Nadere
regelgeving:
- Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand
- Besluit burgerlijke stand 1994
- Besluit geslachtsnaamswijziging
Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en
familierecht
Boek 1. Personen- en familierecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Allen die zich in Nederland bevinden,
zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten.
2.Persoonlijke dienstbaarheden, van welke
aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld.
Artikel 2
Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt
als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt
het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
Artikel 3
1.De graad van bloedverwantschap wordt
bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben
veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap of een adoptie als een geboorte.
2.Door huwelijk of door geregistreerd
partnerschap ontstaat tussen de ene echtgenoot dan wel de ene
geregistreerde partner en een bloedverwant van de andere echtgenoot dan
wel de andere geregistreerde partner aanverwantschap in dezelfde graad
als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot dan wel de
andere geregistreerde partner en diens bloedverwant.
3.Door ontbinding van het huwelijk wordt
de aanverwantschap niet opgeheven.
Titel 2. Het recht op de naam
Artikel 4
1.Een ieder heeft de voornamen die hem in
zijn geboorteakte zijn gegeven.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of
overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen tenzij deze tevens
gebruikelijke voornamen zijn.
3.Geeft de aangever geen voornamen op, of
worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer
andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer
voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen
ambtshalve zijn gegeven.
4.Wijziging van de voornamen kan op
verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger
worden gelast door de rechtbank. De wijziging geschiedt doordat van de
beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt
toegevoegd, overeenkomstig artikel 20a, eerste lid. In geval van
wijziging van de voornamen van een buiten Nederland geboren persoon
geeft de rechtbank die de beschikking geeft, voor zoveel nodig
ambtshalve hetzij een last tot inschrijving van de akte van geboorte dan
wel van de akte of de uitspraak, bedoeld in artikel 25g, eerste lid,
hetzij de in artikel 25c bedoelde beschikking.
Artikel 5
1. Indien een kind alleen in
familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, heeft het haar
geslachtsnaam. Indien een kind door adoptie alleen in familierechtelijke
betrekking tot de vader staat, heeft het zijn geslachtsnaam.
2. Indien een kind door erkenning in
familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de
geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter
gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de
geslachtsnaam van de vader zal hebben. Van deze verklaring wordt melding
gemaakt in de akte van erkenning. De eerste twee volzinnen zijn van
overeenkomstige toepassing bij erkenning van een ongeboren kind. De
ouders kunnen evenwel ter gelegenheid van de voltrekking van hun
huwelijk of van de registratie van hun partnerschap alsnog gezamenlijk
verklaren, dat hun kind voortaan de geslachtsnaam van de andere ouder
zal hebben. Van deze verklaring wordt een akte van naamskeuze opgemaakt.
Indien een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in
familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de
geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens
vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling
gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal
hebben. De rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het
vaderschap vermeldt de verklaring van de ouders hieromtrent.
3. Indien een kind door adoptie in
familierechtelijke betrekking komt te staan tot beide adoptanten van
verschillend geslacht, die met elkaar zijn gehuwd, heeft het kind de
geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter gelegenheid van de
adoptie gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de
moeder zal hebben. Indien de adoptanten niet met elkaar gehuwd zijn of
indien beide adoptanten van hetzelfde geslacht zijn en met elkaar gehuwd
zijn, houdt het kind de geslachtsnaam die het heeft, tenzij de
adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het
een van hun beider geslachtsnamen zal hebben. Indien een kind door
adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van een ouder komt te
staan, houdt het zijn geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens
echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gezamenlijk
verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel, dan wel de geslachtsnaam
van die ouder. De rechterlijke uitspraak inzake de adoptie vermeldt de
verklaring van de adoptanten hieromtrent.
4. Indien een kind door geboorte in
familierechtelijke betrekking tot beide ouders komt te staan, verklaren
de ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de aangifte van de
geboorte welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de
verklaring van de ouders die voor de aangifte van de geboorte wordt
afgelegd, wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Van de verklaring van
de ouders die ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt
afgelegd, wordt melding gemaakt in de akte van geboorte. De eerste drie
volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn
echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, van
rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld in artikel 253sa over het
kind zullen uitoefenen of uitoefenen. De verklaring die niet ter
gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, kan ten
overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand worden afgelegd.
5. Wordt een verklaring houdende
naamskeuze, bedoeld in het vierde lid, voor of ter gelegenheid van de
aangifte van de geboorte afgelegd, dan heeft het kind de gekozen naam
vanaf de geboorte. Geschiedt de naamskeuze niet uiterlijk ter
gelegenheid van de aangifte van de geboorte, dan neemt de ambtenaar van
de burgerlijke stand als geslachtsnaam van het kind in de geboorteakte
op:
a. de geslachtsnaam van de vader in
geval het kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot
beide ouders komt te staan;
b. de geslachtsnaam van de moeder in
geval een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die
niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld
inartikel 253sa over het kind uitoefenen.
6. Indien de moeder na de geboorte van
het kind op grond van artikel 199, onderdeel b, het vaderschap van de
overleden echtgenoot ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de
ontkenning is hertrouwd, kunnen de moeder en haar echtgenoot gezamenlijk
ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van hun beider
geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders
wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Bij gebreke van een verklaring
heeft het kind de geslachtsnaam van de vader.
7. Indien een kind op het tijdstip van
het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders
zestien jaar of ouder is, verklaart het zelf ten overstaan van de
ambtenaar van de burgerlijke stand of van de notaris of, in geval van
adoptie of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ten overstaan
van de rechter of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal
hebben. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van
erkenning of in de rechterlijke uitspraak inzake adoptie of
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
8. Een verklaring van de ouders als
bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid, kan slechts ten
aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. De
eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
eerste kind over wie de ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde
partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als
bedoeld in artikel 253sa zullen uitoefenen of uitoefenen. Onverminderd
het zevende lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders dan wel
kinderen over wie dezelfde ouder en dezelfde echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege het gezag
gezamenlijk zullen uitoefenen, dezelfde geslachtsnaam als het eerste
kind, met dien verstande dat in het geval dat volgende kinderen blijkens
de geboorteakte of krachtens toepasselijk recht een naam hebben die
afwijkt van de naam van het eerste kind, de ouders kunnen verklaren dat
het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal hebben als het eerste
kind. Indien voor de geboorte of ter gelegenheid van de aangifte
naamskeuze is gedaan ten aanzien van een kind dat levenloos ter wereld
komt of is gekomen, wordt deze keuze opgenomen in de akte, bedoeld in
artikel 19i, eerste lid, en geldt zij alleen ten aanzien van dit kind.
9. Is één van de ouders voorafgaand aan
het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan overleden
en is de naamskeuze niet gedaan, dan legt de andere ouder een verklaring
omtrent de naamskeuze af. Hetzelfde geldt indien één van de ouders
wegens geestelijke stoornis onder curatele staat dan wel indien ten
aanzien van hem of haar een mentorschap bestaat.
10. Zijn de vader en moeder onbekend, dan
neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de geboorteakte een
voorlopige voornaam en geslachtsnaam op, in afwachting van het
koninklijk besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind
worden vastgesteld.
11. Indien op grond van het tweede tot en
met negende lid een kind, wiens vader van adel is, niet zijn
geslachtsnaam verkrijgt, gaat de adeldom niet over op dat kind.
12. De geslachtsnaam van kinderen geboren
uit een huwelijk met een lid van het koninklijk huis wordt bij
koninklijk besluit bepaald.
Artikel 6
De geslachtsnaam wordt ten aanzien van een
ieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan
op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger,
door de Koning worden gewijzigd.
2. Hij wiens geslachtsnaam of voornamen
niet bekend zijn, kan de Koning verzoeken voor hem een geslachtsnaam of
voornamen vast te stellen.
3. Een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam door de Koning heeft geen invloed op de geslachtsnaam van
de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit
meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan.
4. Een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam door de Koning blijft in stand niettegenstaande een latere
erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de
geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en
behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en
betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
6. Indien Onze Minister van Justitie
voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit
strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of
tweede lid, deelt hij dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en
degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede, indien het verzoek op
de geslachtsnaam van een minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en
degene aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is
verzocht, rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het
voornemen geldt als een beschikking.
7. Onze Minister van Justitie doet de
schriftelijke mededeling van het voornemen binnen twintig weken.
Artikel 8
Hij die de naam van een ander zonder diens
toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig, wanneer hij
daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin
te behoren.
Artikel 9
1.Een vrouw die gehuwd is of die gehuwd
is geweest dan wel wier partnerschap geregistreerd is of is geweest en
die niet is getrouwd na beëindiging van de registratie of is hertrouwd
dan wel niet een geregistreerd partnerschap is aangegaan na beëindiging
van het huwelijk of opnieuw is aangegaan, is steeds bevoegd de
geslachtsnaam van haar echtgenoot of van haar geregistreerde partner te
voeren of aan de hare te doen voorafgaan dan wel die te doen volgen op
haar eigen geslachtsnaam.
2.Indien het huwelijk door echtscheiding
is ontbonden en daaruit geen afstammelingen in leven zijn dan wel indien
het geregistreerd partnerschap op de wijze bedoeld in artikel 80c, onder
c of d, is beëindigd, kan de rechtbank, wanneer daartoe gegronde
redenen bestaan, op verzoek van de gewezen echtgenoot of de gewezen
geregistreerde partner aan de vrouw de haar in het eerste lid toegekende
bevoegdheid ontnemen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de man die gehuwd is of
gehuwd is geweest dan wel wiens partnerschap geregistreerd is of is
geweest en die niet is getrouwd na beëindiging van de registratie of is
hertrouwd dan wel niet een geregistreerd partnerschap is aangegaan na
beëindiging van het huwelijk of opnieuw is aangegaan.
Titel 3. Woonplaats
Artikel 10
1.De woonplaats van een natuurlijk
persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede
ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
2.Een rechtspersoon heeft zijn woonplaats
ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn
statuten of reglementen zijn zetel heeft.
Artikel 11
1.Een natuurlijk persoon verliest zijn
woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.
2.Een natuurlijk persoon wordt vermoed
zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk
voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van burgemeester en
wethouders heeft kennis gegeven.
Artikel 12
1.Een minderjarige volgt de woonplaats
van hem die het gezag over hem uitoefent, de onder curatele gestelde die
van zijn curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun
minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan
volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk
verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
2.Wanneer iemands goederen onder bewind
staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit bewind betreft,
de woonplaats van de bewindvoerder.
3.Wanneer ten behoeve van een persoon een
mentorschap is ingesteld, volgt hij voor alles wat de uitoefening van
dit mentorschap betreft, de woonplaats van de mentor.
4.Het eerste, tweede en derde lid zijn
niet van toepassing voor zover het betreft de relatieve bevoegdheid van
de rechter gedurende een curatele, een bewind als bedoeld in titel 19 en
een mentorschap. Hetzelfde geldt indien ten aanzien van een persoon een
curatele, een mentorschap of een bewind als bedoeld in titel 19 en
tevens een bewind als bedoeld in afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 of
een bewind als bedoeld in artikel 182 van Boek 7 van kracht zijn en de
bevoegde kantonrechter de andere kantonrechter als uitsluitend bevoegde
heeft aangewezen.
5.Wanneer de persoon, van wie de
woonplaats wordt afgeleid, overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid
verliest, duurt de afgeleide woonplaats voort, totdat een nieuwe
woonplaats is verkregen.
Artikel 13
Het sterfhuis van een overledene is daar,
waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad.
Artikel 14
Een persoon die een kantoor of een filiaal
houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit
filiaal betreffen mede aldaar woonplaats.
Artikel 15
Een persoon kan een andere woonplaats dan
zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of
wanneer de keuze bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane
overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of
rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk
belang aanwezig is. Indien de keuze bij langs elektronische weg aangegane
overeenkomst geschiedt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van
overeenkomstige toepassing.
Titel 4. Burgerlijke stand
Afdeling 1. De ambtenaar van de burgerlijke
stand
Artikel 16
1.In elke gemeente zijn twee, of, naar
goedvinden van burgemeester en wethouders, meer ambtenaren van de
burgerlijke stand. Daarenboven kunnen een of meer ambtenaren van de
burgerlijke stand worden belast met het verrichten van bepaalde taken.
Deze dragen de titel van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke
stand.
2.De in het eerste lid bedoelde
ambtenaren worden door burgemeester en wethouders benoemd, geschorst of
ontslagen. Een benoeming kan voor een bepaalde tijdsduur geschieden.
3.Ambtenaar van de burgerlijke stand van
een gemeente kan slechts zijn een ambtenaar in dienst van die gemeente
of een andere gemeente. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
kan mede zijn een persoon die geen ambtenaar in gemeentelijke dienst is.
4.De ambtenaar of buitengewoon ambtenaar
van de burgerlijke stand wordt tot zijn betrekking niet toegelaten dan
na voor de rechtbank tot wier rechtsgebied de gemeente behoort waar hij
voor het eerst wordt benoemd de navolgende eed dan wel belofte te hebben
afgelegd:
"Ik zweer (beloof) dat ik de
betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand met eerlijkheid en
nauwkeurigheid zal vervullen en dat ik de wettelijke voorschriften, de
burgerlijke stand betreffende, met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen;
dat ik voorts, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch
onmiddellijk, onder enige naam of voorwendsel, aan iemand iets heb
gegeven of beloofd, en dat ik, om iets in deze betrekking te doen of te
laten, van niemand enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk
of onmiddellijk. Zo waarlijk helpe mij God almachtig". ("Dat
verklaar en beloof ik").
Artikel 16a
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
is belast met het opnemen in de onder hem berustende registers van de
burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te voegen latere
vermeldingen, alsmede al datgene wat de instandhouding van de registers
en de zorg voor de toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens
betreft.
2.De buitengewoon ambtenaar van de
burgerlijke stand kan uitsluitend worden belast met de taken omschreven
in de artikelen 45, 45a, 63, 64, 65, 67, 80a, derde lid, en 80g.
Artikel 16b
Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke
stand in de uitoefening van zijn ambt op grond van enige bepaling van deze
titel of van enige andere titel van dit boek in rechte optreedt, kan hij
dit zonder advocaat doen.
Artikel 16c
Burgemeester en wethouders bepalen de uren,
waarop elk bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het publiek
geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de werkzaamheden van de
ambtenaren van de burgerlijke stand op die dagen zoveel mogelijk te
beperken, een afzonderlijke regeling getroffen voor de zaterdag, de
zondag, de algemeen erkende feestdagen en de overige daarvoor door
burgemeester en wethouders aan te wijzen dagen, waarop gemeentelijke
diensten niet of slechts gedeeltelijk zijn geopend.
Artikel 16d
Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld ten aanzien van de door het college van burgemeester en
wethouders te treffen voorzieningen ten behoeve van de taakuitoefening
door de ambtenaar van de burgerlijke stand, en voorts ten aanzien van al
wat verder de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand betreft.
Afdeling 2. De registers van de burgerlijke
stand en de bewaring daarvan
Artikel 17
1.Er bestaan voor iedere gemeente
registers van geboorten, van huwelijken, van geregistreerde
partnerschappen en van overlijden.
2.Er bestaat in de gemeente
's-Gravenhage, naast de in het eerste lid genoemde registers, een
register voor de inschrijving van de in afdeling 6 bedoelde rechterlijke
uitspraken.
Artikel 17a
1.De registers van de burgerlijke stand
worden in het gemeentehuis bewaard totdat zij naar een gemeentelijke
archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) worden
overgebracht.
2.De overbrenging naar de gemeentelijke
archiefbewaarplaats van de in het gemeentehuis berustende registers van
geboorten, van huwelijken dan wel geregistreerde partnerschappen en van
overlijden vindt eerst plaats onderscheidenlijk honderd jaar,
vijfenzeventig jaar en vijftig jaar na de afsluiting van deze registers.
Artikel 17b
De beheerder van een archiefbewaarplaats
als bedoeld in artikel 17a is belast met het bewaren van de onder hem
berustende registers, met het toevoegen van latere vermeldingen aan de
daarin opgenomen akten en met de afgifte van afschriften en uittreksels
van deze akten.
Artikel 17c
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de registers, alsmede
de in artikel 17b genoemde handelingen ten aanzien van die registers.
Afdeling 3. Akten van de burgerlijke stand
en partijen bij deze akten
Artikel 18
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
mag in de akten alleen opnemen hetgeen ingevolge het bij of krachtens de
wet bepaalde moet worden verklaard of opgenomen.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
is bevoegd alvorens tot het opmaken van een akte over te gaan zich de
door de wet vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij doet zich ook
andere bescheiden vertonen, welke hij voor het opmaken van de akte of
voor de vaststelling van de in de akte op te nemen gegevens noodzakelijk
acht. Hij kan zich te dien einde, zonder hiervoor leges verschuldigd te
zijn, inlichtingen verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand
en uit andere openbare registers.
3.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld al hetgeen het opmaken van de akten betreft.
Artikel 18a
1.Partijen bij een akte van de
burgerlijke stand zijn degenen die aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand een aangifte doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen
betreffende een feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken.
2.Belanghebbende partijen zijn partijen
die met hun verklaring enig rechtsgevolg teweeg brengen voor henzelf of
voor medepartijen, dan wel voor henzelf en medepartijen.
3.De belanghebbende partijen kunnen zich
door een daartoe bij authentieke akte gevolmachtigde doen
vertegenwoordigen.
4.Wanneer een gevolmachtigde een
verklaring aflegt, geldt hij zowel als de door hem vertegenwoordigde
persoon als partij bij de akte.
5.De ambtenaar van de burgerlijke stand
mag geen akte verlijden waarin hijzelf als partij of belanghebbende
partij voorkomt.
Artikel 18b
1.Blijft een partij bij een akte van de
burgerlijke stand of een belanghebbende partij in gebreke de in artikel
18, tweede lid, bedoelde bescheiden over te leggen, of acht de ambtenaar
van de burgerlijke stand de overgelegde bescheiden ongenoegzaam, dan
weigert deze tot het opmaken van de akte over te gaan.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
weigert eveneens tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij
van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
3.Van een weigering als bedoeld in het
eerste of het tweede lid doet de ambtenaar van de burgerlijke stand een
schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de partijen bij de
akte en de belanghebbende partijen toekomen, onder vermelding van de
tegen die weigering openstaande voorziening van afdeling 12 van deze
titel. Een afschrift van deze mededeling doet hij aan de korpschef
toekomen.
Artikel 18c
1.Van alle in registers opgenomen akten
van de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift gehouden,
volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld alles wat betreft de bewaring van de dubbelen of de
afschriften alsmede van de daarop betrekking hebbende latere
vermeldingen.
3.Wanneer akten van de burgerlijke stand
verloren zijn gegaan of verminkt zijn, wordt ter vervanging van deze
akten van de dubbelen van de akten een afschrift gemaakt door een of
meer door Onze Minister van Justitie aan te wijzen Centrale
Bewaarplaatsen waar de dubbelen bewaard worden. De afschriften treden in
de plaats van de verloren gegane of verminkte akten.
4.Er wordt een lijst opgesteld van de
akten die vervangen worden, die in de Staatscourant wordt gepubliceerd.
5.De kosten voor de vervanging van akten
van de burgerlijke stand komen ten laste van de Staat, tenzij het de
vervanging van akten betreft die bewaard worden door een gemeente. In
het laatstgenoemde geval komen de kosten van vervanging voor rekening
van de gemeente.
6.Onze Minister van Justitie kan nadere
regels stellen omtrent de wijze waarop de vervanging van de akten dient
te worden uitgevoerd.
Afdeling 4. De akten van geboorte, van
overlijden en de akten houdende attestaties de vita
Artikel 19
1.Een akte van geboorte wordt opgemaakt
door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind
is geboren.
2.Indien de plaats van de geboorte van
het kind niet bekend is, wordt de akte opgemaakt door de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is aangetroffen. Die
gemeente geldt als gemeente waar het kind is geboren.
Artikel 19a
1.In geval van geboorte op Nederlands
grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens
een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van
geboorte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente waar dat kind het voertuig, het schip of het luchtvaartuig
verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als
gemeente waar het kind is geboren.
2.In geval van geboorte tijdens een
zeereis met een in Nederland geregistreerd vaartuig, dan wel tijdens een
internationale luchtreis met een in Nederland geregistreerd
luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig
verplicht een voorlopige akte van geboorte binnen vierentwintig uur in
het journaal in te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen en zo
mogelijk van de vader. De gezagvoerder zendt een afschrift van die akte
zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente 's-Gravenhage. Deze maakt de akte van geboorte op aan de hand
van het ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die
ontbreken of hem blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of
verbetert. Aan de personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een
uittreksel van de akte toegezonden.
Artikel 19b
Indien de plaats of de dag van de geboorte
van het kind niet bekend is dan wel indien de naam, met inbegrip van de
voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de geboorteakte ten aanzien
van deze punten opgemaakt krachtens een bevel en overeenkomstig de
aanwijzingen van het openbaar ministerie.
Artikel 19c
Zijn krachtens artikel 5, tiende lid, van
dit boek in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam opgenomen,
dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld een volledig
afschrift van de akte aan Onze Minister van Justitie.
Artikel 19d
1.Indien het geslacht van het kind
twijfelachtig is, wordt een geboorteakte opgemaakt, waarin wordt vermeld
dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.
2.Binnen drie maanden na de geboorte, of,
bij overlijden binnen die termijn, ter gelegenheid van de aangifte van
het overlijden, wordt onder doorhaling van de in het eerste lid bedoelde
akte een nieuwe geboorteakte opgemaakt, waarin het geslacht, indien dit
inmiddels is vastgesteld, wordt vermeld aan de hand van een ter zake
overgelegde medische verklaring.
3.Is binnen de in het tweede lid genoemde
termijn geen medische verklaring overgelegd, of blijkt uit de
overgelegde medische verklaring dat het geslacht niet is kunnen worden
vastgesteld, dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat het geslacht van
het kind niet is kunnen worden vastgesteld.
Artikel 19e
1.Tot de aangifte van een geboorte is
bevoegd de moeder van het kind.
2.Tot de aangifte is verplicht de vader.
3.Wanneer de vader ontbreekt of
verhinderd is de aangifte te doen, is tot aangifte verplicht:
a. ieder die bij het ter wereld komen
van het kind tegenwoordig is geweest;
b. de bewoner van het huis waar de
geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied in een
inrichting tot verpleging of verzorging bestemd, in een gevangenis
of in een soortgelijke inrichting, het hoofd van die inrichting of
een door hem bij onderhandse akte bijzonderlijk tot het doen van de
aangifte aangewezen ondergeschikte.
4.Voor een in het derde lid, onder b,
genoemde persoon bestaat de verplichting alleen indien een onder a
genoemde persoon ontbreekt of verhinderd is.
5.Wanneer tot de aangifte bevoegde of
verplichte personen ontbreken of nalaten de aangifte te doen, geschiedt
deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de
geboorteakte moet worden opgemaakt.
6.De verplichting tot aangifte moet
worden vervuld binnen drie dagen na de dag der bevalling. Van een
aangifte later dan de derde dag, bedoeld in de eerste zin van dit lid,
wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling gedaan aan
het openbaar ministerie.
7.De ambtenaar van de burgerlijke stand
stelt de identiteit van de aangever vast aan de hand van een document
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
8.Bij de aangifte kan de ambtenaar van de
burgerlijke stand zich doen overleggen een door de arts of de
verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig
was, opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder opgegeven
persoon is geboren. Is het kind buiten de tegenwoordigheid van een arts
of verloskundige ter wereld gekomen, dan kan hij zich een door een
zodanige hulpverlener nadien opgemaakte verklaring doen overleggen.
9.Wordt geen gevolg gegeven aan het
verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand om overlegging van een
verklaring als bedoeld in het achtste lid of is in de verklaring vermeld
dat de identiteit van de moeder onbekend is, dan is artikel 19b van
toepassing.
Artikel 19f
1.Een akte van overlijden wordt opgemaakt
door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het
overlijden heeft plaatsgevonden.
2.Indien een lijk is gevonden en de
plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan
worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is
gevonden of aan land gebracht.
3.Ongeacht het in het eerste lid bepaalde
is het tweede lid van overeenkomstige toepassing indien het overlijden
heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het
lijk in Nederland aan land wordt gebracht.
Artikel 19g
1.In geval van overlijden op Nederlands
grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens
een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van
overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente waar het lijk het voertuig, het schip of het luchtvaartuig
verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als
gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden.
2.In geval van overlijden tijdens een
zeereis met een in Nederland geregistreerd voertuig, dan wel tijdens een
internationale luchtreis met een in Nederland geregistreerd
luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig
verplicht een voorlopige akte van overlijden binnen vierentwintig uur in
het journaal in te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen. De
gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk naar
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage.
Deze maakt de akte van overlijden op aan de hand van het ontvangen
afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of hem
blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de
personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van de
akte toegezonden.
Artikel 19h
1.Tot de aangifte van een overlijden is
bevoegd wie daarvan uit eigen wetenschap kennis draagt.
2.Binnen de in de Wet op de lijkbezorging
(Stb. 1991, 130) gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan
de persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het eerste lid
bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte.
3.Wanneer tot de aangifte bevoegde
personen ontbreken of nalaten binnen de in de Wet op de lijkbezorging
gestelde termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te doen,
geschiedt deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de
akte van overlijden moet worden opgemaakt.
4.In de gevallen bedoeld in artikel 19f,
tweede en derde lid, geschiedt de aangifte schriftelijk door de
hulpofficier van justitie.
Artikel 19i
1.Wanneer een kind levenloos ter wereld
is gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register van overlijden
wordt opgenomen.
2.Wanneer een kind binnen de in artikel
19e, zesde lid, bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de
geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als een akte van
overlijden opgemaakt.
3.In de in de vorige leden bedoelde
gevallen is ten aanzien van de aangifte het bepaalde in artikel 19h van
overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid bedoelde geval
blijft artikel 19e buiten toepassing.
Artikel 19j
1.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen
stukken, het opmaken van de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten
van geboorte en van overlijden, en de inhoud daarvan.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt tevens geregeld:
a. op welke wijze en waar de akten
van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt en
ingeschreven wanneer dit ten gevolge van een verbod van verkeer of
ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden niet op de gewone
wijze kan geschieden; en
b. op welke wijze en waar
overlijdensakten zullen worden opgemaakt van militairen en van
andere personen, die tot de krijgsmacht behoren en die te velde, in
de slag, of in ’s Rijks dienst buiten Nederland zijn overleden.
Artikel 19k
1. Een ieder die zijn gewone
verblijfplaats in Nederland heeft, kan de ambtenaar van de burgerlijke
stand van zijn woonplaats verzoeken om afgifte van een attestatie de
vita opgesteld overeenkomstig bijlage 1 van de op 10 september 1998 te
Parijs tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een
attestatie de vita (Trb. 2004, 283).
