Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 249 en 252 Boek 3 Burgerlijk Wetboek
Burgerlijk Wetboek Boek 3, Vermogensrecht
Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen
Titel 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Goederen zijn alle zaken en alle
vermogensrechten.
Artikel 2
Zaken zijn de voor menselijke
beheersing vatbare stoffelijke objecten.
Artikel 3
1.Onroerend zijn de grond, de nog
niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen,
alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere
gebouwen of werken.
2.Roerend zijn alle zaken die niet
onroerend zijn.
Artikel 4
1.Al hetgeen volgens
verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel
van die zaak.
2.Een zaak die met een hoofdzaak
zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden
afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt
toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.
Artikel 5
Inboedel is het geheel van tot
huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende
roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van
voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.
Artikel 6
Rechten die, hetzij afzonderlijk
hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe
strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel
verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld
stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.
Artikel 7
Een afhankelijk recht is een recht
dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder
dat andere recht kan bestaan.
Artikel 8
Een beperkt recht is een recht dat is
afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte
recht is bezwaard.
Artikel 9
1.Natuurlijke vruchten zijn zaken
die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden
aangemerkt.
2.Burgerlijke vruchten zijn rechten
die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden
aangemerkt.
3.De afzonderlijke termijnen van
een lijfrente gelden als vruchten van het recht op de lijfrente.
4.Een natuurlijke vrucht wordt een
zelfstandige zaak door haar afscheiding, een burgerlijke vrucht
een zelfstandig recht door haar opeisbaar worden.
Artikel 10
Registergoederen zijn goederen voor
welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde
openbare registers noodzakelijk is.
Artikel 11
Goede trouw van een persoon, vereist
voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten
of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende,
maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te
kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede
reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of
het recht behoorde te kennen.
Artikel 12
Bij de vaststelling van wat
redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met
algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende
rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke
belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.
Artikel 13
1.Degene aan wie een bevoegdheid
toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2.Een bevoegdheid kan onder meer
worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan
een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is
verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid
tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor
wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had
kunnen komen.
3.Uit de aard van een bevoegdheid
kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Artikel 14
Een bevoegdheid die iemand krachtens
het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd
met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.
Artikel 15
De artikelen 11-14 vinden buiten het
vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Afdeling 1A. Elektronisch
vermogensrechtelijk rechtsverkeer
Artikel 15a
1.Een elektronische handtekening
heeft dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening,
indien de methode die daarbij is gebruikt voor authentificatie
voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de
elektronische gegevens werden gebruikt en op alle overige
omstandigheden van het geval.
2.Een in lid 1 bedoelde methode
wordt vermoed voldoende betrouwbaar te zijn, indien een
elektronische handtekening voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is op unieke wijze aan
de ondertekenaar verbonden;
b. zij maakt het mogelijk de
ondertekenaar te identificeren;
c. zij komt tot stand met
middelen die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende controle
kan houden; en
d. zij is op zodanige wijze aan
het elektronisch bestand waarop zij betrekking heeft
verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan
worden opgespoord;
e. zij is gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet; en
f. zij is gegenereerd door een
veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel vv, van
de Telecommunicatiewet.
3.Een in lid 1 bedoelde methode kan
niet als onvoldoende betrouwbaar worden aangemerkt op de enkele
grond dat deze:
- niet is gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet;
- niet is gebaseerd op een door
een certificatiedienstverlener als bedoeld in artikel 18.16,
eerste lid, Telecommunicatiewet afgegeven certificaat; of
- niet met een veilig middel
voor het aanmaken van elektronische handtekeningen is
aangemaakt als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel vv, van de
Telecommunicatiewet.
4.Onder elektronische handtekening
wordt een handtekening verstaan die bestaat uit elektronische
gegevens die zijn vastgehecht aan of logisch geassocieerd zijn met
andere elektronische gegevens en die worden gebruikt als middel
voor authentificatie.
5.Onder ondertekenaar wordt degene
verstaan die een middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel uu, van de
Telecommunicatiewet gebruikt.
6.Tussen partijen kan van lid 2 en
3 worden afgeweken.
Artikel 15b
Een gekwalificeerd certificaat als
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet,
afgegeven aan het publiek door een certificatiedienstverlener
gevestigd in een derde land, heeft dezelfde geldigheid als een
gekwalificeerd certificaat afgegeven door een in de Europese
Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
certificatiedienstverlener, indien:
a. de certificatiedienstverlener
voldoet aan de in richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een
gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG
L 13) gestelde eisen en beschikt over een in het kader van een
in een lidstaat van de Europese Gemeenschap Gemeenschap dan wel
een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven bewijs van
toetsing als bedoeld in artikel 18.16, eerste lid
Telecommunicatiewet, dan wel
b. een in de Europese Gemeenschap
of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
certificatiedienstverlener die voldoet aan de eisen van
richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van
13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor
elektronische handtekeningen (PbEG L 13) voor dat certificaat
instaat, dan wel
c. het certificaat of de
certificatiedienstverlener is erkend in het kader van een
bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de Europese
Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
en derde landen of internationale organisaties.
Artikel 15c
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze afdeling overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Artikel 15d
1.Degene die een dienst van de
informatiemaatschappij verleent, maakt de volgende gegevens
gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk voor degenen
die gebruik maken van deze dienst, in het bijzonder om informatie
te verkrijgen of toegankelijk te maken:
a. zijn identiteit en adres van
vestiging;
b. gegevens die een snel
contact en een rechtstreekse en effectieve communicatie met
hem mogelijk maken, met inbegrip van zijn elektronische
postadres;
c. voor zover hij in een
handelsregister of een vergelijkbaar openbaar register is
ingeschreven: het register waar hij is ingeschreven en zijn
inschrijvingsnummer, of een vergelijkbaar middel ter
identificatie in dat register;
d. voor zover een activiteit
aan een vergunningsstelsel is onderworpen: de gegevens over de
bevoegde toezichthoudende autoriteit;
e. voor zover hij een
gereglementeerd beroep uitoefent:
– de beroepsvereniging of
-organisatie waarbij hij is ingeschreven,
– de beroepstitel en de
lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte waar die is toegekend,
– een verwijzing naar de
beroepsregels die in Nederland van toepassing zijn en de
wijze van toegang daartoe;
f. voor zover hij een aan de
BTW onderworpen activiteit uitoefent: het
btw-identificatienummer zoals bedoeld in artikel 2a, eerste
lid, onder g, van de Wet op de Omzetbelasting 1968.
2.De dienstverlener geeft
aanduidingen van prijzen in een dienst van de
informatiemaatschappij duidelijk en ondubbelzinnig aan, met de
uitdrukkelijke vermelding of, en zo mogelijk welke, belasting en
leveringskosten daarbij inbegrepen zijn.
3.Onder dienst van de
informatiemaatschappij wordt verstaan elke dienst die gewoonlijk
tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op
individueel verzoek van de afnemer van de dienst wordt verricht
zonder dat partijen gelijktijdig op dezelfde plaats aanwezig zijn.
Een dienst wordt langs elektronische weg verricht indien deze
geheel per draad, per radio, of door middel van optische of andere
elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en
ontvangen met behulp van elektronische apparatuur voor de
verwerking, met inbegrip van digitale compressie, en de opslag van
gegevens.
Artikel 15e
1.Indien commerciële communicatie
deel uitmaakt van een dienst van de informatiemaatschappij of een
dergelijke dienst vormt, zorgt degene in wiens opdracht de
commerciële communicatie geschiedt dat:
a. de commerciële communicatie
duidelijk als zodanig herkenbaar is;
b. de commerciële communicatie
zijn identiteit vermeldt;
c. de commerciële
communicatie, indien deze verkoopbevorderende aanbiedingen,
wedstrijden of spelen omvat, een duidelijke en ondubbelzinnige
vermelding bevat van de aard en de voorwaarden van de
aanbieding of de deelneming;
d. ongevraagde commerciële
communicatie door middel van elektronische post reeds bij de
ontvangst duidelijk en ondubbelzinnig als zodanig herkenbaar
is.
2.[vervallen.]
3.Onder commerciële communicatie
als bedoeld in dit artikel wordt verstaan elke vorm van
communicatie bestemd voor het aanprijzen van de goederen, diensten
of het imago van een onderneming, instelling of persoon die een
commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een
gereglementeerd beroep uitoefent, met uitzondering van informatie
die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit van de
onderneming, instelling of persoon, in het bijzonder een
domeinnaam of een elektronisch postadres. Mededelingen over
goederen of diensten of het imago van een onderneming, instelling
of persoon die onafhankelijk van deze en in het bijzonder zonder
financiële tegenprestatie zijn samengesteld, zijn geen
commerciële communicatie.
Artikel 15f
1.Degenen die diensten van de
informatiemaatschappij verlenen of gebruiken kunnen zich richten
tot een door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken aan te wijzen rechtspersoon
teneinde:
a. algemene informatie te
verkrijgen over hun contractuele rechten en plichten alsmede
over klachtenprocedures en rechtsmiddelen in het geval van een
geschil;
b. nadere gegevens te
verkrijgen over de autoriteiten of organisaties waar zij
nadere informatie of praktische bijstand kunnen krijgen.
2.De rechtspersoon, bedoeld in lid
1, werkt bij de uitoefening van zijn taken samen met de
overeenkomstige organisaties in andere lidstaten van de Europese
Unie en de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte.
3.De controleurs van de
Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst –
Economische Controle Dienst (Belastingdienst/FIOD-ECD) worden
aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van
overtredingen van de voorschriften gesteld bij de artikelen 15d en
15e lid 1.
Afdeling 1B. Het voeren van een
administratie
Artikel 15i
1.Een ieder die een bedrijf of
zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn
vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep,
naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een
administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden
en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te
allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
2.De leden 2 tot en met 4 van
artikel 10 van Boek 2 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15j
Openlegging van tot een administratie
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen,
voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben,
vorderen:
a. erfgenamen, ten aanzien van de
boekhouding van de erflater;
b. deelgenoten in een
gemeenschap, ten aanzien van de boekhouding betreffende de
gemeenschap;
c. vennoten, ten aanzien van de
boekhouding van de vennootschap;
d. schuldeisers in het geval van
faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, ten aanzien van de boekhouding van de
failliet onderscheidenlijk degene ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling van toepassing is.
Afdeling 2. Inschrijvingen
betreffende registergoederen
Artikel 16
1.Er worden openbare registers
gehouden, waarin feiten die voor de rechtstoestand van
registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven.
2.Welke deze openbare registers
zijn, waar en op welke wijze een inschrijving in de registers kan
worden verkregen, welke stukken daartoe aan de bewaarder moeten
worden aangeboden, wat deze stukken moeten inhouden, hoe de
registers worden ingericht, hoe de inschrijvingen daarin
geschieden, en hoe de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt
geregeld bij de wet.
Artikel 17
1.Behalve die feiten waarvan
inschrijving krachtens andere wetsbepalingen mogelijk is, kunnen
in deze registers de volgende feiten worden ingeschreven:
a. rechtshandelingen die een
verandering in de rechtstoestand van registergoederen brengen
of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand van belang
zijn;
b. erfopvolgingen die
registergoederen betreffen, daaronder begrepen de opvolging
door de Staat krachtens de artikelen 189 en 226 lid 4 van Boek
4, en de afgifte van registergoederen aan de Staat krachtens
artikel 226 leden 1 en 2 van Boek 4;
c. vervulling van de
voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke
rechtshandeling, en de verschijning van een onzeker tijdstip,
aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden
tijdsbepaling, alsmede de dood van een vruchtgebruiker van een
registergoed;
d. reglementen en andere
regelingen die tussen medegerechtigden in registergoederen
zijn vastgesteld;
e. rechterlijke uitspraken die
de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid
daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar bij
voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt
overgelegd, dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer
openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het
instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, benevens de
tegen de bovenbedoelde uitspraken ingestelde rechtsmiddelen;
f. instelling van
rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften ter
verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de
rechtstoestand van een registergoed betreft;
g. executoriale en
conservatoire beslagen op registergoederen;
h. naamsveranderingen die tot
registergoederen gerechtigde personen betreffen;
i. verjaring die leidt tot
verkrijging van een registergoed of tenietgaan van een beperkt
recht dat een registergoed is;
j. beschikkingen en uitspraken,
waarbij een krachtens een bijzondere wetsbepaling ingeschreven
beschikking wordt vernietigd, ingetrokken of gewijzigd;
k. de aanleg en verwijdering
van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen,
bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige
stoffen, van energie of van informatie.
2.Huur- en pachtovereenkomsten en
andere feiten die alleen persoonlijke rechten geven of opheffen,
kunnen slechts worden ingeschreven, indien een bijzondere
wetsbepaling dit toestaat.
Artikel 18
Worden de bewaarder der registers
stukken ter inschrijving aangeboden, dan verstrekt hij de aanbieder
een bewijs van ontvangst, vermeldende de aard dier stukken alsmede
dag, uur en minuut van de aanbieding.
Artikel 19
1.Indien de voor een inschrijving
nodige stukken worden aangeboden, de aangeboden stukken aan de
wettelijke eisen voldoen en andere wettelijke vereisten voor
inschrijving zijn vervuld, dan geschiedt de inschrijving terstond
na de aanbieding.
2.Als tijdstip van inschrijving
geldt het tijdstip van aanbieding van de voor de inschrijving
vereiste stukken.
3.Op verlangen van de aanbieder
tekent de bewaarder de verrichte inschrijving op het
ontvangstbewijs aan of doet hij in de gevallen en op een wijze bij
of krachtens de wet, bedoeld in artikel 16, tweede lid, vast te
stellen, daarvan mededeling aan de aanbieder.
4.Indien de bewaarder vermoedt dat
de in de aangeboden stukken vermelde kenmerken niet overeenstemmen
met die welke met betrekking tot het registergoed behoren te
worden vermeld, of dat de in te schrijven rechtshandeling door een
onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere
rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de nodige stukken
zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en andere
belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken.
Artikel 20
1.De bewaarder der registers
weigert een inschrijving te doen, indien niet is voldaan aan de
eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid. Hij boekt de aanbieding
in het register van voorlopige aantekeningen met vermelding van de
gerezen bedenkingen.
2.Wanneer de weigering ten onrechte
is geschied, beveelt de voorzieningenrechter van de rechtbank,
rechtdoende in kort geding, op vordering van de belanghebbende de
bewaarder de inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd
de bevoegdheid van de gewone rechter. De voorzieningenrechter kan
de oproeping van door hem aan te wijzen andere belanghebbenden
gelasten. Het bevel van de voorzieningenrechter is van rechtswege
uitvoerbaar bij voorraad.
3.Wordt de geweigerde inschrijving
alsnog bevolen, dan verricht de bewaarder haar terstond nadat de
eiser haar opnieuw heeft verzocht.
4.Indien de belanghebbende binnen
twee weken na de oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een
dagvaarding in kort geding ter verkrijging van het in lid 2
bedoelde bevel heeft doen uitbrengen en de aanvankelijk geweigerde
inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding van
dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in eerste aanleg
gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te zijn geschied op
het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanbieding plaatsvond.
Hetzelfde geldt, indien de bewaarder op een hernieuwde aanbieding
alsnog overgaat tot inschrijving binnen twee weken hetzij na de
oorspronkelijke aanbieding, hetzij na een hem tijdig uitgebrachte
dagvaarding hangende het geding in eerste aanleg.
5.Een feit waarvan slechts blijkt
uit een overeenkomstig lid 1, tweede zin, geboekt stuk wordt
geacht niet door raadpleging van de registers kenbaar te zijn,
tenzij het krachtens het vorige lid geacht moet worden reeds ten
tijde van de raadpleging ingeschreven te zijn geweest.
6.Een voorlopige aantekening wordt
door de bewaarder doorgehaald, zodra hem is gebleken dat de
voorwaarden voor toepassing van het vierde lid niet meer kunnen
worden vervuld, of de inschrijving met inachtneming van het
tijdstip van oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft
plaatsgevonden.
Artikel 21
1.De rangorde van inschrijvingen
die op een zelfde registergoed betrekking hebben, wordt bepaald
door de volgorde der tijdstippen van inschrijving, tenzij uit de
wet een andere rangorde voortvloeit.
2.Vinden twee inschrijvingen op
één zelfde tijdstip plaats en zouden deze leiden tot onderling
onverenigbare rechten van verschillende personen op dat goed, dan
wordt de rangorde bepaald:
a. ingeval de ter inschrijving
aangeboden akten op verschillende dagen zijn opgemaakt: door
de volgorde van die dagen;
b. ingeval beide akten op
dezelfde dag zijn opgemaakt en het notariële akten, daaronder
begrepen notariële verklaringen, betreft: door de volgorde
van de tijdstippen waarop ieder van die akten of verklaringen
is opgemaakt.
Artikel 22
Wanneer een feit in de registers is
ingeschreven, kan daarna de geldigheid van de inschrijving niet meer
worden betwist op grond dat de formaliteiten die voor de
inschrijving worden vereist, niet zijn in acht genomen.
Artikel 23
Het beroep van een verkrijger van een
registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit beroep
insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging
van de registers zouden zijn gekend.
Artikel 24
1.Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed
onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een
eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met
betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan dit feit aan
de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van:
a. feiten die naar hun aard
vatbaar zijn voor inschrijving in een register van de
burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of een
boedelregister, ook indien het feit in een gegeven geval
daarin niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de
Nederlandse wet niet van toepassing is;
b. in het curateleregister
ingeschreven ondercuratelestelling en opheffing van curatele;
c. in het
faillissementsregister, het surséanceregister en het register
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ingeschreven
rechterlijke uitspraken;
d. aanvaarding en verwerping
van een nalatenschap;
e. verjaring.
3.Het eerste lid is evenmin van
toepassing ten aanzien van erfopvolgingen en uiterste
wilsbeschikkingen die op het tijdstip van de inschrijving van de
rechtshandeling nog niet ingeschreven waren, doch daarna, mits
binnen drie maanden na de dood van de erflater, alsnog in de
registers zijn ingeschreven.
Artikel 25
Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed
onder bijzondere titel wordt ingeschreven, een feit met betrekking
tot dat registergoed in de registers was ingeschreven krachtens een
authentieke akte waarin het feit door een ambtenaar met kracht van
authenticiteit werd vastgesteld, kan de onjuistheid van dit feit aan
de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij deze onjuistheid
kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan
had kunnen kennen.
Artikel 26
Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed
onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met betrekking tot dat
registergoed een onjuist feit in de registers ingeschreven was, kan
de onjuistheid van dit feit door hem die redelijkerwijze voor
overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had kunnen
zorgdragen, aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij deze
de onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de
mogelijkheid daarvan had kunnen kennen.
Artikel 27
1.Hij die beweert enig recht op een
registergoed te hebben, kan alle belanghebbenden bij openbare
oproeping, en daarnaast hen die als rechthebbende of beslaglegger
op dat goed ingeschreven staan, ieder bij name dagvaarden om te
horen verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt,
toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de rechter
de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, welke hij in
het belang van mogelijke niet-verschenen rechthebbenden nuttig
oordeelt. Een krachtens dit artikel verkregen verklaring wordt
niet in de registers ingeschreven, voordat het vonnis in kracht
van gewijsde is gegaan.
2.Tegen het vonnis is geen verzet
toegelaten. Hoger beroep en cassatie staan volgens de gewone
regels open, behoudens de volgende uitzonderingen. Artikel 335 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van
toepassing. De dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt
ingesteld, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht
dagen worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De termijn voor
hoger beroep begint voor niet-verschenen belanghebbenden te lopen
vanaf de betekening van de uitspraak aan hen bij name, voor zover
zij ingeschreven waren, of bij openbaar exploit, zo zij niet
ingeschreven waren. Cassatie staat alleen open voor verschenen
belanghebbenden.
3.De krachtens lid 1 ingeschreven
verklaring wordt ten aanzien van niet-verschenen belanghebbenden
die niet bij name zijn gedagvaard, vermoed juist te zijn, zolang
het tegendeel niet bewezen is.
Op de onjuistheid kan echter geen
beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee onbekend, de
verkrijger van het vonnis onder bijzondere titel zijn opgevolgd.
4.Een openbare oproeping als
bedoeld in lid 1 geschiedt overeenkomstig artikel 54, tweede en
derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een
openbaar exploit als bedoeld in lid 2 geschiedt op dezelfde wijze,
tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als bedoeld in
lid 1. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bestaan in het
voorschrijven van al of niet herhaalde aankondigingen van een door
de rechter vast te stellen inhoud in één of meer binnen- of
buitenlandse dagbladen.
