Nadere
regelgeving:
- Besluit fondsen en spaarregelingen
- Besluit huurprijzen woonruimte
- Besluit kleine herstellingen
- Besluit servicekosten
- Pachtprijzenbesluit 2007
- Uitvoeringsbesluit pacht
- Uitvoeringsregeling
huurprijzen woonruimte'
- Uitvoeringsregeling
pacht
Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere
overeenkomsten
Boek 7. Bijzondere overeenkomsten
Titel 1. Koop
en ruil
Afdeling 1. Koop: Algemene bepalingen
Artikel 1
Koop is de overeenkomst waarbij de een zich
verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te
betalen.
Artikel 2
1. De koop van een tot bewoning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een
natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf, schriftelijk aangegaan.
2. De tussen partijen opgemaakte akte of
een afschrift daarvan moet aan de koper ter hand worden gesteld,
desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd
ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de
koper het recht de koop te ontbinden. Komt, nadat de koper van dit recht
gebruik gemaakt heeft, binnen zes maanden tussen dezelfde partijen met
betrekking tot dezelfde zaak of hetzelfde bestanddeel daarvan opnieuw
een koop tot stand, dan ontstaat het recht niet opnieuw.
3. De leden 1–2 zijn van
overeenkomstige toepassing op de koop van deelnemings- of
lidmaatschapsrechten die recht geven op het gebruik van een tot bewoning
bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan.
4. Van het in de leden 1–3 bepaalde kan
niet ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
5. De leden 1–4 zijn niet van
toepassing op huurkoop en koop op een openbare veiling ten overstaan van
een notaris. Zij zijn evenmin van toepassing, wanneer de overeenkomst
tevens voldoet aan de omschrijving van een overeenkomst als bedoeld in
artikel 50a, onderdelen c of f.
Artikel 3
1. De koop van een registergoed kan
worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3, tenzij op het tijdstip van de inschrijving levering
van dat goed door de verkoper nog niet mogelijk zou zijn geweest wegens
de in artikel 97 van Boek 3 vervatte uitsluiting van levering bij
voorbaat van toekomstige registergoederen. Bij de koop van een tot
woning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan kan, indien de
koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, van het in de vorige zin bepaalde niet ten nadele
van de koper worden afgeweken.
2. Gedurende de bedenktijd, bedoeld in
artikel 2 lid 2, kan inschrijving slechts plaatsvinden indien de
koopakte is opgesteld en medeondertekend door een in Nederland
gevestigde notaris.
3. Tegen de koper wiens koop is
ingeschreven kunnen niet worden ingeroepen:
a. een na de inschrijving van die
koop tot stand gekomen vervreemding of bezwaring door de verkoper,
tenzij deze vervreemding of bezwaring voortvloeit uit een eerder
ingeschreven koop of plaatsvond uit hoofde van een recht op levering
dat volgens artikel 298 van Boek 3 ging voor dat van de koper en dat
de koper op het tijdstip van de inschrijving van de koop kende of
ten aanzien waarvan op dat tijdstip het proces-verbaal van een
conservatoir beslag tot levering was ingeschreven;
b. vervreemdingen of bezwaringen die
plaatsvinden als vervolg op de onder a bedoelde vervreemding of
bezwaring door de verkoper;
c. een onderbewindstelling die na de
inschrijving van de koop is tot stand gekomen of die, zo zij tevoren
was tot stand gekomen, toen niet in de openbare registers was
ingeschreven, dit laatste tenzij de koper haar op het tijdstip van
de inschrijving van de koop kende;
d. een na de inschrijving van de koop
tot stand gekomen verhuring of verpachting;
e. een na de inschrijving van de koop
ingeschreven beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6;
f. een executoriaal of conservatoir
beslag waarvan het proces-verbaal na de inschrijving van de koop is
ingeschreven;
g. een faillissement of surséance
van betaling van de verkoper of toepassing ten aanzien van hem van
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, uitgesproken na de
dag waarop de koop is ingeschreven.
4. De inschrijving van de koop verliest
de in lid 3 bedoelde werking met terugwerkende kracht, indien het goed
niet binnen zes maanden na de inschrijving aan de koper geleverd is. In
dat geval wordt bovendien de koop niet geacht kenbaar te zijn door
raadpleging van de openbare registers.
5. Nadat de inschrijving haar werking
heeft verloren, kan gedurende zes maanden geen koop tussen dezelfde
partijen met betrekking tot hetzelfde goed worden ingeschreven.
6. Inschrijving van de koop vindt slechts
plaats indien onder de koopakte een ondertekende en gedateerde
verklaring van een notaris is opgenomen, die zijn naam, voornamen,
standplaats en kwaliteit bevat en waarin verklaard wordt dat de leden 1,
2 en 5 niet aan inschrijving in de weg staan.
7. De leden 1–6 zijn niet van
toepassing op huurkoop.
Artikel 4
Wanneer de koop is gesloten zonder dat de
prijs is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd; bij de
bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de door de verkoper ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen.
Artikel 5
1. In deze titel wordt verstaan onder
"consumentenkoop": de koop met betrekking tot een roerende
zaak, elektriciteit daaronder begrepen, die wordt gesloten door een
verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een
koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf.
2. Wordt de zaak verkocht door een
gevolmachtigde die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf, dan
wordt de koop aangemerkt als een consumentenkoop, tenzij de koper ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst weet dat de volmachtgever niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
3. De vorige leden zijn niet van
toepassing indien de overeenkomst door leidingen naar de verbruiker
aangevoerd water betreft.
4. Indien de te leveren roerende zaak nog
tot stand moet worden gebracht en de overeenkomst krachtens welke deze
zaak moet worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel 750,
dan wordt de overeenkomst mede als een consumentenkoop aangemerkt indien
de overeenkomst wordt gesloten door een aannemer die handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, en een opdrachtgever, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
De bepalingen van deze titel en die van afdeling 1 van titel 12 zijn
naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van
deze titel van toepassing.
Artikel 6
1. Bij een consumentenkoop kan van de
afdelingen 1-7 van deze titel niet ten nadele van de koper worden
afgeweken en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de koper
ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van
de verkoper toekent, niet worden beperkt of uitgesloten.
2. Lid 1 is niet van toepassing op de
artikelen 11, 12, 13, 26 en 35, doch bedingen in algemene voorwaarden
waarbij ten nadele van de koper wordt afgeweken van die artikelen,
worden als onredelijk bezwarend aangemerkt.
3. De toepasselijkheid op de
consumentenkoop van een recht dat de door de richtlijn nr. 99/44/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1999
betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor
consumptiegoederen (PbEG L 171) voorziene bescherming niet of slechts
ten dele biedt, kan er niet toe leiden dat de koper de bescherming
verliest die hem krachtens deze richtlijn wordt geboden door de
dwingende bepalingen van het recht van de lidstaat van de Europese Unie
of de andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 6a
1. Indien in geval van een
consumentenkoop in een garantie door de verkoper of de producent
bepaalde eigenschappen zijn toegezegd, bij het ontbreken waarvan de
koper bepaalde rechten of vorderingen worden toegekend, dan kan de koper
deze uitoefenen onverminderd alle andere rechten of vorderingen die de
wet de koper toekent.
2. In een garantie moet op duidelijke en
begrijpelijke wijze worden vermeld welke in lid 1 bedoelde rechten of
vorderingen een koper worden toegekend en moet worden vermeld dat deze
een koper toekomen onverminderd de rechten of vorderingen die de wet hem
toekent. Voorts moeten in een garantie de naam en het adres worden
vermeld van de verkoper of de producent van wie de garantie afkomstig
is, alsmede de duur en het gebied waarvoor de garantie geldt.
3. De in lid 2 bedoelde gegevens moeten
de koper op zijn verlangen worden verstrekt. Dit geschiedt schriftelijk
of op een andere ter beschikking van de koper staande en voor hem
toegankelijke duurzame gegevensdrager.
4. De aan de koper door de verkoper of de
producent in een garantiebewijs toegekende rechten of vorderingen komen
hem ook toe indien de zaak niet de eigenschappen bezit die in een
reclame door deze verkoper of producent zijn toegezegd.
5. In dit artikel wordt verstaan onder:
garantie: een in een garantiebewijs
of reclame gedane toezegging als bedoeld in lid 1;
producent: de fabrikant van de zaak,
degene die de zaak in de Europese Economische Ruimte invoert,
alsmede een ieder die zich als producent presenteert door zijn naam,
zijn merk of een ander onderscheidingsteken op de zaak aan te
brengen.
Artikel 7
1. Degene aan wie een zaak is toegezonden
en die redelijkerwijze mag aannemen dat deze toezending is geschied ten
einde hem tot een koop te bewegen, is ongeacht enige andersluidende
mededeling van de verzender jegens deze bevoegd de zaak om niet te
behouden, tenzij het hem is toe te rekenen dat de toezending is
geschied.
2. De toezending aan een natuurlijk
persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van
een niet door deze bestelde zaak met het verzoek tot betaling van een
prijs, terugzending of bewaring, is niet toegestaan. Wordt
desalniettemin een zaak toegezonden als bedoeld in de eerste volzin, dan
is het in lid 1 bepaalde omtrent de bevoegdheid, de zaak om niet te
behouden, van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de ontvanger in de gevallen,
bedoeld in de leden 1–2, de zaak terugzendt, komen de kosten hiervan
voor rekening van de verzender.
4. Lid 2 is van overeenkomstige
toepassing op het verrichten ten behoeve van een natuurlijk persoon die
niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet
door deze opgedragen dienst.
Artikel 8
Wordt een nieuw gebouwde of te bouwen
woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, verkocht
en is de koper een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening
van een beroep of bedrijf, dan zijn de artikelen 767 en 768 van
overeenkomstige toepassing. Hiervan kan niet ten nadele van de koper
worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in
artikel 214 van Boek 6.
Afdeling 2. Verplichtingen van de verkoper
Artikel 9
1. De verkoper is verplicht de verkochte
zaak met toebehoren in eigendom over te dragen en af te leveren. Onder
toebehoren zijn de aanwezige titelbewijzen en bescheiden begrepen; voor
zover de verkoper zelf daarbij belang behoudt, is hij slechts verplicht
om aan de koper op diens verlangen en op diens kosten een afschrift of
uittreksel af te geven.
2. Onder aflevering wordt verstaan het
stellen van de zaak in het bezit van de koper.
3. In geval van koop met
eigendomsvoorbehoud wordt onder aflevering verstaan het stellen van de
zaak in de macht van de koper.
Artikel 10
1. De zaak is voor risico van de koper
van de aflevering af, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen.
Derhalve blijft hij de koopprijs verschuldigd, ongeacht tenietgaan of
achteruitgang van de zaak door een oorzaak die niet aan de verkoper kan
worden toegerekend.
2. Hetzelfde geldt van het ogenblik af,
waarop de koper in verzuim is met het verrichten van een handeling
waarmede hij aan de aflevering moet medewerken. Ingeval naar de soort
bepaalde zaken zijn verkocht, doet het verzuim van de koper het risico
eerst op hem overgaan, wanneer de verkoper de voor de uitvoering van de
overeenkomst bestemde zaken heeft aangewezen en de koper daarvan heeft
verwittigd.
3. Indien de koper op goede gronden het
recht op ontbinding van de koop of op vervanging van de zaak inroept,
blijft deze voor risico van de verkoper.
4. Wanneer de zaak na de aflevering voor
risico van de verkoper is gebleven, is het tenietgaan of de
achteruitgang ervan door toedoen van de koper eveneens voor rekening van
de verkoper. De koper moet echter van het ogenblik af dat hij
redelijkerwijs rekening moet houden met het feit dat hij de zaak zal
moeten teruggeven, als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan
zorgen; artikel 78 van Boek 6 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij
de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen
vervoerder, is de zaak pas voor risico van de koper van de bezorging af,
zelfs al was zij reeds eerder afgeleverd in de zin van artikel 9.
