Nadere
regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen en
milieuverontreiniging
Burgerlijk Wetboek Boek 6,
Verbintenissenrecht
Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht
Titel 1. Verbintenissen in het algemeen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit
uit de wet voortvloeit.
Artikel 2
1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht
zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van
redelijkheid en billijkheid.
2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of
rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit
in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 3
1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens
niet- afdwingbare verbintenis.
2. Een natuurlijke verbintenis bestaat:
a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan
een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt;
b. wanneer iemand jegens een ander een
dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving
daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke
opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende
prestatie moet worden aangemerkt.
Artikel 4
Op natuurlijke verbintenissen zijn de wettelijke
bepalingen betreffende verbintenissen van overeenkomstige toepassing,
tenzij de wet of haar strekking meebrengt dat een bepaling geen
toepassing mag vinden op een niet-afdwingbare verbintenis.
Artikel 5
1. Een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in
een rechtens afdwingbare door een overeenkomst van de schuldenaar met
de schuldeiser.
2. Een door de schuldenaar tot de schuldeiser
gericht aanbod tot een zodanige overeenkomst om niet, geldt als
aanvaard, wanneer het aanbod ter kennis van de schuldeiser is gekomen
en deze het niet onverwijld heeft afgewezen.
3. Op de overeenkomst zijn de bepalingen
betreffende schenkingen en giften niet van toepassing.
Afdeling 2. Pluraliteit van schuldenaren en
hoofdelijke verbondenheid
Artikel 6
1. Is een prestatie door twee of meer
schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel
verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat
zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn.
2. Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet,
gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van
een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn
zij hoofdelijk verbonden.
3. Uit een overeenkomst van een schuldenaar met
zijn schuldeiser kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of
meer rechtsopvolgers overgaat, dezen voor ongelijke delen of
hoofdelijk verbonden zullen zijn.
Artikel 7
1. Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk
verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op
nakoming voor het geheel.
2. Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt
ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt,
wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening,
alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren
artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.
Artikel 8
Op de rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke
schuldenaren onderling is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1. Iedere hoofdelijke schuldenaar is bevoegd
namens de overige schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het
vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere
schuldenaren betreft.
2. Uitstel van betaling, door de schuldeiser aan
een der schuldenaren verleend, werkt ook ten aanzien van zijn
medeschuldenaren, voor zover blijkt dat dit de bedoeling van de
schuldeiser is.
Artikel 10
1. Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het
gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat,
verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de
kosten bij te dragen.
2. De verplichting tot bijdragen in de schuld
die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor
meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar
te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste
het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.
3. In door een hoofdelijke schuldenaar in
redelijkheid gemaakte kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen
naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat,
tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.
Artikel 11
1. Een uit hoofde van het vorige artikel tot
bijdragen aangesproken medeschuldenaar kan de verweermiddelen die hij
op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen
jegens de schuldeiser had, ook inroepen tegen de hoofdelijke
schuldenaar die de bijdrage van hem verlangt.
2. Niettemin kan hij een zodanig verweermiddel
niet tegen deze schuldenaar inroepen, indien het na hun beider
verbintenis is ontstaan uit een rechtshandeling die de schuldeiser met
of jegens de aangesprokene heeft verricht.
3. Een beroep op verjaring van de
rechtsvordering van de schuldeiser komt de tot bijdragen aangesprokene
slechts toe, indien op het tijdstip van het ontstaan van de
verplichting tot bijdragen zowel hijzelf als degene die de bijdrage
verlangt, jegens de schuldeiser de voltooiing van de verjaring had
kunnen inroepen.
4. De vorige leden zijn slechts van toepassing,
voor zover uit de rechtsverhouding tussen de schuldenaren niet anders
voortvloeit.
Artikel 12
1. Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke
schuldenaar gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan
gaan de rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en
jegens derden krachtens subrogatie voor dit meerdere op die
schuldenaar over, telkens tot ten hoogste het gedeelte dat de
medeschuldenaar of de derde aangaat in zijn verhouding tot die
schuldenaar.
2. Door de subrogatie wordt de vordering, indien
zij een andere prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering
van gelijke waarde.
Artikel 13
1. Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar
voor een vordering als bedoeld in de artikelen 10 en 12 geheel of
gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel
over al zijn medeschuldenaren omgeslagen naar evenredigheid van de
gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen in hun onderlinge
verhouding aanging.
2. Werd de schuld geheel of gedeeltelijk gedelgd
ten laste van een hoofdelijke schuldenaar wie de schuld zelf niet
aanging en blijkt op geen van de medeschuldenaren wie de schuld wel
aanging verhaal mogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel
over alle medeschuldenaren wie de schuld niet aanging, omgeslagen naar
evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de
delging van de schuld jegens de schuldeiser aansprakelijk was.
3. Ieder der in een omslag betrokkenen blijft
gerechtigd het bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood,
terug te vorderen.
Artikel 14
Afstand door de schuldeiser van zijn
vorderingsrecht jegens een hoofdelijke schuldenaar bevrijdt deze niet
van zijn verplichting tot bijdragen. De schuldeiser kan hem niettemin
van zijn verplichting tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden
door zich jegens deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te
verminderen met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden.
Afdeling 3. Pluraliteit van schuldeisers
Artikel 15
1. Is een prestatie aan twee of meer
schuldeisers verschuldigd, dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht
voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling
voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen toekomt of dat
zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben.
2. Is de prestatie ondeelbaar of valt het recht
daarop in een gemeenschap, dan hebben zij gezamenlijk één
vorderingsrecht.
3. Aan de schuldenaar kan niet worden
tegengeworpen dat het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer
dit recht voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten
heeft gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten dat dit
recht van die gemeenschap ging deel uitmaken.
Artikel 16
Wanneer met de schuldenaar is overeengekomen dat
twee of meer personen als schuldeiser de prestatie van hem voor het
geheel kunnen vorderen, des dat de voldoening aan de een hem ook jegens
de anderen bevrijdt, doch in de onderlinge verhouding van die personen
de prestatie niet aan hen allen gezamenlijk toekomt, zijn op hun
rechtsverhouding jegens de schuldenaar de in geval van gemeenschap
geldende regels van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Alternatieve verbintenissen
Artikel 17
1. Een verbintenis is alternatief, wanneer de
schuldenaar verplicht is tot één van twee of meer verschillende
prestaties ter keuze van hemzelf, van de schuldeiser of van een derde.
2. De keuze komt toe aan de schuldenaar, tenzij
uit wet, gewoonte of rechtshandeling anders voortvloeit.
Artikel 18
Een alternatieve verbintenis wordt enkelvoudig
door het uitbrengen van de keuze door de daartoe bevoegde.
Artikel 19
1. Wanneer de keuze aan een der partijen
toekomt, gaat de bevoegdheid om te kiezen op de andere partij over,
indien deze haar wederpartij een redelijke termijn heeft gesteld tot
bepaling van haar keuze en deze daarbinnen haar keuze niet heeft
uitgebracht.
2. De bevoegdheid om te kiezen gaat echter niet
over op de schuldeiser voordat deze het recht heeft om nakoming te
vorderen, noch op de schuldenaar voordat deze het recht heeft om te
voldoen.
3. Indien op de vordering een pandrecht of een
beslag rust en de aangevangen executie bij gebreke van een keuze niet
kan worden voortgezet, kan de pandhouder of de beslaglegger aan beide
partijen een redelijke termijn stellen om overeenkomstig hun
onderlinge rechtsverhouding een keuze uit te brengen. Indien de keuze
niet binnen deze termijn geschiedt, gaat de bevoegdheid tot kiezen op
de pandhouder of beslaglegger over. Zij zijn gehouden niet nodeloos
van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Artikel 20
1. De onmogelijkheid om een of meer der
prestaties te verrichten doet geen afbreuk aan de bevoegdheid om te
kiezen.
2. Indien de keuze aan de schuldenaar toekomt,
is deze echter niet bevoegd een onmogelijke prestatie te kiezen,
tenzij de onmogelijkheid een gevolg is van een aan de schuldeiser toe
te rekenen oorzaak of deze met de keuze instemt.
Afdeling 5. Voorwaardelijke verbintenissen
Artikel 21
Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij
rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis
afhankelijk is gesteld.
Artikel 22
Een opschortende voorwaarde doet de werking der
verbintenis eerst met het plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen; een
ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden der
gebeurtenis vervallen.
Artikel 23
1. Wanneer de partij die bij de niet-vervulling
belang had, de vervulling heeft belet, geldt de voorwaarde als
vervuld, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
2. Wanneer de partij die bij de vervulling
belang had, deze heeft teweeggebracht, geldt de voorwaarde als niet
vervuld, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
Artikel 24
1. Nadat een ontbindende voorwaarde is vervuld,
is de schuldeiser verplicht de reeds verrichte prestaties ongedaan te
maken, tenzij uit de inhoud of strekking van de rechtshandeling anders
voortvloeit.
2. Strekt de verplichting tot ongedaanmaking tot
teruggave van een goed, dan komen de na de vervulling van de
voorwaarde afgescheiden natuurlijke of opeisbaar geworden burgerlijke
vruchten aan de schuldenaar toe en zijn de artikelen 120-124 van Boek
3 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is
bepaald omtrent de vergoeding van kosten en van schade, voor zover die
kosten en die schade na de vervulling zijn ontstaan.
Artikel 25
Is een krachtens een verbintenis onder
opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie vóór de vervulling van
de voorwaarde verricht, dan kan overeenkomstig afdeling 2 van titel 4
ongedaanmaking van de prestatie worden gevorderd, zolang de voorwaarde
niet in vervulling is gegaan.
Artikel 26
Op voorwaardelijke verbintenissen zijn de
bepalingen betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing,
voor zover het voorwaardelijk karakter van de betrokken verbintenis zich
daartegen niet verzet.
Afdeling 6. Nakoming van verbintenissen
Artikel 27
Hij die een individueel bepaalde zaak moet
afleveren, is verplicht tot de aflevering voor deze zaak zorg te dragen
op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven
omstandigheden zou doen.
Artikel 28
Indien de verschuldigde zaak of zaken slechts zijn
bepaald naar de soort en binnen de aangeduide soort verschil in
kwaliteit bestaat, mag hetgeen de schuldenaar aflevert, niet beneden
goede gemiddelde kwaliteit liggen.
Artikel 29
De schuldenaar is zonder toestemming van de
schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen.
Artikel 30
1. Een verbintenis kan door een ander dan de
schuldenaar worden nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich
daartegen verzet.
2. De schuldeiser komt niet in verzuim, indien
hij een door een derde aangeboden voldoening weigert met goedvinden
van de schuldenaar.
Artikel 31
Betaling aan een onbekwame schuldeiser bevrijdt de
schuldenaar, voor zover het betaalde de onbekwame tot werkelijk voordeel
heeft gestrekt of in de macht is gekomen van diens wettelijke
vertegenwoordiger.
Artikel 32
Betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan
degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen,
bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden
de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat.
Artikel 33
Is de betaling gedaan in weerwil van een beslag of
terwijl de schuldeiser wegens een beperkt recht, een bewind of een
soortgelijk beletsel onbevoegd was haar te ontvangen, en wordt de
schuldenaar deswege genoodzaakt opnieuw te betalen, dan heeft hij
verhaal op de schuldeiser.
Artikel 34
1. De schuldenaar die heeft betaald aan iemand
die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie
betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald,
indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der
betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit
anderen hoofde aan hem moest worden betaald.
2. Indien iemand zijn recht om betaling te
vorderen verliest, in dier voege dat het met terugwerkende kracht aan
een ander toekomt, kan de schuldenaar een inmiddels gedane betaling
aan die ander tegenwerpen, tenzij hetgeen hij omtrent dit verlies kon
voorzien, hem van de betaling had behoren te weerhouden.
Artikel 35
1. Is in geval van betaling door een derde te
zijnen aanzien aan de vereiste van één der leden van het vorige
artikel voldaan, dan kan hij te zijnen behoeve de bevrijdende werking
van die betaling inroepen.
2. De schuldenaar kan de bevrijdende werking van
die betaling te zijnen behoeve inroepen, indien, bij betaling door
hemzelf, ook wat hem betreft aan die vereisten zou zijn voldaan.
Artikel 36
In de gevallen, bedoeld in de twee voorgaande
artikelen, heeft de ware gerechtigde verhaal op degene die de betaling
zonder recht heeft ontvangen.
Artikel 37
De schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn
verbintenis op te schorten, indien hij op redelijke gronden twijfelt aan
wie de betaling moet geschieden.
Artikel 38
Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan
de verbintenis terstond worden nagekomen en kan terstond nakoming worden
gevorderd.
Artikel 39
1. Is wel een tijd voor de nakoming bepaald, dan
wordt vermoed dat dit slechts belet dat eerdere nakoming wordt
gevorderd.
2. Betaling vóór de vervaldag geldt niet als
onverschuldigd.
Artikel 40
De schuldenaar kan de tijdsbepaling niet meer
inroepen:
a. wanneer hij in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard;
b. wanneer hij in gebreke blijft de door hem
toegezegde zekerheid te verschaffen;
c. wanneer door een aan hem toe te rekenen
oorzaak de voor de vordering gestelde zekerheid verminderd is,
tenzij het overgeblevene nog een voldoende waarborg voor de
voldoening oplevert.
Artikel 41
Indien geen plaats voor de nakoming is bepaald,
moet de aflevering van een verschuldigde zaak geschieden:
a. in geval van een individueel bepaalde zaak:
ter plaatse waar zij zich bij het ontstaan van de verbintenis
bevond;
b. in geval van een naar de soort bepaalde
zaak: ter plaatse waar de schuldenaar zijn beroep of bedrijf
uitoefent of, bij gebreke daarvan, zijn woonplaats heeft.
Artikel 42
Hij die ter nakoming van een verbintenis een zaak
heeft afgeleverd waarover hij niet bevoegd was te beschikken, kan
vorderen dat deze wordt afgegeven aan degene aan wie zij toekomt, mits
hij tegelijkertijd een andere, aan de verbintenis beantwoordende zaak
aanbiedt en het belang van de schuldeiser zich niet tegen teruggave
verzet.
Artikel 43
1. Verricht de schuldenaar een betaling die zou
kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een
zelfde schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis
welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst.
2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt
de toerekening in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen.
Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou
kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de
meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de
oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de
toerekening naar evenredigheid.
Artikel 44
1. Betaling van een op een bepaalde verbintenis
toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de
kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte
in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
2. De schuldeiser kan, zonder daardoor in
verzuim te komen, een aanbod tot betaling weigeren, indien de
schuldenaar een andere volgorde voor de toerekening aanwijst.
3. De schuldeiser kan volledige aflossing van de
hoofdsom weigeren, indien daarbij niet tevens de verschenen en lopende
rente alsmede de kosten worden voldaan.
Artikel 45
Slechts met toestemming van de schuldeiser kan een
schuldenaar zich van zijn verbintenis bevrijden door een andere
prestatie dan de verschuldigde, al mocht zij van gelijke of zelfs hogere
waarde zijn.
Artikel 46
1. Wanneer de schuldeiser een cheque,
postcheque, overschrijvingsorder of een ander hem bij wijze van
betaling aangeboden papier in ontvangst neemt, wordt vermoed dat dit
geschiedt onder voorbehoud van goede afloop.
2. Is de schuldeiser bevoegd de nakoming van een
op hem rustende verplichting tot het tijdstip van de betaling op te
schorten, dan behoudt hij dit opschortingsrecht totdat zekerheid van
goede afloop bestaat of door hem had kunnen worden verkregen.
Artikel 47
1. De kosten van betaling komen ten laste van
degene die de verbintenis nakomt.
2. De kosten van een kwitantie komen ten laste
van degene ten behoeve van wie het stuk wordt afgegeven.
Artikel 48
1. De schuldeiser is verplicht voor iedere
voldoening een kwitantie af te geven, tenzij uit overeenkomst,
gewoonte of billijkheid anders voortvloeit.
2. Indien de schuldeiser een ter zake van de
schuld afgegeven bewijsstuk heeft, kan de schuldenaar bij voldoening
bovendien de afgifte van dat bewijsstuk vorderen, tenzij de
schuldeiser een redelijk belang heeft bij het behoud van het stuk en
daarop de nodige aantekening tot bewijs van de bevrijding van de
schuldenaar stelt.
3. De schuldenaar kan de nakoming van zijn
verbintenis opschorten, indien de schuldeiser niet voldoet aan het
voorschrift van het eerste lid.
Artikel 49
1. Bij voldoening van een vordering aan toonder
of order kan de schuldenaar eisen dat een kwijting op het papier wordt
gesteld en dat hem het papier wordt afgegeven.
2. Indien de voldoening niet de gehele vordering
betreft of de schuldeiser het papier nog voor de uitoefening van
andere rechten nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij
naast de kwijting die op het papier is gesteld, tevens een
afzonderlijke kwijting afgeeft.
3. Hij kan, ongeacht of geheel of gedeeltelijk
voldaan wordt volstaan met de enkele afgifte van een kwijting, mits
hij op verlangen van de wederpartij aantoont dat het papier vernietigd
of waardeloos geworden is, of zekerheid stelt voor twintig jaren of
een zoveel kortere tijdsduur als verwacht mag worden dat de
wederpartij nog aan een vordering uit hoofde van het papier bloot zal
kunnen staan.
4. De schuldenaar kan de nakoming van zijn
verbintenis opschorten, indien de schuldeiser niet aan de vorige leden
voldoet.
Artikel 50
1. Moeten op achtereenvolgende tijdstippen
gelijksoortige prestaties worden verricht, dan leveren de kwitanties
van twee achtereenvolgende termijnen het vermoeden op dat ook de
vroegere termijnen zijn voldaan.
2. Indien de schuldeiser een kwitantie afgeeft
voor de hoofdsom, wordt vermoed dat ook de rente en de kosten zijn
voldaan.
Artikel 51
1. Wanneer uit de wet voortvloeit dat iemand
verplicht is tot het stellen van zekerheid of dat het stellen van
zekerheid voorwaarde is voor het intreden van enig rechtsgevolg, heeft
hij die daartoe overgaat, de keuze tussen persoonlijke en zakelijke
zekerheid.
2. De aangeboden zekerheid moet zodanig zijn,
dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente
en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder
moeite verhaal zal kunnen nemen.
3. Is de gestelde zekerheid door een niet aan de
schuldeiser toe te rekenen oorzaak onvoldoende geworden, dan is de
schuldenaar verplicht haar aan te vullen of te vervangen.
Afdeling 7. Opschortingsrechten
Artikel 52
1. Een schuldenaar die een opeisbare vordering
heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis
op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien
tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze
opschorting te rechtvaardigen.
2. Een zodanige samenhang kan onder meer worden
aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit
dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met
elkaar hebben gedaan.
Artikel 53
Een opschortingsrecht kan ook worden ingeroepen
tegen de schuldeisers van de wederpartij.
Artikel 54
Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat:
a. voor zover de nakoming van de verbintenis
van de wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim;
b. voor zover de nakoming van de verbintenis
van de wederpartij blijvend onmogelijk is;
c. voor zover op de vordering van de
wederpartij geen beslag is toegelaten.
Artikel 55
Zodra zekerheid is gesteld voor de voldoening van
de verbintenis van de wederpartij, vervalt de bevoegdheid tot
opschorting, tenzij deze voldoening daardoor onredelijk zou worden
vertraagd.
Artikel 56
Een bevoegdheid tot opschorting blijft ook na
verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij in stand.
Artikel 57
Indien een bevoegdheid tot opschorting voldoet aan
de omschrijving van het retentierecht in artikel 290 van Boek 3, zijn de
bepalingen van de onderhavige afdeling van toepassing, voor zover
daarvan in afdeling 4 van titel 10 van Boek 3 niet is afgeweken.
Afdeling 8. Schuldeisersverzuim
Artikel 58
De schuldeiser komt in verzuim, wanneer nakoming
van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke
medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde
opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden
toegerekend.
Artikel 59
De schuldeiser komt eveneens in verzuim, wanneer
hij ten gevolge van hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan
een verplichting zijnerzijds jegens de schuldenaar en deze op die grond
bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser
opschort.
Artikel 60
Is de schuldeiser in verzuim, dan kan de rechter
op vordering van de schuldenaar bepalen dat deze van zijn verbintenis
bevrijd zal zijn, al dan niet onder door de rechter te stellen
voorwaarden.
Artikel 61
1. Verzuim van de schuldeiser maakt een einde
aan verzuim van de schuldenaar.
2. Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de
schuldenaar niet in verzuim geraken.
Artikel 62
Gedurende het verzuim van de schuldeiser is deze
niet bevoegd maatregelen tot executie te nemen.
Artikel 63
De schuldenaar heeft, binnen de grenzen der
redelijkheid, recht op vergoeding van de kosten, gevallen op een aanbod
of een inbewaringstelling als bedoeld in de artikelen 66-70 of op andere
wijze als gevolg van het verzuim gemaakt.
Artikel 64
Komt tijdens het verzuim van de schuldeiser een
omstandigheid op, die behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk
onmogelijk maakt, dan wordt dit niet aan de schuldenaar toegerekend,
tenzij deze door zijn schuld of die van een ondergeschikte is
tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem
mocht worden gevergd.