2. De verzoeker verschijnt in persoon
voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn woonplaats, dan wel
voor de daartoe in Nederland bevoegde diplomatieke of consulaire
autoriteit, tenzij hij in de onmogelijkheid hiertoe verkeert. Hij toont
zijn identiteit aan aan de hand van een document als bedoeld in artikel
1 van de Wet op de identificatieplicht.
3. De attestatie de vita is gedurende zes
maanden geldig, te rekenen vanaf de datum van afgifte. Zij is
vrijgesteld van de vereisten van vertaling en van legalisatie dan wel
van enig soortgelijk formeel vereiste.
4. De attestatie de vita wordt afgegeven
in de Nederlandse taal en in de Franse taal. Op verzoek wordt daarbij
tevens afgegeven:
a. de lijst van coderingen en de
vertaling ervan in de officiële taal of in één van de officiële
talen van het land waar de attestatie overgelegd zal worden, of
b. de vertaling in de officiële taal
of in één van de officiële talen van de landen die bij de in het
eerste lid genoemde Overeenkomst partij zijn. De vertaling wordt
uitgevoerd overeenkomstig de in de bijlage bij de Overeenkomst
vastgestelde termen.
5. Iedere belanghebbende kan met
betrekking tot een attestatie de vita die is afgegeven in een ander land
dat partij is bij de in het eerste lid genoemde Overeenkomst, de
ambtenaar van de burgerlijke stand in zijn woonplaats dan wel de daartoe
in Nederland bevoegde diplomatieke of consulaire autoriteit verzoeken om
afgifte van:
a. een vertaling van de coderingen in
het Nederlands, of
b. een vertaling van de attestatie de
vita in het Nederlands.
Afdeling 5. Latere vermeldingen
Artikel 20
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere
vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere
authentieke akten houdende naamskeuze, erkenning, ontkenning van het
vaderschap door de moeder, van besluiten houdende wijziging of
vaststelling van namen, van bevestigingen van opties mede houdende
vaststelling van namen en naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging
of vaststelling van namen alsmede van besluiten tot intrekking van zulke
bevestigingen of besluiten, van de opgave van afwijkende namen die een
persoon die meer dan één nationaliteit bezit, voert in overeenstemming
met het recht van het land waarvan hij mede de nationaliteit bezit, van
akten houdende beëindiging van een geregistreerd partnerschap, van
akten van omzetting van een geregistreerd partnerschap,, alsmede van
rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening ten minste drie maanden
oud is en die inhouden:
a. een last tot wijziging van de
voornamen of van de geslachtsnaam, een last tot wijziging van de
vermelding van het geslacht, een adoptie, een herroeping van een
adoptie, een vernietiging van een erkenning, een gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap, een gegrondverklaring van een
ontkenning van het vaderschap of, of een vernietiging van zulk een
uitspraak;
b. de nietigverklaring van een
huwelijk of van een geregistreerd partnerschap of de vernietiging
van zulk een uitspraak tussen echtelieden of geregistreerde partners
wier huwelijksakte onderscheidenlijk akte van een geregistreerd
partnerschap, dan wel akte van omzetting van een geregistreerd
partnerschap of huwelijk in de Nederlandse registers van de
burgerlijke stand is opgenomen.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
voegt eveneens aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke
stand latere vermeldingen toe van in kracht van gewijsde gegane
rechterlijke uitspraken die een echtscheiding of een ontbinding van een
geregistreerd partnerschap, een ontbinding van een huwelijk na scheiding
van tafel en bed of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen
echtelieden wier huwelijksakte, akte van registratie van een
partnerschap of akte van omzetting van een geregistreerd partnerschap of
huwelijk in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand is
opgenomen, inhouden.
Artikel 20a
1.De in artikel 20 bedoelde latere
vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen bedoeld in het eerste
lid, onder b, alsmede van de vermeldingen houdende beëindiging van een
geregistreerd partnerschap en van de vermeldingen van een omzetting van
een geregistreerd partnerschap, worden toegevoegd aan de geboorteakte
van de betrokken persoon. Van een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding toegevoegd aan de
geboorteakten van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover de
wijziging of vaststelling zich tot hen uitstrekt.
2.De in artikel 20, eerste lid, onder b,
en tweede lid, bedoelde latere vermeldingen alsmede de in de aanhef van
artikel 20, eerste lid, bedoelde beëindiging van een geregistreerd
partnerschap en de daar bedoelde omzetting, worden toegevoegd aan de
huwelijksakte dan wel aan de akte van registratie van een partnerschap
van de betrokken persoon.
3.Wanneer als gevolg van het huwelijk of
van de echtscheiding een verandering intreedt in de geslachtsnaam van
een persoon, wordt hiervan, voorzover zij niet in de huwelijksakte is
vermeld, aan deze akte een latere vermelding toegevoegd. Tevens wordt
daarvan een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van de
betrokkene en de geboortenakten van diens kinderen, voor zover hun naam
eveneens verandert.
4.Van een aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand betekende akte van stuiting van een huwelijk of van
een registratie van een partnerschap wordt, evenals van beschikkingen of
akten waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de akte van aangifte een
latere vermelding toegevoegd.
Artikel 20b
1.Van akten en uitspraken die buiten
Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking
hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 20,
wordt, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet, op
verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve, door de ambtenaar van
de burgerlijke stand een latere vermelding toegevoegd aan de
desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande
voorkomende huwelijksakte, akte van registratie van een partnerschap,
akte van omzetting van een geregistreerd partnerschap of huwelijk of
geboorteakte. Van een verandering van de geslachtsnaam wordt op verzoek
van een belanghebbende tevens een latere vermelding gevoegd bij de
geboorteakte van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover hun
naam eveneens verandert.
2.Indien een latere vermelding ambtshalve
aan een akte is toegevoegd, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand
een afschrift van de akte en de latere vermelding aan de persoon of
personen op wie de akte betrekking heeft.
Artikel 20c
De artikelen 18 en 18b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20d
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het
opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud daarvan.
Artikel 20e
1.Van de in artikel 20, eerste lid,
genoemde uitspraken zendt de griffier van het college waarvoor de zaak
laatstelijk aanhangig was niet eerder dan drie maanden na de dag van de
beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.
2.Van besluiten houdende wijziging of
vaststelling van namen en van naturalisatiebesluiten mede houdende
wijziging of vaststelling van namen zendt Onze Minister van Justitie
onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder
wie de akte van geboorte van de betrokken persoon berust.
3.De notaris die een akte van erkenning
heeft opgemaakt, zendt onverwijld een afschrift of een uittreksel
daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van
geboorte van het kind berust.
Artikel 20f
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
die de gegevens van een akte van naamskeuze opneemt in de akte van
geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand die de akte van naamskeuze heeft opgemaakt.
Deze akte wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de
ontvangst van dat afschrift.
2.De ambtenaar van de burgerlijke stand
die een latere vermelding van de naamskeuze, de erkenning toevoegt aan
de akte van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte en
de latere vermelding aan de personen op wie de akte betrekking heeft.
Hij zendt een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de
akte van naamskeuze, van erkenning heeft opgemaakt. Laatstgenoemde akte
wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst
van laatstgenoemd afschrift dan wel, indien geen zodanig afschrift wordt
ontvangen, totdat achttien maanden zijn verstreken na het opmaken van de
akte.
Artikel 20g
De ambtenaar van de burgerlijke stand die
aan de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding toevoegt,
waaruit blijkt dat de minderjarige is erkend, of dat een naam van hem is
gewijzigd, geeft van dit feit kennis aan de bewaarder van het in artikel
244 van dit boek bedoelde openbare register waarin rechtsfeiten omtrent
die minderjarige zijn opgenomen.
Artikel 20h [Vervallen per 01-01-1995]
Afdeling 6. Akten van inschrijving van
bepaalde rechterlijke uitspraken
Artikel 21
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
te 's-Gravenhage maakt akten van inschrijving op van in kracht van
gewijsde gegane rechterlijke uitspraken betreffende huwelijken of
registraties van een partnerschap, waarvan de akten niet in de
Nederlandse registers van de burgerlijke stand zijn opgenomen, welke
inhouden de nietigverklaring van een huwelijk of van een geregistreerd
partnerschap, een echtscheiding, de ontbinding van een geregistreerd
partnerschap, de ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en
bed of de vernietiging van zulk een ingeschreven uitspraak, dan wel de
beëindiging van een geregistreerd partnerschap, bedoeld in artikel 80c,
onder c, of de vernietiging daarvan.
2.De in het eerste lid bedoelde akten
worden ingeschreven in het daartoe bestemde register van de burgerlijke
stand te 's-Gravenhage.
3.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen
stukken, het opmaken van de akten van inschrijving en de inhoud daarvan.
Afdeling 7. De bewijskracht van akten van
de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels
Artikel 22
1.De akte van geboorte bewijst ten
aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur
uit de daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht
is geboren. Vermeldt de akte dat de plaats van de geboorte van het kind
niet bekend is, dan komt dezelfde bewijskracht toe aan de vermelding van
de plaats waar het is aangetroffen.
2.De akte van overlijden bewijst ten
aanzien van een ieder, dat op de plaats, de dag en het uur, in de akte
vermeld, de daarin genoemde persoon is overleden of, indien de akte
krachtens artikel 19f, tweede lid, van dit boek is opgemaakt, dat het
lijk van de daarin genoemde persoon op de plaats, de dag en het uur, in
de akte vermeld, is gevonden.
3.Voor het overige hebben akten van de
burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke akten.
Artikel 22a
Authentieke afschriften of uittreksels, in
de wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde bewaarder
van het register, hebben dezelfde bewijskracht als het origineel, tenzij
bewezen wordt dat zij daarmede niet overeenstemmen.
Afdeling 8. De openbaarheid van de akten
van de burgerlijke stand
Artikel 23
De akten van de burgerlijke stand,
daaronder begrepen de dubbelen van deze akten, zijn openbaar voor zover te
dien aanzien in deze afdeling geen nadere voorziening is gegeven.
Artikel 23a
Van de akten van de burgerlijke stand mogen
slechts de bewaarders en het openbaar ministerie inzage nemen. Voorts
kunnen de rechter en het openbaar ministerie overlegging van akten
bevelen.
Artikel 23b
1.Een ieder is bevoegd zich door de
ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten
van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze
ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk, van registratie
van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie
van een partnerschap, van omzetting van een registratie van een
partnerschap in een huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het
uittreksel bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden
gegevens, waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de
akte betrekking heeft, niet blijkt.
2.Van de in het eerste lid bedoelde akten
alsmede van de akten van erkenning of ontkenning van het vaderschap door
de moeder wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker
aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft.
Van andere akten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn
berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven. Dit afschrift
bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens.
3.Een verzoek om afgifte van een
uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde
personen betrekking te hebben.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van
afschriften en uittreksels betreft. Daarbij worden tevens regels gegeven
voor het opmaken van uittreksels van akten die voor de inwerkingtreding
van deze wet zijn opgemaakt.
5.Weigert de in het eerste lid bedoelde
ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij
aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn
weigering.
Artikel 23c
De dubbelen van de akten van de burgerlijke
stand zijn openbaar zolang zij onder de ambtenaar van de burgerlijke stand
berusten.
Afdeling 9. De aanvulling van de registers
van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten
en latere vermeldingen
Artikel 24
1. Aanvulling van een register van de
burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding,
doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere
vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere
vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan op verzoek van
belanghebbenden of van het openbaar ministerie worden gelast door de
rechtbank. De rechtbank kan bij haar beschikking tot verbetering van een
akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat,
eveneens dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of
latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen,
die buiten haar rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is
opgenomen. De in de tweede zin bedoelde bevoegdheid kan mede worden
uitgeoefend ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende
dezelfde persoon of zijn afstammelingen die in de registers van de
burgerlijke stand van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba is opgenomen.
2. De griffier van het college waarvoor
de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan drie maanden na
de dag van de beschikking een afschrift daarvan aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente, in welker registers de akte of latere
vermelding is of had moeten zijn opgenomen. Is deze gemeente opgeheven,
dan zendt hij het afschrift aan de ambtenaar van de gemeente in wier
archieven de registers van de burgerlijk stand van de opgeheven gemeente
berusten.
Artikel 24a
1.Kennelijke misslagen kunnen worden
verbeterd met toestemming van de officier van justitie binnen wiens
rechtsgebied de akte in de registers van de burgerlijke stand is
opgenomen. De toestemming van de officier van justitie kan eveneens
betrekking hebben op dezelfde verbetering ten aanzien van een akte
betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die in een ander
arrondissement in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
2.Kennelijke schrijf- of spelfouten
kunnen ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand worden
verbeterd.
Artikel 24b
1.Aanvulling van een register van de
burgerlijke stand op grond van artikel 24 geschiedt door het opmaken van
een nieuwe akte in dat register.
2.Van een verbetering of een doorhaling
op grond van deze afdeling wordt een latere vermelding toegevoegd aan de
desbetreffende akte, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur
te stellen.
Afdeling 10. Inschrijving van buitenlandse
akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een vervangende akte van
geboorte
Artikel 25
1.Buiten Nederland overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten
van geboorte, huwelijksakten, akten van registratie van een partnerschap
en akten van overlijden worden op bevel van het openbaar ministerie of
op verzoek van een belanghebbende ingeschreven in de registers
onderscheidenlijk van geboorten, van huwelijken, van geregistreerde
partnerschappen en van overlijden van de gemeente 's-Gravenhage, indien:
a. de akte een persoon betreft die op
het ogenblik van het verzoek Nederlander is of te eniger tijd
Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is
geweest;
b. de akte een persoon betreft die
rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de
Vreemdelingenwet 2000.
2.Buiten Nederland overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten
van geboorte worden op bevel van het openbaar ministerie of op verzoek
van een belanghebbende ingeschreven in het register van geboorten van de
gemeente 's-Gravenhage, indien de akte een persoon van vreemde
nationaliteit betreft en op grond van enige bepaling van dit boek een
latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
3.De ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeente 's-Gravenhage kan ook ambtshalve de in de vorige leden
bedoelde akten inschrijven.
4.Alvorens op grond van het eerste of
derde lid tot de inschrijving van een huwelijksakte of van een akte van
registratie van een partnerschap over te gaan, doet de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage zich een door de
korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet afgegeven verklaring als
bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel k, overleggen. Deze
verklaring wordt opgesteld op verzoek van de echtgenoot of de
geregistreerde partner op wie zij betrekking heeft. Bij het verzoek
wordt een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 44, eerste lid,
onder a, overgelegd. Heeft deze geen woonplaats in Nederland, dan wordt
zij opgesteld op verzoek van de andere echtgenoot of de andere
geregistreerde partner. De verklaring is niet vereist indien:
a. de echtgenoten of geregistreerde
partners aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland
woonplaats hebben;
b. de betrokken echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit bezit,
in Nederland rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder b, d
of e, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap ten minste tien jaren vóór de inschrijving is
voltrokken, of
d. het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap is geëindigd.
5.In geval van adoptie gelast de
rechtbank, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de
inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akte van
geboorte.
6.De akte van inschrijving vermeldt de
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gegevens.
7.Kennelijke misslagen of schrijf- of
spelfouten, die de ambtenaar van de burgerlijke stand in de in te
schrijven akte vaststelt op grond van een hier te lande in de registers
van de burgerlijke stand opgenomen akte of op grond van een rechterlijke
uitspraak, kunnen ambtshalve door hem worden verbeterd. De verbeteringen
worden afzonderlijk in de akte vermeld.
8.Indien een akte ambtshalve is
ingeschreven, wordt een afschrift van de akte van inschrijving
toegezonden aan de persoon of de personen op wie de akte betrekking
heeft.
Artikel 25a
1.Indien na de inschrijving kennelijke
misslagen in de buiten Nederland opgemaakte akte overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd,
wordt de verbetering in de akte van inschrijving aangebracht doordat de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, aan
wie een afschrift van de beslissing tot verbetering en een afschrift van
de verbeterde akte zijn overgelegd, een latere vermelding van de
verbetering aan de akte van inschrijving toevoegt, nadat hij daartoe
toestemming van de officier van justitie heeft verkregen.
2.Kennelijke schrijf- en spelfouten, die
in de buiten Nederland opgemaakte akte overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd, kunnen ook
zonder toestemming van de officier van justitie, ambtshalve door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage aan de
hand van een afschrift van de verbeterde akte worden verbeterd op de in
het eerste lid aangegeven wijze.
Artikel 25b
Aan de akte van inschrijving, bedoeld in
artikel 25, worden de latere vermeldingen toegevoegd die op grond van dit
boek aan een in Nederland opgemaakte akte van geboorte, huwelijksakte of
akte van overlijden moeten worden toegevoegd.
Artikel 25c
1.Indien ten aanzien van een buiten
Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of
kan worden overgelegd, kan op verzoek van het openbaar ministerie, van
een belanghebbende of van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente 's-Gravenhage de rechtbank te 's-Gravenhage de voor het opmaken
van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
a. die persoon Nederlander is of te
eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan
niet-Nederlander is geweest;
b. die persoon rechtmatig verblijft
op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van dit boek een latere
vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
2.De rechtbank houdt rekening met alle
bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder, en het
tijdstip waarop de geboorte moet hebben plaatsgehad. De geslachtsnaam,
de voornamen, alsmede de plaats en de dag van de geboorte van de vader
en van de moeder worden vastgesteld, voor zover daarvoor aanwijzingen
zijn verkregen.
3.In geval van adoptie geeft de rechtbank
die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de in het eerste lid
bedoelde beschikking.
Artikel 25d
De rechtbank te 's-Gravenhage kan op
verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage de
krachtens artikel 25c gegeven beschikking wijzigen op grond dat de
vastgestelde gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Artikel 25e [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 25f
1.De griffier van het college waarvoor de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan drie maanden na de
dag van de beschikking een afschrift daarvan, aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage.
2.Deze ambtenaar maakt van de
beschikking, bedoeld in artikel 25c een akte van inschrijving op, die
geldt als een akte van geboorte in de zin van artikel 19 van dit boek.
Deze akte is in overeenstemming met de beschikking en vermeldt dit
uitdrukkelijk.
3.Van de beschikking, bedoeld in artikel
25d, wordt een latere vermelding toegevoegd aan de akte als bedoeld in
het vorige lid.
Artikel 25g
1.Op akten en uitspraken die buiten
Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking
hebben als de in artikel 25c van dit boek bedoelde beschikkingen, zijn
de artikelen 25 tot en met 25b van overeenkomstige toepassing. De
inschrijving als bedoeld in artikel 25 vindt niet plaats indien de
Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
2.In geval van adoptie van een buiten
Nederland geboren kind ten aanzien waarvan een akte of uitspraak als
bedoeld in het vorige lid is opgemaakt of gedaan, geeft de rechtbank die
de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk last tot inschrijving van
die akte of uitspraak.
Afdeling 11. De verklaring voor recht
omtrent de rechtsgeldigheid in Nederland van een buitenlandse akte of
uitspraak
Artikel 26
1.Een ieder die daarbij een
gerechtvaardigd belang heeft, kan de rechtbank verzoeken een verklaring
voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten
Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of
gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands
register van de burgerlijke stand.
2.De in het eerste lid bedoelde
verklaring voor recht kan eveneens op verzoek van de ambtenaar van de
burgerlijke stand of van het openbaar ministerie worden afgegeven.
Artikel 26a
De rechtbank kan, op verzoek of ambtshalve,
bij de in het eerste lid van artikel 26 bedoelde verklaring voor recht
tevens de toevoeging van een latere vermelding, op grond van artikel 24,
eerste lid, aan een in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand
voorkomende akte gelasten.
Artikel 26b
Is met betrekking tot de verzoeker geen
akte in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand opgenomen, dan
kan de rechtbank te 's-Gravenhage, op verzoek of ambtshalve, bij haar
beschikking tevens de inschrijving, overeenkomstig artikel 25, van een
daarvoor in aanmerking komende in het buitenland opgemaakte akte in de
registers van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage gelasten, alsmede de
verbetering van de akte van inschrijving op grond van artikel 24, eerste
lid. Ook kan zij bij haar beschikking een last als bedoeld in artikel 25c
geven alsmede een last tot verbetering, overeenkomstig artikel 24, eerste
lid, van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage op
te maken akte.
Artikel 26c [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 26d
De overlegging van een authentiek afschrift
van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het verzoek betrekking heeft,
kan worden verlangd. Artikel 986, derde en vierde lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26e
De griffier van het college, waarbij de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking aan
de ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens registers een op de
belanghebbende betrekking hebbende akte is opgenomen, waaraan een latere
vermelding van de beschikking moet worden toegevoegd. Is bij de
beschikking een last tot inschrijving van een in het buitenland opgemaakte
akte gegeven, dan zendt de griffier een afschrift van de beschikking aan
de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
Artikel 26f [Vervallen per 01-04-1995]
Afdeling 12. Voorziening tegen de weigering
tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere
verrichting
Artikel 27
Naar aanleiding van een besluit van een
ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b of 20c te
weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere
vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting
van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van
een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, hebben
belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen zes weken na de
verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de rechtbank
binnen welker rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de
burgerlijke stand is gelegen.
Artikel 27a
De rechtbank kan, op verzoek van een
belanghebbende partij of ambtshalve, bij haar beschikking tevens een
verklaring als bedoeld in artikel 26 afgeven, alsmede een last als bedoeld
in artikel 26a, onderscheidenlijk artikel 26b.
Artikel 27b
De griffier zendt een afschrift van de
beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand.
Artikel 27c [Vervallen per 01-04-1995]
Afdeling 13. De rechterlijke last tot
wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte
Artikel 28
1.Iedere Nederlander die de overtuiging
heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de akte van
geboorte en lichamelijk aan het verlangde geslacht is aangepast voor
zover dit uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord
is, kan de rechtbank verzoeken wijziging van de vermelding van het
geslacht in de akte van geboorte te gelasten, indien deze persoon als
mannelijk in de akte van geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat
zal zijn kinderen te verwekken, dan wel als vrouwelijk in de akte van
geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen te
baren.
2.Voor de toepassing van het bepaalde in
het eerste lid en de artikelen 28a en 28b van dit boek wordt onder akte
van geboorte mede verstaan een akte van inschrijving van een buiten
Nederland opgemaakte akte van geboorte of van een beschikking als
bedoeld in artikel 25c van dit boek.
3.Degene, die de Nederlandse
nationaliteit niet bezit, kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid
doen, indien hij reeds gedurende een tijdvak van ten minste één jaar,
onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek, woonplaats in Nederland heeft
en een rechtsgeldige verblijfstitel heeft en voor het overige voldoet
aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden. Indien de akte van
geboorte niet hier te lande in de registers van de burgerlijke stand is
ingeschreven, wordt tevens de rechtbank verzocht de inschrijving te
gelasten van de akte van geboorte in het register van geboorten van de
gemeente 's-Gravenhage.
Artikel 28a
1. Bij het verzoek moeten worden
overgelegd een afschrift van de akte van geboorte alsmede een
gezamenlijk ondertekende verklaring van bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen deskundigen, afgegeven ten hoogste zes maanden voor
de datum van indiening van het verzoek, waaruit blijkt:
a. de overtuiging van de verzoeker
dat hij tot het andere geslacht behoort dan in de akte van geboorte
is vermeld en waarin is vervat het oordeel van de daartoe bevoegde
deskundige dat die overtuiging, gelet op de periode waarin de
verzoeker als zodanig heeft geleefd en zo mogelijk op andere daarbij
te vermelden feiten of omstandigheden, als van blijvende aard kan
worden beschouwd;
b. of en zo ja, in hoeverre de
verzoeker lichamelijk aan het verlangde geslacht zodanig is
aangepast als uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en
verantwoord is;
c. dat de verzoeker als mannelijk in
de akte van geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn
kinderen te verwekken, dan wel als vrouwelijk in de akte van
geboorte vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen te
baren.
2. In de verklaring behoeft het in het
eerste lid onder a bedoelde onderdeel niet te worden opgenomen indien de
verzoeker lichamelijk reeds aan het verlangde geslacht is aangepast.
Artikel 28b
1.Het verzoek wordt toegewezen indien de
rechtbank van oordeel is dat voldoende is komen vast te staan dat de
verzoeker de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan in
de akte van geboorte is vermeld en dat deze overtuiging als van
blijvende aard kan worden beschouwd en de verzoeker voldoet aan de in
het eerste lid van artikel 28 gestelde voorwaarden.
2.Indien de rechtbank het verzoek om
wijziging van de vermelding van het geslacht inwilligt, kan zij
desverzocht tevens de wijziging van de voornamen van de verzoeker
gelasten.
Artikel 28c
1.De wijziging van de vermelding van het
geslacht heeft haar gevolgen, die uit dit boek voortvloeien, vanaf de
dag waarop de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van
geboorte een latere vermelding toevoegt van de last tot wijziging.
2.De wijziging van de vermelding van het
geslacht laat de op het in het eerste lid genoemde tijdstip bestaande
familierechtelijke betrekkingen en de daaruit voortvloeiende op dit boek
gegronde rechten, bevoegdheden en verplichtingen onverlet. De verzoeken
in verband met artikel 157 en in verband met artikel 394 van dit boek
kunnen ook worden gedaan na het in het eerste lid genoemde tijdstip.
Afdeling 14. De Commissie van advies voor
de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit
Artikel 29
Er is een Commissie van advies voor de
zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
Artikel 29a
1.De Commissie bestaat uit ten minste
negen en ten hoogste vijftien leden.
2.De Commissie bestaat uit ten minste een
lid van de rechterlijke macht, ten minste een lid uit de kring van het
wetenschappelijk onderzoek, ten minste twee leden uit de kring van de
ambtenaren van de burgerlijke stand en ten minste twee leden uit de
kring van de gemeentelijke basisadministratie.
3.Onze Minister van Justitie benoemt en
ontslaat de in het voorgaande lid bedoelde leden in overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Voorts wijst hij een voorzitter en
een secretaris aan.
Artikel 29b
1.De Commissie brengt op verzoek van een
ambtenaar van de burgerlijke stand of een ander bestuursorgaan advies
uit over vragen betreffende de rechtstoepassing in zaken van burgerlijke
staat of nationaliteit.
2.Indien een advies van algemeen belang
is, wordt het openbaar gemaakt. De Commissie bepaalt de wijze van
openbaarmaking.
Artikel 29c
Indien een ambtenaar van de burgerlijke
stand gerede twijfel heeft over de vraag of een aan een buiten Nederland
opgemaakte akte van de burgerlijke stand of ander geschrift te ontlenen
gegeven in aanmerking komt om in een akte van de burgerlijke stand te
worden opgenomen, is hij gehouden het advies van de Commissie in te
winnen.