Artikel 12
1. Kosten van aflevering, die van weging
en telling daaronder begrepen, komen ten laste van de verkoper.
2. Kosten van afhalen en kosten van een
koopakte en van de overdracht komen ten laste van de koper.
Artikel 13
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij
de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen
vervoerder, kunnen daarvoor slechts kosten worden gevorderd, voor zover
zij bij het sluiten van de overeenkomst door de verkoper afzonderlijk zijn
opgegeven of door de verkoper de gegevens zijn verschaft op grond waarvan
zij door hem worden berekend. Hetzelfde geldt voor kosten, verschuldigd
voor andere werkzaamheden die de verkoper in verband met de koop voor de
koper verricht.
Artikel 14
Van de dag van aflevering af komen de
vruchten toe aan de koper, met dien verstande dat burgerlijke vruchten van
dag tot dag berekend worden.
Artikel 15
1. De verkoper is verplicht de verkochte
zaak in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en
beperkingen, met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft
aanvaard.
2. Ongeacht enig andersluidend beding
staat de verkoper in voor de afwezigheid van lasten en beperkingen die
voortvloeien uit feiten die vatbaar zijn voor inschrijving in de
openbare registers, doch daarin ten tijde van het sluiten van de
overeenkomst niet waren ingeschreven.
Artikel 16
Wanneer tegen de koper een vordering wordt
ingesteld tot uitwinning of tot erkenning van een recht waarmede de zaak
niet belast had mogen zijn, is de verkoper gehouden in het geding te komen
ten einde de belangen van de koper te verdedigen.
Artikel 17
1. De afgeleverde zaak moet aan de
overeenkomst beantwoorden.
2. Een zaak beantwoordt niet aan de
overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de
mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de
eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht
verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit
die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de
aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die
nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is
voorzien.
3. Een andere zaak dan is overeengekomen,
of een zaak van een andere soort, beantwoordt evenmin aan de
overeenkomst. Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal, maat of
gewicht van het overeengekomene afwijkt.
4. Is aan de koper een monster of model
getoond of verstrekt, dan moet de zaak daarmede overeenstemmen, tenzij
het slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt zonder dat de zaak
daaraan behoefde te beantwoorden.
5. De koper kan zich er niet op beroepen
dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs
bekend kon zijn. Ook kan de koper zich er niet op beroepen dat de zaak
niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer dit te wijten is aan
gebreken of ongeschiktheid van grondstoffen afkomstig van de koper,
tenzij de verkoper hem voor deze gebreken of ongeschiktheid had moeten
waarschuwen.
6. Bij koop van een onroerende zaak wordt
vermelding van de oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te
zijn, zonder dat de zaak daaraan behoeft te beantwoorden.
Artikel 18
1. Bij de beoordeling van de vraag of een
op grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst
beantwoordt, gelden mededelingen die door of ten behoeve van een vorige
verkoper van die zaak, handelend in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, omtrent de zaak zijn openbaar gemaakt, als mededelingen van de
verkoper, behoudens voor zover deze een bepaalde mededeling kende noch
behoorde te kennen of deze mededeling uiterlijk ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst op een voor de koper duidelijke wijze is
herroepen, dan wel de koop niet door deze mededeling beïnvloed kan
zijn.
2. Bij een consumentenkoop wordt vermoed
dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord,
indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van
zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de
aard van de afwijking zich daartegen verzet.
3. Indien in geval van een
consumentenkoop de verkoper verplicht is zorg te dragen voor de
installatie van de zaak en deze installatie ondeugdelijk is uitgevoerd,
wordt dit gelijkgesteld aan een gebrek aan overeenstemming van de zaak
aan de overeenkomst. Hetzelfde geldt indien de installatie door de koper
ondeugdelijk is uitgevoerd en dit te wijten is aan de
montagevoorschriften die met de levering van de zaak aan de koper zijn
verstrekt.
Artikel 19
1. In geval van een executoriale verkoop
kan de koper zich er niet op beroepen dat de zaak behept is met een last
of een beperking die er niet op had mogen rusten, of dat deze niet aan
de overeenkomst beantwoordt, tenzij de verkoper dat wist.
2. Hetzelfde geldt indien de verkoop bij
wijze van parate executie plaatsvindt, mits de koper dit wist of had
moeten weten. Bij een consumentenkoop kan de koper zich er echter wel op
beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt.
Afdeling 3. Bijzondere gevolgen van
niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper
Artikel 20
Is de zaak behept met een last of een
beperking die er niet op had mogen rusten, dan kan de koper eisen dat de
last of de beperking wordt opgeheven, mits de verkoper hieraan
redelijkerwijs kan voldoen.
Artikel 21
1. Beantwoordt het afgeleverde niet aan
de overeenkomst, dan kan de koper eisen:
a. aflevering van het ontbrekende;
b. herstel van de afgeleverde zaak,
mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen;
c. vervanging van de afgeleverde
zaak, tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om
dit te rechtvaardigen, dan wel de zaak na het tijdstip dat de koper
redelijkerwijze met ongedaanmaking rekening moet houden, teniet of
achteruit is gegaan doordat hij niet als een zorgvuldig schuldenaar
voor het behoud ervan heeft gezorgd.
2. De kosten van nakoming van de in lid 1
bedoelde verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden
gebracht.
3. De verkoper is verplicht om, mede
gelet op de aard van de zaak en op het bijzondere gebruik van de zaak
dat bij de overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en
zonder ernstige overlast voor de koper, zijn in lid 1 bedoelde
verplichtingen na te komen.
4. Bij een consumentenkoop komt de koper
in afwijking van lid 1 slechts dan geen herstel of vervanging van de
afgeleverde zaak toe indien herstel of vervanging onmogelijk is of van
de verkoper niet gevergd kan worden.
5. Herstel of vervanging kan bij een
consumentenkoop van de verkoper niet gevergd worden indien de kosten
daarvan in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een
ander recht of een andere vordering die de koper toekomt, gelet op de
waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de
mate van afwijking van het overeengekomene en de vraag of de uitoefening
van een ander recht of een andere vordering geen ernstige overlast voor
de koper veroorzaakt.
6. Indien bij een consumentenkoop de
verkoper niet binnen een redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper
schriftelijk is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van de
afgeleverde zaak heeft voldaan, is de koper bevoegd het herstel door een
derde te doen plaatsvinden en de kosten daarvan op de verkoper te
verhalen.
Artikel 22
1. Beantwoordt het afgeleverde niet aan
de overeenkomst, dan heeft bij een consumentenkoop de koper voorts de
bevoegdheid om:
a. de overeenkomst te ontbinden,
tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe
betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt;
b. de prijs te verminderen in
evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene.
2. De in lid 1 bedoelde bevoegdheden
ontstaan pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de
verkoper niet gevergd kunnen worden, danwel de verkoper tekort is
geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3.
3. Voorzover daarvan in deze afdeling
niet is afgeweken zijn op de in lid 1 onder b bedoelde bevoegdheid de
bepalingen van afdeling 5 van titel 5 van Boek 6 omtrent ontbinding van
een overeenkomst van overeenkomstige toepassing.
4. De rechten en bevoegdheden genoemd in
lid 1 en de artikelen 20 en 21 komen de koper toe onverminderd alle
andere rechten en vorderingen.
Artikel 23
1. De koper kan er geen beroep meer op
doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt,
indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit
heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft
gegeven. Blijkt echter aan de zaak een eigenschap te ontbreken die deze
volgens de verkoper bezat, of heeft de afwijking betrekking op feiten
die hij kende of behoorde te kennen doch die hij niet heeft meegedeeld,
dan moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking
geschieden. Bij een consumentenkoop moet de kennisgeving binnen bekwame
tijd na de ontdekking geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een
termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is.
2. Rechtsvorderingen en verweren, gegrond
op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak
niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee
jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Doch de
koper behoudt de bevoegdheid om aan een vordering tot betaling van de
prijs zijn recht op vermindering daarvan of op schadevergoeding tegen te
werpen.
3. De termijn loopt niet zolang de koper
zijn rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.
Artikel 24
1. Indien op grond van een
consumentenkoop een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit
die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft de
koper jegens de verkoper recht op schadevergoeding overeenkomstig de
afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6.
2. Bestaat de tekortkoming in een gebrek
als bedoeld in afdeling 3 van titel 3 van Boek 6, dan is de verkoper
niet aansprakelijk voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij
a. hij het gebrek kende of behoorde
te kennen,
b. hij de afwezigheid van het gebrek
heeft toegezegd of
c. het betreft zaakschade terzake
waarvan krachtens afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 geen recht op
vergoeding bestaat op grond van de in die afdeling geregelde
franchise, onverminderd zijn verweren krachtens de afdelingen 9 en
10 van titel 1 van Boek 6.
3. Indien de verkoper de schade van de
koper vergoedt krachtens lid 2 onder a of b, is de koper verplicht zijn
rechten uit afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 aan de verkoper over te
dragen.
Artikel 25
1. Heeft de koper, in geval van een
tekortkoming als bedoeld in artikel 24, een of meer van zijn rechten ter
zake van die tekortkoming tegen de verkoper uitgeoefend, dan heeft de
verkoper recht op schadevergoeding jegens degene van wie hij de zaak
heeft gekocht, mits ook deze bij die overeenkomst in de uitoefening van
zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld. Kosten ter zake van verweer
worden slechts vergoed voor zover zij in redelijkheid door de verkoper
zijn gemaakt.
2. Van lid 1 kan niet ten nadele van de
verkoper worden afgeweken.
3. Het recht op schadevergoeding
krachtens lid 1 komt de verkoper niet toe indien de afwijking betrekking
heeft op feiten die hij kende of behoorde te kennen, dan wel haar
oorzaak vindt in een omstandigheid die is voorgevallen nadat de zaak aan
hem werd afgeleverd.
4. Indien aan de zaak een eigenschap
ontbreekt die deze volgens de verkoper bezat, is het recht van de
verkoper op schadevergoeding krachtens lid 1 beperkt tot het bedrag
waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij de toezegging niet had
gedaan.
5. Op het verhaal krachtens eerdere
koopovereenkomsten zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.
6. De vorige leden zijn niet van
toepassing voor zover het betreft schade als bedoeld in artikel 24 lid
2.
Afdeling 4. Verplichtingen van de koper
Artikel 26
1. De koper is verplicht de prijs te
betalen.
2. De betaling moet geschieden ten tijde
en ter plaatse van de aflevering. Bij een consumentenkoop kan de koper
tot vooruitbetaling van ten hoogste de helft van de koopprijs worden
verplicht.
3. Is voor de eigendomsoverdracht een
notariële akte vereist, gevolgd door inschrijving daarvan in de daartoe
bestemde openbare registers, dan moet het verschuldigde ten tijde van de
ondertekening van de akte tenminste uit de macht van de koper zijn
gebracht en behoeft het pas na de inschrijving in de macht van de
verkoper te worden gebracht.
4. Bij de koop van een tot bewoning
bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan, kan de koper die een
natuurlijk persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf, niet worden verplicht tot vooruitbetaling van de koopprijs,
behoudens dat kan worden bedongen dat hij ter verzekering van de
nakoming van zijn verplichtingen een bedrag dat niet hoger is dan 10%
van de koopprijs, in depot stort bij een notaris dan wel voor dit bedrag
vervangende zekerheid stelt. Van het in de eerste zin bepaalde kan niet
ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6. Het teveel
betaalde geldt als onverschuldigd betaald.
5. Lid 4 is van overeenkomstige
toepassing op de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht
geven op het gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan.
6. De tweede volzin van lid 2 en de leden
4–5 zijn niet van toepassing, wanneer de overeenkomst tevens voldoet
aan de omschrijving van een overeenkomst als bedoeld in artikel 50a,
onderdelen c, d of f.
