Nadere
regelgeving:
- Besluit boedelregister
Burgerlijk Wetboek Boek 4, Erfrecht
Boek 4. Erfrecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Erfopvolging
heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking.
2. Van de
erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste
wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt.
Artikel 2
1. Wanneer de
volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden
bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden en
valt aan de ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de
andere ten deel.
2. Indien een
belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden
toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van
overlijden, kan de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen, zulks
voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de
termijn van het uitstel kan worden geleverd.
Artikel 3
1. Van rechtswege
zijn onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken:
a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter
zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te
brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen;
b. hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens
een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de
Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met
een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens poging tot,
voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf;
c. hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke
uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater lasterlijk een
beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de
Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum
van ten minste vier jaren is gesteld;
d. hij die de overledene door een feitelijkheid
of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een
uiterste wilsbeschikking te maken;
e. hij die de uiterste wil van de overledene
heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
2. Rechten door
derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld
worden geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet zijn
verkregen, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem
die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen
vergoeding toekennen.
3. Een onwaardigheid
vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze
zijn gedraging heeft vergeven.
Artikel 4
1. Een voor het
openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is nietig,
voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn
vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens dit Boek
met betrekking tot die nalatenschap toekomen.
2. Overeenkomsten
strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in
hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig.
Artikel 5
1. Op verzoek van
de schuldenaar kan de rechtbank wegens gewichtige redenen bepalen dat
een geldsom die krachtens dit Boek of, in verband met de verdeling van
de nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is verschuldigd, al dan
niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, eerst na
verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te
worden voldaan. Hierbij let de rechtbank op de belangen van beide
partijen; aan een inwilliging kan de voorwaarde worden verbonden dat
binnen een bepaalde tijd een door de rechtbank goedgekeurde zakelijke
of persoonlijke zekerheid voor de voldoening van hoofdsom en rente
wordt gesteld.
2. Een in het vorige
lid bedoelde beschikking kan op verzoek van een der partijen, gegrond op
ten tijde van die beschikking niet voorziene omstandigheden, door de in
het vorige lid genoemde rechtbank worden gewijzigd.
Artikel 6
In dit Boek wordt onder de waarde van de goederen
der nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip
onmiddellijk na het overlijden van de erflater, waarbij geen rekening
wordt gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of
2 van titel 3 kan komen te rusten.
Artikel 7
1. Schulden van de
nalatenschap zijn:
a. de schulden van de erflater die niet met zijn
dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i;
b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij
in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene;
c. de kosten van vereffening van de
nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van executele, met inbegrip van het
loon van de executeur;
e. de schulden uit belastingen die ter zake van
het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de
erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die ontstaan door toepassing van
afdeling 2 van titel 3;
g. de schulden ter zake van legitieme porties
waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit legaten welke op een of meer
erfgenamen rusten;
i. de schulden uit giften en andere handelingen
die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten.
2. Bij de voldoening
van de schulden ten laste van de nalatenschap worden achtereenvolgens
met voorrang voldaan:
1°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot
en met e;
2°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder f;
3°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder g.
Ontbreken schulden als bedoeld in lid 1 onder f,
dan worden eerst de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met c, en
vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1 onder d, e en g, met voorrang
voldaan.
3. In de
nalatenschap van de langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en de
stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een verplichting tot overdracht
van goederen als bedoeld in die artikelen met een schuld als bedoeld in
lid 1 onder a gelijkgesteld.
Artikel 8
1. In dit Boek
worden met echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde partners.
2. Voor de
toepassing van lid 1 is mede begrepen onder:
a. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
b. gehuwd: als partner geregistreerd;
c. huwelijksgemeenschap: gemeenschap van een
geregistreerd partnerschap;
d. trouwbeloften: beloften tot het aangaan van
een geregistreerd partnerschap;
e. echtscheiding: beëindiging van een
geregistreerd partnerschap op de wijze als bedoeld in artikel 80c
onder c of d van Boek 1.
3. Onder stiefkind
van de erflater wordt in dit Boek verstaan een kind van de echtgenoot of
geregistreerde partner van de erflater, van welk kind de erflater niet
zelf ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind, indien het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap is geëindigd.
Titel 2. Erfopvolging bij versterf
Artikel 9
Ten einde als erfgenaam bij versterf te kunnen
optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.
Artikel 10
1. De wet roept
tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens:
a. de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen;
b. de ouders van de erflater tezamen met diens
broers en zusters;
c. de grootouders van de erflater;
d. de overgrootouders van de erflater.
2. De afstammelingen
van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden bij
plaatsvervulling geroepen.
3. Alleen zij die
tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de
in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend.
Artikel 11
1. Degenen die
tezamen uit eigen hoofde tot een nalatenschap worden geroepen, erven
voor gelijke delen.
2. In afwijking van
lid 1 is het erfdeel van een halfbroer of halfzuster de helft van het
erfdeel van een volle broer, een volle zuster of een ouder.
3. Wanneer het
erfdeel van een ouder door toepassing van de leden 1 en 2 minder zou
bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd tot een kwart en worden de
erfdelen van de overige erfgenamen naar evenredigheid verminderd.
Artikel 12
1. Plaatsvervulling
geschiedt met betrekking tot personen die op het ogenblik van het
openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn,
onterfd zijn of verwerpen of wier erfrecht is vervallen.
2. Zij die bij
plaatsvervulling erven, worden staaksgewijze geroepen tot het erfdeel
van degene wiens plaats zij vervullen.
3. Degenen die de
erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet.
Titel 3. Het erfrecht bij versterf van de niet van
tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen alsmede andere
wettelijke rechten
Afdeling 1. Het erfrecht bij versterf van de niet
van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
Artikel 13
1. De nalatenschap
van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen als
erfgenamen achterlaat, wordt, tenzij de erflater bij uiterste
wilsbeschikking heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten
toepassing blijft, overeenkomstig de volgende leden verdeeld.
2. De echtgenoot
verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening
van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder
schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van
de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan
testamentaire lasten.
3. Ieder van de
kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten
laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
Deze vordering is opeisbaar:
a. indien de echtgenoot in staat van
faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is overleden.
De vordering is ook opeisbaar in door de erflater
bij uiterste wilsbeschikking genoemde gevallen.
4. De in lid 3
bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het
kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat
overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage
hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap
is opengevallen, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in
aanmerking wordt genomen.
5. Is de vordering,
bedoeld in lid 3, opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de
echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan
is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356
lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1
van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen
toepassing.
6. In deze titel
wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed gescheiden
echtgenoot.
Artikel 14
1. Indien de
nalatenschap overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de echtgenoot
van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen
verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de
onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de
schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot.
2. Voor schulden van
de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden
worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot
en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn
verhaal op de goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de echtgenoot
toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van
de echtgenoot.
3. Voor schulden van
de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen,
met uitzondering van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering.
Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor zover de geldvordering
van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van
goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die
voldoende verhaal bieden.
4. De uit lid 1,
tweede zin, voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot geldt mede
wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen,
onverminderd artikel 184 lid 2.
Artikel 15
1. Voor zover de
erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 13 lid
3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt
deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter
vastgesteld. De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien bij de
vaststelling van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering:
a. omtrent de waarde van de goederen en de
schulden van de nalatenschap is gedwaald en daardoor een erfgenaam
voor meer dan een vierde is benadeeld,
b. het saldo van de nalatenschap anderszins
onjuist is berekend, dan wel
c. de geldvordering niet is berekend
overeenkomstig het deel waarop het kind aanspraak kon maken,
wordt de vaststelling op verzoek van een kind of
de echtgenoot dienovereenkomstig door de kantonrechter gewijzigd. Op de
vaststelling is hetgeen omtrent verdeling is bepaald in de artikelen 196
leden 2, 3 en 4, 199 en 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de
vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met 233
van overeenkomstige toepassing.
4. De artikelen 187
en 188 van Boek 3 zijn op de vaststelling van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 16
1. De echtgenoot
en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt
opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen
en de schulden van de nalatenschap.
2. Heeft de
echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan
levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen een jaar na het
overlijden van de erflater een ter bevestiging van haar deugdelijkheid
door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank
van de woonplaats van de echtgenoot onderscheidenlijk het kind. De
kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte
dient te geschieden.
3. Op de
boedelbeschrijving en de waardering zijn de artikelen 673 tot en met 676
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De echtgenoot en ieder kind zijn voor de toepassing van de
in de vorige volzin genoemde bepalingen partij bij de
boedelbeschrijving.
4. De echtgenoot en
ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle
bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van
hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door
hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot
medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.
Artikel 17
1. De echtgenoot
kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel 13 lid 3
bedoelde geldvordering en de in lid 4 van dat artikel bedoelde
verhoging te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling
wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de hoofdsom,
vervolgens op de verhoging, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot
en het kind tezamen, anders hebben bepaald.
2. Indien een kind
een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als bedoeld in
artikel 19, 20, 21 of 22, gaan de echtgenoot of diens erfgenamen niet
over tot voldoening dan na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 25
lid 3.
3. Is het in lid 2
bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet het vrije
beheer over zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de goedkeuring van
de kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel 26 lid 1.
Artikel 18
1. De echtgenoot
kan binnen drie maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is
opengevallen, door middel van een verklaring bij notariële akte,
binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de
verdeling overeenkomstig artikel 13 ongedaan maken. In naam van de
echtgenoot kan de verklaring slechts krachtens uitdrukkelijke voor dit
doel afgegeven schriftelijke volmacht worden afgelegd.
2. De verklaring
werkt terug tot het tijdstip van het openvallen der nalatenschap. Voor
het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn verkregen rechten van
derden, mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden geëerbiedigd. Indien
de echtgenoot voor het afleggen van de verklaring op de voet van artikel
13 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en de
kinderen verrekend.
3. De omstandigheid
dat de echtgenoot onder curatele staat of dat de goederen die deze uit
de nalatenschap van de erflater verkrijgt onder een bewind vallen, staat
aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet in de weg. De
bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor
de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind gelden. Is de
echtgenoot in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan wordt deze
bevoegdheid uitgeoefend door de curator, door de bewindvoerder,
onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de
bewindvoerder.
4. Indien ten
aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is
toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn van drie maanden vanaf de
dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1
onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde
is gegaan.
Artikel 19
Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3
een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de
nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die
ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen opnieuw een huwelijk te
willen aangaan, is deze verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De
overdracht vindt, tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder
voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 20
Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3
een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de
nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de
langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was, is de stiefouder
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een
waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4
van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de nalatenschap van de
langstlevende ouder niet overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de
in de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen van de
langstlevende ouder.
Artikel 21
Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3
een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van
zijn overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder verplicht aan het
kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten
hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel
bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de stiefouder daarvan
afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 22
Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3
een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van
zijn overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is overleden,
zijn diens erfgenamen verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging.
Artikel 23
1. Op het in de
artikelen 19 en 21 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van titel
8 van Boek 3 van toepassing, met dien verstande dat:
a. de echtgenoot is vrijgesteld van de
jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 205 lid 4, alsmede van het
stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 206 lid 1, en artikel 206
lid 2 niet van toepassing is;
b. een machtiging als bedoeld in artikel 212 lid
3 ook gegeven kan worden voor zover de verzorgingsbehoefte van de
echtgenoot of de nakoming van zijn verplichtingen overeenkomstig
artikel 13 lid 2 dit nodig maakt.
2. De kantonrechter
kan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek van de echtgenoot
aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en
vertering als bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De
hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de
kantonrechter nadere regelingen treffen.
3. In afwijking van
de eerste zin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van artikel 215 lid 1
van Boek 3 verkrijgt de hoofdgerechtigde, tenzij hij met de echtgenoot
anders overeenkomt, op het tijdstip van vervreemding een vordering op de
echtgenoot ter grootte van de waarde die het goed op dat tijdstip had.
Op de vordering zijn de leden 3 en 4 van artikel 13 en lid 1 van artikel
15 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel
13 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip van
het ontstaan van de vordering.
4. Bij de vestiging
van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen worden
getroffen door de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de
kantonrechter op verzoek van een van hen.
5. De echtgenoot is
niet bevoegd het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren.
6. Het vruchtgebruik
kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan
onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden van de nalatenschap
of schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen
van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten
waren. In geval van zodanige uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet
van toepassing.
Artikel 24
1. De in de
artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van de
erflater of van de door diens overlijden ontbonden
huwelijksgemeenschap. In afwijking van de eerste zin heeft de in de
artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht geen
betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de
huwelijksgemeenschap met de erflater zijn gevallen.
2. De in de
artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft
mede goederen die in de plaats zijn gekomen voor goederen als bedoeld in
lid 1, eerste zin. Indien een goed is verkregen met middelen die voor
minder dan de helft afkomstig zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap
of ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het niet onder de in de eerste
zin bedoelde verplichting. Is een goed mede met middelen uit een lening
verkregen, dan blijven deze middelen voor de toepassing van de tweede
zin buiten beschouwing.
3. Een goed dat
behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht of
tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te
hebben uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin, bedoelde nalatenschap of
ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanig goed in de plaats te zijn
gekomen.
Artikel 25
1. De waarde van
de over te dragen goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de
overdracht, wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan
het kind verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de verhoging, tenzij
door de erflater of bij de overdracht anders is bepaald. Voor de
toepassing van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de goederen
vastgesteld zonder daarbij het vruchtgebruik in aanmerking te nemen.
2. Een kind dat
voornemens is een in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld verzoek te
doen, is gehouden de andere kinderen die een dergelijk verzoek kunnen
doen, op een zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te stellen
dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens een verzoek te doen.
3. Degene die tot
overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een kind een redelijke
termijn stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld in de artikelen 19,
20, 21 en 22 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe over, dan stelt hij ook
de andere kinderen die een zodanig verzoek kunnen doen, daarvan in
kennis.
4. Bestaat tussen
degene die tot overdracht van goederen verplicht is en het kind, of
tussen twee of meer kinderen geen overeenstemming over de overdracht van
een goed, dan beslist op verzoek van een hunner de kantonrechter,
rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen.
5. Voor zover een
kind de in artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een andere persoon
overdraagt, gaat de in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde
bevoegdheid teniet.
6. Bij uiterste
wilsbeschikking kan de erflater de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 19 tot en met 22, uitbreiden, beperken of opheffen.
Artikel 26
1. Indien een
minderjarig kind een bevoegdheid heeft als in de artikelen 19, 20, 21
en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen drie
maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid aan de kantonrechter
schriftelijk zijn voornemen met betrekking tot de uitoefening van die
bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen wettelijke
vertegenwoordiger, dan loopt deze termijn vanaf de dag van de
benoeming. De kantonrechter verleent zijn goedkeuring aan het
voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening houdende naar billijkheid
met de belangen van het kind, de andere kinderen aan wie de
bevoegdheid eveneens toekomt en van degene jegens wie de bevoegdheid
bestaat. Hij kan aan de goedkeuring voorwaarden verbinden. Zo nodig
neemt de kantonrechter een eigen beslissing.
2. Hetzelfde geldt
indien het kind meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen
niet heeft. Staat de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering onder
een bewind, dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend
overeenkomstig de regels die voor het desbetreffende bewind gelden. Is
het kind in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan rust de
verplichting op de curator, op de bewindvoerder, onderscheidenlijk op
het kind met medewerking van de bewindvoerder.
3. Indien met
goedkeuring van de kantonrechter is afgezien van het doen van een
verzoek als genoemd in de artikelen 19, 20, 21 en 22, kan zodanig
verzoek nadien niet alsnog worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de
kantonrechter anders bepalen.
Artikel 27
Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater
bepalen dat een stiefkind in een verdeling als bedoeld in artikel 13 als
eigen kind wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling van
toepassing, behoudens voor zover de erflater anders heeft bepaald. De
afstammelingen van het stiefkind worden bij plaatsvervulling geroepen.
Afdeling 2. Andere wettelijke rechten
Artikel 28
1. Indien de
woning die de echtgenoot van de erflater bij diens overlijden bewoont,
tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de
erflater, anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam, is de
echtgenoot jegens de erfgenamen bevoegd tot voortzetting van de
bewoning gedurende een termijn van zes maanden onder gelijke
voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is op gelijke wijze en voor
gelijke duur bevoegd tot voortzetting van het gebruik van de inboedel,
voor zover die tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoort of de erflater ten gebruike toekwam.
2. Jegens de
erfgenamen en de echtgenoot van de erflater hebben degenen die tot diens
overlijden met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden,
overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van de
woning en de inboedel die tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoren.
Artikel 29
1. Voor zover de
echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen
van de erflater niet of niet enig rechthebbende is op de tot de
nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten tijde van het
overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de
echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende
inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de
vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten
behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit van hen verlangt. De
eerste zin geldt niet voor zover de kantonrechter op een daartoe
strekkend verzoek artikel 33 lid 2, onder a, heeft toegepast.
2. Zolang de
echtgenoot een beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet bevoegd
tot beschikking over die goederen, noch tot verhuring of verpachting
daarvan; gedurende dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts worden
uitgewonnen voor de in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f genoemde
schulden.
3. De leden 1 en 2
zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een
testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij
als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.
Artikel 30
1. De erfgenamen
zijn verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik
op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 29 ten
behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot
daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging
– daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35
lid 2 op hem rustende verplichtingen – behoefte heeft en die
medewerking van hen verlangt.
2. Lid 1 is mede van
toepassing met betrekking tot hetgeen moet worden geacht in de plaats te
zijn gekomen van goederen van de nalatenschap. Voorts is lid 1 mede van
toepassing op een geldvordering als bedoeld in artikel 13 lid 3, indien
de erflater bij uiterste wilsbeschikking de gronden voor opeisbaarheid
heeft uitgebreid. Een vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld in
de tweede zin eindigt in elk geval indien de echtgenoot in staat van
faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard. In het laatstbedoelde geval herleeft door beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond
van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet het vruchtgebruik op de
vordering, voorzover deze onvoldaan is gebleven. Artikel 358 lid 1 van
de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.
