Nadere
regelgeving:
- Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand
- Besluit burgerlijke stand 1994
- Besluit geslachtsnaamswijziging
Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en
familierecht
Boek 1. Personen- en familierecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Allen die zich in Nederland
bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke
rechten.
2.Persoonlijke dienstbaarheden, van
welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld.
Artikel 2
Het kind waarvan een vrouw zwanger is
wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit
vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te
hebben bestaan.
Artikel 3
1.De graad van bloedverwantschap
wordt bepaald door het getal der geboorten, die de
bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning,
een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of een adoptie
als een geboorte.
2.Door huwelijk of door
geregistreerd partnerschap ontstaat tussen de ene echtgenoot dan
wel de ene geregistreerde partner en een bloedverwant van de
andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde partner
aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat
tussen de andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde
partner en diens bloedverwant.
3.Door ontbinding van het huwelijk
wordt de aanverwantschap niet opgeheven.
Titel 2. Het recht op de naam
Artikel 4
1.Een ieder heeft de voornamen die
hem in zijn geboorteakte zijn gegeven.
2.De ambtenaar van de burgerlijke
stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die
ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen
tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.
3.Geeft de aangever geen voornamen
op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door
een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het
kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de
akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven.
4.Wijziging van de voornamen kan op
verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke
vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. De wijziging
geschiedt doordat van de beschikking een latere vermelding aan de
akte van geboorte wordt toegevoegd, overeenkomstig artikel 20a,
eerste lid. In geval van wijziging van de voornamen van een buiten
Nederland geboren persoon geeft de rechtbank die de beschikking
geeft, voor zoveel nodig ambtshalve hetzij een last tot
inschrijving van de akte van geboorte dan wel van de akte of de
uitspraak, bedoeld in artikel 25g, eerste lid, hetzij de in
artikel 25c bedoelde beschikking.
Artikel 5
1. Indien een kind alleen in
familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, heeft het haar
geslachtsnaam. Indien een kind door adoptie alleen in
familierechtelijke betrekking tot de vader staat, heeft het zijn
geslachtsnaam.
2. Indien een kind door erkenning
in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt
het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de
erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren
dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Van deze
verklaring wordt melding gemaakt in de akte van erkenning. De
eerste twee volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing bij
erkenning van een ongeboren kind. De ouders kunnen evenwel ter
gelegenheid van de voltrekking van hun huwelijk of van de
registratie van hun partnerschap alsnog gezamenlijk verklaren, dat
hun kind voortaan de geslachtsnaam van de andere ouder zal hebben.
Van deze verklaring wordt een akte van naamskeuze opgemaakt.
Indien een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap
in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt
het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man,
wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de
vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam
van de vader zal hebben. De rechterlijke uitspraak inzake de
vaststelling van het vaderschap vermeldt de verklaring van de
ouders hieromtrent.
3. Indien een kind door adoptie in
familierechtelijke betrekking komt te staan tot beide adoptanten
van verschillend geslacht, die met elkaar zijn gehuwd, heeft het
kind de geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter
gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het kind de
geslachtsnaam van de moeder zal hebben. Indien de adoptanten niet
met elkaar gehuwd zijn of indien beide adoptanten van hetzelfde
geslacht zijn en met elkaar gehuwd zijn, houdt het kind de
geslachtsnaam die het heeft, tenzij de adoptanten ter gelegenheid
van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het een van hun beider
geslachtsnamen zal hebben. Indien een kind door adoptie in
familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel van een ouder komt te staan, houdt
het zijn geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel gezamenlijk verklaren
dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel, dan wel de
geslachtsnaam van die ouder. De rechterlijke uitspraak inzake de
adoptie vermeldt de verklaring van de adoptanten hieromtrent.
4. Indien een kind door geboorte in
familierechtelijke betrekking tot beide ouders komt te staan,
verklaren de ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de
aangifte van de geboorte welke van hun beider geslachtsnamen het
kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders die voor de
aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt een akte van
naamskeuze opgemaakt. Van de verklaring van de ouders die ter
gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt
melding gemaakt in de akte van geboorte. De eerste drie volzinnen
zijn van overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn
echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, van
rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld in artikel 253sa over
het kind zullen uitoefenen of uitoefenen. De verklaring die niet
ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd,
kan ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand
worden afgelegd.
5. Wordt een verklaring houdende
naamskeuze, bedoeld in het vierde lid, voor of ter gelegenheid van
de aangifte van de geboorte afgelegd, dan heeft het kind de
gekozen naam vanaf de geboorte. Geschiedt de naamskeuze niet
uiterlijk ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte, dan
neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand als geslachtsnaam van
het kind in de geboorteakte op:
a. de geslachtsnaam van de
vader in geval het kind door geboorte in familierechtelijke
betrekking tot beide ouders komt te staan;
b. de geslachtsnaam van de
moeder in geval een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde
partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het
gezag als bedoeld in artikel 253sa over het kind uitoefenen.
6. Indien de moeder na de geboorte
van het kind op grond van artikel 199, onderdeel b, het vaderschap
van de overleden echtgenoot ontkent en zij ten tijde van de
geboorte en van de ontkenning is hertrouwd, kunnen de moeder en
haar echtgenoot gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning
verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben.
Van de verklaring van de ouders wordt een akte van naamskeuze
opgemaakt. Bij gebreke van een verklaring heeft het kind de
geslachtsnaam van de vader.
7. Indien een kind op het tijdstip
van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide
ouders zestien jaar of ouder is, verklaart het zelf ten overstaan
van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van de notaris of, in
geval van adoptie of gerechtelijke vaststelling van het
vaderschap, ten overstaan van de rechter of het de geslachtsnaam
van de ene of de andere ouder zal hebben. Van deze verklaring
wordt melding gemaakt in de akte van erkenning of in de
rechterlijke uitspraak inzake adoptie of gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap.
8. Een verklaring van de ouders als
bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid, kan slechts ten
aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
het eerste kind over wie de ouder en zijn echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege
gezamenlijk het gezag als bedoeld in artikel 253sa zullen
uitoefenen of uitoefenen. Onverminderd het zevende lid, hebben
volgende kinderen van dezelfde ouders dan wel kinderen over wie
dezelfde ouder en dezelfde echtgenoot of geregistreerde partner
die niet de ouder is, van rechtswege het gezag gezamenlijk zullen
uitoefenen, dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind, met dien
verstande dat in het geval dat volgende kinderen blijkens de
geboorteakte of krachtens toepasselijk recht een naam hebben die
afwijkt van de naam van het eerste kind, de ouders kunnen
verklaren dat het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal
hebben als het eerste kind. Indien voor de geboorte of ter
gelegenheid van de aangifte naamskeuze is gedaan ten aanzien van
een kind dat levenloos ter wereld komt of is gekomen, wordt deze
keuze opgenomen in de akte, bedoeld in artikel 19i, eerste lid, en
geldt zij alleen ten aanzien van dit kind.
9. Is één van de ouders
voorafgaand aan het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet
zijn gedaan overleden en is de naamskeuze niet gedaan, dan legt de
andere ouder een verklaring omtrent de naamskeuze af. Hetzelfde
geldt indien één van de ouders wegens geestelijke stoornis onder
curatele staat dan wel indien ten aanzien van hem of haar een
mentorschap bestaat.
10. Zijn de vader en moeder
onbekend, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de
geboorteakte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam op, in
afwachting van het koninklijk besluit waarbij de voornamen en de
geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld.
11. Indien op grond van het tweede
tot en met negende lid een kind, wiens vader van adel is, niet
zijn geslachtsnaam verkrijgt, gaat de adeldom niet over op dat
kind.
12. De geslachtsnaam van kinderen
geboren uit een huwelijk met een lid van het koninklijk huis wordt
bij koninklijk besluit bepaald.
Artikel 6
De geslachtsnaam wordt ten aanzien
van een ieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon
kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke
vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
2. Hij wiens geslachtsnaam of
voornamen niet bekend zijn, kan de Koning verzoeken voor hem een
geslachtsnaam of voornamen vast te stellen.
3. Een wijziging of vaststelling
van de geslachtsnaam door de Koning heeft geen invloed op de
geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de
datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder
zijn gezag staan.
4. Een wijziging of vaststelling
van de geslachtsnaam door de Koning blijft in stand
niettegenstaande een latere erkenning of gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de
geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van
indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het
tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de
geslachtsnaam verschuldigde recht.
6. Indien Onze Minister van
Justitie voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk
besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in
het eerste of tweede lid, deelt hij dit voornemen schriftelijk mee
aan de verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht,
alsmede, indien het verzoek op de geslachtsnaam van een
minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en degene aan wie de
minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht,
rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het
voornemen geldt als een beschikking.
7. Onze Minister van Justitie doet
de schriftelijke mededeling van het voornemen binnen twintig
weken.
Artikel 8
Hij die de naam van een ander zonder
diens toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig,
wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens
geslacht of gezin te behoren.
Artikel 9
1.Een vrouw die gehuwd is of die
gehuwd is geweest dan wel wier partnerschap geregistreerd is of is
geweest en die niet is getrouwd na beëindiging van de registratie
of is hertrouwd dan wel niet een geregistreerd partnerschap is
aangegaan na beëindiging van het huwelijk of opnieuw is
aangegaan, is steeds bevoegd de geslachtsnaam van haar echtgenoot
of van haar geregistreerde partner te voeren of aan de hare te
doen voorafgaan dan wel die te doen volgen op haar eigen
geslachtsnaam.
2.Indien het huwelijk door
echtscheiding is ontbonden en daaruit geen afstammelingen in leven
zijn dan wel indien het geregistreerd partnerschap op de wijze
bedoeld in artikel 80c, onder c of d, is beëindigd, kan de
rechtbank, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek
van de gewezen echtgenoot of de gewezen geregistreerde partner aan
de vrouw de haar in het eerste lid toegekende bevoegdheid
ontnemen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de man die gehuwd is of
gehuwd is geweest dan wel wiens partnerschap geregistreerd is of
is geweest en die niet is getrouwd na beëindiging van de
registratie of is hertrouwd dan wel niet een geregistreerd
partnerschap is aangegaan na beëindiging van het huwelijk of
opnieuw is aangegaan.
Titel 3. Woonplaats
Artikel 10
1.De woonplaats van een natuurlijk
persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van
woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
2.Een rechtspersoon heeft zijn
woonplaats ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of
volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.
Artikel 11
1.Een natuurlijk persoon verliest
zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs
te geven.
2.Een natuurlijk persoon wordt
vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan
op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van
burgemeester en wethouders heeft kennis gegeven.
Artikel 12
1.Een minderjarige volgt de
woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent, de onder
curatele gestelde die van zijn curator. Oefenen beide ouders
tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij
niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de
ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft
verbleven.
2.Wanneer iemands goederen onder
bewind staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit
bewind betreft, de woonplaats van de bewindvoerder.
3.Wanneer ten behoeve van een
persoon een mentorschap is ingesteld, volgt hij voor alles wat de
uitoefening van dit mentorschap betreft, de woonplaats van de
mentor.
4.Het eerste, tweede en derde lid
zijn niet van toepassing voor zover het betreft de relatieve
bevoegdheid van de rechter gedurende een curatele, een bewind als
bedoeld in titel 19 en een mentorschap. Hetzelfde geldt indien ten
aanzien van een persoon een curatele, een mentorschap of een
bewind als bedoeld in titel 19 en tevens een bewind als bedoeld in
afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 of een bewind als bedoeld in
artikel 182 van Boek 7 van kracht zijn en de bevoegde
kantonrechter de andere kantonrechter als uitsluitend bevoegde
heeft aangewezen.
5.Wanneer de persoon, van wie de
woonplaats wordt afgeleid, overlijdt of zijn gezag of zijn
hoedanigheid verliest, duurt de afgeleide woonplaats voort, totdat
een nieuwe woonplaats is verkregen.
Artikel 13
Het sterfhuis van een overledene is
daar, waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad.
Artikel 14
Een persoon die een kantoor of een
filiaal houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor
of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats.
Artikel 15
Een persoon kan een andere woonplaats
dan zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe
verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijk of langs
elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde
rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen
woonplaats een redelijk belang aanwezig is. Indien de keuze bij
langs elektronische weg aangegane overeenkomst geschiedt, is artikel
227a lid 1 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Titel 4. Burgerlijke stand
Afdeling 1. De ambtenaar van de
burgerlijke stand
Artikel 16
1.In elke gemeente zijn twee, of,
naar goedvinden van burgemeester en wethouders, meer ambtenaren
van de burgerlijke stand. Daarenboven kunnen een of meer
ambtenaren van de burgerlijke stand worden belast met het
verrichten van bepaalde taken. Deze dragen de titel van
buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand.
2.De in het eerste lid bedoelde
ambtenaren worden door burgemeester en wethouders benoemd,
geschorst of ontslagen. Een benoeming kan voor een bepaalde
tijdsduur geschieden.
3.Ambtenaar van de burgerlijke
stand van een gemeente kan slechts zijn een ambtenaar in dienst
van die gemeente of een andere gemeente. Buitengewoon ambtenaar
van de burgerlijke stand kan mede zijn een persoon die geen
ambtenaar in gemeentelijke dienst is.
4.De ambtenaar of buitengewoon
ambtenaar van de burgerlijke stand wordt tot zijn betrekking niet
toegelaten dan na voor de rechtbank tot wier rechtsgebied de
gemeente behoort waar hij voor het eerst wordt benoemd de
navolgende eed dan wel belofte te hebben afgelegd:
"Ik zweer (beloof) dat ik de
betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand met eerlijkheid
en nauwkeurigheid zal vervullen en dat ik de wettelijke
voorschriften, de burgerlijke stand betreffende, met de meeste
nauwgezetheid zal opvolgen; dat ik voorts, tot het verkrijgen van
mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder enige naam
of voorwendsel, aan iemand iets heb gegeven of beloofd, en dat ik,
om iets in deze betrekking te doen of te laten, van niemand enige
beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig". ("Dat verklaar en
beloof ik").
Artikel 16a
1.De ambtenaar van de burgerlijke
stand is belast met het opnemen in de onder hem berustende
registers van de burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te
voegen latere vermeldingen, alsmede al datgene wat de
instandhouding van de registers en de zorg voor de
toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens betreft.
2.De buitengewoon ambtenaar van de
burgerlijke stand kan uitsluitend worden belast met de taken
omschreven in de artikelen 45, 45a, 63, 64, 65, 67, 80a, derde
lid, en 80g.
Artikel 16b
Wanneer de ambtenaar van de
burgerlijke stand in de uitoefening van zijn ambt op grond van enige
bepaling van deze titel of van enige andere titel van dit boek in
rechte optreedt, kan hij dit zonder advocaat doen.
Artikel 16c
Burgemeester en wethouders bepalen de
uren, waarop elk bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het
publiek geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de werkzaamheden
van de ambtenaren van de burgerlijke stand op die dagen zoveel
mogelijk te beperken, een afzonderlijke regeling getroffen voor de
zaterdag, de zondag, de algemeen erkende feestdagen en de overige
daarvoor door burgemeester en wethouders aan te wijzen dagen, waarop
gemeentelijke diensten niet of slechts gedeeltelijk zijn geopend.
Artikel 16d
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld ten aanzien van de door het college van
burgemeester en wethouders te treffen voorzieningen ten behoeve van
de taakuitoefening door de ambtenaar van de burgerlijke stand, en
voorts ten aanzien van al wat verder de taak van de ambtenaar van de
burgerlijke stand betreft.
Afdeling 2. De registers van de
burgerlijke stand en de bewaring daarvan
Artikel 17
1.Er bestaan voor iedere gemeente
registers van geboorten, van huwelijken, van geregistreerde
partnerschappen en van overlijden.
2.Er bestaat in de gemeente
's-Gravenhage, naast de in het eerste lid genoemde registers, een
register voor de inschrijving van de in afdeling 6 bedoelde
rechterlijke uitspraken.
Artikel 17a
1.De registers van de burgerlijke
stand worden in het gemeentehuis bewaard totdat zij naar een
gemeentelijke archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995
(Stb. 276) worden overgebracht.
2.De overbrenging naar de
gemeentelijke archiefbewaarplaats van de in het gemeentehuis
berustende registers van geboorten, van huwelijken dan wel
geregistreerde partnerschappen en van overlijden vindt eerst
plaats onderscheidenlijk honderd jaar, vijfenzeventig jaar en
vijftig jaar na de afsluiting van deze registers.
Artikel 17b
De beheerder van een
archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 17a is belast met het
bewaren van de onder hem berustende registers, met het toevoegen van
latere vermeldingen aan de daarin opgenomen akten en met de afgifte
van afschriften en uittreksels van deze akten.
Artikel 17c
Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de
registers, alsmede de in artikel 17b genoemde handelingen ten
aanzien van die registers.
Afdeling 3. Akten van de burgerlijke
stand en partijen bij deze akten
Artikel 18
1.De ambtenaar van de burgerlijke
stand mag in de akten alleen opnemen hetgeen ingevolge het bij of
krachtens de wet bepaalde moet worden verklaard of opgenomen.
2.De ambtenaar van de burgerlijke
stand is bevoegd alvorens tot het opmaken van een akte over te
gaan zich de door de wet vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij
doet zich ook andere bescheiden vertonen, welke hij voor het
opmaken van de akte of voor de vaststelling van de in de akte op
te nemen gegevens noodzakelijk acht. Hij kan zich te dien einde,
zonder hiervoor leges verschuldigd te zijn, inlichtingen
verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand en uit
andere openbare registers.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt geregeld al hetgeen het opmaken van de akten
betreft.
Artikel 18a
1.Partijen bij een akte van de
burgerlijke stand zijn degenen die aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand een aangifte doen of te zijnen overstaan een
verklaring afleggen betreffende een feit, waarvan de akte bestemd
is te doen blijken.
2.Belanghebbende partijen zijn
partijen die met hun verklaring enig rechtsgevolg teweeg brengen
voor henzelf of voor medepartijen, dan wel voor henzelf en
medepartijen.
3.De belanghebbende partijen kunnen
zich door een daartoe bij authentieke akte gevolmachtigde doen
vertegenwoordigen.
4.Wanneer een gevolmachtigde een
verklaring aflegt, geldt hij zowel als de door hem
vertegenwoordigde persoon als partij bij de akte.
5.De ambtenaar van de burgerlijke
stand mag geen akte verlijden waarin hijzelf als partij of
belanghebbende partij voorkomt.
Artikel 18b
1.Blijft een partij bij een akte
van de burgerlijke stand of een belanghebbende partij in gebreke
de in artikel 18, tweede lid, bedoelde bescheiden over te leggen,
of acht de ambtenaar van de burgerlijke stand de overgelegde
bescheiden ongenoegzaam, dan weigert deze tot het opmaken van de
akte over te gaan.
2.De ambtenaar van de burgerlijke
stand weigert eveneens tot het opmaken van de akte over te gaan,
indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich
hiertegen verzet.
3.Van een weigering als bedoeld in
het eerste of het tweede lid doet de ambtenaar van de burgerlijke
stand een schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de
partijen bij de akte en de belanghebbende partijen toekomen, onder
vermelding van de tegen die weigering openstaande voorziening van
afdeling 12 van deze titel. Een afschrift van deze mededeling doet
hij aan de korpschef toekomen.
Artikel 18c
1.Van alle in registers opgenomen
akten van de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift
gehouden, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te
stellen.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt geregeld alles wat betreft de bewaring van de
dubbelen of de afschriften alsmede van de daarop betrekking
hebbende latere vermeldingen.
3.Wanneer akten van de burgerlijke
stand verloren zijn gegaan of verminkt zijn, wordt ter vervanging
van deze akten van de dubbelen van de akten een afschrift gemaakt
door een of meer door Onze Minister van Justitie aan te wijzen
Centrale Bewaarplaatsen waar de dubbelen bewaard worden. De
afschriften treden in de plaats van de verloren gegane of
verminkte akten.
4.Er wordt een lijst opgesteld van
de akten die vervangen worden, die in de Staatscourant wordt
gepubliceerd.
5.De kosten voor de vervanging van
akten van de burgerlijke stand komen ten laste van de Staat,
tenzij het de vervanging van akten betreft die bewaard worden door
een gemeente. In het laatstgenoemde geval komen de kosten van
vervanging voor rekening van de gemeente.
6.Onze Minister van Justitie kan
nadere regels stellen omtrent de wijze waarop de vervanging van de
akten dient te worden uitgevoerd.
Afdeling 4. De akten van geboorte en
van overlijden
Artikel 19
1.Een akte van geboorte wordt
opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente waar het kind is geboren.
2.Indien de plaats van de geboorte
van het kind niet bekend is, wordt de akte opgemaakt door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind
is aangetroffen. Die gemeente geldt als gemeente waar het kind is
geboren.
Artikel 19a
1.In geval van geboorte op
Nederlands grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend
schip of tijdens een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig,
wordt de akte van geboorte opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar dat kind het voertuig, het
schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip
ligplaats kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het kind is
geboren.
2.In geval van geboorte tijdens een
zeereis met een in Nederland geregistreerd vaartuig, dan wel
tijdens een internationale luchtreis met een in Nederland
geregistreerd luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig
of het luchtvaartuig verplicht een voorlopige akte van geboorte
binnen vierentwintig uur in het journaal in te schrijven in
tegenwoordigheid van twee getuigen en zo mogelijk van de vader. De
gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage. Deze maakt de akte van geboorte op aan de hand van
het ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die
ontbreken of hem blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult
of verbetert. Aan de personen op wie de akte betrekking heeft,
wordt een uittreksel van de akte toegezonden.
Artikel 19b
Indien de plaats of de dag van de
geboorte van het kind niet bekend is dan wel indien de naam, met
inbegrip van de voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de
geboorteakte ten aanzien van deze punten opgemaakt krachtens een
bevel en overeenkomstig de aanwijzingen van het openbaar ministerie.
Artikel 19c
Zijn krachtens artikel 5, tiende lid,
van dit boek in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam
opgenomen, dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand
onverwijld een volledig afschrift van de akte aan Onze Minister van
Justitie.
Artikel 19d
1.Indien het geslacht van het kind
twijfelachtig is, wordt een geboorteakte opgemaakt, waarin wordt
vermeld dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden
vastgesteld.
2.Binnen drie maanden na de
geboorte, of, bij overlijden binnen die termijn, ter gelegenheid
van de aangifte van het overlijden, wordt onder doorhaling van de
in het eerste lid bedoelde akte een nieuwe geboorteakte opgemaakt,
waarin het geslacht, indien dit inmiddels is vastgesteld, wordt
vermeld aan de hand van een ter zake overgelegde medische
verklaring.
3.Is binnen de in het tweede lid
genoemde termijn geen medische verklaring overgelegd, of blijkt
uit de overgelegde medische verklaring dat het geslacht niet is
kunnen worden vastgesteld, dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat
het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.
Artikel 19e
1.Tot de aangifte van een geboorte
is bevoegd de moeder van het kind.
2.Tot de aangifte is verplicht de
vader.
3.Wanneer de vader ontbreekt of
verhinderd is de aangifte te doen, is tot aangifte verplicht:
a. ieder die bij het ter wereld
komen van het kind tegenwoordig is geweest;
b. de bewoner van het huis waar
de geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied in
een inrichting tot verpleging of verzorging bestemd, in een
gevangenis of in een soortgelijke inrichting, het hoofd van
die inrichting of een door hem bij onderhandse akte
bijzonderlijk tot het doen van de aangifte aangewezen
ondergeschikte.
4.Voor een in het derde lid, onder
b, genoemde persoon bestaat de verplichting alleen indien een
onder a genoemde persoon ontbreekt of verhinderd is.
5.Wanneer tot de aangifte bevoegde
of verplichte personen ontbreken of nalaten de aangifte te doen,
geschiedt deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente
alwaar de geboorteakte moet worden opgemaakt.
6.De verplichting tot aangifte moet
worden vervuld binnen drie dagen na de dag der bevalling. Van een
aangifte later dan de derde dag, bedoeld in de eerste zin van dit
lid, wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling
gedaan aan het openbaar ministerie.
7.De ambtenaar van de burgerlijke
stand stelt de identiteit van de aangever vast aan de hand van een
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht.
8.Bij de aangifte kan de ambtenaar
van de burgerlijke stand zich doen overleggen een door de arts of
de verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind
tegenwoordig was, opgemaakte verklaring dat het kind uit de als
moeder opgegeven persoon is geboren. Is het kind buiten de
tegenwoordigheid van een arts of verloskundige ter wereld gekomen,
dan kan hij zich een door een zodanige hulpverlener nadien
opgemaakte verklaring doen overleggen.
9.Wordt geen gevolg gegeven aan het
verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand om overlegging
van een verklaring als bedoeld in het achtste lid of is in de
verklaring vermeld dat de identiteit van de moeder onbekend is,
dan is artikel 19b van toepassing.
Artikel 19f
1.Een akte van overlijden wordt
opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden.
2.Indien een lijk is gevonden en de
plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid
kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt
door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin
het lijk is gevonden of aan land gebracht.
3.Ongeacht het in het eerste lid
bepaalde is het tweede lid van overeenkomstige toepassing indien
het overlijden heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde
installatie en het lijk in Nederland aan land wordt gebracht.