Artikel 27
Wanneer de koper gestoord wordt of goede
grond heeft te vrezen dat hij gestoord zal worden door een vordering tot
uitwinning of tot erkenning van een recht op de zaak dat daarop niet had
mogen rusten, kan hij de betaling van de koopprijs opschorten, tenzij de
verkoper voldoende zekerheid stelt om het nadeel te dekken dat de koper
dreigt te lijden.
Artikel 28
Bij een consumentenkoop verjaart de
rechtsvordering tot betaling van de koopprijs door verloop van twee jaren.
Artikel 29
1. Heeft de koper de zaak ontvangen doch
is hij voornemens deze te weigeren, dan moet hij als een zorgvuldig
schuldenaar voor het behoud ervan zorgen; hij heeft op de zaak een
retentierecht totdat hij door de verkoper voor de door hem in
redelijkheid gemaakte kosten schadeloos is gesteld.
2. De koper die voornemens is een aan hem
verzonden en op de plaats van bestemming te zijner beschikking gestelde
zaak te weigeren, moet, zo dit geen betaling van de koopprijs en geen
ernstige bezwaren of onredelijke kosten meebrengt, deze in ontvangst
nemen, tenzij de verkoper op de plaats van bestemming aanwezig is of
iemand aldaar bevoegd is zich voor zijn rekening met de zorg voor de
zaak te belasten.
Artikel 30
Wanneer in de gevallen, in artikel 29
voorzien, de zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of
wanneer de bewaring daarvan ernstige bezwaren of onredelijke kosten zou
meebrengen, is de koper verplicht de zaak op een geschikte wijze te doen
verkopen.
Afdeling 5. Bijzondere gevolgen van verzuim
van de koper
Artikel 31
Indien de overeenkomst aan de koper de
bevoegdheid geeft door aanwijzing van maat of vorm of op andere wijze de
zaak te specificeren en hij daarmede in verzuim is, kan de verkoper
daartoe zelf overgaan, met inachtneming van de hem bekende behoeften van
de koper.
Artikel 32
Ingeval de koper met de inontvangstneming
in verzuim is, vindt artikel 30 overeenkomstige toepassing.
Afdeling 6. Bijzondere gevallen van
ontbinding
Artikel 33
Indien de aflevering van een roerende zaak
op een bepaalde dag essentieel is en op die dag de koper niet in ontvangst
neemt, levert zulks een grond op tot ontbinding als bedoeld in artikel 265
van Boek 6.
Artikel 34
De verkoper kan de koop door een
schriftelijke verklaring ontbinden, indien het achterwege blijven van
inontvangstneming hem goede grond geeft te vrezen dat de prijs niet zal
worden betaald.
Artikel 35
1. Indien de verkoper bij een
consumentenkoop krachtens een bij die overeenkomst gemaakt beding de
koopprijs na het sluiten van de koop verhoogt, is de koper bevoegd de
koop door een schriftelijke verklaring te ontbinden, tenzij bedongen is
dat de aflevering langer dan drie maanden na de koop zal plaatsvinden.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt
onder koopprijs begrepen het bedrag dat bij het sluiten van de
overeenkomst onder voorbehoud van prijswijziging voorlopig als koopprijs
is opgegeven.
Afdeling 7. Schadevergoeding
Artikel 36
1. In geval van ontbinding van de koop
is, wanneer de zaak een dagprijs heeft, de schadevergoeding gelijk aan
het verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de dagprijs
ten dage van de niet-nakoming.
2. Voor de berekening van deze
schadevergoeding is de in aanmerking te nemen dagprijs die van de markt
waar de koop plaatsvond, of, indien er geen dergelijke dagprijs is of
deze bezwaarlijk zou kunnen worden toegepast, de prijs van de markt die
deze redelijkerwijs kan vervangen; hierbij wordt rekening gehouden met
verschillen in de kosten van vervoer van de zaak.
Artikel 37
Heeft de koper of de verkoper een
dekkingskoop gesloten en is hij daarbij redelijk te werk gegaan, dan komt
hem het verschil toe tussen de overeengekomen prijs en die van de
dekkingskoop.
Artikel 38
De bepalingen van de twee voorgaande
artikelen sluiten het recht op een hogere schadevergoeding niet uit
ingeval meer schade is geleden.
Afdeling 8. Recht van reclame
Artikel 39
1. De verkoper van een roerende, aan de
koper afgeleverde zaak die niet een registergoed is, kan, indien de
prijs niet betaald is en in verband daarmee aan de vereisten voor een
ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek 6 is voldaan, de zaak
door een tot de koper gerichte schriftelijke verklaring terugvorderen.
Door deze verklaring wordt de koop ontbonden en eindigt het recht van de
koper of zijn rechtsverkrijger; de artikelen 271, 273, 275 en 276 van
Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Is slechts de prijs van een bepaald
deel van het afgeleverde niet betaald, dan kan de verkoper slechts dat
deel terugvorderen. Is ten aanzien van het geheel een deel van de prijs
niet betaald, dan kan de verkoper een daaraan evenredig deel van het
afgeleverde terugvorderen indien het afgeleverde voor een zodanige
verdeling vatbaar is. In beide gevallen wordt de koop slechts voor het
teruggevorderde deel van het afgeleverde ontbonden.
3. In alle andere gevallen van
gedeeltelijke betaling van de prijs kan de verkoper slechts het
afgeleverde in zijn geheel terugvorderen tegen teruggave van het reeds
betaalde.
Artikel 40
1. Is de koper in staat van faillissement
verklaard of is aan hem surséance van betaling verleend, dan heeft de
terugvordering geen gevolg, indien door de curator, onderscheidenlijk
door de koper en de bewindvoerder, binnen een hun daartoe door de
verkoper bij diens verklaring te stellen redelijke termijn de koopprijs
wordt betaald of voor deze betaling zekerheid wordt gesteld.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien ten aanzien van de koper de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij de
koopovereenkomst tot stand is gekomen na de uitspraak tot de toepassing
van de schuldsaneringsregeling.
Artikel 41
De bevoegdheid tot terugvordering kan
slechts worden uitgeoefend voor zover het afgeleverde zich nog in dezelfde
staat bevindt als waarin het werd afgeleverd.
Artikel 42
1. Tenzij de zaak in handen van de koper
is gebleven, vervalt de bevoegdheid tot terugvordering wanneer de zaak
overeenkomstig artikel 90 lid 1 of artikel 91 van Boek 3 anders dan om
niet is overgedragen aan een derde die redelijkerwijs niet behoefde te
verwachten dat het recht zou worden uitgeoefend.
2. Is de zaak na de aflevering anders dan
om niet in vruchtgebruik gegeven of verpand, dan is lid 1 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
De verkoper kan zijn in artikel 39
omschreven bevoegdheid niet uitoefenen, indien de koper voor de volle
koopprijs handelspapier heeft geaccepteerd.
Bij acceptatie voor een gedeelte van de
prijs kan de verkoper die bevoegdheid slechts uitoefenen, indien hij ten
behoeve van de koper zekerheid stelt voor de vergoeding van hetgeen de
koper uit hoofde van zijn acceptatie zou moeten betalen.
Artikel 44
De in artikel 39 omschreven bevoegdheid van
de verkoper vervalt, wanneer zowel zes weken zijn verstreken nadat de
vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden, als zestig
dagen, te rekenen van de dag waarop de zaak onder de koper of onder iemand
van zijnentwege is opgeslagen.
Afdeling 9. Koop op proef
Artikel 45
1. Koop op proef wordt geacht te zijn
gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de zaak de koper voldoet.
2. Laat deze een termijn, voldoende om de
zaak te beoordelen, voorbijgaan zonder de verkoper van zijn beslissing
in kennis te stellen, dan kan hij de zaak niet meer weigeren.
Artikel 46
Zolang de koop niet definitief is, is de
zaak voor risico van de verkoper.
Afdeling 9A. Overeenkomsten op afstand
Artikel 46a
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overeenkomst op afstand: de
overeenkomst waarbij, in het kader van een door de verkoper of
dienstverlener georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening
op afstand, tot en met het sluiten van de overeenkomst uitsluitend
gebruik wordt gemaakt van één of meer technieken voor communicatie
op afstand;
b. koop op afstand: de overeenkomst op
afstand die een consumentenkoop is;
c. overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten: de tot het verrichten van diensten strekkende
overeenkomst op afstand tussen een dienstverlener die handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
d. financiële dienst: iedere dienst
van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking,
verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen;
e. techniek voor communicatie op
afstand: een middel dat zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid
van partijen kan worden gebruikt voor het sluiten van de overeenkomst
op afstand;
f. communicatietechniekexploitant: een
natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het
ter beschikking stellen van één of meer technieken voor communicatie
op afstand aan verkopers of dienstverleners;
g. richtlijn nr. 97/7/EG: richtlijn nr.
97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand
gesloten overeenkomsten (PbEG L 144);
h. richtlijn nr. 2002/65/EG: richtlijn
nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van
financiële diensten aan consumenten (PbEG L 271).
Artikel 46b
1. Artikel 5 lid 3 is niet van toepassing
op koop op afstand.
2. Deze afdeling is niet van toepassing
op de koop op afstand:
a. die wordt gesloten met
gebruikmaking van distributieautomaten of geautomatiseerde
handelsruimten;
b. op een veiling.
3. De artikelen 46c-46e en 46f lid 1 zijn
niet van toepassing op de koop op afstand van hoofdzakelijk
levensmiddelen die worden afgeleverd aan de koper op diens woon- of
verblijfplaats of werkplek door frequent en op gezette tijden
langskomende bezorgers.
Artikel 46c
1. Tijdig voordat de koop op afstand
wordt gesloten, moeten aan de wederpartij met alle aan de gebruikte
techniek voor communicatie op afstand aangepaste middelen en op
duidelijke en begrijpelijke wijze, de volgende gegevens worden
verstrekt, waarvan het commerciële oogmerk ondubbelzinnig moet blijken:
a. de identiteit en, indien de koop
op afstand verplicht tot vooruitbetaling van de prijs of een
gedeelte daarvan, het adres van de verkoper;
b. de belangrijkste kenmerken van de
zaak;
c. de prijs, met inbegrip van alle
belastingen, van de zaak;
d. voor zover van toepassing: de
kosten van aflevering;
e. de wijze van betaling, aflevering
of uitvoering van de koop op afstand;
f. het al dan niet van toepassing
zijn van de mogelijkheid van ontbinding overeenkomstig de artikelen
46d lid 1 en 46e;
g. indien de kosten van het gebruik
van de techniek voor communicatie op afstand worden berekend op een
andere grondslag dan het basistarief: de hoogte van het geldende
tarief;
h. de termijn voor de aanvaarding van
het aanbod, dan wel de termijn voor het gestand doen van de prijs;
i. voor zover van toepassing, in
geval van een koop op afstand die strekt tot voortdurende of
periodieke aflevering van zaken: de minimale duur van de
overeenkomst.
2. Tijdig bij de nakoming van de koop op
afstand en, voor zover het niet aan derden af te leveren zaken betreft,
uiterlijk bij de aflevering, moeten aan de koper op duidelijke en
begrijpelijke wijze schriftelijk of, voor zover het de in de onderdelen
a en c-e bedoelde gegevens betreft, op een andere te zijner beschikking
staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager, de volgende
gegevens worden verstrekt, behoudens voor zover zulks reeds is geschied
voordat de koop op afstand werd gesloten:
a. de gegevens, bedoeld in de
onderdelen a-f van lid 1;
b. de vereisten voor de gebruikmaking
van het recht tot ontbinding overeenkomstig de artikelen 46d lid 1
en 46e lid 2;
c. het bezoekadres van de vestiging
van de verkoper waar de koper een klacht kan indienen;
d. voor zover van toepassing:
gegevens omtrent de garantie en omtrent in het kader van de koop op
afstand aangeboden diensten;
e. indien de koop op afstand een duur
heeft van meer dan een jaar dan wel een onbepaalde duur: de
vereisten voor opzegging van de overeenkomst.