Artikel 28
1.Is een inschrijving waardeloos,
dan zijn degenen te wier behoeve zij anders zou hebben gestrekt,
verplicht van deze waardeloosheid aan hem die daarbij een
onmiddellijk belang heeft, op diens verzoek een schriftelijke
verklaring af te geven. De verklaringen vermelden de feiten waarop
de waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een hypotheek of
een beslag betreft.
2.Verklaringen als in lid 1 bedoeld
kunnen in de registers worden ingeschreven. Indien de inschrijving
een hypotheek of een beslag betreft, machtigen deze verklaringen
na inschrijving gezamenlijk de bewaarder tot doorhaling daarvan.
Artikel 29
1.Worden de vereiste verklaringen
niet afgegeven, dan verklaart de rechtbank de inschrijving
waardeloos op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt
ter verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat
ingeschreven gedagvaard, dan worden daarmee tevens gedagvaard al
zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben
genomen.
2.Alvorens een zodanige verklaring
uit te spreken kan de rechter de maatregelen bevelen en de
bewijsopdrachten doen, welke hij in het belang van mogelijk
niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt.
3.Verzet, hoger beroep en cassatie
moeten op straffe van niet- ontvankelijkheid binnen acht dagen na
het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de
registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. Zo voor een ingeschreven gedaagde geen verzet,
maar hoger beroep openstaat, geldt hetzelfde voor zijn
rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. In
afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de termijn van
verzet in elk geval te lopen vanaf de betekening van het vonnis
aan de ingeschreven gedaagde, ook als de betekening niet aan hem
in persoon geschiedt, zulks mede ten opzichte van zijn
rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen,
tenzij de rechter hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan
dat bevel niet is voldaan. Cassatie staat alleen open voor
verschenen belanghebbenden.
4.Het vonnis dat de verklaring
bevat, kan niet worden ingeschreven, voordat het in kracht van
gewijsde is gegaan. Indien de waardeloze inschrijving een
hypotheek of beslag betreft, machtigt het vonnis na inschrijving
de bewaarder tot doorhaling daarvan.
Artikel 30
Onverminderd de aansprakelijkheden
van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in
artikel 117, eerste en tweede lid, van de Kadasterwet, is de Staat
aansprakelijk, wanneer iemand ten gevolge van omstandigheden die
naar redelijkheid en billijkheid niet voor zijn rekening komen, door
toepassing van een der artikelen 24, 25 of 27 zijn recht verliest.
Artikel 31
Waar een wetsbepaling die betrekking
heeft op registergoederen, een notariële akte of een notariële
verklaring voorschrijft, is een akte of verklaring van een
Nederlandse notaris vereist.
Titel 2. Rechtshandelingen
Artikel 32
1.Iedere natuurlijke persoon is
bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen, voor zover de
wet niet anders bepaalt.
2.Een rechtshandeling van een
onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een
onbekwame, die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was,
is echter nietig.
Artikel 33
Een rechtshandeling vereist een op
een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft
geopenbaard.
Artikel 34
1.Heeft iemand wiens geestvermogens
blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een
met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien
de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling
betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed
van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder
invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling
voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het
tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te
voorzien.
2.Een zodanig ontbreken van wil
maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige
rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht
was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.
Artikel 35
Tegen hem die eens anders verklaring
of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven
omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als
een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde
strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een
met deze verklaring overeenstemmende wil.
Artikel 36
Tegen hem die als derde op grond van
een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan
onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het
ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking
heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die
veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens
verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling
op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden
gedaan.
Artikel 37
1.Tenzij anders is bepaald, kunnen
verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm
geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten
liggen.
2.Indien bepaald is dat een
verklaring schriftelijk moet worden gedaan, kan zij, voor zover
uit de strekking van die bepaling niet anders volgt, ook bij
exploit geschieden.
3.Een tot een bepaalde persoon
gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon
hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie
zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking,
indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn
eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij
aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon
betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.
4.Wanneer een door de afzender
daartoe aangewezen persoon of middel een tot een ander gerichte
verklaring onjuist heeft overgebracht, geldt het ter kennis van de
ontvanger gekomene als de verklaring van de afzender, tenzij de
gevolgde wijze van overbrenging door de ontvanger was bepaald.
5.Intrekking van een tot een
bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te
hebben, die persoon eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken
verklaring bereiken.
Artikel 38
1.Tenzij uit de wet of uit de aard
van de rechtshandeling anders voortvloeit, kan een rechtshandeling
onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht.
2.De vervulling van een voorwaarde
heeft geen terugwerkende kracht.
Artikel 39
Tenzij uit de wet anders voortvloeit,
zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn
verricht, nietig.
Artikel 40
1.Een rechtshandeling die door
inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare
orde, is nietig.
2.Strijd met een dwingende
wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch,
indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één
der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot
vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking
van de bepaling anders voortvloeit.
3.Het vorige lid heeft geen
betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de
geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten.
Artikel 41
Betreft een grond van nietigheid
slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het
overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van
de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel
staat.
Artikel 42
Beantwoordt de strekking van een
nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere,
als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden
dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de
eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar
de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk
zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling
als partij heeft medegewerkt.
Artikel 43
1.Rechtshandelingen die, hetzij
rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot
verkrijging door:
a. rechters, leden van het
openbaar ministerie, gerechtsauditeurs, griffiers, advocaten,
deurwaarders en notarissen van goederen waarover een geding
aanhangig is voor het gerecht, onder welks rechtsgebied zij
hun bediening uitoefenen;
b. ambtenaren, van goederen die
door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of
c. personen met openbaar gezag
bekleed, van goederen die toebehoren aan het Rijk, provincies,
gemeenten of andere openbare instellingen en aan hun beheer
zijn toevertrouwd,
zijn nietig en verplichten de
verkrijgers tot schadevergoeding.
2.Lid 1 onder a heeft geen
betrekking op uiterste wilsbeschikkingen, door een erflater ten
voordele van zijn wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op
rechtshandelingen krachtens welke deze erfgenamen goederen der
nalatenschap verkrijgen.
3.In het geval bedoeld in het
eerste lid onder c is de rechtshandeling geldig, indien zij met
Onze goedkeuring is geschied of het een verkoop in het openbaar
betreft. Indien de rechtshandeling strekt tot verkrijging door een
lid van de gemeenteraad of een wethouder, onderscheidenlijk de
burgemeester komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid tot
goedkeuring toe aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de
Commissaris van de Koningin.
Artikel 44
1.Een rechtshandeling is
vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door
misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.
2.Bedreiging is aanwezig, wanneer
iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde
rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met
enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet
zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden
beïnvloed.
3.Bedrog is aanwezig, wanneer
iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde
rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane
onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van
enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door
een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook
al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.
4.Misbruik van omstandigheden is
aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander
door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand,
afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of
onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een
rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling
bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan
zou behoren te weerhouden.
5.Indien een verklaring is tot
stand gekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van
omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij bij de
rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden gedaan
jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te
veronderstellen.
Artikel 45
1.Indien een schuldenaar bij het
verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde
te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in
hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de
rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden
ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn
verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of
zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.
2.Een rechtshandeling anders dan om
niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of
meer bepaalde personen gericht, kan wegens benadeling slechts
worden vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de
schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te
weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het
gevolg zou zijn.
3.Wordt een rechtshandeling om niet
wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten
aanzien van de bevoordeelde die wist noch behoorde te weten dat
van de rechtshandeling benadeling van een of meer schuldeisers het
gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten
tijde van de verklaring of het instellen van de vordering tot
vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.
4.Een schuldeiser die wegens
benadeling tegen een rechtshandeling opkomt, vernietigt deze
slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter
opheffing van de door hem ondervonden benadeling.
5.Rechten, door derden te goeder
trouw anders dan om niet verkregen op goederen die het voorwerp
waren van de vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd.
Ten aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft
verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij
aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt
opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is.
Artikel 46
1.Indien de rechtshandeling
waardoor een of meer schuldeisers zijn benadeeld, is verricht
binnen één jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en
de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn tot
die rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan beide
zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het
gevolg van de rechtshandeling zou zijn:
1°. bij overeenkomsten,
waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van de
schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere
zijde overtreft;
2°. bij rechtshandelingen ter
voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare
schuld;
3°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht
met of jegens:
a. zijn echtgenoot, zijn
pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde
graad;
b. een rechtspersoon waarin
hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of
aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris
is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen,
als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten
minste de helft van het geplaatste kapitaal deelnemen;
4°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of
jegens een natuurlijk persoon:
a. die bestuurder of
commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens
diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in
de derde graad;
b. die al dan niet tezamen
met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of
aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van
het geplaatste kapitaal deelneemt;
c. wiens echtgenoot,
pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde
graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor tenminste de helft van het
geplaatste kapitaal deelnemen;
5°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of
jegens een andere rechtspersoon, indien
a. een van deze
rechtspersonen bestuurder is van de andere;
b. een bestuurder,
natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of
diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in
de derde graad, bestuurder is van de andere;
c. een bestuurder,
natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze
rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed-
of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of
tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor
ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt
in de andere;
d. in beide rechtspersonen
voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal
rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde
rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al
dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen
en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad;
6°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of
jegens een groepsmaatschappij.
2.Met een echtgenoot wordt een
geregistreerde partner of een andere levensgezel gelijkgesteld.
3.Onder pleegkind wordt verstaan
hij die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.
4.Onder bestuurder, commissaris of
aandeelhouder wordt mede verstaan hij die minder dan een jaar
vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder
is geweest.
5.Indien de bestuurder van een
rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze
rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.
Artikel 47
In geval van benadeling door een
rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen
één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond, wordt
vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van een of
meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.
Artikel 48
Onder schuldenaar in de zin van de
drie vorige artikelen is begrepen hij op wiens goed voor de schuld
van een ander verhaal kan worden genomen.
Artikel 49
Een vernietigbare rechtshandeling
wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring,
hetzij door een rechterlijke uitspraak.
Artikel 50
1.Een buitengerechtelijke
verklaring die een rechtshandeling vernietigt, wordt door hem in
wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die
partij bij de rechtshandeling zijn.
2.Een buitengerechtelijke
verklaring kan een rechtshandeling met betrekking tot een
registergoed die heeft geleid tot een inschrijving in de openbare
registers of tot een tot levering van een registergoed, bestemde
akte, slechts vernietigen indien alle partijen in de vernietiging
berusten.
Artikel 51
1.Een rechterlijke uitspraak
vernietigt een rechtshandeling, doordat zij een beroep in rechte
op een vernietigingsgrond aanvaardt.
2.Een rechtsvordering tot
vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die
partij bij de rechtshandeling zijn.
3.Een beroep in rechte op een
vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan ter afwering
van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere
rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo
spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen bij de
rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen.
Artikel 52
1.Rechtsvorderingen tot
vernietiging van een rechtshandeling verjaren:
a. in geval van onbekwaamheid:
drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of, indien de
onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger heeft, drie jaren
nadat de handeling ter kennis van de wettelijke
vertegenwoordiger is gekomen;
b. in geval van bedreiging of
misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat deze invloed
heeft opgehouden te werken;
c. in geval van bedrog, dwaling
of benadeling: drie jaren nadat het bedrog, de dwaling of de
benadeling is ontdekt;
d. in geval van een andere
vernietigingsgrond: drie jaren nadat de bevoegdheid om deze
vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze
bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.
2.Na de verjaring van de
rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze
niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een
buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd.
Artikel 53
1.De vernietiging werkt terug tot
het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht.
2.Indien de reeds ingetreden
gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt
kunnen worden, kan de rechter desgevraagd aan een vernietiging
geheel of ten dele haar werking ontzeggen. Hij kan aan een partij
die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen
tot een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt.
Artikel 54
1.De bevoegdheid om ter
vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling een beroep te
doen op misbruik van omstandigheden vervalt, wanneer de
wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de
rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze
opheft.
2.Bovendien kan de rechter op
verlangen van een der partijen, in plaats van een vernietiging
wegens misbruik van omstandigheden uit te spreken, ter opheffing
van dit nadeel de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen.
Artikel 55
1.De bevoegdheid om ter
vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een
vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze
bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de
verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging
op die grond een aanvang heeft genomen.
2.Eveneens vervalt de bevoegdheid
om een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer een
onmiddellijk belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn
aan hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn
heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging en
deze binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan.
Artikel 56
Voor de toepassing van de artikelen
50-55 gelden mede als partij:
a. in geval van eenzijdige tot
een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandeling: die
personen;
b. in geval van andere eenzijdige
rechtshandelingen: zij die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij
de instandhouding van die handeling.
Artikel 57
Behoeft een rechtshandeling om het
beoogde gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of
enige andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een
andere persoon, die geen partij bij de rechtshandeling is, dan kan
iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de
rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat, indien niet binnen een
redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die toestemming wordt
verkregen, de handeling te zijnen aanzien zonder gevolg zal blijven.
Artikel 58
1.Wanneer eerst na het verrichten
van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk
vereiste wordt vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die
zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de
handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte
de handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de
rechtshandeling bekrachtigd.
2.Het vorige lid is niet van
toepassing op het geval dat een rechtshandeling nietig is als
gevolg van handelingsonbekwaamheid van degene die haar heeft
verricht en deze vervolgens handelingsbekwaam wordt.
3.Inmiddels verkregen rechten van
derden behoeven aan bekrachtiging niet in de weg te staan, mits
zij worden geëerbiedigd.
Artikel 59
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de
aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Titel 3. Volmacht
Artikel 60
1.Volmacht is de bevoegdheid die
een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in
zijn naam rechtshandelingen te verrichten.
2.Waar in deze titel van
rechtshandeling wordt gesproken, is daaronder het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen.
Artikel 61
1.Een volmacht kan uitdrukkelijk of
stilzwijgend worden verleend.
2.Is een rechtshandeling in naam
van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij
op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft
aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze
mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de
onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.
3.Indien een volgens wet of gebruik
openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo
ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te
verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij
ze kende.
Artikel 62
1.Een algemene volmacht strekt zich
slechts uit tot daden van beschikking, indien schriftelijk en
ondubbelzinnig is bepaald dat zij zich ook tot die daden
uitstrekt. Onder algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die
alle zaken van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat,
met uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten.
2.Een bijzondere volmacht die in
algemene bewoordingen is verleend, strekt zich slechts uit tot
daden van beschikking indien dit ondubbelzinnig is bepaald.
Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is
verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking
die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel.
Artikel 63
1.De omstandigheid dat iemand
onbekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen voor
zichzelf, maakt hem niet onbekwaam tot het optreden als
gevolmachtigde.
2.Wanneer een volmacht door een
onbekwaam persoon is verleend, is een krachtens die volmacht door
de gevolmachtigde verrichte rechtshandeling op gelijke wijze
geldig, nietig of vernietigbaar, als wanneer zij door de onbekwame
zelf zou zijn verricht.
Artikel 64
Tenzij anders is bepaald, is een
gevolmachtigde slechts in de navolgende gevallen bevoegd de hem
verleende volmacht aan een ander te verlenen:
a. voor zover de bevoegdheid
hiertoe uit de aard der te verrichten rechtshandelingen
noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is met het
gebruik;
b. voor zover de verlening van de
volmacht aan een andere persoon in het belang van de
volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in staat is een
voorziening te treffen;
c. voor zover de volmacht
goederen betreft, die gelegen zijn buiten het land waarin de
gevolmachtigde zijn woonplaats heeft.
Artikel 65
Is een volmacht aan twee of meer
personen tezamen verleend, dan is ieder van hen bevoegd zelfstandig
te handelen, tenzij anders is bepaald.
Artikel 66
1.Een door de gevolmachtigde binnen
de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever
verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever.
2.Voor zover het al of niet
aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede bekendheid
of onbekendheid met feiten van belang zijn voor de geldigheid of
de gevolgen van een rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan
de volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al
naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de
totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling van haar
inhoud.
Artikel 67
1.Hij die een overeenkomst aangaat
in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam
noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik
bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke
termijn.
2.Wanneer hij de naam van de
volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst
voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst
anders voortvloeit.
Artikel 68
Tenzij anders is bepaald, kan een
gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever
optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo
nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten
is.
Artikel 69
1.Wanneer iemand zonder daartoe
bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft
gehandeld, kan laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en
haar daardoor hetzelfde gevolg verschaffen, als zou zijn
ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht.
2.Is voor het verlenen van een
volmacht tot de rechtshandeling een bepaalde vorm vereist, dan
geldt voor de bekrachtiging hetzelfde vereiste.
3.Een bekrachtiging heeft geen
gevolg, indien op het tijdstip waarop zij geschiedt, de
wederpartij reeds heeft te kennen gegeven dat zij de handeling
wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig beschouwt,
tenzij de wederpartij op het tijdstip dat zij handelde heeft
begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft
moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend.
4.Een onmiddellijk belanghebbende
kan degene in wiens naam gehandeld is, een redelijke termijn voor
de bekrachtiging stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke
of voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen.
5.Rechten door de volmachtgever
vóór de bekrachtiging aan derden verleend, blijven gehandhaafd.
Artikel 70
Hij die als gevolmachtigde handelt,
staat jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de
volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een
toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de inhoud van de
volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld.
Artikel 71
1.Verklaringen, door een
gevolmachtigde afgelegd, kunnen door de wederpartij als ongeldig
van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond
om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld
hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt is overgelegd,
hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd.
2.Bewijs van volmacht kan niet
worden verlangd, indien de volmacht door de volmachtgever ter
kennis van de wederpartij was gebracht, indien zij op een door wet
of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt, of indien zij
voortvloeit uit een aanstelling waarmede de wederpartij bekend is.
Artikel 72
Een volmacht eindigt:
a. door de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de volmachtgever of
het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;
b. door de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de gevolmachtigde
of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij anders is
bepaald;
c. door herroeping door de
volmachtgever;
d. door opzegging door de
gevolmachtigde.
Artikel 73
1.Niettegenstaande de dood of de
ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de
gevolmachtigde bevoegd de rechtshandelingen te verrichten, die
nodig zijn voor het beheer van een onderneming.
2.Niettegenstaande de dood of de
ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de
gevolmachtigde bevoegd rechtshandelingen te verrichten, die niet
zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Hetzelfde geldt indien de
gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd.
3.De in de vorige leden vermelde
bevoegdheid eindigt een jaar na het overlijden, de
ondercuratelestelling of de opzegging.
Artikel 74
1.Voor zover een volmacht strekt
tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de
gevolmachtigde of van een derde, kan worden bepaald dat zij
onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt door de dood of
ondercuratelestelling van de volmachtgever. Eerstgenoemde bepaling
sluit, tenzij anders blijkt, de tweede in.
2.Bevat de volmacht een bepaling
als in het vorige lid bedoeld, dan mag de wederpartij aannemen dat
het aldaar voor de geldigheid van die bepaling gestelde vereiste
vervuld is, tenzij het tegendeel voor haar duidelijk kenbaar is.
3.Tenzij anders is bepaald, kan de
gevolmachtigde een overeenkomstig het eerste lid onherroepelijk
verleende volmacht ook buiten de in artikel 64 genoemde gevallen
aan een ander verlenen.
4.De rechtbank kan op verzoek van
de volmachtgever, of van een erfgenaam of de curator van de
volmachtgever, een bepaling als in het eerste lid bedoeld wegens
gewichtige redenen wijzigen of buiten werking stellen.
Artikel 75
1.Na het einde van de volmacht moet
de gevolmachtigde desgevorderd geschriften waaruit de volmacht
blijkt, teruggeven of toestaan dat de volmachtgever daarop
aantekent dat de volmacht is geëindigd. In geval van een bij
notariële akte verleende volmacht tekent de notaris die de minuut
onder zijn berusting heeft, op verzoek van de volmachtgever het
einde van de volmacht daarop aan.
2.Wanneer te vrezen is dat een
gevolmachtigde van een volmacht ondanks haar einde gebruik zal
maken, kan de volmachtgever zich wenden tot de
voorzieningenrechter van de rechtbank met verzoek de wijze van
bekendmaking van het einde van de volmacht te bepalen, die ten
gevolge zal hebben dat het tegen een ieder kan worden ingeroepen.
Tegen een toewijzende beschikking krachtens dit lid is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 76
1.Een oorzaak die de volmacht heeft
doen eindigen, kan tegenover een wederpartij die noch van het
einde van de volmacht, noch van die oorzaak kennis droeg, slechts
worden ingeroepen:
a. indien het einde van de
volmacht of de oorzaak die haar heeft doen eindigen aan de
wederpartij was medegedeeld of was bekend gemaakt op een wijze
die krachtens wet of verkeersopvattingen meebrengt dat de
volmachtgever het einde van de volmacht aan de wederpartij kan
tegenwerpen;
b. indien de dood van de
volmachtgever van algemene bekendheid was;
c. indien de aanstelling of
tewerkstelling, waaruit de volmacht voortvloeide, op een voor
derden kenbare wijze was beëindigd;
d. indien de wederpartij van de
volmacht op geen andere wijze had kennis gekregen dan door een
verklaring van de gevolmachtigde.
