toekennen en
is de in gebreke gebleven voogd jegens de minderjarige aansprakelijk voor
de kosten die de vervanging veroorzaakt, alsmede, behoudens zijn verhaal
op de benoemde voogd, voor diens verrichtingen.
3.Zodra de in het eerste lid genoemde
omstandigheden zijn vervallen, wordt de benoemde voogd op eigen verzoek of
op verzoek van degene die hij vervangt, door de rechtbank ontslagen,
tenzij gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de
kinderen zouden worden verwaarloosd.
4.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid bedoelde
omstandigheden zich voordoet ten aanzien van een van beide voogden, oefent
de andere voogd het gezag over de kinderen alleen uit. Zodra deze
omstandigheid is vervallen, herleeft de gezamenlijke voogdij. Het tweede
lid is niet van toepassing.
Artikel 298
Gedurende de in de beide voorgaande artikelen
bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij geschorst ten aanzien van
de voogd die het betreft.
Artikel 299
De rechtbank benoemt de voogd op verzoek van
bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve,
behoudens artikel 282a.
Artikel 299a
1.Degene die met instemming van de voogd
een minderjarige in zijn gezin - anders dan uit hoofde van een
ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - ten
minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de kinderrechter verzoeken
hem, dan wel een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302 van dit boek,
tot voogd te benoemen.
2.Indien de minderjarige door meer dan een
persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het
verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.
3.Het verzoek kan ook worden gedaan door de
raad voor de kinderbescherming.
4.De kinderrechter willigt het verzoek
slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem
genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn
bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens
benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening
van de voogdij.
5.Is het bij het eerste lid bedoelde
verzoek gedaan, dan blijft het tweede lid van artikel 336a, van dit boek
buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
6.In geval van gezamenlijke uitoefening van
de voogdij wordt de in het eerste lid bedoelde instemming door beide
voogden gegeven.
Artikel 300 [Vervallen per 01-05-1984]
Artikel 301
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
geeft de rechtbank onverwijld kennis:
a. van het overlijden van ieder die
minderjarige kinderen achterlaat;
b. van de aangifte van geboorte van
ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het gezag
uitoefent.
2.Indien het huwelijk van de overledene die
minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de overledene
van tafel en bed gescheiden was, bericht de ambtenaar van de burgerlijke
stand - zo de andere ouder nog leeft - deze omstandigheden tevens aan de
rechtbank. De rechtbank zendt, indien deze een andere is, de door haar
ontvangen kennisgeving door aan de rechtbank die over het verzoek tot
ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en bed heeft
beslist.
§ 4. Voogdij van rechtspersonen
Artikel 302
1.De rechter kan de voogdij opdragen aan
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg.
2.Onverminderd diens bevoegdheid een
natuurlijke persoon tot voogd te benoemen, kan de rechter de voogdij over
een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de
Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en in verband daarmee in Nederland
verblijft, alsmede over door Onze Minister van Justitie aan te wijzen
categorieën andere minderjarigen, uitsluitend opdragen aan een daartoe
door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3.Onze Minister van Justitie kan
voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding,
bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd
aanvaarden.
4.Op een rechtspersoon als bedoeld in het
tweede lid, zijn de artikelen 303, 304, 305 en 328 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 303
Voor zover de wet niet anders bepaalt, heeft
de met voogdij belaste stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden.
Artikel 304
1.Met de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg zijn de bestuurders hoofdelijk en
persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een
niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.
2.Iedere bestuurder zal zich echter van
zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen
schuld heeft aan de schade.
Artikel 305
1.De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg, die hem toevertrouwde minderjarigen uit
huis plaatst, houdt de raad voor de kinderbescherming schriftelijk op de
hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden.
2.De plaatsen, waar een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, minderjarigen
heeft geplaatst, worden door de raad voor de kinderbescherming bezocht, zo
vaak hij dit ter beoordeling van de toestand der minderjarigen dienstig
acht.
3.De artikelen 261, vijfde lid, 262, eerste
en derde lid, 263, eerste lid, eerste volzin, en vierde lid, eerste
volzin, en 265, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel
3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg is eveneens van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 306
1.Zonder toestemming van de rechtbank mag
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg een hem toevertrouwde minderjarige niet buiten Nederland
plaatsen.
2.De rechter verleent deze toestemming
slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.
Artikel 306a
De zesde afdeling van deze titel is niet van
toepassing op de uitoefening van de voorlopige voogdij als bedoeld in de
artikelen 241, 271, 272, 331 en 332 van dit Boek.
Artikel 307 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 308 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 309 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 310 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 311 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 312 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 313 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 314 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 315 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 316 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 317 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 318 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 319 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 5. Ontslag van de voogdij
Artikel 320 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 321 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 322
1. Iedere voogd kan zich van zijn bediening
doen ontslaan, indien:
a. hij aantoont, dat hij tengevolge van
een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of
lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen;
b. hij de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft
bereikt;
c. een daartoe bevoegd persoon zich
schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de
rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.
2. Bij gezamenlijke uitoefening van de
voogdij is het eerste lid slechts van toepassing indien beide voogden zich
van hun bediening willen doen ontslaan.
Artikel 323
Op verzoek van de voogden gezamenlijk of van
een van hen beëindigt de rechter de gezamenlijke uitoefening van de
voogdij. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van beide voortaan het gezag over
ieder der minderjarige kinderen alleen zal toekomen.
§ 6. Onbevoegdheid tot de voogdij
Artikel 324
1.Wanneer een voogd op een der in artikel
246 van dit boek genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de
rechtbank hem en vervangt hem door een andere voogd.
2.Zij doet dit op verzoek van de voogd,
bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.
3.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid genoemde gronden
zich voordoet ten aanzien van een van beide voogden, oefent de andere
voogd het gezag over de kinderen alleen uit.
4.Zodra de grond van de onbevoegdheid is
vervallen, herleeft de gezamenlijke voogdij.
Artikel 325 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 7. Ondertoezichtstelling van onder voogdij
staande minderjarigen
Artikel 326
1.Kinderen die onder voogdij staan van
natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.
2.Op deze ondertoezichtstelling zijn de
bepalingen der artikelen 254-265 van dit boek van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande nochtans, dat de ondertoezichtstelling en
de verlenging daarvan ook door de voogd kunnen worden verzocht.
§ 8. Ontzetting van voogdij
Artikel 327
1.Indien de rechtbank dit in het belang van
die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan zij een voogd ten aanzien van
een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen ontzetten op
grond van:
a. slecht levensgedrag;
b. misbruik van zijn bevoegdheid,
verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij
niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij;
c. de omstandigheid, dat hij op een der
beide voorgaande gronden van een andere voogdij - of op
overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag - is ontzet;
d. de omstandigheid, dat hij in staat
van faillissement verkeert of dat ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is;
e. de omstandigheid, dat hij in
persoon, of dat zijn ouder, echtgenoot of kind met de minderjarige een
proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte van
diens vermogen betrokken is;
f. onherroepelijke veroordeling:
1°. wegens opzettelijke deelneming
aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;
2°. wegens het plegen tegen de
minderjarige van een der misdrijven, omschreven in de titels
XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek van het Wetboek van
Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf van
twee jaar of langer;
g. het in ernstige mate veronachtzamen
van de aanwijzingen van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg of belemmering van een uithuisplaatsing
krachtens het bepaalde in artikel 261;
h. het bestaan van gegronde vrees voor
verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande
minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt van
anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen;
i. de omstandigheid dat hij niet
beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse
kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.
2.Onder misdrijf worden in dit artikel
begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
Artikel 328
Ontzetting van een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan slechts op de in het
eerste lid van het vorige artikel onder b-e genoemde gronden geschieden.
Zijn ontzetting kan echter bovendien plaats hebben, indien hij nalaat de
raad voor de kinderbescherming overeenkomstig artikel 305 van dit boek op de
hoogte te houden van de plaatsen, waar de hem toevertrouwde minderjarigen
zich bevinden, ofwel indien hij het door de raad voor de kinderbescherming
uit te oefenen toezicht belemmert of verhindert.
Artikel 329
1.Ontzetting van de voogdij kan slechts
worden uitgesproken op verzoek van een voogd, een der bloed- of
aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad, de raad voor
de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.In het geval, bedoeld bij het eerste lid
van artikel 327 onder h van dit boek, kan de ontzetting bovendien verzocht
worden door hem, die de verzorging en opvoeding van de minderjarige op
zich heeft genomen.
3.In het geval, bedoeld bij artikel 367 van
dit boek kan de rechtbank de ontzetting uitspreken, ook al had de raad
voor de kinderbescherming deze niet verzocht.
Artikel 330 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 331
1.Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een voogd, wiens ontzetting verzocht is,
hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn
voogdij over een of meer der minderjarigen schorsen.
2.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij de rechtbank de schorsing van de te ontzetten
voogd onvoldoende acht om de kinderen aan diens invloed te onttrekken, dan
kan zij ook de andere voogd schorsen.
3.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij slechts een van de voogden wordt geschorst,
wordt gedurende de schorsing het gezag door de andere voogd alleen
uitgeoefend.
4.In de in het eerste en tweede lid
bedoelde gevallen vertrouwt de rechtbank een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg met de voorlopige voogdij
over de minderjarige. Zij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van
persoon en vermogen van deze minderjarige worden toegekend.
5.De in dit artikel bedoelde beschikkingen
blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht
van gewijsde is gegaan. De rechtbank kan zodanige beschikking evenwel met
ingang van een vroeger tijdstip herroepen.
Artikel 331a
In plaats van schorsing van de voogd in de
uitoefening van de voogdij en voorziening in de voorlopige voogdij als
bedoeld in artikel 331, kan de rechtbank de minderjarige onder toezicht
stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 332
Op grond van feiten die tot ontzetting van de
voogdij kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is,
kan de kinderrechter de voogd of voogden geheel of gedeeltelijk schorsen in
de uitoefening van het gezag over een minderjarige en een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg belasten met de
voorlopige voogdij over deze minderjarige. Artikel 272, tweede, derde en
vierde lid, van dit Boek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 332a
De rechtbank die een verzoek tot ontzetting
afwijst, is bevoegd een minderjarige onder toezicht te stellen als bedoeld
in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 333 [Vervallen per 01-05-1995]
Artikel 334
1.Indien de rechtbank de ontzetting
uitspreekt, voorziet zij tevens in het gezag, behoudens het bepaalde in
het derde lid.
2.Ieder die tot de uitoefening van het
gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank
verzoeken daarmede te worden belast.
3.Indien sprake is van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij en de ontzetting slechts een van de voogden
betreft, wordt de voogdij voortaan door de andere voogd alleen
uitgeoefend.
Artikel 335
Hij die van de voogdij over een bepaalde
minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die minderjarige
worden benoemd.