Artikel 65
Wanneer bij een verbintenis tot aflevering van
soortzaken de schuldenaar bepaalde, aan de verbintenis beantwoordende
zaken voor de aflevering heeft aangewezen en de schuldeiser daarvan
heeft verwittigd, dan is hij in geval van verzuim van de schuldeiser nog
slechts tot aflevering van deze zaken verplicht. Hij blijft echter
bevoegd tot aflevering van andere zaken die aan de verbintenis
beantwoorden.
Artikel 66
Strekt de verbintenis tot betaling van een geldsom
of tot aflevering van een zaak, dan is in geval van verzuim van de
schuldeiser de schuldenaar bevoegd het verschuldigde ten behoeve van de
schuldeiser in bewaring te stellen.
Artikel 67
De inbewaringstelling van een geldsom geschiedt
door consignatie overeenkomstig de wet, die van een af te leveren zaak
door deze in bewaring te geven aan iemand die zijn bedrijf maakt van het
bewaren van zaken als de betrokkene ter plaatse waar de aflevering moet
geschieden. Op deze bewaring zijn de regels betreffende gerechtelijke
bewaring van toepassing, voor zover uit de artikelen 68-71 niet anders
voortvloeit.
Artikel 68
Gedurende de bewaring loopt over een in bewaring
gestelde geldsom geen rente ten laste van de schuldenaar.
Artikel 69
1. Gedurende de bewaring kan de schuldeiser zijn
verzuim slechts zuiveren door het in bewaring gestelde te aanvaarden.
2. Zolang de schuldeiser het in bewaring
gestelde niet heeft aanvaard, is de bewaargever bevoegd het uit de
bewaring terug te nemen.
Artikel 70
De bewaarder mag de zaak slechts aan de
schuldeiser afgeven, indien deze hem alle kosten van de bewaring
voldoet. Hij is na de afgifte verplicht aan de bewaargever terug te
betalen, wat deze reeds had voldaan. Is de zaak afgegeven, vóórdat de
schuldeiser alle kosten voldeed, dan gaan de rechten te dier zake door
de betaling aan de bewaargever op de bewaarder over.
Artikel 71
De rechtsvordering tegen de schuldenaar verjaart
niet later dan de rechtsvordering tot uitlevering van het in bewaring
gestelde.
Artikel 72
In geval van hoofdelijke verbondenheid gelden de
rechtsgevolgen van het verzuim van de schuldeiser jegens ieder van de
schuldenaren.
Artikel 73
Weigert de schuldeiser een aanbod van een derde,
dan zijn de artikelen 60, 62, 63 en 66-70 ten behoeve van de derde van
overeenkomstige toepassing, mits het aanbod aan de verbintenis
beantwoordt en de derde bij de voldoening een gerechtvaardigd belang
heeft.
Afdeling 9. De gevolgen van het niet nakomen van
een verbintenis
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 74
1. Iedere tekortkoming in de nakoming van een
verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser
daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar
niet kan worden toegerekend.
2. Voor zover nakoming niet reeds blijvend
onmogelijk is, vindt lid 1 slechts toepassing met inachtneming van
hetgeen is bepaald in de tweede paragraaf betreffende het verzuim van
de schuldenaar.
Artikel 75
Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden
toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch
krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen
voor zijn rekening komt.
Artikel 76
Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een
verbintenis gebruik van de hulp van andere personen, dan is hij voor hun
gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk.
Artikel 77
Wordt bij de uitvoering van een verbintenis
gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de
tekortkoming die daardoor ontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij
dit, gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de
verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de
overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.
Artikel 78
1. Indien een tekortkoming de schuldenaar niet
kan worden toegerekend, maar hij in verband met die tekortkoming een
voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben
gehad, heeft de schuldeiser met toepassing van de regels betreffende
ongerechtvaardigde verrijking recht op vergoeding van zijn schade tot
ten hoogste het bedrag van dit voordeel.
2. Bestaat dit voordeel uit een vordering op een
derde, dan kan de schuldenaar aan het vorige lid voldoen door
overdracht van die vordering.
Artikel 79
Is de schuldeiser wiens schuldenaar door een hem
niet toe te rekenen oorzaak verhinderd is na te komen, desondanks in
staat zelf zich door executie of verrekening het verschuldigde te
verschaffen, dan is hij daartoe bevoegd.
Artikel 80
1. De gevolgen van niet-nakoming treden reeds in
voordat de vordering opeisbaar is:
a. indien vaststaat dat nakoming zonder
tekortkoming onmogelijk zal zijn;
b. indien de schuldeiser uit een mededeling
van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming zal
tekortschieten; of
c. indien de schuldeiser goede gronden heeft
te vrezen dat de schuldenaar in de nakoming zal tekortschieten en
deze niet voldoet aan een schriftelijke aanmaning met opgave van
die gronden om zich binnen een bij die aanmaning gestelde
redelijke termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen na te
komen.
2. Het oorspronkelijke tijdstip van
opeisbaarheid blijft gelden voor de verschuldigdheid van
schadevergoeding wegens vertraging en de toerekening aan de
schuldenaar van onmogelijk worden van nakoming tijdens zijn verzuim.
§ 2. Verzuim van de schuldenaar
Artikel 81
De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat
de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen
van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging
hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk
is.
Artikel 82
1. Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar
in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem
een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming
binnen deze termijn uitblijft.
2. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan
nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn,
kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke
mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming
aansprakelijk wordt gesteld.
Artikel 83
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
a. wanneer een voor de voldoening bepaalde
termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij
blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit
onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in
artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen;
c. wanneer de schuldeiser uit een mededeling
van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de
verbintenis zal tekortschieten.
Artikel 84
Elke onmogelijkheid van nakoming, ontstaan tijdens
het verzuim van de schuldenaar en niet toe te rekenen aan de
schuldeiser, wordt aan de schuldenaar toegerekend; deze moet de daardoor
ontstane schade vergoeden, tenzij de schuldeiser de schade ook bij
behoorlijke en tijdige nakoming zou hebben geleden.
Artikel 85
Tot vergoeding van schade wegens vertraging in de
nakoming is de schuldenaar slechts verplicht over de tijd waarin hij in
verzuim is geweest.
Artikel 86
De schuldeiser kan een na het intreden van het
verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt
aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden
schadevergoeding en van de kosten.
Artikel 87
1. Voor zover nakoming niet reeds blijvend
onmogelijk is, wordt de verbintenis omgezet in een tot vervangende
schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de
schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in
plaats van nakoming vordert.
2. Geen omzetting vindt plaats, die door de
tekortkoming, gezien haar ondergeschikte betekenis, niet wordt
gerechtvaardigd.
§ 3. Verdere gevolgen van niet-nakoming
Artikel 88
1. De schuldenaar die in de nakoming van zijn
verbintenis is tekort geschoten, kan aan de schuldeiser een redelijke
termijn stellen, waarbinnen deze moet mededelen welke van de hem bij
de aanvang van de termijn ten dienste staande middelen hij wenst uit
te oefenen, op straffe van slechts aanspraak te kunnen maken:
a. op de schadevergoeding waarop de
tekortkoming recht geeft en, zo de verbintenis strekt tot betaling
van een geldsom, op die geldsom;
b. op ontbinding van de overeenkomst waaruit
de verbintenis voortspruit, indien de schuldenaar zich erop
beroept dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
2. Heeft de schuldeiser nakoming verlangd, doch
wordt daaraan niet binnen een redelijke termijn voldaan, dan kan hij
al zijn rechten wederom doen gelden; het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 89
De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie
geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het
gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de
schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.
Artikel 90
1. Bij een verhindering tot aflevering van een
zaak die aan snel tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan
om een andere reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij in
de gegeven omstandigheden niet van de schuldenaar kan worden gevergd,
is deze bevoegd de zaak op een geschikte wijze te doen verkopen. De
schuldenaar is jegens de schuldeiser tot een zodanige verkoop
gehouden, wanneer diens belangen deze verkoop onmiskenbaar eisen of de
schuldeiser te kennen geeft de verkoop te verlangen.
2. De netto-opbrengst treedt voor de zaak in de
plaats, onverminderd de rechten van de schuldeiser wegens
tekortkomingen in de nakoming van de verbintenis.
§ 4. Boetebeding
Artikel 91
Als boetebeding wordt aangemerkt ieder beding
waarbij is bepaald dat de schuldenaar, indien hij in de nakoming van
zijn verbintenis tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere
prestatie te voldoen, ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade
of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan.
Artikel 92
1. De schuldeiser kan geen nakoming vorderen
zowel van het boetebeding als van de verbintenis waaraan het
boetebeding verbonden is.
2. Hetgeen ingevolge een boetebeding
verschuldigd is treedt in de plaats van de schadevergoeding op grond
van de wet.
3. De schuldeiser kan geen nakoming vorderen van
het boetebeding, indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan
worden toegerekend.
Artikel 93
Voor het vorderen van nakoming van het boetebeding
is een aanmaning of een andere voorafgaande verklaring nodig in dezelfde
gevallen als deze is vereist voor het vorderen van schadevergoeding op
grond van de wet.
Artikel 94
1. Op verlangen van de schuldenaar kan de
rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen
boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van
de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op
grond van de wet.
2. Op verlangen van de schuldeiser kan de
rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, naast een
bedongen boete die bestemd is in de plaats te treden van de
schadevergoeding op grond van de wet, aanvullende schadevergoeding
toekennen.
3. Van lid 1 afwijkende bedingen zijn nietig.
Afdeling 10. Wettelijke verplichtingen tot
schadevergoeding
Artikel 95
De schade die op grond van een wettelijke
verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in
vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op
vergoeding hiervan recht geeft.
Artikel 96
1.Vermogensschade omvat zowel geleden verlies
als gederfde winst.
2.Als vermogensschade komen mede voor vergoeding
in aanmerking:
a. redelijke kosten ter voorkoming of
beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;
b. redelijke kosten ter vaststelling van
schade en aansprakelijkheid;
c. redelijke kosten ter verkrijging van
voldoening buiten rechte, wat de kosten onder b en c betreft,
behoudens voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels
betreffende proceskosten van toepassing zijn.
Artikel 97
De rechter begroot de schade op de wijze die het
meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de
schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Artikel 98
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade
die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de
aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze
gebeurtenis kan worden toegerekend.
Artikel 99
Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer
gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en
staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen
is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder
van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van
een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.
Artikel 100
Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde
naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit
redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade
in rekening worden gebracht.
Artikel 101
1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een
omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de
vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de
vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin
de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben
bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt
of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de
billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten
of andere omstandigheden van het geval eist.
2. Betreft de vergoedingsplicht schade,
toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn
macht had, dan worden bij toepassing van het vorige lid omstandigheden
die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de
benadeelde.
Artikel 102
1. Rust op ieder van twee of meer personen een
verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij
hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens
artikel 10 in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten
bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige
toepassing van artikel 101, tenzij uit wet of rechtshandeling een
andere verdeling voortvloeit.
2. Wanneer de schade mede een gevolg is van een
omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, vindt
artikel 101 toepassing op de vergoedingsplicht van ieder van de in het
vorige lid bedoelde personen afzonderlijk, met dien verstande dat de
benadeelde in totaal van hen niet meer kan vorderen dan hem zou zijn
toegekomen, indien voor de omstandigheden waarop hun
vergoedingsplichten berusten, slechts één persoon aansprakelijk zou
zijn geweest. Indien verhaal op een der tot bijdragen verplichte
personen niet ten volle mogelijk blijkt, kan de rechter op verlangen
van een hunner bepalen dat bij toepassing van artikel 13 het onvoldaan
gebleven deel mede over de benadeelde omgeslagen wordt.
Artikel 103
Schadevergoeding wordt voldaan in geld. Nochthans
kan de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere
vorm dan betaling van een geldsom toekennen. Wordt niet binnen redelijke
termijn aan een zodanige uitspraak voldaan, dan herkrijgt de benadeelde
zijn bevoegdheid om schadevergoeding in geld te verlangen.
Artikel 104
Indien iemand die op grond van onrechtmatige daad
of een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis jegens een ander
aansprakelijk is, door die daad of tekortkoming winst heeft genoten, kan
de rechter op vordering van die ander de schade begroten op het bedrag
van die winst of op een gedeelte daarvan.
Artikel 105
1. De begroting van nog niet ingetreden schade
kan door de rechter geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na
afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het
laatste geval kan de rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot
betaling van een bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek uit
te keren bedragen, al of niet met verplichting tot zekerheidstelling;
deze veroordeling kan geschieden onder door de rechter te stellen
voorwaarden.
2. Voor zover de rechter de schuldenaar
veroordeelt tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, kan hij
in zijn uitspraak bepalen dat deze op verzoek van elk van de partijen
door de rechter die in eerste aanleg van de vordering tot
schadevergoeding heeft kennis genomen, kan worden gewijzigd, indien
zich na de uitspraak omstandigheden voordoen, die voor de omvang van
de vergoedingsplicht van belang zijn en met de mogelijkheid van het
intreden waarvan bij de vaststelling der bedragen geen rekening is
gehouden.
Artikel 106
1.Voor nadeel dat niet in vermogensschade
bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te
stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het
oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel
heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op
andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in
aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht
is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de
geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad
van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die
de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben
gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of
goede naam.
2.Het recht op een vergoeding, als in het vorige
lid bedoeld, is niet vatbaar voor overgang en beslag, tenzij het bij
overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is
ingesteld. Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de
gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding
aanspraak te maken.
Artikel 107
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis
waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel
oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de
gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van de kosten die een
derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de
gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben
gemaakt, van die ander had kunnen vorderen.
2. Hij die krachtens het vorige lid door de
derde tot schadevergoeding wordt aangesproken kan hetzelfde verweer
voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.
Artikel 107a
1.Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis
waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel
oploopt, houdt de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding
waarop de gekwetste aanspraak kan maken rekening met de aanspraak op
loon die de gekwetste heeft krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7
of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst.
2.Indien een werkgever krachtens artikel 629,
lid 1, van Boek 7 of krachtens individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst verplicht is tijdens ziekte of
arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon door te betalen, heeft
hij, indien de ongeschiktheid tot werken van de gekwetste het gevolg
is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, jegens
deze ander recht op schadevergoeding ten bedrage van de door hem
betaalde loon, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor de
aansprakelijke persoon, bij het ontbreken van de
loondoorbetalingsverplichting aansprakelijk zou zijn, verminderd met
een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling
waarvan de aansprakelijke persoon jegens de gekwetste is gehouden.
3.De in lid 2 bedoelde aansprakelijke is
eveneens verplicht tot vergoeding van de door de werkgever gemaakte
redelijke kosten ter nakoming van zijn in artikel 658a van Boek 7
bedoelde verplichtingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer
voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.
4.Indien de aansprakelijke persoon een werknemer
is, heeft de werkgever slechts recht op schadevergoeding indien de
ongeschiktheid tot werken het gevolg is van diens opzet of bewuste
roekeloosheid.
Artikel 108
1.Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis
waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander
verplicht tot vergoeding van schade door het derven van
levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen
van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens
de wet verschuldigde levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de
overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of
ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens
rechterlijke uitspraak verplicht was;
c. aan degenen die reeds vóór de
gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene
in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij
geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is
dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij
redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen
voorzien;
d. aan degene die met de overledene in
gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de
overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke
huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden
op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden
voorzien.
2.Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan
degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze
kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de
omstandigheden van de overledene.
3.Hij die krachtens de vorige leden tot
schadevergoeding wordt aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat
hem tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan.
Artikel 109
1. Indien toekenning van volledige
schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de
aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en
hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou
leiden, kan de rechter een wettelijke verplichting tot
schadevergoeding matigen.
2. De matiging mag niet geschieden tot een lager
bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door
verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken.
3. Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.
Artikel 110
Opdat de aansprakelijkheid die ter zake van schade
kan ontstaan niet hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden
gedekt, te boven gaat, kunnen bij algemene maatregel van bestuur
bedragen worden vastgesteld, waarboven de aansprakelijkheid zich niet
uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van
onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade en de grond
van de aansprakelijkheid.
Afdeling 11. Verbintenissen tot betaling van een
geldsom
Artikel 111
Een verbintenis tot betaling van een geldsom moet
naar haar nominale bedrag worden voldaan, tenzij uit wet, gewoonte of
rechtshandeling anders voortvloeit.
Artikel 112
Het geld dat ter voldoening van de verbintenis
wordt betaald, moet op het tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het
land in welks geld de betaling geschiedt.
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 114
1. Bestaat in een land waar de betaling moet of
mag geschieden ten name van de schuldeiser een rekening, bestemd voor
girale betaling, dan kan de schuldenaar de verbintenis voldoen door
het verschuldigde bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij
de schuldeiser betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten.
2. In het geval van het vorige lid geschiedt de
betaling op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt
gecrediteerd.
Artikel 115
De plaats waar de betaling moet geschieden wordt
bepaald door de artikelen 116-118, tenzij uit wet, gewoonte of
rechtshandeling voortvloeit dat op een andere plaats moet of mag worden
betaald.
Artikel 116
1. De betaling moet worden gedaan aan de
woonplaats van de schuldeiser op het tijdstip van de betaling.
2. De schuldeiser is bevoegd een andere plaats
voor de betaling aan te wijzen in het land van de woonplaats van de
schuldeiser op het tijdstip van de betaling of op het tijdstip van het
ontstaan van de verbintenis.
Artikel 117
Indien de betaling overeenkomstig artikel 116 moet
geschieden op een andere plaats dan de woonplaats van de schuldeiser op
het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis en het voldoen aan de
verbintenis daardoor voor de schuldenaar aanmerkelijk bezwaarlijker zou
worden, is deze bevoegd de betaling op te schorten, totdat de
schuldeiser in een der in artikel 116, lid 2 bedoelde landen een andere
plaats voor de betaling heeft aangewezen, waaraan een zodanig bezwaar
niet is verbonden.
Artikel 118
Indien de verbintenis is ontstaan bij de
uitoefening van bedrijfs- of beroepsbezigheden van de schuldeiser, geldt
in de artikelen 116 en 117 de plaats van vestiging waar die bezigheden
worden uitgeoefend, als woonplaats van de schuldeiser.
Artikel 119
1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens
vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke
rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening
daarvan in verzuim is geweest.
2. Telkens na afloop van een jaar wordt het
bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de
over dat jaar verschuldigde rente.
3. Een bedongen rente die hoger is dan die welke
krachtens de vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats
daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
Artikel 119a
1.De schadevergoeding, verschuldigd wegens
vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in het geval van
een handelsovereenkomst in de wettelijke rente van die som met ingang
van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag
van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft
voldaan. Onder handelsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst om
baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te
doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke
personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of
rechtspersonen.
2.Indien geen uiterste dag van betaling is
overeengekomen, is de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd:
vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen,
of
indien de datum van ontvangst van de factuur
niet vaststaat, of indien de schuldenaar de factuur ontvangt
voordat hij de prestatie heeft ontvangen, vanaf 30 dagen na de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de prestatie is
ontvangen, of
indien de schuldenaar een termijn heeft
bedongen waarbinnen hij de ontvangen prestatie kan aanvaarden dan
wel kan beoordelen of deze aan de overeenkomst beantwoordt, en
indien hij de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft
aanvaard of beoordeeld, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de schuldenaar de prestatie heeft aanvaard
of beoordeeld, dan wel, indien hij zich niet over goedkeuring of
aanvaarding uitspreekt, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag
volgende op die waarop de termijn verstrijkt.
3.Telkens na afloop van een jaar wordt het
bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de
over dat jaar verschuldigde rente.
4.Geen wettelijke rente is verschuldigd wanneer
de schuldeiser zelf in verzuim is.
5.De wettelijke rente is verschuldigd behalve
voor zover de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden
toegerekend.
6.Voor de toepassing van dit artikel wordt met
de wettelijke rente gelijkgesteld een andere overeengekomen rente.
Artikel 120
1.De wettelijke rente bedoeld in artikel 119
wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Wettelijke rente
die loopt op het tijdstip van inwerkingtreding van een nieuwe bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde rentevoet, wordt met
ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend.
2.De wettelijke rente bedoeld in artikel 119a is
gelijk aan de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank
is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie
die heeft plaatsgevonden voor de eerste kalenderdag van het
betreffende halfjaar, vermeerderd met zeven procentpunten. Wettelijke
rente die loopt op de eerste dag van het betreffende halfjaar, wordt
met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend
gedurende een half jaar.
Artikel 121
1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander
geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden, dan is de
schuldenaar bevoegd de verbintenis in het geld van de plaats van
betaling te voldoen.
2. Het vorige lid geldt niet, indien uit wet,
gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaar verplicht
is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de
verbintenis strekt.
Artikel 122
1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander
geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden en is de
schuldenaar niet in staat of beweert hij niet in staat te zijn in dit
geld te voldoen, dan kan de schuldeiser voldoening in het geld van de
plaats van betaling vorderen.
2. Het vorige lid geldt mede, indien de
schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot
betaling waarvan de verbintenis strekt.
Artikel 123
1. Ingeval in Nederland een rechtsvordering
wordt ingesteld ter verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in
buitenlands geld, kan de schuldeiser veroordeling vorderen tot
betaling te zijner keuze in dat buitenlandse geld of in Nederlands
geld.
