Nadere
regelgeving:
- Besluit fondsen en spaarregelingen
- Besluit huurprijzen woonruimte
- Besluit kleine herstellingen
- Besluit servicekosten
- Pachtprijzenbesluit 2007
- Uitvoeringsbesluit pacht
- Uitvoeringsregeling
huurprijzen woonruimte'
- Uitvoeringsregeling
pacht
Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere
overeenkomsten
Boek 7. Bijzondere overeenkomsten
Titel 1. Koop
en ruil
Afdeling 1. Koop: Algemene bepalingen
Artikel 1
Koop is de overeenkomst waarbij de een zich
verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te
betalen.
Artikel 2
1. De koop van een tot bewoning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een natuurlijk
persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
schriftelijk aangegaan.
2. De tussen partijen opgemaakte akte of een
afschrift daarvan moet aan de koper ter hand worden gesteld, desverlangd
tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs. Gedurende
drie dagen na deze terhandstelling heeft de koper het recht de koop te
ontbinden. Komt, nadat de koper van dit recht gebruik gemaakt heeft, binnen
zes maanden tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde zaak of
hetzelfde bestanddeel daarvan opnieuw een koop tot stand, dan ontstaat het
recht niet opnieuw.
3. De leden 1–2 zijn van overeenkomstige
toepassing op de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht
geven op het gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan.
4. Van het in de leden 1–3 bepaalde kan
niet ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
5. De leden 1–4 zijn niet van toepassing op
huurkoop en koop op een openbare veiling ten overstaan van een notaris. Zij
zijn evenmin van toepassing, wanneer de overeenkomst tevens voldoet aan de
omschrijving van een overeenkomst als bedoeld in artikel 50a, onderdelen c
of f.
Artikel 3
1. De koop van een registergoed kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van
Boek 3, tenzij op het tijdstip van de inschrijving levering van dat goed
door de verkoper nog niet mogelijk zou zijn geweest wegens de in artikel 97
van Boek 3 vervatte uitsluiting van levering bij voorbaat van toekomstige
registergoederen. Bij de koop van een tot woning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan kan, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, van het in de vorige
zin bepaalde niet ten nadele van de koper worden afgeweken.
2. Gedurende de bedenktijd, bedoeld in
artikel 2 lid 2, kan inschrijving slechts plaatsvinden indien de koopakte is
opgesteld en medeondertekend door een in Nederland gevestigde notaris.
3. Tegen de koper wiens koop is ingeschreven
kunnen niet worden ingeroepen:
a. een na de inschrijving van die koop
tot stand gekomen vervreemding of bezwaring door de verkoper, tenzij
deze vervreemding of bezwaring voortvloeit uit een eerder ingeschreven
koop of plaatsvond uit hoofde van een recht op levering dat volgens
artikel 298 van Boek 3 ging voor dat van de koper en dat de koper op het
tijdstip van de inschrijving van de koop kende of ten aanzien waarvan op
dat tijdstip het proces-verbaal van een conservatoir beslag tot levering
was ingeschreven;
b. vervreemdingen of bezwaringen die
plaatsvinden als vervolg op de onder a bedoelde vervreemding of
bezwaring door de verkoper;
c. een onderbewindstelling die na de
inschrijving van de koop is tot stand gekomen of die, zo zij tevoren was
tot stand gekomen, toen niet in de openbare registers was ingeschreven,
dit laatste tenzij de koper haar op het tijdstip van de inschrijving van
de koop kende;
d. een na de inschrijving van de koop tot
stand gekomen verhuring of verpachting;
e. een na de inschrijving van de koop
ingeschreven beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6;
f. een executoriaal of conservatoir
beslag waarvan het proces-verbaal na de inschrijving van de koop is
ingeschreven;
g. een faillissement of surséance van
betaling van de verkoper of toepassing ten aanzien van hem van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, uitgesproken na de dag
waarop de koop is ingeschreven.
4. De inschrijving van de koop verliest de in
lid 3 bedoelde werking met terugwerkende kracht, indien het goed niet binnen
zes maanden na de inschrijving aan de koper geleverd is. In dat geval wordt
bovendien de koop niet geacht kenbaar te zijn door raadpleging van de
openbare registers.
5. Nadat de inschrijving haar werking heeft
verloren, kan gedurende zes maanden geen koop tussen dezelfde partijen met
betrekking tot hetzelfde goed worden ingeschreven.
6. Inschrijving van de koop vindt slechts
plaats indien onder de koopakte een ondertekende en gedateerde verklaring
van een notaris is opgenomen, die zijn naam, voornamen, standplaats en
kwaliteit bevat en waarin verklaard wordt dat de leden 1, 2 en 5 niet aan
inschrijving in de weg staan.
7. De leden 1–6 zijn niet van toepassing op
huurkoop.
Artikel 4
Wanneer de koop is gesloten zonder dat de prijs
is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd; bij de bepaling van
die prijs wordt rekening gehouden met de door de verkoper ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen.
Artikel 5
1. In deze titel wordt verstaan onder
"consumentenkoop": de koop met betrekking tot een roerende zaak,
elektriciteit daaronder begrepen, die wordt gesloten door een verkoper die
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper,
natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf.
2. Wordt de zaak verkocht door een
gevolmachtigde die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf, dan
wordt de koop aangemerkt als een consumentenkoop, tenzij de koper ten tijde
van het sluiten van de overeenkomst weet dat de volmachtgever niet handelt
in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
3. De vorige leden zijn niet van toepassing
indien de overeenkomst door leidingen naar de verbruiker aangevoerd water
betreft.
4. Indien de te leveren roerende zaak nog tot
stand moet worden gebracht en de overeenkomst krachtens welke deze zaak moet
worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel 750, dan wordt de
overeenkomst mede als een consumentenkoop aangemerkt indien de overeenkomst
wordt gesloten door een aannemer die handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De bepalingen van deze
titel en die van afdeling 1 van titel 12 zijn naast elkaar van toepassing.
In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.
Artikel 6
1. Bij een consumentenkoop kan van de
afdelingen 1-7 van deze titel niet ten nadele van de koper worden afgeweken
en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de koper ter zake van een
tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de verkoper toekent,
niet worden beperkt of uitgesloten.
2. Lid 1 is niet van toepassing op de
artikelen 11, 12, 13, 26 en 35, doch bedingen in algemene voorwaarden
waarbij ten nadele van de koper wordt afgeweken van die artikelen, worden
als onredelijk bezwarend aangemerkt.
3. De toepasselijkheid op de consumentenkoop
van een recht dat de door de richtlijn nr. 99/44/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1999 betreffende
bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen
(PbEG L 171) voorziene bescherming niet of slechts ten dele biedt, kan er
niet toe leiden dat de koper de bescherming verliest die hem krachtens deze
richtlijn wordt geboden door de dwingende bepalingen van het recht van de
lidstaat van de Europese Unie of de andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waar hij zijn
gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 6a
1. Indien in geval van een consumentenkoop in
een garantie door de verkoper of de producent bepaalde eigenschappen zijn
toegezegd, bij het ontbreken waarvan de koper bepaalde rechten of
vorderingen worden toegekend, dan kan de koper deze uitoefenen onverminderd
alle andere rechten of vorderingen die de wet de koper toekent.
2. In een garantie moet op duidelijke en
begrijpelijke wijze worden vermeld welke in lid 1 bedoelde rechten of
vorderingen een koper worden toegekend en moet worden vermeld dat deze een
koper toekomen onverminderd de rechten of vorderingen die de wet hem
toekent. Voorts moeten in een garantie de naam en het adres worden vermeld
van de verkoper of de producent van wie de garantie afkomstig is, alsmede de
duur en het gebied waarvoor de garantie geldt.
3. De in lid 2 bedoelde gegevens moeten de
koper op zijn verlangen worden verstrekt. Dit geschiedt schriftelijk of op
een andere ter beschikking van de koper staande en voor hem toegankelijke
duurzame gegevensdrager.
4. De aan de koper door de verkoper of de
producent in een garantiebewijs toegekende rechten of vorderingen komen hem
ook toe indien de zaak niet de eigenschappen bezit die in een reclame door
deze verkoper of producent zijn toegezegd.
5. In dit artikel wordt verstaan onder:
garantie: een in een garantiebewijs of
reclame gedane toezegging als bedoeld in lid 1;
producent: de fabrikant van de zaak,
degene die de zaak in de Europese Economische Ruimte invoert, alsmede
een ieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk
of een ander onderscheidingsteken op de zaak aan te brengen.
Artikel 7
1. Degene aan wie een zaak is toegezonden en
die redelijkerwijze mag aannemen dat deze toezending is geschied ten einde
hem tot een koop te bewegen, is ongeacht enige andersluidende mededeling van
de verzender jegens deze bevoegd de zaak om niet te behouden, tenzij het hem
is toe te rekenen dat de toezending is geschied.
2. De toezending aan een natuurlijk persoon
die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet
door deze bestelde zaak met het verzoek tot betaling van een prijs,
terugzending of bewaring, is niet toegestaan. Wordt desalniettemin een zaak
toegezonden als bedoeld in de eerste volzin, dan is het in lid 1 bepaalde
omtrent de bevoegdheid, de zaak om niet te behouden, van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien de ontvanger in de gevallen,
bedoeld in de leden 1–2, de zaak terugzendt, komen de kosten hiervan voor
rekening van de verzender.
4. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op
het verrichten ten behoeve van een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet door deze opgedragen
dienst.
Artikel 8
Wordt een nieuw gebouwde of te bouwen woning,
bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, verkocht en is de
koper een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf, dan zijn de artikelen 767 en 768 van overeenkomstige toepassing.
Hiervan kan niet ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
Afdeling 2. Verplichtingen van de verkoper
Artikel 9
1. De verkoper is verplicht de verkochte zaak
met toebehoren in eigendom over te dragen en af te leveren. Onder toebehoren
zijn de aanwezige titelbewijzen en bescheiden begrepen; voor zover de
verkoper zelf daarbij belang behoudt, is hij slechts verplicht om aan de
koper op diens verlangen en op diens kosten een afschrift of uittreksel af
te geven.
2. Onder aflevering wordt verstaan het
stellen van de zaak in het bezit van de koper.
3. In geval van koop met eigendomsvoorbehoud
wordt onder aflevering verstaan het stellen van de zaak in de macht van de
koper.
Artikel 10
1. De zaak is voor risico van de koper van de
aflevering af, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen. Derhalve
blijft hij de koopprijs verschuldigd, ongeacht tenietgaan of achteruitgang
van de zaak door een oorzaak die niet aan de verkoper kan worden
toegerekend.
2. Hetzelfde geldt van het ogenblik af,
waarop de koper in verzuim is met het verrichten van een handeling waarmede
hij aan de aflevering moet medewerken. Ingeval naar de soort bepaalde zaken
zijn verkocht, doet het verzuim van de koper het risico eerst op hem
overgaan, wanneer de verkoper de voor de uitvoering van de overeenkomst
bestemde zaken heeft aangewezen en de koper daarvan heeft verwittigd.
3. Indien de koper op goede gronden het recht
op ontbinding van de koop of op vervanging van de zaak inroept, blijft deze
voor risico van de verkoper.
4. Wanneer de zaak na de aflevering voor
risico van de verkoper is gebleven, is het tenietgaan of de achteruitgang
ervan door toedoen van de koper eveneens voor rekening van de verkoper. De
koper moet echter van het ogenblik af dat hij redelijkerwijs rekening moet
houden met het feit dat hij de zaak zal moeten teruggeven, als een
zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan zorgen; artikel 78 van Boek 6
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de
koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen vervoerder,
is de zaak pas voor risico van de koper van de bezorging af, zelfs al was zij
reeds eerder afgeleverd in de zin van artikel 9.
Artikel 12
1. Kosten van aflevering, die van weging en
telling daaronder begrepen, komen ten laste van de verkoper.
2. Kosten van afhalen en kosten van een
koopakte en van de overdracht komen ten laste van de koper.
Artikel 13
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de
koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen vervoerder,
kunnen daarvoor slechts kosten worden gevorderd, voor zover zij bij het
sluiten van de overeenkomst door de verkoper afzonderlijk zijn opgegeven of
door de verkoper de gegevens zijn verschaft op grond waarvan zij door hem
worden berekend. Hetzelfde geldt voor kosten, verschuldigd voor andere
werkzaamheden die de verkoper in verband met de koop voor de koper verricht.
Artikel 14
Van de dag van aflevering af komen de vruchten
toe aan de koper, met dien verstande dat burgerlijke vruchten van dag tot dag
berekend worden.
Artikel 15
1. De verkoper is verplicht de verkochte zaak
in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen,
met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard.
2. Ongeacht enig andersluidend beding staat
de verkoper in voor de afwezigheid van lasten en beperkingen die
voortvloeien uit feiten die vatbaar zijn voor inschrijving in de openbare
registers, doch daarin ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet
waren ingeschreven.
Artikel 16
Wanneer tegen de koper een vordering wordt
ingesteld tot uitwinning of tot erkenning van een recht waarmede de zaak niet
belast had mogen zijn, is de verkoper gehouden in het geding te komen ten
einde de belangen van de koper te verdedigen.
Artikel 17
1. De afgeleverde zaak moet aan de
overeenkomst beantwoorden.
2. Een zaak beantwoordt niet aan de
overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de
mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de
eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht
verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die
voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid
niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor
een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
3. Een andere zaak dan is overeengekomen, of
een zaak van een andere soort, beantwoordt evenmin aan de overeenkomst.
Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal, maat of gewicht van het
overeengekomene afwijkt.
4. Is aan de koper een monster of model
getoond of verstrekt, dan moet de zaak daarmede overeenstemmen, tenzij het
slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt zonder dat de zaak daaraan
behoefde te beantwoorden.
5. De koper kan zich er niet op beroepen dat
de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van
het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend kon
zijn. Ook kan de koper zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de
overeenkomst beantwoordt wanneer dit te wijten is aan gebreken of
ongeschiktheid van grondstoffen afkomstig van de koper, tenzij de verkoper
hem voor deze gebreken of ongeschiktheid had moeten waarschuwen.
6. Bij koop van een onroerende zaak wordt
vermelding van de oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te
zijn, zonder dat de zaak daaraan behoeft te beantwoorden.
Artikel 18
1. Bij de beoordeling van de vraag of een op
grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst
beantwoordt, gelden mededelingen die door of ten behoeve van een vorige
verkoper van die zaak, handelend in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, omtrent de zaak zijn openbaar gemaakt, als mededelingen van de
verkoper, behoudens voor zover deze een bepaalde mededeling kende noch
behoorde te kennen of deze mededeling uiterlijk ten tijde van het sluiten
van de overeenkomst op een voor de koper duidelijke wijze is herroepen, dan
wel de koop niet door deze mededeling beïnvloed kan zijn.
2. Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat
de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de
afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na
aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking
zich daartegen verzet.
3. Indien in geval van een consumentenkoop de
verkoper verplicht is zorg te dragen voor de installatie van de zaak en deze
installatie ondeugdelijk is uitgevoerd, wordt dit gelijkgesteld aan een
gebrek aan overeenstemming van de zaak aan de overeenkomst. Hetzelfde geldt
indien de installatie door de koper ondeugdelijk is uitgevoerd en dit te
wijten is aan de montagevoorschriften die met de levering van de zaak aan de
koper zijn verstrekt.
Artikel 19
1. In geval van een executoriale verkoop kan
de koper zich er niet op beroepen dat de zaak behept is met een last of een
beperking die er niet op had mogen rusten, of dat deze niet aan de
overeenkomst beantwoordt, tenzij de verkoper dat wist.
2. Hetzelfde geldt indien de verkoop bij
wijze van parate executie plaatsvindt, mits de koper dit wist of had moeten
weten. Bij een consumentenkoop kan de koper zich er echter wel op beroepen
dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt.
Afdeling 3. Bijzondere gevolgen van
niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper
Artikel 20
Is de zaak behept met een last of een beperking
die er niet op had mogen rusten, dan kan de koper eisen dat de last of de
beperking wordt opgeheven, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan
voldoen.
Artikel 21
1. Beantwoordt het afgeleverde niet aan de
overeenkomst, dan kan de koper eisen:
a. aflevering van het ontbrekende;
b. herstel van de afgeleverde zaak, mits
de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen;
c. vervanging van de afgeleverde zaak,
tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om dit te
rechtvaardigen, dan wel de zaak na het tijdstip dat de koper
redelijkerwijze met ongedaanmaking rekening moet houden, teniet of
achteruit is gegaan doordat hij niet als een zorgvuldig schuldenaar voor
het behoud ervan heeft gezorgd.
2. De kosten van nakoming van de in lid 1
bedoelde verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden
gebracht.
3. De verkoper is verplicht om, mede gelet op
de aard van de zaak en op het bijzondere gebruik van de zaak dat bij de
overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige
overlast voor de koper, zijn in lid 1 bedoelde verplichtingen na te komen.
4. Bij een consumentenkoop komt de koper in
afwijking van lid 1 slechts dan geen herstel of vervanging van de
afgeleverde zaak toe indien herstel of vervanging onmogelijk is of van de
verkoper niet gevergd kan worden.
5. Herstel of vervanging kan bij een
consumentenkoop van de verkoper niet gevergd worden indien de kosten daarvan
in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht
of een andere vordering die de koper toekomt, gelet op de waarde van de zaak
indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van
het overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander recht of een
andere vordering geen ernstige overlast voor de koper veroorzaakt.
6. Indien bij een consumentenkoop de verkoper
niet binnen een redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper schriftelijk
is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van de afgeleverde zaak
heeft voldaan, is de koper bevoegd het herstel door een derde te doen
plaatsvinden en de kosten daarvan op de verkoper te verhalen.
Artikel 22
1. Beantwoordt het afgeleverde niet aan de
overeenkomst, dan heeft bij een consumentenkoop de koper voorts de
bevoegdheid om:
a. de overeenkomst te ontbinden, tenzij
de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe betekenis,
deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt;
b. de prijs te verminderen in
evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene.
2. De in lid 1 bedoelde bevoegdheden ontstaan
pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet
gevergd kunnen worden, danwel de verkoper tekort is geschoten in een
verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3.
3. Voorzover daarvan in deze afdeling niet is
afgeweken zijn op de in lid 1 onder b bedoelde bevoegdheid de bepalingen van
afdeling 5 van titel 5 van Boek 6 omtrent ontbinding van een overeenkomst
van overeenkomstige toepassing.
4. De rechten en bevoegdheden genoemd in lid
1 en de artikelen 20 en 21 komen de koper toe onverminderd alle andere
rechten en vorderingen.
Artikel 23
1. De koper kan er geen beroep meer op doen
dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij
de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of
redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Blijkt echter
aan de zaak een eigenschap te ontbreken die deze volgens de verkoper bezat,
of heeft de afwijking betrekking op feiten die hij kende of behoorde te
kennen doch die hij niet heeft meegedeeld, dan moet de kennisgeving binnen
bekwame tijd na de ontdekking geschieden. Bij een consumentenkoop moet de
kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden, waarbij een
kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is.
2. Rechtsvorderingen en verweren, gegrond op
feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet
aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren na de
overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Doch de koper behoudt de
bevoegdheid om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op
vermindering daarvan of op schadevergoeding tegen te werpen.
3. De termijn loopt niet zolang de koper zijn
rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.
Artikel 24
1. Indien op grond van een consumentenkoop
een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond
van de overeenkomst mocht verwachten, heeft de koper jegens de verkoper
recht op schadevergoeding overeenkomstig de afdelingen 9 en 10 van titel 1
van Boek 6.
2. Bestaat de tekortkoming in een gebrek als
bedoeld in afdeling 3 van titel 3 van Boek 6, dan is de verkoper niet
aansprakelijk voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij
a. hij het gebrek kende of behoorde te
kennen,
b. hij de afwezigheid van het gebrek
heeft toegezegd of
c. het betreft zaakschade terzake waarvan
krachtens afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 geen recht op vergoeding
bestaat op grond van de in die afdeling geregelde franchise,
onverminderd zijn verweren krachtens de afdelingen 9 en 10 van titel 1
van Boek 6.
3. Indien de verkoper de schade van de koper
vergoedt krachtens lid 2 onder a of b, is de koper verplicht zijn rechten
uit afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 aan de verkoper over te dragen.
Artikel 25
1. Heeft de koper, in geval van een
tekortkoming als bedoeld in artikel 24, een of meer van zijn rechten ter
zake van die tekortkoming tegen de verkoper uitgeoefend, dan heeft de
verkoper recht op schadevergoeding jegens degene van wie hij de zaak heeft
gekocht, mits ook deze bij die overeenkomst in de uitoefening van zijn
beroep of bedrijf heeft gehandeld. Kosten ter zake van verweer worden
slechts vergoed voor zover zij in redelijkheid door de verkoper zijn
gemaakt.
2. Van lid 1 kan niet ten nadele van de
verkoper worden afgeweken.
3. Het recht op schadevergoeding krachtens
lid 1 komt de verkoper niet toe indien de afwijking betrekking heeft op
feiten die hij kende of behoorde te kennen, dan wel haar oorzaak vindt in
een omstandigheid die is voorgevallen nadat de zaak aan hem werd afgeleverd.
4. Indien aan de zaak een eigenschap
ontbreekt die deze volgens de verkoper bezat, is het recht van de verkoper
op schadevergoeding krachtens lid 1 beperkt tot het bedrag waarop hij
aanspraak had kunnen maken indien hij de toezegging niet had gedaan.
5. Op het verhaal krachtens eerdere
koopovereenkomsten zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.
6. De vorige leden zijn niet van toepassing
voor zover het betreft schade als bedoeld in artikel 24 lid 2.
Afdeling 4. Verplichtingen van de koper
Artikel 26
1. De koper is verplicht de prijs te betalen.
2. De betaling moet geschieden ten tijde en
ter plaatse van de aflevering. Bij een consumentenkoop kan de koper tot
vooruitbetaling van ten hoogste de helft van de koopprijs worden verplicht.
3. Is voor de eigendomsoverdracht een
notariële akte vereist, gevolgd door inschrijving daarvan in de daartoe
bestemde openbare registers, dan moet het verschuldigde ten tijde van de
ondertekening van de akte tenminste uit de macht van de koper zijn gebracht
en behoeft het pas na de inschrijving in de macht van de verkoper te worden
gebracht.
4. Bij de koop van een tot bewoning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan, kan de koper die een natuurlijk
persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, niet
worden verplicht tot vooruitbetaling van de koopprijs, behoudens dat kan
worden bedongen dat hij ter verzekering van de nakoming van zijn
verplichtingen een bedrag dat niet hoger is dan 10% van de koopprijs, in
depot stort bij een notaris dan wel voor dit bedrag vervangende zekerheid
stelt. Van het in de eerste zin bepaalde kan niet ten nadele van de koper
worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in artikel
214 van Boek 6. Het teveel betaalde geldt als onverschuldigd betaald.
5. Lid 4 is van overeenkomstige toepassing op
de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven op het
gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel
daarvan.
6. De tweede volzin van lid 2 en de leden 4–5
zijn niet van toepassing, wanneer de overeenkomst tevens voldoet aan de
omschrijving van een overeenkomst als bedoeld in artikel 50a, onderdelen c,
d of f.
Artikel 27
Wanneer de koper gestoord wordt of goede grond
heeft te vrezen dat hij gestoord zal worden door een vordering tot uitwinning
of tot erkenning van een recht op de zaak dat daarop niet had mogen rusten,
kan hij de betaling van de koopprijs opschorten, tenzij de verkoper voldoende
zekerheid stelt om het nadeel te dekken dat de koper dreigt te lijden.
Artikel 28
Bij een consumentenkoop verjaart de
rechtsvordering tot betaling van de koopprijs door verloop van twee jaren.
Artikel 29
1. Heeft de koper de zaak ontvangen doch is
hij voornemens deze te weigeren, dan moet hij als een zorgvuldig schuldenaar
voor het behoud ervan zorgen; hij heeft op de zaak een retentierecht totdat
hij door de verkoper voor de door hem in redelijkheid gemaakte kosten
schadeloos is gesteld.
2. De koper die voornemens is een aan hem
verzonden en op de plaats van bestemming te zijner beschikking gestelde zaak
te weigeren, moet, zo dit geen betaling van de koopprijs en geen ernstige
bezwaren of onredelijke kosten meebrengt, deze in ontvangst nemen, tenzij de
verkoper op de plaats van bestemming aanwezig is of iemand aldaar bevoegd is
zich voor zijn rekening met de zorg voor de zaak te belasten.
Artikel 30
Wanneer in de gevallen, in artikel 29 voorzien,
de zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of wanneer de
bewaring daarvan ernstige bezwaren of onredelijke kosten zou meebrengen, is de
koper verplicht de zaak op een geschikte wijze te doen verkopen.
Afdeling 5. Bijzondere gevolgen van verzuim van
de koper
Artikel 31
Indien de overeenkomst aan de koper de
bevoegdheid geeft door aanwijzing van maat of vorm of op andere wijze de zaak
te specificeren en hij daarmede in verzuim is, kan de verkoper daartoe zelf
overgaan, met inachtneming van de hem bekende behoeften van de koper.
Artikel 32
Ingeval de koper met de inontvangstneming in
verzuim is, vindt artikel 30 overeenkomstige toepassing.
Afdeling 6. Bijzondere gevallen van ontbinding
Artikel 33
Indien de aflevering van een roerende zaak op
een bepaalde dag essentieel is en op die dag de koper niet in ontvangst neemt,
levert zulks een grond op tot ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek
6.
Artikel 34
De verkoper kan de koop door een schriftelijke
verklaring ontbinden, indien het achterwege blijven van inontvangstneming hem
goede grond geeft te vrezen dat de prijs niet zal worden betaald.
Artikel 35
1. Indien de verkoper bij een consumentenkoop
krachtens een bij die overeenkomst gemaakt beding de koopprijs na het
sluiten van de koop verhoogt, is de koper bevoegd de koop door een
schriftelijke verklaring te ontbinden, tenzij bedongen is dat de aflevering
langer dan drie maanden na de koop zal plaatsvinden.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder
koopprijs begrepen het bedrag dat bij het sluiten van de overeenkomst onder
voorbehoud van prijswijziging voorlopig als koopprijs is opgegeven.
Afdeling 7. Schadevergoeding
Artikel 36
1. In geval van ontbinding van de koop is,
wanneer de zaak een dagprijs heeft, de schadevergoeding gelijk aan het
verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de dagprijs ten dage
van de niet-nakoming.
2. Voor de berekening van deze
schadevergoeding is de in aanmerking te nemen dagprijs die van de markt waar
de koop plaatsvond, of, indien er geen dergelijke dagprijs is of deze
bezwaarlijk zou kunnen worden toegepast, de prijs van de markt die deze
redelijkerwijs kan vervangen; hierbij wordt rekening gehouden met
verschillen in de kosten van vervoer van de zaak.
Artikel 37
Heeft de koper of de verkoper een dekkingskoop
gesloten en is hij daarbij redelijk te werk gegaan, dan komt hem het verschil
toe tussen de overeengekomen prijs en die van de dekkingskoop.
Artikel 38
De bepalingen van de twee voorgaande artikelen
sluiten het recht op een hogere schadevergoeding niet uit ingeval meer schade
is geleden.
Afdeling 8. Recht van reclame
Artikel 39
1. De verkoper van een roerende, aan de koper
afgeleverde zaak die niet een registergoed is, kan, indien de prijs niet
betaald is en in verband daarmee aan de vereisten voor een ontbinding als
bedoeld in artikel 265 van Boek 6 is voldaan, de zaak door een tot de koper
gerichte schriftelijke verklaring terugvorderen. Door deze verklaring wordt
de koop ontbonden en eindigt het recht van de koper of zijn
rechtsverkrijger; de artikelen 271, 273, 275 en 276 van Boek 6 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Is slechts de prijs van een bepaald deel
van het afgeleverde niet betaald, dan kan de verkoper slechts dat deel
terugvorderen. Is ten aanzien van het geheel een deel van de prijs niet
betaald, dan kan de verkoper een daaraan evenredig deel van het afgeleverde
terugvorderen indien het afgeleverde voor een zodanige verdeling vatbaar is.
In beide gevallen wordt de koop slechts voor het teruggevorderde deel van
het afgeleverde ontbonden.
3. In alle andere gevallen van gedeeltelijke
betaling van de prijs kan de verkoper slechts het afgeleverde in zijn geheel
terugvorderen tegen teruggave van het reeds betaalde.
Artikel 40
1. Is de koper in staat van faillissement
verklaard of is aan hem surséance van betaling verleend, dan heeft de
terugvordering geen gevolg, indien door de curator, onderscheidenlijk door
de koper en de bewindvoerder, binnen een hun daartoe door de verkoper bij
diens verklaring te stellen redelijke termijn de koopprijs wordt betaald of
voor deze betaling zekerheid wordt gesteld.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien ten aanzien van de koper de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij de koopovereenkomst
tot stand is gekomen na de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling.
Artikel 41
De bevoegdheid tot terugvordering kan slechts
worden uitgeoefend voor zover het afgeleverde zich nog in dezelfde staat
bevindt als waarin het werd afgeleverd.
Artikel 42
1. Tenzij de zaak in handen van de koper is
gebleven, vervalt de bevoegdheid tot terugvordering wanneer de zaak
overeenkomstig artikel 90 lid 1 of artikel 91 van Boek 3 anders dan om niet
is overgedragen aan een derde die redelijkerwijs niet behoefde te verwachten
dat het recht zou worden uitgeoefend.
2. Is de zaak na de aflevering anders dan om
niet in vruchtgebruik gegeven of verpand, dan is lid 1 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 43
De verkoper kan zijn in artikel 39 omschreven
bevoegdheid niet uitoefenen, indien de koper voor de volle koopprijs
handelspapier heeft geaccepteerd.
Bij acceptatie voor een gedeelte van de prijs
kan de verkoper die bevoegdheid slechts uitoefenen, indien hij ten behoeve van
de koper zekerheid stelt voor de vergoeding van hetgeen de koper uit hoofde
van zijn acceptatie zou moeten betalen.
Artikel 44
De in artikel 39 omschreven bevoegdheid van de
verkoper vervalt, wanneer zowel zes weken zijn verstreken nadat de vordering
tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden, als zestig dagen, te
rekenen van de dag waarop de zaak onder de koper of onder iemand van
zijnentwege is opgeslagen.
Afdeling 9. Koop op proef
Artikel 45
1. Koop op proef wordt geacht te zijn
gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de zaak de koper voldoet.
2. Laat deze een termijn, voldoende om de
zaak te beoordelen, voorbijgaan zonder de verkoper van zijn beslissing in
kennis te stellen, dan kan hij de zaak niet meer weigeren.
Artikel 46
Zolang de koop niet definitief is, is de zaak
voor risico van de verkoper.
Afdeling 9A. Overeenkomsten op afstand
Artikel 46a
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overeenkomst op afstand: de overeenkomst
waarbij, in het kader van een door de verkoper of dienstverlener
georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand, tot en
met het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van
één of meer technieken voor communicatie op afstand;
b. koop op afstand: de overeenkomst op
afstand die een consumentenkoop is;
c. overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten: de tot het verrichten van diensten strekkende
overeenkomst op afstand tussen een dienstverlener die handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
d. financiële dienst: iedere dienst van
bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering,
individuele pensioenen, beleggingen en betalingen;
e. techniek voor communicatie op afstand:
een middel dat zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van partijen
kan worden gebruikt voor het sluiten van de overeenkomst op afstand;
f. communicatietechniekexploitant: een
natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het ter
beschikking stellen van één of meer technieken voor communicatie op
afstand aan verkopers of dienstverleners;
g. richtlijn: richtlijn nr. 97/7/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1997
betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten
overeenkomsten (PbEG L 144);
h. richtlijn nr. 2002/65/EG: richtlijn nr.
2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële
diensten aan consumenten (PbEG L 271).
Artikel 46b
1. Artikel 5 lid 3 is niet van toepassing op
koop op afstand.
2. Deze afdeling is niet van toepassing op de
koop op afstand:
a. die wordt gesloten met gebruikmaking
van distributieautomaten of geautomatiseerde handelsruimten;
b. op een veiling.
3. De artikelen 46c-46e en 46f lid 1 zijn
niet van toepassing op de koop op afstand van hoofdzakelijk levensmiddelen
die worden afgeleverd aan de koper op diens woon- of verblijfplaats of
werkplek door frequent en op gezette tijden langskomende bezorgers.
Artikel 46c
1. Tijdig voordat de koop op afstand wordt
gesloten, moeten aan de wederpartij met alle aan de gebruikte techniek voor
communicatie op afstand aangepaste middelen en op duidelijke en
begrijpelijke wijze, de volgende gegevens worden verstrekt, waarvan het
commerciële oogmerk ondubbelzinnig moet blijken:
a. de identiteit en, indien de koop op
afstand verplicht tot vooruitbetaling van de prijs of een gedeelte
daarvan, het adres van de verkoper;
b. de belangrijkste kenmerken van de
zaak;
c. de prijs, met inbegrip van alle
belastingen, van de zaak;
d. voor zover van toepassing: de kosten
van aflevering;
e. de wijze van betaling, aflevering of
uitvoering van de koop op afstand;
f. het al dan niet van toepassing zijn
van de mogelijkheid van ontbinding overeenkomstig de artikelen 46d lid 1
en 46e;
g. indien de kosten van het gebruik van
de techniek voor communicatie op afstand worden berekend op een andere
grondslag dan het basistarief: de hoogte van het geldende tarief;
h. de termijn voor de aanvaarding van het
aanbod, dan wel de termijn voor het gestand doen van de prijs;
i. voor zover van toepassing, in geval
van een koop op afstand die strekt tot voortdurende of periodieke
aflevering van zaken: de minimale duur van de overeenkomst.
2. Tijdig bij de nakoming van de koop op
afstand en, voor zover het niet aan derden af te leveren zaken betreft,
uiterlijk bij de aflevering, moeten aan de koper op duidelijke en
begrijpelijke wijze schriftelijk of, voor zover het de in de onderdelen a en
c-e bedoelde gegevens betreft, op een andere te zijner beschikking staande
en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager, de volgende gegevens
worden verstrekt, behoudens voor zover zulks reeds is geschied voordat de
koop op afstand werd gesloten:
a. de gegevens, bedoeld in de onderdelen
a-f van lid 1;
b. de vereisten voor de gebruikmaking van
het recht tot ontbinding overeenkomstig de artikelen 46d lid 1 en 46e
lid 2;
c. het bezoekadres van de vestiging van
de verkoper waar de koper een klacht kan indienen;
d. voor zover van toepassing: gegevens
omtrent de garantie en omtrent in het kader van de koop op afstand
aangeboden diensten;
e. indien de koop op afstand een duur
heeft van meer dan een jaar dan wel een onbepaalde duur: de vereisten
voor opzegging van de overeenkomst.
Artikel 46d
1. Gedurende zeven werkdagen na de ontvangst
van de zaak heeft de koper het recht de koop op afstand zonder opgave van
redenen te ontbinden. Indien niet is voldaan aan alle in artikel 46c lid 2
gestelde eisen, bedraagt deze termijn drie maanden. De eerste zin is van
overeenkomstige toepassing vanaf de voldoening binnen de in de tweede zin
bedoelde termijn aan alle in artikel 46c lid 2 gestelde eisen.
2. In geval van ontbinding overeenkomstig lid
1 kan de verkoper, behoudens ten hoogste de rechtstreekse kosten van het
terugzenden van de zaak, aan de koper geen vergoeding in rekening brengen.
3. In geval van ontbinding overeenkomstig lid
1 heeft de koper recht op kosteloze teruggave van het door hem aan de
verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval
binnen dertig dagen na de ontbinding plaatsvinden.
4. De leden 1–3 zijn niet van toepassing op
de koop op afstand:
a. van zaken waarvan de prijs gebonden is
aan de schommelingen op de financiële markt, waarop de verkoper geen
invloed heeft;
b. van zaken die:
1°. zijn tot stand gebracht
overeenkomstig specificaties van de koper;
2°. duidelijk persoonlijk van aard
zijn;
3°. door hun aard niet kunnen worden
teruggezonden;
4°. snel kunnen bederven of
verouderen;
c. van audio- en video-opnamen en
computerprogrammatuur, indien de koper hun verzegeling heeft verbroken;
d. van kranten en tijdschriften.
Artikel 46e
1. Ontbinding van de koop op afstand
overeenkomstig artikel 46d lid 1 brengt van rechtswege en zonder dat de
koper een boete is verschuldigd de ontbinding mee van een overeenkomst die
ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten behoeve van de voldoening van
de prijs een geldsom leent.
2. In geval van ontbinding van de koop op
afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 heeft de koper tevens het recht een
ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een derde aangegane
overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de koper ten behoeve van de
voldoening van de prijs een geldsom leent, zonder boete te ontbinden.
Artikel 46f
1. Het verzuim van de verkoper treedt zonder
ingebrekestelling in, wanneer de koop op afstand niet uiterlijk binnen
dertig dagen, te rekenen van de dag waarop de koper zijn bestelling bij de
verkoper heeft gedaan, is nagekomen, behalve voor zover de vertraging de
verkoper niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk
is.
2. Indien nakoming onmogelijk is doordat de
gekochte zaak niet beschikbaar is, moet de koper daarvan zo spoedig mogelijk
worden kennis gegeven en heeft hij recht op kosteloze teruggave van het door
hem aan de verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en in
ieder geval binnen dertig dagen na de kennisgeving plaatsvinden.
3. Indien in het in lid 2 bedoelde geval de
verkoper krachtens een voor dan wel bij het sluiten van de koop op afstand
gemaakt beding de bevoegdheid heeft, een zaak van gelijke kwaliteit en prijs
te geven, komen de kosten van het terugzenden van de zaak in geval van
ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 ten laste
van de verkoper. De koper moet daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze
worden kennis gegeven.
Artikel 46g [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 46h
1. Aan een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf moeten bij het gebruik
van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van
de totstandkoming van een koop op afstand, aan het begin van elk gesprek
duidelijk de identiteit van de verkoper, alsmede het commerciële oogmerk
van de oproep worden medegedeeld.