Artikel 46d
1. Gedurende zeven werkdagen na de
ontvangst van de zaak heeft de koper het recht de koop op afstand zonder
opgave van redenen te ontbinden. Indien niet is voldaan aan alle in
artikel 46c lid 2 gestelde eisen, bedraagt deze termijn drie maanden. De
eerste zin is van overeenkomstige toepassing vanaf de voldoening binnen
de in de tweede zin bedoelde termijn aan alle in artikel 46c lid 2
gestelde eisen.
2. In geval van ontbinding overeenkomstig
lid 1 kan de verkoper, behoudens ten hoogste de rechtstreekse kosten van
het terugzenden van de zaak, aan de koper geen vergoeding in rekening
brengen.
3. In geval van ontbinding overeenkomstig
lid 1 heeft de koper recht op kosteloze teruggave van het door hem aan
de verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en in ieder
geval binnen dertig dagen na de ontbinding plaatsvinden.
4. De leden 1–3 zijn niet van
toepassing op de koop op afstand:
a. van zaken waarvan de prijs
gebonden is aan de schommelingen op de financiële markt, waarop de
verkoper geen invloed heeft;
b. van zaken die:
1°. zijn tot stand gebracht
overeenkomstig specificaties van de koper;
2°. duidelijk persoonlijk van
aard zijn;
3°. door hun aard niet kunnen
worden teruggezonden;
4°. snel kunnen bederven of
verouderen;
c. van audio- en video-opnamen en
computerprogrammatuur, indien de koper hun verzegeling heeft
verbroken;
d. van kranten en tijdschriften.
Artikel 46e
1. Ontbinding van de koop op afstand
overeenkomstig artikel 46d lid 1 brengt van rechtswege en zonder dat de
koper een boete is verschuldigd de ontbinding mee van een overeenkomst
die ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten behoeve van de
voldoening van de prijs een geldsom leent.
2. In geval van ontbinding van de koop op
afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 heeft de koper tevens het recht
een ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een derde aangegane
overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de koper ten behoeve van
de voldoening van de prijs een geldsom leent, zonder boete te ontbinden.
Artikel 46f
1. Het verzuim van de verkoper treedt
zonder ingebrekestelling in, wanneer de koop op afstand niet uiterlijk
binnen dertig dagen, te rekenen van de dag waarop de koper zijn
bestelling bij de verkoper heeft gedaan, is nagekomen, behalve voor
zover de vertraging de verkoper niet kan worden toegerekend of nakoming
reeds blijvend onmogelijk is.
2. Indien nakoming onmogelijk is doordat
de gekochte zaak niet beschikbaar is, moet de koper daarvan zo spoedig
mogelijk worden kennis gegeven en heeft hij recht op kosteloze teruggave
van het door hem aan de verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig
mogelijk en in ieder geval binnen dertig dagen na de kennisgeving
plaatsvinden.
3. Indien in het in lid 2 bedoelde geval
de verkoper krachtens een voor dan wel bij het sluiten van de koop op
afstand gemaakt beding de bevoegdheid heeft, een zaak van gelijke
kwaliteit en prijs te geven, komen de kosten van het terugzenden van de
zaak in geval van ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig
artikel 46d lid 1 ten laste van de verkoper. De koper moet daarvan op
duidelijke en begrijpelijke wijze worden kennis gegeven.
Artikel 46g [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 46h
1. Aan een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf moeten bij het
gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter
bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan het begin
van elk gesprek duidelijk de identiteit van de verkoper, alsmede het
commerciële oogmerk van de oproep worden medegedeeld.
2. Het gebruik van automatische
oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen en elektronische
berichten voor het overbrengen van ongevraagde communicatie, ter
bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een
natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, is uitsluitend toegestaan, indien de desbetreffende persoon
daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend onverminderd hetgeen is
bepaald in lid 3.
3. Een ieder die elektronische
contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het
kader van de verkoop van een zaak mag deze gegevens gebruiken voor het
overbrengen van communicatie ter bevordering van de totstandkoming van
een koop op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige zaken, mits
bij de verkrijging van de contactgegevens aan de klant duidelijk en
uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke
wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische
contactgegevens, en, indien de klant hiervan geen gebruik heeft gemaakt,
hem bij elke overgebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om
onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verder
gebruik van zijn elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid,
van de Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij het gebruik van elektronische
berichten ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand
dienen te allen tijde de volgende gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van
degene namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer
waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke
communicatie kan richten.
5. Het gebruik van andere dan de in lid 2
genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het overbrengen
van ongevraagde communicatie of het doen van ongevraagde mededelingen,
ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een
natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, is toegestaan, tenzij de desbetreffende persoon te kennen heeft
gegeven dat hij communicatie of mededelingen waarbij van deze technieken
gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen.
6. Degene die ongevraagd communicatie
overbrengt of mededelingen doet ter bevordering van de totstandkoming
van een koop op afstand, neemt passende maatregelen om ten minste
eenmaal per jaar de personen, bedoeld in lid 5, bekend te maken met de
mogelijkheden tot het doen van een kennisgeving als bedoeld in lid 5. De
bekendmaking kan via een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of
op een andere geschikte wijze plaatsvinden.
7. Aan de maatregelen, bedoeld in de
leden 2 en 5, zijn voor de in die leden bedoelde personen geen kosten
verbonden.
Artikel 46i
1. De artikelen 46b lid 2, 46c, 46d leden
1–3 en 4, onderdeel a, 46e en 46f leden 1 en 2 zijn van
overeenkomstige toepassing op de overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten die niet een financiële dienst zijn. De
artikelen 46g–46h zijn van overeenkomstige toepassing op
overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten.
2. In afwijking van lid 1 zijn de in dat
lid genoemde artikelen niet van toepassing op de overeenkomst op
afstand:
a. tot het verrichten van diensten,
die wordt gesloten met een telecommunicatie-exploitant door
gebruikmaking van een openbare telefoon;
b. tot aanneming van werk die strekt
tot de bouw van een onroerende zaak.
3. In afwijking van lid 1 zijn de
artikelen 46c-46e en 46f lid 1 niet van toepassing op de overeenkomst op
afstand tot het verrichten van diensten die logies, vervoer, het
restaurantbedrijf of vrijetijdsbesteding betreft, indien de
dienstverlener zich er bij het sluiten van de overeenkomst toe
verplicht, deze diensten te verrichten op een bepaalde datum of tijdens
een bepaalde periode.
4. In afwijking van lid 1 is artikel 46c
lid 2 niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten die in één keer worden verricht met behulp van
een techniek voor communicatie op afstand en die in rekening worden
gebracht door de communicatietechniekexploitant. Desalniettemin moet aan
de wederpartij steeds het bezoekadres van de vestiging van de
dienstverlener waar de wederpartij een klacht kan indienen, worden
medegedeeld.
5. In afwijking van lid 1 is artikel 46d
niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van
diensten:
a. waarvan de nakoming met instemming
van de wederpartij is begonnen voordat de in artikel 46d lid 1,
eerste en derde volzin, bedoelde termijn is verstreken;
b. betreffende weddenschappen en
loterijen.
6. In geval van een overeenkomst op
afstand tot het verrichten van diensten lopen de in artikel 46d lid 1,
eerste en tweede volzin, bedoelde termijnen vanaf het sluiten van de
overeenkomst.
7. Een beding in een overeenkomst op
afstand tot het verrichten van financiële diensten dat de wederpartij
belast met het bewijs ter zake van de naleving van de verplichtingen die
krachtensrichtlijn nr. 2002/65/EG op de dienstverlener rusten, is
vernietigbaar.
Artikel 46j
1. Van deze afdeling kan niet ten nadele
van de koper dan wel de wederpartij worden afgeweken.
2. Lid 1 is niet van toepassing op
artikel 46f lid 1.
3. De toepasselijkheid op de overeenkomst
van een recht dat de door richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk
richtlijn nr. 2002/65/EG voorziene bescherming niet of slechts ten dele
biedt, kan er niet toe leiden dat de koper dan wel de wederpartij de
bescherming verliest die hem krachtens richtlijn nr. 97/7/EG
respectievelijk richtlijn nr. 2002/65/EG wordt geboden door de dwingende
bepalingen van het recht van de lid-staat van de Europese Unie of de
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
Afdeling 10. Koop van vermogensrechten
Artikel 47
Een koop kan ook op een vermogensrecht
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van de vorige
afdelingen van toepassing voor zover dit in overeenstemming is met de aard
van het recht.
Artikel 48
1. Hij die een nalatenschap verkoopt
zonder de goederen daarvan stuk voor stuk op te geven, is slechts
gehouden voor zijn hoedanigheid van erfgenaam in te staan.
2. Heeft de verkoper reeds vruchten
genoten, een tot de nalatenschap behorende vordering geïnd of goederen
uit de nalatenschap vervreemd, dan moet hij die aan de koper vergoeden.
3. De koper moet aan de verkoper
vergoeden hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap
heeft betaald en hem voldoen hetgeen hij als schuldeiser van de
nalatenschap te vorderen had.
Afdeling 10A [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48a [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48b [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48c [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48d [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48e [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48f [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 48g [Vervallen per 23-02-2011]
Afdeling 12. Ruil
Artikel 49
Ruil is de overeenkomst waarbij partijen
zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te
geven.
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij wordt
beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als
koper voor die welke haar toekomt.
Titel 1a. Overeenkomsten betreffende het
gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, bijstand en
uitwisseling
Artikel 50a
In deze titel wordt verstaan onder:
a. consument: een natuurlijk persoon
die niet handelt in de uitoefening van zijn handels-, bedrijfs-,
ambachts- of beroepsactiviteit;
b. handelaar: een natuurlijk persoon of
rechtspersoon die handelt voor doeleinden die betrekking hebben op
zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, alsmede
degene die in naam van of ten behoeve van hem optreedt;
c. overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd: een overeenkomst met een duur van meer dan een jaar, met
inbegrip van elke bepaling die een verlenging mogelijk maakt, op grond
waarvan een consument tegen vergoeding het recht krijgt om één of
meer overnachtingsaccommodaties voor meer dan één verblijfsperiode
te gebruiken;
d. overeenkomst betreffende een
vakantieproduct van lange duur: een overeenkomst met een duur van meer
dan een jaar, met inbegrip van elke bepaling die een verlenging
mogelijk maakt, op grond waarvan een consument tegen vergoeding
hoofdzakelijk het recht krijgt op kortingen op of andere voordelen
inzake accommodatie, al dan niet samen met reizen of andere diensten;
e. overeenkomst van bijstand bij
verhandelen: een overeenkomst op grond waarvan een handelaar een
consument tegen vergoeding bijstaat om een recht van gebruik in
deeltijd of een vakantieproduct van lange duur over te nemen of over
te dragen;
f. uitwisselingsovereenkomst: een
overeenkomst op grond waarvan een consument tegen vergoeding toetreedt
tot een uitwisselingsysteem waarbij hem in ruil voor het tijdelijk
beschikbaar stellen van zijn recht van gebruik in deeltijd, toegang
tot overnachtingsaccommodatie of andere diensten wordt geboden;
g. aanvullende overeenkomst: een
overeenkomst op grond waarvan de consument diensten geniet die
betrekking hebben op een overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd
of een overeenkomst betreffende een vakantieproduct van lange duur, en
die worden verleend door de handelaar of door een derde op grond van
een overeenkomst tussen deze derde en de handelaar;
h. duurzame gegevensdrager: een
hulpmiddel dat de consument dan wel de handelaar in staat stelt om
persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die
deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende
een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan
dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen
informatie mogelijk maakt;
i. richtlijn: Richtlijn nr. 2008/122/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende
de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten
van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten
van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PbEU L 33/10).
