Nadere
regelgeving:
- Besluit boedelregister
Burgerlijk Wetboek Boek 4, Erfrecht
Boek 4. Erfrecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Erfopvolging heeft plaats bij
versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking.
2.Van de erfopvolging bij versterf kan
worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling
of een onterving inhoudt.
Artikel 2
1.Wanneer de volgorde waarin twee of
meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die
personen geacht gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de ene
persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de andere ten deel.
2.Indien een belanghebbende ten gevolge
van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend,
moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van
overlijden, kan de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen,
zulks voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs
binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd.
Artikel 3
1.Van rechtswege zijn onwaardig om uit
een nalatenschap voordeel te trekken:
a. hij die onherroepelijk
veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht,
heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of
daaraan heeft deelgenomen;
b. hij die onherroepelijk
veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd
misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een
vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier
jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming
aan een dergelijk misdrijf;
c. hij van wie bij onherroepelijke
rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater
lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht,
waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een
vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is
gesteld;
d. hij die de overledene door een
feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft
gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken;
e. hij die de uiterste wil van de
overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
2.Rechten door derden te goeder trouw
verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld worden
geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet zijn verkregen, kan
de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor
voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding
toekennen.
3.Een onwaardigheid vervalt, wanneer de
erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging
heeft vergeven.
Artikel 4
1.Een voor het openvallen van een
nalatenschap verrichte rechtshandeling is nietig, voor zover zij de
strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om
bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens dit Boek met
betrekking tot die nalatenschap toekomen.
2.Overeenkomsten strekkende tot
beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel
of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig.
Artikel 5
1.Op verzoek van de schuldenaar kan de
rechtbank wegens gewichtige redenen bepalen dat een geldsom die
krachtens dit Boek of, in verband met de verdeling van de
nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is verschuldigd, al dan
niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, eerst na
verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te
worden voldaan. Hierbij let de rechtbank op de belangen van beide
partijen; aan een inwilliging kan de voorwaarde worden verbonden dat
binnen een bepaalde tijd een door de rechtbank goedgekeurde zakelijke
of persoonlijke zekerheid voor de voldoening van hoofdsom en rente
wordt gesteld.
2.Een in het vorige lid bedoelde
beschikking kan op verzoek van een der partijen, gegrond op ten tijde
van die beschikking niet voorziene omstandigheden, door de in het
vorige lid genoemde rechtbank worden gewijzigd.
Artikel 6
In dit Boek wordt onder de waarde van de
goederen der nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het
tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater, waarbij geen
rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens
afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten.
Artikel 7
1.Schulden van de nalatenschap zijn:
a. de schulden van de erflater die
niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in
onderdeel i;
b. de kosten van lijkbezorging,
voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van
de overledene;
c. de kosten van vereffening van de
nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van executele, met
inbegrip van het loon van de executeur;
e. de schulden uit belastingen die
ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor
zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die ontstaan door
toepassing van afdeling 2 van titel 3;
g. de schulden ter zake van
legitieme porties waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt
gemaakt;
h. de schulden uit legaten welke op
een of meer erfgenamen rusten;
i. de schulden uit giften en andere
handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als
legaten.
2.Bij de voldoening van de schulden ten
laste van de nalatenschap worden achtereenvolgens met voorrang
voldaan:
1°. de schulden, bedoeld in lid 1
onder a tot en met e;
2°. de schulden, bedoeld in lid 1
onder f;
3°. de schulden, bedoeld in lid 1
onder g.
Ontbreken schulden als bedoeld in lid 1
onder f, dan worden eerst de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en
met c, en vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1 onder d, e en g,
met voorrang voldaan.
3.In de nalatenschap van de
langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en de stiefouder, bedoeld
in artikel 22, wordt een verplichting tot overdracht van goederen als
bedoeld in die artikelen met een schuld als bedoeld in lid 1 onder a
gelijkgesteld.
Artikel 8
1.In dit Boek worden met echtgenoten
gelijkgesteld geregistreerde partners.
2.Voor de toepassing van lid 1 is mede
begrepen onder:
a. huwelijk: geregistreerd
partnerschap;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd;
c. huwelijksgemeenschap:
gemeenschap van een geregistreerd partnerschap;
d. trouwbeloften: beloften tot het
aangaan van een geregistreerd partnerschap;
e. echtscheiding: beëindiging van
een geregistreerd partnerschap op de wijze als bedoeld in artikel
80c onder c of d van Boek 1.
3.Onder stiefkind van de erflater wordt
in dit Boek verstaan een kind van de echtgenoot of geregistreerde
partner van de erflater, van welk kind de erflater niet zelf ouder is.
Zodanig kind blijft stiefkind, indien het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap is geëindigd.
Titel 2. Erfopvolging bij versterf
Artikel 9
Ten einde als erfgenaam bij versterf te
kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap
openvalt.
Artikel 10
1.De wet roept tot een nalatenschap als
erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens:
a. de niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen;
b. de ouders van de erflater
tezamen met diens broers en zusters;
c. de grootouders van de erflater;
d. de overgrootouders van de
erflater.
2.De afstammelingen van een kind,
broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden bij
plaatsvervulling geroepen.
3.Alleen zij die tot de erflater in
familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige
leden genoemde bloedverwanten gerekend.
Artikel 11
1.Degenen die tezamen uit eigen hoofde
tot een nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen.
2.In afwijking van lid 1 is het erfdeel
van een halfbroer of halfzuster de helft van het erfdeel van een volle
broer, een volle zuster of een ouder.
3.Wanneer het erfdeel van een ouder
door toepassing van de leden 1 en 2 minder zou bedragen dan een kwart,
wordt het verhoogd tot een kwart en worden de erfdelen van de overige
erfgenamen naar evenredigheid verminderd.
Artikel 12
1.Plaatsvervulling geschiedt met
betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen van de
nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn of
verwerpen of wier erfrecht is vervallen.
2.Zij die bij plaatsvervulling erven,
worden staaksgewijze geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats
zij vervullen.
3.Degenen die de erflater verder dan de
zesde graad bestaan, erven niet.
Titel 3. Het erfrecht bij versterf van de
niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen alsmede
andere wettelijke rechten
Afdeling 1. Het erfrecht bij versterf van
de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
Artikel 13
1.De nalatenschap van de erflater die
een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat,
wordt, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald
dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft, overeenkomstig de
volgende leden verdeeld.
2.De echtgenoot verkrijgt van
rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening van de
schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder schulden
van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van de
gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan
testamentaire lasten.
3.Ieder van de kinderen verkrijgt als
erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de
echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Deze
vordering is opeisbaar:
a. indien de echtgenoot in staat
van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is
overleden.
De vordering is ook opeisbaar in door
de erflater bij uiterste wilsbeschikking genoemde gevallen.
4.De in lid 3 bedoelde geldsom wordt,
tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders
hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat
van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes,
berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen,
bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking
wordt genomen.
5.Is de vordering, bedoeld in lid 3,
opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven,
door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de
Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de
Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.
6.In deze titel wordt onder echtgenoot
niet begrepen een van tafel en bed gescheiden echtgenoot.
Artikel 14
1.Indien de nalatenschap overeenkomstig
artikel 13 is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de
schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de
schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de
echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor
rekening van de echtgenoot.
2.Voor schulden van de nalatenschap,
alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op
de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater
de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de
goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de echtgenoot toebehoren,
rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de
echtgenoot.
3.Voor schulden van de nalatenschap
kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met
uitzondering van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering.
Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor zover de
geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door
overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot
aanwijst die voldoende verhaal bieden.
4.De uit lid 1, tweede zin,
voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de
schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd
artikel 184 lid 2.
Artikel 15
1.Voor zover de erfgenamen over de
vaststelling van de omvang van de in artikel 13 lid 3 bedoelde
geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op
verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld.
De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Indien bij de vaststelling van de in
artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering:
a. omtrent de waarde van de
goederen en de schulden van de nalatenschap is gedwaald en
daardoor een erfgenaam voor meer dan een vierde is benadeeld,
b. het saldo van de nalatenschap
anderszins onjuist is berekend, dan wel
c. de geldvordering niet is
berekend overeenkomstig het deel waarop het kind aanspraak kon
maken,
wordt de vaststelling op verzoek van
een kind of de echtgenoot dienovereenkomstig door de kantonrechter
gewijzigd. Op de vaststelling is hetgeen omtrent verdeling is bepaald
in de artikelen 196 leden 2, 3 en 4, 199 en 200 van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing.
3.Bij de vaststelling van de
geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met 233 van overeenkomstige
toepassing.
4.De artikelen 187 en 188 van Boek 3
zijn op de vaststelling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.De echtgenoot en ieder kind kunnen
verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. De
boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden
van de nalatenschap.
2.Heeft de echtgenoot of een kind niet
het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijk
vertegenwoordiger binnen een jaar na het overlijden van de erflater
een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende
boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank van de woonplaats
van de echtgenoot onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan
bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte dient te
geschieden.
3.Op de boedelbeschrijving en de
waardering zijn de artikelen 673 tot en met 676 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De
echtgenoot en ieder kind zijn voor de toepassing van de in de vorige
volzin genoemde bepalingen partij bij de boedelbeschrijving.
4.De echtgenoot en ieder kind hebben
jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en
andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun
aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door
hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot
medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.
Artikel 17
1.De echtgenoot kan, behoudens het
bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel 13 lid 3 bedoelde
geldvordering en de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging te
allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in de
eerste plaats in mindering gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de
verhoging, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind
tezamen, anders hebben bepaald.
2.Indien een kind een bevoegdheid
toekomt tot het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 19, 20, 21
of 22, gaan de echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot voldoening
dan na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 25 lid 3.
3.Is het in lid 2 bedoelde kind
minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet het vrije beheer over
zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de goedkeuring van de
kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel 26 lid 1.
Artikel 18
1.De echtgenoot kan binnen drie maanden
vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, door middel van
een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door
inschrijving in het boedelregister, de verdeling overeenkomstig
artikel 13 ongedaan maken. In naam van de echtgenoot kan de verklaring
slechts krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke
volmacht worden afgelegd.
2.De verklaring werkt terug tot het
tijdstip van het openvallen der nalatenschap. Voor het verstrijken van
de in lid 1 genoemde termijn verkregen rechten van derden,
mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden geëerbiedigd. Indien de
echtgenoot voor het afleggen van de verklaring op de voet van artikel
13 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en
de kinderen verrekend.
3.De omstandigheid dat de echtgenoot
onder curatele staat of dat de goederen die deze uit de nalatenschap
van de erflater verkrijgt onder een bewind vallen, staat aan
uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet in de weg. De
bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor
de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind gelden. Is de
echtgenoot in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van
hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan wordt
deze bevoegdheid uitgeoefend door de curator, door de bewindvoerder,
onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de
bewindvoerder.
4.Indien ten aanzien van de erflater
afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, loopt de in lid
1 genoemde termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de
beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel
427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 19
Indien een kind overeenkomstig artikel 13
lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de
nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die
ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen opnieuw een huwelijk te
willen aangaan, is deze verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De
overdracht vindt, tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder
voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 20
Indien een kind overeenkomstig artikel 13
lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de
nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de
langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was, is de stiefouder
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een
waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4
van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de nalatenschap van de
langstlevende ouder niet overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de
in de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen van de
langstlevende ouder.
Artikel 21
Indien een kind overeenkomstig artikel 13
lid 3 een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap
van zijn overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder verplicht aan
het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten
hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel
bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de stiefouder daarvan
afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 22
Indien een kind overeenkomstig artikel 13
lid 3 een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap
van zijn overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is overleden,
zijn diens erfgenamen verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging.
Artikel 23
1.Op het in de artikelen 19 en 21
bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van titel 8 van Boek 3 van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de echtgenoot is vrijgesteld van
de jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 205 lid 4, alsmede van
het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 206 lid 1, en
artikel 206 lid 2 niet van toepassing is;
b. een machtiging als bedoeld in
artikel 212 lid 3 ook gegeven kan worden voor zover de
verzorgingsbehoefte van de echtgenoot of de nakoming van zijn
verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid 2 dit nodig maakt.
2.De kantonrechter kan op de in lid 1
onder b bedoelde grond, op verzoek van de echtgenoot aan deze de
bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering als
bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De hoofdgerechtigde wordt
in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
3.In afwijking van de eerste zin van
artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van artikel 215 lid 1 van Boek 3
verkrijgt de hoofdgerechtigde, tenzij hij met de echtgenoot anders
overeenkomt, op het tijdstip van vervreemding een vordering op de
echtgenoot ter grootte van de waarde die het goed op dat tijdstip had.
Op de vordering zijn de leden 3 en 4 van artikel 13 en lid 1 van
artikel 15 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
in artikel 13 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt berekend vanaf het
tijdstip van het ontstaan van de vordering.
4.Bij de vestiging van het
vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen worden getroffen door
de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de kantonrechter op
verzoek van een van hen.
5.De echtgenoot is niet bevoegd het
vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren.
6.Het vruchtgebruik kan niet worden
ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen
goederen verhalen ter zake van schulden van de nalatenschap of
schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen
van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de
deelgenoten waren. In geval van zodanige uitwinning is artikel 282 van
Boek 3 niet van toepassing.
Artikel 24
1.De in de artikelen 19, 20, 21 en 22
bedoelde verplichting tot overdracht betreft goederen die deel hebben
uitgemaakt van de nalatenschap van de erflater of van de door diens
overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap. In afwijking van de eerste
zin heeft de in de artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot
overdracht geen betrekking op goederen die van de zijde van de
stiefouder in de huwelijksgemeenschap met de erflater zijn gevallen.
2.De in de artikelen 19, 20, 21 en 22
bedoelde verplichting tot overdracht betreft mede goederen die in de
plaats zijn gekomen voor goederen als bedoeld in lid 1, eerste zin.
Indien een goed is verkregen met middelen die voor minder dan de helft
afkomstig zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap of ontbonden
huwelijksgemeenschap, valt het niet onder de in de eerste zin bedoelde
verplichting. Is een goed mede met middelen uit een lening verkregen,
dan blijven deze middelen voor de toepassing van de tweede zin buiten
beschouwing.
3.Een goed dat behoort tot het vermogen
van degene die tot overdracht is verplicht of tot de
huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te
hebben uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin, bedoelde nalatenschap
of ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanig goed in de plaats te
zijn gekomen.
Artikel 25
1.De waarde van de over te dragen
goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de overdracht, wordt
in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan het kind
verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de verhoging, tenzij door de
erflater of bij de overdracht anders is bepaald. Voor de toepassing
van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de goederen vastgesteld
zonder daarbij het vruchtgebruik in aanmerking te nemen.
2.Een kind dat voornemens is een in de
artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld verzoek te doen, is gehouden de
andere kinderen die een dergelijk verzoek kunnen doen, op een zodanig
tijdstip van zijn voornemen in kennis te stellen dat zij tijdig kunnen
beslissen eveneens een verzoek te doen.
3.Degene die tot overdracht van
goederen verplicht kan worden, kan een kind een redelijke termijn
stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21
en 22 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe over, dan stelt hij ook de
andere kinderen die een zodanig verzoek kunnen doen, daarvan in
kennis.
4.Bestaat tussen degene die tot
overdracht van goederen verplicht is en het kind, of tussen twee of
meer kinderen geen overeenstemming over de overdracht van een goed,
dan beslist op verzoek van een hunner de kantonrechter, rekening
houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen.
5.Voor zover een kind de in artikel 13
lid 3 bedoelde vordering aan een andere persoon overdraagt, gaat de in
de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde bevoegdheid teniet.
6.Bij uiterste wilsbeschikking kan de
erflater de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22,
uitbreiden, beperken of opheffen.
Artikel 26
1.Indien een minderjarig kind een
bevoegdheid heeft als in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld, dient
zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen drie maanden na het
verkrijgen van de bevoegdheid aan de kantonrechter schriftelijk zijn
voornemen met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheid mede
te delen. Heeft het kind geen wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt
deze termijn vanaf de dag van de benoeming. De kantonrechter verleent
zijn goedkeuring aan het voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening
houdende naar billijkheid met de belangen van het kind, de andere
kinderen aan wie de bevoegdheid eveneens toekomt en van degene jegens
wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan de goedkeuring voorwaarden
verbinden. Zo nodig neemt de kantonrechter een eigen beslissing.
2.Hetzelfde geldt indien het kind
meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft.
Staat de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering onder een bewind,
dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend overeenkomstig
de regels die voor het desbetreffende bewind gelden. Is het kind in
staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan rust de
verplichting op de curator, op de bewindvoerder, onderscheidenlijk op
het kind met medewerking van de bewindvoerder.
3.Indien met goedkeuring van de
kantonrechter is afgezien van het doen van een verzoek als genoemd in
de artikelen 19, 20, 21 en 22, kan zodanig verzoek nadien niet alsnog
worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de kantonrechter anders
bepalen.
Artikel 27
Bij uiterste wilsbeschikking kan de
erflater bepalen dat een stiefkind in een verdeling als bedoeld in
artikel 13 als eigen kind wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling
van toepassing, behoudens voor zover de erflater anders heeft bepaald.
De afstammelingen van het stiefkind worden bij plaatsvervulling
geroepen.
Afdeling 2. Andere wettelijke rechten
Artikel 28
1.Indien de woning die de echtgenoot
van de erflater bij diens overlijden bewoont, tot de nalatenschap of
de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater, anders dan
krachtens huur, ten gebruike toekwam, is de echtgenoot jegens de
erfgenamen bevoegd tot voortzetting van de bewoning gedurende een
termijn van zes maanden onder gelijke voorwaarden als tevoren. De
echtgenoot is op gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot
voortzetting van het gebruik van de inboedel, voor zover die tot de
nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de
erflater ten gebruike toekwam.
2.Jegens de erfgenamen en de echtgenoot
van de erflater hebben degenen die tot diens overlijden met hem een
duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, overeenkomstige
bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van de woning en de
inboedel die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap
behoren.