2.In de gevallen van het vorige lid
is de gevolmachtigde die voortgaat op naam van de volmachtgever te
handelen, tot schadevergoeding gehouden jegens de wederpartij die
van het einde van de volmacht geen kennis droeg. Hij is niet
aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te weten dat de
volmacht was geëindigd.
Artikel 77
Wordt ondanks de dood van de
volmachtgever krachtens de volmacht een geldige rechtshandeling
verricht, dan worden de erfgenamen van de volmachtgever en de
wederpartij gebonden alsof de handeling bij het leven van de
volmachtgever was verricht.
Artikel 78
Wanneer iemand optreedt als
vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, zijn de artikelen
63, lid 1, 66, lid 1, 67, 69, 70, 71 en 75 lid 2 van overeenkomstige
toepassing, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.
Artikel 79
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de
aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Titel 4. Verkrijging en verlies van
goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 80
1.Men kan goederen onder algemene
en onder bijzondere titel verkrijgen.
2.Men verkrijgt goederen onder
algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door fusie
als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 en door splitsing als
bedoeld in artikel 334a van Boek 2.
3.Men verkrijgt goederen onder
bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door
onteigening, en voorts op de overige in de wet voor iedere soort
aangegeven wijzen van rechtsverkrijging.
4.Men verliest goederen op de voor
iedere soort in de wet aangegeven wijzen.
Artikel 81
1.Hij aan wie een zelfstandig en
overdraagbaar recht toekomt, kan binnen de grenzen van dat recht
de in de wet genoemde beperkte rechten vestigen. Hij kan ook zijn
recht onder voorbehoud van een zodanig beperkt recht overdragen,
mits hij de voorschriften zowel voor overdracht van een zodanig
goed, als voor vestiging van een zodanig beperkt recht in acht
neemt.
2.Beperkte rechten gaan teniet
door:
a. het tenietgaan van het recht
waaruit het beperkte recht is afgeleid;
b. verloop van de tijd
waarvoor, of de vervulling van de ontbindende voorwaarde
waaronder het beperkte recht is gevestigd;
c. afstand;
d. opzegging, indien de
bevoegdheid daartoe bij de wet of bij de vestiging van het
recht aan de hoofdgerechtigde, aan de beperkt gerechtigde of
aan beiden is toegekend;
e. vermenging;
en voorts op de overige in de wet
voor iedere soort aangegeven wijzen van tenietgaan.
3.Afstand en vermenging werken niet
ten nadele van hen die op het tenietgaande beperkte recht op hun
beurt een beperkt recht hebben. Vermenging werkt evenmin ten
voordele van hen die op het bezwaarde goed een beperkt recht
hebben en het tenietgaande recht moesten eerbiedigen.
Artikel 82
Afhankelijke rechten volgen het recht
waaraan zij verbonden zijn.
Afdeling 2. Overdracht van goederen
en afstand van beperkte rechten
Artikel 83
1.Eigendom, beperkte rechten en
vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van
het recht zich tegen een overdracht verzet.
2.De overdraagbaarheid van
vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en
schuldenaar worden uitgesloten.
3.Alle andere rechten zijn slechts
overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.
Artikel 84
1.Voor overdracht van een goed
wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door
hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
2.Bij de titel moet het goed met
voldoende bepaaldheid omschreven zijn.
3.Een rechtshandeling die ten doel
heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking
mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger
te doen vallen, is geen geldige titel van overdracht van dat goed.
4.Wordt ter uitvoering van een
voorwaardelijke verbintenis geleverd, dan wordt slechts een recht
verkregen, dat aan dezelfde voorwaarde als die verbintenis is
onderworpen.
Artikel 85
1.Een verbintenis strekkende tot
overdracht van een goed voor een bepaalde tijd, wordt aangemerkt
als een verbintenis tot vestiging van een vruchtgebruik op het
goed voor de gestelde tijd.
2.Een verbintenis strekkende tot
overdracht van een goed onder opschortende tijdsbepaling, wordt
aangemerkt als een verbintenis tot onmiddellijke overdracht van
het goed met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de
vervreemder op het goed voor de gestelde tijd.
Artikel 86
1.Ondanks onbevoegdheid van de
vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93
van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder
of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt
en de verkrijger te goeder trouw is.
2.Rust op een in het vorige lid
genoemd goed dat overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 anders dan om
niet wordt overgedragen, een beperkt recht dat de verkrijger op
dit tijdstip kent noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht,
in het geval van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder
dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is.
3.Niettemin kan de eigenaar van een
roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren,
deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal
af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke
persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf
handelde, is verkregen van een vervreemder die van het
verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan
als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde
bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een
gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond,
en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of
b. het geld dan wel toonder- of
orderpapier betreft.
4.Op de in het vorige lid bedoelde
termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende de stuiting
van de verjaring van een rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 86a
1.Artikel 86 kan niet worden
tegengeworpen aan een lid-staat van de Europese Unie of aan een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte die een roerende zaak opeist, die
krachtens de nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is
in de zin van artikel 1, onder 1, van richtlijn nr. 93/7/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993
betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige
wijze buiten het grondgebied van een lid-staat zijn gebracht (PbEG
L 74), mits die zaak in de zin van die richtlijn op onrechtmatige
wijze buiten het grondgebied van die staat is gebracht.
2.Artikel 86 kan evenmin worden
tegengeworpen aan degene die als eigenaar een roerende zaak
opeist, die op het tijdstip waarop hij het bezit daarvan verloor,
krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit als beschermd
voorwerp was aangewezen of waarvan het buiten Nederland brengen op
grond van artikel 14a van die wet verboden is. Degene die toen op
de lijst waarop het beschermde voorwerp was geplaatst of op een
inventarislijst, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van die wet,
als eigenaar werd vermeld, wordt vermoed toen eigenaar van de zaak
geweest te zijn.
3.De rechter die een vordering als
bedoeld in lid 1 toewijst, kent aan de bezitter een naar gelang
van de omstandigheden vast te stellen billijke vergoeding toe,
indien deze bij de verkrijging van de zaak de nodige
zorgvuldigheid heeft betracht. Hetzelfde geldt indien de rechter
een vordering als bedoeld in lid 2 toewijst, tenzij opeising
zonder vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3
mogelijk zou zijn geweest.
4.De vergoeding omvat in elk geval
hetgeen aan de bezitter verschuldigd is krachtens de artikelen 120
en 121. Zij wordt bij afgifte van de zaak uitgekeerd.
Artikel 86b
1. Artikel 86 kan niet worden
tegengeworpen aan een verdragsstaat van de op 14 november 1970 te
Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake de middelen om de
onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele
goederen te verbieden en te verhinderen, noch aan de
rechthebbende, indien zij op grond van artikel 4 van de
Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer,
uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen een
rechtsvordering als bedoeld in artikel 1011a van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering tot teruggave van een roerende zaak
als bedoeld in dat artikel instellen.
2. De rechter die een vordering als
bedoeld in het voorgaande lid toewijst, kent aan de bezitter een
naar gelang van de omstandigheden vast te stellen billijke
vergoeding toe, indien deze bij de verkrijging van de zaak de
nodige zorgvuldigheid heeft betracht, tenzij opeising zonder
vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3 mogelijk zou
zijn geweest.
3. De vergoeding omvat in elk geval
hetgeen aan de bezitter verschuldigd is krachtens de artikelen 120
en 121. Zij wordt bij afgifte van de zaak uitgekeerd.
Artikel 87
1. Een verkrijger die binnen drie
jaren na zijn verkrijging gevraagd wordt wie het goed aan hem
vervreemdde, dient onverwijld de gegevens te verschaffen, die
nodig zijn om deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn
verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Indien hij niet aan
deze verplichting voldoet, kan hij de bescherming die de artikelen
86, 86a en 86b aan een verkrijger te goeder trouw bieden, niet
inroepen.
2. Het vorige lid is niet van
toepassing ten aanzien van geld.
Artikel 87a
1. Om vast te stellen of de
bezitter bij de verkrijging van een cultuurgoed als bedoeld in
artikel 1 onder d van de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake
onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van
cultuurgoederen, de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, wordt
rekening gehouden met alle omstandigheden van de verwerving, met
name
a. de hoedanigheid van de
partijen;
b. de betaalde prijs;
c. het feit of de bezitter elk
redelijkerwijs toegankelijk register met betrekking tot
gestolen cultuurgoederen en elke andere relevante informatie
en documentatie die hij redelijkerwijs zou kunnen hebben
verkregen, heeft geraadpleegd, en het feit of de bezitter
toegankelijke instanties heeft geraadpleegd;
d. het feit of de bezitter alle
andere stappen heeft genomen die een redelijk handelende
persoon in die omstandigheden zou hebben genomen.
2. Een handelaar als bedoeld in
artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht heeft niet de volgens
artikel 86b lid 2 bij de verkrijging van een cultuurgoed nodige
zorgvuldigheid betracht, indien hij heeft nagelaten
a. zich te vergewissen van de
identiteit van de verkoper
b. van de verkoper een
schriftelijke verklaring te verlangen dat hij bevoegd is over
de zaak te beschikken;
c. in het door hem bij te
houden register de oorsprong van het cultuurgoed, de namen en
het adres van de verkoper, de aan de verkoper betaalde
koopprijs en een beschrijving van het cultuurgoed op te nemen;
d. de registers met betrekking
tot gestolen cultuurgoederen te raadplegen die in de gegeven
omstandigheden in verband met de aard van de cultuurgoederen
voor raadpleging in aanmerking komen.
3. Een veilinghouder die bij het
aannemen van een cultuurgoed ter openbare verkoop niet aan de in
de leden 1 en 2 bedoelde zorgvuldigheidseisen voldoet dan wel dit
cultuurgoed aan degene die het ter openbare verkoop aanbood,
teruggeeft zonder aan deze zorgvuldigheidseisen te hebben voldaan,
handelt onrechtmatig jegens degenen die een vordering tot
teruggave als bedoeld in artikel 86b kunnen instellen.
Artikel 88
1. Ondanks onbevoegdheid van de
vervreemder is een overdracht van een registergoed, van een recht
op naam, of van een ander goed waarop artikel 86 niet van
toepassing is, geldig, indien de verkrijger te goeder trouw is en
de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere
overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de
toenmalige vervreemder.
2. Lid 1 kan niet worden
tegengeworpen aan vorderingen als bedoeld in de artikelen 86a
leden 1 en 2 en 86b lid 1.
Artikel 89
1.De voor overdracht van onroerende
zaken vereiste levering geschiedt door een daartoe bestemde,
tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de
inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers.
Zowel de verkrijger als de vervreemder kan de akte doen
inschrijven.
2.De tot levering bestemde akte
moet nauwkeurig de titel van overdracht vermelden; bijkomstige
bedingen die niet de overdracht betreffen, kunnen in de akte
worden weggelaten.
3.Treedt bij een akte van levering
iemand als gevolmachtigde van een der partijen op, dan moet in de
akte de volmacht nauwkeurig worden vermeld.
4.Het in dit artikel bepaalde vindt
overeenkomstige toepassing op de levering, vereist voor de
overdracht van andere registergoederen.
Artikel 90
1.De levering vereist voor de
overdracht van roerende zaken, niet-registergoederen, die in de
macht van de vervreemder zijn, geschiedt door aan de verkrijger
het bezit der zaak te verschaffen.
2.Blijft de zaak na de levering in
handen van de vervreemder, dan werkt de levering tegenover een
derde die een ouder recht op de zaak heeft, eerst vanaf het
tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen,
tenzij de oudere gerechtigde met vervreemding heeft ingestemd.
Artikel 91
De levering van in het vorige artikel
bedoelde zaken ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht
onder opschortende voorwaarde, geschiedt door aan de verkrijger de
macht over de zaak te verschaffen.
Artikel 92
1.Heeft een overeenkomst de
strekking dat de een zich de eigendom van een zaak die in de macht
van de ander wordt gebracht, voorbehoudt totdat een door de ander
verschuldigde prestatie is voldaan, dan wordt hij vermoed zich te
verbinden tot overdracht van de zaak aan de ander onder
opschortende voorwaarde van voldoening van die prestatie.
2.Een eigendomsvoorbehoud kan
slechts geldig worden bedongen ter zake van vorderingen
betreffende de tegenprestatie voor door de vervreemder aan de
verkrijger krachtens overeenkomst geleverde of te leveren zaken of
krachtens een zodanige overeenkomst tevens ten behoeve van de
verkrijger verrichte of te verrichten werkzaamheden, alsmede ter
zake van de vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming van
zodanige overeenkomsten. Voor zover een voorwaarde op deze grond
nietig is, wordt zij voor ongeschreven gehouden.
3.Een voorwaarde als in lid 1
bedoeld wordt voor vervuld gehouden, wanneer de vervreemder op
enige andere wijze dan door voldoening van de tegenprestatie wordt
bevredigd, wanneer de verkrijger van zijn verplichting daartoe
wordt bevrijd uit hoofde van artikel 60 van Boek 6, of wanneer de
verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie is
voltooid. Behoudens afwijkend beding, geldt hetzelfde bij afstand
van het recht op de tegenprestatie.
Artikel 92a [Vervallen per
01-05-2008]
Artikel 93
De levering, vereist voor de
overdracht van een recht aan toonder waarvan het toonderpapier in de
macht van de vervreemder is, geschiedt door de levering van dit
papier op de wijze en met de gevolgen als aangegeven in de artikelen
90, 91 en 92. Voor overdracht van een recht aan order, waarvan het
orderpapier in de macht van de vervreemder is, geldt hetzelfde, met
dien verstande dat voor de levering tevens endossement vereist is.
Artikel 94
1.Buiten de in het vorige artikel
geregelde gevallen worden tegen een of meer bepaalde personen uit
te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte, en
mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of
verkrijger.
2.De levering van een tegen een
bepaalde, doch op de dag waarop de akte wordt opgemaakt onbekende
persoon uit te oefenen recht dat op die dag aan de vervreemder
toebehoort, werkt terug tot die dag, indien de mededeling met
bekwame spoed wordt gedaan, nadat die persoon bekend is geworden.
3.Deze rechten kunnen ook worden
geleverd door een daartoe bestemde authentieke of geregistreerde
onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen
wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op
het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen
worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De
levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen wie
deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling daarvan
aan die personen door de vervreemder of de verkrijger. Voor de
verkrijger van een recht dat overeenkomstig de eerste zin is
geleverd, geldt artikel 88 lid 1 slechts, indien hij te goeder
trouw is op het tijdstip van de in tweede zin bedoelde mededeling.
4.De personen tegen wie het recht
moet worden uitgeoefend, kunnen verlangen dat hun een door de
vervreemder gewaarmerkt uittreksel van de akte en haar titel wordt
ter hand gesteld. Bedingen die voor deze personen van geen belang
zijn, behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel
geen akte opgemaakt, dan moet hun de inhoud, voor zover voor hen
van belang, schriftelijk worden medegedeeld.
Artikel 95
Buiten de in de artikelen 89-94
geregelde gevallen en behoudens het in de artikelen 96 en 98
bepaalde, worden goederen geleverd door een daartoe bestemde akte.
Artikel 96
De levering van een aandeel in een
goed geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige
gevolgen als is bepaald met betrekking tot levering van dat goed.
Artikel 97
1.Toekomstige goederen kunnen bij
voorbaat worden geleverd, tenzij het verboden is deze tot
onderwerp van een overeenkomst te maken of het registergoederen
zijn.
2.Een levering bij voorbaat van een
toekomstig goed werkt niet tegen iemand die het goed ingevolge een
eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Betreft het een
roerende zaak, dan werkt zij jegens deze vanaf het tijdstip dat de
zaak in handen van de verkrijger is gekomen.
Artikel 98
Tenzij de wet anders bepaalt, vindt
al hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is
bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht
en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed.
Afdeling 3. Verkrijging en verlies
door verjaring
Artikel 99
1. Rechten op roerende zaken die
niet-registergoederen zijn, en rechten aan toonder of order worden
door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken
bezit van drie jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit
van tien jaren.
2. Lid 1 geldt niet voor roerende
zaken die krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit als
beschermd voorwerp zijn aangewezen of deel uitmaken van een
openbare collectie of van een inventarislijst als bedoeld in
artikel 14a, tweede lid, van die wet, mits het bezit na die
aanwijzing of gedurende dit deel uitmaken is begonnen.
3. Lid 1 kan niet worden
tegengeworpen aan vorderingen als bedoeld in de artikelen 86a lid
1 en 86b lid 1.
Artikel 100
Hij die een nalatenschap in bezit
heeft genomen, kan die nalatenschap en de daartoe behorende goederen
niet eerder door verjaring ten nadele van de rechthebbende
verkrijgen dan nadat diens rechtsvordering tot opeising van die
nalatenschap is verjaard.
Artikel 101
Een verjaring begint te lopen met de
aanvang van de dag na het begin van het bezit.
Artikel 102
1.Hij die een ander onder algemene
titel in het bezit opvolgt, zet een lopende verjaring voort.
2.Hetzelfde doet de bezitter te
goeder trouw die het bezit van een ander anders dan onder algemene
titel heeft verkregen.
Artikel 103
Onvrijwillig bezitsverlies
onderbreekt de loop der verjaring niet, mits het bezit binnen het
jaar wordt terugverkregen of een binnen het jaar ingestelde
rechtsvordering tot terugverkrijging van het bezit leidt.
Artikel 104
1.Wanneer de verjaring van de
rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt
gestuit of verlengd, wordt daarmede de verkrijgende verjaring
dienovereenkomstig gestuit of verlengd.
2.In dit en de beide volgende
artikelen wordt onder verjaring van een rechtsvordering de
verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de
uitspraak waarbij de eis is toegewezen, begrepen.
Artikel 105
1.Hij die een goed bezit op het
tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot
beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook
al was zijn bezit niet te goeder trouw.
2.Heeft iemand vóór dat tijdstip
het bezit onvrijwillig verloren, maar het na dat tijdstip, mits
binnen het jaar na het bezitsverlies of uit hoofde van een binnen
dat jaar ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij
als de bezitter op het in het vorige lid aangegeven tijdstip
aangemerkt.
Artikel 106
Wanneer de verjaring van de
rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de
hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht
strijdige toestand wordt voltooid, gaat het beperkte recht teniet,
voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet.
Titel 5. Bezit en houderschap
Artikel 107
1.Bezit is het houden van een goed
voor zichzelf.
2.Bezit is onmiddellijk, wanneer
iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt.
3.Bezit is middellijk, wanneer
iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem
houdt.
4.Houderschap is op overeenkomstige
wijze onmiddellijk of middellijk.
Artikel 108
Of iemand een goed houdt en of hij
dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar
verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende
regels en overigens op grond van uiterlijke feiten.
Artikel 109
Wie een goed houdt, wordt vermoed dit
voor zichzelf te houden.
Artikel 110
Bestaat tussen twee personen een
rechtsverhouding die de strekking heeft dat hetgeen de ene op
bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor de ander zal worden
gehouden, dan houdt de ene het ter uitvoering van die
rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander.
Artikel 111
Wanneer men heeft aangevangen
krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, gaat men
daarmede onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin
verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van
hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van
diens recht.
Artikel 112
Bezit wordt verkregen door
inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene
titel.
Artikel 113
1.Men neemt een goed in bezit door
zich daarover de feitelijke macht te verschaffen.
2.Wanneer een goed in het bezit van
een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen
voor een inbezitneming onvoldoende.
Artikel 114
Een bezitter draagt zijn bezit over
door de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen, die
hij zelf over het goed kon uitoefenen.
Artikel 115
Voor de overdracht van het bezit is
een tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende:
a. wanneer de vervreemder de zaak
bezit en hij haar krachtens een bij de levering gemaakt beding
voortaan voor de verkrijger houdt;
b. wanneer de verkrijger houder
van de zaak voor de vervreemder was;
c. wanneer een derde voor de
vervreemder de zaak hield, en haar na de overdracht voor de
ontvanger houdt. In dit geval gaat het bezit niet over voordat
de derde de overdracht heeft erkend, dan wel de vervreemder of
de verkrijger de overdracht aan hem heeft medegedeeld.
Artikel 116
Hij die onder een algemene titel een
ander opvolgt, volgt daarmede die ander op in diens bezit en
houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan.