3. De voorgaande
leden zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door
een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die
zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen. Onder goederen als
bedoeld in de eerste zin worden mede begrepen ingevolge een legaat of
een testamentaire last verkregen geldsommen en beperkte rechten op
goederen van de nalatenschap.
4. De erflater kan
bij uiterste wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of na andere
voor bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking komen.
5. Voor zover de
erflater de in het vorige lid toegekende bevoegdheid niet heeft
uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een testamentaire last
verkregen goederen slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in
aanmerking, indien de overige goederen der nalatenschap tot verzorging
van de echtgenoot onvoldoende zijn. Voor zover een making is te
beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de
erflater, komt zij pas na de andere makingen voor bezwaring met
vruchtgebruik in aanmerking.
6. Voor zover de
echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging van het
vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen
over de goederen waarop dit zal komen te rusten, gelast op verzoek van
een hunner de kantonrechter de aanwijzing van die goederen of wijst hij
deze zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van
ieder van hen.
7. Bij de bepaling
van de behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de echtgenoot toekomt,
in mindering gebracht hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit de
nalatenschap had kunnen verkrijgen met uitzondering van het
vruchtgebruik dat hij ingevolge het vorige artikel had kunnen doen
vestigen. Voorts komt daarop in mindering hetgeen hij had kunnen
verkrijgen uit een sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 31
1. Op het
vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1, 2, 4 en
5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing. Het vruchtgebruik kan
niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan
onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 onder a tot en met f. De uitwinning is echter niet
toegelaten, indien de echtgenoot niet met vruchtgebruik belaste
goederen der nalatenschap aanwijst die voldoende verhaal bieden.
2. De mogelijkheid
om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik vervalt, indien
de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende
gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van artikel 29 zes
maanden en voor de toepassing van artikel 30 een jaar na het overlijden
van de erflater heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik
aanspraak te maken.
3. De
rechtsvordering ingevolge de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop
van een jaar en drie maanden na het openvallen der nalatenschap.
4. Heeft de erflater
bij uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de bevoegdheid ontzegd
om zich bij de overdracht van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21
een vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in afwijking van lid 2,
de mogelijkheid om ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op
vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door verloop van drie
maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt. In dat
geval verjaart de rechtsvordering tot vestiging van het vruchtgebruik
door verloop van een jaar en drie maanden nadat op overdracht van het
goed aanspraak is gemaakt.
Artikel 32
De echtgenoot kan geen aanspraak maken op
vestiging van het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer
een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de
erflater en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de
nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van
tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer
tot stand heeft kunnen komen. De eerste zin blijft buiten toepassing
indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van tafel
en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in overwegende mate
de echtgenoot kan worden aangerekend.
Artikel 33
1. De
kantonrechter kan op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor
een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking
hiermede het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:
a. aan die hoofdgerechtigde een met
vruchtgebruik belast goed uit de nalatenschap, al dan niet onder de
last van het vruchtgebruik, toedelen;
b. het vruchtgebruik van een of meer goederen
beëindigen;
c. aan het vruchtgebruik verbonden bevoegdheden
van de echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen;
d. het vruchtgebruik in het belang van de
hoofdgerechtigde onder bewind stellen.
2. De kantonrechter
kan, onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan het vruchtgebruik,
de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder
begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem
rustende verplichtingen, geen behoefte heeft:
a. op verzoek van een rechthebbende de
verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik
opheffen, of
b. op verzoek van een hoofdgerechtigde het
vruchtgebruik beëindigen.
3. De andere
rechthebbenden worden in het geding geroepen. Bij zijn beschikking kan
de kantonrechter nadere regelingen treffen.
4. Een rechthebbende
kan te allen tijde, ter afwering van een vordering of andere
rechtsmaatregel, gericht op de nakoming van een verplichting tot
medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik, een beroep in rechte
doen op de in lid 2 genoemde grond voor opheffing van die verplichting.
5. De kantonrechter
houdt bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening met:
a. de leeftijd van de echtgenoot;
b. de samenstelling van de huishouding waartoe
de echtgenoot behoort;
c. de mogelijkheden van de echtgenoot om zelf in
de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen
vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen;
d. hetgeen in de gegeven omstandigheden als een
passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.
Artikel 34
1. Voor zover de
nalatenschap niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de
echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt, kan hij overgaan
tot inkorting van de daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige
toepassing van artikel 89, leden 2 en 3, en artikel 90, leden 1 en 3.
De artikelen 66, 68 en 69 zijn van overeenkomstige toepassing.
Verkrijgt de echtgenoot ook door deze inkorting niet hetgeen hem
toekomt, dan kan hij zich verhalen op hetgeen een legitimaris door
inkorting heeft verkregen.
2. De echtgenoot
verkrijgt door uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in lid 1, het
vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de inkorting is geschied of
waarvoor hij verhaal heeft genomen. Op het vruchtgebruik zijn de leden
1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing.
3. Zo nodig kan het
vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken over alle goederen der
nalatenschap en alle geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften
kunnen worden ingekort.
4. Geschillen over
de toepassing van het onderhavige artikel en de artikelen 35 tot en met
37 worden op verzoek van de meest gerede partij beslist door de
kantonrechter.
Artikel 35
1. Een kind van de
erflater, een kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 daaronder
begrepen, kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig
is voor:
a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken
van de leeftijd van achttien jaren; en voorts voor:
b. zijn levensonderhoud en studie tot het
bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren.
2. De som ter zake
van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe, voor zover de
echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of
overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De som ter
zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, voor zover de
echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht
is om in de kosten daarvan te voorzien.
3. Op de som ineens
komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen
krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door het
overlijden van de erflater tot uitkering komt.
Artikel 36
1. Een kind,
stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de erflater dat in
diens huishouding of in het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf
gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor
die arbeid passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een
som ineens, strekkend tot een billijke vergoeding.
2. Op de som komt in
mindering hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft ontvangen of
krachtens making of sommenverzekering op het leven van de erflater
verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover dat als een beloning voor
zijn werkzaamheden kan worden beschouwd.
Artikel 37
1. Degene die
krachtens de artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som ineens,
heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid om
aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien de rechthebbende
niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde
termijn, en uiterlijk negen maanden na het overlijden van de erflater,
heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen.
2. De vordering is
niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van
de erflater.
3. De
rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar na het overlijden van
de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor
degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft
gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden van die
echtgenoot.
4. De sommen ineens
bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde der
nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan zij elk een evenredige
vermindering. Onder de waarde der nalatenschap wordt in dit artikel
verstaan de waarde van de goederen der nalatenschap, verminderd met de
in artikel 7 lid 1 onder a tot en met e vermelde schulden.
5. De voldoening van
de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte der nalatenschap
waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens,
zo dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 87 lid 2, tweede zin, is
op een inkorting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1. Op verzoek van
een kind of stiefkind van de erflater kan de kantonrechter, mits
daardoor een zwaarwegend belang van het kind of stiefkind wordt
gediend en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende
niet ernstig wordt geschaad, de rechthebbende verplichten tot
overdracht tegen een redelijke prijs aan het kind of stiefkind, dan
wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een
door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of
stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij zijn
beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.
2. Het vorige lid is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van aandelen in een naamloze
vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn
medebestuurders de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of
stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden
bestuurder van die vennootschap is of nadien die positie van de erflater
voortzet.
3. Het vorige lid is
slechts van toepassing voor zover de statutaire regels omtrent
overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten.
4. Het recht om een
verzoek als bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na verloop van
een jaar na het overlijden van de erflater.
5. De leden 1 tot en
met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de echtgenoot van de
erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet,
ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik van
de desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen.
Artikel 39
Degene aan wie een in de artikelen 29 tot en met
33, 35, 36 en 38 bedoeld recht toekomt en niet erfgenaam is, heeft
dezelfde bevoegdheden als in artikel 78 aan een legitimaris worden
toegekend.
Artikel 40
Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3
van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid
1 van artikel 28, de leden 2 en 3 van artikel 31, de tweede zin van het
eerste lid, de eerste zin van het tweede lid en de eerste zin van het
derde lid van artikel 37, alsmede het vierde lid van artikel 38 vanaf de
dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1
onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde
is gegaan.
Artikel 41
Bij uiterste wilsbeschikking kan van het in deze
afdeling bepaalde niet worden afgeweken.
Titel 4. Uiterste willen
Afdeling 1. Uiterste wilsbeschikkingen in het
algemeen
Artikel 42
1. Een uiterste
wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een
erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en
die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.
2. De erflater kan
een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.
3. Een uiterste
wilsbeschikking kan alleen bij uiterste wil en slechts door de erflater
persoonlijk worden gemaakt en herroepen.
Artikel 43
1. Een uiterste
wilsbeschikking is niet vatbaar voor vernietiging op de grond dat zij
door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.
2. Een uiterste
wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, is
slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte
veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is
geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de
beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier
veronderstelling had kennis gedragen.
3. Een uiterste
wilsbeschikking kan niet op grond van bedreiging, bedrog of een onjuiste
beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater haar heeft bevestigd
nadat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden te werken of het
bedrog of de onjuistheid van de beweegreden is ontdekt.
Artikel 44
1. Een uiterste
wilsbeschikking waarvan de inhoud in strijd is met de goede zeden of
de openbare orde, is nietig.
2. Eveneens is een
uiterste wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze een in de uiterste
wil vermelde beweegreden die in strijd is met de goede zeden of de
openbare orde, beslissend is geweest.
Artikel 45
1. Een voorwaarde
of een last die onmogelijk te vervullen is, of die in strijd is met de
goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling, wordt
voor niet geschreven gehouden. De beschikking waaraan de voorwaarde of
de last is toegevoegd, is nietig, indien deze de beslissende
beweegreden tot die beschikking is geweest.
2. Een voorwaarde of
last die de strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding of bezwaring
van goederen uit te sluiten, wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 46
1. Bij de
uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op
de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op
de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
2. Daden of
verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan
voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder
die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
3. Wanneer een
erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een
goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de
erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met
behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden
vastgesteld.
Artikel 47
Wanneer de uitvoering van een beschikking, anders
dan als gevolg van een na het overlijden van de erflater ingetreden
omstandigheid, blijvend onmogelijk is, vervalt de beschikking, zonder
dat een andere beschikking daarvoor in de plaats mag worden gesteld,
tenzij de wet het tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af
te leiden dat de erflater die andere beschikking zou hebben gemaakt,
wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest.
Artikel 48
Wanneer in eenzelfde uiterste wil twee of meer
personen tot hetzelfde, al of niet voor bepaalde delen, zijn geroepen en
de beschikking ten opzichte van een geroepene geen gevolg heeft, vindt
ten behoeve van de overigen aanwas naar evenredigheid van de hun
toekomende delen plaats, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel
is af te leiden.
Artikel 49
1. Een ten laste
van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op
een bepaald goed te vestigen recht, vervalt indien het goed bij het
openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de
uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking
niettemin heeft gewild.
2. Kan in
laatstgenoemd geval degene op wie de verplichting rust, zich het
gelegateerde goed niet of slechts ten koste van een onevenredig grote
opoffering verschaffen, dan is hij gehouden de waarde van het goed uit
te keren.
3. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt een goed geacht niet tot de
nalatenschap te behoren, indien de erflater tot overdracht van het goed
verplicht was en deze verbintenis niet met zijn dood is tenietgegaan.
Artikel 50
1. Tenzij de
erflater anders heeft beschikt, wordt een gelegateerd goed geleverd in
de staat waarin het zich op het ogenblik van overlijden van de
erflater bevindt.
2. Mitsdien is een
erfgenaam niet verplicht het vermaakte goed te bevrijden van enig
beperkt recht dat daarop is gevestigd.
3. Is een vordering
van de erflater op een erfgenaam, een beperkt recht van de erflater op
een goed van een erfgenaam, of een goed van de erflater waarop een
beperkt recht van een erfgenaam is gevestigd gelegateerd, dan vindt geen
vermenging plaats, tenzij het legaat wordt verworpen.
Artikel 51
1. Wanneer een
echtgenoot ten laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een bepaald goed
uit de huwelijksgemeenschap heeft vermaakt, kan de legataris levering
van het gehele goed van hen vorderen, doch zij kunnen, voor zover het
goed bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de andere
echtgenoot of diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met
uitkering van de waarde van het goed. Deze bevoegdheid komt ook toe
aan de andere echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens erfgenamen.
2. Het vorige lid is
alleen van toepassing indien de huwelijksgemeenschap op het ogenblik dat
de beschikking werd gemaakt, nog niet ontbonden was.
Artikel 52
Een beschikking, getroffen ten voordele van degene
met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de uiterste wil
gehuwd was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt door een daarna
ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de
uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.
Artikel 53
Een uiterste wilsbeschikking ten voordele van de
naaste bloedverwanten of het naaste bloed van de erflater, zonder nadere
aanduiding, wordt vermoed gemaakt te zijn ten voordele van de door de
wet geroepen bloedverwanten van de erflater naar evenredigheid van
ieders aandeel bij versterf.
Artikel 54
1. Rechtsvorderingen
tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaren een jaar
nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking en
de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van hem die een beroep
op deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger.
2. De bevoegdheid om
ter vernietiging van een uiterste wilsbeschikking een beroep op een
vernietigingsgrond te doen vervalt buiten het geval bedoeld in artikel
51 lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaren nadat de dood van de erflater
en de uiterste wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van degene aan
wie deze bevoegdheid toekomt, dan wel van zijn rechtsvoorganger.
Afdeling 2. Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen
maken en wie daaruit voordeel kunnen genieten
Artikel 55
1. Behalve zij die
handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen die de leeftijd van
zestien jaren hebben bereikt, en zij die op een andere grond dan
wegens een geestelijke stoornis onder curatele zijn gesteld, uiterste
wilsbeschikkingen maken.
2. Hij die wegens
een geestelijke stoornis onder curatele staat, kan slechts met
toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen maken. De
kantonrechter kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.
3. De bekwaamheid
van de erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin hij zich bevond
op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt.
Artikel 56
1. Om aan een
making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik
dat de nalatenschap openvalt. Rechten uit een making ten voordele van
een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten
gevolge van een fusie of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende
rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan
de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving datbepaalt. Indien
aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving
niet kan worden bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten
treedt van de gesplitste rechtspersoon, is artikel 334s van Boek 2 van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien een
erflater heeft bepaald dat hetgeen hij aan een afstammeling van een
ouder van de erflater nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of
op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze, ontlenen dezen aan de making een recht,
ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater.
3. Heeft een
erflater bepaald dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het overlijden
van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan
een afstammeling van een ouder van de erflater, en tevens dat indien die
afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden, dan
verkrijgen dezen dit recht, ook al bestonden zij nog niet bij het
overlijden van de erflater.
4. Indien een
erflater heeft bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het hem
nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal
hebben gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande
bloedverwant van de erflater in de erfelijke graad, verkrijgt deze dit
recht, ook al bestond hij nog niet bij het overlijden van de erflater.
Artikel 57
1. Een erflater
kan geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van degene die op
het tijdstip van het maken van de beschikking zijn voogd is.
2. Hij die voogd van
de erflater is geweest, kan uit diens uiterste wilsbeschikkingen geen
voordeel genieten, indien de erflater binnen het jaar na zijn
meerderjarig worden en voor het afleggen en sluiten van de
voogdijrekening is overleden.
3. Het in de vorige
leden bepaalde is niet toepasselijk op bloedverwanten van de erflater in
de opgaande lijn, die zijn voogden zijn of geweest zijn.
Artikel 58
Minderjarigen kunnen geen uiterste wilsbeschikking
maken ten voordele van hun leermeesters, met wie zij tezamen wonen.
Artikel 59
1. De
beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg,
die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand
hebben verleend, alsmede de geestelijk verzorgers die hem gedurende
die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de
uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de
behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt.
2. Ook kan degene
die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk
gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding
heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste
wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die
instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt.
Artikel 60
Van het in de twee voorgaande artikelen bepaalde
zijn uitgezonderd:
a. de beschikkingen tot vergelding van bewezen
diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming echter
zowel van de gegoedheid van de maker, als van de diensten die aan
deze zijn bewezen;
b. de beschikkingen ten voordele van iemand
die bloed- of aanverwant tot de vierde graad of de echtgenoot van de
erflater is.
Artikel 61
De notaris of andere persoon, die een uiterste wil
of een akte van bewaargeving van een niet gesloten aangeboden
onderhandse uiterste wil heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn
tegenwoordig geweest, kunnen niet bij die uiterste wil worden
bevoordeeld.
Artikel 62
1. Een uiterste
wilsbeschikking die in strijd is met het in de artikelen 57–61
bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging vindt slechts plaats voor
zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van degene die zich
op de vernietigingsgrond beroept.
2. Een beschikking
ten behoeve van een tussenbeidekomende persoon is op gelijke wijze
vernietigbaar als een ten behoeve van de uitgesloten persoon zelf.
3. De vader, de
moeder, de afstammelingen en de echtgenoot van een uitgesloten persoon
worden geacht tussenbeidekomende personen te zijn, behalve wanneer zij
bloedverwant in de rechte lijn of echtgenoot van de erflater zijn.
4. Indien een
legataris in verband met een krachtens de vorige leden vernietigbaar
legaat gehouden is een tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van
Boek 3 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Legitieme portie
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 63
1. De legitieme
portie van een legitimaris is het gedeelte van de waarde van het
vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften
en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken.