Artikel 19g
1.In geval van overlijden op
Nederlands grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend
schip of tijdens een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig,
wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar het lijk het voertuig, het
schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip
ligplaats kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het
overlijden heeft plaatsgevonden.
2.In geval van overlijden tijdens
een zeereis met een in Nederland geregistreerd voertuig, dan wel
tijdens een internationale luchtreis met een in Nederland
geregistreerd luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig
of het luchtvaartuig verplicht een voorlopige akte van overlijden
binnen vierentwintig uur in het journaal in te schrijven in
tegenwoordigheid van twee getuigen. De gezagvoerder zendt een
afschrift van die akte zo spoedig mogelijk naar de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. Deze maakt de
akte van overlijden op aan de hand van het ontvangen afschrift,
met dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of hem blijken
onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de
personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van
de akte toegezonden.
Artikel 19h
1.Tot de aangifte van een
overlijden is bevoegd wie daarvan uit eigen wetenschap kennis
draagt.
2.Binnen de in de Wet op de
lijkbezorging (Stb. 1991, 130) gestelde termijn voor de begraving
of verbranding, kan de persoon die in de lijkbezorging voorziet,
door een in het eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot
het doen van de aangifte.
3.Wanneer tot de aangifte bevoegde
personen ontbreken of nalaten binnen de in de Wet op de
lijkbezorging gestelde termijn voor de begraving of verbranding de
aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de burgemeester
van de gemeente alwaar de akte van overlijden moet worden
opgemaakt.
4.In de gevallen bedoeld in artikel
19f, tweede en derde lid, geschiedt de aangifte schriftelijk door
de hulpofficier van justitie.
Artikel 19i
1.Wanneer een kind levenloos ter
wereld is gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register
van overlijden wordt opgenomen.
2.Wanneer een kind binnen de in
artikel 19e, zesde lid, bepaalde termijn is overleden voordat
aangifte van de geboorte is geschied, wordt zowel een akte van
geboorte als een akte van overlijden opgemaakt.
3.In de in de vorige leden bedoelde
gevallen is ten aanzien van de aangifte het bepaalde in artikel
19h van overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid
bedoelde geval blijft artikel 19e buiten toepassing.
Artikel 19j
1.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te
leggen stukken, het opmaken van de akten, onderscheidenlijk de
voorlopige akten van geboorte en van overlijden, en de inhoud
daarvan.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt tevens geregeld:
a. op welke wijze en waar de
akten van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt
en ingeschreven wanneer dit ten gevolge van een verbod van
verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden
niet op de gewone wijze kan geschieden; en
b. op welke wijze en waar
overlijdensakten zullen worden opgemaakt van militairen en van
andere personen, die tot de krijgsmacht behoren en die te
velde, in de slag, of in ’s Rijks dienst buiten Nederland
zijn overleden.
Afdeling 5. Latere vermeldingen
Artikel 20
1.De ambtenaar van de burgerlijke
stand voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke
stand latere vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand
en andere authentieke akten houdende naamskeuze, erkenning,
ontkenning van het vaderschap door de moeder, van besluiten
houdende wijziging of vaststelling van namen, van bevestigingen
van opties mede houdende vaststelling van namen en
naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van
namen alsmede van besluiten tot intrekking van zulke bevestigingen
of besluiten, van de opgave van afwijkende namen die een persoon
die meer dan één nationaliteit bezit, voert in overeenstemming
met het recht van het land waarvan hij mede de nationaliteit
bezit, van akten houdende beëindiging van een geregistreerd
partnerschap, van akten van omzetting van een geregistreerd
partnerschap,, alsmede van rechterlijke uitspraken waarvan de
dagtekening ten minste drie maanden oud is en die inhouden:
a. een last tot wijziging van
de voornamen of van de geslachtsnaam, een last tot wijziging
van de vermelding van het geslacht, een adoptie, een
herroeping van een adoptie, een vernietiging van een
erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap,
een gegrondverklaring van een ontkenning van het vaderschap
of, of een vernietiging van zulk een uitspraak;
b. de nietigverklaring van een
huwelijk of van een geregistreerd partnerschap of de
vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden of
geregistreerde partners wier huwelijksakte onderscheidenlijk
akte van een geregistreerd partnerschap, dan wel akte van
omzetting van een geregistreerd partnerschap of huwelijk in de
Nederlandse registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
2.De ambtenaar van de burgerlijke
stand voegt eveneens aan de onder hem berustende akten van de
burgerlijke stand latere vermeldingen toe van in kracht van
gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die een echtscheiding of
een ontbinding van een geregistreerd partnerschap, een ontbinding
van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging
van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte, akte
van registratie van een partnerschap of akte van omzetting van een
geregistreerd partnerschap of huwelijk in de Nederlandse registers
van de burgerlijke stand is opgenomen, inhouden.
Artikel 20a
1.De in artikel 20 bedoelde latere
vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen bedoeld in het
eerste lid, onder b, alsmede van de vermeldingen houdende
beëindiging van een geregistreerd partnerschap en van de
vermeldingen van een omzetting van een geregistreerd partnerschap,
worden toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon.
Van een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam wordt
tevens een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakten van
de kinderen van de betrokken persoon, voor zover de wijziging of
vaststelling zich tot hen uitstrekt.
2.De in artikel 20, eerste lid,
onder b, en tweede lid, bedoelde latere vermeldingen alsmede de in
de aanhef van artikel 20, eerste lid, bedoelde beëindiging van
een geregistreerd partnerschap en de daar bedoelde omzetting,
worden toegevoegd aan de huwelijksakte dan wel aan de akte van
registratie van een partnerschap van de betrokken persoon.
3.Wanneer als gevolg van het
huwelijk of van de echtscheiding een verandering intreedt in de
geslachtsnaam van een persoon, wordt hiervan, voorzover zij niet
in de huwelijksakte is vermeld, aan deze akte een latere
vermelding toegevoegd. Tevens wordt daarvan een latere vermelding
toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokkene en de
geboortenakten van diens kinderen, voor zover hun naam eveneens
verandert.
4.Van een aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand betekende akte van stuiting van een huwelijk of
van een registratie van een partnerschap wordt, evenals van
beschikkingen of akten waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de
akte van aangifte een latere vermelding toegevoegd.
Artikel 20b
1.Van akten en uitspraken die
buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door
een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een
overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke
uitspraken, bedoeld in artikel 20, wordt, tenzij de Nederlandse
openbare orde zich hiertegen verzet, op verzoek van een
belanghebbende dan wel ambtshalve, door de ambtenaar van de
burgerlijke stand een latere vermelding toegevoegd aan de
desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te
lande voorkomende huwelijksakte, akte van registratie van een
partnerschap, akte van omzetting van een geregistreerd
partnerschap of huwelijk of geboorteakte. Van een verandering van
de geslachtsnaam wordt op verzoek van een belanghebbende tevens
een latere vermelding gevoegd bij de geboorteakte van de kinderen
van de betrokken persoon, voor zover hun naam eveneens verandert.
2.Indien een latere vermelding
ambtshalve aan een akte is toegevoegd, zendt de ambtenaar van de
burgerlijke stand een afschrift van de akte en de latere
vermelding aan de persoon of personen op wie de akte betrekking
heeft.
Artikel 20c
De artikelen 18 en 18b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20d
Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen
stukken, het opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud
daarvan.
Artikel 20e
1.Van de in artikel 20, eerste lid,
genoemde uitspraken zendt de griffier van het college waarvoor de
zaak laatstelijk aanhangig was niet eerder dan drie maanden na de
dag van de beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand.
2.Van besluiten houdende wijziging
of vaststelling van namen en van naturalisatiebesluiten mede
houdende wijziging of vaststelling van namen zendt Onze Minister
van Justitie onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van de betrokken
persoon berust.
3.De notaris die een akte van
erkenning heeft opgemaakt, zendt onverwijld een afschrift of een
uittreksel daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder
wie de akte van geboorte van het kind berust.
Artikel 20f
1.De ambtenaar van de burgerlijke
stand die de gegevens van een akte van naamskeuze opneemt in de
akte van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van
naamskeuze heeft opgemaakt. Deze akte wordt bewaard totdat
achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van dat
afschrift.
2.De ambtenaar van de burgerlijke
stand die een latere vermelding van de naamskeuze, de erkenning
toevoegt aan de akte van geboorte van het kind, zendt een
afschrift van die akte en de latere vermelding aan de personen op
wie de akte betrekking heeft. Hij zendt een afschrift aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van naamskeuze, van
erkenning heeft opgemaakt. Laatstgenoemde akte wordt bewaard
totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van
laatstgenoemd afschrift dan wel, indien geen zodanig afschrift
wordt ontvangen, totdat achttien maanden zijn verstreken na het
opmaken van de akte.
Artikel 20g
De ambtenaar van de burgerlijke stand
die aan de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding
toevoegt, waaruit blijkt dat de minderjarige is erkend, of dat een
naam van hem is gewijzigd, geeft van dit feit kennis aan de
bewaarder van het in artikel 244 van dit boek bedoelde openbare
register waarin rechtsfeiten omtrent die minderjarige zijn
opgenomen.
Artikel 20h [Vervallen per
01-01-1995]
Afdeling 6. Akten van inschrijving
van bepaalde rechterlijke uitspraken
Artikel 21
1.De ambtenaar van de burgerlijke
stand te 's-Gravenhage maakt akten van inschrijving op van in
kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken betreffende
huwelijken of registraties van een partnerschap, waarvan de akten
niet in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand zijn
opgenomen, welke inhouden de nietigverklaring van een huwelijk of
van een geregistreerd partnerschap, een echtscheiding, de
ontbinding van een geregistreerd partnerschap, de ontbinding van
een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van
zulk een ingeschreven uitspraak, dan wel de beëindiging van een
geregistreerd partnerschap, bedoeld in artikel 80c, onder c, of de
vernietiging daarvan.
2.De in het eerste lid bedoelde
akten worden ingeschreven in het daartoe bestemde register van de
burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te
leggen stukken, het opmaken van de akten van inschrijving en de
inhoud daarvan.
Afdeling 7. De bewijskracht van akten
van de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels
Artikel 22
1.De akte van geboorte bewijst ten
aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en
uur uit de daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde
geslacht is geboren. Vermeldt de akte dat de plaats van de
geboorte van het kind niet bekend is, dan komt dezelfde
bewijskracht toe aan de vermelding van de plaats waar het is
aangetroffen.
2.De akte van overlijden bewijst
ten aanzien van een ieder, dat op de plaats, de dag en het uur, in
de akte vermeld, de daarin genoemde persoon is overleden of,
indien de akte krachtens artikel 19f, tweede lid, van dit boek is
opgemaakt, dat het lijk van de daarin genoemde persoon op de
plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, is gevonden.
3.Voor het overige hebben akten van
de burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke
akten.
Artikel 22a
Authentieke afschriften of
uittreksels, in de wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de
daartoe bevoegde bewaarder van het register, hebben dezelfde
bewijskracht als het origineel, tenzij bewezen wordt dat zij
daarmede niet overeenstemmen.
Afdeling 8. De openbaarheid van de
akten van de burgerlijke stand
Artikel 23
De akten van de burgerlijke stand,
daaronder begrepen de dubbelen van deze akten, zijn openbaar voor
zover te dien aanzien in deze afdeling geen nadere voorziening is
gegeven.
Artikel 23a
Van de akten van de burgerlijke stand
mogen slechts de bewaarders en het openbaar ministerie inzage nemen.
Voorts kunnen de rechter en het openbaar ministerie overlegging van
akten bevelen.
Artikel 23b
1.Een ieder is bevoegd zich door de
ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van
akten van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een
onder deze ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk,
van registratie van een partnerschap, van omzetting van een
huwelijk in een registratie van een partnerschap, van omzetting
van een registratie van een partnerschap in een huwelijk of van
overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij algemene
maatregel van bestuur te vermelden gegevens, waaruit de afstamming
van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft, niet
blijkt.
2.Van de in het eerste lid bedoelde
akten alsmede van de akten van erkenning of ontkenning van het
vaderschap door de moeder wordt een afschrift slechts afgegeven
indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een
gerechtvaardigd belang heeft. Van andere akten die de in het
eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt
steeds een afschrift afgegeven. Dit afschrift bevat de bij
algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens.
3.Een verzoek om afgifte van een
uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of
bepaalde personen betrekking te hebben.
4.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het
verstrekken van afschriften en uittreksels betreft. Daarbij worden
tevens regels gegeven voor het opmaken van uittreksels van akten
die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn opgemaakt.
5.Weigert de in het eerste lid
bedoelde ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven,
dan verstrekt hij aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de
gronden voor zijn weigering.
Artikel 23c
De dubbelen van de akten van de
burgerlijke stand zijn openbaar zolang zij onder de ambtenaar van de
burgerlijke stand berusten.
Afdeling 9. De aanvulling van de
registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin
voorkomende akten en latere vermeldingen
Artikel 24
1.Aanvulling van een register van
de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere
vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende
akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin
voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een
misslag bevat, kan op verzoek van belanghebbenden of van het
openbaar ministerie worden gelast door de rechtbank. De rechtbank
kan bij haar beschikking tot verbetering van een akte of latere
vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens
dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of latere
vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen,
die buiten haar rechtsgebied in de registers van de burgerlijke
stand is opgenomen.
2.De griffier van het college
waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan
drie maanden na de dag van de beschikking een afschrift daarvan
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, in
welker registers de akte of latere vermelding is of had moeten
zijn opgenomen. Is deze gemeente opgeheven, dan zendt hij het
afschrift aan de ambtenaar van de gemeente in wier archieven de
registers van de burgerlijk stand van de opgeheven gemeente
berusten.
Artikel 24a
1.Kennelijke misslagen kunnen
worden verbeterd met toestemming van de officier van justitie
binnen wiens rechtsgebied de akte in de registers van de
burgerlijke stand is opgenomen. De toestemming van de officier van
justitie kan eveneens betrekking hebben op dezelfde verbetering
ten aanzien van een akte betreffende dezelfde persoon of zijn
afstammelingen, die in een ander arrondissement in de registers
van de burgerlijke stand is opgenomen.
2.Kennelijke schrijf- of spelfouten
kunnen ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand
worden verbeterd.
Artikel 24b
1.Aanvulling van een register van
de burgerlijke stand op grond van artikel 24 geschiedt door het
opmaken van een nieuwe akte in dat register.
2.Van een verbetering of een
doorhaling op grond van deze afdeling wordt een latere vermelding
toegevoegd aan de desbetreffende akte, volgens regels, bij
algemene maatregel van bestuur te stellen.
Afdeling 10. Inschrijving van
buitenlandse akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een
vervangende akte van geboorte
Artikel 25
1.Buiten Nederland overeenkomstig
de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie
opgemaakte akten van geboorte, huwelijksakten, akten van
registratie van een partnerschap en akten van overlijden worden op
bevel van het openbaar ministerie of op verzoek van een
belanghebbende ingeschreven in de registers onderscheidenlijk van
geboorten, van huwelijken, van geregistreerde partnerschappen en
van overlijden van de gemeente 's-Gravenhage, indien:
a. de akte een persoon betreft
die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is of te
eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan
niet-Nederlander is geweest;
b. de akte een persoon betreft
die rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d,
van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Buiten Nederland overeenkomstig
de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie
opgemaakte akten van geboorte worden op bevel van het openbaar
ministerie of op verzoek van een belanghebbende ingeschreven in
het register van geboorten van de gemeente 's-Gravenhage, indien
de akte een persoon van vreemde nationaliteit betreft en op grond
van enige bepaling van dit boek een latere vermelding aan de akte
van geboorte moet worden toegevoegd.
3.De ambtenaar van de burgerlijke
stand van de gemeente 's-Gravenhage kan ook ambtshalve de in de
vorige leden bedoelde akten inschrijven.
4.Alvorens op grond van het eerste
of derde lid tot de inschrijving van een huwelijksakte of van een
akte van registratie van een partnerschap over te gaan, doet de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage
zich een door de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet
afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid,
onderdeel k, overleggen. Deze verklaring wordt opgesteld op
verzoek van de echtgenoot of de geregistreerde partner op wie zij
betrekking heeft. Bij het verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift
als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, overgelegd. Heeft
deze geen woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op
verzoek van de andere echtgenoot of de andere geregistreerde
partner. De verklaring is niet vereist indien:
a. de echtgenoten of
geregistreerde partners aannemelijk kunnen maken dat zij
beiden buiten Nederland woonplaats hebben;
b. de betrokken echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit
bezit, in Nederland rechtmatig verblijft op grond van artikel
8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap ten minste tien jaren vóór de
inschrijving is voltrokken, of
d. het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap is geëindigd.
5.In geval van adoptie gelast de
rechtbank, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de
inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akte
van geboorte.
6.De akte van inschrijving vermeldt
de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gegevens.
7.Kennelijke misslagen of schrijf-
of spelfouten, die de ambtenaar van de burgerlijke stand in de in
te schrijven akte vaststelt op grond van een hier te lande in de
registers van de burgerlijke stand opgenomen akte of op grond van
een rechterlijke uitspraak, kunnen ambtshalve door hem worden
verbeterd. De verbeteringen worden afzonderlijk in de akte
vermeld.
8.Indien een akte ambtshalve is
ingeschreven, wordt een afschrift van de akte van inschrijving
toegezonden aan de persoon of de personen op wie de akte
betrekking heeft.
Artikel 25a
1.Indien na de inschrijving
kennelijke misslagen in de buiten Nederland opgemaakte akte
overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie zijn verbeterd, wordt de verbetering in de akte van
inschrijving aangebracht doordat de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de gemeente 's-Gravenhage, aan wie een afschrift van de
beslissing tot verbetering en een afschrift van de verbeterde akte
zijn overgelegd, een latere vermelding van de verbetering aan de
akte van inschrijving toevoegt, nadat hij daartoe toestemming van
de officier van justitie heeft verkregen.
2.Kennelijke schrijf- en
spelfouten, die in de buiten Nederland opgemaakte akte
overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie zijn verbeterd, kunnen ook zonder toestemming van de
officier van justitie, ambtshalve door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage aan de hand van
een afschrift van de verbeterde akte worden verbeterd op de in het
eerste lid aangegeven wijze.
Artikel 25b
Aan de akte van inschrijving, bedoeld
in artikel 25, worden de latere vermeldingen toegevoegd die op grond
van dit boek aan een in Nederland opgemaakte akte van geboorte,
huwelijksakte of akte van overlijden moeten worden toegevoegd.
Artikel 25c
1.Indien ten aanzien van een buiten
Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is
opgemaakt of kan worden overgelegd, kan op verzoek van het
openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage de
rechtbank te 's-Gravenhage de voor het opmaken van een
geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
a. die persoon Nederlander is
of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan
niet-Nederlander is geweest;
b. die persoon rechtmatig
verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de
Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van dit boek een
latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden
toegevoegd.
2.De rechtbank houdt rekening met
alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder,
en het tijdstip waarop de geboorte moet hebben plaatsgehad. De
geslachtsnaam, de voornamen, alsmede de plaats en de dag van de
geboorte van de vader en van de moeder worden vastgesteld, voor
zover daarvoor aanwijzingen zijn verkregen.
3.In geval van adoptie geeft de
rechtbank die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de in
het eerste lid bedoelde beschikking.
Artikel 25d
De rechtbank te 's-Gravenhage kan op
verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage
de krachtens artikel 25c gegeven beschikking wijzigen op grond dat
de vastgestelde gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Artikel 25e [Vervallen per
01-04-1995]
Artikel 25f
1.De griffier van het college
waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan
drie maanden na de dag van de beschikking een afschrift daarvan,
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage.
2.Deze ambtenaar maakt van de
beschikking, bedoeld in artikel 25c een akte van inschrijving op,
die geldt als een akte van geboorte in de zin van artikel 19 van
dit boek. Deze akte is in overeenstemming met de beschikking en
vermeldt dit uitdrukkelijk.
3.Van de beschikking, bedoeld in
artikel 25d, wordt een latere vermelding toegevoegd aan de akte
als bedoeld in het vorige lid.
Artikel 25g
1.Op akten en uitspraken die buiten
Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een
bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige
uitwerking hebben als de in artikel 25c van dit boek bedoelde
beschikkingen, zijn de artikelen 25 tot en met 25b van
overeenkomstige toepassing. De inschrijving als bedoeld in artikel
25 vindt niet plaats indien de Nederlandse openbare orde zich
hiertegen verzet.
2.In geval van adoptie van een
buiten Nederland geboren kind ten aanzien waarvan een akte of
uitspraak als bedoeld in het vorige lid is opgemaakt of gedaan,
geeft de rechtbank die de adoptie uitspreekt, ambtshalve
afzonderlijk last tot inschrijving van die akte of uitspraak.
Afdeling 11. De verklaring voor recht
omtrent de rechtsgeldigheid in Nederland van een buitenlandse akte
of uitspraak
Artikel 26
1.Een ieder die daarbij een
gerechtvaardigd belang heeft, kan de rechtbank verzoeken een
verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking
hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak
overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor
opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
2.De in het eerste lid bedoelde
verklaring voor recht kan eveneens op verzoek van de ambtenaar van
de burgerlijke stand of van het openbaar ministerie worden
afgegeven.
Artikel 26a
De rechtbank kan, op verzoek of
ambtshalve, bij de in het eerste lid van artikel 26 bedoelde
verklaring voor recht tevens de toevoeging van een latere
vermelding, op grond van artikel 24, eerste lid, aan een in de
Nederlandse registers van de burgerlijke stand voorkomende akte
gelasten.
Artikel 26b
Is met betrekking tot de verzoeker
geen akte in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand
opgenomen, dan kan de rechtbank te 's-Gravenhage, op verzoek of
ambtshalve, bij haar beschikking tevens de inschrijving,
overeenkomstig artikel 25, van een daarvoor in aanmerking komende in
het buitenland opgemaakte akte in de registers van de burgerlijke
stand te 's-Gravenhage gelasten, alsmede de verbetering van de akte
van inschrijving op grond van artikel 24, eerste lid. Ook kan zij
bij haar beschikking een last als bedoeld in artikel 25c geven
alsmede een last tot verbetering, overeenkomstig artikel 24, eerste
lid, van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage op te maken akte.
Artikel 26c [Vervallen per
01-04-1995]
Artikel 26d
De overlegging van een authentiek
afschrift van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het verzoek
betrekking heeft, kan worden verlangd. Artikel 986, derde en vierde
lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 26e
De griffier van het college, waarbij
de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de
beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens
registers een op de belanghebbende betrekking hebbende akte is
opgenomen, waaraan een latere vermelding van de beschikking moet
worden toegevoegd. Is bij de beschikking een last tot inschrijving
van een in het buitenland opgemaakte akte gegeven, dan zendt de
griffier een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
Artikel 26f [Vervallen per
01-04-1995]
Afdeling 12. Voorziening tegen de
weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of
tot een andere verrichting
Artikel 27
Naar aanleiding van een besluit van
een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b
of 20c te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken,
een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het
geval van stuiting van het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel,
aan een verrichting mee te werken, hebben belanghebbende partijen de
bevoegdheid zich binnen zes weken na de verzending van dat besluit
bij verzoekschrift te wenden tot de rechtbank binnen welker
rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke
stand is gelegen.
Artikel 27a
De rechtbank kan, op verzoek van een
belanghebbende partij of ambtshalve, bij haar beschikking tevens een
verklaring als bedoeld in artikel 26 afgeven, alsmede een last als
bedoeld in artikel 26a, onderscheidenlijk artikel 26b.
Artikel 27b
De griffier zendt een afschrift van
de beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand.
Artikel 27c [Vervallen per
01-04-1995]
Afdeling 13. De rechterlijke last tot
wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte
Artikel 28
1.Iedere Nederlander die de
overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan is
vermeld in de akte van geboorte en lichamelijk aan het verlangde
geslacht is aangepast voor zover dit uit medisch of psychologisch
oogpunt mogelijk en verantwoord is, kan de rechtbank verzoeken
wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van
geboorte te gelasten, indien deze persoon als mannelijk in de akte
van geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn
kinderen te verwekken, dan wel als vrouwelijk in de akte van
geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen
te baren.
2.Voor de toepassing van het
bepaalde in het eerste lid en de artikelen 28a en 28b van dit boek
wordt onder akte van geboorte mede verstaan een akte van
inschrijving van een buiten Nederland opgemaakte akte van geboorte
of van een beschikking als bedoeld in artikel 25c van dit boek.
3.Degene, die de Nederlandse
nationaliteit niet bezit, kan een verzoek als bedoeld in het
eerste lid doen, indien hij reeds gedurende een tijdvak van ten
minste één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek,
woonplaats in Nederland heeft en een rechtsgeldige verblijfstitel
heeft en voor het overige voldoet aan de in het eerste lid
gestelde voorwaarden. Indien de akte van geboorte niet hier te
lande in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven,
wordt tevens de rechtbank verzocht de inschrijving te gelasten van
de akte van geboorte in het register van geboorten van de gemeente
's-Gravenhage.