Artikel 117
1.Een bezitter van een goed
verliest het bezit, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of
wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt.
2.Zolang niet een der in het vorige
lid genoemde gronden van bezitsverlies zich heeft voorgedaan,
duurt een aangevangen bezit voort.
Artikel 118
1.Een bezitter is te goeder trouw,
wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook
redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen.
2.Is een bezitter eenmaal te goeder
trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven.
3.Goede trouw wordt vermoed
aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden
bewezen.
Artikel 119
1.De bezitter van een goed wordt
vermoed rechthebbende te zijn.
2.Ten aanzien van registergoederen
wijkt dit vermoeden, wanneer komt vast te staan dat de wederpartij
of diens rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat
de bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder
bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is.
Artikel 120
1.Aan een bezitter te goeder trouw
behoren de afgescheiden natuurlijke en de opeisbaar geworden
burgerlijke vruchten toe.
2.De rechthebbende op een goed, die
dit opeist van een bezitter te goeder trouw of die het van deze
heeft terugontvangen, is verplicht de ten behoeve van het goed
gemaakte kosten alsmede de schade waarvoor de bezitter op grond
van het in titel 3 van Boek 6 bepaalde uit hoofde van zijn bezit
jegens derden aansprakelijk mocht zijn, aan deze te vergoeden,
voor zover de bezitter niet door de vruchten van het goed en de
overige voordelen die hij ter zake heeft genoten, voor het een en
ander is schadeloos gesteld. De rechter kan de verschuldigde
vergoeding beperken, indien volledige vergoeding zou leiden tot
onbillijke bevoordeling van de bezitter jegens de rechthebbende.
3.Zolang een bezitter te goeder
trouw de hem verschuldigde vergoeding niet heeft ontvangen, is hij
bevoegd de afgifte van het goed op te schorten.
4.Het in dit artikel bepaalde is
ook van toepassing op hem die meent en mocht menen dat hij het
bezit rechtmatig heeft verkregen, ook al weet hij dat de
handelingen die voor de levering van het recht nodig zijn, niet
hebben plaatsgevonden.
Artikel 121
1.Een bezitter die niet te goeder
trouw is, is jegens de rechthebbende behalve tot afgifte van het
goed ook verplicht tot het afgeven van de afgescheiden natuurlijke
en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, onverminderd zijn
aansprakelijkheid op grond van het in titel 3 van Boek 6 bepaalde
voor door de rechthebbende geleden schade.
2.Hij heeft tegen de rechthebbende
alleen een vordering tot vergoeding van de kosten die hij ten
behoeve van het goed of tot winning van de vruchten heeft gemaakt,
voor zover hij deze vergoeding van de rechthebbende kan vorderen
op grond van het bepaalde omtrent ongerechtvaardigde verrijking.
3.Het in dit artikel bepaalde is
ook op de bezitter te goeder trouw van toepassing vanaf het
tijdstip waarop de rechthebbende zijn recht tegen hem heeft
ingeroepen.
Artikel 122
Indien de rechthebbende ter
bevrijding van de door hem ingevolge de beide vorige artikelen
verschuldigde vergoedingen op zijn kosten het goed aan de bezitter
wil overdragen, is de bezitter gehouden hieraan mede te werken.
Artikel 123
Heeft de bezitter van een zaak
daaraan veranderingen of toevoegingen aangebracht, dan is hij
bevoegd om, in plaats van de hem op grond van de artikelen 120 en
121 daarvoor toekomende vergoeding te vorderen, deze veranderingen
of toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude toestand
terugbrengt.
Artikel 124
Wanneer iemand een goed voor een
ander houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt
opgeëist, vindt hetgeen in de voorgaande vier artikelen omtrent de
bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met inachtneming
van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander stond.
Artikel 125
1.Hij die het bezit van een goed
heeft verkregen, kan op grond van een daarna ingetreden
bezitsverlies of bezitsstoornis tegen derden dezelfde
rechtsvorderingen instellen tot terugverkrijging van het goed en
tot opheffing van de stoornis, die de rechthebbende op het goed
toekomen. Nochtans moeten deze rechtsvorderingen binnen het jaar
na het verlies of de stoornis worden ingesteld.
2.De vordering wordt afgewezen,
indien de gedaagde een beter recht dan de eiser heeft tot het
houden van het goed of de storende handelingen krachtens een beter
recht heeft verricht, tenzij de gedaagde met geweld of op
heimelijke wijze aan de eiser het bezit heeft ontnomen of diens
bezit heeft gestoord.
3.Het in dit artikel bepaalde laat
voor de bezitter, ook nadat het in het eerste lid bedoelde jaar is
verstreken, en voor de houder onverlet de mogelijkheid een
vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen, indien
daartoe gronden zijn.
Titel 6. Bewind
Artikel 126
[Gereserveerd.]
Titel 7. Gemeenschap
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 166
1.Gemeenschap is aanwezig, wanneer
een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten
gezamenlijk.
2.De aandelen van de deelgenoten
zijn gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit.
3.Op de rechtsbetrekkingen tussen
de deelgenoten is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 167
Goederen die geacht moeten worden in
de plaats van een gemeenschappelijk goed te treden behoren tot de
gemeenschap.
Artikel 168
1.De deelgenoten kunnen het genot,
het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij
overeenkomst regelen.
2.Voor zover een overeenkomst
ontbreekt, kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede
partij een zodanige regeling treffen, zo nodig met
onderbewindstelling van de goederen. Hij houdt daarbij naar
billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met
het algemeen belang.
3.Een bestaande regeling kan op
verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter wegens
onvoorziene omstandigheden gewijzigd of buiten werking gesteld
worden.
4.Een regeling is ook bindend voor
de rechtverkrijgenden van een deelgenoot.
5.Op een overeenkomstig lid 2
ingesteld bewind zijn, voor zover de kantonrechter niet anders
heeft bepaald, de artikelen 154, 157 tot en met 166, 168, 172, 173
en 174 van Boek 4, van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4
bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden
anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4
bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het kan
door een gezamenlijk besluit van de deelgenoten of op verzoek van
een hunner door de kantonrechter worden opgeheven.
Artikel 169
Tenzij een regeling anders bepaalt,
is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een
gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de
overige deelgenoten te verenigen is.
Artikel 170
1.Handelingen dienende tot gewoon
onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het
algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door
ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder
van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te
stuiten.
2.Voor het overige geschiedt het
beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders
bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de
normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het
aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties.
3.Tot andere handelingen
betreffende een gemeenschappelijk goed dan in de vorige leden
vermeld, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.
Artikel 171
Tenzij een regeling anders bepaalt,
is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen
en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een
rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling
die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit,
tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.
Artikel 172
Tenzij een regeling anders bepaalt,
delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de
vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed
oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de
uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten
behoeve van de gemeenschap zijn verricht.
Artikel 173
Ieder der deelgenoten kan van degene
onder hen die voor de overigen beheer heeft gevoerd, jaarlijks en in
ieder geval bij het einde van het beheer rekening en verantwoording
vorderen.
Artikel 174
1.De rechter die ter zake van een
vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige
vordering reeds aanhangig is kan een deelgenoot op diens verzoek
ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de
gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen
machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed.
Indien een deelgenoot voor wie een te verkopen goed een bijzondere
waarde heeft, bereid is het goed tegen vergoeding van de geschatte
waarde over te nemen, kan de voormelde rechter deze overneming
bevelen.
2.De in lid 1 bedoelde rechter kan
een deelgenoot op diens verzoek machtigen een gemeenschappelijk
goed te bezwaren met een recht van pand of hypotheek tot zekerheid
voor de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap
komende schuld die reeds bestaat of waarvan het aangaan geboden is
voor het behoud van een goed der gemeenschap.
Artikel 175
1.Tenzij uit de rechtsverhouding
tussen de deelgenoten anders voortvloeit, kan ieder van hen over
zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed beschikken.
2.Indien uit de rechtsverhouding
tussen de deelgenoten voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller
toestemming, bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, zijn de
leden 3 en 4 van artikel 168 van overeenkomstige toepassing.
3.De schuldeisers van een
deelgenoot kunnen zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed
uitwinnen. Na de uitwinning van een aandeel kunnen beperkingen van
de bevoegdheid om over de aandelen te beschikken niet worden
ingeroepen tussen de verkrijger van dat aandeel en de overige
deelgenoten.
Artikel 176
1.De verkrijger van een aandeel of
een beperkt recht daarop moet van de verkrijger onverwijld
mededeling doen aan de overige deelgenoten of aan degene die door
de deelgenoten of de rechter met het beheer over het goed is
belast.
2.Een overgedragen aandeel wordt
verkregen onder de last aan de gemeenschap te vergoeden hetgeen de
vervreemder haar schuldig was. Vervreemder en verkrijger zijn
hoofdelijk voor deze vergoeding aansprakelijk. De verkrijger kan
zich aan deze verplichting onttrekken door zijn aandeel op zijn
kosten aan de overige deelgenoten over te dragen; dezen zijn
verplicht aan een zodanige overdracht mede te werken.
3.De vorige leden zijn niet van
toepassing bij uitwinning van de gezamenlijke aandelen in een
gemeenschappelijk goed.
Artikel 177
1.Wordt een gemeenschappelijk goed
verdeeld of overgedragen, terwijl op het aandeel van een
deelgenoot een beperkt recht rust, dan komt dat recht te rusten op
het goed voor zover dit door die deelgenoot wordt verkregen, en
wordt het goed voor het overige van dat recht bevrijd,
onverminderd hetgeen de beperkt gerechtigde of de deelgenoot op
wiens aandeel zijn recht rust, krachtens hun onderlinge verhouding
van de onder wegens een door deze aldus ontvangen overwaarde heeft
te vorderen.
2.Een verdeling, alsmede een
overdracht waartoe de deelgenoten zich na bezwaring met het
beperkte recht hebben verplicht, behoeft de medewerking van de
beperkt gerechtigde.
3.Een bij toedeling van het goed
aan de in het eerste lid genoemde deelgenoot bedongen recht van
pand of hypotheek tot waarborg van hetgeen hij aan een of meer der
deelgenoten ten gevolge van de verdeling schuldig is of mocht
worden, heeft, mits het gelijktijdig met de levering van het hem
toegedeelde daarop wordt gevestigd, voorrang boven een beperkt
recht dat een deelgenoot tevoren op zijn aandeel had gevestigd.
Artikel 178
1.Ieder der deelgenoten, alsmede
hij die een beperkt recht op een aandeel heeft, kan te allen tijde
verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de
aard van de gemeenschap of uit het in de volgende leden bepaalde
anders voortvloeit.
2.Op verlangen van een deelgenoot
kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is,
bepalen dat alle of sommige opeisbare schulden die voor rekening
van de gemeenschap komen, moeten worden voldaan alvorens tot de
verdeling wordt overgegaan.
3.Indien de door een onmiddellijke
verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten
aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling
worden gediend, kan de rechter voor wie een vordering tot
verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of
meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot
verdeling uitsluiten.
4.Indien geen vordering tot
verdeling aanhangig is, kan een beslissing als bedoeld in de leden
2 en 3 op verzoek van ieder van de deelgenoten worden gegeven door
de rechter die ter zake van de vordering tot verdeling bevoegd zou
zijn.
5.Zij die bevoegd zijn verdeling te
vorderen, kunnen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij
overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaren, uitsluiten. De
leden 3 en 4 van artikel 168 zijn op een zodanige overeenkomst van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 179
1.Indien verdeling van een
gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan ieder der deelgenoten
verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de
voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling
worden begrepen, tenzij er gewichtige redenen zijn voor een
gedeeltelijke verdeling. Van de verdeling worden die goederen
uitgezonderd, die wegens een der in artikel 178 genoemde gronden
onverdeeld moeten blijven.
2.De omstandigheid dat bij een
verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, heeft alleen ten
gevolge dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd.
3.Op de toedeling van een schuld is
afdeling 3 van titel 2 van Boek 6 van toepassing.
Artikel 180
1.Een schuldeiser die een opeisbare
vordering op een deelgenoot heeft, kan verdeling van de
gemeenschap vorderen, doch niet verder dan nodig is voor het
verhaal van zijn vordering. Artikel 178 lid 3 is van toepassing.
2.Heeft een schuldeiser een bevel
tot verdeling van de gemeenschap verkregen dan behoeft de
verdeling zijn medewerking.
Artikel 181
1.Voor het geval dat deelgenoten of
zij wier medewerking vereist is, niet medewerken tot een verdeling
nadat deze bij rechterlijke uitspraak is bevolen, benoemt de
rechter die in eerste aanleg van de vordering tot verdeling heeft
kennis genomen, indien deze benoeming niet reeds bij die uitspraak
heeft plaatsgehad, op verzoek van de meest gerede partij een
onzijdig persoon die hen bij de verdeling vertegenwoordigt en
daarbij hun belangen naar eigen beste inzicht behartigt. Hebben
degenen die niet medewerken tegenstrijdige belangen, dan wordt
voor ieder van hen een onzijdig persoon benoemd.
2.Een onzijdig persoon is verplicht
hetgeen aan de door hem vertegenwoordigde persoon ingevolge de
verdeling toekomt, voor deze in ontvangst te nemen en daarover tot
de afgifte aan de rechthebbende op de voet van artikel 410 van
Boek 1 het bewind te voeren.
3.De beloning die de onzijdige
persoon ten laste van de rechthebbende toekomt, wordt op zijn
verzoek vastgesteld door de rechter die hem benoemde.
Artikel 182
Als een verdeling wordt aangemerkt
iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon,
hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer
van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de
overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling,
indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de
gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet
voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.
Artikel 183
1.De verdeling kan geschieden op de
wijze en in de vorm die partijen goeddunkt, mits de deelgenoten en
zij wier medewerking vereist is, allen het vrije beheer over hun
goederen hebben en in persoon of bij een door hen aangewezen
vertegenwoordiger medewerken, dan wel in geval van bewind over hun
recht, worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder, voorzien van
de daartoe vereiste toestemming of machtiging.
2.In andere gevallen moet, tenzij
de rechter anders bepaalt, de verdeling geschieden bij notariële
akte en worden goedgekeurd door de kantonrechter die bevoegd is de
wettelijke vertegenwoordiger van degene die het vrije beheer over
zijn goederen mist, tot beschikkingshandelingen te machtigen.
Artikel 184
1.Ieder der deelgenoten kan bij een
verdeling verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot
wordt toegerekend hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is. De
toerekening geschiedt ongeacht de gegoedheid van de schuldenaar.
Is het een schuld onder tijdsbepaling, dan wordt zij voor haar
contante waarde op het tijdstip der verdeling toegerekend.
2.Het vorige lid is niet van
toepassing op schulden onder een opschortende voorwaarde die nog
niet vervuld is.
Artikel 185
1.Voor zover de deelgenoten en zij
wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot
overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest
gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf
de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de
belangen van partijen als met het algemeen belang.
2.Als wijzen van verdeling komen
daarbij in aanmerking:
a. toedeling van een gedeelte
van het goed aan ieder der deelgenoten;
b. overbedeling van een of meer
deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde;
c. verdeling van de
netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat
dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht.
3.Zo nodig kan de rechter bepalen
dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of ten dele
in termijnen mag voldoen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden
dat zekerheid tot een door hem bepaald bedrag en van een door hem
bepaalde aard wordt gesteld.
Artikel 186
1.Voor de overgang van het aan
ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op
dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.
2.Hetgeen een deelgenoot verkrijgt,
houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit
tezamen vóór de verdeling hielden.
Artikel 187
1.De papieren en bewijzen van
eigendom, tot de toegedeelde goederen behorende, worden
overgegeven aan hem, aan wie de goederen zijn toegedeeld.
2.Algemene boedelpapieren en
stukken als bedoeld in lid 1, die betrekking hebben op aan meer
deelgenoten toegedeelde goederen, verblijven bij hem die de
meerderheid der betrokken deelgenoten daartoe heeft benoemd, onder
verplichting aan de overige deelgenoten inzage, en zo iemand dit
verlangt, afschriften of uittreksels op diens kosten af te geven.
3.Bij gebreke van een meerderheid
als bedoeld in het vorige lid geschiedt de daar bedoelde benoeming
op verlangen van een deelgenoot door de rechter die de verdeling
vaststelt, of in andere gevallen op verzoek van een deelgenoot
door de kantonrechter. Tegen een beslissing krachtens dit lid is
geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 188
1.Tenzij anders is overeengekomen,
zijn deelgenoten verplicht in evenredigheid van hun aandelen
elkander de schade te vergoeden die het gevolg is van een
uitwinning of stoornis, voortgekomen uit een vóór de verdeling
ontstane oorzaak, alsmede, wanneer een vordering voor het volle
bedrag is toegedeeld, de schade die voortvloeit uit onvoldoende
gegoedheid van de schuldenaar op het ogenblik van de verdeling.
2.Wordt een deelgenoot door zijn
eigen schuld uitgewonnen of gestoord, dan zijn de overige
deelgenoten niet verplicht tot vergoeding van zijn schade.
3.Een verplichting tot vergoeding
van schade die voortvloeit uit onvoldoende gegoedheid van de
schuldenaar vervalt door verloop van drie jaren na de verdeling en
na het opeisbaar worden van de toegedeelde vordering.
4.Indien verhaal op een deelgenoot
voor zijn aandeel in een krachtens het eerste lid verschuldigde
schadevergoeding onmogelijk blijkt, wordt het aandeel van ieder
der andere deelgenoten naar evenredigheid verhoogd.
Afdeling 2. Enige bijzondere
gemeenschappen
Artikel 189
1.De bepalingen van deze titel
gelden niet voor een huwelijksgemeenschap, gemeenschap van een
geregistreerd partnerschap, maatschap, vennootschap of rederij,
zolang zij niet ontbonden zijn, noch voor de gemeenschap van een
in appartementsrechten gesplitst gebouw, zolang de splitsing niet
is opgeheven.
2.Voor de gemeenschap van een
nalatenschap, voor een ontbonden huwelijksgemeenschap, ontbonden
gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, maatschap,
vennootschap of rederij en voor de gemeenschap van een gebouw
waarvan de splitsing in appartementsrechten is opgeheven, gelden
de volgende bepalingen van deze afdeling, alsmede die van de
eerste afdeling, voor zover daarvan in deze afdeling niet wordt
afgeweken.
Artikel 190
1.Een deelgenoot kan niet
beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend
goed afzonderlijk, en zijn schuldeisers kunnen een zodanig aandeel
niet uitwinnen, zonder toestemming van de overige deelgenoten.
2.Nochtans kan een deelgenoot op
een zodanig aandeel ook zonder toestemming van de andere
deelgenoten een recht van pand of hypotheek vestigen. Zolang het
goed tot de gemeenschap behoort, kan de pand- of hypotheekhouder
niet tot verkoop overgaan, tenzij de overige deelgenoten hierin
toestemmen.
Artikel 191
1.Tenzij uit de rechtsverhouding
tussen de deelgenoten anders voortvloeit, kan ieder der
deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap beschikken
en kunnen zijn schuldeisers een zodanig aandeel uitwinnen.
2.Indien uit de rechtsverhouding
tussen de deelgenoten voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller
toestemming bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, zijn de
leden 3 en 4 van artikel 168 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 192
Tot de gemeenschap behorende schulden
kunnen op de goederen van de gemeenschap worden verhaald.
Artikel 193
1.Een schuldeiser wiens vordering
op de goederen der gemeenschap kan worden verhaald, kan de rechter
verzoeken een vereffenaar te benoemen wanneer tot verdeling van de
gemeenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan
zijn voldaan of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet
ten volle of niet binnen een redelijke tijd zal worden voldaan,
hetzij omdat de gemeenschap niet toereikend is of niet behoorlijk
beheerd of afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op
de goederen van de gemeenschap gaat verhalen. Afdeling 3 van titel
6 van Boek 4 betreffende de vereffening van een nalatenschap is
van toepassing of overeenkomstige toepassing.
2.Ook een schuldeiser van een
deelgenoot kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen,
wanneer zijn belangen door een gedraging van de deelgenoten
ernstig worden geschaad.
3.Voor de ontbonden gemeenschap van
een maatschap of vennootschap zijn de leden 1 en 2 niet van
toepassing en gelden de volgende zinnen. Een schuldeiser wiens
vordering op de goederen van de gemeenschap kan worden verhaald,
is bevoegd zich tegen verdeling van de gemeenschap te verzetten.
Een verdeling die na dit verzet is tot stand gekomen, is
vernietigbaar met dien verstande dat de vernietigingsgrond slechts
kan worden ingeroepen door de schuldeiser die zich verzette en dat
hij de verdeling slechts te zijnen behoeve kan vernietigen en niet
verder dan nodig is tot opheffing van de door hem ondervonden
benadeling.