2. Legitimarissen
zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen
tot zijn nalatenschap worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij
bij plaatsvervulling met betrekking tot personen die op het ogenblik van
het openvallen der nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig zijn.
3. De legitimaris
die de nalatenschap verwerpt, verliest zijn recht op de legitieme
portie, tenzij hij bij het afleggen van de verklaring bedoeld in artikel
191, tevens verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.
Artikel 64
1. De legitieme
portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde
waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal
in artikel 10 lid 1 onder a genoemde, door de erflater achtergelaten
personen.
2. Afstammelingen
van een kind van de erflater dat op het ogenblik van het openvallen van
de nalatenschap niet meer bestaat, worden voor de toepassing van het
eerste lid tezamen als een door de erflater achtergelaten kind geteld.
Afstammelingen van een kind van de erflater die legitimaris zijn, kunnen
ieder slechts voor hun deel opkomen.
Paragraaf 2. De omvang van de legitieme portie
Artikel 65
De legitieme porties worden berekend over de
waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd
met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd
met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.
Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan.
Artikel 66
1. Voor de
toepassing van deze afdeling worden giften gewaardeerd naar het
tijdstip van de prestatie, behoudens het in de volgende leden
bepaalde. Met een mogelijkheid dat de erflater de gift had kunnen
herroepen wordt geen rekening gehouden.
2. Giften waarbij de
erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft
voorbehouden, en andere giften van een voordeel bestemd om pas na zijn
overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde
onmiddellijk na zijn overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van
prestaties die de erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht,
met dien verstande dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde
nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de
nalatenschap niet toereikend is. Een gift die bestaat in de aanwijzing
van een begunstigde bij sommenverzekering, wordt in aanmerking genomen
tot haar waarde overeenkomstig artikel 188 leden 2 en 3 van Boek 7.
3. Giften, bestaande
in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door
de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden recht,
worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde
van de door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog
verschuldigde prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van
dat goed.
Artikel 67
Bij de berekening van de legitieme porties worden
de volgende door de erflater gedane giften in aanmerking genomen:
a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard
zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden
benadeeld;
b. giften die de erflater gedurende zijn leven
te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor
inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een voordeel, bestemd om pas na
zijn overlijden ten volle te worden genoten;
d. giften, door de erflater aan een
afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem
legitimaris van de erflater is;
e. andere giften, voor zover de prestatie
binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.
Artikel 68
Giften van de erflater aan zijn echtgenoot worden
voor de toepassing van deze afdeling buiten beschouwing gelaten voor
zover zich, ten gevolge van een gemeenschap van goederen waarin de
erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift gehuwd waren of ten
gevolge van een tussen hen op dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen
verrijking ten koste van het vermogen van de gever heeft voorgedaan.
Artikel 69
1. Voor de
toepassing van deze afdeling worden niet als giften beschouwd:
a. giften aan personen ten aanzien van wie de
erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens
zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die
verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het
inkomen en het vermogen van de erflater;
b. gebruikelijke giften voor zover zij niet
bovenmatig waren.
2. Lid 1 is niet van
toepassing op giften als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i.
Artikel 70
1. De waarde van
giften, door de erflater aan een legitimaris gedaan, komt in mindering
van diens legitieme portie.
2. Voor de
toepassing van het vorige lid worden giften aan een afstammeling die
legitimaris zou zijn geweest indien hij de erflater had overleefd of
niet onwaardig was geweest, aangemerkt als giften aan de van hem
afstammende legitimarissen, naar evenredigheid van hun legitieme portie.
3. Met een gift
wordt gelijkgesteld hetgeen een legitimaris verkrijgt of kan verkrijgen
uit een door de erflater ter nakoming van een natuurlijke verbintenis
gesloten sommenverzekering die geen pensioenverzekering is en die door
het overlijden van de erflater tot uitkering komt.
Artikel 71
De waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens
erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie.
Artikel 72
De waarde van hetgeen een legitimaris als
erfgenaam kan verkrijgen, komt ook in mindering van zijn legitieme
portie wanneer hij de nalatenschap verwerpt, tenzij
a. de goederen onder een voorwaarde, een last
of een bewind zijn nagelaten, of
b. ten laste van de legitimaris legaten zijn
gemaakt die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldsom
of overdracht van goederen der nalatenschap, en de verwerping binnen
drie maanden na het overlijden van de erflater geschiedt.
Artikel 73
1. De waarde van
een legaat aan een legitimaris van een bepaalde geldsom of van niet in
een vorderingsrecht bestaande goederen der nalatenschap komt ook in
mindering van zijn legitieme portie wanneer hij het legaat verwerpt,
tenzij
a. het legaat onder een voorwaarde, een last of
een bewind is gemaakt, of
b. ten laste van de legitimaris sublegaten zijn
gemaakt die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldsom,
of
c. het legaat later dan zes maanden na het
overlijden van de erflater, of indien de legitimaris mede-erfgenaam
is, pas na de verdeling der nalatenschap opeisbaar wordt, of
d. het legaat ten laste komt van een of meer
erfgenamen wier erfdelen ontoereikend zijn om het legaat daaruit te
voldoen, en de verwerping binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater geschiedt.
2. Heeft de erflater
de in artikel 125 lid 2 bedoelde bevoegdheid ontzegd aan een
legitimaris, dan kan deze het legaat binnen drie maanden na het
overlijden van de erflater verwerpen, zonder dat de waarde ervan in
mindering komt van zijn legitieme portie.
Artikel 74
1. De contante
waarde van een aan een legitimaris gemaakt legaat van een in termijnen
te betalen geldsom komt ook bij verwerping in mindering van zijn
legitieme portie, indien in de uiterste wil is vermeld dat zonder deze
beschikking de voortzetting van een beroep of bedrijf van de erflater
in ernstige mate zou worden bemoeilijkt. Met een beroep of bedrijf van
de erflater wordt gelijkgesteld een onderneming, gedreven door een
naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze
alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield.
2. Is de vermelde
grond onjuist, dan kan de legitimaris binnen drie maanden na het
overlijden van de erflater verklaren dat hij betaling van de contante
waarde ineens verlangt. Degene die de juistheid van de grond staande
houdt, moet haar bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch laat deze
een snellere afbetaling toe, dan kan de rechter de verbintenis uit het
legaat in die zin wijzigen.
3. Indien de
legitimaris zulks binnen drie maanden na het overlijden van de erflater
verzoekt, kan de kantonrechter de met het legaat belaste personen
bevelen zekerheid te stellen; de kantonrechter stelt het bedrag en de
aard van de zekerheid vast. Wordt daaraan niet voldaan binnen de door de
kantonrechter daarvoor gestelde termijn, dan komt het legaat niet in
mindering van zijn legitieme portie indien de legitimaris het alsnog
verwerpt.
Artikel 75
1. De waarde van
hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan
verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering van zijn legitieme
portie, indien het bewind is ingesteld op de in de uiterste wil
vermelde grond:
a. dat de legitimaris ongeschikt of onmachtig is
in het beheer te voorzien, of
b. dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk
diens schuldeisers zouden ten goede komen.
2. De legitimaris
die de nalatenschap of het legaat heeft aanvaard is gedurende drie
maanden na het overlijden van de erflater bevoegd de juistheid van de
opgegeven grond te betwisten; alsdan moet degene die haar staande houdt
haar bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch rechtvaardigt dit de
door de erflater vastgestelde regels van het bewind niet, dan kan de
rechter die regels wijzigen of zelfs ten dele opheffen.
3. Is vermelde grond
onjuist, dan kan de legitimaris binnen een maand nadat de uitspraak
waarbij de onjuistheid is vastgesteld, in kracht van gewijsde is gegaan,
schriftelijk aan de bewindvoerder verklaren dat hij zijn legitieme in
geld wenst te ontvangen. De bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind
gestelde met overeenkomstige toepassing van artikel 147 voor zover nodig
te gelde; het restant van de goederen keert hij uit aan degenen aan wie
deze zouden zijn toegekomen indien de legitimaris de nalatenschap of het
legaat had verworpen.
4. Staan goederen
onder bewind waarvan de waarde krachtens artikel 70 in mindering van de
legitieme komt en vermeldt de akte waarbij het bewind is ingesteld een
grond als bedoeld in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3 van overeenkomstige
toepassing. Vermeldt de akte niet een grond als bedoeld in lid 1, dan
kan de legitimaris aanspraak maken op ontvangst van zijn legitieme in
geld op de wijze als voorzien in lid 3, met dien verstande dat de aldaar
bedoelde verklaring binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater moet worden afgelegd.
5. Bij de
vaststelling van de op de legitieme portie toe te rekenen waarde wordt
met het bewind slechts rekening gehouden, indien de vermelde grond
onjuist is verklaard doch de legitimaris geen gebruik maakt van de hem
in lid 3, eerste zin, verleende bevoegdheid.
Artikel 76
Bij de vaststelling van de waarde van hetgeen
overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 75 op de legitieme portie in
mindering komt, wordt geen rekening gehouden met het vruchtgebruik dat
daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten.
Artikel 77
De in de artikelen 72, 73 lid 1, laatste zinsnede,
en lid 2, 74 leden 2 en 3 en 75 leden 2 en 4 bedoelde termijnen kunnen
door de kantonrechter een of meermalen op grond van bijzondere
omstandigheden worden verlengd, zelfs nadat de termijn reeds was
verlopen.
Artikel 78
1. Een legitimaris
die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer
der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een
afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn
legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe
strekkende inlichtingen.
2. Op zijn verzoek
kan de kantonrechter een of meer der erfgenamen en met het beheer der
nalatenschap belaste executeurs doen oproepen ten einde de
deugdelijkheid van de boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de
verzoeker onder ede te bevestigen.
Paragraaf 3. Het geldend maken van de legitieme
portie
Artikel 79
Terzake van zijn legitieme portie kan de
legitimaris een vordering verkrijgen:
a. op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de
echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken
overeenkomstig artikel 80 lid 1, dan wel
b. op een begiftigde, door inkorting als
bedoeld in artikel 89.
Artikel 80
1. Een legitimaris
die daarop aanspraak maakt, heeft terzake van hetgeen hem met
inachtneming van de artikelen 70 tot en met 76 als legitieme portie
toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel,
wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, op de
als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater.
2. De erfgenamen en,
na verdeling overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot zijn niet
verplicht de vorderingen te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde
der nalatenschap te boven gaan; voor zover nodig ondergaan de
vorderingen elk een evenredige vermindering. Onder de waarde van de
nalatenschap wordt hier verstaan de waarde van de goederen van de
nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a, b, c en f
vermelde schulden.
Artikel 81
1. De vordering is
niet opeisbaar voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden
van de erflater.
2. Voor zover nodig
in afwijking van lid 1 is de vordering, indien de nalatenschap is
verdeeld overeenkomstig artikel 13, opeisbaar indien:
a. de echtgenoot in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard;
b. de echtgenoot is overleden.
Voorzover de vordering ten laste komt van een
legaat aan een ander dan de echtgenoot, leidt de eerste zin niet tot een
later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit lid 1.
3. Zolang goederen
der nalatenschap kunnen worden belast met een vruchtgebruik krachtens
artikel 29 of artikel 30, is de vordering niet opeisbaar. Bij de
toepassing van de eerste zin blijft artikel 31 lid 4, eerste zin, buiten
beschouwing.
4. Zolang een
vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, is de
vordering niet opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is
verbonden. In geval van faillissement van de echtgenoot of het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen wordt de vordering opeisbaar, voor zover de
echtgenoot daarvoor is verbonden.
5. Voor zover voor
de vordering anderen dan de echtgenoot zijn verbonden, kan, zolang een
vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, van elk van
die anderen slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist dat
overeenkomt met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met
vruchtgebruik belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt van de
goederen van de nalatenschap.
6. Is de vordering,
bedoeld in artikel 80 lid 1, opeisbaar geworden doordat ten aanzien van
de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan
is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356
lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1
van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen
toepassing.
Artikel 82
Een erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking
ten behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot de
voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover
deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na diens
overlijden. Een voorwaarde als bedoeld in de vorige zin kan op
overeenkomstige wijze worden verbonden aan een making ten behoeve van
een andere levensgezel, indien deze met de erflater een
gemeenschappelijke huishouding voert en een notarieel verleden
samenlevingsovereenkomst is aangegaan.
Artikel 83
Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de
opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris, voorzover deze ten
laste zou komen van de echtgenoot of de in artikel 82, tweede zin,
bedoelde andere levensgezel, ook doen afhangen van andere omstandigheden
dan die welke genoemd zijn in de artikelen 81 lid 2 en 82.
Artikel 84
De vorderingen worden verhoogd met een percentage
dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit
percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop
aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij welke berekening
telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen.
Artikel 85
1. De mogelijkheid
om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de
legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde
redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de
erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te
ontvangen.
2. Indien negen
maanden na het overlijden van de erflater niet vaststaat in hoeverre
diens echtgenoot aanspraak zal maken op vestiging van een vruchtgebruik
krachtens artikel 30, vervalt het deel van de vordering dat ten laste
van de echtgenoot zou komen, tenzij de legitimaris binnen die termijn
aan de echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te
ontvangen. Artikel 77 is op deze termijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 86
Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3
van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid
1 van artikel 81 en de leden 1 en 2 van artikel 85 vanaf de dag waarop
de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel
427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 87
1. De voldoening
van de schulden aan de legitimarissen komt als eerste ten laste van
het gedeelte der nalatenschap waarover de erflater niet door
erfstellingen of legaten heeft beschikt. Erft een afstammeling van een
onterfde legitimaris bij plaatsvervulling, dan wordt voor de vordering
van die legitimaris als eerste het aan de afstammeling toekomende
gedeelte van de nalatenschap ingekort, tenzij uit de uiterste wil iets
anders voortvloeit.
2. Indien inkorting
overeenkomstig lid 1 onvoldoende is, worden de makingen ingekort. Tenzij
uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, komen alle erfstellingen en
legaten gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in
aanmerking, met dien verstande dat voor zover een making is te
beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de
erflater, zij pas na de andere makingen voor inkorting in aanmerking
komt.
3. Het gedeelte van
de nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie
niet te boven gaat, kan in afwijking van de leden 1 en 2 pas als laatste
worden ingekort. De inkorting van dat gedeelte geschiedt alsdan, met
vermindering van de vordering waarvoor wordt ingekort, zodanig dat beide
legitimarissen een zelfde evenredig deel van hun legitieme porties
verkrijgen.
4. Inkorting van een
legaat geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het
legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot van de erflater. Artikel 120
lid 4, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
5. Voor zover de
schuld aan een legitimaris ten laste komt van het erfdeel van de
echtgenoot of andere levensgezel van de erflater en haar voldoening
eerst kan worden verlangd op een met toepassing van artikel 81 lid 2, 82
of 83 vast te stellen tijdstip, is de echtgenoot of andere levensgezel
daarvoor met zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij de
nalatenschap beneficiair had aanvaard.
6. Voor zover de
schuld aan een legitimaris ten laste komt van een aan de echtgenoot of
andere levensgezel gemaakt legaat waaraan een voorwaarde als bedoeld in
artikel 82 of 83 is verbonden, komt zij, onder de bedoelde voorwaarde,
door voldoening van het legaat en een verklaring overeenkomstig lid 4 op
de echtgenoot of andere levensgezel te rusten.
7. Voor de
toepassing van dit artikel wordt een last die strekt tot een uitgave van
geld of een goed uit de nalatenschap, gelijkgesteld met een legaat.
Artikel 88
Voor zover de vordering van de legitimaris
ingevolge artikel 81 lid 2 of een voorwaarde als bedoeld in artikel 82
niet opeisbaar is, is de echtgenoot of de andere levensgezel, bedoeld in
artikel 82, op verzoek van de legitimaris verplicht tot voldoening voor
hem van de belasting, geheven ter zake van de verkrijging van zijn
vordering. De vordering van de legitimaris wordt verminderd met het
ingevolge de eerste zin voor de legitimaris voldane bedrag.
Artikel 89
1. Is hetgeen een
legitimaris op grond van zijn in artikel 80 lid 1 bedoelde vordering
kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn legitieme portie te
verschaffen, dan kan hij de daarvoor vatbare giften inkorten, voor
zover zij aan zijn legitieme portie afbreuk doen. Bij de bepaling van
de vordering, bedoeld in de eerste zin, wordt rekening gehouden met
een eventuele vermindering ingevolge de artikelen 80 lid 2 en 87 lid
3. Buiten beschouwing blijven de verhoging, bedoeld in artikel 84,
alsmede het deel van de vordering dat ingevolge artikel 85 lid 2 is
vervallen.
2. Voor inkorting
vatbaar zijn de in artikel 67 bedoelde giften.
3. Een gift komt
voor inkorting slechts in aanmerking, voor zover de legitimaris zijn
legitieme portie niet door inkorting van jongere giften kan verkrijgen.
Giften van een voordeel bestemd om pas na het overlijden van de erflater
ten volle te worden genoten, worden hierbij beschouwd als giften op het
tijdstip van zijn overlijden.
Artikel 90
1. Inkorting van
een gift geschiedt door een verklaring aan de begiftigde. Deze is
verplicht de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan de
legitimaris te vergoeden, voor zover dit niet, alle omstandigheden in
aanmerking genomen, onredelijk is.
2. Een gift kan niet
worden ingekort voor zover zij in mindering van de legitieme portie van
een mede-legitimaris komt.
3. De bevoegdheid
van een legitimaris tot inkorting van een gift vervalt na verloop van
een hem daarvoor door de begiftigde gestelde redelijke termijn, en
uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater.