2. Het gebruik van automatische
oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen en elektronische
berichten voor het overbrengen van ongevraagde communicatie, ter bevordering
van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een natuurlijk persoon
die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is uitsluitend
toegestaan, indien de desbetreffende persoon daarvoor voorafgaand
toestemming heeft verleend onverminderd hetgeen is bepaald in lid 3.
3. Een ieder die elektronische
contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het kader
van de verkoop van een zaak mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen
van communicatie ter bevordering van de totstandkoming van een koop op
afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige zaken, mits bij de
verkrijging van de contactgegevens aan de klant duidelijk en uitdrukkelijk
de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze verzet aan
te tekenen tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens, en,
indien de klant hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hem bij elke
overgebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde
voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verder gebruik van zijn
elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij het gebruik van elektronische
berichten ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand
dienen te allen tijde de volgende gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van degene
namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer waaraan
de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie
kan richten.
5. Het gebruik van andere dan de in lid 2
genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het overbrengen van
ongevraagde communicatie of het doen van ongevraagde mededelingen, ter
bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een
natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, is toegestaan, tenzij de desbetreffende persoon te kennen heeft
gegeven dat hij communicatie of mededelingen waarbij van deze technieken
gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen.
6. Degene die ongevraagd communicatie
overbrengt of mededelingen doet ter bevordering van de totstandkoming van
een koop op afstand, neemt passende maatregelen om ten minste eenmaal per
jaar de personen, bedoeld in lid 5, bekend te maken met de mogelijkheden tot
het doen van een kennisgeving als bedoeld in lid 5. De bekendmaking kan via
een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
wijze plaatsvinden.
7. Aan de maatregelen, bedoeld in de leden 2
en 5, zijn voor de in die leden bedoelde personen geen kosten verbonden.
Artikel 46i
1. De artikelen 46b lid 2, 46c, 46d leden 1–3
en 4, onderdeel a, 46e en 46f leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige
toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten die
niet een financiële dienst zijn. De artikelen 46g–46h zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten op afstand tot het verrichten
van diensten.
2. In afwijking van lid 1 zijn de in dat lid
genoemde artikelen niet van toepassing op de overeenkomst op afstand:
a. tot het verrichten van diensten, die
wordt gesloten met een telecommunicatie-exploitant door gebruikmaking
van een openbare telefoon;
b. tot aanneming van werk die strekt tot
de bouw van een onroerende zaak.
3. In afwijking van lid 1 zijn de artikelen
46c-46e en 46f lid 1 niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot
het verrichten van diensten die logies, vervoer, het restaurantbedrijf of
vrijetijdsbesteding betreft, indien de dienstverlener zich er bij het
sluiten van de overeenkomst toe verplicht, deze diensten te verrichten op
een bepaalde datum of tijdens een bepaalde periode.
4. In afwijking van lid 1 is artikel 46c lid
2 niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van
diensten die in één keer worden verricht met behulp van een techniek voor
communicatie op afstand en die in rekening worden gebracht door de
communicatietechniekexploitant. Desalniettemin moet aan de wederpartij
steeds het bezoekadres van de vestiging van de dienstverlener waar de
wederpartij een klacht kan indienen, worden medegedeeld.
5. In afwijking van lid 1 is artikel 46d niet
van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van
diensten:
a. waarvan de nakoming met instemming van
de wederpartij is begonnen voordat de in artikel 46d lid 1, eerste en
derde volzin, bedoelde termijn is verstreken;
b. betreffende weddenschappen en
loterijen.
6. In geval van een overeenkomst op afstand
tot het verrichten van diensten lopen de in artikel 46d lid 1, eerste en
tweede volzin, bedoelde termijnen vanaf het sluiten van de overeenkomst.
7. Een beding in een overeenkomst op afstand
tot het verrichten van financiële diensten dat de wederpartij belast met
het bewijs ter zake van de naleving van de verplichtingen die
krachtensrichtlijn nr. 2002/65/EG op de dienstverlener rusten, is
vernietigbaar.
Artikel 46j
1. Van deze afdeling kan niet ten nadele van
de koper dan wel de wederpartij worden afgeweken.
2. Lid 1 is niet van toepassing op artikel
46f lid 1.
3. De toepasselijkheid op de overeenkomst van
een recht dat de door de richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk richtlijn nr.
2002/65/EG voorziene bescherming niet of slechts ten dele biedt, kan er niet
toe leiden dat de koper dan wel de wederpartij de bescherming verliest die
hem krachtens de richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk richtlijn nr.
2002/65/EG wordt geboden door de dwingende bepalingen van het recht van de
lid-staat van de Europese Unie of de andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waar hij zijn
gewone verblijfplaats heeft.
Afdeling 10. Koop van vermogensrechten
Artikel 47
Een koop kan ook op een vermogensrecht
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van de vorige afdelingen
van toepassing voor zover dit in overeenstemming is met de aard van het recht.
Artikel 48
1. Hij die een nalatenschap verkoopt zonder
de goederen daarvan stuk voor stuk op te geven, is slechts gehouden voor
zijn hoedanigheid van erfgenaam in te staan.
2. Heeft de verkoper reeds vruchten genoten,
een tot de nalatenschap behorende vordering geïnd of goederen uit de
nalatenschap vervreemd, dan moet hij die aan de koper vergoeden.
3. De koper moet aan de verkoper vergoeden
hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap heeft betaald en
hem voldoen hetgeen hij als schuldeiser van de nalatenschap te vorderen had.
Afdeling 10A [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48a [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48b [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48c [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48d [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48e [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48f [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48g [Vervallen per 23-02-2011]
Afdeling 12. Ruil
Artikel 49
Ruil is de overeenkomst waarbij partijen zich
verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te geven.
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd
als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die
welke haar toekomt.
Titel 1a. Overeenkomsten betreffende het
gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, bijstand en
uitwisseling
Artikel 50a
In deze titel wordt verstaan onder:
a. consument: een natuurlijk persoon die
niet handelt in de uitoefening van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of
beroepsactiviteit;
b. handelaar: een natuurlijk persoon of
rechtspersoon die handelt voor doeleinden die betrekking hebben op zijn
handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, alsmede degene die in
naam van of ten behoeve van hem optreedt;
c. overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd: een overeenkomst met een duur van meer dan een jaar, met
inbegrip van elke bepaling die een verlenging mogelijk maakt, op grond
waarvan een consument tegen vergoeding het recht krijgt om één of meer
overnachtingsaccommodaties voor meer dan één verblijfsperiode te
gebruiken;
d. overeenkomst betreffende een
vakantieproduct van lange duur: een overeenkomst met een duur van meer dan
een jaar, met inbegrip van elke bepaling die een verlenging mogelijk
maakt, op grond waarvan een consument tegen vergoeding hoofdzakelijk het
recht krijgt op kortingen op of andere voordelen inzake accommodatie, al
dan niet samen met reizen of andere diensten;
e. overeenkomst van bijstand bij
verhandelen: een overeenkomst op grond waarvan een handelaar een consument
tegen vergoeding bijstaat om een recht van gebruik in deeltijd of een
vakantieproduct van lange duur over te nemen of over te dragen;
f. uitwisselingsovereenkomst: een
overeenkomst op grond waarvan een consument tegen vergoeding toetreedt tot
een uitwisselingsysteem waarbij hem in ruil voor het tijdelijk beschikbaar
stellen van zijn recht van gebruik in deeltijd, toegang tot
overnachtingsaccommodatie of andere diensten wordt geboden;
g. aanvullende overeenkomst: een
overeenkomst op grond waarvan de consument diensten geniet die betrekking
hebben op een overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd of een
overeenkomst betreffende een vakantieproduct van lange duur, en die worden
verleend door de handelaar of door een derde op grond van een overeenkomst
tussen deze derde en de handelaar;
h. duurzame gegevensdrager: een hulpmiddel
dat de consument dan wel de handelaar in staat stelt om persoonlijk aan
hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie
toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is
afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een
ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;
i. richtlijn: Richtlijn nr. 2008/122/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de
bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van
overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van
lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PbEU L 33/10).
Artikel 50b
1. De handelaar verstrekt aan de consument
geruime tijd voordat hij door een overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt gebonden kosteloos en op duidelijke en begrijpelijke wijze
nauwkeurige en toereikende informatie overeenkomstig het in bijlage I bij de
richtlijn opgenomen model. De informatie wordt verstrekt op een duurzame
gegevensdrager die voor de consument gemakkelijk toegankelijk is.
2. De in het vorige lid bedoelde informatie
wordt opgesteld in een door de consument te kiezen taal van de staat waar
hij woont of waarvan hij de nationaliteit heeft, mits dit een officiële
taal is van de Europese Unie of van een van de staten die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
3. In reclame voor een overeenkomst
betreffende gebruik in deeltijd wordt meegedeeld dat en waar de in lid 1
bedoelde informatie verkrijgbaar is.
4. Wordt tijdens een promotie- of
verkoopevenement aan een consument een aanbod gedaan tot het aangaan van een
overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd, dan vermeldt de handelaar in
de uitnodiging voor dat evenement duidelijk de commerciële aard en
bedoeling daarvan.
5. De handelaar zorgt ervoor dat tijdens een
promotie- of verkoopevenement de in lid 1 bedoelde informatie voortdurend
voor de consument beschikbaar is.
6. De overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt niet als investering aangeduid of aangeboden.
7. Een handelaar die in strijd handelt met
dit artikel verricht een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel
193b van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 50c
1. De overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt schriftelijk, op een duurzame gegevensdrager, aangegaan en
wordt door partijen ondertekend.
2. De overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt opgesteld in een door de consument te kiezen taal van de
staat waar hij woont of waarvan hij de nationaliteit heeft, mits dit een
officiële taal is van de Europese Unie of van een van de staten die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
3. De overeenkomst bevat ten minste:
a. de identiteit en de verblijfplaats van
de partijen en
b. de datum en de plaats van sluiting van
de overeenkomst.
4. De inartikel 50b lid 1 bedoelde informatie
vormt een integraal deel van de overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd
en wordt niet gewijzigd, tenzij de partijen uitdrukkelijk anders zijn
overeengekomen of de wijzigingen het gevolg zijn van ongewone en
onvoorzienbare omstandigheden buiten de macht van de handelaar en waarvan
hij de gevolgen niet kan vermijden, zelfs als alle zorg zou zijn betracht.
5. De in het vorige lid bedoelde wijzigingen
worden uitdrukkelijk in de overeenkomst vermeld en, voordat de overeenkomst
wordt gesloten, aan de consument medegedeeld op een duurzame gegevensdrager
die voor hem gemakkelijk toegankelijk is.
6. In de overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt een afzonderlijk standaardformulier voor ontbinding van de
overeenkomst opgenomen overeenkomstig bijlage V bij de richtlijn.
7. De handelaar wijst, voordat de
overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd wordt gesloten, de consument
uitdrukkelijk op het bestaan van het recht van ontbinding van de
overeenkomst, de termijn waarbinnen dit recht kan worden uitgeoefend en het
verbod van vooruitbetalingen tijdens deze termijn. De bepalingen van de
overeenkomst die hierop betrekking hebben, worden door de consument
afzonderlijk ondertekend.
8. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst
of een afschrift daarvan wordt de consument bij het sluiten van de
overeenkomst ter hand gesteld.
Artikel 50d
1. De consument kan de overeenkomst
betreffende gebruik in deeltijd zonder opgave van redenen kosteloos
ontbinden gedurende veertien dagen vanaf:
a. de dag van de sluiting van de
overeenkomst of voorovereenkomst, of
b. de dag waarop de consument een
afschrift van de overeenkomst of voorovereenkomst ontvangt, als deze dag
later valt dan de onder a bedoelde dag.
2. Indien niet aan de in artikel 50b lid 1
gestelde eisen is voldaan, wordt de in het vorige lid bedoelde termijn
verlengd met de tijd die is verstreken vanaf het tijdstip, bedoeld in het
vorige lid, onderdeel a respectievelijk b, tot het moment waarop alle
ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de consument zijn
verstrekt, doch ten hoogste met drie maanden.
3. Indien in de overeenkomst betreffende
gebruik in deeltijd het in artikel 50c lid 6 bedoelde, door de handelaar
ingevulde, standaardformulier ontbreekt, wordt de in lid 1 bedoelde termijn
verlengd met de tijd die is verstreken vanaf het tijdstip, bedoeld in lid 1
onderdelen a respectievelijk b, tot het moment waarop alle ontbrekende
gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de consument zijn verstrekt,
doch ten hoogste met een jaar.
4. De consument oefent het in lid 1 bedoelde
recht uit door binnen de gestelde termijn een daartoe strekkende
schriftelijke verklaring, op een duurzame gegevensdrager, te zenden aan de
handelaar.
Artikel 50e
1. In geval van ontbinding overeenkomstig
artikel 50d worden de consument geen kosten gerekend, noch wordt hij
aansprakelijk gesteld voor diensten die hem voor de ontbinding kunnen zijn
geleverd.
2. Ontbinding overeenkomstig artikel 50d
brengt van rechtswege en zonder kosten voor de consument de ontbinding mee
van:
a. aan de overeenkomst betreffende
gebruik in deeltijd gekoppelde uitwisselingsovereenkomsten,
b. andere aanvullende overeenkomsten, en
c. een overeenkomst die ertoe strekt dat
de handelaar, of een derde op grond van een regeling tussen die derde en
de handelaar, aan de consument ten behoeve van de voldoening van de
prijs of een gedeelte daarvan een krediet heeft verleend.
Artikel 50f
1. De consument wordt gedurende de termijn
waarbinnen hij het in artikel 50d lid 1 bedoelde recht van ontbinding kan
uitoefenen, niet verzocht om of verplicht tot:
a. vooruitbetaling;
b. de verstrekking van garanties;
c. de reservering van geld op rekeningen;
d. schuldbekentenissen, of
e. betaling van enige andere vergoeding.
2. Binnen de in het vorige lid genoemde
termijn gedane vooruitbetalingen gelden als onverschuldigd betaald.
Artikel 50g
1. Op de overeenkomst betreffende een
vakantieproduct van lange duur zijn deartikelen 50a tot en met 50f van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de informatie, bedoeld in
artikel 50b, wordt verstrekt overeenkomstig het in bijlage II bij de
richtlijn opgenomen model.
2. De prijs van de overeenkomst betreffende
een vakantieproduct van lange duur, met inbegrip van de eventuele
ledencontributie, wordt voldaan in gelijke jaarlijkse termijnen. Elke andere
betaling geldt als onverschuldigd.
3. De handelaar zendt de consument ten minste
veertien dagen voor elke vervaldag van een betalingstermijn schriftelijk, op
een duurzame gegevensdrager, een verzoek om betaling.
4. De consument kan vanaf de tweede
betalingstermijn de overeenkomst opzeggen zonder dat hij een boete
verschuldigd is door binnen veertien dagen na ontvangst van het
betalingsverzoek, bedoeld in het vorige lid, een daartoe strekkende
verklaring te zenden aan de handelaar.
Artikel 50h
Op de overeenkomst van bijstand bij verhandelen
en de uitwisselingsovereenkomst zijn artikel 50b, leden 1 tot en met 5 alsmede
lid 7, en de artikelen 50c, 50d, 50e lid 1 en lid 2, aanhef en onderdeel c,
alsmede artikel 50f van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. ten aanzien van de overeenkomst van
bijstand bij verhandelen:
1°. de informatie, bedoeld in artikel
50b, wordt verstrekt overeenkomstig het in bijlage III bij de
richtlijn opgenomen model; en
2°. artikel 50ftoepassing vindt tot de
overdracht of overname heeft plaatsgevonden of de overeenkomst op
andere wijze wordt beëindigd;
b. ten aanzien van
uitwisselingsovereenkomst:
1°. de informatie, bedoeld in artikel
50b, wordt verstrekt overeenkomstig het in bijlage IV bij de richtlijn
opgenomen model; en
2°. als de overeenkomst wordt
aangeboden samen met en op hetzelfde tijdstip als een overeenkomst
betreffende gebruik in deeltijd, slechts een enkele termijn voor
ontbinding als bedoeld in artikel 50d lid 1 geldt, waarbij de termijn
voor beide overeenkomsten wordt berekend overeenkomstig lid 1 van dat
artikel.
Artikel 50i
1. Op de termijnen genoemd in deze titel is
Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 (PbEG L 124) van de Raad van 3 juni
1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op
termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden van overeenkomstige toepassing.
2. Van deze titel kan niet ten nadele van de
consument worden afgeweken.
3. Is het toepasselijke recht op de
overeenkomst dat van een derde land, dan past de rechter de voor de
consument beschermende bepalingen van deze titel toe als de overeenkomst:
a. betrekking heeft op een onroerende
zaak die is gelegen in een lidstaat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, of
b. niet rechtstreeks betrekking heeft op
een onroerende zaak en de handelaar zijn handels-of beroepsactiviteit
verricht in, dan wel deze activiteit met enigerlei middel richt op, een
lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en de
overeenkomst onder die activiteit valt.
4. Deze titel is van toepassing op
overeenkomsten tussen handelaren en consumenten.
Titel 2. Financiëlezekerheidsovereenkomsten
Artikel 51
In deze titel wordt verstaan onder:
a. financiëlezekerheidsovereenkomst: een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht of een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een pandrecht;
b. financiëlezekerheidsovereenkomst tot
overdracht: een overeenkomst op grond waarvan de onder d, e of f bedoelde
goederen worden overgedragen als waarborg voor een verplichting;
c. financiëlezekerheidsovereenkomst tot
vestiging van een pandrecht: een overeenkomst op grond waarvan een
pandrecht wordt verschaft op de onder d, e of f bedoelde goederen;
d. geld: op een rekening of deposito
gecrediteerd tegoed in geld;
e. effecten: aandelen en andere met
aandelen gelijk te stellen effecten, obligaties en andere
schuldinstrumenten indien deze op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, en
alle andere gewoonlijk verhandelde effecten waarmee die aandelen,
obligaties of andere effecten via inschrijving, koop of omruiling kunnen
worden verkregen of die aanleiding kunnen geven tot afwikkeling in geld
met uitsluiting van waardepapieren die een betalingsopdracht belichamen,
inclusief rechten van deelneming in instellingen voor collectieve
belegging, geldmarktinstrumenten en vorderingen op of rechten ten aanzien
van een van de voornoemde instrumenten;
f. kredietvordering: een geldvordering
voortvloeiend uit een overeenkomst waarbij een bank als bedoeld in artikel
1:1 Wet op het financieel toezicht krediet verschaft in de vorm van een
lening met uitzondering van geldvorderingen waarbij de debiteur een
natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van beroep of
bedrijf, tenzij de zekerheidsnemer of zekerheidsverschaffer van een
dergelijke kredietvordering een van de instellingen is als genoemd in
artikel 52 lid 1 onder b;
g. gelijkwaardige goederen:
1. wanneer het betreft geld: hetzelfde
bedrag in dezelfde valuta;
2. wanneer het betreft effecten:
effecten van dezelfde uitgevende instelling of debiteur, behorende tot
dezelfde emissie of categorie, ter waarde van hetzelfde nominale
bedrag, luidende in dezelfde valuta en van dezelfde soort,
onderscheidenlijk andere goederen indien de
financiëlezekerheidsoverkomst voorziet in de overdracht daarvan na
het plaatsvinden van een gebeurtenis die betrekking heeft op of
gevolgen heeft voor de effecten waarop de schuldenaar een pandrecht
heeft gevestigd;
h. executiegrond: verzuim of een andere
omstandigheid op grond waarvan de zekerheidsnemer krachtens een
financiëlezekerheidsovereenkomst of de wet gerechtigd is verpande
goederen te verkopen of zich toe te eigenen dan wel gebruik te maken van
een verrekenbeding;
i. verrekenbeding: een beding in een
financiëlezekerheidsovereenkomst of een overeenkomst waarvan een
financiëlezekerheidsovereenkomst deel uitmaakt, of een wettelijk
voorschrift, op grond waarvan bij het voldoen aan de voorwaarden van een
executiegrond:
– de verplichtingen van partijen
onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede omgezet in een verplichting tot
het betalen van een bedrag dat hun geschatte actuele waarde
vertegenwoordigt, dan wel de verplichtingen vervallen en worden
vervangen door een verplichting tot het betalen van het voornoemde
bedrag, of
– de verplichtingen van partijen
worden verrekend en alleen het saldo verschuldigd is.
Artikel 52
1. Deze titel is van toepassing op
financiëlezekerheidsovereenkomsten waarbij ten minste een van de partijen
is:
a. een overheidsinstantie, met inbegrip
van:
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese Unie die belast
zijn met of een rol spelen bij het beheer van de overheidsschuld en;
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese Unie die zijn
gemachtigd om voor klanten rekeningen aan te houden.
b. een centrale bank, de Europese
Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen, een multilaterale
ontwikkelingsbank, het Internationaal Monetair Fonds en de Europese
Investeringsbank.
c. een financiële onderneming onder
financieel toezicht, met inbegrip van een bank, beheerder,
beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, financiële instelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht.
d. een centrale tegenpartij, een
afwikkelende instantie of een verrekeningsinstituut als bedoeld in
artikel 212a, onderdeel c, d en e, van de Faillissementswet, inclusief
onder het nationale recht van de lidstaten van de Europese Unie vallende
gereglementeerde instellingen die actief zijn op de markten voor rechten
op overdracht op termijn van goederen, opties en derivaten, en een
andere dan een natuurlijke persoon die optreedt als trustee of in een
vertegenwoordigende hoedanigheid namens een of meer personen waaronder
enigerlei obligatiehouders of houders van andere schuldinstrumenten of
enige instelling als omschreven in onderdeel a, b, c of dit onderdeel.
2. Deze titel is niet van toepassing indien
een van de partijen bij een financiëlezekerheidsovereenkomst een
natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf.
Artikel 53
1. Bij een financiëlezekerheidsovereenkomst
tot vestiging van een pandrecht kan worden bedongen dat de zekerheidsnemer
de verpande goederen kan gebruiken of verkopen en de opbrengst behouden.
2. Uitoefening van het recht tot gebruik of
verkoop brengt van rechtswege een verplichting van de zekerheidsnemer mee
tot overdracht van gelijkwaardige goederen aan de zekerheidsgever, uiterlijk
op het tijdstip waarop moet worden voldaan aan de vordering waarvoor het
verpande tot zekerheid strekt. De zekerheidsnemer krijgt een pandrecht op
het verkregene. Dit recht wordt geacht te zijn verkregen op het moment dat
de financiëlezekerheidsovereenkomst werd gesloten.
3. Voor de in het tweede lid bedoelde
vordering van de zekerheidsgever tot overdracht van gelijkwaardige goederen
heeft deze een voorrecht op de bij de zekerheidsnemer aanwezige gelden en
effecten.
4. In afwijking van lid 2 kan in de
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bepaald dat de zekerheidsnemer de
vordering waarvoor het verpande tot zekerheid strekt verrekent met de waarde
van de gelijkwaardige goederen, op het tijdstip waarop de vordering moet
worden voldaan of zoveel eerder als zich een executiegrond voordoet.
5. Dit artikel is niet van toepassing indien
de financiëlezekerheidsovereenkomst strekt tot verpanding van een
kredietvordering in de zin van artikel 51 onder f.
Artikel 54
1. Tenzij anders is bedongen in een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot de vestiging van een pandrecht, is de
zekerheidsnemer, wanneer aan de voorwaarden van een executiegrond wordt
voldaan, bevoegd:
a. effecten waarop het pandrecht rust te
verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen
onderscheidenlijk deze effecten zich toe te eigenen en de waarde van de
effecten te verrekenen met het hem verschuldigde;
b. geld waarop het pandrecht rust te
verrekenen met het hem verschuldigde;
c. de kredietvordering waarop het
pandrecht rust over te dragen en de opbrengst te verrekenen met het hem
verschuldigde.
2. De verkoop van effecten geschiedt op een
markt door tussenkomst van een tussenpersoon in het vak of ter beurze door
die van een bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de regels en gebruiken die
aldaar voor een gewone verkoop gelden.
3. De zekerheidsnemer kan zich effecten
toe-eigenen indien dit in de financiëlezekerheidsovereenkomst tot de
vestiging van een pandrecht is bedongen en de waardering van de effecten is
gebaseerd op de waarde op een markt of ter beurze.
4. In afwijking van lid 2 en lid 3 kan in een
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bedongen dat de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de zekerheidsnemer of
de zekerheidsgever kan bepalen dat effecten worden verkocht op een
afwijkende wijze, of dat de voorzieningenrechter op verzoek van de
zekerheidsnemer kan bepalen dat effecten voor een door de
voorzieningenrechter vast te stellen bedrag bij wege van toe-eigening aan de
zekerheidsnemer zullen verblijven.
5. De artikelen 235, 248 leden 1 en 2, 249,
250, 251 en 252 van Boek 3 zijn niet van toepassing.
Artikel 55
Een overdracht ter nakoming van een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht is geen overdracht tot
zekerheid of een overdracht die de strekking mist het goed na de overdracht in
het vermogen van de verkrijger te doen vallen in de zin van artikel 84 lid 3
van Boek 3. De regels betreffende pandrecht zijn op een zodanige overeenkomst
en de uitvoering daarvan niet van toepassing of overeenkomstige toepassing.
Artikel 56 [Vervallen per 01-05-2008]
Titel 2a. Consumentenkredietovereenkomsten
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 57
1. In deze titel wordt verstaan onder:
a. consument: een natuurlijk persoon die
handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten
vallen;
b. kredietgever: een natuurlijk persoon
of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs-
of beroepsactiviteiten krediet verleent of toezegt;
c. kredietovereenkomst: een overeenkomst
waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt
in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere,
soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten
voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde
goederen, waarbij de consument, zolang de diensten respectievelijk
goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt;
d. geoorloofde debetstand op een
rekening: een uitdrukkelijke kredietovereenkomst waarbij een
kredietgever een consument de mogelijkheid biedt bedragen op te nemen
die het beschikbare tegoed op de rekening van de consument te boven
gaan;
e. overschrijding: een stilzwijgend
aanvaarde debetstand waarbij een kredietgever een consument de
mogelijkheid biedt bedragen op te nemen die het beschikbare tegoed of de
overeengekomen geoorloofde debetstand op de rekening van de consument te
boven gaan;
f. kredietbemiddelaar: een natuurlijk
persoon of rechtspersoon die niet optreedt als kredietgever en die in
het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten tegen een vergoeding
in de vorm van geld of een andere overeengekomen financiële beloning:
1°. aan consumenten
kredietovereenkomsten voorstelt of aanbiedt;
2°. consumenten bijstaat bij de
voorbereiding van het sluiten van kredietovereenkomsten anders dan
bedoeld onder 1°, of
3°. namens de kredietgever met
consumenten kredietovereenkomsten sluit;
g. totale kosten van het krediet voor de
consument: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen,
belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in
verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever
bekend zijn, met uitzondering van notariskosten;
h. totale door de consument te betalen
bedrag: de som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het
krediet voor de consument;
i. jaarlijks kostenpercentage: de totale
kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage
op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te
vermeerderen met de in lid 3 bedoelde kosten;
j. debetrentevoet: de rentevoet,
uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage;
k. vaste debetrentevoet: een door de
kredietgever en de consument voor de volledige duur van de
kredietovereenkomst overeengekomen enkele debetrentevoet dan wel
verschillende door de kredietgever en de consument voor deeltermijnen
overeengekomen debetrentevoeten waarvoor uitsluitend een vast specifiek
percentage wordt gebruikt;
l. totaal kredietbedrag: het plafond of
de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst
beschikbaar worden gesteld;
m. duurzame drager: ieder hulpmiddel dat
de consument in staat stelt persoonlijk aan hem gerichte informatie op
te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor
toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel
waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie
van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;
n. gelieerde kredietovereenkomst: een
kredietovereenkomst waarbij geldt dat:
1°. het betreffende krediet
uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de
levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde
dienst, en
2°. die twee overeenkomsten
objectief gezien een commerciële eenheid vormen;
o. overeenkomst betreffende
effectenkrediet: een overeenkomst waarbij:
1°. tegen onderpand van een
effectenportefeuille een doorlopend krediet wordt verleend of
toegezegd, inhoudende dat de consument op verschillende tijdstippen
geldsommen bij de kredietgever kan opnemen, voor zover het
uitstaande saldo een bepaalde kredietlimiet niet overschrijdt;
2°. de consument met het krediet
transacties kan verrichten in financiële instrumenten, en
3°. de kredietgever betrokken is bij
die transacties;
p. effectenportefeuille: een pakket
financiële instrumenten dat in het bezit is van de consument;
q. financieel instrument: een financieel
instrument als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht;
r. dekkingspercentage: een door de
kredietgever vastgesteld percentage van de waarde van de in onderpand
gegeven effectenportefeuille of van de daartoe behorende afzonderlijke
financiële instrumenten aan de hand waarvan de kredietgever de
kredietlimiet bepaalt;
s. spreidingseis: een door de
kredietgever gestelde eis ten aanzien van de samenstelling van de
effectenportefeuille;
t. Richtlijn: Richtlijn nr. 2008/48/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april
2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van
Richtlijn 87/102/EEG (Pb EU L 133).
2. De totale kosten van het krediet voor de
consument, bedoeld in lid 1, onderdeel g, omvatten ook de kosten in verband
met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name
verzekeringspremies, indien het sluiten van een dienstencontract verplicht
is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te
verkrijgen.
3. Voor de toepassing van lid 1, onderdeel i,
worden de kosten voor het beheer van een rekening waarop zowel betalingen
als kredietopnemingen worden geboekt, de kosten voor het gebruik van een
betaalmiddel waarmee zowel betalingen als kredietopnemingen kunnen worden
verricht, en de overige kosten voor betalingsverrichtingen in de totale
kosten van het krediet voor de consument meegerekend, tenzij de opening van
de rekening facultatief is en de kosten voor de rekening duidelijk en
afzonderlijk in de kredietovereenkomst of een andere met de consument
gesloten overeenkomst zijn vastgesteld.
4. Indien niet alle debetrentevoeten in de
kredietovereenkomst worden gespecificeerd, is alleen sprake van een vaste
debetrentevoet als bedoeld in lid 1, onderdeel k, voor die deeltermijnen
waarvoor bij de sluiting van de kredietovereenkomst de debetrentevoeten zijn
overeengekomen en die uitsluitend aan de hand van een vast specifiek
percentage zijn vastgesteld.
5. Een commerciële eenheid als bedoeld in
lid 1, onderdeel n wordt geacht te bestaan:
a. indien de bij de overeenkomst voor de
levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst
betrokken leverancier dan wel dienstenaanbieder zelf het krediet van de
consument financiert, dan wel
b. in het geval van financiering door een
derde, indien:
1°. de kredietgever bij het
voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruik maakt van
de diensten van de bij de overeenkomst voor de levering van een
bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst betrokken
leverancier dan wel dienstenaanbieder, of
2°. het goed dan wel de dienst
waarop de overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of de
verrichting van een bepaalde dienst ziet uitdrukkelijk wordt vermeld
in de kredietovereenkomst.
Artikel 58
1. Deze titel is van toepassing op
kredietovereenkomsten.
2. Deze titel is niet van toepassing op:
a. kredietovereenkomsten die gewaarborgd
worden door een hypotheek of door een andere vergelijkbare zekerheid op
een registergoed, dan wel door een recht op een registergoed tegen voor
hypothecaire financiering door de betrokken kredietgever gebruikelijke
voorwaarden;
b. kredietovereenkomsten voor het
verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een
bestaand of gepland gebouw;
c. huur of lease-overeenkomsten, tenzij:
1°. zij een verplichting tot aankoop
van het object van de overeenkomst inhouden of een dergelijke
verplichting bij afzonderlijke overeenkomst is toegevoegd, waaronder
tevens is begrepen dat tot de verplichting tot aankoop eenzijdig
door de kredietgever wordt besloten, dan wel
2°. zij krachtens artikel 7A:1576h
lid 2 als huurkoop moeten worden aangemerkt;
d. kredietovereenkomsten die in de vorm
van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend en die
binnen een maand moeten worden afgelost;
e. kredietovereenkomsten zonder rente en
andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een
termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts
onbetekenende kosten worden aangerekend;
f. kredietovereenkomsten waarbij het
krediet als nevenactiviteit door een werkgever rentevrij of tegen een
jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de markt,
aan zijn werknemers wordt toegekend, en die niet aan het publiek in het
algemeen worden aangeboden;
g. kredietovereenkomsten die het
resultaat zijn van een schikking voor de rechter of een andere daartoe
van overheidswege bevoegde instantie;
h. kredietovereenkomsten die voorzien in
kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld;
i. kredietovereenkomsten bij het sluiten
waarvan van de consument wordt verlangd dat hij bij de kredietgever een
goed als zekerheid in bewaring geeft, en waarbij de aansprakelijkheid
van de consument zich strikt beperkt tot dit in pand gegeven goed, en
j. kredietovereenkomsten betreffende
leningen die krachtens een wettelijke bepaling met een doelstelling van
algemeen belang aan een beperkt publiek worden toegekend tegen een
lagere dan op de markt gebruikelijke rentevoet, dan wel rentevrij, of
onder andere voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op
de markt gebruikelijke voorwaarden en tegen rentetarieven die niet hoger
zijn dan de op de markt gebruikelijke.
3. Op de kredietovereenkomst waarbij het
krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening wordt
verleend en op verzoek of binnen een termijn van drie maanden moet worden
terugbetaald, zijn uitsluitend deartikelen 57, 58, 61 leden 1, 5 en 6, 63,
67, 69 en de artikelen 71 tot en met 73 van toepassing. De artikelen 59 en
60 zijn slechts van toepassing, voorzover de kredietgever zijn
verplichtingen uit de artikelen 4 lid 2 onderdelen a tot en met c en 6 van
de Richtlijn betreffende de in reclame en precontractuele informatie op te
nemen standaardinformatie niet in acht neemt.
4. Op kredietovereenkomsten in de vorm van
overschrijding zijn uitsluitend deartikelen 57, 58, 70 en 73 van toepassing.
Afdeling 2. Informatieverstrekking en
handelingen voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst
Artikel 59
1. Een kredietgever die in reclame voor
kredietovereenkomsten, overeenkomsten betreffende effectenkrediet niet
daaronder begrepen, artikel 4 van de Richtlijn betreffende de in reclame op
te nemen standaardinformatie niet in acht neemt, verricht een oneerlijke
handelspraktijk als bedoeld in de artikel 193b van Boek 6.
2. Een kredietgever verricht een oneerlijke
handelspraktijk als bedoeld in artikel 193b van Boek 6, indien hij in
reclame voor overeenkomsten betreffende effectenkrediet:
a. niet vermeld dat een doorlopend
krediet wordt verleend of toegezegd tegen onderpand van een
effectenportefeuille, en de kredietlimiet afhankelijk is van de waarde
daarvan, of
b. artikel 4 leden 1, 2 onderdeel a, 3 of
4 van de Richtlijn betreffende de in reclame voor kredietovereenkomsten
op te nemen standaardinformatie niet in acht neemt.
Artikel 60
1. De kredietgever of, in voorkomend geval,
de kredietbemiddelaar, verstrekt de consument geruime tijd voordat deze door
een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de in de artikelen 5
en 6 van de Richtlijn voorgeschreven precontractuele informatie, op de in
die artikelen voorgeschreven wijze.
2. De kredietgever of, in voorkomend geval,
de kredietbemiddelaar, verstrekt de consument geruime tijd voordat deze door
een overeenkomst of een aanbod betreffende effectenkrediet wordt gebonden,
de in artikel 6 van de Richtlijn voorgeschreven precontractuele informatie,
met uitzondering van de informatie, bedoeld in lid 1, onderdelen c, d, f, h
en k van dat artikel, op de in dat artikel voorgeschreven wijze. Daarbij
deelt de kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, de
consument eveneens mee:
a. dat een doorlopend krediet wordt
verleend of toegezegd tegen onderpand van een effectenportefeuille en
dat de kredietlimiet afhankelijk is van een bepaald dekkingspercentage
en, indien van toepassing, bepaalde spreidingseisen;
b. welk dekkingspercentage en welke
spreidingseisen worden gehanteerd ten aanzien van de in onderpand
gegeven effectenportefeuille, en
c. in het geval dat de kredietgever voor
verschillende soorten financiële instrumenten andere
dekkingspercentages hanteert, per soort financieel instrument, welk
dekkingspercentage daarop van toepassing is.
3. Indien de kredietgever of, in voorkomend
geval, de kredietbemiddelaar, lid 1 of 2 niet in acht neemt, verricht hij
een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 193b van Boek 6.
Afdeling 3. Informatie en rechten betreffende
kredietovereenkomsten
Artikel 61
1. De kredietovereenkomst wordt op papier of
op een andere duurzame drager aangegaan. De kredietgever verstrekt de
consument een exemplaar van de kredietovereenkomst en behoudt zelf ook een
exemplaar.