Artikel 194
1.Ieder der deelgenoten kan
vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.
2.Een deelgenoot die opzettelijk
tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of
verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de
andere deelgenoten.
Afdeling 3. Nietige en vernietigbare
verdelingen
Artikel 195
1.Een verdeling waaraan niet alle
deelgenoten en alle andere personen wier medewerking vereist was,
hebben deelgenomen, is nietig, tenzij zij is geschied bij een
notariële akte, in welk geval zij slechts kan worden vernietigd
op vordering van degene die niet aan de verdeling heeft
deelgenomen. Deze rechtsvordering verjaart door verloop van één
jaar nadat de verdeling te zijner kennis gekomen is.
2.Heeft aan een verdeling iemand
deelgenomen die niet tot de gemeenschap gerechtigd was, of is een
deelgenoot bij de verdeling opgekomen voor een groter aandeel dan
hem toekwam, dan kan het ten onrechte uitgekeerde ten behoeve van
de gemeenschap worden teruggevorderd; voor het overige blijft de
verdeling van kracht.
Artikel 196
1.Behalve op de algemene voor
vernietiging van rechtshandelingen geldende gronden is een
verdeling ook vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de
waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft
gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is
benadeeld.
2.Wanneer een benadeling voor meer
dan een vierde is bewezen, wordt de benadeelde vermoed omtrent de
waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden te
hebben gedwaald.
3.Om te beoordelen of benadeling
heeft plaatsgehad, worden de goederen en schulden der gemeenschap
geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling. Goederen
en schulden die onverdeeld zijn gelaten worden niet meegerekend.
4.Een verdeling is niet op grond
van dwaling omtrent de waarde van een of meer der te verdelen
goederen en schulden vernietigbaar, indien de benadeelde de
toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard.
Artikel 197
De bevoegdheid tot vernietiging van
een verdeling uit hoofde van benadeling vervalt, wanneer de andere
deelgenoten aan de benadeelde hetzij in geld, hetzij in natura
opleggen hetgeen aan diens aandeel ontbrak.
Artikel 198
Wordt een beroep in rechte op
vernietigbaarheid van een verdeling gedaan, dan kan de rechter,
onverminderd het in de artikelen 53 en 54 bepaalde, op verlangen van
een der partijen de verdeling wijzigen, in plaats van de
vernietiging uit te spreken.
Artikel 199
Op een verdeling zijn de artikelen
228-230 van Boek 6 niet van toepassing.
Artikel 200
Een rechtsvordering tot vernietiging
van een verdeling vervalt door verloop van drie jaren na de
verdeling.
Titel 8. Vruchtgebruik
Artikel 201
Vruchtgebruik geeft het recht om
goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de
vruchten te genieten.
Artikel 202
Vruchtgebruik ontstaat door vestiging
of door verjaring.
Artikel 203
1.Vruchtgebruik kan worden
gevestigd ten behoeve van één persoon, ofwel ten behoeve van
twee of meer personen hetzij gezamenlijk hetzij bij opvolging. In
het laatste geval moeten ook de later geroepenen op het ogenblik
van de vestiging bestaan.
2.Vruchtgebruik kan niet worden
gevestigd voor langer dan het leven van de vruchtgebruiker.
Vruchtgebruik ten behoeve van twee of meer personen wast bij het
einde van het recht van een hunner bij dat van de anderen aan, bij
ieder in evenredigheid van zijn aandeel, en eindigt eerst door het
tenietgaan van het recht van de laatst overgeblevene, tenzij
anders is bepaald.
3.Is de vruchtgebruiker een
rechtspersoon, dan eindigt het vruchtgebruik door ontbinding van
de rechtspersoon, en in ieder geval na verloop van dertig jaren na
de dag van vestiging.
Artikel 204 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 205
1.Tenzij een bewind reeds tot een
voldoende boedelbeschrijving heeft geleid of daartoe verplicht,
moet de vruchtgebruiker in tegenwoordigheid of na behoorlijke
oproeping van de hoofdgerechtigde een notariële beschrijving van
de goederen opmaken. De beschrijving kan ondershands worden
opgemaakt, indien de hoofdgerechtigde tegenwoordig is en
hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker een regeling hebben getroffen
omtrent haar bewaring.
2.Zowel de vruchtgebruiker als de
hoofdgerechtigde hebben het recht om in de beschrijving alle
bijzonderheden te doen opnemen, die dienstig zijn om de toestand
waarin de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken zich bevinden,
te doen kennen.
3.De hoofdgerechtigde is bevoegd de
levering en afgifte van de aan het vruchtgebruik onderworpen
goederen op te schorten, indien de vruchtgebruiker niet terzelfder
tijd zijn verplichting tot beschrijving nakomt.
4.De vruchtgebruiker moet jaarlijks
aan de hoofdgerechtigde een ondertekende nauwkeurige opgave zenden
van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die
daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de
goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn.
5.De vruchtgebruiker kan van de
verplichtingen die ingevolge de voorgaande leden op hem rusten,
niet worden vrijgesteld.
6.Tenzij anders is bepaald, komen
de kosten van de beschrijving en van de in lid 4, bedoelde
jaarlijkse opgave ten laste van de vruchtgebruiker.
Artikel 206
1.De vruchtgebruiker moet voor de
nakoming van zijn verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde
zekerheid stellen, tenzij hij hiervan is vrijgesteld of de
belangen van de hoofdgerechtigde reeds voldoende zijn beveiligd
door de instelling van een bewind.
2.Is de vruchtgebruiker van het
stellen van zekerheid vrijgesteld, dan kan de hoofdgerechtigde
jaarlijks verlangen dat hem de aan het vruchtgebruik onderworpen
zaken worden getoond. Ten aanzien van waardepapieren en gelden
kan, behoudens bijzondere omstandigheden, met overlegging van een
verklaring van een geregistreerde krediet-instelling worden
volstaan.
Artikel 207
1.Een vruchtgebruiker mag de aan
het vruchtgebruik onderworpen goederen gebruiken of verbruiken
overeenkomstig de bij de vestiging van het vruchtgebruik gestelde
regels of, bij gebreke van zodanige regels, met inachtneming van
de aard van de goederen en de ten aanzien van het gebruik of
verbruik bestaande plaatselijke gewoonten.
2.Een vruchtgebruiker is voorts
bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van de aan
het vruchtgebruik onderworpen goederen dienstig kunnen zijn. Tot
alle overige handelingen ten aanzien van die goederen zijn de
hoofdgerechtigde en de vruchtgebruiker slechts tezamen bevoegd.
3.Jegens de hoofdgerechtigde is de
vruchtgebruiker verplicht ten aanzien van de aan het vruchtgebruik
onderworpen goederen en het beheer daarover de zorg van een goed
vruchtgebruiker in acht te nemen.
Artikel 208
1.Van zaken die aan het
vruchtgebruik zijn onderworpen, mag de vruchtgebruiker de
bestemming die deze bij de aanvang van het vruchtgebruik hadden,
niet veranderen zonder toestemming van de hoofdgerechtigde of
machtiging van de kantonrechter.
2.Tenzij in de akte van vestiging
anders is bepaald, is de vruchtgebruiker van een zaak, zowel
tijdens de duur van zijn recht als bij het einde daarvan, bevoegd
om aan de zaak aangebrachte veranderingen en toevoegingen weg te
nemen, mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt.
Artikel 209
1.De vruchtgebruiker is verplicht
het voorwerp van zijn vruchtgebruik ten behoeve van de
hoofdgerechtigde te verzekeren tegen die gevaren, waartegen het
gebruikelijk is een verzekering te sluiten. In ieder geval is de
vruchtgebruiker, indien een gebouw aan zijn vruchtgebruik is
onderworpen, verplicht dit tegen brand te verzekeren.
2.Voor zover de vruchtgebruiker aan
de in het eerste lid omschreven verplichtingen niet voldoet, is de
hoofdgerechtigde bevoegd zelf een verzekering te nemen en is de
vruchtgebruiker verplicht hem de kosten daarvan te vergoeden.
Artikel 210
1.Tenzij bij de vestiging anders is
bepaald, is de vruchtgebruiker bevoegd in en buiten rechte
nakoming te eisen van aan het vruchtgebruik onderworpen
vorderingen en tot het in ontvangst nemen van betalingen.
2.Tenzij bij de vestiging anders is
bepaald, is hij tot ontbinding en opzegging van overeenkomsten
slechts bevoegd, wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan
zijn.
3.De hoofdgerechtigde is slechts
bevoegd de in de vorige leden genoemde bevoegdheden uit te
oefenen, indien hij daartoe toestemming van de vruchtgebruiker of
machtiging van de kantonrechter heeft gekregen. Tegen de
machtiging van de kantonrechter krachtens dit lid is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 211
1.Ook wanneer bij de beschrijving
of in een jaarlijkse opgave een of meer goederen die aan het
vruchtgebruik onderworpen zijn, slechts naar hun soort zijn
aangeduid, behoudt de hoofdgerechtigde daarop zijn recht.
2.De vruchtgebruiker is verplicht
zodanige goederen afgescheiden van zijn overig vermogen te houden.
Artikel 212
1.Voor zover de aan een
vruchtgebruik onderworpen goederen bestemd zijn om vervreemd te
worden, is de vruchtgebruiker tot vervreemding overeenkomstig hun
bestemming bevoegd.
2.Bij de vestiging van het
vruchtgebruik kan aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid worden
gegeven ook over andere dan de in het vorige lid genoemde goederen
te beschikken. Ten aanzien van deze goederen vinden de artikelen
208, 210 lid 2 en 217 lid 2, en 3, tweede zin, en lid 4, geen
toepassing.
3.In andere gevallen mag een
vruchtgebruiker slechts vervreemden of bezwaren met toestemming
van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter. De
machtiging wordt alleen gegeven, wanneer het belang van de
vruchtgebruiker of de hoofdgerechtigde door de vervreemding of
bezwaring wordt gediend en het belang van de ander daardoor niet
wordt geschaad.
Artikel 213
1.Hetgeen in de plaats van aan
vruchtgebruik onderworpen goederen treedt doordat daarover
bevoegdelijk wordt beschikt, behoort aan de hoofdgerechtigde toe
en is eveneens aan het vruchtgebruik onderworpen. Hetzelfde is het
geval met hetgeen door inning van aan vruchtgebruik onderworpen
vorderingen wordt ontvangen, en met vorderingen tot vergoeding die
in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen goederen treden,
waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van
die goederen.
2.Ook zijn aan het vruchtgebruik
onderworpen de voordelen die een goed tijdens het vruchtgebruik
oplevert en die geen vruchten zijn.
Artikel 214
1.Tenzij bij de vestiging anders is
bepaald, moeten gelden die tot het vruchtgebruik behoren, in
overleg met de hoofdgerechtigde vruchtdragend belegd of in het
belang van de overige aan het vruchtgebruik onderworpen goederen
besteed worden.
2.In geval van geschil omtrent
hetgeen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gelden dient
te geschieden, beslist daaromtrent de persoon die bij de vestiging
van het vruchtgebruik daartoe is aangewezen, of bij gebreke van
een zodanige aanwijzing, de kantonrechter. Tegen een beschikking
van de kantonrechter krachtens dit lid is geen hogere voorziening
toegelaten.
Artikel 215
1.Is bij de vestiging van een
vruchtgebruik of daarna aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid
gegeven tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering van
aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, dan kan de
hoofdgerechtigde bij het einde van het vruchtgebruik afgifte
vorderen van de in vruchtgebruik gegeven goederen of hetgeen
daarvoor in de plaats getreden is, voor zover de vruchtgebruiker
of zijn rechtverkrijgenden niet bewijzen dat die goederen verteerd
of door toeval tenietgegaan zijn.
2.Bij verlening van de bevoegdheid
tot vervreemding en vertering kunnen een of meer personen worden
aangewezen, wier toestemming voor de vervreemding en voor de
vertering nodig is. Staat het vruchtgebruik onder bewind, dan zijn
de vervreemding en de vertering van de medewerking van de
bewindvoerder afhankelijk.
3.Is aan de vruchtgebruiker de
bevoegdheid tot vervreemding en vertering verleend, dan mag hij de
goederen ook voor gebruikelijke kleine geschenken bestemmen.
Artikel 216
De vruchtgebruiker komen alle
vruchten toe, die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of
opeisbaar worden. Bij de vestiging van het vruchtgebruik kan nader
worden bepaald wat met betrekking tot het vruchtgebruik als vrucht
moet worden beschouwd.
Artikel 217
1.De vruchtgebruiker is bevoegd de
aan het vruchtgebruik onderworpen zaken te verhuren of te
verpachten, voor zover bij de vestiging van het vruchtgebruik niet
anders is bepaald.
2.Indien bij de vestiging van het
vruchtgebruik een onroerende zaak niet verhuurd of verpacht was,
kan de vruchtgebruiker niet verhuren of verpachten zonder
toestemming van de hoofdgerechtigde of machtiging van de
kantonrechter, tenzij de bevoegdheid daartoe hem bij de vestiging
van het vruchtgebruik is toegekend.
3.Na het einde van het
vruchtgebruik is de hoofdgerechtigde verplicht een bevoegdelijk
aangegane huur of verpachting gestand te doen. Hij kan nochtans
gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming hetzij
de overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het
plaatselijk gebruik overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van
de zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een
langere tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is geschied
voor een langere duur dan twaalf jaren voor hoeven en zes jaren
voor los land, hetzij de verhuring of verpachting is geschied op
ongewone, voor hem bezwarende voorwaarden.
4.De hoofdgerechtigde verliest de
bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer de huurder of
pachter hem een redelijke termijn heeft gesteld om zich omtrent de
gestanddoening te verklaren en hij zich niet binnen deze termijn
heeft uitgesproken.
5.Indien de hoofdgerechtigde
volgens de vorige leden niet verplicht is tot gestanddoening van
een door de vruchtgebruiker aangegane verhuring van woonruimte
waarin de huurder bij het eindigen van het vruchtgebruik zijn
hoofdverblijf heeft en waarop de artikelen 271 tot en met 277 van
Boek 7 van toepassing zijn, moet hij de huurovereenkomst niettemin
met de huurder voortzetten met dien verstande dat artikel 269 lid
2 van Boek 7, van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 218
Tot het instellen van
rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter
verkrijging van een rechterlijke uitspraak die zowel het recht van
de vruchtgebruiker als dat van de hoofdgerechtigde betreft, is ieder
van hen bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het
geding wordt geroepen.
Artikel 219
Buiten de gevallen, geregeld in de
artikelen 88 en 197 van Boek 2, en artikel 123 van Boek 5 blijft de
uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed dat aan
vruchtgebruik is onderworpen, de hoofdgerechtigde toekomen, tenzij
bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald. Bij een
vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 komt
het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de
vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de
kantonrechter op de voet van artikel 23 lid 4 van Boek 4 anders
wordt bepaald.
Artikel 220
1.Gewone lasten en herstellingen
worden door de vruchtgebruiker gedragen en verricht. De
vruchtgebruiker is verplicht, wanneer buitengewone herstellingen
nodig zijn, aan de hoofdgerechtigde van deze noodzakelijkheid
kennis te geven en hem gelegenheid te verschaffen tot het doen van
deze herstellingen. De hoofdgerechtigde is niet tot het doen van
enige herstelling verplicht.
2.Nochtans is een hoofdgerechtigde,
aan wie tengevolge van een beperking in het genot van de
vruchtgebruiker een deel van de vruchten toekomt, verplicht naar
evenredigheid bij te dragen in de lasten en kosten, die volgens
het voorgaande lid ten laste van de vruchtgebruiker komen.
Artikel 221
1.Indien de vruchtgebruiker in
ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen,
kan de rechtbank op vordering van de hoofdgerechtigde aan deze het
beheer toekennen of het vruchtgebruik onder bewind stellen.
2.De rechtbank kan hangende het
geding het vruchtgebruik bij voorraad onder bewind stellen.
3.De rechtbank kan voor het bewind
of beheer zodanige voorschriften geven als zij dienstig acht. Op
het bewind zijn voor het overige de artikelen 154, 157 tot en met
166, 168, 170, 172, 173, 174 en 177 lid 1 van Boek 4 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning ook
op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede
dat hij de in artikel 160 van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te
allen tijde kan bevelen. Het bewind kan door een gezamenlijk
besluit van de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde of op
verzoek van een hunner door de rechtbank worden opgeheven.
Artikel 222
1.Wanneer een nalatenschap,
onderneming of soortgelijke algemeenheid in vruchtgebruik is
gegeven, kan de hoofdgerechtigde van de vruchtgebruiker verlangen
dat de tot die algemeenheid behorende schulden uit de tot het
vruchtgebruik behorende goederen worden voldaan of, voor zover de
hoofdgerechtigde deze schulden uit eigen middelen heeft voldaan,
dat hem het betaalde, vermeerderd met rente van de dag der
betaling af, uit het vruchtgebruik wordt teruggegeven. Voldoet de
vruchtgebruiker een schuld uit eigen vermogen, dan behoeft de
hoofdgerechtigde hem het voorgeschotene eerst bij het einde van
het vruchtgebruik terug te geven.
2.Het in het voorgaande lid
bepaalde vindt overeenkomstige toepassing, wanneer het
vruchtgebruik is gevestigd op bepaalde goederen en daarop
buitengewone lasten drukken.
Artikel 223
Een vruchtgebruiker kan zijn recht
overdragen of bezwaren zonder dat daardoor de duur van het recht
gewijzigd wordt. Naast de verkrijger is de oorspronkelijke
vruchtgebruiker hoofdelijk voor alle uit het vruchtgebruik
voortspruitende verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde
aansprakelijk. Is aan de oorspronkelijke vruchtgebruiker bij de
vestiging van het vruchtgebruik een grotere bevoegdheid tot
vervreemding, verbruik of vertering gegeven dan de wet aan de
vruchtgebruiker toekent, dan komt die ruimere bevoegdheid niet aan
de latere verkrijgers van het vruchtgebruik toe.
Artikel 224
Indien een vruchtgebruiker uit hoofde
van de aan het vruchtgebruik verbonden lasten en verplichtingen op
zijn kosten afstand van zijn recht wil doen, is de hoofdgerechtigde
gehouden hieraan mede te werken.
Artikel 225
Na het eindigen van het vruchtgebruik
rust op de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden de
verplichting de goederen ter beschikking van de hoofdgerechtigde te
stellen.
Artikel 226
1.Op een recht van gebruik en een
recht van bewoning vinden de regels betreffende vruchtgebruik
overeenkomstige toepassing, behoudens de navolgende bepalingen.
2.Indien enkel het recht van
gebruik is verleend, heeft de rechthebbende de bevoegdheid de aan
zijn recht onderworpen zaken te gebruiken en er de vruchten van te
genieten, die hij voor zich en zijn gezin behoeft.
3.Indien enkel het recht van
bewoning is verleend, heeft de rechthebbende de bevoegdheid de aan
zijn recht onderworpen woning met zijn gezin te bewonen.
4.Hij die een der in dit artikel
omschreven rechten heeft, kan zijn recht niet vervreemden of
bezwaren, noch de zaak door een ander laten gebruiken of de woning
door een ander laten bewonen.
Titel 9. Rechten van pand en
hypotheek
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 227
1.Het recht van pand en het recht
van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de daaraan
onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom
bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht
op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek;
is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van
pand.
2.Een recht van pand of hypotheek
op een zaak strekt zich uit over al hetgeen de eigendom van de
zaak omvat.
Artikel 228
Op alle goederen die voor overdracht
vatbaar zijn, kan een recht van pand hetzij van hypotheek worden
gevestigd.
Artikel 229
1.Het recht van pand of hypotheek
brengt van rechtswege mee een recht van pand op alle vorderingen
tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden,
waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van
het goed.
2.Dit pandrecht gaat boven ieder op
de vordering gevestigd ander pandrecht.
Artikel 230
Een recht van pand of hypotheek is
ondeelbaar, zelfs dan wanneer de verbintenis waarvoor het recht is
gevestigd, twee of meer schuldeisers of schuldenaars heeft en de
verbintenis tussen hen wordt verdeeld.
Artikel 231
1.Een recht van pand of hypotheek
kan zowel voor een bestaande als voor een toekomstige vordering
worden gevestigd. De vordering kan op naam, aan order of aan
toonder luiden. Zij kan zowel een vordering op de pand- of
hypotheekgever zelf als een vordering op een ander zijn.
2.De vordering waarvoor pand of
hypotheek wordt gegeven, moet voldoende bepaalbaar zijn.