Artikel 91
1. Indien de
erflater makingen of giften heeft gedaan aan een stiefkind, wordt in
afwijking van de artikelen 80 tot en met 89 op die makingen en giften
niet ingekort, behoudens voorzover de waarde daarvan hoger is dan twee
maal hetgeen de legitieme portie van een kind van de erflater had
belopen, indien de door de erflater aldus bevoordeelde stiefkinderen
diens eigen kinderen waren geweest. De in de eerste zin bedoelde
waarde wordt vermeerderd met de waarde van hetgeen alsdan
overeenkomstig artikel 70 lid 3 met een gift gelijkgesteld zou worden.
2. Voorzover voor de
in artikel 80 bedoelde vordering van de legitimaris in verband met lid 1
niet overeenkomstig artikel 87 kan worden ingekort, wordt deze
verminderd.
3. De erflater kan
bij een gift aan een stiefkind of bij uiterste wilsbeschikking bepalen
dat lid 1 geheel of ten dele buiten toepassing blijft.
Artikel 92
1. Na het
overlijden van de legitimaris komen zijn bevoegdheden toe aan hen die
tot zijn nalatenschap gerechtigd zijn.
2. In het geval van
faillissement van de legitimaris of het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
kunnen zijn bevoegdheden worden uitgeoefend door de curator in het
faillissement onderscheidenlijk de bewindvoerder in de
schuldsaneringsregeling.
3. De bevoegdheden
van een legitimaris kunnen slechts tezamen met zijn erfdeel worden
overgedragen.
Afdeling 4. Vorm van uiterste willen
Artikel 93
Een uiterste wil die bij dezelfde akte door twee
of meer personen is gemaakt, is nietig.
Artikel 94
Behoudens hetgeen in de artikelen 97-107 is
bepaald, kan een uiterste wil alleen worden gemaakt bij een notariële
akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.
Artikel 95
1. Een onderhandse
uiterste wil kan niet geldig worden gemaakt door hem die door onkunde
of door andere oorzaken niet in staat is geweest de uiterste wil te
lezen.
2. Een bij
onderhandse akte gemaakte uiterste wil moet door de erflater zijn
ondertekend. Is de uiterste wil door een ander dan de erflater of met
mechanische middelen geschreven, en bestaat de wil uit meer dan één
bladzijde, dan moet iedere bladzijde zijn genummerd en door de
handtekening van de erflater zijn gewaarmerkt.
3. Een onderhandse
uiterste wil wordt door de erflater aan een notaris ter hand gesteld. De
erflater moet daarbij verklaren dat het aangeboden stuk zijn uiterste
wil bevat en dat aan de vereisten van het vorige lid is voldaan. Indien
het stuk gesloten wordt aangeboden, kan de erflater bij de aanbieding
tevens verklaren dat het stuk slechts mag worden geopend, indien
bepaalde door hem genoemde voorwaarden op de dag van zijn overlijden
zijn vervuld.
4. Van de
bewaargeving en de verklaringen van de erflater maakt de notaris een
akte op die door de erflater en de notaris wordt ondertekend.
5. Wanneer de
erflater verklaart dat hij door een met name door hem genoemde, na de
ondertekening van de uiterste wil opgekomen oorzaak verhinderd wordt de
akte van bewaargeving te ondertekenen, vervangt die verklaring zijn
ondertekening van de akte van bewaargeving, mits zij daarin wordt
opgenomen.
6. De onderhandse
uiterste wil blijft berusten onder de minuten van de notaris die deze
akte heeft ontvangen.
Artikel 96
Op degene die de geldigheid van een in bewaring
gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet
eigenhandig heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden waaruit de
wil bestaat niet eigenhandig heeft gewaarmerkt, rust de bewijslast
daarvan.
Artikel 97
Bij een onderhands, door de erflater geheel met de
hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen zonder verdere
formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot:
a. het maken van legaten van:
1°. kleren, lijfstoebehoren en bepaalde
lijfsieraden;
2°. bepaalde tot de inboedel behorende
zaken en bepaalde boeken;
b. bepaling dat goederen, bedoeld onder a,
buiten een huwelijksgemeenschap vallen;
c. aanwijzing van een persoon als bedoeld in
artikel 25, tweede en vierde lid, van de Auteurswet en artikel 5,
tweede lid, van de Wet op de naburige rechten.
Artikel 98
1. In geval van
oorlog of burgeroorlog kunnen militairen en andere tot de krijgsmacht
behorende personen een uiterste wil maken ten overstaan van een
officier van de krijgsmacht.
2. Ook buiten het
geval van oorlog of burgeroorlog kan op deze wijze een uiterste wil
worden gemaakt door militairen en andere personen, die behoren tot een
gedeelte van de krijgsmacht dat is aangewezen:
a. ter deelneming aan een militaire expeditie;
b. ter bestrijding van een vijandelijke macht;
c. ter handhaving van de onzijdigheid van de
Staat;
d. tot enig optreden hetzij tot collectieve of
individuele zelfverdediging, hetzij tot handhaving of herstel van de
internationale orde en veiligheid; of
e. ter voldoening aan een vordering van het
bevoegde gezag in geval van oproerige beweging.
3. In
krijgsgevangenschap kan in plaats van een officier ook een onderofficier
optreden.
4. Officieren en
onderofficieren mogen hun medewerking slechts verlenen, indien de
erflater zich niet tot een bevoegde notaris of consulaire ambtenaar kan
wenden. Niet-inachtneming van dit voorschrift schaadt de geldigheid van
de uiterste wil niet.
Artikel 99 [Vervallen per 01-05-2004]
Artikel 100
1. De
in artikel 98 lid 1 vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat de
Koning heeft vastgesteld dat voor de toepassing van die bepaling de
oorlog of de burgeroorlog als geëindigd moet worden beschouwd.
2. De in artikel 98
lid 2 vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat op de bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen wijze is bekendgemaakt dat de
aanwijzing is geëindigd.
Artikel 101
Zij die zich op een reis aan boord van een
zeeschip of luchtvaartuig bevinden, kunnen een uiterste wil maken ten
overstaan van de gezagvoerder of de eerste officier, of bij gebreke van
deze personen ten overstaan van hem die hun plaats vervult.
Artikel 102
Op plaatsen waar voor de erflater het normale
verkeer met een notaris of bevoegde consulaire ambtenaar verboden of
verbroken is als gevolg van rampen, gevechtshandelingen, besmettelijke
ziekten of andere buitengewone omstandigheden, kan hij een uiterste wil
maken ten overstaan van een Nederlandse consulaire ambtenaar, ook indien
deze niet krachtens de gewone regelen bevoegd is, of de burgemeester, de
secretaris of een wethouder der gemeente, een kandidaat-notaris, een
advocaat, een officier van de krijgsmacht of van een gemeentelijke of
regionale brandweer, of een daartoe door de minister van justitie
bevoegd verklaarde ambtenaar.
Artikel 103
1. De uiterste
willen, bedoeld in de artikelen 98, 101 en 102, worden verleden in
tegenwoordigheid van twee getuigen. Zij worden op behoorlijke wijze op
schrift gesteld en door de erflater, alsmede door de getuigen en
degene te wiens overstaan zij zijn verleden, ondertekend.
2. De getuigen
moeten meerderjarig zijn en de taal verstaan, waarin de uiterste wil is
opgesteld. In de gevallen van de artikelen 98 en 102 geldt het vereiste
van meerderjarigheid niet voor getuigen die militairen zijn of deelnemen
aan het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in
artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen.
3. Indien de
erflater of een van de getuigen verklaart door onkunde of een andere met
name door hem genoemde oorzaak niet te kunnen ondertekenen, vervangt die
verklaring zijn ondertekening, mits zij in de akte wordt opgenomen.
Artikel 104
1. De erflater is
in de gevallen van de artikelen 98, 101 en 102 ook bevoegd een door
hem ondertekende onderhandse uiterste wil te maken, die hij in
tegenwoordigheid van twee getuigen in bewaring geeft aan een persoon
te wiens overstaan hij ingevolge die artikelen een uiterste wil kan
doen verlijden. Deze persoon maakt daarvan onmiddellijk een akte van
bewaargeving op, hetzij op het papier van de uiterste wil, hetzij op
de omslag daarvan, hetzij op een afzonderlijk papier; het vorige
artikel is op die akte van overeenkomstige toepassing.
2. De artikelen 98
lid 4 en 100 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Op degene die de
geldigheid van de in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond
dat de erflater de wil niet eigenhandig heeft ondertekend, rust de
bewijslast daarvan.
Artikel 105
Indien in een geval, bedoeld in het vorige
artikel, de onderhandse uiterste wil is gedagtekend en de erflater
overlijdt zonder dat de uiterste wil overeenkomstig de wet in bewaring
is gegeven, is de uiterste wil niettemin geldig, tenzij de erflater
redelijkerwijze alsnog een uiterste wil overeenkomstig de voorgaande
artikelen van deze afdeling had kunnen maken.
Artikel 106
1. Hij die een
akte van uiterste wil, van bewaargeving of van terugneming, als
bedoeld in de artikelen 98, 100 tot en met 105 en 113, onder zich
heeft, zendt de akte zo spoedig mogelijk in gesloten omslag naar het
testamentenregister te 's-Gravenhage.
2. Het vorige lid
geldt niet voor akten, opgemaakt door of ten overstaan van een volgens
de gewone regelen bevoegde notaris of consulaire ambtenaar, en voor de
door dezen in bewaring genomen akten van uiterste wil.
Artikel 107
1. De uiterste
willen, bedoeld in de artikelen 98 en 100 tot en met 104, zijn
vernietigbaar, indien de erflater overlijdt meer dan zes maanden nadat
voor hem de mogelijkheid is geëindigd, een uiterste wil te maken op
een van de in die artikelen genoemde wijzen.
2. De termijn wordt
telkens met een maand verlengd, indien de erflater redelijkerwijze niet
in staat is geweest in de laatstverstreken maand een uiterste wil te
maken.
Artikel 108
Een uiterste wil die op een in een der artikelen
98, 101, 102 en 104 vermelde wijze, doch niet onder de daar aangegeven
omstandigheden is gemaakt, is, indien de erflater binnen zes maanden
daarna overlijdt, niet van rechtswege nietig, doch vernietigbaar.
Artikel 109
1. Een uiterste
wil is nietig, indien aan de akte van uiterste wil of aan de akte van
bewaargeving, zo deze voorgeschreven is, de vereiste ondertekening
door de erflater ontbreekt.
2. Een uiterste wil
die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt is nietig, indien
de akte van uiterste wil niet door een notaris is ondertekend. Een
uiterste wil, die aan een notaris in bewaring moet worden gegeven, is
nietig, indien een door een notaris ondertekende akte van bewaargeving
ontbreekt. Is echter, in dit laatste geval, de akte van uiterste wil
door een notaris ondertekend, dan is de uiterste wil vernietigbaar.
3. Het vorige lid is
van overeenkomstige toepassing op een uiterste wil die ten overstaan van
een in de artikelen 98, 101 en 102 genoemde persoon moet worden gemaakt
of aan een aldaar genoemde persoon in bewaring moet worden gegeven.
4. Het niet
inachtnemen van andere door de wet voor de geldigheid van de uiterste
wil gestelde vormvereisten maakt de uiterste wil vernietigbaar.
Artikel 110
Het bepaalde in artikel 54 is van overeenkomstige
toepassing op de bevoegdheid tot vernietiging van een uiterste wil.
Afdeling 5. Herroeping van uiterste
wilsbeschikkingen
Artikel 111
Voor het herroepen van een uiterste
wilsbeschikking gelden dezelfde vormvoorschriften als voor het maken van
die beschikking.
Artikel 112
Een latere uiterste wilsbeschikking die een
vroegere niet uitdrukkelijk herroept, doet deze vervallen voor zover zij
door de latere beschikking onuitvoerbaar is geworden of vervangen is.
Artikel 113
Een erflater kan te allen tijde zijn onderhandse,
in bewaring gegeven uiterste wil terugvorderen, mits hij ter
verantwoording van de notaris of andere persoon die de akte krachtens
wettelijk voorschrift onder zich heeft, van de teruggave doet blijken
bij een ten overstaan van die notaris of, met overeenkomstige toepassing
van artikel 103, ten overstaan van die persoon verleden akte. Door de
teruggave wordt de onderhandse uiterste wil herroepen.
Artikel 114
Een uiterste wilsbeschikking die geldig bij een
onderhands en niet in bewaring gegeven stuk getroffen is, wordt
herroepen wanneer de erflater dit stuk vernietigt. Is het stuk
vernietigd, dan wordt dit vermoed door de erflater te zijn geschied.
Titel 5. Onderscheiden soorten van uiterste
wilsbeschikkingen
Afdeling 1. Erfstellingen
Artikel 115
Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking,
krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen
zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat.
Artikel 116
Bij uiterste wilsbeschikking ingestelde erfgenamen
hebben gelijke rechten en verplichtingen als erfgenamen bij versterf.
Afdeling 2. Legaten
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 117
1. Een legaat is
een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer
personen een vorderingsrecht toekent.
2. Een legaat komt,
tenzij het aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen is
opgelegd, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen.
3. Is de prestatie
deelbaar, dan zijn de belaste erfgenamen ieder voor een deel, evenredig
aan zijn erfdeel, verbonden, tenzij de erflater anders heeft beschikt.
Artikel 118
1. Is een bepaalde
persoon die als erfgenaam met een legaat is belast, niet erfgenaam
geworden of is zijn erfrecht vervallen, en voorziet de uiterste wil
hierin niet, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar
aard iets anders voortvloeit, op degenen aan wie zijn erfdeel toevalt;
zij kunnen echter volstaan met uitkering aan de legataris van hetgeen
zij in de plaats van de belaste persoon uit de nalatenschap genieten
of van de waarde daarvan.
2. Is een met een
sublegaat belaste persoon niet legataris geworden of is zijn recht uit
het hem gemaakte legaat vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin
niet, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard iets
anders voortvloeit, op degenen die met het hem gemaakte legaat waren
belast; zij kunnen echter volstaan met voldoening aan de sublegataris
van het aan de belaste persoon gelegateerde of van de waarde daarvan.
Artikel 119
Degenen op wie een legaat rust, alsmede de
executeur, dragen zorg dat de legataris zo spoedig mogelijk van het
legaat wordt kennis gegeven. Is het adres van een legataris hun onbekend
gebleven, dan delen zij dit mede aan de kantonrechter, die hun het doen
van nasporingen of een bepaalde wijze van oproeping kan gelasten.
Artikel 120
1. Schulden van de
nalatenschap uit een legaat worden slechts ten laste van de
nalatenschap voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap
daaruit ten volle kunnen worden voldaan.
2. Voor zover de
nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen
uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij
verminderd.
3. Tenzij uit de
uiterste wil een andere wijze van vermindering voortvloeit, ondergaan
deze verplichtingen alle een evenredige vermindering, met dien verstande
dat, voor zover de prestatie is te beschouwen als voldoening aan een
natuurlijke verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de
andere voor vermindering in aanmerking komt.
4. Vermindering
geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat
belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig
artikel 13, de echtgenoot van de erflater. Voor zover de prestatie reeds
is verricht, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand, behoudens de
mogelijkheid van terugvordering en verhaal als bedoeld in de artikelen
216 en 220 lid 3.
5. Ondanks de
vermindering blijven de erfgenamen die met hun gehele vermogen
aansprakelijk zijn, gehouden tot voldoening voor het geheel.
Artikel 121
1. Een legataris
is bevoegd de hem opgelegde sublegaten en tot een uitgave in geld of
goed verplichtende lasten te verminderen, voor zover de waarde van het
hem gelegateerde ontoereikend is of door inkorting of vermindering
ontoereikend wordt om aan de hem opgelegde verplichtingen te voldoen.
2. Tenzij uit de
uiterste wil een andere wijze van vermindering voortvloeit, ondergaan
deze verplichtingen alle een evenredige vermindering, met dien verstande
dat voor zover de prestatie is te beschouwen als voldoening aan een
natuurlijke verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de
andere voor vermindering in aanmerking komt.
Artikel 122
1. Een legataris
wiens legaat wordt ingekort of verminderd, is bevoegd volledige
voldoening van het legaat te verlangen, mits hij het bedrag van de
inkorting of vermindering in geld oplegt.
2. Maakt de
legataris geen gebruik van deze bevoegdheid, dan kan de wederpartij
ermede volstaan hem de waarde van het ingekorte of verminderde legaat
uit te keren.
Artikel 123
1. De rechter kan
op verzoek van de legataris of van hem die met het legaat belast is,
de verbintenissen uit een legaat wijzigen of geheel of gedeeltelijk
opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden
omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de andere partij naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding
van die verbintenissen niet mag verwachten.
2. Bij een wijziging
of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de
erflater in acht.
3. De artikelen 258
leden 1, tweede zin, 2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1 en 2 van Boek 6
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 124
Tenzij de erflater anders heeft beschikt, heeft
een legataris aan wie een bepaald goed der nalatenschap of het
vruchtgebruik van een zodanig goed, van de gehele nalatenschap of van
een aandeel daarin is vermaakt, recht op uitkering van de vruchten van
het hem vermaakte die de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering
opeisbaar is geworden. De rechtsvordering tot uitkering van deze
vruchten verjaart door verloop van drie jaren nadat zij zijn geïnd.
Artikel 125
1. Een legaat van
een geldsom wordt zes maanden na het overlijden van de erflater
opeisbaar, tenzij hij anders heeft beschikt.
2. Nochtans kan een
erfgenaam aan wie een goed der nalatenschap is gelegateerd tegen
vergoeding van de waarde of een gedeelte daarvan, de betaling van die
vergoeding opschorten tot de verdeling van de nalatenschap, tenzij de
erflater anders heeft beschikt.
3. Degene op wie de
schuld uit een legaat van een geldsom rust, komt niet in verzuim door
het enkele verstrijken van een voor de voldoening bepaalde termijn.