Artikel 29
1.Voor zover de echtgenoot van de
erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater
niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de
erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de
erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen
bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan,
zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een
vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van de
echtgenoot, voor zover deze dit van hen verlangt. De eerste zin geldt
niet voor zover de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek
artikel 33 lid 2, onder a, heeft toegepast.
2.Zolang de echtgenoot een beroep op
lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet bevoegd tot beschikking over
die goederen, noch tot verhuring of verpachting daarvan; gedurende dat
tijdsbestek kunnen die goederen slechts worden uitgewonnen voor de in
artikel 7 lid 1 onder a tot en met f genoemde schulden.
3.De leden 1 en 2 zijn van
overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een
testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die
zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.
Artikel 30
1.De erfgenamen zijn verplicht tot
medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen
van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 29 ten behoeve van de
echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan, de
omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging –
daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2
op hem rustende verplichtingen – behoefte heeft en die medewerking
van hen verlangt.
2.Lid 1 is mede van toepassing met
betrekking tot hetgeen moet worden geacht in de plaats te zijn gekomen
van goederen van de nalatenschap. Voorts is lid 1 mede van toepassing
op een geldvordering als bedoeld in artikel 13 lid 3, indien de
erflater bij uiterste wilsbeschikking de gronden voor opeisbaarheid
heeft uitgebreid. Een vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld
in de tweede zin eindigt in elk geval indien de echtgenoot in staat
van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard. In het laatstbedoelde geval herleeft door beëindiging van
de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op
grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet het vruchtgebruik
op de vordering, voorzover deze onvoldaan is gebleven. Artikel 358 lid
1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen
toepassing.
3.De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een
testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die
zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen. Onder goederen
als bedoeld in de eerste zin worden mede begrepen ingevolge een legaat
of een testamentaire last verkregen geldsommen en beperkte rechten op
goederen van de nalatenschap.
4.De erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of na andere voor
bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking komen.
5.Voor zover de erflater de in het
vorige lid toegekende bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, komen
gelegateerde en krachtens een testamentaire last verkregen goederen
slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking, indien de
overige goederen der nalatenschap tot verzorging van de echtgenoot
onvoldoende zijn. Voor zover een making is te beschouwen als
voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, komt zij
pas na de andere makingen voor bezwaring met vruchtgebruik in
aanmerking.
6.Voor zover de echtgenoot en degenen
die hun medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik moeten
verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen over de goederen
waarop dit zal komen te rusten, gelast op verzoek van een hunner de
kantonrechter de aanwijzing van die goederen of wijst hij deze zelf
aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van
hen.
7.Bij de bepaling van de behoefte aan
verzorging wordt op hetgeen de echtgenoot toekomt, in mindering
gebracht hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit de
nalatenschap had kunnen verkrijgen met uitzondering van het
vruchtgebruik dat hij ingevolge het vorige artikel had kunnen doen
vestigen. Voorts komt daarop in mindering hetgeen hij had kunnen
verkrijgen uit een sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 31
1.Op het vruchtgebruik ingevolge de
artikelen 29 en 30 zijn de leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van
overeenkomstige toepassing. Het vruchtgebruik kan niet worden
ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen
goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1
onder a tot en met f. De uitwinning is echter niet toegelaten, indien
de echtgenoot niet met vruchtgebruik belaste goederen der nalatenschap
aanwijst die voldoende verhaal bieden.
2.De mogelijkheid om aanspraak te maken
op vestiging van het vruchtgebruik vervalt, indien de echtgenoot niet
binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en
uiterlijk voor de toepassing van artikel 29 zes maanden en voor de
toepassing van artikel 30 een jaar na het overlijden van de erflater
heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te
maken.
3.De rechtsvordering ingevolge de
artikelen 29 en 30 verjaart door verloop van een jaar en drie maanden
na het openvallen der nalatenschap.
4.Heeft de erflater bij uiterste
wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de bevoegdheid ontzegd om zich bij
de overdracht van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21 een
vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in afwijking van lid 2,
de mogelijkheid om ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op
vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door verloop van drie
maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt. In dat
geval verjaart de rechtsvordering tot vestiging van het vruchtgebruik
door verloop van een jaar en drie maanden nadat op overdracht van het
goed aanspraak is gemaakt.
Artikel 32
De echtgenoot kan geen aanspraak maken op
vestiging van het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer
een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de
erflater en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de
nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van
tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer
tot stand heeft kunnen komen. De eerste zin blijft buiten toepassing
indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van tafel
en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in overwegende mate
de echtgenoot kan worden aangerekend.
Artikel 33
1.De kantonrechter kan op verzoek van
een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van deze
wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de echtgenoot
niet ernstig wordt geschaad:
a. aan die hoofdgerechtigde een met
vruchtgebruik belast goed uit de nalatenschap, al dan niet onder
de last van het vruchtgebruik, toedelen;
b. het vruchtgebruik van een of
meer goederen beëindigen;
c. aan het vruchtgebruik verbonden
bevoegdheden van de echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen;
d. het vruchtgebruik in het belang
van de hoofdgerechtigde onder bewind stellen.
2.De kantonrechter kan, onverminderd
lid 1, voor zover de echtgenoot aan het vruchtgebruik, de
omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder
begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem
rustende verplichtingen, geen behoefte heeft:
a. op verzoek van een rechthebbende
de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het
vruchtgebruik opheffen, of
b. op verzoek van een
hoofdgerechtigde het vruchtgebruik beëindigen.
3.De andere rechthebbenden worden in
het geding geroepen. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
4.Een rechthebbende kan te allen tijde,
ter afwering van een vordering of andere rechtsmaatregel, gericht op
de nakoming van een verplichting tot medewerking aan de vestiging van
het vruchtgebruik, een beroep in rechte doen op de in lid 2 genoemde
grond voor opheffing van die verplichting.
5.De kantonrechter houdt bij de
toepassing van lid 2 in ieder geval rekening met:
a. de leeftijd van de echtgenoot;
b. de samenstelling van de
huishouding waartoe de echtgenoot behoort;
c. de mogelijkheden van de
echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van
arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of
voorzieningen;
d. hetgeen in de gegeven
omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de
echtgenoot kan worden beschouwd.
Artikel 34
1.Voor zover de nalatenschap niet
toereikend is tot voldoening van hetgeen de echtgenoot ingevolge de
artikelen 29 en 30 toekomt, kan hij overgaan tot inkorting van de
daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige toepassing van artikel
89, leden 2 en 3, en artikel 90, leden 1 en 3. De artikelen 66, 68 en
69 zijn van overeenkomstige toepassing. Verkrijgt de echtgenoot ook
door deze inkorting niet hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich
verhalen op hetgeen een legitimaris door inkorting heeft verkregen.
2.De echtgenoot verkrijgt door
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in lid 1, het vruchtgebruik
van de geldsom waarvoor de inkorting is geschied of waarvoor hij
verhaal heeft genomen. Op het vruchtgebruik zijn de leden 1, 2, 4 en 5
van artikel 23 van overeenkomstige toepassing.
3.Zo nodig kan het vruchtgebruik van de
echtgenoot zich uitstrekken over alle goederen der nalatenschap en
alle geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften kunnen worden
ingekort.
4.Geschillen over de toepassing van het
onderhavige artikel en de artikelen 35 tot en met 37 worden op verzoek
van de meest gerede partij beslist door de kantonrechter.
Artikel 35
1.Een kind van de erflater, een kind
als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 daaronder begrepen, kan
aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor:
a. zijn verzorging en opvoeding tot
het bereiken van de leeftijd van achttien jaren; en voorts voor:
b. zijn levensonderhoud en studie
tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren.
2.De som ter zake van de verzorging en
opvoeding komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot of een
erfgenaam van de erflater krachtens wet of overeenkomst is gehouden om
in de kosten daarvan te voorzien. De som ter zake van levensonderhoud
en studie komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van de
erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht is om in de
kosten daarvan te voorzien.
3.Op de som ineens komt in mindering
hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of
krachtens een sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 36
1.Een kind, stiefkind, pleegkind,
behuwdkind of kleinkind van de erflater dat in diens huishouding of in
het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende zijn
meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid
passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens,
strekkend tot een billijke vergoeding.
2.Op de som komt in mindering hetgeen
de rechthebbende van de erflater heeft ontvangen of krachtens making
of sommenverzekering op het leven van de erflater verkrijgt of had
kunnen verkrijgen, voor zover dat als een beloning voor zijn
werkzaamheden kan worden beschouwd.
Artikel 37
1.Degene die krachtens de artikelen 35
en 36 aanspraak maakt op een som ineens, heeft een vordering op de
gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te maken op een
som ineens vervalt, indien de rechthebbende niet binnen een redelijke,
hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk negen
maanden na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de
som ineens wenst te ontvangen.
2.De vordering is niet opeisbaar totdat
zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater.
3.De rechtsvordering verjaart door
verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. Indien die
erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor degene die krachtens
artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, deze termijn
verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot.
4.De sommen ineens bedragen gezamenlijk
ten hoogste de helft van de waarde der nalatenschap; voor zoveel nodig
ondergaan zij elk een evenredige vermindering. Onder de waarde der
nalatenschap wordt in dit artikel verstaan de waarde van de goederen
der nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a tot en
met e vermelde schulden.
5.De voldoening van de sommen ineens
komt ten laste van het gedeelte der nalatenschap waarover niet bij
uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo dit
onvoldoende is, van de makingen; artikel 87 lid 2, tweede zin, is op
een inkorting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1.Op verzoek van een kind of stiefkind
van de erflater kan de kantonrechter, mits daardoor een zwaarwegend
belang van het kind of stiefkind wordt gediend en in vergelijking
hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt geschaad,
de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs
aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de
nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen
die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of
bedrijf dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt
voortgezet. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
2.Het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van aandelen in een naamloze vennootschap of
een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de
erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn
medebestuurders de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of
stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden
bestuurder van die vennootschap is of nadien die positie van de
erflater voortzet.
3.Het vorige lid is slechts van
toepassing voor zover de statutaire regels omtrent overdracht van
aandelen zich daartegen niet verzetten.
4.Het recht om een verzoek als bedoeld
in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na verloop van een jaar na het
overlijden van de erflater.
5.De leden 1 tot en met 4 zijn van
overeenkomstige toepassing ingeval de echtgenoot van de erflater een
door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook indien de
echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik van de
desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen.
Artikel 39
Degene aan wie een in de artikelen 29 tot
en met 33, 35, 36 en 38 bedoeld recht toekomt en niet erfgenaam is,
heeft dezelfde bevoegdheden als in artikel 78 aan een legitimaris worden
toegekend.
Artikel 40
Indien ten aanzien van de erflater
afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de
termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 28, de leden 2 en 3 van artikel
31, de tweede zin van het eerste lid, de eerste zin van het tweede lid
en de eerste zin van het derde lid van artikel 37, alsmede het vierde
lid van artikel 38 vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in
artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in
kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 41
Bij uiterste wilsbeschikking kan van het
in deze afdeling bepaalde niet worden afgeweken.
Titel 4. Uiterste willen
Afdeling 1. Uiterste wilsbeschikkingen in
het algemeen
Artikel 42
1.Een uiterste wilsbeschikking is een
eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking
maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is
geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.
2.De erflater kan een uiterste
wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.
3.Een uiterste wilsbeschikking kan
alleen bij uiterste wil en slechts door de erflater persoonlijk worden
gemaakt en herroepen.
Artikel 43
1.Een uiterste wilsbeschikking is niet
vatbaar voor vernietiging op de grond dat zij door misbruik van
omstandigheden is tot stand gekomen.
2.Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt
onder invloed van een onjuiste beweegreden, is slechts dan
vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde
omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in
de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet
zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier
veronderstelling had kennis gedragen.
3.Een uiterste wilsbeschikking kan niet
op grond van bedreiging, bedrog of een onjuiste beweegreden worden
vernietigd, wanneer de erflater haar heeft bevestigd nadat de invloed
van de bedreiging heeft opgehouden te werken of het bedrog of de
onjuistheid van de beweegreden is ontdekt.
Artikel 44
1.Een uiterste wilsbeschikking waarvan
de inhoud in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is
nietig.
2.Eveneens is een uiterste
wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze een in de uiterste wil
vermelde beweegreden die in strijd is met de goede zeden of de
openbare orde, beslissend is geweest.
Artikel 45
1.Een voorwaarde of een last die
onmogelijk te vervullen is, of die in strijd is met de goede zeden, de
openbare orde of een dwingende wetsbepaling, wordt voor niet
geschreven gehouden. De beschikking waaraan de voorwaarde of de last
is toegevoegd, is nietig, indien deze de beslissende beweegreden tot
die beschikking is geweest.
2.Een voorwaarde of last die de
strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding of bezwaring van
goederen uit te sluiten, wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 46
1.Bij de uitlegging van een uiterste
wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de
uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden
waaronder de uiterste wil is gemaakt.
2.Daden of verklaringen van de erflater
buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een
beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of
verklaringen geen duidelijke zin heeft.
3.Wanneer een erflater zich
klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft
vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten
uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van
de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.
Artikel 47
Wanneer de uitvoering van een
beschikking, anders dan als gevolg van een na het overlijden van de
erflater ingetreden omstandigheid, blijvend onmogelijk is, vervalt de
beschikking, zonder dat een andere beschikking daarvoor in de plaats mag
worden gesteld, tenzij de wet het tegendeel bepaalt, of uit de uiterste
wil zelf is af te leiden dat de erflater die andere beschikking zou
hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest.
Artikel 48
Wanneer in eenzelfde uiterste wil twee of
meer personen tot hetzelfde, al of niet voor bepaalde delen, zijn
geroepen en de beschikking ten opzichte van een geroepene geen gevolg
heeft, vindt ten behoeve van de overigen aanwas naar evenredigheid van
de hun toekomende delen plaats, tenzij uit de uiterste wil zelf het
tegendeel is af te leiden.
Artikel 49
1.Een ten laste van een erfgenaam
gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op een bepaald goed te
vestigen recht, vervalt indien het goed bij het openvallen van de
nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is
af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild.
2.Kan in laatstgenoemd geval degene op
wie de verplichting rust, zich het gelegateerde goed niet of slechts
ten koste van een onevenredig grote opoffering verschaffen, dan is hij
gehouden de waarde van het goed uit te keren.
3.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt een goed geacht niet tot de nalatenschap te behoren, indien de
erflater tot overdracht van het goed verplicht was en deze verbintenis
niet met zijn dood is tenietgegaan.
Artikel 50
1.Tenzij de erflater anders heeft
beschikt, wordt een gelegateerd goed geleverd in de staat waarin het
zich op het ogenblik van overlijden van de erflater bevindt.
2.Mitsdien is een erfgenaam niet
verplicht het vermaakte goed te bevrijden van enig beperkt recht dat
daarop is gevestigd.
3.Is een vordering van de erflater op
een erfgenaam, een beperkt recht van de erflater op een goed van een
erfgenaam, of een goed van de erflater waarop een beperkt recht van
een erfgenaam is gevestigd gelegateerd, dan vindt geen vermenging
plaats, tenzij het legaat wordt verworpen.
Artikel 51
1.Wanneer een echtgenoot ten laste van
zijn gezamenlijke erfgenamen een bepaald goed uit de
huwelijksgemeenschap heeft vermaakt, kan de legataris levering van het
gehele goed van hen vorderen, doch zij kunnen, voor zover het goed bij
de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot of
diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met uitkering van de
waarde van het goed. Deze bevoegdheid komt ook toe aan de andere
echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens erfgenamen.
2.Het vorige lid is alleen van
toepassing indien de huwelijksgemeenschap op het ogenblik dat de
beschikking werd gemaakt, nog niet ontbonden was.
Artikel 52
Een beschikking, getroffen ten voordele
van degene met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de
uiterste wil gehuwd was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt
door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed,
tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.
Artikel 53
Een uiterste wilsbeschikking ten voordele
van de naaste bloedverwanten of het naaste bloed van de erflater, zonder
nadere aanduiding, wordt vermoed gemaakt te zijn ten voordele van de
door de wet geroepen bloedverwanten van de erflater naar evenredigheid
van ieders aandeel bij versterf.
Artikel 54
1.Rechtsvorderingen tot vernietiging
van een uiterste wilsbeschikking verjaren een jaar nadat de dood van
de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking en de
vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van hem die een beroep op
deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger.
2.De bevoegdheid om ter vernietiging
van een uiterste wilsbeschikking een beroep op een vernietigingsgrond
te doen vervalt buiten het geval bedoeld in artikel 51 lid 3 van Boek
3 uiterlijk drie jaren nadat de dood van de erflater en de uiterste
wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van degene aan wie deze
bevoegdheid toekomt, dan wel van zijn rechtsvoorganger.
Afdeling 2. Wie uiterste
wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit voordeel kunnen genieten
Artikel 55
1.Behalve zij die handelingsbekwaam
zijn, kunnen ook minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren
hebben bereikt, en zij die op een andere grond dan wegens een
geestelijke stoornis onder curatele zijn gesteld, uiterste
wilsbeschikkingen maken.
2.Hij die wegens een geestelijke
stoornis onder curatele staat, kan slechts met toestemming van de
kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen maken. De kantonrechter kan
aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.
3.De bekwaamheid van de erflater wordt
beoordeeld naar de staat, waarin hij zich bevond op het ogenblik dat
de beschikking werd gemaakt.
Artikel 56
1.Om aan een making een recht te kunnen
ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap
openvalt. Rechten uit een making ten voordele van een rechtspersoon
die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten gevolge van een
fusie of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende rechtspersoon,
onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan de aan de akte
van splitsing gehechte beschrijving datbepaalt. Indien aan de hand van
de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden
bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de
gesplitste rechtspersoon, is artikel 334s van Boek 2 van
overeenkomstige toepassing.
2.Indien een erflater heeft bepaald dat
hetgeen hij aan een afstammeling van een ouder van de erflater nalaat,
bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal
ten deel vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen
staaksgewijze, ontlenen dezen aan de making een recht, ook al
bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater.
3.Heeft een erflater bepaald dat
hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde
of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een afstammeling van
een ouder van de erflater, en tevens dat indien die afstammeling dat
tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen
staaksgewijze in diens plaats zullen treden, dan verkrijgen dezen dit
recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de
erflater.