Artikel 233
1.De pand- of hypotheekgever die
niet tevens de schuldenaar is, is aansprakelijk voor
waardevermindering van het goed, voor zover de waarborg van de
schuldeiser daardoor in gevaar wordt gebracht en daarvan aan de
pand- of hypotheekgever of aan een persoon waarvoor deze
aansprakelijk is, een verwijt kan worden gemaakt.
2.Door hem ten behoeve van het goed
anders dan tot onderhoud daarvan gemaakte kosten kan hij van de
pand- of hypotheekhouder terugvorderen, doch slechts indien deze
zich op het goed heeft verhaald en voor zover genoemde kosten tot
een hogere opbrengst van het goed te diens bate hebben geleid.
Artikel 234
1.Indien voor een zelfde vordering
zowel goederen van de schuldenaar als van een derde zijn verpand
of verhypothekeerd, kan de derde, wanneer de schuldeiser tot
executie overgaat, verlangen dat die van de schuldenaar mede in de
verkoop worden begrepen en het eerst worden verkocht.
2.Zijn voor een zelfde vordering
twee of meer goederen verpand of verhypothekeerd en rust op een
daarvan een beperkt recht dat de schuldeiser bij de executie niet
behoeft te eerbiedigen, dan heeft de beperkt gerechtigde een
overeenkomstige bevoegdheid als in het eerste lid is vermeld.
3.Indien de schuldeiser weigert aan
een op lid 1 of lid 2 gegrond verlangen te voldoen, kan de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de meest
gerede partij of, in geval van een hypotheek, van de notaris ten
overstaan van wie de verkoop zal geschieden, op deze weigering
beslissen. Het verzoek schorst de executie. Tegen een beschikking
krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 235
Elk beding waarbij de pand- of
hypotheekhouder de bevoegdheid wordt gegeven zich het verbonden goed
toe te eigenen, is nietig.
Afdeling 2. Pandrecht
Artikel 236
1.Pandrecht op een roerende zaak,
op een recht aan toonder of order, of op het vruchtgebruik van een
zodanige zaak of recht, wordt gevestigd door de zaak of het
toonder- of orderpapier te brengen in de macht van de pandhouder
of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De
vestiging van een pandrecht op een recht aan order of op het
vruchtgebruik daarvan vereist tevens endossement.
2.Op andere goederen wordt
pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering
van het te verpanden goed is bepaald.
Artikel 237
1.Pandrecht op een roerende zaak,
op een recht aan toonder, of op het vruchtgebruik van een zodanige
zaak of recht, kan ook worden gevestigd bij authentieke of
geregistreerde onderhandse akte, zonder dat de zaak of het
toonderpapier wordt gebracht in de macht van de pandhouder of van
een derde.
2.De pandgever is verplicht in de
akte te verklaren dat hij tot het verpanden van het goed bevoegd
is alsmede hetzij dat op het goed geen beperkte rechten rusten,
hetzij welke rechten daarop rusten.
3.Wanneer de pandgever of de
schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder
tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in die
verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd te
vorderen dat de zaak of het toonderpapier in zijn macht of in die
van een derde wordt gebracht. Rusten op het goed meer pandrechten,
dan kan iedere pandhouder jegens wie de pandgever of de
schuldenaar tekortschiet, deze bevoegdheid uitoefenen, met dien
verstande dat een andere dan de hoogst gerangschikte slechts
afgifte kan vorderen aan een tussen de gezamenlijke pandhouders
overeengekomen of door de rechter aan te wijzen pandhouder of
derde.
4.Wanneer de pandgever of de
schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder die een
bij voorbaat gevestigd pandrecht op te velde staande vruchten of
beplantingen heeft, tekortschiet, kan de kantonrechter de
pandhouder op diens verzoek machtigen zelf de te velde staande
vruchten of beplantingen in te oogsten. Is de pandgever eigenaar
van de grond of ontleent hij zijn recht op de vruchten of
beplantingen aan een beperkt recht op de grond, dan kan de
beschikking waarbij het verzoek wordt toegewezen, worden
ingeschreven in de openbare registers.
5.Tegen een beschikking krachtens
het vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 238
1. Ondanks onbevoegdheid van de
pandgever is de vestiging van een pandrecht op een roerende zaak,
op een recht aan toonder of order of op het vruchtgebruik van een
zodanige zaak of recht geldig, indien de pandhouder te goeder
trouw is op het tijdstip waarop de zaak of het toonder- of
geëndosseerde orderpapier in zijn macht of in die van een derde
is gebracht.
2. Rust op een in lid 1 genoemd
goed een beperkt recht dat de pandhouder op het in dat lid
bedoelde tijdstip kent noch behoort te kennen, dan gaat het
pandrecht in rang boven dit beperkte recht.
3. Wordt het pandrecht gevestigd op
een roerende zaak waarvan de eigenaar het bezit door diefstal
heeft verloren, of op een vruchtgebruik op een zodanige zaak, dan
zijn lid 3, aanhef en onder b, en lid 4 van artikel 86 van
overeenkomstige toepassing.
4. Dit artikel kan niet worden
tegengeworpen aan degene die de zaak opeist, indien volgens
artikel 86a, leden 1 en 2 of artikel 86b lid 1, of volgens artikel
7 van de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet
gebied ook artikel 86 niet aan hem tegengeworpen zou kunnen
worden.
Artikel 239
1.Pandrecht op een tegen een of
meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder
of order luidt, of op het vruchtgebruik van een zodanig recht kan
ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse
akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht
op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat
of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande
rechtsverhouding.
2.Het tweede lid van artikel 237 is
van overeenkomstige toepassing.
3.Wanneer de pandgever of de
schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder
tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in die
verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd van de
verpanding mededeling te doen aan de in het eerste lid genoemde
personen. Pandhouder en pandgever kunnen overeenkomen dat deze
bevoegdheid op een ander tijdstip ingaat.
4.Artikel 88 geldt slechts voor de
pandhouder wiens recht overeenkomstig lid 1 is gevestigd, indien
hij te goeder trouw is op het tijdstip van de in lid 3 bedoelde
mededeling.
Artikel 240
Pandrecht op een aandeel in een goed
wordt gevestigd op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige
gevolgen als voorgeschreven ten aanzien van de vestiging van
pandrecht op dat goed.
Artikel 241
De pandhouder is verplicht
desgevorderd aan de pandgever een schriftelijke verklaring af te
geven van de aard en, voor zover mogelijk, het bedrag van de
vordering waarvoor het verpande tot zekerheid strekt.
Artikel 242
Een pandhouder is niet bevoegd het
goed dat hij in pand heeft, te herverpanden, tenzij deze bevoegdheid
hem ondubbelzinnig is toegekend.
Artikel 243
1.Hij die uit hoofde van een
pandrecht een zaak onder zich heeft, moet als een goed pandhouder
voor de zaak zorgdragen.
2.Door een pandhouder betaalde
kosten tot behoud en tot onderhoud, met inbegrip van door hem
betaalde aan het goed verbonden lasten, moeten hem door de
pandgever worden terugbetaald; het pandrecht strekt mede tot
zekerheid daarvoor. Andere door hem ten behoeve van het pand
gemaakte kosten kan hij van de pandgever slechts terugvorderen,
indien hij ze met diens toestemming heeft gemaakt, onverminderd
diens aansprakelijkheid uit zaakwaarneming of ongerechtvaardigde
verrijking.
Artikel 244
Tenzij anders is bedongen, strekt een
pandrecht tot zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen tevens
tot zekerheid voor drie jaren rente die over deze vorderingen
krachtens overeenkomst of wet verschuldigd is.
Artikel 245
Tot het instellen van
rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van het verpande goed
is zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd, mits hij zorg
draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.
Artikel 246
1.Rust het pandrecht op een
vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte
nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.
Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht
niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.
2.Degene aan wie de in lid 1
bedoelde bevoegdheden toekomen, is tevens bevoegd tot opzegging,
wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging
opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de ander gehouden niet
nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3.Rust op de vordering meer dan
één pandrecht, dan komen de in de vorige leden aan de pandhouder
toegekende bevoegdheden alleen aan de hoogst gerangschikte
pandhouder toe.
4.Na mededeling van de verpanding
aan de schuldenaar kan de pandgever deze bevoegdheden slechts
uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of
machtiging van de kantonrechter heeft verkregen.
5.Bij inning van een verpande
vordering door de pandhouder of met machtiging van de
kantonrechter door de pandgever komen de pandrechten waarmee de
vordering bezwaard was, op het geïnde te rusten.
Artikel 247
Buiten de gevallen, geregeld in de
artikelen 89 en 198 van Boek 2, blijft de uitoefening van stemrecht,
verbonden aan een goed waarop een pandrecht rust, de pandgever
toekomen, tenzij anders is bedongen.
Artikel 248
1.Wanneer de schuldenaar in verzuim
is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot waarborg
strekt, is de pandhouder bevoegd het verpande goed te verkopen en
het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen.
2.Partijen kunnen bedingen dat
eerst tot verkoop kan worden overgegaan, nadat de rechter op
vordering van de pandhouder heeft vastgesteld dat de schuldenaar
in verzuim is.
3.Een lager gerangschikte
pandhouder of beslaglegger kan het verpande goed slechts verkopen
met handhaving van de hoger gerangschikte pandrechten.
Artikel 249
1.Tenzij anders is bedongen, is een
pandhouder die tot verkoop wil overgaan verplicht, voor zover hem
dit redelijkerwijze mogelijk is, ten minste drie dagen tevoren de
voorgenomen verkoop met vermelding van plaats en tijd op bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze mede te delen aan
de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan hen die op het goed
een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben gelegd.
2.De aanzegging moet zo nauwkeurig
mogelijk de som aangeven, waarvoor het pand kan worden gelost.
Lossing kan tot op het tijdstip van de verkoop plaatsvinden, mits
ook de reeds gemaakte kosten van executie worden voldaan.
Artikel 250
1.De verkoop geschiedt in het
openbaar naar de plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke
voorwaarden.
2.Bestaat het pand uit goederen die
op een markt of beurs verhandelbaar zijn, dan kan de verkoop
geschieden op een markt door tussenkomst van een tussenpersoon in
het vak of ter beurze door die van een bevoegde tussenpersoon
overeenkomstig de regels en gebruiken die aldaar voor een gewone
verkoop gelden.
3.De pandhouder is bevoegd mede te
bieden.
Artikel 251
1.Tenzij anders is bedongen, kan de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de pandhouder
of de pandgever bepalen dat het pand zal worden verkocht op een
van het vorige artikel afwijkende wijze, of op verzoek van de
pandhouder bepalen dat het pand voor een door de
voorzieningenrechter van de rechtbank vast te stellen bedrag aan
de pandhouder als koper zal verblijven.
2.Nadat de pandhouder bevoegd is
geworden tot verkoop over te gaan, kunnen pandhouder en pandgever
een van het vorige artikel afwijkende wijze van verkoop
overeenkomen. Rust op het verpande goed een beperkt recht of een
beslag, dan is daartoe tevens de medewerking van de beperkt
gerechtigde of de beslaglegger vereist.
Artikel 252
Tenzij anders is bedongen, is de
pandhouder verplicht, voor zover hem dit redelijkerwijze mogelijk
is, uiterlijk op de dag volgende op die van de verkoop daarvan op
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kennis te geven
aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan hen die op het goed
een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben gelegd.
Artikel 253
1.De pandhouder houdt, na
voldoening van de kosten van executie, van de netto-opbrengst af
het aan hem verschuldigde bedrag waarvoor hij pandrecht heeft. Het
overschot wordt aan de pandgever uitgekeerd. Zijn er pandhouders
of andere beperkt gerechtigden, wier recht op het goed door de
executie is vervallen, of hebben schuldeisers op het goed of op de
opbrengst beslag gelegd, dan handelt de pandhouder overeenkomstig
het bepaalde in artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
2.De pandhouder kan de door hem aan
de voormelde belanghebbenden uit te keren bedragen niet voldoen
door verrekening, tenzij het een uitkering aan de pandgever
betreft en deze uitkering niet plaats vindt gedurende diens
faillissement, surséance, de toepassing ten aanzien van hem van
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de vereffening
van zijn nalatenschap. Is ten aanzien van de pandgever de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing, dan
kan niettemin een uitkering aan de pandgever door verrekening
worden voldaan indien het pandrecht is gevestigd na de uitspraak
tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling en zowel de
vordering als de schuld na die uitspraak zijn ontstaan.
Artikel 254
1.Wanneer op roerende zaken die
volgens verkeersopvatting bestemd zijn om een bepaalde onroerende
zaak duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te
herkennen, of op machinerieën of werktuigen die bestemd zijn om
daarmede een bedrijf in een bepaalde hiertoe ingerichte fabriek of
werkplaats uit te oefenen, overeenkomstig artikel 237 een
pandrecht is gevestigd voor een vordering waarvoor ook hypotheek
gevestigd is op die onroerende zaak, fabriek of werkplaats of op
een daarop rustend beperkt recht, kan worden bedongen, dat de
schuldeiser bevoegd is de verpande en verhypothekeerde goederen
tezamen volgens de voor hypotheek geldende regels te executeren.
2.Executeert de schuldeiser
overeenkomstig het beding, dan zijn de artikelen 268-273 op het
pandrecht van overeenkomstige toepassing en is de toepasselijkheid
van de artikelen 248-253 uitgesloten.
3.Het beding kan, onder vermelding
van de pandrechten waarop het betrekking heeft, worden
ingeschreven in de registers waarin de hypotheek is ingeschreven.
Artikel 255
1.Bestaat het pand uit geld dan is
de pandhouder, zodra zijn vordering opeisbaar is geworden, zonder
voorafgaande aanzegging bevoegd zich uit het pand te voldoen
overeenkomstig artikel 253. Hij is daartoe verplicht, indien de
pandgever zulks vordert en deze bevoegd is de vordering in de
verpande valuta te voldoen.
2.Artikel 252 vindt overeenkomstige
toepassing.
Artikel 256
Wanneer een pandrecht is
tenietgegaan, is de pandhouder verplicht te verrichten hetgeen
zijnerzijds nodig is opdat de pandgever de hem toekomende feitelijke
macht over het goed herkrijgt, en desverlangd aan de pandgever een
schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is.
Is de vordering waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte met een
beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op
de beperkt gerechtigde.
Artikel 257
Indien degene die uit hoofde van een
pandrecht een zaak onder zich heeft, in ernstige mate in de zorg
voor de zaak tekortschiet, kan de rechtbank op vordering van de
pandgever of een pandhouder bevelen dat de zaak aan een van hen
wordt afgegeven of in gerechtelijke bewaring van een derde wordt
gesteld.
Artikel 258
1.Wanneer een in pand gegeven goed
als bedoeld in artikel 236 lid 1 in de macht van de pandgever
komt, eindigt het pandrecht, tenzij het met toepassing van artikel
237 lid 1 werd gevestigd.
2.Afstand van een pandrecht kan
geschieden bij enkele overeenkomst, mits van de toestemming van de
pandhouder uit een schriftelijke of elektronische verklaring
blijkt. Indien van de toestemming uit een elektronische verklaring
blijkt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 3. Pandrecht van
certificaathouders
Artikel 259
1.Wanneer iemand door het uitgeven
van certificaten derden doet delen in de opbrengst van door hem op
eigen naam verkregen aandelen of schuldvorderingen, hebben de
certificaathouders een vordering tot uitkering van het hun
toegezegde tegen de uitgever van de certificaten.
2.Zijn de oorspronkelijke aandelen
of schuldvorderingen op naam gesteld en de certificaten uitgegeven
met medewerking van de uitgever van de oorspronkelijke aandelen of
schuldvorderingen, dan verkrijgen de certificaathouders tevens
gezamenlijk een pandrecht op die aandelen of schuldvorderingen.
Zijn de certificaten uitgegeven voor schuldvorderingen op naam
zonder medewerking van de schuldenaar, dan verkrijgen de
certificaathouders een zodanig pandrecht door mededeling van de
uitgifte aan de schuldenaar. Zijn de certificaten uitgegeven voor
aandelen of schuldvorderingen aan toonder, dan verkrijgen de
certificaathouders een zodanig pandrecht, zonder dat het papier in
de macht van de certificaathouders of een derde behoeft te worden
gebracht.
3.Dit pandrecht geeft aan de
certificaathouders alleen de bevoegdheid in geval van
niet-uitbetaling van het hun verschuldigde met inachtneming van de
volgende regels het pand geheel of gedeeltelijk te doen verkopen
en zich uit de opbrengst te voldoen. Een certificaathouder die
hiertoe wenst over te gaan, wendt zich tot de voorzieningenrechter
van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van
degene die de certificaten heeft uitgegeven, is gelegen met
verzoek een bewindvoerder over het pand te benoemen, die voor de
verkoop en de verdeling van de opbrengst zorg draagt. Indien niet
alle certificaathouders met de verkoop instemmen, wordt slechts
een deel van het pand dat overeenkomt met het recht van de andere
certificaathouders verkocht; de rechten van deze laatsten gaan
door de verdeling van de opbrengst onder hen teniet. De
voorzieningenrechter kan op verlangen van elke certificaathouder
of ambtshalve maatregelen bevelen in het belang van de
certificaathouders die niet met de verkoop hebben ingestemd, en
bepalen dat de verkoop door hem moet worden goedgekeurd, wil zij
geldig zijn.
Afdeling 4. Recht van hypotheek
Artikel 260
1.Hypotheek wordt gevestigd door
een tussen partijen opgemaakte notariële akte waarbij de
hypotheekgever aan de hypotheekhouder hypotheek op een
registergoed verleent, gevolgd door haar inschrijving in de
daartoe bestemde openbare registers. De akte moet een aanduiding
bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid
strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal
kunnen worden bepaald. Tevens moet het bedrag worden vermeld
waarvoor de hypotheek wordt verleend of, wanneer dit bedrag nog
niet vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van de hypotheek
op het goed kan worden verhaald. De hypotheekhouder moet in de
akte woonplaats kiezen in Nederland.
2.Tenzij anders is bedongen, komen
de kosten van verlening en vestiging ten laste van de schuldenaar.
3.Bij de in het eerste lid bedoelde
akte kan iemand slechts krachtens een bij authentieke akte
verleende volmacht als gevolmachtigde voor de hypotheekgever
optreden.
4.Voor het overige vinden de
algemene voorschriften die voor vestiging van beperkte rechten op
registergoederen gegeven zijn, ook op de vestiging van een
hypotheek toepassing.
Artikel 261
1.Is bij een koopovereenkomst
hypotheek op het verkochte goed tot waarborg van onbetaalde
kooppenningen bedongen en is dit beding in de leveringsakte
vermeld, dan heeft deze hypotheek, mits de akte waarbij zij werd
verleend tegelijk met de leveringsakte wordt ingeschreven,
voorrang boven alle andere aan de koper ontleende rechten, ten
aanzien waarvan tegelijk een inschrijving plaatsvond.
2.Lid 1 vindt overeenkomstig
toepassing op een bij een verdeling bedongen hypotheek op een
toegedeeld goed tot waarborg van hetgeen hij aan wie het goed is
toegedeeld, aan de andere deelgenoten ten gevolge van de verdeling
schuldig is of mocht worden.
Artikel 262
1.Bij een notariële akte die in de
registers wordt ingeschreven, kan worden bepaald dat een hypotheek
ten aanzien van een of meer hypotheken op hetzelfde goed een
hogere rang heeft dan haar volgens het tijdstip van haar
inschrijving toekomt, mits uit de akte blijkt dat de gerechtigden
tot die andere hypotheek of hypotheken daarin toestemmen.
2.Met overeenkomstige toepassing
van het eerste lid kan ook worden bepaald dat een hypotheek en een
ander beperkt recht ten aanzien van elkaar worden geacht in andere
volgorde te zijn ontstaan dan is geschied.
Artikel 263
1.Tenzij in de hypotheekakte anders
is bepaald, strekt een hypotheek tot zekerheid van een of meer
bepaalde vorderingen tevens tot zekerheid voor drie jaren rente
die daarover krachtens de wet verschuldigd is.
2.Een beding dat een hypotheek tot
zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen tevens strekt tot
zekerheid van rente over een langer tijdvak dan drie jaren zonder
vermelding van een maximumbedrag, is nietig.
Artikel 264
1.Indien de hypotheekakte een
uitdrukkelijk beding bevat waarbij de hypotheekgever in zijn
bevoegdheid is beperkt, hetzij om het bezwaarde goed buiten
toestemming van de hypotheekhouder te verhuren of te verpachten,
hetzij ten aanzien van de wijze waarop of van de tijd gedurende
welke het goed zal kunnen worden verhuurd of verpacht, hetzij ten
aanzien van de vooruitbetaling van huur- of pachtpenningen, hetzij
om het recht op de huur- of pachtpenningen te vervreemden of te
verpanden, kan dit beding niet alleen tegen latere verkrijgers van
het bezwaarde goed, maar ook tegen de huurder of pachter en tegen
degene aan wie het recht op de huur- of pachtpenningen werd
vervreemd of verpand, worden ingeroepen, zulks zowel door de
hypotheekhouder, als na de uitwinning van het bezwaarde goed door
de koper, dit laatste echter alleen voor zover deze bevoegdheid op
het tijdstip van de verkoop nog aan de hypotheekhouder toekwam en
deze de uitoefening daarvan blijkens de verkoopvoorwaarden aan de
koper overlaat.