2. In de kredietovereenkomst worden op
duidelijke en beknopte wijze vermeld:
a. het soort krediet;
b. de identiteit en geografische adressen
van de overeenkomst sluitende partijen en in voorkomend geval de
identiteit en het geografische adres van de betrokken
kredietbemiddelaar;
c. de duur van de kredietovereenkomst;
d. het totale kredietbedrag en de
voorwaarden voor kredietopneming;
e. in geval van een krediet in de vorm
van uitstel van betaling voor een goed of een dienst, dan wel van een
gelieerde kredietovereenkomst, het goed of de dienst ter financiering
waarvan het krediet strekt en de contante prijs daarvan;
f. de debetrentevoet, de voorwaarden die
de toepassing van deze rentevoet regelen en voor zover beschikbaar,
indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de
aanvankelijke debetrentevoet, alsmede de termijnen, voorwaarden en
procedures voor wijziging ervan;
g. indien naargelang van de verschillende
omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden toegepast, de in
onderdeel f genoemde informatie met betrekking tot alle toepasselijke
rentevoeten;
h. het jaarlijks kostenpercentage en het
totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van
de kredietovereenkomst, alsmede alle bij de berekening van dit
percentage gebruikte hypothesen;
i. het bedrag, het aantal en de
frequentie van de door de consument te verrichten betalingen, en, in
voorkomend geval, de volgorde waarin de betalingen aan de verschillende
openstaande saldi tegen verschillende debetrentevoeten worden
toegerekend met het oog op aflossing;
j. in geval van aflossing van het
kapitaal van een kredietovereenkomst met vaste looptijd, het recht van
de consument om gratis en op verzoek op enig ogenblik tijdens de loop
van de kredietovereenkomst een overzicht van de rekening in de vorm van
een aflossingstabel te ontvangen;
k. indien kosten en interesten worden
betaald zonder aflossing van het kapitaal, een overzicht van de
termijnen en voorwaarden voor de betaling van de rente en periodiek en
niet-perodieke bijbehorende kosten;
l. de eventuele kosten voor het aanhouden
van een of meer rekeningen voor de boeking van zowel betalingen als
kredietopnemingen, tenzij het openen van een rekening facultatief is,
tezamen met de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel voor zowel
betalingen als kredietopnemingen, andere uit de kredietovereenkomst
voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten
kunnen worden gewijzigd;
m. de op het tijdstip van het sluiten van
de kredietovereenkomst geldende rentevoet ingeval van
betalingsachterstand daarvan alsmede de wijzigingsmodaliteiten en, in
voorkomend geval, kosten van niet-nakoming;
n. een waarschuwing betreffende de
gevolgen van wanbetaling;
o. dat in voorkomend geval notariskosten
in rekening worden gebracht;
p. de eventueel gevraagde zekerheden en
verzekeringen;
q. het al dan niet bestaan van het in
artikel 66 bedoelde recht van ontbinding van de kredietovereenkomst en
de termijn voor de uitoefening daarvan, alsmede andere
uitoefeningsvoorwaarden, zoals informatie over de verplichting voor de
consument om overeenkomstig artikel 66 lid 3 het opgenomen kapitaal en
de rente te betalen en het bedrag van de lopende rente per dag;
r. informatie over de uit artikel 67
voortvloeiende rechten en de voorwaarden voor de uitoefening daarvan;
s. het inartikel 68 bedoelde recht op
vervroegde aflossing, de hiervoor te volgen procedure alsmede, in
voorkomend geval, informatie over het recht van de kredietgever op een
vergoeding en de wijze waarop deze vergoeding wordt vastgesteld;
t. de procedure voor de uitoefening van
het in artikel 65 bedoelde recht van beëindiging van de
kredietovereenkomst;
u. of voor de consument
buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures openstaan en, indien
dit het geval is, hoe hij die procedures kan inleiden;
v. in voorkomend geval, de overige
contractvoorwaarden, en
w. in voorkomend geval, naam en adres van
de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
3. De aflossingstabel, bedoeld in lid 2,
onderdeel j, geeft de te betalen bedragen en de betalingstermijnen en
voorwaarden aan. In de aflossingstabel wordt elke periodieke betaling
uitgesplitst in afgelost kapitaal, op basis van de debetrentevoet berekende
rente en, in voorkomend geval, bijkomende kosten. Indien krachtens de
kredietovereenkomst het rentepercentage niet vast is of de bijkomende kosten
kunnen worden gewijzigd, wordt in de aflossingstabel op een duidelijke en
beknopte wijze vermeld dat de gegevens van de tabel alleen gelden tot de
wijziging van de debetrentevoet of van de bijkomende kosten overeenkomstig
de kredietovereenkomst.
4. In geval van toepassing van de leden 2,
onderdeel j, en 3 stelt de kredietgever, gratis en op elk ogenblik tijdens
de duur van de kredietovereenkomst, een overzicht van de rekening in de vorm
van een aflossingstabel ter beschikking aan de consument.
5. De ingevolge de leden 2 en 3 te
verstrekken informatie bij een kredietovereenkomst waarbij de betalingen
door de consument niet tot een directe overeenkomstige aflossing van het
totale kredietbedrag leiden, maar dienen voor kapitaalvorming gedurende de
termijnen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de
kredietovereenkomst of in een nevenovereenkomst, bevat een duidelijke en
beknopte vermelding dat dergelijke kredietovereenkomsten niet voorzien in
een garantie tot terugbetaling van het totale uit hoofde van de
kredietovereenkomst opgenomen kredietbedrag, tenzij die garantie wordt
gegeven.
6. Bij kredietovereenkomsten die in de vorm
van een geoorloofde debetstand op een rekening overeenkomstig artikel 58 lid
3 worden verleend, worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
a. het soort krediet;
b. de identiteit en het geografische
adres van de overeenkomstsluitende partijen en, in voorkomend geval, de
identiteit en het geografische adres van de betrokken
kredietbemiddelaar;
c. de duur van de kredietovereenkomst;
d. het totale kredietbedrag en de
voorwaarden voor kredietopneming;
e. de debetrentevoet, de voorwaarden die
de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover beschikbaar,
indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de
aanvankelijke debetrentevoet, alsook de termijnen, de voorwaarden en de
procedure voor wijziging van de debetrentevoet;
f. indien naargelang van de verschillende
omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden toegepast, de in
onderdeel e genoemde informatie met betrekking tot alle toepasselijke
rentevoeten;
g. in voorkomend geval, de vermelding dat
de consument te allen tijde gevraagd kan worden het kredietbedrag
volledig terug te betalen;
h. de procedure voor de uitoefening van
het in artikel 66 bedoelde recht van ontbinding van de
kredietovereenkomst, en
i. de informatie over de vanaf het
sluiten van de overeenkomst verschuldigde kosten, alsmede, voor zover
van toepassing, de voorwaarden waaronder deze gewijzigd kunnen worden.
7. In overeenkomsten betreffende
effectenkrediet worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
a. dat het krediet kan worden aangewend
voor de financiering van transacties in financiële instrumenten;
b. de identiteit en het geografische
adres van de overeenkomstsluitende partijen en, in voorkomend geval, de
identiteit en het geografische adres van de betrokken
kredietbemiddelaar;
c. de wijze waarop de consument actuele
informatie kan verkrijgen over de dekkingspercentages en indien van
toepassing, de spreidingseisen, die de kredietgever hanteert bij het
bepalen van de kredietlimiet en de voorwaarden waaronder de kredietgever
deze kan wijzigen;
d. de voorwaarden voor kredietopneming;
e. de debetrentevoet, de voorwaarden die
de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover beschikbaar,
indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de
aanvankelijke debetrentevoet, alsook de termijnen, de voorwaarden en de
procedure voor wijziging van de debetrentevoet;
f. indien naargelang van de verschillende
omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden toegepast, de in
onderdeel e genoemde informatie met betrekking tot alle toepasselijke
rentevoeten;
g. informatie betreffende het niet
bestaan van het in de artikelen 66 lid 1 en 67 lid 1 bedoelde recht van
ontbinding van de kredietovereenkomst;
h. de informatie over de vanaf het
sluiten van de overeenkomst verschuldigde kosten, alsmede, voor zover
van toepassing, de voorwaarden waaronder deze gewijzigd kunnen worden;
i. een waarschuwing betreffende de
gevolgen van wanbetaling;
j. de gevraagde zekerheden;
k. de procedure voor de uitoefening van
het in artikel 65 bedoelde recht van beëindiging van de
kredietovereenkomst;
l. of voor de consument
buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures openstaan en, indien
dit het geval is, hoe hij die procedures kan inleiden, en
m. in voorkomende geval, naam en adres
van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
Artikel 62
1. In voorkomend geval wordt de consument op
papier of op een andere duurzame drager in kennis gesteld van een wijziging
van de debetrentevoet voordat de wijziging van kracht wordt. Daarbij wordt
het bedrag van de na de inwerkingtreding van de nieuwe debetrentevoet te
verrichten betalingen vermeld evenals bijzonderheden betreffende een
eventuele wijziging in het aantal of de frequentie van de betalingen.
2. De partijen kunnen echter in de
kredietovereenkomst overeenkomen dat de informatie, bedoeld in lid 1,
periodiek aan de consument wordt verstrekt indien de wijziging van de
debetrentevoet het gevolg is van een wijziging van een referentierentevoet
en het publiek via passende middelen kennis kan nemen van de nieuwe
referentierentevoet en de informatie over de nieuwe referentierentevoet ook
beschikbaar is in de gebouwen van de kredietgever.
Artikel 63
1. Bij een kredietovereenkomst in de vorm van
een geoorloofde debetstand op een rekening als bedoeld in artikel 58 lid 3
wordt de consument regelmatig door middel van een rekeningafschrift op
papier of op een andere duurzame drager op de hoogte gebracht van de
volgende informatie:
a. de periode waarop het
rekeningafschrift betrekking heeft;
b. de opgenomen bedragen en de datum van
opneming;
c. het saldo en de datum van het vorige
afschrift;
d. het nieuwe saldo;
e. de datum en het bedrag van de door de
consument verrichte betalingen;
f. de toegepaste debetrentevoet;
g. de eventueel toegepaste kosten, en
h. in voorkomend geval, het te betalen
minimumbedrag.
2. De consument wordt, voordat de betreffende
wijziging van kracht wordt, op papier of op een andere duurzame drager in
kennis gesteld van verhogingen van de debetrentevoet of van de kosten.
3. De partijen kunnen in de
kredietovereenkomst overeenkomen dat informatie over wijzigingen van de
debetrentevoet door middel van het rekeningafschrift, bedoeld in lid 1, moet
worden verstrekt, indien de wijziging van de debetrentevoet het gevolg is
van een wijziging van een referentierentevoet en het publiek via passende
middelen kennis kan nemen van de nieuwe referentierentevoet en de informatie
over de nieuwe referentierentevoet ook beschikbaar is in de gebouwen van de
kredietgever.
Artikel 64
Bij overeenkomsten betreffende effectenkrediet
maakt de kredietgever melding van wijzigingen in de dekkingspercentages en de
spreidingseisen op de dag dat de betreffende wijziging ingaat, op de ingevolge
artikel 61 lid 7, onderdeel c, overeengekomen wijze.
Artikel 65
1. De consument kan een kredietovereenkomst
met onbepaalde looptijd te allen tijde kosteloos beëindigen. Indien
partijen een opzeggingstermijn zijn overeengekomen, mag deze termijn niet
langer zijn dan één maand.
2. De kredietgever kan, indien dit in de
kredietovereenkomst is overeengekomen, een kredietovereenkomst met
onbepaalde looptijd beëindigen door de consument met inachtneming van een
opzegtermijn van ten minste twee maanden een opzegging te doen toekomen op
papier of op een andere duurzame drager.
3. De kredietgever kan, indien dit in de
kredietovereenkomst is overeengekomen, op objectieve gronden de consument
het recht ontnemen om op grond van een kredietovereenkomst met onbepaalde
looptijd krediet op te nemen. De kredietgever stelt de consument, op papier
of op een andere duurzame drager, indien mogelijk van tevoren en uiterlijk
onmiddellijk na deze ontneming, van deze ontneming in kennis, alsook van de
gronden hiervoor, tenzij het verstrekken van dergelijke informatie op grond
van andere communautaire wetgeving is verboden of indruist tegen
doelstellingen van openbare orde of openbare veiligheid.
Artikel 66
1. De consument heeft het recht om de
kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te ontbinden gedurende
veertien kalenderdagen na:
a. de dag van de sluiting van de
kredietovereenkomst, of
b. de dag waarop de consument de
contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstigartikel 61
ontvangt, als die dag later valt dan de in onderdeel a bedoelde dag.
2. De consument oefent het recht, bedoeld in
lid 1, uit door binnen de gestelde termijn een daartoe strekkende
kennisgeving te richten tot de kredietgever. De kennisgeving is in lijn met
de door de kredietgever ingevolge artikel 61 lid 2, onderdeel q, verstrekte
informatie en wordt gedaan op een wijze die voor bewijs vatbaar is. De
gestelde termijn is in acht genomen indien, een kennisgeving op papier of op
een andere duurzame drager waarover de kredietgever beschikt en waartoe hij
toegang heeft, vóór het verstrijken van de termijn is verzonden.
3. In geval van ontbinding van de
kredietovereenkomst overeenkomstig lid 1 betaalt de consument het kapitaal
aan de kredietgever terug met de op dit kapitaal lopende rente vanaf de
datum waarop het krediet is verstrekt tot de datum waarop het kapitaal wordt
terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend aan de hand van de
overeengekomen debetrentevoet. De terugbetaling moet onverwijld en uiterlijk
binnen 30 kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, bedoeld in lid
2, plaatsvinden.
4. De kredietgever heeft bij toepassing van
lid 1 geen recht op een andere vergoeding van de consument dan die welke
verschuldigd is volgens lid 3, met uitzondering van de vergoeding voor niet
voor terugbetaling in aanmerking komende kosten die de kredietgever aan een
overheidsorgaan heeft betaald.
5. Indien door de kredietgever of een derde
partij op grond van een onderlinge overeenkomst een nevendienst in verband
met de kredietovereenkomst wordt verricht, brengt de ontbinding van de
kredietovereenkomst overeenkomstig lid 1, van rechtswege mee dat de
consument niet langer aan de nevendienst gebonden is.
6. Indien de consument overeenkomstig lid 1
een recht van ontbinding heeft, zijn andere bepalingen die een soortgelijk
recht op ontbinding aan de consument toekennen, niet van toepassing.
7. Lid 1 is niet van toepassing op
overeenkomsten betreffende effectenkrediet.
Artikel 67
1. Indien de consument een overeenkomst voor
de levering van een goed of het verrichten van een dienst heeft ontbonden
overeenkomstig artikel 46d lid 1 of 50d lid 1, artikel 4:28 lid 1 van de Wet
op het financieel toezicht dan wel artikel 25 van de Colportagewet, is hij
evenmin langer gebonden aan de daarmee gelieerde kredietovereenkomst.
2. Indien onder de gelieerde
kredietovereenkomsten vallende goederen niet of slechts gedeeltelijk
geleverd worden of niet beantwoorden aan de voorwaarden van de overeenkomst
voor de levering van de goederen en de consument zijn rechten ter zake
daarvan jegens de leverancier heeft ingeroepen, maar er niet in is geslaagd
te verkrijgen waarop hij volgens de genoemde overeenkomst recht heeft, is de
consument gerechtigd zijn rechten jegens de kredietgever geldend te maken.
3. Indien onder de gelieerde
kredietovereenkomsten vallende diensten niet of slechts gedeeltelijk
verricht worden of niet beantwoorden aan de voorwaarden van de overeenkomst
voor het verrichten van de diensten en de consument zijn rechten ter zake
daarvan jegens de dienstenaanbieder heeft ingeroepen, maar er niet in is
geslaagd te verkrijgen waarop hij volgens de genoemde overeenkomst recht
heeft, is de consument gerechtigd zijn rechten jegens de kredietgever
geldend te maken.
4. Lid 1 is niet van toepassing op
overeenkomsten betreffende effectenkrediet.
Artikel 68
1. De consument heeft het recht om zich te
allen tijde geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van een
kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op een
verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de
kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst.
2. De kredietgever heeft in geval van een
vervroegde aflossing recht op een billijke en objectief gegronde vergoeding
voor eventuele kosten die hiermee rechtstreeks verband houden, mits de
vervroegde aflossing valt in een termijn waarvoor een vaste debetrentevoet
geldt. De vergoeding mag niet hoger zijn dan:
a. 0,5% van het vervroegd afgeloste
kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het
overeengekomen einde van de kredietovereenkomst ten hoogste één jaar
is;
b. 1% van het vervroegd afgeloste
kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het
overeengekomen einde van de kredietovereenkomst langer is dan één
jaar.
3. In afwijking van lid 2, onderdelen a en b,
kan de kredietgever de consument bij kredieten boven € 75 000 een hogere
vergoeding in rekening brengen, indien hij aannemelijk maakt dat het door de
vervroegde aflossing geleden verlies het krachtens lid 2 bepaalde bedrag
overstijgt. Het verlies bestaat uit het verschil tussen de oorspronkelijk
overeengekomen rentevoet en de rentevoet waartegen de kredietgever een
lening kan verstrekken ter hoogte van het vervroegd afgeloste bedrag op de
markt op het ogenblik van de vervroegde aflossing. Bij de bepaling van het
verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten van de
vervroegde aflossing.
4. De in de leden 2 en 3 bedoelde vergoeding
mag niet hoger zijn dan het rentebedrag dat de consument zou hebben betaald
gedurende de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen
einde van de kredietovereenkomst.
5. De kredietgever kan de consument geen
vergoeding als bedoeld in lid 2 of lid 3 in rekening brengen:
a. als de vervroegde aflossing heeft
plaatsgevonden uit hoofde van een verzekeringscontract dat bedoeld is om
een kredietaflossingsgarantie te bieden, of
b. bij een geoorloofde debetstand op een
rekening.
Artikel 69
1. Indien de rechten die de kredietgever op
grond van de kredietovereenkomst heeft, dan wel de overeenkomst zelf, aan
een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de verkrijger alle
verweermiddelen inroepen die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ten
dienste stonden, met inbegrip van de bevoegdheid tot verrekening.
2. De consument wordt geïnformeerd over de
in lid 1 bedoelde overdracht, behalve indien de oorspronkelijke
kredietgever, in overleg met de verkrijger tegenover de consument het
krediet verder beheert.
Artikel 70
1. Wanneer de kredietgever in een
overeenkomst tot opening van een rekening de consument de mogelijkheid biedt
van een overschrijding, wordt in die overeenkomst eveneens de in artikel 6
lid 1, onderdeel e, van de richtlijn bedoelde informatie vermeld. De
kredietgever verstrekt die informatie in elk geval op papier of op een
andere duurzame drager en op gezette tijden.
2. In geval van een aanzienlijke
overschrijding gedurende meer dan een maand brengt de kredietgever de
consument, op papier of op een andere duurzame drager, op de hoogte van:
a. de overschrijding;
b. het betreffende bedrag;
c. de debetrentevoet, en
d. de eventuele toepasselijke boetes,
kosten of rente wegens achterstand.
Afdeling 4. Jaarlijks kostenpercentage
Artikel 71
Het jaarlijks kostenpercentage wordt door de
kredietgever berekend overeenkomstig artikel 19 van de Richtlijn.
Afdeling 5. Kredietgevers en
kredietbemiddelaars
Artikel 72
1. Indien de kredietovereenkomst wordt
gesloten door tussenkomst van een kredietbemiddelaar, wordt door deze in
voor de consument bestemde documenten de omvang van zijn volmacht vermeld en
tevens of hij exclusief met één of meer kredietgevers dan wel als
onafhankelijk kredietbemiddelaar werkt.
2. Indien de kredietbemiddelaar met in
achtneming van artikel 4:74 van de Wet op het financieel toezicht de
consument voor zijn dienstverlening een vergoeding in rekening brengt, maakt
hij het bedrag van de vergoeding kenbaar aan de consument. Het bedrag van de
vergoeding wordt voor sluiting van de kredietovereenkomst tussen de
consument en de kredietbemiddelaar overeengekomen op papier of een andere
duurzame drager.
3. De kredietbemiddelaar is verplicht de
vergoeding die de consument aan hem dient te betalen voor zijn
dienstverlening, mee te delen aan de kredietgever teneinde het jaarlijks
kostenpercentage te kunnen berekenen.
4. Indien de kredietbemiddelaar niet aan zijn
in de leden 1 tot en met 3 bedoelde verplichtingen voldoet, is de consument
geen vergoeding voor zijn dienstverlening verschuldigd.
Afdeling 6. Slotbepalingen
Artikel 73
1. Van het bepaalde bij deze titel kan niet
ten nadele van de consument worden afgeweken.
2. De consument kan de hem krachtens deze
titel toegekende bescherming niet worden ontzegd, door overeenkomsten een
bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of
kredietovereenkomsten die onder de Richtlijn vallen op te nemen in
overeenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer
ervan zouden kunnen vallen.
3. Aan de consument kan, indien de
kredietovereenkomst een nauwe band heeft met het grondgebied van een of meer
lidstaten van de Europese Unie, de hem krachtens de Richtlijn door het recht
van die staat toegekende bescherming niet worden onthouden, ongeacht het
recht dat de kredietovereenkomst beheerst.
Titel 3. Schenking
Artikel 175
1. Schenking is de overeenkomst om niet, die
ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de
andere partij, de begiftigde, verrijkt.
2. Het tot een bepaalde persoon gericht
schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze na er van kennis te
hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen.
Artikel 176
lndien de schenker feiten stelt waaruit volgt
dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, rust
bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de
begiftigde, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze
verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de
eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.
Artikel 177
1. Voor zover een schenking de strekking
heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd,
en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, vervalt
zij met het overlijden van de schenker, tenzij de schenking door de schenker
persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is
opgemaakt. Voor zover de schenking betrekking heeft op kleren,
lijfstoebehoren, bepaalde lijfsieraden, bepaalde tot de inboedel behorende
zaken en bepaalde boeken, kan worden volstaan met een door de schenker
geheel met de hand geschreven, gedagtekende en ondertekende onderhandse
akte.
2. Indien een bevoegdheid is bedongen tot
herroeping van een schenkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1, kan deze
herroeping behalve bij een tot de begiftigde gerichte verklaring ook bij een
uiterste wilsbeschikking van de schenker zonder mededeling aan de begiftigde
geschieden.
Artikel 178
1. Een schenking is vernietigbaar, indien zij
gedurende een ziekte van de schenker wordt gedaan hetzij aan een
beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg die hem
bijstand verleent, hetzij aan een geestelijk verzorger die hem gedurende de
ziekte bijstaat.
2. Ook is een schenking vernietigbaar indien
zij gedurende een verblijf van de schenker in een voor de verzorging of
verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling wordt
gedaan aan degene die de instelling exploiteert of die daarvan de leiding
heeft of daarin werkzaam is.
3. Artikel 62 leden 2 en 3 van Boek 4 is van
overeenkomstige toepassing.
4. De bevoegdheid tot vernietiging op grond
van de leden 1 en 2 verjaart drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte,
onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is geëindigd.
5. Na het overlijden van de schenker kan de
vernietiging van de schenking op grond van lid 1 of lid 2 mede plaatsvinden
door een ieder die door de schenking nadeel lijdt. De vernietiging vindt
slechts plaats voor zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van
degene die zich op de vernietigingsgrond beroept. Een rechtsvordering tot
vernietiging ingevolge de eerste zin verjaart op een met overeenkomstige
toepassing van artikel 54 van Boek 4 te bepalen tijdstip, en in ieder geval
drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte, onderscheidenlijk het in lid 2
bedoelde verblijf, is geëindigd.
Artikel 179
1. Een aanbod tot schenking dat de aanbieder
ten tijde van zijn overlijden nog kon herroepen, komt, in afwijking van
artikel 222 van Boek 6, door zijn dood te vervallen, tenzij uit een
overeenkomst of uit het aanbod zelf het tegendeel voortvloeit.
2. Is het aanbod bij wijze van uitloving voor
een bepaalde tijd gedaan, dan komt het door het overlijden van de aanbieder
binnen die tijd te vervallen, indien ten tijde van het overlijden een
gewichtige reden tot herroeping als bedoeld in artikel 220 lid 1 van Boek 6
bestond of het overlijden zelf een zodanige reden oplevert; alsdan is
artikel 220 lid 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 180
Op schenkingen onder een ontbindende voorwaarde
en een daarbij aansluitende schenking onder opschortende voorwaarde zijn de
artikelen 140 lid 1 en 141 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 181
1. Een aanbod tot schenking dat door de dood
van de aanbieder niet vervalt, kan niet worden aanvaard door iemand die op
het tijdstip van overlijden van de aanbieder nog niet bestond.
2. Lid 1 is niet van toepassing:
a. indien de schenker heeft bepaald dat
hetgeen hij schenkt aan een afstammeling van zijn vader of moeder, bij
het overlijden van die afstammeling of op een eerder tijdstip zal ten
deel vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze;
b. indien de schenker heeft bepaald dat
hetgeen hij aan iemand schenkt, bij het overlijden van de begiftigde of
op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een afstammeling van een
ouder van de schenker, en tevens dat, indien die afstammeling dat
tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen
staaksgewijze in diens plaats zullen treden;
c. indien de schenker heeft bepaald dat
hetgeen de begiftigde van het hem geschonkene bij zijn overlijden of op
een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten deel
vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de schenker in de
erfelijke graad.
Artikel 182
1. Bij een aanbod tot schenking dat
schriftelijk wordt gedaan, kan worden bepaald dat het geschonkene onder
bewind zal staan.
2. Het bewind heeft dezelfde rechtsgevolgen
als een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind, met dien verstande
dat
a. de termijnen bedoeld in de artikelen
178 leden 1 en 2, 179 lid 2 en 180 lid 2 van Boek 4, aanvangen op het
tijdstip waarop de schenking wordt uitgevoerd, en
b. het bewind, voor zover het niet in het
belang van een ander dan de begiftigde is ingesteld, ook eindigt wanneer
de schenker en de begiftigde een gemeenschappelijk besluit tot opheffing
schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen.
Artikel 183
1. Een schenker is voor gebreken in het recht
of voor feitelijke gebreken alleen aansprakelijk, wanneer hij deze niet
heeft opgegeven ofschoon zij hem bekend waren, en de begiftigde deze
gebreken niet ter gelegenheid van de aflevering van het geschonken goed had
kunnen ontdekken.
2. Deze aansprakelijkheid strekt zich,
behoudens in het geval van bedrog, niet uit tot schade geleden ten aanzien
van het geschonken goed zelf.
Artikel 184
1. In de navolgende gevallen is een
schenking, ongeacht of zij reeds is uitgevoerd, vernietigbaar:
a. indien de begiftigde in verzuim is met
de voldoening van een hem bij de schenking opgelegde verplichting,
waarvan noch de schenker noch een derde nakoming kan vorderen;
b. indien de begiftigde opzettelijk een
misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekkingen pleegt;
c. indien een begiftigde die wettelijk of
krachtens overeenkomst verplicht is tot onderhoud van de schenker bij te
dragen, in verzuim is deze verplichting na te komen.
2. In lid 1, onder b, wordt mede verstaan
onder misdrijf: poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een
misdrijf.
Artikel 185
1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van de
schenking op grond van artikel 184 verjaren door verloop van een jaar, te
rekenen van de dag waarop het feit dat grond tot vernietiging oplevert, ter
kennis van de schenker is gekomen.
2. Na het overlijden van de schenker kan
vernietiging van de schenking op grond van het in het vorige artikel
bepaalde slechts plaatsvinden door een rechterlijke uitspraak en, in de
gevallen genoemd in artikel 184 lid 1, onder b en c, alleen indien het feit
dat grond tot vernietiging oplevert, de dood van de schenker heeft
veroorzaakt.
Artikel 186
1. De bepalingen van deze titel zijn van
overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover de
strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de
handeling zich daartegen niet verzet.
2. Als gift wordt aangemerkt iedere handeling
die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste
van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking de handeling
strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken,
worden handelingen als bedoeld in de eerste volzin niet beschouwd als gift.
Artikel 187
1. Is de begiftigde in verband met de gift
gehouden een tegenprestatie te verrichten, dan is artikel 186 lid 1,
behoudens voor zover het artikel 182 betreft, van toepassing, en gelden
voorts de volgende twee leden.
2. In het geval, bedoeld in artikel 177 lid
1, vervalt de gift niet, doch is zij vernietigbaar. De vernietiging werkt
terug tot het overlijden van degene die de gift doet. De bevoegdheid tot
vernietiging vervalt indien de begiftigde tijdig een aanvullende prestatie
toezegt, die de handeling haar in artikel 186 lid 2 bedoelde strekking
ontneemt. Bovendien kan de rechter op verlangen van een erfgenaam of van de
begiftigde, in plaats van de vernietiging uit te spreken, te dien einde de
gevolgen van de handeling wijzigen.
3. ls de gift vernietigbaar op grond van
artikel 178, dan is artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing.
4. Op handelingen die ten dele als gift, ten
dele als nakoming van een natuurlijke verbintenis zijn te beschouwen, zijn
de vorige leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 188
1. De aanwijzing van een begunstigde bij een
sommenverzekering wordt, wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard,
aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een
verbintenis anders dan een uit schenking. De artikelen 177, 179, 181, 182
en187 zijn op deze giften niet van toepassing.
2. Als waarde van een gift door begunstiging
bij een sommenverzekering geldt de waarde van de daaruit voortvloeiende
rechten op uitkering. Indien de begunstiging slechts ten dele als gift wordt
aangemerkt, geldt als waarde van de gift een evenredig deel van de waarde
van de daaruit voortvloeiende rechten op uitkering.
3. Het bedrag dat de verzekeraar krachtens de
wet of een overeenkomst met de verzekeringnemer op de uitkering inhoudt,
komt in de eerste plaats op de waarde van de gift in mindering.
Titel 4. Huur
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 201
1. Huur is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een
zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich
verbindt tot een tegenprestatie.
2. Huur kan ook op vermogensrechten
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van deze afdeling en de
afdelingen 2–4 van toepassing, voor zover de strekking van die bepalingen
of de aard van het recht zich daartegen niet verzet.
3. De pachtovereenkomst wordt niet als huur
aangemerkt.
Artikel 202
Indien de huurder recht heeft op de vruchten
van de zaak, geldt dit recht als een genotsrecht als bedoeld in artikel 17 van
Boek 5. De huurder verkrijgt dit recht van de dag van ingang van de huur af
met dien verstande dat burgerlijke vruchten van dag tot dag berekend worden.
Afdeling 2. Verplichtingen van de verhuurder
Artikel 203
De verhuurder is verplicht de zaak ter
beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het
overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 204
1. De verhuurder heeft met betrekking tot
gebreken van de zaak de in deze afdeling omschreven verplichtingen.
2. Een gebrek is een staat of eigenschap van
de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid,
waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een
huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed
onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.
3. Een feitelijke stoornis door derden zonder
bewering van recht als bedoeld in artikel 211 en een bewering van recht
zonder feitelijke stoornis zijn geen gebreken in de zin van lid 2.
Artikel 205
De uit deze afdeling voortvloeiende rechten van
de huurder komen aan deze toe, onverminderd alle andere rechten en
vorderingen.
Artikel 206
1. De verhuurder is verplicht op verlangen
van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven
vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de
verhuurder zijn te vergen.
2. Deze verplichting geldt niet ten aanzien
van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de huurder krachtens
artikel 217 verplicht is, en ten aanzien van gebreken voor het ontstaan
waarvan de huurder jegens de verhuurder aansprakelijk is.
3. Is de verhuurder met het verhelpen in
verzuim, dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor
gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder verhalen,
desgewenst door deze in mindering van de huurprijs te brengen. Hiervan kan
niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 207
1. De huurder kan in geval van vermindering
van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering
van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk
heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in
voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop
het gebrek is verholpen.
2. De huurder heeft geen aanspraak op
huurvermindering terzake van gebreken die hij krachtens artikel 217
verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de
verhuurder aansprakelijk is.
Artikel 208
Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming van
de verplichting van artikel 206 is de verhuurder tot vergoeding van de door
een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het aangaan van
de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het
gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het
toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen
gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 209
Van de artikelen 206, leden 1 en 2, 207 en 208
kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het gaat om
gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of had
behoren te kennen.
Artikel 210
1. Indien een gebrek dat de verhuurder
ingevolge artikel 206 niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de
huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt, is zowel de huurder als
de verhuurder bevoegd de huur op de voet van artikel 267 van Boek 6 te
ontbinden.
2. Een verplichting van een der partijen tot
schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede de door het eindigen van
de huur ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.
Artikel 211
1. Wanneer tegen de huurder door een derde
een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van een recht
waarmee de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, ingevolge die
overeenkomst niet belast had mogen zijn, is de verhuurder na kennisgeving
daarvan door de huurder gehouden in het geding te komen ten einde de
belangen van de huurder te verdedigen.
2. De verhuurder moet aan de huurder alle
door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de kennisgeving
niet onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving ontstane kosten.
3. Wanneer tegen de onderhuurder een
vordering betreffende het ondergehuurde wordt ingesteld door de
hoofdverhuurder, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op
de onderverhuurder. Voor de toepassing van artikel 2.9.5 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze vordering gelijkgesteld aan een
vordering tot uitwinning.
Afdeling 3. De verplichtingen van de huurder
Artikel 212
De huurder is verplicht de tegenprestatie op de
overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 213
De huurder is verplicht zich ten aanzien van
het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen.
Artikel 214
De huurder is slechts bevoegd tot het gebruik
van de zaak dat is overeengekomen, en, zo daaromtrent niets is overeengekomen,
tot het gebruik waartoe de zaak naar zijn aard bestemd is.
Artikel 215
1. De huurder is niet bevoegd de inrichting
of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na
schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om
veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder
noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd.
2. Indien het de huur van woonruimte betreft,
verleent de verhuurder binnen acht weken de toestemming in ieder geval,
indien de voorgenomen veranderingen de verhuurbaarheid van het gehuurde niet
schaden, dan wel niet leiden tot een waardedaling van het gehuurde.
3. Indien de verhuurder de toestemming niet
verleent, kan de huurder vorderen dat de rechter hem zal machtigen tot het
aanbrengen van de veranderingen. Indien de verhuurder niet tevens de
eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van de zaak is, draagt de verhuurder
ervoor zorg dat ook de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter tijdig in het
geding wordt geroepen. Indien op de zaak een hypotheek rust, bestaat deze
verplichting tevens ten aanzien van de hypotheekhouder.
4. De rechter wijst de vordering in ieder
geval toe, indien de verhuurder op grond van lid 2 toestemming had behoren
te geven. In andere gevallen wijst hij de vordering slechts toe, indien de
veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde
door de huurder of het woongenot verhogen en geen zwaarwichtige bezwaren aan
de zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.
5. De rechter kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen; hij kan op vordering van
de verhuurder de huurprijs verhogen, indien de veranderingen daartoe
aanleiding geven.
6. Van de voorgaande leden kan niet ten
nadele van de huurder worden afgeweken, tenzij het de buitenzijde van
gehuurde woonruimte betreft.
Artikel 216
1. De huurder is tot de ontruiming bevoegd
door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits
daarbij het gehuurde in de toestand wordt gebracht, die bij het einde van de
huur redelijkerwijs in overeenstemming met de oorspronkelijke kan worden
geacht.
2. De huurder is niet verplicht tot het
ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen, onverminderd
de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van artikel 215 lid 5 de
verplichting op te leggen hiervoor vóór de ontruiming van het gehuurde
zorg te dragen.
3. De huurder kan ter zake van geoorloofde
veranderingen en toevoegingen die na het einde van de huurovereenkomst niet
ongedaan worden gemaakt, vergoeding vorderen voor zover artikel 212 van Boek
6 dat toestaat.
Artikel 217
De huurder is verplicht te zijnen koste de
kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn geworden door het
tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting tot het
verhelpen van gebreken.
Artikel 218
1. De huurder is aansprakelijk voor schade
aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen
tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst.
2. Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn
ontstaan, behoudens brandschade en, in geval van huur van een gebouwde
onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de buitenzijde van het
gehuurde.
3. Onverminderd artikel 224 lid 2 wordt de
huurder vermoed het gehuurde in onbeschadigde toestand te hebben ontvangen.
Artikel 219
De huurder is jegens de verhuurder op gelijke
wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die
met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop
bevinden.
Artikel 220
1. Indien gedurende de huurtijd dringende
werkzaamheden aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd of de verhuurder
krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten behoeve van een
naburig erf, moet de huurder daartoe gelegenheid geven, onverminderd zijn
aanspraken op vermindering van de huurprijs, op ontbinding van de
huurovereenkomst en op schadevergoeding.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing
wanneer de verhuurder met voortzetting van de huurovereenkomst wil overgaan
tot renovatie van de gebouwde onroerende zaak waarop die overeenkomst
betrekking heeft, en daartoe aan de huurder een, gelet op het belang van de
verhuurder en de belangen van de huurder en eventuele onderhuurders,
redelijk voorstel doet. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk gedaan.
Onder renovatie wordt zowel sloop met vervangende nieuwbouw als
gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging verstaan.
3. Indien de renovatie tien of meer woningen
of bedrijfsruimten die een bouwkundige eenheid vormen, betreft wordt het in
lid 2 bedoelde voorstel vermoed redelijk te zijn, wanneer 70% of meer van de
huurders daarmee heeft ingestemd. De huurder die niet met het voorstel heeft
ingestemd, kan binnen acht weken na de schriftelijke kennisgeving van de
verhuurder aan hem dat 70% of meer van de huurders met het voorstel heeft
ingestemd een beslissing van de rechter vorderen omtrent de redelijkheid van
het voorstel.
4. De voorgaande leden doen niet af aan de
bevoegdheid van de verhuurder om de huurovereenkomst op te zeggen op de
grond dat hij de zaak dringend nodig heeft voor renovatie, voor zover zulks
kan worden gebracht onder de wettelijke opzeggingsgronden die gelden voor
een gebouwde onroerende zaak als waarop de huurovereenkomst betrekking
heeft.
5. Indien verhuizing noodzakelijk is in
verband met de voorgenomen renovatie, bedoeld in lid 2, derde zin, van
woonruimte als bedoeld in artikel 233draagt de verhuurder bij in de kosten
die de verhuizing voor de huurder meebrengt.
6. De minimumbijdrage in de verhuis- en
inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen als bedoeld in
artikel 234, en woonwagens en standplaatsen als bedoeld in de artikelen 235
en 236, wordt bij ministeriële regeling van de Minister voor Wonen, Wijken
en Integratie vastgesteld en zal jaarlijks voor 1 maart worden gewijzigd
voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Het in de
eerste zin genoemde bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
7. De verhuurder kan eventuele door de
gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen voor
verhuis- of inrichtingskosten in mindering brengen op de hoogte van de
bijdrage, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 221
De huurder is bevoegd het gehuurde geheel of
gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij moest aannemen dat
de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren zal
hebben.