2. De schuldeiser die een in buitenlands geld
luidende executoriale titel in Nederland kan executeren, kan het hem
verschuldigde bij deze executie opeisen in Nederlands geld.
3. De vorige leden gelden mede, indien de
schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot
betaling waarvan de verbintenis strekt.
Artikel 124
Wordt de verbintenis als gevolg van toepassing van
de artikelen 121, 122 of 123 of van omzetting in een vordering tot
schadevergoeding overeenkomstig het bepaalde in afdeling 9 van titel 1
voldaan in ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt, dan geschiedt
de omrekening naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
Artikel 125
1. Artikel 119 laat onverlet het recht van de
schuldeiser op vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat
na het intreden van het verzuim de koers van het geld tot betaling
waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte van die van het geld
van een of meer andere landen heeft gewijzigd.
2. Het vorige lid is niet van toepassing, indien
de verbintenis strekt tot betaling van Nederlands geld, de betaling in
Nederland moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het
ontstaan van de verbintenis zijn woonplaats in Nederland had.
Artikel 126
Voor de toepassing van deze afdeling geldt als
koers de koers tegen welke de schuldeiser zich onverwijld het geld kan
verschaffen, zulks met inachtneming van hetgeen uit wet, gewoonte en
inhoud of strekking van de verbintenis mocht voortvloeien.
Afdeling 12. Verrekening
Artikel 127
1. Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid
tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn
schuld met een vordering verrekent, gaan beide verbintenissen tot hun
gemeenschappelijk beloop teniet.
2. Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot
verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die
beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd
is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de
betaling van de vordering.
3. De bevoegdheid tot verrekening bestaat niet
ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar
gescheiden vermogens vallen.
Artikel 128
1. De schuldeiser van een vordering aan toonder
of order brengt deze in verrekening door zijn verrekeningsverklaring
op het papier te stellen en dit aan de wederpartij af te geven.
2. Indien de verrekening niet zijn gehele
vordering betreft of hij het papier nog voor de uitoefening van andere
rechten nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij de
verklaring niet alleen op het papier stelt, maar haar ook schriftelijk
tot de wederpartij richt.
3. Hij kan, ongeacht of de verrekening de gehele
vordering betreft, bij enkele, niet op het papier gestelde
schriftelijke verklaring verrekenen, mits hij op verlangen van de
wederpartij aantoont dat het papier vernietigd of waardeloos geworden
is, of zekerheid stelt voor twintig jaren of voor een zoveel kortere
tijdsduur als verwacht mag worden dat de wederpartij nog aan een
vordering uit hoofde van het papier bloot zal kunnen staan.
Artikel 129
1. De verrekening werkt terug tot het tijdstip,
waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.
2. Is over één der vorderingen of over beide
reeds opeisbare rente betaald, dan werkt de verrekening niet verder
terug dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is
voldaan.
3. Indien voor de bepaling van de werking van
een verrekening bij geldschulden een koersberekening nodig is,
geschiedt deze volgens dezelfde maatstaven als wanneer op de dag der
verrekening wederzijdse betaling had plaatsgevonden.
Artikel 130
1. Is een vordering onder bijzondere titel
overgegaan, dan is de schuldenaar bevoegd ondanks de overgang ook een
tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te
brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de
overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem
is opgekomen en opeisbaar geworden.
2. Het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing, wanneer op een vordering beslag is gelegd of een beperkt
recht is gevestigd waarvan mededeling aan de schuldenaar is gedaan.
3. De vorige leden zijn niet van toepassing,
indien de overgang of de vestiging van het beperkte recht een
vordering aan toonder of order betrof en is geschied overeenkomstig
artikel 93 van Boek 3.
Artikel 131
1. De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet
door verjaring van de rechtsvordering.
2. Uitstel van betaling of van executie, bij
wijze van gunst door de schuldeiser verleend, staat aan verrekening
door de schuldeiser niet in de weg.
Artikel 132
Wordt een verrekeningsverklaring uitgebracht door
een daartoe bevoegde, dan kan niettemin de wederpartij die grond had om
nakoming van haar verbintenis te weigeren, aan de verrekeningsverklaring
haar werking ontnemen door op de weigeringsgrond een beroep te doen,
onverwijld nadat die verklaring werd uitgebracht en zij tot dit beroep
in staat was.
Artikel 133
Nadat de ene partij een verrekeningsverklaring
heeft uitgebracht, kan de andere partij, mits onverwijld, aan die
verklaring haar werking ontnemen door alsnog gebruik te maken van een
eigen bevoegdheid tot verrekening, doch alleen indien deze laatste
verrekening verder terugwerkt.
Artikel 134
De schuldenaar uit een wederkerige overeenkomst,
die tot verrekening bevoegd is, kan aan de verklaring van zijn
wederpartij, strekkende tot ontbinding van de overeenkomst wegens
niet-nakoming, haar werking ontnemen door onverwijld van zijn
bevoegdheid tot verrekening gebruik te maken.
Artikel 135
Een schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening:
a. voor zover beslag op de vordering van de
wederpartij niet geldig zou zijn;
b. indien zijn verplichting strekt tot
vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft toegebracht.
Artikel 136
De rechter kan een vordering ondanks een beroep
van de gedaagde op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit
verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering
overigens voor toewijzing vatbaar is.
Artikel 137
1. Voor zover een verrekeningsverklaring
onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn
betrokken, geldt de volgorde van toerekening, aangegeven in de
artikelen 43 lid 2 en 44 lid 1.
2. De wederpartijj van degene die heeft
verklaard te verrekenen, kan door een onverwijld protest aan die
verklaring haar werking ontnemen, indien de toerekening op de haar
verschuldigde hoofdsom, kosten en met inachtneming van artikel 129 te
berekenen rente in deze verklaring in een andere volgorde is geschied
dan die van artikel 44 lid 1.
Artikel 138
1. De omstandigheid dat de plaats van voldoening
der verbintenissen niet dezelfde is, sluit verrekening niet uit. Hij
die verrekent, is in dit geval verplicht zijn wederpartij de schade te
vergoeden die deze lijdt, doordat niet wederzijds te bestemder plaatse
voldoening geschiedt.
2. De wederpartij van degene die ondanks een
verschil in de plaats van nakoming heeft verrekend, kan door een
onverwijld protest aan de verklaring tot verrekening haar werking
ontnemen, als zij er een gerechtvaardigd belang bij heeft dat geen
verrekening, maar nakoming plaatsvindt.
Artikel 139
1. De borg en degene wiens goed voor de schuld
van een ander verbonden is, kunnen de opschorting van hun
aansprakelijkheid inroepen, voor zover de schuldeiser bevoegd is zijn
vordering met een opeisbare schuld aan de schuldenaar te verrekenen.
2. Zij kunnen de bevrijding van hun
aansprakelijkheid inroepen, voor zover de schuldeiser een bevoegdheid
tot verrekening met een schuld aan de schuldenaar heeft doen verloren
gaan, tenzij hij daartoe een redelijke grond had of hem geen schuld
treft.
Artikel 140
1. Moeten tussen twee partijen krachtens wet,
gewoonte of rechtshandeling geldvorderingen en geldschulden in één
rekening worden opgenomen, dan worden zij in de volgorde waarin
partijen volgens de voorgaande artikelen van deze afdeling of
krachtens hun onderlinge rechtsverhouding tot verrekening bevoegd
worden, dadelijk van rechtswege verrekend en is op ieder tijdstip
alleen het saldo verschuldigd. Artikel 137 is niet van toepassing.
2. De partij die de rekening bijhoudt, sluit
deze jaarlijks af en deelt het op dat tijdstip verschuldigde saldo
mede aan de wederpartij met opgave van de aan deze nog niet eerder
medegedeelde posten waaruit het is samengesteld.
3. Indien de wederpartij niet binnen redelijke
tijd tegen het ingevolge het vorige lid medegedeelde saldo
protesteert, geldt dit als tussen partijen vastgesteld.
4. Na vaststelling van het saldo kan ten aanzien
van de afzonderlijke posten geen beroep meer worden gedaan op het
intreden van verjaring of op het verstrijken van een vervaltermijn. De
rechtsvordering tot betaling van het saldo verjaart door verloop van
vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de rekening is geëindigd
en het saldo opeisbaar is geworden.
5. Uit de tussen partijen bestaande
rechtsverhouding kan anders voortvloeien dan in de vorige leden is
bepaald.
Artikel 141
Indien een verbintenis geheel of gedeeltelijk door
verrekening tenietgaat, zijn de leden 1 en 2 van artikel 48 van
overeenkomstige toepassing.
Titel 2. Overgang van vorderingen en schulden en
afstand van vorderingen
Afdeling 1. Gevolgen van overgang van vorderingen
Artikel 142
1. Bij overgang van een vordering op een nieuwe
schuldeiser verkrijgt deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals
rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de
bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten
bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen.
2. Onder de nevenrechten zijn tevens begrepen
het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op
een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of
dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang.
Artikel 143
1. In geval van overgang van een vordering is de
vorige schuldeiser verplicht de op de vordering en op de nevenrechten
betrekking hebbende bewijsstukken af te geven aan de nieuwe
schuldeiser. Behoudt hij zelf belang bij een bewijsstuk, dan is hij
slechts verplicht om aan de nieuwe schuldeiser op diens verlangen en
op diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven, waaruit met
overeenkomstige bewijskracht als uit het oorspronkelijke stuk van de
vordering blijkt.
2. De vorige schuldeiser is tevens verplicht tot
afgifte van de in het vorige artikel bedoelde executoriale titels of,
indien hijzelf belang bij deze titels behoudt, om de nieuwe
schuldeiser tot tenuitvoerlegging daarvan in de gelegenheid te
stellen.
3. In geval van overgang van de gehele vordering
is de vorige schuldeiser verplicht de zich in zijn handen bevindende
panden af te geven aan de nieuwe schuldeiser.
4. In geval van overgang van een vordering
waaraan hypotheek is verbonden, is de vorige schuldeiser verplicht
desverlangd ertoe mede te werken dat uit de openbare registers van
deze overgang blijkt.
Artikel 144
1. Brengt de overdracht van een vordering mee
dat verplichtingen die uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten
voortvloeien, overgaan op de nieuwe schuldeiser, dan staat de vorige
schuldeiser in voor de nakoming van deze verplichtingen.
2. Lid 1 is niet van toepassing in geval van
overdracht van een vordering aan toonder of order overeenkomstig
artikel 93 van Boek 3.
Artikel 145
Overgang van een vordering laat de verweermiddelen
van de schuldenaar onverlet.
Artikel 146
1. Na een overdracht overeenkomstig artikel 93
van Boek 3 van een vordering aan toonder of aan order kan de
schuldenaar een verweermiddel, gegrond op zijn verhouding tot een
vorige schuldeiser, niet tegenwerpen aan de verkrijger en diens
rechtsopvolgers, tenzij op het tijdstip van de overdracht het
verweermiddel bekend was aan de verkrijger of voor hem kenbaar was uit
het papier.
2. Een beroep op onbekwaamheid of onbevoegdheid
kan ook jegens een daarmee niet bekende verkrijger worden gedaan,
indien zij ten tijde van zijn verkrijging kenbaar was uit een in een
openbaar register opgenomen inschrijving, bij of krachtens de wet
voorgeschreven teneinde kennisneming mogelijk te maken van de feiten
waarop de onbevoegdheid of onbekwaamheid berust.
Artikel 147
In geval van overdracht van een papier aan toonder
of aan order verliest degene die volgens dat papier schuldenaar is, en
aan wie is toe te rekenen dat het papier tegen zijn wil in omloop is of
dat zijn handtekening vals of het papier vervalst is, de bevoegdheid
zich daarop te beroepen tegenover de verkrijger te goeder trouw en diens
rechtsopvolgers.
Artikel 148
De artikelen 146 en 147 zijn van overeenkomstige
toepassing in geval van vestiging van een beperkt recht op een vordering
aan toonder of aan order.
Artikel 149
1. Oefent de schuldenaar na overgang van de
vordering onder bijzondere titel jegens de oorspronkelijke schuldeiser
een bevoegdheid uit tot vernietiging of ontbinding van de
rechtshandeling waaruit de vordering voortspruit, dan is hij verplicht
om de nieuwe schuldeiser zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te
doen, tenzij de vernietiging of ontbinding niet aan deze kan worden
tegengeworpen.
2. Na verjaring van de rechtsvordering tot
vernietiging of ontbinding wordt een beroep op de vernietigings- of
ontbindingsgrond ter afwering van een op de rechtshandeling steunende
rechtsvordering of andere rechtsmaatregel gericht tot de nieuwe
schuldeiser en is de schuldenaar verplicht zo spoedig mogelijk nadien
mededeling daarvan aan de oorspronkelijke schuldeiser te doen.
3. De vorige leden zijn van overeenkomstige
toepassing ter zake van de uitoefening van een bevoegdheid van de
schuldenaar tot vernietiging of ontbinding, nadat op de vordering met
mededeling aan hem een beperkt recht is gevestigd.
Afdeling 2. Subrogatie
Artikel 150
Een vordering gaat bij wijze van subrogatie over
op een derde:
a. indien een hem toebehorend goed voor de
vordering wordt uitgewonnen;
b. indien hij de vordering voldoet omdat een
hem toebehorend goed voor de vordering verbonden is;
c. indien hij de vordering voldoet om
uitwinning te voorkomen van een hem niet toebehorend goed, mits door
de uitwinning een recht dat hij op het goed heeft, verloren zou gaan
of de voldoening van een hem toekomend vorderingsrecht in gevaar zou
worden gebracht;
d. krachtens overeenkomst tussen de derde die
de vordering voldoet en de schuldenaar, mits de schuldeiser op het
tijdstip van de voldoening deze overeenkomst kende of hem daarvan
kennis was gegeven.
Artikel 151
1. Subrogatie overeenkomstig artikel 150 vindt
niet plaats voor zover de schuld de derde aangaat in zijn verhouding
tot de schuldenaar.
2. De rechten van de schuldeiser jegens borgen
en personen die geen schuldenaar zijn, gaan slechts op de derde over
tot ten hoogste de bedragen, waarvoor de schuld ieder van hen aangaat
in hun verhouding tot de schuldenaar.
Artikel 152
1. Blijkt verhaal krachtens subrogatie
overeenkomstig artikel 150 geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan
wordt het onvoldaan gebleven deel over de gesubrogeerde en andere in
lid 2 van het vorige artikel genoemde derden omgeslagen naar
evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de
voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk was.
2. De gesubrogeerde kan van geen der andere bij
de omslag betrokken derden een groter bedrag vorderen dan de
oorspronkelijke schuldeiser op het tijdstip van de voldoening op deze
had kunnen verhalen.
3. Ieder der in de omslag betrokkenen blijft
gerechtigd het bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood,
terug te vorderen.
Artikel 153
In het geval van subrogatie in de hoofdvordering
verkrijgt de gesubrogeerde het recht op bedongen rente slechts voor
zover deze betrekking heeft op het tijdvak na de overgang.
Artikel 154
De schuldeiser is jegens degene die, zo hij de
vordering voldoet, zal worden gesubrogeerd, verplicht zich te onthouden
van elke gedraging die ten koste van deze afbreuk doet aan de rechten
waarin hij mag verwachten krachtens de subrogatie te zullen treden.
Afdeling 3. Schuld- en contractsoverneming
Artikel 155
Een schuld gaat van de schuldenaar over op een
derde, indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De
schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser, indien deze
zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis
hebben gegeven.
Artikel 156
1. Heeft de schuldeiser bij voorbaat zijn
toestemming tot een schuldoverneming gegeven, dan vindt de overgang
plaats, zodra de schuldenaar tot overeenstemming is gekomen met de
derde en partijen de schuldeiser schriftelijk van de overneming kennis
hebben gegeven.
2. De schuldeiser kan een bij voorbaat gegeven
toestemming niet herroepen, tenzij hij zich de bevoegdheid daartoe bij
de toestemming heeft voorbehouden.
Artikel 157
1. De bij de vordering behorende nevenrechten
worden na het tijdstip van de overgang tegen de nieuwe in plaats van
tegen de oude schuldenaar uitgeoefend.
2. Tot zekerheid van de overgegane schuld
strekkende rechten van pand en hypotheek op een aan een der partijen
toebehorend goed blijven bestaan; die op een niet aan partijen
toebehorend goed en rechten uit borgtocht gaan door de overgang
teniet, tenzij de pand- of hypotheekgever of borg tevoren in
handhaving heeft toegestemd.
3. Voorrechten op bepaalde goederen waarop de
schuldeiser niet tevens een verhaalsrecht jegens derden heeft, gaan
door de overgang teniet, tenzij de schuldoverneming plaatsvindt ter
uitvoering van de overdracht van een onderneming waartoe ook het goed
waarop het voorrecht rust, behoort. Voorrechten op het vermogen van de
schuldenaar gelden na de overgang als voorrechten op het vermogen van
de nieuwe schuldenaar.
4. Bedongen rechten en boeten, alsmede
dwangsommen die vóór de overgang aan de schuldenaar werden opgelegd,
worden door de nieuwe in plaats van door de oude schuldenaar
verschuldigd, voor zover zij na het tijdstip van de overgang zijn
opeisbaar geworden of verbeurd.
Artikel 158
Indien de rechtsverhouding tussen de vorige en de
nieuwe schuldenaar op grond waarvan de schuld is overgenomen, nietig,
vernietigd of ontbonden is, kan de schuldeiser de schuld weer op de
vorige schuldenaar doen overgaan door daartoe strekkende kennisgevingen
aan de beide betrokken partijen; elk van hen kan de schuldeiser daartoe
een redelijke termijn stellen.
Artikel 159
1. Een partij bij een overeenkomst kan haar
rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste
overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte
akte.
2. Hierdoor gaan alle rechten en verplichtingen
over op de derde, voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds
opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald.
3. Artikel 156 en de leden 1-3 van artikel 157
zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Afstand en vermenging
Artikel 160
1. Een verbintenis gaat teniet door een
overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van
zijn vorderingsrecht afstand doet.
2. Een door de schuldeiser tot de schuldenaar
gericht aanbod tot afstand om niet geldt als aanvaard, wanneer de
schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld
heeft afgewezen.
3. De artikelen 48 leden 1 en 2 en 49 leden 1-3
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 161
1. Een verbintenis gaat teniet door vermenging,
wanneer door overgang van de vordering of de schuld de hoedanigheid
van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon
verenigen.
2. Het vorige lid is niet van toepassing:
a. zolang de vordering en de schuld in van
elkaar gescheiden vermogens vallen;
b. in geval van overdracht overeenkomstig
artikel 93 van Boek 3 van een vordering aan toonder of order;
c. indien de voormelde vereniging van
hoedanigheden het gevolg is van een rechtshandeling onder
ontbindende voorwaarde, zolang niet vaststaat dat de voorwaarde
niet meer in vervulling kan gaan.
3. Tenietgaan van een verbintenis door
vermenging laat de op de vordering rustende rechten van derden
onverlet.
Titel 3. Onrechtmatige daad
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 162
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige
daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade
die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een
inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een
wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader
worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een
oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende
opvattingen voor zijn rekening komt.
Artikel 163
Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat,
wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade
zoals de benadeelde die heeft geleden.
Artikel 164
Een gedraging van een kind dat de leeftijd van
veertien jaren nog niet heeft bereikt, kan aan hem niet als een
onrechtmatige daad worden toegerekend.
Artikel 165
1. De omstandigheid dat een als een doen te
beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder
verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke
tekortkoming, is geen beletsel haar als een onrechtmatige daad aan de
dader toe te rekenen.
2. Is jegens de benadeelde tevens een derde
wegens onvoldoende toezicht aansprakelijk, dan is deze derde jegens de
dader verplicht tot bijdragen in de schadevergoeding voor het gehele
bedrag van zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde.
Artikel 166
1. Indien één van tot een groep behorende
personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus
toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun
gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien
deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
2. Zij moeten onderling voor gelijke delen in de
schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval
de billijkheid een andere verdeling vordert.
Artikel 167
1. Wanneer iemand krachtens deze titel jegens
een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door
onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke
aard, kan de rechter hem op vordering van die ander veroordelen tot
openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te
geven wijze.
2. Hetzelfde geldt, indien aansprakelijkheid
ontbreekt, omdat de publicatie aan de dader wegens diens onbekendheid
met de onjuistheid of onvolledigheid niet als een onrechtmatige daad
is toe te rekenen.
3. In het geval van lid 2 kan de rechter die de
vordering toewijst bepalen dat de kosten van het geding en van de
openbaarmaking van de rectificatie geheel of gedeeltelijk moeten
worden gedragen door degene die de vordering heeft ingesteld. Elk der
partijen heeft voor het gedeelte van de kosten van het geding en van
de openbaarmaking van de rectificatie dat ingevolge de uitspraak door
hem moet worden gedragen, verhaal op ieder die voor de door de
publicatie ontstane schade aansprakelijk is.
Artikel 168
1. De rechter kan een vordering, strekkende tot
verbod van een onrechtmatige gedraging, afwijzen op de grond dat deze
gedraging op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen behoort
te worden geduld. De benadeelde behoudt zijn recht op vergoeding van
de schade overeenkomstig de onderhavige titel.
2. In het geval van artikel 170 is de
ondergeschikte voor deze schade niet aansprakelijk.