4. Op legaten van
een geldsom is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Giften en andere handelingen die
worden aangemerkt als legaten
Artikel 126
1. Een schenking
of andere gift wordt, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas
na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd, en zij
niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever is uitgevoerd,
voor de toepassing van hetgeen in dit Boek is bepaald betreffende
inkorting en vermindering aangemerkt als een legaat ten laste van de
gezamenlijke erfgenamen. In afwijking van de artikelen 87 lid 2 en 120
lid 3 komt de schenking of andere gift, indien daarbij niet anders is
bepaald, als laatste voor inkorting en vermindering in aanmerking. Kan
de schenking of andere gift tot aan het overlijden van de schenker of
gever worden herroepen, dan mist de tweede zin toepassing.
2. Lid 1 is van
overeenkomstige toepassing op:
a. een beding dat een goed van een der partijen
onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling
zonder redelijke tegenprestatie op een ander overgaat of kan overgaan,
voor zover het beding wordt toegepast in geval van overlijden van
degene aan wie het goed toebehoort; wederkerigheid van het beding
geldt niet als tegenprestatie;
b. een begunstiging bij een sommenverzekering,
voor zover de uitkering die door het overlijden van de
verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt;
c. een omzetting van een natuurlijke verbintenis
in een rechtens afdwingbare, voor zover deze de strekking heeft dat de
verbintenis pas na het overlijden van de schuldenaar zal worden
nagekomen, en deze verbintenis niet reeds tijdens diens leven is
nagekomen.
3. De artikelen 66
en 68 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 127
Betreft de inkorting of de vermindering een
begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij
een beding ten behoeve van een derde, dan heeft zij tot gevolg dat de
begunstigde verplicht is tot vergoeding van de waarde van het ingekorte
of in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen, voor
zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk
is. Indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is de
in de eerste zin bedoelde vergoeding verschuldigd aan de echtgenoot van
de erflater. Een begunstiging als bedoeld in de eerste zin kan slechts
worden ingekort of verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de
prestatie heeft ontvangen.
Artikel 128
Hetgeen met betrekking tot legatarissen is bepaald
in de artikelen 29 lid 3 en 30 lid 3 is van overeenkomstige toepassing
op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als bedoeld in
artikel 126. Met gelegateerde goederen als bedoeld in artikel 30 lid 5
worden gelijkgesteld goederen die zijn verkregen krachtens een handeling
als bedoeld in artikel 126. Hetgeen met betrekking tot legatarissen is
bepaald in de artikelen 216 en 220 lid 3 is van overeenkomstige
toepassing op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als
bedoeld in artikel 126 leden 1 en 2, onder c, alsmede, voor zover dit
niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is, door een
handeling als bedoeld in artikel 126 lid 2, onder b.
Artikel 129
Bij uiterste wilsbeschikking kan een voorwaarde
als bedoeld in artikel 82 worden verbonden aan een handeling als bedoeld
in artikel 126.
Afdeling 3. Testamentaire lasten
Artikel 130
1. Een
testamentaire last is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater
aan de gezamenlijke erfgenamen of aan een of meer bepaalde erfgenamen
of legatarissen een verplichting oplegt, die niet bestaat in de
uitvoering van een legaat.
2. Een testamentaire
last kan ook worden opgelegd aan een executeur. De hem opgelegde
verplichting rust mede op de gezamenlijke erfgenamen, tenzij uit haar
aard of uit de uiterste wil iets anders voortvloeit.
3. Artikel 120 is
van overeenkomstige toepassing op een last die strekt tot een uitgave
van geld of van een goed uit de nalatenschap; deze wordt tegelijk met
een legaat en in gelijke mate verminderd.
Artikel 131
1. Een erfgenaam
of legataris op wie een testamentaire last rust, verkrijgt zijn recht
onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de
last wordt vervallen verklaard door de rechter.
2. De
vervallenverklaring kan door de rechter worden uitgesproken op verzoek
van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende.
3. Een erfgenaam die
met zijn gehele vermogen jegens schuldeisers van de erflater en
legatarissen aansprakelijk was, blijft jegens hen na de
vervallenverklaring van zijn recht tot voldoening gehouden, onverminderd
zijn recht van verhaal op degenen aan wie het door hem geërfde opkomt.
Artikel 132
Is een last aan een bepaalde persoon als erfgenaam
of legataris opgelegd en is hij niet erfgenaam of legataris geworden of
is zijn recht vervallen, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij
uit haar aard of uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, op degenen
aan wie zijn erfdeel toevalt of die met het hem gemaakte legaat waren
belast.
Artikel 133
1. Is de
vervulling van een aan een testamentaire last toegevoegde opschortende
voorwaarde belet door degene op wie de last rust, dan geldt de
voorwaarde als vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit
verlangen.
2. Is de vervulling
van een aan een testamentaire last toegevoegde ontbindende voorwaarde
teweeggebracht door degene op wie de last rust, dan geldt de voorwaarde
als niet vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
3. Artikel 140 lid 1
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 134
1. De rechter kan
op verzoek van degene op wie de last rust of van het openbaar
ministerie de last wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen:
a. op grond van na het overlijden van de
erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn dat de
ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij
betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd
zou zijn;
b. op grond dat de last door inkorting of
vermindering van de last, of van de making waaraan hij is verbonden,
bezwaarlijk of onmogelijk uitvoerbaar is geworden;
c. in geval de last ingevolge artikel 132 op een
ander is komen te rusten dan degenen aan wie hij bij de uiterste
wilsbeschikking is opgelegd.
2. Bij een wijziging
of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de
erflater in acht.
3. De artikelen 258
leden 1, tweede zin, 2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1 en 2 van Boek 6
zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Stichtingen
Artikel 135
1. Wanneer een
erflater iets heeft vermaakt aan een stichting die hij in een bij
notariële akte gemaakte uiterste wilsbeschikking heeft in het leven
geroepen, is de stichting erfgenaam of legataris, naar gelang het haar
vermaakte aan een erfstelling of aan een legaat beantwoordt.
2. Heeft hij bij een
in andere vorm gemaakte uiterste wil verklaard een stichting in het
leven te roepen, dan wordt deze beschikking aangemerkt als een aan de
gezamenlijke erfgenamen opgelegde last om die stichting op te richten.
3. Degene op wie een
last om een stichting op te richten rust, kan daartoe op vordering van
het openbaar ministerie worden veroordeeld door de rechtbank van het
sterfhuis of, indien de erflater zijn laatste woonplaats niet in
Nederland had, door de rechtbank te 's-Gravenhage. De rechter kan
bepalen dat het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige
vorm opgemaakte akte van hem die tot de rechtshandeling gehouden is, of
dat een door de rechter aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal
verrichten.
Afdeling 5. Makingen onder tijdsbepaling en onder
voorwaarde
Artikel 136
1. Bevat een
uiterste wil een erfstelling onder tijdsbepaling, dan wordt deze
beschikking aangemerkt als een dadelijk ingaande erfstelling van
degene die, bij uitvoering van de uiterste wil zoals deze luidt, het
laatst tot het erfdeel zou zijn geroepen, belast met een legaat van
vruchtgebruik van het erfdeel voor de gestelde tijd ten behoeve van
degene die het eerst tot het erfdeel zou zijn geroepen.
2. In geval van een
erfstelling onder een ontbindende tijdsbepaling zonder een daarbij
aansluitende erfstelling onder opschortende tijdsbepaling komt de
eerstgeroepene vruchtgebruik met bevoegdheid tot vervreemding en
vertering toe, voor zover de erflater deze bevoegdheid niet heeft
uitgesloten.
Artikel 137
Om aan een making onder opschortende voorwaarde
een recht te kunnen ontlenen, moet men nog bestaan op het ogenblik dat
de voorwaarde wordt vervuld, tenzij uit de uiterste wil of uit de aard
van de beschikking het tegendeel voortvloeit.
Artikel 138
1. Wanneer een
erfstelling onder een voorwaarde is gemaakt, wordt degene aan wie het
vermaakte tot de vervulling der voorwaarde toekomt, als de uitsluitend
rechthebbende aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen
derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen.
2. Voor het overige
vinden, zolang de vervulling der voorwaarden onzeker is, de wettelijke
voorschriften betreffende het vruchtgebruik, zoals geregeld in titel 8
van Boek 3, overeenkomstige toepassing. Dientengevolge is hij verplicht
het vermaakte gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te
houden, tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de
goederen te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden.
3. In geval van een
erfstelling onder een ontbindende voorwaarde zonder een daarbij
aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde is hij jegens
degene aan wie het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt,
bevoegd de goederen te vervreemden en te verteren op dezelfde voet als
een vruchtgebruiker aan wie deze bevoegdheid is gegeven, voor zover de
erflater niet anders heeft bepaald.
Artikel 139
1. Is de
vervulling van een aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde belet
door iemand aan wie het vermaakte toekomt zolang de voorwaarde niet is
vervuld, dan geldt zij als vervuld, indien de redelijkheid en
billijkheid dit verlangen.
2. Is de vervulling
van de voorwaarde teweeggebracht door iemand aan wie het vermaakte bij
vervulling van de voorwaarde toekomt, dan geldt zij als niet vervuld,
indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
Artikel 140
1. Is een aan een
erfstelling toegevoegde voorwaarde dertig jaren na het overlijden van
de erflater nog niet vervuld, dan vervalt de beschikking, wanneer het
een opschortende voorwaarde is; is het een ontbindende voorwaarde, dan
vervalt de voorwaarde. Hiermede strijdige beschikkingen van de
erflater zijn nietig.
2. Het vorige lid
vindt mede toepassing op een legaat van een bepaald goed der
nalatenschap of van een beperkt recht op een zodanig goed.
Artikel 141
Het voorgaande artikel vindt geen toepassing op
een making onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende
making onder opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte of het
onverteerde deel daarvan op het tijdstip van overlijden van de bezwaarde
of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan de verwachter, indien
deze het aangewezen tijdstip overleeft.
Afdeling 6. Executeurs
Artikel 142
1. Een erflater
kan bij uiterste wilsbeschikking een of meer executeurs benoemen. Hij
kan aan een executeur de bevoegdheid toekennen een of meer andere
executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen; hij
kan ook beschikken dat wanneer een benoemde executeur komt te
ontbreken, de kantonrechter bevoegd is op verzoek van een
belanghebbende een vervanger te benoemen.
2. Zijn er twee of
meer executeurs, dan kan, tenzij de erflater anders heeft beschikt,
ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten.
3. Bij verschil van
mening tussen de executeurs beslist op verzoek van een van hen de
kantonrechter. Deze kan een verdeling van de werkzaamheden of van het
hun toekomende loon vaststellen.
Artikel 143
1. Men wordt
executeur door aanvaarding van zijn benoeming na het overlijden van de
erflater. De kantonrechter kan op verzoek van een belanghebbende een
termijn stellen, na afloop waarvan de benoeming niet meer kan worden
aanvaard.
2. Handelingsonbekwamen,
zij van wie één of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel
19 van Boek 1 zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement
verkeren of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, kunnen niet executeur worden.
Artikel 144
1. Onverminderd de
testamentaire lasten die de erflater aan de executeur mocht hebben
opgelegd, heeft deze, voor zover de erflater niet anders heeft
beschikt, tot taak de goederen der nalatenschap te beheren en de
schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die
goederen behoren te worden voldaan.
2. Tenzij bij
uiterste wil anders is geregeld, komt de executeur, of als er meer dan
een executeur is, hun tezamen, een ten honderd van de waarde van het
vermogen van de erflater op diens sterfdag toe.
3. Artikel 159 leden
2 en 3 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 145
1. Is een
executeur benoemd, die tot taak heeft goederen der nalatenschap te
beheren, dan kunnen de erfgenamen, tenzij hij zijn benoeming niet
aanvaardt, niet zonder zijn medewerking of machtiging van de
kantonrechter over die goederen of hun aandeel daarin beschikken,
voordat zijn bevoegdheid tot beheer is geëindigd.
2. Gedurende zijn
beheer vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de
erfgenamen in en buiten rechte.
Artikel 146
1. De executeur
die met het beheer van de nalatenschap is belast, kan een
boedelnotaris aanwijzen; deze geeft van de aanvaarding van zijn
opdracht kennis aan de erfgenamen.
2. Hij moet met
bekwame spoed een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige
staat van de schulden der nalatenschap opmaken en de hem bekende
schuldeisers oproepen tot indiening van hun vorderingen bij de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij een der executeurs. De
aanmelding van een vordering stuit de verjaring.
Artikel 147
1. De executeur is
bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit
nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der
nalatenschap en de nakoming der hem opgelegde lasten.
2. Tenzij de
erflater anders heeft beschikt, treedt de executeur omtrent de keuze van
de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking zoveel
mogelijk in overleg met de erfgenamen en stelt hij, zo bij een erfgenaam
bezwaar bestaat tegen een voorgenomen tegeldemaking, die erfgenaam in de
gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen.
3. De erflater kan
bepalen dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed de
toestemming van de erfgenamen behoeft. Deze toestemming kan echter
vervangen worden door een machtiging van de kantonrechter.
4. Het in de vorige
leden ten aanzien van de erfgenamen bepaalde geldt mede ten aanzien van
hen aan wie het vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel
daarin is vermaakt.
Artikel 148
De executeur moet aan een erfgenaam alle door deze
gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak geven.
Artikel 149
1. De taak van een
executeur eindigt:
a. wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig
heeft voltooid;
b. door tijdverloop, indien hij voor een
bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood, het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door
de instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over
een of meer van zijn goederen;
d. wanneer de nalatenschap overeenkomstig de
derde afdeling van de zesde titel moet worden vereffend;
e. in de bij de uiterste wil bepaalde gevallen;
f. door ontslag dat de kantonrechter hem met
ingang van een bepaalde dag verleent.
2. Het ontslag wordt
hem verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen,
zulks op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar
ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de
kantonrechter voorlopige voorzieningen treffen en de executeur schorsen.
3. Een gewezen
executeur blijft verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de
afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die
na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft
aanvaard.
4. Eindigt de
hoedanigheid van executeur door diens faillissement of
ondercuratelestelling dan rust de in het vorige lid bedoelde
verplichting op de curator, indien deze van de executele kennis draagt;
eindigt de hoedanigheid van executeur door het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
of de onderbewindstelling van een of meer van zijn goederen, dan geldt
hetzelfde voor de in die gevallen optredende bewindvoerder. Eindigt de
hoedanigheid van executeur door diens dood, dan zijn de erfgenamen
verplicht, indien zij van de executele kennis dragen, het overlijden van
de executeur mede te delen aan de erfgenamen van degene die hem heeft
benoemd.
Artikel 150
1. Een executeur
die zijn taak, met het oog waarop hem het beheer was opgedragen, heeft
volgebracht, is bevoegd zijn beheer te beëindigen door de goederen
ter beschikking van de erfgenamen te stellen.
2. De erfgenamen
kunnen de bevoegdheid van een executeur tot beheer beëindigen:
a. na voldoening van de schulden der
nalatenschap en nakoming der lasten, waarvan de afwikkeling reeds tot
zijn taak behoort of nog binnen het jaar na het overlijden van de
erflater tot zijn taak zou kunnen gaan behoren;
b. wanneer een jaar en zes maanden is verlopen
sedert een of meer der executeurs de nalatenschap in beheer hebben
kunnen nemen. De kantonrechter kan deze termijn, ook na het
verstrijken daarvan, op verzoek van een executeur een of meer malen
verlengen.
3. Wanneer de
erfgenamen de nodige middelen voor de in lid 2 onder a bedoelde
afwikkeling ter beschikking van de executeur stellen, kunnen zij zijn
beheersbevoegdheid voor het overige beëindigen.
4. Zijn niet alle
erfgenamen bekend of niet allen bereid de goederen in ontvangst te
nemen, dan zijn de artikelen 225 en 226 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 151
Een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de
nalatenschap is geëindigd, is verplicht aan degene die na hem tot het
beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze
als voor bewindvoerders is bepaald.
Artikel 152
Voor de toepassing van de bepalingen van deze
afdeling wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van
vruchtgebruik heeft krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam
aangemerkt. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 150 leden 2 en 3, komen
mede aan die echtgenoot toe.
Afdeling 7. Testamentair bewind
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 153
1. Een erflater
kan bij uiterste wilsbeschikking bewind instellen over een of meer
door hem nagelaten of vermaakte goederen.
2. Tenzij de
erflater anders heeft bepaald, treedt het bewind in werking op het
tijdstip van zijn overlijden.
Artikel 154
Tenzij bij de instelling anders is bepaald, omvat
het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een
onder bewind staand goed te treden, benevens de vruchten en andere
voordelen die zulk een goed oplevert, zolang de vruchten niet zijn
uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft ingevolge artikel 162.
Artikel 155
1. Het bewind over
een erfdeel of een legaat wordt vermoed te zijn ingesteld in het
belang van de rechthebbende, tenzij een der volgende leden van
toepassing is.
2. Het bewind over
een vruchtgebruik wordt vermoed zowel in het belang van de
vruchtgebruiker als van de hoofdgerechtigde te zijn ingesteld. Hetzelfde
geldt voor het bewind over de rechten van gebruik en bewoning.
3. Het bewind over
een voorwaardelijke making wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang
van zowel degene die het goed bij vervulling der voorwaarde verkrijgt,
als van degene die het alsdan verliest.
4. Het bewind over
goederen of aandelen in goederen die gemeenschappelijk beheerd dienen te
worden, wordt vermoed te zijn ingesteld in een gemeenschappelijk belang.
Artikel 156
Is het bewind uitsluitend of mede ingesteld in het
belang van een ander dan de rechthebbende op de onder bewind gestelde
goederen, dan wordt die ander, zolang niet vaststaat wie hij is, voor de
toepassing van deze afdeling aangemerkt als iemand die niet in staat is
zijn wil te bepalen.