Artikel 222
Indien de huurder gebreken aan de zaak ontdekt
of derden hem in zijn genot storen of enig recht op de zaak beweren, moet hij
daarvan onverwijld aan de verhuurder kennis geven, bij gebreke waarvan hij
verplicht is aan de verhuurder de door de nalatigheid ontstane schade te
vergoeden.
Artikel 223
De huurder van een onroerende zaak of een
gedeelte daarvan is, indien de verhuurder tot verhuur na afloop van lopende
huur of tot verkoop wenst over te gaan, verplicht te dulden dat aan de zaak de
gebruikelijke kennisgevingen van het te huur of te koop zijn worden
aangebracht, en aan belangstellenden gelegenheid te geven tot bezichtiging.
Artikel 224
1. De huurder is verplicht het gehuurde bij
het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen.
2. Indien tussen de huurder en verhuurder een
beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is de huurder gehouden de zaak
in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de beschrijving is
aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen en toevoegingen en
hetgeen door ouderdom is teniet gegaan of beschadigd. Indien geen
beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs,
verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij
het einde van de huurovereenkomst.
Artikel 225
Houdt de huurder na het einde van de huur het
gehuurde onrechtmatig onder zich, dan kan de verhuurder over de tijd dat hij
het gehuurde mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs,
onverminderd, indien zijn schade meer dan deze vergoeding bedraagt, zijn recht
op dit meerdere.
Afdeling 4. De overgang van de huur bij
overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur
Artikel 226
1. Overdracht van de zaak waarop de
huurovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van een
zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak waarop de
huurovereenkomst betrekking heeft, door de verhuurder doen de rechten en
verplichtingen van de verhuurder uit de huurovereenkomst, die daarna
opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger.
2. Overdracht door een schuldeiser van de
verhuurder wordt met overdracht door de verhuurder gelijkgesteld.
3. De verkrijger wordt slechts gebonden door
die bedingen van de huurovereenkomst, die onmiddellijk verband houden met
het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de huurder te
betalen tegenprestatie.
4. Bij huur van een gebouwde onroerende zaak
of een gedeelte daarvan alsmede van een woonwagen in de zin van artikel 235
en van een standplaats in de zin van artikel 236, kan niet van de voorgaande
leden worden afgeweken.
Artikel 227
In geval van vestiging of overdracht van een
beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet onder artikel 226 lid 1 is
begrepen, is de gerechtigde jegens de huurder verplicht zich te onthouden van
een uitoefening van dat recht, die het gebruik door de huurder belemmert.
Artikel 228
1. Een huur voor bepaalde tijd aangegaan,
eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd is
verstreken.
2. Een huur voor onbepaalde tijd aangegaan of
voor onbepaalde tijd verlengd eindigt door opzegging. Heeft de huur
betrekking op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte
is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling
overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand.
Artikel 229
1. De dood van de huurder of de verhuurder
doet de huur niet eindigen.
2. Indien de erfgenamen van de huurder niet
bevoegd zijn de zaak aan een ander in gebruik te geven, kunnen zij,
onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner in het geval
zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld,
gedurende zes maanden na het overlijden van hun erflater de overeenkomst op
een termijn van tenminste een maand opzeggen.
3. Indien een huurder twee of meer erfgenamen
nalaat, is de verhuurder verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
toedeling van de rechten en verplichtingen van de overleden huurder uit de
huurovereenkomst door de gezamenlijke erfgenamen aan een of meer van hen,
tenzij de verhuurder tegen een of meer van de aangewezenen redelijke
bezwaren heeft. De eerste zin is niet van toepassing indien de nalatenschap
ingevolge artikel 13 van Boek 4 is verdeeld
Artikel 230
Indien na afloop van een huurovereenkomst de
huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het gehuurde behoudt,
wordt daardoor, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de overeenkomst,
ongeacht de tijd waarvoor zij was aangegaan, voor onbepaalde tijd verlengd.
Artikel 230a
1. Heeft de huur betrekking op een gebouwde
onroerende zaak of gedeelte daarvan en is die zaak of dat gedeelte noch
woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel, dan kan de huurder
na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn
waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. Het verzoek moet
worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk
ontruiming is aangezegd.
2. Het eerste lid geldt niet in geval de
huurder zelf de huur heeft opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging
daarvan heeft toegestemd of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet
nakoming van zijn verplichtingen.
3. De verhuurder kan niet verlangen dat de
huurder voor het einde van de in lid 1 bedoelde termijn tot ontruiming
overgaat. De indiening van het verzoek schorst de verplichting om tot
ontruiming over te gaan, totdat op het verzoek is beslist.
4. Het verzoek wordt slechts toegewezen
indien de belangen van de huurder en van de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, door de ontruiming ernstiger worden geschaad
dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder.
Het verzoek wordt niettemin afgewezen, indien de verhuurder aannemelijk
maakt dat van hem wegens onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens
ernstige overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of wegens
wanbetaling niet gevergd kan worden dat de huurder langer het recht op het
gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt.
5. De verlenging kan worden uitgesproken voor
een termijn van ten hoogste een jaar na het eindigen van de overeenkomst.
Deze termijn kan op verzoek van de huurder nog tweemaal telkens met ten
hoogste een jaar worden verlengd. Het verzoek tot verlenging moet uiterlijk
een maand voor het verstrijken van de termijn worden ingediend. Lid 3,
tweede zin, en lid 4 zijn van toepassing.
6. Zo partijen het niet eens zijn over de som
die de huurder gedurende de termijn waarmee de verlenging heeft plaats
gevonden, voor het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan verplicht is te
betalen, stelt rechter deze som vast op een, gezien het huurpeil ter
plaatse, redelijk bedrag. Hij kan, zo een der partijen dit verzoekt, te dier
zake een voorlopige voorziening treffen. Voor het overige blijven gedurende
deze termijn de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen
partijen van kracht.
7. Bij afwijzing van het verzoek stelt de
rechter het tijdstip van ontruiming vast. De beschikking geldt als een
veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
8. Tegen een beschikking krachtens dit
artikel staat geen hogere voorziening open.
9. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
huurder worden afgeweken.
10. De leden 1–9 zijn niet van toepassing,
wanneer de overeenkomst tevens aan de omschrijving voldoet van een
overeenkomst als bedoeld inartikel 50a, onderdelen c of f.
Artikel 231
1. Ontbinding van een huurovereenkomst met
betrekking tot een gebouwde onroerende zaak alsmede een woonwagen in de zin
van artikel 235 en een standplaats in de zin van artikel 236 op de grond dat
de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen, kan
slechts geschieden door de rechter, behoudens in het geval van lid 2 en van
artikel 210.
2. De verhuurder kan de overeenkomst op de
voet van artikel 267 van Boek 6 ontbinden op de grond dat door gedragingen
in het gehuurde de openbare orde is verstoord en het gehuurde deswege op
grond van artikel 174a van de Gemeentewet dan wel op grond van een
verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet is gesloten, door
gedragingen in zodanig gebouw in strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet
is gehandeld en het desbetreffende gebouw deswege op grond van artikel 13b
van die wet is gesloten, of zodanig gebouw op grond van artikel 17 van de
Woningwet is gesloten.
3. Van lid 1 kan niet ten nadele van de
huurder worden afgeweken.
Afdeling 5. Huur van woonruimte
Onderafdeling 1. Algemeen
Artikel 232
1. Deze afdeling is uitsluitend van
toepassing op huur van woonruimte.
2. Deze afdeling is niet van toepassing op
huur welke een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van
korte duur is.
3. De artikelen 206 lid 3, 270, 271 lid 4,
272, 273, 274, 275, 276, 277 en 281 zijn gedurende negen maanden na het
ingaan van de overeenkomst niet van toepassing op huur van woonruimte die
niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van een woning waarin de
verhuurder zijn hoofdverblijf heeft en waarin niet eerder aan dezelfde
huurder deze of andere woonruimte is verhuurd geweest.
4. De artikelen 206 lid 3, 269 lid 1 en 2,
270, 271 tot en met 277, 278 leden 1 en 2 en 281 zijn niet van toepassing op
de huur van woonruimte in gebouwen, welke aan een gemeente toebehoren en ten
tijde van het aangaan van de overeenkomst voor afbraak zijn bestemd.
Artikel 233
Onder woonruimte wordt verstaan een gebouwde
onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige
woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de
onroerende aanhorigheden.
Artikel 234
Onder zelfstandige woning wordt verstaan de
woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder
daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.
Artikel 235
Onder woonwagen wordt verstaan een voor
bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats, in zijn geheel
of in delen kan worden verplaatst en waarvoor een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.
Artikel 236
Onder standplaats wordt verstaan een kavel,
bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig
zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen
of van gemeenten kunnen worden aangesloten.
Artikel 237
1. In deze afdeling wordt onder prijs
verstaan het geheel van de verplichtingen die de huurder tegenover de
verhuurder bij of ter zake van huur op zich neemt.
2. Onder huurprijs wordt verstaan de prijs
die is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woonruimte.
3. Onder servicekosten wordt verstaan de
vergoeding voor de in verband met de bewoning van de woonruimte geleverde
zaken en diensten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken en
diensten worden aangewezen waarvoor de vergoeding moet worden aangemerkt als
servicekosten.
Artikel 238
Onder huurcommissie wordt verstaan de
huurcommissie bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte.
Artikel 239
Onder Onze Minister wordt verstaan de Minister
voor Wonen, Wijken en Integratie.
Artikel 240
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
herstellingen worden aangewezen die moeten worden aangemerkt als kleine
herstellingen die krachtens artikel 217 voor rekening van de huurder zijn. Van
de krachtens het onderhavige artikel vastgestelde bepalingen kan niet ten
nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 241
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke tekortkomingen in elk geval als gebreken worden
aangemerkt. Van de krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen kan niet ten
nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 242
1. Behoudens bij standaardregeling bedoeld in
artikel 214 van Boek 6 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken
van de artikelen 204, 206 leden 1 en 2, 207, 208 en 217, tenzij het gaat om
herstellingen aan door de huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen
of gebreken aan door de huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen.
2. Van de artikelen 216 lid 3, 224 lid 2 en
230 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 243
1. Indien woonruimte in een gebouwde
onroerende zaak voorzieningen behoeft als bedoeld in lid 2, kan de rechter
op verzoek van de huurder bepalen dat de verhuurder verplicht is deze
verbetering op eigen kosten aan te brengen, mits de huurder zich bereid
heeft verklaard tot het betalen van een huurverhoging die in redelijke
verhouding staat tot deze kosten. Van deze bepaling kan niet ten nadele van
de huurder worden afgeweken.
2. Voorzieningen als bedoeld in lid 1 zijn:
a. het thermisch isoleren van de
uitwendige scheidingsconstructies;
b. het thermisch isoleren van de
constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte;
c. het ten behoeve van de
verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een
opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande
verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
Artikel 244
In afwijking van artikel 221 is de huurder van
woonruimte niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een ander in
gebruik te geven. De huurder van een zelfstandige woning die in die woning
zijn hoofdverblijf heeft, is echter bevoegd een deel daarvan aan een ander in
gebruik te geven.
Artikel 245
In de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
worden nadere regels gegeven aangaande huurprijzen en andere vergoedingen.
Onderafdeling 2. Huurprijzen en andere
vergoedingen
Paragraaf 1. Huurprijzen
Artikel 246
Ter zake van huur gelden de huurprijzen die
partijen zijn overeengekomen, voorzover uit deze onderafdeling niet anders
voortvloeit.
Artikel 247
De volgende artikelen van deze onderafdeling
zijn, behoudens de artikelen 249, 251, 259, 261 lid 1 en 264, niet van
toepassing op een overeenkomst van huur en verhuur, die betrekking heeft op
een zelfstandige woning, ten aanzien waarvan bij de aanvang van de bewoning
een huurprijs gold of geldt, die, indien nodig herleid tot een bedrag per
jaar, hoger is dan het krachtens artikel 3 lid 2 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte vastgesteld bedrag, indien
a. die overeenkomst op of na 1 juli 1994 is
totstandgekomen, dan wel,
b. die overeenkomst betrekking heeft op een
woning die is totstandgekomen op of na 1 juli 1989.
Artikel 248
1. De huurprijs kan worden verhoogd hetzij op
grond van een beding in de huurovereenkomst dat in deze wijziging voorziet,
hetzij indien een dergelijk beding niet van kracht is, op de wijze als
voorgeschreven in de artikelen 252 en 253. Gedurende het bestaan van een
dergelijk beding is toepassing van de artikelen 252 en 253 uitgesloten.
Indien een dergelijk beding niet meer van kracht is, kan vanaf een tijdvak
van twaalf maanden na het tijdstip waarop laatstelijk toepassing is gegeven
aan het beding, aan de hiervoor genoemde artikelen toepassing worden
gegeven.
2. Leidt toepassing van een beding als
bedoeld in lid 1 tot verhoging van de huurprijs met een hoger percentage dan
het door Onze Minister vastgestelde maximale huurverhogingspercentage als
bedoeld in artikel 10 lid 2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte,
dan is het beding nietig voorzover zij tot dit hogere percentage leidt en
geldt de huurprijs als verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde
maximale huurverhogingspercentage.
Artikel 249
De huurder kan tot uiterlijk zes maanden na het
tijdstip waarop een door hem met betrekking tot die woonruimte voor de eerste
maal aangegane huurovereenkomst is ingegaan, de huurcommissie verzoeken
uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.
Artikel 250
1. De huurprijs kan op verzoek van de
verhuurder worden verhoogd op de wijze voorgeschreven in de artikelen 252 en
253:
a. gedurende het eerste tijdvak van
twaalf maanden na de dag van ingang van de huur ten hoogste eenmaal, en
b. telkens tegen het einde van elkaar
opvolgende tijdvakken van twaalf maanden na hetzij het ingaan van de
onder a bedoelde verhoging, hetzij bij gebreke van zodanige verhoging de
dag van ingang van de huur.
2. Een verhoging van de huurprijs krachtens
lid 1 is niet mogelijk, zolang er tussen huurder en verhuurder geen
overeenstemming is dat de, bij toepassing van de artikelen 12 en 16 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, geconstateerde gebreken ten aanzien
van de woonruimte zijn opgeheven.
3. In afwijking van lid 1 kan de huurprijs
worden verhoogd tegen het einde van een tijdvak dat even zoveel korter dan
twaalf maanden is als het daaraan voorafgaande tijdvak langer dan twaalf
maanden is geweest.
4. De huurprijs kan op verzoek van de huurder
worden verlaagd op de wijze voorgeschreven in de artikelen 252 en 254.
Artikel 251
Bepalingen in huurovereenkomsten die tot gevolg
hebben dat de huurprijs in enig tijdvak van twaalf maanden meer dan eenmaal
wordt verhoogd, zijn nietig, tenzij het gaat om het geval van artikel 255.
Artikel 252
1. Een voorstel tot wijziging van de
huurprijs moet tenminste twee maanden voor de voorgestelde dag van ingang
van de wijziging schriftelijk worden gedaan.
2. Het in lid 1 bedoelde voorstel dient te
vermelden:
a. de geldende huurprijs;
b. het percentage of het bedrag van de
wijziging van de huurprijs;
c. de voorgestelde huurprijs;
d. de voorgestelde dag van ingang van de
voorgestelde huurprijs;
e. de wijze waarop en het tijdvak
waarbinnen de huurder, wanneer hij bezwaren heeft tegen het voorstel,
daarvan kan doen blijken, en de gevolgen die deze onderafdeling verbindt
aan het niet doen blijken van bezwaren.
3. Voor het doen van een voorstel tot
verlaging van de huurprijs dient een waardering van de kwaliteit van de
woonruimte als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte te worden verstrekt.
4. Indien een overeenkomst tot wijziging van
de huurprijs tot stand komt naar aanleiding van een voorstel daartoe, dat
niet voldoet aan lid 1 en lid 2 aanhef en onder b, d of e dan wel aan het in
lid 3 bepaalde, blijft de voordien geldende huurprijs verschuldigd, tenzij
blijkt dat degene tot wie het voorstel was gericht niet door het verzuim is
benadeeld.
Artikel 253
1. Indien de huurder voor het tijdstip waarop
de verhoging van de huurprijs blijkens het voorstel had moeten ingaan,
schriftelijk verklaart met het voorstel van de verhuurder niet in te
stemmen, kan de verhuurder tot zes weken na dat tijdstip onder overlegging
van een afschrift van dat voorstel en van voornoemde verklaring van de
huurder de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid
van het voorstel.
2. De huurder kan de huurcommissie binnen
drie maanden na het in lid 1 bedoelde tijdstip verzoeken uitspraak te doen
over de redelijkheid van het voorstel, indien:
a. hij noch vóór het in lid 1 bedoelde
tijdstip de daar bedoelde schriftelijke verklaring doet, noch door het
betalen van de voorgestelde huurverhoging doet blijken met die verhoging
in te stemmen, en
b. de verhuurder hem binnen zes weken na
het in lid 1 bedoelde tijdstip bij aangetekend schrijven nogmaals van
het voorstel in kennis heeft gesteld, waarbij een afschrift van het
voorstel is gevoegd, en hij met het voorstel tot huurverhoging niet
instemt.
De huurder legt bij dit verzoek een afschrift
over van het voorstel en van dat schrijven.
3. De huurder wordt geacht de voorgestelde
verhoging van de huurprijs met ingang van de in het voorstel genoemde datum
van ingang met de verhuurder te zijn overeengekomen indien hij, na ontvangst
van het in het tweede lid bedoelde schrijven, niet binnen drie maanden na
die datum van ingang een verzoek tot de huurcommissie heeft gericht.
4. Indien de huurder het in het tweede lid
bedoelde verzoek doet, stelt de huurcommissie de verhuurder daarvan
onverwijld in kennis.
5. Indien de verhuurder een voorstel als
bedoeld in artikel 252 lid 1 aanhef bij aangetekend schrijven heeft gedaan,
kan hij, indien voldaan is aan lid 2 onder a, binnen zes weken na het in lid
1 bedoelde tijdstip de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de
redelijkheid van het voorstel. De verhuurder legt bij dit verzoek een
afschrift over van het voorstel en een bewijs van aangetekende verzending.
Artikel 254
Indien de verhuurder met een voorstel van de
huurder tot verlaging van de huurprijs niet instemt, kan de huurder tot
uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop de verlaging blijkens het voorstel
had moeten ingaan, de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de
redelijkheid van het voorstel.
Artikel 255
1. De huurprijs van woonruimte waarin of
waaraan gedurende de huurtijd door of vanwege de verhuurder:
a. voorzieningen zijn aangebracht die
verband houden met een maatregel die gericht is op het opheffen of
verminderen van beperkingen die een gehandicapte, bij het normale
gebruik van zijn woonruimte ondervindt, in de kosten waarvan ingevolge
enige wettelijke regeling een financiële tegemoetkoming is verleend, of
b. veranderingen of toevoegingen,
waaronder niet wordt verstaan het verhelpen van gebreken als bedoeld in
artikel 204, zijn aangebracht, waardoor het woongerief geacht kan worden
te zijn gestegen en die niet ingrepen zijn als bedoeld onder a,
is de huurprijs, vermeerderd met een
bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder
gemaakte kosten van deze ingrepen, veranderingen of toevoegingen met
dien verstande dat de nieuwe huurprijs niet hoger mag zijn dan die welke
bij toepassing van de regels bedoeld in artikel 10 lid 1 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte als redelijk is aan te merken.
2. Indien partijen geen overeenstemming
hebben kunnen bereiken over het bedrag van de verhoging, kan ieder van hen
binnen drie maanden na de totstandkoming van de ingrepen, veranderingen of
toevoegingen de huurcommissie verzoeken daarover een uitspraak te doen.
3. Onder gehandicapte in het eerste lid wordt
verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare
beperkingen ondervindt.
Artikel 256 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 257
1. Voor de vordering van de huurder tot
vermindering van de huurprijs op grond van artikel 207 lid 1 in verbinding
met artikel 242 geldt een met inachtneming van de volgende leden toe te
passen vervaltermijn van zes maanden na de aanvang van de dag volgend op die
waarop de huurder van het gebrek kennis heeft gegeven aan de verhuurder.
2. Is de vordering van de huurder gegrond op
een tekortkoming die krachtens artikel 241 als een gebrek heeft te gelden,
dan kan de huurder, in plaats van zijn vordering binnen de in lid 1 bedoelde
termijn bij de rechter in te stellen, binnen zes maanden na de aanvang van
de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek heeft kennis gegeven
aan de verhuurder, de huurcommissie verzoeken over de vermindering uitspraak
te doen overeenkomstig de in artikel 16 lid 2 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte bedoelde algemene maatregel van bestuur. De huurder
kan eerst een verzoek tot de huurcommissie richten, indien de verhuurder
niet binnen zes weken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de
huurder van het gebrek kennis heeft gegeven aan de verhuurder, het gebrek
heeft verholpen.
3. Na het verstrijken van de in de voorgaande
leden bedoelde termijn van zes maanden kan, voor wat het verleden betreft,
geen huurvermindering worden verlangd over een langere periode dan zes
maanden, voorafgaande aan het instellen van de vordering of het indienen van
het verzoek.
Paragraaf 2. Andere vergoedingen
Artikel 258
Indien de huurovereenkomst meer omvat dan het
enkele gebruik van de woonruimte en bij die overeenkomst slechts de hoogte van
de prijs en niet die van de huurprijs is vastgesteld, stelt de huurcommissie
op verzoek van de huurder de huurprijs vast en het voorschotbedrag voor de
servicekosten. Een dergelijk verzoek kan ook door de verhuurder worden gedaan,
indien de overeengekomen prijs lager is dan 55% van de krachtens artikel 10
lid 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale
huurprijsgrens.
Artikel 259
1. De betalingsverplichting van de huurder
met betrekking tot servicekosten beloopt het bedrag dat door de huurder en
verhuurder is overeengekomen of, bij gebreke van overeenstemming, het bedrag
dat in overeenstemming is met de voor de berekening daarvan geldende
wettelijke voorschriften of met hetgeen als een redelijke vergoeding voor de
geleverde zaken en diensten kan worden beschouwd.
2. De verhuurder verstrekt de huurder elk
jaar, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van een kalenderjaar, een
naar de soort uitgesplitstoverzicht van de in dat kalenderjaar in rekening
gebrachte servicekosten, met vermelding van de wijze van berekening daarvan.
Indien aan de verhuurder kosten in rekening worden gebracht die niet een
kalenderjaar betreffen, maar een andere periode van twaalf maanden, die een
boekjaar vormt en in het verstreken kalenderjaar eindigt, neemt de
verhuurder de kosten over die andere periode in het overzicht van dat
verstreken kalenderjaar op.
3. Bij beëindiging van de huurovereenkomst
heeft het overzicht als in lid 2 bedoeld betrekking op het tijdvak van het
kalenderjaar dat op het tijdstip van de beëindiging reeds is verstreken.
4. De verhuurder biedt de huurder desverzocht
de gelegenheid, na verstrekking van het overzicht bedoeld in lid 2, tot
inzage van de aan het overzicht ten grondslag liggende boeken en andere
bescheiden of van afschriften daarvan.
Artikel 260
1. Indien de huurder en verhuurder geen
overeenstemming hebben kunnen bereiken over een betalingsverplichting van de
huurder met betrekking tot servicekosten, kan de huurder of verhuurder de
huurcommissie verzoeken uitspraak daarover te doen.
2. Het verzoek heeft betrekking op niet meer
dan één tijdvak van ten hoogste twaalf maanden voor elke kostensoort
waarop het verzoek betrekking heeft. Het verzoek kan worden gedaan tot
uiterlijk vierentwintig maanden nadat de in artikel 259 lid 2 genoemde
termijn voor het verstrekken van het overzicht door de verhuurder is
verstreken.
Artikel 261
1. Het voorschotbedrag dat de huurder
krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak ter zake van de
servicekosten verschuldigd is, mag, tenzij na het ingaan van de huur anders
is overeengekomen, slechts worden verhoogd:
a. met ingang van de dag, volgend op het
einde van de betalings-termijn waarin de overeengekomen uitbreiding van
de levering van zaken of diensten heeft plaatsgevonden dan wel met
ingang van de betalingstermijn met ingang waarvan die uitbreiding heeft
plaats gevonden;
b. met ingang van de dag, volgende op de
betalingstermijn, waarin het laatste overzicht, bedoeld in artikel 259,
aan de huurder is verstrekt met dien verstande dat elk overzicht slechts
eenmaal tot een verhoging mag leiden.
2. De huurder is gebonden aan een wijziging
van de levering van zaken of diensten en het daarbij behorende gewijzigde
voorschotbedrag, indien die wijziging betrekking heeft op zaken of diensten
die slechts aan een aantal huurders gezamenlijk geleverd kunnen worden, en
tenminste 70% van die huurders daarmee heeft ingestemd. Een huurder die niet
met de wijziging heeft ingestemd, kan binnen acht weken na de schriftelijke
kennisgeving van de verhuurder dat overeenstemming is bereikt met tenminste
70% van de huurders, een beslissing van de rechter vorderen omtrent de
redelijkheid van het voorstel.
3. Indien het door de huurder verschuldigde
voorschotbedrag aanzienlijk hoger is dan de te verwachten servicekosten, kan
de huurcommissie op verzoek van de huurder het voorschotbedrag verlagen tot
een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot die kosten.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 262
1. Wanneer de huurcommissie op een verzoek
van de huurder of verhuurder als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 uitspraak
heeft gedaan, worden zij geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak
is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift
van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft
gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was
verzocht.
2. Tegen een beslissing krachtens dit artikel
is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 263
Een wijziging van de huurprijs, vastgesteld in
een uitspraak van de huurcommissie of van de rechter, mag in rekening worden
gebracht met ingang van de in het voorstel tot wijziging voorgestelde dag dan
wel indien de huurprijs is vastgesteld zonder dat daartoe een voorstel is
gedaan, de dag waarop vaststelling is verzocht aan de huurcommissie of
vaststelling is gevorderd bij de rechter. Zo in de uitspraak een latere dag
van ingang wordt vastgesteld, geldt die wijziging met ingang van die latere
dag.
Artikel 264
1. Elk in verband met de totstandkoming van
een huurovereenkomst betreffende woonruimte gemaakt beding, niet de
huurprijs betreffende, voorzover daarbij ten behoeve van een der partijen
een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is nietig.
2. Elk in verband met de totstandkoming van
een zodanige huurovereenkomst gemaakt beding, voorzover daarbij door of
tegenover een derde enig niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is
nietig.
Artikel 265
Van de bepalingen van deze onderafdeling kan
niet worden afgeweken, tenzij uit die bepalingen anders voortvloeit.
Onderafdeling 3. Medehuur en voortzetting van
de huur
Artikel 266
1. De echtgenoot of geregistreerde partner
van een huurder is van rechtswege medehuurder, zolang de woonruimte de
echtgenoot of geregistreerde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of
de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het
geregistreerde partnerschap is gesloten.
2. Voor de verplichtingen uit de
huurovereenkomst, behalve voor zover deze reeds opeisbaar waren voordat de
echtgenoot of geregistreerde partner medehuurder werd, zijn de huurder en de
medehuurder jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk.
3. Indien de huurovereenkomst ten aanzien van
de huurder eindigt, wordt de medehuurder huurder.
4. Indien de in lid 1 bedoelde echtgenoot of
geregistreerde partner hetzij ingevolge een beschikking als bedoeld in
artikel 826, lid 1 onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
hetzij ingevolge onderlinge overeenstemming in verband met een verzoek tot
echtscheiding of scheiding van tafel en bed, dan wel ingevolge beëindiging
van geregistreerd partnerschap niet het gebruik heeft van de echtelijke
woning, brengt dit voor de toepassing van dit artikel geen verandering in
het hoofdverblijf.
5. In geval van echtscheiding of scheiding
van tafel en bed of beëindiging van geregistreerd partnerschap kan de
rechter op verzoek van een echtgenoot of geregistreerde partner bepalen wie
van de echtgenoten of geregistreerde partners huurder van de woonruimte zal
zijn. De rechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur met deze
echtgenoot of partner. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere
echtgenoot of partner.
Artikel 267
1. Indien op het gezamenlijk verzoek van een
huurder en van een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf
heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft,
alsmede van een medehuurder wanneer die er is, de verhuurder niet binnen
drie maanden schriftelijk heeft verklaard er mede in te stemmen dat die
andere persoon medehuurder zal zijn, kunnen de huurder en die andere
persoon, alsmede een medehuurder wanneer die er is, gezamenlijk verzoeken
dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang van een in het vonnis
te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn.
2. Nadat een verzoek aan de verhuurder als
bedoeld in lid 1 is gedaan, kan een vordering tot ontbinding van de huur op
de grond dat de huurder in strijd met hetgeen overeengekomen is, met een
ander in de woonruimte een gemeenschappelijke huishouding heeft, niet meer
worden toegewezen. Deze grond levert alsdan evenmin een grond voor opzegging
van de huurovereenkomst op.
3. De rechter wijst de vordering bedoeld in
lid 1 slechts af:
a. indien de persoon bedoeld in lid 1
niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf
heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding
heeft;
b. indien, mede gelet op hetgeen is komen
vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur
daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de persoon
bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
c. indien de persoon bedoeld in lid 1
vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een
behoorlijke nakoming van de huur.
4. Voor de verplichtingen uit de huur zijn de
persoon die de huur heeft aangegaan en ieder van de personen die op grond
van dit artikel medehuurder of huurder is, hoofdelijk jegens de verhuurder
aansprakelijk, met dien verstande dat een medehuurder niet aansprakelijk is
voor verplichtingen die reeds opeisbaar waren voordat hij medehuurder werd.
5. De bepalingen omtrent het eindigen van de
huur zijn op de personen bedoeld in lid 4 afzonderlijk van toepassing met
dien verstande dat een persoon de hoedanigheid van medehuurder in ieder
geval verliest, indien hij zijn hoofdverblijf niet langer in de woonruimte
heeft. Indien de huur ten aanzien van de huurder eindigt, wordt de
medehuurder huurder.
6. Is ten aanzien van de woonruimte hoofdstuk
II van de Huisvestingswet van toepassing, dan zet de medehuurder in
afwijking van lid 5 de huur slechts voort, indien de rechter dit heeft
bepaald op een daartoe door die persoon binnen acht weken na het tijdstip
waarop hij huurder is geworden, ingestelde vordering en in elk geval zolang
op deze vordering nog niet onherroepelijk is beslist. De rechter wijst de
vordering slechts af, indien de eiser niet een voor hem geldende
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die wet overlegt.
7. Ieder van de personen bedoeld in lid 4 kan
vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de
huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen
voortzetten. De rechter wijst de vordering slechts toe, indien dit naar
billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden
is, met dien verstande dat hij de vordering in ieder geval toewijst, indien
de eiser aantoont dat de persoon waarop de vordering betrekking heeft, zijn
positie van medehuurder heeft verkregen op grond van een niet mede door de
eiser aan de verhuurder gedaan verzoek of van een door hem ingestelde
vordering bedoeld in lid 1.
Artikel 268
1. Bij overlijden van de huurder zet de
medehuurder de huur als huurder voort. Hij kan de huur binnen zes maanden na
het overlijden bij exploot of aangetekende brief opzeggen met ingang van de
eerste dag van de tweede maand na de opzegging.
2. De persoon die niet op grond van lid 1
huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de
overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad,
zet de huur voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder; de
tweede zin van lid 1 is van toepassing. Hij zet de huur ook nadien voort,
indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die
termijn ingestelde vordering, en in elk zolang op deze vordering niet
onherroepelijk is beslist.
3. De rechter wijst de vordering bedoeld in
lid 2 in ieder geval af:
a. indien de eiser niet aannemelijk heeft
gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet;
b. indien de eiser vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de
huur;
c. indien het woonruimte betreft waarop
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, indien de eiser
niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die
wet overlegt.
4. Lid 4, de eerste zin van lid 5 en lid 7
van artikel 267 zijn van overeenkomstige toepassing
5. Komt vast te staan, dat een persoon ten
onrechte een beroep op voortzetting van de huur krachtens dit artikel heeft
gedaan, dan blijft hij over de tijd gedurende welke hij het genot van de
woonruimte heeft gehad jegens de verhuurder aansprakelijk voor de nakoming
van de huur die voor hem zou hebben bestaan als hij huurder was geweest.
Heeft meer dan één persoon ten onrechte een beroep op voortzetting van de
huur gedaan, dan is ieder van hen jegens de verhuurder hoofdelijk
aansprakelijk.
6. Zijn er geen personen die krachtens dit
artikel de huur voortzetten, dan eindigt deze aan het eind van de tweede
maand na het overlijden van de huurder. De erfgenamen zijn bevoegd de huur
tegen het eind van de eerste maand na het overlijden van de huurder te doen
eindigen. Wanneer de nalatenschap van de huurder ingevolge artikel 13 van
Boek 4 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de
vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
7. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
personen aan wie dit artikel recht op voortzetting van de huur toekent en
van de erfgenamen, onderscheidenlijk de echtgenoot of geregistreerde
partner, bedoeld in lid 6, worden afgeweken.
8. Van artikel 229 leden 1 en 3 kan niet
worden afgeweken.
Artikel 269
1. De onderhuur die betrekking heeft op een
zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, wordt in
geval van beëindiging van de huur tussen huurder en verhuurder voortgezet
door de verhuurder.
2. De verhuurder kan binnen zes maanden nadat
hij op grond van lid 1 de onderhuur heeft voortgezet vorderen dat de rechter
zal bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip
zal eindigen op de grond dat:
a. de wederpartij vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijk nakoming van de
huur;
b. de onderhuur is aangegaan met de
kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te
verschaffen;
c. in de gegeven omstandigheden naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud van
de huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke woonruimte
alsmede op de inhoud van de geëindigde huur tussen hem en de huurder en
de inhoud van de voortgezette huurovereenkomst, niet van hem kan worden
gevergd dat hij de huur met de wederpartij voortzet;
d. de wederpartij indien het woonruimte
betreft waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is,
niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die
wet overlegt.
3. Ingeval van onderverhuur welke al dan niet
een zelfstandige woning vormt, zet degene die op grond van de artikelen 266,
267 en 268 huurder is geworden of de huur heeft voortgezet, als
onderverhuurder de huur met de onderhuurder voort.
Artikel 270
1. De huurder die een ruil van woonruimte
wenst te bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal machtigen om
een ander in zijn plaats als huurder te stellen. Indien op de woonruimte
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, moet de eiser een ten
behoeve van de voorgestelde huurder afgegeven huisvestingsvergunning als
bedoeld in artikel 7 lid 1 van die wet met betrekking tot woonruimte
overleggen.
2. De rechter beslist met inachtneming van de
omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de vordering
slechts kan toewijzen, indien de huurder een zwaarwichtig belang bij de ruil
van woonruimte heeft en dat hij deze afwijst, indien de voorgestelde huurder
vanuit financieel oogpunt niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke
nakoming van de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden
of daarbij een last opleggen.
3. Van deze bepaling kan niet ten nadele van
de huurder worden afgeweken.
Artikel 270a
Ingeval van voortzetting van de huur op grond
van de artikelen 266, 268 en 269 is degene die de huur voortzet, verplicht
daarvan mededeling te doen aan de verhuurder.
Onderafdeling 4. Het eindigen van de huur
Artikel 271
1. In afwijking van artikel 228 lid 1 eindigt
een voor bepaalde tijd aangegane huur niet door het enkele verloop van de
huurtijd; zij kan door elk van beide partijen worden opgezegd tegen een voor
de betaling van de huurprijs overeengekomen dag, niet vallend voor het
verstrijken van de bepaalde tijd.
2. Een voor onbepaalde tijd aangegane of voor
onbepaalde tijd verlengde huur kan door elk van beide partijen worden
opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag.
3. De opzegging moet geschieden bij exploot
of bij aangetekende brief. Is in gevolge artikel 266 de echtgenoot of
geregistreerde partner van de huurder medehuurder, dan moet de opzegging aan
beide echtgenoten of geregistreerde partners afzonderlijk worden gedaan.
4. De opzegging door de verhuurder moet op
straffe van nietigheid de gronden vermelden die tot de opzegging hebben
geleid. Een opzegging door de verhuurder op andere dan de in artikel 274 lid
1 genoemde gronden, is nietig. De huurder moet bij de opzegging worden
gevraagd binnen zes weken aan de verhuurder mede te delen of hij al dan niet
toestemt in beëindiging van de overeenkomst.
5. Bij de opzegging moeten de volgende
termijnen in acht worden genomen:
a. bij opzegging door de huurder: een
termijn gelijk aan de tijd die tussen twee opvolgende voor betaling van
de huurprijs overeengekomen dagen verstrijkt, doch niet korter dan een
maand en niet langer dan drie maanden;
b. bij opzegging door de verhuurder: een
termijn niet korter dan drie maanden, voor elk jaar dat de huurder
krachtens overeenkomst ononderbroken het gehuurde in gebruik heeft gehad
verlengd met één maand tot ten hoogste zes maanden.
6. Een opzegging die in strijd met lid 1, lid
3 of lid 5 onder a is gedaan en een opzegging die op een kortere termijn is
gedaan dan die van lid 5 onder b gelden niettemin als waren zij gedaan tegen
de voorgeschreven dag en met inachtneming van de voorgeschreven termijn.
7. Elk beding waarbij in strijd met lid 5
onder a een langere opzegtermijn of waarbij in strijd met lid 5 onder b een
kortere opzegtermijn wordt overeengekomen of waarbij van andere bepalingen
van dit artikel wordt afgeweken, is nietig. Eveneens is nietig elk beding
dat de huur zonder opzegging doet eindigen.
8. Dit artikel geldt niet, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden nadat de huur is ingegaan.
Artikel 272
1. Een opgezegde huurovereenkomst blijft,
tenzij de huurder de overeenkomst heeft opgezegd of na de opzegging door de
verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft toegestemd, na de dag
waartegen rechtsgeldig is opgezegd van rechtswege van kracht, tot de rechter
onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder als in lid 2
bedoeld.
2. De verhuurder kan, indien hij zes weken na
de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling heeft
ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt, op de
gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter het tijdstip zal
vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen.