4.Indien een erflater heeft bepaald dat
hetgeen de bevoordeelde van het hem nagelatene bij zijn overlijden of
op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten
deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de erflater in de
erfelijke graad, verkrijgt deze dit recht, ook al bestond hij nog niet
bij het overlijden van de erflater.
Artikel 57
1.Een erflater kan geen uiterste
wilsbeschikking maken ten voordele van degene die op het tijdstip van
het maken van de beschikking zijn voogd is.
2.Hij die voogd van de erflater is
geweest, kan uit diens uiterste wilsbeschikkingen geen voordeel
genieten, indien de erflater binnen het jaar na zijn meerderjarig
worden en voor het afleggen en sluiten van de voogdijrekening is
overleden.
3.Het in de vorige leden bepaalde is
niet toepasselijk op bloedverwanten van de erflater in de opgaande
lijn, die zijn voogden zijn of geweest zijn.
Artikel 58
Minderjarigen kunnen geen uiterste
wilsbeschikking maken ten voordele van hun leermeesters, met wie zij
tezamen wonen.
Artikel 59
1.De beroepsbeoefenaren op het gebied
van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte
waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de
geestelijk verzorgers die hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan,
kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die
zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen
behoeve heeft gemaakt.
2.Ook kan degene die een voor de
verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden
bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of
daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste
wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die
instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt.
Artikel 60
Van het in de twee voorgaande artikelen
bepaalde zijn uitgezonderd:
a. de beschikkingen tot vergelding
van bewezen diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming
echter zowel van de gegoedheid van de maker, als van de diensten die
aan deze zijn bewezen;
b. de beschikkingen ten voordele van
iemand die bloed- of aanverwant tot de vierde graad of de echtgenoot
van de erflater is.
Artikel 61
De notaris of andere persoon, die een
uiterste wil of een akte van bewaargeving van een niet gesloten
aangeboden onderhandse uiterste wil heeft verleden, en de getuigen die
daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niet bij die uiterste wil
worden bevoordeeld.
Artikel 62
1.Een uiterste wilsbeschikking die in
strijd is met het in de artikelen 57–61 bepaalde, is vernietigbaar.
De vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is tot
opheffing van het nadeel van degene die zich op de vernietigingsgrond
beroept.
2.Een beschikking ten behoeve van een
tussenbeidekomende persoon is op gelijke wijze vernietigbaar als een
ten behoeve van de uitgesloten persoon zelf.
3.De vader, de moeder, de
afstammelingen en de echtgenoot van een uitgesloten persoon worden
geacht tussenbeidekomende personen te zijn, behalve wanneer zij
bloedverwant in de rechte lijn of echtgenoot van de erflater zijn.
4.Indien een legataris in verband met
een krachtens de vorige leden vernietigbaar legaat gehouden is een
tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Legitieme portie
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 63
1.De legitieme portie van een
legitimaris is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de
erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste
wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken.
2.Legitimarissen zijn de afstammelingen
van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap
worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij bij plaatsvervulling
met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen der
nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig zijn.
3.De legitimaris die de nalatenschap
verwerpt, verliest zijn recht op de legitieme portie, tenzij hij bij
het afleggen van de verklaring bedoeld in artikel 191, tevens
verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.
Artikel 64
1.De legitieme portie van een kind van
de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme
porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 10 lid 1
onder a genoemde, door de erflater achtergelaten personen.
2.Afstammelingen van een kind van de
erflater dat op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap
niet meer bestaat, worden voor de toepassing van het eerste lid
tezamen als een door de erflater achtergelaten kind geteld.
Afstammelingen van een kind van de erflater die legitimaris zijn,
kunnen ieder slechts voor hun deel opkomen.
Paragraaf 2. De omvang van de legitieme
portie
Artikel 65
De legitieme porties worden berekend over
de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt
vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en
verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en
met c en f. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als
bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan.
Artikel 66
1.Voor de toepassing van deze afdeling
worden giften gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie,
behoudens het in de volgende leden bepaalde. Met een mogelijkheid dat
de erflater de gift had kunnen herroepen wordt geen rekening gehouden.
2.Giften waarbij de erflater zich het
genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden, en
andere giften van een voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten
volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na
zijn overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van prestaties die de
erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht, met dien verstande
dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde nagelaten
schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de nalatenschap niet
toereikend is. Een gift die bestaat in de aanwijzing van een
begunstigde bij sommenverzekering, wordt in aanmerking genomen tot
haar waarde overeenkomstig artikel 188 leden 2 en 3 van Boek 7.
3.Giften, bestaande in de vervreemding
van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij
van een aan het leven van de erflater gebonden recht, worden
gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de
door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog
verschuldigde prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van
dat goed.
Artikel 67
Bij de berekening van de legitieme
porties worden de volgende door de erflater gedane giften in aanmerking
genomen:
a. giften die kennelijk gedaan en
aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen
worden benadeeld;
b. giften die de erflater gedurende
zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de
gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een voordeel, bestemd
om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten;
d. giften, door de erflater aan een
afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem
legitimaris van de erflater is;
e. andere giften, voor zover de
prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.
Artikel 68
Giften van de erflater aan zijn
echtgenoot worden voor de toepassing van deze afdeling buiten
beschouwing gelaten voor zover zich, ten gevolge van een gemeenschap van
goederen waarin de erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift
gehuwd waren of ten gevolge van een tussen hen op dat tijdstip geldend
verrekenbeding, geen verrijking ten koste van het vermogen van de gever
heeft voorgedaan.
Artikel 69
1.Voor de toepassing van deze afdeling
worden niet als giften beschouwd:
a. giften aan personen ten aanzien
van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun
onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als
uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in
overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de
erflater;
b. gebruikelijke giften voor zover
zij niet bovenmatig waren.
2.Lid 1 is niet van toepassing op
giften als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i.
Artikel 70
1.De waarde van giften, door de
erflater aan een legitimaris gedaan, komt in mindering van diens
legitieme portie.
2.Voor de toepassing van het vorige lid
worden giften aan een afstammeling die legitimaris zou zijn geweest
indien hij de erflater had overleefd of niet onwaardig was geweest,
aangemerkt als giften aan de van hem afstammende legitimarissen, naar
evenredigheid van hun legitieme portie.
3.Met een gift wordt gelijkgesteld
hetgeen een legitimaris verkrijgt of kan verkrijgen uit een door de
erflater ter nakoming van een natuurlijke verbintenis gesloten
sommenverzekering die geen pensioenverzekering is en die door het
overlijden van de erflater tot uitkering komt.
Artikel 71
De waarde van al hetgeen een legitimaris
krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme
portie.
Artikel 72
De waarde van hetgeen een legitimaris als
erfgenaam kan verkrijgen, komt ook in mindering van zijn legitieme
portie wanneer hij de nalatenschap verwerpt, tenzij
a. de goederen onder een voorwaarde,
een last of een bewind zijn nagelaten, of
b. ten laste van de legitimaris
legaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan betaling
van een geldsom of overdracht van goederen der nalatenschap, en de
verwerping binnen drie maanden na het overlijden van de erflater
geschiedt.
Artikel 73
1.De waarde van een legaat aan een
legitimaris van een bepaalde geldsom of van niet in een
vorderingsrecht bestaande goederen der nalatenschap komt ook in
mindering van zijn legitieme portie wanneer hij het legaat verwerpt,
tenzij
a. het legaat onder een voorwaarde,
een last of een bewind is gemaakt, of
b. ten laste van de legitimaris
sublegaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan
betaling van een geldsom, of
c. het legaat later dan zes maanden
na het overlijden van de erflater, of indien de legitimaris
mede-erfgenaam is, pas na de verdeling der nalatenschap opeisbaar
wordt, of
d. het legaat ten laste komt van
een of meer erfgenamen wier erfdelen ontoereikend zijn om het
legaat daaruit te voldoen, en de verwerping binnen drie maanden na
het overlijden van de erflater geschiedt.
2.Heeft de erflater de in artikel 125
lid 2 bedoelde bevoegdheid ontzegd aan een legitimaris, dan kan deze
het legaat binnen drie maanden na het overlijden van de erflater
verwerpen, zonder dat de waarde ervan in mindering komt van zijn
legitieme portie.
Artikel 74
1.De contante waarde van een aan een
legitimaris gemaakt legaat van een in termijnen te betalen geldsom
komt ook bij verwerping in mindering van zijn legitieme portie, indien
in de uiterste wil is vermeld dat zonder deze beschikking de
voortzetting van een beroep of bedrijf van de erflater in ernstige
mate zou worden bemoeilijkt. Met een beroep of bedrijf van de erflater
wordt gelijkgesteld een onderneming, gedreven door een naamloze
vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze
alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield.
2.Is de vermelde grond onjuist, dan kan
de legitimaris binnen drie maanden na het overlijden van de erflater
verklaren dat hij betaling van de contante waarde ineens verlangt.
Degene die de juistheid van de grond staande houdt, moet haar
bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch laat deze een snellere
afbetaling toe, dan kan de rechter de verbintenis uit het legaat in
die zin wijzigen.
3.Indien de legitimaris zulks binnen
drie maanden na het overlijden van de erflater verzoekt, kan de
kantonrechter de met het legaat belaste personen bevelen zekerheid te
stellen; de kantonrechter stelt het bedrag en de aard van de zekerheid
vast. Wordt daaraan niet voldaan binnen de door de kantonrechter
daarvoor gestelde termijn, dan komt het legaat niet in mindering van
zijn legitieme portie indien de legitimaris het alsnog verwerpt.
Artikel 75
1.De waarde van hetgeen een legitimaris
krachtens erfrecht onder bewind kan verkrijgen, komt ook bij
verwerping in mindering van zijn legitieme portie, indien het bewind
is ingesteld op de in de uiterste wil vermelde grond:
a. dat de legitimaris ongeschikt of
onmachtig is in het beheer te voorzien, of
b. dat zonder bewind de goederen
hoofdzakelijk diens schuldeisers zouden ten goede komen.
2.De legitimaris die de nalatenschap of
het legaat heeft aanvaard is gedurende drie maanden na het overlijden
van de erflater bevoegd de juistheid van de opgegeven grond te
betwisten; alsdan moet degene die haar staande houdt haar bewijzen. Is
de opgegeven grond juist, doch rechtvaardigt dit de door de erflater
vastgestelde regels van het bewind niet, dan kan de rechter die regels
wijzigen of zelfs ten dele opheffen.
3.Is vermelde grond onjuist, dan kan de
legitimaris binnen een maand nadat de uitspraak waarbij de onjuistheid
is vastgesteld, in kracht van gewijsde is gegaan, schriftelijk aan de
bewindvoerder verklaren dat hij zijn legitieme in geld wenst te
ontvangen. De bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind gestelde
met overeenkomstige toepassing van artikel 147 voor zover nodig te
gelde; het restant van de goederen keert hij uit aan degenen aan wie
deze zouden zijn toegekomen indien de legitimaris de nalatenschap of
het legaat had verworpen.
4.Staan goederen onder bewind waarvan
de waarde krachtens artikel 70 in mindering van de legitieme komt en
vermeldt de akte waarbij het bewind is ingesteld een grond als bedoeld
in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing.
Vermeldt de akte niet een grond als bedoeld in lid 1, dan kan de
legitimaris aanspraak maken op ontvangst van zijn legitieme in geld op
de wijze als voorzien in lid 3, met dien verstande dat de aldaar
bedoelde verklaring binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater moet worden afgelegd.
5.Bij de vaststelling van de op de
legitieme portie toe te rekenen waarde wordt met het bewind slechts
rekening gehouden, indien de vermelde grond onjuist is verklaard doch
de legitimaris geen gebruik maakt van de hem in lid 3, eerste zin,
verleende bevoegdheid.
Artikel 76
Bij de vaststelling van de waarde van
hetgeen overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 75 op de legitieme
portie in mindering komt, wordt geen rekening gehouden met het
vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen
te rusten.
Artikel 77
De in de artikelen 72, 73 lid 1, laatste
zinsnede, en lid 2, 74 leden 2 en 3 en 75 leden 2 en 4 bedoelde
termijnen kunnen door de kantonrechter een of meermalen op grond van
bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs nadat de termijn reeds
was verlopen.
Artikel 78
1.Een legitimaris die niet erfgenaam
is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap
belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle
bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie
behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende
inlichtingen.
2.Op zijn verzoek kan de kantonrechter
een of meer der erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste
executeurs doen oproepen ten einde de deugdelijkheid van de
boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de verzoeker onder ede te
bevestigen.
Paragraaf 3. Het geldend maken van de
legitieme portie
Artikel 79
Terzake van zijn legitieme portie kan de
legitimaris een vordering verkrijgen:
a. op de gezamenlijke erfgenamen dan
wel de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken
overeenkomstig artikel 80 lid 1, dan wel
b. op een begiftigde, door inkorting
als bedoeld in artikel 89.
Artikel 80
1.Een legitimaris die daarop aanspraak
maakt, heeft terzake van hetgeen hem met inachtneming van de artikelen
70 tot en met 76 als legitieme portie toekomt, een vordering in geld
op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer de nalatenschap is
verdeeld overeenkomstig artikel 13, op de als erfgenaam achtergelaten
echtgenoot van de erflater.
2.De erfgenamen en, na verdeling
overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot zijn niet verplicht de
vorderingen te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der
nalatenschap te boven gaan; voor zover nodig ondergaan de vorderingen
elk een evenredige vermindering. Onder de waarde van de nalatenschap
wordt hier verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap,
verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a, b, c en f vermelde
schulden.
Artikel 81
1.De vordering is niet opeisbaar
voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater.
2.Voor zover nodig in afwijking van lid
1 is de vordering, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig
artikel 13, opeisbaar indien:
a. de echtgenoot in staat van
faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard;
b. de echtgenoot is overleden.
Voorzover de vordering ten laste komt
van een legaat aan een ander dan de echtgenoot, leidt de eerste zin
niet tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit lid
1.
3.Zolang goederen der nalatenschap
kunnen worden belast met een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of
artikel 30, is de vordering niet opeisbaar. Bij de toepassing van de
eerste zin blijft artikel 31 lid 4, eerste zin, buiten beschouwing.
4.Zolang een vruchtgebruik krachtens
artikel 29 of artikel 30 bestaat, is de vordering niet opeisbaar, voor
zover de echtgenoot daarvoor is verbonden. In geval van faillissement
van de echtgenoot of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen wordt de vordering
opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden.
5.Voor zover voor de vordering anderen
dan de echtgenoot zijn verbonden, kan, zolang een vruchtgebruik
krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, van elk van die anderen
slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist dat overeenkomt
met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik belaste
goederen van de nalatenschap uitmaakt van de goederen van de
nalatenschap.
6.Is de vordering, bedoeld in artikel
80 lid 1, opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven,
door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de
Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de
Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.
Artikel 82
Een erflater kan aan een uiterste
wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris,
voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar
is na diens overlijden. Een voorwaarde als bedoeld in de vorige zin kan
op overeenkomstige wijze worden verbonden aan een making ten behoeve van
een andere levensgezel, indien deze met de erflater een
gemeenschappelijke huishouding voert en een notarieel verleden
samenlevingsovereenkomst is aangegaan.
Artikel 83
Bij uiterste wilsbeschikking kan de
erflater de opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris, voorzover
deze ten laste zou komen van de echtgenoot of de in artikel 82, tweede
zin, bedoelde andere levensgezel, ook doen afhangen van andere
omstandigheden dan die welke genoemd zijn in de artikelen 81 lid 2 en
82.
Artikel 84
De vorderingen worden verhoogd met een
percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover
dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop
aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij welke berekening
telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen.
Artikel 85
1.De mogelijkheid om aanspraak te maken
op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een
hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk
vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij
zijn legitieme portie wenst te ontvangen.
2.Indien negen maanden na het
overlijden van de erflater niet vaststaat in hoeverre diens echtgenoot
aanspraak zal maken op vestiging van een vruchtgebruik krachtens
artikel 30, vervalt het deel van de vordering dat ten laste van de
echtgenoot zou komen, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de
echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te
ontvangen. Artikel 77 is op deze termijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 86
Indien ten aanzien van de erflater
afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de
termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 81 en de leden 1 en 2 van
artikel 85 vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417
lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 87
1.De voldoening van de schulden aan de
legitimarissen komt als eerste ten laste van het gedeelte der
nalatenschap waarover de erflater niet door erfstellingen of legaten
heeft beschikt. Erft een afstammeling van een onterfde legitimaris bij
plaatsvervulling, dan wordt voor de vordering van die legitimaris als
eerste het aan de afstammeling toekomende gedeelte van de nalatenschap
ingekort, tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit.
2.Indien inkorting overeenkomstig lid 1
onvoldoende is, worden de makingen ingekort. Tenzij uit de uiterste
wil iets anders voortvloeit, komen alle erfstellingen en legaten
gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in
aanmerking, met dien verstande dat voor zover een making is te
beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de
erflater, zij pas na de andere makingen voor inkorting in aanmerking
komt.
3.Het gedeelte van de nalatenschap dat
aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie niet te boven
gaat, kan in afwijking van de leden 1 en 2 pas als laatste worden
ingekort. De inkorting van dat gedeelte geschiedt alsdan, met
vermindering van de vordering waarvoor wordt ingekort, zodanig dat
beide legitimarissen een zelfde evenredig deel van hun legitieme
porties verkrijgen.
4.Inkorting van een legaat geschiedt
door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste
erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig
artikel 13, de echtgenoot van de erflater. Artikel 120 lid 4, tweede
zin, is van overeenkomstige toepassing.
5.Voor zover de schuld aan een
legitimaris ten laste komt van het erfdeel van de echtgenoot of andere
levensgezel van de erflater en haar voldoening eerst kan worden
verlangd op een met toepassing van artikel 81 lid 2, 82 of 83 vast te
stellen tijdstip, is de echtgenoot of andere levensgezel daarvoor met
zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij de nalatenschap
beneficiair had aanvaard.
6.Voor zover de schuld aan een
legitimaris ten laste komt van een aan de echtgenoot of andere
levensgezel gemaakt legaat waaraan een voorwaarde als bedoeld in
artikel 82 of 83 is verbonden, komt zij, onder de bedoelde voorwaarde,
door voldoening van het legaat en een verklaring overeenkomstig lid 4
op de echtgenoot of andere levensgezel te rusten.