Artikel 28a
1.Bij het verzoek moeten worden
overgelegd een afschrift van de akte van geboorte alsmede een
gezamenlijk ondertekende verklaring van bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen deskundigen, afgegeven ten hoogste zes maanden
voor de datum van indiening van het verzoek, waaruit blijkt:
a. de overtuiging van de
verzoeker dat hij tot het andere geslacht behoort dan in de
akte van geboorte is vermeld en waarin is vervat het oordeel
van de daartoe bevoegde deskundige dat die overtuiging, gelet
op de periode waarin de verzoeker als zodanig heeft geleefd en
zo mogelijk op andere daarbij te vermelden feiten of
omstandigheden, als van blijvende aard kan worden beschouwd;
b. of en zo ja, in hoeverre de
verzoeker lichamelijk aan het verlangde geslacht zodanig is
aangepast als uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en
verantwoord is;
c. dat de verzoeker als
mannelijk in de akte van geboorte vermeld staande, nimmer meer
in staat zal zijn kinderen te verwekken, dan wel als
vrouwelijk in de akte van geboorte vermeld staande, nimmer
meer in staat zal zijn kinderen te baren.
2.In de verklaring behoeft het in
het eerste lid onder a bedoelde onderdeel niet te worden opgenomen
indien de verzoeker lichamelijk reeds aan het verlangde geslacht
is aangepast.
Artikel 28b
1.Het verzoek wordt toegewezen
indien de rechtbank van oordeel is dat voldoende is komen vast te
staan dat de verzoeker de overtuiging heeft tot het andere
geslacht te behoren dan in de akte van geboorte is vermeld en dat
deze overtuiging als van blijvende aard kan worden beschouwd en de
verzoeker voldoet aan de in het eerste lid van artikel 28 gestelde
voorwaarden.
2.Indien de rechtbank het verzoek
om wijziging van de vermelding van het geslacht inwilligt, kan zij
desverzocht tevens de wijziging van de voornamen van de verzoeker
gelasten.
Artikel 28c
1.De wijziging van de vermelding
van het geslacht heeft haar gevolgen, die uit dit boek
voortvloeien, vanaf de dag waarop de ambtenaar van de burgerlijke
stand aan de akte van geboorte een latere vermelding toevoegt van
de last tot wijziging.
2.De wijziging van de vermelding
van het geslacht laat de op het in het eerste lid genoemde
tijdstip bestaande familierechtelijke betrekkingen en de daaruit
voortvloeiende op dit boek gegronde rechten, bevoegdheden en
verplichtingen onverlet. De verzoeken in verband met artikel 157
en in verband met artikel 394 van dit boek kunnen ook worden
gedaan na het in het eerste lid genoemde tijdstip.
Afdeling 14. De Commissie van advies
voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit
Artikel 29
Er is een Commissie van advies voor
de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
Artikel 29a
1.De Commissie bestaat uit ten
minste negen en ten hoogste vijftien leden.
2.De Commissie bestaat uit ten
minste een lid van de rechterlijke macht, ten minste een lid uit
de kring van het wetenschappelijk onderzoek, ten minste twee leden
uit de kring van de ambtenaren van de burgerlijke stand en ten
minste twee leden uit de kring van de gemeentelijke
basisadministratie.
3.Onze Minister van Justitie
benoemt en ontslaat de in het voorgaande lid bedoelde leden in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Voorts
wijst hij een voorzitter en een secretaris aan.
Artikel 29b
1.De Commissie brengt op verzoek
van een ambtenaar van de burgerlijke stand of een ander
bestuursorgaan advies uit over vragen betreffende de
rechtstoepassing in zaken van burgerlijke staat of nationaliteit.
2.Indien een advies van algemeen
belang is, wordt het openbaar gemaakt. De Commissie bepaalt de
wijze van openbaarmaking.
Artikel 29c
Indien een ambtenaar van de
burgerlijke stand gerede twijfel heeft over de vraag of een aan een
buiten Nederland opgemaakte akte van de burgerlijke stand of ander
geschrift te ontlenen gegeven in aanmerking komt om in een akte van
de burgerlijke stand te worden opgenomen, is hij gehouden het advies
van de Commissie in te winnen.
Artikel 29d
Indien een ambtenaar van de
burgerlijke stand een door de Commissie gegeven advies niet opvolgt,
stelt hij de Commissie en de officier van justitie hiervan in
kennis.
Artikel 29e
Onze Minister van Justitie kan nadere
regels stellen omtrent de taak en de werkwijze van de Commissie.
Artikel 29f
Telkens binnen een termijn van vier
jaren brengt de Commissie een rapport uit aan Onze Minister van
Justitie, waarin de taakvervulling van de Commissie aan een
onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor
gewenste veranderingen.
Titel 5. Het huwelijk
Algemene bepaling
Artikel 30
1.Een huwelijk kan worden aangegaan
door twee personen van verschillend of van gelijk geslacht.
2.De wet beschouwt het huwelijk
alleen in zijn burgerlijke betrekkingen.
Afdeling 1. Vereisten tot het aangaan
van een huwelijk
Artikel 31
1.Om een huwelijk te mogen aangaan
moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben
bereikt.
2.Het in het vorige lid vermelde
huwelijksbeletsel bestaat niet wanneer zij die met elkander een
huwelijk willen aangaan de leeftijd van zestien jaren hebben
bereikt en de vrouw een verklaring van een arts overlegt dat zij
zwanger is, dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht.
3.Onze Minister van Justitie kan om
gewichtige redenen ontheffing verlenen van het in het eerste lid
genoemde vereiste.
Artikel 32
Een huwelijk mag niet worden
aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn
gestoord, dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de
betekenis van haar verklaring te begrijpen.
Artikel 33
Een persoon kan tegelijkertijd
slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden zijn.
Artikel 34 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 35
1.Een minderjarige mag geen
huwelijk aangaan zonder toestemming van zijn ouders.
2.Zijn de geestvermogens van een
ouder zodanig gestoord, dat hij niet in staat is zijn wil te
bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen, dan is
zijn toestemming niet vereist.
3.Een minderjarige, die onder
voogdij staat, heeft bovendien de toestemming van zijn voogd
nodig.
Artikel 36
Voor zover een volgens het vorige
artikel vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan zij op
verzoek van de minderjarige door die van de rechtbank worden
vervangen.
Artikel 37
1.Hij die wegens verkwisting of
drankmisbruik onder curatele staat, mag geen huwelijk aangaan
zonder de toestemming van zijn curator.
2.Voor zover die toestemming niet
wordt verkregen, kan zij op verzoek van de onder curatele gestelde
door toestemming van de kantonrechter worden vervangen.
Artikel 38
Hij die wegens een geestelijke
stoornis onder curatele staat, mag geen huwelijk aangaan zonder
toestemming van de kantonrechter.
Artikel 39
1.Heeft de rechter de toestemming
verleend, dan is de termijn van beroep veertien dagen en kan
gedurende die termijn de beschikking niet worden ten uitvoer
gelegd.
2.Hij die tegen een verleende
toestemming opkomt, is verplicht dit binnen de termijn van beroep
bij deurwaardersexploit te doen aanzeggen aan de ambtenaar of
ambtenaren van de burgerlijke stand ten overstaan van wie het
huwelijk kan worden voltrokken. Door dit te verzuimen verliest hij
het recht om de nietigverklaring van het huwelijk op grond van het
ontbreken van zijn toestemming te vragen, indien het gerechtshof
de in het eerste lid bedoelde beschikking vernietigt en het
huwelijk reeds is voltrokken.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1988]
Artikel 41
1.Een huwelijk mag niet worden
gesloten tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij
familierechtelijk, bestaan in de opgaande en in de nederdalende
lijn of als broeders, zusters of broeder en zuster.
2.Onze Minister van Justitie kan om
gewichtige redenen ontheffing van het verbod verlenen aan hen die
broeders, zusters of broeder en zuster door adoptie zijn.
Artikel 42
Zij die met elkander een huwelijk
willen aangaan, mogen niet tegelijkertijd een geregistreerd
partnerschap zijn aangegaan.
Afdeling 2. Formaliteiten die aan de
voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan
Artikel 43
1.Zij die met elkaar een huwelijk
willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van de in artikel
44 van dit boek genoemde bescheiden, aangifte doen bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van één der
partijen. Wanneer de aanstaande echtgenoten, van wie ten minste
één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland
woonplaats hebben en in een Nederlandse gemeente een huwelijk met
elkaar willen aangaan, geschiedt de aangifte bij de ambtenaar van
de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
2.Bij de aangifte kunnen de
aanstaande echtgenoten verklaren dat het huwelijk zal worden
voltrokken in een andere gemeente dan die waarin een van hen op
het tijdstip van de huwelijksaangifte woonplaats heeft, dan wel
indien de tweede zin van het eerste lid van toepassing is, in een
andere gemeente dan 's-Gravenhage.
3.De aangifte geschiedt in persoon
of bij zodanige geschriften waaruit van het voornemen der
aanstaande echtgenoten met genoegzame zekerheid kan blijken.
4.De ambtenaar van de burgerlijke
stand maakt van de aangifte een akte op.
Artikel 44
1.Voor de aangifte van het huwelijk
worden de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand overgelegd:
a. de geboorteakte van ieder
der aanstaande echtgenoten en van elk van hen een gewaarmerkt
afschrift van gegevens uit de basisadministratie
persoonsgegevens, tenzij zij niet als ingezetene in een
basisadministratie persoonsgegevens behoeven te zijn
ingeschreven;
b. een akte van
huwelijkstoestemming, gegeven door hen, wier toestemming tot
het huwelijk noodzakelijk is. De akte van huwelijkstoestemming
wordt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of door een
notaris opgemaakt. De toestemming kan ook bij de huwelijksakte
worden gegeven. Is de toestemming door de rechter verleend,
dan wordt diens beschikking overgelegd;
c. een akte van overlijden van
allen, wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij
in leven waren geweest;
d. ingeval van tweede of verder
huwelijk dan wel huwelijk na registratie, bewijsstukken
aantonende dat het vorige huwelijk dan wel het eerdere
geregistreerd partnerschap geen beletsel voor een nieuw
huwelijk oplevert;
e. de akte van
huwelijksaangifte;
f. indien stuiting heeft
plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven;
g. het bewijs van de ontheffing
of de vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval deze
is vereist;
h. indien een beschikking als
bedoeld in afdeling 12 van Titel 4 van dit boek of een
vrijstelling krachtens artikel 62 van dit boek is verkregen,
ook deze;
i. de verklaring, bedoeld in
artikel 31, tweede lid, van dit boek, ingeval deze vereist is;
j. een schriftelijke opgave van
de namen en de adressen van de personen die zijn uitgenodigd
om als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig
te zijn;
k. een door de korpschef in de
zin van de Vreemdelingenwet 2000 aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de
aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit
bezit, rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in
artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel voornemens is
niet in Nederland te verblijven. De verklaring wordt opgesteld
op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking
heeft. Bij het verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift als
bedoeld onder a, overgelegd. Heeft deze geen woonplaats in
Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere
aanstaande echtgenoot.
2.De verklaring, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel k, is niet vereist indien de aanstaande
echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten
Nederland woonplaats hebben. De verklaring is evenmin vereist
indien de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse
nationaliteit bezit, in Nederland rechtmatig verblijft op grond
van artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud
van het in het eerste lid onder a bedoelde gewaarmerkt afschrift
van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, alsmede
de in hetzelfde lid onder k bedoelde verklaring.
Artikel 45
1.Een aanstaande echtgenoot die in
de onmogelijkheid is, zijn door het vorige artikel vereiste
geboorteakte te vertonen, kan dit verhelpen door een akte van
bekendheid, afgegeven door de kantonrechter van zijn
geboorteplaats of woonplaats, op verklaring van vier meerderjarige
getuigen.
2.Deze verklaring houdt de
vermelding in van de plaats en, zo na mogelijk, van het tijdstip
der geboorte, benevens de oorzaken, die beletten een akte daarvan
over te leggen.
3.Het ontbreken van een
geboorteakte kan ook worden verholpen, hetzij door een dergelijke,
maar beëdigde verklaring, afgelegd door de getuigen, die bij de
voltrekking van het huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een
bij de ambtenaar van de burgerlijke stand afgelegde beëdigde
verklaring van de aanstaande echtgenoot, inhoudende dat hij zich
geen geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen. In de
huwelijksakte wordt van de afgelegde verklaring melding gemaakt.
Artikel 45a
Indien partijen niet in staat zijn de
akten van overlijden, bij artikel 44, eerste lid, onder c van dit
boek bedoeld, over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde wijze als
in het geval van het vorige artikel worden verholpen.
Artikel 46
Wanneer het huwelijk binnen een jaar,
te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is
voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe
aangifte is gedaan.
Artikel 47
1.Indien een minderjarige een
huwelijk wenst aan te gaan, onderzoekt de ambtenaar van de
burgerlijke stand, van welke personen daartoe de toestemming wordt
vereist.
2.Voorts onderzoekt die ambtenaar
of de minderjarige onder toezicht gesteld is of onder voorlopige
voogdij is geplaatst. Blijkt dit het geval, dan verwittigt hij bij
ondertoezichtstelling de kinderrechter en in het andere geval de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg onverwijld van het voorgenomen huwelijk.
Artikel 48
Indien hij die wil hertrouwen het
gezag heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gedane aangifte onverwijld kennis
aan de rechtbank van de woonplaats van de bedoelde ouder.
Artikel 49
1.Trouwbeloften geven geen
rechtsvordering tot het aangaan van een huwelijk, noch tot
schadevergoeding wegens de niet-vervulling van de beloften; alle
afwijkende bedingen zijn nietig.
2.Indien echter een akte van
huwelijksaangifte is opgemaakt, kan dit grond opleveren tot een
vordering tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder
dat daarbij enige winstderving in aanmerking komt. De vordering
vervalt door verloop van achttien maanden, te rekenen van de datum
van de akte van huwelijksaangifte.
Artikel 49a
1.Indien een Nederlander buiten
Nederland een huwelijk wenst aan te gaan, wordt op zijn verzoek
aan hem een verklaring van huwelijksbevoegdheid overeenkomstig de
bijlage van de Overeenkomst van München van 5 september 1980 (Trb.
1981, 71, en 1982, 116) afgegeven.
2.Deze verklaring wordt afgegeven:
a. aan degene die binnen
Nederland woonplaats heeft, door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van zijn woonplaats;
b. aan degene die binnen
Nederland geen woonplaats heeft, maar wel heeft gehad, door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats
aldaar;
c. aan degene die binnen
Nederland geen woonplaats heeft of heeft gehad, door het hoofd
van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het
Koninkrijk der Nederlanden in het ressort waar het huwelijk
wordt voltrokken.
3.De verklaring wordt door de
bevoegde autoriteit niet afgegeven alvorens deze, door
kennisneming van de bescheiden, vermeld in artikel 44, eerste lid,
onder a, b, c, d en g, en zo nodig van die, vermeld in de
artikelen 45 en 45a, alsmede in artikel 27b, zich ervan heeft
overtuigd dat naar Nederlands recht geen beletselen tegen het
huwelijk bestaan.
4.De verklaring van
huwelijksbevoegdheid is, te rekenen van het tijdstip van afgifte,
gedurende zes maanden geldig.
Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk
Artikel 50
Een huwelijk kan worden gestuit,
wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk
aan te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande
echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van
de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op
het verkrijgen van toelating tot Nederland.
Artikel 51
1.Bevoegd tot stuiting, wanneer
partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan
te gaan, zijn bloedverwanten in de rechte lijn, broeders, zusters,
voogden en curatoren van een der aanstaande echtgenoten.
2.De in het vorige lid genoemde
personen zijn ook bevoegd een huwelijk te stuiten, wanneer de
andere aanstaande echtgenoot onder curatele staat, en het huwelijk
klaarblijkelijk het ongeluk zou veroorzaken van de partij, waarvan
zij bloedverwant, voogd of curator zijn.
Artikel 52
Hij die met een der partijen door
huwelijk verbonden is dan wel met een der partijen een geregistreerd
partnerschap is aangegaan, kan op grond van het bestaan van dat
huwelijk of dat geregistreerd partnerschap een nieuw aan te gaan
huwelijk stuiten.
Artikel 53
1.Het openbaar ministerie is
verplicht een voorgenomen huwelijk te stuiten, indien het met een
der in de artikelen 31 tot en met 33, 41 en 42 omschreven
huwelijksbeletselen bekend is.
2.Het openbaar ministerie is
bevoegd het huwelijk te stuiten van een minderjarige, die onder
toezicht is gesteld of onder voorlopige voogdij is geplaatst,
indien het belang van die minderjarige zich tegen het aangaan van
het huwelijk verzet; daarbij kan het belang dat de wederpartij bij
het huwelijk heeft, mede in aanmerking worden genomen.
3.Het openbaar ministerie is voorts
bevoegd het huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de
Nederlandse openbare orde te stuiten indien het oogmerk van de
aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de
vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden
plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.
Artikel 54
1.De stuiting geschiedt door
betekening van een akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
van één der gemeenten waar het huwelijk kan worden voltrokken.
2.De akte houdt de keus van een
woonplaats in die gemeente en de gronden van de stuiting in en
vermeldt de hoedanigheid die aan de opposant de bevoegdheid geeft
om het huwelijk te stuiten; alles op straffe van nietigheid.
3.De ambtenaar, aan wie de akte is
betekend, zal van de gedane stuiting onverwijld kennis geven aan
de ambtenaar van de burgerlijke stand der andere gemeenten, waar
het huwelijk kan worden voltrokken.
4.De opposant zal afschrift der
akte van stuiting onverwijld doen betekenen aan de partij, tegen
welke de stuiting is gericht.
Artikel 55
Een stuiting kan worden opgeheven:
a. op dezelfde wijze als waarop
zij is geschied;
b. door een verklaring, in
persoon afgelegd ten overstaan van een der ambtenaren van de
burgerlijke stand, genoemd in het vorige artikel;
c. door een verklaring, afgelegd
ten overstaan van een notaris;
d. door een in kracht van
gewijsde gegane beschikking, gegeven op verzoek van een
belanghebbende.
Artikel 56
Het huwelijk mag niet worden
voltrokken, voordat de stuiting is opgeheven. Mocht het desniettemin
voltrokken zijn hangende een geding tot opheffing van de stuiting,
dan kan dit geding op verlangen van de opposant worden voortgezet en
wordt het huwelijk nietig verklaard, indien de rechter de
gegrondheid der stuiting aanvaardt.
Artikel 57
Een ambtenaar van de burgerlijke
stand aan wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met
33, 41 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot
een huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al
zou geen stuiting hebben plaatsgehad.
Afdeling 4. De voltrekking van het
huwelijk
Artikel 58
1.Komt vast te staan dat op het
tijdstip waarop de voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden
meer dan zes maanden zullen zijn verstreken sinds de afgifte van
een verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k, dan
doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot de
voltrekking van het huwelijk over te gaan, wederom een zodanige
verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van het derde lid
niet vereist is.
2.Indien de overlegging van een
verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k, op het
tijdstip van de aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet
de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot
voltrekking van het huwelijk over te gaan, alsnog een zodanige
verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van het derde lid
niet vereist is.
3.De verklaring wordt opgesteld op
verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft.
Heeft deze geen woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld
op verzoek van de andere aanstaande echtgenoot. De verklaring is
niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen
maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats hebben. De
verklaring is evenmin vereist indien de aanstaande echtgenoot die
niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in Nederland rechtmatig
verblijft op grond van artikel 8, onder b, d of e, van de
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 59 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 60 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 62
1.Het huwelijk mag niet worden
voltrokken vóór de veertiende dag na de datum van de akte van
huwelijksaangifte.
2.Het openbaar ministerie bij de
rechtbank, binnen wier rechtsgebied de huwelijksaangifte is
geschied, is bevoegd uit hoofde van gewichtige redenen
vrijstelling te verlenen van de voorgeschreven wachttijd.
Artikel 63
Een huwelijk wordt in
tegenwoordigheid van ten minste twee en ten hoogste vier
meerderjarige getuigen in het openbaar in het gemeentehuis
voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
van:
a. de woonplaats van één der
partijen ten tijde van de datum van de akte van
huwelijksaangifte, of
b. 's-Gravenhage, in het geval
bedoeld in artikel 43, eerste lid, tweede zin, van dit boek, of
c. de bij de huwelijksaangifte
aangewezen gemeente.
Artikel 64
Indien een der partijen uit hoofde
van een behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich
naar het gemeentehuis te begeven, kan het huwelijk worden voltrokken
in een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente, mits dit in
tegenwoordigheid van zes meerderjarige getuigen geschiedt.
Artikel 65
De aanstaande echtgenoten zijn
verplicht bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de
ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen.
Artikel 66
Het staat Onze Minister van Justitie
vrij, uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen
het huwelijk door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde
te voltrekken.
Artikel 67
1.De aanstaande echtgenoten moeten
ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in
tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander
aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen
vervullen, die door de wet aan de huwelijkse staat worden
verbonden.
2.Terstond nadat deze verklaring is
afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat
partijen door de echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij
daarvan in het daartoe bestemde register een akte op.
Artikel 68
Geen godsdienstige plechtigheden
zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van
de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten
overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.
Afdeling 5. Nietigverklaring van een
huwelijk
Artikel 69
1.Voor zover hieronder niet anders
is bepaald, kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in
zich verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan, de
nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door:
a. de bloedverwanten in de
opgaande lijn van een der echtgenoten;
b. ieder der echtgenoten;
c. alle overige personen, die
daarbij een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter deze
alleen na de ontbinding van het huwelijk;
d. het openbaar ministerie,
echter alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden.
2.Hij die met een der echtgenoten
nog door een vroeger huwelijk dan wel door een eerder
geregistreerd partnerschap is verbonden, is eveneens bevoegd op
grond van het bestaan van dat huwelijk of die registratie de
nietigverklaring van het daarna gesloten huwelijk te verzoeken.
Artikel 70
1.Op verzoek van de ouders, de
echtgenoten en het openbaar ministerie kan een huwelijk worden
nietig verklaard, wanneer het ten overstaan van een niet bevoegde
ambtenaar van de burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van
het vereiste aantal getuigen is voltrokken.
2.De bevoegdheid van een echtgenoot
om uit dien hoofde de nietigverklaring van het huwelijk te
verzoeken vervalt, indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse
staat en een akte van huwelijksvoltrekking ten overstaan van een
ambtenaar van de burgerlijke stand verleden, aanwezig zijn.
Artikel 71
1.Een echtgenoot kan de
nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken, wanneer dit onder
invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten.
2.Een gelijk verzoek komt de
echtgenoot toe, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft
hetzij in de persoon van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de
betekenis van de door hem afgelegde verklaring.
3.De bevoegdheid van de echtgenoot
de nietigverklaring wegens bedreiging of dwaling te verzoeken
vervalt, wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond
sedert het ophouden van de bedreiging of de ontdekking van de
dwaling, zonder dat het verzoek is gedaan.
Artikel 71a
Op verzoek van het openbaar
ministerie kan een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de
Nederlandse openbare orde worden nietig verklaard indien het oogmerk
van de echtgenoten, of één hunner, niet was gericht op de
vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden
plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.
Artikel 72
Een huwelijk kan niet nietig worden
verklaard uit hoofde dat op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking
een der echtgenoten onder curatele stond, en het huwelijk
klaarblijkelijk het ongeluk van de andere echtgenoot zou
veroorzaken.
Artikel 73
De nietigverklaring van een huwelijk
uit hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de
stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk
gestoord was. Het verzoek vervalt door een samenwoning van ten
minste zes maanden na het ophouden van de stoornis.
Artikel 74
De nietigverklaring van een huwelijk,
dat aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan
niet worden verzocht wanneer deze op de dag van het verzoek de
vereiste ouderdom heeft, noch wanneer de vrouw vóór de dag van het
verzoek zwanger is geworden.
Artikel 75
1.Wegens het ontbreken van een
vereiste toestemming van een derde kan de nietigverklaring van het
huwelijk alleen door die derde of, in het geval van artikel 38 van
dit boek, door de curator worden verzocht. Dit verzoek vervalt,
wanneer hij die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, het
huwelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft goedgekeurd, of
wanneer drie maanden verlopen zijn nadat hij met de
huwelijksvoltrekking bekend is geworden.
2.Hij die bevoegd is de
nietigverklaring te verzoeken, wordt vermoed met het huwelijk
bekend te zijn geworden, wanneer het hier te lande is voltrokken,
of wanneer het, buiten Nederland aangegaan, hier te lande in de
registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
Artikel 76
Behoudens het in artikel 56 van dit
boek bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op
grond van een verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze
afdeling.
Artikel 77
1.De nietigverklaring van het
huwelijk werkt, zodra de beschikking in kracht van gewijsde is
gegaan; zij werkt terug tot het tijdstip van de
huwelijksvoltrekking.
2.Nochtans mist de beschikking
terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde gevolg als een
echtscheiding:
a. ten aanzien van de kinderen
der echtgenoten;
b. ten aanzien van de te goeder
trouw zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een
gemeenschap van goederen aanspraak maken, wanneer het huwelijk
wegens het bestaan van een vroeger huwelijk of een eerder
geregistreerd partnerschap is nietig verklaard;
c. ten aanzien van andere
personen dan de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te
goeder trouw vóór de inschrijving der nietigverklaring
rechten hebben verkregen.
Afdeling 5A [Vervallen per
01-03-2009]
Artikel 77a [Vervallen per
01-03-2009]
Afdeling 6. Bewijs van het bestaan
van het huwelijk
Artikel 78
Het bestaan van een in Nederland
gesloten huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de
huwelijksakte dan wel door de akte van omzetting, bedoeld in artikel
80g, behoudens in de gevallen bij de volgende artikelen voorzien.