Artikel 273
1. Bij zijn beslissing op de vordering
bedoeld in artikel 272 lid 2 neemt de rechter uitsluitend de in de opzegging
vermelde gronden in aanmerking.
2. Indien de rechter de vordering afwijst,
wordt de overeenkomst van rechtswege verlengd. De rechter beslist of de
overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een door hem vast te stellen
bepaalde tijd wordt verlengd.
3. Indien de rechter de vordering toewijst,
stelt hij tevens het tijdstip van ontruiming vast. De toewijzing geldt als
een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 274
1. De rechter kan de vordering slechts
toewijzen
a. indien de huurder zich niet heeft
gedragen zoals een goed huurder betaamt;
b. indien de verhuurder zijn vordering
grondt op een beding als omschreven in lid 2 en aan de eisen van dat lid
is voldaan, tenzij de verhuurder geen belang meer heeft bij de
ontruiming;
c. indien de verhuurder aannemelijk maakt
dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik,
vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van
hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar
billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de
huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder, met
uitzondering van de huurder, bedoeld in lid 4, andere passende
woonruimte kan verkrijgen;
d. indien de huurder niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met
betrekking tot dezelfde woonruimte, voor zover, in het geval dat
onderafdeling 2 op de opgezegde huurovereenkomst van toepassing is, dit
aanbod niet een wijziging inhoudt van de huurprijs of van de
servicekosten;
e. indien de verhuurder een krachtens een
geldend bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming wil
verwezenlijken;
f. indien de huurovereenkomst een
onzelfstandige woning betreft, die deel uitmaakt van de woning waarin de
verhuurder zijn hoofdverblijf heeft, en de verhuurder aannemelijk maakt
dat zijn belangen bij beëindiging van de huur zwaarder wegen dan die
van de huurder bij voortzetting daarvan.
2. In het geval dat uitdrukkelijk is bedongen
dat de gehuurde woonruimte na afloop van de bij dat beding overeengekomen
termijn moet worden ontruimd, kan de verhuurder overeenkomstig lid 1 aanhef
en onder b, op dat beding de in dat lid bedoelde vordering gronden:
a. indien de verhuurder die de woonruimte
niet zelf heeft bewoond, noch deze eerder heeft verhuurd, na afloop van
die termijn de woning zelf wil betrekken;
b. indien de verhuurder die zelf de
vorige bewoner van de woonruimte is, na afloop van die termijn die
woonruimte zelf opnieuw wil betrekken;
c. indien de verhuurder jegens wie de
vorige huurder het recht heeft verkregen na afloop van die termijn de
woning opnieuw te betrekken, deze huurder daartoe gelegenheid wil geven.
3. Onder eigen gebruik in de zin van lid 1
onder c, wordt mede begrepen:
a. renovatie van woonruimte die zonder
beëindiging van de huur niet mogelijk is, en
b. het verstrekken van een zelfstandige
woning aan een gehandicapte, indien die woning:
1°. reeds bij de bouw ervan was
ingericht en bestemd voor bewoning door een gehandicapte, dan wel
2°. na de bouw met geldelijke steun
op grond van enige wettelijke regeling aangepast is ten behoeve van
bewoning door een gehandicapte;
c. het verstrekken aan een oudere van een
zelfstandige woning welke onderdeel uitmaakt van een complex van
zelfstandige woningen, welk complex reeds bij de bouw ervan was
ingericht en bestemd voor de bewoning door ouderen.
Bij de beoordeling van de vraag of andere
woonruimte voor de huurder passend is, houdt de rechter geen rekening met de
bijdragen van het Rijk, die de huurder ter tegemoetkoming in de kosten,
verbonden aan het genot van een woning, kan verkrijgen.
4. Onder eigen gebruik in de zin van lid 1
onder c, wordt bovendien mede begrepen het verstrekken van woonruimte aan
een student, indien:
1°. die woonruimte krachtens de
huurovereenkomst bestemd is voor studenten, als bedoeld in dit lid;
2°. de huurder, tegen wie de in lid 1
bedoelde vordering is ingesteld, niet heeft voldaan aan een schriftelijk
verzoek van de verhuurder, dat deze jaarlijks kan doen, om binnen drie
maanden een kopie van het bewijs van zijn inschrijving aan een
instelling, universiteit of hogeschool als bedoeld in dit lid inzake het
lopende studiejaar over te leggen, en
3°. in de huurovereenkomst met de
huurder tegen wie de in lid 1 bedoelde vordering is ingesteld, is
bepaald dat die woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst
opnieuw aan een student als bedoeld in dit lid zal worden verhuurd.
Onder student wordt in dit lid verstaan een
deelnemer die is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in artikel
1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een student
die is ingeschreven aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in
artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek.
5. Een vordering, gegrond op eigen gebruik in
de zin van lid 1 onder c is niet toewijsbaar
a. ten aanzien van woonruimte waarop
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, zolang de
verhuurder geen huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1
van die wet overlegt behoudens het geval dat het eigen gebruik in iets
anders bestaat dan bewoning;
b. indien de verhuurder de rechtsopvolger
van de vorige verhuurder is en de opzegging is geschied binnen drie jaar
nadat de rechtsopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder is
gebracht.
6. In de gevallen bedoeld in lid 1 onder a en
d kan de rechter, voordat hij de vordering toewijst, aan de huurder een
termijn van ten hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn verplichtingen
te voldoen of het aanbod te aanvaarden.
7. Onder gehandicapte in het derde lid wordt
verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare
beperkingen ondervindt.
Artikel 275
1. Indien de rechter een vordering tot
beëindiging van de huurovereenkomst op de gronden, bedoeld in artikel 274
lid 1 onder c en e toewijst, kan hij een bedrag vaststellen dat de
verhuurder aan de huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis-
en inrichtingskosten.
2. De rechter kan, voordat hij een beslissing
geeft, waarin dit bedrag wordt vastgesteld, zijn voornemen ter kennis van
partijen brengen en een termijn stellen waarbinnen de verhuurder de
opzegging kan intrekken. Maakt de verhuurder van deze bevoegdheid gebruik,
dan beslist de rechter uitsluitend over de proceskosten.
3. Bij beëindiging van de huurovereenkomst
op de gronden, bedoeld inartikel 274 lid 1 onder c in verbinding met lid 3
onder a en in artikel 274 lid 1 onder e, draagt de verhuurder bij in de
kosten die de verhuizing voor de huurder meebrengt.
4. De minimumbijdrage in de verhuis- en
inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen, woonwagens en
standplaatsen wordt bij ministeriële regeling van de Minister voor Wonen,
Wijken en Integratie vastgesteld en zal jaarlijks voor 1 maart worden
gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Het
in de eerste zin genoemde bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
5. De verhuurder kan eventuele door de
gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen voor
verhuis- of inrichtingskosten in mindering brengen op de hoogte van de
bijdrage, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 276
1. Indien de verhuurder de overeenkomst heeft
opgezegd op de grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c en de vordering
tot beëindiging van de huurovereenkomst is toegewezen dan wel de huurder
met de beëindiging heeft ingestemd, is de verhuurder jegens de huurder tot
schadevergoeding gehouden, indien de wil om het verhuurde duurzaam in eigen
gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht
niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het einde van
de overeenkomst het verhuurde duurzaam door hem in gebruik is genomen.
3. De rechter die een vordering op de grond,
bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c, toewijst, kan op verlangen van de
huurder of ambtshalve een bedrag bepalen dat de verhuurder aan de huurder
moet betalen, indien later mocht blijken dat de wil om het verhuurde
duurzaam in eigen gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is
geweest, onverminderd het recht van de huurder op verdere schadevergoeding.
4. De vordering van de huurder op grond van
dit artikel vervalt vijf jaren na het einde van de huurovereenkomst.
5. De verhuurder is eveneens tot
schadevergoeding gehouden jegens onderhuurders aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd of die krachtens artikel 269 bevoegd waren hun overeenkomst
met de hoofdverhuurder voort te zetten. De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 277
1. Indien de rechter de huurovereenkomst
heeft verlengd, kan de verhuurder de overeenkomst opnieuw met inachtneming
van artikel 271 en van de in lid 2 vermelde termijnen opzeggen en
overeenkomstig de artikelen 272 tot en met 274 vorderen dat de rechter het
tijdstip zal vaststellen, waarop de overeenkomst zal eindigen.
2. Indien de rechter de overeenkomst voor
onbepaalde tijd heeft verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder opnieuw
opzeggen dan drie jaren nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Indien de rechter de overeenkomst voor bepaalde tijd heeft verlengd, kan de
verhuurder haar niet eerder opzeggen dan drie maanden voor het einde van de
tijd waarvoor is verlengd.
Artikel 278
1. Een onderhuurovereenkomst van woonruimte
die niet krachtens artikel 269 na beëindiging van de hoofdhuur door de
hoofdverhuurder wordt voortgezet, eindigt op het door de rechter op
vordering van de hoofdverhuurder overeenkomstig artikel 273 lid 3
vastgestelde tijdstip van ontruiming.
2. Indien de hoofdhuurder bij de beëindiging
en de bepaling van het tijdstip van ontruiming onvoldoende voor de belangen
van de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de schade die de
onderhuurder daardoor lijdt te vergoeden.
3. De hoofdhuurder tegen wie door de
hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de belangen van de
onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.
Artikel 279
1. Indien een gebrek in de zin van artikel
204 het deel van gehuurde woonruimte dat voor de huurder en zijn gezin voor
bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar maakt dan wel werkzaamheden tot
verhelpen van een zodanig gebrek dit doen of zullen doen, is de huurder
bevoegd de huur op de voet van artikel 267 van Boek 6 te ontbinden.
2. De huurder heeft dezelfde bevoegdheid,
wanneer het gebruik van de gehuurde woonruimte gevaren oplevert.
3. Artikel 210 lid 2 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 280
Alvorens op de voet van artikel 231 een
ontbinding uit te spreken, kan de rechter de huurder een termijn van ten
hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
Artikel 281
1. Indien iemand op de voet van artikel 226
verhuurder is geworden en een krachtens een geldend bestemmingsplan op het
verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt de rechter op
vordering van de verhuurder de huurovereenkomst met ingang van een door hem
te bepalen dag.
2. De huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd of met wie de huurovereenkomst anders op de
voet van artikel 269 zou zijn voortgezet, hebben recht op
schadeloosstelling. Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd zonder de
ontbinding nog een jaar of langer zou hebben geduurd, is de
schadeloosstelling ten minste gelijk aan de huurprijs van twee jaren.
Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd zonder de ontbinding minder dan een
jaar zou hebben geduurd, is de schadeloosstelling ten minste gelijk aan de
huurprijs van een jaar. Bij de berekening van de schade wordt niet gelet op
veranderingen die kennelijk zijn tot stand gebracht om de schadeloosstelling
te verhogen.
Artikel 282
Van de artikelen 272 tot en met 281 kan niet
ten nadele van de huurder dan wel onderhuurder worden afgeweken.
Afdeling 6. Huur van bedrijfsruimte
Artikel 290
1. De bepalingen van deze afdeling zijn van
toepassing op huur en verhuur van bedrijfsruimte.
2. Onder bedrijfsruimte wordt verstaan:
a. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is
bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een
restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een
ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het
publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende
zaken of voor dienstverlening aanwezig is;
b. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan die krachtens zulk een overeenkomst bestemd is voor de
uitoefening van een hotelbedrijf;
c. een onroerende zaak die krachtens zulk
een overeenkomst is bestemd voor de uitoefening van een kampeerbedrijf.
3. Tot de in lid 2 bedoelde bedrijfsruimte
worden ook gerekend de onroerende aanhorigheden, de bij het een en ander
behorende grond en de, mede gelet op de bestemming van die bedrijfsruimte,
afhankelijke woning.
Artikel 291
1. Van de bepalingen van deze afdeling kan
niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
2. Bedingen die ten nadele van de huurder
afwijken van de bepalingen van deze afdeling, kunnen evenwel, behoudens
wanneer het betreft een afwijking van artikel 307, niet op die grond worden
vernietigd, indien zij zijn goedgekeurd door de rechter.
3. Ieder van de partijen kan een zodanige
goedkeuring verzoeken. De goedkeuring wordt alleen gegeven indien het beding
de rechten die de huurder aan deze afdeling ontleent, niet wezenlijk aantast
of diens maatschappelijke positie in vergelijking met die van de verhuurder
zodanig is dat hij de bescherming van de onderhavige afdeling in
redelijkheid niet behoeft.
4. Het verzoek bevat, behalve de gronden
waarop het berust, de tekst van de goed te keuren bedingen.
Artikel 292
1. De huurovereenkomst geldt voor vijf jaar
of, als een langere bepaalde duur is overeengekomen, voor die langere duur.
2. De huurovereenkomst die voor vijf jaar
geldt, wordt na het verstrijken daarvan van rechtswege met vijf jaar
verlengd. De overeenkomst die is aangegaan voor een termijn die langer is
dan vijf jaar maar korter dan tien jaar, wordt na het verstrijken van die
termijn van rechtswege verlengd met een tweede termijn die zoveel korter is
dan vijf jaar als de eerste termijn langer is dan vijf jaar.
Artikel 293
1. De overeenkomst die voor vijf jaar geldt,
en de overeenkomst die is aangegaan voor een termijn langer dan vijf jaar,
maar korter dan tien jaar, kunnen tegen het einde van de termijn en tegen
het einde van de in artikel 292 lid 2 bedoelde tweede termijn door ieder van
de partijen worden opgezegd. Artikel 228 lid 1 en lid 2, eerste zin, is niet
van toepassing.
2. De opzegging moet geschieden bij exploot
of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging bedraagt tenminste een
jaar.
3. Geen opzegging is vereist, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de huurovereenkomst
is totstandgekomen.
Artikel 294
Een opzegging door de verhuurder is nietig
indien zij niet de gronden vermeldt die tot de opzegging hebben geleid.
Artikel 295
1. Een opgezegde huurovereenkomst blijft,
tenzij de huurder de overeenkomst heeft opgezegd of na de opzegging door de
verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft toegestemd, na de dag
waartegen rechtsgeldig is opgezegd van rechtswege van kracht, tot de rechter
onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurderals in lid 2
bedoeld. De rechter kan evenwel, indien het verweer van de huurder hem
kennelijk ongegrond voorkomt, zijn toewijzend vonnis uitvoerbaar bij
voorraad verklaren.
2. De verhuurder kan, indien hij zes weken na
de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling heeft
ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt, op de
gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter het tijdstip zal
vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen.
Artikel 296
1. Indien de opzegging is gedaan tegen het
einde van de in artikel 292 lid 1 bedoelde eerste termijn waarvoor de
huurovereenkomst geldt of is aangegaan, kan de rechter de vordering slechts
toewijzen, op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering van de huurder niet
is geweest zoals een goed huurder betaamt, of
b. de verhuurder aannemelijk maakt dat
hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed- of
aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het verhuurde persoonlijk
in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend
nodig heeft. Onder duurzaam gebruik wordt niet begrepen vervreemding van
de bedrijfsruimte, maar wel renovatie van de bedrijfsruimte die zonder
beëindiging van de huur niet mogelijk is.
2. Een vordering, ingesteld op de in lid 1
onder b bedoelde grond, is niet toewijsbaar indien de verhuurder de
rechtsopvolger is van een vorige verhuurder en hij niet is diens echtgenoot,
geregistreerde partner, bloed- of aanverwant in de eerste graad of
pleegkind, en de opzegging is geschied binnen drie jaar nadat de
rechtopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder is gebracht. Onder
pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en
opgevoed.
3. Indien de opzegging is gedaan tegen het
einde van de termijn waarmee de overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 is
verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond van een redelijke
afweging van de belangen van de verhuurder bij beëindiging van de
overeenkomst tegen die van de huurder en van de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, bij verlenging van de overeenkomst. De
rechter wijst de vordering in elk geval af indien van de huurder, bij een
redelijke afweging van de voormelde belangen van hem en van de onderhuurder
aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, tegen de voormelde belangen van de
verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde ontruimt.
4. In het geval van lid 3 wijst de rechter de
vordering in ieder geval toe indien zich een der in lid 1, onder a en b, in
samenhang met lid 2 omschreven gronden voordoet en voorts indien:
c. de huurder niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst met
betrekking tot het gehuurde, voor zover dit aanbod niet een wijziging
van de huurprijs inhoudt, of
d. de verhuurder een krachtens een geldig
bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken.
5. Indien de rechter de vordering toewijst,
stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De toewijzing geldt
als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 297
1. De rechter kan in zijn beslissing tot
toewijzing van de vordering een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de
huurder of aan degene aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, moet betalen
ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten.
2. Alvorens een beslissing te geven waarin
een bedrag als bedoeld in lid 1 wordt vastgesteld, brengt de rechter zijn
voornemen ter kennis van partijen en stelt hij een termijn vast waarbinnen
de verhuurder de bevoegdheid heeft de vordering in te trekken.
3. Indien de verhuurder binnen deze termijn
zijn vordering intrekt, geeft de rechter slechts een beslissing over de
proceskosten.
Artikel 298
In het geval, bedoeld in artikel 296 lid 4
onder c, kan de rechter de huurder een termijn toestaan van ten hoogste een
maand om het aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst alsnog te
aanvaarden.
Artikel 299
1. Indien de overeenkomst is opgezegd op de
grond dat een in artikel 296 lid 1 onder b genoemde persoon het verhuurde
persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en de huurder in de beëindiging
van de overeenkomst heeft toegestemd dan wel de vordering tot beëindiging
van de overeenkomst op die grond dan wel op de grond, bedoeld in artikel 296
lid 3, is toegewezen, is de verhuurder jegens de huurder en degene die
bevoegdelijk heeft ondergehuurd, tot schadevergoeding gehouden, indien de
wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht
niet aanwezig te zijn geweest, indien het verhuurde niet binnen een jaar na
het einde van de overeenkomst door een persoon als bedoeld in artikel 296
lid 1 onder b in duurzaam gebruik is genomen.
3. De rechter kan in een beslissing tot
toewijzing van een vordering tot beëindiging, gegrond op de in artikel 296
lid 1 onder b bedoelde wil van een der daar bedoelde personen, op verzoek
van de huurder of ambtshalve een bedrag bepalen dat de verhuurder aan de
huurder of degene die bevoegdelijk heeft ondergehuurd moet betalen, indien
later mocht blijken dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest,
onverminderd het recht van de huurder op verdere schadevergoeding.
4. De vordering van de huurder of
onderhuurder tot schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3 bedoelde
bedrag vervalt vijf jaren na het einde van de huurovereenkomst.
Artikel 300
1. Indien de oorspronkelijk duur van de
overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 is verlengd en de verlengde
overeenkomst niet tegen het einde van de in dat lid bedoelde tweede termijn
is opgezegd, wordt de overeenkomst voortgezet voor onbepaalde tijd, tenzij
uit de overeenkomst een bepaalde tijd voortvloeit of partijen een bepaalde
tijd overeenkomen.
2. Wordt de overeenkomst krachtens lid 1 voor
onbepaalde tijd voortgezet, dan kan zij door ieder van de partijen worden
opgezegd. Wordt de overeenkomst voor bepaalde tijd voortgezet of is zij
aangegaan voor een duur van tien jaar of langer, dan eindigt zij, in
afwijking van artikel 228 lid 1, niet door het enkele verloop van de
huurtijd, maar kan zij door ieder van de partijen tegen het einde van die
huurtijd worden opgezegd.
3. De opzegging moet voldoen aan de vereisten
van de artikelen 293 leden 2 en 3 en van artikel 294. De artikelen 295 tot
en met 299 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien een vordering tot vaststelling van
het tijdstip waarop de overeenkomst zal eindigen, is afgewezen, en uit de
overeenkomst niet voortvloeit dat zij dan wordt voortgezet voor een bepaalde
termijn tegen het einde waarvan zij opnieuw opgezegd kan worden, kan de
overeenkomst slechts rechtsgeldig opnieuw opgezegd worden nadat een termijn
van een jaar is verstreken nadat de afwijzing onherroepelijk is geworden. De
rechter kan bij zijn afwijzende beslissing een langere termijn vaststellen.
Artikel 301
1. De artikelen 291 tot en met 300 zijn niet
van toepassing op een overeenkomst van twee jaar of korter.
2. Indien het gebruik, aangevangen krachtens
een overeenkomst als bedoeld in lid 1, langer dan twee jaar heeft geduurd,
geldt van rechtswege een overeenkomst op de tussen partijen overeengekomen
voorwaarden, doch voor vijf jaar, waarop de reeds verstreken twee jaar in
mindering komen. De artikelen van 291 tot en met 300 zijn op deze
overeenkomst van toepassing.
3. Het in lid 2 bedoelde rechtsgevolg treedt
niet in, indien partijen voor het verstrijken van de termijn van twee jaar
een andere overeenkomst sluiten die onder artikel 292 lid 1 valt, dan wel
een daarvan afwijkende overeenkomst, mits de in artikel 291 bedoelde
goedkeuring is verzocht voor het verstrijken van de termijn van twee jaar.
4. Indien voor het verstrijken van deze
termijn op de voet van artikel 291 goedkeuring van afwijkende bedingen is
verzocht en de rechter dit verzoek afwijst, kan hij op verzoek van de
verhuurder tevens bepalen dat de overeenkomst wordt beëindigd en het
tijdstip van de ontruiming vaststellen. Deze vaststelling geldt als een
veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 302
Opzegging van de overeenkomst door de
erfgenamen van de huurder, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde
partner, op de voet van artikel 229 lid 2 dient te geschieden op een termijn
van tenminste zes maanden. Artikel 293 lid 2, eerste zin, en lid 3 is van
toepassing.
Artikel 303
1. Zowel de huurder als de verhuurder kunnen
vorderen dat de rechter de huurprijs, zo deze niet overeenstemt met die van
vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, nader zal vaststellen:
a. indien de overeenkomst voor bepaalde
tijd geldt, na afloop van de overeengekomen duur;
b. in alle andere gevallen, telkens
wanneer tenminste vijf jaar zijn verstreken sinds de dag waarop de
laatste door partijen vastgestelde huurprijs is ingegaan of waarop de
laatste door de rechter vastgestelde huurprijs is gevorderd.
2. Bij de nadere vaststelling van de
huurprijs let de rechter op het gemiddelde van de huurprijzen van
vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, die zich hebben voorgedaan in een
tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dag van het instellen van de
vordering. Iedere aldus in de vergelijking te betrekken huurprijs wordt
herleid volgens de algemene ontwikkeling van het prijspeil sinds de dag
waarop die huurprijs gold tot aan die van het instellen van de vordering. Zo
het niet mogelijk is de rechter de voor de toepassing van deze maatstaf
benodigde gegevens te verschaffen, maakt de rechter een schatting aan de
hand van de wel te zijner beschikking staande gegevens, waarbij hij die
maatstaf zoveel mogelijk als richtsnoer bezigt.
3. De rechter wijst een vordering tot
verhoging van de huurprijs af, voor zover deze is gegrond op verbeteringen
van het gehuurde, die op kosten van de huurder zijn aangebracht.
4. Indien de rechter de huurprijs nader
vaststelt, geldt deze met ingang van de dag waarop deze is gevorderd, tenzij
hij op vordering van een der partijen op grond van de bijzondere
omstandigheden van het geval een andere ingangsdatum vaststelt. Hij kan
daarbij tevens bepalen dat de huurprijs gedurende een door hem vast te
stellen termijn van ten hoogste vijf jaren geleidelijk zal worden aangepast.
Artikel 304
1. Een vordering tot nadere
huurprijsvaststelling is slechts ontvankelijk, indien deze vergezeld gaat
van een advies omtrent de nadere huurprijs, opgesteld door een of meer door
partijen gezamenlijk benoemde ter zake deskundigen.
2. Indien partijen geen overeenstemming
bereiken over de benoeming van een deskundige, benoemt de rechter deze op
verzoek van de meest gerede partij. Indien een zodanig verzoek wordt gedaan,
geldt de dag van dat verzoek voor de toepassing van artikel 303 leden 1, 2
en 4 als de dag waarop de vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs
is ingesteld.
3. De kosten van het advies zijn proceskosten
als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
de artikelen 195, 196, 199 en 244 van dat wetboek zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 305
1. De verhuurder die ingevolge een besluit
als bedoeld in artikel 13 of 15 van de Woningwet voorzieningen als bedoeld
in artikel 243 lid 2 heeft getroffen, is, ook buiten de gevallen van artikel
303 lid 1 onder a en b, bevoegd om ter doorberekening van de kosten van deze
voorzieningen, voor zover redelijk, een daarop afgestemde verhoging van de
huur te verlangen. Indien de huurder en de verhuurder geen overeenstemming
hebben kunnen bereiken over het bedrag van de verhoging, kan ieder van hen
vaststelling van de verhoging door de rechter vorderen.
2. Dit artikel is, behalve op bedrijfsruimte
in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een gebouwde onroerende
zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit gedeelte voor de
uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan waarop bedrijfsruimte in
de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 306
1. Een onderhuurovereenkomst van
bedrijfsruimte eindigt op het door de rechter op vordering van de
hoofdverhuurder overeenkomstig artikel 296 lid 5 vastgestelde tijdstip van
ontruiming.
2. Indien de hoofdhuurder de onderhuurder
niet of niet juist heeft voorgelicht omtrent de termijn waarvoor de
hoofdhuur geldt of is aangegaan, of hij bij de beëindiging van de hoofdhuur
en de bepaling van het tijdstip van ontruiming onvoldoende voor de belangen
van de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de schade die de
onderhuurder daardoor lijdt, te vergoeden.
3. De hoofdhuurder tegen wie door de
hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de belangen van de
onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.
Artikel 307
1. Indien overdracht door de huurder aan een
derde van het in het gehuurde door de huurder zelf of een ander uitgeoefende
bedrijf gewenst wordt, kan de huurder vorderen dat hij gemachtigd wordt om
die derde als huurder in zijn plaats te stellen.
2. De rechter beslist met inachtneming van de
omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de vordering
slechts kan toewijzen, indien de huurder of de ander die het bedrijf
uitoefent, een zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht van het bedrijf
en dat hij haar steeds afwijst, indien de voorgestelde huurder niet
voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de overeenkomst
en voor een behoorlijke bedrijfsvoering.
3. De rechter kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.
Artikel 308
1. Indien de verhuurder, nadat de
huurovereenkomst door opzegging zijnerzijds is geëindigd, voordeel geniet
tengevolge van het feit dat het verhuurde vervolgens wordt gebezigd voor de
uitoefening van een bedrijf, gelijksoortig aan het door de gewezen huurder
of de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd aldaar uitgeoefende
bedrijf, kan de gewezen huurder of de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd van de verhuurder een naar billijkheid te berekenen vergoeding
vorderen.
2. Voordeel, voortvloeiend uit de aard of
ligging van het verhuurde of uit de daaraan aangebrachte veranderingen, komt
voor de toepassing van lid 1 niet in aanmerking.
3. De vergoeding kan niet worden toegekend,
wanneer het verhuurde voor de uitoefening van het gelijksoortige bedrijf
eerst wordt gebezigd nadat sedert het eindigen van de huurovereenkomst meer
dan een jaar is verstreken
Artikel 309
1. Indien een verhuurder op wie de rechten en
verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 226 zijn
overgegaan, deze overeenkomst door opzegging doet eindigen in verband met de
omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in
het algemeen belang zal worden afgebroken, is hij aan de huurder en de
onderhuurder aan wie voor die overgang bevoegdelijk is onderverhuurd, een
schadeloosstelling verschuldigd wegens het verlies van de kans dat de
huurverhouding zonder deze overgang zou hebben voortgeduurd.
2. De verhuurder is de in lid 1 bedoelde
schadeloosstelling eveneens verschuldigd indien de overgang is geschied
nadat de vorige verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd in verband met
de omstandigheid dat na de overgang het gebouwde met het oog op de
uitvoering van werken in het algemeen belang zal worden afgebroken. Is de
eigendom van het verhuurde overgedragen nadat de huurovereenkomst reeds door
de opzegging was geëindigd, dan is de schadeloosstelling verschuldigd door
de eigenaar die tot afbraak overgaat.
3. Een opzegging wordt vermoed in verband met
de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in
het algemeen belang zal worden afgebroken, indien de afbraak binnen zes jaar
na de opzegging aanvangt.
4. Werken tot verwezenlijking van een
bestemmingsplan, strekkende tot reconstructie van een bebouwde kom, worden
in elk geval geacht in het algemeen belang te zijn.
5. Dit artikel is, behalve op bedrijfsruimte
in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een gebouwde onroerende
zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit gedeelte voor de
uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan waarop bedrijfsruimte in
de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 310
1. Indien een verhuurder op wie de rechten en
verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 226 zijn
overgegaan, een krachtens een geldend bestemmingsplan op het verhuurde
liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt de rechter op vordering van
de verhuurder de huurovereenkomst met ingang van een door hem te bepalen
dag.
2. De huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, kunnen een schadeloosstelling vorderen. Bij
de bepaling daarvan wordt rekening gehouden met de kans dat de
huurverhouding zonder de overgang zou hebben voortgeduurd.
3. Dit artikel is, behalve op bedrijfsruimte
in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een gebouwde onroerende
zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit gedeelte voor de
uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan waarop bedrijfsruimte in
de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Titel 5. Pacht
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 311
Pacht is de overeenkomst waarbij de ene partij,
de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een onroerende
zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de
landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie.
Artikel 312
Onder landbouw wordt verstaan, steeds voorzover
bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw; veehouderij;
pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van
bomen, bloemen en bloembollen; de teelt van griendhout en riet; elke andere
tak van bodemcultuur, met uitzondering van de bosbouw.
Artikel 313
1. Een hoeve is een complex bestaande uit een
of meer gebouwen of gedeelten daarvan en het daarbij behorende land,
dienende tot de uitoefening van de landbouw.
2. Hetgeen in deze titel is bepaald met
betrekking tot los land, geldt mede met betrekking tot een of meer gebouwen
of gedeelten daarvan, welke dienen tot de uitoefening van de landbouw.
3. Indien echter tussen dezelfde partijen bij
één overeenkomst los land en bij een andere overeenkomst een of meer
gebouwen of gedeelten daarvan zijn verpacht, worden de bepalingen omtrent
verpachting van hoeven op beide overeenkomsten van toepassing met ingang van
het tijdstip waarop de laatste van beide overeenkomsten is gesloten.
4. Onder hoeve en los land worden begrepen de
daarbij behorende, niet tot de uitoefening van de landbouw dienende gronden
met inbegrip van de zich daarop bevindende houtopstanden.
Artikel 314
In deze titel wordt onder pleegkind verstaan
degenen die duurzaam als eigen kind is onderhouden en opgevoed.
Artikel 315
Op de omvang van het gepachte dat langs een
water ligt, zijn de artikelen 29 en 34 van Boek 5 van toepassing, tenzij de
verpachter aan een vastlegging van de grens overeenkomstig de artikelen 30 tot
en met 32 van Boek 5 is gebonden.
Artikel 316
1. Het recht van de pachter op de vruchten
van de gepachte zaak is een genotsrecht als bedoeld in artikel 17 van Boek
5.
2. Het recht van de pachter op de vruchten
omvat de bij het einde van de pacht nog te velde staande vruchten, tenzij
bij ontbinding van de overeenkomst door de rechter anders wordt bepaald.
Afdeling 2. Vorm van de pachtovereenkomst
Artikel 317
1. De pachtovereenkomst, de overeenkomst tot
wijziging en die tot beëindiging van een pachtovereenkomst moeten
schriftelijk worden aangegaan.
2. Zolang de overeenkomst niet schriftelijk
is aangegaan, kan de meest gerede partij de schriftelijke vastlegging
daarvan vorderen.
3. In het in het vorige lid bedoelde geval
legt de rechter de overeenkomst schriftelijk vast met dien verstande dat
nietige bedingen, zoveel mogelijk overeenkomstig de bedoelingen van
partijen, in overeenstemming worden gebracht met de wet.
Afdeling 3. Goedkeuring van de
pachtovereenkomst
Artikel 318
1. De pachtovereenkomst, de overeenkomst tot
wijziging en die tot beëindiging van een pachtovereenkomst behoeven de
goedkeuring van de grondkamer.
2. Ten aanzien van de overeenkomst tot
beëindiging van een pachtovereenkomst vervalt het vereiste van goedkeuring
door de feitelijke uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 319
1. De grondkamer keurt de pachtovereenkomst
goed, tenzij:
a. de overeengekomen pachtprijs dan wel
de vergoeding, daarbij in aanmerking genomen de verdere inhoud van de
overeenkomst, hoger is dan ingevolge het bepaalde krachtens de artikelen
327 lid 1 en 327 lid 3 onderscheidenlijk 393 is toegelaten;
b. de overige verplichtingen, voor de
pachter uit de overeenkomst voortvloeiende, als buitensporig moeten
worden beschouwd;
c. de overeenkomst zou leiden tot een
ondoelmatige verkaveling of een ondoelmatige ligging van het land ten
opzichte van de bedrijfsgebouwen of van de woning;
d. de overeenkomst, indien deze
betrekking heeft op land, dat begrepen is geweest in een ruil- of
herverkaveling of dat gelegen is in de IJsselmeerpolders, zou leiden
tot:
1°. een verkaveling of een ligging
van het land ten opzichte van de bedrijfsgebouwen of van de woning,
die minder doelmatig is dan de bestaande;
2°. een geringere dan de bestaande
bedrijfsgrootte;
e. door de overeenkomst algemene belangen
van de landbouw zouden worden geschaad; de grondkamer is onder meer
bevoegd als schadelijk voor de algemene belangen van de landbouw aan te
merken overeenkomsten, welke zouden leiden tot:
1°. een zo geringe bedrijfsgrootte,
dat de ondernemer zijn volledige arbeidskracht op het bedrijf niet
produktief kan maken;
2°. gebruik van het land ter
verkrijging van neveninkomsten, anders dan voor zelfvoorziening;
3°. vergroting van een bedrijf,
waarvan uitbreiding voor de ondernemer niet van overwegende
betekenis is, terwijl in de nabijheid een of meer kleine bedrijven
uitbreiding behoeven;
f. de overeenkomst bepalingen bevat,
welke in strijd zijn met deze titel.
2. Indien de pachtovereenkomst zou leiden tot
een van de in het eerste lid, onder c, d en e genoemde gevolgen, kan de
grondkamer haar goedkeuring verlenen, wanneer weigering op grond van
bijzondere omstandigheden onredelijk zou zijn of zou indruisen tegen het
landbouwbelang. Indien de pachtovereenkomst zou leiden tot een van de in lid
1, onder d, genoemde gevolgen, kan de grondkamer voorts haar goedkeuring
verlenen, wanneer omstandigheden, gelegen in de persoon van de verpachter,
de goedkeuring in het belang van een verantwoorde bedrijfsvoering wenselijk
maken.
3. Het bepaalde in lid 1 onder c en onder e
met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3° blijft buiten
toepassing bij overeenkomsten met echtgenoten of geregistreerde partners,
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, pleegkinderen en medepachters.
4. Bij de toetsing van de overeenkomst aan
het bepaalde in lid 1, onder e, mag de grondkamer niet letten op de persoon
van de pachter.
5. Het bepaalde in lid 1, onder c en d en
onder e met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3°, blijft buiten
toepassing, indien uit een verklaring van burgemeester en wethouders van de
gemeente, waarin het land is gelegen, blijkt dat dit is opgenomen in een
goedgekeurd bestemmingsplan en daarbij een niet tot de landbouw
betrekkelijke bestemming heeft gekregen.
6. Voor de geldigheid van bepalingen, welke
in strijd met de wet zijn, kan op de goedkeuring van de overeenkomst door de
grondkamer geen beroep worden gedaan.
7. Het in de voorgaande leden bepaalde vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de overeenkomst tot wijziging of
beëindiging van een pachtovereenkomst.
Artikel 320
1. Indien de grondkamer haar goedkeuring aan
de pachtovereenkomst of aan de overeenkomst tot wijziging of beëindiging
van een pachtovereenkomst onthoudt, wijzigt zij de overeenkomst op het punt
of de punten, welke in verband met het bepaalde in artikel 319 lid 1, de
goedkeuring verhinderen, of vernietigt zij haar.
2. De door de grondkamer gewijzigde
overeenkomst geldt als een tussen partijen aangegane en goedgekeurde
overeenkomst. In geval van wijziging in verband met het bepaalde in artikel
319 lid 1, onder c, d en e, alsmede in geval van vernietiging regelt de
grondkamer zo nodig de gevolgen.
Artikel 321
1. Ieder der partijen is verplicht de
pachtovereenkomst of de overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst
binnen twee maanden, nadat zij is aangegaan, aan de grondkamer ter
goedkeuring in te zenden.
2. Ieder der partijen is verplicht de
overeenkomst tot beëindiging van een pachtovereenkomst binnen twee maanden
nadat zij is aangegaan, aan de grondkamer ter goedkeuring in te zenden.
3. Zodra een der partijen aan de verplichting
heeft voldaan, is die van de andere partij vervallen.
4. Op de ingevolge artikel 317 lid 3
schriftelijk vastgelegde overeenkomst past de grondkamer deartikelen 319 en
320 ambtshalve toe.
Artikel 322
1. Wanneer niet is voldaan aan het bepaalde
inartikel 321 lid 1 kan de verpachter, zolang de pachtovereenkomst door de
grondkamer niet is goedgekeurd, niet een rechtsvordering tot betaling van de
pachtprijs tegen de pachter instellen en geldt de pachtovereenkomst voor
onbepaalde tijd, zonder dat zij door een van de partijen kan worden
opgezegd; wordt de goedkeuring verleend, dan gaat de in artikel 325 bedoelde
duur in bij de aanvang van het pachtjaar, volgende op dat, waarin de
overeenkomst is ingezonden.
2. De grondkamer is bevoegd op verzoek van
een partij in bijzondere gevallen bij de goedkeuring te bepalen, dat de in
artikel 325 bedoelde duur op een eerder tijdstip ingaat.