Artikel 29d
Indien een ambtenaar van de burgerlijke
stand een door de Commissie gegeven advies niet opvolgt, stelt hij de
Commissie en de officier van justitie hiervan in kennis.
Artikel 29e
Onze Minister van Justitie kan nadere
regels stellen omtrent de taak en de werkwijze van de Commissie.
Artikel 29f
Telkens binnen een termijn van vier jaren
brengt de Commissie een rapport uit aan Onze Minister van Justitie, waarin
de taakvervulling van de Commissie aan een onderzoek wordt onderworpen en
voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen.
Titel 5. Het huwelijk
Algemene bepaling
Artikel 30
1.Een huwelijk kan worden aangegaan door
twee personen van verschillend of van gelijk geslacht.
2.De wet beschouwt het huwelijk alleen in
zijn burgerlijke betrekkingen.
Afdeling 1. Vereisten tot het aangaan van
een huwelijk
Artikel 31
1.Om een huwelijk te mogen aangaan moeten
een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.
2.Het in het vorige lid vermelde
huwelijksbeletsel bestaat niet wanneer zij die met elkander een huwelijk
willen aangaan de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en de vrouw
een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is, dan wel haar
kind reeds ter wereld heeft gebracht.
3.Onze Minister van Justitie kan om
gewichtige redenen ontheffing verlenen van het in het eerste lid
genoemde vereiste.
Artikel 32
Een huwelijk mag niet worden aangegaan,
wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze
niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring
te begrijpen.
Artikel 33
Een persoon kan tegelijkertijd slechts met
één andere persoon door het huwelijk verbonden zijn.
Artikel 34 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 35
1.Een minderjarige mag geen huwelijk
aangaan zonder toestemming van zijn ouders.
2.Zijn de geestvermogens van een ouder
zodanig gestoord, dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de
betekenis van zijn verklaring te begrijpen, dan is zijn toestemming niet
vereist.
3.Een minderjarige, die onder voogdij
staat, heeft bovendien de toestemming van zijn voogd nodig.
Artikel 36
Voor zover een volgens het vorige artikel
vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan zij op verzoek van de
minderjarige door die van de rechtbank worden vervangen.
Artikel 37
1.Hij die wegens verkwisting of
drankmisbruik onder curatele staat, mag geen huwelijk aangaan zonder de
toestemming van zijn curator.
2.Voor zover die toestemming niet wordt
verkregen, kan zij op verzoek van de onder curatele gestelde door
toestemming van de kantonrechter worden vervangen.
Artikel 38
Hij die wegens een geestelijke stoornis
onder curatele staat, mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming van de
kantonrechter.
Artikel 39
1.Heeft de rechter de toestemming
verleend, dan is de termijn van beroep veertien dagen en kan gedurende
die termijn de beschikking niet worden ten uitvoer gelegd.
2.Hij die tegen een verleende toestemming
opkomt, is verplicht dit binnen de termijn van beroep bij
deurwaardersexploit te doen aanzeggen aan de ambtenaar of ambtenaren van
de burgerlijke stand ten overstaan van wie het huwelijk kan worden
voltrokken. Door dit te verzuimen verliest hij het recht om de
nietigverklaring van het huwelijk op grond van het ontbreken van zijn
toestemming te vragen, indien het gerechtshof de in het eerste lid
bedoelde beschikking vernietigt en het huwelijk reeds is voltrokken.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1988]
Artikel 41
1.Een huwelijk mag niet worden gesloten
tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij familierechtelijk,
bestaan in de opgaande en in de nederdalende lijn of als broeders,
zusters of broeder en zuster.
2.Onze Minister van Justitie kan om
gewichtige redenen ontheffing van het verbod verlenen aan hen die
broeders, zusters of broeder en zuster door adoptie zijn.
Artikel 42
Zij die met elkander een huwelijk willen
aangaan, mogen niet tegelijkertijd een geregistreerd partnerschap zijn
aangegaan.
Afdeling 2. Formaliteiten die aan de
voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan
Artikel 43
1.Zij die met elkaar een huwelijk willen
aangaan, moeten daarvan onder overlegging van de in artikel 44 van dit
boek genoemde bescheiden, aangifte doen bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de woonplaats van één der partijen. Wanneer de
aanstaande echtgenoten, van wie ten minste één de Nederlandse
nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats hebben en in een
Nederlandse gemeente een huwelijk met elkaar willen aangaan, geschiedt
de aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
2.Bij de aangifte kunnen de aanstaande
echtgenoten verklaren dat het huwelijk zal worden voltrokken in een
andere gemeente dan die waarin een van hen op het tijdstip van de
huwelijksaangifte woonplaats heeft, dan wel indien de tweede zin van het
eerste lid van toepassing is, in een andere gemeente dan 's-Gravenhage.
3.De aangifte geschiedt in persoon of bij
zodanige geschriften waaruit van het voornemen der aanstaande
echtgenoten met genoegzame zekerheid kan blijken.
4.De ambtenaar van de burgerlijke stand
maakt van de aangifte een akte op.
Artikel 44
1.Voor de aangifte van het huwelijk
worden de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
overgelegd:
a. de geboorteakte van ieder der
aanstaande echtgenoten en van elk van hen een gewaarmerkt afschrift
van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, tenzij zij
niet als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens
behoeven te zijn ingeschreven;
b. een akte van huwelijkstoestemming,
gegeven door hen, wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is.
De akte van huwelijkstoestemming wordt door een ambtenaar van de
burgerlijke stand of door een notaris opgemaakt. De toestemming kan
ook bij de huwelijksakte worden gegeven. Is de toestemming door de
rechter verleend, dan wordt diens beschikking overgelegd;
c. een akte van overlijden van allen,
wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven
waren geweest;
d. ingeval van tweede of verder
huwelijk dan wel huwelijk na registratie, bewijsstukken aantonende
dat het vorige huwelijk dan wel het eerdere geregistreerd
partnerschap geen beletsel voor een nieuw huwelijk oplevert;
e. de akte van huwelijksaangifte;
f. indien stuiting heeft
plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven;
g. het bewijs van de ontheffing of de
vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval deze is vereist;
h. indien een beschikking als bedoeld
in afdeling 12 van Titel 4 van dit boek of een vrijstelling
krachtens artikel 62 van dit boek is verkregen, ook deze;
i. de verklaring, bedoeld in artikel
31, tweede lid, van dit boek, ingeval deze vereist is;
j. een schriftelijke opgave van de
namen en de adressen van de personen die zijn uitgenodigd om als
getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig te zijn;
k. een door de korpschef in de zin
van de Vreemdelingenwet 2000 aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de aanstaande
echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, rechtmatig
in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000, dan wel voornemens is niet in Nederland te
verblijven. De verklaring wordt opgesteld op verzoek van de
aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Bij het verzoek
wordt een gewaarmerkt afschrift als bedoeld onder a, overgelegd.
Heeft deze geen woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op
verzoek van de andere aanstaande echtgenoot.
2.De verklaring, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel k, is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten
aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats
hebben. De verklaring is evenmin vereist indien de aanstaande echtgenoot
die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in Nederland rechtmatig
verblijft op grond van artikel 8, onder b, d of e, van de
Vreemdelingenwet 2000.
3.Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het in het
eerste lid onder a bedoelde gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens, alsmede de in hetzelfde lid onder k
bedoelde verklaring.
Artikel 45
1.Een aanstaande echtgenoot die in de
onmogelijkheid is, zijn door het vorige artikel vereiste geboorteakte te
vertonen, kan dit verhelpen door een akte van bekendheid, afgegeven door
de kantonrechter van zijn geboorteplaats of woonplaats, op verklaring
van vier meerderjarige getuigen.
2.Deze verklaring houdt de vermelding in
van de plaats en, zo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte,
benevens de oorzaken, die beletten een akte daarvan over te leggen.
3.Het ontbreken van een geboorteakte kan
ook worden verholpen, hetzij door een dergelijke, maar beëdigde
verklaring, afgelegd door de getuigen, die bij de voltrekking van het
huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van de aanstaande
echtgenoot, inhoudende dat hij zich geen geboorteakte of akte van
bekendheid kan verschaffen. In de huwelijksakte wordt van de afgelegde
verklaring melding gemaakt.
Artikel 45a
Indien partijen niet in staat zijn de akten
van overlijden, bij artikel 44, eerste lid, onder c van dit boek bedoeld,
over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde wijze als in het geval van het
vorige artikel worden verholpen.
Artikel 46
Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te
rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is
voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte
is gedaan.
Artikel 47
1.Indien een minderjarige een huwelijk
wenst aan te gaan, onderzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand, van
welke personen daartoe de toestemming wordt vereist.
2.Voorts onderzoekt die ambtenaar of de
minderjarige onder toezicht gesteld is of onder voorlopige voogdij is
geplaatst. Blijkt dit het geval, dan verwittigt hij bij
ondertoezichtstelling de kinderrechter en in het andere geval de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
onverwijld van het voorgenomen huwelijk.
Artikel 48
Indien hij die wil hertrouwen het gezag
heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gedane aangifte onverwijld kennis aan de
rechtbank van de woonplaats van de bedoelde ouder.
Artikel 49
1.Trouwbeloften geven geen
rechtsvordering tot het aangaan van een huwelijk, noch tot
schadevergoeding wegens de niet-vervulling van de beloften; alle
afwijkende bedingen zijn nietig.
2.Indien echter een akte van
huwelijksaangifte is opgemaakt, kan dit grond opleveren tot een
vordering tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder dat
daarbij enige winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door
verloop van achttien maanden, te rekenen van de datum van de akte van
huwelijksaangifte.
Artikel 49a
1.Indien een Nederlander buiten Nederland
een huwelijk wenst aan te gaan, wordt op zijn verzoek aan hem een
verklaring van huwelijksbevoegdheid overeenkomstig de bijlage van de
Overeenkomst van München van 5 september 1980 (Trb. 1981, 71, en 1982,
116) afgegeven.
2.Deze verklaring wordt afgegeven:
a. aan degene die binnen Nederland
woonplaats heeft, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van
zijn woonplaats;
b. aan degene die binnen Nederland
geen woonplaats heeft, maar wel heeft gehad, door de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de laatste woonplaats aldaar;
c. aan degene die binnen Nederland
geen woonplaats heeft of heeft gehad, door het hoofd van de
diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk der
Nederlanden in het ressort waar het huwelijk wordt voltrokken.
3.De verklaring wordt door de bevoegde
autoriteit niet afgegeven alvorens deze, door kennisneming van de
bescheiden, vermeld in artikel 44, eerste lid, onder a, b, c, d en g, en
zo nodig van die, vermeld in de artikelen 45 en 45a, alsmede in artikel
27b, zich ervan heeft overtuigd dat naar Nederlands recht geen
beletselen tegen het huwelijk bestaan.
4.De verklaring van huwelijksbevoegdheid
is, te rekenen van het tijdstip van afgifte, gedurende zes maanden
geldig.
Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk
Artikel 50
Een huwelijk kan worden gestuit, wanneer
partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan,
dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één
hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de
huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating
tot Nederland.
Artikel 51
1.Bevoegd tot stuiting, wanneer partijen
niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, zijn
bloedverwanten in de rechte lijn, broeders, zusters, voogden en
curatoren van een der aanstaande echtgenoten.
2.De in het vorige lid genoemde personen
zijn ook bevoegd een huwelijk te stuiten, wanneer de andere aanstaande
echtgenoot onder curatele staat, en het huwelijk klaarblijkelijk het
ongeluk zou veroorzaken van de partij, waarvan zij bloedverwant, voogd
of curator zijn.
Artikel 52
Hij die met een der partijen door huwelijk
verbonden is dan wel met een der partijen een geregistreerd partnerschap
is aangegaan, kan op grond van het bestaan van dat huwelijk of dat
geregistreerd partnerschap een nieuw aan te gaan huwelijk stuiten.
Artikel 53
1.Het openbaar ministerie is verplicht
een voorgenomen huwelijk te stuiten, indien het met een der in de
artikelen 31 tot en met 33, 41 en 42 omschreven huwelijksbeletselen
bekend is.
2.Het openbaar ministerie is bevoegd het
huwelijk te stuiten van een minderjarige, die onder toezicht is gesteld
of onder voorlopige voogdij is geplaatst, indien het belang van die
minderjarige zich tegen het aangaan van het huwelijk verzet; daarbij kan
het belang dat de wederpartij bij het huwelijk heeft, mede in aanmerking
worden genomen.
3.Het openbaar ministerie is voorts
bevoegd het huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de
Nederlandse openbare orde te stuiten indien het oogmerk van de
aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de
vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden
plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.
Artikel 54
1.De stuiting geschiedt door betekening
van een akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van één der
gemeenten waar het huwelijk kan worden voltrokken.
2.De akte houdt de keus van een
woonplaats in die gemeente en de gronden van de stuiting in en vermeldt
de hoedanigheid die aan de opposant de bevoegdheid geeft om het huwelijk
te stuiten; alles op straffe van nietigheid.
3.De ambtenaar, aan wie de akte is
betekend, zal van de gedane stuiting onverwijld kennis geven aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand der andere gemeenten, waar het
huwelijk kan worden voltrokken.
4.De opposant zal afschrift der akte van
stuiting onverwijld doen betekenen aan de partij, tegen welke de
stuiting is gericht.
Artikel 55
Een stuiting kan worden opgeheven:
a. op dezelfde wijze als waarop zij is
geschied;
b. door een verklaring, in persoon
afgelegd ten overstaan van een der ambtenaren van de burgerlijke
stand, genoemd in het vorige artikel;
c. door een verklaring, afgelegd ten
overstaan van een notaris;
d. door een in kracht van gewijsde
gegane beschikking, gegeven op verzoek van een belanghebbende.
Artikel 56
Het huwelijk mag niet worden voltrokken,
voordat de stuiting is opgeheven. Mocht het desniettemin voltrokken zijn
hangende een geding tot opheffing van de stuiting, dan kan dit geding op
verlangen van de opposant worden voortgezet en wordt het huwelijk nietig
verklaard, indien de rechter de gegrondheid der stuiting aanvaardt.
Artikel 57
Een ambtenaar van de burgerlijke stand aan
wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met 33, 41 en 42
omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot een
huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al zou geen
stuiting hebben plaatsgehad.
Afdeling 4. De voltrekking van het huwelijk
Artikel 58
1.Komt vast te staan dat op het tijdstip
waarop de voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden meer dan zes
maanden zullen zijn verstreken sinds de afgifte van een verklaring als
bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k, dan doet de ambtenaar van de
burgerlijke stand zich, alvorens tot de voltrekking van het huwelijk
over te gaan, wederom een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks
op grond van het derde lid niet vereist is.
2.Indien de overlegging van een
verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k, op het
tijdstip van de aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet de
ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot voltrekking van
het huwelijk over te gaan, alsnog een zodanige verklaring overleggen,
tenzij zulks op grond van het derde lid niet vereist is.
3.De verklaring wordt opgesteld op
verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Heeft
deze geen woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek
van de andere aanstaande echtgenoot. De verklaring is niet vereist
indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden
buiten Nederland woonplaats hebben. De verklaring is evenmin vereist
indien de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit
bezit, in Nederland rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder
b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 59 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 60 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 62
1.Het huwelijk mag niet worden voltrokken
vóór de veertiende dag na de datum van de akte van huwelijksaangifte.
2.Het openbaar ministerie bij de
rechtbank, binnen wier rechtsgebied de huwelijksaangifte is geschied, is
bevoegd uit hoofde van gewichtige redenen vrijstelling te verlenen van
de voorgeschreven wachttijd.
Artikel 63
Een huwelijk wordt in tegenwoordigheid van
ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen in het openbaar
in het gemeentehuis voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de
burgerlijke stand van:
a. de woonplaats van één der partijen
ten tijde van de datum van de akte van huwelijksaangifte, of
b. 's-Gravenhage, in het geval bedoeld
in artikel 43, eerste lid, tweede zin, van dit boek, of
c. de bij de huwelijksaangifte
aangewezen gemeente.
Artikel 64
Indien een der partijen uit hoofde van een
behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar het
gemeentehuis te begeven, kan het huwelijk worden voltrokken in een
bijzonder huis binnen dezelfde gemeente, mits dit in tegenwoordigheid van
zes meerderjarige getuigen geschiedt.
Artikel 65
De aanstaande echtgenoten zijn verplicht
bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de ambtenaar van de
burgerlijke stand te verschijnen.
Artikel 66
Het staat Onze Minister van Justitie vrij,
uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen het huwelijk
door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde te voltrekken.
Artikel 67
1.De aanstaande echtgenoten moeten ten
overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in
tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen
tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen, die
door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden.
2.Terstond nadat deze verklaring is
afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat partijen
door de echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij daarvan in het
daartoe bestemde register een akte op.
Artikel 68
Geen godsdienstige plechtigheden zullen
mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst
zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de
ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.
Afdeling 5. Nietigverklaring van een
huwelijk
Artikel 69
1.Voor zover hieronder niet anders is
bepaald, kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich
verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van
het huwelijk worden verzocht door:
a. de bloedverwanten in de opgaande
lijn van een der echtgenoten;
b. ieder der echtgenoten;
c. alle overige personen, die daarbij
een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter deze alleen na de
ontbinding van het huwelijk;
d. het openbaar ministerie, echter
alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden.
2.Hij die met een der echtgenoten nog
door een vroeger huwelijk dan wel door een eerder geregistreerd
partnerschap is verbonden, is eveneens bevoegd op grond van het bestaan
van dat huwelijk of die registratie de nietigverklaring van het daarna
gesloten huwelijk te verzoeken.
Artikel 70
1.Op verzoek van de ouders, de
echtgenoten en het openbaar ministerie kan een huwelijk worden nietig
verklaard, wanneer het ten overstaan van een niet bevoegde ambtenaar van
de burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van het vereiste aantal
getuigen is voltrokken.
2.De bevoegdheid van een echtgenoot om
uit dien hoofde de nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken
vervalt, indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat en een akte
van huwelijksvoltrekking ten overstaan van een ambtenaar van de
burgerlijke stand verleden, aanwezig zijn.
Artikel 71
1.Een echtgenoot kan de nietigverklaring
van zijn huwelijk verzoeken, wanneer dit onder invloed van een
onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten.
2.Een gelijk verzoek komt de echtgenoot
toe, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon
van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de door hem
afgelegde verklaring.
3.De bevoegdheid van de echtgenoot de
nietigverklaring wegens bedreiging of dwaling te verzoeken vervalt,
wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert het
ophouden van de bedreiging of de ontdekking van de dwaling, zonder dat
het verzoek is gedaan.
Artikel 71a
Op verzoek van het openbaar ministerie kan
een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare
orde worden nietig verklaard indien het oogmerk van de echtgenoten, of
één hunner, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de
huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating
tot Nederland.
Artikel 72
Een huwelijk kan niet nietig worden
verklaard uit hoofde dat op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking een
der echtgenoten onder curatele stond, en het huwelijk klaarblijkelijk het
ongeluk van de andere echtgenoot zou veroorzaken.
Artikel 73
De nietigverklaring van een huwelijk uit
hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de stoornis
alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het
verzoek vervalt door een samenwoning van ten minste zes maanden na het
ophouden van de stoornis.
Artikel 74
De nietigverklaring van een huwelijk, dat
aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan niet worden
verzocht wanneer deze op de dag van het verzoek de vereiste ouderdom
heeft, noch wanneer de vrouw vóór de dag van het verzoek zwanger is
geworden.
Artikel 75
1.Wegens het ontbreken van een vereiste
toestemming van een derde kan de nietigverklaring van het huwelijk
alleen door die derde of, in het geval van artikel 38 van dit boek, door
de curator worden verzocht. Dit verzoek vervalt, wanneer hij die bevoegd
is de nietigverklaring te verzoeken, het huwelijk uitdrukkelijk of
stilzwijgend heeft goedgekeurd, of wanneer drie maanden verlopen zijn
nadat hij met de huwelijksvoltrekking bekend is geworden.
2.Hij die bevoegd is de nietigverklaring
te verzoeken, wordt vermoed met het huwelijk bekend te zijn geworden,
wanneer het hier te lande is voltrokken, of wanneer het, buiten
Nederland aangegaan, hier te lande in de registers van de burgerlijke
stand is ingeschreven.
Artikel 76
Behoudens het in artikel 56 van dit boek
bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op grond van een
verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
Artikel 77
1.De nietigverklaring van het huwelijk
werkt, zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan; zij werkt
terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.
2.Nochtans mist de beschikking
terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde gevolg als een
echtscheiding:
a. ten aanzien van de kinderen der
echtgenoten;
b. ten aanzien van de te goeder trouw
zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een gemeenschap van
goederen aanspraak maken, wanneer het huwelijk wegens het bestaan
van een vroeger huwelijk of een eerder geregistreerd partnerschap is
nietig verklaard;
c. ten aanzien van andere personen
dan de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te goeder trouw
vóór de inschrijving der nietigverklaring rechten hebben
verkregen.
Afdeling 5A [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 77a [Vervallen per 01-03-2009]
Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het
huwelijk
Artikel 78
Het bestaan van een in Nederland gesloten
huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de huwelijksakte dan wel
door de akte van omzetting, bedoeld in artikel 80g, behoudens in de
gevallen bij de volgende artikelen voorzien.
Artikel 79
Heeft het huwelijksregister niet bestaan of
is het verloren gegaan of ontbreekt daaraan de huwelijksakte, dan wel de
akte van omzetting, bedoeld in artikel 80g, dan kan het huwelijk door
getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er een uiterlijk bezit van de
huwelijkse staat aanwezig is.
Artikel 80
Wordt in een geding betwist dat een kind,
dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is geboren, dan
levert het feit dat de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd,
voldoende bewijs op.
Titel 5A. Het geregistreerd partnerschap
Artikel 80a
1.Een persoon kan tegelijkertijd slechts
met één andere persoon van hetzelfde of andere geslacht een
geregistreerd partnerschap aangaan.
2.Zij die een geregistreerd partnerschap
aangaan, mogen niet tegelijkertijd gehuwd zijn.
3.Registratie van partnerschap geschiedt
bij een akte van registratie van partnerschap opgemaakt door een
ambtenaar van de burgerlijke stand.
4.Zij die een geregistreerd partnerschap
willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van gegevens omtrent
hun burgerlijke staat, en indien zij eerder een partnerschap hadden
laten registreren of gehuwd zijn geweest, met vermelding van de namen
van de vroegere partner dan wel van de namen van de vroegere echtgenoot,
aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
woonplaats van één der partijen. Wanneer de aanstaande geregistreerde
partners, van wie ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit,
buiten Nederland woonplaats hebben en in een Nederlandse gemeente een
geregistreerd partnerschap met elkaar willen aangaan, geschiedt de
aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage. De
artikelen 43, tweede tot en met vierde lid, en 46 zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.Een partnerschapsregistratie kan worden
gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich verenigen om de
registratie aan te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande
geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op de
vervulling van de door de wet aan de partnerschapsregistratie verbonden
plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een
stuiting zijn de artikelen 51, 52, 53, tweede en derde lid, en 54 tot en
met 56 van overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is
verplicht een partnerschapsregistratie te stuiten, indien het met een
van de in de artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van dit
artikel omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde beletselen bekend
is, mag hij niet tot een aangifte of registratie meewerken, ook al zou
geen stuiting hebben plaatsgehad.
6.Ter zake van de
partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31, 32, 35 tot en met 39, 41,
44 tot en met 49, 58, en 62 tot en met 66 van overeenkomstige
toepassing.
7.Op de nietigverklaring van een
partnerschapsregistratie zijn van overeenkomstige toepassing de
artikelen 69 tot en met 73, 74, 75 tot en met 77, eerste lid en tweede
lid.
8.Op het bewijs van het bestaan van de
partnerschapsregistratie zijn de artikelen 78 en 79 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 80b
Op een geregistreerd partnerschap zijn de
titels 6, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het
omtrent scheiding van tafel en bed bepaalde.
Artikel 80c
1.Het geregistreerd partnerschap eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling van de
achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden dan wel
overleden is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de
achtergebleven geregistreerde partner een nieuw geregistreerd
partnerschap of huwelijk is aangegaan: door de voltrekking van dit
geregistreerd partnerschap of huwelijk;
c. met wederzijds goedvinden door
inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van een door
beide partners en een of meer advocaten of notarissen ondertekende
en gedateerde verklaring waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de
partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap
een overeenkomst hebben gesloten.
d. door ontbinding op verzoek van de
partners of een van hen;
e. door omzetting van een
geregistreerd partnerschap in een huwelijk.
2.Tot inschrijving van verklaringen als
bedoeld in het eerste lid, onder c, is de ambtenaar van de burgerlijke
stand steeds bevoegd indien het geregistreerd partnerschap in Nederland
is aangegaan. Indien het partnerschap buiten Nederland is aangegaan, is
de ambtenaar van de burgerlijke stand tot inschrijving van verklaringen
als bedoeld in het eerste lid, onder c, bevoegd indien voldaan is aan de
voorwaarden van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering voor de bevoegdheid van de rechter in geval van de
ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
3.Een geregistreerd partnerschap kan niet
met wederzijds goedvinden als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden
beëindigd indien de partners:
a. al dan niet gezamenlijk het gezag
uitoefenen over een of meer van hun gezamenlijke kinderen;
b. ingevolge artikel 253sa of 253t
het gezag gezamenlijk uitoefenen over een of meer kinderen.
Artikel 80d
1.De in artikel 80c, onder c, bedoelde
overeenkomst betreft ten minste de verklaring van beide partners dat hun
geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij het willen
beëindigen. Voorts betreft de overeenkomst, evenwel niet op straffe van
nietigheid:
a. de uitkering tot levensonderhoud
ten behoeve van de geregistreerde partner die niet voldoende
inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid
kan verwerven;
b. wie van de geregistreerde partners
huurder van de woonruimte die hen tot hoofdverblijf dient, zal zijn
of wie van de geregistreerde partners gedurende een bij de
overeenkomst te bepalen termijn het gebruik zal hebben van de woning
en de inboedel die een van hen of hen beiden toebehoren dan wel ten
gebruike toekomen;
c. de verdeling van enige gemeenschap
waarin de partners de registratie zijn aangegaan dan wel de
verrekening die bij voorwaarden als bedoeld in titel 8 is
overeengekomen;
d. de verevening of verrekening van
pensioenrechten.
2.Op een beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden zijn de artikelen
155, 157, vierde en zesde lid, 158, 159, eerste en derde lid, 159a, 160
en 164 van overeenkomstige toepassing.