2.De inroeping kan niet geschieden,
voordat het in artikel 544 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering bedoelde exploit van aanzegging of overneming is
uitgebracht. De bepalingen betreffende vernietigbaarheid zijn van
toepassing met dien verstande dat de termijn van artikel 52 lid 1
loopt vanaf de voormelde aanzegging of overneming en dat een in
strijd met het beding gekomen rechtshandeling slechts wordt
vernietigd ten behoeve van degene die het inroept, en niet verder
dan met diens recht in overeenstemming is.
3.Indien het beding is gemaakt met
betrekking tot hoeven of los land, heeft het slechts werking voor
zover het niet in strijd is met enig dwingend wettelijk
voorschrift omtrent pacht. Zodanig beding heeft geen werking, voor
zover de grondkamer bindend aan de pachtovereenkomst een daarmee
strijdige inhoud heeft gegeven, dan wel het beding niet kon worden
nageleefd, omdat de grondkamer een wijzigingsovereenkomst die aan
het beding beantwoordde, heeft vernietigd. Een beding dat de
hypotheekgever verplicht is hoeven voor kortere tijd dan twaalf
jaren en los land voor kortere tijd dan zes jaren te verpachten,
is nietig.
4.Indien het beding is gemaakt met
betrekking tot huur van woonruimte of huur van bedrijfsruimte,
heeft het slechts werking, voor zover het niet in strijd is met
enig dwingend wettelijk voorschrift omtrent zodanige huur. Het
beding dat de verhuur van woonruimte of bedrijfsruimte uitsluit,
kan niet tegen de huurder worden ingeroepen, voor zover de
woonruimte of bedrijfsruimte ten tijde van de vestiging van de
hypotheek reeds was verhuurd en de nieuwe verhuring niet op
ongewone, voor de hypotheekhouder meer bezwarende voorwaarden
heeft plaatsgevonden.
5.Voor zover een beroep op een
beding tot gevolg zal hebben dat de huurder van woonruimte, waarop
de artikelen 271 tot en met 277 van Boek 7 van toepassing zijn,
moet ontruimen, kan het beding slechts worden ingeroepen nadat de
voorzieningenrechter van de rechtbank daartoe op verzoek van de
hypotheekhouder verlof heeft verleend. Het verlof is niet vereist
ten aanzien van een huurovereenkomst met vernietiging waarvan de
huurder schriftelijk heeft ingestemd of die is tot stand gekomen
na de bekendmaking, bedoeld in artikel 516 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
6.De voorzieningenrechter verleent
het verlof, tenzij ook met instandhouding van de huurovereenkomst
kennelijk een voldoende opbrengst zal worden verkregen om alle
hypotheekhouders die het beding hebben gemaakt en dit jegens de
huurder kunnen inroepen, te voldoen. Zo hij het verlof verleent,
veroordeelt hij tevens de opgeroepen of verschenen huurders en
onderhuurders tot ontruiming en stelt hij een termijn vast van ten
hoogste één jaar na de betekening aan de huurder of onderhuurder
van zijn beschikking, waarbinnen geen ontruiming mag plaatsvinden.
Tegen een beschikking waarbij het verlof wordt verleend, staan
geen hogere voorzieningen open.
7.Indien het recht van de huurder
of pachter door vernietiging krachtens lid 2 verloren gaat, wordt
aan hem uit de bij de executie verkregen netto-opbrengst van het
goed met voorrang onmiddellijke na hen tegen wie hij zijn recht
niet kon inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de
schade die hij als gevolg van de vernietiging lijdt. Is de koper
bevoegd het beding in te roepen, dan wordt van hetgeen aan de
schuldeisers met een lagere rang toekomt, een met de te verwachten
schade overeenkomend bedrag gereserveerd, totdat vaststaat dat de
koper van zijn bevoegdheid geen gebruik maakt.
8.Onder de huurder in de zin van
dit artikel wordt begrepen degene die ingevolge artikel 266 lid 1
of artikel 267 lid 1 van Boek 7 medehuurder is.
Artikel 265
Indien de hypotheekakte een
uitdrukkelijk beding bevat, volgens hetwelk de hypotheekgever de
inrichting of gedaante van het bezwaarde goed niet of niet zonder
toestemming van de hypotheekhouder mag veranderen, kan op dit beding
geen beroep worden gedaan, wanneer tot de verandering machtiging is
verleend aan de huurder door de kantonrechter op grond van de
bepalingen betreffende huur of aan de pachter of verpachter door de
grondkamer op grond van de bepalingen betreffende pacht.
Artikel 266
Is een zaak aan hypotheek onderworpen
en heeft de hypotheekgever hieraan na de vestiging van de hypotheek
veranderingen of toevoegingen aangebracht zonder dat hij verplicht
was deze mede tot onderpand voor de vordering te doen strekken, dan
is hij bevoegd deze veranderingen en toevoegingen weg te nemen, mits
hij de zaak in de oude toestand terugbrengt en desverlangd voor de
tijd dat dit nog niet is geschied, ter zake van de
waardevermindering zekerheid stelt. Degene die gerechtigd is tot te
velde staande vruchten of beplantingen, is bevoegd deze in te
oogsten; kon dit voor de executie niet geschieden dan zijn hij en de
koper verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de
verplichtingen die afgaande en opkomende pachters op grond van de
bepalingen betreffende pacht jegens elkaar hebben.
Artikel 267
In de hypotheekakte kan worden
bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is om het verhypothekeerde
goed in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in zijn
verplichtingen jegens hem in ernstige mate te kort schiet en de
voorzieningenrechter van de rechtbank hem machtiging verleent.
Eveneens kan in de akte worden bedongen dat de hypotheekhouder
bevoegd is de aan de hypotheek onderworpen zaak onder zich te nemen,
indien zulks met het oog op de executie vereist is. Zonder
uitdrukkelijke bedingen mist de hypotheekhouder deze bevoegdheden.
Artikel 268
1.Indien de schuldenaar in verzuim
is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot
waarborg strekt, is de hypotheekhouder bevoegd het verbonden goed
in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris te doen
verkopen.
2.Op verzoek van de hypotheekhouder
of de hypotheekgever kan de voorzieningenrechter van de rechtbank
bepalen dat de verkoop ondershands zal geschieden bij een
overeenkomst die hem bij het verzoek ter goedkeuring wordt
voorgelegd. Indien door de hypotheekgever of door een
hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde, die bij een
hogere opbrengst van het goed belang heeft, voor de afloop van de
behandeling van het verzoek aan de voorzieningenrechter een
gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan deze bepalen dat de verkoop
overeenkomstig dit aanbod zal geschieden.
3.Het in lid 2 bedoelde verzoek
wordt ingediend binnen de in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering daarvoor bepaalde termijn. Tegen een beschikking
krachtens lid 2 is geen hogere voorziening toegelaten.
4.Een executie als in de vorige
leden bedoeld geschiedt met inachtneming van de daarvoor in het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven
formaliteiten.
5.De hypotheekhouder kan niet op
andere wijze zijn verhaal op het verbonden goed uitoefenen. Een
daartoe strekkend beding is nietig.
Artikel 269
Tot op het tijdstip van de toewijzing
ter veiling of van de goedkeuring door de voorzieningenrechter van
de onderhandse verkoop kan de verkoop worden voorkomen door
voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt,
alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie.
Artikel 270
1.De koper is gehouden de koopprijs
te voldoen in handen van de notaris, te wiens overstaan de
openbare verkoop heeft plaatsgevonden of door wie de akte van
overdracht ingevolge de onderhandse verkoop is verleden. De kosten
van de executie worden uit de koopprijs voldaan.
2.Wanneer geen hypotheken van een
ander dan de verkoper zijn ingeschreven en geen schuldeiser op het
goed of op de koopprijs beslag heeft gelegd of zijn vordering
ontleent aan artikel 264 lid 7, en evenmin door de executie een
beperkt recht op het goed vervalt of een recht van een huurder of
pachter verloren gaat, draagt de notaris aan de verkoper uit de
netto-opbrengst van het goed af hetgeen aan deze blijkens een door
hem aan de notaris te verstrekken verklaring krachtens zijn door
hypotheek verzekerde vordering of vorderingen toekomt; het
overschot keert de notaris uit aan hem wiens goed is verkocht.
3.Zijn er meer hypotheekhouders of
zijn er schuldeisers of beperkt gerechtigden als in het vorige lid
bedoeld, dan stort de notaris de netto-opbrengst onverwijld bij
een door hem aangewezen bewaarder die aan de eisen van artikel 445
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voldoet. Wanneer
het goed door de eerste hypotheekhouder is verkocht en deze vóór
of op de betaaldag aan de notaris een verklaring heeft overgelegd
van hetgeen hem van de opbrengst toekomt krachtens de door de
eerste hypotheek verzekerde vordering of andere vorderingen die
eveneens door hypotheek zijn verzekerd en in rang onmiddellijk bij
de eerste aansluiten, met vermelding van schuldeisers wier
vordering boven de zijne rang neemt, blijft de storting nochtans
achterwege voor hetgeen aan de verkoper blijkens deze verklaring
toekomt, en keert de notaris dit aan deze uit. Deze verklaring
moet zijn voorzien van een aantekening van de voorzieningenrechter
van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het verbonden goed
zich geheel of grotendeels bevindt, inhoudende dat hij de
verklaring heeft goedgekeurd, nadat hem summierlijk van de
juistheid ervan is gebleken. Tegen de goedkeuring is geen hogere
voorziening toegelaten.
4.Ingeval de notaris ernstige
redenen heeft om te vermoeden dat de hem ingevolge de leden 2 of 3
verstrekte verklaring onjuist is, kan hij de uitkering aan de
hypotheekhouder opschorten tot de in lid 3 aangewezen
voorzieningenrechter op vordering van de meest gerede partij of op
verlangen van de notaris omtrent de uitkering heeft beslist.
5.Wanneer de hypotheekhouders, de
schuldeisers die op het goed of op de koopprijs beslag hebben
gelegd of hun vorderingen ontlenen aan artikel 264 lid 7, de
beperkt gerechtigden wier recht door de executie vervalt, alsmede
degene wiens goed is verkocht het vóór de betaaldag omtrent de
verdeling van de te storten som eens zijn geworden, blijft de
storting achterwege en keert de notaris aan ieder het hem
toekomende uit.
6.Voor zover de verplichtingen
welke ingevolge dit artikel op de notaris rusten, niet worden
nagekomen, is de Staat jegens belanghebbenden voor de daaruit voor
hen voortvloeiende schade met de notaris hoofdelijk aansprakelijk.
7.Van het in dit artikel bepaalde
kan in de verkoopvoorwaarden niet worden afgeweken.
Artikel 271
1.Na de betaling van de koopprijs
zijn alle in het vijfde lid van het vorige artikel genoemde
belanghebbenden bevoegd een gerechtelijke rangregeling te
verzoeken om tot verdeling van de opbrengst te komen
overeenkomstig de formaliteiten die in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn voorgeschreven.
2.Indien deze belanghebbenden met
betrekking tot de verdeling alsnog tot overeenstemming komen en
daarvan door een authentieke akte doen blijken aan de bewaarder
bij wie de opbrengst is gestort, dan keert deze aan ieder het hem
volgens deze akte toekomende uit.
Artikel 272
1.Een verkoper die van de notaris
betaling heeft ontvangen, is verplicht desverlangd aan hem wiens
goed is verkocht, en aan de schuldenaar binnen één maand na de
betaling rekening en verantwoording te doen.
2.Een hypotheekhouder, een
schuldeiser of een beperkt gerechtigde, die in de rangregeling is
begrepen, kan binnen één maand na de sluiting daarvan gelijke
rekening en verantwoording vragen, indien hij daarbij een
rechtstreeks belang heeft.
Artikel 273
1.Door de levering ingevolge een
executoriale verkoop en de voldoening van de koopprijs gaan alle
op het verkochte goed rustende hypotheken teniet en vervallen de
ingeschreven beslagen, alsook de beperkte rechten die niet tegen
de verkoper ingeroepen kunnen worden.
2.Wanneer de koper aan de president
van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het verbonden goed
zich geheel of grotendeels bevindt, de bewijsstukken overlegt, dat
de verkoop met inachtneming van de wettelijke voorschriften heeft
plaatsgehad en dat de koopprijs in handen van de notaris is
gestort, wordt hem van het tenietgaan en vervallen van de in het
vorige lid bedoelde hypotheken, beperkte rechten en beslagen een
verklaring verstrekt. Tegen de beschikking die een zodanige
verklaring inhoudt, is geen hogere voorziening toegelaten.
3.De verklaring kan bij of na de
levering in de registers worden ingeschreven. Zij machtigt dan de
bewaarder der registers tot doorhaling van de inschrijvingen
betreffende hypotheken en beslagen.
Artikel 274
1.Wanneer een hypotheek is
tenietgegaan, is de schuldeiser verplicht aan de rechthebbende op
het bezwaarde goed op diens verzoek en op diens kosten bij
authentieke akte een verklaring af te geven, dat de hypotheek is
vervallen. Is de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid
strekte met een beperkt recht bezwaard, dan rust een
overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde.
2.Deze verklaringen kunnen in de
registers worden ingeschreven. Zij machtigen dan tezamen de
bewaarder tot doorhaling.
3.Worden de vereiste verklaringen
niet afgegeven, dan is artikel 29 van overeenkomstige toepassing.
4.Is de hypotheek door vermenging
tenietgegaan, dan wordt de bewaarder tot doorhaling gemachtigd
door een daartoe strekkende verklaring, afgelegd bij authentieke
akte door hem aan wie het goed toebehoort, tenzij op de vordering
een beperkt recht rust.
Artikel 275
Een volmacht tot het afleggen van een
verklaring als bedoeld in het vorige artikel moet schriftelijk zijn
verleend.
Titel 10. Verhaalsrecht op goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 276
Tenzij de wet of een overeenkomst
anders bepaalt, kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen
van zijn schuldenaar verhalen.
Artikel 277
1.Schuldeisers hebben onderling een
gelijk recht om, na voldoening van de kosten van executie, uit de
netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden
voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door
de wet erkende redenen van voorrang.
2.Bij overeenkomst van een
schuldeiser met de schuldenaar kan worden bepaald dat zijn
vordering jegens alle of bepaalde andere schuldeisers een lagere
rang neemt dan de wet hem toekent.
Artikel 278
1.Voorrang vloeit voort uit pand,
hypotheek en voorrecht en uit de andere in de wet aangegeven
gronden.
2.Voorrechten ontstaan alleen uit
de wet. Zij rusten of op bepaalde goederen of op alle tot een
vermogen behorende goederen.
Artikel 279
Pand en hypotheek gaan boven
voorrecht, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 280
Voorrechten op bepaalde goederen
hebben voorrang boven die welke op alle tot een vermogen behorende
goederen rusten, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 281
1.Onderscheiden voorrechten die op
hetzelfde bepaalde goed rusten, hebben gelijke rang, tenzij de wet
anders bepaalt.
2.De voorrechten op alle goederen
worden uitgeoefend in de volgorde waarin de wet hen plaatst.
Artikel 282
Indien door een executie een ander
beperkt recht dan pand of hypotheek vervalt, omdat het niet kan
worden ingeroepen tegen een pand- of hypotheekhouder of een
beslaglegger op het goed, wordt aan de beperkt gerechtigde uit de
netto-opbrengst van het goed, met voorrang onmiddellijk na de
vorderingen van degenen tegen wie hij zijn recht niet kan inroepen,
terzake van zijn schade een vergoeding uitgekeerd. De vergoeding
wordt gesteld op het bedrag van de waarde die het vervallen recht,
zo het bij de executie in stand zou zijn gebleven, ten tijde van de
executie zou hebben gehad.
Afdeling 2. Bevoorrechte vorderingen
op bepaalde goederen
Artikel 283
Een voorrecht op een bepaald goed
strekt zich mede uit over vorderingen tot vergoedingen die in de
plaats van dat goed zijn getreden, waaronder begrepen vorderingen
ter zake van waardevermindering van het goed.
Artikel 284
1.Een vordering tot voldoening van
kosten, tot behoud van een goed gemaakt, is bevoorrecht op het
goed dat aldus is behouden.
2.De schuldeiser kan de vordering
op het goed verhalen, zonder dat hem rechten van derden op dit
goed kunnen worden tegengeworpen, tenzij deze rechten na het maken
van de kosten tot behoud zijn verkregen. Een na het maken van die
kosten overeenkomstig artikel 237 gevestigd pandrecht kan slechts
aan de schuldeiser worden tegengeworpen, indien de zaak of het
toonderpapier in de macht van de pandhouder of een derde is
gebracht. Een na het maken van die kosten overeenkomstig artikel
90 verkregen recht kan slechts aan de schuldeiser worden
tegengeworpen, indien tevens aan de eisen van lid 2 van dat
artikel is voldaan.
3.Het voorrecht heeft voorrang
boven alle andere voorrechten, tenzij de vorderingen waaraan deze
andere voorrechten zijn verbonden, na het maken van de kosten tot
behoud zijn ontstaan.
Artikel 285
1.Hij die uit hoofde van een
overeenkomst tot aanneming van werk een vordering wegens
bearbeiding van een zaak heeft, is deswege op die zaak
bevoorrecht, mits hij persoonlijk aan de uitvoering van in de
uitoefening van zijn bedrijf aangenomen werk pleegt deel te nemen
dan wel een vennootschap of een rechtspersoon is, waarvan een of
meer beherende vennoten of bestuurders dit plegen te doen. Het
voorrecht vervalt na verloop van twee jaren sedert het ontstaan
van de vordering.
2.Het voorrecht heeft voorrang
boven een overeenkomstig artikel 237 op de zaak gevestigd
pandrecht, tenzij dit recht eerst na het ontstaan van de
bevoorrechte vordering is gevestigd en de zaak in de macht van de
pandhouder of een derde is gebracht.
Artikel 286
1.De door een appartementseigenaar
of een vruchtgebruiker van een appartementsrecht aan de
gezamenlijke appartementseigenaars of de vereniging van eigenaars
verschuldigde, in het lopende of het voorafgaande kalenderjaar
opeisbaar geworden bijdragen zijn bevoorrecht op het
appartementsrecht.
2.In geval van bearbeiding van een
gebouw dat in appartementen is verdeeld, rust het voorrecht van
artikel 285 op ieder appartement voor het bedrag, waarvoor de
eigenaar van dat appartement aansprakelijk is.
3.Bij samenloop van het voorrecht
van het eerste lid en dat van artikel 285 heeft het laatstgenoemde
voorrang.
Artikel 287
1.De vordering tot vergoeding van
schade is bevoorrecht op de vordering die de schuldenaar uit
hoofde van verzekering van zijn aansprakelijkheid op de
verzekeraar mocht hebben, voor zover deze vordering de
verplichting tot vergoeding van deze schade betreft.
2.De schuldeiser kan zijn vordering
verhalen op de vordering waarop het voorrecht rust, zonder dat hem
andere rechten van derden op deze laatste vordering dan het
ingevolge artikel 936 lid 2 van Boek 7 aan de tussenpersoon
toekomende recht op afdracht, kunnen worden tegengeworpen.
Afdeling 3. Bevoorrechte vorderingen
op alle goederen
Artikel 288
De bevoorrechte vorderingen op alle
goederen zijn de vorderingen ter zake van:
a. de kosten van de aanvraag tot
faillietverklaring, doch alleen ter zake van het faillissement
dat op de aanvraag is uitgesproken, alsmede van de kosten, door
een schuldeiser gemaakt, ter verkrijging van vereffening buiten
faillissement;
b. de kosten van lijkbezorging,
voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van
de overledene;
c. hetgeen een werknemer, een
gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake van reeds
vervallen termijnen van pensioen van de werkgever te vorderen
hebben, voor zover de vordering niet ouder is dan een jaar;
d. hetgeen waarop een werknemer,
niet zijnde een bestuurder van de rechtspersoon bij wie hij in
dienst is, een gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake
van in de toekomst tot uitkering komende termijnen van pensioen
jegens de werkgever recht hebben;
e. al hetgeen een werknemer over
het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op grond
van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft,
alsmede de bedragen door de werkgever aan de werknemer in
verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
verschuldigd uit hoofde van de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst.