Artikel 323
1. Aan een overeenkomst tot wijziging of–
voorzover die niet reeds feitelijk is uitgevoerd – aan een overeenkomst
tot beëindiging van een pachtovereenkomst, die nog niet door de grondkamer
is goedgekeurd, zijn partijen slechts in zoverre gebonden, dat zij niet
eenzijdig kunnen terugtreden.
2. Indien de overeenkomst niet binnen twee
maanden, nadat zij werd aangegaan, ter goedkeuring is ingezonden, is de
grondkamer bevoegd haar te doen ingaan op een later tijdstip dan werd
overeengekomen, doch uiterlijk op het tijdstip van inzending.
Artikel 324
1. Zij die voornemens zijn met elkaar een
pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst aan te gaan, zijn bevoegd een ontwerp-pachtovereenkomst,
onderscheidenlijk een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst ter goedkeuring aan de grondkamer in te zenden.
2. De grondkamer beoordeelt de
ontwerp-overeenkomst met toepassing vanartikel 319 leden 1 tot en met 5; zij
kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van wijzigingen, welke zij in
verband met het bepaalde inartikel 319 lid 1 nodig oordeelt.
3. Indien binnen twee maanden, nadat de
grondkamer of de Centrale Grondkamer een ontwerp-pachtovereenkomst of een
ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst heeft
goedgekeurd, een overeenkomst wordt ingezonden, die gelijk is aan de
ontwerp-overeenkomst, zoals deze werd goedgekeurd, is de grondkamer tot
goedkeuring gehouden.
4. Op het verzoek tot goedkeuring van een
ontwerp-pachtovereenkomst kan niet meer worden beslist, nadat de daarin als
pachter genoemde persoon als zodanig op het goed is toegelaten.
Afdeling 4. Duur van de pachtovereenkomst
Artikel 325
1. De pachtovereenkomst geldt voor een
bepaalde tijd. Deze tijd bedraagt twaalf jaren voor een hoeve en zes jaren
voor los land.
2. Een pachtovereenkomst kan voor een langere
duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging is
vastgesteld.
3. Een pachtovereenkomst kan voor een kortere
duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging is
vastgesteld. De kortere duur behoeft de goedkeuring van de grondkamer, welke
hetzij vóór het aangaan van de overeenkomst, hetzij bij de toetsing
daarvan kan worden verleend.
4. De grondkamer verleent haar goedkeuring
aan de kortere duur alleen op grond van de bijzondere omstandigheden van het
geval en indien de algemene belangen van de landbouw daardoor niet worden
geschaad. Zij vermeldt in haar beschikking de reden van haar goedkeuring.
Als bijzondere omstandigheden worden niet beschouwd beperkingen, aan de
verpachter door derden opgelegd.
5. De pachtovereenkomst die geldt voor de
duur van ten minste twaalf jaren voor een hoeve en ten minste zes jaren voor
los land, wordt telkens van rechtswege met zes jaren verlengd.
6. Heeft de grondkamer een kortere termijn
goedgekeurd, dan vindt geen verlenging van rechtswege plaats, maar kan de
rechter op vordering van de pachter de overeenkomst verlengen voor een door
de rechter vast te stellen periode op de grond dat de bijzondere
omstandigheden, bedoeld in lid 4 zich niet hebben voorgedaan en zich ook
niet meer kunnen voordoen. De vordering moet worden ingesteld binnen een
daartoe door de grondkamer in haar beschikking vastgestelde termijn. Op de
verlengde overeenkomst is lid 5 van toepassing.
7. Heeft de grondkamer een termijn van een
jaar of korter goedgekeurd, dan vindt geen verlenging plaats.
Artikel 326
1. Telkens voor het verstrijken van een
pachttermijn kan de pachter of de verpachter aan de grondkamer verzoeken
andere bepalingen van de pachtovereenkomst dan met betrekking tot de
tegenprestatie te herzien.
2. De grondkamer herziet deze, indien de
bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven en noch het
algemeen landbouwbelang, noch een redelijk belang van de andere partij zich
daartegen verzet.
3. De wijziging gaat in met ingang van de
nieuwe pachttermijn.
4. Geen wijziging kan worden gevorderd op
grond van artikel 258 van Boek 6.
Afdeling 5. Pachtprijs
Artikel 327
1. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regelen vastgesteld ten aanzien van de hoogst toelaatbare
pachtprijs.
2. De in lid 1 bedoelde regelen strekken tot
bevordering van pachtprijzen, welke in een redelijke verhouding staan tot de
bedrijfsuitkomsten bij een behoorlijke bedrijfsvoering, met dien verstande,
dat bij het vaststellen van die regelen de redelijke belangen van de
verpachter mede in acht worden genomen.
3. Met inachtneming van de in lid 1 bedoelde
regelen kunnen de grondkamers, ieder voor haar gebied, zo nodig
streeksgewijs, ten aanzien van de pachtprijs bij besluit nadere regelen
vaststellen. Zodanig besluit vervalt een jaar na het tijdstip van zijn
inwerkingtreding.
4. Deze besluiten behoeven de goedkeuring van
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en worden in de
Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 328
1. Als tegenprestatie kan slechts worden
bedongen een pachtprijs met of zonder bijkomstige verplichtingen.
2. Als pachtprijs kan slechts worden bedongen
een uitsluitend naar tijdruimte bepaald en niet van de prijs van produkten
of andere factoren afhankelijk gesteld bedrag in Nederlands geld.
3. De grondkamer kan echter, hetzij vóór
het aangaan van de overeenkomst op verzoek van een der partijen, hetzij bij
de toetsing daarvan, afwijking van het in de leden 1 en 2 bepaalde
goedkeuren.
4. Heeft de grondkamer zulk een goedkeuring
verleend of verleent zij deze bij de toetsing, dan wordt de overeengekomen
tegenprestatie door haar beoordeeld naar de strekking van het bepaalde
krachtens de artikelen 327 leden 1 en 2.
Artikel 329
Bedongen kan worden dat de lasten die de
verpachter ten gevolge van landinrichting op grond van de Landinrichtingswet
of de Wet inrichting landelijk gebied, van reconstructie op grond van de
Reconstructiewet Midden-Delfland of van de Reconstructiewet
concentratiegebieden of van herinrichting op grond van de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, zijn of zullen worden
opgelegd, ten dele ten laste van de pachter komen.
Artikel 330
1. De pachter heeft aanspraak op een
vermindering van de pachtprijs over een pachtjaar of een pachtseizoen,
gedurende hetwelk tengevolge van buitengewone omstandigheden de opbrengst
van het bedrijf aanzienlijk minder is geweest dan bij het aangaan van de
overeenkomst te verwachten was of de pachter tijdelijk het genot van het
gepachte geheel of gedeeltelijk heeft moeten missen.
2. Tot vermindering geven geen aanleiding:
a. een verlaging van de prijs van de
voortbrengselen van het bedrijf;
b. omstandigheden welke aan de pachter
zijn toe te rekenen of waarvan hij de gevolgen door verzekering of op
andere wijze redelijkerwijs had kunnen voorkomen;
c. schade, welke de pachter op een ander
kan verhalen.
3. De vordering van de pachter vervalt zes
maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen, waarover de
pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 331
1. De verpachter heeft aanspraak op een
verhoging van de pachtprijs over een pachtjaar of een pachtseizoen,
gedurende hetwelk de lasten, die de verpachter door publiekrechtelijke
lichamen zijn opgelegd wegens buitengewone werken, waardoor des pachters
bedrijf gebaat wordt, aanzienlijk hoger zijn geweest dan bij het aangaan van
de overeenkomst te verwachten was.
2. De vordering van de verpachter vervalt zes
maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen, waarover de
pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 332
1. De verpachter heeft aanspraak op een
verhoging van de pachtprijs over een pachtjaar of over een pachtseizoen,
indien hij voor eigen rekening buitengewone werken heeft uitgevoerd,
waardoor het bedrijf van de pachter dermate is gebaat, dat een verhoging van
de pachtprijs van de pachter kan worden verlangd.
2. De vordering van de verpachter vervalt zes
maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen, waarover de
pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 333
1. De pachtprijs wordt van rechtswege herzien
overeenkomstig de wijziging van de krachtens artikel 327 lid 1 gegeven
regelen. De verpachter kan, onder schriftelijke mededeling daarvan aan de
pachter, echter geheel of ten dele van een verhoging afzien.
2. Niettemin kan de pachter of de verpachter
binnen een tijdvak van een jaar na de inwerkingtreding van een wijziging van
de regelen als bedoeld in artikel 327 lid 1 aan de grondkamer verzoeken de
tegenprestatie te herzien. De grondkamer herziet deze indien redelijkheid en
billijkheid dit verlangen of gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
3. Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en
2 kan de pachter of de verpachter voor het verstrijken van een pachtperiode
van drie jaren aan de grondkamer verzoeken de tegenprestatie te herzien. De
grondkamer herziet deze indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of
gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
4. De in de leden 1 en 2 bedoelde herziening
gaat in met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip waarop een
wijziging van de regelen, bedoeld in artikel 327 lid 1 in werking is
getreden. De herziening als bedoeld in lid 3 gaat in met ingang van de
nieuwe driejarige periode.
Artikel 334 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 335
Op grond van artikel 258 van Boek 6 kan geen
wijziging van de tegenprestatie dan wel van de vergoeding worden gevorderd.
Afdeling 6. Verplichtingen van de verpachter
Artikel 336
De verpachter is verplicht het verpachte ter
beschikking van de pachter te stellen en te laten voor zover dat voor het
overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 337
1. De verpachter heeft met betrekking tot
gebreken van het verpachte de in deze afdeling omschreven verplichtingen.
2. Een gebrek is een staat of eigenschap van
de verpachte zaak of een andere niet aan de pachter toe te rekenen
omstandigheid, waardoor de zaak aan de pachter niet het genot kan
verschaffen dat een pachter bij het aangaan van de overeenkomst mag
verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de
overeenkomst betrekking heeft.
3. Een feitelijke stoornis door derden zonder
bewering van recht als bedoeld in artikel 344 en een bewering van recht
zonder feitelijke stoornis, zijn geen gebreken in de zin van lid 2.
Artikel 338
De uit deze afdeling voortvloeiende rechten van
de pachter komen aan deze toe, onverminderd alle andere rechten en
vorderingen.
Artikel 339
1. De verpachter is verplicht op verlangen
van de pachter gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven
vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de
verpachter zijn te vergen.
2. Deze verplichting bestaat niet ten aanzien
van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de pachter krachtens
artikel 351 verplicht is, en ten aanzien van gebreken voor het ontstaan
waarvan de pachter jegens de verpachter aansprakelijk is.
3. Is de verpachter met het verhelpen in
verzuim, dan kan de pachter dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor
gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verpachter verhalen,
desgewenst door deze in mindering op de pachtprijs te brengen.
Artikel 340
1. De pachter kan in geval van vermindering
van pachtgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige
vermindering van de pachtprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek
behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verpachter of waarop het gebrek reeds
in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop
het gebrek is verholpen.
2. De pachter heeft geen aanspraak op
pachtvermindering terzake van gebreken die hij krachtenartikel 351 verplicht
is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de verpachter
aansprakelijk is.
Artikel 341
Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming van
de verplichting van artikel 339 is de verpachter tot vergoeding van de door
een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het aangaan van
de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het
gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verpachter het
toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de pachter heeft te kennen
gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 342
Vanartikel 341 kan niet ten nadele van de
pachter worden afgeweken, voor zover het gaat om gebreken die de verpachter
bij het aangaan van de pachtovereenkomst kende of had behoren te kennen.
Artikel 343
1. Indien een gebrek dat de verpachter
ingevolgeartikel 339 niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de
pachter mocht verwachten geheel onmogelijk maakt, is zowel de pachter als de
verpachter bevoegd de overeenkomst op de voet van artikel 267 van Boek 6 te
ontbinden.
2. Een verplichting van een der partijen tot
schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede de door het eindigen van
de overeenkomst ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.
Artikel 344
1. Wanneer tegen de pachter door een derde
een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van een recht
waarmee het verpachte ingevolge de pachtovereenkomst niet belast had mogen
zijn, is de verpachter na kennisgeving daarvan door de pachter gehouden in
het geding te komen ten einde de belangen van de pachter te verdedigen.
2. De verpachter moet aan de pachter alle
door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de kennisgeving
niet onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving ontstane kosten.
3. Wanneer tegen de onderpachter een
vordering betreffende het ondergepachte wordt ingesteld door de
hoofdverpachter, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op
de onderverpachter.
Artikel 345
1. De verpachter is verplicht tot wederopbouw
van door brand of storm tenietgegane opstallen, voorzover de wederopbouw
noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf op het gepachte. Deze
verplichting bestaat niet, indien de pachtovereenkomst voor kortere dan de
wettelijke duur geldt en bestaat ook niet voor de onderverpachter.
2. De grondkamer kan de verpachter op diens
verzoek, hetzij vóór het aangaan van de overeenkomst, hetzij bij een
toetsing, van deze verplichting ontheffen, indien de opstallen niet op
redelijke voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd kunnen worden of
aannemelijk is, dat bij tenietgaan van de opstallen de verplichting tot
wederopbouw op grond van het bepaalde in de eerste zin van lid 4 zal
vervallen.
3. Indien de verpachter, hoewel de opstallen
op redelijke voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd kunnen worden, niet
of niet afdoende tegen brand- of stormschade verzekerd is, en niet
anderszins zekerheid biedt de in lid 1 genoemde verplichting te zullen
nakomen, kan de rechter de pachter op diens verzoek machtigen een
verzekering of een aanvullende verzekering voor ten hoogste de duur van de
lopende pachttermijn te sluiten en de premie voor rekening van de verpachter
te betalen. Indien het betreft het sluiten van een aanvullende verzekering,
moet deze worden gesloten bij de verzekeraar bij wie de opstallen verzekerd
zijn, tenzij de rechter in zijn beschikking anders bepaalt. Onder
verzekering voor de herbouwwaarde wordt verstaan een verzekering tot zodanig
bedrag, dat daarmede kan worden voldaan aan de in lid 1, eerste zin,
omschreven verplichting.
4. De verplichting van de verpachter tot
wederopbouw vervalt, indien de wederopbouw, de algemene belangen van de
landbouw of de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking
genomen, van de verpachter in redelijkheid niet kan worden gevergd. Indien
de pachter voor de door brand ontstane schade aansprakelijk is, wordt de
verplichting van de verpachter tot wederopbouw geschorst, zolang de pachter
aan zijn verplichting tot schadevergoeding niet heeft voldaan.
Afdeling 7. Verplichtingen van de pachter
Artikel 346
De pachter is verplicht de tegenprestatie op de
overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 347
De pachter is verplicht zich ten aanzien van
het gebruik van het gepachte als een goed pachter te gedragen.
Artikel 348
1. De pachter is niet bevoegd de bestemming,
inrichting of gedaante van het gepachte geheel of gedeeltelijk te veranderen
dan na schriftelijke toestemming van de verpachter, tenzij het gaat om
veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de pacht zonder
noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd.
2. Indien de verpachter de toestemming niet
verleent, kan de pachter aan de grondkamer machtiging vragen tot het
aanbrengen van de veranderingen. Indien de verpachter niet tevens de
eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van de zaak is, draagt de verpachter
ervoor zorg dat ook de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter tijdig in het
geding wordt geroepen. Indien op de zaak een hypotheek rust, bestaat deze
verplichting tevens ten aanzien van de hypotheekhouder.
3. De grondkamer verleent de machtiging
slechts, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig
gebruik van het gepachte door de pachter en geen zwaarwichtige bezwaren aan
de zijde van de verpachter zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.
4. De grondkamer kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen. Zij kan op verzoek van
de verpachter de pachtprijs verhogen, indien de veranderingen daartoe
aanleiding geven.
Artikel 349
1. De pachter is tot de ontruiming bevoegd
door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits
daarbij het gepachte in de toestand wordt gebracht, die bij het einde van de
pacht redelijkerwijs in overeenstemming met de oorspronkelijke kan worden
geacht.
2. De pachter is niet verplicht tot het
ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen, onverminderd
de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van artikel 348 lid 4 de
verplichting op te leggen hiervoor vóór de ontruiming van het gepachte
zorg te dragen.
Artikel 350
1. Bij het einde van de pacht is de
verpachter verplicht de pachter een naar billijkheid te bepalen vergoeding
te geven voor de door de pachter aan het gepachte aangebrachte veranderingen
en toevoegingen die een verbetering zijn.
2. Deze vergoeding kan niet overtreffen het
bedrag waarmee de waarde van het gepachte bij het einde van de pacht
tengevolge van de aangebrachte verbeteringen is verhoogd. De vergoeding
wordt lager gesteld naarmate de pachter de vruchten van de aangebrachte
verbeteringen reeds heeft kunnen genieten.
3. De vergoeding kan slechts worden
gevorderd, indien de pachter tijdig aan de verpachter, onder opgave van
geschatte kosten, schriftelijk mededeling van de voorgenomen verbetering
heeft gedaan en hetzij de verpachter zich daartegen niet binnen een maand na
ontvangst van de mededeling heeft verzet, hetzij de rechter op vordering van
de pachter deze tot het aanbrengen van de verbetering heeft gemachtigd.
4. Op de vordering tot machtiging zijn de
leden 2 en 4, eerste zin, van artikel 348 van overeenkomstige toepassing.
5. De vordering tot vergoeding van de
verbetering kan niet later worden ingesteld dan drie maanden na het einde
van de pachtovereenkomst.
6. De pachter kan geen vordering tot
vergoeding voor verbeteringen gronden op artikel 212 van Boek 6.
Artikel 351
De pachter is verplicht te zijnen koste de
kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn geworden door het
tekortschieten van de verpachter in de nakoming van zijn verplichting tot het
verhelpen van gebreken.
Artikel 352
1. De pachter is aansprakelijk voor schade
aan het gepachte die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten
in de nakoming van een verplichting uit de pachtovereenkomst.
2. Alle schade, behalve brandschade, wordt
vermoed te zijn ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten als
bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd artikel 358 lid 2 wordt de
pachter vermoed het gepachte in goede staat te hebben ontvangen.
Artikel 353
De pachter is jegens de verpachter op gelijke
wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die
met zijn goedvinden het gepachte gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop
bevinden.
Artikel 354
1. Indien gedurende de pacht dringende
werkzaamheden aan het gepachte moeten worden uitgevoerd of de verpachter
krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten behoeve van een
naburig erf, moet de pachter daartoe gelegenheid geven, onverminderd zijn
aanspraken op vermindering van de pachtprijs, op ontbinding van de
pachtovereenkomst en op schadevergoeding.
2. De verpachter is niet bevoegd
verbeteringen op of aan het verpachte aan te brengen dan na schriftelijke
toestemming van pachter.
3. Indien de pachter de toestemming niet
verleent, kan de verpachter aan de grondkamer machtiging vragen tot het
aanbrengen van de verbeteringen.
4. De grondkamer verleent de machtiging
slechts, indien de verbeteringen noodzakelijk zijn voor een doelmatig
gebruik van het gepachte en geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de
pachter zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.
5. De grondkamer kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen. Zij kan op verzoek van
de pachter of de verpachter de pachtprijs herzien, indien de verbeteringen
daartoe aanleiding geven.
Artikel 355
De pachter is niet dan met schriftelijke
toestemming van de verpachter bevoegd tot onderverpachting.
Artikel 356
Indien de pachter gebreken aan het gepachte
ontdekt of derden hem in zijn genot storen of enig recht op het gepachte
beweren, moet hij daarvan onverwijld aan de verpachter kennis geven, bij
gebreke waarvan hij verplicht is aan de verpachter de door de nalatigheid
ontstane schade te vergoeden.
Artikel 357
Indien de verpachter tot verpachting of
verhuring na afloop van de lopende pacht of tot verkoop van het gepachte wenst
over te gaan, is de pachter verplicht te dulden dat aan het gepachte de
gebruikelijke kennisgevingen van het te pachten, te huur of te koop zijn
worden aangebracht, en aan belangstellenden gelegenheid te geven tot
bezichtiging.
Artikel 358
1. De pachter is verplicht het gepachte bij
het einde van de pacht weer in goede staat ter beschikking van de verpachter
te stellen.
2. Indien tussen de pachter en de verpachter
een beschrijving van gepachte gebouwen is opgemaakt, is de pachter gehouden
de gebouwen in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de
beschrijving zijn aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen
en toevoegingen en hetgeen door ouderdom is tenietgegaan of beschadigd.
Artikel 359
Houdt de pachter na het einde van de pacht het
gepachte onrechtmatig onder zich, dan kan de verpachter over de tijd dat hij
het gepachte mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de pachtprijs,
onverminderd, indien zijn schade meer dan deze vergoeding bedraagt, zijn recht
op dit meerdere.
Artikel 360
1. De afgaande en opkomende pachters zijn
verplicht elkander over en weer met al datgene te gerieven, wat vereist
wordt om het betrekken en het verlaten van het gepachte gemakkelijker te
maken, zowel wat betreft het gebruik voor het volgende jaar, het inoogsten
van nog te velde staande vruchten en het betrekken van de gebouwen als
anderszins.
2. De te dezen nalatige pachter is zowel
jegens de andere pachter als jegens de verpachter tot schadevergoeding
gehouden.
Afdeling 8. Overgang van de pacht bij
overdracht van de verpachte zaken
Artikel 361
1. Overdracht van de zaak waarop de
pachtovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van een
zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak waarop de
pachtovereenkomst betrekking heeft, door de verpachter doen de rechten en
verplichtingen van de verpachter uit de pachtovereenkomst, die daarna
opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger.
2. Overdracht door een schuldeiser van de
verpachter wordt met overdracht door de verpachter gelijkgesteld.
3. De verkrijger wordt slechts gebonden door
die bedingen van de pachtovereenkomst, die onmiddellijk verband houden met
het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de pachter te
betalen tegenprestatie.
Artikel 362
In geval van vestiging of overdracht van een
beperkt recht op de verpachte zaak, dat niet onder artikel 361 lid 1 is
begrepen, is de gerechtigde jegens de pachter verplicht zich te onthouden van
een uitoefening van dat recht, die het gebruik door de pachter belemmert.
Afdeling 9. Pachtoverneming
Artikel 363
1. De pachter kan zich tot de rechter wenden
met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer
zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, één of meer van zijn
pleegkinderen of één of meer van de medepachters – of twee of meer van
deze gezamenlijk – in zijn plaats als pachter te stellen.
2. Indien de pachter een vordering, als
bedoeld in het vorige lid, heeft gedaan, is de verpachter bevoegd zich tot
de rechter te wenden met de vordering een of meer anderen van de in het
vorige lid genoemde belanghebbenden in de plaats van de pachter te stellen.
3. De rechter beslist naar billijkheid, met
inachtneming van de overige bepalingen van dit artikel.
4. De rechter wijst de vordering af, indien
op grond van het gestelde in artikel 319 lid 1, onder d en e, eerste
zinsnede, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 319, leden 2 en 5,
de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou zijn onthouden.
5. De rechter wijst de vordering af, indien
de voorgestelde pachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke
bedrijfsvoering biedt.
6. Indien de rechter de vordering zou moeten
afwijzen, omdat op grond van het gestelde in artikel 319 lid 1, onder d en
e, eerste zinsnede, de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou zijn
onthouden, is hij bevoegd de pachtovereenkomst te wijzigen op het punt of de
punten, welke die goedkeuring zouden verhinderen. Het bepaalde in artikel
320 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.
7. De rechter kan de toewijzing van de
vordering afhankelijk stellen van de vervulling van zodanige voorwaarden,
als hij in het belang van de verpachter noodzakelijk oordeelt.
8. Indien de pachtovereenkomst ingevolge het
in het zesde lid bepaalde tegen de wil van de voorgestelde pachter is
gewijzigd, kan deze, mits binnen een maand na de dag van het vonnis, van de
indeplaatsstelling afzien door een kennisgeving bij aangetekende brief aan
de verpachter. In dat geval staat de voorgestelde pachter geen beroep open.
Artikel 364
1. De pachter kan zich tot de rechter wenden
met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer
zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of één of meer van zijn
pleegkinderen – of twee of meer van deze gezamenlijk – aan te merken als
medepachter.
2. Het bepaalde inartikel 363 leden 3 tot en
met 8 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
«voorgestelde pachter»telkens wordt gelezen: «voorgestelde medepachter».
Artikel 365
1. De medepachter, die niet of niet meer
persoonlijk betrokken is bij de exploitatie van het gepachte, kan zich tot
de rechter wenden met de vordering uit de pacht te worden ontslagen. De
rechter beslist naar billijkheid met dien verstande, dat hij de vordering
toewijst, tenzij de belangen van de verpachter of van de medepachter
daardoor ernstig zouden worden geschaad.
2. De verpachter kan zich tot de rechter
wenden met de vordering de medepachter die niet of niet meer persoonlijk
betrokken is bij de exploitatie van het gepachte, te ontslaan uit de pacht.
De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. De medepachter kan zich tot de rechter
wenden met de vordering de andere medepachter uit de pacht te ontslaan op de
grond dat de onderlinge verhouding een gemeenschappelijke bedrijfsvoering
ernstig bemoeilijkt.
Afdeling 10. Het eindigen van de
pachtovereenkomst
Artikel 366
1. De dood van de pachter of de verpachter
doet de pacht niet eindigen.
2. Indien de erfgenamen van de pachter niet
bevoegd zijn het gepachte aan een ander in gebruik te geven, kunnen zij
gedurende zes maanden na het overlijden van hun erflater de overeenkomst op
een termijn van ten minste zes maanden bij exploot of aangetekende brief
opzeggen.
3. Indien een pachter twee of meer erfgenamen
nalaat, is de verpachter verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
toedeling van de rechten en verplichtingen van de overleden pachter uit de
pachtovereenkomst door de gezamenlijke erfgenamen aan een of meer van hen,
tenzij de verpachter tegen een of meer van de aangewezenen redelijke
bezwaren heeft.
Artikel 367
1. De overeenkomst kan tegen het einde van
iedere in artikel 325 bedoelde termijn door ieder van de partijen worden
opgezegd.
2. De opzegging moet geschieden bij exploot
of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging bedraagt ten minste een
jaar.
3. Geen opzegging is vereist, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de pachtovereenkomst
is totstandgekomen.
Artikel 368
Een opzegging door de verpachter is nietig,
indien zij niet de gronden vermeldt die tot opzegging hebben geleid.
Artikel 369
1. Indien de pachter binnen zes weken na de
opzegging aan de verpachter bij exploot of aangetekende brief meedeelt zich
tegen de opzegging te verzetten met opgave van de redenen waarop hij dit
verzet grondt, blijft de opgezegde overeenkomst van kracht, totdat de
rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verpachter als
bedoeld in lid 2. De rechter kan evenwel, indien het verweer van de pachter
hem kennelijk ongegrond voorkomt, zijn toewijzend vonnis uitvoerbaar bij
voorraad verklaren.
2. Indien de pachter zich overeenkomstig het
eerste lid tijdig tegen de opzegging heeft verzet, kan de verpachter op de
gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter het tijdstip zal
vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen.
Artikel 370
1. De rechter kan de vordering slechts
toewijzen op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering door de pachter
niet is geweest zoals een goed pachter betaamt of de pachter anderszins
ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen;
b. de verpachter aannemelijk maakt dat
hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed- of
aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het verpachte duurzaam in
gebruik wil nemen en hij het verpachte daartoe dringend nodig heeft;
c. een redelijke afweging van de belangen
van de verpachter bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de
pachter bij verlenging van de overeenkomst in het voordeel van de
verpachter uitvalt;
d. de pachter niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe pachtovereenkomst, voor
zover dit aanbod niet een wijziging van de pachtprijs inhoudt;
e. aan de gronden voor algehele
ontbinding van de pachtovereenkomst krachtens artikel 377is voldaan.
2. Onder duurzaam gebruik in de zin van lid 1
onder b wordt niet begrepen vervreemding van het verpachte.
Artikel 371
1. In het geval, bedoeld in artikel 370 lid 1
onder d, kan de rechter de pachter een termijn toestaan van ten hoogste een
maand om het aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst alsnog te
aanvaarden.
2. Betreft het aanbod een nieuwe overeenkomst
voor een kortere duur dan die vanartikel 325 lid 1, dan kan de rechter het
aanbod slechts als redelijk aanmerken, indien de bijzondere omstandigheden
van het geval dit rechtvaardigen en de algemene belangen van de landbouw
niet worden geschaad. Artikel 325 lid 4, tweede en derde zin, is van
overeenkomstige toepassing. Indien de pachter het aanbod aanvaardt,
isartikel 325 leden 6 en 7 van overeenkomstige toepassing op de door die
aanvaarding tot stand gekomen overeenkomst.
Artikel 372
1. Indien de rechter de vordering toewijst,
stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De toewijzing geldt
als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
2. Indien in het verpachte bedrijfsgebouwen
zijn begrepen kan de rechter in zijn beslissing tot toewijzing een bedrag
vaststellen dat de verpachter aan de pachter moet betalen ter tegemoetkoming
in diens verhuis- en inrichtingskosten.Artikel 297 leden 2 en 3 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 373
1. Indien de overeenkomst is opgezegd op de
inartikel 370 lid 1 onder b of e bedoelde gronden en de pachter in de
beëindiging van de overeenkomst heeft toegestemd dan wel de vordering tot
beëindiging van de overeenkomst op die grond is toegewezen, is de
verpachter jegens de pachter tot schadevergoeding gehouden, indien de wil om
het verpachte persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen of om aan het
verpachte de in artikel 377 bedoelde bestemming te geven in werkelijkheid
niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht
niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het einde van
de pachtovereenkomst het verpachte door de verpachter of door de echtgenoot
of geregistreerde partner, door een bloed of aanverwant in de eerste graad
of door een pleegkind van de verpachter in duurzaam gebruik is genomen,
onderscheidenlijk aan het verpachte de in artikel 377 bedoelde bestemming is
gegeven.
3. De rechter is bevoegd op verzoek van de
verpachter of ambtshalve in zijn in artikel 372 bedoelde beslissing een
bedrag te bepalen, dat de verpachter aan de pachter moet betalen, indien
later mocht blijken dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest,
onverminderd het recht van de pachter op verdere vergoeding.
4. De vordering van de pachter tot
schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3 bedoelde bedrag vervalt
vijf jaren na het einde van de pachtovereenkomst.
Artikel 374
De rechter kan, hetzij op verzoek van een der
partijen, hetzij ambtshalve op grond van de billijkheid de vordering slechts
voor een gedeelte van het verpachte toewijzen. In dat geval vermindert de
rechter de geldende tegenprestatie dienovereenkomstig. De pachter kan alsdan
de overeenkomst voor het overige beëindigen op het tijdstip van het eindigen
van de pacht ter zake van het eerst vermeld gedeelte. Hij geeft hiervan bij
aangetekende brief kennis aan de verpachter binnen een maand nadat het vonnis
onaantastbaar is geworden.
Artikel 375
(vervallen)
Artikel 376
1. Ontbinding van de pachtovereenkomst op de
grond dat de pachter tekortgeschoten is in de nakoming van zijn
verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter, behoudens in het
geval van artikel 343 lid 1. De pachter wordt in ieder geval geacht in de
nakoming van zijn verplichtingen te zijn tekortgeschoten, indien hij
a. het gepachte niet langer voor de
uitoefening van de landbouw gebruikt, of
b. in de pachtovereenkomst vastgelegde
beheersverplichtingen ter behoud van op het gepachte aanwezige
natuurwaarden, niet naleeft of aan deze natuurwaarden anderszins schade
heeft toegebracht.
2. Indien de pachter met de nakoming van zijn
verplichtingen in gebreke is, kan de rechter hem op zijn verlangen nog een
betrekkelijk korte termijn gunnen om alsnog aan zijn verplichtingen te
voldoen.
3. De rechter kan op verzoek van de
verpachter, alvorens op de vordering tot ontbinding te beslissen, een
onderzoek bevelen naar de nakoming door de pachter van diens verplichting
tot onderhoud en, zo dit onderzoek daartoe aanleiding geeft, aan de pachter
zodanige aanwijzingen omtrent het uitvoeren van deze verplichting
verstrekken als door de omstandigheden worden geboden, zulks met
vaststelling van een termijn waarbinnen die aanwijzingen moeten worden
opgevolgd.
4. Indien de pachter nalaat de aanwijzingen
binnen de gestelde termijn op te volgen, geldt dit als een tekortkoming als
bedoeld in lid 1, tenzij de pachter aannemelijk maakt dat dit nalaten hem
niet kan worden toegerekend.
Artikel 377
1. Indien de verpachter het verpachte of een
gedeelte daarvan wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke
doeleinden, en die bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang,
ontbindt de rechter op vordering van de verpachter de pachtovereenkomst
geheel of ten dele met ingang van een bij de uitspraak te bepalen dag. De
voorgenomen bestemming wordt geacht in overeenstemming met het algemeen
belang te zijn, indien zij in overeenstemming is met een onherroepelijk
bestemmingsplan.
2. Bij ontbinding voor een gedeelte van het
verpachte vermindert de rechter de tegenprestatie dienovereenkomstig. De
pachter kan alsdan de pachtovereenkomst voor het overige beëindigen op het
in vorige lid bedoelde tijdstip. Hij geeft hiervan bij aangetekende brief
kennis aan de verpachter binnen een maand nadat het vonnis in kracht van
gewijsde is gegaan.
3. Indien de rechter de pachtovereenkomst op
grond van de leden 1 en 2 ontbindt, veroordeelt hij de verpachter de pachter
schadeloos te stellen over de tijd, welke de pachter bij niet-ontbinding
ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.
4. Indien de pachtovereenkomst voor de in
artikel 325, eerste of tweede lid, bedoelde duur is aangegaan of geldt, dan
wel voor een kortere duur is aangegaan, doch nadien voor zes jaren is
verlengd, wordt bij de bepaling van de schadeloosstelling rekening gehouden
met de mogelijkheid, dat de pachtovereenkomst zou zijn verlengd. Bij de
beoordeling van de mogelijkheid van verlenging houdt de rechter geen
rekening met het voornemen van de verpachter het verpachte of een gedeelte
daarvan te bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden.
5. Het bepaalde in het vierde lid, eerste
volzin, vindt geen toepassing, indien de pachtverhouding is aangevangen,
nadat aan het verpachte bij een bestemmingsplan een niet tot de landbouw
betrekkelijke bestemming is gegeven. In dat geval wordt de pachtovereenkomst
met betrekking tot een hoeve of los land, welke is aangegaan voor langer dan
twaalf, onderscheidenlijk zes jaren, voor de bepaling van de
schadeloosstelling geacht te zijn aangegaan voor twaalf, onderscheidenlijk
zes jaren, met dien verstande, dat, indien de ontbinding plaats vindt na die
termijn, de overeenkomst geacht wordt telkens voor zes jaren te zijn
verlengd.
6. Indien evenwel het verpachte sinds een
tijdstip, liggend voor het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan,
bedoeld in het vijfde lid, achtereenvolgens bij personen die ten tijde van
de opvolging in het gebruik tot de voorgaande gebruiker in enige in artikel
363, eerste lid, genoemde betrekking stonden persoonlijk in gebruik is
geweest voor een tot de landbouw betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in
het tweede lid van toepassing.
7. Indien de pachtovereenkomst ingevolge
artikel 322 voor onbepaalde tijd geldt, wordt voor de berekening van de
schadeloosstelling uitgegaan van de overeengekomen duur, doch ingeval de
overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan nimmer van een langere dan de
in artikel 325, eerste lid, bedoelde duur. Voor de berekening van de
schadeloosstelling wordt op gelijke wijze als ten aanzien van
pachtovereenkomsten, waarop artikel 322 niet van toepassing is, aangenomen,
dat de pachtovereenkomst zou kunnen worden verlengd; het vierde lid, tweede
volzin, vijfde en zesde lid, vinden overeenkomstige toepassing.
8. Bij de berekening van de
schadeloosstelling wordt niet gelet op feitelijke veranderingen die
kennelijk zijn aangebracht om de schadeloosstelling te verhogen.
9. Artikel 373 is van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 11. Het voorkeursrecht van de pachter
Artikel 378
1. De verpachter die tot vervreemding van het
verpachte of een deel daarvan wil overgaan, is verplicht de pachter uit
hoofde van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst die voor
ten minste de wettelijke duur is aangegaan dan wel is aangegaan voor een
kortere duur, doch nadien voor ten minste zes jaren is verlengd, bij
voorkeur in de gelegenheid te stellen het recht dat hij voornemens is aan te
bieden, te verkrijgen overeenkomstig de regels van deze afdeling. Onder
vervreemding worden begrepen overdracht van eigendom of vestiging of
overdracht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik.
2. De verpachter geeft van zijn voornemen tot
vervreemding onder vermelding van de prijs bij exploot of bij aangetekende
brief kennis aan de pachter.
3. De pachter geeft binnen een maand na de
kennisgeving eveneens bij aangetekende brief of exploot aan de verpachter te
kennen of hij, indien overeenstemming wordt bereikt over de prijs, bereid is
eigenaar dan wel erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker te worden.
4. Indien de pachter zich niet binnen de
termijn, bedoeld in artikel 378 lid 3, daartoe bereid verklaart, is het in
lid 1 van artikel 378 bepaalde gedurende een jaar na afloop van deze termijn
niet van toepassing.
5. In die periode mag vervreemding, anders
dan in het openbaar, niet geschieden tegen een prijs die lager is dan de
prijs die de verpachter in zijn inlid 2 van artikel 378 bedoelde
kennisgeving heeft vermeld.
Artikel 379
1. Indien geen overeenstemming wordt bereikt
over de prijs, kan de verpachter de grondkamer verzoeken de marktwaarde van
het verpachte of het te vervreemden deel daarvan te taxeren.
2. Indien de verpachter, nadat op het verzoek
onherroepelijk is beslist, bereid is het verpachte of het te vervreemden
deel daarvan tegen de getaxeerde waarde of een lagere prijs aan de pachter
te vervreemden, geeft hij daarvan bij exploot of aangetekende brief kennis
aan de pachter.