3. Wordt aan een veroordeling tot
schadevergoeding of tot het stellen van zekerheid daarvoor niet
voldaan, dan kan de rechter alsnog een verbod van de gedraging
opleggen.
Afdeling 2. Aansprakelijkheid voor personen en
zaken
Artikel 169
1.Voor schade aan een derde toegebracht door een
als een doen te beschouwen gedraging van een kind dat nog niet de
leeftijd van veertien jaren heeft bereikt en aan wie deze gedraging
als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn
leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, is degene die het ouderlijk
gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk.
2.Voor schade, aan een derde toegebracht door
een fout van een kind dat de leeftijd van veertien jaren al wel maar
die van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is degene die het
ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk,
tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind
niet heeft belet.
Artikel 170
1. Voor schade, aan een derde toegebracht door
een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de
ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de
fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en
degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende
rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout
was gelegen.
2. Stond de ondergeschikte in dienst van een
natuurlijke persoon en was hij niet werkzaam voor een beroep of
bedrijf van deze persoon, dan is deze slechts aansprakelijk, indien de
ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van
de hem opgedragen taak.
3. Zijn de ondergeschikte en degene in wiens
dienst hij stond, beiden voor de schade aansprakelijk, dan behoeft de
ondergeschikte in hun onderlinge verhouding niet in de
schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een gevolg is van
zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het
geval, mede gelet op de aard van hun verhouding, kan anders
voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
Artikel 171
Indien een niet ondergeschikte die in opdracht van
een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht,
jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane
fout, is ook die ander jegens de derde aansprakelijk.
Artikel 172
Indien een gedraging van een vertegenwoordiger ter
uitoefening van de hem als zodanig toekomende bevoegdheden een fout
jegens een derde inhoudt, is ook de vertegenwoordigde jegens de derde
aansprakelijk.
Artikel 173
1.De bezitter van een roerende zaak waarvan
bekend is dat zij, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de
gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar
voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich
verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de
vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het
tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben gekend.
2.Indien de zaak niet aan de in het vorige lid
bedoelde eisen voldoet wegens een gebrek als bedoeld in afdeling 3 van
titel 3, bestaat geen aansprakelijkheid op grond van het vorige lid
voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij
a. alle omstandigheden in aanmerking
genomen, aannemelijk is dat het gebrek niet bestond op het
tijdstip waarop het produkt in het verkeer is gebracht of dat het
gebrek op een later tijdstip is ontstaan; of
b. het betreft zaakschade ter zake waarvan
krachtens afdeling 3 van titel 3 geen recht op vergoeding bestaat
op grond van de in die afdeling geregelde franchise.
3.De vorige leden zijn niet van toepassing op
dieren, schepen en luchtvaartuigen.
Artikel 174
1.De bezitter van een opstal die niet voldoet
aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen,
en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit
gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op
grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit
gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.
2.Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de
bezitter van het erfpachtsrecht. Bij openbare wegen rust zij op het
overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert,
bij kabels en leidingen op de kabel- en leidingbeheerder, behalve voor
zover de kabel of leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt
tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk.
3.Bij ondergrondse werken rust de
aansprakelijkheid op degene die op het moment van het bekend worden
van de schade het werk in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt.
Indien na het bekend worden van de schade een ander gebruiker wordt,
blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit
bekend worden gebruiker was. Indien de schade is bekend geworden na
beëindiging van het gebruik van het ondergrondse werk, rust de
aansprakelijkheid op degene die de laatste gebruiker was.
4.Onder opstal in dit artikel worden verstaan
gebouwen en werken, die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij
rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.
5.Degene die in de openbare registers als
eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven, wordt
vermoed de bezitter van de opstal te zijn.
6.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
openbare weg mede begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.
Artikel 175
1. Degene die in de uitoefening van zijn beroep
of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze
stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een
bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, is
aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Onder degene die
een bedrijf uitoefent, wordt mede begrepen elke rechtspersoon die de
stof in de uitoefening van zijn taak gebruikt of onder zich heeft. Als
bijzonder gevaar van ernstige aard geldt in elk geval dat de stof
ontplofbaar, oxyderend, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht
ontvlambaar, dan wel vergiftig of zeer vergiftig is volgens de
criteria en methoden, vastgesteld krachtens artikel 9.2.3.1, derde
lid, van de Wet milieubeheer of indien de stof als zodanig is
ingedeeld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 en titel II van
verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en
intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot
wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353).
2. Bevindt de stof zich in de macht van een
bewaarder die er zijn bedrijf van maakt zodanige stoffen te bewaren,
dan rust de aansprakelijkheid uit het eerste lid op deze. Met een
zodanige bewaarder wordt gelijkgesteld de vervoerder, expediteur,
stuwadoor, bewaarder of soortgelijke ondernemer, die de stof ten
vervoer of uit hoofde van een met het vervoer samenhangende
overeenkomst in ontvangst heeft genomen, zulks voor de periode waarin
de stof zich in zijn macht bevindt zonder dat afdeling 4 van titel 6,
4 van titel 11, 1 van titel 14 of 4 van titel 19 van Boek 8 van
toepassing is.
3. Bevindt de stof zich in een leiding, dan rust
de aansprakelijkheid uit het eerste lid op de leidingbeheerder,
behalve voor zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en
strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dit gebouw of werk.
4. Is de schade een gevolg van verontreiniging
met de stof van lucht, water of bodem, dan rust de aansprakelijkheid
uit het eerste lid op degene die bij de aanvang van de tot
verontreiniging leidende gebeurtenis door dit artikel als
aansprakelijke persoon werd aangewezen. Heeft de verontreiniging
plaatsgevonden doordat de stof in verpakte toestand in water of bodem
is gekomen of op de bodem is achtergelaten, dan wordt die gebeurtenis
geacht op dit tijdstip reeds te zijn aangevangen.
5. Vormt de stof, al of niet tezamen met andere
bestanddelen, een roerende zaak als bedoeld in artikel 173 lid 1, is
zij in een zodanige zaak verpakt of is zij opgeslagen in een daartoe
bestemd gebouw of werk als bedoeld in artikel 174, vierde lid, dan
rust de aansprakelijkheid uit de artikelen 173 en 174, voor wat
betreft de schade die door verwezenlijking van het aan de stof
verbonden gevaar is veroorzaakt, op dezelfde persoon als op wie
krachtens de voorgaande leden aansprakelijkheid ter zake van de stof
rust.
6. Een stof wordt geacht aan de omschrijving van
de eerste zin van het eerste lid te voldoen, wanneer zij bij algemene
maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen. Een stof kan in elk
geval worden aangewezen, als:
a. zij volgens de criteria en methoden,
vastgesteld krachtens artikel 9.2.3.1, derde lid, van de Wet
milieubeheer, behoort tot een der categorieën bedoeld in het
tweede lid van dat artikel, of
b. zij is ingedeeld overeenkomstig de
artikelen 3 en 4 en titel II van verordening (EG) nr. 1272/2008
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16
december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking
van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de
Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353).
Artikel 176
1.De exploitant van een stortplaats is
aansprakelijk voor de schade die voor of na de sluiting van de
stortplaats ontstaat als gevolg van verontreiniging van lucht, water
of bodem met de daar voor die sluiting gestorte stoffen.
2.In dit artikel wordt onder exploitant van een
stortplaats verstaan:
a. degene voor wie een vergunning geldt als
bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer om op het in lid 6
bedoelde terrein een stortplaats op te richten, te veranderen of
de werking daarvan te veranderen of in werking te hebben;
b. een ieder die de stortplaats exploiteert
zonder dat voor hem een zodanige vergunning geldt.
3.Indien na het bekend worden van de schade een
ander exploitant van de stortplaats wordt, blijft de aansprakelijkheid
voor die schade rusten op degene die tijdens dit bekend worden
exploitant was.
4.Indien de schade is bekend geworden na de
sluiting van de stortplaats, rust de aansprakelijkheid op degene die
de laatste exploitant was. Geen aansprakelijkheid op grond van dit
artikel bestaat, wanneer op het tijdstip waarop de schade bekend
wordt, meer dan twintig jaren waren verstreken nadat de stortplaats
was gesloten met inachtneming van de geldende overheidsvoorschriften,
of de schade een gevolg is van gebruik van de grond in strijd met
hetgeen wegens de aanwezigheid van de gesloten stortplaats omtrent dit
gebruik is voorgeschreven.
5.Indien de exploitatie als stortplaats
wettelijk is toegelaten, zijn degenen die de stoffen waardoor de
verontreiniging is opgetreden, daar hebben gestort of doen storten,
noch aansprakelijk krachtens artikel 175, noch krachtens afdeling 4
van titel 6, 4 van titel 11, 1 van titel 14 of 4 van titel 19 van Boek
8. Indien op de stortplaats een zaak als bedoeld in artikel 173 of een
stof als bedoeld in artikel 175 is gestort, rust de aansprakelijkheid
uit die artikelen op degene die krachtens de voorgaande leden als
exploitant van de stortplaats aansprakelijk is.
6.Onder stortplaats is begrepen elk terrein dat
door de exploitant daarvan is bestemd voor het storten van al of niet
verpakte, geheel of ten dele van anderen afkomstige stoffen met als
doel dat de exploitant of die anderen zich van die stoffen ontdoen
door ze daar op of in de bodem te brengen. Onder storten wordt mede
begrepen elke vorm van deponeren of afgeven van de stof op de
stortplaats.
Artikel 177
1.De exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld
in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de
schade die ontstaat door:
uitstroming van delfstoffen als bedoeld in
artikel 1, onderdeel a, van de Mijnbouwwet als gevolg van het niet
beheersen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of
bij de exploitatie van het werk zijn ontketend;
beweging van de bodem als gevolg van de
aanleg of de exploitatie van dat werk.
2.In dit artikel wordt onder exploitant van een
mijnbouwwerk verstaan:
de houder van een vergunning als bedoeld in
artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet, die een mijnbouwwerk aanlegt
of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft;
een ieder die, anders dan als
ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel
in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als
bedoeld in onderdeel a, tenzij hij in opdracht van een ander
handelt die houder is van een vergunning als vorenbedoeld dan wel,
indien die ander dat niet is, hij daarmee niet bekend was of
behoorde te zijn.
3.Voor schade door uitstroming van delfstoffen
is aansprakelijk degene die ten tijde van de gebeurtenis waardoor de
uitstroming plaatsvindt, exploitant van een mijnbouwwerk is. Indien na
deze gebeurtenis een ander exploitant wordt van het mijnbouwwerk,
blijft de aansprakelijkheid voor deze schade rusten op degene die ten
tijde van die gebeurtenis exploitant was. Indien de gebeurtenis
plaatsvindt nadat het mijnbouwwerk is verlaten, rust de
aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant van het werk
was, tenzij op het tijdstip van die gebeurtenis meer dan vijf jaren
waren verstreken nadat het werk was verlaten met inachtneming van de
geldende overheidsvoorschriften.
4.Voor schade door beweging van de bodem is
aansprakelijk degene die ten tijde van het bekend worden van deze
schade exploitant is. Indien na het bekend worden een ander exploitant
wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van
dit bekend worden exploitant was. Indien deze schade bekend wordt na
sluiting van het mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die
de laatste exploitant was.
5.Indien op de gebeurtenis waardoor de
uitstroming of de beweging van de bodem is ontstaan, tevens een
aansprakelijkheid uit artikel 173, 174 of 175 kan worden gegrond, rust
die aansprakelijkheid, wat betreft de door die uitstroming of beweging
van de bodem veroorzaakte schade, op dezelfde persoon als op wie de
aansprakelijkheid ter zake van het mijnbouwwerk rust.
Artikel 178
Geen aansprakelijkheid krachtens artikel 175, 176
of 177 bestaat indien:
a. de schade is veroorzaakt door gewapend
conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of
muiterij;
b. de schade is veroorzaakt door een
natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard, behoudens de in artikel 177 lid 1 bedoelde
ondergrondse natuurkrachten in het geval van dat artikel;
c. de schade is veroorzaakt uitsluitend door
voldoening aan een bevel of dwingend voorschrift van de overheid;
d. de schade is veroorzaakt bij een handeling
met een stof als bedoeld in artikel 175 in het belang van de
benadeelde zelf, waarbij het jegens deze redelijk was hem aan het
gevaar voor schade bloot te stellen;
e. de schade is veroorzaakt uitsluitend door
een handelen of nalaten van een derde, geschied met het opzet schade
te veroorzaken, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 170
en 171;
f. het gaat om hinder, verontreiniging of
andere gevolgen, ter zake waarvan aansprakelijkheid op grond van de
vorige afdeling zou hebben ontbroken, zo zij door de aangesprokene
bewust zouden zijn veroorzaakt.
Artikel 179
De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de
door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van
de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het
dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben
gehad.
Artikel 180
1.In de gevallen van de artikelen 173, 174 en
179 zijn medebezitters hoofdelijk aansprakelijk.
2.In geval van overdracht van een zaak onder
opschortende voorwaarde van voldoening van een tegenprestatie rust de
aansprakelijkheid die de artikelen 173, 174 en 179 op de bezitter
leggen, vanaf het tijdstip van deze overdracht op de verkrijger.
Artikel 181
1.Worden de in de artikelen 173, 174 en 179
bedoelde zaken, opstallen of dieren gebruikt in de uitoefening van een
bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit de artikelen 173 lid 1, 174
lid 1 en lid 2, eerste zin, en 179 op degene die dit bedrijf
uitoefent, tenzij het een opstal betreft en het ontstaan van de schade
niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat.
2.Wanneer de zaken, opstallen of dieren in de
uitoefening van een bedrijf worden gebruikt door ze ter beschikking te
stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander,
dan wordt die ander als de uit hoofde van het vorige lid
aansprakelijke persoon aangemerkt.
3.Wanneer een stof als bedoeld in artikel 175 in
de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt door deze stof ter
beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het beroep
of bedrijf van een ander, wordt die ander als de uit hoofde van
artikel 175 lid 1 aansprakelijke persoon aangemerkt.
Artikel 182
Indien er in de gevallen van de artikelen 176 en
177 tegelijkertijd twee of meer al of niet gezamenlijk handelende
exploitanten zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.
Artikel 183
1.Ter zake van aansprakelijkheid op grond van
deze afdeling kan de aangesprokene geen beroep doen op zijn jeugdige
leeftijd of geestelijke of lichamelijke tekortkoming.
2.Degene die het ouderlijk gezag of voogdij
uitoefent over een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren
heeft bereikt, is in zijn plaats uit de artikelen 173 en 179 voor de
daar bedoelde zaken en dieren aansprakelijk, tenzij deze worden
gebruikt in de uitoefening van een bedrijf.
Artikel 184
1.Onder de schade waarvoor op grond van de
artikelen 173-182 aansprakelijkheid bestaat, vallen ook:
a. de kosten van iedere redelijke maatregel
ter voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen,
nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan dat
schade zal worden veroorzaakt die krachtens die artikelen voor
vergoeding in aanmerking komt;
b. schade en verlies veroorzaakt door zulke
maatregelen.
2.Indien de maatregelen, bedoeld in het vorige
lid, door een ander worden genomen dan degene die de schade zou hebben
geleden ter zake waarvan de ernstige en onmiddellijke dreiging is
ontstaan, kan deze ander slechts vergoeding van de in het vorige lid
bedoelde kosten, schaden en verliezen vorderen, voor zover zij
gevorderd hadden kunnen worden door degene die de dreigende schade zou
hebben geleden, en kan de aangesprokene jegens die ander hetzelfde
verweer voeren als hem jegens deze ten dienste zou hebben gestaan.
Afdeling 3. Produktenaansprakelijkheid
Artikel 185
1. De producent is aansprakelijk voor de schade
veroorzaakt door een gebrek in zijn produkt, tenzij:
a. hij het produkt niet in het verkeer heeft
gebracht;
b. het, gelet op de omstandigheden,
aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt,
niet bestond op het tijdstip waarop hij het produkt in het verkeer
heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan;
c. het produkt noch voor de verkoop of voor
enige andere vorm van verspreiding met een economisch doel van de
producent is vervaardigd, noch is vervaardigd of verspreid in het
kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf;
d. het gebrek een gevolg is van het feit dat
het produkt in overeenstemming is met dwingende
overheidsvoorschriften;
e. het op grond van de stand van de
wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij
het produkt in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van
het gebrek te ontdekken;
f. wat de producent van een grondstof of
fabrikant van een onderdeel betreft, het gebrek is te wijten aan
het ontwerp van het produkt waarvan de grondstof of het onderdeel
een bestanddeel vormt, dan wel aan de instructies die door de
fabrikant van het produkt zijn verstrekt.
2. De aansprakelijkheid van de producent wordt
verminderd of opgeheven rekening houdende met alle omstandigheden,
indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in het produkt
als door schuld van de benadeelde of een persoon voor wie de
benadeelde aansprakelijk is.
3. De aansprakelijkheid van de producent wordt
niet verminderd, indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek
in het produkt als door de gedraging van een derde.
Artikel 186
1. Een produkt is gebrekkig, indien het niet de
veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden
in aanmerking genomen en in het bijzonder
a. de presentatie van het produkt;
b. het redelijkerwijs te verwachten gebruik
van het produkt;
c. het tijdstip waarop het produkt in het
verkeer werd gebracht.
2. Een produkt mag niet als gebrekkig worden
beschouwd uitsluitend omdat nadien een beter produkt in het verkeer is
gebracht.
Artikel 187
1.Onder product wordt voor de toepassing van
deze afdeling verstaan een roerende zaak, ook nadat deze een
bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende of onroerende zaak,
alsmede elektriciteit.
2.Onder "producent" wordt voor de
toepassing van artikel 185 tot en met 193 verstaan de fabrikant van
een eindprodukt, de producent van een grondstof of de fabrikant van
een onderdeel, alsmede een ieder die zich als producent presenteert
door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het
produkt aan te brengen.
3.Onverminderd de aansprakelijkheid van de
producent, wordt een ieder die een produkt in de Europese Economische
Ruimte invoert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of
anderszins te verstrekken in het kader van zijn commerciële
activiteiten, beschouwd als producent; zijn aansprakelijkheid is
dezelfde als die van de producent.
4.Indien niet kan worden vastgesteld wie de
producent van het produkt is, wordt elke leverancier als producent
ervan beschouwd, tenzij hij de benadeelde binnen een redelijke termijn
de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het
produkt heeft geleverd. Indien ten aanzien van een in de Europese
Economische Ruimte geïmporteerd produkt niet kan worden vastgesteld
wie de importeur van dat produkt is, wordt eveneens elke leverancier
als producent ervan beschouwd, tenzij hij de benadeelde binnen een
redelijke termijn de identiteit meedeelt van de importeur in de
Europese Economische Ruimte of van een leverancier binnen de Europese
Economische Ruimte die hem het produkt heeft geleverd.
Artikel 188
De benadeelde moet de schade, het gebrek en het
oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.
Artikel 189
Indien verschillende personen op grond van artikel
185, eerste lid, aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, is elk hunner
voor het geheel aansprakelijk.
Artikel 190
1.De aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 185,
eerste lid, bestaat voor
a. schade door dood of lichamelijk letsel;
b. schade door het produkt toegebracht aan
een andere zaak die gewoonlijk voor gebruik of verbruik in de
privésfeer is bestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in
de privésfeer is gebruikt of verbruikt, met toepassing van een
franchise ten belope van € 500.
2.Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt bij
algemene maatregel van bestuur aangepast, indien op grond van artikel
18, tweede lid, van de EEG-richtlijn van 25 juli 1985 (PbEG nr. L 210)
de in die richtlijn genoemde bedragen worden herzien.
Artikel 191
1.De rechtsvordering tot schadevergoeding van de
benadeelde tegen de producent ingevolge artikel 185, eerste lid,
verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de
identiteit van de producent bekend is geworden of had moeten worden.
2.Het recht op schadevergoeding van de
benadeelde jegens de producent ingevolge artikel 185, eerste lid,
vervalt door verloop van tien jaren na de aanvang van de dag, volgende
op die waarop de producent de zaak die de schade heeft veroorzaakt, in
het verkeer heeft gebracht. Hetzelfde geldt voor het recht van een
derde die mede voor de schade aansprakelijk is, terzake van regres
jegens de producent.
Artikel 192
1. De aansprakelijkheid van de producent uit
hoofde van deze afdeling kan jegens de benadeelde niet worden
uitgesloten of beperkt.
2. Is jegens de benadeelde tevens een derde
aansprakelijk die het produkt niet gebruikt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, dan kan niet ten nadele van die derde worden
afgeweken van de regels inzake het regres.
Artikel 193
Het recht op schadevergoeding jegens de producent
uit hoofde van deze afdeling komt de benadeelde toe, onverminderd alle
andere rechten of vorderingen.