Paragraaf 2. De bewindvoerder
Artikel 157
1. Indien de
uiterste wil niet voorziet in de regeling der benoeming van een
bewindvoerder, wijst de kantonrechter een of meer bewindvoerders aan
op verzoek van de rechthebbende, een erfgenaam, legataris of andere
belanghebbende dan wel van de executeur. De kantonrechter vergewist
zich van de bereidheid van de door hem te benoemen personen.
2. Handelingsonbekwamen,
zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel
19 van Boek 1 zijn gesteld, zij die in staat van faillissement verkeren
of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard, alsmede de personen genoemd in artikel 59
kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd.
3. Rechtspersonen
met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd.
4. Zo nodig kan een
tijdelijke bewindvoerder worden benoemd.
5. De door de
rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de griffier hem van
zijn benoeming mededeling heeft gedaan, tenzij de beschikking een later
tijdstip vermeldt.
6. De niet door de
rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat hij de benoeming heeft
aanvaard.
Artikel 158
1. Zijn er twee of
meer bewindvoerders, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden die tot
het bewind behoren alleen verrichten, tenzij de uiterste wil of de
kantonrechter anders bepaalt.
2. Bij verschil van
mening tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de
kantonrechter, tenzij bij uiterste wil een andere regeling is getroffen.
3. De kantonrechter
kan desverzocht, indien daartoe een gewichtige reden bestaat, een
verdeling van de werkzaamheden vaststellen of wijzigen.
Artikel 159
1. Tenzij bij
uiterste wil anders is geregeld, komt de bewindvoerder, of als er meer
dan een bewindvoerder is, hun tezamen, per jaar een ten honderd van de
waarde aan het einde van dat jaar van het onder bewind staande
vermogen toe.
2. Zijn er twee of
meer bewindvoerders en bevat de uiterste wil geen regeling omtrent de
verdeling van hun beloning, dan ontvangt elk van hen een gelijke
beloning, tenzij de kantonrechter anders bepaalt of zij tezamen anders
overeenkomen.
3. Op grond van
onvoorziene omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve,
hetzij op verzoek van de bewindvoerder, van de rechthebbende of iemand
in wiens belang het bewind is ingesteld, voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de uiterste wil of de
wet is aangegeven.
Artikel 160
1. De
bewindvoerder moet zo spoedig mogelijk een beschrijving opmaken van de
goederen waarop het bewind betrekking heeft. Is hij door de rechter
benoemd, dan moet hij een afschrift van de beschrijving tegen
ontvangstbewijs inleveren ter griffie van de rechtbank van de
woonplaats van de rechthebbende. Tot het stellen van zekerheid is hij
slechts verplicht, indien dit bij de instelling van het bewind is
bepaald.
2. Tenzij bij de
instelling van het bewind anders is bepaald, moet de bewindvoerder het
bewind en zijn benoeming doen inschrijven:
a. in de openbare registers, bedoeld in afdeling
2 van titel 1 van Boek 3, indien het bewind betrekking heeft op
registergoederen;
b. in het register van aandeelhouders, bedoeld
in de artikelen 85 en 194 van Boek 2, indien het bewind betrekking
heeft op aandelen op naam in een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;
c. in het handelsregister indien het bewind
betrekking heeft op een onderneming of een aandeel in een
vennootschap.
Artikel 161
1. De
bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks
en aan het einde van zijn bewind rekening en verantwoording af aan de
rechthebbende en aan degenen in wier belang het bewind is ingesteld.
Aan het einde van zijn bewind legt hij rekening en verantwoording mede
af aan degene die hem in het beheer van de goederen opvolgt. Is de
bewindvoerder benoemd door de rechter, dan legt hij ten overstaan van
deze de rekening en verantwoording af.
2. Indien de
rechthebbende of een belanghebbende niet in staat is tot het opnemen van
de rekening, of het onzeker is wie de rechthebbende of belanghebbende
is, wordt de rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd,
tenzij de uiterste wil iets anders bepaalt. Goedkeuring van deze
rekening en verantwoording door de kantonrechter belet niet dat de
rechthebbende of belanghebbende na het einde van het bewind nogmaals
over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover
dit niet onredelijk is.
3. De kantonrechter
kan de bewindvoerder – hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve –
vrijstelling van de verplichting tot het afleggen van de periodieke
rekening en verantwoording te zijnen overstaan verlenen; hij kan ook
beschikken dat de bewindvoerder de rekening en verantwoording op deze
wijze slechts eens in een bepaald aantal jaren zal afleggen.
4. Voor het overige
vindt het bepaalde aangaande de voogdijrekening in de paragrafen 10 en
11 van afdeling 6 van titel 14 van Boek 1 overeenkomstige toepassing.
Artikel 162
1. Voor zover bij
de instelling van het bewind niet anders is bepaald, wordt telkens bij
het afleggen van de rekening en verantwoording hetgeen de goederen
netto aan vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de
verschuldigde beloning, uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft.
Op verzoek van deze kan de kantonrechter andere tijdstippen voor de
uitkering vaststellen.
2. Zolang er
onzekerheid bestaat wie de rechthebbende is of de rechthebbende niet tot
ontvangst in staat is, blijft de netto-opbrengst onder het bewind van de
bewindvoerder, tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders
bepaalt.
Artikel 163
De bewindvoerder is jegens de rechthebbende
aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder
tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 164
1. De hoedanigheid
van bewindvoerder eindigt:
a. bij het einde van het bewind;
b. door tijdsverloop, indien hij voor een
bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood, het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door
de instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over
een of meer van zijn goederen;
d. in de bij de uiterste wil bepaalde gevallen;
e. door ontslag dat de kantonrechter hem met
ingang van een bepaalde dag verleent.
2. Het ontslag wordt
hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen,
zulks op verzoek van een medebewindvoerder, van de rechthebbende, van
iemand in wiens belang het bewind is ingesteld of van het openbaar
ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de
kantonrechter voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de
bewindvoerder schorsen.
Artikel 165
1. De gewezen
bewindvoerder draagt de goederen die hij wegens het bewind beheert af
aan degene die na hem tot het beheer daarover bevoegd is. Hij mag de
afdracht opschorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo.
2. De gewezen
bewindvoerder blijft voorts al datgene doen, wat niet zonder nadeel voor
de rechthebbende of de belanghebbende kan worden uitgesteld, totdat
degene die na hem tot het beheer der goederen bevoegd is, dit heeft
aanvaard.
3. Eindigt de
hoedanigheid van bewindvoerder door diens faillissement of
ondercuratelestelling dan rust de in lid 2 bedoelde verplichting op de
curator, indien deze van het bewind kennis draagt; eindigt de
hoedanigheid van bewindvoerder door het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
of de onderbewindstelling van een of meer van zijn goederen, dan geldt
hetzelfde voor de in die gevallen optredende bewindvoerder. Eindigt de
hoedanigheid van bewindvoerder door diens dood, dan zijn de erfgenamen
verplicht, indien zij van het bewind kennis dragen, de kantonrechter te
verzoeken een andere bewindvoerder te benoemen.
Paragraaf 3. De gevolgen van het bewind
Artikel 166
De rechthebbende is naast de bewindvoerder bevoegd
tot handelingen dienende tot gewoon onderhoud van de goederen die hij in
gebruik heeft en tot handelingen die geen uitstel kunnen lijden. Voor
het overige komt het beheer uitsluitend toe aan de bewindvoerder.
Artikel 167
1. Indien het
bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende, is deze
slechts met medewerking of toestemming van de bewindvoerder bevoegd
tot andere handelingen dan die in het vorige artikel bedoeld, welke
een onder bewind staand goed rechtstreeks betreffen. Hetzelfde geldt
voor de bevoegdheden van een vruchtgebruiker met betrekking tot de
goederen waarop onder bewind gesteld vruchtgebruik rust en die verder
gaan dan het gebruik daarvan.
2. Indien het bewind
is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een
gemeenschappelijk belang, is de rechthebbende slechts onder voorbehoud
van het bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling als bedoeld
in lid 1.
3. Indien het bewind
zowel in het belang van de rechthebbende als van een of meer anderen of
in een gemeenschappelijk belang is ingesteld, dan is de rechthebbende
slechts met medewerking of toestemming van de bewindvoerder en onder
voorbehoud van dat bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling
als bedoeld in lid 1.
Artikel 168
1. Een
rechtshandeling die ondanks zijn uit de artikelen 166 en 167
voortvloeiende onbevoegdheid is verricht door of gericht tot de
rechthebbende is niettemin geldig, indien de wederpartij het bewind
kende noch behoorde te kennen. Niettemin is geen veroordeling mogelijk
tot nakoming van een uit de rechtshandeling voortvloeiende verbintenis
tot vervreemding of bezwaring van een onder het bewind staand goed.
2. De uit het bewind
voortvloeiende ongeldigheid van beschikking door de rechthebbende over
een goed als bedoeld in artikel 88 van Boek 3, staat niet in de weg aan
de geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde
verkrijger te goeder trouw is. De vorige zin is van overeenkomstige
toepassing op de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht
op zulk een goed.
Artikel 169
1. De
bewindvoerder mag met toestemming van de rechthebbende:
a. de in artikel 167 lid 1 bedoelde handelingen
verrichten;
b. geld lenen of de rechthebbende als borg of
hoofdelijk schuldenaar verbinden;
c. een overeenkomst tot beëindiging van een
geschil aangaan; hij behoeft deze toestemming niet in het geval van
artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of indien
het voorwerp van het geschil een waarde van € 700 niet te boven
gaat.
2. Is het bewind
uitsluitend of mede in het belang van een ander dan de rechthebbende of
in hun gemeenschappelijk belang ingesteld, dan is ook toestemming van
die ander vereist.
3. Verleent iemand
wiens toestemming is vereist deze niet, dan kan de kantonrechter haar
desverzocht door zijn machtiging vervangen. De kantonrechter kan de
machtiging verlenen onder zodanige voorwaarden als hij geraden acht.
Artikel 170
1. Behoren de
goederen die onder het bewind staan of die met een onder het bewind
staand beperkt recht zijn belast tot een gemeenschap, dan is de
bewindvoerder bevoegd tot het vorderen van verdeling en is hij, met
toestemming van de rechthebbende, bevoegd tot het aangaan van een
overeenkomst tot uitsluiting van verdeling voor een bepaalde tijd.
2. De bewindvoerder
is met toestemming van de rechthebbende bevoegd tot medewerking aan de
verdeling.
3. De leden 2 en 3
van artikel 169 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 171
1. Bij de uiterste
wil kunnen de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder
nader worden geregeld; zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden
vastgesteld dan uit de voorgaande bepalingen van deze afdeling
voortvloeit.
2. De kantonrechter
kan op verzoek van de bewindvoerder, de rechthebbende of een persoon in
wiens belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld, de regels
omtrent het voeren van het bewind wijzigen op grond van onvoorziene
omstandigheden. De kantonrechter kan het verzoek toewijzen onder door
hem te stellen voorwaarden.
Artikel 172
1. De
bewindvoerder die, anders dan in de vorm van medewerking of
toestemming, zijn taak uitoefent, is bevoegd daarbij de rechthebbende
te vertegenwoordigen of in eigen naam te zijnen behoeve op te treden.
2. De bepalingen van
titel 3 van Boek 3 zijn in geval van vertegenwoordiging van
overeenkomstige toepassing op de rechten en verplichtingen van een
wederpartij. Regels die de bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen,
en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn,
kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze met die
regels of feiten niet bekend was of behoorde te zijn.
Artikel 173
De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende
in gedingen ter zake van onder het bewind staande goederen. Hij kan
zich, alvorens in rechte op te treden, te zijner verantwoording doen
machtigen door de rechthebbende en degenen in wier belang het bewind
uitsluitend of mede is ingesteld. Wordt de machtiging niet verleend, dan
kan de kantonrechter haar door zijn machtiging vervangen.
Artikel 174
1. De
rechthebbende is, onverminderd het bepaalde in artikel 172 van Boek 6,
aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit
rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam
van de rechthebbende verricht.
2. Voor zover de
rechthebbende onder het bewind staande goederen aanwijst die voldoende
verhaal bieden, kunnen zijn overige goederen niet worden uitgewonnen
voor de in lid 1 bedoelde schulden.
Artikel 175
1. Tijdens het
bewind kunnen de onder het bewind staande goederen ten laste van de
rechthebbende slechts worden uitgewonnen voor:
a. de schulden van de nalatenschap, voor zover
die schulden ten laste van die goederen kunnen worden gebracht;
b. de schulden die de goederen betreffen;
c. de schulden voortvloeiend uit
rechtshandelingen die door de rechthebbende binnen de grenzen van zijn
in de artikelen 166 en 167 bedoelde bevoegdheid zijn verricht;
d. de schulden voortvloeiend uit
rechtshandelingen die ondanks onbevoegdheid van de rechthebbende
krachtens artikel 168 lid 1 geldig zijn, tenzij de bewindvoerder
goederen van de rechthebbende aanwijst die niet onder bewind staan en
die geheel of gedeeltelijk verhaal bieden;
e. de schulden waarvoor de rechthebbende
overeenkomstig artikel 174 wegens gedragingen van de bewindvoerder
aansprakelijk is.
2. De goederen
kunnen voor de in lid 1 onder e bedoelde schulden ook worden
uitgewonnen, nadat ze onder last van het bewind op een andere
rechthebbende zijn overgegaan.
3. De goederen
worden vrij van het bewind uitgewonnen, tenzij dit uitsluitend of mede
in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een
gemeenschappelijk belang is ingesteld.
Artikel 176
Indien het bewind uitsluitend is ingesteld in het
belang van een ander dan de rechthebbende, dan wel in een
gemeenschappelijk belang, kunnen de onder bewind gestelde goederen ten
laste van de rechthebbende ook voor andere schulden worden uitgewonnen,
doch dan slechts onder de last van het bewind.
Paragraaf 4. Einde van het bewind
Artikel 177
1. Het bewind
eindigt door het verstrijken van de termijn waarvoor het werd
ingesteld.
2. Het bewind
eindigt door verwerping van de nalatenschap of het legaat waarbij de
goederen zijn vermaakt, indien het door het bewind gediende belang
daarmede vervalt. De beëindiging door verwerping heeft geen
terugwerkende kracht.
Artikel 178
1. Het bewind
eindigt door het overlijden van de rechthebbende indien het
uitsluitend in diens belang was ingesteld. Is deze een rechtspersoon,
dan eindigt het door diens ontbinding, en voorts door diens opzegging
wanneer dertig jaren na het overlijden van de erflater zijn verlopen.
2. De rechtbank kan
een zodanig bewind ook opheffen op verzoek van de bewindvoerder op grond
van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de
rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde
wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden
van de erflater kan het bewind op deze laatste grond ook worden
opgeheven op verzoek van de rechthebbende. Bij afwijzing van een verzoek
tot opheffing kan de rechtbank desverzocht de regels omtrent het bewind,
al dan niet onder door haar te stellen voorwaarden, wijzigen.
Artikel 179
1. Voor zover het
bewind is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende,
eindigt het, wanneer dat belang vervalt, alsmede wanneer de
rechthebbende en degene in wiens belang de instelling geschiedde, een
gemeenschappelijk besluit tot opheffing schriftelijk ter kennis van de
bewindvoerder brengen. Het besluit tot opheffing kan ook slechts een
of meer der onder bewind gestelde goederen betreffen.
2. Is het bewind
ingesteld in het belang van degene die is bevoordeeld bij een legaat
onder opschortende tijdsbepaling of opschortende voorwaarde of bij een
testamentaire last, dan kan het, wanneer dertig jaren na het overlijden
van de erflater zijn verstreken, door opzegging worden beëindigd.
Artikel 180
1. Voor zover het
bewind is ingesteld in het gemeenschappelijk belang van de
rechthebbende en een of meer anderen, eindigt het wanneer dat belang
vervalt.
2. Het bewind kan
eveneens worden beëindigd door opzegging, wanneer vijf jaren na het
overlijden van de erflater zijn verstreken.
Artikel 181
1. De in de vorige
artikelen bedoelde opzegging kan slechts geschieden door de
rechthebbende, en dat wel schriftelijk en met inachtneming van een
termijn van een maand.
2. De opzegging moet
worden gericht tot de bewindvoerder en tot de belanghebbenden zo die er
zijn.
Titel 6. Gevolgen van de erfopvolging
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 182
1. Met het
overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in
zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De
eerste zin geldt niet wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 13
wordt verdeeld; in dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in
het bezit en houderschap van de erflater.
2. Zij worden van
rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn
dood tenietgaan. Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen
verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij
hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 183
Een erfgenaam kan de goederen van de nalatenschap
met inbegrip van die welke de erflater op het tijdstip van zijn
overlijden voor derden hield, opvorderen van iedere derde die deze
goederen zonder recht houdt. Is de nalatenschap verdeeld overeenkomstig
artikel 13, dan komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid
uitsluitend toe aan de echtgenoot van de erflater.
Artikel 184
1. Schuldeisers
van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen der
nalatenschap verhalen.
2. Een erfgenaam is
niet verplicht een schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig
vermogen te voldoen, tenzij hij:
a. zuiver aanvaardt, behalve voor zover de
schuld niet op hem rust en onverminderd de artikelen 14 lid 3 en 87
lid 5;
b. de voldoening van de schuld verhindert en hem
daarvan een verwijt kan worden gemaakt;
c. opzettelijk goederen der nalatenschap zoek
maakt, verbergt of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers
der nalatenschap onttrekt; of
d. vereffenaar is, in de vervulling van zijn
verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet, en hem
daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
3. In ieder geval
kunnen, wanneer uit de nalatenschap een uitkering heeft plaatsgevonden
aan een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, de
schuldeisers van de nalatenschap zich op het vermogen van die erfgenaam
verhalen tot de waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap heeft
verkregen. Artikel 223 lid 1 vindt daarbij overeenkomstige toepassing.