Artikel 289
1.Eveneens bevoorrecht op alle
goederen zijn de vorderingen die zijn ontstaan uit de oplegging
van de in de artikelen 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van 18 april 1951, (Trb.
1951, 82) bedoelde heffingen en verhogingen wegens vertraging in
de betaling van deze vorderingen.
2.Dit voorrecht heeft dezelfde rang
als het voorrecht terzake van de vordering wegens omzetbelasting.
Afdeling 4. Retentierecht
Artikel 290
Retentierecht is de bevoegdheid die
in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om
de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn
schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan.
Artikel 291
1.De schuldeiser kan het
retentierecht mede inroepen tegen derden die een recht op de zaak
hebben verkregen, nadat zijn vordering was ontstaan en de zaak in
zijn macht was gekomen.
2.Hij kan het retentierecht ook
inroepen tegen derden met een ouder recht, indien zijn vordering
voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was
met betrekking tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had om
aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen.
3.De schuldeiser kan het
retentierecht niet inroepen tegen de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap die op grond van artikel 7 van de Wet tot
teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied een
rechtsvordering instelt.
Artikel 292
De schuldeiser kan zijn vordering op
de zaak verhalen met voorrang boven allen tegen wie het
retentierecht kan worden ingeroepen.
Artikel 293
Het retentierecht kan mede worden
uitgeoefend voor de kosten die de schuldeiser heeft moeten maken ter
zake van de zorg die hij krachtens de wet ten aanzien van de zaak in
acht moet nemen.
Artikel 294
Het retentierecht eindigt doordat de
zaak in de macht komt van de schuldenaar of de rechthebbende, tenzij
de schuldeiser haar weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding
onder zich krijgt.
Artikel 295
Raakt de zaak uit de macht van de
schuldeiser, dan kan hij haar opeisen onder dezelfde voorwaarden als
een eigenaar.
Titel 11. Rechtsvorderingen
Artikel 296
1.Tenzij uit de wet, uit de aard
der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt
hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na
te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de
gerechtigde, veroordeeld.
2.Hij die onder een voorwaarde of
een tijdsbepaling tot iets is gehouden, kan onder die voorwaarde
of tijdsbepaling worden veroordeeld.
Artikel 297
Indien een prestatie door
tenuitvoerlegging van een executoriale titel wordt afgedwongen,
heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als die van een vrijwillige
nakoming van de uit die titel blijkende verplichting tot die
prestatie.
Artikel 298
Vervolgen twee of meer schuldeisers
ten aanzien van één goed met elkaar botsende rechten op levering,
dan gaat in hun onderlinge verhouding het oudste recht op levering
voor, tenzij uit de wet, uit de aard van hun rechten, of uit de
eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit.
Artikel 299
1.Wanneer iemand niet verricht
waartoe hij is gehouden, kan de rechter hem jegens wie de
verplichting bestaat, op diens vordering machtigen om zelf datgene
te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid.
2.Op gelijke wijze kan hij jegens
wie een ander tot een nalaten is gehouden, worden gemachtigd om
hetgeen in strijd met die verplichting is verricht, teniet te
doen.
3.De kosten die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering der machtiging, komen ten laste van hem die
zijn verplichting niet is nagekomen. De uitspraak waarbij de
machtiging wordt verleend, kan tevens de voldoening van deze
kosten op vertoon van de daartoe nodige, in de uitspraak te
vermelden bescheiden gelasten.
Artikel 300
1.Is iemand jegens een ander
gehouden een rechtshandeling te verrichten, dan kan, tenzij de
aard van de rechtshandeling zich hiertegen verzet, de rechter op
vordering van de gerechtigde bepalen dat zijn uitspraak dezelfde
kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene
die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door hem aan te
wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Wijst de
rechter een vertegenwoordiger aan, dan kan hij bepalen dat de door
deze te verrichten handeling zijn goedkeuring behoeft.
2.Is de gedaagde gehouden om
tezamen met de eiser een akte op te maken, dan kan de rechter
bepalen dat zijn uitspraak in de plaats van de akte of een deel
daarvan zal treden.
Artikel 301
1.Een uitspraak waarvan de rechter
heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van
een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige
akte, kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven,
indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd
veroordeeld, en
a. in kracht van gewijsde is
gegaan, of
b. uitvoerbaar bij voorraad is
en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer
als in de uitspraak is bepaald, sedert de betekening van de
uitspraak is verstreken.
2.Verzet, hoger beroep en cassatie
moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na
het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de
registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek
begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het
vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in
persoon geschiedt.
3.Indien de werking van een
uitspraak als bedoeld in lid 1 door de rechter aan een voorwaarde
is gebonden, weigert de bewaarder de inschrijving van die
uitspraak, indien niet tevens een notariële verklaring of een
authentiek afschrift daarvan wordt overgelegd, waaruit van de
vervulling van de voorwaarde blijkt.
Artikel 302
Op vordering van een bij een
rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon spreekt de rechter
omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uit.
Artikel 303
Zonder voldoende belang komt niemand
een rechtsvordering toe.
Artikel 304
Een rechtsvordering kan niet van het
recht tot welks bescherming zij dient, worden gescheiden.
Artikel 305
De in de voorgaande artikelen van
deze titel aan de rechter toegekende bevoegdheden komen mede aan
scheidsmannen toe, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.
Artikel 305a
1.Een stichting of vereniging met
volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die
strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere
personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten
behartigt.
2.Een rechtspersoon als bedoeld in
lid 1 is niet ontvankelijk, indien hij in de gegeven
omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het
voeren van overleg met de gedaagde te bereiken. Een termijn van
twee weken na de ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot
overleg onder vermelding van het gevorderde, is daartoe in elk
geval voldoende.
3.Een rechtsvordering als bedoeld
in lid 1 kan strekken tot veroordeling van de gedaagde tot het
openbaar maken of laten openbaar maken van de uitspraak, zulks op
een door de rechter te bepalen wijze en op kosten van de door de
rechter aan te geven partij of partijen. Zij kan niet strekken tot
schadevergoeding te voldoen in geld.
4.Een gedraging kan niet ten
grondslag worden gelegd aan een rechtsvordering als bedoeld in lid
1, voor zover degene die door deze gedraging wordt getroffen,
daartegen bezwaar maakt.
5.Een rechterlijke uitspraak heeft
geen gevolg ten aanzien van een persoon tot bescherming van wiens
belang de rechtsvordering strekt en die zich verzet tegen werking
van de uitspraak ten opzichte van hem, tenzij de aard van de
uitspraak meebrengt dat de werking niet slechts ten opzichte van
deze persoon kan worden uitgesloten.
Artikel 305b
1.Een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 1 van Boek 2 kan een rechtsvordering instellen die strekt
tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen,
voor zover hem de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
2.De leden 2 tot en met 5 van
artikel 305a van dit Boek zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 305c
1.Een organisatie of openbaar
lichaam met zetel buiten Nederland welke geplaatst is op de lijst,
bedoeld in artikel 4 lid 3 van richtlijn nr. 98/27/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998
betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de
bescherming van consumentenbelangen (PbEG L 166), kan een
rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van de
gelijksoortige belangen van andere personen die hun gewone
verblijfplaats hebben in het land waar de organisatie of het
openbaar lichaam gezeteld is, voorzover de organisatie deze
belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar
lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
2.De leden 2 tot en met 5 van
artikel 305a zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Een stichting of vereniging met
volledige rechtsbevoegdheid met zetel in Nederland die ingevolge
haar statuten de belangen behartigt van eindgebruikers van niet
voor een beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten, kan,
teneinde geplaatst te worden op de lijst, bedoeld in lid 1, Onze
Minister van Justitie verzoeken de Commissie van de Europese
Gemeenschappen mede te delen dat zij ter bescherming van deze
belangen een rechtsvordering kan instellen. Onze Minister deelt in
dat geval de Commissie tevens de naam en de doelstelling van de
stichting of vereniging mee.
Artikel 305d
1.Het gerechtshof te ’s-Gravenhage
kan op verzoek van:
a. de Consumentenautoriteit;
b. de Stichting Autoriteit
Financiële Markten, of
c. een stichting of vereniging
met volledige rechtsbevoegdheid, die krachtens haar statuten
tot taak heeft de bescherming van gelijksoortige belangen van
andere personen,
bevelen dat degene die een
overtreding als bedoeld in artikel 1.1 onder k van de Wet
handhaving consumentenbescherming pleegt van de wettelijke
bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij de Wet
handhaving consumentenbescherming, die overtreding staakt.
2.Het gerechtshof kan eveneens op
hun verzoek bevelen dat een gedragscode die een handelen in strijd
met de artikelen 193a tot en met 193i van Boek 6 bevordert door de
houder van die gedragscode, bedoeld in artikel 193a, onder i, van
Boek 6, wordt aangepast.
3.Het gerechtshof kan voorts worden
verzocht degene die de overtreding pleegt, dan wel de houder van
de gedragscode die het handelen in strijd met de artikelen 193a
tot en met 193i van Boek 6 bevordert, te veroordelen tot het
openbaar maken of openbaar laten maken van de beschikking, bedoeld
in de leden 1 en 2. Indien er sprake is van een misleidende
handelspraktijk als bedoeld in de artikelen 193c tot en met 193g
van Boek 6, kan het gerechtshof op verzoek de handelaar tevens
veroordelen tot rectificatie van de informatie. De openbaarmaking
of rectificatie geschiedt op een door het gerechtshof te bepalen
wijze en op kosten van de door het gerechtshof aan te geven partij
of partijen.
4.Artikel 305a lid 2 is van
overeenkomstige toepassing, indien een stichting of een vereniging
met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens haar statuten tot
taak heeft het behartigen van de collectieve belangen van
personen, een verzoek indient als bedoeld in de leden 1, 2 en 3.
5.Het gerechtshof behandelt het
verzoek onverwijld.
6.Geschillen ter zake van de
tenuitvoerlegging van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde
veroordelingen, alsmede van de veroordeling tot betaling van een
dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij uitsluiting door het
gerechtshof te ’s-Gravenhage beslist.
Artikel 306
Indien de wet niet anders bepaalt,
verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.
Artikel 307
1.Een rechtsvordering tot nakoming
van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen
verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
2.In geval van een verbintenis tot
nakoming na onbepaalde tijd loopt de in lid 1 bedoelde termijn pas
van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de
schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en
verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door
verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op
die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de
schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.
Artikel 308
Rechtsvorderingen tot betaling van
renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en
voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden
betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de
dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Artikel 309
Een rechtsvordering uit
onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met
het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger
is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de
vordering is ontstaan.
Artikel 310
1. Een rechtsvordering tot
vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete
verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de
opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke
persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van
twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt
of de boete opeisbaar is geworden.
2. Is de schade een gevolg van
verontreiniging van lucht, water of bodem, van de verwezenlijking
van een gevaar als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 dan wel van
beweging van de bodem als bedoeld in artikel 177, eerste lid,
onder b, van Boek 6, dan verjaart de rechtsvordering tot
vergoeding van schade, in afwijking van het aan het slot van lid 1
bepaalde, in ieder geval door verloop van dertig jaren na de
gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.
3. Voor de toepassing van lid 2
wordt onder gebeurtenis verstaan een plotseling optredend feit,
een voortdurend feit of een opeenvolging van feiten met dezelfde
oorzaak. Bestaat de gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan
begint de termijn van dertig jaren bedoeld in lid 2 te lopen nadat
dit feit is opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint deze
termijn te lopen na dit laatste feit.
4. Indien de gebeurtenis waardoor
de schade is veroorzaakt, een misdrijf oplevert als bedoeld in de
artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f dan wel 300 tot en met
303 van het Wetboek van Strafrecht voor zover het feit oplevert
genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht,
en is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van
achttien jaren nog niet heeft bereikt, verjaart de rechtsvordering
tot vergoeding van schade tegen de schuldige aan het misdrijf niet
zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is
vervallen.
5. In afwijking van de leden 1 en 2
verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel
of overlijden slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang
van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de
schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is
geworden. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de
schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden,
verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaren na
de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde
meerderjarig is geworden.
Artikel 310a
1.Een rechtsvordering tot opeising
van een roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van een
lid-staat van de Europese Unie of van een andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
een cultuurgoed is in de zin van artikel 1, onder 1, van de
richtlijn, bedoeld in artikel 86a, en waarvan die staat teruggave
vordert op de grond dat zij op onrechtmatige wijze buiten zijn
grondgebied is gebracht, verjaart door verloop van één jaar na
de aanvang van de dag, volgende op die waarop de plaats waar de
zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder
aan die staat zijn bekend geworden, en in elk geval door verloop
van dertig jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop
de zaak buiten het grondgebied van die staat is gebracht.
2.De laatste termijn bedraagt
vijfenzeventig jaren in het geval van zaken die deel uitmaken van
openbare collecties in de zin van artikel 1, onder 1, van de
richtlijn, bedoeld in artikel 86a, en van kerkelijke goederen als
bedoeld in de richtlijn in de lid-staten van de Europese Unie of
in de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, waar deze zijn
onderworpen aan speciale beschermende maatregelen krachtens
nationaal recht.
Artikel 310b
1.Een rechtsvordering tot opeising
van een roerende zaak die krachtens de Wet tot behoud van
cultuurbezit als beschermd voorwerp is aangewezen of deel uitmaakt
van een openbare collectie of van een inventarislijst als bedoeld
in artikel 14a, tweede lid, van die wet en die na die aanwijzing
of gedurende dit deel uitmaken uit het bezit van de eigenaar is
geraakt, verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de
dag waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit
van de bezitter of de houder zijn bekend geworden, en in elk geval
door verloop van dertig jaren na de aanvang van de dag waarop een
niet-rechthebbende bezitter van de zaak is geworden.
2.De verjaring krachtens lid 1
treedt in elk geval niet in voordat de rechtsvordering tot
teruggave van de zaak is verjaard, die de Staat voor de rechter
van een andere lid-staat van de Europese Unie of van een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte kan instellen op grond dat de zaak op
onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van Nederland is
gebracht.
Artikel 310c
1. Een rechtsvordering tot
teruggave van een roerende zaak op grond van artikel 4 van de
Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer,
uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen verjaart door
verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die
waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de
bezitter of de houder zijn bekend geworden, en in elk geval door
verloop van dertig jaren na de aanvang van de dag volgende op die
waarop de zaak buiten het grondgebied is gebracht van de
verdragsstaat waaruit de zaak afkomstig is.
2. De laatste termijn bedraagt
vijfenzeventig jaren in geval van zaken die deel uitmaken van
openbare collecties, die vermeld staan in de inventarissen van
musea, archieven en vaste collecties van bibliotheken of van de
inventaris van een kerkelijke instelling. Onder openbare
collecties wordt in dit lid verstaan een collectie die eigendom is
van een verdragsstaat, een lokale of regionale overheid van een
verdragsstaat of een instelling op het grondgebied van een
verdragsstaat die overeenkomstig de wetgeving van die
verdragsstaat als openbaar wordt aangemerkt en die eigendom is van
of in grote mate wordt gefinancierd door die verdragsstaat of een
lokale of regionale overheid van die staat.
Artikel 311
1.Een rechtsvordering tot
ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in
de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming verjaart
door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op
die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden
en in ieder geval twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan.
2.Een rechtsvordering tot
ongedaanmaking als bedoeld in artikel 271 van Boek 6 verjaart door
verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die
waarop de overeenkomst is ontbonden.
Artikel 312
Rechtsvorderingen terzake van een
tekortkoming in de nakoming, alsmede die tot betaling van wettelijke
of bedongen rente en die tot afgifte van vruchten, verjaren,
behoudens stuiting of verlenging, niet later dan de rechtsvordering
tot nakoming van de hoofdverplichting of, zo de tekortkoming vatbaar
is voor herstel, de rechtsvordering tot herstel van de tekortkoming.
Artikel 313
Indien de wet niet anders bepaalt,
begint de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot nakoming
van een verplichting om te geven of te doen met de aanvang van de
dag, volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden
gevorderd.
Artikel 314
1.De termijn van verjaring van een
rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand
begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden.
2.De termijn van verjaring van een
rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een
niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op
die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de
onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand
waarvan diens bezit de voortzetting vormt.
Artikel 315
De termijn van verjaring van een
rechtsvordering tot opeising van een nalatenschap begint met de
aanvang van de dag, volgende op die van het overlijden van de
erflater.
Artikel 316
1.De verjaring van een
rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis,
alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde
van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt.
2.Leidt een ingestelde eis niet tot
toewijzing, dan is de verjaring slechts gestuit, indien binnen zes
maanden, nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van
een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis
wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Wordt een
daad van rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring
niet.
3.De verjaring van een
rechtsvordering wordt ook gestuit door een handeling, strekkende
tot verkrijging van een bindend advies, mits van die handeling met
bekwame spoed mededeling wordt gedaan aan de wederpartij en zij
tot verkrijging van een bindend advies leidt. Is dit laatste niet
het geval, dan is het vorige lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 317
1.De verjaring van een
rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit
door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke
mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op
nakoming voorbehoudt.
2.De verjaring van andere
rechtsvorderingen wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning,
indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een
stuitingshandeling als in het vorige artikel omschreven.
Artikel 318
Erkenning van het recht tot welks
bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de
rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
Artikel 319
1.Door stuiting van de verjaring
van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis
die door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe
verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. Is
een bindend advies gevraagd en verkregen, dan begint de nieuwe
verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag, volgende op
die waarop het bindend advies is uitgebracht.
2.De nieuwe verjaringstermijn is
gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip
in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou
zijn verstreken.
Artikel 320
Wanneer een verjaringstermijn zou
aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes
maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, loopt de termijn
voort totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn
verstreken.
Artikel 321
1.Een grond voor verlenging van de
verjaring bestaat:
a. tussen niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoten;
b. tussen een wettelijke
vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt;
c. tussen een bewindvoerder en
de rechtshebbende voor wie hij het bewind voert, ter zake van
vorderingen die dit bewind betreffen;
d. tussen rechtspersonen en
haar bestuurders;
e. tussen een beneficiair
aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam;
f. tussen de schuldeiser en
zijn schuldenaar die opzettelijk het bestaan van de schuld of
de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt;
g. tussen geregistreerde
partners.
2.De onder b en c genoemde gronden
voor verlenging duren voort totdat de eindrekening van de
wettelijke vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten.
Artikel 322
1.De rechter mag niet ambtshalve
het middel van verjaring toepassen.
2.Afstand van verjaring geschiedt
door een verklaring van hem die de verjaring kan inroepen.
3.Voordat de verjaring voltooid is,
kan geen afstand van verjaring worden gedaan.
Artikel 323
1.Door voltooiing van de verjaring
van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gaan de
pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken,
teniet.
2.Nochtans verhindert de verjaring
niet dat het pandrecht op het verbonden goed wordt uitgeoefend,
indien dit bestaat in een roerende zaak of een recht aan toonder
of order en deze zaak of het toonder- of orderpapier in de macht
van de pandhouder of een derde is gebracht.
3.De rechtsvordering tot nakoming
van een verbintenis tot zekerheid waarvan een hypotheek strekt,
verjaart niet voordat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang
van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis
is verbonden.
Artikel 324
1.De bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak
verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die van de uitspraak, of, indien voor
tenuitvoerlegging daarvan vereisten zijn gesteld waarvan de
vervulling niet afhankelijk is van de wil van degene die de
uitspraak heeft verkregen, na de aanvang van de dag, volgende op
die waarop deze vereisten zijn vervuld.
2.Wordt vóórdat de verjaring is
voltooid, door een der partijen ter aantasting van de ten uitvoer
te leggen veroordeling een rechtsmiddel of een eis ingesteld, dan
begint de termijn eerst met de aanvang van de dag, volgende op die
waarop het geding daarover is geëindigd.
3.De verjaringstermijn bedraagt
vijf jaren voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het
jaar of kortere termijn moet worden betaald.
4.Voor wat betreft renten, boeten,
dwangsommen en andere bijkomende veroordelingen, treedt de
verjaring, behoudens stuiting of verlenging, niet later in dan de
verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de
hoofdveroordeling.
Artikel 325
1.Op de verjaring van het vorige
artikel zijn de artikelen 319-323 van overeenkomstige toepassing.
2.De verjaring van het vorige
artikel wordt gestuit door:
a. betekening van de uitspraak
of schriftelijke aanmaning;
b. erkenning van de in de
uitspraak vastgestelde verplichting;
c. iedere daad van
tenuitvoerlegging, mits daarvan binnen de door de wet
voorgeschreven tijd of, bij gebreke van zodanig voorschrift,
met bekwame spoed mededeling aan de wederpartij wordt gedaan.
Artikel 326
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de
aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.
|