Artikel 50b
1. De handelaar verstrekt aan de
consument geruime tijd voordat hij door een overeenkomst betreffende
gebruik in deeltijd wordt gebonden kosteloos en op duidelijke en
begrijpelijke wijze nauwkeurige en toereikende informatie overeenkomstig
het in bijlage I bij de richtlijn opgenomen model. De informatie wordt
verstrekt op een duurzame gegevensdrager die voor de consument
gemakkelijk toegankelijk is.
2. De in het vorige lid bedoelde
informatie wordt opgesteld in een door de consument te kiezen taal van
de staat waar hij woont of waarvan hij de nationaliteit heeft, mits dit
een officiële taal is van de Europese Unie of van een van de staten die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
3. In reclame voor een overeenkomst
betreffende gebruik in deeltijd wordt meegedeeld dat en waar de in lid 1
bedoelde informatie verkrijgbaar is.
4. Wordt tijdens een promotie- of
verkoopevenement aan een consument een aanbod gedaan tot het aangaan van
een overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd, dan vermeldt de
handelaar in de uitnodiging voor dat evenement duidelijk de commerciële
aard en bedoeling daarvan.
5. De handelaar zorgt ervoor dat tijdens
een promotie- of verkoopevenement de in lid 1 bedoelde informatie
voortdurend voor de consument beschikbaar is.
6. De overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt niet als investering aangeduid of aangeboden.
7. Een handelaar die in strijd handelt
met dit artikel verricht een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in
artikel 193b van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 50c
1. De overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt schriftelijk, op een duurzame gegevensdrager, aangegaan
en wordt door partijen ondertekend.
2. De overeenkomst betreffende gebruik in
deeltijd wordt opgesteld in een door de consument te kiezen taal van de
staat waar hij woont of waarvan hij de nationaliteit heeft, mits dit een
officiële taal is van de Europese Unie of van een van de staten die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
3. De overeenkomst bevat ten minste:
a. de identiteit en de verblijfplaats
van de partijen en
b. de datum en de plaats van sluiting
van de overeenkomst.
4. De inartikel 50b lid 1 bedoelde
informatie vormt een integraal deel van de overeenkomst betreffende
gebruik in deeltijd en wordt niet gewijzigd, tenzij de partijen
uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen of de wijzigingen het gevolg
zijn van ongewone en onvoorzienbare omstandigheden buiten de macht van
de handelaar en waarvan hij de gevolgen niet kan vermijden, zelfs als
alle zorg zou zijn betracht.
5. De in het vorige lid bedoelde
wijzigingen worden uitdrukkelijk in de overeenkomst vermeld en, voordat
de overeenkomst wordt gesloten, aan de consument medegedeeld op een
duurzame gegevensdrager die voor hem gemakkelijk toegankelijk is.
6. In de overeenkomst betreffende gebruik
in deeltijd wordt een afzonderlijk standaardformulier voor ontbinding
van de overeenkomst opgenomen overeenkomstig bijlage V bij de richtlijn.
7. De handelaar wijst, voordat de
overeenkomst betreffende gebruik in deeltijd wordt gesloten, de
consument uitdrukkelijk op het bestaan van het recht van ontbinding van
de overeenkomst, de termijn waarbinnen dit recht kan worden uitgeoefend
en het verbod van vooruitbetalingen tijdens deze termijn. De bepalingen
van de overeenkomst die hierop betrekking hebben, worden door de
consument afzonderlijk ondertekend.
8. De in het eerste lid bedoelde
overeenkomst of een afschrift daarvan wordt de consument bij het sluiten
van de overeenkomst ter hand gesteld.
Artikel 50d
1. De consument kan de overeenkomst
betreffende gebruik in deeltijd zonder opgave van redenen kosteloos
ontbinden gedurende veertien dagen vanaf:
a. de dag van de sluiting van de
overeenkomst of voorovereenkomst, of
b. de dag waarop de consument een
afschrift van de overeenkomst of voorovereenkomst ontvangt, als deze
dag later valt dan de onder a bedoelde dag.
2. Indien niet aan de in artikel 50b lid
1 gestelde eisen is voldaan, wordt de in het vorige lid bedoelde termijn
verlengd met de tijd die is verstreken vanaf het tijdstip, bedoeld in
het vorige lid, onderdeel a respectievelijk b, tot het moment waarop
alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de
consument zijn verstrekt, doch ten hoogste met drie maanden.
3. Indien in de overeenkomst betreffende
gebruik in deeltijd het in artikel 50c lid 6 bedoelde, door de handelaar
ingevulde, standaardformulier ontbreekt, wordt de in lid 1 bedoelde
termijn verlengd met de tijd die is verstreken vanaf het tijdstip,
bedoeld in lid 1 onderdelen a respectievelijk b, tot het moment waarop
alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de
consument zijn verstrekt, doch ten hoogste met een jaar.
4. De consument oefent het in lid 1
bedoelde recht uit door binnen de gestelde termijn een daartoe
strekkende schriftelijke verklaring, op een duurzame gegevensdrager, te
zenden aan de handelaar.
Artikel 50e
1. In geval van ontbinding overeenkomstig
artikel 50d worden de consument geen kosten gerekend, noch wordt hij
aansprakelijk gesteld voor diensten die hem voor de ontbinding kunnen
zijn geleverd.
2. Ontbinding overeenkomstig artikel 50d
brengt van rechtswege en zonder kosten voor de consument de ontbinding
mee van:
a. aan de overeenkomst betreffende
gebruik in deeltijd gekoppelde uitwisselingsovereenkomsten,
b. andere aanvullende overeenkomsten,
en
c. een overeenkomst die ertoe strekt
dat de handelaar, of een derde op grond van een regeling tussen die
derde en de handelaar, aan de consument ten behoeve van de
voldoening van de prijs of een gedeelte daarvan een krediet heeft
verleend.
Artikel 50f
1. De consument wordt gedurende de
termijn waarbinnen hij het in artikel 50d lid 1 bedoelde recht van
ontbinding kan uitoefenen, niet verzocht om of verplicht tot:
a. vooruitbetaling;
b. de verstrekking van garanties;
c. de reservering van geld op
rekeningen;
d. schuldbekentenissen, of
e. betaling van enige andere
vergoeding.
2. Binnen de in het vorige lid genoemde
termijn gedane vooruitbetalingen gelden als onverschuldigd betaald.
Artikel 50g
1. Op de overeenkomst betreffende een
vakantieproduct van lange duur zijn deartikelen 50a tot en met 50f van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de informatie,
bedoeld in artikel 50b, wordt verstrekt overeenkomstig het in bijlage II
bij de richtlijn opgenomen model.
2. De prijs van de overeenkomst
betreffende een vakantieproduct van lange duur, met inbegrip van de
eventuele ledencontributie, wordt voldaan in gelijke jaarlijkse
termijnen. Elke andere betaling geldt als onverschuldigd.
3. De handelaar zendt de consument ten
minste veertien dagen voor elke vervaldag van een betalingstermijn
schriftelijk, op een duurzame gegevensdrager, een verzoek om betaling.
4. De consument kan vanaf de tweede
betalingstermijn de overeenkomst opzeggen zonder dat hij een boete
verschuldigd is door binnen veertien dagen na ontvangst van het
betalingsverzoek, bedoeld in het vorige lid, een daartoe strekkende
verklaring te zenden aan de handelaar.
Artikel 50h
Op de overeenkomst van bijstand bij
verhandelen en de uitwisselingsovereenkomst zijn artikel 50b, leden 1 tot
en met 5 alsmede lid 7, en de artikelen 50c, 50d, 50e lid 1 en lid 2,
aanhef en onderdeel c, alsmede artikel 50f van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat:
a. ten aanzien van de overeenkomst van
bijstand bij verhandelen:
1°. de informatie, bedoeld in
artikel 50b, wordt verstrekt overeenkomstig het in bijlage III bij
de richtlijn opgenomen model; en
2°. artikel 50ftoepassing vindt
tot de overdracht of overname heeft plaatsgevonden of de
overeenkomst op andere wijze wordt beëindigd;
b. ten aanzien van
uitwisselingsovereenkomst:
1°. de informatie, bedoeld in
artikel 50b, wordt verstrekt overeenkomstig het in bijlage IV bij
de richtlijn opgenomen model; en
2°. als de overeenkomst wordt
aangeboden samen met en op hetzelfde tijdstip als een overeenkomst
betreffende gebruik in deeltijd, slechts een enkele termijn voor
ontbinding als bedoeld in artikel 50d lid 1 geldt, waarbij de
termijn voor beide overeenkomsten wordt berekend overeenkomstig
lid 1 van dat artikel.
Artikel 50i
1. Op de termijnen genoemd in deze titel
is Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 (PbEG L 124) van de Raad van 3
juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op
termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden van overeenkomstige
toepassing.
2. Van deze titel kan niet ten nadele van
de consument worden afgeweken.
3. Is het toepasselijke recht op de
overeenkomst dat van een derde land, dan past de rechter de voor de
consument beschermende bepalingen van deze titel toe als de
overeenkomst:
a. betrekking heeft op een onroerende
zaak die is gelegen in een lidstaat van de Europese Unie of een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, of
b. niet rechtstreeks betrekking heeft
op een onroerende zaak en de handelaar zijn handels-of
beroepsactiviteit verricht in, dan wel deze activiteit met enigerlei
middel richt op, een lidstaat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, en de overeenkomst onder die activiteit valt.
4. Deze titel is van toepassing op
overeenkomsten tussen handelaren en consumenten.
Titel 2.
Financiëlezekerheidsovereenkomsten
Artikel 51
In deze titel wordt verstaan onder:
a. financiëlezekerheidsovereenkomst:
een financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht of een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een pandrecht;
b. financiëlezekerheidsovereenkomst
tot overdracht: een overeenkomst op grond waarvan de onder d, e of f
bedoelde goederen worden overgedragen als waarborg voor een
verplichting;
c. financiëlezekerheidsovereenkomst
tot vestiging van een pandrecht: een overeenkomst op grond waarvan een
pandrecht wordt verschaft op de onder d, e of f bedoelde goederen;
d. geld: op een rekening of deposito
gecrediteerd tegoed in geld;
e. effecten: aandelen en andere met
aandelen gelijk te stellen effecten, obligaties en andere
schuldinstrumenten indien deze op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn,
en alle andere gewoonlijk verhandelde effecten waarmee die aandelen,
obligaties of andere effecten via inschrijving, koop of omruiling
kunnen worden verkregen of die aanleiding kunnen geven tot afwikkeling
in geld met uitsluiting van waardepapieren die een betalingsopdracht
belichamen, inclusief rechten van deelneming in instellingen voor
collectieve belegging, geldmarktinstrumenten en vorderingen op of
rechten ten aanzien van een van de voornoemde instrumenten;
f. kredietvordering: een geldvordering
voortvloeiend uit een overeenkomst waarbij een bank als bedoeld in
artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht krediet verschaft in de
vorm van een lening met uitzondering van geldvorderingen waarbij de
debiteur een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening
van beroep of bedrijf, tenzij de zekerheidsnemer of
zekerheidsverschaffer van een dergelijke kredietvordering een van de
instellingen is als genoemd in artikel 52 lid 1 onder b;
g. gelijkwaardige goederen:
1. wanneer het betreft geld:
hetzelfde bedrag in dezelfde valuta;
2. wanneer het betreft effecten:
effecten van dezelfde uitgevende instelling of debiteur, behorende
tot dezelfde emissie of categorie, ter waarde van hetzelfde
nominale bedrag, luidende in dezelfde valuta en van dezelfde
soort, onderscheidenlijk andere goederen indien de
financiëlezekerheidsoverkomst voorziet in de overdracht daarvan
na het plaatsvinden van een gebeurtenis die betrekking heeft op of
gevolgen heeft voor de effecten waarop de schuldenaar een
pandrecht heeft gevestigd;
h. executiegrond: verzuim of een andere
omstandigheid op grond waarvan de zekerheidsnemer krachtens een
financiëlezekerheidsovereenkomst of de wet gerechtigd is verpande
goederen te verkopen of zich toe te eigenen dan wel gebruik te maken
van een verrekenbeding;
i. verrekenbeding: een beding in een
financiëlezekerheidsovereenkomst of een overeenkomst waarvan een
financiëlezekerheidsovereenkomst deel uitmaakt, of een wettelijk
voorschrift, op grond waarvan bij het voldoen aan de voorwaarden van
een executiegrond:
– de verplichtingen van partijen
onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede omgezet in een verplichting
tot het betalen van een bedrag dat hun geschatte actuele waarde
vertegenwoordigt, dan wel de verplichtingen vervallen en worden
vervangen door een verplichting tot het betalen van het voornoemde
bedrag, of
– de verplichtingen van partijen
worden verrekend en alleen het saldo verschuldigd is.