Afdeling 3A. Oneerlijke handelspraktijken
Artikel 193a
1.In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. consument: natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
b. handelaar: natuurlijk persoon of
rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf of degene die ten behoeve van hem handelt;
c. product: goed, elektriciteit daaronder
begrepen, of dienst;
d. handelspraktijk: iedere handeling,
omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële
communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een
handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de
verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan
consumenten;
e. besluit over een overeenkomst: een door
een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en
op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk
betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht
uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument
overgaat tot handelen;
f. professionele toewijding: normale niveau
van bijzondere vakkundigheid en van zorgvuldigheid dat
redelijkerwijs van een handelaar ten aanzien van consumenten mag
worden verwacht, in overeenstemming met de op hem rustende
verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor die handelaar
geldende professionele standaard en eerlijke marktpraktijken;
g. uitnodiging tot aankoop: commerciële
boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan
het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument
aldus in staat stelt een aankoop te doen;
h. ongepaste beïnvloeding: uitbuiten van
een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder
gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen
op een wijze die het vermogen van de consument om een
geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt;
i. gedragscode: regels die vaststellen hoe
handelaren die zich aan de code binden, zich gedragen met
betrekking tot een of meer bepaalde handelspraktijken of
bedrijfssectoren en die niet bij of krachtens wettelijke
voorschriften zijn vastgesteld;
j. houder van een gedragscode: rechtspersoon
of groep van handelaren die verantwoordelijk is voor het opstellen
en herzien van een gedragscode of het toezien op de naleving van
de gedragscode door degenen die zich hieraan hebben gebonden;
k. richtlijn: richtlijn nr. 2005/29/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 mei
2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen
jegens consumenten op de interne markt (PbEG L 149).
2.In deze afdeling wordt mede verstaan onder
gemiddelde consument: het gemiddelde lid van een specifieke groep
waarop de handelaar zich richt of het gemiddelde lid van een
specifieke groep waarvan de handelaar redelijkerwijs kan voorzien dat
die groep wegens hun geestelijke of lichamelijke beperking, hun
leeftijd of goedgelovigheid bijzonder vatbaar is voor de
handelspraktijk of voor het onderliggende product.
3.Deze afdeling is niet van toepassing op de
certificering van goederen van edelmetaal en de vermelding van het
edelmetaalgehalte voor deze goederen.
Artikel 193b
1.Een handelaar handelt onrechtmatig jegens een
consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.
2.Een handelspraktijk is oneerlijk indien een
handelaar handelt:
a. in strijd met de vereisten van
professionele toewijding, en
b. het vermogen van de gemiddelde consument
om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan
worden beperkt,
waardoor de gemiddelde consument een besluit
over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had
genomen.
3.Een handelspraktijk is in het bijzonder
oneerlijk indien een handelaar:
a. een misleidende handelspraktijk verricht
als bedoeld in de artikelen 193c tot en met 193g, of
b. een agressieve handelspraktijk verricht
als bedoeld in de artikelen 193h en 193i.
4.De gangbare en rechtmatige reclamepraktijk
waarbij overdreven uitspraken worden gedaan of uitspraken die niet
letterlijk dienen te worden genomen, maken een reclame op zich niet
oneerlijk.
Artikel 193c
1.Een handelspraktijk is misleidend indien
informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de
gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de
algemene presentatie van de informatie, zoals ten aanzien van:
a. het bestaan of de aard van het product;
b. de voornaamste kenmerken van het product,
zoals beschikbaarheid, voordelen, risico’s, uitvoering,
samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling,
procédé en datum van fabricage of verrichting, levering,
geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid,
specificatie, geografische of commerciële oorsprong, van het
gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke
kenmerken van op het product verrichte tests of controles;
c. de verplichtingen van de handelaar, de
motieven voor de handelspraktijk en de aard van het verkoopproces,
een verklaring of een symbool in verband met directe of indirecte
sponsoring of erkenning van de handelaar of het product;
d. de prijs of de wijze waarop de prijs
wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;
e. de noodzaak van een dienst, onderdeel,
vervanging of reparatie;
f. de hoedanigheid, kenmerken en rechten van
de handelaar of zijn tussenpersoon, zoals zijn identiteit,
vermogen, kwalificaties, status, erkenning, affiliatie,
connecties, industriële, commerciële of eigendomsrechten of zijn
prijzen, bekroningen en onderscheidingen;
g. de rechten van de consument waaronder het
recht van herstel of vervanging van de afgeleverde zaak of het
recht om de prijs te verminderen, of de risico’s die de
consument eventueel loopt,
waardoor de gemiddelde consument een besluit
over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had
genomen.
2.Een handelspraktijk is eveneens misleidend
indien:
a. door de marketing van het product
waaronder het gebruik van vergelijkende reclame verwarring wordt
geschapen ten aanzien van producten, handelsmerken, handelsnamen
of andere onderscheidende kenmerken van een concurrent;
b. de handelaar een verplichting die is
opgenomen in een gedragscode niet nakomt, voor zover:
1°. de verplichting concreet en kenbaar
is, en
2°. de handelaar aangeeft dat hij aan
die gedragscode gebonden is,
waardoor de gemiddelde consument een besluit
over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had
genomen.
Artikel 193d
1.Een handelspraktijk is bovendien misleidend
indien er sprake is van een misleidende omissie.
2.Een misleidende omissie is iedere
handelspraktijk waarbij essentiële informatie welke de gemiddelde
consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie
te nemen, wordt weggelaten, waardoor de gemiddelde consument een
besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet
had genomen.
3.Van een misleidende omissie is eveneens sprake
indien essentiële informatie als bedoeld in lid 2 verborgen wordt
gehouden of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan
wel laat verstrekt wordt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet
reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, waardoor de
gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan
nemen, dat hij anders niet had genomen.
4.Bij de beoordeling of essentiële informatie
is weggelaten of verborgen is gehouden worden de feitelijke context,
de beperkingen van het communicatiemedium alsook de maatregelen die
zijn genomen om de informatie langs andere wegen ter beschikking van
de consument te stellen, in aanmerking genomen.
Artikel 193e
In het geval van een uitnodiging tot aankoop is de
volgende informatie, voor zover deze niet reeds uit de context blijkt,
essentieel als bedoeld in artikel 193d lid 2:
a. de voornaamste kenmerken van het product,
in de mate waarin dit gezien het medium en het product passend is;
b. de identiteit en het geografisch adres van
de handelaar, zijn handelsnaam en, in voorkomend geval, de
identiteit en het geografisch adres van de handelaar namens wie hij
optreedt;
c. de prijs, inclusief belastingen, of, als
het om een product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf
kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend en, in
voorkomend geval, de extra vracht-, leverings- of portokosten of,
indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden
berekend, het feit dat deze extra kosten moeten worden betaald;
d. de wijze van betaling, levering, uitvoering
en het beleid inzake klachtenbehandeling, indien deze afwijken van
de vereisten van professionele toewijding; en
e. indien er een recht op herroeping of
annulering is, het bestaan van dit recht.
Artikel 193f
Indien er sprake is van commerciële communicatie,
reclame of marketing daaronder begrepen, is de informatie genoemd bij of
krachtens de volgende artikelen in ieder geval essentieel als bedoeld in
artikel 193d lid 2:
a. artikel 15d leden 1 en 2 en artikel 15e lid
1 van Boek 3;
b. artikel 46c lid 1 van Boek 7;
c. artikel 48f leden 1 en 2 van Boek 7;
d. artikel 501 lid 1 van Boek 7;
e. artikelen 73 tot en met 75 van de
Geneesmiddelenwet;
f. artikelen 4:20, 4:73 en 5:13 van de Wet op
het financieel toezicht;
g. artikel 2b van de Prijzenwet.
Artikel 193g
De volgende handelspraktijken zijn onder alle
omstandigheden misleidend:
a. beweren aan een gedragscode gebonden te
zijn en daarnaar te handelen, wanneer dit niet het geval is;
b. een vertrouwens-, kwaliteits- of ander
soortgelijk label aanbrengen zonder daarvoor de vereiste toestemming
te hebben gekregen;
c. beweren dat een gedragscode door een
publieke of andere instantie is erkend wanneer dit niet het geval
is;
d. beweren dat een handelaar of een product
door een openbare of particuliere instelling is aanbevolen, erkend
of goedgekeurd terwijl dat niet het geval is, of iets dergelijks
beweren zonder dat aan de voorwaarde voor de aanbeveling, erkenning
of goedkeuring is voldaan;
e. producten tegen een genoemde prijs te koop
aanbieden zonder dat de handelaar aangeeft dat er een gegrond
vermoeden bestaat dat hij deze producten of gelijkwaardige producten
niet tegen die prijs kan leveren of door een andere handelaar kan
doen leveren gedurende een periode en in hoeveelheden die, rekening
houdend met het product, de omvang van de voor het product gevoerde
reclame en de aangeboden prijs, redelijk zijn;
f. producten tegen een genoemde prijs te koop
aanbieden en vervolgens:
1°. weigeren het aangeboden artikel aan
de consument te tonen, of
2°. weigeren een bestelling op te nemen
of het product binnen een redelijke termijn te leveren, of
3°. een exemplaar van het artikel met
gebreken tonen, met de bedoeling een ander product aan te
prijzen;
g. bedrieglijk beweren dat het product slechts
gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn of dat het
slechts onder speciale voorwaarden gedurende een zeer beperkte tijd
beschikbaar zal zijn om de consument onmiddellijk te doen beslissen
en hem geen kans of onvoldoende tijd te geven een geïnformeerd
besluit te nemen;
h. de consument met wie de handelaar
voorafgaand aan de transactie heeft gecommuniceerd in een taal die
geen officiële taal is van de lidstaat waar de handelaar gevestigd
is, beloven een klantendienst te verschaffen en deze dienst
vervolgens enkel beschikbaar te stellen in een andere taal zonder
dit duidelijk aan de consument te laten weten alvorens de consument
de overeenkomst aangaat;
i. beweren of anderszins de indruk wekken dat
een product legaal kan worden verkocht terwijl dit niet het geval
is;
j. wettelijke rechten van consumenten
voorstellen als een onderscheidend kenmerk van het aanbod van de
handelaar;
k. redactionele inhoud in de media, waarvoor
de handelaar heeft betaald, gebruiken om reclame te maken voor een
product, zonder dat dit duidelijk uit de inhoud of uit duidelijk
door de consument identificeerbare beelden of geluiden blijkt;
l. feitelijk onjuiste beweringen doen
betreffende de aard en de omvang van het gevaar dat de persoonlijke
veiligheid van de consument of zijn gezin zou bedreigen indien de
consument het product niet koopt;
m. een product dat lijkt op een door een
bepaalde fabrikant vervaardigd product op een zodanige wijze
aanbevelen dat bij de consument doelbewust de verkeerde indruk wordt
gewekt dat het product inderdaad door die fabrikant is vervaardigd,
terwijl dit niet het geval is;
n. een piramidesysteem opzetten, beheren of
aanbevelen waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een
vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe
consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van
goederen;
o. beweren dat de handelaar op het punt staat
zijn zaak te beëindigen of te verhuizen, indien dit niet het geval
is;
p. beweren dat producten het winnen bij
kansspelen kunnen vergemakkelijken;
q. bedrieglijk beweren dat een product
ziekten, gebreken of misvormingen kan genezen;
r. feitelijk onjuiste informatie verstrekken
over marktomstandigheden of de mogelijkheid het product te
bemachtigen met de bedoeling de consument het product te doen
aanschaffen tegen voorwaarden die minder gunstig zijn dan de normale
marktvoorwaarden;
s. in de context van een handelspraktijk
beweren dat er een wedstrijd wordt georganiseerd of prijzen worden
uitgeloofd zonder de aangekondigde prijzen of een redelijk
alternatief daadwerkelijk toe te kennen;
t. een product als gratis, voor niets of
kosteloos te omschrijven als de consument iets anders moet betalen
dan de onvermijdelijke kosten om in te gaan op het aanbod en het
product af te halen dan wel dit te laten bezorgen;
u. marketingmateriaal voorzien van een factuur
of een soortgelijk document waarin om betaling wordt gevraagd,
waardoor bij de consument de indruk wordt gewekt dat hij het
aangeprezen product al heeft besteld terwijl dat niet het geval is;
v. op bedrieglijke wijze beweren of de indruk
wekken dat de handelaar niet optreedt ten behoeve van zijn handel,
bedrijf, ambacht of beroep of zich op bedrieglijke wijze voordoen
als consument;
w. op bedrieglijke wijze de indruk wekken dat
voor een bepaald product service na verkoop beschikbaar is in een
andere lidstaat dan die waar het product wordt verkocht.
Artikel 193h
1.Een handelspraktijk is in haar feitelijke
context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen,
agressief indien door intimidatie, dwang, waaronder het gebruik van
lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de
vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot
het product aanzienlijk wordt beperkt of kan worden beperkt
waardoor de gemiddelde consument een besluit
over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had
genomen.
2.Bij de bepaling of een handelspraktijk
agressief is, wordt rekening gehouden met:
a. het tijdstip, de plaats, de aard en de
vasthoudendheid die bij de handelspraktijk wordt gedemonstreerd;
b. het gebruik van dreigende gedragingen of
dreigende of grove taal;
c. het uitbuiten door de handelaar van
bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij
het beoordelingsvermogen van de consument kunnen beperken, hetgeen
de handelaar bekend is, met het oogmerk het besluit van de
consument met betrekking tot het product te beïnvloeden;
d. bezwarende of disproportionele
niet-contractuele belemmeringen die door de handelaar zijn
opgelegd ten aanzien van een consument die zijn rechten uit de
overeenkomst wenst uit te oefenen waaronder het recht om de
overeenkomst te beëindigen of een ander product te kiezen;
e. het dreigen met maatregelen die wettelijk
niet kunnen worden genomen.
Artikel 193i
De volgende handelspraktijken zijn onder alle
omstandigheden agressief:
a. de indruk geven dat de consument het pand
niet mag verlaten alvorens er een overeenkomst is opgesteld;
b. het verzoek van de consument om zijn huis
te verlaten of niet meer terug te komen, te negeren, behalve indien,
en voor zover wettelijk gerechtvaardigd wordt beoogd een
contractuele verplichting te doen naleven;
c. hardnekkig en ongewenst aandringen per
telefoon, fax, e-mail of andere afstandsmedia tenzij, voorzover
wettelijk gerechtvaardigd, wordt beoogd een contractuele
verplichting te doen naleven;
d. een consument die op grond van een
verzekeringspolis een vordering indient, om documenten vragen die
redelijkerwijs niet relevant kunnen worden geacht om de geldigheid
van de vordering te beoordelen, dan wel systematisch weigeren
antwoord te geven op daaromtrent gevoerde correspondentie met de
bedoeling de consument ervan te weerhouden zijn contractuele rechten
uit te oefenen;
e. kinderen in reclame er rechtstreeks toe
aanzetten om geadverteerde producten te kopen of om hun ouders of
andere volwassenen ertoe over te halen die producten voor hen te
kopen;
f. vragen om onmiddellijke dan wel uitgestelde
betaling of om terugzending of bewaring van producten die de
handelaar heeft geleverd, maar waar de consument niet om heeft
gevraagd, tenzij het product een vervangingsgoed is als bedoeld in
artikel 46f lid 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
g. de consument uitdrukkelijk meedelen dat,
als hij het product of de dienst niet koopt, de baan of de
bestaansmiddelen van de handelaar in het gedrang komen;
h. de bedrieglijke indruk wekken dat de
consument al een prijs heeft gewonnen of zal winnen dan wel door een
bepaalde handeling te verrichten een prijs zal winnen of een ander
soortgelijk voordeel zal behalen, als er in feite:
1°. geen sprake is van een prijs of een
ander soortgelijk voordeel; of
2°. als het ondernemen van stappen om in
aanmerking te komen voor de prijs of voor een ander soortgelijk
voordeel afhankelijk is van de betaling van een bedrag door de
consument of indien daaraan voor hem kosten zijn verbonden.
Artikel 193j
1.Indien een vordering wordt ingesteld, of een
verzoekschrift als bedoeld in artikel 305d lid 1 van Boek 3 wordt
ingediend ingevolge de artikelen 193b tot en met 193i, rust op de
handelaar de bewijslast ter zake van de materiële juistheid en
volledigheid van de informatie die hij heeft verstrekt als dat passend
lijkt, gelet op de omstandigheden van het geval en met inachtneming
van de rechtmatige belangen van de handelaar en van elke andere partij
bij de procedure.
2.Indien op grond van artikel 193b onrechtmatig
door de handelaar is gehandeld, is hij voor de dientengevolge ontstane
schade aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat zulks noch aan zijn
schuld is te wijten noch op andere grond voor zijn rekening komt.
Afdeling 4. Misleidende en vergelijkende reclame
Artikel 194
Hij die omtrent goederen of diensten die door hem
of degene ten behoeve van wie hij handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt of
laat openbaar maken, handelt onrechtmatig jegens een ander die handelt
in de uitoefening van zijn bedrijf, indien deze mededeling in een of
meer opzichten misleidend is, zoals ten aanzien van:
a. de aard, samenstelling, hoeveelheid,
hoedanigheid, eigenschappen of gebruiksmogelijkheden;
b. de herkomst, de wijze op het tijdstip van
vervaardigen;
c. de omvang van de voorraad;
d. de prijs of de wijze van berekenen daarvan;
e. de aanleiding of het doel van de
aanbieding;
f. de toegekende onderscheidingen,
getuigschriften of andere door derden uitgebrachte beoordelingen of
gedane verklaringen, of de gebezigde wetenschappelijke of vaktermen,
technische bevindingen of statistische gegevens;
g. de voorwaarden, waaronder goederen worden
geleverd of diensten worden verricht of de betaling plaatsvindt;
h. de omvang, inhoud of tijdsduur van de
garantie;
i. de identiteit, hoedanigheden, bekwaamheid
of bevoegdheid en degene door wie, onder wiens leiding of toezicht
of met wiens medewerking de goederen zijn of worden vervaardigd of
aangeboden of de diensten worden verricht.
Artikel 194a
1.Onder vergelijkende reclame wordt verstaan
elke vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een
concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet
worden genoemd.
2.Vergelijkende reclame is, wat de vergelijking
betreft, geoorloofd op voorwaarde dat deze:
a. niet misleidend of een misleidende
handelspraktijk als bedoeld in de artikelen 193c tot en met 193g
is;
b. goederen of diensten vergelijkt die in
dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd;
c. op objectieve wijze een of meer
wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken
van deze goederen en diensten, zoals de prijs, met elkaar
vergelijkt;
d. er niet toe leidt dat op de markt de
adverteerder wordt verward met een concurrent, of de merken,
handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, goederen of
diensten van de adverteerder met die van een concurrent;
e. niet de goede naam schaadt van of zich
niet kleinerend uitlaat over de merken, handelsnamen, andere
onderscheidende kenmerken, goederen, diensten, activiteiten of
omstandigheden van een concurrent;
f. voor producten met een benaming van
oorsprong in elk geval betrekking heeft op producten met dezelfde
benaming;
g. geen oneerlijk voordeel oplevert ten
gevolge van de bekendheid van een merk, handelsnaam of andere
onderscheidende kenmerken van een concurrent dan wel van de
oorsprongsbenamingen van concurrerende producten; en
h. niet goederen of diensten voorstelt als
een imitatie of namaak van goederen of diensten met een beschermd
merk of beschermde handelsnaam.
3.Elke vergelijking die verwijst naar een
speciale aanbieding, moet duidelijk en ondubbelzinnig het einde en, zo
de speciale aanbieding nog niet loopt, het begin aangeven van de
periode gedurende welke de speciale prijs of andere specifieke
voorwaarden gelden dan wel vermelden dat de speciale aanbieding loopt
zo lang de voorraad strekt of de diensten kunnen worden verleend.
Artikel 195
1.Indien een vordering ingevolge artikel 194 of
artikel 194a wordt ingesteld tegen iemand die inhoud en inkleding van
de mededeling geheel of ten dele heeft bepaald of doen bepalen, rust
op hem de bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de
feiten die in de mededeling zijn vervat of daardoor worden
gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter van de
mededeling berust onderscheidenlijk waarop de ongeoorloofdheid van de
vergelijkende reclame berust. Ingeval van vergelijkende reclame dient
degene die inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele
zelf heeft bepaald of doen bepalen binnen korte termijn de bewijzen
aan te dragen waarop de materiële juistheid en volledigheid van de
feitelijke gegevens in de reclame rust.
2.Indien volgens artikel 194 en artikel 194a
onrechtmatig is gehandeld door iemand die inhoud en inkleding van de
mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen, is
hij voor de dientengevolge ontstane schade aansprakelijk, tenzij hij
bewijst dat zulks noch aan zijn schuld is te wijten noch op andere
grond voor zijn rekening komt.
Artikel 196
1.Indien iemand door het openbaar maken of laten
openbaar maken van een in artikel 194 omschreven mededeling of een
ongeoorloofde vergelijkende reclame aan een ander schade heeft
toegebracht of dreigt toe te brengen, kan de rechter hem op vordering
van die ander niet alleen het openbaar maken of laten openbaar maken
van zodanige mededeling of zodanige ongeoorloofde vergelijkende
reclame verbieden, maar ook hem laten veroordelen tot het op een door
de rechter aangegeven wijze openbaar maken of laten openbaar maken van
een rectificatie van die mededeling of die ongeoorloofde vergelijkende
reclame.