3.De verklaring, bedoeld in artikel 80c,
onder c, wordt slechts ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand, indien zij de ambtenaar van de burgerlijke stand uiterlijk drie
maanden na het sluiten van de overeenkomst heeft bereikt.
Artikel 80e
1.Op een ontbinding van een geregistreerd
partnerschap als bedoeld in artikel 80c, onder d, zijn de artikelen 151,
153, 155, 157 tot en met 160, 164 en 165 van overeenkomstige toepassing.
2.De ontbinding komt tot stand door
inschrijving van een rechterlijke uitspraak op verzoek van partijen of
van één van hen in de registers van de burgerlijke stand. Artikel 163,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80f
Indien de partijen wier geregistreerd
partnerschap is beëindigd, opnieuw een geregistreerd partnerschap met
elkaar aangaan dan wel met elkaar in het huwelijk treden, herleven alle
gevolgen van het geregistreerd partnerschap van rechtswege alsof er geen
beëindiging heeft plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van
rechtshandelingen die tussen de inschrijving van de beëindiging en de
nieuwe registratie of het huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het
tijdstip van de handeling.
Artikel 80g
1.Indien twee personen aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand kenbaar maken dat zij het geregistreerd
partnerschap dat zij zijn aangegaan, omgezet wensen te zien in een
huwelijk, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats
van één der partijen ter zake een akte van omzetting opmaken. Indien
de geregistreerde partners van wie ten minste één de Nederlandse
nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats hebben en in Nederland
hun geregistreerd partnerschap in een huwelijk willen omzetten,
geschiedt de omzetting bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage.
2.De artikelen 65 en 66 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Een omzetting doet het geregistreerd
partnerschap eindigen en het huwelijk aanvangen op het tijdstip dat de
akte van omzetting in het register van huwelijken is opgemaakt. De
omzetting brengt geen wijziging in de al dan niet bestaande
familierechtelijke betrekkingen met kinderen die voor de omzetting zijn
geboren.
Titel 6. Rechten en verplichtingen van
echtgenoten
Artikel 81
Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp
en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te
verschaffen.
Artikel 82
Echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht de
tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden
en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen.
Artikel 83
Echtgenoten verschaffen elkaar desgevraagd
inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van
hun goederen en schulden.
Artikel 84
1.De kosten der huishouding, daaronder
begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, komen
ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit
ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid
daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten
laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is,
ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en
ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen
verzetten.
2.De echtgenoten zijn jegens elkaar
verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het eerste lid
bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de
onder hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere omstandigheden
zich daartegen niet verzetten.
3.Bij schriftelijke overeenkomst kan een
van het eerste en tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.
4.Geschillen tussen de echtgenoten
omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid worden door de
rechtbank op verzoek van beiden of een van hen beslist.
5.Op verzoek van beide of van een van de
echtgenoten kan de rechtbank een gegeven beschikking of een onderling
getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.
Artikel 85
De ene echtgenoot is naast de andere voor
het geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de gewone gang
van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke
voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding
aangegane arbeidsovereenkomsten.
Artikel 86
1.De rechtbank kan, wanneer daartoe
gegronde redenen bestaan, op verzoek van een echtgenoot bepalen dat deze
niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in het
vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in het vorige artikel.
2.Een overeenkomstig dit artikel gegeven
rechterlijke beschikking kan bij veranderde omstandigheden op gelijke
wijze als zij is tot stand gekomen, worden gewijzigd of opgeheven.
3.De beschikking kan aan derden die van
haar bestaan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij
ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel
116 van dit boek, en na de inschrijving veertien dagen waren verlopen.
4.In de beschikking kan worden bepaald
dat zij bovendien moet worden bekend gemaakt in een of meer door de
rechter aangewezen dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten
nadele van derden die daarvan onkundig waren, ook niet vóór deze
bekendmaking.
Artikel 87
1. Indien een echtgenoot ten laste van
het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen
vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van
de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen
behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde
echtgenoot een plicht tot vergoeding.
2. De vergoeding beloopt een gedeelte van
de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt
voldaan. Dit gedeelte:
a. is in het geval van een
verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot
evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de
tegenprestatie voor het goed;
b. komt in het geval van een
voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere
echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen
voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed
op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
3. Ten aanzien van de vergoeding gelden
voorts de volgende regels:
a. tenzij de echtgenoot het vermogen
van de andere echtgenoot met diens toestemming heeft aangewend op de
wijze als bedoeld in het eerste lid, beloopt de vergoeding ten
minste het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de
andere echtgenoot is gekomen;
b. ter zake van goederen die naar hun
aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding
steeds het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de
andere echtgenoot is gekomen;
c. ter zake van goederen die
inmiddels zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de
plaats zijn gekomen, wordt in plaats van de waarde, bedoeld in de
aanhef van het tweede lid, uitgegaan van de waarde ten tijde van de
vervreemding. Met een vervreemding wordt gelijkgesteld het
onherroepelijk worden van een begunstiging bij een sommenverzekering
of een andere begunstiging bij een beding ten behoeve van een derde.
4. Echtgenoten kunnen bij overeenkomst
afwijken van het eerste lid tot en met het derde lid. Geen vergoeding is
verschuldigd voorzover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten
laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op
die echtgenoot rustende verbintenis.
5. Kan de vergoeding overeenkomstig het
eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan
wordt zij geschat.
Artikel 88
1. Een echtgenoot behoeft de toestemming
van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:
a. overeenkomsten strekkende tot
vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen
strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de
echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde
woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de inboedel
daarvan behoren;
b. giften, met uitzondering van de
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. overeenkomsten die ertoe strekken
dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of
bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich
voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een
schuld van de derde verbindt;
d. overeenkomsten van koop op
afbetaling, behalve van zaken welke kennelijk uitsluitend of
hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep
of bedrijf strekken.
2. De echtgenoot behoeft de toestemming
niet, indien hij tot het verrichten der rechtshandeling is verplicht op
grond van de wet of op grond van een voorafgaande rechtshandeling
waarvoor die toestemming is verleend of niet was vereist.
3. De toestemming moet schriftelijk of
langs elektronische weg worden verleend, indien de wet voor het
verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.
4. In afwijking van lid 1, onder b, is
geen toestemming vereist voor giften welke de strekking hebben dat zij
pas zullen worden uitgevoerd na het overlijden van degene die de gift
doet, en niet reeds tijdens diens leven worden uitgevoerd. Bestaat de
gift in de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering die
tijdens het leven van de verzekeringnemer is aanvaard of kan worden
aanvaard, dan is daarvoor wel toestemming vereist.
5. Toestemming voor een rechtshandeling
als bedoeld in lid 1 onder c, is niet vereist, indien zij wordt verricht
door een bestuurder van een naamloze vennootschap of van een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met
zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij
geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die
vennootschap.
6. Indien de andere echtgenoot door
afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn wil
te verklaren of zijn toestemming niet verleent, kan de beslissing van de
rechtbank worden ingeroepen.
Artikel 89
1.Een rechtshandeling die een echtgenoot
in strijd met het vorige artikel heeft verricht, is vernietigbaar;
slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond
doen.
2.Het vorige lid geldt niet voor een
andere handeling dan een gift, indien de wederpartij te goeder trouw
was.
3.Het einde van het huwelijk en scheiding
van tafel en bed hebben geen invloed op de bevoegdheid om ter
vernietiging van een rechtshandeling van een echtgenoot een beroep op de
vernietigingsgrond te doen, die voordien was ontstaan. Indien de andere
echtgenoot dientengevolge schuldenaar uit die rechtshandeling wordt,
geldt artikel 51 lid 3 van Boek 3 voor hem slechts, zolang de termijn
van artikel 52 lid 1 van Boek 3 niet is verstreken.
4.De verklaring of rechtsvordering tot
vernietiging behoeft in afwijking van de artikelen 50 lid 1 en 51 lid 2
van Boek 3 niet mede te worden gericht tot de echtgenoot die de
handeling heeft verricht.
5.De echtgenoot die een beroep op de
vernietingsgrond heeft gedaan, kan tevens alle uit de nietigheid
voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.
Artikel 90
1. Een echtgenoot is bevoegd tot het
bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel 97,
tot het bestuur van goederen van een gemeenschap.
2. Het bestuur van een echtgenoot over
een goed omvat de uitoefening van de daaraan verbonden bevoegdheden,
daaronder begrepen de bevoegdheid tot beschikking en tot beheer en de
bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te
verrichten en toe te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en
gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding
toekomen.
3. Tussen de echtgenoot die het hem
toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze laatste
zijn de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met
inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der
goederen.
4. De echtgenoot die een goed bestuurt,
kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot een
rechtshandeling die deze laatste met betrekking tot dat goed heeft
verricht. De verklaring van toetreding wordt gericht tot hen die partij
bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is van
overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de
rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt voor de
toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding tot
bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen uitsluiten;
hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden onder eerbiediging van
tevoren aan derden verleende rechten.
Artikel 91
1.Indien een echtgenoot door afwezigheid
of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de
goederen der gemeenschap te besturen, of in ernstige mate tekortschiet
in het bestuur van de goederen der gemeenschap, kan de rechtbank op
verzoek van de andere echtgenoot aan deze het bestuur over die goederen
of een deel daarvan met uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot
opdragen. De rechter kan bij de opdracht nadere regelen stellen omtrent
het bestuur en de vertegenwoordiging in de zin van lid 4.
2.De artikelen 86 leden 2-4 en 90 lid 3
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De rechter gelast de oproeping van
beide echtgenoten en, zo de in lid 1 eerstgenoemde echtgenoot een
vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook deze.
4.De echtgenoot aan wie het bestuur over
goederen wordt opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging van de
echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan
bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.
Artikel 92
1.Is aan een derde niet kenbaar wie van
de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die
geen registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag hij de
echtgenoot die de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft,
bevoegd achten.
2.De echtgenoot die ten gevolge van een
rechtshandeling van de andere echtgenoot door een derde te goeder trouw
in het bestuur van een goed is gestoord, verliest het recht tot
beëindiging van de stoornis, indien hij zich tegen de stoornis niet
heeft verzet binnen een redelijke termijn nadat zij te zijner kennis is
gekomen. De bevoegdheid van de echtgenoot tot beëindiging van de
stoornis vervalt eveneens indien de derde hem een redelijke termijn
heeft gesteld ter uitoefening van die bevoegdheid en hij daarvan geen
gebruik heeft gemaakt.
3.Aan een derde kan niet worden
tegengeworpen dat een vordering tot vergoeding welke tijdens het
huwelijk is ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de echtgenoten
onderling of tussen een der echtgenoten en een tussen hen bestaande
gemeenschap, niet opeisbaar is.
Artikel 92a
Deze titel is niet van toepassing op van
tafel en bed gescheiden echtgenoten.
Titel 7. De wettelijke gemeenschap van
goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 93
Bij huwelijkse voorwaarden kan
uitdrukkelijk of door de aard der bedingen worden afgeweken van bepalingen
van deze titel, behalve voorzover bepalingen zich uitdrukkelijk of naar
hun aard tegen afwijking verzetten.
Artikel 94
1. Van het ogenblik der voltrekking van
het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een
gemeenschap van goederen.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten
betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap
aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen,
met uitzondering van:
a. goederen ten aanzien waarvan bij
uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald
dat zij buiten de gemeenschap vallen;
b. pensioenrechten waarop de Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is alsmede
met die pensioenrechten verband houdende rechten op
nabestaandenpensioen;
c. rechten op het vestigen van
vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4,
vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede
hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 34 van Boek 4.
3. Goederen en schulden die aan een der
echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts
in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet
verzet.
4. Vruchten van goederen die niet in de
gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de
gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de
gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats
van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een
vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
5. De gemeenschap omvat, wat haar lasten
betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van
schulden:
a. betreffende van de gemeenschap
uitgezonderde goederen;
b. uit door een der echtgenoten
gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als
bedoeld in artikel 126, eerste lid, en tweede lid, onder a en c, van
Boek 4.
6. Bestaat tussen echtgenoten een geschil
aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn
recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als gemeenschapsgoed
aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der
echtgenoten.
Artikel 95
1. Een goed dat een echtgenoot anders dan
om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie
bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt
van zijn eigen vermogen. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de
gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de
gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig
artikel 87, tweede en derde lid.
2. Indien een goed tot de gemeenschap
gaat behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen
vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, komt deze echtgenoot
een vergoedingsvordering toe, waarvan het beloop overeenkomstig artikel
87, tweede en derde lid, wordt bepaald.
Artikel 96
1. Voor een schuld van een echtgenoot
kunnen, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de
goederen der gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen.
2. Voor een niet in de gemeenschap
gevallen schuld van een echtgenoot kunnen de goederen van de gemeenschap
niet worden uitgewonnen, indien de andere echtgenoot eigen goederen van
eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden.
3. De echtgenoot uit wiens eigen goederen
een schuld der gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding
uit de goederen der gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een
tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding
bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.
4. De echtgenoot wiens niet in de
gemeenschap gevallen schuld uit goederen der gemeenschap is voldaan, is
deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. Betreft het een
schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed, dan wordt
het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede
en derde lid.
5. De echtgenoot die een schuldeiser
tegenwerpt dat een goed waarop deze verhaal zoekt niet behoort tot de
gemeenschap, draagt daarvan de bewijslast.
Artikel 96a
Indien een echtgenoot door een begunstiging
bij een door zijn overlijden tot uitkering komende sommenverzekering een
gift aan een derde heeft gedaan en ten laste van de gemeenschap premies
voor die verzekering zijn gekomen, is de echtgenoot deswege gehouden tot
vergoeding aan de gemeenschap. De vergoeding beloopt een gedeelte van de
waarde van de uitkering, evenredig aan het uit de gemeenschap afkomstige
aandeel in de premies.
Artikel 96b
Echtgenoten kunnen bij overeenkomst het
beloop van vergoedingen ingevolge de artikelen 95, 96 en 96a anders
bepalen. Artikel 87, vierde lid, tweede zin, is van overeenkomstige
toepassing. Kan de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan
wordt zij geschat.
Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschap
Artikel 97
1. Een goed dat op naam van een
echtgenoot staat of dat hij krachtens erfopvolging bij versterf, making,
lastbevoordeling of gift heeft verkregen, staat onder diens bestuur.
Voor het overige is ieder der echtgenoten bevoegd tot het bestuur over
de goederen van de gemeenschap. Artikel 170, eerste lid, van Boek 3 is
van overeenkomstige toepassing.
2. Is een goed der gemeenschap met
toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur dat goed
alleen of mede stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere
echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het
handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of
bedrijf zijn te beschouwen, uitsluitend bij laatstbedoelde echtgenoot en
voor het overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende
toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of bedrijf, tenzij
de echtgenoten anders overeenkomen, doch de rechtbank kan de
dienstbaarheid op verzoek van een echtgenoot te allen tijde wegens
gegronde redenen beëindigen.
3. Geschillen tussen de echtgenoten over
het bestuur ten aanzien van tot de gemeenschap behorende goederen,
kunnen op verzoek van de echtgenoten of van een van hen aan de rechtbank
worden voorgelegd.
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap
Artikel 99
1. De gemeenschap wordt van rechtswege
ontbonden:
a. in geval van het eindigen van het
huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: op het
tijdstip van overlijden;
b. in geval van beëindiging van het
huwelijk door echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd
partnerschap door de rechter: op het tijdstip van indiening van het
verzoek tot echtscheiding onderscheidenlijk indiening van het
verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap;
c. in geval van scheiding van tafel
en bed: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding
van tafel en bed;
d. in geval van opheffing van de
gemeenschap door een beschikking: op het tijdstip van indiening van
het verzoek tot opheffing van de gemeenschap;
e. in geval van beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: op het
tijdstip waarop de overeenkomst tot beëindiging wordt gesloten;
f. in geval van vermissing en een
daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: op het
tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid,
in kracht van gewijsde is gegaan;
g. in geval van opheffing bij latere
huwelijkse voorwaarden: op het tijdstip, bedoeld in artikel 120,
eerste lid.
2. De ontbinding van de gemeenschap door
indiening van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en
d, alsmede door sluiting van een overeenkomst als bedoeld onder e, kan
aan derden die daarvan onkundig waren slechts worden tegengeworpen,
indien het desbetreffende verzoek dan wel de overeenkomst ingeschreven
was in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116.
3. Indien vast komt te staan dat een
verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, dan wel een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder e, niet meer kan
leiden tot echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap,
scheiding van tafel en bed, opheffing van de gemeenschap door een
beschikking, onderscheidenlijk beëindiging van het geregistreerd
partnerschap met wederzijds goedvinden, herleven van rechtswege alle
gevolgen van de gemeenschap, alsof er geen verzoek was ingediend of
overeenkomst was gesloten, tenzij zich inmiddels een andere grond voor
ontbinding heeft voorgedaan. Nochtans wordt de geldigheid van
rechtshandelingen die zijn verricht tussen het tijdstip van indiening
van het verzoek of sluiting van de overeenkomst en het tijdstip waarop
komt vast te staan dat het verzoek of de overeenkomst niet meer tot het
in de eerste zin bedoelde gevolg kan leiden, beoordeeld naar het
tijdstip van de handeling.
4. Tezamen met een verzoek als bedoeld in
het eerste lid, onder b, c of d kan reeds overeenkomstig titel 7 van
Boek 3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de gemeenschap,
tot gelasten van de wijze van verdeling en tot vaststelling van de
verdeling.
Artikel 100
1.De echtgenoten hebben een gelijk
aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij
huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten
bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der
gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij
huwelijkse voorwaarden.
2.Zij die bij de ontbinding van de
gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht van
verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn.
Artikel 101
Na de ontbinding der gemeenschap heeft
ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike strekkende
kleren en kleinodiën, alsmede zijn beroeps- en bedrijfsmiddelen en de
papieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende, tegen de geschatte
prijs over te nemen.
Artikel 102
Na ontbinding van de gemeenschap blijft
ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de
gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere
gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden,
met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen
hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen,
onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3.
De rechtsvordering tot voldoening van de in de tweede volzin bedoelde
schuld verjaart tegelijkertijd met de rechtsvordering tegen de echtgenoot,
in wiens persoon de in die volzin bedoelde gemeenschapsschuld is ontstaan.
Artikel 103
1.Ieder der echtgenoten heeft het recht
van de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede strijdige
overeenkomsten zijn nietig.
2.Het deel der gemeenschap waarvan
afstand wordt gedaan, wast aan bij het deel van de andere echtgenoot.
3.De echtgenoot die afstand heeft gedaan,
kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan alleen zijn bed met
bijbehorend beddegoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik
nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken, tot zijn familie
behorende, tegen de geschatte prijs overnemen.
4.Door deze afstand wordt hij ontheven
van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden der
gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet
aansprakelijk was.
5.Hij blijft aansprakelijk voor de
schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der
gemeenschap aansprakelijk was. Indien hij een schuld, waarvoor beide
echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel
aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij
voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot.
6.Indien de andere echtgenoot een schuld
der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet
aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan, heeft hij deswege
verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan. Heeft hij een
schuld, waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap
voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan
heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand
heeft gedaan.
Artikel 104
1. De echtgenoot die van het bij het
vorige artikel omschreven voorrecht wil gebruik maken, is verplicht
binnen drie maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van
afstand te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen
in artikel 116 van dit boek, op verbeurte van dit voorrecht.
2. Indien de gemeenschap door de dood van
de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden
te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil
gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de
gemeenschap is ontbonden op de wijze als bedoeld in artikel 99, eerste
lid, onder c en d, eindigt de termijn drie maanden nadat het verzoek tot
opheffing van de gemeenschap of tot scheiding van tafel en bed bij de
rechtbank is ingediend.
Artikel 105
1.De erfgenamen van een echtgenoot, door
wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden, of die binnen de in het
vorige artikel gestelde termijn is overleden zonder afstand te hebben
gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in het vorige artikel
omschreven wijze afstand te doen binnen drie maanden nadat zij met het
overlijden bekend zijn geworden.
2.De aanspraak van de echtgenoot tot
terugvordering van zijn bed, beddegoed, en kleren uit de gemeenschap kan
niet worden overgedragen en gaat ook niet over op zijn erfgenamen.
Artikel 106
De rechtbank van de plaats waar de akte van
afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de inschrijving gestelde
termijn voor de afloop daarvan een of meer malen op grond van bijzondere
omstandigheden verlengen.
Artikel 107
1.De echtgenoot of zijn erfgenaam, die
zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan
heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Daden van
dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet
teweeg.
2.Hij die na gedane afstand goederen der
gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de bevoegdheid artikel 103
lid 4 van dit boek in te roepen.
Artikel 108
1.Afstand van de gemeenschap, door een
echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat door de
andere echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd
gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel 103 leden 2 en 3
van dit boek, en verplicht hen die tot de gemeenschap gerechtigd zijn,
haar te vereffenen. Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 betreffende de
vereffening van nalatenschappen is zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing.
2.Indien hij die tot vereffening van de
gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de rekening en
verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze
verplichting te voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 103 lid 4
van dit boek in te roepen.
Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap
bij beschikking
Artikel 109
Een echtgenoot kan opheffing van de
gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze
schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt, handelingen
verricht, die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere
echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de nodige
inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der gemeenschap en
van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde
bestuur.
Artikel 110
De echtgenoot die de opheffing van de
gemeenschap verzoekt, kan tot behoud van zijn recht de maatregelen nemen,
die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader zijn aangegeven.
Artikel 111
1. Indien de echtgenoot tegen wie het
verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de
aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een
rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de
vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is
hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het vorige lid gegronde
vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat het
verzoek tot opheffing van de gemeenschap bij de rechtbank is ingediend.
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 113
Is de gemeenschap door opheffing ontbonden,
dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij huwelijkse
voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen.
Titel 8. Huwelijkse voorwaarden
Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het
algemeen
Artikel 114
Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door
aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door
echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.
Artikel 115
1.Huwelijkse voorwaarden moeten op
straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan.
2.Een volmacht tot het aangaan van
huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend en moet de in
de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.
Artikel 116
1. Bepalingen in huwelijkse voorwaarden
kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden
tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar
huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie der rechtbank binnen
welker rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of, indien het huwelijk
buiten Nederland is aangegaan, ter griffie van de rechtbank te
's-Gravenhage.
2. De wijze van inrichting en raadpleging
van het register wordt nader bij algemene maatregel van bestuur
geregeld.
3. In afwijking van het eerste lid kan
bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het register
elders dan ter griffie der rechtbank wordt gehouden. Bij algemene
maatregel van bestuur kan eveneens worden bepaald dat de verstrekking
van gegevens ter inschrijving in het register uitsluitend op een in die
maatregel aan te geven wijze plaats vindt.
Artikel 117
1.Huwelijkse voorwaarden vóór het
huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij wier
toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun
toestemming tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben
gegeven; is de toestemming van de rechter nodig, dan kan worden volstaan
met vasthechting van zijn beschikking aan de minuut van de akte. Op het
verzoek tot toestemming van de rechter is artikel 39 lid 1 van dit boek
van overeenkomstige toepassing.
2.Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse
voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het
huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen.
Artikel 118
De echtgenoot die onder curatele staat, kan
na de huwelijksvoltrekking slechts met toestemming van zijn curator
huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen.
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 120
1.Tijdens het huwelijk gemaakte of
gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op de dag, volgende
op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip
is aangewezen.
2.Bepalingen in deze huwelijkse
voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden
tegengeworpen, indien zij ten minste veertien dagen in het
huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.
Artikel 121
1.Partijen kunnen bij huwelijkse
voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap, mits die
voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de
openbare orde strijden.
2.Zij kunnen niet bepalen dat een hunner
tot een groter aandeel in de schulden zal zijn gehouden, dan zijn
aandeel in de goederen der gemeenschap beloopt.
3.Zij kunnen niet afwijken van de rechten
die uit het ouderlijk gezag voortspruiten, noch van de rechten die de
wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.
Artikel 122 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 123 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 124 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 125 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 126 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 127 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 128 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 129 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 130
Een echtgenoot kan tegen derden zijn
aanbreng van bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap gehouden
goederen, voor wat betreft rechten aan toonder en zaken die geen
registergoederen zijn, slechts bewijzen door hun vermelding in de akte van
huwelijkse voorwaarden of in een door de partijen en de notaris
ondertekende, aan de minuut van die akte vastgehechte beschrijving. Indien
de vermelding van een goed geen afdoende omschrijving daarvan biedt, kan
aanvullend bewijs door alle middelen worden geleverd; ten aanzien van
goederen die een echtgenoot buiten diens weten opgekomen waren, kan het
bewijs door alle middelen worden geleverd.
Artikel 131
1. Bestaat tussen niet in gemeenschap van
goederen gehuwde echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een
recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en
kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed
geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.
2. Het vermoeden werkt niet ten nadele
van de schuldeisers der echtgenoten.
Afdeling 2. Verrekenbedingen
Paragraaf 1. Algemene regels voor
verrekenbedingen
Artikel 132
1.Deze afdeling is van toepassing op
huwelijkse voorwaarden die een of meer verplichtingen inhouden tot
verrekening van inkomsten of van vermogen.
2.Tenzij anders is bepaald, kan van deze
afdeling bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de aard der
bedingen worden afgeweken.
Artikel 133
1. De verplichting tot verrekening van
inkomsten of van vermogen is wederkerig.
2. De verplichting tot verrekening heeft
uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat de
echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen.
De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op vermogen dat
krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift
wordt verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat
vermogen of voor die vruchten in de plaats getreden goederen. Evenmin
heeft de verplichting tot verrekening betrekking op vermogen dat bestaat
uit rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de
artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die
bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de
artikelen 34, 35, 36, 38 en 126, tweede lid, onder a en c, van Boek 4,
en afdeling 3 van titel 4 van Boek 4.
Artikel 134
Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift
kan worden bepaald dat geen verrekening van krachtens erfopvolging bij
versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de
vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge
huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.
Artikel 135
1.De verrekening van inkomsten of van
vermogen geschiedt bij helfte.
2.Op de verrekening zijn de artikelen
181, 183 en 195 tot en met 200 van Boek 3 van dit wetboek van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de beoordeling
van de vraag of benadeling als bedoeld in artikel 196 van Boek 3 van dit
wetboek heeft plaatsgevonden, de in artikel 142 genoemde tijdstippen
bepalend zijn. De artikelen 677 tot en met 680 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Een echtgenoot die opzettelijk een tot
het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoek maakt of
verborgen houdt waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is
betrokken, dient de waarde daarvan niet te verrekenen, maar geheel aan
de andere echtgenoot te vergoeden.
Artikel 136
1.Indien een goed onder aanwending van te
verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te
verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het
bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte
van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Indien een
echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is
aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te
verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend
of daaruit is afgelost of betaald.