3. Indien de pachter niet binnen een maand na
het uitbrengen van het exploot of de verzending van de aangetekende brief
het aanbod bij exploot of aangetekende brief heeft aanvaard, is het inlid 1
van artikel 378 bepaalde gedurende een jaar na afloop van die termijn niet
van toepassing. Artikel 378 lid 5 is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat de verkoop niet mag geschieden tegen een prijs die lager is
dan de in het vorige lid bedoelde prijs.
4. Indien de verpachter de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid niet heeft gedaan binnen een jaar nadat op het
verzoek om taxatie onherroepelijk is beslist, zijn de bepalingen van artikel
378 en volgende wederom van toepassing.
Artikel 380
1. De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat niet:
a. in geval van verkoop krachtens
wetsbepaling of krachtens een bevel van de rechter en van executoriale
verkoop;
b. wanneer de verpachter overgaat tot
vervreemding aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner, aan een
bloed of aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede
graad of aan een pleegkind;
c. in geval van een rechtshandeling die
als een verdeling van een gemeenschap is aan te merken;
d. in geval de rechter op vordering van
de verpachter oordeelt dat deze een ernstige reden heeft om de pachter
niet in de gelegenheid te stellen eigenaar dan wel erfpachter, opstaller
of vruchtgebruiker te worden.
e. in geval degene aan wie de
vervreemding plaats vindt, tevoren schriftelijk aan de pachter verklaart
afstand te doen van zijn bevoegdheid de pachtovereenkomst op te zeggen
op de in artikel 370 lid 1 onder bbedoelde grond.
2. Evenmin bestaat de in artikel 378 lid 1
bedoelde verplichting, wanneer de grondkamer op verzoek van de verpachter
heeft vastgesteld dat deze een ernstige reden heeft om de pachter niet in de
gelegenheid te stellen eigenaar of beperkt gerechtigde te worden. Als
ernstige reden wordt steeds beschouwd de omstandigheid dat de pachter een
slecht landgebruiker is.
Artikel 381
1. De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat voorts niet, wanneer en voor zover het verpachte is
gelegen in een geldend bestemmingsplan, waarbij daaraan een andere dan
landbouwkundige bestemming is gegeven. Op verzoek van de verpachter
verklaren burgemeester en wethouders schriftelijk, of in zulk een plan al
dan niet een landbouwkundige bestemming aan het verpachte is gegeven.
2. Evenmin bestaat de inartikel 378 lid 1
bedoelde verplichting, wanneer de verpachter overgaat tot vervreemding van
het verpachte aan een derde en de grondkamer, op gezamenlijk verzoek van de
verpachter en die derde, heeft vastgesteld, dat aannemelijk is, dat de derde
het verpachte voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of
doen gebruiken.
3. De in artikel 378 lid 1bedoelde
verplichting bestaat evenmin, voor zover het verpachte is gelegen in een
gebied waarvoor een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet
ruimtelijke ordening is vastgesteld en de verpachter ingevolge het bepaalde
in de artikelen 2 juncto artikel 4, eerste lid, onder a, 10 tot en met 24
van de Wet voorkeursrecht gemeenten dan wel artikel 9a, eerste of tweede
lid, juncto artikel 4, eerste lid, onder a, van die wet overgaat tot de
vervreemding van het verpachte aan de gemeente onderscheidenlijk de
provincie of de Staat.
Artikel 382
De verpachter is verplicht om, alvorens tot
openbare verkoop van het verpachte wordt overgegaan, behoudens in geval van
executoriale verkoop, de pachter ten minste een maand voor de verkoop bij
exploot of aangetekende brief daarvan kennis te geven.
Artikel 383
Indien de verpachter in strijd heeft gehandeld
met artikel 378 lid 1, 378 lid 5 of 379 lid 3, kan de verkrijger van het
verpachte onder bijzondere titel de overeenkomst slechts op de in artikel 370
lid 1 onder b bedoelde grond opzeggen, nadat twaalf jaren zijn verstreken na
het einde van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige verpachter is
opgevolgd.
Artikel 384
1. De pachter die van zijn recht van voorkeur
gebruik heeft gemaakt en het uit dien hoofde verkregene binnen een periode
van tien jaar na die verkrijging deels of geheel vervreemdt, is aan de
verpachter een vergoeding verschuldigd als bedoeld in het tweede tot en met
vierde lid.
2. De vergoeding bedraagt het verschil tussen
de prijs die door de pachter is betaald voor het verkregene en de waarde
daarvan in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging.
3. Indien de waarde in pachtvrije staat ten
tijde van de vervreemding door de pachter lager is dan de waarde in
pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging, bedraagt in afwijking van het
tweede lid de vergoeding het verschil tussen de prijs die door de pachter is
betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten
tijde van de vervreemding.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde
vergoeding neemt telkens af met ééntiende deel voor elk jaar dat
verstreken is gerekend van de verkrijging door de pachter af en vermindert
voorts naar evenredigheid indien sprake is van vervreemding van een deel van
het object.
5. Het bepaalde in het eerste lid is niet van
toepassing:
a. indien de vervreemding plaatsvindt aan
de echtgenoot of geregistreerde partner van de pachter, aan één of
meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, aan één of
meer van zijn pleegkinderen of aan één of meer van de medepachters,
met dien verstande dat indien zij binnen de in het eerste lid bedoelde
periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object
overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd
zijn;
b. indien de vervreemding plaatsvindt
door één of meer van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van
de pachter of door één of meer van diens pleegkinderen aan één of
meer van hun bloedverwanten in de rechte lijn of pleegkinderen, met dien
verstande dat indien laatstgenoemden binnen de in het eerste lid
bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object
overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd
zijn.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt
onder vervreemding mede verstaan: elke overeenkomst of andere
rechtshandeling in welke vorm en onder welke benaming ook aangegaan of
verricht, strekkende tot het anderszins overgaan van het verkregene, waarvan
moet worden aangenomen dat zij niet zou zijn aangegaan of zou zijn verricht
indien de in het eerste lid bedoelde vergoeding niet zou zijn verschuldigd.
Afdeling 12. Bijzondere pachtovereenkomsten
Paragraaf 1. Verpachting door openbare lichamen
Artikel 385
Indien het Rijk, een provincie, een gemeente,
een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een veenschap of een veenpolder
aan hun in eigendom toebehorende hoeven of los land een bestemming heeft
gegeven voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden van openbaar nut,
kunnen zij aan de grondkamer verzoeken goed te keuren, dat bij verpachting van
zulke hoeven of zodanig los land in de overeenkomst een of meer van de
volgende bedingen zullen worden opgenomen:
a. dat de overeenkomst in afwijking van het
bepaalde in artikel 325 lid 1, tweede zin, geldt voor de overeengekomen
tijd;
b. dat de verlenging niet zal plaats
hebben, indien en voorzover de verpachter bij exploot of aangetekend
schrijven uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de termijn
waarvoor de pachtovereenkomst is aangegaan de overeenkomst heeft opgezegd
op de grond, dat de verlenging met de bestemming van het verpachte
onverenigbaar is;
c. dat de pachter niet bevoegd zal zijn aan
de grondkamer machtiging te vragen bestemming, inrichting of gedaante van
het gepachte te veranderen;
d. dat de overeenkomst door de verpachter
te allen tijde kan worden beëindigd, indien en voorzover de bestemming de
beëindiging naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
Artikel 386
De grondkamer onderzoekt uitsluitend of de
bestemming het beding redelijkerwijs noodzakelijk kan maken. Zij treedt niet
in een beoordeling dezer bestemming.
Artikel 387
1. In geval de pachtovereenkomst niet wordt
verlengd op grond van het beding, genoemd in artikel 385 onder b, heeft de
pachter geen recht op schadeloosstelling.
2. In geval van beëindiging op grond van het
beding, genoemd in artikel 385, onder d, heeft de pachter recht op
schadeloosstelling over de tijd, welke hij bij niet-beëindiging ingevolge
de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.
3. Bij gedeeltelijke beëindiging is de
pachter bevoegd de pachtovereenkomst ook voor het overige te beëindigen.
Hij geeft hiervan bij aangetekende brief kennis aan de verpachter binnen een
maand na de beëindiging, bedoeld in artikel 385 onder d.
Paragraaf 2. Verpachting binnen reservaten
Artikel 388
In deze paragraaf wordt verstaan onder
«reservaat» een gebied waar de eigendom dan wel de erfpacht van
landbouwgronden door de Staat, een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij
koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisatie is verworven en waar een beheer gevoerd kan
worden gericht op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud anders dan door
middel van een daartoe te sluiten overeenkomst betreffende het richten van de
bedrijfsvoering van agrarische bedrijven op doeleinden van natuur- en
landschapsbehoud.
Artikel 389
1. In een pachtovereenkomst met betrekking
tot een hoeve of los land gelegen in een reservaat, kunnen een of meer
verplichtingen worden opgenomen welke ten doel hebben de opzet en de
bedrijfsvoering te richten op het behoud van natuur en landschap.
2. Niet als buitensporige verplichtingen als
bedoeld in artikel 319, eerste lid, onderdeel b, worden die verplichtingen
aangemerkt:
a. die deel uitmaken van een
pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot door de Staat of een bij
koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisatie in eigendom dan wel erfpacht verworven
percelen, gelegen in een reservaat,
b. die gewenst zijn in verband met de
instandhouding of ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden van
natuur en landschap en
c. waarvoor bij de overeenkomst een
vergoeding wordt bedongen.
Artikel 390
Indien toepassing is gegeven aan artikel 389
geldt, in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 325, de
pachtovereenkomst voor zowel een hoeve als los land voor de duur van zes
jaren.
Artikel 391
1. Indien toepassing is gegeven aan artikel
389wordt de pachtovereenkomst in afwijking van artikel 325 telkens met zes
jaren verlengd.
2. De rechter kan de in artikel 370 bedoelde
vordering, behalve op de daar bedoelde gronden, ook toewijzen op de grond
dat de verpachter met betrekking tot de instandhouding of ontwikkeling van
de op het land aanwezige waarden van natuur en landschap een zodanig beheer
wil voeren dat verdere verpachting hiermee niet in overeenstemming is. Bij
alle toewijzingsgronden houdt hij rekening met de billijkheid in verband met
de bijzondere aard van de pachtovereenkomst.
Artikel 392
De grondkamer herziet de in het eerste lid van
artikel 326 bedoelde bepalingen van de pachtovereenkomst, indien dit gewenst
is met het oog op de instandhouding of ontwikkeling van de op het land
aanwezige waarden van natuur en landschap.
Artikel 393
1. De vergoeding die ingevolge artikel 389
lid 2 onder c is bedongen, wordt niet aangemerkt als pachtprijs.
2. De vergoeding kan niet meer bedragen dan
de pachtprijs zoals opgenomen in een door de grondkamer goedgekeurde
pachtovereenkomst.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regelen vastgesteld ten aanzien van de hoogst toelaatbare vergoeding.
Artikel 394
1. De pachter of de verpachter kan aan de
grondkamer verzoeken de vergoeding bedoeld in artikel 389 lid 2 onder cte
herzien
a. voor het verstrijken van een
pachtperiode van drie jaren;
b. binnen een tijdvak van een jaar na
inwerkingtreding van een wijziging van de regelen als bedoeld in artikel
393 lid 3.
2. De grondkamer herziet de vergoeding,
indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde
omstandigheden dit rechtvaardigen.
3. Indien het verzoek met toepassing van het
eerste lid, onder a, is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door
de grondkamer in met ingang van de nieuwe driejarige pachtperiode.
4. Indien het verzoek met toepassing van het
eerste lid, onder b, is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door
de grondkamer in met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip
waarop de herziening van de regelen, bedoeld in artikel 393 lid 3, in
werking is getreden.
5. Zijn de regelen, bedoeld in artikel 393
lid 3, herzien na het tijdstip waarop de grondkamer heeft beslist, dan
beslist de Centrale Grondkamer met inachtneming van deze regelen, indien een
der partijen dit verzoekt.
Paragraaf 3. Pacht van geringe oppervlakten
Artikel 395
1. De artikelen 313 lid 2, 317–329,
332,333, 348 leden 2–4, 350, 363, 364 en 366–384 zijn niet van
toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land dat niet groter is
dan één hectare.
2. De grondkamer is bevoegd hetzij voor haar
gehele ressort, hetzij voor een gedeelte daarvan, bij besluit voor een
bepaalde tak van bodemcultuur de in het vorige lid genoemde oppervlakte te
verlagen, doch niet tot minder dan 50 are. De besluiten van de grondkamer
worden in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt.
3. Dit besluit behoeft de goedkeuring van
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
4. Overeenkomsten, in welke vorm en onder
welke benaming ook aangegaan welke tot gevolg hebben dat door de ene partij
aan de andere partij, – daaronder begrepen natuurlijke of rechtspersonen
die in een samenwerkingsverband een landbouwbedrijf uitoefenen – tegen
voldoening van een tegenprestatie los land in gebruik wordt gegeven ter
uitoefening van de landbouw, gelden voor de toepassing van dit artikel als
één overeenkomst. Voor de toepassing van dit artikel worden mede als één
overeenkomst in aanmerking genomen die overeenkomsten waarvan op grond van
feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij niet of voor een
andere oppervlakte gesloten zouden zijn indien de oppervlaktegrenzen als
bedoeld in dit artikel niet zouden zijn gesteld.
Paragraaf 4. Teeltpacht en geliberaliseerde
pacht
Artikel 396
1. De artikelen 313 lid 2, 318–325, 327,
328, 332,333, 363, 364, 366–374 en 378–384 zijn niet van toepassing op
pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald;
b. die zijn aangegaan voor één- of
tweejarige teelten voor de duur van ten hoogste één onderscheidenlijk
twee jaar;
c. die zijn aangegaan voor teelten
waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is, en
d. waarbij overigens is voldaan aan het
bepaalde in het tweede en derde lid.
2. De pachtovereenkomst als bedoeld in het
eerste lid wordt door een der partijen ter registratie aan de grondkamer
gezonden.
3. De inzending ter registratie dient binnen
twee maanden nadat de pachtovereenkomst is aangegaan te hebben
plaatsgevonden. De inzending geschiedt met toepassing van de in de
Uitvoeringswet grondkamers voorgeschreven formaliteiten voor een verzoek tot
goedkeuring van een pachtovereenkomst en wordt gericht tot de grondkamer die
ter zake van een zodanig verzoek bevoegd is. De secretaris van de grondkamer
doet ieder der partijen mededeling van een registratie.
4. Indien de verpachter ten behoeve van een
onderverpachting overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid de inartikel
355 bedoelde toestemming niet verleent, kan de pachter de grondkamer
machtiging vragen tot de gewenste onderverpachting over te gaan. De
grondkamer verleent deze machtiging, wanneer door de onderverpachting het
algemeen landbouwbelang gediend wordt en geen redelijk belang van de
verpachter zich daartegen verzet. De grondkamer kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen en kan daarbij op verzoek
van de verpachter de tegenprestatie in afwijking van de regelen als bedoeld
in artikel 327 lid 1 herzien, indien de bij de onderverpachting
overeengekomen tegenprestatie daartoe aanleiding geeft.
Artikel 397
1. De bepalingen van de artikelen 313 lid 2,
319 lid 1 onder a, c en d, 325, 327, 328, 332, 333, 363 tot en met 374, 378
tot en met 384, 399a en 399c lid 1 zijn niet van toepassing op
pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald en
b. die zijn aangegaan voor een duur van
zes jaren of korter.
2. De bepalingen van de artikelen 313 lid 2,
319 lid 1 onder c en d, 325, 363 tot en met 374 en 378 tot en met 384 zijn
niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald en
b. die zijn aangegaan voor een duur
langer dan zes jaren.
3. De grondkamer maakt van haar in artikel
320bedoelde bevoegdheid tot wijziging van de pachtovereenkomst slechts
gebruik, indien daardoor sprake blijft van een pachtovereenkomst als bedoeld
in dit artikel.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat op de pachtovereenkomsten als bedoeld in het eerste lid
tevens de artikelen 319 lid 1 onder a, 327, 328, 332, 333, 399a en 399c lid
1 van toepassing zijn. De algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder
in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 398
1. Een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 396 en 397 gaat niet van rechtswege teniet door de dood van de
verpachter of van de pachter.
2. Na de dood van de pachter zet dan wel
zetten diens echtgenoot of geregistreerde partner, een of meer van diens
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, een of meer van diens
pleegkinderen of iedere medepachter of onderpachter de in lid 1 bedoelde
overeenkomst voort, tenzij de verpachter na het overlijden van de pachter
schriftelijk wordt medegedeeld dat daarvan wordt afgezien.
3. Een mededeling als bedoeld in het tweede
lid geschiedt:
a. binnen één maand na het overlijden
van de pachter, voor zover het een overeenkomst als bedoeld in artikel
396 betreft;
b. binnen drie maanden na het overlijden
van de pachter, voor zover het een overeenkomst als bedoeld in artikel
397 betreft.
Afdeling 13. Dwingend recht
Artikel 399
Van de bepalingen van de artikelen 311 tot en
met 314, 317 tot en met 332, 335, 345, 347, 348, 350, 352 lid 3, 353, 354
leden 2–5, 360 tot en met 383, 384 leden 2 en 3, 389 lid 2, 390 tot en met
394, 395 lid 4 en artikel 396, leden 2 tot en met 4, en artikel 398kan niet
ten nadele van de pachter worden afgeweken.
Artikel 399a
Nietig is elk beding in een pachtovereenkomst,
ingevolge hetwelk de geldelijke lasten, welke de verpachter door
publiekrechtelijke lichamen zijn of zullen worden opgelegd, geheel of ten dele
ten laste van de pachter komen.
Artikel 399b
Indien een pachtovereenkomst is aangegaan onder
voorwaarde dat de overeenkomst door de grondkamer geheel of ten dele
ongewijzigd zal worden goedgekeurd, wordt deze voorwaarde voor niet geschreven
gehouden.
Artikel 399c
1. Een beding waarin een verpachter, indien
de grondkamer onderscheidenlijk de Centrale Grondkamer de pachtovereenkomst
of een overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst heeft
vastgesteld, een hogere tegenprestatie bedingt dan ingevolge deze wet is
geoorloofd, is nietig. Onder de tegenprestatie worden prestaties, bedongen
of genoten krachtens andere met de pachtovereenkomst verband houdende
overeenkomsten, mede begrepen.
2. Een beding in een overeenkomst tussen een
afgaande en een opgaande pachter, verband houdende met de overgang van het
bedrijf, waarin meer is bedongen dan een redelijke vergoeding voor de
verrichte prestatie, is nietig.
3. Een beding in een overeenkomst van het
verlenen van bemiddeling of andere diensten bij het sluiten van een
pachtovereenkomst of van een overeenkomst tot wijziging of beëindiging van
een pachtovereenkomst waarin meer is bedongen dan een redelijke vergoeding,
is nietig.
Afdeling 14. Slotbepalingen
Artikel 399d
1. De bepalingen betreffende pacht vinden
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten, waardoor of krachtens welke
tegen een vergoeding ineens of in termijnen zakelijke genotsrechten voor 25
jaar of korter, dan wel voor onbepaalde tijd op hoeven of los land worden
gevestigd. In geval van zakelijke genotsrechten voor onbepaalde tijd blijft
de overeenkomstige toepassing van bepalingen van deze wet beperkt tot 25
jaar na de vestiging.
2. De bepalingen, die voor het zakelijke
genotsrecht gelden, vinden slechts toepassing, voorzover zij niet in strijd
zijn met dwingende bepalingen betreffende pacht.
Artikel 399e
1. Het aanstellen of het aangesteld houden
van een zetboer behoeft de voorafgaande goedkeuring van de grondkamer.
2. Onder zetboer wordt verstaan degene, aan
wie de exploitatie van een hoeve of los land door de eigenaar of
rechthebbende is overgedragen en die daarbij een belangrijke invloed op de
leiding van het bedrijf heeft verkregen en als tegenprestatie een vergoeding
ontvangt.
3. De grondkamer keurt de aanstelling van de
zetboer slechts goed, indien daarvoor bijzondere redenen aanwezig zijn. Zij
treedt niet in een beoordeling van de voorwaarden der aanstelling.
Titel 7. Opdracht
Afdeling 1. Opdracht in het algemeen
Artikel 400
1. De overeenkomst van opdracht is de
overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere
partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een
arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan
dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van
zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van
personen of zaken.
2. De artikelen 401-412 zijn, onverminderd
artikel 413, van toepassing, tenzij iets anders voortvloeit uit de wet, de
inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere
rechtshandeling, of de gewoonte.
Artikel 401
De opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de
zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.
Artikel 402
1. De opdrachtnemer is gehouden gevolg te
geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen omtrent de
uitvoering van de opdracht.
2. De opdrachtnemer die op redelijke grond
niet bereid is de opdracht volgens de hem gegeven aanwijzingen uit te
voeren, kan, zo de opdrachtgever hem niettemin aan die aanwijzingen houdt,
de overeenkomst opzeggen wegens gewichtige redenen.
Artikel 403
1. De opdrachtnemer moet de opdrachtgever op
de hoogte houden van zijn werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht en
hem onverwijld in kennis stellen van de voltooiing van de opdracht, indien
de opdrachtgever daarvan onkundig is.
2. De opdrachtnemer doet aan de opdrachtgever
verantwoording van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten.
Heeft hij bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de opdrachtgever
gelden uitgegeven of te diens behoeve gelden ontvangen, dan doet hij daarvan
rekening.
Artikel 404
Indien de opdracht is verleend met het oog op
een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een
bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de
uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de
opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen
mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de
opdrachtnemer.
Artikel 405
1. Indien de overeenkomst door de
opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is
de opdrachtgever hem loon verschuldigd.
2. Indien loon is verschuldigd doch de hoogte
niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de gebruikelijke
wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon
verschuldigd.
Artikel 406
1. De opdrachtgever moet aan de opdrachtnemer
de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht vergoeden, voor
zover deze niet in het loon zijn begrepen.
2. De opdrachtgever moet de opdrachtnemer de
schade vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de hem niet toe te rekenen
verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder gevaar. Heeft de
opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gehandeld, dan
geldt de vorige zin slechts, indien dat gevaar de risico’s welke de
uitoefening van dat beroep of bedrijf naar zijn aard meebrengt, te buiten
gaat. Geschiedt de uitvoering van de opdracht anderszins tegen loon, dan is
de eerste zin slechts van toepassing, indien bij de vaststelling van het
loon met het gevaar geen rekening is gehouden.
Artikel 407
1. Indien twee of meer personen tezamen een
opdracht hebben gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover de opdrachtnemer
verbonden.
2. Indien twee of meer personen tezamen een
opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk
ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet
aan hem kan worden toegerekend.
Artikel 408
1. De opdrachtgever kan te allen tijde de
overeenkomst opzeggen.
2. De opdrachtnemer die de overeenkomst is
aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kan, behoudens
gewichtige redenen, de overeenkomst slechts opzeggen, indien zij voor
onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt.
3. Een natuurlijk persoon die een opdracht
heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is,
onverminderd artikel 406, ter zake van een opzegging geen schadevergoeding
verschuldigd.
Artikel 409
1. Indien de opdracht met het oog op een
bepaalde persoon is verleend, eindigt zij door zijn dood.
2. Alsdan zijn diens erfgenamen, indien zij
kennis dragen van de erfopvolging en van de opdracht, verplicht al datgene
te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. Een
overeenkomstige verplichting rust op degenen in wier dienst of met wie de
opdrachtnemer een beroep of bedrijf uitoefende.
Artikel 410
1. De dood van de opdrachtgever doet de
opdracht slechts eindigen, indien dit uit de overeenkomst voortvloeit, en
dan eerst vanaf het tijdstip waarop de opdrachtnemer de dood heeft gekend.
2. Eindigt de opdracht door de dood van de
opdrachtgever, dan is de opdrachtnemer niettemin verplicht al datgene te
doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen.
Artikel 411
1. Indien de overeenkomst eindigt voordat de
opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en
de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het
verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar
redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan
wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer
verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en
de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.
2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de
opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het einde van de
overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het
volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Op het
bedrag van het loon worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de
voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.
Artikel 412
Een rechtsvordering tegen de opdrachtnemer tot
afgifte van de stukken die hij ter zake van de opdracht onder zich heeft
gekregen, verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop zijn bemoeiingen zijn geëindigd.
Artikel 413
1. Van artikel 408 lid 3 kan niet worden
afgeweken.
2. Van de artikelen 408 lid 1 en 411 kan niet
worden afgeweken ten nadele van een opdrachtgever als bedoeld in artikel 408
lid 3.
3. Van artikel 412 kan slechts op dezelfde
voet worden afgeweken als van de regels inzake de verjaring van
rechtsvorderingen die in titel 11 van Boek 3 zijn opgenomen.
Afdeling 2. Lastgeving
Artikel 414
1. Lastgeving is de overeenkomst van opdracht
waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de
lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer
rechtshandelingen te verrichten.
2. De overeenkomst kan de lasthebber
verplichten te handelen in eigen naam; zij kan ook verplichten te handelen
in naam van de lastgever.
Artikel 415
Indien een lastgeving met twee of meer
lasthebbers is aangegaan, is ieder van hen bevoegd zelfstandig te handelen.
Artikel 416
1. Een lasthebber kan slechts als wederpartij
van de lastgever optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo
nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
2. Een lasthebber die slechts in eigen naam
mag handelen, kan niettemin als wederpartij van de lastgever optreden,
indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd
tussen beider belangen is uitgesloten.
3. Indien de lastgever een persoon is als
bedoeld in artikel 408 lid 3, is voor een rechtshandeling waarbij de
lasthebber als zijn wederpartij optreedt, op straffe van vernietigbaarheid
zijn schriftelijke toestemming vereist.
4. De lasthebber die in overeenstemming met
de vorige leden als wederpartij van de lastgever optreedt, behoudt zijn
recht op loon.
Artikel 417
1. Een lasthebber mag slechts tevens als
lasthebber van de wederpartij optreden, indien de inhoud van de
rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van
beide lastgevers is uitgesloten.
2. Indien de lastgever een persoon is als
bedoeld in artikel 408 lid 3, is voor de geoorloofdheid van een
rechtshandeling waarbij de lasthebber ook als lasthebber van de wederpartij
optreedt, zijn schriftelijke toestemming vereist.
3. Een lasthebber heeft geen recht op loon
jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met het in de vorige
leden bepaalde handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de
dientengevolge door die lastgever geleden schade. Van deze bepaling kan niet
ten nadele van een lastgever worden afgeweken.
4. Indien een der lastgevers een persoon is
als bedoeld in artikel 408 lid 3, en de rechtshandeling strekt tot koop of
verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte
daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, heeft de lasthebber
geen recht op loon jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet
ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken, tenzij de
rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot woonruimte bestemd
gedeelte van een zelfstandige woning.
Artikel 418
1. Heeft, buiten de gevallen bedoeld in de
artikelen 416 en 417, een lasthebber direct of indirect belang bij de
totstandkoming van de rechtshandeling, dan is hij verplicht de lastgever
daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud van de rechtshandeling zo
nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
2. Een lasthebber heeft geen recht op loon
jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met het in lid 1
bepaalde handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de
dientengevolge door de lastgever geleden schade. Van deze bepaling kan niet
ten nadele van de lastgever worden afgeweken.
Artikel 419
Indien een lasthebber in eigen naam een
overeenkomst heeft gesloten met een derde die in de nakoming van zijn
verplichtingen tekortschiet, is de derde binnen de grenzen van hetgeen omtrent
zijn verplichting tot schadevergoeding overigens uit de wet voortvloeit,
jegens de lasthebber mede gehouden tot vergoeding van de schade die de
lastgever door de tekortkoming heeft geleden.
Artikel 420
1. Indien een lasthebber die in eigen naam
een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen jegens de
lastgever niet nakomt, in staat van faillissement geraakt of indien ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing wordt verklaard, kan de lastgever de voor overgang vatbare
rechten van de lasthebber jegens de derde door een schriftelijke verklaring
aan hen beiden op zich doen overgaan, behoudens voor zover zij in de
onderlinge verhouding tussen lastgever en lasthebber aan deze laatste
toekomen.
2. Dezelfde bevoegdheid heeft de lastgever
indien de derde zijn verplichtingen tegenover de lasthebber niet nakomt,
tenzij deze de lastgever voldoet alsof de derde zijn verplichtingen was
nagekomen.
3. De lasthebber is in de gevallen in dit
artikel bedoeld gehouden de naam van de derde aan de lastgever op diens
verzoek mede te delen.
Artikel 421
1. Indien een lasthebber die in eigen naam
een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen jegens de
derde niet nakomt, in staat van faillissement geraakt of indien ten aanzien
van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing wordt
verklaard, kan de derde na schriftelijke mededeling aan de lasthebber en de
lastgever zijn rechten uit de overeenkomst tegen de lastgever uitoefenen,
voor zover deze op het tijdstip van de mededeling op overeenkomstige wijze
jegens de lasthebber gehouden is.
2. De lasthebber is in het geval in dit
artikel bedoeld gehouden de naam van de lastgever aan de derde op diens
verzoek mede te delen.
Artikel 422
1. Lastgeving eindigt, behalve door opzegging
overeenkomstig artikel 408, door:
a. de dood, de ondercuratelestelling, het
faillissement van de lastgever of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, met dien
verstande dat de dood of de ondercuratelestelling de overeenkomst doet
eindigen op het tijdstip waarop de lasthebber daarvan kennis krijgt;
b. de dood, de ondercuratelestelling, het
faillissement van de lasthebber of het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen.
2. Van artikel 408 lid 1 voor zover van
toepassing op lastgeving, en van lid 1 onder a kan niet worden afgeweken.
Voor zover de overeenkomst strekt tot het verrichten van een rechtshandeling
in het belang van de lasthebber of van een derde, kan echter worden bepaald
dat zij niet door de lastgever kan worden opgezegd, of dat zij niet eindigt
door de dood of de ondercuratelestelling van de lastgever. Artikel 74 leden
1, tweede zin, 2 en 4 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing.
3. Eindigt de lastgeving door de dood of de
ondercuratelestelling van de lastgever, dan is de lasthebber niettemin
verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de
wederpartij eisen.
4. Eindigt de lastgeving door de dood van de
lasthebber, dan zijn diens erfgenamen, indien zij kennis dragen van de
erfopvolging en van de lastgeving, verplicht al datgene te doen wat de
omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. Een overeenkomstige
verplichting rust op degenen in wier dienst of met wie de lasthebber een
beroep of bedrijf uitoefende.
Artikel 423
1. Indien is bedongen dat de lasthebber een
aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting van de
lastgever zal uitoefenen, mist deze de bevoegdheid tot deze uitoefening voor
de duur van de overeenkomst ook jegens derden. De uitsluiting kan niet
worden tegengeworpen aan derden die haar kenden noch behoorden te kennen.
2. Indien de lasthebber die de uitsluiting
bedong, een rechtspersoon is die zich ingevolge zijn statuten ten doel stelt
de gezamenlijke belangen van meer lastgevers door de uitoefening van de aan
hen toekomende rechten te behartigen, kan in afwijking van artikel 422 lid 2
worden overeengekomen dat de lastgeving niet zal eindigen door opzegging
door de lastgever op een termijn die minder dan een jaar bedraagt, noch door
diens dood, ondercuratelestelling, faillissement of het ten aanzien van hem
van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen. Dit beding sluit niet uit dat de overeenkomst op een termijn van
tenminste één maand kan worden opgezegd door de erfgenamen van de
lastgever of, in geval van diens faillissement of ondercuratelestelling,
door de curator dan wel, indien ten aanzien van de lastgever de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard,
door de bewindvoerder. Wanneer de nalatenschap van de lastgever ingevolge
artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen,
bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 424
1. De artikelen 415-423 zijn van
overeenkomstige toepassing op andere overeenkomsten dan lastgeving krachtens
welke de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere
partij rechtshandelingen te verrichten, voor zover de strekking van de
betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich
daartegen niet verzet.
2. Het vorige lid is niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.
Afdeling 3. Bemiddelingsovereenkomst
Artikel 425
De bemiddelingsovereenkomst is de overeenkomst
van opdracht waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich tegenover de andere
partij, de opdrachtgever, verbindt tegen loon als tussenpersoon werkzaam te
zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de
opdrachtgever en derden.
Artikel 426
1. De tussenpersoon heeft recht op loon zodra
door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derde is
tot stand gekomen.
2. Indien het recht op loon afhankelijk is
gesteld van de uitvoering van de bemiddelde overeenkomst en deze
overeenkomst niet wordt uitgevoerd, is de opdrachtgever het loon ook
verschuldigd, tenzij de niet-uitvoering niet aan hem kan worden toegerekend.
Artikel 427
De artikelen 417 en 418 zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waarbij de ene partij jegens de
andere partij verplicht of bevoegd is als tussenpersoon werkzaam te zijn als
bedoeld in artikel 425, met dien verstande dat met een tussenpersoon die
tevens werkzaam is voor de wederpartij, gelijkgesteld is een tussenpersoon die
zelf als wederpartij optreedt.
Afdeling 4. Agentuurovereenkomst
Artikel 428
1. De agentuurovereenkomst is een
overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de
handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een
onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten
bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de
principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn.
2. De bepalingen van deze afdeling zijn niet
van toepassing op agentuurovereenkomsten waarop de de Wet op het financieel
toezicht van toepassing is.
3. Ieder der partijen is verplicht de
wederpartij op haar verzoek een ondertekend geschrift te verschaffen dat de
dan geldende inhoud van de agentuurovereenkomst weergeeft.
Artikel 429
1. De handelsagent kan zich voor
verplichtingen die voor derden uit een door hem bemiddelde of afgesloten
overeenkomst voortvloeien, uitsluitend schriftelijk aansprakelijk stellen.
2. Tenzij schriftelijk anders is
overeengekomen, is de handelsagent krachtens een beding van delcredere
slechts aansprakelijk voor de gegoedheid van de derde.
3. Hij kan zich niet aansprakelijk stellen
tot een hoger bedrag dan de overeengekomen provisie, tenzij het beding
betrekking heeft op een bepaalde overeenkomst of op overeenkomsten die hij
zelf in naam van de principaal sluit.
4. Indien er een kennelijke wanverhouding is
tussen het risico dat de handelsagent op zich heeft genomen, en de bedongen
provisie, kan de rechter het bedrag waarvoor de handelsagent aansprakelijk
is, matigen, voor zover dit bedrag de provisie te boven gaat. De rechter
houdt met alle omstandigheden rekening, in het bijzonder met de wijze waarop
de handelsagent de belangen van de principaal heeft behartigd.
Artikel 430
1. De principaal moet alles doen wat in de
gegeven omstandigheden van zijn kant nodig is om de handelsagent in staat te
stellen zijn werkzaamheden te verrichten.
2. Hij moet aan de handelsagent het nodige
documentatiemateriaal ter beschikking stellen over de goederen en diensten
waarvoor de handelsagent bemiddelt, en hem alle inlichtingen verschaffen die
nodig zijn voor de uitvoering van de agentuurovereenkomst.
3. Hij is verplicht de handelsagent
onverwijld te waarschuwen, indien hij voorziet dat in een uitgesproken
geringere mate dan de handelsagent mocht verwachten, overeenkomsten zullen
of mogen worden afgesloten.
4. Hij moet de handelsagent binnen een
redelijke termijn op de hoogte stellen van zijn aanvaarding of weigering of
de niet-uitvoering van een door de handelsagent aangebrachte overeenkomst.
Artikel 431
1. De handelsagent heeft recht op provisie
voor de overeenkomsten die tijdens de duur der agentuurovereenkomst zijn tot
stand gekomen:
a. indien de overeenkomst door zijn
tussenkomst is tot stand gekomen;
b. indien de overeenkomst is tot stand
gekomen met iemand die hij reeds vroeger voor een dergelijke
overeenkomst had aangebracht;
c. indien de overeenkomst is afgesloten
met iemand die behoort tot de klantenkring die, of gevestigd is in het
gebied dat aan de handelsagent is toegewezen, tenzij uitdrukkelijk is
overeengekomen dat de handelsagent ten aanzien van die klantenkring of
in dat gebied niet het alleenrecht heeft.
2. De handelsagent heeft recht op provisie
voor de voorbereiding van na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand
gekomen overeenkomsten:
a. indien deze hoofdzakelijk aan de
tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door hem verrichte
werkzaamheden zijn te danken en binnen een redelijke termijn na de
beëindiging van die overeenkomst zijn afgesloten, of
b. indien hij of de principaal,
overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het eerste lid, de bestelling
van de derde heeft ontvangen voor de beëindiging van de
agentuurovereenkomst.
3. De handelsagent heeft geen recht op
provisie, indien deze krachtens het tweede lid is verschuldigd aan zijn
voorganger, tenzij uit de omstandigheden voortvloeit dat het billijk is de
provisie tussen hen beiden te verdelen.
Artikel 432
1. Indien de rol van de handelsagent zich
heeft beperkt tot het verlenen van bemiddeling bij de totstandkoming van de
overeenkomst, wordt de order die hij aan zijn principaal heeft doen
toekomen, voor wat betreft het recht op provisie krachtens artikel 426
geacht te zijn aanvaard, tenzij de principaal de handelsagent binnen de
redelijke termijn, bedoeld in artikel 430 lid 4, mededeelt dat hij de order
weigert of een voorbehoud maakt. Bij gebreke van een in de
agentuurovereenkomst bepaalde termijn bedraagt de termijn een maand vanaf
het tijdstip waarop hem de order is medegedeeld.
2. Het beding dat het recht op provisie doet
afhangen van de uitvoering van de overeenkomst, dient uitdrukkelijk te
worden gemaakt.
3. Indien het beding, bedoeld in het tweede
lid, is gemaakt, ontstaat het recht op provisie uiterlijk wanneer de derde
zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd, of dit had moeten doen,
indien de principaal zijn deel van de transactie had uitgevoerd.
Artikel 433
1. De principaal is verplicht na afloop van
iedere maand aan de handelsagent een schriftelijke opgave te verstrekken van
de over die maand verschuldigde provisie, onder vermelding van de gegevens
waarop de berekening berust; deze opgave moet worden verstrekt voor het
einde van de volgende maand. Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat
de opgave twee- of driemaandelijks wordt verstrekt.