4. Hij die ingevolge
lid 2 onder b of c met zijn gehele vermogen aansprakelijk is geworden,
blijft dit ook na verwerping van de nalatenschap.
5. Lid 2 is van
overeenkomstige toepassing op de verplichting van een erfgenaam tot
nakoming van een last die bestaat uit een uitgave van geld of van een
goed dat niet tot de nalatenschap behoort.
Artikel 185
1. Gedurende drie
maanden na het overlijden van de erflater kan op goederen van een
nalatenschap die niet door alle erfgenamen zuiver is aanvaard, geen
verhaal worden genomen, tenzij de schuldeiser hiertoe ook in geval van
faillissement van de erflater had kunnen overgaan.
2. Gedurende die
tijd kan de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende de
maatregelen voorschrijven die hij in diens belang nodig acht.
3. De termijn kan
voor de afloop daarvan door de kantonrechter ten aanzien van bepaalde
schuldeisers een of meer malen op grond van bijzondere omstandigheden
worden verlengd. De verlenging wordt in het boedelregister ingeschreven.
Artikel 186
1. De griffiers
van de rechtbanken houden een openbaar boedelregister, waarin
krachtens wettelijk voorschrift feiten worden ingeschreven, die voor
de rechtstoestand van opengevallen nalatenschappen van belang zijn.
2. Een notaris die
is betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap, doet zich in het
boedelregister inschrijven.
3. De wijze van
inrichting en raadpleging van het boedelregister worden bij algemene
maatregel van bestuur geregeld.
4. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de openbare
boedelregisters, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste
lid door een ander of door anderen dan de griffiers van de rechtbanken
worden gehouden. Bij algemene maatregel van bestuur kan eveneens worden
bepaald dat de verstrekking van gegevens ter inschrijving in het
openbaar boedelregister door degenen die daartoe bevoegd of die daartoe
gehouden zijn, uitsluitend op een in die maatregel aan te geven wijze
plaats vindt.
Artikel 187
1. Hij die is
afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, geldt
te dezen aanzien als te goeder trouw.
2. Een schuldenaar
die, afgaande op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten,
heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen,
kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij
bevrijdend heeft betaald.
3. Het in de vorige
leden bepaalde lijdt uitzondering, indien van degene die op de
verklaring is afgegaan, op grond van bijzondere omstandigheden een nader
onderzoek kon worden gevergd, dat hem de onjuistheid van de verklaring
zou hebben doen blijken.
Artikel 188
1. Een verklaring
van erfrecht is een notariële akte waarin een notaris een of meer van
de volgende feiten vermeldt:
a. dat een of meer in de verklaring genoemde
personen, al dan niet voor bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de
enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij de nalatenschap reeds
hebben aanvaard;
b. dat al dan niet aan de echtgenoot van de
erflater het vruchtgebruik van een of meer tot de nalatenschap
behorende goederen krachtens afdeling 2 van titel 3 toekomt, met
vermelding of aan hem een machtiging tot vervreemden of bezwaren of
een bevoegdheid tot vervreemding en vertering is verleend, alsmede of
en tot welk tijdstip de echtgenoot een beroep toekomt op artikel 29
leden 1 en 3;
c. dat de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, met vermelding of en tot welk moment de
echtgenoot de bevoegdheid toekomt als bedoeld in artikel 18 lid 1;
d. dat al dan niet het beheer van de
nalatenschap aan executeurs, bewindvoerders of krachtens de derde
afdeling van deze titel benoemde vereffenaars is opgedragen, met
vermelding van hun bevoegdheden; of
e. dat een of meer in de verklaring genoemde
personen executeur, bewindvoerder of vereffenaar zijn.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent de inhoud en
de opstelling van deze verklaringen worden vastgesteld.
Artikel 189
Indien en voor zover een erflater geen erfgenamen
heeft, worden de goederen der nalatenschap op het ogenblik van zijn
overlijden door de Staat onder algemene titel verkregen.
Afdeling 2. Aanvaarding en verwerping van
nalatenschappen en van legaten
Artikel 190
1. Een erfgenaam
kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan
zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving.
2. De erflater kan
de erfgenamen in hun keuze niet beperken. Evenmin kan een erfgenaam
dienaangaande vóór het openvallen der nalatenschap een beslissing
nemen.
3. De keuze kan
alleen onvoorwaardelijk en zonder tijdsbepaling geschieden. Zij kan niet
een deel van het erfdeel betreffen. Hetgeen aan een erfgenaam die reeds
aanvaard heeft, opkomt door de vervulling van een door de erflater aan
een erfstelling toegevoegde voorwaarde kan evenwel nog afzonderlijk
aanvaard of verworpen worden.
4. Een eenmaal
gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het
openvallen der nalatenschap. Een aanvaarding of verwerping kan niet op
grond van dwaling, noch op grond van benadeling van een of meer
schuldeisers worden vernietigd.
Artikel 191
1. De in het
vorige artikel bedoelde keuze wordt gedaan door het afleggen van een
daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het
sterfhuis. De verklaring wordt in het boedelregister ingeschreven.
2. Zolang de
nalatenschap niet door alle erfgenamen is aanvaard, kan de kantonrechter
de maatregelen voorschrijven die hij tot behoud van de goederen nodig
acht.
Artikel 192
1. Een erfgenaam
die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard
hebbende erfgenaam gedraagt, aanvaardt daardoor de nalatenschap
zuiver, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.
2. Indien een
erfgenaam zijn keuze nog niet heeft gedaan, kan de kantonrechter hem
daarvoor op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen, die
ingaat op de dag nadat de belanghebbende deze beschikking aan de
erfgenaam heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de
gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister. De
kantonrechter kan op verzoek van de erfgenaam de termijn voor de afloop
daarvan een of meer malen verlengen; de verlenging wordt in het
boedelregister ingeschreven.
3. Laat de erfgenaam
de termijn verlopen zonder inmiddels een keuze te hebben gedaan, dan
wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden.
4. Een erfgenaam die
nog geen keuze heeft gedaan, wordt geacht beneficiair te aanvaarden,
wanneer een of meer zijner mede-erfgenamen door een verklaring
beneficiair aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver
aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire
aanvaarding kennis heeft gekregen of, indien voor hem op het tijdstip
van die beneficiaire aanvaarding een overeenkomstig het tweede lid
gestelde of verlengde termijn liep, binnen die termijn. De zuivere
aanvaarding kan slechts geschieden op de wijze als bepaald in het eerste
lid van het vorige artikel.
Artikel 193
1. Een wettelijke
vertegenwoordiger van een erfgenaam kan voor deze niet zuiver
aanvaarden en behoeft voor verwerping een machtiging van de
kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire
aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf
het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de
erfgenaam toekomt. Deze termijn kan overeenkomstig artikel 192 lid 2,
tweede zin, worden verlengd.
2. Heeft hij de
termijn laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam
beneficiair aanvaard. De kantonrechter kan hiervan aantekening doen
houden in het boedelregister.
3. De leden 1 en 2
zijn niet van toepassing in het geval, bedoeld in artikel 41 van de
Faillissementswet.
Artikel 194
1. Een erfgenaam
die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil, volgens
welke de legaten en lasten die hij moet voldoen, tot een geringer
bedrag uit zijn erfdeel kunnen worden bestreden dan zonder die
uiterste wil het geval zou zijn geweest, wordt, indien hij binnen drie
maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de
kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden. Nochtans
komen de schulden der nalatenschap met uitzondering van de hem tevoren
niet bekende legaten, alsmede de hem tevoren reeds bekende lasten, ten
laste van zijn gehele vermogen voor zover hij deze ook zonder die
uiterste wil niet uit zijn erfdeel had kunnen bestrijden.
2. Een erfgenaam die
na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil, volgens welke
zijn erfdeel groter is dan het zonder die uiterste wil zou zijn geweest,
of met een na zijn aanvaarding voorgevallen gebeurtenis waardoor zijn
erfdeel is vergroot, wordt, indien hij binnen drie maanden na die
ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd
alsnog beneficiair te aanvaarden. Nochtans moet hij de schulden der
nalatenschap en de lasten met zijn gehele vermogen voldoen, voor zover
dat ook zonder die uiterste wil of zonder die gebeurtenis het geval zou
zijn geweest
Artikel 195
1. Is een
nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair aanvaard en moet
zij uit dien hoofde overeenkomstig de volgende afdeling van deze titel
worden vereffend, dan zijn alle erfgenamen vereffenaar.
2. Voor de
toepassing van de bepalingen van deze en de volgende afdeling inzake
vereffening wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van
vruchtgebruik heeft krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam
aangemerkt, tenzij uit de strekking van de bepalingen anders
voortvloeit.
Artikel 196
De kantonrechter kan, op verzoek van een
belanghebbende of ambtshalve, de erfgenamen gelasten de beneficiaire
aanvaarding bekend te maken in de Staatscourant en in een of meer door
hem aangewezen nieuwsbladen.
Artikel 197
1. Een notaris die
op verzoek van een erfgenaam als boedelnotaris voor de beneficiair
aanvaarde nalatenschap optreedt, doet zich als zodanig inschrijven in
het boedelregister en geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de
overige erfgenamen.
2. Op een verzoek,
uiterlijk een maand na die kennisgeving gedaan door de meerderheid van
de erfgenamen of door een of meer erfgenamen die samen voor meer dan de
helft gerechtigd zijn in de nalatenschap, kan de kantonrechter een
andere notaris, die daartoe bereid is, als boedelnotaris aanwijzen. Deze
doet de vervanging inschrijven en brengt haar zo spoedig mogelijk ter
kennis van de eerstaangewezene en de erfgenamen.
3. In geval van
bekendmaking van de beneficiaire aanvaarding overeenkomstig het vorige
artikel, wordt de aanwijzing van een boedelnotaris op dezelfde wijze,
onder vermelding van zijn naam en adres, bekendgemaakt.
Artikel 198
Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, oefenen de
erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair
aanvaarde nalatenschap tezamen uit, doch kunnen daden van gewoon
onderhoud en tot behoud van de goederen, en in het algemeen daden die
geen uitstel kunnen lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig
worden verricht.
Artikel 199
1. Op verzoek van
een belanghebbende of van de boedelnotaris kan de kantonrechter een of
meer erfgenamen van een nalatenschap die beneficiair aanvaard is,
gelasten zekerheid te stellen voor hun beheer en de nakoming van hun
overige verplichtingen. De kantonrechter stelt het bedrag en de aard
van de zekerheid vast.
2. Wanneer een
erfgenaam blijkt dat de schulden der beneficiair aanvaarde nalatenschap
de baten overtreffen, doet hij hiervan ten spoedigste mededeling aan de
kantonrechter.
Artikel 200
1. Met betrekking
tot een erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft
aanvaard, geldt tot het einde van de vereffening het in de volgende
leden bepaalde, tenzij hij voor de op hem rustende schulden der
nalatenschap met zijn gehele vermogen aansprakelijk is.
2. Vorderingen van
de erflater op de erfgenaam en beperkte rechten van de erflater op een
goed van de erfgenaam, alsmede vorderingen van de erfgenaam op de
erflater en beperkte rechten van de erfgenaam op een goed van de
erflater gaan niet door vermenging teniet.
3. Heeft de
erfgenaam een schuld der nalatenschap uit zijn overig vermogen voldaan,
dan treedt hij op als schuldeiser van de nalatenschap voor het bedrag
van die schuld in de rang die zij had. De vorige zin is van
overeenkomstige toepassing op een last die verplicht tot een uitgave in
geld ten laste van de nalatenschap welke de erfgenaam uit zijn overige
vermogen heeft gedaan.
Artikel 201
1. Een legaat
wordt verkregen zonder dat een aanvaarding nodig is, behoudens de
bevoegdheid van de legataris om het legaat te verwerpen zolang hij het
niet aanvaard heeft.
2. De kantonrechter
kan op verzoek van een belanghebbende aan de legataris een termijn
stellen, waarbinnen deze moet verklaren of hij al dan niet verwerpt; bij
gebreke van een verklaring binnen de gestelde termijn verliest de
legataris de bevoegdheid om te verwerpen.
3. De verwerping van
een legaat moet op ondubbelzinnige wijze geschieden, maar is aan geen
vorm gebonden.
Afdeling 3. Vereffening van de nalatenschap
Artikel 202
1. Een
nalatenschap wordt, behoudens het in artikel 221 bepaalde,
overeenkomstig de in deze afdeling gegeven voorschriften vereffend:
a. wanneer zij door een of meer erfgenamen onder
voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot
voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is
en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots
toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen;
geschillen dienaangaande worden door de kantonrechter beslist;
b. wanneer de rechtbank een vereffenaar heeft
benoemd.
2. Indien het saldo
van de nalatenschap positief is kan de wettelijke vertegenwoordiger van
een erfgenaam die voor deze beneficiair heeft aanvaard de kantonrechter
verzoeken om ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de
wet.
3. Een nalatenschap
die overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, wordt in afwijking van lid 1
onder a slechts vereffend volgens de wet wanneer de echtgenoot van de
erflater haar beneficiair heeft aanvaard.
Artikel 203
1. Na een
aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving kan de rechtbank
een vereffenaar benoemen:
a. op verzoek van een erfgenaam;
b. op verzoek van een belanghebbende of van het
openbaar ministerie, wanneer hij die met het beheer der nalatenschap
belast is in ernstige mate in de vervulling van zijn verplichtingen
tekortschiet, daartoe ongeschikt is of niet voldoet aan een last tot
zekerheidstelling, wanneer de schulden der nalatenschap de baten
blijken te overtreffen, of wanneer tot een verdeling van de
nalatenschap wordt overgegaan voordat deze vereffend is.
2. De door de
rechter benoemde persoon treedt als vereffenaar in de plaats van de
erfgenamen.
Artikel 204
1. Is een
nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard, dan
kan de rechtbank een vereffenaar benoemen:
a. op verzoek van een belanghebbende of van het
openbaar ministerie, wanneer er geen erfgenamen zijn, wanneer het niet
bekend is of er erfgenamen zijn, of wanneer de nalatenschap niet door
een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar
geheel of ten dele onbeheerd laten;
b. op verzoek van een schuldeiser van de
nalatenschap, wanneer tot een verdeling van de nalatenschap wordt
overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn voldaan, of
wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet
binnen redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de nalatenschap
niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd en afgewikkeld wordt,
hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de nalatenschap
gaat verhalen;
c. op verzoek van een of meer andere
schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door een
gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden
geschaad.
2. Indien de
nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is lid 1, onder b en
c, van overeenkomstige toepassing op het geheel van de goederen die
hebben behoord tot de huwelijksgemeenschap van de erflater en zijn
echtgenoot, de in die gemeenschap gevallen of daarop verhaalbare
schulden, alsmede hetgeen daarvoor in de plaats is getreden.
Artikel 205
Wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de
nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, kan
de rechtbank op zijn verzoek bepalen dat de nalatenschap mede in het
belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden
vereffend, en kan zij zo nodig een vereffenaar benoemen.
Artikel 206
1. De rechtbank
beslist niet op het verzoek tot benoeming van een vereffenaar dan na
verhoor of behoorlijke oproeping van de verzoeker, alsmede voor zover
zij bestaan en bekend zijn, van de erfgenamen, de boedelnotaris en de
executeur.
2. De rechtbank kan
als vereffenaar onder de nodige door haar te bepalen waarborgen een
erfgenaam, een executeur of een andere persoon aanwijzen. Benoemt zij
twee of meer vereffenaars, dan kan, tenzij bij de benoeming of later
door de kantonrechter anders wordt bepaald, ieder van hen alle
werkzaamheden alleen verrichten.
3. Een door de
rechter benoemde vereffenaar heeft recht op het loon dat door de
kantonrechter vóór het opmaken van de uitdelingslijst wordt
vastgesteld.
4. Hij wordt
vereffenaar op de dag, waarop de beslissing die de benoeming inhoudt in
kracht van gewijsde is gegaan, of – zo deze uitvoerbaar bij voorraad
is verklaard – daags nadat de griffier hem van zijn benoeming
mededeling heeft gedaan.
5. Hij kan worden
ontslagen hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks
op verzoek van een medevereffenaar, een erfgenaam, een schuldeiser van
de nalatenschap of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende
het onderzoek kan de rechtbank voorlopige voorzieningen treffen en de
vereffenaar schorsen. De taak van de vereffenaar eindigt door zijn dood,
het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn faillietverklaring,
zijn ondercuratelestelling of indien een bewind als bedoeld in titel 19
van Boek 1 over een of meer van zijn goederen wordt ingesteld. De
rechter benoemt een of meer vereffenaars waar dezen ontbreken voordat de
vereffening is geëindigd; hij kan een opengevallen plaats doen
bezetten.
6. De griffier doet
de benoeming van een vereffenaar, alsmede het eindigen van zijn
hoedanigheid onverwijld in het boedelregister inschrijven. De
vereffenaar maakt haar bekend in de Staatscourant en in een of meer bij
de benoeming voorgeschreven nieuwsbladen.
Artikel 207
Hij die als vereffenaar door een ander is
opgevolgd, is verplicht aan zijn opvolger rekening en verantwoording af
te leggen op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.
Artikel 208
1. Bij de
benoeming van een vereffenaar of bij een latere beschikking kan de
rechtbank een harer leden tot rechter-commissaris benoemen.
2. Indien een
rechter-commissaris is benoemd, worden
a. de overeenkomstig deze afdeling aan de
kantonrechter toekomende taken en bevoegdheden door de
rechter-commissaris uitgeoefend, tenzij de wet anders bepaalt;
b. de in de artikelen 211 lid 3, 214 lid 5 en
218 lid 1 bedoelde stukken, zo een boedelnotaris ontbreekt, ter
griffie van de rechtbank neergelegd.