2.Bestaat tussen de echtgenoten een
geschil omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen
wordt gerekend en kan geen van beiden bewijzen dat het goed tot het niet
te verrekenen vermogen wordt gerekend, dan wordt dat goed aangemerkt als
te rekenen tot het te verrekenen vermogen. Het vermoeden werkt niet ten
nadele van de schuldeisers der echtgenoten.
Artikel 137
1.Onverminderd het derde lid, geschiedt
een verrekening in geld.
2.Indien op grond van een verrekenbeding
over en weer opeisbare vorderingen ontstaan, worden beide vorderingen
van rechtswege met elkaar verrekend tot aan hun gemeenschappelijk
beloop.
3.Een echtgenoot is slechts gehouden een
inbetalinggeving van goederen te aanvaarden dan wel kan deze slechts
verlangen in plaats van een verrekening in geld, voor zover de
verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 138
1.De ene echtgenoot is aan de andere geen
verantwoording over het bestuur van zijn goederen schuldig. Slecht
bestuur over die goederen verplicht niet tot schadevergoeding.
2.De ene echtgenoot kan jaarlijks van de
andere echtgenoot een gespecificeerde, schriftelijke en ondertekende
opgave verzoeken van de te verrekenen inkomsten en van het te verrekenen
vermogen. Van deze bepaling kan niet worden afgeweken.
3.Geschillen tussen de echtgenoten
betreffende de opgave worden op verzoek van een van hen door de
rechtbank beslist.
Artikel 139
1. Een echtgenoot kan de opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening verzoeken, wanneer de andere
echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, zijn goederen verspilt
of weigert de in artikel 138, tweede lid, bedoelde verplichte opgave
omtrent zijn te verrekenen inkomsten of vermogen te verstrekken.
2. Indien de echtgenoot tegen wie het
verzoek zich richt, het te verrekenen vermogen benadeelt doordat hij na
de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, te verrekenen goederen heeft verspild, of een
rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming
of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden de
aangerichte schade te vergoeden.
3. Van het eerste en tweede lid kan niet
worden afgeweken.
Artikel 140
1.Op verzoek van de verrekenplichtige
echtgenoot kan de rechter wegens gewichtige redenen bepalen dat een
verschuldigde geldsom, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking
te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop van zekere tijd,
hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij
let de rechter op de belangen van beide partijen. De rechter kan de
verrekenplichtige echtgenoot verplichten binnen een bepaalde tijd
zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening van de
verschuldigde geldsom.
2.Hetgeen in het eerste lid omtrent een
echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden
voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel.
3.Van het eerste en tweede lid kan niet
worden afgeweken.
Paragraaf 2. Periodieke verrekenbedingen
Artikel 141
1.Indien een verrekenplicht betrekking
heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het
huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting
tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over
het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet
verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.
2.Indien een verrekenplicht betrekking
heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het
huwelijk, dan eindigt die verrekenplicht op het tijdstip zoals in
artikel 142 bepaald, als dat tijdvak nog loopt.
3.Indien bij het einde van het huwelijk
aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke
verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het
alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend
had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid
in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders
voortvloeit. Artikel 143 is van overeenkomstige toepassing.
4.Indien een echtgenoot in overwegende
mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen
naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede
komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook
ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde winsten uit
zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als
redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling
van de verrekenplicht van die echtgenoot, onverminderd het eerste lid.
5.Het vierde lid is van overeenkomstige
toepassing, indien een echtgenoot op eigen naam een onderneming
uitoefent.
6.De vordering tot verrekening, bedoeld
in het eerste lid, verjaart niet eerder dan drie jaren na de
beëindiging van het huwelijk dan wel het onherroepelijk worden van de
beschikking tot scheiding van tafel en bed. Deze termijn kan niet worden
verkort.
Paragraaf 3. Finale verrekenbedingen
Artikel 142
1. Als tijdstip waarop de samenstelling
en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, geldt:
a. in geval van het eindigen van het
huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: het
tijdstip van overlijden;
b. in geval van beëindiging van het
huwelijk door echtscheiding: het tijdstip van indiening van het
verzoek tot echtscheiding;
c. in geval van scheiding van tafel
en bed: het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van
tafel en bed;
d. in geval van opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening als bedoeld in artikel 139:
het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van die
verplichting;
e. in geval van beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: het tijdstip
waarop de overeenkomst tot beëindiging wordt gesloten;
f. in geval van ontbinding van het
geregistreerd partnerschap op verzoek: het tijdstip van indiening
van het verzoek;
g. in geval van vermissing en een
daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: het tijdstip
waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid, in kracht
van gewijsde is gegaan;
h. in geval van opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening bij huwelijkse voorwaarden:
het tijdstip, bedoeld in artikel 120, eerste lid.
2. Van het eerste lid, aanhef en onder b
tot en met f, kan bij op schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 143
1.Vanaf de in het eerste lid van artikel
142 vermelde tijdstippen kan ieder der echtgenoten verzoeken dat het te
verrekenen vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven.
2.De artikelen 671 tot en met 676 en 679
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.Hetgeen in de vorige leden omtrent een
echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden
voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel.
4.Van het eerste tot en met het derde lid
kan niet worden afgeweken.
Artikel 144 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 145 [Vervallen per 01-09-2002]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 146 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 147 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 148 [Vervallen per 01-01-2003]
Titel 9. Ontbinding van het huwelijk
Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in
het algemeen
Artikel 149
Het huwelijk eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling van de
achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden dan wel overleden
is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven
echtgenoot een nieuw huwelijk of geregistreerd partnerschap is
aangegaan: door de voltrekking van dit huwelijk of geregistreerd
partnerschap;
c. door echtscheiding, overeenkomstig
de bepalingen van de tweede afdeling van deze titel;
d. door ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed, overeenkomstig de bepalingen van de tweede
afdeling van de tiende titel van dit boek.
Afdeling 2. Echtscheiding
Artikel 150
Echtscheiding tussen echtgenoten die niet
van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van één
der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.
Artikel 151
Echtscheiding wordt op verzoek van één
der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.
Artikel 152 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 153
1.Indien als gevolg van de verzochte
echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere
echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft
gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere
echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden
toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet
op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten
billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te
verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende
voorzieningen kan treffen;
b. indien de duurzame ontwrichting
van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere
echtgenoot.
Artikel 154
1.Echtscheiding wordt op
gemeenschappelijk verzoek van de echtgenoten uitgesproken indien het
verzoek is gegrond op hun beider oordeel dat het huwelijk duurzaam
ontwricht is.
2.Ieder der echtgenoten is tot op het
tijdstip der uitspraak bevoegd het verzoek in te trekken.
Artikel 155
In geval van echtscheiding en voor zover de
ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding
pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding recht op pensioenverevening, tenzij de
echtgenoten op de wijze voorzien in deze Wet toepasselijkheid daarvan
hebben uitgesloten.
Artikel 156 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 157
1.De rechter kan bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die
niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in
redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere
echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.
2.Bij de vaststelling van de uitkering
kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in
het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de
uitkering is gehouden.
3.De rechter kan op verzoek van één van
de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden
en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de
uitkering later eindigt dan twaalf jaren na de datum van inschrijving
van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
4.Indien de rechter geen termijn heeft
vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege
na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de
datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
5.Indien de beëindiging van de uitkering
ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde
termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die
termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die
tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter
op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe
dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging
zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van
de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.
6.Indien de duur van het huwelijk niet
meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn
geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na
het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het
huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking
in de registers van de burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn
vaststelt, kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de
uitkering op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het
geval zou zijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat in de eerste zin in plaats van "de in het vierde
lid bedoelde termijn" wordt gelezen: de in de eerste zin bedoelde
termijn.
Artikel 158
Vóór of na de beschikking tot
echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja
tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een
uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de
overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met
zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 159
1.Bij de overeenkomst kan worden bedongen
dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op
grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan
slechts schriftelijk worden gemaakt.
2.Het beding vervalt, indien de
overeenkomst is aangegaan vóór de indiening van het verzoek tot
echtscheiding, tenzij dit binnen drie maanden na de overeenkomst is
ingediend. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij een
gemeenschappelijk verzoek.
3.Ondanks een zodanig beding kan op
verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op
grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de
verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer
aan het beding mag worden gehouden.
Artikel 159a
Een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 158 en 159 van dit boek staat niet in de weg aan verhaal op
grond van paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand en laat de
vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet.
Artikel 160
Een verplichting van een gewezen echtgenoot
om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de
wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een
geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een
ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten
registreren.
Artikel 161 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 161a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 162 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 162a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 163
1.De echtscheiding komt tot stand door de
inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke
stand.
2.De inschrijving geschiedt op verzoek
van partijen of van één van hen.
3.Indien het verzoek tot inschrijving
niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in
kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 164
1. Indien een tussen de echtgenoten
bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld
doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden
daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap
heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit
boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft
verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij
de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de
gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het vorige lid gegronde
rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de
inschrijving van de beschikking.
Artikel 165
1.Op verzoek van een echtgenoot kan de
rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen
dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking
een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede
toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de
inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de
inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te
zetten.
2.Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder
zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling
niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid
omschreven bevoegdheid.
3.Weigert hij zijn toestemming of is hij
niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste
aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van
de andere gewezen echtgenoot, bepalen dat het vorige lid buiten
toepassing blijft.
Artikel 166
Indien de gescheiden echtgenoten met
elkander hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, herleven
alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding
had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die
tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk of het
geregistreerd partnerschap zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der
handeling.
Artikel 167 [Vervallen per 05-07-1982]
Titel 10. Scheiding van tafel en bed en
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed
Artikel 168 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 169
1.Scheiding van tafel en bed kan worden
verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding.
2.De artikelen 151, 154 tot en met 159a
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
termijnen, bedoeld in artikel 157, derde tot en met zesde lid, aanvangen
op de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is
ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel
116, en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot die dag.
3.Een verplichting van een echtgenoot om
uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen
aan de andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.
Artikel 170 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 171 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 171a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 172 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 173
1.De scheiding van tafel en bed komt tot
stand door de inschrijving van de beschikking in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
2.De inschrijving geschiedt op verzoek
van de echtgenoten of van één van hen.
3.Indien het verzoek niet is gedaan
uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 174
1. Indien een tussen de echtgenoten
bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld
doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden
daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap
heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit
boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft
verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking waarbij de scheiding van
tafel en bed is uitgesproken, is ingeschreven, de aangerichte schade aan
de gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het eerste lid gegronde
rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de
inschrijving van de beschikking van scheiding van tafel en bed.
Artikel 175
1.Op verzoek van een echtgenoot kan de
rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij
latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de
inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere
echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij
jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de
bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na de inschrijving van de beschikking, tegen een redelijke
vergoeding voort te zetten.
2.Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder
zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling
niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid
omschreven bevoegdheid.
3.Weigert hij zijn toestemming of is hij
niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste
aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op
verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat het vorige lid buiten
toepassing blijft.
Artikel 176
1.Een scheiding van tafel en bed eindigt
door de verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun
eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in
artikel 116, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden
te bestaan.
2.De inschrijving doet alle gevolgen van
het huwelijk van rechtswege herleven, alsof er geen scheiding van tafel
en bed had plaatsgehad. Nochtans wordt de geldigheid van
rechtshandelingen die tussen de scheiding van tafel en bed en de
verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling.
Artikel 177 [Vervallen per 01-06-2001]
Artikel 178 [Vervallen per 05-07-1982]
Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed
Artikel 179
1.Ontbinding van het huwelijk van
echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van
een der echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding tenminste drie
jaren heeft geduurd.
2.De termijn van drie jaren kan op
verzoek van een echtgenoot worden bekort tot ten minste een jaar, indien
de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in
zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet
kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.
Artikel 180
1.Indien als gevolg van de gevraagde
ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan
de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek
heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de
andere echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het
verzoek niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is
getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte
van beide echtgenoten billijk is te achten.
De rechter kan daartoe een termijn
stellen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te
verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende
voorzieningen kan treffen;
b. indien de andere echtgenoot zich
gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de
echtgenoot die het verzoek heeft gedaan naar redelijkheid generlei
verstrekking van levensonderhoud zou kunnen worden gevergd.
Artikel 181
Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten
die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk
verzoek uitgesproken.
Artikel 182
De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en
met 160 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde
termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de
scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de
andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend
tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is
ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
Artikel 183
1.De ontbinding van het huwelijk komt tot
stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
2.De artikelen 163, tweede en derde lid,
en 166 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 184 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 185 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 186 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 187 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 188 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 189 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 190 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 191 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 192 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 193 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 194 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 195 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 196 [Vervallen per 01-10-1971]
Titel 11. Afstamming
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 197
Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten
staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.
Artikel 198
Moeder van een kind is de vrouw uit wie het
kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.
Artikel 199
Vader van een kind is de man:
a. die op het tijdstip van de geboorte
van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd,
tenzij onderdeel b geldt;
b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie
het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind
door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd;
indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het
kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert
dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar
na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de
burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de
vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt;
was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat
geval de huidige echtgenoot de vader van het kind;
c. die het kind heeft erkend;
d. wiens vaderschap gerechtelijk is
vastgesteld; of
e. die het kind heeft geadopteerd.
Afdeling 2. Ontkenning van het door
huwelijk ontstane vaderschap
Artikel 200
1.Het in artikel 199, onder a en b,
bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische
vader van het kind is, worden ontkend:
a. door de vader of de moeder van het
kind;
b. door het kind zelf.
2.De vader of moeder kan het in artikel
199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man
vóór het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.
3.De vader of moeder kan het in artikel
199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man
heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg
kan hebben gehad.
4.Het tweede en derde lid zijn niet van
toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen
omtrent de verwekker.
5.Het verzoek tot gegrondverklaring van
de ontkenning wordt door de moeder bij de rechtbank ingediend binnen een
jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de
vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het
feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.
6.Het verzoek tot gegrondverklaring van
de ontkenning wordt door het kind bij de rechtbank ingediend binnen drie
jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man
vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel
gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het
verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is
geworden, worden ingediend.
Artikel 201
1.Overlijdt de vader of de moeder voor de
afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een
afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van
zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, de rechtbank
verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het
verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat
het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.
2.Overlijdt het kind voor de afloop van
de in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling
in de eerste graad van het kind de rechtbank verzoeken de ontkenning van
het vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was
ten tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar
na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter
kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de
minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar
nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen
doen, dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is
gekomen van de verzoeker binnen een jaar na die kennisneming.
Artikel 202
1.Nadat de beschikking houdende
gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan
vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk
ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2.Te goeder trouw door derden verkregen
rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3.Door de gegrondverklaring van de
ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van
verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch
tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat
geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke
voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het
doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.
Afdeling 3. Erkenning
Artikel 203
1.Erkenning kan geschieden:
a. bij een akte van erkenning,
opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. bij notariële akte.
2.De erkenning heeft gevolg vanaf het
tijdstip waarop zij is gedaan.
Artikel 204
1.De erkenning is nietig, indien zij is
gedaan:
a. door een man die krachtens artikel
41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;
b. door een minderjarige die de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c. indien het kind de leeftijd van
zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de moeder;
d. zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder;
e. door een op het tijdstip van de
erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de rechtbank heeft
vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een
band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk
op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een
nauwe persoonlijke betrekking bestaat;
f. terwijl er twee ouders zijn.
2.De in het vorige lid onder c en d
vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken
van de akte van erkenning.
3.De toestemming van de moeder wier kind
de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de
toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van
de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank
worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een
ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou
schaden, en de man de verwekker is van het kind.
4.Een man die wegens geestelijke stoornis
onder curatele staat, mag slechts erkennen nadat daartoe toestemming is
verkregen van de kantonrechter.
Artikel 205
1.Een verzoek tot vernietiging van de
erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van
het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij de
erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij door
bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door
misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
c. door de moeder, indien zij door
bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door
misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning
te geven.
2.Het openbaar ministerie kan wegens
strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de
biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning
verzoeken.
3.In geval van bedreiging of misbruik van
omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder
niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te
werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de
verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.
4.Het verzoek wordt door het kind
ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het
feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het
kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit
feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind
meerderjarig is geworden, worden ingediend.
5.Voor het geval de erkenner of de moeder
overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is
artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Voor het geval
het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde
termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 206
1.Nadat de beschikking houdende
vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de
erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2.Te goeder trouw door derden verkregen
rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3.Door de vernietiging ontstaat geen
vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van
levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens
vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave
van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn
voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het
instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.
Afdeling 4. Gerechtelijke vaststelling van
het vaderschap
Artikel 207
1.Het vaderschap van een man kan, ook
indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het
kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd
heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben
gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
b. het kind.
2.Vaststelling van het vaderschap kan
niet geschieden, indien:
a. het kind twee ouders heeft;
b. tussen de man en de moeder van het
kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten;
of
c. de in de aanhef van het eerste lid
bedoelde man een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren
nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft
bereikt is overleden.
3.Het verzoek wordt door de moeder
ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van
onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel
van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag
waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn
geworden.
4.Overlijdt het kind voordat vaststelling
van het vaderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling
van het kind in de eerste graad de vaststelling van het vaderschap aan
de rechtbank verzoeken, mits de man bedoeld in het eerste lid, nog in
leven is. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van
overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de
verzoeker is gekomen.
5.De vaststelling van het vaderschap,
mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt
terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door
derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts
ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke
voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het
doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.
Artikel 208
Bij de uitspraak waarbij het vaderschap
wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek ten
behoeve van het kind een bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en
opvoeding als bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud
en studie als bedoeld in artikel 395a.
Afdeling 5. Inroeping of betwisting van
staat
Artikel 209
Iemands afstamming volgens zijn
geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat
overeenkomstig die akte heeft.
Artikel 210
Een verzoek tot gegrondverklaring van de
inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.
Artikel 211
1.Een verzoek tot gegrondverklaring van
de inroeping van staat kan worden ingediend:
a. door het kind zelf;
b. door de erfgenamen van het kind,
indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaren
nadien is overleden.
2.Indien het kind een verzoek als bedoeld
in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure
voortzetten.
Afdeling 6. De bijzondere curator
Artikel 212
In zaken van afstamming wordt het
minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende,
vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de
rechtbank die over de zaak beslist.
Artikel 213 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 214 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 215 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 216 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 217 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 218 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 219 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 220 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 221 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 222 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 223 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 224 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 225 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 226 [Vervallen per 01-04-1998]
Titel 12. Adoptie
Artikel 227
1.Adoptie geschiedt door een uitspraak
van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van
één persoon alleen. Twee personen tezamen kunnen geen verzoek tot
adoptie doen, indien zij krachtens artikel 41 geen huwelijk met elkaar
zouden mogen aangaan.
2.Het verzoek door twee personen tezamen
kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten
jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met
elkaar hebben samengeleefd. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, kan
slechts worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder
heeft samengeleefd. De in de tweede zin bedoelde voorwaarde geldt
evenwel niet indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van
de adoptant en die ouder.
3.Het verzoek kan alleen worden
toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is,
op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de
toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn
ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan
de voorwaarden, genoemd in artikel 228, wordt voldaan.
4.Indien het kind is of wordt geboren
binnen de relatie van de adoptant en de ouder en het kind door en
tengevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1,
onder c, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is verwekt en
een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan
afgegeven verklaring wordt overgelegd, wordt het verzoek toegewezen,
tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is, of niet
is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228.
5.Zijn de voornamen van het kind niet
bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het
kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de
adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.
6.In zaken van adoptie is de minderjarige
ouder bekwaam in rechte op te treden.
Artikel 228
1.Voorwaarden voor adoptie zijn:
a. dat het kind op de dag van het
eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag
van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn
verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft
doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van
bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die
op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet
heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake;
b. dat het kind niet is een kleinkind
van een adoptant;
c. dat de adoptant of ieder der
adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
d. dat geen der ouders het verzoek
tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder van het
kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt;
f. dat de adoptant of de adoptanten
het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en
opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij
gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd
en opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het
moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden;
g. dat de ouder of ouders niet of
niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de
echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de
ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met
voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel
het gezag heeft.
2.Aan de tegenspraak van een ouder als
bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan:
a. indien het kind en de ouder niet
of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of
b. indien de ouder het gezag over het
kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op
grove wijze heeft verwaarloosd; of
c. indien de ouder onherroepelijk is
veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de
misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot
en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.
3.De voorwaarde, bedoeld in het eerste
lid, onder f, geldt niet indien het kind wordt geboren binnen de relatie
van de moeder met een levensgezel van gelijk geslacht.
Artikel 229
1.Door adoptie komen de geadopteerde, de
adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun
bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.
2.Tegelijkertijd houdt de
familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn
oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.
3.In afwijking van het tweede lid blijft
de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en
diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert.
4.Indien het kind op het tijdstip van de
adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de
familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank
bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen
377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 230
1.De adoptie heeft haar gevolgen van de
dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Indien het kind is geboren binnen de
relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de geboorte van
het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van geboorte van
het kind; indien de adoptie uiterlijk zes maanden na de geboorte van het
kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van indiening van
het verzoek. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing
indien voor de adoptie familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd
tussen het kind en een andere ouder en deze door de adoptie zijn
verbroken. De adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook
worden uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is
overleden.
3.De adoptie blijft haar gevolgen
behouden, ook al zou blijken, dat de rechter de door artikel 228 van dit
boek gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben
aangenomen.
Artikel 231
1.De adoptie kan door een uitspraak van
de rechtbank op verzoek van de geadopteerde worden herroepen.
2.Het verzoek kan alleen worden
toegewezen, indien de herroeping in het kennelijk belang van de
geadopteerde is, de rechter van de redelijkheid der herroeping in
gemoede overtuigd is, en het verzoek is ingediend niet eerder dan twee
jaren en niet later dan vijf jaren na de dag, waarop de geadopteerde
meerderjarig is geworden.
Artikel 232
1.Door herroeping van de adoptie houdt de
familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen
enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten
anderzijds op te bestaan.
2.De familierechtelijke betrekking die
door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping.
3.Artikel 230 vindt ten aanzien van de
herroeping overeenkomstige toepassing.
Titel 13. Minderjarigheid
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 233
Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van
achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd of geregistreerd zijn
dan wel gehuwd of geregistreerd zijn geweest of met toepassing van artikel
253ha meerderjarig zijn verklaard.
Artikel 234
1.Een minderjarige is, mits hij met
toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam
rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.
2.De toestemming kan slechts worden
verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel.
3.De toestemming wordt aan de
minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een
rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk
verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze
zelfstandig verrichten.
Afdeling 2. Handlichting
Artikel 235
1.Handlichting waarbij aan een
minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden
toegekend, kan wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaren
heeft bereikt, op zijn verzoek door de kantonrechter worden verleend.
2.Zij wordt niet verleend tegen de wil
van de ouders voor zover deze het gezag over de minderjarige uitoefenen,
met inachtneming nochtans van artikel 253a, eerste lid.
3.Bij het verlenen van handlichting
bepaalt de kantonrechter uitdrukkelijk, welke bevoegdheden van een
meerderjarige aan de minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden
mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de gehele
ontvangst van zijn inkomsten en de beschikking daarover, het sluiten van
verhuringen en verpachtingen, het in een vennootschap deelnemen en het
uitoefenen van een beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door
handlichting niet bekwaam tot het beschikken over registergoederen,
effecten, of door hypotheek gedekte vorderingen.
4.Hij kan ter zake van de handlichting
zelf en van handelingen, waartoe hij krachtens de verkregen handlichting
bekwaam is, eisende of verwerende in rechte optreden. Artikel 12 lid 1
van dit boek geldt voor die handelingen niet.
Artikel 236
1.Een verleende handlichting kan door de
kantonrechter worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan
misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen.
2.De intrekking geschiedt op verzoek van
een van de ouders van de minderjarige, voor zover deze het gezag over
hem uitoefenen en met inachtneming van artikel 253a, eerste lid, of op
verzoek van de voogd.
Artikel 237
1.Een beschikking waarbij handlichting is
verleend of ingetrokken, moet worden bekend gemaakt in de Staatscourant
en in twee in de beschikking aan te wijzen dagbladen.
2.In de bekendmaking moet nauwkeurig
worden vermeld hoedanig, en tot welk einde zij is verleend. Vóór de
bekendmaking werkt zomin de handlichting als haar intrekking tegen
derden die hiervan onkundig waren.
Afdeling 3. De raad voor de
kinderbescherming
Artikel 238
1.Er is één raad voor de
kinderbescherming.
2.De wet bepaalt de taken en bevoegdheden
van de raad voor de kinderbescherming. Deze worden door de raad voor de
kinderbescherming namens onze Minister van Justitie uitgevoerd.
3.Ten behoeve van de vervulling van zijn
taak houdt de raad zich in ieder geval op de hoogte van de ontwikkeling
van de kinderbescherming, bevordert hij de samenwerking met de
instellingen van kinderbescherming en jeugdhulpverlening en dient hij op
verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen van advies.
4.Zijn bemoeiingen laten de godsdienstige
of levensbeschouwelijke grondslag van de instellingen van
kinderbescherming onverlet.
5.Bij algemene maatregel van bestuur
worden de zetel, de werkwijze, voor zover het de samenwerking met de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,
betreft en de organisatie van de raad geregeld.
Artikel 239
1.De raad voor de kinderbescherming kan
optreden ten behoeve van minderjarigen die in Nederland hetzij hun
woonplaats of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben.
Eveneens kan de raad optreden ten behoeve van Nederlandse minderjarigen
die in Nederland noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch
werkelijk verblijf hebben.
2.Ten behoeve van de minderjarigen die
binnen een arrondissement hetzij hun woonplaats of laatste woonplaats,
hetzij hun werkelijk verblijf hebben, treden voor de raad voor de
kinderbescherming de in dat arrondissement aanwezige werkeenheden van de
raad op.
3.Indien op grond van het vorige lid meer
werkeenheden in verschillende arrondissementen bevoegd zouden zijn ten
behoeve van een zelfde minderjarige op te treden, doet het optreden van
een van deze werkeenheden de bevoegdheid van de ander eindigen.
4.Ten behoeve van Nederlandse
minderjarigen, die in Nederland noch woonplaats, noch laatste
woonplaats, noch werkelijk verblijf hebben, treden de werkeenheden van
de raad in het arrondissement Amsterdam op voor de raad voor de
kinderbescherming.
5.Bij algemene maatregel van bestuur
wordt de behandeling van klachten ter zake van een bij de raad in
behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid van
kinderbescherming geregeld.