2.Indien een vordering als in het vorige lid
bedoeld wordt toegewezen jegens iemand die niet tevens aansprakelijk
is voor de in artikel 195 lid 2 bedoelde schade, is artikel 167 lid 3
van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4A. Aansprakelijkheid bij elektronisch
rechtsverkeer
Artikel 196b
1.Indien een certificatiedienstverlener een
certificaat aan het publiek afgeeft als een gekwalificeerd certificaat
als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet,
of indien hij voor een zodanig certificaat publiekelijk instaat, en
een persoon op grond daarvan handelt in redelijk vertrouwen op:
a. de juistheid, op het tijdstip van
afgifte, van alle in het certificaat opgenomen gegevens en de
opneming van alle voor dit certificaat voorgeschreven gegevens;
b. het feit dat, op het tijdstip van
uitgifte, degene die in het certificaat is aangeduid als
ondertekenaar de houder was van de gegevens voor het aanmaken van
elektronische handtekeningen die behoren bij de in het certificaat
vermelde gegevens voor het verifiëren van elektronische
handtekeningen;
c. het feit dat de gegevens voor het
aanmaken van elektronische handtekeningen en de gegevens voor het
verifiëren van elektronische handtekeningen, indien zij beide
door de certificatiedienstverlener zijn gegenereerd, complementair
kunnen worden gebruikt;
is de certificatiedienstverlener aansprakelijk
voor de dientengevolge door deze persoon geleden schade, tenzij de
certificatiedienstverlener bewijst dat hij niet onzorgvuldig heeft
gehandeld.
2.Een certificatiedienstverlener die een
certificaat aan het publiek heeft afgegeven als een gekwalificeerd
certificaat of voor een zodanig certificaat publiekelijk instaat, en
nalaat de intrekking van dat certificaat te registreren, is, indien
een persoon in redelijk vertrouwen daarop handelt, aansprakelijk voor
de door deze persoon dientengevolge geleden schade, tenzij de
certificatiedienstverlener bewijst dat hij niet onzorgvuldig heeft
gehandeld.
3.Een certificatiedienstverlener kan in een
gekwalificeerd certificaat beperkingen ten aanzien van het gebruik
daarvan opnemen, mits die beperkingen voor derden duidelijk zijn. Een
certificatiedienstverlener is niet aansprakelijk voor schade die het
gevolg is van het gebruik van een gekwalificeerd certificaat in strijd
met daarin overeenkomstig de vorige volzin opgenomen beperkingen.
4.Een certificatiedienstverlener kan in een
gekwalificeerd certificaat een grens aangeven voor de waarde van de
transacties waarvoor het certificaat kan worden gebruikt, mits deze
grens voor derden duidelijk is. Een certificatiedienstverlener is niet
aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een overschrijding van
een overeenkomstig de vorige volzin opgenomen grens.
Artikel 196c
1.Degene die diensten van de
informatiemaatschappij verricht als bedoeld in artikel 15d lid 3 van
Boek 3, bestaande uit het doorgeven van van een ander afkomstige
informatie of het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk
is niet aansprakelijk voor de doorgegeven informatie, indien hij:
a. niet het initiatief tot het doorgeven van
de informatie neemt;
b. niet degene is die bepaalt aan wie de
informatie wordt doorgegeven; en
c. hij de doorgegeven informatie niet heeft
geselecteerd of gewijzigd.
2.Voor de toepassing van lid 1 wordt onder het
enkele doorgeven van van een ander afkomstige informatie en het enkele
verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk mede verstaan de
geautomatiseerde, tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven
informatie, voor zover deze opslag uitsluitend geschiedt ten behoeve
van het doorgeven van die informatie en de duur van deze opslag niet
langer is dan daarvoor redelijkerwijs noodzakelijk is.
3.Degene die diensten van de
informatiemaatschappij verricht als bedoeld in artikel 15d lid 3 van
Boek 3, bestaande uit het geautomatiseerd, tussentijds en tijdelijk
opslaan van van een ander afkomstige informatie voor zover het opslaan
enkel geschiedt om het later doorgeven van die informatie aan anderen
op hun verzoek doeltreffender te maken, is niet aansprakelijk voor het
geautomatiseerd, tussentijds en tijdelijk opslaan van de informatie
indien hij:
a. de informatie niet wijzigt;
b. de toegangsvoorwaarden voor de informatie
in acht neemt;
c. de in de bedrijfstak geldende of
gebruikelijke regels betreffende de bijwerking van de informatie
naleeft;
d. niet de in de bedrijfstak geldende of
gebruikelijke technologie voor het verkrijgen van gegevens over
het gebruik van de informatie wijzigt, en
e. prompt de nodige maatregelen neemt om de
informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te
maken, zodra hij weet dat de informatie is verwijderd van de
plaats waar deze zich oorspronkelijk in het communicatienetwerk
bevond of de toegang daartoe onmogelijk is gemaakt, of dat een
bevoegde autoriteit heeft bevolen de informatie te verwijderen van
de plaats waar deze zich oorspronkelijk in het communicatienetwerk
bevond of de toegang daartoe heeft verboden.
4.Degene die diensten van de
informatiemaatschappij verricht als bedoeld in artikel 15d lid 3 van
Boek 3, bestaande uit het op verzoek opslaan van van een ander
afkomstige informatie, is niet aansprakelijk voor de opgeslagen
informatie, indien hij:
a. niet weet van de activiteit of informatie
met een onrechtmatig karakter en, in geval van een
schadevergoedingsvordering, niet redelijkerwijs behoort te weten
van de activiteit of informatie met een onrechtmatig karakter, dan
wel
b. zodra hij dat weet of redelijkerwijs
behoort te weten, prompt de informatie verwijdert of de toegang
daartoe onmogelijk maakt.
5.Het hiervoor bepaalde staat niet in de weg aan
het verkrijgen van een rechterlijk verbod of bevel.
Afdeling 5. Tijdelijke regeling verhaalsrechten
Artikel 197
1. De artikelen 165, 166, 169, 171, 173, 174,
175, 176, 177 en 185, alsmede de afdelingen 4 van titel 6, 4 van titel
11, 1 van titel 14 en 4 van titel 19 van Boek 8 blijven buiten
toepassing:
a. bij de vaststelling van het totale bedrag
waarvoor aansprakelijkheid naar burgerlijk recht zou bestaan,
vereist voor de berekening van het bedrag waarvoor verhaal bestaat
krachtens artikel 107a en de artikelen 99 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, 90 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 68 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 4:1 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 52a van de
Ziektewet, 61 van de Algemene nabestaandenwet, 65b van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en 8 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
b. bij de vaststelling van het bedrag,
bedoeld in artikel 3 van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren
waarboven de gehoudenheid krachtens die wet of krachtens artikel
70 van de Wet privatisering ABP zich niet uitstrekt.
2. Rechten uit de artikelen 165, 166, 169, 171,
173, 174, 175, 176, 177 en 185, alsmede de afdelingen 4 van titel 6, 4
van titel 11, 1 van titel 14 en 4 van titel 19 van Boek 8 zijn niet
vatbaar voor subrogatie:
a. krachtens artikel 962 van Boek 7,
behoudens voor zover de uitkering door de verzekeraar de
aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens
deze artikelen mede aansprakelijk was;
b. krachtens artikel 6, derde lid, van de
Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
3. Degene wiens verhaal of subrogatie door de
vorige leden wordt uitgesloten, kan de in het tweede lid bedoelde
rechten evenmin krachtens overeenkomst verkrijgen of te zijnen behoeve
door de gerechtigde op diens naam doen uitoefenen.
Titel 4. Verbintenissen uit andere bron dan
onrechtmatige daad of overeenkomst
Afdeling 1. Zaakwaarneming
Artikel 198
Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op
redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang,
zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in
de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.
Artikel 199
1. De zaakwaarnemer is verplicht bij de
waarneming de nodige zorg te betrachten en, voor zover dit
redelijkerwijze van hem kan worden verlangd, de begonnen waarneming
voort te zetten.
2. De zaakwaarnemer doet, zodra dit
redelijkerwijze mogelijk is, aan de belanghebbende verantwoording van
hetgeen hij heeft verricht. Heeft hij voor de belanghebbende gelden
uitgegeven of ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.
Artikel 200
1. De belanghebbende is, voor zover zijn belang
naar behoren is behartigd, gehouden de zaakwaarnemer de schade te
vergoeden, die deze als gevolg van de waarneming heeft geleden.
2. Heeft de zaakwaarnemer in de uitoefening van
een beroep of bedrijf gehandeld, dan heeft hij, voor zover dit
redelijk is, bovendien recht op een vergoeding voor zijn
verrichtingen, met inachtneming van de prijzen die daarvoor ten tijde
van de zaakwaarneming gewoonlijk werden berekend.
Artikel 201
Een zaakwaarnemer is bevoegd rechtshandelingen te
verrichten in naam van de belanghebbende, voor zover diens belang
daardoor naar behoren wordt behartigd.
Artikel 202
Heeft iemand die is opgetreden ter behartiging van
eens anders belang, zich zonder redelijke grond daarmede ingelaten of
dit belang niet naar behoren behartigd, dan kan de belanghebbende door
goedkeuring van het optreden zijn bevoegdheid prijsgeven jegens hem het
gebrek in te roepen. Aan de belanghebbende kan door hem een redelijke
termijn voor de goedkeuring worden gesteld.
Afdeling 2. Onverschuldigde betaling
Artikel 203
1. Degene die een ander zonder rechtsgrond een
goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als
onverschuldigd betaald terug te vorderen.
2. Betreft de onverschuldigde betaling een
geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.
3. Degene die zonder rechtsgrond een prestatie
van andere aard heeft verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger
recht op ongedaanmaking daarvan.
Artikel 204
1. Heeft de ontvanger in een periode waarin hij
redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van het goed geen
rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor
het goed zorg gedragen, dan wordt hem dit niet toegerekend.
2. Degene die namens een ander, maar onbevoegd
een niet aan die ander verschuldigde geldsom heeft ontvangen, is van
zijn verplichting tot teruggave bevrijd, voor zover hij die geldsom
aan die ander heeft doorbetaald in een periode waarin hij
redelijkerwijze met die verplichting geen rekening behoefde te houden.
Artikel 205
Heeft de ontvanger het goed te kwader trouw
aangenomen, dan is hij zonder ingebrekestelling in verzuim.
Artikel 206
De artikelen 120, 121, 123 en 124 van Boek 3 zijn
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is
bepaald omtrent de afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en
schade.
Artikel 207
De ontvanger heeft, tenzij hij het goed te kwader
trouw heeft aangenomen, binnen de grenzen van de redelijkheid ook recht
op vergoeding van de kosten van het ontvangen en teruggeven van het
goed, alsmede van uitgaven in de in artikel 204 bedoelde periode die
zouden zijn uitgebleven als hij het goed niet had ontvangen.
Artikel 208
De ontvanger verliest zijn recht op de in de beide
vorige artikelen bedoelde vergoedingen, indien de wederpartij afstand
doet van haar recht op terugvordering en, voor zover nodig, het
onverschuldigd betaalde ter bevrijding van deze vergoedingen op haar
kosten aan de ontvanger overdraagt. De ontvanger is verplicht aan een
zodanige overdracht mede te werken.
Artikel 209
Op de onbekwame die een onverschuldigde betaling
heeft ontvangen, rusten de in deze afdeling omschreven verplichtingen
slechts, voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft
gestrekt of in de macht van zijn wettelijke vertegenwoordiger is
gekomen.
Artikel 210
1. Op de ongedaanmaking van prestaties die niet
in het geven van een goed hebben bestaan, zijn de artikelen 204-209
van overeenkomstige toepassing.
2. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij
ongedaan wordt gemaakt, dan treedt, voor zover dit redelijk is,
vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van
ontvangst daarvoor in de plaats, indien de ontvanger door de prestatie
is verrijkt, indien het aan hem is toe te rekenen dat de prestatie is
verricht, of indien hij erin had toegestemd een tegenprestatie te
verrichten.
Artikel 211
1. Kan een prestatie die op grond van een
nietige overeenkomst is verricht, naar haar aard niet ongedaan worden
gemaakt en behoort zij ook niet in rechte op geld te worden
gewaardeerd, dan is een tot ongedaanmaking van een tegenprestatie of
tot vergoeding van de waarde daarvan strekkende vordering, voor zover
deze deswege in strijd met redelijkheid en billijkheid zou zijn,
eveneens uitgesloten.
2. Is ingevolge het vorige lid terugvordering
van een overgedragen goed uitgesloten, dan brengt de nietigheid van de
overeenkomst niet de nietigheid van de overdracht mede.
Afdeling 3. Ongerechtvaardigde verrijking
Artikel 212
1. Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten
koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens
schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
2. Voor zover de verrijking is verminderd als
gevolg van een omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden
toegerekend, blijft zij buiten beschouwing.
3. Is de verrijking verminderd in de periode
waarin de verrijkte redelijkerwijze met een verplichting tot
vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden, dan wordt
hem dit niet toegerekend. Bij de vaststelling van deze vermindering
wordt mede rekening gehouden met uitgaven die zonder de verrijking
zouden zijn uitgebleven.
Titel 5. Overeenkomsten in het algemeen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 213
1. Een overeenkomst in de zin van deze titel is
een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens
een of meer andere een verbintenis aangaan.
2. Op overeenkomsten tussen meer dan twee
partijen zijn de wettelijke bepalingen betreffende overeenkomsten niet
toepasselijk, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in
verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen verzet.
Artikel 214
1. Een overeenkomst door een der partijen
gesloten in de uitoefening van haar bedrijf of beroep, is behalve aan
de wettelijke bepalingen ook onderworpen aan een standaardregeling,
wanneer voor de bedrijfstak waartoe het bedrijf behoort, of voor het
beroep ten aanzien van zodanige overeenkomst een standaardregeling
geldt. De bijzondere soorten van overeenkomsten waarvoor
standaardregelingen kunnen worden vastgesteld en de bedrijfstak of het
beroep, waarvoor elk dezer regelingen bestemd is te gelden, worden bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen.
2. Een standaardregeling wordt vastgesteld,
gewijzigd en ingetrokken door een daartoe door Onze Minister van
Justitie te benoemen commissie. Bij de wet worden nadere regelen
gesteld omtrent de wijze van samenstelling en de werkwijze van de
commissies.
3. De vaststelling, wijziging of intrekking van
een standaardregeling wordt niet van kracht voordat zij door Ons is
goedgekeurd en met Ons goedkeuringsbesluit in de Nederlandse
Staatscourant is afgekondigd.
4. Bij een standaardregeling kan worden
afgeweken van wettelijke bepalingen, voor zover daarvan ook afwijking
bij overeenkomst, al of niet met inachtneming van een bepaalde vorm,
is toegelaten. De vorige zin lijdt uitzondering, wanneer uit een
wettelijke bepaling iets anders voortvloeit.
5. Partijen kunnen in hun overeenkomst van een
standaardregeling afwijken. Een standaardregeling kan echter voor
afwijking een bepaalde vorm voorschrijven.
Artikel 215
Voldoet een overeenkomst aan de omschrijving van
twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van
overeenkomsten, dan zijn de voor elk van die soorten gegeven bepalingen
naast elkaar op de overeenkomst van toepassing, behoudens voor zover
deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in
verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.
Artikel 216
Hetgeen in deze en de volgende drie afdelingen is
bepaald, vindt overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige
vermogensrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de strekking van de
betrokken bepalingen in verband met de aard van de rechtshandeling zich
daartegen niet verzet.
Afdeling 2. Het tot stand komen van overeenkomsten
Artikel 217
1. Een overeenkomst komt tot stand door een
aanbod en de aanvaarding daarvan.
2. De artikelen 219-225 zijn van toepassing,
tenzij iets anders voortvloeit uit het aanbod, uit een andere
rechtshandeling of uit een gewoonte.
Artikel 218
Een aanbod is geldig, nietig of vernietigbaar
overeenkomstig de regels voor meerzijdige rechtshandelingen.
Artikel 219
1. Een aanbod kan worden herroepen, tenzij het
een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan
op andere wijze uit het aanbod volgt.
2. De herroeping kan slechts geschieden, zolang
het aanbod niet is aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de
aanvaarding is verzonden. Bevat het aanbod de mededeling dat het
vrijblijvend wordt gedaan, dan kan de herroeping nog onverwijld na de
aanvaarding geschieden.
3. Een beding waarbij één der partijen zich
verbindt om, indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde
overeenkomst te sluiten, geldt als een onherroepelijk aanbod.
Artikel 220
1. Een bij wijze van uitloving voor een bepaalde
tijd gedaan aanbod kan wegens gewichtige redenen worden herroepen of
gewijzigd.
2. In geval van herroeping of wijziging van een
uitloving kan de rechter aan iemand die op grond van de uitloving met
de voorbereiding van een gevraagde prestatie is begonnen, een billijke
schadeloosstelling toekennen.
Artikel 221
1. Een mondeling aanbod vervalt, wanneer het
niet onmiddellijk wordt aanvaard, een schriftelijk aanbod, wanneer het
niet binnen een redelijke tijd wordt aanvaard.
2. Een aanbod vervalt, doordat het wordt
verworpen.
Artikel 222
Een aanbod vervalt niet door de dood of het
verlies van handelingsbekwaamheid van een der partijen, noch doordat een
der partijen de bevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst verliest
als gevolg van een bewind.
Artikel 223
1. De aanbieder kan een te late aanvaarding toch
als tijdig gedaan laten gelden, mits hij dit onverwijld aan de
wederpartij mededeelt.
2. Indien een aanvaarding te laat plaatsvindt,
maar de aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de
wederpartij niet duidelijk was, geldt de aanvaarding als tijdig
gedaan, tenzij hij onverwijld aan de wederpartij mededeelt dat hij het
aanbod als vervallen beschouwt.
Artikel 224
Indien een aanvaarding de aanbieder niet of niet
tijdig bereikt door een omstandigheid op grond waarvan zij krachtens
artikel 37 lid 3, tweede zin, van Boek 3 niettemin haar werking heeft,
wordt de overeenkomst geacht tot stand te zijn gekomen op het tijdstip
waarop zonder de storende omstandigheid de verklaring zou zijn
ontvangen.
Artikel 225
1. Een aanvaarding die van het aanbod afwijkt,
geldt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het
oorspronkelijke.
2. Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord
op een aanbod daarvan slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt
dit antwoord als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig
deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar
maakt tegen de verschillen.
3. Verwijzen aanbod en aanvaarding naar
verschillende algemene voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing
geen werking toe, wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van
de in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden
uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen.
Artikel 226
Stelt de wet voor de totstandkoming van een
overeenkomst een vormvereiste, dan is dit voorschrift van
overeenkomstige toepassing op een overeenkomst waarbij een partij in
wier belang het strekt, zich tot het aangaan van een zodanige
overeenkomst verbindt, tenzij uit de strekking van het voorschrift
anders voortvloeit.
Artikel 227
De verbintenissen die partijen op zich nemen,
moeten bepaalbaar zijn.
Artikel 227a
1. Indien uit de wet voortvloeit dat een
overeenkomst slechts in schriftelijke vorm geldig of onaantastbaar tot
stand komt, is aan deze eis tevens voldaan indien de overeenkomst
langs elektronische weg is totstandgekomen en
a. raadpleegbaar door partijen is;
b. de authenticiteit van de overeenkomst in
voldoende mate gewaarborgd is;
c. het moment van totstandkoming van de
overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld; en
d. de identiteit van de partijen met
voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
2. Lid 1 is niet van toepassing op
overeenkomsten waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de
rechter, een overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een publieke
taak uitoefent.
Artikel 227b
1.Voordat een overeenkomst langs elektronische
weg tot stand komt verstrekt degene die een dienst van de
informatiemaatschappij verleent als bedoeld in artikel 15d lid 3 van
Boek 3 de wederpartij ten minste op duidelijke, begrijpelijke en
ondubbelzinnige wijze informatie over:
a. de wijze waarop de overeenkomst tot stand
zal komen en in het bijzonder welke handelingen daarvoor nodig
zijn;
b. het al dan niet archiveren van de
overeenkomst nadat deze tot stand zal zijn gekomen, alsmede,
indien de overeenkomst wordt gearchiveerd, op welke wijze deze
voor de wederpartij te raadplegen zal zijn;
c. de wijze waarop de wederpartij van door
hem niet gewilde handelingen op de hoogte kan geraken, alsmede de
wijze waarop hij deze kan herstellen voordat de overeenkomst tot
stand komt;
d. de talen waarin de overeenkomst kan
worden gesloten;
e. de gedragscodes waaraan hij zich heeft
onderworpen en de wijze waarop deze gedragscodes voor de
wederpartij langs elektronische weg te raadplegen zijn.
2.De dienstverlener stelt voor of bij het
sluiten van de overeenkomst de voorwaarden daarvan, niet zijnde
algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231, op zodanige wijze aan
de wederpartij ter beschikking, dat deze door hem kunnen worden
opgeslagen zodat deze voor hem toegankelijk zijn ten behoeve van
latere kennisneming.
3.Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten
die uitsluitend door middel van de uitwisseling van elektronische post
of een soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand zijn
gekomen.
4.Een overeenkomst die tot stand is gekomen
onder invloed van het niet naleven door de dienstverlener van zijn in
lid 1, aanhef en onder a, c of d, genoemde verplichtingen, is
vernietigbaar. Indien de dienstverlener zijn in lid 1, aanhef en onder
a of c genoemde verplichting niet is nagekomen, wordt vermoed dat een
overeenkomst onder invloed daarvan tot stand is gekomen.
5.Gedurende de tijd dat de dienstverlener de
informatie, bedoeld in lid 1, onder b en e en lid 2, niet heeft
verstrekt, kan de wederpartij de overeenkomst ontbinden.