2. De handelsagent is bevoegd van de
principaal inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken, echter zonder
afgifte te kunnen verlangen. Hij kan zich op zijn kosten doen bijstaan door
een deskundige, aanvaard door de principaal of, bij afwijzing, benoemd door
de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank op verzoek van de
handelsagent.
3. Echter kunnen partijen schriftelijk
overeenkomen dat de inzage van de bewijsstukken zal geschieden aan een
derde; indien deze zijn taak niet vervult, zal de voorzieningenrechter van
de rechtbank een plaatsvervanger aanwijzen.
4. De overlegging van de bewijsstukken door
de principaal geschiedt onder verplichting tot geheimhouding door de
handelsagent en in de vorige leden vermelde personen. Deze laatsten zijn
echter niet verplicht tot geheimhouding tegenover de handelsagent voor zover
het betreft een in het eerste lid bedoeld gegeven.
Artikel 434
De provisie wordt uiterlijk opeisbaar op het
tijdstip waarop de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel 433, moet worden
verstrekt.
Artikel 435
1. De handelsagent heeft recht op een
beloning, indien hij bereid is zijn verplichtingen uit de
agentuurovereenkomst na te komen of deze reeds heeft nagekomen, doch de
principaal van de diensten van de handelsagent geen gebruik heeft gemaakt of
in aanzienlijk geringere mate gebruik heeft gemaakt dan deze als normaal
mocht verwachten, tenzij de gedraging van de principaal voortvloeit uit
omstandigheden welke redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen.
2. Bij de bepaling van deze beloning wordt
rekening gehouden met het bedrag van de in de voorafgaande tijd verdiende
provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren, zoals de
onkosten die de handelsagent zich door het niet verrichten van werkzaamheden
bespaart.
Artikel 436
Een agentuurovereenkomst die na het verstrijken
van de termijn waarvoor zij is aangegaan, door beide partijen wordt
voortgezet, bindt partijen voor onbepaalde tijd op dezelfde voorwaarden.
Artikel 437
1. Indien de agentuurovereenkomst is
aangegaan voor een onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd met recht van
tussentijdse opzegging, is ieder der partijen bevoegd haar te doen eindigen
met inachtneming van de overeengekomen opzeggingstermijn. Bij gebreke van
een overeenkomst dienaangaande zal de opzeggingstermijn vier maanden
bedragen, vermeerderd met een maand na drie jaren looptijd van de
overeenkomst en met twee maanden na zes jaren.
2. De termijn van opzegging kan niet korter
zijn dan een maand in het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden in
het tweede jaar en drie maanden in de volgende jaren. Indien partijen
langere termijnen overeenkomen, mogen deze voor de principaal niet korter
zijn dan voor de handelsagent.
3. Opzegging behoort plaats te vinden tegen
het einde van een kalendermaand.
Artikel 438
1. De agentuurovereenkomst eindigt door het
overlijden van de handelsagent.
2. In geval van overlijden van de principaal
zijn zowel zijn erfgenamen als de handelsagent bevoegd, mits binnen negen
maanden na het overlijden, de overeenkomst te doen eindigen met een
opzeggingstermijn van vier maanden. Wanneer de nalatenschap van de
principaal ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn
echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 439
1. De partij die de overeenkomst beëindigt
zonder eerbiediging van haar duur of zonder inachtneming van de wettelijke
of overeengekomen opzeggingstermijn en zonder dat de wederpartij daarin
toestemt, is schadeplichtig, tenzij zij de overeenkomst doet eindigen om een
dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde reden.
2. Dringende redenen zijn omstandigheden van
zodanige aard dat van de partij die de overeenkomst doet eindigen,
redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in
stand te laten.
3. Indien de beëindiging van de overeenkomst
wegens een dringende reden gegrond is op omstandigheden waarvoor de
wederpartij een verwijt treft, is laatstgenoemde schadeplichtig.
4. Een beding waardoor aan een der partijen
de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden aanwezig is, is
nietig.
Artikel 440
1. Ieder der beide partijen is bevoegd de
kantonrechter te verzoeken de agentuurovereenkomst te ontbinden op grond
van:
a. omstandigheden die een dringende reden
opleveren in de zin van artikel 439 lid 2;
b. verandering in de omstandigheden welke
van dien aard is, dat de billijkheid eist dat aan de overeenkomst
dadelijk of na korte tijd een einde wordt gemaakt.
2. Spreekt de rechter de ontbinding uit op
grond van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid onder a en kan van
deze omstandigheid de verweerder een verwijt worden gemaakt, dan is deze
schadeplichtig.
3. Spreekt de rechter de ontbinding uit op
grond van hetgeen is bepaald in het eerste lid onder b, dan kan hij aan een
der partijen een vergoeding toekennen. Hij kan bepalen dat deze in termijnen
wordt betaald.
4. Het vijfde, zesde, zevende, negende,
tiende en elfde lid van artikel 685 van Boek 7 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 441
1. De partij die, krachtens artikel 439 of
artikel 440 lid 2, schadeplichtig is, is aan de wederpartij een som
verschuldigd gelijk aan de beloning over de tijd dat de agentuurovereenkomst
bij regelmatige beëindiging had behoren voort te duren. Voor de
vaststelling van deze som wordt rekening gehouden met de in de voorafgaande
tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen
factoren.
2. De rechter is bevoegd deze som te
verminderen, indien zij hem met het oog op de omstandigheden te hoog
voorkomt.
3. De benadeelde partij kan, in plaats van de
schadeloosstelling in de voorafgaande leden bedoeld, volledige vergoeding
van haar schade vorderen, onder gehoudenheid de omvang daarvan te bewijzen.
Artikel 442
1. Ongeacht het recht om schadevergoeding te
vorderen, heeft de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst
recht op een vergoeding, klantenvergoeding, voor zover:
a. hij de principaal nieuwe klanten heeft
aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk
heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog
aanzienlijke voordelen opleveren, en
b. de betaling van deze vergoeding
billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de
verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.
2. Het bedrag van de vergoeding is niet hoger
dan dat van de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de
laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het
gemiddelde van de gehele duur daarvan.
3. Het recht op vergoeding vervalt, indien de
handelsagent de principaal niet uiterlijk een jaar na het einde van de
overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding verlangt.
4. De vergoeding is niet verschuldigd, indien
de overeenkomst is beëindigd:
a. door de principaal onder
omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439 lid 3
schadeplichtig maken;
b. door de handelsagent, tenzij deze
beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal
kunnen worden toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door leeftijd,
invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond waarvan
redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn
werkzaamheden voortzet;
c. door de handelsagent die,
overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en
verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde
overdraagt.
Artikel 443
1. Een beding dat de handelsagent beperkt in
zijn vrijheid om na het einde van de agentuurovereenkomst werkzaam te zijn,
is slechts geldig voor zover:
a. het op schrift is gesteld, en
b. betrekking heeft op het soort goederen
of diensten waarvan hij de vertegenwoordiging had, en op het gebied, of
de klantenkring en het gebied, aan hem toevertrouwd.
2. Zodanig beding is slechts geldig gedurende
ten hoogste twee jaren na het einde van de overeenkomst.
3. Aan zodanig beding kan de principaal geen
rechten ontlenen, indien de overeenkomst is geëindigd:
a. doordat hij haar zonder toestemming
van de handelsagent heeft beëindigd zonder inachtneming van de
wettelijke of overeengekomen termijn en zonder een dringende aan de
handelsagent onverwijld medegedeelde reden;
b. doordat de handelsagent de
overeenkomst heeft beëindigd vanwege een dringende, onverwijld aan de
principaal medegedeelde reden waarvoor laatstgenoemde een verwijt treft;
c. door een rechterlijke uitspraak,
gegrond op omstandigheden ter zake waarvan de principaal een verwijt
treft.
4. De rechter kan, indien de handelsagent dat
vraagt, zulk een beding geheel of gedeeltelijk teniet doen op grond dat, in
verhouding tot het te beschermen belang van de principaal, de handelsagent
door het beding onbillijk wordt benadeeld.
Artikel 444
Rechtsvorderingen gegrond op de artikelen 439
en 440 verjaren door verloop van één jaar na het feit dat de vordering deed
ontstaan.
Artikel 445
1. Partijen kunnen niet afwijken van de
artikelen 401, 402, 403 en 426 lid 2 noch van de artikelen 428 lid 3, 429,
430, 431 lid 2, 432 lid 2, 433, 437 lid 2, 439, 440, 441, 443 en 444.
2. Evenmin kan ten nadele van de handelsagent
worden afgeweken van de artikelen 432 lid 3, 434 en, vóór het einde van de
overeenkomst, van artikel 442.
Afdeling 5. De overeenkomst inzake
geneeskundige behandeling
Artikel 446
1. De overeenkomst inzake geneeskundige
behandeling - in deze afdeling verder aangeduid als de
behandelingsovereenkomst - is de overeenkomst waarbij een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van
een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever,
verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de
geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de
opdrachtgever of van een bepaalde derde. Degene op wiens persoon de
handelingen rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de
patiënt.
2. Onder handelingen op het gebied van de
geneeskunst worden verstaan:
a. alle verrichtingen - het onderzoeken
en het geven van raad daaronder begrepen - rechtstreeks betrekking
hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te
genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn
gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand
te verlenen;
b. andere dan de onder a bedoelde
handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon, die worden
verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid.
3. Tot de handelingen, bedoeld in lid 1,
worden mede gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen van de
patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt voorzien
in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden
verricht.
4. Geen behandelingsovereenkomst is aanwezig,
indien het betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of
medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan
die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen,
de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de
geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van
bepaalde werkzaamheden.
Artikel 447
1. Een minderjarige die de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een
behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het
verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk
verband houden.
2. De minderjarige is aansprakelijk voor de
daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn
ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.
3. In op die behandelingsovereenkomst
betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten
rechte op te treden.
Artikel 448
1. De hulpverlener licht de patiënt op
duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen
onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent
het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt. De
hulpverlener licht een patiënt die de leeftijd van twaalf jaren nog niet
heeft bereikt op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen.
2. Bij het uitvoeren van de in lid 1
neergelegde verplichting laat de hulpverlener zich leiden door hetgeen de
patiënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van:
a. de aard en het doel van het onderzoek
of de behandeling die hij noodzakelijk acht en van de uit te voeren
verrichtingen;
b. de te verwachten gevolgen en risico’s
daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
c. andere methoden van onderzoek of
behandeling die in aanmerking komen;
d. de staat van en de vooruitzichten met
betrekking tot diens gezondheid voor wat betreft het terrein van het
onderzoek of de behandeling.
3. De hulpverlener mag de patiënt bedoelde
inlichtingen slechts onthouden voor zover het verstrekken ervan kennelijk
ernstig nadeel voor de patiënt zou opleveren. Indien het belang van de
patiënt dit vereist, dient de hulpverlener de desbetreffende inlichtingen
aan een ander dan de patiënt te verstrekken. De inlichtingen worden de
patiënt alsnog gegeven, zodra bedoeld nadeel niet meer te duchten is. De
hulpverlener maakt geen gebruik van zijn in de eerste volzin bedoelde
bevoegdheid dan nadat hij daarover een andere hulpverlener heeft
geraadpleegd.
Artikel 449
Indien de patiënt te kennen heeft gegeven geen
inlichtingen te willen ontvangen, blijft het verstrekken daarvan achterwege,
behoudens voor zover het belang dat de patiënt daarbij heeft niet opweegt
tegen het nadeel dat daaruit voor hemzelf of anderen kan voortvloeien.
Artikel 450
1. Voor verrichtingen ter uitvoering van een
behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.
2. Indien de patiënt minderjarig is en de
leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is
tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van
zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de
ouders of de voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde
ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook
na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft
wensen.
3. In het geval waarin een patiënt van
zestien jaren of ouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake, worden door de hulpverlener en een
persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 van artikel 465, de kennelijke
opvattingen van de patiënt, geuit in schriftelijke vorm toen deze tot
bedoelde redelijke waardering nog in staat was en inhoudende een weigering
van toestemming als bedoeld in lid 1, opgevolgd. De hulpverlener kan hiervan
afwijken indien hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht.
Artikel 451
Op verzoek van de patiënt legt de hulpverlener
in ieder geval schriftelijk vast voor welke verrichtingen van ingrijpende aard
deze toestemming heeft gegeven.
Artikel 452
De patiënt geeft de hulpverlener naar beste
weten de inlichtingen en de medewerking die deze redelijkerwijs voor het
uitvoeren van de overeenkomst behoeft.
Artikel 453
De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de
zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in
overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende
uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.
Artikel 454
1. De hulpverlener richt een dossier in met
betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier
aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te
diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende
zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede
hulpverlening aan hem noodzakelijk is.
2. De hulpverlener voegt desgevraagd een door
de patiënt afgegeven verklaring met betrekking tot de in het dossier
opgenomen stukken aan het dossier toe.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 455,
bewaart de hulpverlener de bescheiden, bedoeld in de vorige leden, gedurende
vijftien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd,
of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener
voortvloeit.
Artikel 455
1. De hulpverlener vernietigt de door hem
bewaarde bescheiden, bedoeld in artikel 454, binnen drie maanden na een
daartoe strekkend verzoek van de patiënt.
2. Lid 1 geldt niet voor zover het verzoek
bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van
aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt, alsmede voor zover
het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.
Artikel 456
De hulpverlener verstrekt aan de patiënt
desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden,
bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit
noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van een ander. De hulpverlener mag voor de verstrekking van het
afschrift een redelijke vergoeding in rekening brengen.
Artikel 457
1. Onverminderd het in artikel 448 lid 3,
tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de
patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift
van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met
toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze
slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet
wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de
beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens
de wet bepaalde daartoe verplicht.
2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet
begrepen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de
behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als vervanger van de
hulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in
dat kader te verrichten werkzaamheden.
3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen
wier toestemming ter zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst
op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door
inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de
bescheiden te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed
hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.
Artikel 458
1. In afwijking van het bepaalde in artikel
457 lid 1 kunnen zonder toestemming van de patiënt ten behoeve van
statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de
volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over de patiënt of
inzage in de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt indien:
a. het vragen van toestemming in
redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering van
het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de persoonlijke
levenssfeer van de patiënt niet onevenredig wordt geschaad, of
b. het vragen van toestemming, gelet op
de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan worden
verlangd en de hulpverlener zorg heeft gedragen dat de gegevens in
zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele
natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen.
2. Verstrekking overeenkomstig lid 1 is
slechts mogelijk indien:
a. het onderzoek een algemeen belang
dient,
b. het onderzoek niet zonder de
desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en
c. voor zover de betrokken patiënt tegen
een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt.
3. Bij een verstrekking overeenkomstig lid 1
wordt daarvan aantekening gehouden in het dossier.
Artikel 459
1. De hulpverlener voert verrichtingen in het
kader van de behandelingsovereenkomst uit buiten de waarneming van anderen
dan de patiënt, tenzij de patiënt ermee heeft ingestemd dat de
verrichtingen kunnen worden waargenomen door anderen. Indien de hulpverlener
apotheker is, is de verplichting, bedoeld in de eerste volzin, niet van
toepassing voor zover het de visuele waarneming door anderen dan de patiënt
betreft.
2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet
begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de uitvoering van
de verrichting noodzakelijk is.
3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen
wier toestemming ter zake van de verrichting op grond van de artikelen 450
en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door verrichtingen te doen
waarnemen niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht
te nemen, laat hij zulks niet toe.
Artikel 460
De hulpverlener kan, behoudens gewichtige
redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen.
Artikel 461
De opdrachtgever is de hulpverlener loon
verschuldigd, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden loon ontvangt
op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde dan wel uit de overeenkomst
anders voortvloeit.
Artikel 462
1. Indien ter uitvoering van een
behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in een ziekenhuis dat
bij die overeenkomst geen partij is, is het ziekenhuis voor een tekortkoming
daarbij mede aansprakelijk, als ware het zelf bij de overeenkomst partij.
2. Onder ziekenhuis als bedoeld in lid 1
worden verstaan een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als ziekenhuis, verpleeginrichting of
zwakzinnigeninrichting toegelaten instelling of afdeling daarvan, een
academisch ziekenhuis alsmede een abortuskliniek in de zin van de Wet
afbreking zwangerschap.
Artikel 463
De aansprakelijkheid van een hulpverlener of,
in het geval bedoeld in artikel 462, van het ziekenhuis, kan niet worden
beperkt of uitgesloten.
Artikel 464
1. Indien in de uitoefening van een
geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een
behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden
verricht, zijn deze afdeling alsmede de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 van
afdeling 1 van deze titel van overeenkomstige toepassing voor zover de aard
van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
2. Betreft het handelingen als omschreven in
artikel 446 lid 4, dan:
a. worden de in artikel 454 bedoelde
bescheiden slechts bewaard zolang dat noodzakelijk is in verband met het
doel van het onderzoek, tenzij het bepaalde bij of krachtens de wet zich
tegen vernietiging verzet;
b. wordt de persoon op wie het onderzoek
betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij de
uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen. Indien
die wens is geuit en de handelingen niet worden verricht in verband met
een tot stand gekomen arbeidsverhouding of burgerrechtelijke verzekering
dan wel een opleiding waartoe de betrokkene reeds is toegelaten, wordt
bedoelde persoon tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij
van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen
teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt
gedaan.
Artikel 465
1. De verplichtingen die voor de hulpverlener
uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien worden, indien de patiënt
de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, door de hulpverlener
nagekomen jegens de ouders die het gezag over de patiënt uitoefenen dan wel
jegens zijn voogd.
2. Hetzelfde geldt indien de patiënt de
leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, maar niet in staat kan worden
geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, tenzij
zodanige patiënt meerderjarig is en onder curatele staat of ten behoeve van
hem het mentorschap is ingesteld, in welke gevallen nakoming jegens de
curator of de mentor geschiedt.
3. Indien een meerderjarige patiënt die niet
in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve van hem niet het
mentorschap is ingesteld, worden de verplichtingen die voor de hulpverlener
uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien, door de hulpverlener
nagekomen jegens de persoon die daartoe door de patiënt schriftelijk is
gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige persoon, of
treedt deze niet op, dan worden de verplichtingen nagekomen jegens de
echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de patiënt,
tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon
ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij deze
persoon dat niet wenst.
4. De hulpverlener komt zijn verplichtingen
na jegens de in de leden 1 en 2 bedoelde wettelijke vertegenwoordigers van
de patiënt en de in lid 3 bedoelde personen, tenzij die nakoming niet
verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener.
5. De persoon jegens wie de hulpverlener
krachtens de leden 2 of 3 gehouden is de uit deze afdeling jegens de
patiënt voortvloeiende verplichtingen na te komen, betracht de zorg van een
goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de patiënt zoveel mogelijk
bij de vervulling van zijn taak te betrekken.
6. Verzet de patiënt zich tegen een
verrichting van ingrijpende aard waarvoor een persoon als bedoeld in de
leden 2 of 3 toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting slechts
worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor
de patiënt te voorkomen.
Artikel 466
1. Is op grond van artikel 465 voor het
uitvoeren van een verrichting uitsluitend de toestemming van een daar
bedoelde persoon in plaats van die van de patiënt vereist, dan kan tot de
verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien de tijd voor het
vragen van die toestemming ontbreekt aangezien onverwijlde uitvoering van de
verrichting kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te
voorkomen.
2. Een volgens de artikelen 450 en 465
vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven, indien de
desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is.
Artikel 467
1. Van het lichaam afgescheiden anonieme
stoffen en delen kunnen worden gebruikt voor medisch statistisch of ander
medisch wetenschappelijk onderzoek voor zover de patiënt van wie het
lichaamsmateriaal afkomstig is, geen bezwaar heeft gemaakt tegen zodanig
onderzoek en het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid wordt verricht.
2. Onder onderzoek met van het lichaam
afgescheiden anonieme stoffen en delen wordt verstaan onderzoek waarbij is
gewaarborgd dat het bij het onderzoek te gebruiken lichaamsmateriaal en de
daaruit te verkrijgen gegevens niet tot de persoon herleidbaar zijn.
Artikel 468
Van de bepalingen van deze afdeling en van de
artikelen 404, 405 lid 2 en 406 kan niet ten nadele van de patiënt worden
afgeweken.
Titel 7A. Reisovereenkomst
Artikel 500
1. In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. reisorganisator: degene die, in de
uitoefening van zijn bedrijf, op eigen naam aan het publiek of aan een
groep personen van te voren georganiseerde reizen aanbiedt;
b. reisovereenkomst: de overeenkomst
waarbij een reisorganisator zich jegens zijn wederpartij verbindt tot
het verschaffen van een door hem aangeboden van te voren georganiseerde
reis die een overnachting of een periode van meer dan 24 uren omvat
alsmede ten minste twee van de volgende diensten:
1°. vervoer,
2°. verblijf,
3°. een andere niet met vervoer of
verblijf verband houdende, toeristische dienst die een significant
deel van de reis uitmaakt;
c. reiziger:
1°. de wederpartij van de
reisorganisator,
2°. degene te wiens behoeve de reis
is bedongen en die dat beding heeft aanvaard, of
3°. degene aan wie overeenkomstig
artikel 506 de rechtsverhouding tot de reisorganisator is
overgedragen.
2. Degene die in de uitoefening van zijn
bedrijf als tussenpersoon optreedt van een niet in Nederland gevestigde
reisorganisator, wordt jegens zijn wederpartij als reisorganisator
aangemerkt.
Artikel 501
1. Indien de reisorganisator een algemeen
verkrijgbare prospectus of andere publikatie uitgeeft, vermeldt hij daarin
de reissom en de andere bij algemene maatregel van bestuur bepaalde
gegevens.
2. Vóór het sluiten van de reisovereenkomst
deelt de reisorganisator de wederpartij schriftelijk of op andere
begrijpelijke en toegankelijke wijze de in het eerste lid bedoelde gegevens
mee, voor zover die gegevens aan de wederpartij nog niet bekend zijn door
verstrekking van de algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie.
3. Het tweede lid is niet van toepassing
indien de reisovereenkomst minder dan 72 uren voor de aanvang van de reis
wordt gesloten.
Artikel 502
1. De reisorganisator verschaft de
wederpartij na het sluiten van de overeenkomst onverwijld een afschrift van
de voorwaarden, voor zover deze niet reeds in de overgelegde bescheiden
besloten liggen.
2. Vóór de aanvang van de reis deelt de
reisorganisator de wederpartij of degene aan wie overeenkomstig artikel 506
de rechtsverhouding tot de reisorganisator is overgedragen schriftelijk of
op andere begrijpelijke en toegankelijke wijze de bij algemene maatregel van
bestuur bepaalde gegevens mee.
Artikel 503
1. De reiziger kan de reisovereenkomst te
allen tijde met onmiddellijke ingang opzeggen.
2. Indien de reiziger opzegt wegens een aan
hem toe te rekenen omstandigheid, vergoedt de reiziger de reisorganisator de
schade die deze tengevolge van de opzegging lijdt. De schadevergoeding
bedraagt ten hoogste eenmaal de reissom.
3. Indien de reiziger opzegt wegens een niet
aan hem toe te rekenen omstandigheid, heeft hij recht op teruggave of
kwijtschelding van de reissom of, indien de reis reeds ten dele is genoten,
een evenredig deel daarvan.
Artikel 504
1. Onverminderd artikel 505, vierde lid, kan
de reisorganisator de reisovereenkomst slechts opzeggen wegens gewichtige,
de reiziger onverwijld meegedeelde omstandigheden.
2. Indien de reisorganisator opzegt wegens
een niet aan de reiziger toe te rekenen omstandigheid, biedt hij deze een
andere reis van gelijke of betere kwaliteit aan. Onverminderd het derde lid
heeft de reiziger die dat aanbod niet aanvaardt, recht op teruggave of
kwijtschelding van de reissom of, indien de reis reeds ten dele is genoten,
een evenredig deel daarvan.
3. In geval van opzegging vergoedt de
reisorganisator de reiziger de door deze geleden vermogensschade en een
bedrag voor het derven van reisgenot, tenzij
a. hij de overeenkomst opzegt omdat het
aantal aanmeldingen kleiner is dan het vereiste minimumaantal en de
reiziger binnen de in de overeenkomst aangegeven termijn schriftelijk
van de opzegging in kennis is gesteld, of
b. de opzegging het gevolg is van
overmacht, waaronder overboeken niet is begrepen. Onder overmacht worden
in deze titel verstaan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die
onafhankelijk zijn van de wil van degene die zich erop beroept en
waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden
vermeden.
Artikel 505
1. De reisorganisator kan bedingen dat hij de
reisovereenkomst op een wezenlijk punt mag wijzigen wegens gewichtige, de
reiziger onverwijld medegedeelde omstandigheden. De reiziger kan de
wijziging afwijzen.
2. Behoudens lid 1 kan de reisorganisator
bedingen dat hij de reisovereenkomst mag wijzigen wegens gewichtige, de
reiziger onverwijld meegedeelde omstandigheden. De reiziger kan de wijziging
slechts afwijzen indien zij hem tot nadeel van meer dan geringe betekenis
strekt.
3. De reisorganisator kan bedingen dat hij
tot twintig dagen voor de aanvang van de reis de reissom mag verhogen in
verband met wijzigingen in de vervoerkosten met inbegrip van
brandstofkosten, de verschuldigde heffingen of de toepasselijke
wisselkoersen. Bij toepassing van dit beding geeft de reisorganisator aan op
welke wijze de verhoging is berekend. De reiziger kan de verhoging afwijzen.
4. Na een afwijzing als in de voorgaande
leden bedoeld, kan de reisorganisator de reisovereenkomst opzeggen. De
reiziger heeft recht op teruggave of kwijtschelding van de reissom of,
indien de reis reeds ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan. Indien
de reisorganisator opzegt na een afwijzing door de reiziger als bedoeld in
de leden 1 en 2 is bovendien artikel 504, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 506
1. Tijdig voor de aanvang van de reis kan de
reiziger zijn rechtsverhouding tot de reisorganisator overdragen aan een
derde die aan alle voorwaarden van de reisovereenkomst voldoet. Een termijn
van zeven dagen voor de aanvang van de reis wordt geacht in ieder geval
tijdig te zijn.
2. De overdracht vindt plaats door een daarop
gerichte overeenkomst met de derde en schriftelijke mededeling daarvan door
de overdragende reiziger aan de reisorganisator. De overdragende reiziger en
de derde zijn hoofdelijk verbonden tot betaling van de reissom en de kosten
in verband met de overdracht.
Artikel 507
1. De reisorganisator is verplicht tot
uitvoering van de reisovereenkomst overeenkomstig de verwachtingen die de
reiziger op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben.
2. Indien de reis niet verloopt
overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de
reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben, is de reisorganisator
verplicht de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming in de nakoming niet
aan hem is toe te rekenen noch aan de persoon van wiens hulp hij bij de
uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, omdat:
a. de tekortkoming in de uitvoering van
de reisovereenkomst is toe te rekenen aan de reiziger;
b. de tekortkoming in de uitvoering van
de reisovereenkomst die niet te voorzien was of kon worden opgeheven, is
toe te rekenen aan een derde die niet bij de levering van de in de reis
begrepen diensten is betrokken; of
c. de tekortkoming in de uitvoering van
de overeenkomst is te wijten aan overmacht als bedoeld in artikel 504
lid 3 onder b dan wel aan een gebeurtenis die de organisator of degene
van wiens hulp hij bij de uitvoering van de reisovereenkomst gebruik
maakt, met inachtneming van alle mogelijke zorgvuldigheid niet kon
voorzien of verhelpen.
3. De reisorganisator is naar gelang van de
omstandigheden verplicht de reiziger hulp en bijstand te verlenen, indien de
reis niet verloopt overeenkomstig de verwachtingen die deze op grond van de
reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben. Indien de oorzaak daarvan aan
de reiziger moet worden toegerekend, is de reisorganisator tot verlening van
hulp en bijstand slechts verplicht voor zover dat redelijkerwijs van hem
gevergd kan worden. De kosten voor de verleende hulp en bijstand komen in
dat geval voor rekening van de reiziger. De kosten voor de verleende hulp en
bijstand komen voor rekening van de reisorganisator, indien de tekortkoming
in de nakoming aan hem of aan de persoon van wiens hulp hij bij de
uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, overeenkomstig het tweede lid
is toe te rekenen.
Artikel 508
1. Tenzij het tweede lid van dit artikel van
toepassing is, kan de reisorganisator zijn aansprakelijkheid voor schade,
veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, niet uitsluiten of
beperken.
2. Indien op een in de reisovereenkomst
begrepen dienst een verdrag van toepassing is, kan de reisorganisator zich
beroepen op een uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid die dat
verdrag aan een dienstverlener als zodanig toekent of toestaat.
Artikel 509
1. De reisorganisator kan zijn
aansprakelijkheid voor schade die uit zijn eigen handelen of nalaten
ontstaat niet beperken of uitsluiten, indien dat handelen of nalaten
geschiedt met het opzet de schade te veroorzaken of het handelen of nalaten
roekeloos geschiedt en met de wetenschap dat de schade daaruit
waarschijnlijk zou voortvloeien.
2. Voor zover de reisorganisator niet zelf de
in de reisovereenkomst begrepen diensten verleent, kan hij zijn
aansprakelijkheid voor andere dan de in artikel 508 bedoelde schade beperken
tot driemaal de reissom.
Artikel 510
Een tekortkoming in de nakoming van een
verbintenis die hem kan worden toegerekend, verplicht de reisorganisator mede
tot vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, voor zover door die
tekortkoming derving van reisgenot is veroorzaakt.
Artikel 511
De vergoeding voor derving van reisgenot als
bedoeld in de artikelen 504, derde lid, en 510 bedraagt ten hoogste eenmaal de
reissom.
Artikel 512
1. De reisorganisator neemt de maatregelen
die nodig zijn om te verzekeren dat, wanneer hij wegens financieel
onvermogen zijn verplichtingen jegens de reiziger niet of niet verder kan
nakomen, wordt zorggedragen hetzij voor overneming van zijn verplichtingen
door een ander hetzij voor terugbetaling van de reissom of, indien de reis
reeds ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan. Indien de reiziger
reeds op de plaats van bestemming is aangekomen dient, voor zover de
reisovereenkomst dat vervoer omvat, in ieder geval te worden zorggedragen
voor de terugreis.
2. De reisorganisator maakt de in het eerste
lid bedoelde maatregelen openbaar door deze te vermelden in de algemeen
verkrijgbare prospectus of andere publikatie, bedoeld in artikel 501, of op
andere begrijpelijke en toegankelijke wijze.
Artikel 513
Van het bij of krachtens deze titel bepaalde
kan ten nadele van de reiziger niet worden afgeweken.
Titel 7b. Betalingstransactie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 514
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. authenticeren: volgen van een procedure
die de betaaldienstverlener in staat stelt het gebruik van het
betaalinstrument te verifiëren, met inbegrip van de gepersonaliseerde
veiligheidskenmerken;
b. automatische afschrijving: betaaldienst
waarbij de betaalrekening van de betaler wordt gedebiteerd en waarbij de
betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van
een door de betaler aan de begunstigde, aan de betaaldienstverlener van de
begunstigde of aan de betaaldienstverlener van de betaler verstrekte
instemming;
c. begunstigde: natuurlijke persoon of
rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een
betalingstransactie betrekking heeft;
d. betaaldienst: bedrijfswerkzaamheid als
bedoeld in de bijlage bij de richtlijn;
e. betaaldienstgebruiker: natuurlijke
persoon of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde
of beide van een betaaldienst gebruik maakt;
f. betaaldienstverlener: dienstverlener als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de richtlijn en natuurlijk persoon
of rechtspersoon waarop een vrijstelling krachtens artikel 2:3d van de Wet
op het financieel toezicht van toepassing is;
g. betaalinstrument: gepersonaliseerd
instrument of gepersonaliseerde instrumenten of het geheel van procedures,
overeengekomen tussen de betaaldienstgebruiker en de betaaldienstverlener,
waarvan de betaaldienstgebruiker gebruik maakt om een betaalopdracht te
initiëren;
h. betaalopdracht: door een betaler of
begunstigde aan zijn betaaldienstverlener gegeven opdracht om een
betalingstransactie uit te voeren;
i. betaalrekening: op naam van een of meer
betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van
betalingstransacties wordt gebruikt;
j. betaler: natuurlijke persoon of
rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een
betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij
ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die een betaalopdracht geeft;
k. betalingstransactie: door de betaler of
de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden
gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende
verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;
l. consument: niet in de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een
betaaldienstverlener een betaaldienst verleent of aan wie deze voornemens
is een betaaldienst te verlenen;
m. duurzame drager: hulpmiddel dat het de
betaaldienstgebruiker mogelijk maakt de aan hem persoonlijk gerichte
informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het
doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en
waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;
ma. elektronischgeldinstelling:
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
n. geldmiddelen: chartaal geld, giraal geld
of elektronisch geld als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
o. raamovereenkomst: overeenkomst die de
uitvoering beheerst van afzonderlijke en opeenvolgende
betalingstransacties en die de verplichtingen en voorwaarden voor de
opening van een betaalrekening kan omvatten;
p. referentierentevoet: rentevoet die als
grondslag wordt gehanteerd voor de berekening van eventueel in rekening te
brengen interesten en die afkomstig is van een bron welke door het publiek
kan worden geraadpleegd en door beide partijen bij een
betaaldienstovereenkomst kan worden geverifieerd;
q. referentiewisselkoers: wisselkoers die
als berekeningsgrondslag wordt gehanteerd bij een valutawissel en die door
de betaaldienstverlener beschikbaar wordt gesteld of afkomstig is van een
bron die door het publiek kan worden geraadpleegd;
r. richtlijn: richtlijn nr. 2007/64/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november
2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (Pb EU L 319);
s. unieke identificator: door de
betaaldienstverlener aan de betaaldienstgebruiker medegedeelde combinatie
van letters, nummers en symbolen, die de betaaldienstgebruiker dient te
verstrekken om de andere bij een betalingstransactie betrokken
betaaldienstgebruiker of zijn betaalrekening ondubbelzinnig te
identificeren;
t. valutadatum: referentietijdstip dat door
een betaaldienstverlener wordt gebruikt voor de berekening van de
interesten op de geldmiddelen waarmee een betaalrekening wordt gedebiteerd
of gecrediteerd;
u. werkdag: dag waarop de relevante
betaaldienstverlener van de betaler of de betaaldienstverlener van de
begunstigde die betrokken is bij de uitvoering van een betalingstransactie
open is voor de daarvoor vereiste werkzaamheden;
Artikel 515
1. Deze titel is van toepassing op eenmalige
betalingstransacties, op raamovereenkomsten en op de daaronder vallende
betalingstransacties.
2. Deze titel is alleen van toepassing op
betaaldiensten die in de Europese Gemeenschap of in staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte worden
uitgevoerd in euro of in de valuta van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap buiten de eurozone of in de valuta van een staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
3. Deze titel is alleen van toepassing indien
zowel de betaaldienstverlener van de betaler als de betaaldienstverlener van
de begunstigde of de enige bij de betalingstransactie betrokken
betaaldienstverlener in de Europese Gemeenschap is gevestigd, met
uitzondering van artikel 541.
4. Deze titel is niet van toepassing op de
betaaldiensten, bedoeld in artikel 1:5a, tweede lid, van de Wet op het
financieel toezicht.
5. Deze titel is niet van toepassing op
betaaldiensten door de Nederlandse instellingen genoemd in artikel 2
Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006
betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen.
Artikel 516
Gedurende de contractuele relatie heeft de
betaaldienstgebruiker te allen tijde het recht de contractuele voorwaarden van
de raamovereenkomst alsmede de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 4:22 van de Wet op het financieel toezicht,
vermelde informatie en voorwaarden op papier of op een andere duurzame drager
te vragen.
Artikel 517
1. Elke wijziging in de raamovereenkomst en
in de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
4:22 van de Wet op het financieel toezicht, vermelde informatie en
voorwaarden wordt uiterlijk twee maanden vóór de datum van de beoogde
inwerkingtreding ervan door de betaaldienstverlener op papier of op een
andere duurzame drager voorgesteld in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen
en in een duidelijke en bevattelijke vorm in een officiële taal van de
lidstaat waar de betaaldienst wordt aangeboden of in een andere taal die
door partijen is overeengekomen.
2. Voor zover een bevoegdheid als hierna
onder a bedoeld overeenkomstig het bij of krachtens voormelde algemene
maatregel van bestuur bepaalde is overeengekomen;
a. deelt de betaaldienstverlener de
betaaldienstgebruiker mee dat hij wordt geacht de wijzigingen, bedoeld
in het eerste lid, te hebben aanvaard, indien hij de
betaaldienstverlener niet vóór de voorgestelde datum van
inwerkingtreding van die wijzigingen ervan in kennis heeft gesteld dat
hij de wijzigingen niet aanvaardt, en
b. vermeldt de betaaldienstverlener
eveneens dat de betaaldienstgebruiker het recht heeft de
raamovereenkomst onmiddellijk kosteloos te beëindigen voor de datum
waarop de voorgestelde wijzigingen van toepassing worden.
3. Wijzigingen in de rentevoet of de
wisselkoers kunnen met onmiddellijke ingang zonder kennisgeving worden
toegepast, mits het recht daartoe in de raamovereenkomst is overeengekomen
en de wijzigingen gebaseerd zijn op de referentierentevoet of
referentiewisselkoers die is overeengekomen overeenkomstig het bij of
krachtens voormelde algemene maatregel van bestuur bepaalde.
4. De betaaldienstgebruiker wordt zo spoedig
mogelijk van elke wijziging in de rentevoet die in zijn nadeel uitvalt, in
kennis gesteld op de wijze als bij of krachtens de voormelde algemene
maatregel van bestuur is bepaald, tenzij door de partijen is overeengekomen
dat de informatie met een specifieke frequentie of op een specifieke wijze
moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld. Wijzigingen in
|