Artikel 240
Degene die op grond van een wettelijk
voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is
verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de raad
voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit
noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de
raad.
Artikel 241
1.Indien de raad voor de
kinderbescherming blijkt, dat een minderjarige niet onder het wettelijk
vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend,
verzoekt hij de rechter in de gezagsuitoefening over deze minderjarige
te voorzien.
2.Indien dit ter voorkoming van ernstig
gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid
van zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de
kinderrechter een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg, belasten met de voorlopige voogdij over de
minderjarige. De raad voor de kinderbescherming wendt zich in dit geval
binnen zes weken tot de rechter teneinde een voorziening in het gezag
over deze minderjarige te verkrijgen.
3.De in het tweede lid bedoelde maatregel
kan eveneens worden getroffen indien een minderjarige, de leeftijd van
zes maanden nog niet bereikt hebbende en niet staande onder voogdij van
een rechtspersoon, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
raad voor de kinderbescherming als pleegkind is opgenomen.
4.De kinderrechter beschikt op verzoek
van de raad voor de kinderbescherming of van de officier van justitie.
Hij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen
van deze minderjarige worden toegekend en bepaalt de duur van de
maatregel.
5.De maatregel vervalt na verloop van zes
weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze
termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is
verzocht. De kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf weken
bepalen, dit evenwel uitsluitend op de grond dat het in de eerste volzin
bedoelde verzoek aan de vereisten van artikel 278 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zal kunnen voldoen.
6.De maatregel kan worden ingetrokken of
gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een
verzoek als bedoeld in het vijfde lid is ingediend. In dat geval beslist
de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is.
7.In afwijking van het tweede lid, kan de
rechter de voorlopige voogdij over een minderjarige door of voor wie een
aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en
in verband daarmee in Nederland verblijft, alsmede over door Onze
Minister van Justitie aan te wijzen categorieën andere minderjarigen,
opdragen aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid.
Artikel 241a
Op de uitoefening van de voorlopige voogdij
door een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg is artikel 243 van dit Boek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 242
De raad voor de kinderbescherming stelt
zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot
het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden.
Artikel 243
1.De colleges van burgemeester en
wethouders en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de raad
voor de kinderbescherming kosteloos alle inlichtingen, en verstrekken de
raad kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers, die de
raad ter uitvoering van zijn taak van hen vraagt. Wanneer de raad voor
de kinderbescherming een taak vervult of een bevoegdheid uitoefent op
grond van een van de bepalingen van deze titel of van de titels 9, 10,
14, 15 en 17 van dit boek, alsmede op grond van de daarmee verband
houdende bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
verschaffen de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
instanties of personen de raad kosteloos die inlichtingen die voor een
goede uitoefening van hun taak noodzakelijk zijn.
2.Alle verzoeken die de raad voor de
kinderbescherming ter uitvoering van zijn taak tot de rechter richt,
worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die
hij tot dat doel aanvraagt, worden hem door de griffiers vrij van alle
kosten uitgereikt.
3.Exploiten door de deurwaarders ten
verzoeke van de raad voor de kinderbescherming uitgebracht, worden
volgens het gewone tarief vergoed. Advocaten kunnen voor hun aan de raad
voor de kinderbescherming bewezen diensten salaris in rekening brengen.
4.Wanneer de raad voor de
kinderbescherming op grond van een van de bepalingen van deze titel, of
van de titels 9, 10, 12, 14, 15 en 17 van dit boek in rechte optreedt,
kan hij dit zonder advocaat doen, behalve in gedingen die met een
dagvaarding aanvangen.
Afdeling 4. Registers betreffende het over
minderjarigen uitgeoefende gezag
Artikel 244
Bij de rechtbanken berusten openbare
registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het
over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden,
en op welke wijze deze aantekening geschiedt.
Titel 14. Het gezag over minderjarige
kinderen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 245
1.Minderjarigen staan onder gezag.
2.Onder gezag wordt verstaan ouderlijk
gezag dan wel voogdij.
3.Ouderlijk gezag wordt door de ouders
gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een
ander dan een ouder uitgeoefend.
4.Het gezag heeft betrekking op de
persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn
vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten
rechte.
5.Het gezag van de ouder die dit
krachtens artikel 253sa of krachtens een rechterlijke beslissing
overeenkomstig artikel 253t samen met een ander dan een ouder uitoefent,
wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders gezamenlijk wordt
uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke bepaling het tegendeel
voortvloeit.
Artikel 246
Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen,
zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestvermogens zodanig
zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te
oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.
Artikel 246a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 247
1.Het ouderlijk gezag omvat de plicht en
het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te
voeden.
2.Onder verzorging en opvoeding worden
mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en
lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen
van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en
opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk
geweld of enige andere vernederende behandeling toe.
3.Het ouderlijk gezag omvat mede de
verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind
met de andere ouder te bevorderen.
4.Een kind over wie de ouders gezamenlijk
het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood of na scheiding van tafel en bed, na het beëindigen van
het geregistreerd partnerschap, of na het beëindigen van de samenleving
indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is
geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door
beide ouders.
5.Ouders kunnen ter uitvoering van het
vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met
praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van
het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed,
het beëindigen van het geregistreerd partnerschap, of het beëindigen
van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252,
eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de
desbetreffende belemmeringen bestaan.
Artikel 247a
Indien een aantekening als bedoeld in
artikel 252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving
beëindigen, stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel
815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 248
Het tweede lid van artikel 247 van dit boek
is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een
minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die
minderjarige toekomt.
Artikel 249
De minderjarige dient rekening te houden
met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag
toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van de overige leden van
het gezin waarvan hij deel uitmaakt.
Artikel 250
Wanneer in aangelegenheden betreffende
diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige,
de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van
de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige,
benoemt de rechtbank, danwel, indien het een aangelegenheid inzake het
vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak
reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het
belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de
aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een
belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter
zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.
Afdeling 2. Ouderlijk gezag
§ 1. Het gezamenlijk gezag van ouders
binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding
Artikel 251
1.Gedurende hun huwelijk oefenen de
ouders het gezag gezamenlijk uit.
2.Na ontbinding van het huwelijk anders
dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die
gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Artikel 251a
1.De rechter kan na ontbinding van het
huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op
verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over
een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is
dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te
verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende
verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins
in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.De beslissing op grond van het eerste
lid wordt gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel en
bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van
tafel en bed of bij latere beschikking.
3.Indien een beslissing op grond van het
eerste lid niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult de rechtbank
haar aan op verzoek van een van de ouders, van de raad voor de
kinderbescherming of ambtshalve.
4.De rechter kan, indien hem blijkt dat
de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve
een beslissing geven op de voet van het eerste lid. Hetzelfde geldt
indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering
van zijn belangen ter zake.
Artikel 252
1.De ouders die niet met elkaar zijn
gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan oefenen het
gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uit, indien dit op hun
beider verzoek in het register, bedoeld in artikel 244, is aangetekend.
Een verzoek als bedoeld in de eerste volzin kan niet worden gedaan ten
aanzien van de kinderen over wie zij het gezag gezamenlijk hebben
uitgeoefend.
2.De aantekening wordt door de griffier
geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek:
a. één of beide ouders onbevoegd is
tot het gezag; of
b. één van beide ouders is ontheven
of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag uitoefent; of
c. een voogd met het gezag over het
kind is belast; of
d. de voorziening in het gezag over
het kind is komen te ontbreken; of
e. de ouder die het gezag heeft, dit
gezamenlijk met een ander dan een ouder uitoefent.
3.Tegen de weigering van de aantekening
is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op grond van
onbevoegdheid van één of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege
minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de rechtbank worden
verzocht de aantekening te gelasten. Zij wijst het verzoek af, indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind
zouden worden verwaarloosd.
Artikel 253
1.Indien gewezen echtgenoten met elkaar
hertrouwen dan wel een geregistreerd partnerschap aangegaan en
onmiddellijk daaraan voorafgaande één der echtgenoten het gezag over
de minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het
gezamenlijk gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd is tot dit gezag
of daarvan is ontheven of ontzet dan wel het gezag gezamenlijk met een
ander dan de ouder uitoefent.
2.De echtgenoot voor wie het gezag niet
is herleefd, kan de rechtbank verzoeken hem daarmede te belasten. Dit
verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing, indien door verzoening van de echtgenoten
een scheiding van tafel en bed eindigt.
4.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien gewezen geregistreerde partners die
gezamenlijk gezag uitoefenden over het kind, opnieuw met elkaar een
geregistreerd partnerschap aangaan dan wel met elkaar huwen.
Artikel 253a
1.In geval van gezamenlijke uitoefening
van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of
van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt
een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk
voorkomt.
2.De rechtbank kan eveneens op verzoek
van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de
uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders
van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het
belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder
om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het
kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent
gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het
vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind
niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze
ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door
derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt
verschaft.
3.Indien op de ouders de verplichting van
artikel 247a rust en zij daaraan niet hebben voldaan, houdt de rechter
de beslissing op een in het tweede lid bedoeld verzoek ambtshalve aan,
totdat aan die verplichting is voldaan. Aanhouding blijft achterwege
indien het belang van het kind dit vergt.
4.Deartikelen 377a, vierde lid, 377e en
377g zijn van overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen
gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats
daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
5.De rechtbank beproeft alvorens te
beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een
vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook ambtshalve, zulks
indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich
daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen,
dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing
van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.
6.De rechtbank behandelt het verzoek
binnen zes weken.
Paragraaf 1a. Het gezamenlijk gezag van
ouders binnen een geregistreerd partnerschap
Artikel 253aa
1.Gedurende hun geregistreerd
partnerschap oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.
2.De bepalingen met betrekking tot het
gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede lid, en 251a, tweede en derde lid.
§ 2. Het gezag van ouders anders dan na
scheiding
Artikel 253b
1.Indien ten aanzien van een kind alleen
het moederschap vaststaat of indien de ouders van een kind niet met
elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet
gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege het gezag over
het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het
gezag was.
2.De in het eerste lid bedoelde moeder
die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt
dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt,
tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast.
3.Indien op bedoeld tijdstip een ander
het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank
verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.
4.Wanneer de andere ouder het gezag over
het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de
rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
5.Wanneer een voogd het gezag over het
kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
Artikel 253c
1.De tot het gezag bevoegde vader van het
kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend,
kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel
hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
2.Indien het verzoek ertoe strekt de
ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met
gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen
indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is
dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te
verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende
verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang
van het kind noodzakelijk is.
3.Wanneer de andere ouder het gezag over
het kind uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met het gezag
te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang
van het kind wenselijk oordeelt.
4.Wanneer niet in het gezag is voorzien
of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de vader
alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
5.Een verzoek om de ouders met het
gezamenlijk gezag te belasten als bedoeld in het eerste lid, kan ook
door de moeder worden gedaan.
Artikel 253d
1.Indien de voorziening in het gezag over
een kind als bedoeld in artikel 253b, eerste lid, van dit boek komt te
ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor
zover zij tot het gezag bevoegd zijn - de rechtbank verzoeken met het
gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast.
2.Het in het eerste lid bedoelde verzoek
wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.Hebben beiden een verzoek ingediend
anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter
het verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in
het belang van het kind oordeelt.
4.Indien, voordat over het verzoek van
één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over
het kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien
hij dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
Artikel 253e
Inwilliging van het verzoek van een der
ouders als bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d van dit boek heeft,
indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg dat de
laatste het gezag verliest. Dit gevolg treedt niet in indien de ouders als
gevolg van de rechterlijke beslissing met het gezamenlijk gezag zijn
belast.
Artikel 253f
Na de dood van een der ouders oefent de
overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit, indien en
voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.
Artikel 253g
1.Indien van de ouders diegene overlijdt
die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt
de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze
kinderen wordt belast.
2.De rechter doet dit op verzoek van de
raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve.
3.Het verzoek om de overlevende ouder met
het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
4.De bepaling van het voorgaande lid is
mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen
overeenkomstig artikel 292 van dit boek.
Artikel 253h
1.Indien na het overlijden van één der
ouders een voogd is benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen
tijde in dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe
bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast.
2.Zij gaat hiertoe slechts over op
verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing
van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.Wanneer de andere ouder een voogd had
aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek en deze inmiddels is
opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen één
jaar na het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt
afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen
van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring
Artikel 253ha
1.De minderjarige vrouw die als degene
die het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te voeden kan,
indien zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de kinderrechter
verzoeken haar meerderjarig te verklaren.
2.Het verzoek kan ten behoeve van de
vrouw ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming. Deze
behoeft hiertoe haar schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt,
indien de vrouw haar toestemming intrekt.
3.Het verzoek kan ook voor de bevalling
door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw
eerst omstreeks het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien
jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder
dan na de bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien
jaar is, nadat zij die leeftijd heeft bereikt, beslist.
4.De kinderrechter willigt het verzoek
slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind
wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is belast, wordt de
moeder daarmee belast.
5.De minderjarige vrouw is bekwaam in
rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.
§ 3. Het bewind van de ouders
Artikel 253i
1.Ingeval van gezamenlijke
gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het
vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in
burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits
niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd
is.
2.Artikel 253a van dit boek is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van "de
rechtbank" wordt gelezen "de kantonrechter".
3.Oefent een ouder het gezag alleen uit,
dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind
gevoerd en het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigd.
4.Van het bepaalde in het eerste en derde
lid kan worden afgeweken:
a. indien de rechter bij de
beschikking waarbij de uitoefening van het gezag over het kind aan
een van de ouders wordt opgedragen op eensluidend verzoek van de
ouders of op verzoek van één van hen, mits de ander zich daartegen
niet verzet, heeft bepaald dat de ouder die niet het gezag over het
kind zal uitoefenen, het bewind over het vermogen van het kind zal
voeren;
b. ingevolge artikel 276, tweede lid,
van dit boek, bij ontheffing of ontzetting van het gezag;
c. indien hij die een minderjarige
goederen schenkt of vermaakt, bij de gift, onderscheidenlijk bij de
uiterste wilsbeschikking, heeft bepaald dat een ander het bewind
over die goederen zal voeren.
5.In het laatstbedoelde geval zijn de
ouders, of - indien een ouder het gezag alleen uitoefent - die ouder,
bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen.
6.Bij het vervallen van het door de
schenker of erflater ingesteld bewind zijn het eerste en tweede lid,
onderscheidenlijk het derde lid, van toepassing.
Artikel 253j
De ouders of een ouder moeten het bewind
over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren. Bij slecht
bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk, behoudens
voor de vruchten van dat vermogen voor zover de wet hun het genot daarvan
toekent.
Artikel 253k
Op het bewind van de ouders of een ouder
zijn de artikelen 342, tweede lid, 344 tot en met 357 en 370 van dit boek
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253l
1.Elke ouder die het gezag over zijn kind
uitoefent, heeft het vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij
de ouder inwoont en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, is
het verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de
huishouding van het gezin.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing in geval de ouder van het gezag is ontheven, tenzij de andere
ouder het gezag uitoefent.
3.Aan bedoeld vruchtgenot zijn de lasten
verbonden, die op vruchtgebruikers rusten.
Artikel 253m
De ouder heeft geen vruchtgenot van het
vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater
of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet
zullen hebben.
Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen
betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening
door één van hen
Artikel 253n
1.Op verzoek van de niet met elkaar
gehuwde ouders of een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk gezag,
bedoeld in de artikelen artikelen 251a, eerste lid, 252, eerste lid,
253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de
rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der
minderjarige kinderen toekomt.
2.Heteerste en derde lid van artikel 251a
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253o
1.Beslissingen waarbij een ouder alleen
met het gezag is belast, gegeven ingevolge het bepaalde in de paragrafen
1, 2 en 2a van deze titel en het bepaalde in artikel 253n van dit boek
kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank
worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd,
of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige
gegevens is uitgegaan.
Artikel 253p
1.In de gevallen waarin door de rechter
het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen,
neemt dit een aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is
verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
2.Na de gerechtelijke ontbinding van het
huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag nochtans niet
voordat de beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of voordat de
beschikking houdende scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
3.Indien een aantekening was gedaan als
bedoeld in artikel 252, eerste lid, van dit boek, begint het aan één
der ouders opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening
door de griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier
schriftelijk mededeling aan beide ouders.
Artikel 253q
1.Wanneer een van de ouders die
gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een
der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de
andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van
de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het
gezamenlijke gezag.
2.Wanneer beide ouders die gezamenlijk
het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der
in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechtbank een
voogd.
3.Wanneer een ouder die alleen het gezag
uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd
is, belast de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde
vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd. Alsdan benoemt zij een voogd.
4.De in het tweede en derde lid bedoelde
beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of
aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming of
ambtshalve.
5.Wanneer de grond van de onbevoegdheid
van de in het derde lid eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op
zijn verzoek, wederom met het gezag belast, indien de rechtbank
overtuigd is dat het kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd.
Op verzoek van de ouders of een van hen kan zij de ouders gezamenlijk
met het gezag belasten.
Artikel 253r
1.Het bepaalde in artikel 253q van dit
boek is van overeenkomstige toepassing, indien:
a. één of beide ouders al dan niet
tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of
b. het bestaan of de verblijfplaats
van één of beide ouders onbekend is.
2.Het gezag dat aan één of beide ouders
toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste
lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.
Artikel 253s
1.Indien het kind met instemming van zijn
ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar
door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en
opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de
verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het
verblijf van het kind brengen.
2.Voor zover de volgens het vorige lid
vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van
de ouders door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.In geval van afwijzing van het verzoek
is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen
termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter
voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling
van het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide
ouders aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op
het verzoek bij gewijsde is beslist.
Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder
Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van
rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Artikel 253sa
1.Over het staande hun huwelijk of
geregistreerd partnerschap geboren kind oefenen een ouder en zijn
echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, gezamenlijk
het gezag uit, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking
staat tot een andere ouder.
2.De bepalingen met betrekking tot het
gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede lid, en251a, tweede en derde lid.
Paragraaf 2. Het gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens rechterlijke
beslissing
Artikel 253t
1.Indien het gezag over een kind bij
één ouder berust, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met
het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe
persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het
gezag over het kind belasten.
2.In het geval dat het kind tevens in
familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt het
verzoek slechts toegewezen, indien:
a. de ouder en de ander op de dag van
het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een
jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg
voor het kind hebben gehad; en
b. de ouder die het verzoek doet op
de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten
periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
3.Het verzoek wordt afgewezen indien,
mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
4.Het gezamenlijk gezag, bedoeld in het
eerste lid, kan niet worden toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel
253q, eerste lid, en artikel 253r. Het staat niet open voor
rechtspersonen.
5.Een verzoek als bedoeld in het eerste
lid kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de
geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag
belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien
a. het kind van twaalf jaar of ouder
ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het
verzoek;
b. het verzoek, bedoeld in het eerste
lid, wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet.
Artikel 253u
Het gezamenlijk gezag begint op de dag
waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is
gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat
de beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 253v
1.Op de gezamenlijke gezagsuitoefening
door de ouder en de ander zijn de artikelen 246, 247, 249, 250, 253a,
253j tot en met 253m, 253q, eerste lid, alsmede 253r van overeenkomstige
toepassing.
2.Artikel 253i is van overeenkomstige
toepassing, tenzij de met het gezag belaste ouder het bewind niet voert
ingevolge artikel 253i, vierde lid, onder a of c.
3.Artikel 253n is van overeenkomstige
toepassing. De rechtbank geeft geen beslissing tot beëindiging van het
gezamenlijk gezag, bedoeld inartikel 253t, dan nadat zij de ouders of de
niet met het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te
verzoeken in het belang van het kind de ouders gezamenlijk met het gezag
over het kind te belasten of de niet met het gezag belaste ouder daarmee
te belasten.
4.Indien de rechtbank na beëindiging van
het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander, deze ander met de
voogdij heeft belast, kan zij te allen tijde wegens wijziging van
omstandigheden op verzoek van de ouders of van één van hen in het
belang van het kind één ouder met het gezag of de ouders met het
gezamenlijk gezag belasten.
5.Artikel 253q, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de rechtbank geen
voogd benoemt dan nadat zij de niet met het gezag belaste ouder in de
gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het kind hem
met het gezag over het kind te belasten. Het verzoek, bedoeld in artikel
253q, tweede lid, kan tevens door de ander dan de ouder worden gedaan.
6.De afdelingen 4 en 5 van deze titel
zijn van overeenkomstige toepassing op het gezamenlijk gezag van de
ouder en de ander, met dien verstande dat in geval van ontheffing of
ontzetting van de ouder die gezamenlijk met de ander het gezag
uitoefent, de ander niet alleen met het gezag wordt belast dan nadat de
rechtbank de niet met het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft
gesteld te verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.
Paragraaf 3. Gemeenschappelijke bepalingen
inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een
ouder
Artikel 253w
De ander die met de ouder gezamenlijk het
gezag uitoefent, is verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud
jegens het kind dat onder zijn gezag staat. Indien het gezamenlijk gezag
door de meerderjarigheid van het kind is geëindigd, duurt de
onderhoudsplicht voort totdat het kind de leeftijd van eenentwintig jaren
heeft bereikt. Nadat een rechterlijke beslissing tot beëindiging van het
gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is gegaan of na het overlijden
van de ouder met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag gezamenlijk
werd uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht gedurende de termijn dat
het gezamenlijk gezag heeft geduurd, bestaan, tenzij de rechter in
bijzondere omstandigheden op verzoek van de ouder of de ander een langere
termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat het kind de
leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. De artikelen 392, derde
lid, 395a, eerste lid, 395b, 397, 398, 399, 400, 401, eerste, vierde en
vijfde lid, 402, 402a, 403, 404, eerste lid, 406 en 408 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 253x
1.Na de dood van de ouder die tezamen met
de ander het gezag uitoefende, oefent die ander van rechtswege de
voogdij over de kinderen uit.
2.De rechtbank kan op verzoek van de
overlevende ouder te allen tijde bepalen dat deze, mits daartoe bevoegd,
alsnog met het gezag wordt belast.
3.De artikelen 253g en h zijn niet van
toepassing.
Artikel 253y
1.Het gezamenlijk gezag, bedoeld in de
artikelen 253sa en 253t, eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde
is gegaan de beschikking waarbij aan de ouders gezamenlijk gezag is
toegekend of het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander is
beëindigd.
2.Is de beschikking, bedoeld in het
eerste lid, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan eindigt het
gezamenlijk gezag van de ouder en de ander daags nadat de beschikking is
verstrekt of verzonden.
Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van
minderjarigen
Artikel 254
1.Indien een minderjarige zodanig
opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid
ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze
bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de
kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
2.De kinderrechter kan een in het eerste
lid bedoelde minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28
van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend en die in verband daarmee in
een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet Centraal
Orgaan opvang asielzoekers verblijft, onder toezicht stellen van een
daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3.Onze Minister van Justitie kan
voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding,
bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd
aanvaarden.
4.De kinderrechter kan een minderjarige
onder toezicht stellen op verzoek van een ouder, een ander die de
minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad
voor de kinderbescherming, of het openbaar ministerie.
5.Op verzoek van de stichting, dan wel op
verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf
jaren of ouder, kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die het toezicht heeft, vervangen
door een zodanige stichting in een andere provincie. De raad voor de
kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde verzoek in
te dienen, indien de raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing
niet op de voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd.
Indien ten tijde van een verlenging van de duur van de
ondertoezichtstelling niet meer wordt voldaan aan de eisen voor
benoembaarheid, bedoeld in het tweede lid, vervangt de kinderrechter
ambtshalve de door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon
door een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg, tenzij voortzetting van de taken door bedoelde rechtspersoon
hem om reden van continuïteit noodzakelijk voorkomt.
6.Op een rechtspersoon als bedoeld in het
tweede lid, zijn de bepalingen van de afdelingen 4 en 5 alsmede artikel
326 van overeenkomstige toepassing. In geval van vervanging op de voet
van het vijfde lid van de in het tweede lid bedoelde rechtspersoon,
wordt de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg in de provincie waar de desbetreffende minderjarige duurzaam
verblijft benoemd.
Artikel 255
De kinderrechter kan hangende het onderzoek
de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en
onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van dit voorlopige
toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde
herroepen.
Artikel 256
1.De kinderrechter bepaalt de duur van de
ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar.
2.De kinderrechter kan de duur telkens
voor ten hoogste een jaar verlengen. Hij kan dit doen op verzoek van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,
een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin
verzorgt en opvoedt, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar
ministerie.
3.Indien de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot een verzoek tot
verlenging doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van
een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling mededeling aan
de raad voor de kinderbescherming.
4.De kinderrechter kan de
ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer
bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, de met het gezag belaste
ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder.
Artikel 257
1.De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg houdt toezicht op de minderjarige en
zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en
steun worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of
geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.
2.Deze hulp en steun zijn erop gericht de
met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging
en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden. Bij algemene maatregel
van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent
de aard en de omvang van de hulp en steun.
3.Indien het leeftijds- en
ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte
zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten
daartoe noodzaken, zijn de hulp en steun, meer dan op het vergroten van
de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden,
gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.
4.De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg bevordert de gezinsband tussen de
met het gezag belaste ouder en de minderjarige.
Artikel 258
1.De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan ter uitvoering van haar taak
schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding
van de minderjarige.
2.De met het gezag belaste ouder en de
minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen.
3.Plaatsing van de minderjarige gedurende
dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de
met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg overgaat,
alleen krachtens artikel 261.
Artikel 259
1.Op verzoek van de met het gezag belaste
ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de kinderrechter
een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek
heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel
bepaalt.
2.Bij de indiening van het verzoek wordt
de beslissing van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg overgelegd.
3.De termijn voor het indienen van het
verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang
van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.
4.Ten aanzien van een na afloop van de
termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond
daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld
kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 260
1.De met het gezag belaste ouder en de
minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg verzoeken een aanwijzing
wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken.
2.De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing
binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
3.Artikel 259 is van overeenkomstige
toepassing.
4.Het niet of niet tijdig nemen van een
beslissing door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld
met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het
verzoek bij de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
niet heeft beslist en eindigt, indien de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg alsnog beslist, twee weken
daarna.
Artikel 261
1.Indien dit noodzakelijk is in het
belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de
kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en
nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend
op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar
ministerie.
2.Indien de uithuisplaatsing betrekking
heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de
jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het
verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op
zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg,
wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging
wordt gevraagd.
3.In afwijking van de eerste volzin van
het tweede lid kan in de gevallen, omschreven in de regels, gesteld
krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg en van
artikel 9b, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een
machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend zonder een daartoe
strekkend besluit. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt in dat geval
totdat een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op
de jeugdzorg is genomen. De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging
tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg strekt tot
uithuisplaatsing.