§ 9. Het toezicht van de voogd over de
persoon van de minderjarige
Artikel 336
De voogd draagt zorg, dat de minderjarige
overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.
Artikel 336a
1.Indien de minderjarige door een ander of
anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de
voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan de voogd
niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op
zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige
brengen.
2.Voor zover de volgens het vorige lid
vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de
voogd door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van de
minderjarige acht.
3.In geval van afwijzing van het verzoek is
de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen
termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter
voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van
het kind, tot ontzetting van de voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in
artikel 299a, van dit boek aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking
gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
4.In geval van gezamenlijke uitoefening van
de voogdij, wordt de in het eerste lid bedoelde instemming door beide
voogden gegeven.
§ 10. Het bewind van de voogd
Artikel 337
1.De voogd vertegenwoordigt de minderjarige
in burgerlijke handelingen.
2.De voogd moet het bewind over het
vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht bewind
is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.
3.Indien goederen die de minderjarige
geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd
bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen.
Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind van de voogd.
Artikel 337a
1.In geval van gezamenlijke uitoefening van
de voogdij worden de bevoegdheden die de voogd ingevolge de paragrafen 10
en 11 heeft, gezamenlijk door de voogden uitgeoefend, met dien verstande
dat de bevoegdheden ook aan een voogd alleen toekomen tenzij van bezwaren
van de andere voogd is gebleken.
2.De in bedoelde paragrafen genoemde
verplichtingen rusten op ieder van de voogden.
Artikel 338
1.De voogd zorgt dat het vermogen van de
minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is samengesteld, zo
spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd.
2.Binnen acht weken na het begin van zijn
voogdij doet de voogd ter griffie van de rechtbank van het arrondissement
waarin de woonplaats van de minderjarige is gelegen schriftelijk opgave
van de bij dat begin aanwezige gerede gelden, effecten aan toonder en
spaarbankboekjes.
3.Binnen acht maanden na het begin van zijn
voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door
hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank van
het arrondissement waarin de woonplaats van de minderjarige is gelegen.
4.In de boedelbeschrijving is begrepen een
opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het vermogen tot het
ogenblik dat zij wordt opgemaakt.
Artikel 339
1.Wanneer de goederen van de minderjarigen
een waarde van € 11 250 niet te boven gaan, kan de voogd een door hem
ondertekende, volgens een door Onze Minister van Justitie vastgesteld
model opgemaakte, verklaring daaromtrent in plaats van de
boedelbeschrijving inleveren. De voogd van twee of meer kinderen van
dezelfde ouders kan met een zodanige verklaring slechts volstaan, wanneer
bovendien de goederen der minderjarigen tezamen een waarde van € 22 500
niet te boven gaan.
2.De kantonrechter kan te allen tijde
bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de minderjarige,
zoals dit op de datum van zijn beschikking is samengesteld, met
overeenkomstige toepassing van het vorige artikel moet worden opgemaakt en
ingeleverd.
Artikel 340
1.De kantonrechter kan bij gebleken
noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een
boedelbeschrijving of een verklaring, als bedoeld in het vorige artikel,
stellen.
2.Indien binnen de daarvoor gestelde
termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in het
vorige artikel is ingeleverd, doet de kantonrechter binnen tien dagen na
het einde van die termijn de voogd ten verhore oproepen.
Artikel 341
1.In de boedelbeschrijving of in de
verklaring, bedoeld in artikel 339 van dit boek, moet de voogd opgeven wat
hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal hij
zijn vorderingsrecht niet voor diens meerderjarigheid kunnen uitoefenen.
2.Zolang de voogd zijn vorderingsrecht niet
kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.
Artikel 342
1.De vier vorige artikelen zijn van
overeenkomstige toepassing, wanneer de minderjarige gedurende de voogdij
door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt.
2.De inspecteur bij wie de aangifte voor
het recht van successie, van overgang of van schenking moet worden
ingediend, en aan wie ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen
heeft verkregen, is verplicht de kantonrechter van diens woonplaats
hiervan te verwittigen.
Artikel 343
De voogd kan, onverminderd zijn
aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte schade, voor
de minderjarige alle handelingen verrichten, die hij in diens belang
noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het bepaalde bij de
volgende artikelen.
Artikel 344
1.Voorzover de kantonrechter niet anders
bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in
bewaring bij:
a. de Nederlandsche Bank N.V.;
b. een financiële onderneming die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf
van bank mag uitoefenen;
2.De kantonrechter kan aanwijzingen geven
omtrent de wijze, waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige
moeten worden bewaard. De kantonrechter onder wiens goedkeuring een
verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen als
hier bedoeld geven. Overigens is de kantonrechter, aangewezen in de tweede
afdeling van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd.
3.Voor effecten aan toonder,
spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige tezamen met een of meer
andere personen toekomen, geldt het bepaalde in de vorige leden, wanneer
de voogd die onder zijn berusting heeft.
Artikel 345
1. De voogd behoeft machtiging van de
kantonrechter om de navolgende handelingen voor rekening van de
minderjarige te verrichten:
a. aangaan van overeenkomsten
strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige, tenzij
de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad kan worden
beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;
b. giften doen, andere dan
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. een making of gift, waaraan lasten
of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
d. geld lenen of de minderjarige als
borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
e. overeenkomen dat een boedel, waartoe
de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt
gelaten.
2. De kantonrechter kan bepalen dat de
voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen van de
minderjarige, het disponeren over saldi bij een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht daaronder begrepen.
3. Voor het aangaan van een overeenkomst
tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken,
behoeft de voogd geen machtiging in het geval van artikel 87 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of indien het voorwerp van de
onzekerheid of het geschil een waarde van € 700 niet te boven gaat, noch
indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.
Artikel 346
1.De voogd kan geen goederen van de
minderjarige kopen, huren of pachten, zonder dat de kantonrechter de te
sluiten overeenkomst goedkeurt.
2.In geval van openbare verkoop, verhuur of
verpachting moet de goedkeuring binnen een maand daarna zijn aangevraagd.
Artikel 347
1.Een in strijd met artikel 345 of 346
verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar;
op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de zijde
van de minderjarige.
2.Het vorige lid geldt niet voor een
rechtshandeling anders dan om niet indien de wederpartij te goeder trouw
was en voor een rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft
berokkend.
Artikel 348
1.De voogd kan, zonder dat de kantonrechter
de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen inschuld ten laste van de
minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van een derde
verkrijgen.
2.Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de
overeenkomst nietig.
Artikel 349
1.Een voogd die zonder machtiging van de
kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen
een uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2.De voogd mag niet zonder machtiging van
de kantonrechter in een tegen de minderjarige ingestelde eis of in een
gedane uitspraak berusten.
3.Hij kan, alvorens voor de minderjarige in
rechte verweer te voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak verzet
te doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de
kantonrechter.
Artikel 350
1.De voogd draagt zorg voor een doelmatige
belegging van het vermogen van de minderjarige.
2.Hij behoeft voor elke belegging van
gelden van de minderjarige machtiging van de kantonrechter. Nochtans mag
hij, voor zover de kantonrechter niet anders bepaalt, zonder diens
machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij een
financiële onderneming als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onderdeel
b op rekeningen bestemd voor de belegging van gelden van minderjarigen,
met het beding dat de gelden alleen worden terugbetaald met machtiging van
de kantonrechter.
Artikel 351
1.Wanneer het vermogen van de minderjarige
of een gedeelte daarvan in een onderneming van handel, landbouw of
nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor rekening, hetzij van
de minderjarige alleen, hetzij van deze met anderen, niet voortzetten dan
met machtiging van de kantonrechter.
2.Zonder machtiging van de kantonrechter
mag de voogd een boedel, waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet
onverdeeld laten.
Artikel 352
Ondanks het ontbreken der vereiste machtiging
zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd met artikel 350 of
artikel 351, geldig.
Artikel 353
De voogd kan niet zonder machtiging van de
kantonrechter van een de minderjarige toekomend aandeel in een ontbonden
huwelijksgemeenschap afstand doen.
Artikel 354
De kantonrechter kan te allen tijde de voogd
ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de kantonrechter
gewenste inlichtingen te verstrekken.
Artikel 355
1.Aan een met het gezag belaste ouder of
aan een ouder die alleen het bewind over het vermogen heeft en die
aangifte heeft gedaan van zijn voornemen een huwelijk of een geregistreerd
partnerschap aan te gaan, kan de kantonrechter opdragen binnen een
bepaalde termijn een beschrijving van het vermogen van de kinderen op te
maken en deze beschrijving of een afschrift daarvan ter griffie van de
rechtbank in te leveren.
2.De artikelen 339, 340 en 341 van dit boek
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 356
1.Aanwijzingen en machtigingen, als in deze
paragraaf bedoeld, geeft de kantonrechter slechts, indien dit hem in het
belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te
zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan
zodanige voorwaarden verbinden, als hij dienstig oordeelt.
2.Hij kan een gegeven aanwijzing of
machtiging te allen tijde intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden
wijzigen.
Artikel 357
Indien de kosten van een ten behoeve van een
minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking te diens laste
zijn gebracht, treedt - ingeval dientengevolge het vermogen van de
minderjarige moet worden aangesproken - in de plaats van de bij artikel 345
van dit boek bedoelde machtiging van de kantonrechter, diens aanwijzing van
de goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.
Artikel 358
1.De voogd mag alle noodzakelijke,
betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige in
rekening brengen.
2.Indien de kantonrechter een bedrag
bepaalt, hetwelk jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en
opvoeding van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van diens
vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag niet gespecificeerd
te verantwoorden.
3.De kantonrechter kan de voogd een
beloning ten laste van de minderjarige toekennen, indien hij dit gezien de
zwaarte van de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval mag de
voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat is toegekend bij
de akte, waarbij hij door een ouder benoemd is.
Artikel 359
1.De kantonrechter kan te allen tijde op
verzoek van de andere voogd of ambtshalve aan de voogd de verplichting
opleggen jaarlijks of eens in de twee of drie jaren ter griffie van de
rechtbank een rekening in te dienen van zijn bewind over de goederen van
de minderjarige.
2.De datum voor de indiening van de
rekening wordt door de kantonrechter bepaald.
3.Indien in het geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de voogden de rekening alleen heeft
ingediend, moet hij gelijktijdig een afschrift van de rekening aan de
andere voogd doen toekomen. Deze kan binnen twee maanden bezwaren tegen de
rekening bij de rechter indienen.
Artikel 360
1.Bij verschil van mening omtrent de
rekening kan de kantonrechter verbetering daarvan gelasten.
2.Hij kan een of meer deskundigen benoemen,
ten einde de ingediende rekening te onderzoeken.
3.De kantonrechter kan de kosten van dit
onderzoek, indien slecht bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten
dele ten laste van de voogd brengen.