Artikel 209
1. Indien de
geringe waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding
geeft, kan de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een
belanghebbende hetzij de kosteloze vereffening van de nalatenschap,
hetzij de opheffing van de vereffening bevelen. Op een verzoek tot
opheffing wordt de verzoeker gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede
voor zover zij bestaan en bekend zijn, de erfgenamen, de vereffenaar
en de boedelnotaris. Indien een rechter-commissaris is benoemd, komt
de in de eerste zin bedoelde bevoegdheid, op voordracht van de
rechter-commissaris, aan de rechtbank toe.
2. Bij het bevel tot
opheffing van de vereffening stelt de kantonrechter onderscheidenlijk de
rechtbank tevens het bedrag der reeds gemaakte vereffeningskosten vast,
en brengt dat ten laste van de boedel of, wanneer de boedel daartoe
onvoldoende is, ten laste van de erfgenamen, voor zover dezen met hun
gehele vermogen aansprakelijk zijn.
3. Na de opheffing
is artikel 226 van overeenkomstige toepassing.
4. De opheffing
wordt op dezelfde wijze als de benoeming van een vereffenaar
ingeschreven en bekend gemaakt.
5. Indien na de
opheffing van een vereffening de benoeming van een vereffenaar wordt
verzocht, is de verzoeker verplicht aan te tonen dat er voldoende baten
aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden.
Artikel 210
1. Vereffenaars
geven aan de kantonrechter alle door deze gewenste inlichtingen en
zijn verplicht diens aanwijzingen bij vereffening te volgen.
2. Indien een
rechter-commissaris is benoemd, is deze bevoegd ter opheldering van alle
omstandigheden, de vereffening betreffende, getuigen en deskundigen te
horen op dezelfde wijze als voor een rechter-commissaris in geval van
faillissement is bepaald.
Artikel 211
1. Een vereffenaar
heeft tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en
te vereffenen. Voor de vereffening wordt een last die tot een uitgave
van geld of van een goed uit de nalatenschap verplicht, gelijkgesteld
met een legaat.
2. Hij
vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en
buiten rechte. Zij zijn niet bevoegd zonder zijn medewerking of
machtiging van de kantonrechter over de goederen der nalatenschap of hun
aandeel daarin te beschikken.
3. Hij moet met
bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving opmaken
of doen opmaken, waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van een
voorlopige staat zijn opgenomen. Hij moet deze ten kantore van de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank
neerleggen, ter inzage van de erfgenamen en de schuldeisers der
nalatenschap; andere schuldeisers van een erfgenaam, ook indien deze de
nalatenschap verworpen heeft, kunnen tot inzage gemachtigd worden door
de kantonrechter.
4. De kantonrechter
kan in geval van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving de
erfgenamen ontheffen van de verplichting om de boedelbeschrijving ter
inzage te leggen.
5. Een door de
rechter benoemde vereffenaar kan een boedelnotaris aanwijzen, indien dit
nog niet is geschied. De notaris die deze opdracht heeft aanvaard, geeft
daarvan kennis aan de erfgenamen en doet zich inschrijven in het
boedelregister.
Artikel 212
Wanneer de wettelijke vertegenwoordiger van een
erfgenaam of een door de rechter benoemde vereffenaar aan schuldeisers
der nalatenschap schade heeft toegebracht, doordat hij opzettelijk
goederen der nalatenschap aan het verhaal van de schuldeisers heeft
onttrokken, kunnen zij van hem de voldoening van hun vordering eisen,
voor zover hij niet bewijst dat hun schade op een lager bedrag moet
worden gesteld.
Artikel 213
Is de erflater gehuwd geweest in een gemeenschap
van goederen, dan kan de rechtbank op verzoek van de vereffenaar van de
nalatenschap een vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap
benoemen, in welk geval zij met overeenkomstige toepassing van het in
deze afdeling bepaalde wordt vereffend. De eerste zin is niet van
toepassing indien de huwelijksgemeenschap reeds voor het overlijden van
de erflater was verdeeld.
Artikel 214
1. Een vereffenaar
roept de schuldeisers der nalatenschap, zo dit nog niet is geschied,
openlijk op om hun vorderingen vóór een door de kantonrechter
bepaalde datum bij de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij
hemzelf in te dienen. De oproeping geschiedt op dezelfde wijze als de
bekendmaking van de beneficiaire aanvaarding of de benoeming van de
vereffenaar en zoveel mogelijk tegelijkertijd.
2. De vereffenaar
moet bovendien de hem bekende schuldeisers der nalatenschap per brief
oproepen. Is hem het adres van een schuldeiser der nalatenschap onbekend
gebleven, dan deelt hij dit mede aan de kantonrechter.
3. Aanmelding van
een vordering stuit de verjaring.
4. De vereffenaar
geeft, indien hij zich met een ingediende vordering of een ingeroepen
voorrang niet kan verenigen, daarvan onverwijld onder opgave van redenen
kennis aan hem die de vordering heeft ingediend.
5. Zo spoedig
mogelijk na het verstrijken van de bij de oproep der schuldeisers
gestelde termijn legt de vereffenaar een lijst van de door hem erkende
en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang ten kantore van de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank
neer, ter inzage van de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich
als schuldeiser hebben aangemeld. Hij geeft ieder van hen van deze
neerlegging kennis.
Artikel 215
1. De vereffenaar
maakt de goederen der nalatenschap te gelde, voor zover dit voor de
voldoening van de schulden der nalatenschap nodig is. Goederen die een
schuldeiser der nalatenschap te vorderen heeft, worden zoveel mogelijk
in de laatste plaats te gelde gemaakt.
2. Omtrent de keuze
van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking treedt
de vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen. Bestaat
tegen de voorgenomen tegeldemaking van een goed bezwaar bij een
erfgenaam of een schuldeiser die het goed te vorderen heeft dan stelt de
vereffenaar hem in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in
te roepen.
3. Het in het vorige
lid ten aanzien van de erfgenamen bepaalde geldt mede ten aanzien van
hen aan wie het vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel
daarin is vermaakt.
4. Artikel 68 van
Boek 3 is op de vereffenaar van overeenkomstige toepassing.
5. Met betrekking
tot door de erflater gesloten sommenverzekeringen zonder onherroepelijk
geworden aanwijzing van een derde als begunstigde, is artikel 22a
Faillissementswet van overeenkomstige toepassing, waarbij dient te
worden gelezen voor:
a. de curator: de vereffenaar
b. de rechter-commissaris: de kantonrechter
c. de verzekeringnemer: de erfgenamen dan wel,
indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig afdeling 1 van titel
3, de echtgenoot van de erflater.
Artikel 216
Een door de rechter benoemde vereffenaar kan
hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie
jaar daarna terugvorderen, voor zover dit nodig is om schulden als
bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g te voldoen. Artikel 122
lid 1 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 217
1. Indien iemand
zowel schuldenaar als schuldeiser van de nalatenschap is, zijn de
bepalingen van de Faillissementswet omtrent de bevoegdheid tot
verrekening van overeenkomstige toepassing.
2. Indien iemand met
de erflater deelgenoot was in een gemeenschap die tijdens de vereffening
wordt verdeeld, is artikel 56 van de Faillissementswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 218
1. Een vereffenaar
is verplicht binnen zes maanden nadat de voor het indienen van
vorderingen gestelde tijd is verstreken, een rekening en
verantwoording benevens een uitdelingslijst ten kantore van de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank
ter kennisneming van een ieder neer te leggen. De kantonrechter kan
deze termijn verlengen.
2. De vereffenaar
maakt de neerlegging op dezelfde wijze openlijk bekend als de oproep tot
aanmelding van vorderingen en bovendien per brief aan de erfgenamen, de
legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld.
3. Binnen een maand
na deze openlijke bekendmaking kan iedere belanghebbende tegen de
rekening en verantwoording of tegen de uitdelingslijst bij de
kantonrechter of, indien een rechter-commissaris is benoemd, bij de
rechtbank in verzet komen.
4. Verbintenissen
die tot levering van een goed der nalatenschap of tot vestiging van een
beperkt recht op een zodanig goed verplichten, worden in een geldschuld
omgezet, voor zover een tekort dit nodig maakt. Andere verbintenissen
die niet in geld luiden, en verbintenissen onder een opschortende
voorwaarde worden in de uitdelingslijst slechts op verzoek van de
schuldeiser opgenomen; in dat geval worden zij omgezet in een
geldschuld. De vordering van een legitimaris wordt, indien zij ingevolge
artikel 81 lid 2, een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 of een
beschikking als bedoeld in artikel 83 niet opeisbaar is, niet in de
uitdelingslijst opgenomen.
5. Voor het overige
vinden bij de berekening van ieders vordering, het opmaken van de
uitdelingslijst en het verzet daartegen de dienaangaande in de
Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk
overeenkomstige toepassing.
Artikel 219
Wanneer de rechter heeft bepaald dat de
nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van iemand die haar
verworpen heeft, wordt vereffend, kunnen ook deze schuldeisers hun
vorderingen indienen. Zij worden in de uitdelingslijst opgenomen, doch
slechts batig gerangschikt voor zover een overschot aan hun schuldenaar
zou zijn toegekomen, indien deze niet verworpen had; te dien einde kan
de vereffenaar voor zoveel nodig verdeling van de nalatenschap vorderen
en aan de verdeling deelnemen.
Artikel 220
1. Na het
verbindend worden van een uitdelingslijst is de vereffenaar verplicht
een ieder het hem volgens de uitdelingslijst toekomende uit te keren.
Geldsbedragen waarover niet binnen zes maanden is beschikt of die
gereserveerd zijn, geeft een door de rechter benoemde vereffenaar in
bewaring ter plaatse tot het ontvangen van gerechtelijke consignatiën
aangewezen.
2. Schuldeisers van
de nalatenschap die pas na het verbindend worden van een uitdelingslijst
opkomen, hebben, onverminderd hun verhaal op de goederen van erfgenamen
die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, alleen recht van verhaal
op de alsdan nog onverkochte goederen en op het saldo der nalatenschap.
Zij worden daaruit voldaan naar gelang zij zich aanmelden.
3. Bovendien hebben
schuldeisers als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g die
niet voldaan zijn, nog een recht van verhaal tegen legatarissen, voor
zover dezen een uitkering hebben ontvangen en niet voldoende goederen
voor verhaal als bedoeld in het vorige lid aanwijzen. Het recht van
verhaal tegen een legataris vervalt drie jaren na het verbindend worden
van de uitdelingslijst, volgens welke de uitkering aan hem is geschied.
4. Wanneer een
ingevolge artikel 218 lid 4, derde zin, niet in de uitdelingslijst
opgenomen vordering van een legitimaris opeisbaar wordt, kan de
legitimaris, onverminderd zijn verhaal overeenkomstig de leden 2 en 3,
voor het gedeelte van de schuld aan hem dat overeenkomstig artikel 87
leden 5 en 6 op een erfgenaam of legataris rust, deze erfgenaam of
legataris aanspreken.
Artikel 221
1. De in de
artikelen 214, eerste en vijfde lid, en 218 omschreven verplichtingen
rusten op de erfgenamen die uit hoofde van aanvaarding onder voorrecht
van boedelbeschrijving vereffenaar zijn, slechts indien de
kantonrechter dit bepaalt.
2. Een door de
rechter benoemde vereffenaar behoeft een rekening en verantwoording en
een uitdelingslijst niet neer te leggen, wanneer alle hem voor de afloop
van de in artikel 218, eerste lid, bedoelde termijn bekend geworden
schulden ten volle worden voldaan, of wanneer de kantonrechter hem van
deze neerlegging vrijstelt. Deze vrijstelling wordt niet verleend,
wanneer een schuldeiser daartegen bezwaar maakt.
3. Wordt de rekening
en verantwoording niet neergelegd, dan geschiedt zij aan hen die een
recht op het overschot hebben, op de wijze als voor bewindvoerders is
bepaald.
Artikel 222
Gedurende de vereffening zijn van titel 7 van Boek
3 slechts van toepassing de artikelen 166, 167, 169, 170 lid 1 en 194
lid 2.
Artikel 223
1. Gedurende de
vereffening is een schuldeiser alleen bevoegd zijn vordering op
goederen der nalatenschap ten uitvoer te leggen, indien deze
bevoegdheid hem ook in geval van faillissement van de erflater zou
zijn toegekomen. De artikelen 57 tot en met 60 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de in de artikelen 58 lid 1, 59a leden 3 en 5 en 60 lid
3 bedoelde bevoegdheden van de rechter-commissaris, zo ter zake van de
vereffening geen rechter-commissaris is benoemd, uitgeoefend worden
door de kantonrechter.
2. Ook tijdens de
vereffening kan een schuldeiser van de nalatenschap zijn
vorderingsrecht, of de voorrang die zijn vordering toekomt, bij vonnis
doen vaststellen. Een vonnis waarbij een vordering tegen een vereffenaar
is vastgesteld, kan op de persoonlijke goederen van een erfgenaam die
met zijn gehele vermogen aansprakelijk is, alleen worden ten uitvoer
gelegd, indien deze in het geding partij is geweest.
3. Op verzoek van
een vereffenaar kunnen reeds gelegde beslagen, voor zover dat voor de
vereffening nodig is, door de kantonrechter worden opgeheven.
Artikel 224
Eerst nadat de bekende schuldeisers van de
vereffende nalatenschap volledig zijn voldaan, hebben de overige
schuldeisers van een erfgenaam recht van verhaal op de goederen der
nalatenschap.
Artikel 225
1. Wanneer niet
alle erfgenamen bekend zijn of daaromtrent onzekerheid bestaat, is een
vereffenaar verplicht door oproepingen in veel gelezen dagbladen of
door andere doelmatige middelen de erfgenamen op te sporen.
2. Is een
vereffenaar benoemd omdat de nalatenschap geheel of ten dele onbeheerd
werd gelaten, dan neemt de vereffening een einde, zodra alle erfgenamen
het beheer hebben aanvaard en de reeds gemaakte kosten van vereffening
hebben voldaan.
Artikel 226
1. Is de
vereffening voltooid en met een overschot geëindigd, dan geeft een
door de rechter benoemde vereffenaar de overgebleven goederen af aan
de erfgenamen dan wel, indien de nalatenschap ingevolge artikel 13 is
verdeeld, aan de echtgenoot van de erflater. Zijn er geen erfgenamen,
is het niet bekend of er erfgenamen zijn, of zijn de erfgenamen niet
bereid de goederen in ontvangst te nemen, dan geeft hij deze aan de
Staat af.
2. Zijn de
erfgenamen die zich tot de inontvangstneming bereid tonen, slechts tot
een deel van de nalatenschap gerechtigd, dan draagt de vereffenaar zorg
dat de nalatenschap eerst wordt verdeeld. Daarna geeft hij hetgeen is
toegedeeld aan erfgenamen die onbekend zijn of hebben nagelaten tot de
verdeling mede te werken, aan de Staat af.
3. De Staat is
bevoegd de hem afgegeven goederen te verkopen; registergoederen mag hij
slechts in het openbaar verkopen, tenzij de kantonrechter hem tot
onderhandse verkoop machtigt.
4. Is een goed van
de nalatenschap of hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen binnen
twintig jaren nadat de nalatenschap is opengevallen door niemand
opgeëist, dan vervalt het aan de Staat.
Afdeling 4. Verdeling van de nalatenschap
Artikel 227
Onverminderd de voorschriften die voor de
verdeling van iedere gemeenschap gelden, zijn op de verdeling van een
nalatenschap de navolgende bepalingen van toepassing.
Artikel 228
1. Tot de schulden
van een erfgenaam, die bij de verdeling op verlangen van een of meer
der overige erfgenamen op zijn aandeel worden toegerekend, behoort
hetgeen hij aan de erflater schuldig is gebleven.
2. Ook schulden als
bedoeld in artikel 7 lid 1 onder f tot en met h van een erfgenaam aan
een mede-erfgenaam worden, voor zover zij bij de verdeling opeisbaar
zijn, op verlangen en ten behoeve van de mede-erfgenaam toegerekend op
het aandeel van de schuldenaar.
Artikel 229
1. Erfgenamen zijn
verplicht ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun
door de erflater gedane giften in te brengen, voor zover de erflater
dit, hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft
voorgeschreven.
2. Een bij de gift
opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking
worden ongedaan gemaakt.
Artikel 230
Erfgenamen die bij plaatsvervulling opkomen,
moeten behalve de door henzelf ontvangen giften, ieder naar de mate van
zijn erfdeel de giften inbrengen, die hij wiens plaats zij innemen, had
moeten inbrengen, was hij erfgenaam geweest.
Artikel 231
Ook als de begiftigde in een gemeenschap van
goederen of deelgenootschap is gehuwd, komt de gehele gift voor inbreng
in aanmerking, tenzij de erflater het tegendeel heeft bepaald.
Artikel 232
1. De
aansprakelijkheid van de erfgenamen jegens de schuldeisers van de
nalatenschap wordt door een verplichting tot inbreng niet gewijzigd.
2. Bij overgang van
het erfdeel van een erfgenaam gaat zijn recht op of verplichting tot
inbreng mede over.
Artikel 233
1. Verplichting
tot inbreng betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap de
waarde van de gift in mindering komt van het aandeel van de tot
inbreng verplichte erfgenaam in het hem en de erfgenamen, te wier
behoeve de inbreng verplicht is, uit de nalatenschap toekomende
gedeelte, vermeerderd met de onderling in te brengen bedragen. De
waarde van de giften wordt berekend op de wijze als uit artikel 66
voortvloeit; deze waarde wordt verhoogd met een rente van zes procent
per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen. De
artikelen 68 en 70 lid 3 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Inbreng is niet verplicht voor zover de
waarde van de gift groter is dan het aandeel van de erfgenaam.
|