4.De kinderrechter kan eveneens een
machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een besluit
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt
overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de
kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
die wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze
gevallen wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de
machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging
verleent, is de stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de
raad met niet-tenuitvoerlegging instemt.
5.Voor opneming en verblijf als bedoeld
in artikel 29b, eerste lid, of 29c, eerste lid, van de Wet op de
jeugdzorg is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch
een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging
geldt voor de toepassing van de artikelen 258, derde lid, 268, tweede
lid, 269, eerste lid, onder d, en 327, eerste lid, onder g, als een
machtiging als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 262
1.De kinderrechter bepaalt de duur van de
machtiging tot uithuisplaatsing op ten hoogste een jaar. Op verzoek van
de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
of van de raad voor de kinderbescherming kan hij de duur telkens met ten
hoogste een jaar verlengen.
2.Indien de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot een verzoek tot
verlenging, doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging
van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan
de raad voor de kinderbescherming.
3.Een machtiging vervalt, indien deze
gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
Artikel 263
1.Een uithuisplaatsing kan worden
beëindigd door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg, doet hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging
van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan
de raad voor de kinderbescherming.
2.De met het gezag belaste ouder, een
ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en
opvoedt en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen wegens
gewijzigde omstandigheden de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg verzoeken:
a. de uithuisplaatsing te
beëindigen;
b. de duur ervan te bekorten;
c. af te zien van een krachtens de
machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de
minderjarige. Onder wijziging van de verblijfplaats wordt mede
verstaan de plaatsing van de minderjarige bij de ouder die het gezag
heeft.
3.De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing
binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
4.Op verzoek van de in het tweede lid
genoemde personen kan de kinderrechter de machtiging geheel of
gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 259, eerste
lid, tweede volzin, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 260,
vierde lid, zijn van toepassing.
Artikel 263a
1.Voor zover noodzakelijk met het oog op
het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in
artikel 261, kan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen
de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.
2.De beslissing van de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg geldt als een
aanwijzing. Artikel 259 en artikel 260 zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige
regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk
voorkomt.
Artikel 263b
1. Voor de duur van de maatregel kan de
kinderrechter op verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg een rechterlijke beslissing tot
vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht
wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de
ondertoezichtstelling.
2. Op het verzoek van de met het gezag
belaste ouder, de omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaren
of ouder en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde
beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn
gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of
onvolledige gegevens is uitgegaan.
3. Zodra de ondertoezichtstelling is
geëindigd, geldt een ingevolge deze bepaling vastgestelde regeling als
een regeling bedoeld in artikel 377a dan wel 377f.
Artikel 264
Indien een medische behandeling van een
minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar
voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn
toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
worden vervangen door die van de kinderrechter.
Artikel 265
1. Verzoeken op grond van artikel 254,
vijfde lid, en de artikelen 256-264 moeten schriftelijk worden gedaan.
Voor zover zij zich tot de kinderrechter richten, kunnen zij worden
ingediend zonder advocaat.
2. De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg die een verzoek indient of wordt
opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het
plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg en
een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de
kinderrechter.
3. Het plan en het verslag, bedoeld in
het tweede lid, worden eveneens gezonden aan de raad voor de
kinderbescherming.
4. De verzoeken die de stichting, bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg ter uitvoering van
haar taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat
en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels,
die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van
alle kosten uitgereikt.
Afdeling 5. Ontheffing en ontzetting van
het ouderlijk gezag
Artikel 266
Mits het belang van de kinderen zich daar
niet tegen verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of
meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig
is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.
Artikel 267
1.Ontheffing wordt slechts uitgesproken
op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar
ministerie.
2.In het geval, bedoeld bij het tweede
lid onder d, van artikel 268 van dit boek, kan, indien de kinderrechter
een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf
van hun kind heeft afgewezen, de ontheffing bovendien verzocht worden
door degene, die het kind op het tijdstip van het verzoek ten minste een
jaar verzorgd en opgevoed heeft. Indien het kind door meer dan een
persoon wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen
gemeenschappelijk worden gedaan. Is de ontheffing verzocht, dan blijft
het tweede lid van artikel 253s, van dit boek buiten toepassing, totdat
op het verzoek bij gewijsde is beslist.
Artikel 268
1.Ontheffing kan niet worden
uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet.
2.Deze regel lijdt uitzondering:
a. indien na een
ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een
uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261 van dit boek
van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat
deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om
zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende
is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 af te wenden;
b. indien zonder de ontheffing van de
ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de kinderen niet aan
diens invloed zou onttrekken;
c. indien de geestvermogens van de
ouder zodanig zijn gestoord, dat hij niet in staat is zijn wil te
bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;
d. indien na een verzorging en
opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit hoofde van
een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij
- van ten minste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een
voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder
ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.
Artikel 269
1.Indien de rechtbank dit in het belang
van de kinderen noodzakelijk oordeelt, kan zij een ouder van het gezag
over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van:
a. misbruik van het gezag, of grove
verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer
kinderen;
b. slecht levensgedrag;
c. onherroepelijke veroordeling:
1°. wegens opzettelijke
deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande
minderjarige;
2°. wegens het plegen tegen de
minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels
XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek van het Wetboek van
Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf van
twee jaar of langer;
d. het in ernstige mate
veronachtzamen van de aanwijzingen van de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg of belemmering van
een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261;
e. het bestaan van gegronde vrees
voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder
het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging
en opvoeding op zich hebben genomen.
2.Onder misdrijf worden in dit artikel
begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
Artikel 270
1.Ontzetting van het gezag wordt slechts
uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of
aanverwanten van de kinderen tot en met de vierde graad, de raad voor de
kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.In het geval bedoeld bij het eerste lid
van het vorig artikel onder e, kan de ontzetting bovendien verzocht
worden door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op zich
genomen heeft.
Artikel 271
1.Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een ouder, wiens ontzetting verzocht
is, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van
het gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen. Gelijke
bevoegdheid komt haar toe ten opzichte van een ouder, wiens ontheffing
verzocht is, in de gevallen bedoeld in artikel 268, tweede lid, van dit
boek.
2.Indien de andere ouder mede het gezag
uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem alleen
uitgeoefend.
3.Acht de rechtbank in dit laatste geval
de schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om de kinderen aan
diens invloed te onttrekken, dan kan zij ook de andere ouder schorsen.
4.Betreft de schorsing beide ouders of
een ouder die het gezag alleen uitoefent, dan belast de rechtbank een
stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
met de voorlopige voogdij over het kind. Zij stelt vast welke
bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind worden
toegekend.
5.De in dit artikel bedoelde
beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de
ontzetting of de ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De
rechtbank kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger
tijdstip herroepen.
Artikel 271a
In plaats van schorsing van beide ouders of
van een ouder in de uitoefening van het gezag en voorziening in de
voorlopige voogdij als bedoeld in artikel 271, kan de rechtbank een kind
onder toezicht stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 272
1.Op grond van feiten die tot ontzetting
of tot de in het tweede lid van artikel 268 van dit Boek bedoelde
ontheffing van een ouder kunnen leiden, en indien dit dringend en
onverwijld noodzakelijk is, kan de kinderrechter de ouders geheel of
gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over een kind.
2.De kinderrechter beschikt op verzoek
van de raad voor de kinderbescherming of de officier van justitie. Hij
stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van
dit kind worden toegekend en bepaalt de duur van de maatregel.
3.De maatregel vervalt na verloop van zes
weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze
termijn een verzoek tot ontzetting of ontheffing aanhangig is gemaakt.
De kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf weken bepalen,
dit evenwel uitsluitend op de grond dat het in de eerste volzin bedoelde
verzoek aan de vereisten van artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zal kunnen voldoen. Ingeval voor het einde van de van
toepassing zijnde termijn een verzoek tot ontzetting of ontheffing
aanhangig is gemaakt, blijft de maatregel van kracht totdat over het
verzoek bij gewijsde is beslist, tenzij de kinderrechter een kortere
termijn heeft vastgesteld.
4.De maatregel kan worden ingetrokken of
gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een
verzoek als bedoeld in het derde lid is ingediend. In dat geval beslist
de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is.
Artikel 272a
De rechtbank die een verzoek tot ontheffing
of ontzetting afwijst, is bevoegd een minderjarige onder toezicht te
stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 273 [Vervallen per 01-05-1995]
Artikel 274
1.Indien de ouders gezamenlijk het gezag
uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van hen
voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend.
2.In geval van ontheffing of ontzetting
van een ouder, die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de
rechtbank te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te
worden belast. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden
worden verwaarloosd.
3.De rechtbank die het verzoek bedoeld
bij het vorige lid heeft afgewezen, kan deze beschikking steeds
wijzigen. Zij doet dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder,
en niet dan op grond van omstandigheden, waarmede de rechter bij het
geven van de beschikking geen rekening heeft kunnen houden.
Artikel 275
1.Indien de andere ouder het gezag niet
voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de
minderjarigen.
2.Ieder die tot uitoefening van de
voogdij bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de
rechtbank verzoeken met de voogdij te worden belast.
3.In geval van ontheffing met toepassing
van het tweede lid onder d, van artikel 268 van dit boek, benoemt de
rechtbank bij voorkeur tot voogd degene, dan wel een dergenen, die op
het tijdstip van het verzoek het kind ten minste een jaar heeft verzorgd
en opgevoed, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.
Artikel 276
1.Indien de ontheven of ontzette ouder
het bewind over het vermogen van zijn kinderen voerde, wordt hij tevens
veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan zijn
opvolger in dit bewind.
2.Hebben de kinderen goederen gemeen,
maar komen zij onder het gezag van verschillende personen, dan kan de
rechtbank een van dezen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot
de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de
waarborgen die de rechtbank van hem verlangt.
3.Op het bewind krachtens het vorige lid
is artikel 253k van toepassing, indien een der ouders als bewindvoerder
is aangewezen, en anders paragraaf 10 van afdeling 6 van deze titel. De
bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van
rechtshandelingen van minderjarige deelgenoten, strekkend tot beheer of
beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.
Artikel 277
1.Indien de rechtbank overtuigd is, dat
een minderjarige wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden
toevertrouwd, kan zij deze ouder op zijn verzoek in het gezag
herstellen. Indien de niet met elkaar gehuwde ouders gezamenlijk het
gezag willen uitoefenen, wordt het verzoek daartoe door hen beiden of
een van hen gedaan.
2.Indien bij gelegenheid van de
ontzetting of ontheffing het gezag aan de andere ouder was opgedragen,
belast de rechtbank de ontheven of ontzette ouder die alleen het in het
eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de
omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de
andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de
beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel
253e van dit boek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 278
1.Een verzoek als bedoeld in artikel 277
van dit boek kan ook worden gedaan door de raad voor de
kinderbescherming.
2.Hangende het onderzoek kan zowel de
raad voor de kinderbescherming als de te herstellen ouder de rechtbank
verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een door haar te
bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal
het kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De
rechtbank is te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindigen.
Afdeling 6. Voogdij
§ 1. Voogdij in het algemeen
Artikel 279 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 280
De voogdij begint:
a. voor de voogd die door een ouder is
benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het overlijden van deze
ouder bereid verklaart de voogdij te aanvaarden. De verklaring moet
door de betrokkene in persoon of bij bijzondere gevolmachtigde worden
afgelegd ter griffie van de rechtbank die overeenkomstig de tweede
afdeling van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering in zaken betreffende minderjarigen bevoegd
is. De verklaring moet worden afgelegd binnen veertien dagen, of -
indien de persoon, die de verklaring moet afleggen, zich buiten
Nederland bevindt - binnen twee maanden, nadat de benoeming is
betekend. Tot betekening kan iedere belanghebbende, alsmede de raad
voor de kinderbescherming opdracht geven.
b. voor de voogd die - nadat hij zich
bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden - door de rechter is
benoemd: op de dag, waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in
kracht van gewijsde is gegaan, of - zo deze uitvoerbaar bij voorraad
is verklaard - daags nadat de beslissing die de benoeming inhoudt, is
verstrekt of verzonden. Een mondelinge bereidverklaring geschiedt ten
overstaan van de rechter die benoemt; een schriftelijke
bereidverklaring wordt neergelegd ter griffie waar de benoeming zal
geschieden.
Artikel 281
1.De voogdij eindigt op de dag, waarop in
kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij:
a. de voogd is ontslagen of ontzet;
b. het gezag over de onder zijn
voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen;
of
c. de voogdij overeenkomstig artikel
299a van dit boek aan een andere voogd is opgedragen.
2.Is een beschikking als in het eerste
lid bedoeld, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, dan eindigt de voogdij
daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 282
1.Op eensluidend verzoek van de voogd en
een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat,
kan de rechter bepalen dat de voogdij door hen gezamenlijk wordt
uitgeoefend.
2.Voor de duur van de gezamenlijke
uitoefening van de voogdij worden beide in het eerste lid bedoelde
personen als voogd aangemerkt.
3.Het verzoek wordt afgewezen indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind
zouden worden verwaarloosd.
4.Gezamenlijke uitoefening van de voogdij
is niet mogelijk ten aanzien van tijdelijke voogdij als bedoeld in de
artikelen 296 en 297. Zij staat niet open voor rechtspersonen.
5.Artikel 253a is van overeenkomstige
toepassing.
6.In afwijking van artikel 336 hebben
twee voogden die gezamenlijk de voogdij uitoefenen, de plicht en het
recht het minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Artikel 253w
is, zolang de gezamenlijke voogdij voortduurt, ten aanzien van hen
beiden van overeenkomstige toepassing.
7.Een verzoek als bedoeld in het eerste
lid kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de
geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van een van de voogden.
Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien:
a. het kind van twaalf jaar of ouder
ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het
verzoek;
b. het verzoek tot gezamenlijke
voogdij wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet.
Artikel 282a
De gezamenlijke uitoefening van de voogdij
eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking
waarbij de gezamenlijke uitoefening van de voogdij is beëindigd of
waarbij de voogdij is geëindigd ingevolge artikel 281, alsmede na het
overlijden van een van de voogden.
Artikel 282b
Na de dood van een voogd die de voogdij
samen met een ander uitoefende, oefent de andere voogd voortaan alleen de
voogdij over de kinderen uit.
Artikel 283
De verzoeken die de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, dan wel de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 302, tweede lid, in verband met de uitoefening van de
voogdij tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en
worden kosteloos behandeld. De grossen, afschriften, en uittreksels, die
zij tot dit doel aanvragen, worden hun door de griffiers vrij van alle
kosten uitgereikt.
Artikel 284 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 285 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 286 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 287 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 288 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 289 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 290 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 291 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 291a [Vervallen per 15-12-1995]
§ 2. Voogdij door een der ouders
opgedragen
Artikel 292
1.Een ouder kan bij uiterste
wilsbeschikking bepalen welke persoon dan wel welke twee personen na
zijn dood voortaan als voogd onderscheidenlijk als gezamenlijke voogden
het gezag over zijn kinderen zal uitoefenen.
2.Hij kan geen rechtspersoon als voogd
aanwijzen.
3.Hebben beide ouders van deze
bevoegdheid gebruik gemaakt, en sterven zij, zonder dat men kan weten
wie het eerst overleden is, dan bepaalt de rechtbank ambtshalve wiens
beschikking gevolg heeft.
Artikel 293
De door de ouder getroffen regeling heeft
geen gevolg of vervalt:
a. indien na zijn overlijden de andere
ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke beschikking het gezag
over zijn kinderen uitoefent;
b. indien en voor zover hij op het
tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn kinderen niet heeft;
c. indien de ander die met de ouder
gezamenlijk het gezag uitoefent van rechtswege de voogd over de
kinderen wordt.
Artikel 294 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 3. Voogdij door de rechter opgedragen
Artikel 295
De rechtbank benoemt een voogd over alle
minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij
niet op wettige wijze is voorzien.
Artikel 296
1.Is voorziening nodig in afwachting van
het begin der voogdij overeenkomstig artikel 280 van dit boek, dan
benoemt de rechtbank een voogd voor de duur van deze omstandigheden.
2.Zodra bedoelde omstandigheden zijn
vervallen, wordt deze voogd op verzoek van hem die hij vervangt, door de
rechtbank ontslagen.
Artikel 297
1.De rechtbank benoemt insgelijks een
voogd, wanneer voorziening nodig is wegens:
a. tijdelijke onmogelijkheid, waarin
een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen; of
b. onbekendheid van bestaan of
verblijfplaats van de voogd; of
c. in gebreke blijven van de voogd,
het gezag uit te oefenen.
2.Is de benoeming op het eerste lid onder
c gegrond, dan kan de rechtbank de benoemde voogd een beloning toekennen
en is de in gebreke gebleven voogd jegens de minderjarige aansprakelijk
voor de kosten die de vervanging veroorzaakt, alsmede, behoudens zijn
verhaal op de benoemde voogd, voor diens verrichtingen.
3.Zodra de in het eerste lid genoemde
omstandigheden zijn vervallen, wordt de benoemde voogd op eigen verzoek
of op verzoek van degene die hij vervangt, door de rechtbank ontslagen,
tenzij gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de
kinderen zouden worden verwaarloosd.
4.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid bedoelde
omstandigheden zich voordoet ten aanzien van een van beide voogden,
oefent de andere voogd het gezag over de kinderen alleen uit. Zodra deze
omstandigheid is vervallen, herleeft de gezamenlijke voogdij. Het tweede
lid is niet van toepassing.
Artikel 298
Gedurende de in de beide voorgaande
artikelen bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij geschorst ten
aanzien van de voogd die het betreft.
Artikel 299
De rechtbank benoemt de voogd op verzoek
van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve,
behoudens artikel 282a.
Artikel 299a
1.Degene die met instemming van de voogd
een minderjarige in zijn gezin - anders dan uit hoofde van een
ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - ten
minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de kinderrechter
verzoeken hem, dan wel een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302 van
dit boek, tot voogd te benoemen.
2.Indien de minderjarige door meer dan
een persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan
het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.
3.Het verzoek kan ook worden gedaan door
de raad voor de kinderbescherming.
4.De kinderrechter willigt het verzoek
slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem
genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn
bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens
benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening
van de voogdij.
5.Is het bij het eerste lid bedoelde
verzoek gedaan, dan blijft het tweede lid van artikel 336a, van dit boek
buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
6.In geval van gezamenlijke uitoefening
van de voogdij wordt de in het eerste lid bedoelde instemming door beide
voogden gegeven.
Artikel 300 [Vervallen per 01-05-1984]
Artikel 301
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand
geeft de rechtbank onverwijld kennis:
a. van het overlijden van ieder die
minderjarige kinderen achterlaat;
b. van de aangifte van geboorte van
ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het gezag
uitoefent.
2.Indien het huwelijk van de overledene
die minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de
overledene van tafel en bed gescheiden was, bericht de ambtenaar van de
burgerlijke stand - zo de andere ouder nog leeft - deze omstandigheden
tevens aan de rechtbank. De rechtbank zendt, indien deze een andere is,
de door haar ontvangen kennisgeving door aan de rechtbank die over het
verzoek tot ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en
bed heeft beslist.
§ 4. Voogdij van rechtspersonen
Artikel 302
1.De rechter kan de voogdij opdragen aan
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg.
2.Onverminderd diens bevoegdheid een
natuurlijke persoon tot voogd te benoemen, kan de rechter de voogdij
over een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van
een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van
de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en in verband daarmee in
Nederland verblijft, alsmede over door Onze Minister van Justitie aan te
wijzen categorieën andere minderjarigen, uitsluitend opdragen aan een
daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3.Onze Minister van Justitie kan
voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding,
bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd
aanvaarden.
4.Op een rechtspersoon als bedoeld in het
tweede lid, zijn de artikelen 303, 304, 305 en 328 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 303
Voor zover de wet niet anders bepaalt,
heeft de met voogdij belaste stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere
voogden.
Artikel 304
1.Met de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg zijn de bestuurders hoofdelijk en
persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een
niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.
2.Iedere bestuurder zal zich echter van
zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen
schuld heeft aan de schade.
Artikel 305
1.De stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die hem toevertrouwde minderjarigen
uit huis plaatst, houdt de raad voor de kinderbescherming schriftelijk
op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden.
2.De plaatsen, waar een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, minderjarigen
heeft geplaatst, worden door de raad voor de kinderbescherming bezocht,
zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand der minderjarigen
dienstig acht.
3.De artikelen 261, vijfde lid, 262,
eerste en derde lid, 263, eerste lid, eerste volzin, en vierde lid,
eerste volzin, en 265, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg is eveneens van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 306
1.Zonder toestemming van de rechtbank mag
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg een hem toevertrouwde minderjarige niet buiten Nederland
plaatsen.
2.De rechter verleent deze toestemming
slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.
Artikel 306a
De zesde afdeling van deze titel is niet
van toepassing op de uitoefening van de voorlopige voogdij als bedoeld in
de artikelen 241, 271, 272, 331 en 332 van dit Boek.
Artikel 307 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 308 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 309 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 310 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 311 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 312 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 313 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 314 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 315 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 316 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 317 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 318 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 319 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 5. Ontslag van de voogdij
Artikel 320 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 321 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 322
1.Iedere voogd kan zich van zijn
bediening doen ontslaan, indien:
a. hij aantoont, dat hij tengevolge
van een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of
lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen;
b. hij de vijfenzestigjarige leeftijd
bereikt heeft;
c. een daartoe bevoegd persoon zich
schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de
rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.
2.Bij gezamenlijke uitoefening van de
voogdij is het eerste lid slechts van toepassing indien beide voogden
zich van hun bediening willen doen ontslaan.
Artikel 323
Op verzoek van de voogden gezamenlijk of
van een van hen beëindigt de rechter de gezamenlijke uitoefening van de
voogdij. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van beide voortaan het gezag
over ieder der minderjarige kinderen alleen zal toekomen.
§ 6. Onbevoegdheid tot de voogdij
Artikel 324
1.Wanneer een voogd op een der in artikel
246 van dit boek genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat
de rechtbank hem en vervangt hem door een andere voogd.
2.Zij doet dit op verzoek van de voogd,
bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of
ambtshalve.
3.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid genoemde gronden
zich voordoet ten aanzien van een van beide voogden, oefent de andere
voogd het gezag over de kinderen alleen uit.
4.Zodra de grond van de onbevoegdheid is
vervallen, herleeft de gezamenlijke voogdij.
Artikel 325 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 7. Ondertoezichtstelling van onder
voogdij staande minderjarigen
Artikel 326
1.Kinderen die onder voogdij staan van
natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.
2.Op deze ondertoezichtstelling zijn de
bepalingen der artikelen 254-265 van dit boek van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande nochtans, dat de ondertoezichtstelling en
de verlenging daarvan ook door de voogd kunnen worden verzocht.
§ 8. Ontzetting van voogdij
Artikel 327
1.Indien de rechtbank dit in het belang
van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan zij een voogd ten
aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen
ontzetten op grond van:
a. slecht levensgedrag;
b. misbruik van zijn bevoegdheid,
verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij
niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij;
c. de omstandigheid, dat hij op een
der beide voorgaande gronden van een andere voogdij - of op
overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag - is ontzet;
d. de omstandigheid, dat hij in staat
van faillissement verkeert of dat ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is;
e. de omstandigheid, dat hij in
persoon, of dat zijn ouder, echtgenoot of kind met de minderjarige
een proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte
van diens vermogen betrokken is;
f. onherroepelijke veroordeling:
1°. wegens opzettelijke
deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande
minderjarige;
2°. wegens het plegen tegen de
minderjarige van een der misdrijven, omschreven in de titels
XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek van het Wetboek van
Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf van
twee jaar of langer;
g. het in ernstige mate
veronachtzamen van de aanwijzingen van de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg of belemmering van
een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261;
h. het bestaan van gegronde vrees
voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande
minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt
van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben
genomen;
i. de omstandigheid dat hij niet
beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.
2.Onder misdrijf worden in dit artikel
begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
Artikel 328
Ontzetting van een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan slechts op de in het
eerste lid van het vorige artikel onder b-e genoemde gronden geschieden.
Zijn ontzetting kan echter bovendien plaats hebben, indien hij nalaat de
raad voor de kinderbescherming overeenkomstig artikel 305 van dit boek op
de hoogte te houden van de plaatsen, waar de hem toevertrouwde
minderjarigen zich bevinden, ofwel indien hij het door de raad voor de
kinderbescherming uit te oefenen toezicht belemmert of verhindert.
Artikel 329
1.Ontzetting van de voogdij kan slechts
worden uitgesproken op verzoek van een voogd, een der bloed- of
aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad, de raad
voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2.In het geval, bedoeld bij het eerste
lid van artikel 327 onder h van dit boek, kan de ontzetting bovendien
verzocht worden door hem, die de verzorging en opvoeding van de
minderjarige op zich heeft genomen.
3.In het geval, bedoeld bij artikel 367
van dit boek kan de rechtbank de ontzetting uitspreken, ook al had de
raad voor de kinderbescherming deze niet verzocht.
Artikel 330 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 331
1.Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een voogd, wiens ontzetting verzocht
is, hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van
zijn voogdij over een of meer der minderjarigen schorsen.
2.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij de rechtbank de schorsing van de te ontzetten
voogd onvoldoende acht om de kinderen aan diens invloed te onttrekken,
dan kan zij ook de andere voogd schorsen.
3.Indien in geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij slechts een van de voogden wordt geschorst,
wordt gedurende de schorsing het gezag door de andere voogd alleen
uitgeoefend.
4.In de in het eerste en tweede lid
bedoelde gevallen vertrouwt de rechtbank een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg met de voorlopige voogdij
over de minderjarige. Zij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van
persoon en vermogen van deze minderjarige worden toegekend.
5.De in dit artikel bedoelde
beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de
ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank kan zodanige
beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.
Artikel 331a
In plaats van schorsing van de voogd in de
uitoefening van de voogdij en voorziening in de voorlopige voogdij als
bedoeld in artikel 331, kan de rechtbank de minderjarige onder toezicht
stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 332
Op grond van feiten die tot ontzetting van
de voogdij kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de kinderrechter de voogd of voogden geheel of
gedeeltelijk schorsen in de uitoefening van het gezag over een
minderjarige en een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over deze
minderjarige. Artikel 272, tweede, derde en vierde lid, van dit Boek is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 332a
De rechtbank die een verzoek tot ontzetting
afwijst, is bevoegd een minderjarige onder toezicht te stellen als bedoeld
in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 333 [Vervallen per 01-05-1995]
Artikel 334
1.Indien de rechtbank de ontzetting
uitspreekt, voorziet zij tevens in het gezag, behoudens het bepaalde in
het derde lid.