4.De voogd ontvangt een afschrift van het
door de deskundigen in te dienen schriftelijk bericht.
5.In geval van gezamenlijke uitoefening van
de voogdij ontvangen beide voogden het in het vierde lid bedoelde
afschrift en kan de rechter de in het derde lid bedoelde kosten ook ten
laste van de voogden gezamenlijk brengen.
Artikel 361
De periodiek door de voogd gedane rekening of
een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie van de
rechtbank.
Artikel 362
De kantonrechter kan op verzoek van de andere
voogd of ambtshalve de schade vaststellen, die blijkens de rekening de
minderjarige door slecht bewind van de voogd geleden heeft, en deze laatste
tot vergoeding daarvan veroordelen.
Artikel 363
1.De kantonrechter kan te allen tijde
bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het
bedrag en de aard van de zekerheid vast. Inpandgeving van effecten aan
toonder van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de
Nederlandsche Bank.
2.De kantonrechter bepaalt een redelijke
termijn, binnen welke de voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat
hij de van hem verlangde zekerheid gesteld heeft.
3.De kantonrechter kan de voogd toestaan
een gestelde zekerheid door een andere te vervangen. Indien het belang van
de voogd het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of
handhaving daarvan niet nodig is, kan de kantonrechter hem machtigen
daarvan namens de minderjarige afstand te doen.
Artikel 364
1.De door de voogd gestelde zekerheid houdt
op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de
rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig artikel 377 van
dit boek verjaard zijn.
2.Alsdan worden op kosten van de
minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op
inschrijvingen in de schuldregisters voor geldleningen ten laste van het
Rijk opgeheven.
Artikel 365
Indien de voogd in gebreke blijft:
a. gehoor te geven aan een oproeping van
de kantonrechter om voor hem te verschijnen;
b. een boedelbeschrijving of een
verklaring als bedoeld in artikel 339 van dit boek in te leveren;
c. op de door de kantonrechter bepaalde
datum zijn periodieke rekening in te dienen;
d. aan de minderjarige toebehorende
spaarbankboekjes, gelden, of toondereffecten die hij niet te diens name
heeft doen stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren;
e. de kantonrechter het bewijs te
leveren, dat hij een van hem verlangde zekerheid gesteld heeft; of
f. de schadevergoeding te betalen,
waartoe de kantonrechter hem ingevolge artikel 362 van dit boek
veroordeeld heeft,
kan de kantonrechter de raad voor de
kinderbescherming hiermede in kennis stellen.
Artikel 366
Insgelijks kan de kantonrechter de raad voor
de kinderbescherming ermede in kennis stellen, dat:
a. de voogd in gevallen, waarin hij
machtiging van de kantonrechter behoeft, zijn bewind eigenmachtig voert;
b. hij zich in zijn bewind aan ontrouw,
plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid blijkt te hebben schuldig
gemaakt.
Artikel 367
De raad voor de kinderbescherming die van de
kantonrechter zodanige mededeling ontvangt, onderwerpt, na onderzoek van de
overige gedragingen van de voogd jegens de minderjarige, binnen zes weken na
de dagtekening van die mededeling aan het oordeel van de rechtbank de vraag,
of ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid onder b, van
dit boek moet volgen.
Artikel 368 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 369
1.Indien minderjarigen die onder voogdij
van verschillende voogden staan, goederen gemeen hebben, kan de
kantonrechter van de woonplaats van een der minderjarigen een van de
voogden of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het
bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de door de rechter van
hem verlangde waarborgen.
2.Komt de in het eerste lid omschreven
bevoegdheid aan verschillende rechters toe, dan vervalt deze, nadat een
van hen daarvan heeft gebruik gemaakt.
3.Op het bewind zijn de bepalingen omtrent
het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder
is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de
minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de
onder bewind staande goederen.
Artikel 370
1.De kantonrechter kan op verzoek van de
voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan,
met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder
bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig
oordeelt. In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij wordt tot
onderbewindstelling slechts beslist indien het verzoek door beide voogden
gezamenlijk wordt gedaan.
2.De kantonrechter benoemt de bewindvoerder
en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het
bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte
kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de
minderjarige moet vergoeden, alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal
op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de
minderjarige. In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij worden
deze verplichtingen opgelegd aan beide voogden.
3.Op het bewind zijn de bepalingen omtrent
het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder
is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de
minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de
onder bewind staande goederen.
4.De kantonrechter bepaalt welke
uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en
de vruchten daarvan aan de voogd en bij gezamenlijke uitoefening van de
voogdij aan de voogden, moet doen ten behoeve van de verzorging en
opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet
onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen
tijde op verzoek van een voogd of de bewindvoerder, of ambtshalve
wijzigen.
5.De bewindvoerder is verplicht aan de
kantonrechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te
verstrekken.
6.Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan
het einde van zijn bewind aan de voogd, en bij gezamenlijke uitoefening
van de voogdij aan de voogden,, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen
van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten overstaan van de
kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen.
7.Geschillen die bij de rekening en
verantwoording rijzen, beslist de kantonrechter.
8.Blijft een der partijen in gebreke tot
deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de
artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
van toepassing.
9.De kantonrechter kan te allen tijde op
verzoek van de bewindvoerder, een voogd of ambtshalve het bewind opheffen
of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.
Artikel 371
De voogd is verplicht ter griffie van de
rechtbank kennis te geven van elke verandering in zijn woonplaats.
Artikel 371a
1.De griffier van het gerecht dat een voogd
benoemt, doet daarvan onverwijld mededeling aan de kantonrechter van de
rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de voogd is
gelegen.
2.Woont de voogd niet meer in het
arrondissement of is hij opgevolgd door een voogd in een ander
arrondissement, dan zendt de griffier onverwijld de voogdijbescheiden naar
de griffier van het arrondissement waar de voogd of opvolgende voogd
woonplaats heeft, onder opgave van diens adres.
§ 11. De rekening en verantwoording bij het
einde van de voogdij
Artikel 372
Na het einde van zijn bewind doet de voogd
daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden door de
voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de minderjarige, tenzij het
bewind wegens ontzetting van de voogd eindigt. Voor zover de kosten niet op
de minderjarige kunnen worden verhaald, komen zij ten laste van de ouders,
en, zo zij ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van de Staat.
Artikel 373
1.Deze rekening en verantwoording doet de
voogd hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van
de minderjarige, wanneer deze overleden is, hetzij aan zijn opvolger in
het bewind.
2.Indien de gezamenlijke uitoefening van de
voogdij is geëindigd en als gevolg daarvan het gezag wordt uitgeoefend
door een van de voogden alleen, doet degene wiens voogdij geëindigd is
rekening en verantwoording aan degene die de voogdij alleen uitoefent.
Artikel 374
1.Bedoelde rekening en verantwoording wordt
afgelegd ten overstaan van de kantonrechter, binnen wiens rechtsgebied de
voogd wiens bewind eindigt woonplaats heeft.
2.Geschillen, die bij de aflegging van de
rekening en verantwoording mochten rijzen, beslist de kantonrechter.
3.Blijft een der partijen in gebreke tot
deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de
artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
van toepassing.
Artikel 375
Een rechtshandeling die de meerderjarig
gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot of verricht
met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt vóór het afleggen van
de rekening en verantwoording; alleen van de zijde van de meerderjarig
gewordene kan een beroep op de vernietigingsgrond worden gedaan.
Artikel 376
Wat de minderjarige aan de voogd schuldig
blijft, draagt geen rente, zolang hij niet - na het sluiten der rekening -
met de voldoening van het verschuldigde in verzuim is.
Artikel 377
Elke rechtsvordering op grond van het
gevoerde voogdijbewind - zowel van de zijde van de minderjarige als van die
van de voogd - verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, waarop de
voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.
Titel 15. Omgang en informatie
Artikel 377a
1.Het kind heeft het recht op omgang met
zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem
staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de
verplichting tot omgang met zijn kind.
2.De rechter stelt op verzoek van de ouders
of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking
staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de
uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor
bepaalde tijd, het recht op omgang.
3.De rechter ontzegt het recht op omgang
slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren
voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe
persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of
kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder
is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder
of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat
heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met
zwaarwegende belangen van het kind.
Artikel 377b
1.De ouder die met het gezag is belast, is
gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen
omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het
vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst
van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een
ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2.Indien het belang van het kind zulks
vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder
als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten
toepassing blijft.
3.Artikel 377e is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 377c
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 377b
van dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door
derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke
feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging
en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de
informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het
gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone
verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het
verschaffen van informatie verzet.
2.Indien de informatie is geweigerd, kan de
rechter op verzoek van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder
bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden
verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het
belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.
Artikel 377d
1.Onverminderd het bepaalde in het tweede
lid van dit artikel, begint de uitoefening van het recht op omgang zodra
de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien
zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is
verstrekt of verzonden.
2.De uitoefening van het recht op omgang
begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt
gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of
voor de voogd het gezag is begonnen.
Artikel 377e
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of
van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat
tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders
onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Artikel 377f [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 377g
De rechter kan, indien haar blijkt dat de
minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een
beslissing geven op de voet van de artikelen 377a of377b, dan wel zodanige
beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde
geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van
zijn belangen ter zake.
Artikel 377h [Vervallen per 01-03-2009]
Titel 16. Curatele
Artikel 378
1.Een meerderjarige kan door de
kantonrechter onder curatele worden gesteld:
a. wegens een geestelijke stoornis,
waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is
of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen;
b. wegens verkwisting;
c. wegens gewoonte van drankmisbruik,
waardoor hij:
1°. zijn belangen niet behoorlijk
waarneemt;
2°. in het openbaar herhaaldelijk
aanstoot geeft; of
3°. eigen veiligheid of die van
anderen in gevaar brengt.
2.Indien te verwachten is dat ten aanzien
van een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden,
van een der in het vorige lid genoemde gronden voor curatele sprake zal
zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid worden uitgesproken.
3.De rechter bij wie een verzoek tot het
verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een
observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld
in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel
een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid van die wet aanhangig
is, is tevens bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot
ondercuratelestelling.
Artikel 379
De curatele kan worden verzocht door de
betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, geregistreerde
partner, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de
vierde graad ingesloten, voogd of het openbaar ministerie.
Artikel 380
1.De rechter voor wie het verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan,
desverzocht of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de
beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt.
2.Hij regelt in deze beschikking de
bevoegdheden van de bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind
over bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan de
rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die welke een curator
niet heeft. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kan degene wiens
curatele is verzocht, met betrekking tot die goederen niet zonder
medewerking van de bewindvoerder daden van beheer en van beschikking
verrichten.
3.In de beschikking kan tevens worden
bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de
bekendmaking van de benoeming maakt, op de onder bewind gestelde goederen
gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet kunnen worden
verhaald.
4.De beschikking kan te allen tijde worden
gewijzigd of ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was.