Artikel 52
1. Deze titel is van toepassing op
financiëlezekerheidsovereenkomsten waarbij ten minste een van de
partijen is:
a. een overheidsinstantie, met
inbegrip van:
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese Unie die belast
zijn met of een rol spelen bij het beheer van de overheidsschuld
en;
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese Unie die zijn
gemachtigd om voor klanten rekeningen aan te houden.
b. een centrale bank, de Europese
Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen, een
multilaterale ontwikkelingsbank, het Internationaal Monetair Fonds
en de Europese Investeringsbank.
c. een financiële onderneming onder
financieel toezicht, met inbegrip van een bank, beheerder,
beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, financiële instelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht.
d. een centrale tegenpartij, een
afwikkelende instantie of een verrekeningsinstituut als bedoeld in
artikel 212a, onderdeel c, d en e, van de Faillissementswet,
inclusief onder het nationale recht van de lidstaten van de Europese
Unie vallende gereglementeerde instellingen die actief zijn op de
markten voor rechten op overdracht op termijn van goederen, opties
en derivaten, en een andere dan een natuurlijke persoon die optreedt
als trustee of in een vertegenwoordigende hoedanigheid namens een of
meer personen waaronder enigerlei obligatiehouders of houders van
andere schuldinstrumenten of enige instelling als omschreven in
onderdeel a, b, c of dit onderdeel.
2. Deze titel is niet van toepassing
indien een van de partijen bij een financiëlezekerheidsovereenkomst een
natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf.
Artikel 53
1. Bij een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een pandrecht kan
worden bedongen dat de zekerheidsnemer de verpande goederen kan
gebruiken of verkopen en de opbrengst behouden.
2. Uitoefening van het recht tot gebruik
of verkoop brengt van rechtswege een verplichting van de zekerheidsnemer
mee tot overdracht van gelijkwaardige goederen aan de zekerheidsgever,
uiterlijk op het tijdstip waarop moet worden voldaan aan de vordering
waarvoor het verpande tot zekerheid strekt. De zekerheidsnemer krijgt
een pandrecht op het verkregene. Dit recht wordt geacht te zijn
verkregen op het moment dat de financiëlezekerheidsovereenkomst werd
gesloten.
3. Voor de in het tweede lid bedoelde
vordering van de zekerheidsgever tot overdracht van gelijkwaardige
goederen heeft deze een voorrecht op de bij de zekerheidsnemer aanwezige
gelden en effecten.
4. In afwijking van lid 2 kan in de
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bepaald dat de zekerheidsnemer
de vordering waarvoor het verpande tot zekerheid strekt verrekent met de
waarde van de gelijkwaardige goederen, op het tijdstip waarop de
vordering moet worden voldaan of zoveel eerder als zich een
executiegrond voordoet.
5. Dit artikel is niet van toepassing
indien de financiëlezekerheidsovereenkomst strekt tot verpanding van
een kredietvordering in de zin van artikel 51 onder f.
Artikel 54
1. Tenzij anders is bedongen in een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot de vestiging van een pandrecht, is
de zekerheidsnemer, wanneer aan de voorwaarden van een executiegrond
wordt voldaan, bevoegd:
a. effecten waarop het pandrecht rust
te verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen
onderscheidenlijk deze effecten zich toe te eigenen en de waarde van
de effecten te verrekenen met het hem verschuldigde;
b. geld waarop het pandrecht rust te
verrekenen met het hem verschuldigde;
c. de kredietvordering waarop het
pandrecht rust over te dragen en de opbrengst te verrekenen met het
hem verschuldigde.
2. De verkoop van effecten geschiedt op
een markt door tussenkomst van een tussenpersoon in het vak of ter
beurze door die van een bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de regels
en gebruiken die aldaar voor een gewone verkoop gelden.
3. De zekerheidsnemer kan zich effecten
toe-eigenen indien dit in de financiëlezekerheidsovereenkomst tot de
vestiging van een pandrecht is bedongen en de waardering van de effecten
is gebaseerd op de waarde op een markt of ter beurze.
4. In afwijking van lid 2 en lid 3 kan in
een financiëlezekerheidsovereenkomst worden bedongen dat de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de zekerheidsnemer
of de zekerheidsgever kan bepalen dat effecten worden verkocht op een
afwijkende wijze, of dat de voorzieningenrechter op verzoek van de
zekerheidsnemer kan bepalen dat effecten voor een door de
voorzieningenrechter vast te stellen bedrag bij wege van toe-eigening
aan de zekerheidsnemer zullen verblijven.
5. De artikelen 235, 248 leden 1 en 2,
249, 250, 251 en 252 van Boek 3 zijn niet van toepassing.
Artikel 55
Een overdracht ter nakoming van een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht is geen overdracht tot
zekerheid of een overdracht die de strekking mist het goed na de
overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen in de zin van
artikel 84 lid 3 van Boek 3. De regels betreffende pandrecht zijn op een
zodanige overeenkomst en de uitvoering daarvan niet van toepassing of
overeenkomstige toepassing.
Artikel 56 [Vervallen per 01-05-2008]
Titel 2a. Consumentenkredietovereenkomsten
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 57
1. In deze titel wordt verstaan onder:
a. consument: een natuurlijk persoon
die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of
beroepsactiviteiten vallen;
b. kredietgever: een natuurlijk
persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van
zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten krediet verleent of toezegt;
c. kredietovereenkomst: een
overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet
verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening
of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering
van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende
levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de
diensten respectievelijk goederen worden geleverd, de kosten daarvan
in termijnen betaalt;
d. geoorloofde debetstand op een
rekening: een uitdrukkelijke kredietovereenkomst waarbij een
kredietgever een consument de mogelijkheid biedt bedragen op te
nemen die het beschikbare tegoed op de rekening van de consument te
boven gaan;
e. overschrijding: een stilzwijgend
aanvaarde debetstand waarbij een kredietgever een consument de
mogelijkheid biedt bedragen op te nemen die het beschikbare tegoed
of de overeengekomen geoorloofde debetstand op de rekening van de
consument te boven gaan;
f. kredietbemiddelaar: een natuurlijk
persoon of rechtspersoon die niet optreedt als kredietgever en die
in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten tegen een
vergoeding in de vorm van geld of een andere overeengekomen
financiële beloning:
1°. aan consumenten
kredietovereenkomsten voorstelt of aanbiedt;
2°. consumenten bijstaat bij de
voorbereiding van het sluiten van kredietovereenkomsten anders
dan bedoeld onder 1°, of
3°. namens de kredietgever met
consumenten kredietovereenkomsten sluit;
g. totale kosten van het krediet voor
de consument: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen,
belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in
verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de
kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten;
h. totale door de consument te
betalen bedrag: de som van het totale kredietbedrag en de totale
kosten van het krediet voor de consument;
i. jaarlijks kostenpercentage: de
totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een
percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien
toepasselijk te vermeerderen met de in lid 3 bedoelde kosten;
j. debetrentevoet: de rentevoet,
uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel
percentage;
k. vaste debetrentevoet: een door de
kredietgever en de consument voor de volledige duur van de
kredietovereenkomst overeengekomen enkele debetrentevoet dan wel
verschillende door de kredietgever en de consument voor
deeltermijnen overeengekomen debetrentevoeten waarvoor uitsluitend
een vast specifiek percentage wordt gebruikt;
l. totaal kredietbedrag: het plafond
of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst
beschikbaar worden gesteld;
m. duurzame drager: ieder hulpmiddel
dat de consument in staat stelt persoonlijk aan hem gerichte
informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk
maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd
op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een
ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk
maakt;
n. gelieerde kredietovereenkomst: een
kredietovereenkomst waarbij geldt dat:
1°. het betreffende krediet
uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de
levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde
dienst, en
2°. die twee overeenkomsten
objectief gezien een commerciële eenheid vormen;
o. overeenkomst betreffende
effectenkrediet: een overeenkomst waarbij:
1°. tegen onderpand van een
effectenportefeuille een doorlopend krediet wordt verleend of
toegezegd, inhoudende dat de consument op verschillende
tijdstippen geldsommen bij de kredietgever kan opnemen, voor
zover het uitstaande saldo een bepaalde kredietlimiet niet
overschrijdt;
2°. de consument met het krediet
transacties kan verrichten in financiële instrumenten, en
3°. de kredietgever betrokken is
bij die transacties;
p. effectenportefeuille: een pakket
financiële instrumenten dat in het bezit is van de consument;
q. financieel instrument: een
financieel instrument als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
r. dekkingspercentage: een door de
kredietgever vastgesteld percentage van de waarde van de in
onderpand gegeven effectenportefeuille of van de daartoe behorende
afzonderlijke financiële instrumenten aan de hand waarvan de
kredietgever de kredietlimiet bepaalt;
s. spreidingseis: een door de
kredietgever gestelde eis ten aanzien van de samenstelling van de
effectenportefeuille;
t. Richtlijn: Richtlijn nr.
2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten
en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG (Pb EU L 133).
2. De totale kosten van het krediet voor
de consument, bedoeld in lid 1, onderdeel g, omvatten ook de kosten in
verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met
name verzekeringspremies, indien het sluiten van een dienstencontract
verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde
voorwaarden, te verkrijgen.
3. Voor de toepassing van lid 1,
onderdeel i, worden de kosten voor het beheer van een rekening waarop
zowel betalingen als kredietopnemingen worden geboekt, de kosten voor
het gebruik van een betaalmiddel waarmee zowel betalingen als
kredietopnemingen kunnen worden verricht, en de overige kosten voor
betalingsverrichtingen in de totale kosten van het krediet voor de
consument meegerekend, tenzij de opening van de rekening facultatief is
en de kosten voor de rekening duidelijk en afzonderlijk in de
kredietovereenkomst of een andere met de consument gesloten overeenkomst
zijn vastgesteld.
4. Indien niet alle debetrentevoeten in
de kredietovereenkomst worden gespecificeerd, is alleen sprake van een
vaste debetrentevoet als bedoeld in lid 1, onderdeel k, voor die
deeltermijnen waarvoor bij de sluiting van de kredietovereenkomst de
debetrentevoeten zijn overeengekomen en die uitsluitend aan de hand van
een vast specifiek percentage zijn vastgesteld.
5. Een commerciële eenheid als bedoeld
in lid 1, onderdeel n wordt geacht te bestaan:
a. indien de bij de overeenkomst voor
de levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde
dienst betrokken leverancier dan wel dienstenaanbieder zelf het
krediet van de consument financiert, dan wel
b. in het geval van financiering door
een derde, indien:
1°. de kredietgever bij het
voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruik maakt
van de diensten van de bij de overeenkomst voor de levering van
een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst
betrokken leverancier dan wel dienstenaanbieder, of
2°. het goed dan wel de dienst
waarop de overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of
de verrichting van een bepaalde dienst ziet uitdrukkelijk wordt
vermeld in de kredietovereenkomst.
Artikel 58
1. Deze titel is van toepassing op
kredietovereenkomsten.