2.Ieder die tot de uitoefening van het
gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de
rechtbank verzoeken daarmede te worden belast.
3.Indien sprake is van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij en de ontzetting slechts een van de voogden
betreft, wordt de voogdij voortaan door de andere voogd alleen
uitgeoefend.
Artikel 335
Hij die van de voogdij over een bepaalde
minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die minderjarige
worden benoemd.
§ 9. Het toezicht van de voogd over de
persoon van de minderjarige
Artikel 336
De voogd draagt zorg, dat de minderjarige
overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.
Artikel 336a
1.Indien de minderjarige door een ander
of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming
van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan
de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en
opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de
minderjarige brengen.
2.Voor zover de volgens het vorige lid
vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van
de voogd door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van de
minderjarige acht.
3.In geval van afwijzing van het verzoek
is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen
termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter
voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling
van het kind, tot ontzetting van de voogd, dan wel een verzoek als
bedoeld in artikel 299a, van dit boek aanhangig gemaakt, dan blijft de
beschikking gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
4.In geval van gezamenlijke uitoefening
van de voogdij, wordt de in het eerste lid bedoelde instemming door
beide voogden gegeven.
§ 10. Het bewind van de voogd
Artikel 337
1.De voogd vertegenwoordigt de
minderjarige in burgerlijke handelingen.
2.De voogd moet het bewind over het
vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht
bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.
3.Indien goederen die de minderjarige
geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd
bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen.
Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind van de voogd.
Artikel 337a
1.In geval van gezamenlijke uitoefening
van de voogdij worden de bevoegdheden die de voogd ingevolge de
paragrafen 10 en 11 heeft, gezamenlijk door de voogden uitgeoefend, met
dien verstande dat de bevoegdheden ook aan een voogd alleen toekomen
tenzij van bezwaren van de andere voogd is gebleken.
2.De in bedoelde paragrafen genoemde
verplichtingen rusten op ieder van de voogden.
Artikel 338
1.De voogd zorgt dat het vermogen van de
minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is samengesteld,
zo spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd.
2.Binnen acht weken na het begin van zijn
voogdij doet de voogd ter griffie van de rechtbank van het
arrondissement waarin de woonplaats van de minderjarige is gelegen
schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede gelden,
effecten aan toonder en spaarbankboekjes.
3.Binnen acht maanden na het begin van
zijn voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid
door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank
van het arrondissement waarin de woonplaats van de minderjarige is
gelegen.
4.In de boedelbeschrijving is begrepen
een opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het vermogen tot
het ogenblik dat zij wordt opgemaakt.
Artikel 339
1.Wanneer de goederen van de
minderjarigen een waarde van € 11 250 niet te boven gaan, kan de voogd
een door hem ondertekende, volgens een door Onze Minister van Justitie
vastgesteld model opgemaakte, verklaring daaromtrent in plaats van de
boedelbeschrijving inleveren. De voogd van twee of meer kinderen van
dezelfde ouders kan met een zodanige verklaring slechts volstaan,
wanneer bovendien de goederen der minderjarigen tezamen een waarde van
€ 22 500 niet te boven gaan.
2.De kantonrechter kan te allen tijde
bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de
minderjarige, zoals dit op de datum van zijn beschikking is
samengesteld, met overeenkomstige toepassing van het vorige artikel moet
worden opgemaakt en ingeleverd.
Artikel 340
1.De kantonrechter kan bij gebleken
noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een
boedelbeschrijving of een verklaring, als bedoeld in het vorige artikel,
stellen.
2.Indien binnen de daarvoor gestelde
termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in het
vorige artikel is ingeleverd, doet de kantonrechter binnen tien dagen na
het einde van die termijn de voogd ten verhore oproepen.
Artikel 341
1.In de boedelbeschrijving of in de
verklaring, bedoeld in artikel 339 van dit boek, moet de voogd opgeven
wat hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal
hij zijn vorderingsrecht niet voor diens meerderjarigheid kunnen
uitoefenen.
2.Zolang de voogd zijn vorderingsrecht
niet kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.
Artikel 342
1.De vier vorige artikelen zijn van
overeenkomstige toepassing, wanneer de minderjarige gedurende de voogdij
door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt.
2.De inspecteur bij wie de aangifte voor
het recht van successie, van overgang of van schenking moet worden
ingediend, en aan wie ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen
heeft verkregen, is verplicht de kantonrechter van diens woonplaats
hiervan te verwittigen.
Artikel 343
De voogd kan, onverminderd zijn
aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte schade,
voor de minderjarige alle handelingen verrichten, die hij in diens belang
noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het bepaalde bij de
volgende artikelen.
Artikel 344
1.Voorzover de kantonrechter niet anders
bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in
bewaring bij:
a. de Nederlandsche Bank N.V.;
b. een financiële onderneming die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf
van bank mag uitoefenen;
2.De kantonrechter kan aanwijzingen geven
omtrent de wijze, waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige
moeten worden bewaard. De kantonrechter onder wiens goedkeuring een
verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen als
hier bedoeld geven. Overigens is de kantonrechter, aangewezen in de
tweede afdeling van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd.
3.Voor effecten aan toonder,
spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige tezamen met een of meer
andere personen toekomen, geldt het bepaalde in de vorige leden, wanneer
de voogd die onder zijn berusting heeft.
Artikel 345
1. De voogd behoeft machtiging van de
kantonrechter om de navolgende handelingen voor rekening van de
minderjarige te verrichten:
a. aangaan van overeenkomsten
strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige, tenzij
de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad kan worden
beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;
b. giften doen, andere dan
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. een making of gift, waaraan lasten
of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
d. geld lenen of de minderjarige als
borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
e. overeenkomen dat een boedel,
waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd
onverdeeld wordt gelaten.
2. De kantonrechter kan bepalen dat de
voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen van de
minderjarige, het disponeren over saldi bij een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht daaronder begrepen.
3. Voor het aangaan van een overeenkomst
tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken,
behoeft de voogd geen machtiging in het geval van artikel 87 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of indien het voorwerp van de
onzekerheid of het geschil een waarde van € 700 niet te boven gaat,
noch indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.
Artikel 346
1.De voogd kan geen goederen van de
minderjarige kopen, huren of pachten, zonder dat de kantonrechter de te
sluiten overeenkomst goedkeurt.
2.In geval van openbare verkoop, verhuur
of verpachting moet de goedkeuring binnen een maand daarna zijn
aangevraagd.
Artikel 347
1.Een in strijd met artikel 345 of 346
verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar;
op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de
zijde van de minderjarige.
2.Het vorige lid geldt niet voor een
rechtshandeling anders dan om niet indien de wederpartij te goeder trouw
was en voor een rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft
berokkend.
Artikel 348
1.De voogd kan, zonder dat de
kantonrechter de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen inschuld ten
laste van de minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van
een derde verkrijgen.
2.Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de
overeenkomst nietig.
Artikel 349
1.Een voogd die zonder machtiging van de
kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen
een uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2.De voogd mag niet zonder machtiging van
de kantonrechter in een tegen de minderjarige ingestelde eis of in een
gedane uitspraak berusten.
3.Hij kan, alvorens voor de minderjarige
in rechte verweer te voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak
verzet te doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de
kantonrechter.
Artikel 350
1.De voogd draagt zorg voor een
doelmatige belegging van het vermogen van de minderjarige.
2.Hij behoeft voor elke belegging van
gelden van de minderjarige machtiging van de kantonrechter. Nochtans mag
hij, voor zover de kantonrechter niet anders bepaalt, zonder diens
machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij een
financiële onderneming als bedoeld in artikel 344, eerste lid,
onderdeel b op rekeningen bestemd voor de belegging van gelden van
minderjarigen, met het beding dat de gelden alleen worden terugbetaald
met machtiging van de kantonrechter.
Artikel 351
1.Wanneer het vermogen van de
minderjarige of een gedeelte daarvan in een onderneming van handel,
landbouw of nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor
rekening, hetzij van de minderjarige alleen, hetzij van deze met
anderen, niet voortzetten dan met machtiging van de kantonrechter.
2.Zonder machtiging van de kantonrechter
mag de voogd een boedel, waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet
onverdeeld laten.
Artikel 352
Ondanks het ontbreken der vereiste
machtiging zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd met artikel
350 of artikel 351, geldig.
Artikel 353
De voogd kan niet zonder machtiging van de
kantonrechter van een de minderjarige toekomend aandeel in een ontbonden
huwelijksgemeenschap afstand doen.
Artikel 354
De kantonrechter kan te allen tijde de
voogd ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de
kantonrechter gewenste inlichtingen te verstrekken.
Artikel 355
1.Aan een met het gezag belaste ouder of
aan een ouder die alleen het bewind over het vermogen heeft en die
aangifte heeft gedaan van zijn voornemen een huwelijk of een
geregistreerd partnerschap aan te gaan, kan de kantonrechter opdragen
binnen een bepaalde termijn een beschrijving van het vermogen van de
kinderen op te maken en deze beschrijving of een afschrift daarvan ter
griffie van de rechtbank in te leveren.
2.De artikelen 339, 340 en 341 van dit
boek zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 356
1.Aanwijzingen en machtigingen, als in
deze paragraaf bedoeld, geeft de kantonrechter slechts, indien dit hem
in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk
blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven
en daaraan zodanige voorwaarden verbinden, als hij dienstig oordeelt.
2.Hij kan een gegeven aanwijzing of
machtiging te allen tijde intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden
wijzigen.
Artikel 357
Indien de kosten van een ten behoeve van
een minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking te diens
laste zijn gebracht, treedt - ingeval dientengevolge het vermogen van de
minderjarige moet worden aangesproken - in de plaats van de bij artikel
345 van dit boek bedoelde machtiging van de kantonrechter, diens
aanwijzing van de goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.
Artikel 358
1.De voogd mag alle noodzakelijke,
betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige
in rekening brengen.
2.Indien de kantonrechter een bedrag
bepaalt, hetwelk jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en
opvoeding van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van diens
vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag niet
gespecificeerd te verantwoorden.
3.De kantonrechter kan de voogd een
beloning ten laste van de minderjarige toekennen, indien hij dit gezien
de zwaarte van de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval
mag de voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat is
toegekend bij de akte, waarbij hij door een ouder benoemd is.
Artikel 359
1.De kantonrechter kan te allen tijde op
verzoek van de andere voogd of ambtshalve aan de voogd de verplichting
opleggen jaarlijks of eens in de twee of drie jaren ter griffie van de
rechtbank een rekening in te dienen van zijn bewind over de goederen van
de minderjarige.
2.De datum voor de indiening van de
rekening wordt door de kantonrechter bepaald.
3.Indien in het geval van gezamenlijke
uitoefening van de voogdij een van de voogden de rekening alleen heeft
ingediend, moet hij gelijktijdig een afschrift van de rekening aan de
andere voogd doen toekomen. Deze kan binnen twee maanden bezwaren tegen
de rekening bij de rechter indienen.
Artikel 360
1.Bij verschil van mening omtrent de
rekening kan de kantonrechter verbetering daarvan gelasten.
2.Hij kan een of meer deskundigen
benoemen, ten einde de ingediende rekening te onderzoeken.
3.De kantonrechter kan de kosten van dit
onderzoek, indien slecht bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten
dele ten laste van de voogd brengen.
4.De voogd ontvangt een afschrift van het
door de deskundigen in te dienen schriftelijk bericht.
5.In geval van gezamenlijke uitoefening
van de voogdij ontvangen beide voogden het in het vierde lid bedoelde
afschrift en kan de rechter de in het derde lid bedoelde kosten ook ten
laste van de voogden gezamenlijk brengen.
Artikel 361
De periodiek door de voogd gedane rekening
of een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie van de
rechtbank.
Artikel 362
De kantonrechter kan op verzoek van de
andere voogd of ambtshalve de schade vaststellen, die blijkens de rekening
de minderjarige door slecht bewind van de voogd geleden heeft, en deze
laatste tot vergoeding daarvan veroordelen.
Artikel 363
1.De kantonrechter kan te allen tijde
bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het
bedrag en de aard van de zekerheid vast. Inpandgeving van effecten aan
toonder van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de
Nederlandsche Bank.
2.De kantonrechter bepaalt een redelijke
termijn, binnen welke de voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat
hij de van hem verlangde zekerheid gesteld heeft.
3.De kantonrechter kan de voogd toestaan
een gestelde zekerheid door een andere te vervangen. Indien het belang
van de voogd het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of
handhaving daarvan niet nodig is, kan de kantonrechter hem machtigen
daarvan namens de minderjarige afstand te doen.
Artikel 364
1.De door de voogd gestelde zekerheid
houdt op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra
de rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig artikel
377 van dit boek verjaard zijn.
2.Alsdan worden op kosten van de
minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op
inschrijvingen in de schuldregisters voor geldleningen ten laste van het
Rijk opgeheven.
Artikel 365
Indien de voogd in gebreke blijft:
a. gehoor te geven aan een oproeping
van de kantonrechter om voor hem te verschijnen;
b. een boedelbeschrijving of een
verklaring als bedoeld in artikel 339 van dit boek in te leveren;
c. op de door de kantonrechter bepaalde
datum zijn periodieke rekening in te dienen;
d. aan de minderjarige toebehorende
spaarbankboekjes, gelden, of toondereffecten die hij niet te diens
name heeft doen stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren;
e. de kantonrechter het bewijs te
leveren, dat hij een van hem verlangde zekerheid gesteld heeft; of
f. de schadevergoeding te betalen,
waartoe de kantonrechter hem ingevolge artikel 362 van dit boek
veroordeeld heeft,
kan de kantonrechter de raad voor de
kinderbescherming hiermede in kennis stellen.
Artikel 366
Insgelijks kan de kantonrechter de raad
voor de kinderbescherming ermede in kennis stellen, dat:
a. de voogd in gevallen, waarin hij
machtiging van de kantonrechter behoeft, zijn bewind eigenmachtig
voert;
b. hij zich in zijn bewind aan ontrouw,
plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid blijkt te hebben schuldig
gemaakt.
Artikel 367
De raad voor de kinderbescherming die van
de kantonrechter zodanige mededeling ontvangt, onderwerpt, na onderzoek
van de overige gedragingen van de voogd jegens de minderjarige, binnen zes
weken na de dagtekening van die mededeling aan het oordeel van de
rechtbank de vraag, of ontzetting van de voogd op grond van artikel 327,
eerste lid onder b, van dit boek moet volgen.
Artikel 368 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 369
1.Indien minderjarigen die onder voogdij
van verschillende voogden staan, goederen gemeen hebben, kan de
kantonrechter van de woonplaats van een der minderjarigen een van de
voogden of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling
het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de door de
rechter van hem verlangde waarborgen.
2.Komt de in het eerste lid omschreven
bevoegdheid aan verschillende rechters toe, dan vervalt deze, nadat een
van hen daarvan heeft gebruik gemaakt.
3.Op het bewind zijn de bepalingen
omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De
bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van
rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of
beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.
Artikel 370
1.De kantonrechter kan op verzoek van de
voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel
daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens
minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van
de minderjarige nodig oordeelt. In geval van gezamenlijke uitoefening
van de voogdij wordt tot onderbewindstelling slechts beslist indien het
verzoek door beide voogden gezamenlijk wordt gedaan.
2.De kantonrechter benoemt de
bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de
instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de
onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon,
geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat
de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens
verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige. In geval van
gezamenlijke uitoefening van de voogdij worden deze verplichtingen
opgelegd aan beide voogden.
3.Op het bewind zijn de bepalingen
omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De
bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van
rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of
beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.
4.De kantonrechter bepaalt welke
uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen
en de vruchten daarvan aan de voogd en bij gezamenlijke uitoefening van
de voogdij aan de voogden, moet doen ten behoeve van de verzorging en
opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens
niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te
allen tijde op verzoek van een voogd of de bewindvoerder, of ambtshalve
wijzigen.
5.De bewindvoerder is verplicht aan de
kantonrechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te
verstrekken.
6.Hij is voorts verplicht jaarlijks en
aan het einde van zijn bewind aan de voogd, en bij gezamenlijke
uitoefening van de voogdij aan de voogden,, de meerderjarig gewordene of
de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten
overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen.
7.Geschillen die bij de rekening en
verantwoording rijzen, beslist de kantonrechter.
8.Blijft een der partijen in gebreke tot
deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn
de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
9.De kantonrechter kan te allen tijde op
verzoek van de bewindvoerder, een voogd of ambtshalve het bewind
opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.
Artikel 371
De voogd is verplicht ter griffie van de
rechtbank kennis te geven van elke verandering in zijn woonplaats.
Artikel 371a
1.De griffier van het gerecht dat een
voogd benoemt, doet daarvan onverwijld mededeling aan de kantonrechter
van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de
voogd is gelegen.
2.Woont de voogd niet meer in het
arrondissement of is hij opgevolgd door een voogd in een ander
arrondissement, dan zendt de griffier onverwijld de voogdijbescheiden
naar de griffier van het arrondissement waar de voogd of opvolgende
voogd woonplaats heeft, onder opgave van diens adres.
§ 11. De rekening en verantwoording bij
het einde van de voogdij
Artikel 372
Na het einde van zijn bewind doet de voogd
daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden door de
voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de minderjarige, tenzij het
bewind wegens ontzetting van de voogd eindigt. Voor zover de kosten niet
op de minderjarige kunnen worden verhaald, komen zij ten laste van de
ouders, en, zo zij ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van
de Staat.
Artikel 373
1.Deze rekening en verantwoording doet de
voogd hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van
de minderjarige, wanneer deze overleden is, hetzij aan zijn opvolger in
het bewind.
2.Indien de gezamenlijke uitoefening van
de voogdij is geëindigd en als gevolg daarvan het gezag wordt
uitgeoefend door een van de voogden alleen, doet degene wiens voogdij
geëindigd is rekening en verantwoording aan degene die de voogdij
alleen uitoefent.
Artikel 374
1.Bedoelde rekening en verantwoording
wordt afgelegd ten overstaan van de kantonrechter, binnen wiens
rechtsgebied de voogd wiens bewind eindigt woonplaats heeft.
2.Geschillen, die bij de aflegging van de
rekening en verantwoording mochten rijzen, beslist de kantonrechter.
3.Blijft een der partijen in gebreke tot
deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn
de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
Artikel 375
Een rechtshandeling die de meerderjarig
gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot of
verricht met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt vóór het
afleggen van de rekening en verantwoording; alleen van de zijde van de
meerderjarig gewordene kan een beroep op de vernietigingsgrond worden
gedaan.
Artikel 376
Wat de minderjarige aan de voogd schuldig
blijft, draagt geen rente, zolang hij niet - na het sluiten der rekening -
met de voldoening van het verschuldigde in verzuim is.
Artikel 377
Elke rechtsvordering op grond van het
gevoerde voogdijbewind - zowel van de zijde van de minderjarige als van
die van de voogd - verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, waarop
de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.
Titel 15. Omgang en informatie
Artikel 377a
1.Het kind heeft het recht op omgang met
zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot
hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de
verplichting tot omgang met zijn kind.
2.De rechter stelt op verzoek van de
ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke
betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een
regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel
ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3.De rechter ontzegt het recht op omgang
slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou
opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het
kind, of
b. de ouder of degene die in een
nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk
ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder
is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn
ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking
staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met
zwaarwegende belangen van het kind.
Artikel 377b
1.De ouder die met het gezag is belast,
is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen
omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het
vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst
van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een
ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2.Indien het belang van het kind zulks
vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste
ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten
toepassing blijft.
3.Artikel 377e is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 377c
1.Onverminderd het bepaalde in artikel
377b van dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd
door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake
belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of
diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld,
tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan
degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het
kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich
tegen het verschaffen van informatie verzet.
2.Indien de informatie is geweigerd, kan
de rechter op verzoek van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde
ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet
worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien
het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie
verzet.
Artikel 377d
1.Onverminderd het bepaalde in het tweede
lid van dit artikel, begint de uitoefening van het recht op omgang zodra
de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of,
indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de
beschikking is verstrekt of verzonden.
2.De uitoefening van het recht op omgang
begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt
gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of
voor de voogd het gezag is begonnen.
Artikel 377e
De rechtbank kan op verzoek van de ouders
of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking
staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de
ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Artikel 377f [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 377g
De rechter kan, indien haar blijkt dat de
minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een
beslissing geven op de voet van de artikelen 377a of377b, dan wel zodanige
beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde
geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van
zijn belangen ter zake.
Artikel 377h [Vervallen per 01-03-2009]
Titel 16. Curatele
Artikel 378
1.Een meerderjarige kan door de
kantonrechter onder curatele worden gesteld:
a. wegens een geestelijke stoornis,
waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is
of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen;
b. wegens verkwisting;
c. wegens gewoonte van drankmisbruik,
waardoor hij:
1°. zijn belangen niet
behoorlijk waarneemt;
2°. in het openbaar
herhaaldelijk aanstoot geeft; of
3°. eigen veiligheid of die van
anderen in gevaar brengt.
2.Indien te verwachten is dat ten aanzien
van een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden,
van een der in het vorige lid genoemde gronden voor curatele sprake zal
zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid worden
uitgesproken.
3.De rechter bij wie een verzoek tot het
verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een
observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als
bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen,
dan wel een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid van die wet
aanhangig is, is tevens bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot
ondercuratelestelling.
Artikel 379
De curatele kan worden verzocht door de
betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, geregistreerde
partner, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de
vierde graad ingesloten, voogd of het openbaar ministerie.
Artikel 380
1.De rechter voor wie het verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan,
desverzocht of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de
beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt.
2.Hij regelt in deze beschikking de
bevoegdheden van de bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind
over bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan de
rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die welke een
curator niet heeft. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kan
degene wiens curatele is verzocht, met betrekking tot die goederen niet
zonder medewerking van de bewindvoerder daden van beheer en van
beschikking verrichten.
3.In de beschikking kan tevens worden
bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de
bekendmaking van de benoeming maakt, op de onder bewind gestelde
goederen gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet
kunnen worden verhaald.
4.De beschikking kan te allen tijde
worden gewijzigd of ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was.
5.De bewindvoerder komt als beloning toe
vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen,
tenzij de kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag
vaststelt.
Artikel 381
1.De curatele werkt met ingang van de dag
waarop zij is uitgesproken. In het geval, bedoeld in artikel 378, tweede
lid, werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de onder
curatele gestelde meerderjarig wordt.
2.Van deze tijdstippen is de onder
curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover
de wet niet anders bepaalt.
3.Een onder curatele gestelde is bekwaam
rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor
zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele
gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden verleend voor
een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming
voor een bepaald doel moet schriftelijk worden verleend.
4.Met betrekking tot aangelegenheden
betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van een
onder curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van dit boek van
overeenkomstige toepassing.
5.Hij is bekwaam over gelden die zijn
curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld,
overeenkomstig deze bestemming te beschikken.
6.In zaken van curatele is degene wiens
curatele het betreft bekwaam in rechte op te treden en tegen een
uitspraak beroep in te stellen.
Artikel 382
Hij die uit hoofde van verkwisting of
gewoonte van drankmisbruik onder curatele is gesteld, blijft bekwaam tot
het verrichten van familierechtelijke handelingen voor zover de wet niet
anders bepaalt.
Artikel 383
1.De rechter benoemt bij het uitspreken
van de curatele of, indien hij zich nog niet voldoende voorgelicht acht,
zo spoedig mogelijk daarna een curator.
2.De rechter volgt bij de benoeming van
de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde
redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
3.Tenzij het vorige lid is toegepast,
wordt, indien de onder curatele gestelde persoon gehuwd is, een
geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel
heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel
andere levensgezel tot curator benoemd. Is de vorige zin niet van
toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers
of zusters tot curator benoemd. Huwt de onder curatele gestelde, gaat
hij een geregistreerd partnerschap aan of verkrijgt hij een andere
levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken, dat de niet onder curatele
staande echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de andere
levensgezel in de plaats van de tegenwoordige curator wordt benoemd.
4.De taak van de curator vangt aan daags
nadat de beslissing, houdende de benoeming, is verstrekt of verzonden.
Met die dag eindigt het provisioneel bewind. De provisionele
bewindvoerder is verplicht ten overstaan van de kantonrechter aan de
curator rekening en verantwoording van zijn bemoeienissen af te leggen;
wordt hij zelf tot curator benoemd, dan wordt de rekening en
verantwoording aan de kantonrechter afgelegd. Indien de curator vóór
de meerderjarigheid van de onder curatele gestelde is benoemd, vangt
zijn taak aan op het tijdstip waarop de curatele in werking treedt.
5.Indien het verzoek tot
ondercuratelestelling wordt afgewezen, eindigt het bewind van de
provisionele bewindvoerder daags na die uitspraak, tenzij de rechter
anders bepaalt, en in ieder geval uiterlijk daags nadat de afwijzing in
kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 384
Indien een beschikking, waarbij curatele is
uitgesproken, in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek
tot ondercuratelestelling alsnog wordt afgewezen, neemt de taak van de
curator daags na deze uitspraak een einde. De inmiddels door de curator of
met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder curatele
gestelde verbindend.
Artikel 385
1.Behoudens het in de artikelen 383 en
384 bepaalde vinden de artikelen 250 en 280, onder b, 281 lid 1 onder a
en lid 2, 297-299, 322, onder a en c, 324, 336 en 372-377 bij curatele
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
a. in geval van benoeming van een
ouder tot curator een bereidverklaring als bedoeld in artikel 280
onder b niet is vereist;
b. voor rechtbank of rechter wordt
gelezen kantonrechter.
c. aan de raad voor de
kinderbescherming terzake geen bevoegdheden toekomen;
d. de curator te allen tijde wegens
gewichtige redenen op eigen verzoek, op verzoek van de uit hoofde
van verkwisting of gewoonte van drankmisbruik onder curatele
gestelde, op verzoek van het openbaar ministerie of ambtshalve door
de kantonrechter kan worden ontslagen;
e. de curator de rekening en
verantwoording, bedoeld in artikel 374, aflegt ten overstaan van de
bij het einde van zijn bewind ter zake bevoegde kantonrechter.
2.Een curator die niet is de echtgenoot,
geregistreerde partner dan wel andere levensgezel of bloedverwant in de
rechte lijn van de onder curatele gestelde, kan bovendien ontslag
verzoeken, wanneer hij de curatele tenminste acht jaren heeft
uitgeoefend; het ontslag wordt verleend zodra de kantonrechter zich in
staat acht een geschikte opvolger te benoemen.
Artikel 386
1.Op het bewind van de curator zijn de
omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van
overeenkomstige toepassing. Tenzij de beloning bij het uitspreken van de
curatele anders is geregeld, komt de curator - de ouder-curator
daaro
|