Artikel 79
Heeft het huwelijksregister niet
bestaan of is het verloren gegaan of ontbreekt daaraan de
huwelijksakte, dan wel de akte van omzetting, bedoeld in artikel
80g, dan kan het huwelijk door getuigen of bescheiden worden
bewezen, mits er een uiterlijk bezit van de huwelijkse staat
aanwezig is.
Artikel 80
Wordt in een geding betwist dat een
kind, dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is
geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en vrouw
hebben geleefd, voldoende bewijs op.
Titel 5A. Het geregistreerd
partnerschap
Artikel 80a
1.Een persoon kan tegelijkertijd
slechts met één andere persoon van hetzelfde of andere geslacht
een geregistreerd partnerschap aangaan.
2.Zij die een geregistreerd
partnerschap aangaan, mogen niet tegelijkertijd gehuwd zijn.
3.Registratie van partnerschap
geschiedt bij een akte van registratie van partnerschap opgemaakt
door een ambtenaar van de burgerlijke stand.
4.Zij die een geregistreerd
partnerschap willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van
gegevens omtrent hun burgerlijke staat, en indien zij eerder een
partnerschap hadden laten registreren of gehuwd zijn geweest, met
vermelding van de namen van de vroegere partner dan wel van de
namen van de vroegere echtgenoot, aangifte doen bij de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de woonplaats van één der partijen.
Wanneer de aanstaande geregistreerde partners, van wie ten minste
één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland
woonplaats hebben en in een Nederlandse gemeente een geregistreerd
partnerschap met elkaar willen aangaan, geschiedt de aangifte bij
de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage. De
artikelen 43, tweede tot en met vierde lid, en 46 zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.Een partnerschapsregistratie kan
worden gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich
verenigen om de registratie aan te gaan, dan wel wanneer het
oogmerk van de aanstaande geregistreerde partners, of één
hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de
partnerschapsregistratie verbonden plichten, doch op het
verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een stuiting zijn de
artikelen 51, 52, 53, tweede en derde lid, en 54 tot en met 56 van
overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is verplicht
een partnerschapsregistratie te stuiten, indien het met een van de
in de artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van dit
artikel omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde
beletselen bekend is, mag hij niet tot een aangifte of registratie
meewerken, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad.
6.Ter zake van de
partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31, 32, 35 tot en met
39, 41, 44 tot en met 49, 58, en 62 tot en met 66 van
overeenkomstige toepassing.
7.Op de nietigverklaring van een
partnerschapsregistratie zijn van overeenkomstige toepassing de
artikelen 69 tot en met 73, 74, 75 tot en met 77, eerste lid en
tweede lid.
8.Op het bewijs van het bestaan van
de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 78 en 79 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 80b
Op een geregistreerd partnerschap
zijn de titels 6, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80c
1.Het geregistreerd partnerschap
eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling
van de achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden
dan wel overleden is verklaard, nog in leven is op de dag
waarop de achtergebleven geregistreerde partner een nieuw
geregistreerd partnerschap of huwelijk is aangegaan: door de
voltrekking van dit geregistreerd partnerschap of huwelijk;
c. met wederzijds goedvinden
door inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand
van een door beide partners en een of meer advocaten of
notarissen ondertekende en gedateerde verklaring waaruit
blijkt dat en op welk tijdstip de partners omtrent de
beëindiging van het geregistreerd partnerschap een
overeenkomst hebben gesloten.
d. door ontbinding op verzoek
van de partners of een van hen;
e. door omzetting van een
geregistreerd partnerschap in een huwelijk.
2.Tot inschrijving van verklaringen
als bedoeld in het eerste lid, onder c, is de ambtenaar van de
burgerlijke stand steeds bevoegd indien het geregistreerd
partnerschap in Nederland is aangegaan. Indien het partnerschap
buiten Nederland is aangegaan, is de ambtenaar van de burgerlijke
stand tot inschrijving van verklaringen als bedoeld in het eerste
lid, onder c, bevoegd indien voldaan is aan de voorwaarden van
artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering voor de bevoegdheid van de rechter in geval van de
ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
3.Een geregistreerd partnerschap
kan niet met wederzijds goedvinden als bedoeld in het eerste lid,
onder c, worden beëindigd indien de partners:
a. al dan niet gezamenlijk het
gezag uitoefenen over een of meer van hun gezamenlijke
kinderen;
b. ingevolge artikel 253sa of
253t het gezag gezamenlijk uitoefenen over een of meer
kinderen.
Artikel 80d
1.De in artikel 80c, onder c,
bedoelde overeenkomst betreft ten minste de verklaring van beide
partners dat hun geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is
en dat zij het willen beëindigen. Voorts betreft de overeenkomst,
evenwel niet op straffe van nietigheid:
a. de uitkering tot
levensonderhoud ten behoeve van de geregistreerde partner die
niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch
zich in redelijkheid kan verwerven;
b. wie van de geregistreerde
partners huurder van de woonruimte die hen tot hoofdverblijf
dient, zal zijn of wie van de geregistreerde partners
gedurende een bij de overeenkomst te bepalen termijn het
gebruik zal hebben van de woning en de inboedel die een van
hen of hen beiden toebehoren dan wel ten gebruike toekomen;
c. de verdeling van enige
gemeenschap waarin de partners de registratie zijn aangegaan
dan wel de verrekening die bij voorwaarden als bedoeld in
titel 8 is overeengekomen;
d. de verevening of verrekening
van pensioenrechten.
2.Op een beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden zijn de
artikelen 155, 157, vierde en zesde lid, 158, 159, eerste en derde
lid, 159a, 160 en 164 van overeenkomstige toepassing.
3.De verklaring, bedoeld in artikel
80c, onder c, wordt slechts ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand, indien zij de ambtenaar van de burgerlijke
stand uiterlijk drie maanden na het sluiten van de overeenkomst
heeft bereikt.
Artikel 80e
1.Op een ontbinding van een
geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 80c, onder d,
zijn de artikelen 151, 153, 155, 157 tot en met 160, 164 en 165
van overeenkomstige toepassing.
2.De ontbinding komt tot stand door
inschrijving van een rechterlijke uitspraak op verzoek van
partijen of van één van hen in de registers van de burgerlijke
stand. Artikel 163, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80f
Indien de partijen wier geregistreerd
partnerschap is beëindigd, opnieuw een geregistreerd partnerschap
met elkaar aangaan dan wel met elkaar in het huwelijk treden,
herleven alle gevolgen van het geregistreerd partnerschap van
rechtswege alsof er geen beëindiging heeft plaats gehad. Nochtans
wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de inschrijving
van de beëindiging en de nieuwe registratie of het huwelijk zijn
verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. Op het
maken of wijzigen van de voorwaarden, bedoeld in titel 8, vóór het
aangaan van de nieuwe registratie of het huwelijk is artikel 119 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 80g
1.Indien twee personen aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand kenbaar maken dat zij het
geregistreerd partnerschap dat zij zijn aangegaan, omgezet wensen
te zien in een huwelijk, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de woonplaats van één der partijen ter zake een akte van
omzetting opmaken. Indien de geregistreerde partners van wie ten
minste één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland
woonplaats hebben en in Nederland hun geregistreerd partnerschap
in een huwelijk willen omzetten, geschiedt de omzetting bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
2.De artikelen 65 en 66 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Een omzetting doet het
geregistreerd partnerschap eindigen en het huwelijk aanvangen op
het tijdstip dat de akte van omzetting in het register van
huwelijken is opgemaakt. De omzetting brengt geen wijziging in de
al dan niet bestaande familierechtelijke betrekkingen met kinderen
die voor de omzetting zijn geboren.
Titel 6. Rechten en verplichtingen
van echtgenoten
Artikel 81
Echtgenoten zijn elkander
getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht
elkander het nodige te verschaffen.
Artikel 82
Echtgenoten zijn jegens elkaar
verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te
verzorgen en op te voeden en de kosten van die verzorging en
opvoeding te dragen.
Artikel 83 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 84
1.De kosten der huishouding,
daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen van de
echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun
eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens
ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene
vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de
eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt
niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.
2.De echtgenoten zijn jegens elkaar
verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het
eerste lid bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te
stellen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover
bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten.
3.Bij schriftelijke overeenkomst
kan een van het eerste en tweede lid afwijkende regeling worden
getroffen.
4.Geschillen tussen de echtgenoten
omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid worden
door de rechtbank op verzoek van beiden of een van hen beslist.
5.Op verzoek van beide of van een
van de echtgenoten kan de rechtbank een gegeven beschikking of een
onderling getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde
omstandigheden.
Artikel 85
De ene echtgenoot is naast de andere
voor het geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de
gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met
inbegrip van die welke voortvloeien uit de door hem als werkgever
ten behoeve van de huishouding aangegane arbeidsovereenkomsten.
Artikel 86
1.De rechtbank kan, wanneer daartoe
gegronde redenen bestaan, op verzoek van een echtgenoot bepalen
dat deze niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere
echtgenoot in het vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in
het vorige artikel.
2.Een overeenkomstig dit artikel
gegeven rechterlijke beschikking kan bij veranderde omstandigheden
op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen, worden gewijzigd of
opgeheven.
3.De beschikking kan aan derden die
van haar bestaan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen,
indien zij ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116 van dit boek, en na de inschrijving
veertien dagen waren verlopen.
4.In de beschikking kan worden
bepaald dat zij bovendien moet worden bekend gemaakt in een of
meer door de rechter aangewezen dagbladen. In dat geval werkt de
beschikking ten nadele van derden die daarvan onkundig waren, ook
niet vóór deze bekendmaking.
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 88
1. Een echtgenoot behoeft de
toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende
rechtshandelingen:
a. overeenkomsten strekkende
tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en
rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het gebruik
van een door de echtgenoten tezamen of door de andere
echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken die bij een
zodanige woning of tot de inboedel daarvan behoren;
b. giften, met uitzondering van
de gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. overeenkomsten die ertoe
strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van
zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk
medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of
zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde
verbindt;
d. overeenkomsten van koop op
afbetaling, behalve van zaken welke kennelijk uitsluitend of
hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn
beroep of bedrijf strekken.
2. De echtgenoot behoeft de
toestemming niet, indien hij tot het verrichten der
rechtshandeling is verplicht op grond van de wet of op grond van
een voorafgaande rechtshandeling waarvoor die toestemming is
verleend of niet was vereist.
3. De toestemming moet schriftelijk
of langs elektronische weg worden verleend, indien de wet voor het
verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.
4. In afwijking van lid 1, onder b,
is geen toestemming vereist voor giften welke de strekking hebben
dat zij pas zullen worden uitgevoerd na het overlijden van degene
die de gift doet, en niet reeds tijdens diens leven worden
uitgevoerd. Bestaat de gift in de aanwijzing van een begunstigde
bij een sommenverzekering die tijdens het leven van de
verzekeringnemer is aanvaard of kan worden aanvaard, dan is
daarvoor wel toestemming vereist.
5. Toestemming voor een
rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c, is niet vereist,
indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze
vennootschap of van een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders
de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten
behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die
vennootschap.
6. Indien de andere echtgenoot door
afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert
zijn wil te verklaren of zijn toestemming niet verleent, kan de
beslissing van de rechtbank worden ingeroepen.
Artikel 89
1.Een rechtshandeling die een
echtgenoot in strijd met het vorige artikel heeft verricht, is
vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de
vernietigingsgrond doen.
2.Het vorige lid geldt niet voor
een andere handeling dan een gift, indien de wederpartij te goeder
trouw was.
3.Het einde van het huwelijk en
scheiding van tafel en bed hebben geen invloed op de bevoegdheid
om ter vernietiging van een rechtshandeling van een echtgenoot een
beroep op de vernietigingsgrond te doen, die voordien was
ontstaan. Indien de andere echtgenoot dientengevolge schuldenaar
uit die rechtshandeling wordt, geldt artikel 51 lid 3 van Boek 3
voor hem slechts, zolang de termijn van artikel 52 lid 1 van Boek
3 niet is verstreken.
4.De verklaring of rechtsvordering
tot vernietiging behoeft in afwijking van de artikelen 50 lid 1 en
51 lid 2 van Boek 3 niet mede te worden gericht tot de echtgenoot
die de handeling heeft verricht.
5.De echtgenoot die een beroep op
de vernietingsgrond heeft gedaan, kan tevens alle uit de
nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.
Artikel 90
1.Een echtgenoot is bevoegd tot het
bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel
97, tot het bestuur van goederen van een gemeenschap.
2.Het bestuur van een echtgenoot
over een goed omvat de uitoefening, met uitsluiting van de andere
echtgenoot, van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder
begrepen de bevoegdheid tot beschikking en de bevoegdheid om ten
aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe
te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de
andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen.
3.Tussen de echtgenoot die het hem
toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze
laatste zijn de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige
toepassing, met inachtneming van de aard van de
huwelijksverhouding en de aard der goederen.
4.De echtgenoot die een goed
bestuurt, kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot
een rechtshandeling die deze laatste met betrekking tot dat goed
heeft verricht. De verklaring van toetreding wordt gericht tot hen
die partij bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is
van overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de
rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt voor
de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding tot
bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen
uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden
onder eerbiediging van tevoren aan derden verleende rechten.
Artikel 91
1.Indien een echtgenoot door
afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert
zijn goederen of de goederen der gemeenschap te besturen, of in
ernstige mate tekortschiet in het bestuur van de goederen der
gemeenschap, kan de rechtbank op verzoek van de andere echtgenoot
aan deze het bestuur over die goederen of een deel daarvan met
uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot opdragen. De rechter
kan bij de opdracht nadere regelen stellen omtrent het bestuur en
de vertegenwoordiging in de zin van lid 4.
2.De artikelen 86 leden 2-4 en 90
lid 3 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De rechter gelast de oproeping
van beide echtgenoten en, zo de in lid 1 eerstgenoemde echtgenoot
een vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook deze.
4.De echtgenoot aan wie het bestuur
over goederen wordt opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging
van de echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan
bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.
Artikel 92
1.Is aan een derde niet kenbaar wie
van de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende
zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag
hij de echtgenoot die de zaak of het papier aan toonder onder zich
heeft, bevoegd achten.
2.De echtgenoot die ten gevolge van
een rechtshandeling van de andere echtgenoot door een derde te
goeder trouw in het bestuur van een goed is gestoord, verliest het
recht tot beëindiging van de stoornis, indien hij zich tegen de
stoornis niet heeft verzet binnen een redelijke termijn nadat zij
te zijner kennis is gekomen. De bevoegdheid van de echtgenoot tot
beëindiging van de stoornis vervalt eveneens indien de derde hem
een redelijke termijn heeft gesteld ter uitoefening van die
bevoegdheid en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
3.Aan een derde kan niet worden
tegengeworpen dat een vordering tot vergoeding welke tijdens het
huwelijk is ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de
echtgenoten onderling of tussen een der echtgenoten en een tussen
hen bestaande gemeenschap, niet opeisbaar is.
Artikel 92a
Deze titel is niet van toepassing op
van tafel en bed gescheiden echtgenoten.
Titel 7. De wettelijke gemeenschap
van goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 93
Van het ogenblik der voltrekking van
het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege algehele
gemeenschap van goederen, voor zover daarvan bij huwelijkse
voorwaarden niet is afgeweken.
Artikel 94
1.De gemeenschap omvat, wat haar
baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen der
echtgenoten, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij
uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald
dat zij buiten de gemeenschap vallen, en met uitzondering van het
vruchtgebruik, bedoeld in afdeling 2 van titel 3 van Boek 4.
2.Zij omvat, wat haar lasten
betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten.
3.Goederen en schulden die aan een
der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn,
vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich
hiertegen niet verzet.
4.Onverminderd het in artikel 155
van dit boek bepaalde vallen pensioenrechten waarop de Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding (Stb. 1994, 342) van
toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende
rechten op nabestaandenpensioen niet in de gemeenschap.
Artikel 95
1.Voor een schuld van een
echtgenoot, die in de gemeenschap is gevallen, kunnen zowel de
goederen der gemeenschap als zijn eigen goederen worden
uitgewonnen.
2.De echtgenoot uit wiens eigen
goederen een schuld der gemeenschap is voldaan, heeft deswege
recht op vergoeding uit de goederen der gemeenschap.
Artikel 96
1.Ook voor een schuld van een
echtgenoot, die niet in de gemeenschap is gevallen, kunnen de
goederen der gemeenschap worden uitgewonnen, tenzij de andere
echtgenoot eigen goederen van eerstgenoemde aanwijst, die
voldoende verhaal bieden.
2.De echtgenoot wiens niet in de
gemeenschap gevallen schuld uit goederen der gemeenschap is
voldaan, is deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap.
Afdeling 2. Het bestuur van de
gemeenschap
Artikel 97
1.Een goed der gemeenschap staat
onder het bestuur van de echtgenoot van wiens zijde het in de
gemeenschap is gevallen, voor zover niet de echtgenoten bij
huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen of de rechter
met toepassing van artikel 91 van dit boek anders heeft bepaald.
Een goed dat moet worden geacht in de plaats te treden van een
bepaald ander goed, komt onder het bestuur van de echtgenoot die
het vervangen goed bestuurde. Een goed dat op naam van een der
echtgenoten is gesteld, staat evenwel onder diens bestuur. Elk der
echtgenoten is bevoegd tot stuiting van verjaring ten behoeve van
de gemeenschap.
2.Is een goed der gemeenschap met
toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur het
stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere
echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het
handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of
bedrijf zijn te beschouwen, bij laatstgenoemde echtgenoot en voor
het overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende
toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of bedrijf,
tenzij de echtgenoten anders overeenkomen, doch de rechtbank kan
de dienstbaarheid op verzoek van een echtgenoot te allen tijde
wegens gegronde redenen beëindigen.
Artikel 98
De echtgenoten verstrekken elkander
desgevraagd inlichtingen over het gevoerde bestuur, alsmede over de
stand der goederen en schulden van de gemeenschap.
Afdeling 3. Ontbinding van de
gemeenschap
Artikel 99
1.De gemeenschap wordt van
rechtswege ontbonden:
a. door het eindigen van het
huwelijk;
b. door scheiding van tafel en
bed;
c. door een beschikking die de
gemeenschap opheft;
d. door opheffing bij latere
huwelijkse voorwaarden.
2.Tezamen met een verzoek waarvan
toewijzing ontbinding tot gevolg zal hebben kan reeds
overeenkomstig titel 7 van Boek 3 een vordering worden ingesteld
tot verdeling van de gemeenschap, tot gelasten van de wijze van
verdeling en tot vaststelling van de verdeling, telkens voor het
geval de gemeenschap wordt ontbonden.
Artikel 100
1.De echtgenoten hebben een gelijk
aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij
huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de
echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande
ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge
van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.
2.Zij die bij de ontbinding van de
gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht
van verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet
verdeeld zijn.
Artikel 101
Na de ontbinding der gemeenschap
heeft ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike
strekkende kleren en kleinodiën, alsmede zijn beroeps- en
bedrijfsmiddelen en de papieren en gedenkstukken tot zijn familie
behorende, tegen de geschatte prijs over te nemen.
Artikel 102
Na ontbinding van de gemeenschap
blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de
gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor
andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft
aansprakelijk; voor dat gedeelte der schuld is hij hoofdelijk met de
andere echtgenoot verbonden.
Artikel 103
1.Ieder der echtgenoten heeft het
recht van de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede strijdige
overeenkomsten zijn nietig.
2.Het deel der gemeenschap waarvan
afstand wordt gedaan, wast aan bij het deel van de andere
echtgenoot.
3.De echtgenoot die afstand heeft
gedaan, kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan alleen zijn
bed met bijbehorend beddegoed en de kleren die hij voor zijn
persoonlijk gebruik nodig heeft. Hij kan de papieren en
gedenkstukken, tot zijn familie behorende, tegen de geschatte
prijs overnemen.
4.Door deze afstand wordt hij
ontheven van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden
der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap
niet aansprakelijk was.
5.Hij blijft aansprakelijk voor de
schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der
gemeenschap aansprakelijk was. Indien hij een schuld, waarvoor
beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het
geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan,
heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot.
6.Indien de andere echtgenoot een
schuld der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der
gemeenschap niet aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft
voldaan, heeft hij deswege verhaal tegen de echtgenoot die de
afstand heeft gedaan. Heeft hij een schuld, waarvoor beide
echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel
aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan heeft hij
voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft
gedaan.
Artikel 104
1.De echtgenoot die van het bij het
vorige artikel omschreven voorrecht wil gebruik maken, is
verplicht binnen drie maanden na de ontbinding der gemeenschap een
akte van afstand te doen inschrijven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van dit boek,
op verbeurte van dit voorrecht.
2.Indien de gemeenschap door de
dood van de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn
van drie maanden te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van
het voorrecht wil gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft
genomen. Indien de gemeenschap door opheffing of door scheiding
van tafel en bed is ontbonden, eindigt de termijn drie maanden
nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 105
1.De erfgenamen van een echtgenoot,
door wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden, of die binnen
de in het vorige artikel gestelde termijn is overleden zonder
afstand te hebben gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op
de in het vorige artikel omschreven wijze afstand te doen binnen
drie maanden nadat zij met het overlijden bekend zijn geworden.
2.De aanspraak van de echtgenoot
tot terugvordering van zijn bed, beddegoed, en kleren uit de
gemeenschap kan niet worden overgedragen en gaat ook niet over op
zijn erfgenamen.
Artikel 106
De rechtbank van de plaats waar de
akte van afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de
inschrijving gestelde termijn voor de afloop daarvan een of meer
malen op grond van bijzondere omstandigheden verlengen.
Artikel 107
1.De echtgenoot of zijn erfgenaam,
die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of
goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand
meer doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de
goederen brengen dit gevolg niet teweeg.
2.Hij die na gedane afstand
goederen der gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de
bevoegdheid artikel 103 lid 4 van dit boek in te roepen.
Artikel 108
1.Afstand van de gemeenschap, door
een echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat
door de andere echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen
afstand werd gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel
103 leden 2 en 3 van dit boek, en verplicht hen die tot de
gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen. Afdeling 3 van
titel 6 van Boek 4 betreffende de vereffening van nalatenschappen
is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
2.Indien hij die tot vereffening
van de gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de
rekening en verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft
aan deze verplichting te voldoen, verliest hij de bevoegdheid
artikel 103 lid 4 van dit boek in te roepen.
Afdeling 4. Opheffing van de
gemeenschap bij beschikking
Artikel 109
Een echtgenoot kan opheffing van de
gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige
wijze schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt,
handelingen verricht, die kennelijk indruisen tegen het bestuur van
de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de
nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der
gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die
goederen gevoerde bestuur.
Artikel 110
1.Het verzoek moet in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van dit boek,
worden ingeschreven, en moet openlijk worden bekend gemaakt in een
landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waar
de tot kennisneming van het verzoek bevoegde rechter zitting
houdt. De bekendmaking vermeldt de datum van het verzoek en de
naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van ieder der
echtgenoten. De beschikking mag niet worden gegeven binnen een
maand nadat de bekendmaking heeft plaatsgehad.
2.De echtgenoot die de opheffing
van de gemeenschap vraagt, kan tot behoud van zijn recht de
maatregelen nemen, die in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering nader zijn aangegeven.
Artikel 111
1.De beschikking, waarbij het
verzoek tot opheffing van de gemeenschap is toegewezen, werkt
terug tot de dag, waarop aan het eerste lid van het vorige artikel
is voldaan, vanaf welke dag de echtgenoten worden geacht te zijn
gehuwd met uitsluiting van gemeenschap van goederen, onder al
zodanige bedingen als de beschikking zal hebben vastgesteld.
2.Indien de echtgenoot tegen wie
het verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat
hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap
heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88
van dit boek zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft
verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap
te vergoeden.
3.Een op het vorige lid gegronde
vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat de
beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 112
1.De opheffing van de gemeenschap
moet, om tegen derden die daarvan onkundig waren te werken,
openlijk worden bekend gemaakt en, nadat de beschikking in kracht
van gewijsde is gegaan, worden ingeschreven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van dit boek.
2.De bekendmaking geschiedt door
plaatsing van een uittreksel van de beschikking in de
Staatscourant en in een of meer in de beschikking aangewezen
dagbladen. Het uittreksel bevat de gegevens, bedoeld in artikel
110, eerste lid, alsmede de dagtekening van de beschikking en de
aanduiding van de rechtbank die haar heeft gegeven. De gronden
waarop de beschikking berust mogen in het uittreksel niet worden
opgenomen.
Artikel 113
Is de gemeenschap door opheffing
ontbonden, dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij
huwelijkse voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen.
Titel 8. Huwelijkse voorwaarden
Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in
het algemeen
Artikel 114
Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel
door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als
door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.
Artikel 115
1.Huwelijkse voorwaarden moeten op
straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan.
2.Een volmacht tot het aangaan van
huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend en moet
de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.
Artikel 116
1.Bepalingen in huwelijkse
voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts
worden tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in
het openbaar huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie der
rechtbank binnen welker rechtsgebied het huwelijk is voltrokken,
of, indien het huwelijk buiten Nederland is aangegaan, ter griffie
van de rechtbank te 's-Gravenhage.
2.De wijze van inrichting en
raadpleging van het register wordt nader bij algemene maatregel
van bestuur geregeld.