2. Deze titel is niet van toepassing op:
a. kredietovereenkomsten die
gewaarborgd worden door een hypotheek of door een andere
vergelijkbare zekerheid op een registergoed, dan wel door een recht
op een registergoed tegen voor hypothecaire financiering door de
betrokken kredietgever gebruikelijke voorwaarden;
b. kredietovereenkomsten voor het
verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of
een bestaand of gepland gebouw;
c. huur of lease-overeenkomsten,
tenzij:
1°. zij een verplichting tot
aankoop van het object van de overeenkomst inhouden of een
dergelijke verplichting bij afzonderlijke overeenkomst is
toegevoegd, waaronder tevens is begrepen dat tot de verplichting
tot aankoop eenzijdig door de kredietgever wordt besloten, dan
wel
2°. zij krachtens artikel
7A:1576h lid 2 als huurkoop moeten worden aangemerkt;
d. kredietovereenkomsten die in de
vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend
en die binnen een maand moeten worden afgelost;
e. kredietovereenkomsten zonder rente
en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet
binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en
slechts onbetekenende kosten worden aangerekend;
f. kredietovereenkomsten waarbij het
krediet als nevenactiviteit door een werkgever rentevrij of tegen
een jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de
markt, aan zijn werknemers wordt toegekend, en die niet aan het
publiek in het algemeen worden aangeboden;
g. kredietovereenkomsten die het
resultaat zijn van een schikking voor de rechter of een andere
daartoe van overheidswege bevoegde instantie;
h. kredietovereenkomsten die voorzien
in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld;
i. kredietovereenkomsten bij het
sluiten waarvan van de consument wordt verlangd dat hij bij de
kredietgever een goed als zekerheid in bewaring geeft, en waarbij de
aansprakelijkheid van de consument zich strikt beperkt tot dit in
pand gegeven goed, en
j. kredietovereenkomsten betreffende
leningen die krachtens een wettelijke bepaling met een doelstelling
van algemeen belang aan een beperkt publiek worden toegekend tegen
een lagere dan op de markt gebruikelijke rentevoet, dan wel
rentevrij, of onder andere voorwaarden die voor de consument
gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden en tegen
rentetarieven die niet hoger zijn dan de op de markt gebruikelijke.
3. Op de kredietovereenkomst waarbij het
krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening wordt
verleend en op verzoek of binnen een termijn van drie maanden moet
worden terugbetaald, zijn uitsluitend deartikelen 57, 58, 61 leden 1, 5
en 6, 63, 67, 69 en de artikelen 71 tot en met 73 van toepassing. De
artikelen 59 en 60 zijn slechts van toepassing, voorzover de
kredietgever zijn verplichtingen uit de artikelen 4 lid 2 onderdelen a
tot en met c en 6 van de Richtlijn betreffende de in reclame en
precontractuele informatie op te nemen standaardinformatie niet in acht
neemt.
4. Op kredietovereenkomsten in de vorm
van overschrijding zijn uitsluitend deartikelen 57, 58, 70 en 73 van
toepassing.
Afdeling 2. Informatieverstrekking en
handelingen voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst
Artikel 59
1. Een kredietgever die in reclame voor
kredietovereenkomsten, overeenkomsten betreffende effectenkrediet niet
daaronder begrepen, artikel 4 van de Richtlijn betreffende de in reclame
op te nemen standaardinformatie niet in acht neemt, verricht een
oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in de artikel 193b van Boek 6.
2. Een kredietgever verricht een
oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 193b van Boek 6,
indien hij in reclame voor overeenkomsten betreffende effectenkrediet:
a. niet vermeld dat een doorlopend
krediet wordt verleend of toegezegd tegen onderpand van een
effectenportefeuille, en de kredietlimiet afhankelijk is van de
waarde daarvan, of
b. artikel 4 leden 1, 2 onderdeel a,
3 of 4 van de Richtlijn betreffende de in reclame voor
kredietovereenkomsten op te nemen standaardinformatie niet in acht
neemt.
Artikel 60
1. De kredietgever of, in voorkomend
geval, de kredietbemiddelaar, verstrekt de consument geruime tijd
voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden,
de in de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn voorgeschreven
precontractuele informatie, op de in die artikelen voorgeschreven wijze.
2. De kredietgever of, in voorkomend
geval, de kredietbemiddelaar, verstrekt de consument geruime tijd
voordat deze door een overeenkomst of een aanbod betreffende
effectenkrediet wordt gebonden, de in artikel 6 van de Richtlijn
voorgeschreven precontractuele informatie, met uitzondering van de
informatie, bedoeld in lid 1, onderdelen c, d, f, h en k van dat
artikel, op de in dat artikel voorgeschreven wijze. Daarbij deelt de
kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, de
consument eveneens mee:
a. dat een doorlopend krediet wordt
verleend of toegezegd tegen onderpand van een effectenportefeuille
en dat de kredietlimiet afhankelijk is van een bepaald
dekkingspercentage en, indien van toepassing, bepaalde
spreidingseisen;
b. welk dekkingspercentage en welke
spreidingseisen worden gehanteerd ten aanzien van de in onderpand
gegeven effectenportefeuille, en
c. in het geval dat de kredietgever
voor verschillende soorten financiële instrumenten andere
dekkingspercentages hanteert, per soort financieel instrument, welk
dekkingspercentage daarop van toepassing is.
3. Indien de kredietgever of, in
voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, lid 1 of 2 niet in acht neemt,
verricht hij een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 193b
van Boek 6.
Afdeling 3. Informatie en rechten
betreffende kredietovereenkomsten
Artikel 61
1. De kredietovereenkomst wordt op papier
of op een andere duurzame drager aangegaan. De kredietgever verstrekt de
consument een exemplaar van de kredietovereenkomst en behoudt zelf ook
een exemplaar.
2. In de kredietovereenkomst worden op
duidelijke en beknopte wijze vermeld:
a. het soort krediet;
b. de identiteit en geografische
adressen van de overeenkomst sluitende partijen en in voorkomend
geval de identiteit en het geografische adres van de betrokken
kredietbemiddelaar;
c. de duur van de
kredietovereenkomst;
d. het totale kredietbedrag en de
voorwaarden voor kredietopneming;
e. in geval van een krediet in de
vorm van uitstel van betaling voor een goed of een dienst, dan wel
van een gelieerde kredietovereenkomst, het goed of de dienst ter
financiering waarvan het krediet strekt en de contante prijs
daarvan;
f. de debetrentevoet, de voorwaarden
die de toepassing van deze rentevoet regelen en voor zover
beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben
op de aanvankelijke debetrentevoet, alsmede de termijnen,
voorwaarden en procedures voor wijziging ervan;
g. indien naargelang van de
verschillende omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden
toegepast, de in onderdeel f genoemde informatie met betrekking tot
alle toepasselijke rentevoeten;
h. het jaarlijks kostenpercentage en
het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het
sluiten van de kredietovereenkomst, alsmede alle bij de berekening
van dit percentage gebruikte hypothesen;
i. het bedrag, het aantal en de
frequentie van de door de consument te verrichten betalingen, en, in
voorkomend geval, de volgorde waarin de betalingen aan de
verschillende openstaande saldi tegen verschillende debetrentevoeten
worden toegerekend met het oog op aflossing;
j. in geval van aflossing van het
kapitaal van een kredietovereenkomst met vaste looptijd, het recht
van de consument om gratis en op verzoek op enig ogenblik tijdens de
loop van de kredietovereenkomst een overzicht van de rekening in de
vorm van een aflossingstabel te ontvangen;
k. indien kosten en interesten worden
betaald zonder aflossing van het kapitaal, een overzicht van de
termijnen en voorwaarden voor de betaling van de rente en periodiek
en niet-perodieke bijbehorende kosten;
l. de eventuele kosten voor het
aanhouden van een of meer rekeningen voor de boeking van zowel
betalingen als kredietopnemingen, tenzij het openen van een rekening
facultatief is, tezamen met de kosten voor het gebruik van een
betaalmiddel voor zowel betalingen als kredietopnemingen, andere uit
de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden
waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd;
m. de op het tijdstip van het sluiten
van de kredietovereenkomst geldende rentevoet ingeval van
betalingsachterstand daarvan alsmede de wijzigingsmodaliteiten en,
in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming;
n. een waarschuwing betreffende de
gevolgen van wanbetaling;
o. dat in voorkomend geval
notariskosten in rekening worden gebracht;
p. de eventueel gevraagde zekerheden
en verzekeringen;
q. het al dan niet bestaan van het in
artikel 66 bedoelde recht van ontbinding van de kredietovereenkomst
en de termijn voor de uitoefening daarvan, alsmede andere
uitoefeningsvoorwaarden, zoals informatie over de verplichting voor
de consument om overeenkomstig artikel 66 lid 3 het opgenomen
kapitaal en de rente te betalen en het bedrag van de lopende rente
per dag;
r. informatie over de uit artikel 67
voortvloeiende rechten en de voorwaarden voor de uitoefening
daarvan;
s. het inartikel 68 bedoelde recht op
vervroegde aflossing, de hiervoor te volgen procedure alsmede, in
voorkomend geval, informatie over het recht van de kredietgever op
een vergoeding en de wijze waarop deze vergoeding wordt vastgesteld;
t. de procedure voor de uitoefening
van het in artikel 65 bedoelde recht van beëindiging van de
kredietovereenkomst;
u. of voor de consument
buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures openstaan en,
indien dit het geval is, hoe hij die procedures kan inleiden;
v. in voorkomend geval, de overige
contractvoorwaarden, en
w. in voorkomend geval, naam en adres
van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
3. De aflossingstabel, bedoeld in lid 2,
onderdeel j, geeft de te betalen bedragen en de betalingstermijnen en
voorwaarden aan. In de aflossingstabel wordt elke periodieke betaling
uitgesplitst in afgelost kapitaal, op basis van de debetrentevoet
berekende rente en, in voorkomend geval, bijkomende kosten. Indien
krachtens de kredietovereenkomst het rentepercentage niet vast is of de
bijkomende kosten kunnen worden gewijzigd, wordt in de aflossingstabel
op een duidelijke en beknopte wijze vermeld dat de gegevens van de tabel
alleen gelden tot de wijziging van de debetrentevoet of van de
bijkomende kosten overeenkomstig de kredietovereenkomst.
4. In geval van toepassing van de leden
2, onderdeel j, en 3 stelt de kredietgever, gratis en op elk ogenblik
tijdens de duur van de kredietovereenkomst, een overzicht van de
rekening in de vorm van een aflossingstabel ter beschikking aan de
consument.
5. De ingevolge de leden 2 en 3 te
verstrekken informatie bij een kredietovereenkomst waarbij de betalingen
door de consument niet tot een directe overeenkomstige aflossing van het
totale kredietbedrag leiden, maar dienen voor kapitaalvorming gedurende
de termijnen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de
kredietovereenkomst of in een nevenovereenkomst, bevat een duidelijke en
beknopte vermelding dat dergelijke kredietovereenkomsten niet voorzien
in een garantie tot terugbetaling van het totale uit hoofde van de
kredietovereenkomst opgenomen kredietbedrag, tenzij die garantie wordt
gegeven.
6. Bij kredietovereenkomsten die in de
vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening overeenkomstig
artikel 58 lid 3 worden verleend, worden op duidelijke en beknopte wijze
vermeld:
a. het soort krediet;
b. de identiteit en het geografische
adres van de overeenkomstsluitende partijen en, in voorkomend geval,
de identiteit en het geografische adres van de betrokken
kredietbemiddelaar;
c. de duur van de
kredietovereenkomst;
d. het totale kredietbedrag en de
voorwaarden voor kredietopneming;
e. de debetrentevoet, de voorwaarden
die de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover
beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben
op de aanvankelijke debetrentevoet, alsook de termijnen, de
voorwaarden en de procedure voor wijziging van de debetrentevoet;
f. indien naargelang van de
verschillende omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden
toegepast, de in onderdeel e genoemde informatie met betrekking tot
alle toepasselijke rentevoeten;
g. in voorkomend geval, de vermelding
dat de consument te allen tijde gevraagd kan worden het
kredietbedrag volledig terug te betalen;
h. de procedure voor de uitoefening
van het in artikel 66 bedoelde recht van ontbinding van de
kredietovereenkomst, en
i. de informatie over de vanaf het
sluiten van de overeenkomst verschuldigde kosten, alsmede, voor
zover van toepassing, de voorwaarden waaronder deze gewijzigd kunnen
worden.