5.De bewindvoerder komt als beloning toe
vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen,
tenzij de kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag
vaststelt.
Artikel 381
1.De curatele werkt met ingang van de dag
waarop zij is uitgesproken. In het geval, bedoeld in artikel 378, tweede
lid, werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de onder
curatele gestelde meerderjarig wordt.
2.Van deze tijdstippen is de onder curatele
gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet
anders bepaalt.
3.Een onder curatele gestelde is bekwaam
rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor
zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele
gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden verleend voor
een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming voor
een bepaald doel moet schriftelijk worden verleend.
4.Met betrekking tot aangelegenheden
betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van een
onder curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van dit boek van
overeenkomstige toepassing.
5.Hij is bekwaam over gelden die zijn
curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld,
overeenkomstig deze bestemming te beschikken.
6.In zaken van curatele is degene wiens
curatele het betreft bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak
beroep in te stellen.
Artikel 382
Hij die uit hoofde van verkwisting of
gewoonte van drankmisbruik onder curatele is gesteld, blijft bekwaam tot het
verrichten van familierechtelijke handelingen voor zover de wet niet anders
bepaalt.
Artikel 383
1.De rechter benoemt bij het uitspreken van
de curatele of, indien hij zich nog niet voldoende voorgelicht acht, zo
spoedig mogelijk daarna een curator.
2.De rechter volgt bij de benoeming van de
curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde
redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
3.Tenzij het vorige lid is toegepast,
wordt, indien de onder curatele gestelde persoon gehuwd is, een
geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel
heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel
andere levensgezel tot curator benoemd. Is de vorige zin niet van
toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of
zusters tot curator benoemd. Huwt de onder curatele gestelde, gaat hij een
geregistreerd partnerschap aan of verkrijgt hij een andere levensgezel,
dan kan ieder van hen verzoeken, dat de niet onder curatele staande
echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de andere levensgezel in de
plaats van de tegenwoordige curator wordt benoemd.
4.De taak van de curator vangt aan daags
nadat de beslissing, houdende de benoeming, is verstrekt of verzonden. Met
die dag eindigt het provisioneel bewind. De provisionele bewindvoerder is
verplicht ten overstaan van de kantonrechter aan de curator rekening en
verantwoording van zijn bemoeienissen af te leggen; wordt hij zelf tot
curator benoemd, dan wordt de rekening en verantwoording aan de
kantonrechter afgelegd. Indien de curator vóór de meerderjarigheid van
de onder curatele gestelde is benoemd, vangt zijn taak aan op het tijdstip
waarop de curatele in werking treedt.
5.Indien het verzoek tot
ondercuratelestelling wordt afgewezen, eindigt het bewind van de
provisionele bewindvoerder daags na die uitspraak, tenzij de rechter
anders bepaalt, en in ieder geval uiterlijk daags nadat de afwijzing in
kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 384
Indien een beschikking, waarbij curatele is
uitgesproken, in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek
tot ondercuratelestelling alsnog wordt afgewezen, neemt de taak van de
curator daags na deze uitspraak een einde. De inmiddels door de curator of
met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder curatele
gestelde verbindend.
Artikel 385
1.Behoudens het in de artikelen 383 en 384
bepaalde vinden de artikelen 250 en 280, onder b, 281 lid 1 onder a en lid
2, 297-299, 322, onder a en c, 324, 336 en 372-377 bij curatele
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
a. in geval van benoeming van een ouder
tot curator een bereidverklaring als bedoeld in artikel 280 onder b
niet is vereist;
b. voor rechtbank of rechter wordt
gelezen kantonrechter.
c. aan de raad voor de
kinderbescherming terzake geen bevoegdheden toekomen;
d. de curator te allen tijde wegens
gewichtige redenen op eigen verzoek, op verzoek van de uit hoofde van
verkwisting of gewoonte van drankmisbruik onder curatele gestelde, op
verzoek van het openbaar ministerie of ambtshalve door de
kantonrechter kan worden ontslagen;
e. de curator de rekening en
verantwoording, bedoeld in artikel 374, aflegt ten overstaan van de
bij het einde van zijn bewind ter zake bevoegde kantonrechter.
2.Een curator die niet is de echtgenoot,
geregistreerde partner dan wel andere levensgezel of bloedverwant in de
rechte lijn van de onder curatele gestelde, kan bovendien ontslag
verzoeken, wanneer hij de curatele tenminste acht jaren heeft uitgeoefend;
het ontslag wordt verleend zodra de kantonrechter zich in staat acht een
geschikte opvolger te benoemen.
Artikel 386
1.Op het bewind van de curator zijn de
omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige
toepassing. Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders
is geregeld, komt de curator - de ouder-curator daaronder begrepen - als
beloning toe vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde
goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter,
hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de onder
curatele gestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders
regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is
aangegeven.
2.De inkomsten van hem die uit hoofde van
een geestelijke stoornis onder curatele is gesteld, moeten in de eerste
plaats worden besteed voor een voldoende verzorging van de betrokkene.
3.Voor de toepassing van de artikelen 365
tot en met 367 treedt de officier van justitie in de plaats van de raad
voor de kinderbescherming en het ontslag bedoeld in artikel 385, lid 1
onder d in de plaats van de ontzetting van de voogd op grond van artikel
327 lid 1 onder b. Mededelingen en zendingen als bedoeld in artikel 371a,
geschieden alleen dan indien artikel 12, vierde lid, op de desbetreffende
curatele niet van toepassing is.
4.Indien een gehuwde of een geregistreerde
partner onder curatele wordt gesteld, en tussen de echtgenoten of de
geregistreerde partners het bestuur over hun goederen en de goederen der
gemeenschap anders is verdeeld dan volgens de regels van de wet en van
huwelijkse voorwaarden, bepaalt de rechter bij het uitspreken van de
curatele, of en in hoeverre die verdeling ook voor de curator zal gelden.
Artikel 387 [Vervallen per 17-01-1994]
Artikel 388 [Vervallen per 17-01-1994]
Artikel 389
1.De curatele eindigt, wanneer bij in
kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is vastgesteld, dat de
oorzaken die tot de curatele hebben aanleiding gegeven, niet meer aanwezig
zijn.
2.Het verzoek daartoe kan worden gedaan
door dezelfde personen die de curatele kunnen verzoeken.
3.De curatele eindigt voorts, wanneer bij
in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak ten behoeve van de
betrokken persoon een bewind als bedoeld in titel 19 dan wel een
mentorschap als bedoeld in titel 20 van dit boek is ingesteld.
Artikel 390
1.Alle uitspraken waarbij een curatele
wordt verleend of opgeheven, een provisioneel bewind wordt ingesteld of
een uitspraak tot ondercuratelestelling wordt vernietigd, worden binnen
tien dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, vanwege de
verzoekers in de Staatscourant benevens in twee door de rechter aan te
wijzen dagbladen bekendgemaakt. Ingeval de verzoekers daarmede nalatig
zijn, zijn zij hoofdelijk gehouden aan derden de daardoor veroorzaakte
schade te vergoeden.
2.De bekendmaking van een
ondercuratelestelling op eigen verzoek of op verzoek van het openbaar
ministerie geschiedt vanwege de curator, indien deze bij de
ondercuratelestelling is benoemd, of anders vanwege de griffier.
Artikel 391
Ter griffie van de rechtbank Den Haag
berusten openbare registers, waarin aantekening wordt gehouden van
rechtsfeiten die betrekking hebben op curatele. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke
wijze deze aantekening geschiedt.
Titel 17. Levensonderhoud
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 392
1.Tot het verstrekken van levensonderhoud
zijn op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden:
a. de ouders;
b. de kinderen;
c. behuwdkinderen, schoonouders en
stiefouders.
2.Deze verplichting bestaat, behalve wat
betreft ouders en stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en
stiefkinderen en jegens hun kinderen bedoeld in artikel 395a van dit boek,
slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde.
3.De in het eerste lid genoemde personen
zijn niet verplicht levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de
echtgenoot of een vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner of
vroegere geregistreerde partner overeenkomstig het in de vijfde titel a,
zesde, negende of tiende titel van dit boek bepaalde kan worden verkregen.
Artikel 393 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 394
De verwekker van een kind dat alleen een
moeder heeft, alsmede de man die als levensgezel van de moeder ingestemd
heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben
gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van
verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de
meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van
levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien
bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.
Artikel 395
Een stiefouder is, onverminderd het bepaalde
in artikel 395a van dit boek, alleen verplicht gedurende zijn huwelijk of
zijn geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verstrekken aan de tot
zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of
geregistreerde partner.
Artikel 395a
1.Ouders zijn verplicht te voorzien in de
kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de
leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
2.Een stiefouder is gedurende zijn huwelijk
of zijn geregistreerd partnerschap jegens de tot zijn gezin behorende
meerderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner die
de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt, verplicht te
voorzien in de bij het vorige lid bedoelde kosten.
Artikel 395b
1.Heeft de rechter het bedrag bepaald, dat
een ouder of stiefouder dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker
of de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld ter zake van de
verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind of stiefkind moet
betalen en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden van het
kind van kracht geweest, dan geldt met ingang van dit tijdstip de
rechterlijke beslissing als een tot bepaling van het bedrag ter zake van
levensonderhoud en studie als in artikel 395a van dit boek bedoeld.
2.Hetzelfde geldt, indien met toepassing
van Hoofdstuk XIII van de Wet op de jeugdzorg het bedrag is vastgesteld
dat de ouder of stiefouder ter bestrijding van de kosten van de in artikel
69, eerste lid van die wet bedoelde maatregelen aan het Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen moet uitkeren.
Artikel 396
1.De verplichting van behuwdkinderen en van
schoonouders tot het verstrekken van onderhoud vervalt, wanneer het
huwelijk van het behuwdkind is ontbonden.
2.De verplichting bestaat niet jegens een
behuwdkind, dat is gescheiden van tafel en bed en jegens een schoonouder,
nadat deze is hertrouwd.
Artikel 397
1.Bij de bepaling van het volgens de wet
door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud
wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud
gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering
verplichte persoon.
2.Zijn meerdere bloed- of aanverwanten tot
het verstrekken van levensonderhoud aan dezelfde persoon verplicht, dan is
ieder van hen gehouden een deel van het bedrag te voldoen, dat de tot
onderhoud gerechtigde behoeft. Bij de bepaling van dit deel wordt rekening
gehouden met ieders draagkracht en de verhouding, waarin een ieder tot de
gerechtigde staat.
Artikel 398
1.Wanneer hij die tot levensonderhoud
verplicht is, buiten staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan
de rechtbank bevelen, dat hij de bloed- of aanverwant, aan wie hij
levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van
het nodige voorzien.