Artikel 117
1.Huwelijkse voorwaarden vóór het
huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij
wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun
toestemming tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben
gegeven; is de toestemming van de rechter nodig, dan kan worden
volstaan met vasthechting van zijn beschikking aan de minuut van
de akte. Op het verzoek tot toestemming van de rechter is artikel
39 lid 1 van dit boek van overeenkomstige toepassing.
2.Vóór het huwelijk gemaakte
huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der
voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor
worden aangewezen.
Artikel 118
De echtgenoot die onder curatele
staat, kan na de huwelijksvoltrekking slechts met toestemming van
zijn curator huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen.
Artikel 119
1.Het maken of wijzigen van
huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk behoeft de goedkeuring
van de rechtbank. Bij het verzoekschrift der echtgenoten wordt een
ontwerp van de notariële akte overgelegd. Het verzoekschrift kan
zonder tussenkomst van een advocaat worden ingediend.
2.De gehele of gedeeltelijke
goedkeuring wordt slechts geweigerd, indien gevaar voor benadeling
van schuldeisers bestaat, of indien een of meer voorwaarden
strijden met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de
openbare orde.
3.Indien de akte niet is verleden
binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de
beschikking waarbij de goedkeuring is verleend, vervalt deze.
Artikel 120
1.Tijdens het huwelijk gemaakte of
gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op de dag,
volgende op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een
later tijdstip is aangewezen.
2.Bepalingen in deze huwelijkse
voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts
worden tegengeworpen, indien zij ten minste veertien dagen in het
huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.
Artikel 121
1.Partijen kunnen bij huwelijkse
voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap,
mits die voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede
zeden, of de openbare orde strijden.
2.Zij kunnen niet bepalen dat een
hunner tot een groter aandeel in de schulden zal zijn gehouden,
dan zijn aandeel in de goederen der gemeenschap beloopt.
3.Zij kunnen niet afwijken van de
rechten die uit het ouderlijk gezag voortspruiten, noch van de
rechten die de wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.
Artikel 122
De bepalingen van de vorige titel
zijn van toepassing, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk of door
de aard der bedingen, bij de huwelijkse voorwaarden gemaakt, is
afgeweken.
Artikel 123
Wanneer bij huwelijkse voorwaarden
een gemeenschap van vruchten en inkomsten is overeengekomen, gelden
de artikelen 124-127 van dit boek, voor zover daarvan niet
uitdrukkelijk of door de aard der bedingen is afgeweken.
Artikel 124
1.De gemeenschap van vruchten en
inkomsten omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die de
echtgenoten tijdens het bestaan van de gemeenschap hebben
verkregen anders dan door erfopvolging, making of gift, met
uitzondering van hetgeen krachtens de volgende leden buiten de
gemeenschap valt.
2.Een goed dat een echtgenoot
anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap, indien
het voor meer dan de helft van zijn prijs ten laste van hem
persoonlijk komt.
3.Buiten de gemeenschap valt
hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap
valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van
een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een
vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
Artikel 125
De gemeenschap van vruchten en
inkomsten omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van de
echtgenoten, met uitzondering van die welke hetzij bij de aanvang
van de gemeenschap bestonden, hetzij op verkrijgingen door
erfopvolging, making of gift drukken, hetzij slechts de persoon of
eigen goederen van één der echtgenoten betreffen en noch geheel
noch gedeeltelijk uit inkomsten betaald plegen te worden. Een schuld
die een echtgenoot met medeweten van de schuldeiser in verband met
de verwerving van een eigen goed aangaat, valt niet in de
gemeenschap.
Artikel 126
1.Buiten de gemeenschap van
vruchten en inkomsten vallen de goederen en schulden die behoren
tot een door één der echtgenoten uitgeoefend bedrijf of vrij
beroep. Deze bepaling is niet van toepassing op registergoederen
op naam van de andere echtgenoot.
2.Ten bate of ten laste van de
gemeenschap komen vergoedingen ten bedrage van de winsten en
verliezen van het bedrijf of beroep, vast te stellen naar normen
die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd.
3.Voor zover een echtgenoot in
overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een
niet op zijn eigen naam uitgeoefend bedrijf hem rechtstreeks of
middellijk ten goede komen, wordt dat bedrijf voor de toepassing
van het vorige lid aangemerkt als een door die echtgenoot
uitgeoefend bedrijf.
Artikel 127
Voor zover bij de ontbinding van de
gemeenschap van vruchten en inkomsten de goederen der gemeenschap,
met inachtneming van de in het vorige artikel en de artikelen 95 lid
2 en 96 lid 2 van dit boek bedoelde vergoedingen, niet toereikend
zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze
gedragen door de echtgenoot van wiens zijde zij in de gemeenschap
zijn gevallen, voor zover de aard der schulden niet tot een andere
draagplicht leidt.
Artikel 128
Wanneer bij huwelijkse voorwaarden is
overeengekomen dat er gemeenschap van winst en verlies zal bestaan,
zijn de artikelen 124-126 van dit boek van overeenkomstige
toepassing, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk of door de aard
der bedingen is afgeweken.
Artikel 129 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 130
Een echtgenoot kan tegen derden zijn
aanbreng van bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap
gehouden goederen, voor wat betreft rechten aan toonder en zaken die
geen registergoederen zijn, slechts bewijzen door hun vermelding in
de akte van huwelijkse voorwaarden of in een door de partijen en de
notaris ondertekende, aan de minuut van die akte vastgehechte
beschrijving. Indien de vermelding van een goed geen afdoende
omschrijving daarvan biedt, kan aanvullend bewijs door alle middelen
worden geleverd; ten aanzien van goederen die een echtgenoot buiten
diens weten opgekomen waren, kan het bewijs door alle middelen
worden geleverd.
Artikel 131
1.Bestaat tussen de echtgenoten een
geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak
die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn
recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als
gemeenschapsgoed aangemerkt, wanneer tussen hen een gemeenschap
bestaat die dit goed kan omvatten; bestaat er geen zodanige
gemeenschap, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten
voor de helft toe te behoren.
2.Het vermoeden werkt niet ten
nadele van de schuldeisers der echtgenoten.
Afdeling 2. Verrekenbedingen
Paragraaf 1. Algemene regels voor
verrekenbedingen
Artikel 132
1.Deze afdeling is van toepassing
op huwelijkse voorwaarden die een of meer verplichtingen inhouden
tot verrekening van inkomsten of van vermogen.
2.Tenzij anders is bepaald, kan van
deze afdeling bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de
aard der bedingen worden afgeweken.
Artikel 133
1.De verplichting tot verrekening
van inkomsten of van vermogen is wederkerig.
2.De verplichting tot verrekening
heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat
de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben
verkregen. De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking
op vermogen dat krachtens erfopvolging, making of gift wordt
verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat
vermogen of voor die vruchten in de plaats getreden goederen.
Artikel 134
Bij uiterste wilsbeschikking van de
erflater of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening van
krachtens erfopvolging, making of gift verkregen vermogen en van de
vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge
huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.
Artikel 135
1.De verrekening van inkomsten of
van vermogen geschiedt bij helfte.
2.Op de verrekening zijn de
artikelen 181, 183 en 195 tot en met 200 van Boek 3 van dit
wetboek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor de beoordeling van de vraag of benadeling als bedoeld in
artikel 196 van Boek 3 van dit wetboek heeft plaatsgevonden, de in
artikel 142 genoemde tijdstippen bepalend zijn. De artikelen 677
tot en met 680 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Een echtgenoot die opzettelijk
een tot het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoek
maakt of verborgen houdt waardoor de waarde daarvan niet in de
verrekening is betrokken, dient de waarde daarvan niet te
verrekenen, maar geheel aan de andere echtgenoot te vergoeden.
Artikel 136
1.Indien een goed onder aanwending
van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed
tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat
overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen
vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de
totale tegenprestatie. Indien een echtgenoot in verband met de
verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op
de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen
gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is
afgelost of betaald.
2.Bestaat tussen de echtgenoten een
geschil omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen
vermogen wordt gerekend en kan geen van beiden bewijzen dat het
goed tot het niet te verrekenen vermogen wordt gerekend, dan wordt
dat goed aangemerkt als te rekenen tot het te verrekenen vermogen.
Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der
echtgenoten.
Artikel 137
1.Onverminderd het derde lid,
geschiedt een verrekening in geld.
2.Indien op grond van een
verrekenbeding over en weer opeisbare vorderingen ontstaan, worden
beide vorderingen van rechtswege met elkaar verrekend tot aan hun
gemeenschappelijk beloop.
3.Een echtgenoot is slechts
gehouden een inbetalinggeving van goederen te aanvaarden dan wel
kan deze slechts verlangen in plaats van een verrekening in geld,
voor zover de verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 138
1.De ene echtgenoot is aan de
andere geen verantwoording over het bestuur van zijn goederen
schuldig. Slecht bestuur over die goederen verplicht niet tot
schadevergoeding.
2.De ene echtgenoot kan jaarlijks
van de andere echtgenoot een gespecificeerde, schriftelijke en
ondertekende opgave verzoeken van de te verrekenen inkomsten en
van het te verrekenen vermogen. Van deze bepaling kan niet worden
afgeweken.
3.Geschillen tussen de echtgenoten
betreffende de opgave worden op verzoek van een van hen door de
rechtbank beslist.
Artikel 139
1.Een echtgenoot kan de opheffing
van de wederzijdse verplichting tot verrekening verzoeken, wanneer
de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, zijn
goederen verspilt of weigert de in artikel 138, tweede lid,
bedoelde verplichte opgave omtrent zijn te verrekenen inkomsten of
vermogen te verstrekken.
2.Indien de echtgenoot tegen wie
het verzoek zich richt, het te verrekenen vermogen benadeelt
doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden
daarvoor lichtvaardig schulden heeft gemaakt, te verrekenen
goederen heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in
artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft
verricht, is hij gehouden de aangerichte schade te vergoeden.
3.Van het eerste en tweede lid kan
niet worden afgeweken.
Artikel 140
1.Op verzoek van de
verrekenplichtige echtgenoot kan de rechter wegens gewichtige
redenen bepalen dat een verschuldigde geldsom, al dan niet
vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, in
termijnen of eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens,
hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de
rechter op de belangen van beide partijen. De rechter kan de
verrekenplichtige echtgenoot verplichten binnen een bepaalde tijd
zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening
van de verschuldigde geldsom.
2.Hetgeen in het eerste lid omtrent
een echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn
overlijden voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel.
3.Van het eerste en tweede lid kan
niet worden afgeweken.
Paragraaf 2. Periodieke
verrekenbedingen
Artikel 141
1.Indien een verrekenplicht
betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven
tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend,
blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand
en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en
herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de
vruchten daarvan.
2.Indien een verrekenplicht
betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven
tijdvak van het huwelijk, dan eindigt die verrekenplicht op het
tijdstip zoals in artikel 142 bepaald, als dat tijdvak nog loopt.
3.Indien bij het einde van het
huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen
periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is
voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn
gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de
eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en
omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143 is
van overeenkomstige toepassing.
4.Indien een echtgenoot in
overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een
niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks
of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is
overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, worden de niet
uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het
maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in
aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van
die echtgenoot, onverminderd het eerste lid.
5.Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing, indien een echtgenoot op eigen naam
een onderneming uitoefent.
6.De vordering tot verrekening,
bedoeld in het eerste lid, verjaart niet eerder dan drie jaren na
de beëindiging van het huwelijk dan wel het onherroepelijk worden
van de beschikking tot scheiding van tafel en bed. Deze termijn
kan niet worden verkort.
Paragraaf 3. Finale verrekenbedingen
Artikel 142
1.Als tijdstip waarop de
samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden
bepaald, geldt:
a. in geval van het eindigen
van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door
overlijden: het tijdstip van overlijden;
b. in geval van beëindiging
van het huwelijk door echtscheiding: het tijdstip van
indiening van het verzoek tot echtscheiding;
c. in geval van scheiding van
tafel en bed: het tijdstip van indiening van het verzoek tot
scheiding van tafel en bed;
d. in geval van opheffing van
de wederzijdse verplichting tot verrekening als bedoeld in
artikel 139: het tijdstip van indiening van het verzoek tot
opheffing van die verplichting;
e. in geval van beëindiging
van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden:
het tijdstip waarop de overeenkomst tot beëindiging wordt
gesloten;
f. in geval van ontbinding van
het geregistreerd partnerschap op verzoek: het tijdstip van
indiening van het verzoek;
g. in geval van vermissing en
een daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: het
tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste
lid, in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Van het eerste lid, aanhef en
onder b tot en met f, kan bij op schrift gestelde overeenkomst
worden afgeweken.
Artikel 143
1.Vanaf de in het eerste lid van
artikel 142 vermelde tijdstippen kan ieder der echtgenoten
verzoeken dat het te verrekenen vermogen van de andere echtgenoot
wordt beschreven.
2.De artikelen 671 tot en met 676
en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Hetgeen in de vorige leden
omtrent een echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze
na zijn overlijden voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene
titel.
4.Van het eerste tot en met het
derde lid kan niet worden afgeweken.
Artikel 144 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 145 [Vervallen per
01-09-2002]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 146 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 147 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 148 [Vervallen per
01-01-2003]
Titel 9. Ontbinding van het huwelijk
Afdeling 1. Ontbinding van het
huwelijk in het algemeen
Artikel 149
Het huwelijk eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling van
de achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden dan wel
overleden is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de
achtergebleven echtgenoot een nieuw huwelijk of geregistreerd
partnerschap is aangegaan: door de voltrekking van dit huwelijk
of geregistreerd partnerschap;
c. door echtscheiding,
overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van deze
titel;
d. door ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed, overeenkomstig de
bepalingen van de tweede afdeling van de tiende titel van dit
boek.
Afdeling 2. Echtscheiding
Artikel 150
Echtscheiding tussen echtgenoten die
niet van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek
van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.
Artikel 151
Echtscheiding wordt op verzoek van
één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam
ontwricht is.
Artikel 152 [Vervallen per
01-01-1993]
Artikel 153
1.Indien als gevolg van de
verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen
aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die
het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou
verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek
verweer voert, kan deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent
een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van
het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te
achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. indien redelijkerwijs te
verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval
voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de duurzame
ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is
aan de andere echtgenoot.
Artikel 154
1.Echtscheiding wordt op
gemeenschappelijk verzoek van de echtgenoten uitgesproken indien
het verzoek is gegrond op hun beider oordeel dat het huwelijk
duurzaam ontwricht is.
2.Ieder der echtgenoten is tot op
het tijdstip der uitspraak bevoegd het verzoek in te trekken.
Artikel 155
In geval van echtscheiding en voor
zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de
echtscheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere
echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding recht op
pensioenverevening, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in
deze Wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten.
Artikel 156 [Vervallen per
01-01-1993]
Artikel 157
1.De rechter kan bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de
echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud
heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek
ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot
levensonderhoud toekennen.
2.Bij de vaststelling van de
uitkering kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een
voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden
van degene die tot de uitkering is gehouden.
3.De rechter kan op verzoek van
één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling
van voorwaarden en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten
gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaren na
de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van
de burgerlijke stand.
4.Indien de rechter geen termijn
heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van
rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren,
die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de
registers van de burgerlijke stand.
5.Indien de beëindiging van de
uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid
bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde
handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan
worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn
vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat
drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter
bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst
daarvan al dan niet mogelijk is.
6.Indien de duur van het huwelijk
niet meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen
kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud
van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is
aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van
inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke
stand. Indien de rechter een termijn vaststelt, kan deze
vaststelling niet ten gevolge hebben dat de uitkering op een later
tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het geval zou zijn.
Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat in de eerste zin in plaats van "de in het
vierde lid bedoelde termijn" wordt gelezen: de in de eerste
zin bedoelde termijn.
Artikel 158
Vóór of na de beschikking tot
echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en
zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de
ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden.
Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157,
vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 159
1.Bij de overeenkomst kan worden
bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden
gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een
zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt.
2.Het beding vervalt, indien de
overeenkomst is aangegaan vóór de indiening van het verzoek tot
echtscheiding, tenzij dit binnen drie maanden na de overeenkomst
is ingediend. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij
een gemeenschappelijk verzoek.
3.Ondanks een zodanig beding kan op
verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij
de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden
gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van
omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.
Artikel 159a
Een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 158 en 159 van dit boek staat niet in de weg aan verhaal
op grond van paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand en laat de
vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet.
Artikel 160
Een verplichting van een gewezen
echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te
verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het
huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is
gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij
hun partnerschap laten registreren.
Artikel 161 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 161a [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 162 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 162a [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 163
1.De echtscheiding komt tot stand
door de inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
2.De inschrijving geschiedt op
verzoek van partijen of van één van hen.
3.Indien het verzoek tot
inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop
de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de
beschikking haar kracht.
Artikel 164
1.Indien een tussen de echtgenoten
bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld
doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden
daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der
gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in
artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of
machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van
de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de
aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
2.Een op het vorige lid gegronde
rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na
de inschrijving van de beschikking.
Artikel 165
1.Op verzoek van een echtgenoot kan
de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere
uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de
inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de
andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike
toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en
het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan
behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de
beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.
2.Tegen hem kan een in dat tijdvak
zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte
rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in
het vorige lid omschreven bevoegdheid.
3.Weigert hij zijn toestemming of
is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank
die in eerste aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft
beslist, op verzoek van de andere gewezen echtgenoot, bepalen dat
het vorige lid buiten toepassing blijft.
Artikel 166
Indien de gescheiden echtgenoten met
elkander hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan,
herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er
geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid
van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en
het nieuwe huwelijk of het geregistreerd partnerschap zijn verricht,
beoordeeld naar het tijdstip der handeling. Op het maken of wijzigen
van de voorwaarden, bedoeld in titel 8, voor het aangaan van het
nieuwe huwelijk of de registratie vindt artikel 119 overeenkomstige
toepassing.
Artikel 167 [Vervallen per
05-07-1982]
Titel 10. Scheiding van tafel en bed
en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Afdeling 1. Scheiding van tafel en
bed
Artikel 168 [Vervallen per
22-06-2001]
Artikel 169
1.Scheiding van tafel en bed kan
worden verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als
echtscheiding.
2.De artikelen 151, 154 tot en met
159a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
de termijnen, bedoeld in artikel 157, derde tot en met zesde lid,
aanvangen op de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel
en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116, en dat de duur van het huwelijk wordt
berekend tot die dag.
3.Een verplichting van een
echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed
levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot, eindigt
bij ontbinding van het huwelijk.
Artikel 170 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 171 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 171a [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 172 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 173
1.De scheiding van tafel en bed
komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
2.De inschrijving geschiedt op
verzoek van de echtgenoten of van één van hen.
3.Indien het verzoek niet is gedaan
uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht
van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 174
1.Indien een tussen de echtgenoten
bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld
doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden
daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der
gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in
artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of
machtiging heeft verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking
waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, is
ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap te
vergoeden.
2.Een op het eerste lid gegronde
rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na
de inschrijving van de beschikking van scheiding van tafel en bed.
Artikel 175
1.Op verzoek van een echtgenoot kan
de rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed
of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde
van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan
de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten
gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de
bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel
daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving
van de beschikking, tegen een redelijke vergoeding voort te
zetten.
2.Tegen hem kan een in dat tijdvak
zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte
rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in
het vorige lid omschreven bevoegdheid.
3.Weigert hij zijn toestemming of
is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank
die in eerste aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en
bed heeft beslist, op verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat
het vorige lid buiten toepassing blijft.
Artikel 176
1.Een scheiding van tafel en bed
eindigt door de verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat
zij op hun eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116, hebben doen inschrijven dat de
scheiding heeft opgehouden te bestaan.
2.De inschrijving doet alle
gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven, alsof er geen
scheiding van tafel en bed had plaatsgehad. Nochtans wordt de
geldigheid van rechtshandelingen die tussen de scheiding van tafel
en bed en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het
tijdstip van de handeling.
Artikel 177 [Vervallen per
01-06-2001]
Artikel 178 [Vervallen per
05-07-1982]
Afdeling 2. Ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed
Artikel 179
1.Ontbinding van het huwelijk van
echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek
van een der echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding
tenminste drie jaren heeft geduurd.
2.De termijn van drie jaren kan op
verzoek van een echtgenoot worden bekort tot ten minste een jaar,
indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan
wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek
heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen
voortbestaan.
Artikel 180
1.Indien als gevolg van de
gevraagde ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op
uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de
echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in
ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege
tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek niet worden
toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die,
gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide
echtgenoten billijk is te achten.
De rechter kan daartoe een termijn
stellen.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. indien redelijkerwijs te
verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval
voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de andere echtgenoot
zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat
van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan naar
redelijkheid generlei verstrekking van levensonderhoud zou
kunnen worden gevergd.
Artikel 181
Ontbinding van het huwelijk van
echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun
gemeenschappelijk verzoek uitgesproken.
Artikel 182
De artikelen 154, tweede lid, en 157
tot en met 160 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid,
bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke
tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot
levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur
van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot
scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
Artikel 183
1.De ontbinding van het huwelijk
komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de
registers van de burgerlijke stand.
2.De artikelen 163, tweede en derde
lid, en 166 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 184 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 185 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 186 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 187 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 188 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 189 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 190 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 191 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 192 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 193 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 194 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 195 [Vervallen per
01-10-1971]
Artikel 196 [Vervallen per
01-10-1971]
Titel 11. Afstamming
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 197
Een kind, zijn ouders en hun
bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.
Artikel 198
Moeder van een kind is de vrouw uit
wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.
Artikel 199
Vader van een kind is de man:
a. die op het tijdstip van de
geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren,
is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;
b. wiens huwelijk met de vrouw
uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte
van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder
was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor
de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij
en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben
geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het
kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het
kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de
moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat
geval de huidige echtgenoot de vader van het kind;
c. die het kind heeft erkend;
d. wiens vaderschap gerechtelijk
is vastgesteld; of
e. die het kind heeft
geadopteerd.
Afdeling 2. Ontkenning van het door
huwelijk ontstane vaderschap
Artikel 200
1.Het in artikel 199, onder a en b,
bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de
biologische vader van het kind is, worden ontkend:
a. door de vader of de moeder
van het kind;
b. door het kind zelf.
2.De vader of moeder kan het in
artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen,
indien de man vóór het huwelijk heeft kennis gedragen van de
zwangerschap.
3.De vader of moeder kan het in
artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen,
indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van
het kind tot gevolg kan hebben gehad.
4.Het tweede en derde lid zijn niet
van toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem
heeft bedrogen omtrent de verwekker.
5.Het verzoek tot gegrondverklaring
van de ontkenning wordt door de moeder bij de rechtbank ingediend
binnen een jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek
wordt door de vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is
geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische
vader is van het kind.
6.Het verzoek tot gegrondverklaring
van de ontkenning wordt door het kind bij de rechtbank ingediend
binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit
dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het
kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met
dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind
meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Artikel 201
1.Overlijdt de vader of de moeder
voor de afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde
termijn, dan kan een afstammeling van deze echtgenoot in de eerste
graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van
deze echtgenoot, de rechtbank verzoeken de ontkenning van het
vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen
een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter
kennis van de verzoeker is gekomen.
2.Overlijdt het kind voor de afloop
van de in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een
afstammeling in de eerste graad van het kind de rechtbank
verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren.
Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden,
wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden
of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de
verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de
minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een
jaar nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had
kunnen doen, dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip
ter kennis is gekomen van de verzoeker binnen een jaar na die
kennisneming.
Artikel 202
1.Nadat de beschikking houdende
gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk
ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het
door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben
gehad.
2.Te goeder trouw door derden
verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3.Door de gegrondverklaring van de
ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van
verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en
studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene.
Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten
vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft
genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was
gebaat.
Afdeling 3. Erkenning
Artikel 203
1.Erkenning kan geschieden:
a. bij een akte van erkenning,
opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. bij notariële akte.
2.De erkenning heeft gevolg vanaf
het tijdstip waarop zij is gedaan.
Artikel 204
1.De erkenning is nietig, indien
zij is gedaan:
a. door een man die krachtens
artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;
b. door een minderjarige die de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c. indien het kind de leeftijd
van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de moeder;
d. zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren of
ouder;
e. door een op het tijdstip van
de erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de
rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de
man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in
voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen
of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke
betrekking bestaat;
f. terwijl er twee ouders zijn.
2.De in het vorige lid onder c en d
vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het
opmaken van de akte van erkenning.
3.De toestemming van de moeder wier
kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel
de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op
verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming
van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen
van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de
belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is
van het kind.
4.Een man die wegens geestelijke
stoornis onder curatele staat, mag slechts erkennen nadat daartoe
toestemming is verkregen van de kantonrechter.
Artikel 205
1.Een verzoek tot vernietiging van
de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische
vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij
de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft
plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij
door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is
bewogen;
c. door de moeder, indien zij
door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is
toestemming tot de erkenning te geven.
2.Het openbaar ministerie kan
wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner
niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de
erkenning verzoeken.
3.In geval van bedreiging of
misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of
door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze
invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of
dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de
dwaling heeft ontdekt.
4.Het verzoek wordt door het kind
ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met
het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is.
Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is
geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren
nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
5.Voor het geval de erkenner of de
moeder overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde
termijn, is artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing. Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van
de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 206
1.Nadat de beschikking houdende
vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan,
wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2.Te goeder trouw door derden
verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3.Door de vernietiging ontstaat
geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en
opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van
het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen
verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke
voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover
degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het
verzoek daardoor niet was gebaat.
Afdeling 4. Gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap
Artikel 207
1.Het vaderschap van een man kan,
ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is
van het kind of op de grond dat de man als levensgezel van de
moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind
tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld
op verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind
de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
b. het kind.
2.Vaststelling van het vaderschap
kan niet geschieden, indien:
a. het kind twee ouders heeft;
b. tussen de man en de moeder
van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen
worden gesloten; of
c. de in de aanhef van het
eerste lid bedoelde man een minderjarige is die de leeftijd
van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat
hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.
3.Het verzoek wordt door de moeder
ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in
geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke
verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen
vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan
de moeder bekend zijn geworden.
4.Overlijdt het kind voordat
vaststelling van het vaderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan
een afstammeling van het kind in de eerste graad de vaststelling
van het vaderschap aan de rechtbank verzoeken, mits de man bedoeld
in het eerste lid, nog in leven is. Het verzoek wordt gedaan
binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat
het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.
5.De vaststelling van het
vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is
gegaan, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind.
Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor
nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot
teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene
die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek
daardoor niet was gebaat.
Artikel 208
Bij de uitspraak waarbij het
vaderschap wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe
strekkend verzoek ten behoeve van het kind een bijdrage toekennen in
de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 404 of
in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel
395a.
Afdeling 5. Inroeping of betwisting
van staat
Artikel 209
Iemands afstamming volgens zijn
geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een
staat overeenkomstig die akte heeft.
Artikel 210
Een verzoek tot gegrondverklaring van
de inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring
onderworpen.
Artikel 211
1.Een verzoek tot gegrondverklaring
van de inroeping van staat kan worden ingediend:
a. door het kind zelf;
b. door de erfgenamen van het
kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen
drie jaren nadien is overleden.
2.Indien het kind een verzoek als
bedoeld in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de
procedure voortzetten.
Afdeling 6. De bijzondere curator
Artikel 212
In zaken van afstamming wordt het
minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende,
vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de
rechtbank die over de zaak beslist.
Artikel 213 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 214 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 215 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 216 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 217 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 218 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 219 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 220 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 221 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 222 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 223 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 224 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 225 [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 226 [Vervallen per
01-04-1998]
Titel 12. Adoptie
Artikel 227
1.Adoptie geschiedt door een
uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of
op verzoek van één persoon alleen. Twee personen tezamen kunnen
geen verzoek tot adoptie doen, indien zij krachtens artikel 41
geen huwelijk met elkaar zouden mogen aangaan.
2.Het verzoek door twee personen
tezamen kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie
aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening
van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. Het verzoek door
de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel van de ouder is, kan slechts worden gedaan, indien hij
ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan
de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. De
in de tweede zin bedoelde voorwaarde geldt evenwel niet indien het
kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en die
ouder.
3.Het verzoek kan alleen worden
toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind
is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor
de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer
van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te
verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228,
wordt voldaan.
4.Indien het kind is of wordt
geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder en het kind
door en tengevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in
artikel 1, onder c, van de Wet donorgegevens kunstmatige
bevruchting is verwekt en een door de stichting, bedoeld in die
wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring wordt
overgelegd, wordt het verzoek toegewezen, tenzij de adoptie
kennelijk niet in het belang van het kind is, of niet is voldaan
aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228.
5.Zijn de voornamen van het kind
niet bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of
adoptanten en het kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft
gehoord, bij de adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen
vast.
6.In zaken van adoptie is de
minderjarige ouder bekwaam in rechte op te treden.
Artikel 228
1.Voorwaarden voor adoptie zijn:
a. dat het kind op de dag van
het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het
op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter
gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen
toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde
geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen
toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag
van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake;
b. dat het kind niet is een
kleinkind van een adoptant;
c. dat de adoptant of ieder der
adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
d. dat geen der ouders het
verzoek tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder
van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien
jaren heeft bereikt;
f. dat de adoptant of de
adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of
hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder of
adoptiefouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind
gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed
wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf
het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden;
g. dat de ouder of ouders niet
of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel
de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel
van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen
of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of
andere levensgezel het gezag heeft.
2.Aan de tegenspraak van een ouder
als bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan:
a. indien het kind en de ouder
niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of
b. indien de ouder het gezag
over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding
van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of
c. indien de ouder
onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de
minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de
titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het
tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.
3.De voorwaarde, bedoeld in het
eerste lid, onder f, geldt niet indien het kind wordt geboren
binnen de relatie van de moeder met een levensgezel van gelijk
geslacht.
Artikel 229
1.Door adoptie komen de
geadopteerde, de adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de
adoptiefouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke
betrekking tot elkaar te staan.
2.Tegelijkertijd houdt de
familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn
oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.
3.In afwijking van het tweede lid
blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en
zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder het
kind adopteert.
4.Indien het kind op het tijdstip
van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de
familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank
bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De
artikelen 377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 230
1.De adoptie heeft haar gevolgen
van de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Indien het kind is geboren binnen
de relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de
geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het
tijdstip van geboorte van het kind; indien de adoptie uiterlijk
zes maanden na de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze
terug tot het tijdstip van indiening van het verzoek. Het bepaalde
in de eerste volzin is niet van toepassing indien voor de adoptie
familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het kind en
een andere ouder en deze door de adoptie zijn verbroken. De
adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook worden
uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is
overleden.
3.De adoptie blijft haar gevolgen
behouden, ook al zou blijken, dat de rechter de door artikel 228
van dit boek gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou
hebben aangenomen.
Artikel 231
1.De adoptie kan door een uitspraak
van de rechtbank op verzoek van de geadopteerde worden herroepen.
2.Het verzoek kan alleen worden
toegewezen, indien de herroeping in het kennelijk belang van de
geadopteerde is, de rechter van de redelijkheid der herroeping in
gemoede overtuigd is, en het verzoek is ingediend niet eerder dan
twee jaren en niet later dan vijf jaren na de dag, waarop de
geadopteerde meerderjarig is geworden.
Artikel 232
1.Door herroeping van de adoptie
houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en
zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en
zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan.
2.De familierechtelijke betrekking
die door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de
herroeping.
3.Artikel 230 vindt ten aanzien van
de herroeping overeenkomstige toepassing.
Titel 13. Minderjarigheid
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 233
Minderjarigen zijn zij, die de
ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd of
geregistreerd zijn dan wel gehuwd of geregistreerd zijn geweest of
met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn verklaard.
Artikel 234
1.Een minderjarige is, mits hij met
toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam
rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders
bepaalt.
2.De toestemming kan slechts worden
verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald
doel.
3.De toestemming wordt aan de
minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een
rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk
verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze
zelfstandig verrichten.
Afdeling 2. Handlichting
Artikel 235
1.Handlichting waarbij aan een
minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden
toegekend, kan wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien
jaren heeft bereikt, op zijn verzoek door de kantonrechter worden
verleend.
2.Zij wordt niet verleend tegen de
wil van de ouders voor zover deze het gezag over de minderjarige
uitoefenen, met inachtneming nochtans van artikel 253a, eerste
lid.
3.Bij het verlenen van handlichting
bepaalt de kantonrechter uitdrukkelijk, welke bevoegdheden van een
meerderjarige aan de minderjarige worden toegekend. Deze
bevoegdheden mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de
gedeeltelijke of de gehele ontvangst van zijn inkomsten en de
beschikking daarover, het sluiten van verhuringen en
verpachtingen, het in een vennootschap deelnemen en het uitoefenen
van een beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door
handlichting niet bekwaam tot het beschikken over
registergoederen, effecten, of door hypotheek gedekte vorderingen.
4.Hij kan ter zake van de
handlichting zelf en van handelingen, waartoe hij krachtens de
verkregen handlichting bekwaam is, eisende of verwerende in rechte
optreden. Artikel 12 lid 1 van dit boek geldt voor die handelingen
niet.
Artikel 236
1.Een verleende handlichting kan
door de kantonrechter worden ingetrokken, indien de minderjarige
daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit
zal doen.
2.De intrekking geschiedt op
verzoek van een van de ouders van de minderjarige, voor zover deze
het gezag over hem uitoefenen en met inachtneming van artikel
253a, eerste lid, of op verzoek van de voogd.
Artikel 237
1.Een beschikking waarbij
handlichting is verleend of ingetrokken, moet worden bekend
gemaakt in de Staatscourant en in twee in de beschikking aan te
wijzen dagbladen.
2.In de bekendmaking moet
nauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot welk einde zij is
verleend. Vóór de bekendmaking werkt zomin de handlichting als
haar intrekking tegen derden die hiervan onkundig waren.
Afdeling 3. De raad voor de
kinderbescherming
Artikel 238
1.Er is één raad voor de
kinderbescherming.
2.De wet bepaalt de taken en
bevoegdheden van de raad voor de kinderbescherming. Deze worden
door de raad voor de kinderbescherming namens onze Minister van
Justitie uitgevoerd.
3.Ten behoeve van de vervulling van
zijn taak houdt de raad zich in ieder geval op de hoogte van de
ontwikkeling van de kinderbescherming, bevordert hij de
samenwerking met de instellingen van kinderbescherming en
jeugdhulpverlening en dient hij op verzoek of uit eigen beweging
autoriteiten en instellingen van advies.
4.Zijn bemoeiingen laten de
godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag van de
instellingen van kinderbescherming onverlet.
5.Bij algemene maatregel van
bestuur worden de zetel, de werkwijze, voor zover het de
samenwerking met de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg, betreft en de organisatie van de raad
geregeld.
Artikel 239
1.De raad voor de kinderbescherming
kan optreden ten behoeve van minderjarigen die in Nederland hetzij
hun woonplaats of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk
verblijf hebben. Eveneens kan de raad optreden ten behoeve van
Nederlandse minderjarigen die in Nederland noch woonplaats, noch
laatste woonplaats, noch werkelijk verblijf hebben.
2.Ten behoeve van de minderjarigen
die binnen een arrondissement hetzij hun woonplaats of laatste
woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben, treden voor de
raad voor de kinderbescherming de in dat arrondissement aanwezige
werkeenheden van de raad op.
3.Indien op grond van het vorige
lid meer werkeenheden in verschillende arrondissementen bevoegd
zouden zijn ten behoeve van een zelfde minderjarige op te treden,
doet het optreden van een van deze werkeenheden de bevoegdheid van
de ander eindigen.
4.Ten behoeve van Nederlandse
minderjarigen, die in Nederland noch woonplaats, noch laatste
woonplaats, noch werkelijk verblijf hebben, treden de werkeenheden
van de raad in het arrondissement Amsterdam op voor de raad voor
de kinderbescherming.
5.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt de behandeling van klachten ter zake van een bij de
raad in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid van
kinderbescherming geregeld.
Artikel 240
Degene die op grond van een wettelijk
voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is
verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de
raad voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit
noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van
de raad.
Artikel 241
1.Indien de raad voor de
kinderbescherming blijkt, dat een minderjarige niet onder het
wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem
wordt uitgeoefend, verzoekt hij de rechter in de gezagsuitoefening
over deze minderjarige te voorzien.
2.Indien dit ter voorkoming van
ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor
de gezondheid van zulk een minderjarige dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de kinderrechter een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, belasten met de
voorlopige voogdij over de minderjarige. De raad voor de
kinderbescherming wendt zich in dit geval binnen zes weken tot de
rechter teneinde een voorziening in het gezag over deze
minderjarige te verkrijgen.
3.De in het tweede lid bedoelde
maatregel kan eveneens worden getroffen indien een minderjarige,
de leeftijd van zes maanden nog niet bereikt hebbende en niet
staande onder voogdij van een rechtspersoon, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de raad voor de kinderbescherming
als pleegkind is opgenomen.
4.De kinderrechter beschikt op
verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van de officier
van justitie. Hij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van
persoon en vermogen van deze minderjarige worden toegekend en
bepaalt de duur van de maatregel.
5.De maatregel vervalt na verloop
van zes weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde
van deze termijn om een voorziening in het gezag over de
minderjarige is verzocht. De kinderrechter kan deze termijn op ten
hoogste twaalf weken bepalen, dit evenwel uitsluitend op de grond
dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek aan de vereisten van
artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal
kunnen voldoen.
6.De maatregel kan worden
ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft
bevolen tenzij een verzoek als bedoeld in het vijfde lid is
ingediend. In dat geval beslist de rechter bij wie dit verzoek
aanhangig is.
7.In afwijking van het tweede lid,
kan de rechter de voorlopige voogdij over een minderjarige door of
voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de
Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en in verband daarmee in
Nederland verblijft, alsmede over door Onze Minister van Justitie
aan te wijzen categorieën andere minderjarigen, opdragen aan een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid.
Artikel 241a
Op de uitoefening van de voorlopige
voogdij door een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg is artikel 243 van dit Boek van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 242
De raad voor de kinderbescherming
stelt zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met
betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te
worden.
Artikel 243
1.De colleges van burgemeester en
wethouders en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de
raad voor de kinderbescherming kosteloos alle inlichtingen, en
verstrekken de raad kosteloos alle afschriften en uittreksels uit
hun registers, die de raad ter uitvoering van zijn taak van hen
vraagt. Wanneer de raad voor de kinderbescherming een taak vervult
of een bevoegdheid uitoefent op grond van een van de bepalingen
van deze titel of van de titels 9, 10, 14, 15 en 17 van dit boek,
alsmede op grond van de daarmee verband houdende bepalingen van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verschaffen de bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties of
personen de raad kosteloos die inlichtingen die voor een goede
uitoefening van hun taak noodzakelijk zijn.
2.Alle verzoeken die de raad voor
de kinderbescherming ter uitvoering van zijn taak tot de rechter
richt, worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en
uittreksels, die hij tot dat doel aanvraagt, worden hem door de
griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.
3.Exploiten door de deurwaarders
ten verzoeke van de raad voor de kinderbescherming uitgebracht,
worden volgens het gewone tarief vergoed. Advocaten kunnen voor
hun aan de raad voor de kinderbescherming bewezen diensten salaris
in rekening brengen.
4.Wanneer de raad voor de
kinderbescherming op grond van een van de bepalingen van deze
titel, of van de titels 9, 10, 12, 14, 15 en 17 van dit boek in
rechte optreedt, kan hij dit zonder advocaat doen, behalve in
gedingen die met een dagvaarding aanvangen.
Afdeling 4. Registers betreffende het
over minderjarigen uitgeoefende gezag
Artikel 244
Bij de rechtbanken berusten openbare
registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op
het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten
aangetekend worden, en op welke wijze deze aantekening geschiedt.
Titel 14. Het gezag over minderjarige
kinderen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 245
1.Minderjarigen staan onder gezag.
2.Onder gezag wordt verstaan
ouderlijk gezag dan wel voogdij.
3.Ouderlijk gezag wordt door de
ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt
door een ander dan een ouder uitgeoefend.
4.Het gezag heeft betrekking op de
persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn
vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten
rechte.
5.Het gezag van de ouder die dit
krachtens artikel 253sa of krachtens een rechterlijke beslissing
overeenkomstig artikel 253t samen met een ander dan een ouder
uitoefent, wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders
gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke bepaling
het tegendeel voortvloeit.
Artikel 246
Onbevoegd tot het gezag zijn
minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier
geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid
verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van
tijdelijke aard is.
Artikel 246a [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 247
1.Het ouderlijk gezag omvat de
plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te
verzorgen en op te voeden.
2.Onder verzorging en opvoeding
worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het
geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind
alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn
persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen
de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere
vernederende behandeling toe.
3.Het ouderlijk gezag omvat mede de
verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van
zijn kind met de andere ouder te bevorderen.
4.Een kind over wie de ouders
gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het
huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed,
na het beëindigen van het geregistreerd partnerschap, of na het
beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld
in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, recht op een
gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.
5.Ouders kunnen ter uitvoering van
het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening
houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de
ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na
scheiding van tafel en bed, het beëindigen van het geregistreerd
partnerschap, of het beëindigen van de samenleving indien een
aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst,
echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende
belemmeringen bestaan.
Artikel 247a
Indien een aantekening als bedoeld in
artikel 252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving
beëindigen, stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in
artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
Artikel 248
Het tweede lid van artikel 247 van
dit boek is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene
die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag
over die minderjarige toekomt.
Artikel 249
De minderjarige dient rekening te
houden met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening
van het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van
de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt.
Artikel 250
Wanneer in aangelegenheden
betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van
de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of
een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn
met die van de minderjarige, benoemt de rechtbank, danwel, indien
het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige
betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de
desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de
minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van
deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een
belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de
minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te
vertegenwoordigen.
Afdeling 2. Ouderlijk gezag
§ 1. Het gezamenlijk gezag van
ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na
scheiding
Artikel 251
1.Gedurende hun huwelijk oefenen de
ouders het gezag gezamenlijk uit.
2.Na ontbinding van het huwelijk
anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven
de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk
uitoefenen.
Artikel 251a
1.De rechter kan na ontbinding van
het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en
bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het
gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico
is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en
niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd
voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag
anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.De beslissing op grond van het
eerste lid wordt gegeven bij de beschikking houdende scheiding van
tafel en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking.
3.Indien een beslissing op grond
van het eerste lid niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult
de rechtbank haar aan op verzoek van een van de ouders, van de
raad voor de kinderbescherming of ambtshalve.
4.De rechter kan, indien hem blijkt
dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt,
ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste lid.
Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf
jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot
een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Artikel 252
1.De ouders die niet met elkaar
zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan
oefenen het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uit,
indien dit op hun beider verzoek in het register, bedoeld in
artikel 244, is aangetekend. Een verzoek als bedoeld in de eerste
volzin kan niet worden gedaan ten aanzien van de kinderen over wie
zij het gezag gezamenlijk hebben uitgeoefend.
2.De aantekening wordt door de
griffier geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek:
a. één of beide ouders
onbevoegd is tot het gezag; of
b. één van beide ouders is
ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag
uitoefent; of
c. een voogd met het gezag over
het kind is belast; of
d. de voorziening in het gezag
over het kind is komen te ontbreken; of
e. de ouder die het gezag
heeft, dit gezamenlijk met een ander dan een ouder uitoefent.
3.Tegen de weigering van de
aantekening is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft
plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid van één of beide
ouders tot het gezag anders dan vanwege minderjarigheid of
ondercuratelestelling. Alsdan kan de rechtbank worden verzocht de
aantekening te gelasten. Zij wijst het verzoek af, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden
worden verwaarloosd.
Artikel 253
1.Indien gewezen echtgenoten met
elkaar hertrouwen dan wel een geregistreerd partnerschap aangegaan
en onmiddellijk daaraan voorafgaande één der echtgenoten het
gezag over de minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van
rechtswege het gezamenlijk gezag, tenzij een der echtgenoten
onbevoegd is tot dit gezag of daarvan is ontheven of ontzet dan
wel het gezag gezamenlijk met een ander dan de ouder uitoefent.
2.De echtgenoot voor wie het gezag
niet is herleefd, kan de rechtbank verzoeken hem daarmede te
belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen
zouden worden verwaarloosd.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing, indien door verzoening van de
echtgenoten een scheiding van tafel en bed eindigt.
4.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien gewezen geregistreerde partners
die gezamenlijk gezag uitoefenden over het kind, opnieuw met
elkaar een geregistreerd partnerschap aangaan dan wel met elkaar
huwen.
Artikel 253a
1.In geval van gezamenlijke
uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek
van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden
voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in
het belang van het kind wenselijk voorkomt.
2.De rechtbank kan eveneens op
verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen
inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan
omvatten:
a. een toedeling aan ieder der
ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend
indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk
verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke
ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie
omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de
persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de
ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan
wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie
door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid,
wordt verschaft.
3.Indien op de ouders de
verplichting van artikel 247a rust en zij daaraan niet hebben
voldaan, houdt de rechter de beslissing op een in het tweede lid
bedoeld verzoek ambtshalve aan, totdat aan die verplichting is
voldaan. Aanhouding blijft achterwege indien het belang van het
kind dit vergt.
4.De artikelen 377a, vierde lid,
377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing. Daar waar in
deze bepalingen gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling
wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken.
5.De rechtbank beproeft alvorens te
beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld,
een vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook
ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en het
belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet
toegelaten dwangmiddel opleggen, dan wel bepalen dat de
beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812,
tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten
uitvoer kunnen worden gelegd.
6.De rechtbank behandelt het
verzoek binnen zes weken.
Paragraaf 1a. Het gezamenlijk gezag
van ouders binnen een geregistreerd partnerschap
Artikel 253aa
1.Gedurende hun geregistreerd
partnerschap oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.
2.De bepalingen met betrekking tot
het gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering
van de artikelen 251, tweede lid, en 251a, tweede en derde lid.
§ 2. Het gezag van ouders anders dan
na scheiding
Artikel 253b
1.Indien ten aanzien van een kind
alleen het moederschap vaststaat of indien de ouders van een kind
niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het
gezag niet gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege
het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling
onbevoegd tot het gezag was.
2.De in het eerste lid bedoelde
moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het
gezag, verkrijgt dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij
daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het
gezag is belast.
3.Indien op bedoeld tijdstip een
ander het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde ouder de
rechtbank verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.
4.Wanneer de andere ouder het gezag
over het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd,
indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk
oordeelt.
5.Wanneer een voogd het gezag over
het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het
kind zouden worden verwaarloosd.
Artikel 253c
1.De tot het gezag bevoegde vader
van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft
uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het
gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind
te belasten.
2.Indien het verzoek ertoe strekt
de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder
met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts
afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico
is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en
niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd
voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het
belang van het kind noodzakelijk is.
3.Wanneer de andere ouder het gezag
over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met
het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit
in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
4.Wanneer niet in het gezag is
voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het
verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts
afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
5.Een verzoek om de ouders met het
gezamenlijk gezag te belasten als bedoeld in het eerste lid, kan
ook door de moeder worden gedaan.
Artikel 253d
1.Indien de voorziening in het
gezag over een kind als bedoeld in artikel 253b, eerste lid, van
dit boek komt te ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn
vader dan wel beiden voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn -
de rechtbank verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk
gezag te worden belast.
2.Het in het eerste lid bedoelde
verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat
bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
3.Hebben beiden een verzoek
ingediend anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan
willigt de rechter het verzoek in van degene wiens gezag over het
kind hij het meeste in het belang van het kind oordeelt.
4.Indien, voordat over het verzoek
van één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het
gezag over het kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek
slechts in, indien hij dit in het belang van het kind wenselijk
oordeelt.
Artikel 253e
Inwilliging van het verzoek van een
der ouders als bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d van dit
boek heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot
gevolg dat de laatste het gezag verliest. Dit gevolg treedt niet in
indien de ouders als gevolg van de rechterlijke beslissing met het
gezamenlijk gezag zijn belast.
Artikel 253f
Na de dood van een der ouders oefent
de overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit,
indien en voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag
uitoefent.
Artikel 253g
1.Indien van de ouders diegene
overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen
uitoefent, bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een
derde met het gezag over deze kinderen wordt belast.
2.De rechter doet dit op verzoek
van de raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of
ambtshalve.
3.Het verzoek om de overlevende
ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de
kinderen zouden worden verwaarloosd.
4.De bepaling van het voorgaande
lid is mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had
aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek.
Artikel 253h
1.Indien na het overlijden van
één der ouders een voogd is benoemd, kan de rechter deze
beslissing te allen tijde in dier voege wijzigen, dat de
overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het
gezag wordt belast.
2.Zij gaat hiertoe slechts over op
verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien
de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de
beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.Wanneer de andere ouder een voogd
had aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek en deze
inmiddels is opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat, mits het verzoek van de
overlevende ouder binnen één jaar na het begin van de voogdij
wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen
zouden worden verwaarloosd.
§ 2a. Gezag na
meerderjarigverklaring
Artikel 253ha
1.De minderjarige vrouw die als
degene die het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te
voeden kan, indien zij de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, de kinderrechter verzoeken haar meerderjarig te
verklaren.
2.Het verzoek kan ten behoeve van
de vrouw ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming.
Deze behoeft hiertoe haar schriftelijke toestemming. Het verzoek
vervalt, indien de vrouw haar toestemming intrekt.
3.Het verzoek kan ook voor de
bevalling door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede
indien de vrouw eerst omstreeks het tijdstip van haar bevalling de
leeftijd van zestien jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt
op het verzoek niet eerder dan na de bevalling of, indien de vrouw
op dat tijdstip nog geen zestien jaar is, nadat zij die leeftijd
heeft bereikt, beslist.
4.De kinderrechter willigt het
verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en
haar kind wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is
belast, wordt de moeder daarmee belast.
5.De minderjarige vrouw is bekwaam
in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te
stellen.
§ 3. Het bewind van de ouders
Artikel 253i
1.Ingeval van gezamenlijke
gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het
vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het
kind in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder
alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken,
hiertoe ook bevoegd is.