7.Voor de toepassing van dit artikel
wordt een last die strekt tot een uitgave van geld of een goed uit de
nalatenschap, gelijkgesteld met een legaat.
Artikel 88
Voor zover de vordering van de
legitimaris ingevolge artikel 81 lid 2 of een voorwaarde als bedoeld in
artikel 82 niet opeisbaar is, is de echtgenoot of de andere levensgezel,
bedoeld in artikel 82, op verzoek van de legitimaris verplicht tot
voldoening voor hem van de belasting, geheven ter zake van de
verkrijging van zijn vordering. De vordering van de legitimaris wordt
verminderd met het ingevolge de eerste zin voor de legitimaris voldane
bedrag.
Artikel 89
1.Is hetgeen een legitimaris op grond
van zijn in artikel 80 lid 1 bedoelde vordering kan verkrijgen
onvoldoende om hem zijn legitieme portie te verschaffen, dan kan hij
de daarvoor vatbare giften inkorten, voor zover zij aan zijn legitieme
portie afbreuk doen. Bij de bepaling van de vordering, bedoeld in de
eerste zin, wordt rekening gehouden met een eventuele vermindering
ingevolge de artikelen 80 lid 2 en 87 lid 3. Buiten beschouwing
blijven de verhoging, bedoeld in artikel 84, alsmede het deel van de
vordering dat ingevolge artikel 85 lid 2 is vervallen.
2.Voor inkorting vatbaar zijn de in
artikel 67 bedoelde giften.
3.Een gift komt voor inkorting slechts
in aanmerking, voor zover de legitimaris zijn legitieme portie niet
door inkorting van jongere giften kan verkrijgen. Giften van een
voordeel bestemd om pas na het overlijden van de erflater ten volle te
worden genoten, worden hierbij beschouwd als giften op het tijdstip
van zijn overlijden.
Artikel 90
1.Inkorting van een gift geschiedt door
een verklaring aan de begiftigde. Deze is verplicht de waarde van het
ingekorte gedeelte van de gift aan de legitimaris te vergoeden, voor
zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk
is.
2.Een gift kan niet worden ingekort
voor zover zij in mindering van de legitieme portie van een
mede-legitimaris komt.
3.De bevoegdheid van een legitimaris
tot inkorting van een gift vervalt na verloop van een hem daarvoor
door de begiftigde gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren
na het overlijden van de erflater.
Artikel 91
1.Indien de erflater makingen of giften
heeft gedaan aan een stiefkind, wordt in afwijking van de artikelen 80
tot en met 89 op die makingen en giften niet ingekort, behoudens
voorzover de waarde daarvan hoger is dan twee maal hetgeen de
legitieme portie van een kind van de erflater had belopen, indien de
door de erflater aldus bevoordeelde stiefkinderen diens eigen kinderen
waren geweest. De in de eerste zin bedoelde waarde wordt vermeerderd
met de waarde van hetgeen alsdan overeenkomstig artikel 70 lid 3 met
een gift gelijkgesteld zou worden.
2.Voorzover voor de in artikel 80
bedoelde vordering van de legitimaris in verband met lid 1 niet
overeenkomstig artikel 87 kan worden ingekort, wordt deze verminderd.
3.De erflater kan bij een gift aan een
stiefkind of bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat lid 1 geheel of
ten dele buiten toepassing blijft.
Artikel 92
1.Na het overlijden van de legitimaris
komen zijn bevoegdheden toe aan hen die tot zijn nalatenschap
gerechtigd zijn.
2.In het geval van faillissement van de
legitimaris of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen kunnen zijn bevoegdheden
worden uitgeoefend door de curator in het faillissement
onderscheidenlijk de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling.
3.De bevoegdheden van een legitimaris
kunnen slechts tezamen met zijn erfdeel worden overgedragen.
Afdeling 4. Vorm van uiterste willen
Artikel 93
Een uiterste wil die bij dezelfde akte
door twee of meer personen is gemaakt, is nietig.
Artikel 94
Behoudens hetgeen in de artikelen 97-107
is bepaald, kan een uiterste wil alleen worden gemaakt bij een
notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven
onderhandse akte.
Artikel 95
1.Een onderhandse uiterste wil kan niet
geldig worden gemaakt door hem die door onkunde of door andere
oorzaken niet in staat is geweest de uiterste wil te lezen.
2.Een bij onderhandse akte gemaakte
uiterste wil moet door de erflater zijn ondertekend. Is de uiterste
wil door een ander dan de erflater of met mechanische middelen
geschreven, en bestaat de wil uit meer dan één bladzijde, dan moet
iedere bladzijde zijn genummerd en door de handtekening van de
erflater zijn gewaarmerkt.
3.Een onderhandse uiterste wil wordt
door de erflater aan een notaris ter hand gesteld. De erflater moet
daarbij verklaren dat het aangeboden stuk zijn uiterste wil bevat en
dat aan de vereisten van het vorige lid is voldaan. Indien het stuk
gesloten wordt aangeboden, kan de erflater bij de aanbieding tevens
verklaren dat het stuk slechts mag worden geopend, indien bepaalde
door hem genoemde voorwaarden op de dag van zijn overlijden zijn
vervuld.
4.Van de bewaargeving en de
verklaringen van de erflater maakt de notaris een akte op die door de
erflater en de notaris wordt ondertekend.
5.Wanneer de erflater verklaart dat hij
door een met name door hem genoemde, na de ondertekening van de
uiterste wil opgekomen oorzaak verhinderd wordt de akte van
bewaargeving te ondertekenen, vervangt die verklaring zijn
ondertekening van de akte van bewaargeving, mits zij daarin wordt
opgenomen.
6.De onderhandse uiterste wil blijft
berusten onder de minuten van de notaris die deze akte heeft
ontvangen.
Artikel 96
Op degene die de geldigheid van een in
bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil
niet eigenhandig heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden
waaruit de wil bestaat niet eigenhandig heeft gewaarmerkt, rust de
bewijslast daarvan.
Artikel 97
Bij een onderhands, door de erflater
geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen
zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot:
a. het maken van legaten van:
1°. kleren, lijfstoebehoren en
bepaalde lijfsieraden;
2°. bepaalde tot de inboedel
behorende zaken en bepaalde boeken;
b. bepaling dat goederen, bedoeld
onder a, buiten een huwelijksgemeenschap vallen;
c. aanwijzing van een persoon als
bedoeld in artikel 25, tweede en vierde lid, van de Auteurswet en
artikel 5, tweede lid, van de Wet op de naburige rechten.
Artikel 98
1.In geval van oorlog of burgeroorlog
kunnen militairen en andere tot de krijgsmacht behorende personen een
uiterste wil maken ten overstaan van een officier van de krijgsmacht.
2.Ook buiten het geval van oorlog of
burgeroorlog kan op deze wijze een uiterste wil worden gemaakt door
militairen en andere personen, die behoren tot een gedeelte van de
krijgsmacht dat is aangewezen:
a. ter deelneming aan een militaire
expeditie;
b. ter bestrijding van een
vijandelijke macht;
c. ter handhaving van de
onzijdigheid van de Staat;
d. tot enig optreden hetzij tot
collectieve of individuele zelfverdediging, hetzij tot handhaving
of herstel van de internationale orde en veiligheid; of
e. ter voldoening aan een vordering
van het bevoegde gezag in geval van oproerige beweging.
3.In krijgsgevangenschap kan in plaats
van een officier ook een onderofficier optreden.
4.Officieren en onderofficieren mogen
hun medewerking slechts verlenen, indien de erflater zich niet tot een
bevoegde notaris of consulaire ambtenaar kan wenden. Niet-inachtneming
van dit voorschrift schaadt de geldigheid van de uiterste wil niet.
Artikel 99 [Vervallen per 01-05-2004]
Artikel 100
1.De in artikel 98 lid 1 vermelde
mogelijkheid blijft bestaan, totdat de Koning heeft vastgesteld dat
voor de toepassing van die bepaling de oorlog of de burgeroorlog als
geëindigd moet worden beschouwd.
2.De in artikel 98 lid 2 vermelde
mogelijkheid blijft bestaan, totdat op de bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen wijze is bekendgemaakt dat de aanwijzing is
geëindigd.
Artikel 101
Zij die zich op een reis aan boord van
een zeeschip of luchtvaartuig bevinden, kunnen een uiterste wil maken
ten overstaan van de gezagvoerder of de eerste officier, of bij gebreke
van deze personen ten overstaan van hem die hun plaats vervult.
Artikel 102
Op plaatsen waar voor de erflater het
normale verkeer met een notaris of bevoegde consulaire ambtenaar
verboden of verbroken is als gevolg van rampen, crises,
gevechtshandelingen, besmettelijke ziekten of andere buitengewone
omstandigheden, kan hij een uiterste wil maken ten overstaan van een
Nederlandse consulaire ambtenaar, ook indien deze niet krachtens de
gewone regelen bevoegd is, of de burgemeester, de secretaris of een
wethouder der gemeente, een kandidaat-notaris, een advocaat, een
officier van de krijgsmacht of van een gemeentelijke of regionale
brandweer, of een daartoe door de minister van justitie bevoegd
verklaarde ambtenaar.
Artikel 103
1. De uiterste willen, bedoeld in de
artikelen 98, 101 en 102, worden verleden in tegenwoordigheid van twee
getuigen. Zij worden op behoorlijke wijze op schrift gesteld en door
de erflater, alsmede door de getuigen en degene te wiens overstaan zij
zijn verleden, ondertekend.
2. De getuigen moeten meerderjarig zijn
en de taal verstaan, waarin de uiterste wil is opgesteld. In de
gevallen van de artikelen 98 en 102 geldt het vereiste van
meerderjarigheid niet voor getuigen die militairen zijn of deelnemen
aan het bestrijden van een ramp of het beheersen van een crisis.
3. Indien de erflater of een van de
getuigen verklaart door onkunde of een andere met name door hem
genoemde oorzaak niet te kunnen ondertekenen, vervangt die verklaring
zijn ondertekening, mits zij in de akte wordt opgenomen.
Artikel 104
1.De erflater is in de gevallen van de
artikelen 98, 101 en 102 ook bevoegd een door hem ondertekende
onderhandse uiterste wil te maken, die hij in tegenwoordigheid van
twee getuigen in bewaring geeft aan een persoon te wiens overstaan hij
ingevolge die artikelen een uiterste wil kan doen verlijden. Deze
persoon maakt daarvan onmiddellijk een akte van bewaargeving op,
hetzij op het papier van de uiterste wil, hetzij op de omslag daarvan,
hetzij op een afzonderlijk papier; het vorige artikel is op die akte
van overeenkomstige toepassing.
2.De artikelen 98 lid 4 en 100 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Op degene die de geldigheid van de in
bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de
wil niet eigenhandig heeft ondertekend, rust de bewijslast daarvan.
Artikel 105
Indien in een geval, bedoeld in het
vorige artikel, de onderhandse uiterste wil is gedagtekend en de
erflater overlijdt zonder dat de uiterste wil overeenkomstig de wet in
bewaring is gegeven, is de uiterste wil niettemin geldig, tenzij de
erflater redelijkerwijze alsnog een uiterste wil overeenkomstig de
voorgaande artikelen van deze afdeling had kunnen maken.
Artikel 106
1.Hij die een akte van uiterste wil,
van bewaargeving of van terugneming, als bedoeld in de artikelen 98,
100 tot en met 105 en 113, onder zich heeft, zendt de akte zo spoedig
mogelijk in gesloten omslag naar het testamentenregister te
's-Gravenhage.
2.Het vorige lid geldt niet voor akten,
opgemaakt door of ten overstaan van een volgens de gewone regelen
bevoegde notaris of consulaire ambtenaar, en voor de door dezen in
bewaring genomen akten van uiterste wil.
Artikel 107
1.De uiterste willen, bedoeld in de
artikelen 98 en 100 tot en met 104, zijn vernietigbaar, indien de
erflater overlijdt meer dan zes maanden nadat voor hem de mogelijkheid
is geëindigd, een uiterste wil te maken op een van de in die
artikelen genoemde wijzen.
2.De termijn wordt telkens met een
maand verlengd, indien de erflater redelijkerwijze niet in staat is
geweest in de laatstverstreken maand een uiterste wil te maken.
Artikel 108
Een uiterste wil die op een in een der
artikelen 98, 101, 102 en 104 vermelde wijze, doch niet onder de daar
aangegeven omstandigheden is gemaakt, is, indien de erflater binnen zes
maanden daarna overlijdt, niet van rechtswege nietig, doch
vernietigbaar.
Artikel 109
1.Een uiterste wil is nietig, indien
aan de akte van uiterste wil of aan de akte van bewaargeving, zo deze
voorgeschreven is, de vereiste ondertekening door de erflater
ontbreekt.
2.Een uiterste wil die ten overstaan
van een notaris moet worden gemaakt is nietig, indien de akte van
uiterste wil niet door een notaris is ondertekend. Een uiterste wil,
die aan een notaris in bewaring moet worden gegeven, is nietig, indien
een door een notaris ondertekende akte van bewaargeving ontbreekt. Is
echter, in dit laatste geval, de akte van uiterste wil door een
notaris ondertekend, dan is de uiterste wil vernietigbaar.
3.Het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing op een uiterste wil die ten overstaan van een in de
artikelen 98, 101 en102 genoemde persoon moet worden gemaakt of aan
een aldaar genoemde persoon in bewaring moet worden gegeven.
4.Het niet inachtnemen van andere door
de wet voor de geldigheid van de uiterste wil gestelde vormvereisten
maakt de uiterste wil vernietigbaar.
Artikel 110
Het bepaalde in artikel 54 is van
overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot vernietiging van een
uiterste wil.
Afdeling 5. Herroeping van uiterste
wilsbeschikkingen
Artikel 111
Voor het herroepen van een uiterste
wilsbeschikking gelden dezelfde vormvoorschriften als voor het maken van
die beschikking.
Artikel 112
Een latere uiterste wilsbeschikking die
een vroegere niet uitdrukkelijk herroept, doet deze vervallen voor zover
zij door de latere beschikking onuitvoerbaar is geworden of vervangen
is.
Artikel 113
Een erflater kan te allen tijde zijn
onderhandse, in bewaring gegeven uiterste wil terugvorderen, mits hij
ter verantwoording van de notaris of andere persoon die de akte
krachtens wettelijk voorschrift onder zich heeft, van de teruggave doet
blijken bij een ten overstaan van die notaris of, met overeenkomstige
toepassing van artikel 103, ten overstaan van die persoon verleden akte.
Door de teruggave wordt de onderhandse uiterste wil herroepen.
Artikel 114
Een uiterste wilsbeschikking die geldig
bij een onderhands en niet in bewaring gegeven stuk getroffen is, wordt
herroepen wanneer de erflater dit stuk vernietigt. Is het stuk
vernietigd, dan wordt dit vermoed door de erflater te zijn geschied.
Titel 5. Onderscheiden soorten van
uiterste wilsbeschikkingen
Afdeling 1. Erfstellingen
Artikel 115
Een erfstelling is een uiterste
wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij
aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin
nalaat.
Artikel 116
Bij uiterste wilsbeschikking ingestelde
erfgenamen hebben gelijke rechten en verplichtingen als erfgenamen bij
versterf.
Afdeling 2. Legaten
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 117
1.Een legaat is een uiterste
wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een
vorderingsrecht toekent.
2.Een legaat komt, tenzij het aan een
of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen is opgelegd, ten laste van
de gezamenlijke erfgenamen.
3.Is de prestatie deelbaar, dan zijn de
belaste erfgenamen ieder voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel,
verbonden, tenzij de erflater anders heeft beschikt.
Artikel 118
1.Is een bepaalde persoon die als
erfgenaam met een legaat is belast, niet erfgenaam geworden of is zijn
erfrecht vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin niet, dan rust
de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard iets anders
voortvloeit, op degenen aan wie zijn erfdeel toevalt; zij kunnen
echter volstaan met uitkering aan de legataris van hetgeen zij in de
plaats van de belaste persoon uit de nalatenschap genieten of van de
waarde daarvan.
2.Is een met een sublegaat belaste
persoon niet legataris geworden of is zijn recht uit het hem gemaakte
legaat vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin niet, dan rust de
hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard iets anders
voortvloeit, op degenen die met het hem gemaakte legaat waren belast;
zij kunnen echter volstaan met voldoening aan de sublegataris van het
aan de belaste persoon gelegateerde of van de waarde daarvan.
Artikel 119
Degenen op wie een legaat rust, alsmede
de executeur, dragen zorg dat de legataris zo spoedig mogelijk van het
legaat wordt kennis gegeven. Is het adres van een legataris hun onbekend
gebleven, dan delen zij dit mede aan de kantonrechter, die hun het doen
van nasporingen of een bepaalde wijze van oproeping kan gelasten.
Artikel 120
1.Schulden van de nalatenschap uit een
legaat worden slechts ten laste van de nalatenschap voldaan, indien
alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen
worden voldaan.
2.Voor zover de nalatenschap niet
toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen
van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij verminderd.
3.Tenzij uit de uiterste wil een andere
wijze van vermindering voortvloeit, ondergaan deze verplichtingen alle
een evenredige vermindering, met dien verstande dat, voor zover de
prestatie is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke
verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de andere voor
vermindering in aanmerking komt.
4.Vermindering geschiedt door een
verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen
of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, de
echtgenoot van de erflater. Voor zover de prestatie reeds is verricht,
blijft de rechtsgrond daarvoor in stand, behoudens de mogelijkheid van
terugvordering en verhaal als bedoeld in de artikelen 216 en 220 lid
3.
5.Ondanks de vermindering blijven de
erfgenamen die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, gehouden
tot voldoening voor het geheel.
Artikel 121
1.Een legataris is bevoegd de hem
opgelegde sublegaten en tot een uitgave in geld of goed verplichtende
lasten te verminderen, voor zover de waarde van het hem gelegateerde
ontoereikend is of door inkorting of vermindering ontoereikend wordt
om aan de hem opgelegde verplichtingen te voldoen.
2.Tenzij uit de uiterste wil een andere
wijze van vermindering voortvloeit, ondergaan deze verplichtingen alle
een evenredige vermindering, met dien verstande dat voor zover de
prestatie is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke
verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de andere voor
vermindering in aanmerking komt.