6.Tussen partijen die handelen in de uitoefening
van een beroep of bedrijf kan van lid 1 worden afgeweken.
Artikel 227c
1.Degene die een dienst van de
informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3
verleent, stelt de wederpartij passende, doeltreffende en
toegankelijke middelen ter beschikking waarmee de wederpartij voor de
aanvaarding van de overeenkomst van door hem niet gewilde handelingen
op de hoogte kan geraken en waarmee hij deze kan herstellen.
2.Indien een wederpartij van een dienstverlener
langs elektronische weg een verklaring uitbrengt die door de
dienstverlener mag worden opgevat hetzij als een aanvaarding van een
door hem langs elektronische weg gedaan aanbod, hetzij als een aanbod
naar aanleiding van een door hem langs elektronische weg gedane
uitnodiging om in onderhandeling te treden, bevestigt de
dienstverlener zo spoedig mogelijk langs elektronische weg de
ontvangst van deze verklaring. Zolang de ontvangst van een aanvaarding
niet is bevestigd, kan de wederpartij de overeenkomst ontbinden. Het
niet tijdig bevestigen van de ontvangst van een aanbod geldt als
verwerping daarvan.
3.Een verklaring als bedoeld in lid 2 en de
ontvangstbevestiging worden geacht te zijn ontvangen, wanneer deze
toegankelijk zijn voor de partijen tot wie zij zijn gericht.
4.De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing
indien de overeenkomst uitsluitend door middel van de uitwisseling van
elektronische post of een soortgelijke vorm van individuele
communicatie tot stand komt.
5.Een overeenkomst die tot stand is gekomen
onder invloed van het niet naleven door de dienstverlener van zijn in
lid 1 genoemde verplichting, is vernietigbaar. Indien de
dienstverlener zijn in lid 1 genoemde verplichting niet is nagekomen,
wordt vermoed dat een overeenkomst onder invloed daarvan tot stand is
gekomen.
6.Van dit artikel kan slechts worden afgeweken
tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of
bedrijf.
Artikel 228
1. Een overeenkomst die is tot stand gekomen
onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken
niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:
a. indien de dwaling te wijten is aan een
inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de
overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
b. indien de wederpartij in verband met
hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de
dwalende had behoren in te lichten;
c. indien de wederpartij bij het sluiten van
de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de
dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling
van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor
van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
2. De vernietiging kan niet worden gegrond op
een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of
die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer
geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening
van de dwalende behoort te blijven.
Artikel 229
Een overeenkomst die de strekking heeft voort te
bouwen op een reeds tussen partijen bestaande rechtsverhouding, is
vernietigbaar, indien deze rechtsverhouding ontbreekt, tenzij dit in
verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende
opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van degene
die zich op dit ontbreken beroept, behoort te blijven.
Artikel 230
1. De bevoegdheid tot vernietiging op grond van
de artikelen 228 en 229 vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een
wijziging van de gevolgen van de overeenkomst voorstelt, die het
nadeel dat de tot vernietiging bevoegde bij intstandhouding van de
overeenkomst lijdt, op afdoende wijze opheft.
2. Bovendien kan de rechter op verlangen van een
der partijen, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de
gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen.
Afdeling 2a. Informatie over dienstverrichters en
hun diensten naar aanleiding van de dienstenrichtlijn
Artikel 230a
In deze afdeling wordt verstaan onder:
afnemer: natuurlijke persoon die onderdaan is
van een lidstaat of die rechten heeft die hem door communautaire
besluiten zijn verleend, of een rechtspersoon in de zin van artikel
48 van het Verdrag die in een lidstaat is gevestigd en, al dan niet
voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken;
bevoegde instantie: bestuursorgaan, een ander
orgaan of een autoriteit, dat of die een toezichthoudende,
vergunningverlenende of regelgevende rol vervult ten aanzien van
diensten;
centraal loket: het centraal loket, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de Dienstenwet;
dienst: economische activiteit, anders dan in
loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, als bedoeld
in artikel 50 van het Verdrag;
dienstverrichter: natuurlijke persoon die
onderdaan is van een lidstaat of een rechtspersoon in de zin van
artikel 48 van het Verdrag, die in een lidstaat is gevestigd en die
een dienst aanbiedt of verricht;
lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of van
de Europese Economische Ruimte;
vergunning: beslissing, uitdrukkelijk of
stilzwijgend, over de toegang tot of de uitoefening van een dienst;
vergunningstelsel: procedure die voor een
dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde
instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een vergunning.
Artikel 230b
De dienstverrichter die diensten verricht als
bedoeld in richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de
interne markt (PbEU L 376), stelt de afnemer van die diensten de
volgende gegevens ter beschikking:
1. zijn naam, rechtspositie en rechtsvorm, het
geografisch adres waar hij is gevestigd, zijn adresgegevens, zodat
de afnemers hem snel kunnen bereiken en rechtstreeks met hem kunnen
communiceren, eventueel langs elektronische weg;
2. wanneer de dienstverrichter in een
handelsregister of in een vergelijkbaar openbaar register is
ingeschreven, de naam van dat register en het nummer waaronder hij
is ingeschreven, of gelijkwaardige gegevens uit dat register die ter
identificatie dienen;
3. wanneer voor de activiteit een
vergunningstelsel geldt, de adresgegevens van de bevoegde instantie
of van het centraal loket;
4. wanneer de dienstverrichter een
btw-plichtige activiteit uitoefent, het nummer bedoeld in artikel
214, eerste lid, onder a, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van
de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het
Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU
L 347);
5. voor gereglementeerde beroepen: elke
beroepsorde of vergelijkbare organisatie waarbij de dienstverrichter
is ingeschreven, alsmede de beroepstitel en de lidstaat waar die is
verleend;
6. in voorkomend geval, de algemene
voorwaarden en bepalingen die de dienstverrichter hanteert;
7. het eventuele bestaan van door de
dienstverrichter gehanteerde contractuele bepalingen betreffende het
op de overeenkomst toepasselijke recht of de bevoegde rechter;
8. het eventuele bestaan van niet bij wet
voorgeschreven garantie na verkoop;
9. de prijs van de dienst wanneer de
dienstverrichter de prijs van een bepaald soort dienst vooraf heeft
vastgesteld;
10. de belangrijkste kenmerken van de dienst
wanneer deze niet uit de context blijken;
11. de in artikel 23, lid 1 van de in de
aanhef van dit artikel genoemde richtlijn, bedoelde verzekering of
waarborgen, met name de adresgegevens van de verzekeraar of de borg
en de geografische dekking;
12. adresgegevens, met name een postadres,
faxnummer of e-mailadres en een telefoonnummer, waar alle afnemers,
ook die die in andere lidstaten verblijven, een klacht kunnen
indienen of informatie over de verrichte dienst kunnen vragen.
Indien dit niet hun gebruikelijke correspondentieadres is, wordt hun
wettelijke adres verstrekt. Op eventuele klachten wordt zo snel
mogelijk gereageerd en alles wordt in het werk gesteld om een
bevredigende oplossing te vinden;
13. wanneer een dienstverrichter gebonden is
aan een gedragscode of lid is van een handelsvereniging of
beroepsorde die voorziet in een regeling voor buitengerechtelijke
geschillenbeslechting, wordt dienaangaande informatie verstrekt. De
dienstverrichter vermeldt dit in elk document waarin zijn diensten
in detail worden beschreven en geeft daarbij aan hoe toegang kan
worden verkregen tot gedetailleerde informatie over de kenmerken en
toepassingsvoorwaarden van deze regeling.
Artikel 230c
De in artikel 230b bedoelde informatie, naar keuze
van de dienstverrichter, bedoeld in artikel 230b, aanhef:
1. wordt op eigen initiatief door de
dienstverrichter verstrekt;
2. is voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk
op de plaats waar de dienst wordt verricht of de overeenkomst wordt
gesloten;
3. is voor de afnemer gemakkelijk elektronisch
toegankelijk op een door de dienstverrichter meegedeeld adres;
4. is opgenomen in alle door de
dienstverrichter aan de afnemer verstrekte documenten waarin deze
diensten in detail worden beschreven.
Artikel 230d
De dienstverrichters, bedoeld in artikel 230b,
aanhef, verstrekken de afnemer van diensten op diens verzoek de volgende
aanvullende informatie:
1. wanneer de dienstverrichter de prijs van
een bepaald soort dienst niet vooraf heeft vastgesteld, de prijs van
de dienst of, indien de precieze prijs niet kan worden gegeven, de
manier waarop de prijs wordt berekend, zodat de afnemer de prijs kan
controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming;
2. voor gereglementeerde beroepen, een
verwijzing naar de in de lidstaat van vestiging geldende
beroepsregels en de wijze waarop hierin inzage kan worden verkregen;
3. informatie over hun multidisciplinaire
activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met
de betrokken dienst, en over de maatregelen die zij ter voorkoming
van belangenconflicten hebben genomen. Deze informatie is opgenomen
in elk informatiedocument waarin dienstverrichters hun diensten in
detail beschrijven;
4. gedragscodes die op dienstverrichters van
toepassing zijn, alsmede het adres waar zij elektronisch kunnen
worden geraadpleegd en de beschikbare talen waarin deze codes kunnen
worden geraadpleegd.
Artikel 230e
De informatie, bedoeld in deze afdeling, is
correct, helder en ondubbelzinnig. De informatie wordt tijdig voor de
sluiting van een schriftelijke overeenkomst of, indien er geen
schriftelijke overeenkomst is, voor de verrichting van de dienst
meegedeeld of beschikbaar gesteld.
Artikel 230f
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld ter uitvoering van besluiten op grond van artikel
22, zesde lid, van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten
op de interne markt (PbEU L 376).
Afdeling 3. Algemene voorwaarden
Artikel 231
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. algemene voorwaarden: een of meer bedingen
die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden
opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de
prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen
duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd;
b. gebruiker: degene die algemene voorwaarden
in een overeenkomst gebruikt;
c. wederpartij: degene die door ondertekening
van een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene
voorwaarden heeft aanvaard.
Artikel 232
Een wederpartij is ook dan aan de algemene
voorwaarden gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de
gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet
kende.
Artikel 233
Een beding in algemene voorwaarden is
vernietigbaar
a. indien het, gelet op de aard en de overige
inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot
stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de
overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor
de wederpartij; of
b. indien de gebruiker aan de wederpartij niet
een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene
voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 234
1. De gebruiker heeft aan de wederpartij de in
artikel 233 onder b bedoelde mogelijkheid geboden, indien hij de
algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan
de wederpartij ter hand heeft gesteld of, indien dit redelijkerwijs
niet mogelijk is, voor de totstandkoming van de overeenkomst aan de
wederpartij heeft bekend gemaakt dat de voorwaarden bij hem ter inzage
liggen of bij een door hem opgegeven Kamer van Koophandel en Fabrieken
of een griffie van een gerecht zijn gedeponeerd, alsmede dat zij op
verzoek zullen worden toegezonden. Indien de voorwaarden niet voor of
bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn
gesteld, zijn de bedingen tevens vernietigbaar indien de gebruiker de
voorwaarden niet op verzoek van de wederpartij onverwijld op zijn
kosten aan haar toezendt. Het omtrent de verplichting tot toezending
bepaalde is niet van toepassing, voor zover deze toezending
redelijkerwijze niet van de gebruiker kan worden gevergd.
2. De gebruiker heeft tevens aan de wederpartij
de in artikel 233 onder b bedoelde mogelijkheid geboden, indien hij de
algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan
de wederpartij langs elektronische weg ter beschikking heeft gesteld
op een zodanige wijze dat deze door haar kunnen worden opgeslagen en
voor haar toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming of,
indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming van
de overeenkomst aan de wederpartij heeft bekend gemaakt waar van de
voorwaarden langs elektronische weg kan worden kennisgenomen, alsmede
dat zij op verzoek langs elektronische weg of op andere wijze zullen
worden toegezonden.
Indien de voorwaarden niet voor of bij het
sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij langs elektronische weg
ter beschikking zijn gesteld, zijn de bedingen tevens vernietigbaar
indien de gebruiker de voorwaarden niet op verzoek van de wederpartij
onverwijld op zijn kosten langs elektronische weg of op andere wijze
aan haar toezendt.
3. Voor het op de in lid 2 bedoelde wijze bieden
van een redelijke mogelijkheid om van de algemene voorwaarden kennis
te nemen is de uitdrukkelijke instemming van de wederpartij vereist
indien de overeenkomst niet langs elektronische weg tot stand komt.
Artikel 235
1.Op de vernietigingsgronden bedoeld in de
artikelen 233 en 234 kan geen beroep worden gedaan door
a. een rechtspersoon bedoeld in artikel 360
van Boek 2, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten
aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk artikel 403 lid 1 van
Boek 2 is toegepast;
b. een partij op wie het onder a bepaalde
niet van toepassing is, indien op voormeld tijdstip bij haar
vijftig of meer personen werkzaam zijn of op dat tijdstip uit een
opgave krachtens de Handelsregisterwet 2007 blijkt dat bij haar
vijftig of meer personen werkzaam zijn.
2.Op de vernietigingsgrond bedoeld in artikel
233 onder a , kan mede een beroep worden gedaan door een partij voor
wie de algemene voorwaarden door een gevolmachtigde zijn gebruikt,
mits de wederpartij meermalen overeenkomsten sluit waarop dezelfde of
nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden van toepassing zijn.
3.Op de vernietigingsgronden bedoeld in de
artikelen 233 en 234, kan geen beroep worden gedaan door een partij
die meermalen dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden in
haar overeenkomsten gebruikt.
4.De termijn bedoeld in artikel 52 lid 1 onder d
van Boek 3, begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop
een beroep op het beding is gedaan.
Artikel 236
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een
wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in
de algemene voorwaarden voorkomend beding
a. dat de wederpartij geheel en
onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de gebruiker toegezegde
prestatie op te eisen;
b. dat de aan de wederpartij toekomende
bevoegdheid tot ontbinding, zoals deze in afdeling 5 van titel 5 is
geregeld, uitsluit of beperkt;
c. dat een de wederpartij volgens de wet
toekomende bevoegdheid tot opschorting van de nakoming uitsluit of
beperkt of de gebruiker een verdergaande bevoegdheid tot opschorting
verleent dan hem volgens de wet toekomt;
d. dat de beoordeling van de vraag of de
gebruiker in de nakoming van een of meer van zijn verbintenissen is
te kort geschoten aan hem zelf overlaat, of dat de uitoefening van
de rechten die de wederpartij ter zake van een zodanige tekortkoming
volgens de wet toekomen, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat
deze eerst een derde in rechte heeft aangesproken;
e. krachtens hetwelk de wederpartij aan de
gebruiker bij voorbaat toestemming verleent zijn uit de overeenkomst
voortvloeiende verplichtingen op een der in afdeling 3 van titel 2
bedoelde wijzen op een derde te doen overgaan, tenzij de wederpartij
te allen tijde de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden, of
de gebruiker jegens de wederpartij aansprakelijk is voor de nakoming
door de derde, of de overgang plaatsvindt in verband met de
overdracht van een onderneming waartoe zowel die verplichtingen als
de daartegenover bedongen rechten behoren;
f. dat voor het geval uit de overeenkomst voor
de gebruiker voortvloeiende rechten op een derde overgaan, ertoe
strekt bevoegdheden of verweermiddelen die de wederpartij volgens de
wet jegens die derde zou kunnen doen gelden, uit te sluiten of te
beperken;
g. dat een wettelijke verjarings- of
vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend
maken, tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van
minder dan een jaar verkort;
h. dat voor het geval bij de uitvoering van de
overeenkomst schade aan een derde wordt toegebracht door de
gebruiker of door een persoon of zaak waarvoor deze aansprakelijk
is, de wederpartij verplicht deze schade hetzij aan de derde te
vergoeden, hetzij in haar verhouding tot de gebruiker voor een
groter deel te dragen dan waartoe zij volgens de wet verplicht zou
zijn;
i. dat de gebruiker de bevoegdheid geeft de
door hem bedongen prijs binnen drie maanden na het sluiten van de
overeenkomst te verhogen, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat
geval de overeenkomst te ontbinden;
j. dat in geval van een overeenkomst tot het
geregeld afleveren van zaken, elektriciteit daaronder begrepen, of
tot het geregeld doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende
verlenging of vernieuwing van meer dan een jaar;
k. dat de bevoegdheid van de wederpartij om
bewijs te leveren uitsluit of beperkt, of dat de uit de wet
voortvloeiende verdeling van de bewijslast ten nadele van de
wederpartij wijzigt, hetzij doordat het een verklaring van haar
bevat omtrent de deugdelijkheid van de haar verschuldigde prestatie,
hetzij doordat het haar belast met het bewijs dat een tekortkoming
van de gebruiker aan hem kan worden toegerekend;
l. dat ten nadele van de wederpartij afwijkt
van artikel 37 van Boek 3, tenzij het betrekking heeft op de vorm
van door de wederpartij af te leggen verklaringen of bepaalt dat de
gebruiker het hem door de wederpartij opgegeven adres als zodanig
mag blijven beschouwen totdat hem een nieuw adres is meegedeeld;
m. waarbij een wederpartij die bij het aangaan
van de overeenkomst werkelijke woonplaats in een gemeente in
Nederland heeft, woonplaats kiest anders dan voor het geval zij te
eniger tijd geen bekende werkelijke woonplaats in die gemeente zal
hebben, tenzij de overeenkomst betrekking heeft op een registergoed
en woonplaats ten kantore van een notaris wordt gekozen;
n. dat voorziet in de beslechting van een
geschil door een ander dan hetzij de rechter die volgens de wet
bevoegd zou zijn, hetzij een of meer arbiters, tenzij het de
wederpartij een termijn gunt van tenminste een maand nadat de
gebruiker zich schriftelijk jegens haar op het beding heeft
beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet
bevoegde rechter te kiezen.
Artikel 237
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een
wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in
de algemene voorwaarden voorkomend beding
a. dat de gebruiker een, gelet op de
omstandigheden van het geval, ongebruikelijk lange of onvoldoende
bepaalde termijn geeft om op een aanbod of een andere verklaring van
de wederpartij te reageren;
b. dat de inhoud van de verplichtingen van de
gebruiker wezenlijk beperkt ten opzichte van hetgeen de wederpartij,
mede gelet op de wettelijke regels die op de overeenkomst betrekking
hebben, zonder dat beding redelijkerwijs mocht verwachten;
c. dat de gebruiker de bevoegdheid verleent
een prestatie te verschaffen die wezenlijk van de toegezegde
prestatie afwijkt, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de
overeenkomst te ontbinden;
d. dat de gebruiker van zijn gebondenheid aan
de overeenkomst bevrijdt of hem de bevoegdheid daartoe geeft anders
dan op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn
dat deze gebondenheid niet meer van hem kan worden gevergd;
e. dat de gebruiker een ongebruikelijk lange
of onvoldoende bepaalde termijn voor de nakoming geeft;
f. dat de gebruiker of een derde geheel of ten
dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding;
g. dat een de wederpartij volgens de wet
toekomende bevoegdheid tot verrekening uitsluit of beperkt of de
gebruiker een verdergaande bevoegdheid tot verrekening verleent dan
hem volgens de wet toekomt;
h. dat als sanctie op bepaalde gedragingen van
de wederpartij, nalaten daaronder begrepen, verval stelt van haar
toekomende rechten of van de bevoegdheid bepaalde verweren te
voeren, behoudens voor zover deze gedragingen het verval van die
rechten of verweren rechtvaardigen;
i. dat voor het geval de overeenkomst wordt
beëindigd anders dan op grond van het feit dat de wederpartij in de
nakoming van haar verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij
verplicht een geldsom te betalen, behoudens voor zover het betreft
een redelijke vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of
gederfde winst;
j. dat de wederpartij verplicht tot het
sluiten van een overeenkomst met de gebruiker of met een derde,
tenzij dit, mede gelet op het verband van die overeenkomst met de in
dit artikel bedoelde overeenkomst, redelijkerwijze van de
wederpartij kan worden gevergd;
k. dat voor een overeenkomst als bedoeld in
artikel 236 onder j een duur bepaalt van meer dan een jaar, tenzij
de wederpartij de bevoegdheid heeft de overeenkomst telkens na een
jaar op te zeggen;
l. dat de wederpartij aan een opzegtermijn
bindt die langer is dan drie maanden of langer dan de termijn waarop
de gebruiker de overeenkomst kan opzeggen;
m. dat voor de geldigheid van een door de
wederpartij te verrichten verklaring een strengere vorm dan het
vereiste van een onderhandse akte stelt;
n. dat bepaalt dat een door de wederpartij
verleende volmacht onherroepelijk is of niet eindigt door haar dood
of ondercuratelestelling, tenzij de volmacht strekt tot levering van
een registergoed.
Artikel 238
1.Bij een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 236 en 237, kan jegens de wederpartij geen beroep worden
gedaan
a. op het feit dat de overeenkomst in naam
van een derde is gesloten, indien dit beroep berust op het enkele
feit dat een beding van deze strekking in de algemene voorwaarden
voorkomt;
b. op het feit dat de algemene voorwaarden
beperkingen bevatten van de bevoegdheid van een gevolmachtigde van
de gebruiker, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze
zonder het beding niet behoefde te verwachten, tenzij zij ze
kende.