2.Artikel 253a van dit boek is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
"de rechtbank" wordt gelezen "de
kantonrechter".
3.Oefent een ouder het gezag alleen
uit, dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het
kind gevoerd en het kind in burgerlijke handelingen
vertegenwoordigd.
4.Van het bepaalde in het eerste en
derde lid kan worden afgeweken:
a. indien de rechter bij de
beschikking waarbij de uitoefening van het gezag over het kind
aan een van de ouders wordt opgedragen op eensluidend verzoek
van de ouders of op verzoek van één van hen, mits de ander
zich daartegen niet verzet, heeft bepaald dat de ouder die
niet het gezag over het kind zal uitoefenen, het bewind over
het vermogen van het kind zal voeren;
b. ingevolge artikel 276,
tweede lid, van dit boek, bij ontheffing of ontzetting van het
gezag;
c. indien hij die een
minderjarige goederen schenkt of vermaakt, bij de gift,
onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft
bepaald dat een ander het bewind over die goederen zal voeren.
5.In het laatstbedoelde geval zijn
de ouders, of - indien een ouder het gezag alleen uitoefent - die
ouder, bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te
vragen.
6.Bij het vervallen van het door de
schenker of erflater ingesteld bewind zijn het eerste en tweede
lid, onderscheidenlijk het derde lid, van toepassing.
Artikel 253j
De ouders of een ouder moeten het
bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders
voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade
aansprakelijk, behoudens voor de vruchten van dat vermogen voor
zover de wet hun het genot daarvan toekent.
Artikel 253k
Op het bewind van de ouders of een
ouder zijn de artikelen 342, tweede lid, 344 tot en met 357 en 370
van dit boek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253l
1.Elke ouder die het gezag over
zijn kind uitoefent, heeft het vruchtgenot van diens vermogen.
Indien het kind bij de ouder inwoont en anders dan incidenteel
inkomen uit arbeid geniet, is het verplicht naar draagkracht bij
te dragen in de kosten van de huishouding van het gezin.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing in geval de ouder van het gezag is
ontheven, tenzij de andere ouder het gezag uitoefent.
3.Aan bedoeld vruchtgenot zijn de
lasten verbonden, die op vruchtgebruikers rusten.
Artikel 253m
De ouder heeft geen vruchtgenot van
het vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van
de erflater of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het
vruchtgenot niet zullen hebben.
Afdeling 3. Gemeenschappelijke
bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de
gezagsuitoefening door één van hen
Artikel 253n
1.Op verzoek van de niet met elkaar
gehuwde ouders of een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk
gezag, bedoeld in de artikelen artikelen 251a, eerste lid, 252,
eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, beëindigen,
indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen
van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders
voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
2.Het eerste en derde lid van
artikel 251a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253o
1.Beslissingen waarbij een ouder
alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge het bepaalde in
de paragrafen 1, 2 en 2a van deze titel en het bepaalde in artikel
253n van dit boek kunnen op verzoek van de ouders of van een van
hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de
beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Artikel 253p
1.In de gevallen waarin door de
rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een
ouder alleen, neemt dit een aanvang zodra de desbetreffende
beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij
uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking
is verstrekt of verzonden.
2.Na de gerechtelijke ontbinding
van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag
nochtans niet voordat de beschikking houdende ontbinding van het
huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand
of voordat de beschikking houdende scheiding van tafel en bed is
ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in
artikel 116.
3.Indien een aantekening was gedaan
als bedoeld in artikel 252, eerste lid, van dit boek, begint het
aan één der ouders opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat
deze aantekening door de griffier is doorgehaald. Van de
doorhaling doet de griffier schriftelijk mededeling aan beide
ouders.
Artikel 253q
1.Wanneer een van de ouders die
gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen,
op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is,
oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit.
Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van
rechtswege het gezamenlijke gezag.
2.Wanneer beide ouders die
gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen,
daartoe op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn,
benoemt de rechtbank een voogd.
3.Wanneer een ouder die alleen het
gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden
daartoe onbevoegd is, belast de rechtbank de andere ouder met het
gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de
kinderen zouden worden verwaarloosd. Alsdan benoemt zij een voogd.
4.De in het tweede en derde lid
bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder,
bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming of ambtshalve.
5.Wanneer de grond van de
onbevoegdheid van de in het derde lid eerstgenoemde ouder is
vervallen, wordt hij, op zijn verzoek, wederom met het gezag
belast, indien de rechtbank overtuigd is dat het kind wederom aan
de ouder mag worden toevertrouwd. Op verzoek van de ouders of een
van hen kan zij de ouders gezamenlijk met het gezag belasten.
Artikel 253r
1.Het bepaalde in artikel 253q van
dit boek is van overeenkomstige toepassing, indien:
a. één of beide ouders al dan
niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te
oefenen; of
b. het bestaan of de
verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.
2.Het gezag dat aan één of beide
ouders toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de
in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.
Artikel 253s
1.Indien het kind met instemming
van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten
minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het
gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met
toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich
hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.
2.Voor zover de volgens het vorige
lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op
verzoek van de ouders door die van de rechtbank worden vervangen.
Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat
dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
3.In geval van afwijzing van het
verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de
rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet
te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een
verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, dan wel tot
ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig
gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek
bij gewijsde is beslist.
Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van
een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag
van rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Artikel 253sa
1.Over het staande hun huwelijk of
geregistreerd partnerschap geboren kind oefenen een ouder en zijn
echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is,
gezamenlijk het gezag uit, tenzij het kind tevens in
familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder.
2.De bepalingen met betrekking tot
het gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering
van de artikelen 251, tweede lid, en 251a, tweede en derde lid.
Paragraaf 2. Het gezamenlijk gezag
van een ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens
rechterlijke beslissing
Artikel 253t
1.Indien het gezag over een kind
bij één ouder berust, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek
van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die
in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen
gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
2.In het geval dat het kind tevens
in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt
het verzoek slechts toegewezen, indien:
a. de ouder en de ander op de
dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten
periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek
gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
b. de ouder die het verzoek
doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een
aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag
belast is geweest.
3.Het verzoek wordt afgewezen
indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder,
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het
kind zouden worden verwaarloosd.
4.Het gezamenlijk gezag, bedoeld in
het eerste lid, kan niet worden toegekend in de gevallen, bedoeld
in artikel 253q, eerste lid, en artikel 253r. Het staat niet open
voor rechtspersonen.
5.Een verzoek als bedoeld in het
eerste lid kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de
geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het
gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt
afgewezen, indien
a. het kind van twaalf jaar of
ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd
met het verzoek;
b. het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich
tegen toewijzing verzet.
Artikel 253u
Het gezamenlijk gezag begint op de
dag waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van
gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is
verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 253v
1.Op de gezamenlijke
gezagsuitoefening door de ouder en de ander zijn de artikelen 246,
247, 249, 250, 253a, 253j tot en met 253m, 253q, eerste lid,
alsmede 253r van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 253i is van
overeenkomstige toepassing, tenzij de met het gezag belaste ouder
het bewind niet voert ingevolge artikel 253i, vierde lid, onder a
of c.
3.Artikel 253n is van
overeenkomstige toepassing. De rechtbank geeft geen beslissing tot
beëindiging van het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 253t,
dan nadat zij de ouders of de niet met het gezag belaste ouder in
de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het
kind de ouders gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten
of de niet met het gezag belaste ouder daarmee te belasten.
4.Indien de rechtbank na
beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander,
deze ander met de voogdij heeft belast, kan zij te allen tijde
wegens wijziging van omstandigheden op verzoek van de ouders of
van één van hen in het belang van het kind één ouder met het
gezag of de ouders met het gezamenlijk gezag belasten.
5.Artikel 253q, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de rechtbank
geen voogd benoemt dan nadat zij de niet met het gezag belaste
ouder in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang
van het kind hem met het gezag over het kind te belasten. Het
verzoek, bedoeld in artikel 253q, tweede lid, kan tevens door de
ander dan de ouder worden gedaan.
6.De afdelingen 4 en 5 van deze
titel zijn van overeenkomstige toepassing op het gezamenlijk gezag
van de ouder en de ander, met dien verstande dat in geval van
ontheffing of ontzetting van de ouder die gezamenlijk met de ander
het gezag uitoefent, de ander niet alleen met het gezag wordt
belast dan nadat de rechtbank de niet met het gezag belaste ouder
in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken hem met het gezag
over het kind te belasten.
Paragraaf 3. Gemeenschappelijke
bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met
een ander dan een ouder
Artikel 253w
De ander die met de ouder gezamenlijk
het gezag uitoefent, is verplicht tot het verstrekken van
levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn gezag staat. Indien
het gezamenlijk gezag door de meerderjarigheid van het kind is
geëindigd, duurt de onderhoudsplicht voort totdat het kind de
leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. Nadat een
rechterlijke beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag
in kracht van gewijsde is gegaan of na het overlijden van de ouder
met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag gezamenlijk werd
uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht gedurende de termijn dat
het gezamenlijk gezag heeft geduurd, bestaan, tenzij de rechter in
bijzondere omstandigheden op verzoek van de ouder of de ander een
langere termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat
het kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. De
artikelen 392, derde lid, 395a, eerste lid, 395b, 397, 398, 399,
400, 401, eerste, vierde en vijfde lid, 402, 402a, 403, 404, eerste
lid, 406 en 408 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253x
1.Na de dood van de ouder die
tezamen met de ander het gezag uitoefende, oefent die ander van
rechtswege de voogdij over de kinderen uit.
2.De rechtbank kan op verzoek van
de overlevende ouder te allen tijde bepalen dat deze, mits daartoe
bevoegd, alsnog met het gezag wordt belast.
3.De artikelen 253g en h zijn niet
van toepassing.
Artikel 253y
1.Het gezamenlijk gezag, bedoeld in
de artikelen 253sa en 253t, eindigt op de dag waarop in kracht van
gewijsde is gegaan de beschikking waarbij aan de ouders
gezamenlijk gezag is toegekend of het gezamenlijk gezag van de
ouder en de ander is beëindigd.
2.Is de beschikking, bedoeld in het
eerste lid, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan eindigt het
gezamenlijk gezag van de ouder en de ander daags nadat de
beschikking is verstrekt of verzonden.
Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van
minderjarigen
Artikel 254
1.Indien een minderjarige zodanig
opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn
gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter
afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te
voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht
stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg.
2.De kinderrechter kan een in het
eerste lid bedoelde minderjarige door of voor wie een aanvraag tot
het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend en
die in verband daarmee in een opvangcentrum als bedoeld in artikel
1, onder d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
verblijft, onder toezicht stellen van een daartoe door Onze
Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3.Onze Minister van Justitie kan
voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de
aanvaarding, bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor
een bepaalde tijd aanvaarden.
4.De kinderrechter kan een
minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van een ouder, een
ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en
opvoedt, de raad voor de kinderbescherming, of het openbaar
ministerie.
5.Op verzoek van de stichting, dan
wel op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de
minderjarige van twaalf jaren of ouder, kan de kinderrechter de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg, die het toezicht heeft, vervangen door een zodanige
stichting in een andere provincie. De raad voor de
kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde
verzoek in te dienen, indien de raad van oordeel blijft dat de
uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263, eerste lid,
dient te worden beëindigd. Indien ten tijde van een verlenging
van de duur van de ondertoezichtstelling niet meer wordt voldaan
aan de eisen voor benoembaarheid, bedoeld in het tweede lid,
vervangt de kinderrechter ambtshalve de door Onze Minister van
Justitie aanvaarde rechtspersoon door een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, tenzij
voortzetting van de taken door bedoelde rechtspersoon hem om reden
van continuïteit noodzakelijk voorkomt.
6.Op een rechtspersoon als bedoeld
in het tweede lid, zijn de bepalingen van de afdelingen 4 en 5
alsmede artikel 326 van overeenkomstige toepassing. In geval van
vervanging op de voet van het vijfde lid van de in het tweede lid
bedoelde rechtspersoon, wordt de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg in de provincie waar de
desbetreffende minderjarige duurzaam verblijft benoemd.
Artikel 255
De kinderrechter kan hangende het
onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien
dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van
dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de
beslissing te allen tijde herroepen.
Artikel 256
1.De kinderrechter bepaalt de duur
van de ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar.
2.De kinderrechter kan de duur
telkens voor ten hoogste een jaar verlengen. Hij kan dit doen op
verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg, een ouder, een ander die de minderjarige als
behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor de
kinderbescherming of het openbaar ministerie.
3.Indien de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot
een verzoek tot verlenging doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en
onder overlegging van een verslag van het verloop van de
ondertoezichtstelling mededeling aan de raad voor de
kinderbescherming.
4.De kinderrechter kan de
ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet
langer bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, de met
het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of
ouder.
Artikel 257
1.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg houdt toezicht op de
minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag
belaste ouder hulp en steun worden geboden teneinde de bedreiging
van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de
minderjarige af te wenden.
2.Deze hulp en steun zijn erop
gericht de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid
voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden.
Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze
Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de
hulp en steun.
3.Indien het leeftijds- en
ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en
behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht
in te richten daartoe noodzaken, zijn de hulp en steun, meer dan
op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te
verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de
zelfstandigheid van de minderjarige.
4.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg bevordert de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige.
Artikel 258
1.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan ter uitvoering van haar
taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en
opvoeding van de minderjarige.
2.De met het gezag belaste ouder en
de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen.
3.Plaatsing van de minderjarige
gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de
gevallen dat de met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar
van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg overgaat, alleen krachtens artikel 261.
Artikel 259
1.Op verzoek van de met het gezag
belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de
kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen
verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de
kinderrechter het tegendeel bepaalt.
2.Bij de indiening van het verzoek
wordt de beslissing van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg overgelegd.
3.De termijn voor het indienen van
het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan
met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden
of uitgereikt.
4.Ten aanzien van een na afloop van
de termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring op
grond daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet
geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 260
1.De met het gezag belaste ouder en
de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
verzoeken een aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel
of gedeeltelijk in te trekken.
2.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke
beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
3.Artikel 259 is van
overeenkomstige toepassing.
4.Het niet of niet tijdig nemen van
een beslissing door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg wordt voor de toepassing van deze
bepaling gelijkgesteld met afwijzing van het verzoek. De termijn
voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter loopt in
dat geval door zolang de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg niet heeft beslist en eindigt, indien
de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg alsnog beslist, twee weken daarna.
Artikel 261
1.Indien dit noodzakelijk is in het
belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan
de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan
eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.Indien de uithuisplaatsing
betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van
de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van
het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit
besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de
uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij het
verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt
gevraagd.
3.In afwijking van de eerste volzin
van het tweede lid kan in de gevallen, omschreven in de regels,
gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de
jeugdzorg en van artikel 9b, tweede lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten een machtiging tot uithuisplaatsing worden
verleend zonder een daartoe strekkend besluit. De machtiging tot
uithuisplaatsing geldt in dat geval totdat een besluit als bedoeld
in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is genomen.
De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot
uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg strekt tot
uithuisplaatsing.
4.De kinderrechter kan eveneens een
machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een
besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de
jeugdzorg wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt
gedaan door de raad voor de kinderbescherming en de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet geen besluit strekkend
tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt bij het verzoek
vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de stichting
gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met
niet-tenuitvoerlegging instemt.
5.Voor opneming en verblijf als
bedoeld in artikel 29b, eerste lid, of 29c, eerste lid, van de Wet
op de jeugdzorg is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid
vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden.
Deze machtiging geldt voor de toepassing van de artikelen 258,
derde lid, 268, tweede lid, 269, eerste lid, onder d, en 327,
eerste lid, onder g, als een machtiging als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 262
1.De kinderrechter bepaalt de duur
van de machtiging tot uithuisplaatsing op ten hoogste een jaar. Op
verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg of van de raad voor de kinderbescherming kan
hij de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
2.Indien de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot
een verzoek tot verlenging, doet zij hiervan zo spoedig mogelijk
en onder overlegging van een verslag van het verloop van de
uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.
3.Een machtiging vervalt, indien
deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
Artikel 263
1.Een uithuisplaatsing kan worden
beëindigd door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg, doet hiervan zo spoedig mogelijk en
onder overlegging van een verslag van het verloop van de
uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.
2.De met het gezag belaste ouder,
een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin
verzorgt en opvoedt en de minderjarige van twaalf jaren of ouder
kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg verzoeken:
a. de uithuisplaatsing te
beëindigen;
b. de duur ervan te bekorten;
c. af te zien van een krachtens
de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van
de minderjarige. Onder wijziging van de verblijfplaats wordt
mede verstaan de plaatsing van de minderjarige bij de ouder
die het gezag heeft.
3.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke
beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
4.Op verzoek van de in het tweede
lid genoemde personen kan de kinderrechter de machtiging geheel of
gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 259,
eerste lid, tweede volzin, tweede, derde en vierde lid, alsmede
artikel 260, vierde lid, zijn van toepassing.
Artikel 263a
1.Voor zover noodzakelijk met het
oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als
bedoeld in artikel 261, kan de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg voor de duur van de
uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste
ouder en het kind beperken.
2.De beslissing van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg geldt
als een aanwijzing. Artikel 259 en artikel 260 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het
belang van het kind wenselijk voorkomt.
Artikel 263b
1. Voor de duur van de maatregel
kan de kinderrechter op verzoek van de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg een rechterlijke
beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening
van het omgangsrecht wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met
het oog op het doel van de ondertoezichtstelling.
2. Op het verzoek van de met het
gezag belaste ouder, de omgangsgerechtigde, de minderjarige van
twaalf jaren of ouder en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg kan de kinderrechter de in het
eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de
beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3. Zodra de ondertoezichtstelling
is geëindigd, geldt een ingevolge deze bepaling vastgestelde
regeling als een regeling bedoeld in artikel 377a dan wel 377f.
Artikel 264
Indien een medische behandeling van
een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig
gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag
heeft zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op
verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg worden vervangen door die van de kinderrechter.
Artikel 265
1.Verzoeken op grond van artikel
254, vijfde lid, en de artikelen 256-264 moeten schriftelijk
worden gedaan. Voor zover zij zich tot de kinderrechter richten,
kunnen zij worden ingediend zonder advocaat.
2.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg die een verzoek indient of
wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de
oproep, het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op
de jeugdzorg en een verslag van het verloop van de
ondertoezichtstelling aan de kinderrechter.
3.Het plan en het verslag, bedoeld
in het tweede lid, worden eveneens gezonden aan de raad voor de
kinderbescherming.
4.De verzoeken die de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg ter
uitvoering van haar taak tot de rechter richt, kunnen worden
ingediend zonder procureur en worden kosteloos behandeld; de
grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel
aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle kosten
uitgereikt.
Afdeling 5. Ontheffing en ontzetting
van het ouderlijk gezag
Artikel 266
Mits het belang van de kinderen zich
daar niet tegen verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag
over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij
ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding
te vervullen.
Artikel 267
1.Ontheffing wordt slechts
uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of
van het openbaar ministerie.
2.In het geval, bedoeld bij het
tweede lid onder d, van artikel 268 van dit boek, kan, indien de
kinderrechter een verzoek van de ouders om toestemming tot
wijziging in het verblijf van hun kind heeft afgewezen, de
ontheffing bovendien verzocht worden door degene, die het kind op
het tijdstip van het verzoek ten minste een jaar verzorgd en
opgevoed heeft. Indien het kind door meer dan een persoon wordt
verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen
gemeenschappelijk worden gedaan. Is de ontheffing verzocht, dan
blijft het tweede lid van artikel 253s, van dit boek buiten
toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
Artikel 268
1.Ontheffing kan niet worden
uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet.
2.Deze regel lijdt uitzondering:
a. indien na een
ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na
een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261 van
dit boek van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees
bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of
onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en
opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als
bedoeld in artikel 254 af te wenden;
b. indien zonder de ontheffing
van de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de
kinderen niet aan diens invloed zou onttrekken;
c. indien de geestvermogens van
de ouder zodanig zijn gestoord, dat hij niet in staat is zijn
wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te
begrijpen;
d. indien na een verzorging en
opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit hoofde
van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder
voorlopige voogdij - van ten minste een jaar in een ander
gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan
noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder ernstig nadeel
voor het kind moet worden gevreesd.
Artikel 269
1.Indien de rechtbank dit in het
belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, kan zij een ouder
van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op
grond van:
a. misbruik van het gezag, of
grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of
meer kinderen;
b. slecht levensgedrag;
c. onherroepelijke
veroordeling:
1°. wegens opzettelijke
deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag
staande minderjarige;
2°. wegens het plegen
tegen de minderjarige van een van de misdrijven,
omschreven in de titels XIII-XV en XVIII-XX van het tweede
boek van het Wetboek van Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf
van twee jaar of langer;
d. het in ernstige mate
veronachtzamen van de aanwijzingen van de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg of
belemmering van een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in
artikel 261;
e. het bestaan van gegronde
vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat
de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die
diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.
2.Onder misdrijf worden in dit
artikel begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
Artikel 270
1.Ontzetting van het gezag wordt
slechts uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de
bloed- of aanverwanten van de kinderen tot en met de vierde graad,
de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.In het geval bedoeld bij het
eerste lid van het vorig artikel onder e, kan de ontzetting
bovendien verzocht worden door hem, die de verzorging en opvoeding
van het kind op zich genomen heeft.
Artikel 271
1.Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een ouder, wiens ontzetting
verzocht is, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de
uitoefening van het gezag over een of meer van zijn kinderen
schorsen. Gelijke bevoegdheid komt haar toe ten opzichte van een
ouder, wiens ontheffing verzocht is, in de gevallen bedoeld in
artikel 268, tweede lid, van dit boek.
2.Indien de andere ouder mede het
gezag uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem
alleen uitgeoefend.
3.Acht de rechtbank in dit laatste
geval de schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om de
kinderen aan diens invloed te onttrekken, dan kan zij ook de
andere ouder schorsen.
4.Betreft de schorsing beide ouders
of een ouder die het gezag alleen uitoefent, dan belast de
rechtbank een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg met de voorlopige voogdij over het kind. Zij
stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen
van dit kind worden toegekend.
5.De in dit artikel bedoelde
beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de
ontzetting of de ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De
rechtbank kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een
vroeger tijdstip herroepen.
Artikel 271a
In plaats van schorsing van beide
ouders of van een ouder in de uitoefening van het gezag en
voorziening in de voorlopige voogdij als bedoeld in artikel 271, kan
de rechtbank een kind onder toezicht stellen als bedoeld in artikel
254 van dit Boek.
Artikel 272
1.Op grond van feiten die tot
ontzetting of tot de in het tweede lid van artikel 268 van dit
Boek bedoelde ontheffing van een ouder kunnen leiden, en indien
dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de kinderrechter
de ouders geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag
over een kind schorsen en een stichting als bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige
voogdij over een kind.
2.De kinderrechter beschikt op
verzoek van de raad voor de kinderbescherming of de officier van
justitie. Hij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van
persoon en vermogen van dit kind worden toegekend en bepaalt de
duur van de maatregel.
3.De maatregel vervalt na verloop
van zes weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde
van deze termijn een verzoek tot ontzetting of ontheffing
aanhangig is gemaakt. De kinderrechter kan deze termijn op ten
hoogste twaalf weken bepalen, dit evenwel uitsluitend op de grond
dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek aan de vereisten van
artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal
kunnen voldoen. Ingeval voor het einde van de van toepassing
zijnde termijn een verzoek tot ontzetting of ontheffing aanhangig
is gemaakt, blijft de maatregel van kracht totdat over het verzoek
bij gewijsde is beslist, tenzij de kinderrechter een kortere
termijn heeft vastgesteld.
4.De maatregel kan worden
ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft
bevolen tenzij een verzoek als bedoeld in het derde lid is
ingediend. In dat geval beslist de rechter bij wie dit verzoek
aanhangig is.
Artikel 272a
De rechtbank die een verzoek tot
ontheffing of ontzetting afwijst, is bevoegd een minderjarige onder
toezicht te stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 273 [Vervallen per
01-05-1995]
Artikel 274
1.Indien de ouders gezamenlijk het
gezag uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van
hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend.
2.In geval van ontheffing of
ontzetting van een ouder, die het gezag alleen uitoefent, kan de
andere ouder de rechtbank te allen tijde verzoeken met de
uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
3.De rechtbank die het verzoek
bedoeld bij het vorige lid heeft afgewezen, kan deze beschikking
steeds wijzigen. Zij doet dit echter slechts op verzoek van de
betrokken ouder, en niet dan op grond van omstandigheden, waarmede
de rechter bij het geven van de beschikking geen rekening heeft
kunnen houden.
Artikel 275
1.Indien de andere ouder het gezag
niet voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd
over de minderjarigen.
2.Ieder die tot uitoefening van de
voogdij bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de
rechtbank verzoeken met de voogdij te worden belast.
3.In geval van ontheffing met
toepassing van het tweede lid onder d, van artikel 268 van dit
boek, benoemt de rechtbank bij voorkeur tot voogd degene, dan wel
een dergenen, die op het tijdstip van het verzoek het kind ten
minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, mits deze bevoegd is
tot uitoefening van de voogdij.
Artikel 276
1.Indien de ontheven of ontzette
ouder het bewind over het vermogen van zijn kinderen voerde, wordt
hij tevens veroordeeld tot het afleggen van rekening en
verantwoording aan zijn opvolger in dit bewind.