2.Ouders zijn steeds bevoegd de rechter te
verzoeken hun toe te staan zich van hun onderhoudsplicht jegens hun
behoeftig meerderjarig kind op de in het eerste lid omschreven wijze te
kwijten.
Artikel 399
De rechter kan de verplichting van bloed- en
aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen
van de tot onderhoud gerechtigde, dat verstrekking van levensonderhoud naar
redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd; onverminderd hetgeen
in de volgende afdeling is bepaald omtrent de voorziening in de kosten van
de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen.
Artikel 400
1.Indien een persoon verplicht is
levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn
draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen,
hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig
jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere
onderhoudsgerechtigden en hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere
echtgenoot, zijn geregistreerde partner, zijn vroegere geregistreerde
partner, zijn ouders en zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van
een en twintig jaren hebben bereikt voorrang boven zijn behuwdkinderen en
zijn schoonouders.
2.Overeenkomsten waarbij van het volgens de
wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.
Artikel 401
1.Een rechterlijke uitspraak of een
overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke
uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door
wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te
voldoen. De voorafgaande zin is niet van toepassing op een verzoek tot
wijziging van een termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van
artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel
158.
2.De termijn die de rechter heeft
vastgesteld op grond van het derde of vijfde lid dan wel zesde lid, tweede
zin van artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in
artikel 158, kan op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden
gewijzigd in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat
ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd.
Verlenging is niet mogelijk indien de
rechter zulks ingevolge artikel 157, vijfde lid, heeft bepaald. Op een
verzoek tot verlenging is het vijfde lid, tweede en derde zin, van artikel
157 van overeenkomstige toepassing.
3.Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen
dat het eerste lid, eerste zin, van toepassing is op een verzoek tot
wijziging van een termijn die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld
in artikel 158.
4.Een rechterlijke uitspraak betreffende
levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de
aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij
die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.Een overeenkomst betreffende
levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is
aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
Artikel 402
1.De rechter, die het bedrag van een
uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de
dag vast, van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te
zijn.
2.Bij de vaststelling van een bedrag
bepaalt de rechter tevens of dit wekelijks, maandelijks of driemaandelijks
moet worden voldaan.
3.Zouden op de dag, dat de uitspraak ten
uitvoer kan worden gelegd, reeds meer dan één termijn verschenen zijn of
meer dan één termijn terugbetaald moeten worden, dan kan de rechter ook
daarvoor een betaling in termijnen toestaan.
Artikel 402a
1. De bij rechterlijke uitspraak of bij
overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud worden jaarlijks
van rechtswege gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te
stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde en vierde
lid, overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der
lonen per 30 september van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer in
het voorafgaande jaar.
2. De wijziging gaat in op 1 januari
volgende op de in het eerste lid genoemde datum. De beschikking waarin het
percentage is vastgesteld, wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald wat onder indexcijfer der lonen wordt verstaan.
4. Het percentage van de wijziging van de
bedragen voor levensonderhoud kan worden afgerond op tienden van een
procent. Daarbij vindt, indien van het in het eerste lid bedoelde
procentuele verschil het tweede of een volgend cijfer achter de komma vijf
bedraagt, voor wat betreft die cijfers afronding naar beneden plaats.
5. De wijziging van rechtswege kan bij
rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde
tijdsduur worden uitgesloten. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en op
welke wijze het bedrag voor levensonderhoud anders dan van rechtswege
periodiek zal worden gewijzigd.
6. Bij de uitspraak, waarbij de tweede zin
van het vorige lid toepassing heeft gevonden, en ook nadien, kan de
rechter een regeling geven omtrent de wijze en de tijdstippen waarop de
tot uitkering verplichte persoon aan de tot uitkering gerechtigde persoon
gegevens dient te verschaffen ten behoeve van de vaststelling van de
wijziging van het bedrag voor levensonderhoud. Deze beslissingen kunnen
worden gegeven en nadien worden gewijzigd op verzoek van de tot uitkering
verplichte of gerechtigde persoon.
7. De uitsluiting van de wijziging van
rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak worden ingetrokken. Voor zover
het een uitsluiting betreft waarbij de tweede zin van het vijfde lid niet
is toegepast, kan de intrekking alleen geschieden in de gevallen bedoeld
in artikel 401 van dit boek.
8. De tenuitvoerlegging van een
executoriale titel betreffende de betaling van levensonderhoud geschiedt
met inachtneming van de op het tijdstip van de tenuitvoerlegging ingegane
wijzigingen van rechtswege dan wel met inachtneming van de wijzigingen
overeenkomstig de tweede zin van het vijfde lid van dit artikel.
Artikel 403
Geen uitkering is verschuldigd over de tijd,
die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf
jaren is verstreken.
Afdeling 2. Voorziening in de kosten van
verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen
Artikel 404
1.Ouders zijn verplicht naar draagkracht te
voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige
kinderen.
2.Gelijke verplichting bestaat voor een
stiefouder in het geval van artikel 395 van dit boek.
Artikel 405 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 406
1.Komt een ouder of stiefouder zijn
verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet
of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder of voogd de rechtbank
verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder of stiefouder ten behoeve
van het kind zal moeten uitkeren.
2.De rechtbank kan het in het vorige lid
bedoelde bedrag reeds bepalen gelijktijdig met een door haar te geven
beslissing omtrent het gezag.
Artikel 406a
Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten
behoeve van een minderjarig kind door hem die het gezag over het kind heeft,
worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel 349,
eerste en tweede lid, bedoelde machtiging niet.
Artikel 406b [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 406d [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 407
Gelijktijdig met een door de rechtbank te
geven uitspraak betreffende het over de kinderen uit te oefenen gezag na
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kan de rechtbank
op verzoek van een ouder het bedrag wijzigen van een, in verband met de
voorafgegane gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot
voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.
Artikel 408
1. Een uitkering tot voorziening in de
kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van
levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke
beslissing, daaronder begrepen de beslissing op grond van artikel 822,
eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is
vastgelegd, wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het
kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de
meerderjarige betaald.
2. Op verzoek van een gerechtigde als
bedoeld in het eerste lid, van een onderhoudsplichtige dan wel op
gezamenlijk verzoek van een gerechtigde en onderhoudsplichtige neemt het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de
onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de
onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging
daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door
middel van executie.
3. Kosten van invordering door het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de
onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging
en executie. Het verhaal van kosten vindt plaats door wijziging van het
bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels.
4. Tot invordering op verzoek van een
onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter
gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat
binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het
verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke
betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen
geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een
tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het
verzoek.
5. Alvorens tot invordering met verhaal van
kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van
ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden
daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot invordering
over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.
6. De invordering die op verzoek van de
onderhoudsgerechtigde geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten
minste een half jaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld
in het vierde lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt
telkens verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering ook op
verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen.
7. Een invordering die geldt op het
tijdstip van het meerderjarig worden van het kind, wordt ten behoeve van
de meerderjarige voortgezet, tenzij deze op zijn verzoek wordt beëindigd.
8. De tenuitvoerlegging van een
executoriale titel betreffende de betaling van de kosten van verzorging en
opvoeding of levensonderhoud en studie geschiedt met inachtneming van de
wijziging, bedoeld in het derde lid.
9. Invorderingen die tien jaren nadat de
minderjarige de leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, nog niet
door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen zijn verwezenlijkt,
mogen worden beëindigd. De onderhoudsgerechtigde wordt hiervan
schriftelijk op de hoogte gesteld.
10. Een betaling door de
onderhoudsplichtige strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten,
bedoeld in het derde lid, vervolgens in mindering van eventueel verschenen
rente en ten slotte in mindering van de verschuldigde onderhoudsgelden en
de eventueel lopende rente.
11. Het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen draagt zorg, dat de gelden die ten behoeve van het
onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop
rechthebbenden worden uitbetaald.
12. Artikel 243, tweede tot en met vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
13. Met uitzondering van de leden 1, 7 en
11, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de ten behoeve van
een echtgenoot of geregistreerd partner bij rechterlijke uitspraak
vastgestelde uitkering tot levensonderhoud, daaronder begrepen de
beschikking inzake een voorlopige voorziening betreffende een uitkering
tot levensonderhoud, met dien verstande dat invorderingen die tien jaar na
de indiening van het verzoek om invordering nog niet zijn verwezenlijkt
door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, mogen worden
beëindigd.
Titel 18. Afwezigheid, vermissing en
vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen
Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval van
afwezigheid
Artikel 409
1.Indien iemand die zijn woonplaats heeft
verlaten niet voldoende orde op het bestuur van zijn goederen heeft
gesteld, en er noodzakelijkheid bestaat om daarin geheel of gedeeltelijk
te voorzien of de afwezige te doen vertegenwoordigen, benoemt de
kantonrechter, op verzoek van belanghebbenden of het openbaar ministerie,
een bewindvoerder, ten einde het bewind over het geheel of een gedeelte
van de goederen van de afwezige te voeren en diens overige belangen waar
te nemen.
2.Voor de toepassing van deze afdeling
wordt met iemand die zijn woonplaats heeft verlaten, gelijk gesteld hij
wiens bestaan onzeker is geworden of die onbereikbaar is, ook al staat
niet vast dat hij zijn woonplaats heeft verlaten.
Artikel 410
1.Voor zover de kantonrechter niet anders
bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338,
339,340, 342-357, 358 lid 1 en 359-363 van dit boek overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks
bij de griffie van de rechtbank, een rekening in te dienen van zijn
bewind.
2.De bewindvoerder komt als beloning toe
vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen,
tenzij de kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag
vaststelt.
3.Goedkeuring van een ingediende rekening
door de kantonrechter brengt geen nadeel toe aan de bevoegdheid van de
rechthebbenden om na het einde van het bewind over dezelfde tijdruimte
rekening en verantwoording te vragen, voor zover dit niet onredelijk is.
4.De bewindvoerder kan ook voor andere dan
vermogensbelangen van de afwezige opkomen, behoudens voor zover de
kantonrechter zulks heeft uitgesloten.
5.De kantonrechter kan te allen tijde de
bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.
Artikel 411
Het bewind eindigt:
a. door een gezamenlijk besluit van de
rechthebbende en de bewindvoerder;
b. door opzegging door de rechthebbende
aan de bewindvoerder met inachtneming van een termijn van een maand;
c. wanneer de dood van de rechthebbende
komt vast te staan.
Afdeling 2. Personen wier bestaan onzeker is
Artikel 412
1.Wanneer aan een persoon wiens bestaan
onzeker is een erfdeel of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in
leven mocht zijn, anderen zouden gerechtigd zijn, verleent de rechtbank
aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de uitoefening van het recht
van erfgenaam of legataris.
2.De rechtbank kan zo nodig, openbare
oproepingen bevelen en behoedmiddelen ten behoeve van de belanghebbenden
voorschrijven.