2.Bij een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 236 en 237 moeten de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn
opgesteld. Bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de
voor de wederpartij gunstigste uitleg.
Artikel 239
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de
onderdelen a-n van artikel 237 worden gewijzigd en kan hun
toepassingsgebied worden beperkt.
2.Alvorens een voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een maatregel als bedoeld in het eerste
lid te doen, kan Onze Minister van Justitie de naar zijn oordeel
representatieve organisaties van hen die bij het sluiten van de
overeenkomsten waarop de maatregel betrekking heeft, algemene
voorwaarden plegen te gebruiken en van hen die bij die overeenkomsten
als hun wederpartij plegen op te treden, horen.
3.Een besluit als in het eerste lid bedoeld
wordt zodra het is vastgesteld toegezonden aan de voorzitters van de
beide Kamers van de Staten-Generaal. Een dergelijk besluit treedt niet
in werking dan nadat twee maanden zijn verstreken sinds de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
Artikel 240
1.Op vordering van een rechtspersoon als bedoeld
in lid 3 kunnen bepaalde bedingen in bepaalde algemene voorwaarden
onredelijk bezwarend worden verklaard; de artikelen 233 onder a , 236
en 237 zijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de
vorige zin wordt een beding in algemene voorwaarden dat in strijd is
met een dwingende wetsbepaling, als onredelijk bezwarend aangemerkt.
Bij de beoordeling van een beding blijft de uitlegregel van artikel
238 lid 2, tweede zin, buiten toepassing.
2.De vordering kan worden ingesteld tegen de
gebruiker, alsmede tegen een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die ten doel heeft de behartiging van de belangen
van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen, indien hij het
gebruik van de algemene voorwaarden door die personen bevordert.
3.De vordering komt toe aan rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid die ten doel hebben de behartiging van
belangen van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen of van
eindgebruikers van niet voor een beroep of bedrijf bestemde goederen
of diensten. Zij kan slechts betrekking hebben op algemene voorwaarden
die worden gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in
overeenkomsten met personen wier belangen door de rechtspersoon worden
behartigd.
4.De eiser is niet ontvankelijk indien niet
blijkt dat hij, alvorens de vordering in te stellen, de gebruiker of,
in het geval bedoeld in artikel 1003 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, de aldaar bedoelde vereniging, de gelegenheid heeft
geboden om in onderling overleg de algemene voorwaarden zodanig te
wijzigen dat de bezwaren die grond voor de vordering zouden opleveren,
zijn weggenomen. Een termijn van twee weken na de ontvangst van een
verzoek tot overleg onder vermelding van de bezwaren, is daartoe in
elk geval voldoende.
5.Voor zover een rechtspersoon met het gebruik
van bedingen in algemene voorwaarden heeft ingestemd, komt hem geen
vordering als bedoeld in lid 1 toe.
6.Met een rechtspersoon als bedoeld in lid 3
wordt gelijk gesteld een organisatie of openbaar lichaam met zetel
buiten Nederland welke geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4
lid 3 van richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van
inbreuken in het raam van de bescherming van consumentenbelangen (PbEG
L 166), mits de vordering betrekking heeft op algemene voorwaarden die
worden gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten
met personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het land waar de
organisatie of het openbaar lichaam gezeteld is, en de organisatie
deze belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het
openbaar lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
Artikel 241
1.Het Gerechtshof te 's-Gravenhage is bij
uitsluiting bevoegd tot kennisneming van vorderingen als in het vorige
artikel bedoeld.
2.De in het vorige artikel bedoelde
rechtspersonen hebben de bevoegdheden, geregeld in de artikelen 217 en
376 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; artikel 379 van
dat wetboek is niet van toepassing.
3.Op vordering van de eiser kan aan de uitspraak
worden verbonden
a. een verbod van het gebruik van de door de
uitspraak getroffen bedingen of van het bevorderen daarvan;
b. een gebod om een aanbeveling tot het
gebruik van deze bedingen te herroepen;
c. een veroordeling tot het openbaar maken
of laten openbaar maken van de uitspraak, zulks op door de rechter
te bepalen wijze en op kosten van de door de rechter aan te geven
partij of partijen.
4.De rechter kan in zijn uitspraak aangeven op
welke wijze het onredelijk bezwarend karakter van de bedingen waarop
de uitspraak betrekking heeft, kan worden weggenomen.
5.Geschillen terzake van de tenuitvoerlegging
van de in lid 3 bedoelde veroordelingen, alsmede van de veroordeling
tot betaling van een dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij
uitsluiting door het Gerechtshof te 's-Gravenhage beslist.
6.Tot kennisneming van vorderingen in kort
geding strekkende tot veroordelingen als bedoeld in lid 3, ingesteld
door rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid 3, is de
voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting
bevoegd. Lid 5, alsmede de artikelen 62, 116 lid 2, 1003, 1005, 1006
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 242
1.Op vordering van een of meer van degenen tegen
wie de in artikel 240 lid 1 bedoelde uitspraak is gedaan, kan de
rechter die uitspraak wijzigen of opheffen op grond dat zij tengevolge
van een wijziging in de omstandigheden niet langer gerechtvaardigd is.
De vordering wordt ingesteld tegen de rechtspersoon op wiens vordering
de uitspraak was gedaan.
2.Indien de rechtspersoon op wiens vordering de
uitspraak was gedaan, is ontbonden, wordt de zaak met een
verzoekschrift ingeleid. Voor de toepassing van artikel 279 lid 1 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden rechtspersonen als
bedoeld in artikel 240 lid 3 als belanghebbenden aangemerkt.
3.Artikel 241 leden 1, 2, 3 onder c en 5 is van
overeenkomstige toepassing.
4.De vorige leden zijn niet van toepassing voor
zover de uitspraak betrekking had op een beding dat door de wet als
onredelijk bezwarend wordt aangemerkt.
Artikel 243
Een beding in algemene voorwaarden dat door degene
jegens wie een verbod tot gebruik ervan is uitgesproken, in strijd met
het verbod in een overeenkomst wordt opgenomen, is vernietigbaar.
Artikel 235 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 244
1.Een persoon die handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, kan geen beroep doen op een beding in een
overeenkomst met een partij die terzake van de goederen of diensten
waarop die overeenkomst betrekking heeft, met gebruikmaking van
algemene voorwaarden overeenkomsten met haar afnemers heeft gesloten,
voor zover een beroep op dat beding onredelijk zou zijn wegens zijn
nauwe samenhang met een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
dat krachtens deze afdeling is vernietigd of door een uitspraak als
bedoeld in artikel 240 lid 1 is getroffen.
2.Is tegen de gebruiker een vordering als
bedoeld in artikel 240 lid 1 ingesteld, dan is hij bevoegd die persoon
in het geding te roepen teneinde voor recht te horen verklaren dat een
beroep als bedoeld in het vorige lid onredelijk zou zijn. Artikel 241
leden 2, 3 onder c, 4 en 5 alsmede de artikelen 210, 211 en 215 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.Op de uitspraak is artikel 242 van
overeenkomstige toepassing.
4.Op eerdere overeenkomsten met betrekking tot
de voormelde goederen en diensten zijn de leden 1-3 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 245
Deze afdeling is noch van toepassing op
arbeidsovereenkomsten, noch op collectieve arbeidsovereenkomsten.
Artikel 246
Noch van de artikelen 231-244, noch van de
bepalingen van de in artikel 239 lid 1 bedoelde algemene maatregelen van
bestuur kan worden afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens
deze afdeling door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen,
kan niet worden uitgesloten.
Artikel 247
1. Op overeenkomsten tussen partijen die
handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die beide in
Nederland gevestigd zijn, is deze afdeling van toepassing, ongeacht
het recht dat de overeenkomst beheerst.
2. Op overeenkomsten tussen partijen die
handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide
in Nederland gevestigd zijn, is deze afdeling niet van toepassing,
ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
3. Een partij is in de zin van de leden 1 en 2
in Nederland gevestigd, indien haar hoofdvestiging, of, zo de
prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de
hoofdvestiging moet worden verricht, deze andere vestiging zich in
Nederland bevindt.
4. Op overeenkomsten tussen een gebruiker en een
wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening
van een beroep of bedrijf, is, indien de wederpartij haar gewone
verblijfplaats in Nederland heeft, deze afdeling van toepassing,
ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
Afdeling 4. Rechtsgevolgen van overeenkomsten
Artikel 248
1. Een overeenkomst heeft niet alleen de door
partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de
aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van
redelijkheid en billijkheid voortvloeien.
2. Een tussen partijen als gevolg van de
overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in
de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 249
De rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden mede
voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de
overeenkomst iets anders voortvloeit. In het geval van verdeling van een
nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 gelden de rechtsgevolgen
van de overeenkomst niet mede voor de kinderen van de erflater, tenzij
uit de overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 250
Bij overeenkomst kan worden afgeweken van de
volgende artikelen van deze afdeling, met uitzondering van de artikelen
251 lid 3, 252 lid 2 voor zover het de eis van een notariële akte
betreft, en lid 3, 253 lid 1, 257, 258, 259 en 260.
Artikel 251
1. Staat een uit een overeenkomst
voortvloeiende, voor overgang vatbaar recht in een zodanig verband met
een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts
belang heeft, zolang hij het goed behoudt, dan gaat dat recht over op
degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.
2. Is voor het recht een tegenprestatie
overeengekomen, dan gaat de verplichting tot het verrichten van die
tegenprestatie mede over, voor zover deze betrekking heeft op de
periode na de overgang. De vervreemder blijft naast de verkrijger
jegens de wederpartij aansprakelijk, behoudens voor zover deze zich na
de overgang in geval van uitblijven van de tegenprestatie van haar
verbintenis kan bevrijden door ontbinding of beëindiging van de
overeenkomst.
3. Het in de vorige leden bepaalde geldt niet,
indien de verkrijger van het goed tot de wederpartij bij de
overeenkomst een verklaring richt dat hij de overgang van het recht
niet aanvaardt.
4. Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt
overgedragen, kan voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt.
Artikel 252
1. Bij een overeenkomst kan worden bedongen dat
de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen
ten aanzien van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op
degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat
mede gebonden zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht
tot gebruik van het goed zullen verkrijgen.
2. Voor de werking van het in lid 1 bedoelde
beding is vereist dat van de overeenkomst tussen partijen een
notariële akte wordt opgemaakt, gevolgd door inschrijving daarvan in
de openbare registers. Degene jegens wie de verplichting bestaat,
waarop het beding betrekking heeft, moet in de akte ter zake van de
inschrijving woonplaats kiezen in Nederland.
3. Ook na inschrijving heeft het beding geen
werking:
a. jegens hen die voor de inschrijving onder
bijzondere titel een recht op het goed of tot gebruik van het goed
hebben verkregen;
b. jegens een beslaglegger op het goed of
een recht daarop, indien de inschrijving op het tijdstip van de
inschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming nog niet
had plaats gevonden;
c. jegens hen die hun recht hebben verkregen
van iemand die ingevolge het onder a of b bepaalde niet aan de
bedongen verplichting gebonden was.
4. Is voor de verplichting een tegenprestatie
overeengekomen, dan gaat bij de overgang van de verplichting het recht
op de tegenprestatie mee over, voor zover deze betrekking heeft op de
periode na de overgang en ook het beding omtrent deze tegenprestatie
in de registers ingeschreven is.
5. Dit artikel is niet van toepassing op
verplichtingen die een rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het
goed te vervreemden of te bezwaren.
Artikel 253
1. Een overeenkomst schept voor een derde het
recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere
wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien
de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit
beding aanvaardt.
2. Tot de aanvaarding kan het beding door degene
die het heeft gemaakt, worden herroepen.
3. Een aanvaarding of herroeping van het beding
geschiedt door een verklaring, gericht tot een van de beide andere
betrokkenen.
4. Is het beding onherroepelijk en jegens de
derde om niet gemaakt, dan geldt het als aanvaard, indien het ter
kennis van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is
afgewezen.
Artikel 254
1. Nadat de derde het beding heeft aanvaard,
geldt hij als partij bij de overeenkomst.
2. Hij kan, indien dit met de strekking van het
beding in overeenstemming is, daaraan ook rechten ontlenen over de
periode vóór de aanvaarding.
Artikel 255
1. Heeft een beding ten behoeve van een derde
ten opzichte van die derde geen gevolg, dan kan degene die het beding
heeft gemaakt, hetzij zichzelf, hetzij een andere derde als
rechthebbende aanwijzen.
2. Hij wordt geacht zichzelf als rechthebbende
te hebben aangewezen, wanneer hem door degene van wie de prestatie is
bedongen, een redelijke termijn voor de aanwijzing is gesteld en hij
binnen deze termijn geen aanwijzing heeft uitgebracht.
Artikel 256
De partij die een beding ten behoeve van een derde
heeft gemaakt, kan nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich
daartegen verzet.
Artikel 257
Kan een partij bij een overeenkomst ter afwering
van haar aansprakelijkheid voor een gedraging van een aan haar
ondergeschikte aan de overeenkomst een verweermiddel jegens haar
wederpartij ontlenen, dan kan ook de ondergeschikte, indien hij op grond
van deze gedraging door de wederpartij wordt aangesproken, dit
verweermiddel inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.
Artikel 258
1. De rechter kan op verlangen van een der
partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of
gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke
van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet
mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende
kracht worden verleend.
2. Een wijziging of ontbinding wordt niet
uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de
overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening
komen van degene die zich erop beroept.
3. Voor de toepassing van dit artikel staat
degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is
overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.
Artikel 259
1. Indien een overeenkomst ertoe strekt een
rechthebbende op of een gebruiker van een registergoed als zodanig te
verplichten tot een prestatie die niet bestaat in of gepaard gaat met
het dulden van voortdurend houderschap, kan de rechter op zijn
verlangen de gevolgen van de overeenkomst wijzigen of deze geheel of
gedeeltelijk ontbinden:
a. indien ten minste tien jaren na het
sluiten van de overeenkomst zijn verlopen en het ongewijzigd
voortduren van de verplichting in strijd is met het algemeen
belang;
b. indien de schuldeiser bij de nakoming van
de verplichting geen redelijk belang meer heeft en het niet
aannemelijk is dat dit belang zal terugkeren.
2. Voor de termijn vermeld in lid 1 onder a telt
mee de gehele periode waarin rechthebbende op of gebruikers van het
goed aan een beding van dezelfde strekking gebonden zijn geweest. De
termijn geldt niet, voor zover de strijd met het algemeen belang
hierin bestaat dat het beding een beletsel vormt voor verwerkelijking
van een geldend bestemmingsplan.
Artikel 260
1.Een wijziging of ontbinding als bedoeld in de
artikelen 258 en 259 kan worden uitgesproken onder door de rechter te
stellen voorwaarden.
2.Indien hij op grond van die artikelen de
overeenkomst wijzigt of gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een
of meer der partijen de overeenkomst binnen een bij de uitspraak vast
te stellen termijn door een schriftelijke verklaring geheel zal kunnen
ontbinden. De wijziging of gedeeltelijke ontbinding treedt niet in,
voordat deze termijn is verstreken.
3.Is de overeenkomst die op grond van de
artikelen 258 en 259 wordt gewijzigd of geheel of gedeeltelijk
ontbonden, ingeschreven in de openbare registers, dan kan ook de
uitspraak waarbij de wijziging of ontbinding plaatsvond, daarin worden
ingeschreven, mits deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of
uitvoerbaar bij voorraad is.
4.Wordt iemand te dier zake gedagvaard aan zijn
overeenkomstig artikel 252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan
zijn daarmee tevens gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen
nieuwe inschrijving hebben genomen. Artikel 29 lid 2 en lid 3, tweede
tot en met vierde zin, van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing.
5.Andere rechtsfeiten die een ingeschreven
overeenkomst wijzigen of beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar,
voor zover het rechterlijke uitspraken betreft mits zij in kracht van
gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn.
Afdeling 5. Wederkerige overeenkomsten
Artikel 261
1. Een overeenkomst is wederkerig, indien elk
van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van
de prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar
verbindt.
2. De bepalingen omtrent wederkerige
overeenkomsten zijn van overeenkomstige toepassing op andere
rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds verrichten van
prestaties, voor zover de aard van die rechtsbetrekkingen zich
daartegen niet verzet.
Artikel 262
1. Komt een der partijen haar verbintenis niet
na, dan is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover
staande verplichtingen op te schorten.
2. In geval van gedeeltelijke of niet
behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten, voor zover de
tekortkoming haar rechtvaardigt.
Artikel 263
1. De partij die verplicht is het eerst te
presteren, is niettemin bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te
schorten, indien na het sluiten van de overeenkomst te harer kennis
gekomen omstandigheden haar goede grond geven te vrezen dat de
wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal
nakomen.
2. In geval er goede grond bestaat te vrezen dat
slechts gedeeltelijk of niet behoorlijk zal worden nagekomen, is de
opschorting slechts toegelaten voor zover de tekortkoming haar
rechtvaardigt.
Artikel 264
In geval van opschorting op grond van de artikelen
262 en 263 zijn de artikelen 54 onder b en c en 55 niet van toepassing.
Artikel 265
1. Iedere tekortkoming van een partij in de
nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de
bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden,
tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe
betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
2. Voor zover nakoming niet blijvend of
tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas,
wanneer de schuldenaar in verzuim is.
Artikel 266
1. Geen ontbinding kan worden gegrond op een
tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de
schuldeiser zelf in verzuim is.
2. Wordt echter tijdens het verzuim van de
schuldeiser behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk,
dan kan de overeenkomst ontbonden worden, indien door schuld van de
schuldenaar of zijn ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die
in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.
Artikel 267
1.De ontbinding vindt plaats door een
schriftelijke verklaring van de daartoe gerechtigde. Indien de
overeenkomst langs elektronische weg is totstandgekomen, kan deze
tevens door een langs elektronische weg uitgebrachte verklaring worden
ontbonden. Artikel 227a lid 1 is van overeenkomstige toepassing.
2.Zij kan ook op zijn vordering door de rechter
worden uitgesproken.
Artikel 268
De bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding
vervalt door verjaring van de rechtsvordering tot ontbinding. De
verjaring staat niet in de weg aan gerechtelijke of buitengerechtelijke
ontbinding ter afwering van een op de overeenkomst steunende
rechtsvordering of andere rechtsmaatregel.
Artikel 269
De ontbinding heeft geen terugwerkende kracht,
behoudens dat een aanbod tot nakoming, gedaan nadat de ontbinding is
gevorderd, geen werking heeft, indien de ontbinding wordt uitgesproken.
Artikel 270
Een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige
vermindering in van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of
hoedanigheid.
Artikel 271
Een ontbinding bevrijdt de partijen van de
daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen,
blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor
partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen
ontvangen prestaties.
Artikel 272
1. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij
ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de
plaats ten belope van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst.
2. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis
beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de
waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de
gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad.
Artikel 273
Een partij die een prestatie heeft ontvangen, is
vanaf het tijdstip dat zij redelijkerwijze met een ontbinding rekening
moet houden, verplicht er als een zorgvuldig schuldenaar zorg voor te
dragen dat de ingevolge die ontbinding verschuldigde ongedaanmaking van
de prestatie mogelijk zal zijn. Artikel 78 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 274
Heeft een partij in weerwil van een dreigende
ontbinding te kwader trouw een prestatie ontvangen, dan wordt zij na de
ontbinding geacht vanaf de ontvangst van de prestatie in verzuim geweest
te zijn.
Artikel 275
De artikelen 120-124 van Boek 3 zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald
omtrent de afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en schade.
Artikel 276
Op de onbekwame die een prestatie heeft ontvangen,
rusten de in deze afdeling omschreven verplichtingen slechts, voor zover
het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht
van zijn wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.
Artikel 277
1. Wordt een overeenkomst geheel of gedeeltelijk
ontbonden, dan is de partij wier tekortkoming een grond voor
ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te
vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch
ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.
2. Indien de tekortkoming niet aan de
schuldenaar kan worden toegerekend, is het vorige lid slechts van
toepassing binnen de grenzen van het in artikel 78 bepaalde.
Artikel 278
1. De partij die ontbinding kiest van een reeds
uitgevoerde overeenkomst, nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen
wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, zich te
haren gunste heeft gewijzigd, is verplicht door bijbetaling de
oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen, indien aannemelijk is
dat zij zonder deze wijziging geen ontbinding zou hebben gekozen.
2. Het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing ingeval de partij te wier gunste de wijziging is
ingetreden, op andere grond dan ontbinding de stoot tot ongedaanmaking
geeft en aannemelijk is dat zij daartoe zonder deze wijziging niet zou
zijn overgegaan.
Artikel 279
1. Op overeenkomsten waaruit tussen meer dan
twee partijen verbintenissen voortvloeien, vinden de bepalingen
betreffende wederkerige overeenkomsten met inachtneming van de
volgende leden overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de
overeenkomst zich daartegen niet verzet.
2. De partij die een verbintenis op zich heeft
genomen ter verkrijging van een daartegenover van een of meer der
andere partijen bedongen prestatie, kan haar recht op ontbinding
gronden op een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis jegens
haarzelf.
3. Schiet een partij met samenhangende rechten
en verplichtingen zelf tekort in de nakoming van haar verbintenis, dan
kunnen in ieder geval de overige partijen gezamenlijk de overeenkomst
ontbinden.
|