Artikel 122
1.Een legataris wiens legaat wordt
ingekort of verminderd, is bevoegd volledige voldoening van het legaat
te verlangen, mits hij het bedrag van de inkorting of vermindering in
geld oplegt.
2.Maakt de legataris geen gebruik van
deze bevoegdheid, dan kan de wederpartij ermede volstaan hem de waarde
van het ingekorte of verminderde legaat uit te keren.
Artikel 123
1.De rechter kan op verzoek van de
legataris of van hem die met het legaat belast is, de verbintenissen
uit een legaat wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond
van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke
van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die
verbintenissen niet mag verwachten.
2.Bij een wijziging of opheffing neemt
de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht.
3.De artikelen 258 leden 1, tweede zin,
2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1 en 2 van Boek 6 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 124
Tenzij de erflater anders heeft beschikt,
heeft een legataris aan wie een bepaald goed der nalatenschap of het
vruchtgebruik van een zodanig goed, van de gehele nalatenschap of van
een aandeel daarin is vermaakt, recht op uitkering van de vruchten van
het hem vermaakte die de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering
opeisbaar is geworden. De rechtsvordering tot uitkering van deze
vruchten verjaart door verloop van drie jaren nadat zij zijn geïnd.
Artikel 125
1.Een legaat van een geldsom wordt zes
maanden na het overlijden van de erflater opeisbaar, tenzij hij anders
heeft beschikt.
2.Nochtans kan een erfgenaam aan wie
een goed der nalatenschap is gelegateerd tegen vergoeding van de
waarde of een gedeelte daarvan, de betaling van die vergoeding
opschorten tot de verdeling van de nalatenschap, tenzij de erflater
anders heeft beschikt.
3.Degene op wie de schuld uit een
legaat van een geldsom rust, komt niet in verzuim door het enkele
verstrijken van een voor de voldoening bepaalde termijn.
4.Op legaten van een geldsom is artikel
5 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Giften en andere handelingen
die worden aangemerkt als legaten
Artikel 126
1.Een schenking of andere gift wordt,
voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van
de schenker of gever wordt uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het
leven van de schenker of gever is uitgevoerd, voor de toepassing van
hetgeen in dit Boek is bepaald betreffende inkorting en vermindering
aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. In
afwijking van de artikelen 87 lid 2 en 120 lid 3 komt de schenking of
andere gift, indien daarbij niet anders is bepaald, als laatste voor
inkorting en vermindering in aanmerking. Kan de schenking of andere
gift tot aan het overlijden van de schenker of gever worden herroepen,
dan mist de tweede zin toepassing.
2.Lid 1 is van overeenkomstige
toepassing op:
a. een beding dat een goed van een
der partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende
tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie op een ander
overgaat of kan overgaan, voor zover het beding wordt toegepast in
geval van overlijden van degene aan wie het goed toebehoort;
wederkerigheid van het beding geldt niet als tegenprestatie;
b. een begunstiging bij een
sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden
van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt;
c. een omzetting van een
natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare, voor zover
deze de strekking heeft dat de verbintenis pas na het overlijden
van de schuldenaar zal worden nagekomen, en deze verbintenis niet
reeds tijdens diens leven is nagekomen.
3.De artikelen 66 en 68 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 127
Betreft de inkorting of de vermindering
een begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging
bij een beding ten behoeve van een derde, dan heeft zij tot gevolg dat
de begunstigde verplicht is tot vergoeding van de waarde van het
ingekorte of in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke
erfgenamen, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, onredelijk is. Indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, is de in de eerste zin bedoelde vergoeding
verschuldigd aan de echtgenoot van de erflater. Een begunstiging als
bedoeld in de eerste zin kan slechts worden ingekort of verminderd
binnen drie jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft ontvangen.
Artikel 128
Hetgeen met betrekking tot legatarissen
is bepaald in de artikelen 29 lid 3 en 30 lid 3 is van overeenkomstige
toepassing op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als
bedoeld in artikel 126. Met gelegateerde goederen als bedoeld in artikel
30 lid 5 worden gelijkgesteld goederen die zijn verkregen krachtens een
handeling als bedoeld in artikel 126. Hetgeen met betrekking tot
legatarissen is bepaald in de artikelen 216 en 220 lid 3 is van
overeenkomstige toepassing op degenen die zijn bevoordeeld door een
handeling als bedoeld in artikel 126 leden 1 en 2, onder c, alsmede,
voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
onredelijk is, door een handeling als bedoeld in artikel 126 lid 2,
onder b.
Artikel 129
Bij uiterste wilsbeschikking kan een
voorwaarde als bedoeld in artikel 82 worden verbonden aan een handeling
als bedoeld in artikel 126.
Afdeling 3. Testamentaire lasten
Artikel 130
1.Een testamentaire last is een
uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan de gezamenlijke
erfgenamen of aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen een
verplichting oplegt, die niet bestaat in de uitvoering van een legaat.
2.Een testamentaire last kan ook worden
opgelegd aan een executeur. De hem opgelegde verplichting rust mede op
de gezamenlijke erfgenamen, tenzij uit haar aard of uit de uiterste
wil iets anders voortvloeit.
3.Artikel 120 is van overeenkomstige
toepassing op een last die strekt tot een uitgave van geld of van een
goed uit de nalatenschap; deze wordt tegelijk met een legaat en in
gelijke mate verminderd.
Artikel 131
1.Een erfgenaam of legataris op wie een
testamentaire last rust, verkrijgt zijn recht onder de ontbindende
voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen
verklaard door de rechter.
2.De vervallenverklaring kan door de
rechter worden uitgesproken op verzoek van elke onmiddellijk bij de
vervallenverklaring belanghebbende.
3.Een erfgenaam die met zijn gehele
vermogen jegens schuldeisers van de erflater en legatarissen
aansprakelijk was, blijft jegens hen na de vervallenverklaring van
zijn recht tot voldoening gehouden, onverminderd zijn recht van
verhaal op degenen aan wie het door hem geërfde opkomt.
Artikel 132
Is een last aan een bepaalde persoon als
erfgenaam of legataris opgelegd en is hij niet erfgenaam of legataris
geworden of is zijn recht vervallen, dan rust de hem opgelegde
verplichting, tenzij uit haar aard of uit de uiterste wil iets anders
voortvloeit, op degenen aan wie zijn erfdeel toevalt of die met het hem
gemaakte legaat waren belast.
Artikel 133
1.Is de vervulling van een aan een
testamentaire last toegevoegde opschortende voorwaarde belet door
degene op wie de last rust, dan geldt de voorwaarde als vervuld,
indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
2.Is de vervulling van een aan een
testamentaire last toegevoegde ontbindende voorwaarde teweeggebracht
door degene op wie de last rust, dan geldt de voorwaarde als niet
vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
3.Artikel 140 lid 1 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 134
1.De rechter kan op verzoek van degene
op wie de last rust of van het openbaar ministerie de last wijzigen of
geheel of gedeeltelijk opheffen:
a. op grond van na het overlijden
van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn
dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van
de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen
ongerechtvaardigd zou zijn;
b. op grond dat de last door
inkorting of vermindering van de last, of van de making waaraan
hij is verbonden, bezwaarlijk of onmogelijk uitvoerbaar is
geworden;
c. in geval de last ingevolge
artikel 132 op een ander is komen te rusten dan degenen aan wie
hij bij de uiterste wilsbeschikking is opgelegd.
2.Bij een wijziging of opheffing neemt
de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht.
3.De artikelen 258 leden 1, tweede zin,
2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1 en 2 van Boek 6 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Stichtingen
Artikel 135
1. Wanneer een erflater iets heeft
vermaakt aan een stichting die hij in een bij notariële akte gemaakte
uiterste wilsbeschikking heeft in het leven geroepen, is de stichting
erfgenaam of legataris, naar gelang het haar vermaakte aan een
erfstelling of aan een legaat beantwoordt.
2. Heeft hij bij een in andere vorm
gemaakte uiterste wil verklaard een stichting in het leven te roepen,
dan wordt deze beschikking aangemerkt als een aan de gezamenlijke
erfgenamen opgelegde last om die stichting op te richten.
3. Degene op wie een last om een
stichting op te richten rust, kan daartoe op vordering van het
openbaar ministerie worden veroordeeld door de rechtbank van het
sterfhuis of, indien de erflater zijn laatste woonplaats niet in
Nederland had, door de rechtbank Den Haag. De rechter kan bepalen dat
het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm
opgemaakte akte van hem die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat
een door de rechter aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal
verrichten.
Afdeling 5. Makingen onder tijdsbepaling
en onder voorwaarde
Artikel 136
1.Bevat een uiterste wil een
erfstelling onder tijdsbepaling, dan wordt deze beschikking aangemerkt
als een dadelijk ingaande erfstelling van degene die, bij uitvoering
van de uiterste wil zoals deze luidt, het laatst tot het erfdeel zou
zijn geroepen, belast met een legaat van vruchtgebruik van het erfdeel
voor de gestelde tijd ten behoeve van degene die het eerst tot het
erfdeel zou zijn geroepen.
2.In geval van een erfstelling onder
een ontbindende tijdsbepaling zonder een daarbij aansluitende
erfstelling onder opschortende tijdsbepaling komt de eerstgeroepene
vruchtgebruik met bevoegdheid tot vervreemding en vertering toe, voor
zover de erflater deze bevoegdheid niet heeft uitgesloten.
Artikel 137
Om aan een making onder opschortende
voorwaarde een recht te kunnen ontlenen, moet men nog bestaan op het
ogenblik dat de voorwaarde wordt vervuld, tenzij uit de uiterste wil of
uit de aard van de beschikking het tegendeel voortvloeit.
Artikel 138
1.Wanneer een erfstelling onder een
voorwaarde is gemaakt, wordt degene aan wie het vermaakte tot de
vervulling der voorwaarde toekomt, als de uitsluitend rechthebbende
aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen derden uit te
oefenen rechten en rechtsvorderingen.
2.Voor het overige vinden, zolang de
vervulling der voorwaarden onzeker is, de wettelijke voorschriften
betreffende het vruchtgebruik, zoals geregeld in titel 8 van Boek 3,
overeenkomstige toepassing. Dientengevolge is hij verplicht het
vermaakte gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te houden,
tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de goederen
te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden.
3.In geval van een erfstelling onder
een ontbindende voorwaarde zonder een daarbij aansluitende erfstelling
onder opschortende voorwaarde is hij jegens degene aan wie het
vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt, bevoegd de
goederen te vervreemden en te verteren op dezelfde voet als een
vruchtgebruiker aan wie deze bevoegdheid is gegeven, voor zover de
erflater niet anders heeft bepaald.
Artikel 139
1.Is de vervulling van een aan een
erfstelling toegevoegde voorwaarde belet door iemand aan wie het
vermaakte toekomt zolang de voorwaarde niet is vervuld, dan geldt zij
als vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
2.Is de vervulling van de voorwaarde
teweeggebracht door iemand aan wie het vermaakte bij vervulling van de
voorwaarde toekomt, dan geldt zij als niet vervuld, indien de
redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
Artikel 140
1.Is een aan een erfstelling
toegevoegde voorwaarde dertig jaren na het overlijden van de erflater
nog niet vervuld, dan vervalt de beschikking, wanneer het een
opschortende voorwaarde is; is het een ontbindende voorwaarde, dan
vervalt de voorwaarde. Hiermede strijdige beschikkingen van de
erflater zijn nietig.
2.Het vorige lid vindt mede toepassing
op een legaat van een bepaald goed der nalatenschap of van een beperkt
recht op een zodanig goed.
Artikel 141
Het voorgaande artikel vindt geen
toepassing op een making onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij
aansluitende making onder opschortende voorwaarde, volgens welke het
vermaakte of het onverteerde deel daarvan op het tijdstip van overlijden
van de bezwaarde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan de
verwachter, indien deze het aangewezen tijdstip overleeft.
Afdeling 6. Executeurs
Artikel 142
1.Een erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking een of meer executeurs benoemen. Hij kan aan een
executeur de bevoegdheid toekennen een of meer andere executeurs aan
zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen; hij kan ook
beschikken dat wanneer een benoemde executeur komt te ontbreken, de
kantonrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een
vervanger te benoemen.
2.Zijn er twee of meer executeurs, dan
kan, tenzij de erflater anders heeft beschikt, ieder van hen alle
werkzaamheden alleen verrichten.
3.Bij verschil van mening tussen de
executeurs beslist op verzoek van een van hen de kantonrechter. Deze
kan een verdeling van de werkzaamheden of van het hun toekomende loon
vaststellen.
Artikel 143
1.Men wordt executeur door aanvaarding
van zijn benoeming na het overlijden van de erflater. De kantonrechter
kan op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen, na afloop
waarvan de benoeming niet meer kan worden aanvaard.
2.Handelingsonbekwamen, zij van wie
één of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van
Boek 1 zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement verkeren of
ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard, kunnen niet executeur worden.
Artikel 144
1.Onverminderd de testamentaire lasten
die de erflater aan de executeur mocht hebben opgelegd, heeft deze,
voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, tot taak de
goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap
te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden
voldaan.
2.Tenzij bij uiterste wil anders is
geregeld, komt de executeur, of als er meer dan een executeur is, hun
tezamen, een ten honderd van de waarde van het vermogen van de
erflater op diens sterfdag toe.
3.Artikel 159 leden 2 en 3 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 145
1.Is een executeur benoemd, die tot
taak heeft goederen der nalatenschap te beheren, dan kunnen de
erfgenamen, tenzij hij zijn benoeming niet aanvaardt, niet zonder zijn
medewerking of machtiging van de kantonrechter over die goederen of
hun aandeel daarin beschikken, voordat zijn bevoegdheid tot beheer is
geëindigd.
2.Gedurende zijn beheer
vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in
en buiten rechte.
Artikel 146
1.De executeur die met het beheer van
de nalatenschap is belast, kan een boedelnotaris aanwijzen; deze geeft
van de aanvaarding van zijn opdracht kennis aan de erfgenamen.
2.Hij moet met bekwame spoed een
boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van de
schulden der nalatenschap opmaken en de hem bekende schuldeisers
oproepen tot indiening van hun vorderingen bij de boedelnotaris of,
indien deze ontbreekt, bij een der executeurs. De aanmelding van een
vordering stuit de verjaring.
Artikel 147
1.De executeur is bevoegd door hem
beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de
tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap en de
nakoming der hem opgelegde lasten.
2.Tenzij de erflater anders heeft
beschikt, treedt de executeur omtrent de keuze van de te gelde te
maken goederen en de wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in
overleg met de erfgenamen en stelt hij, zo bij een erfgenaam bezwaar
bestaat tegen een voorgenomen tegeldemaking, die erfgenaam in de
gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen.
3.De erflater kan bepalen dat de
executeur voor de tegeldemaking van een goed de toestemming van de
erfgenamen behoeft. Deze toestemming kan echter vervangen worden door
een machtiging van de kantonrechter.
4.Het in de vorige leden ten aanzien
van de erfgenamen bepaalde geldt mede ten aanzien van hen aan wie het
vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel daarin is
vermaakt.
Artikel 148
De executeur moet aan een erfgenaam alle
door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak
geven.
Artikel 149
1.De taak van een executeur eindigt:
a. wanneer hij zijn werkzaamheden
als zodanig heeft voltooid;
b. door tijdverloop, indien hij
voor een bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood, het ten aanzien
van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, zijn faillietverklaring, zijn
ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind als
bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen;
d. wanneer de nalatenschap
overeenkomstig de derde afdeling van de zesde titel moet worden
vereffend;
e. in de bij de uiterste wil
bepaalde gevallen;
f. door ontslag dat de
kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent.
2.Het ontslag wordt hem verleend,
hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks op
verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar
ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de
kantonrechter voorlopige voorzieningen treffen en de executeur
schorsen.
3.Een gewezen executeur blijft
verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de afwikkeling van de
nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het
beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard.
4.Eindigt de hoedanigheid van executeur
door diens faillissement of ondercuratelestelling dan rust de in het
vorige lid bedoelde verplichting op de curator, indien deze van de
executele kennis draagt; eindigt de hoedanigheid van executeur door
het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de onderbewindstelling
van een of meer van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die
gevallen optredende bewindvoerder. Eindigt de hoedanigheid van
executeur door diens dood, dan zijn de erfgenamen verplicht, indien
zij van de executele kennis dragen, het overlijden van de executeur
mede te delen aan de erfgenamen van degene die hem heeft benoemd.
Artikel 150
1.Een executeur die zijn taak, met het
oog waarop hem het beheer was opgedragen, heeft volgebracht, is
bevoegd zijn beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking
van de erfgenamen te stellen.
2.De erfgenamen kunnen de bevoegdheid
van een executeur tot beheer beëindigen:
a. na voldoening van de schulden
der nalatenschap en nakoming der lasten, waarvan de afwikkeling
reeds tot zijn taak behoort of nog binnen het jaar na het
overlijden van de erflater tot zijn taak zou kunnen gaan behoren;
b. wanneer een jaar en zes maanden
is verlopen sedert een of meer der executeurs de nalatenschap in
beheer hebben kunnen nemen. De kantonrechter kan deze termijn, ook
na het verstrijken daarvan, op verzoek van een executeur een of
meer malen verlengen.
3.Wanneer de erfgenamen de nodige
middelen voor de in lid 2 onder a bedoelde afwikkeling ter beschikking
van de executeur stellen, kunnen zij zijn beheersbevoegdheid voor het
overige beëindigen.
4.Zijn niet alle erfgenamen bekend of
niet allen bereid de goederen in ontvangst te nemen, dan zijn de
artikelen 225 en 226 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 151
Een executeur wiens bevoegdheid tot
beheer van de nalatenschap is geëindigd, is verplicht aan degene die na
hem tot het beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen,
op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.
Artikel 152
Voor de toepassing van de bepalingen van
deze afdeling wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van
vruchtgebruik heeft krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam
aangemerkt. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 150 leden 2 en 3, komen
mede aan die echtgenoot toe.
Afdeling 7. Testamentair bewind
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 153
1.Een erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking bewind instellen over een of meer door hem nagelaten
of vermaakte goederen.
2.Tenzij de erflater anders heeft
bepaald, treedt het bewind in werking op het tijdstip van zijn
overlijden.