3.Indien na het verlenen van de machtiging
mocht blijken, dat de vermiste op de dag van het openvallen der
nalatenschap heeft bestaan, kan de teruggave van de in bezit gekomen
goederen en van de vruchten worden gevorderd, op de voet en onder de
beperkingen als hierna bij de verklaring van vermoedelijk overlijden is
aangegeven.
4.Het eerste tot en met derde lid is van
overeenkomstige toepassing op een uitkering uit levensverzekering, waartoe
de persoon wiens bestaan onzeker is de eerstgeroepen begunstigde is.
Artikel 413
1.Is het bestaan van een persoon onzeker en
is de in het volgende lid aangegeven tijdruimte verlopen, dan kunnen
belanghebbenden de rechtbank verzoeken dat zij hun zal gelasten de
vermiste op te roepen ten einde van zijn in leven zijn te doen blijken, en
dat zij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van
overlijden van de vermiste bestaat.
2.
a. De in het vorige lid bedoelde
tijdruimte beloopt vijf jaren, te rekenen van het vertrek van de
vermiste of de laatste tijding van zijn leven.
b. De termijn wordt verkort tot een
jaar, indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de
omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.
3.Het gelasten van de oproeping van de
vermiste en de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden, bedoeld in
het eerste lid, kunnen ook worden verzocht door het openbaar ministerie.
Artikel 414
1.De rechtbank stelt dag en uur vast,
waartegen de vermiste moet worden opgeroepen. De oproep loopt op een
termijn van een maand of zoveel langer als de rechtbank mocht bevelen. De
oproeping geschiedt overeenkomstig de derde afdeling van de derde titel
van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Indien de vermiste niet verschijnt, noch
iemand voor hem opkomt die behoorlijk van het in leven zijn van de
vermiste doet blijken, verklaart de rechtbank dat er rechtsvermoeden van
overlijden bestaat, onverminderd haar bevoegdheid de beschikking, bedoeld
in het eerste lid, eerst nog eenmaal te herhalen alsmede het horen van
getuigen en de overlegging van bewijsstukken te gelasten, ten bewijze dat
is voldaan aan de vereisten die artikel 413 stelt.
3.De beschikking, houdende verklaring dat
er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, noemt de dag waarop de vermiste
wordt vermoed te zijn overleden; als zodanig geldt de dag volgende op die
van de laatste tijding van zijn leven, tenzij voldoende vermoedens
bestaan, dat hij daarna nog enige tijd in leven was.
4.De rechtbank kan tevens bepalen, dat de
kosten die een verzoeker als bedoeld in artikel 413 lid 1 heeft gemaakt,
ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.
Artikel 415 [Vervallen per 10-07-1978]
Artikel 416
Geen hogere voorziening is toegelaten tegen
beschikkingen, houdende bevel tot oproeping van de vermiste.
Artikel 417
1.Zodra de beschikking, houdende verklaring
dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, in kracht van gewijsde is
gegaan, zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk
aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de verlaten woonplaats of, bij gebreke van verlaten
woonplaats in Nederland, van de gemeente 's-Gravenhage. Deze ambtenaar
maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, welke in
overeenstemming is met de beschikking en dit uitdrukkelijk vermeldt.
2.Deze akte van overlijden bewijst ten
aanzien van een ieder dwingend, dat de vermiste op de in de akte vermelde
dag is overleden.
Artikel 418
1.Erfgenamen en legatarissen van hem, die
vermoedelijk overleden is verklaard, zijn verplicht alvorens zij de
goederen der nalatenschap in bezit nemen, ten genoegen van de
kantonrechter zekerheid te stellen voor hetgeen zij aan de vermoedelijk
overleden verklaarde, mocht deze terugkeren, of aan erfgenamen of
legatarissen die een beter recht mochten hebben, moeten afdragen.
2.De erfgenamen zijn verplicht na de
inbezitneming een behoorlijke boedelbeschrijving op te maken.
3.Registergoederen mogen niet vervreemd of
bezwaard worden, tenzij om gewichtige redenen en met verlof van de
kantonrechter. Kunnen zij bij een boedelscheiding niet zonder verkoop
worden verdeeld, dan worden zij onder bewind van een derde gesteld, die de
inkomsten van die goederen overeenkomstig hetgeen dienaangaande bij de
verdeling is vastgesteld zal uitkeren.
4.De verdeling geschiedt bij authentieke
akte, waaruit tevens moet blijken wat aan legatarissen of andere
gerechtigden is uitgekeerd.
5.De goederen der nalatenschap mogen niet
worden verkwist en daaruit mogen niet bovenmatige giften worden gedaan.
6.Erfgenamen en legatarissen zijn verplicht
desgevraagd aan de kantonrechter de nodige inlichtingen te geven.
7.De in dit artikel genoemde verplichtingen
vervallen op het door de kantonrechter bepaalde tijdstip, en uiterlijk na
verloop van vijf jaren na de dag waarop de akte van overlijden
overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt. De rechtbank die de beschikking,
houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, geeft
kan, gelet op de omstandigheden van het geval, daarbij tevens bepalen dat
een of meer der in dit artikel genoemde verplichtingen niet zullen
bestaan.
Artikel 419
De akte waarbij zekerheid is gesteld, de
boedelbeschrijving en de akte van verdeling moeten in origineel of in
authentiek afschrift worden neergelegd ter griffie van de rechtbank.
Artikel 420
1.Wanneer het aan de kantonrechter blijkt,
dat een erfgenaam of legataris de hem in de twee voorgaande artikelen
opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, kan hij voor de goederen die
aan die erfgenaam of legataris uit de nalatenschap toekomen, een
bewindvoerder benoemen, wiens bewind eindigt, wanneer de kantonrechter
beslist dat de betrokkene alsnog zijn wettelijke verplichtingen heeft
nageleefd.
2.Voor zover de kantonrechter niet anders
bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339,
340, 342-357, 358 lid 1 en 359-363 van dit boek overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks
ter griffie van de rechtbank een rekening in te dienen van zijn bewind.
3.De bewindvoerder komt als beloning toe
vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen,
tenzij de kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag
vaststelt.
4.De kantonrechter kan te allen tijde de
bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.
Artikel 421
Hetgeen in de vorige drie artikelen is
bepaald omtrent erfgenamen, die goederen uit de nalatenschap ontvangen, is
van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot of geregistreerde partner,
die goederen ontvangt ten gevolge van de ontbinding van enige gemeenschap
van goederen of de afrekening uit hoofde van een verrekenbeding. Voor het
uit dezen hoofde ontvangene behoeft echter geen zekerheid te worden gesteld.
Artikel 422
1.Wanneer de vermiste terugkeert, of
wanneer blijkt dat de dag van overlijden in de akte van overlijden onjuist
is vermeld, is ieder die enige goederen van de vermiste ingevolge de
vorige artikelen in zijn bezit of onder zijn bewind heeft, aan de
teruggekeerde of aan hen die alsdan blijken tot de goederen gerechtigd te
zijn, rekening, verantwoording en afgifte schuldig.
2.Rechten door derden te goeder trouw
verkregen worden geëerbiedigd. In geval echter goederen om niet zijn
vervreemd, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die
daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen
vergoeding toekennen.
3.Is het leven van de vermiste ten behoeve
van derden verzekerd geweest, dan behouden dezen hun recht op hetgeen aan
hen op het tijdstip van de terugkeer van de verzekerde is uitbetaald of
als reeds opeisbaar was verschuldigd; in dat geval kunnen aan de
verzekering geen andere rechten op de uitkering worden ontleend.
Artikel 423
1.Indien binnen vijf jaar na de dag waarop
de akte van overlijden overeenkomstig artikel 417 van dit boek is
opgemaakt, wordt bewezen dat deze akte onjuist is, zijn zij die te goeder
trouw de vruchten van de nalatenschap hebben genoten, slechts verplicht
daarvan de helft terug te geven; wordt de onjuistheid later bewezen, dan
behoeven zij geen vruchten terug te geven.
2.Indien eerst meer dan tien jaar na de dag
waarop de akte is opgemaakt, wordt bewezen dat de akte onjuist is, zijn
zij die de goederen te goeder trouw in bezit hebben genomen, slechts
verplicht de alsdan nog aanwezige goederen in de staat waarin zij zich
bevinden, af te geven, benevens de prijs van de vervreemde goederen of de
goederen die daarvoor in de plaats zijn getreden; alles zonder enige
vruchten of vergoeding voor niet meer aanwezige goederen en zonder
verplichting van rekening en verantwoording.
3.Iedere verbintenis tot teruggave vervalt,
wanneer twintig jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, zijn verlopen.
Artikel 424
[Vervallen.]
Artikel 425
1.Indien de achtergebleven echtgenote van
een vermiste een nieuw huwelijk is aangegaan, doch de vermiste nog in
leven was na de dag die als datum van overlijden was vermeld in de
overeenkomstig artikel 417 van dit boek opgemaakte akte, zoals deze bij de
voltrekking van het nieuwe huwelijk luidde, wordt niettemin voor de
bepaling van de staat van haar kinderen die voor het nieuwe huwelijk zijn
geboren, het huwelijk met de vermiste geacht te zijn ontbonden op de in
die akte vermelde dag.
2.De vermoedelijk overleden verklaarde voor
wie bij diens terugkeer het gezag over zijn minderjarige kind niet is
herleefd, kan de rechtbank verzoeken hem daarmede te belasten. Wanneer
deze tezamen met de andere ouder verzoekt in het belang van hun kind hen
gezamenlijk met het gezag te belasten, dan wel niet in het gezag is
voorzien of een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek slechts
afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen
van het kind zouden worden verwaarloosd. In de overige gevallen wordt het
verzoek slechts ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van het
kind wenselijk oordeelt.
Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in
bepaalde gevallen
Artikel 426
1.Indien het lichaam van een vermist
persoon niet is kunnen worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in
aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, kan op
verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de
rechtbank verklaren dat de vermiste is overleden:
A. indien de vermissing heeft
plaatsgevonden in Nederland;
B. indien de vermissing heeft
plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend
schip of luchtvaartuig;
C. indien de vermiste Nederlander was;
D. indien de vermiste zijn woon- of
verblijfplaats had in Nederland.
2.Indien een persoon buiten Nederland is
overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd,
kan op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de
rechtbank verklaren dat die persoon is overleden:
A. indien het overlijden heeft
plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend
schip of luchtvaartuig;
B. indien de overledene Nederlander
was;
C. indien de overledene zijn woon- of
verblijfplaats had in Nederland.
3.Voor zover mogelijk bevat het verzoek
bedoeld in het eerste en tweede lid, of daarmee vergezeld gaande
bescheiden de in artikel 427 van dit boek genoemde gegevens.
Artikel 427
1.De beschikking, houdende verklaring dat
de in artikel 426 bedoelde persoon is overleden, noemt de dag en zo
mogelijk het uur van het overlijden. Indien de dag van overlijden niet
bekend is, wordt deze door de rechtbank vastgesteld en in de beschikking
vermeld. De rechtbank houdt hierbij rekening met alle bewijzen en
aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder, of het tijdstip waarop
het overlijden moet hebben plaatsgehad.