2.Hebben de kinderen goederen
gemeen, maar komen zij onder het gezag van verschillende personen,
dan kan de rechtbank een van dezen of een derde aanwijzen om over
deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen
bewindvoerder stelt de waarborgen die de rechtbank van hem
verlangt.
3.Op het bewind krachtens het
vorige lid is artikel 253k van toepassing, indien een der ouders
als bewindvoerder is aangewezen, en anders paragraaf 10 van
afdeling 6 van deze titel. De bewindvoerder is bij uitsluiting
bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van minderjarige
deelgenoten, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking
tot de onder bewind staande goederen.
Artikel 277
1.Indien de rechtbank overtuigd is,
dat een minderjarige wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder
mag worden toevertrouwd, kan zij deze ouder op zijn verzoek in het
gezag herstellen. Indien de niet met elkaar gehuwde ouders
gezamenlijk het gezag willen uitoefenen, wordt het verzoek daartoe
door hen beiden of een van hen gedaan.
2.Indien bij gelegenheid van de
ontzetting of ontheffing het gezag aan de andere ouder was
opgedragen, belast de rechtbank de ontheven of ontzette ouder die
alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het
gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking
waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn
gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of
onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e van dit boek is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 278
1.Een verzoek als bedoeld in
artikel 277 van dit boek kan ook worden gedaan door de raad voor
de kinderbescherming.
2.Hangende het onderzoek kan zowel
de raad voor de kinderbescherming als de te herstellen ouder de
rechtbank verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van
een door haar te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden;
gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te herstellen
ouder verblijven. De rechtbank is te allen tijde bevoegd de
proeftijd te beëindigen.
Afdeling 6. Voogdij
§ 1. Voogdij in het algemeen
Artikel 279 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 280
De voogdij begint:
a. voor de voogd die door een
ouder is benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het
overlijden van deze ouder bereid verklaart de voogdij te
aanvaarden. De verklaring moet door de betrokkene in persoon of
bij bijzondere gevolmachtigde worden afgelegd ter griffie van de
rechtbank die overeenkomstig de tweede afdeling van de derde
titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering in zaken betreffende minderjarigen bevoegd is.
De verklaring moet worden afgelegd binnen veertien dagen, of -
indien de persoon, die de verklaring moet afleggen, zich buiten
Nederland bevindt - binnen twee maanden, nadat de benoeming is
betekend. Tot betekening kan iedere belanghebbende, alsmede de
raad voor de kinderbescherming opdracht geven.
b. voor de voogd die - nadat hij
zich bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden - door de
rechter is benoemd: op de dag, waarop de beslissing die de
benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is gegaan, of - zo
deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard - daags nadat de
beslissing die de benoeming inhoudt, is verstrekt of verzonden.
Een mondelinge bereidverklaring geschiedt ten overstaan van de
rechter die benoemt; een schriftelijke bereidverklaring wordt
neergelegd ter griffie waar de benoeming zal geschieden.
Artikel 281
1.De voogdij eindigt op de dag,
waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij:
a. de voogd is ontslagen of
ontzet;
b. het gezag over de onder zijn
voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is
opgedragen; of
c. de voogdij overeenkomstig
artikel 299a van dit boek aan een andere voogd is opgedragen.
2.Is een beschikking als in het
eerste lid bedoeld, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, dan
eindigt de voogdij daags nadat de beschikking is verstrekt of
verzonden.
Artikel 282
1.Op eensluidend verzoek van de
voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot
het kind staat, kan de rechter bepalen dat de voogdij door hen
gezamenlijk wordt uitgeoefend.
2.Voor de duur van de gezamenlijke
uitoefening van de voogdij worden beide in het eerste lid bedoelde
personen als voogd aangemerkt.
3.Het verzoek wordt afgewezen
indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van
het kind zouden worden verwaarloosd.
4.Gezamenlijke uitoefening van de
voogdij is niet mogelijk ten aanzien van tijdelijke voogdij als
bedoeld in de artikelen 296 en 297. Zij staat niet open voor
rechtspersonen.
5.Artikel 253a is van
overeenkomstige toepassing.
6.In afwijking van artikel 336
hebben twee voogden die gezamenlijk de voogdij uitoefenen, de
plicht en het recht het minderjarige kind te verzorgen en op te
voeden. Artikel 253w is, zolang de gezamenlijke voogdij
voortduurt, ten aanzien van hen beiden van overeenkomstige
toepassing.
7.Een verzoek als bedoeld in het
eerste lid kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de
geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van een van de
voogden. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien:
a. het kind van twaalf jaar of
ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd
met het verzoek;
b. het verzoek tot gezamenlijke
voogdij wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich
tegen toewijzing verzet.
Artikel 282a
De gezamenlijke uitoefening van de
voogdij eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de
beschikking waarbij de gezamenlijke uitoefening van de voogdij is
beëindigd of waarbij de voogdij is geëindigd ingevolge artikel
281, alsmede na het overlijden van een van de voogden.
Artikel 282b
Na de dood van een voogd die de
voogdij samen met een ander uitoefende, oefent de andere voogd
voortaan alleen de voogdij over de kinderen uit.
Artikel 283
De verzoeken die de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, dan wel
de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, in verband met
de uitoefening van de voogdij tot de rechter richt, kunnen worden
ingediend zonder advocaat en worden kosteloos behandeld. De grossen,
afschriften, en uittreksels, die zij tot dit doel aanvragen, worden
hun door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.
Artikel 284 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 285 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 286 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 287 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 288 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 289 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 290 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 291 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 291a [Vervallen per
15-12-1995]
§ 2. Voogdij door een der ouders
opgedragen
Artikel 292
1.Een ouder kan bij uiterste
wilsbeschikking bepalen welke persoon dan wel welke twee personen
na zijn dood voortaan als voogd onderscheidenlijk als gezamenlijke
voogden het gezag over zijn kinderen zal uitoefenen.
2.Hij kan geen rechtspersoon als
voogd aanwijzen.
3.Hebben beide ouders van deze
bevoegdheid gebruik gemaakt, en sterven zij, zonder dat men kan
weten wie het eerst overleden is, dan bepaalt de rechtbank
ambtshalve wiens beschikking gevolg heeft.
Artikel 293
De door de ouder getroffen regeling
heeft geen gevolg of vervalt:
a. indien na zijn overlijden de
andere ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke
beschikking het gezag over zijn kinderen uitoefent;
b. indien en voor zover hij op
het tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn kinderen
niet heeft;
c. indien de ander die met de
ouder gezamenlijk het gezag uitoefent van rechtswege de voogd
over de kinderen wordt.
Artikel 294 [Vervallen per
02-11-1995]
§ 3. Voogdij door de rechter
opgedragen
Artikel 295
De rechtbank benoemt een voogd over
alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier
voogdij niet op wettige wijze is voorzien.
Artikel 296
1.Is voorziening nodig in
afwachting van het begin der voogdij overeenkomstig artikel 280
van dit boek, dan benoemt de rechtbank een voogd voor de duur van
deze omstandigheden.
2.Zodra bedoelde omstandigheden
zijn vervallen, wordt deze voogd op verzoek van hem die hij
vervangt, door de rechtbank ontslagen.
Artikel 297
1.De rechtbank benoemt insgelijks
een voogd, wanneer voorziening nodig is wegens:
a. tijdelijke onmogelijkheid,
waarin een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen; of
b. onbekendheid van bestaan of
verblijfplaats van de voogd; of
c. in gebreke blijven van de
voogd, het gezag uit te oefenen.
2.Is de benoeming op het eerste lid
onder c gegrond, dan kan de rechtbank de benoemde voogd een
beloning toekennen en is de in gebreke gebleven voogd jegens de
minderjarige aansprakelijk voor de kosten die de vervanging
veroorzaakt, alsmede, behoudens zijn verhaal op de benoemde voogd,
voor diens verrichtingen.
3.Zodra de in het eerste lid
genoemde omstandigheden zijn vervallen, wordt de benoemde voogd op
eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt, door de
rechtbank ontslagen, tenzij gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
4.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid bedoelde
omstandigheden zich voordoet ten aanzien van een van beide
voogden, oefent de andere voogd het gezag over de kinderen alleen
uit. Zodra deze omstandigheid is vervallen, herleeft de
gezamenlijke voogdij. Het tweede lid is niet van toepassing.
Artikel 298
Gedurende de in de beide voorgaande
artikelen bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij
geschorst ten aanzien van de voogd die het betreft.
Artikel 299
De rechtbank benoemt de voogd op
verzoek van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor
de kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of
ambtshalve, behoudens artikel 282a.
Artikel 299a
1.Degene die met instemming van de
voogd een minderjarige in zijn gezin - anders dan uit hoofde van
een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige
voogdij - ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de
kinderrechter verzoeken hem, dan wel een rechtspersoon als bedoeld
in artikel 302 van dit boek, tot voogd te benoemen.
2.Indien de minderjarige door meer
dan een persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en
opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk
worden gedaan.
3.Het verzoek kan ook worden gedaan
door de raad voor de kinderbescherming.
4.De kinderrechter willigt het
verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de
minderjarige acht en hem genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet
bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt
hij bij voorkeur degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd,
mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.
5.Is het bij het eerste lid
bedoelde verzoek gedaan, dan blijft het tweede lid van artikel
336a, van dit boek buiten toepassing, totdat op het verzoek bij
gewijsde is beslist.
6.In geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij wordt de in het eerste lid bedoelde
instemming door beide voogden gegeven.
Artikel 300 [Vervallen per
01-05-1984]
Artikel 301
1.De ambtenaar van de burgerlijke
stand geeft de rechtbank onverwijld kennis:
a. van het overlijden van ieder
die minderjarige kinderen achterlaat;
b. van de aangifte van geboorte
van ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het
gezag uitoefent.
2.Indien het huwelijk van de
overledene die minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was
ontbonden, of de overledene van tafel en bed gescheiden was,
bericht de ambtenaar van de burgerlijke stand - zo de andere ouder
nog leeft - deze omstandigheden tevens aan de rechtbank. De
rechtbank zendt, indien deze een andere is, de door haar ontvangen
kennisgeving door aan de rechtbank die over het verzoek tot
ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en bed
heeft beslist.
§ 4. Voogdij van rechtspersonen
Artikel 302
1.De rechter kan de voogdij
opdragen aan een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg.
2.Onverminderd diens bevoegdheid
een natuurlijke persoon tot voogd te benoemen, kan de rechter de
voogdij over een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot
het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend,
en in verband daarmee in Nederland verblijft, alsmede over door
Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën andere
minderjarigen, uitsluitend opdragen aan een daartoe door Onze
Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3.Onze Minister van Justitie kan
voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de
aanvaarding, bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor
een bepaalde tijd aanvaarden.
4.Op een rechtspersoon als bedoeld
in het tweede lid, zijn de artikelen 303, 304, 305 en 328 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 303
Voor zover de wet niet anders
bepaalt, heeft de met voogdij belaste stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, dezelfde bevoegdheden en
verplichtingen als andere voogden.
Artikel 304
1.Met de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg zijn de bestuurders
hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te
wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.
2.Iedere bestuurder zal zich echter
van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat
hij geen schuld heeft aan de schade.
Artikel 305
1.De stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die hem toevertrouwde
minderjarigen uit huis plaatst, houdt de raad voor de
kinderbescherming schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar
zij zich bevinden.
2.De plaatsen, waar een stichting
als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,
minderjarigen heeft geplaatst, worden door de raad voor de
kinderbescherming bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de
toestand der minderjarigen dienstig acht.
3.De artikelen 261, vijfde lid,
262, eerste en derde lid, 263, eerste lid, eerste volzin, en
vierde lid, eerste volzin, en 265, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing. Artikel 3, vierde lid, van de Wet op
de jeugdzorg is eveneens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 306
1.Zonder toestemming van de
rechtbank mag een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg een hem toevertrouwde minderjarige niet
buiten Nederland plaatsen.
2.De rechter verleent deze
toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige
wenselijk acht.
Artikel 306a
De zesde afdeling van deze titel is
niet van toepassing op de uitoefening van de voorlopige voogdij als
bedoeld in de artikelen 241, 271, 272, 331 en 332 van dit Boek.
Artikel 307 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 308 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 309 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 310 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 311 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 312 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 313 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 314 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 315 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 316 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 317 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 318 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 319 [Vervallen per
02-11-1995]
§ 5. Ontslag van de voogdij
Artikel 320 [Vervallen per
01-01-1985]
Artikel 321 [Vervallen per
01-01-1985]
Artikel 322
1.Iedere voogd kan zich van zijn
bediening doen ontslaan, indien:
a. hij aantoont, dat hij
tengevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening
opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in staat
is deze waar te nemen;
b. hij de vijfenzestigjarige
leeftijd bereikt heeft;
c. een daartoe bevoegd persoon
zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te
nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de
minderjarigen acht.
2.Bij gezamenlijke uitoefening van
de voogdij is het eerste lid slechts van toepassing indien beide
voogden zich van hun bediening willen doen ontslaan.
Artikel 323
Op verzoek van de voogden gezamenlijk
of van een van hen beëindigt de rechter de gezamenlijke uitoefening
van de voogdij. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van beide voortaan
het gezag over ieder der minderjarige kinderen alleen zal toekomen.
§ 6. Onbevoegdheid tot de voogdij
Artikel 324
1.Wanneer een voogd op een der in
artikel 246 van dit boek genoemde gronden onbevoegd is tot de
voogdij, ontslaat de rechtbank hem en vervangt hem door een andere
voogd.
2.Zij doet dit op verzoek van de
voogd, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of
ambtshalve.
3.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid genoemde
gronden zich voordoet ten aanzien van een van beide voogden,
oefent de andere voogd het gezag over de kinderen alleen uit.
4.Zodra de grond van de
onbevoegdheid is vervallen, herleeft de gezamenlijke voogdij.
Artikel 325 [Vervallen per
02-11-1995]
§ 7. Ondertoezichtstelling van onder
voogdij staande minderjarigen
Artikel 326
1.Kinderen die onder voogdij staan
van natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.
2.Op deze ondertoezichtstelling
zijn de bepalingen der artikelen 254-265 van dit boek van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande nochtans, dat de
ondertoezichtstelling en de verlenging daarvan ook door de voogd
kunnen worden verzocht.
§ 8. Ontzetting van voogdij
Artikel 327
1.Indien de rechtbank dit in het
belang van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan zij een
voogd ten aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende
minderjarigen ontzetten op grond van:
a. slecht levensgedrag;
b. misbruik van zijn
bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de
omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke
uitoefening van zijn voogdij;
c. de omstandigheid, dat hij op
een der beide voorgaande gronden van een andere voogdij - of
op overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag - is
ontzet;
d. de omstandigheid, dat hij in
staat van faillissement verkeert of dat ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is;
e. de omstandigheid, dat hij in
persoon, of dat zijn ouder, echtgenoot of kind met de
minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of een
aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken is;
f. onherroepelijke
veroordeling:
1°. wegens opzettelijke
deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag
staande minderjarige;
2°. wegens het plegen
tegen de minderjarige van een der misdrijven, omschreven
in de titels XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek van
het Wetboek van Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf
van twee jaar of langer;
g. het in ernstige mate
veronachtzamen van de aanwijzingen van de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg of
belemmering van een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in
artikel 261;
h. het bestaan van gegronde
vrees voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn
gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige
terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en
opvoeding op zich hebben genomen;
i. de omstandigheid dat hij
niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste
beginseltoestemming.
2.Onder misdrijf worden in dit
artikel begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
Artikel 328
Ontzetting van een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan
slechts op de in het eerste lid van het vorige artikel onder b-e
genoemde gronden geschieden. Zijn ontzetting kan echter bovendien
plaats hebben, indien hij nalaat de raad voor de kinderbescherming
overeenkomstig artikel 305 van dit boek op de hoogte te houden van
de plaatsen, waar de hem toevertrouwde minderjarigen zich bevinden,
ofwel indien hij het door de raad voor de kinderbescherming uit te
oefenen toezicht belemmert of verhindert.
Artikel 329
1.Ontzetting van de voogdij kan
slechts worden uitgesproken op verzoek van een voogd, een der
bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde
graad, de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar
ministerie.
2.In het geval, bedoeld bij het
eerste lid van artikel 327 onder h van dit boek, kan de ontzetting
bovendien verzocht worden door hem, die de verzorging en opvoeding
van de minderjarige op zich heeft genomen.
3.In het geval, bedoeld bij artikel
367 van dit boek kan de rechtbank de ontzetting uitspreken, ook al
had de raad voor de kinderbescherming deze niet verzocht.
Artikel 330 [Vervallen per
02-11-1995]
Artikel 331
1.Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een voogd, wiens ontzetting
verzocht is, hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de
uitoefening van zijn voogdij over een of meer der minderjarigen
schorsen.
2.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij de rechtbank de schorsing van de te
ontzetten voogd onvoldoende acht om de kinderen aan diens invloed
te onttrekken, dan kan zij ook de andere voogd schorsen.
3.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij slechts een van de voogden wordt
geschorst, wordt gedurende de schorsing het gezag door de andere
voogd alleen uitgeoefend.
4.In de in het eerste en tweede lid
bedoelde gevallen vertrouwt de rechtbank een stichting als bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg met de
voorlopige voogdij over de minderjarige. Zij stelt vast welke
bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van deze
minderjarige worden toegekend.
5.De in dit artikel bedoelde
beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de
ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank kan
zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip
herroepen.
Artikel 331a
In plaats van schorsing van de voogd
in de uitoefening van de voogdij en voorziening in de voorlopige
voogdij als bedoeld in artikel 331, kan de rechtbank de minderjarige
onder toezicht stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 332
Op grond van feiten die tot
ontzetting van de voogdij kunnen leiden, en indien dit dringend en
onverwijld noodzakelijk is, kan de kinderrechter de voogd of voogden
geheel of gedeeltelijk schorsen in de uitoefening van het gezag over
een minderjarige en een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over
deze minderjarige. Artikel 272, tweede, derde en vierde lid, van dit
Boek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 332a
De rechtbank die een verzoek tot
ontzetting afwijst, is bevoegd een minderjarige onder toezicht te
stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 333 [Vervallen per
01-05-1995]
Artikel 334
1.Indien de rechtbank de ontzetting
uitspreekt, voorziet zij tevens in het gezag, behoudens het
bepaalde in het derde lid.
2.Ieder die tot de uitoefening van
het gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan
de rechtbank verzoeken daarmede te worden belast.
3.Indien sprake is van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij en de ontzetting slechts een van de
voogden betreft, wordt de voogdij voortaan door de andere voogd
alleen uitgeoefend.
Artikel 335
Hij die van de voogdij over een
bepaalde minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die
minderjarige worden benoemd.
§ 9. Het toezicht van de voogd over
de persoon van de minderjarige
Artikel 336
De voogd draagt zorg, dat de
minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en
opgevoed.
Artikel 336a
1.Indien de minderjarige door een
ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met
instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en
opgevoed geworden, kan de voogd niet dan met toestemming van
degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen,
wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.
2.Voor zover de volgens het vorige
lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op
verzoek van de voogd door die van de rechtbank worden vervangen.
Dit verzoek wordt slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in
het belang van de minderjarige acht.
3.In geval van afwijzing van het
verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de
rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet
te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een
verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van
de voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, van dit
boek aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat
op het verzoek bij gewijsde is beslist.
4.In geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij, wordt de in het eerste lid bedoelde
instemming door beide voogden gegeven.
§ 10. Het bewind van de voogd
Artikel 337
1.De voogd vertegenwoordigt de
minderjarige in burgerlijke handelingen.
2.De voogd moet het bewind over het
vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht
bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.
3.Indien goederen die de
minderjarige geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn
gesteld, is de voogd bevoegd van de bewindvoerder rekening en
verantwoording te vorderen. Vervalt dit bewind, dan komen de
goederen onder het bewind van de voogd.
Artikel 337a
1.In geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij worden de bevoegdheden die de voogd
ingevolge de paragrafen 10 en 11 heeft, gezamenlijk door de
voogden uitgeoefend, met dien verstande dat de bevoegdheden ook
aan een voogd alleen toekomen tenzij van bezwaren van de andere
voogd is gebleken.
2.De in bedoelde paragrafen
genoemde verplichtingen rusten op ieder van de voogden.
Artikel 338
1.De voogd zorgt dat het vermogen
van de minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is
samengesteld, zo spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd.
2.Binnen acht weken na het begin
van zijn voogdij doet de voogd ter griffie van de rechtbank van
het arrondissement waarin de woonplaats van de minderjarige is
gelegen schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede
gelden, effecten aan toonder en spaarbankboekjes.
3.Binnen acht maanden na het begin
van zijn voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar
deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter
griffie van de rechtbank van het arrondissement waarin de
woonplaats van de minderjarige is gelegen.
4.In de boedelbeschrijving is
begrepen een opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het
vermogen tot het ogenblik dat zij wordt opgemaakt.
Artikel 339
1.Wanneer de goederen van de
minderjarigen een waarde van € 11 250 niet te boven gaan, kan de
voogd een door hem ondertekende, volgens een door Onze Minister
van Justitie vastgesteld model opgemaakte, verklaring daaromtrent
in plaats van de boedelbeschrijving inleveren. De voogd van twee
of meer kinderen van dezelfde ouders kan met een zodanige
verklaring slechts volstaan, wanneer bovendien de goederen der
minderjarigen tezamen een waarde van € 22 500 niet te boven
gaan.
2.De kantonrechter kan te allen
tijde bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de
minderjarige, zoals dit op de datum van zijn beschikking is
samengesteld, met overeenkomstige toepassing van het vorige
artikel moet worden opgemaakt en ingeleverd.
Artikel 340
1.De kantonrechter kan bij gebleken
noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een
boedelbeschrijving of een verklaring, als bedoeld in het vorige
artikel, stellen.
2.Indien binnen de daarvoor
gestelde termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als
bedoeld in het vorige artikel is ingeleverd, doet de kantonrechter
binnen tien dagen na het einde van die termijn de voogd ten
verhore oproepen.
Artikel 341
1.In de boedelbeschrijving of in de
verklaring, bedoeld in artikel 339 van dit boek, moet de voogd
opgeven wat hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke
hiervan zal hij zijn vorderingsrecht niet voor diens
meerderjarigheid kunnen uitoefenen.
2.Zolang de voogd zijn
vorderingsrecht niet kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn
vordering geen rente.
Artikel 342
1.De vier vorige artikelen zijn van
overeenkomstige toepassing, wanneer de minderjarige gedurende de
voogdij door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt.
2.De inspecteur bij wie de aangifte
voor het recht van successie, van overgang of van schenking moet
worden ingediend, en aan wie ambtshalve bekend is dat de
minderjarige vermogen heeft verkregen, is verplicht de
kantonrechter van diens woonplaats hiervan te verwittigen.
Artikel 343
De voogd kan, onverminderd zijn
aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte
schade, voor de minderjarige alle handelingen verrichten, die hij in
diens belang noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het
bepaalde bij de volgende artikelen.
Artikel 344
1.Voorzover de kantonrechter niet
anders bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de
minderjarige in bewaring bij:
a. de Nederlandsche Bank N.V.;
b. een financiële onderneming
die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van bank mag uitoefenen;
2.De kantonrechter kan aanwijzingen
geven omtrent de wijze, waarop spaarbankboekjes en gelden van de
minderjarige moeten worden bewaard. De kantonrechter onder wiens
goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid
daarvan aanwijzingen als hier bedoeld geven. Overigens is de
kantonrechter, aangewezen in de tweede afdeling van de derde titel
van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering bevoegd.
3.Voor effecten aan toonder,
spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige tezamen met een of
meer andere personen toekomen, geldt het bepaalde in de vorige
leden, wanneer de voogd die onder zijn berusting heeft.
Artikel 345
1.De voogd behoeft machtiging van
de kantonrechter om de navolgende handelingen voor rekening van de
minderjarige te verrichten:
a. aangaan van overeenkomsten
strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige,
tenzij de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad
kan worden beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel
geschiedt;
b. giften doen, andere dan
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. een making of gift, waaraan
lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
d. geld lenen of de
minderjarige als borg of hoofdelijke medeschuldenaar
verbinden;
e. overeenkomen dat een boedel,
waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd
onverdeeld wordt gelaten.
2.De kantonrechter kan bepalen dat
de voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen
van de minderjarige, het disponeren over saldi bij een
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht daaronder begrepen.
3.Voor het aangaan van een
overeenkomst tot beëindiging van een geschil waarbij de
minderjarige is betrokken, behoeft de voogd geen machtiging in het
geval van artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering of indien het voorwerp van de onzekerheid of het
geschil een waarde van € 700 niet te boven gaat, noch indien de
overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.
Artikel 346
1.De voogd kan geen goederen van de
minderjarige kopen, huren of pachten, zonder dat de kantonrechter
de te sluiten overeenkomst goedkeurt.
2.In geval van openbare verkoop,
verhuur of verpachting moet de goedkeuring binnen een maand daarna
zijn aangevraagd.
Artikel 347
1.Een in strijd met artikel 345 of
346 verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is
vernietigbaar; op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep
worden gedaan van de zijde van de minderjarige.
2.Het vorige lid geldt niet voor
een rechtshandeling anders dan om niet indien de wederpartij te
goeder trouw was en voor een rechtshandeling die de minderjarige
geen nadeel heeft berokkend.
Artikel 348
|