Artikel 154
Tenzij bij de instelling anders is
bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de
plaats van een onder bewind staand goed te treden, benevens de vruchten
en andere voordelen die zulk een goed oplevert, zolang de vruchten niet
zijn uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft ingevolge artikel 162.
Artikel 155
1.Het bewind over een erfdeel of een
legaat wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van de
rechthebbende, tenzij een der volgende leden van toepassing is.
2.Het bewind over een vruchtgebruik
wordt vermoed zowel in het belang van de vruchtgebruiker als van de
hoofdgerechtigde te zijn ingesteld. Hetzelfde geldt voor het bewind
over de rechten van gebruik en bewoning.
3.Het bewind over een voorwaardelijke
making wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van zowel degene
die het goed bij vervulling der voorwaarde verkrijgt, als van degene
die het alsdan verliest.
4.Het bewind over goederen of aandelen
in goederen die gemeenschappelijk beheerd dienen te worden, wordt
vermoed te zijn ingesteld in een gemeenschappelijk belang.
Artikel 156
Is het bewind uitsluitend of mede
ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende op de onder
bewind gestelde goederen, dan wordt die ander, zolang niet vaststaat wie
hij is, voor de toepassing van deze afdeling aangemerkt als iemand die
niet in staat is zijn wil te bepalen.
Paragraaf 2. De bewindvoerder
Artikel 157
1.Indien de uiterste wil niet voorziet
in de regeling der benoeming van een bewindvoerder, wijst de
kantonrechter een of meer bewindvoerders aan op verzoek van de
rechthebbende, een erfgenaam, legataris of andere belanghebbende dan
wel van de executeur. De kantonrechter vergewist zich van de
bereidheid van de door hem te benoemen personen.
2.Handelingsonbekwamen, zij van wie een
of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1
zijn gesteld, zij die in staat van faillissement verkeren of ten
aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, alsmede de personen genoemd in artikel 59
kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd.
3.Rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd.
4.Zo nodig kan een tijdelijke
bewindvoerder worden benoemd.
5.De door de rechter benoemde wordt
bewindvoerder daags nadat de griffier hem van zijn benoeming
mededeling heeft gedaan, tenzij de beschikking een later tijdstip
vermeldt.
6.De niet door de rechter benoemde
wordt bewindvoerder daags nadat hij de benoeming heeft aanvaard.
Artikel 158
1.Zijn er twee of meer bewindvoerders,
dan kan ieder van hen alle werkzaamheden die tot het bewind behoren
alleen verrichten, tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders
bepaalt.
2.Bij verschil van mening tussen de
bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de kantonrechter,
tenzij bij uiterste wil een andere regeling is getroffen.
3.De kantonrechter kan desverzocht,
indien daartoe een gewichtige reden bestaat, een verdeling van de
werkzaamheden vaststellen of wijzigen.
Artikel 159
1.Tenzij bij uiterste wil anders is
geregeld, komt de bewindvoerder, of als er meer dan een bewindvoerder
is, hun tezamen, per jaar een ten honderd van de waarde aan het einde
van dat jaar van het onder bewind staande vermogen toe.
2.Zijn er twee of meer bewindvoerders
en bevat de uiterste wil geen regeling omtrent de verdeling van hun
beloning, dan ontvangt elk van hen een gelijke beloning, tenzij de
kantonrechter anders bepaalt of zij tezamen anders overeenkomen.
3.Op grond van onvoorziene
omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op
verzoek van de bewindvoerder, van de rechthebbende of iemand in wiens
belang het bewind is ingesteld, voor bepaalde of voor onbepaalde tijd
de beloning anders regelen dan bij de uiterste wil of de wet is
aangegeven.
Artikel 160
1.De bewindvoerder moet zo spoedig
mogelijk een beschrijving opmaken van de goederen waarop het bewind
betrekking heeft. Is hij door de rechter benoemd, dan moet hij een
afschrift van de beschrijving tegen ontvangstbewijs inleveren ter
griffie van de rechtbank van de woonplaats van de rechthebbende. Tot
het stellen van zekerheid is hij slechts verplicht, indien dit bij de
instelling van het bewind is bepaald.
2.Tenzij bij de instelling van het
bewind anders is bepaald, moet de bewindvoerder het bewind en zijn
benoeming doen inschrijven:
a. in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, indien het bewind
betrekking heeft op registergoederen;
b. in het register van
aandeelhouders, bedoeld in de artikelen 85 en 194 van Boek 2,
indien het bewind betrekking heeft op aandelen op naam in een
naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid;
c. in het handelsregister indien
het bewind betrekking heeft op een onderneming of een aandeel in
een vennootschap.
Artikel 161
1.De bewindvoerder legt, tenzij andere
tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van zijn bewind
rekening en verantwoording af aan de rechthebbende en aan degenen in
wier belang het bewind is ingesteld. Aan het einde van zijn bewind
legt hij rekening en verantwoording mede af aan degene die hem in het
beheer van de goederen opvolgt. Is de bewindvoerder benoemd door de
rechter, dan legt hij ten overstaan van deze de rekening en
verantwoording af.
2.Indien de rechthebbende of een
belanghebbende niet in staat is tot het opnemen van de rekening, of
het onzeker is wie de rechthebbende of belanghebbende is, wordt de
rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd, tenzij de
uiterste wil iets anders bepaalt. Goedkeuring van deze rekening en
verantwoording door de kantonrechter belet niet dat de rechthebbende
of belanghebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde
tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet
onredelijk is.
3.De kantonrechter kan de bewindvoerder
– hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve – vrijstelling van de
verplichting tot het afleggen van de periodieke rekening en
verantwoording te zijnen overstaan verlenen; hij kan ook beschikken
dat de bewindvoerder de rekening en verantwoording op deze wijze
slechts eens in een bepaald aantal jaren zal afleggen.
4.Voor het overige vindt het bepaalde
aangaande de voogdijrekening in de paragrafen 10 en 11 van afdeling 6
van titel 14 van Boek 1 overeenkomstige toepassing.
Artikel 162
1.Voor zover bij de instelling van het
bewind niet anders is bepaald, wordt telkens bij het afleggen van de
rekening en verantwoording hetgeen de goederen netto aan vruchten
hebben opgebracht, onder aftrek van de verschuldigde beloning,
uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft. Op verzoek van deze kan
de kantonrechter andere tijdstippen voor de uitkering vaststellen.
2.Zolang er onzekerheid bestaat wie de
rechthebbende is of de rechthebbende niet tot ontvangst in staat is,
blijft de netto-opbrengst onder het bewind van de bewindvoerder,
tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders bepaalt.
Artikel 163
De bewindvoerder is jegens de
rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed
bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden
toegerekend.
Artikel 164
1.De hoedanigheid van bewindvoerder
eindigt:
a. bij het einde van het bewind;
b. door tijdsverloop, indien hij
voor een bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood, het ten aanzien
van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, zijn faillietverklaring, zijn
ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind als
bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen;
d. in de bij de uiterste wil
bepaalde gevallen;
e. door ontslag dat de
kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent.
2.Het ontslag wordt hem verleend hetzij
op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen, zulks op verzoek
van een medebewindvoerder, van de rechthebbende, van iemand in wiens
belang het bewind is ingesteld of van het openbaar ministerie, dan wel
ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige
voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen.
Artikel 165
1.De gewezen bewindvoerder draagt de
goederen die hij wegens het bewind beheert af aan degene die na hem
tot het beheer daarover bevoegd is. Hij mag de afdracht opschorten tot
de voldoening van een hem toekomend saldo.
2.De gewezen bewindvoerder blijft
voorts al datgene doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende
of de belanghebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem
tot het beheer der goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard.
3.Eindigt de hoedanigheid van
bewindvoerder door diens faillissement of ondercuratelestelling dan
rust de in lid 2 bedoelde verplichting op de curator, indien deze van
het bewind kennis draagt; eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder
door het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de onderbewindstelling
van een of meer van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die
gevallen optredende bewindvoerder. Eindigt de hoedanigheid van
bewindvoerder door diens dood, dan zijn de erfgenamen verplicht,
indien zij van het bewind kennis dragen, de kantonrechter te verzoeken
een andere bewindvoerder te benoemen.
Paragraaf 3. De gevolgen van het bewind
Artikel 166
De rechthebbende is naast de
bewindvoerder bevoegd tot handelingen dienende tot gewoon onderhoud van
de goederen die hij in gebruik heeft en tot handelingen die geen uitstel
kunnen lijden. Voor het overige komt het beheer uitsluitend toe aan de
bewindvoerder.
Artikel 167
1.Indien het bewind is ingesteld in het
belang van de rechthebbende, is deze slechts met medewerking of
toestemming van de bewindvoerder bevoegd tot andere handelingen dan
die in het vorige artikel bedoeld, welke een onder bewind staand goed
rechtstreeks betreffen. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van een
vruchtgebruiker met betrekking tot de goederen waarop onder bewind
gesteld vruchtgebruik rust en die verder gaan dan het gebruik daarvan.
2.Indien het bewind is ingesteld in het
belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk
belang, is de rechthebbende slechts onder voorbehoud van het bewind
bevoegd tot het verrichten van een handeling als bedoeld in lid 1.
3.Indien het bewind zowel in het belang
van de rechthebbende als van een of meer anderen of in een
gemeenschappelijk belang is ingesteld, dan is de rechthebbende slechts
met medewerking of toestemming van de bewindvoerder en onder
voorbehoud van dat bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling
als bedoeld in lid 1.
Artikel 168
1.Een rechtshandeling die ondanks zijn
uit de artikelen 166 en 167 voortvloeiende onbevoegdheid is verricht
door of gericht tot de rechthebbende is niettemin geldig, indien de
wederpartij het bewind kende noch behoorde te kennen. Niettemin is
geen veroordeling mogelijk tot nakoming van een uit de rechtshandeling
voortvloeiende verbintenis tot vervreemding of bezwaring van een onder
het bewind staand goed.
2.De uit het bewind voortvloeiende
ongeldigheid van beschikking door de rechthebbende over een goed als
bedoeld in artikel 88 van Boek 3, staat niet in de weg aan de
geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde
verkrijger te goeder trouw is. De vorige zin is van overeenkomstige
toepassing op de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt
recht op zulk een goed.
Artikel 169
1.De bewindvoerder mag met toestemming
van de rechthebbende:
a. de in artikel 167 lid 1 bedoelde
handelingen verrichten;
b. geld lenen of de rechthebbende
als borg of hoofdelijk schuldenaar verbinden;
c. een overeenkomst tot
beëindiging van een geschil aangaan; hij behoeft deze toestemming
niet in het geval van artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, of indien het voorwerp van het geschil een waarde
van € 700 niet te boven gaat.
2.Is het bewind uitsluitend of mede in
het belang van een ander dan de rechthebbende of in hun
gemeenschappelijk belang ingesteld, dan is ook toestemming van die
ander vereist.
3.Verleent iemand wiens toestemming is
vereist deze niet, dan kan de kantonrechter haar desverzocht door zijn
machtiging vervangen. De kantonrechter kan de machtiging verlenen
onder zodanige voorwaarden als hij geraden acht.
Artikel 170
1.Behoren de goederen die onder het
bewind staan of die met een onder het bewind staand beperkt recht zijn
belast tot een gemeenschap, dan is de bewindvoerder bevoegd tot het
vorderen van verdeling en is hij, met toestemming van de
rechthebbende, bevoegd tot het aangaan van een overeenkomst tot
uitsluiting van verdeling voor een bepaalde tijd.
2.De bewindvoerder is met toestemming
van de rechthebbende bevoegd tot medewerking aan de verdeling.
3.De leden 2 en 3 van artikel 169 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 171
1.Bij de uiterste wil kunnen de
bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader worden
geregeld; zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld
dan uit de voorgaande bepalingen van deze afdeling voortvloeit.
2.De kantonrechter kan op verzoek van
de bewindvoerder, de rechthebbende of een persoon in wiens belang het
bewind uitsluitend of mede is ingesteld, de regels omtrent het voeren
van het bewind wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. De
kantonrechter kan het verzoek toewijzen onder door hem te stellen
voorwaarden.
Artikel 172
1.De bewindvoerder die, anders dan in
de vorm van medewerking of toestemming, zijn taak uitoefent, is
bevoegd daarbij de rechthebbende te vertegenwoordigen of in eigen naam
te zijnen behoeve op te treden.
2.De bepalingen van titel 3 van Boek 3
zijn in geval van vertegenwoordiging van overeenkomstige toepassing op
de rechten en verplichtingen van een wederpartij. Regels die de
bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen, en feiten die voor een
oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de
wederpartij worden tegengeworpen, indien deze met die regels of feiten
niet bekend was of behoorde te zijn.
Artikel 173
De bewindvoerder vertegenwoordigt de
rechthebbende in gedingen ter zake van onder het bewind staande
goederen. Hij kan zich, alvorens in rechte op te treden, te zijner
verantwoording doen machtigen door de rechthebbende en degenen in wier
belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld. Wordt de machtiging
niet verleend, dan kan de kantonrechter haar door zijn machtiging
vervangen.
Artikel 174
1.De rechthebbende is, onverminderd het
bepaalde in artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden
die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn
hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht.
2.Voor zover de rechthebbende onder het
bewind staande goederen aanwijst die voldoende verhaal bieden, kunnen
zijn overige goederen niet worden uitgewonnen voor de in lid 1
bedoelde schulden.
Artikel 175
1.Tijdens het bewind kunnen de onder
het bewind staande goederen ten laste van de rechthebbende slechts
worden uitgewonnen voor:
a. de schulden van de nalatenschap,
voor zover die schulden ten laste van die goederen kunnen worden
gebracht;
b. de schulden die de goederen
betreffen;
c. de schulden voortvloeiend uit
rechtshandelingen die door de rechthebbende binnen de grenzen van
zijn in de artikelen 166 en 167 bedoelde bevoegdheid zijn
verricht;
d. de schulden voortvloeiend uit
rechtshandelingen die ondanks onbevoegdheid van de rechthebbende
krachtens artikel 168 lid 1 geldig zijn, tenzij de bewindvoerder
goederen van de rechthebbende aanwijst die niet onder bewind staan
en die geheel of gedeeltelijk verhaal bieden;
e. de schulden waarvoor de
rechthebbende overeenkomstig artikel 174 wegens gedragingen van de
bewindvoerder aansprakelijk is.
2.De goederen kunnen voor de in lid 1
onder e bedoelde schulden ook worden uitgewonnen, nadat ze onder last
van het bewind op een andere rechthebbende zijn overgegaan.
3.De goederen worden vrij van het
bewind uitgewonnen, tenzij dit uitsluitend of mede in het belang van
een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang is
ingesteld.
Artikel 176
Indien het bewind uitsluitend is
ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende, dan wel in
een gemeenschappelijk belang, kunnen de onder bewind gestelde goederen
ten laste van de rechthebbende ook voor andere schulden worden
uitgewonnen, doch dan slechts onder de last van het bewind.
Paragraaf 4. Einde van het bewind
Artikel 177
1.Het bewind eindigt door het
verstrijken van de termijn waarvoor het werd ingesteld.
2.Het bewind eindigt door verwerping
van de nalatenschap of het legaat waarbij de goederen zijn vermaakt,
indien het door het bewind gediende belang daarmede vervalt. De
beëindiging door verwerping heeft geen terugwerkende kracht.
Artikel 178
1.Het bewind eindigt door het
overlijden van de rechthebbende indien het uitsluitend in diens belang
was ingesteld. Is deze een rechtspersoon, dan eindigt het door diens
ontbinding, en voorts door diens opzegging wanneer dertig jaren na het
overlijden van de erflater zijn verlopen.
2.De rechtbank kan een zodanig bewind
ook opheffen op verzoek van de bewindvoerder op grond van onvoorziene
omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de rechthebbende de
onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen
besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater
kan het bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek
van de rechthebbende. Bij afwijzing van een verzoek tot opheffing kan
de rechtbank desverzocht de regels omtrent het bewind, al dan niet
onder door haar te stellen voorwaarden, wijzigen.
Artikel 179
1.Voor zover het bewind is ingesteld in
het belang van een ander dan de rechthebbende, eindigt het, wanneer
dat belang vervalt, alsmede wanneer de rechthebbende en degene in
wiens belang de instelling geschiedde, een gemeenschappelijk besluit
tot opheffing schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen.
Het besluit tot opheffing kan ook slechts een of meer der onder bewind
gestelde goederen betreffen.
2.Is het bewind ingesteld in het belang
van degene die is bevoordeeld bij een legaat onder opschortende
tijdsbepaling of opschortende voorwaarde of bij een testamentaire
last, dan kan het, wanneer dertig jaren na het overlijden van de
erflater zijn verstreken, door opzegging worden beëindigd.
Artikel 180
1.Voor zover het bewind is ingesteld in
het gemeenschappelijk belang van de rechthebbende en een of meer
anderen, eindigt het wanneer dat belang vervalt.
2.Het bewind kan eveneens worden
beëindigd door opzegging, wanneer vijf jaren na het overlijden van de
erflater zijn verstreken.
Artikel 181
1.De in de vorige artikelen bedoelde
opzegging kan slechts geschieden door de rechthebbende, en dat wel
schriftelijk en met inachtneming van een termijn van een maand.
2.De opzegging moet worden gericht tot
de bewindvoerder en tot de belanghebbenden zo die er zijn.
Titel 6. Gevolgen van de erfopvolging
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 182
1.Met het overlijden van de erflater
volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare
rechten en in zijn bezit en houderschap. De eerste zin geldt niet
wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 13 wordt verdeeld; in dat
geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en
houderschap van de erflater.
2.Zij worden van rechtswege schuldenaar
van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Is
een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor een deel,
evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 183
Een erfgenaam kan de goederen van de
nalatenschap met inbegrip van die welke de erflater op het tijdstip van
zijn overlijden voor derden hield, opvorderen van iedere derde die deze
goederen zonder recht houdt. Is de nalatenschap verdeeld overeenkomstig
artikel 13, dan komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid
uitsluitend toe aan de echtgenoot van de erflater.
Artikel 184
1.Schuldeisers van de nalatenschap
kunnen hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen.