2.Voorts vermeldt de beschikking de
geslachtsnaam, de voornamen, de kunne en, zo mogelijk, de plaats van het
overlijden, de woonplaats van de overledene, de plaats en de dag van
geboorte van de overledene en de geslachtsnaam en de voornamen van de
persoon of van de personen, met wie de overledene gehuwd is geweest of met
wie de overledene een geregistreerd partnerschap was aangegaan.
Artikel 428 [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 429
De griffier van het college waarvoor de zaak
laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking, zodra
deze in kracht van gewijsde is gegaan, aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de gemeente 's-Gravenhage. Deze maakt van de beschikking een akte
van inschrijving op, die hij in het register van overlijden opneemt.
Artikel 430
1.De akten, opgemaakt volgens artikel 429,
gelden als akten van overlijden in de zin van artikel 19f, eerste lid.
2.De artikelen 422, 423 en 425 zijn van
overeenkomstige toepassing, indien een persoon die met toepassing van
artikel 426 overleden is verklaard terugkeert alsmede indien bewezen wordt
dat de dag van overlijden in de in artikel 429 bedoelde akte onjuist is
vermeld.
Titel 19. Onderbewindstelling ter bescherming
van meerderjarigen
Artikel 431
1.Indien een meerderjarige als gevolg van
zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in
staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar
te nemen, kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van
de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.
Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel
begrepen goederen die behoren tot zijn huwelijksgemeenschap of gemeenschap
van geregistreerd partnerschap en die niet uitsluitend onder het bestuur
van zijn echtgenoot dan wel geregistreerd partner staan.
2.Indien te verwachten is dat een
minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in
het vorige lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor
de meerderjarigheid worden ingesteld.
3.De rechter bij wie een verzoek tot het
verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een
observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld
in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel
een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet
aanhangig is, is tevens bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot
instelling van het bewind.
Artikel 432
1.Instelling van het bewind kan worden
verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde
partner dan wel andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn
en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten, zijn voogd, zijn
curator of zijn mentor als bedoeld in titel 20 van dit boek of het
openbaar ministerie.
2.De rechter voor wie een verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve
overgaan tot instelling van het bewind.
3.Een verzoek tot instelling van een bewind
ten behoeve van een rechthebbende die onder curatele is gesteld, wordt
aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de
curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van een curatele,
ook ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind.
4.In geval van een bestuursopdracht, of een
verzoek daartoe, als bedoeld in artikel 91 van dit boek, zijn het tweede
en het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 433
1.Tenzij bij de onderbewindstelling anders
is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in
de plaats van een aan het bewind onderworpen goed te treden, benevens de
vruchten en andere voordelen die een onder bewind staand goed oplevert.
2.De kantonrechter kan, hetzij op verzoek
van een persoon als bedoeld in artikel 432, eerste lid, van een
bewindvoerder of van het openbaar ministerie, hetzij ambtshalve, het
ingestelde bewind tot een of meer andere goederen van de rechthebbende
uitbreiden of een of meer goederen uit het bewind ontslaan; hij kan tevens
handelingen als bedoeld in artikel 441 lid 2 onder f aanwijzen en de
aanwijzing van zulke handelingen intrekken.
Artikel 434
1.In beschikkingen als bedoeld in de
artikelen 432 en 433, tweede lid, van dit boek bepaalt de rechter
ambtshalve welke goederen onder bewind worden gesteld, onderscheidenlijk
uit het bewind worden ontslagen.
2.Onderbewindstelling van een goed en het
ontslag van een goed uit het bewind treden in werking daags nadat de
beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later
tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 431, tweede
lid, treedt de onderbewindstelling in werking op het tijdstip waarop de
rechthebbende meerderjarig wordt.
Artikel 435
1.De rechter die het bewind instelt,
benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij
vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen persoon.
2.Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder
worden benoemd.
3.De rechter volgt bij de benoeming van de
bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij
gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
4.Tenzij het vorige lid is toegepast,
wordt, indien de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap
is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de
echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot
bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing dan wordt bij
voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot
bewindvoerder benoemd. Huwt de rechthebbende, gaat hij een geregistreerd
partnerschap aan of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder
van hen verzoeken, dat de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de
andere levensgezel van de rechthebbende in de plaats van de tegenwoordige
bewindvoerder wordt benoemd.
5.Handelingsonbekwamen, zij van wie één
of meer goederen onder een bewind als bedoeld in deze titel zijn gesteld,
zij die in staat van faillissement verkeren en zij ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, kunnen
niet bewindvoerder worden.
6.Rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd.
7.De benoemde wordt bewindvoerder daags
nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een
later tijdstip vermeldt.
Artikel 436
1.De bewindvoerder is verplicht zo spoedig
mogelijk een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op te
maken en een afschrift daarvan in te leveren ter griffie van de ingevolge
artikel 266 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde
rechtbank.
2.De artikelen 339, 363 en 364 van dit boek
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Indien tot het bewind registergoederen
behoren, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk de
desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, te doen
inschrijven. Is een onderneming of een aandeel in een vennootschap onder
firma onder bewind gesteld, dan is de bewindvoerder verplicht de
desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in het
handelsregister te doen inschrijven.
4.Tenzij de kantonrechter anders bepaalt,
is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen
bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen; de
bewindvoerder is voorts verplicht om uitsluitend voor de betalingen die
hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt zoveel mogelijk
van deze rekening gebruik te maken.
5.De kantonrechter kan te allen tijde de
bewindvoerder ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de
kantonrechter gewenste inlichtingen te verstrekken.
Artikel 437
1.De rechter kan twee of meer
bewindvoerders benoemen, indien hij dit in het belang van een goed bewind
nodig acht.
2.Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan
kan, tenzij de rechter anders bepaalt, ieder van hen alle werkzaamheden
die tot het bewind behoren, alleen verrichten.
3.Bij verschil van mening tussen de
bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de kantonrechter. Deze
kan ook een verdeling van het loon vaststellen.
Artikel 438
1.Tijdens het bewind komt het beheer over
de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de
bewindvoerder.
2.Tijdens het bewind kan de rechthebbende
slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig
is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande
goederen beschikken.
Artikel 439
1.Indien een rechtshandeling ongeldig is,
omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de
rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts worden
tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.
2.Indien een goed is vervreemd of bezwaard
door iemand die daartoe ingevolge het bewind niet bevoegd was, kan deze
onbevoegdheid aan een verkrijger van het goed of een beperkt recht daarop
slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te
kennen.
Artikel 440
1.Gedurende het bewind kunnen schulden die
voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de
rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438, lid 2,
verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te
kennen, niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald.
2.Indien de onderbewindstelling alle
goederen betreft die daarvoor krachtens artikel 431, eerste lid, in
aanmerking komen, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van niet onder het bewind staande goederen waarop verhaal mogelijk
zou zijn.
Artikel 441
1.Tijdens het bewind vertegenwoordigt de
bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en
buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging
van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind
staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van
de rechthebbende.
2.Hij behoeft echter toestemming van de
rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is,
machtiging van de kantonrechter voor de volgende handelingen:
a. beschikken en aangaan van
overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed,
tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of
krachtens rechterlijk bevel geschiedt;
b. een making of gift waaraan lasten of
voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
c. geld lenen of de rechthebbende als
borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
d. overeenkomen dat een boedel, waartoe
de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld
wordt gelaten;
e. het aangaan, buiten het geval van
artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van een
overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp
van het geschil een waarde van € 700 niet te boven gaat;
f. andere bij de instelling van het
bewind of nadien aangewezen handelingen.
3.De kantonrechter kan ook aan de
bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij
geraden acht, verlenen om handelingen als in het vorige lid bedoeld te
verrichten en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of
intrekken.
4.De bewindvoerder is, met uitsluiting van
de rechthebbende, bevoegd de verdeling te vorderen van goederen, waarvan
een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling, ook al
geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel, behoeft de bewindvoerder
toestemming of machtiging overeenkomstig het tweede lid. De kantonrechter
kan, in stede van machtiging te verlenen, met overeenkomstige toepassing
van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon benoemen, die in plaats
van de bewindvoerder de rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt.
5.De bewindvoerder is, met uitsluiting van
de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap
te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de
rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het
voorrecht van boedelbeschrijving.
Artikel 442
1.Heeft iemand als bewindvoerder een
rechtshandeling verricht, dan richten de rechten en verplichtingen van de
wederpartij zich naar hetgeen dienaangaande is bepaald in titel 3 van Boek
3. Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en feiten die
voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan
de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was
of had behoren te zijn.
2.De rechthebbende is, onverminderd het
bepaalde in artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die
voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn
hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht. Wanneer hij onder
bewind staande goederen aanwijst die voor de schuld voldoende verhaal
bieden, is hij niet verplicht de schuld ten laste van zijn overige
vermogen te voldoen.
Artikel 443
De bewindvoerder kan alvorens in rechte op te
treden zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende
of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de
kantonrechter.
Artikel 444
Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende
aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort
schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 445
1.De bewindvoerder legt, tenzij andere
tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van het bewind
rekening en verantwoording af aan de rechthebbende, alsmede aan het einde
van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en verantwoording wordt
afgelegd ten overstaan van de kantonrechter.
2.Indien de rechthebbende niet in staat is
de rekening op te nemen, of het onzeker is wie de rechthebbende is, wordt
de rekening en verantwoording afgelegd aan de kantonrechter. Goedkeuring
van deze rekening en verantwoording door de kantonrechter belet niet dat
de rechthebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde
tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet
onredelijk is.
3.De kantonrechter kan de bewindvoerder -
hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve - vrijstellen van de
verplichting om de periodieke rekening en verantwoording te zijnen
overstaan af te leggen; hij kan ook bepalen dat deze wijze van aflegging
der rekening en verantwoording slechts om een door hem te bepalen aantal
jaren zal geschieden.
4.Voor het overige vindt het aangaande de
voogdijrekening in de paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14
bepaalde overeenkomstige toepassing.
Artikel 446
1.Voor zover de kantonrechter niet anders
bepaalt, wordt bij het afleggen van de periodieke rekening en
verantwoording hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht,
onder aftrek van de verschuldigde beloning, aan de rechthebbende
uitgekeerd. Op verzoek van de rechthebbende kan de kantonrechter andere
tijdstippen voor de uitkering vaststellen.
2.Bij zijn eindrekening en verantwoording
draagt de bewindvoerder alle goederen af aan hem die na hem tot het beheer
der goederen bevoegd is. De bewindvoerder is bevoegd de afdracht op te
schorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo.