2.Een erfgenaam is niet verplicht een
schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen,
tenzij hij:
a. zuiver aanvaardt, behalve voor
zover de schuld niet op hem rust en onverminderd de artikelen 14
lid 3 en 87 lid 5;
b. de voldoening van de schuld
verhindert en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt;
c. opzettelijk goederen der
nalatenschap zoek maakt, verbergt of op andere wijze aan het
verhaal van schuldeisers der nalatenschap onttrekt; of
d. vereffenaar is, in de vervulling
van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet,
en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
3.In ieder geval kunnen, wanneer uit de
nalatenschap een uitkering heeft plaatsgevonden aan een erfgenaam die
de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, de schuldeisers van de
nalatenschap zich op het vermogen van die erfgenaam verhalen tot de
waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap heeft verkregen. Artikel
223 lid 1 vindt daarbij overeenkomstige toepassing.
4.Hij die ingevolge lid 2 onder b of c
met zijn gehele vermogen aansprakelijk is geworden, blijft dit ook na
verwerping van de nalatenschap.
5.Lid 2 is van overeenkomstige
toepassing op de verplichting van een erfgenaam tot nakoming van een
last die bestaat uit een uitgave van geld of van een goed dat niet tot
de nalatenschap behoort.
Artikel 185
1.Gedurende drie maanden na het
overlijden van de erflater kan op goederen van een nalatenschap die
niet door alle erfgenamen zuiver is aanvaard, geen verhaal worden
genomen, tenzij de schuldeiser hiertoe ook in geval van faillissement
van de erflater had kunnen overgaan.
2.Gedurende die tijd kan de
kantonrechter op verzoek van een belanghebbende de maatregelen
voorschrijven die hij in diens belang nodig acht.
3.De termijn kan voor de afloop daarvan
door de kantonrechter ten aanzien van bepaalde schuldeisers een of
meer malen op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. De
verlenging wordt in het boedelregister ingeschreven.
Artikel 186
1.De griffiers van de rechtbanken
houden een openbaar boedelregister, waarin krachtens wettelijk
voorschrift feiten worden ingeschreven, die voor de rechtstoestand van
opengevallen nalatenschappen van belang zijn.
2.Een notaris die is betrokken bij de
afwikkeling van de nalatenschap, doet zich in het boedelregister
inschrijven.
3.De wijze van inrichting en
raadpleging van het boedelregister worden bij algemene maatregel van
bestuur geregeld.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat de openbare boedelregisters, bedoeld in het
eerste lid, in afwijking van het eerste lid door een ander of door
anderen dan de griffiers van de rechtbanken worden gehouden. Bij
algemene maatregel van bestuur kan eveneens worden bepaald dat de
verstrekking van gegevens ter inschrijving in het openbaar
boedelregister door degenen die daartoe bevoegd of die daartoe
gehouden zijn, uitsluitend op een in die maatregel aan te geven wijze
plaats vindt.
Artikel 187
1.Hij die is afgegaan op de in een
verklaring van erfrecht vermelde feiten, geldt te dezen aanzien als te
goeder trouw.
2.Een schuldenaar die, afgaande op de
in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, heeft betaald aan
iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene
aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft
betaald.
3.Het in de vorige leden bepaalde lijdt
uitzondering, indien van degene die op de verklaring is afgegaan, op
grond van bijzondere omstandigheden een nader onderzoek kon worden
gevergd, dat hem de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen
blijken.
Artikel 188
1.Een verklaring van erfrecht is een
notariële akte waarin een notaris een of meer van de volgende feiten
vermeldt:
a. dat een of meer in de verklaring
genoemde personen, al dan niet voor bepaalde erfdelen, erfgenaam
zijn of de enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij de
nalatenschap reeds hebben aanvaard;
b. dat al dan niet aan de
echtgenoot van de erflater het vruchtgebruik van een of meer tot
de nalatenschap behorende goederen krachtens afdeling 2 van titel
3 toekomt, met vermelding of aan hem een machtiging tot
vervreemden of bezwaren of een bevoegdheid tot vervreemding en
vertering is verleend, alsmede of en tot welk tijdstip de
echtgenoot een beroep toekomt op artikel 29 leden 1 en 3;
c. dat de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, met vermelding of en tot welk moment de
echtgenoot de bevoegdheid toekomt als bedoeld in artikel 18 lid 1;
d. dat al dan niet het beheer van
de nalatenschap aan executeurs, bewindvoerders of krachtens de
derde afdeling van deze titel benoemde vereffenaars is opgedragen,
met vermelding van hun bevoegdheden; of
e. dat een of meer in de verklaring
genoemde personen executeur, bewindvoerder of vereffenaar zijn.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere voorschriften omtrent de inhoud en de opstelling van
deze verklaringen worden vastgesteld.
Artikel 189
Indien en voor zover een erflater geen
erfgenamen heeft, worden de goederen der nalatenschap op het ogenblik
van zijn overlijden door de Staat onder algemene titel verkregen.
Afdeling 2. Aanvaarding en verwerping van
nalatenschappen en van legaten
Artikel 190
1.Een erfgenaam kan een nalatenschap
aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of
onder voorrecht van boedelbeschrijving.
2.De erflater kan de erfgenamen in hun
keuze niet beperken. Evenmin kan een erfgenaam dienaangaande vóór
het openvallen der nalatenschap een beslissing nemen.
3.De keuze kan alleen onvoorwaardelijk
en zonder tijdsbepaling geschieden. Zij kan niet een deel van het
erfdeel betreffen. Hetgeen aan een erfgenaam die reeds aanvaard heeft,
opkomt door de vervulling van een door de erflater aan een erfstelling
toegevoegde voorwaarde kan evenwel nog afzonderlijk aanvaard of
verworpen worden.
4.Een eenmaal gedane keuze is
onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen der
nalatenschap. Een aanvaarding of verwerping kan niet op grond van
dwaling, noch op grond van benadeling van een of meer schuldeisers
worden vernietigd.
Artikel 191
1.De in het vorige artikel bedoelde
keuze wordt gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende
verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis. De
verklaring wordt in het boedelregister ingeschreven.
2.Zolang de nalatenschap niet door alle
erfgenamen is aanvaard, kan de kantonrechter de maatregelen
voorschrijven die hij tot behoud van de goederen nodig acht.
Artikel 192
1.Een erfgenaam die zich ondubbelzinnig
en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam
gedraagt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver, tenzij hij zijn
keuze reeds eerder heeft gedaan.
2.Indien een erfgenaam zijn keuze nog
niet heeft gedaan, kan de kantonrechter hem daarvoor op verzoek van
een belanghebbende een termijn stellen, die ingaat op de dag nadat de
belanghebbende deze beschikking aan de erfgenaam heeft doen betekenen
en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen
inschrijven in het boedelregister. De kantonrechter kan op verzoek van
de erfgenaam de termijn voor de afloop daarvan een of meer malen
verlengen; de verlenging wordt in het boedelregister ingeschreven.
3.Laat de erfgenaam de termijn verlopen
zonder inmiddels een keuze te hebben gedaan, dan wordt hij geacht de
nalatenschap zuiver te aanvaarden.
4.Een erfgenaam die nog geen keuze
heeft gedaan, wordt geacht beneficiair te aanvaarden, wanneer een of
meer zijner mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair
aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of
verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire
aanvaarding kennis heeft gekregen of, indien voor hem op het tijdstip
van die beneficiaire aanvaarding een overeenkomstig het tweede lid
gestelde of verlengde termijn liep, binnen die termijn. De zuivere
aanvaarding kan slechts geschieden op de wijze als bepaald in het
eerste lid van het vorige artikel.
Artikel 193
1.Een wettelijke vertegenwoordiger van
een erfgenaam kan voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft voor
verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een
verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen
binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een
aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Deze termijn kan overeenkomstig
artikel 192 lid 2, tweede zin, worden verlengd.
2.Heeft hij de termijn laten verlopen,
dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard.
De kantonrechter kan hiervan aantekening doen houden in het
boedelregister.
3.De leden 1 en 2 zijn niet van
toepassing in het geval, bedoeld in artikel 41 van de
Faillissementswet.
Artikel 194
1.Een erfgenaam die na zuivere
aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil, volgens welke de
legaten en lasten die hij moet voldoen, tot een geringer bedrag uit
zijn erfdeel kunnen worden bestreden dan zonder die uiterste wil het
geval zou zijn geweest, wordt, indien hij binnen drie maanden na die
ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd
om alsnog beneficiair te aanvaarden. Nochtans komen de schulden der
nalatenschap met uitzondering van de hem tevoren niet bekende legaten,
alsmede de hem tevoren reeds bekende lasten, ten laste van zijn gehele
vermogen voor zover hij deze ook zonder die uiterste wil niet uit zijn
erfdeel had kunnen bestrijden.
2.Een erfgenaam die na zuivere
aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil, volgens welke zijn
erfdeel groter is dan het zonder die uiterste wil zou zijn geweest, of
met een na zijn aanvaarding voorgevallen gebeurtenis waardoor zijn
erfdeel is vergroot, wordt, indien hij binnen drie maanden na die
ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd
alsnog beneficiair te aanvaarden. Nochtans moet hij de schulden der
nalatenschap en de lasten met zijn gehele vermogen voldoen, voor zover
dat ook zonder die uiterste wil of zonder die gebeurtenis het geval
zou zijn geweest
Artikel 195
1.Is een nalatenschap door een of meer
erfgenamen beneficiair aanvaard en moet zij uit dien hoofde
overeenkomstig de volgende afdeling van deze titel worden vereffend,
dan zijn alle erfgenamen vereffenaar.
2.Voor de toepassing van de bepalingen
van deze en de volgende afdeling inzake vereffening wordt de
echtgenoot van de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft
krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam aangemerkt, tenzij
uit de strekking van de bepalingen anders voortvloeit.
Artikel 196
De kantonrechter kan, op verzoek van een
belanghebbende of ambtshalve, de erfgenamen gelasten de beneficiaire
aanvaarding bekend te maken in de Staatscourant en in een of meer door
hem aangewezen nieuwsbladen.
Artikel 197
1.Een notaris die op verzoek van een
erfgenaam als boedelnotaris voor de beneficiair aanvaarde nalatenschap
optreedt, doet zich als zodanig inschrijven in het boedelregister en
geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de overige erfgenamen.
2.Op een verzoek, uiterlijk een maand
na die kennisgeving gedaan door de meerderheid van de erfgenamen of
door een of meer erfgenamen die samen voor meer dan de helft
gerechtigd zijn in de nalatenschap, kan de kantonrechter een andere
notaris, die daartoe bereid is, als boedelnotaris aanwijzen. Deze doet
de vervanging inschrijven en brengt haar zo spoedig mogelijk ter
kennis van de eerstaangewezene en de erfgenamen.
3.In geval van bekendmaking van de
beneficiaire aanvaarding overeenkomstig het vorige artikel, wordt de
aanwijzing van een boedelnotaris op dezelfde wijze, onder vermelding
van zijn naam en adres, bekendgemaakt.
Artikel 198
Tenzij de kantonrechter anders bepaalt,
oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de
beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uit, doch kunnen daden van
gewoon onderhoud en tot behoud van de goederen, en in het algemeen daden
die geen uitstel kunnen lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig
worden verricht.
Artikel 199
1.Op verzoek van een belanghebbende of
van de boedelnotaris kan de kantonrechter een of meer erfgenamen van
een nalatenschap die beneficiair aanvaard is, gelasten zekerheid te
stellen voor hun beheer en de nakoming van hun overige verplichtingen.
De kantonrechter stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast.
2.Wanneer een erfgenaam blijkt dat de
schulden der beneficiair aanvaarde nalatenschap de baten overtreffen,
doet hij hiervan ten spoedigste mededeling aan de kantonrechter.
Artikel 200
1.Met betrekking tot een erfgenaam die
onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, geldt tot het
einde van de vereffening het in de volgende leden bepaalde, tenzij hij
voor de op hem rustende schulden der nalatenschap met zijn gehele
vermogen aansprakelijk is.
2.Vorderingen van de erflater op de
erfgenaam en beperkte rechten van de erflater op een goed van de
erfgenaam, alsmede vorderingen van de erfgenaam op de erflater en
beperkte rechten van de erfgenaam op een goed van de erflater gaan
niet door vermenging teniet.
3.Heeft de erfgenaam een schuld der
nalatenschap uit zijn overig vermogen voldaan, dan treedt hij op als
schuldeiser van de nalatenschap voor het bedrag van die schuld in de
rang die zij had. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op
een last die verplicht tot een uitgave in geld ten laste van de
nalatenschap welke de erfgenaam uit zijn overige vermogen heeft
gedaan.
Artikel 201
1.Een legaat wordt verkregen zonder dat
een aanvaarding nodig is, behoudens de bevoegdheid van de legataris om
het legaat te verwerpen zolang hij het niet aanvaard heeft.
2.De kantonrechter kan op verzoek van
een belanghebbende aan de legataris een termijn stellen, waarbinnen
deze moet verklaren of hij al dan niet verwerpt; bij gebreke van een
verklaring binnen de gestelde termijn verliest de legataris de
bevoegdheid om te verwerpen.
3.De verwerping van een legaat moet op
ondubbelzinnige wijze geschieden, maar is aan geen vorm gebonden.
Afdeling 3. Vereffening van de
nalatenschap
Artikel 202
1.Een nalatenschap wordt, behoudens het
in artikel 221 bepaalde, overeenkomstig de in deze afdeling gegeven
voorschriften vereffend:
a. wanneer zij door een of meer
erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard,
tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten
bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der
nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der
nalatenschap te voldoen; geschillen dienaangaande worden door de
kantonrechter beslist;
b. wanneer de rechtbank een
vereffenaar heeft benoemd.
2.Indien het saldo van de nalatenschap
positief is kan de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam die
voor deze beneficiair heeft aanvaard de kantonrechter verzoeken om
ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet.
3.Een nalatenschap die overeenkomstig
artikel 13 is verdeeld, wordt in afwijking van lid 1 onder a slechts
vereffend volgens de wet wanneer de echtgenoot van de erflater haar
beneficiair heeft aanvaard.
Artikel 203
1.Na een aanvaarding onder voorrecht
van boedelbeschrijving kan de rechtbank een vereffenaar benoemen:
a. op verzoek van een erfgenaam;
b. op verzoek van een
belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer hij die met
het beheer der nalatenschap belast is in ernstige mate in de
vervulling van zijn verplichtingen tekortschiet, daartoe
ongeschikt is of niet voldoet aan een last tot zekerheidstelling,
wanneer de schulden der nalatenschap de baten blijken te
overtreffen, of wanneer tot een verdeling van de nalatenschap
wordt overgegaan voordat deze vereffend is.
2.De door de rechter benoemde persoon
treedt als vereffenaar in de plaats van de erfgenamen.
Artikel 204
1.Is een nalatenschap niet onder
voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard, dan kan de rechtbank een
vereffenaar benoemen:
a. op verzoek van een
belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer er geen
erfgenamen zijn, wanneer het niet bekend is of er erfgenamen zijn,
of wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd
en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd
laten;
b. op verzoek van een schuldeiser
van de nalatenschap, wanneer tot een verdeling van de nalatenschap
wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn
voldaan, of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten
volle of niet binnen redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij
omdat de nalatenschap niet toereikend is of niet behoorlijk
beheerd en afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op
de goederen van de nalatenschap gaat verhalen;
c. op verzoek van een of meer
andere schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door
een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden
geschaad.
2.Indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, is lid 1, onder b en c, van overeenkomstige
toepassing op het geheel van de goederen die hebben behoord tot de
huwelijksgemeenschap van de erflater en zijn echtgenoot, de in die
gemeenschap gevallen of daarop verhaalbare schulden, alsmede hetgeen
daarvoor in de plaats is getreden.
Artikel 205
Wanneer een schuldeiser van een erfgenaam
die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is
benadeeld, kan de rechtbank op zijn verzoek bepalen dat de nalatenschap
mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft
zal worden vereffend, en kan zij zo nodig een vereffenaar benoemen.
Artikel 206
1.De rechtbank beslist niet op het
verzoek tot benoeming van een vereffenaar dan na verhoor of
behoorlijke oproeping van de verzoeker, alsmede voor zover zij bestaan
en bekend zijn, van de erfgenamen, de boedelnotaris en de executeur.
2.De rechtbank kan als vereffenaar
onder de nodige door haar te bepalen waarborgen een erfgenaam, een
executeur of een andere persoon aanwijzen. Benoemt zij twee of meer
vereffenaars, dan kan, tenzij bij de benoeming of later door de
kantonrechter anders wordt bepaald, ieder van hen alle werkzaamheden
alleen verrichten.
3.Een door de rechter benoemde
vereffenaar heeft recht op het loon dat door de kantonrechter vóór
het opmaken van de uitdelingslijst wordt vastgesteld.
4.Hij wordt vereffenaar op de dag,
waarop de beslissing die de benoeming inhoudt in kracht van gewijsde
is gegaan, of – zo deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard –
daags nadat de griffier hem van zijn benoeming mededeling heeft
gedaan.
5.Hij kan worden ontslagen hetzij op
eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks op verzoek van een
medevereffenaar, een erfgenaam, een schuldeiser van de nalatenschap of
het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek
kan de rechtbank voorlopige voorzieningen treffen en de vereffenaar
schorsen. De taak van de vereffenaar eindigt door zijn dood, het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn faillietverklaring,
zijn ondercuratelestelling of indien een bewind als bedoeld in titel
19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen wordt ingesteld. De
rechter benoemt een of meer vereffenaars waar dezen ontbreken voordat
de vereffening is geëindigd; hij kan een opengevallen plaats doen
bezetten.
6.De griffier doet de benoeming van een
vereffenaar, alsmede het eindigen van zijn hoedanigheid onverwijld in
het boedelregister inschrijven. De vereffenaar maakt haar bekend in de
Staatscourant en in een of meer bij de benoeming voorgeschreven
nieuwsbladen.
Artikel 207
Hij die als vereffenaar door een ander is
opgevolgd, is verplicht aan zijn opvolger rekening en verantwoording af
te leggen op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.
Artikel 208
1.Bij de benoeming van een vereffenaar
of bij een latere beschikking kan de rechtbank een harer leden tot
rechter-commissaris benoemen.