3.Wordt de rekening en verantwoording aan
de kantonrechter afgelegd, dan blijven, tenzij de kantonrechter anders
bepaalt, de netto-opbrengst of de af te dragen goederen onder het bewind
van de bewindvoerder, totdat de rechthebbende tot de ontvangst in staat is
of de onzekerheid, wie rechthebbende is, is opgeheven.
Artikel 447
1.Tenzij de beloning bij de instelling van
het bewind anders is geregeld, komt de bewindvoerder of, wanneer er meer
bewindvoerders zijn, hun tezamen vijf ten honderd der netto-opbrengst van
de onder bewind staande goederen toe. Op grond van bijzondere
omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek
van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde
tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is
aangegeven.
2.Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan
wordt het loon dat hun gezamenlijk toekomt, tussen hen verdeeld in
evenredigheid met de betekenis van de door ieder van hen verrichte
werkzaamheden.
Artikel 448
1.De taak van de bewindvoerder eindigt:
a. bij het einde van het bewind;
b. door tijdsverloop, indien hij voor
een bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood, het ten aanzien van
hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, zijn faillietverklaring of zijn
ondercuratelestelling;
d. door de instelling van een bewind
als bedoeld in deze titel over één of meer van zijn goederen;
e. door ontslag dat hem door de
kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt
verleend.
2.Het ontslag wordt hem verleend hetzij op
eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer
voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek
van een medebewindvoerder, de rechthebbende of het openbaar ministerie,
dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige
voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen.
3.Een gewezen bewindvoerder blijft
verplicht al datgene te doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende
kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de
goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. In de gevallen genoemd in het
eerste lid onder c, rust deze verplichting op zijn erfgenamen,
onderscheidenlijk de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen of de curator, indien zij van het bewind kennisdragen;
in het geval genoemd in het eerste lid onder d, geldt dit voor de
bewindvoerder, belast met het daar bedoelde bewind.
4.Artikel 384 van dit boek is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 449
1.Het bewind eindigt door het verstrijken
van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld en door de dood of
ondercuratelestelling van de rechthebbende.
2.De kantonrechter kan, indien de oorzaken
die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer
bestaan, het bewind opheffen op verzoek van de rechthebbende of het
openbaar ministerie; de beschikking treedt in werking zodra zij in kracht
van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang
aanwijst.
Titel 20. Mentorschap ten behoeve van
meerderjarigen
Artikel 450
1.Indien een meerderjarige als gevolg van
zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in
staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke
aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter te zijnen behoeve
een mentorschap instellen.
2.Indien te verwachten is dat een
minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in
het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het mentorschap reeds
voor de meerderjarigheid worden ingesteld.
3.Het mentorschap kan eveneens worden
ingesteld, indien te verwachten is dat een meerderjarige binnen afzienbare
tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.
4.De rechter bij wie een verzoek tot het
verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een
observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld
in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel
een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet
aanhangig is, is tevens bevoegd tot kennisneming van een verzoek tot
instelling van een mentorschap.
Artikel 451
1.Het mentorschap kan worden verzocht door
de betrokken persoon, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner dan wel
andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de
zijlijn tot en met de vierde graad, zijn voogd, zijn curator of zijn
bewindvoerder als bedoeld in titel 19 van dit boek. In het in artikel 450,
derde lid, van dit boek bedoelde geval kan het mentorschap uitsluitend
worden verzocht door de betrokkene.
2.Het mentorschap kan, behoudens in het in
artikel 450, derde lid, van dit boek bedoelde geval, voorts worden
verzocht door het openbaar ministerie of door degene die de instelling
waar de betrokkene duurzaam wordt verzorgd, exploiteert of die daarvan de
leiding heeft. In het laatste geval wordt in het verzoekschrift tevens
vermeld waarom de in het eerste lid genoemde personen - bloedverwanten in
de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen - niet tot
indiening van een verzoek zijn overgegaan.
3.De rechter bij wie een verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve
overgaan tot instelling van het mentorschap.
4.Een verzoek tot omzetting van curatele in
mentorschap ten behoeve van een persoon die onder curatele is gesteld,
wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van
de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van de curatele,
ook ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap.
5.Het mentorschap treedt in werking daags
nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een
later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 450,
tweede lid, van dit boek treedt het mentorschap in werking op het tijdstip
waarop de betrokken persoon meerderjarig wordt.
Artikel 452
1.De rechter die het mentorschap instelt,
benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. Hij vergewist
zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van
de te benoemen persoon.
2.Zo nodig kan een tijdelijke mentor worden
benoemd.
3.De rechter volgt bij de benoeming van de
mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde
redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
4.Tenzij het vorige lid is toegepast,
wordt, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is
aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot,
de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot mentor benoemd.
Is de vorige zin niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn
ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd. Huwt de
betrokkene, gaat hij een geregistreerd partnerschap aan of verkrijgt hij
een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken, dat de
echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de andere levensgezel van de
betrokkene in de plaats van de tegenwoordige mentor wordt benoemd.
5.Indien ten behoeve van de betrokkene in
een bewind als bedoeld in titel 19 van dit boek is voorzien, wordt, indien
de bewindvoerder een natuurlijke persoon is, bij voorkeur de bewindvoerder
tot mentor benoemd.
6.Geen mentor kunnen worden:
a. handelingsonbekwamen;
b. zij ten behoeve van wie een
mentorschap is ingesteld;
c. rechtspersonen;
d. de direct betrokken of behandelend
hulpverlener;
e. personen behorende tot de leiding of
tot het personeel van de instelling waar de betrokkene verblijft.
7.De taak van de mentor vangt aan daags
nadat de beschikking, houdende de benoeming, is verstrekt of verzonden,
tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
Artikel 453
1.Tenzij uit wet of verdrag anders
voortvloeit, is de betrokkene tijdens het mentorschap onbevoegd
rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn
verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding.
2.Met betrekking tot de in het eerste lid
bedoelde rechtshandelingen vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en
buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging
uitgesloten is. De mentor kan de betrokkene toestemming verlenen deze
rechtshandelingen zelf te verrichten.
3.Ten aanzien van andere handelingen dan
rechtshandelingen betreffende de in het eerste lid genoemde
aangelegenheden treedt de mentor, voor zover de aard van de desbetreffende
handeling dit toelaat, in plaats van de betrokkene op.
4.De mentor geeft aan de betrokkene raad in
hem betreffende aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard en
waakt over diens belangen ter zake.
5.Verzet de betrokkene zich tegen een
handeling van ingrijpende aard in aangelegenheden als in het tweede en
derde lid bedoeld, dan kan die handeling slechts plaatsvinden indien zij
kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te
voorkomen.
Artikel 453a
1.Indien de rechter dit noodzakelijk acht,
beslist hij tevens dat artikel 246, van dit boek van overeenkomstige
toepassing is.
2.Tijdens het mentorschap kan de rechter
een beslissing nemen als in het eerste lid bedoeld, hetzij op verzoek van
een persoon als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, van de
mentor of van het openbaar ministerie, hetzij ambtshalve.
Artikel 454
1.De mentor is gehouden degene ten behoeve
van wie het mentorschap is ingesteld zo veel mogelijk bij de vervulling
van zijn taak te betrekken. De mentor bevordert dat de betrokkene
rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een
redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden
geacht. Hij betracht de zorg van een goed mentor.
2.De mentor is jegens de betrokkene
aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed mentor te kort schiet,
tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 455
Degene ten behoeve van wie het mentorschap is
ingesteld, is, onverminderd het bepaalde in artikel 172 van Boek 6,
aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die
de mentor in zijn hoedanigheid in naam van de betrokkene verricht.
Artikel 456
De mentor kan alvorens in rechte op te treden
zich te zijner verantwoording doen machtigen door de betrokkene of, indien
deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter.
Artikel 457
1.Een rechtshandeling verricht in strijd
met artikel 453 van dit boek is overeenkomstig het tweede en derde lid
vernietigbaar.
2.Indien de rechtshandeling is verricht
door of gericht tot de betrokkene, kan een beroep op de vernietigbaarheid
slechts worden gedaan jegens een persoon die het mentorschap kende of had
behoren te kennen; jegens een zodanige persoon wordt de betrokkene vermoed
onbevoegd te zijn geweest.
3.Indien de rechtshandeling is verricht
door of gericht tot de mentor, kan een beroep op de vernietigbaarheid
slechts worden gedaan jegens een persoon die de onbevoegdheid van de
mentor kende of had behoren te kennen.
Artikel 458
Voor zover een of meer van de goederen van de
betrokkene onder een bewind als bedoeld in titel 19 van dit boek staan, is
de bewindvoerder, indien hij niet tevens mentor is, niet tot optreden
bevoegd ten aanzien van aangelegenheden als in artikel 453, eerste lid, van
dit boek bedoeld.
Artikel 459
1.De mentor doet desgevraagd van zijn
werkzaamheden verslag aan de kantonrechter. De kantonrechter kan te allen
tijde verschijning van de mentor in persoon gelasten. Deze is verplicht
alle door de kantonrechter gewenste inlichtingen te verstrekken.
2.Aan het einde van zijn mentorschap doet
de mentor van zijn werkzaamheden schriftelijk verslag aan zijn opvolger,
aan de kantonrechter alsmede aan de betrokkene, indien het mentorschap
door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld of door
opheffing eindigt.
Artikel 460
1.De mentor mag de bij de vervulling van
zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening
brengen.
2.De rechter kan aan de mentor ten laste
van de betrokkene een beloning toekennen indien hij zulks redelijk acht,
de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking genomen.
Artikel 461
1. De taak van de mentor eindigt:
a. bij het einde van het mentorschap;
b. door tijdsverloop, indien hij voor
een bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood;
d. door zijn ondercuratelestelling of
door instelling van een mentorschap te zijnen behoeve;
e. door ontslag dat hem door de
kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt
verleend.
2. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op
eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer
voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de
betrokkene, het openbaar ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek
kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het mentorschap treffen
en de mentor schorsen.
3. Een gewezen mentor blijft verplicht al
datgene te doen, wat niet zonder nadeel voor de betrokkene kan worden
uitgesteld, totdat wederom een persoon bevoegd is ten aanzien van de
aangelegenheden bedoeld in artikel 453, eerste lid, van dit boek. In de
gevallen genoemd in het eerste lid, onder d, rust deze verplichting op
diens curator of mentor, indien deze van het mentorschap kennisdraagt.
4.Artikel 384 van dit boek is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 462
1. Het mentorschap eindigt door het
verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld en door de dood of
ondercuratelestelling van de betrokkene.
2. De kantonrechter kan, indien de noodzaak
daartoe niet meer bestaat, het mentorschap opheffen op verzoek van de
betrokkene, zijn mentor of het openbaar ministerie. De beschikking treedt
in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een
eerder tijdstip van ingang aanwijst.
|