2.Indien een rechter-commissaris is
benoemd, worden
a. de overeenkomstig deze afdeling
aan de kantonrechter toekomende taken en bevoegdheden door de
rechter-commissaris uitgeoefend, tenzij de wet anders bepaalt;
b. de in de artikelen 211 lid 3,
214 lid 5 en 218 lid 1 bedoelde stukken, zo een boedelnotaris
ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neergelegd.
Artikel 209
1.Indien de geringe waarde der baten
van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft, kan de kantonrechter op
verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende hetzij de kosteloze
vereffening van de nalatenschap, hetzij de opheffing van de
vereffening bevelen. Op een verzoek tot opheffing wordt de verzoeker
gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor zover zij bestaan en
bekend zijn, de erfgenamen, de vereffenaar en de boedelnotaris. Indien
een rechter-commissaris is benoemd, komt de in de eerste zin bedoelde
bevoegdheid, op voordracht van de rechter-commissaris, aan de
rechtbank toe.
2.Bij het bevel tot opheffing van de
vereffening stelt de kantonrechter onderscheidenlijk de rechtbank
tevens het bedrag der reeds gemaakte vereffeningskosten vast, en
brengt dat ten laste van de boedel of, wanneer de boedel daartoe
onvoldoende is, ten laste van de erfgenamen, voor zover dezen met hun
gehele vermogen aansprakelijk zijn.
3.Na de opheffing is artikel 226 van
overeenkomstige toepassing.
4.De opheffing wordt op dezelfde wijze
als de benoeming van een vereffenaar ingeschreven en bekend gemaakt.
5.Indien na de opheffing van een
vereffening de benoeming van een vereffenaar wordt verzocht, is de
verzoeker verplicht aan te tonen dat er voldoende baten aanwezig zijn
om de kosten van de vereffening te bestrijden.
Artikel 210
1.Vereffenaars geven aan de
kantonrechter alle door deze gewenste inlichtingen en zijn verplicht
diens aanwijzingen bij vereffening te volgen.
2.Indien een rechter-commissaris is
benoemd, is deze bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, de
vereffening betreffende, getuigen en deskundigen te horen op dezelfde
wijze als voor een rechter-commissaris in geval van faillissement is
bepaald.
Artikel 211
1.Een vereffenaar heeft tot taak de
nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen.
Voor de vereffening wordt een last die tot een uitgave van geld of van
een goed uit de nalatenschap verplicht, gelijkgesteld met een legaat.
2.Hij vertegenwoordigt bij de
vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. Zij zijn
niet bevoegd zonder zijn medewerking of machtiging van de
kantonrechter over de goederen der nalatenschap of hun aandeel daarin
te beschikken.
3.Hij moet met bekwame spoed een
onderhandse of notariële boedelbeschrijving opmaken of doen opmaken,
waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van een voorlopige
staat zijn opgenomen. Hij moet deze ten kantore van de boedelnotaris
of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neerleggen,
ter inzage van de erfgenamen en de schuldeisers der nalatenschap;
andere schuldeisers van een erfgenaam, ook indien deze de nalatenschap
verworpen heeft, kunnen tot inzage gemachtigd worden door de
kantonrechter.
4.De kantonrechter kan in geval van
aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving de erfgenamen
ontheffen van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te
leggen.
5.Een door de rechter benoemde
vereffenaar kan een boedelnotaris aanwijzen, indien dit nog niet is
geschied. De notaris die deze opdracht heeft aanvaard, geeft daarvan
kennis aan de erfgenamen en doet zich inschrijven in het
boedelregister.
Artikel 212
Wanneer de wettelijke vertegenwoordiger
van een erfgenaam of een door de rechter benoemde vereffenaar aan
schuldeisers der nalatenschap schade heeft toegebracht, doordat hij
opzettelijk goederen der nalatenschap aan het verhaal van de
schuldeisers heeft onttrokken, kunnen zij van hem de voldoening van hun
vordering eisen, voor zover hij niet bewijst dat hun schade op een lager
bedrag moet worden gesteld.
Artikel 213
Is de erflater gehuwd geweest in een
gemeenschap van goederen, dan kan de rechtbank op verzoek van de
vereffenaar van de nalatenschap een vereffenaar van de ontbonden
huwelijksgemeenschap benoemen, in welk geval zij met overeenkomstige
toepassing van het in deze afdeling bepaalde wordt vereffend. De eerste
zin is niet van toepassing indien de huwelijksgemeenschap reeds voor het
overlijden van de erflater was verdeeld.
Artikel 214
1.Een vereffenaar roept de schuldeisers
der nalatenschap, zo dit nog niet is geschied, openlijk op om hun
vorderingen vóór een door de kantonrechter bepaalde datum bij de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij hemzelf in te dienen. De
oproeping geschiedt op dezelfde wijze als de bekendmaking van de
beneficiaire aanvaarding of de benoeming van de vereffenaar en zoveel
mogelijk tegelijkertijd.
2.De vereffenaar moet bovendien de hem
bekende schuldeisers der nalatenschap per brief oproepen. Is hem het
adres van een schuldeiser der nalatenschap onbekend gebleven, dan
deelt hij dit mede aan de kantonrechter.
3.Aanmelding van een vordering stuit de
verjaring.
4.De vereffenaar geeft, indien hij zich
met een ingediende vordering of een ingeroepen voorrang niet kan
verenigen, daarvan onverwijld onder opgave van redenen kennis aan hem
die de vordering heeft ingediend.
5.Zo spoedig mogelijk na het
verstrijken van de bij de oproep der schuldeisers gestelde termijn
legt de vereffenaar een lijst van de door hem erkende en betwiste
vorderingen en aanspraken op voorrang ten kantore van de boedelnotaris
of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neer, ter
inzage van de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich als
schuldeiser hebben aangemeld. Hij geeft ieder van hen van deze
neerlegging kennis.
Artikel 215
1.De vereffenaar maakt de goederen der
nalatenschap te gelde, voor zover dit voor de voldoening van de
schulden der nalatenschap nodig is. Goederen die een schuldeiser der
nalatenschap te vorderen heeft, worden zoveel mogelijk in de laatste
plaats te gelde gemaakt.
2.Omtrent de keuze van de te gelde te
maken goederen en de wijze van tegeldemaking treedt de vereffenaar
zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen. Bestaat tegen de
voorgenomen tegeldemaking van een goed bezwaar bij een erfgenaam of
een schuldeiser die het goed te vorderen heeft dan stelt de
vereffenaar hem in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter
in te roepen.
3.Het in het vorige lid ten aanzien van
de erfgenamen bepaalde geldt mede ten aanzien van hen aan wie het
vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel daarin is
vermaakt.
4.Artikel 68 van Boek 3 is op de
vereffenaar van overeenkomstige toepassing.
5.Met betrekking tot door de erflater
gesloten sommenverzekeringen zonder onherroepelijk geworden aanwijzing
van een derde als begunstigde, is artikel 22a Faillissementswet van
overeenkomstige toepassing, waarbij dient te worden gelezen voor:
a. de curator: de vereffenaar
b. de rechter-commissaris: de
kantonrechter
c. de verzekeringnemer: de
erfgenamen dan wel, indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig afdeling 1 van titel 3, de echtgenoot van de
erflater.
Artikel 216
Een door de rechter benoemde vereffenaar
kan hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen
drie jaar daarna terugvorderen, voor zover dit nodig is om schulden als
bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g te voldoen. Artikel 122
lid 1 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 217
1.Indien iemand zowel schuldenaar als
schuldeiser van de nalatenschap is, zijn de bepalingen van de
Faillissementswet omtrent de bevoegdheid tot verrekening van
overeenkomstige toepassing.
2.Indien iemand met de erflater
deelgenoot was in een gemeenschap die tijdens de vereffening wordt
verdeeld, is artikel 56 van de Faillissementswet van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 218
1.Een vereffenaar is verplicht binnen
zes maanden nadat de voor het indienen van vorderingen gestelde tijd
is verstreken, een rekening en verantwoording benevens een
uitdelingslijst ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze
ontbreekt, ter griffie van de rechtbank ter kennisneming van een ieder
neer te leggen. De kantonrechter kan deze termijn verlengen.
2.De vereffenaar maakt de neerlegging
op dezelfde wijze openlijk bekend als de oproep tot aanmelding van
vorderingen en bovendien per brief aan de erfgenamen, de legatarissen
en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld.
3.Binnen een maand na deze openlijke
bekendmaking kan iedere belanghebbende tegen de rekening en
verantwoording of tegen de uitdelingslijst bij de kantonrechter of,
indien een rechter-commissaris is benoemd, bij de rechtbank in verzet
komen.
4.Verbintenissen die tot levering van
een goed der nalatenschap of tot vestiging van een beperkt recht op
een zodanig goed verplichten, worden in een geldschuld omgezet, voor
zover een tekort dit nodig maakt. Andere verbintenissen die niet in
geld luiden, en verbintenissen onder een opschortende voorwaarde
worden in de uitdelingslijst slechts op verzoek van de schuldeiser
opgenomen; in dat geval worden zij omgezet in een geldschuld. De
vordering van een legitimaris wordt, indien zij ingevolge artikel 81
lid 2, een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 of een beschikking als
bedoeld in artikel 83 niet opeisbaar is, niet in de uitdelingslijst
opgenomen.
5.Voor het overige vinden bij de
berekening van ieders vordering, het opmaken van de uitdelingslijst en
het verzet daartegen de dienaangaande in de Faillissementswet
voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.
Artikel 219
Wanneer de rechter heeft bepaald dat de
nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van iemand die haar
verworpen heeft, wordt vereffend, kunnen ook deze schuldeisers hun
vorderingen indienen. Zij worden in de uitdelingslijst opgenomen, doch
slechts batig gerangschikt voor zover een overschot aan hun schuldenaar
zou zijn toegekomen, indien deze niet verworpen had; te dien einde kan
de vereffenaar voor zoveel nodig verdeling van de nalatenschap vorderen
en aan de verdeling deelnemen.
Artikel 220
1.Na het verbindend worden van een
uitdelingslijst is de vereffenaar verplicht een ieder het hem volgens
de uitdelingslijst toekomende uit te keren. Geldsbedragen waarover
niet binnen zes maanden is beschikt of die gereserveerd zijn, geeft
een door de rechter benoemde vereffenaar in bewaring ter plaatse tot
het ontvangen van gerechtelijke consignatiën aangewezen.
2.Schuldeisers van de nalatenschap die
pas na het verbindend worden van een uitdelingslijst opkomen, hebben,
onverminderd hun verhaal op de goederen van erfgenamen die met hun
gehele vermogen aansprakelijk zijn, alleen recht van verhaal op de
alsdan nog onverkochte goederen en op het saldo der nalatenschap. Zij
worden daaruit voldaan naar gelang zij zich aanmelden.
3.Bovendien hebben schuldeisers als
bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g die niet voldaan zijn,
nog een recht van verhaal tegen legatarissen, voor zover dezen een
uitkering hebben ontvangen en niet voldoende goederen voor verhaal als
bedoeld in het vorige lid aanwijzen. Het recht van verhaal tegen een
legataris vervalt drie jaren na het verbindend worden van de
uitdelingslijst, volgens welke de uitkering aan hem is geschied.
4.Wanneer een ingevolge artikel 218 lid
4, derde zin, niet in de uitdelingslijst opgenomen vordering van een
legitimaris opeisbaar wordt, kan de legitimaris, onverminderd zijn
verhaal overeenkomstig de leden 2 en 3, voor het gedeelte van de
schuld aan hem dat overeenkomstig artikel 87 leden 5 en 6 op een
erfgenaam of legataris rust, deze erfgenaam of legataris aanspreken.
Artikel 221
1.De in de artikelen 214, eerste en
vijfde lid, en 218 omschreven verplichtingen rusten op de erfgenamen
die uit hoofde van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving
vereffenaar zijn, slechts indien de kantonrechter dit bepaalt.
2.Een door de rechter benoemde
vereffenaar behoeft een rekening en verantwoording en een
uitdelingslijst niet neer te leggen, wanneer alle hem voor de afloop
van de in artikel 218, eerste lid, bedoelde termijn bekend geworden
schulden ten volle worden voldaan, of wanneer de kantonrechter hem van
deze neerlegging vrijstelt. Deze vrijstelling wordt niet verleend,
wanneer een schuldeiser daartegen bezwaar maakt.
3.Wordt de rekening en verantwoording
niet neergelegd, dan geschiedt zij aan hen die een recht op het
overschot hebben, op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.
Artikel 222
Gedurende de vereffening zijn van titel 7
van Boek 3 slechts van toepassing de artikelen 166, 167, 169, 170 lid 1
en 194 lid 2.
Artikel 223
1.Gedurende de vereffening is een
schuldeiser alleen bevoegd zijn vordering op goederen der nalatenschap
ten uitvoer te leggen, indien deze bevoegdheid hem ook in geval van
faillissement van de erflater zou zijn toegekomen. De artikelen 57 tot
en met 60 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de in de artikelen 58 lid 1, 59a
leden 3 en 5 en 60 lid 3 bedoelde bevoegdheden van de
rechter-commissaris, zo ter zake van de vereffening geen
rechter-commissaris is benoemd, uitgeoefend worden door de
kantonrechter.
2.Ook tijdens de vereffening kan een
schuldeiser van de nalatenschap zijn vorderingsrecht, of de voorrang
die zijn vordering toekomt, bij vonnis doen vaststellen. Een vonnis
waarbij een vordering tegen een vereffenaar is vastgesteld, kan op de
persoonlijke goederen van een erfgenaam die met zijn gehele vermogen
aansprakelijk is, alleen worden ten uitvoer gelegd, indien deze in het
geding partij is geweest.
3.Op verzoek van een vereffenaar kunnen
reeds gelegde beslagen, voor zover dat voor de vereffening nodig is,
door de kantonrechter worden opgeheven.
Artikel 224
Eerst nadat de bekende schuldeisers van
de vereffende nalatenschap volledig zijn voldaan, hebben de overige
schuldeisers van een erfgenaam recht van verhaal op de goederen der
nalatenschap.
Artikel 225
1.Wanneer niet alle erfgenamen bekend
zijn of daaromtrent onzekerheid bestaat, is een vereffenaar verplicht
door oproepingen in veel gelezen dagbladen of door andere doelmatige
middelen de erfgenamen op te sporen.
2.Is een vereffenaar benoemd omdat de
nalatenschap geheel of ten dele onbeheerd werd gelaten, dan neemt de
vereffening een einde, zodra alle erfgenamen het beheer hebben
aanvaard en de reeds gemaakte kosten van vereffening hebben voldaan.
Artikel 226
1.Is de vereffening voltooid en met een
overschot geëindigd, dan geeft een door de rechter benoemde
vereffenaar de overgebleven goederen af aan de erfgenamen dan wel,
indien de nalatenschap ingevolge artikel 13 is verdeeld, aan de
echtgenoot van de erflater. Zijn er geen erfgenamen, is het niet
bekend of er erfgenamen zijn, of zijn de erfgenamen niet bereid de
goederen in ontvangst te nemen, dan geeft hij deze aan de Staat af.
2.Zijn de erfgenamen die zich tot de
inontvangstneming bereid tonen, slechts tot een deel van de
nalatenschap gerechtigd, dan draagt de vereffenaar zorg dat de
nalatenschap eerst wordt verdeeld. Daarna geeft hij hetgeen is
toegedeeld aan erfgenamen die onbekend zijn of hebben nagelaten tot de
verdeling mede te werken, aan de Staat af.
3.De Staat is bevoegd de hem afgegeven
goederen te verkopen; registergoederen mag hij slechts in het openbaar
verkopen, tenzij de kantonrechter hem tot onderhandse verkoop
machtigt.
4.Is een goed van de nalatenschap of
hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen binnen twintig jaren nadat de
nalatenschap is opengevallen door niemand opgeëist, dan vervalt het
aan de Staat.
Afdeling 4. Verdeling van de nalatenschap
Artikel 227
Onverminderd de voorschriften die voor de
verdeling van iedere gemeenschap gelden, zijn op de verdeling van een
nalatenschap de navolgende bepalingen van toepassing.
Artikel 228
1.Tot de schulden van een erfgenaam,
die bij de verdeling op verlangen van een of meer der overige
erfgenamen op zijn aandeel worden toegerekend, behoort hetgeen hij aan
de erflater schuldig is gebleven.
2.Ook schulden als bedoeld in artikel 7
lid 1 onder f tot en met h van een erfgenaam aan een mede-erfgenaam
worden, voor zover zij bij de verdeling opeisbaar zijn, op verlangen
en ten behoeve van de mede-erfgenaam toegerekend op het aandeel van de
schuldenaar.
Artikel 229
1.Erfgenamen zijn verplicht ten behoeve
van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun door de erflater gedane
giften in te brengen, voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift
hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven.
2.Een bij de gift opgelegde
verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking worden
ongedaan gemaakt.
Artikel 230
Erfgenamen die bij plaatsvervulling
opkomen, moeten behalve de door henzelf ontvangen giften, ieder naar de
mate van zijn erfdeel de giften inbrengen, die hij wiens plaats zij
innemen, had moeten inbrengen, was hij erfgenaam geweest.
Artikel 231
Ook als de begiftigde in een gemeenschap
van goederen of deelgenootschap is gehuwd, komt de gehele gift voor
inbreng in aanmerking, tenzij de erflater het tegendeel heeft bepaald.
Artikel 232
1. De aansprakelijkheid van de
erfgenamen jegens de schuldeisers van de nalatenschap wordt door een
verplichting tot inbreng niet gewijzigd.
2. Bij overgang van het erfdeel van een
erfgenaam gaat zijn recht op of verplichting tot inbreng mede over.
Artikel 233
1. Verplichting tot inbreng betekent
dat bij de verdeling van de nalatenschap de waarde van de gift in
mindering komt van het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam
in het hem en de erfgenamen, te wier behoeve de inbreng verplicht is,
uit de nalatenschap toekomende gedeelte, vermeerderd met de onderling
in te brengen bedragen. De waarde van de giften wordt berekend op de
wijze als uit artikel 66 voortvloeit; deze waarde wordt verhoogd met
een rente van zes procent per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is
opengevallen. De artikelen 68 en 70 lid 3 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Inbreng is niet verplicht voor zover
de waarde van de gift groter is dan het aandeel van de erfgenaam.
|