7. In overeenkomsten betreffende
effectenkrediet worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
a. dat het krediet kan worden
aangewend voor de financiering van transacties in financiële
instrumenten;
b. de identiteit en het geografische
adres van de overeenkomstsluitende partijen en, in voorkomend geval,
de identiteit en het geografische adres van de betrokken
kredietbemiddelaar;
c. de wijze waarop de consument
actuele informatie kan verkrijgen over de dekkingspercentages en
indien van toepassing, de spreidingseisen, die de kredietgever
hanteert bij het bepalen van de kredietlimiet en de voorwaarden
waaronder de kredietgever deze kan wijzigen;
d. de voorwaarden voor
kredietopneming;
e. de debetrentevoet, de voorwaarden
die de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover
beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben
op de aanvankelijke debetrentevoet, alsook de termijnen, de
voorwaarden en de procedure voor wijziging van de debetrentevoet;
f. indien naargelang van de
verschillende omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden
toegepast, de in onderdeel e genoemde informatie met betrekking tot
alle toepasselijke rentevoeten;
g. informatie betreffende het niet
bestaan van het in de artikelen 66 lid 1 en 67 lid 1 bedoelde recht
van ontbinding van de kredietovereenkomst;
h. de informatie over de vanaf het
sluiten van de overeenkomst verschuldigde kosten, alsmede, voor
zover van toepassing, de voorwaarden waaronder deze gewijzigd kunnen
worden;
i. een waarschuwing betreffende de
gevolgen van wanbetaling;
j. de gevraagde zekerheden;
k. de procedure voor de uitoefening
van het in artikel 65 bedoelde recht van beëindiging van de
kredietovereenkomst;
l. of voor de consument
buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures openstaan en,
indien dit het geval is, hoe hij die procedures kan inleiden, en
m. in voorkomende geval, naam en
adres van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
Artikel 62
1. In voorkomend geval wordt de consument
op papier of op een andere duurzame drager in kennis gesteld van een
wijziging van de debetrentevoet voordat de wijziging van kracht wordt.
Daarbij wordt het bedrag van de na de inwerkingtreding van de nieuwe
debetrentevoet te verrichten betalingen vermeld evenals bijzonderheden
betreffende een eventuele wijziging in het aantal of de frequentie van
de betalingen.
2. De partijen kunnen echter in de
kredietovereenkomst overeenkomen dat de informatie, bedoeld in lid 1,
periodiek aan de consument wordt verstrekt indien de wijziging van de
debetrentevoet het gevolg is van een wijziging van een
referentierentevoet en het publiek via passende middelen kennis kan
nemen van de nieuwe referentierentevoet en de informatie over de nieuwe
referentierentevoet ook beschikbaar is in de gebouwen van de
kredietgever.
Artikel 63
1. Bij een kredietovereenkomst in de vorm
van een geoorloofde debetstand op een rekening als bedoeld in artikel 58
lid 3 wordt de consument regelmatig door middel van een
rekeningafschrift op papier of op een andere duurzame drager op de
hoogte gebracht van de volgende informatie:
a. de periode waarop het
rekeningafschrift betrekking heeft;
b. de opgenomen bedragen en de datum
van opneming;
c. het saldo en de datum van het
vorige afschrift;
d. het nieuwe saldo;
e. de datum en het bedrag van de door
de consument verrichte betalingen;
f. de toegepaste debetrentevoet;
g. de eventueel toegepaste kosten, en
h. in voorkomend geval, het te
betalen minimumbedrag.
2. De consument wordt, voordat de
betreffende wijziging van kracht wordt, op papier of op een andere
duurzame drager in kennis gesteld van verhogingen van de debetrentevoet
of van de kosten.
3. De partijen kunnen in de
kredietovereenkomst overeenkomen dat informatie over wijzigingen van de
debetrentevoet door middel van het rekeningafschrift, bedoeld in lid 1,
moet worden verstrekt, indien de wijziging van de debetrentevoet het
gevolg is van een wijziging van een referentierentevoet en het publiek
via passende middelen kennis kan nemen van de nieuwe referentierentevoet
en de informatie over de nieuwe referentierentevoet ook beschikbaar is
in de gebouwen van de kredietgever.
Artikel 64
Bij overeenkomsten betreffende
effectenkrediet maakt de kredietgever melding van wijzigingen in de
dekkingspercentages en de spreidingseisen op de dag dat de betreffende
wijziging ingaat, op de ingevolge artikel 61 lid 7, onderdeel c,
overeengekomen wijze.
Artikel 65
1. De consument kan een
kredietovereenkomst met onbepaalde looptijd te allen tijde kosteloos
beëindigen. Indien partijen een opzeggingstermijn zijn overeengekomen,
mag deze termijn niet langer zijn dan één maand.
2. De kredietgever kan, indien dit in de
kredietovereenkomst is overeengekomen, een kredietovereenkomst met
onbepaalde looptijd beëindigen door de consument met inachtneming van
een opzegtermijn van ten minste twee maanden een opzegging te doen
toekomen op papier of op een andere duurzame drager.
3. De kredietgever kan, indien dit in de
kredietovereenkomst is overeengekomen, op objectieve gronden de
consument het recht ontnemen om op grond van een kredietovereenkomst met
onbepaalde looptijd krediet op te nemen. De kredietgever stelt de
consument, op papier of op een andere duurzame drager, indien mogelijk
van tevoren en uiterlijk onmiddellijk na deze ontneming, van deze
ontneming in kennis, alsook van de gronden hiervoor, tenzij het
verstrekken van dergelijke informatie op grond van andere communautaire
wetgeving is verboden of indruist tegen doelstellingen van openbare orde
of openbare veiligheid.
Artikel 66
1. De consument heeft het recht om de
kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te ontbinden gedurende
veertien kalenderdagen na:
a. de dag van de sluiting van de
kredietovereenkomst, of
b. de dag waarop de consument de
contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstigartikel 61
ontvangt, als die dag later valt dan de in onderdeel a bedoelde dag.
2. De consument oefent het recht, bedoeld
in lid 1, uit door binnen de gestelde termijn een daartoe strekkende
kennisgeving te richten tot de kredietgever. De kennisgeving is in lijn
met de door de kredietgever ingevolge artikel 61 lid 2, onderdeel q,
verstrekte informatie en wordt gedaan op een wijze die voor bewijs
vatbaar is. De gestelde termijn is in acht genomen indien, een
kennisgeving op papier of op een andere duurzame drager waarover de
kredietgever beschikt en waartoe hij toegang heeft, vóór het
verstrijken van de termijn is verzonden.
3. In geval van ontbinding van de
kredietovereenkomst overeenkomstig lid 1 betaalt de consument het
kapitaal aan de kredietgever terug met de op dit kapitaal lopende rente
vanaf de datum waarop het krediet is verstrekt tot de datum waarop het
kapitaal wordt terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend
aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet. De terugbetaling moet
onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen na de verzending van de
kennisgeving, bedoeld in lid 2, plaatsvinden.
4. De kredietgever heeft bij toepassing
van lid 1 geen recht op een andere vergoeding van de consument dan die
welke verschuldigd is volgens lid 3, met uitzondering van de vergoeding
voor niet voor terugbetaling in aanmerking komende kosten die de
kredietgever aan een overheidsorgaan heeft betaald.
5. Indien door de kredietgever of een
derde partij op grond van een onderlinge overeenkomst een nevendienst in
verband met de kredietovereenkomst wordt verricht, brengt de ontbinding
van de kredietovereenkomst overeenkomstig lid 1, van rechtswege mee dat
de consument niet langer aan de nevendienst gebonden is.
6. Indien de consument overeenkomstig lid
1 een recht van ontbinding heeft, zijn andere bepalingen die een
soortgelijk recht op ontbinding aan de consument toekennen, niet van
toepassing.
7. Lid 1 is niet van toepassing op
overeenkomsten betreffende effectenkrediet.
Artikel 67
1. Indien de consument een overeenkomst
voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst heeft
ontbonden overeenkomstig artikel 46d lid 1 of 50d lid 1, artikel 4:28
lid 1 van de Wet op het financieel toezicht dan wel artikel 25 van de
Colportagewet, is hij evenmin langer gebonden aan de daarmee gelieerde
kredietovereenkomst.
2. Indien onder de gelieerde
kredietovereenkomsten vallende goederen niet of slechts gedeeltelijk
geleverd worden of niet beantwoorden aan de voorwaarden van de
overeenkomst voor de levering van de goederen en de consument zijn
rechten ter zake daarvan jegens de leverancier heeft ingeroepen, maar er
niet in is geslaagd te verkrijgen waarop hij volgens de genoemde
overeenkomst recht heeft, is de consument gerechtigd zijn rechten jegens
de kredietgever geldend te maken.
3. Indien onder de gelieerde
kredietovereenkomsten vallende diensten niet of slechts gedeeltelijk
verricht worden of niet beantwoorden aan de voorwaarden van de
overeenkomst voor het verrichten van de diensten en de consument zijn
rechten ter zake daarvan jegens de dienstenaanbieder heeft ingeroepen,
maar er niet in is geslaagd te verkrijgen waarop hij volgens de genoemde
overeenkomst recht heeft, is de consument gerechtigd zijn rechten jegens
de kredietgever geldend te maken.
4. Lid 1 is niet van toepassing op
overeenkomsten betreffende effectenkrediet.
Artikel 68
1. De consument heeft het recht om zich
te allen tijde geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond
van een kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op
een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten
en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst.
2. De kredietgever heeft in geval van een
vervroegde aflossing recht op een billijke en objectief gegronde
vergoeding voor eventuele kosten die hiermee rechtstreeks verband
houden, mits de vervroegde aflossing valt in een termijn waarvoor een
vaste debetrentevoet geldt. De vergoeding mag niet hoger zijn dan:
a. 0,5% van het vervroegd afgeloste
kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en
het overeengekomen einde van de kredietovereenkomst ten hoogste
één jaar is;
b. 1% van het vervroegd afgeloste
kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en
het overeengekomen einde van de kredietovereenkomst langer is dan
één jaar.
3. In afwijking van lid 2, onderdelen a
en b, kan de kredietgever de consument bij kredieten boven € 75 000
een hogere vergoeding in rekening brengen, indien hij aannemelijk maakt
dat het door de vervroegde aflossing geleden verlies het krachtens lid 2
bepaalde bedrag overstijgt. Het verlies bestaat uit het verschil tussen
de oorspronkelijk overeengekomen rentevoet en de rentevoet waartegen de
kredietgever een lening kan verstrekken ter hoogte van het vervroegd
afgeloste bedrag op de markt op het ogenblik van de vervroegde
aflossing. Bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening
gehouden met de administratieve kosten van de vervroegde aflossing.
4. De in de leden 2 en 3 bedoelde
vergoeding mag niet hoger zijn dan het rentebedrag dat de consument zou
hebben betaald gedurende de termijn tussen de vervroegde aflossing en
het overeengekomen einde van de kredietovereenkomst.
5. De kredietgever kan de consument geen
vergoeding als bedoeld in lid 2 of lid 3 in rekening brengen:
a. als de vervroegde aflossing heeft
plaatsgevonden uit hoofde van een verzekeringscontract dat bedoeld
is om een kredietaflossingsgarantie te bieden, of
b. bij een geoorloofde debetstand op
een rekening.
Artikel 69
1. Indien de rechten die de kredietgever
op grond van de kredietovereenkomst heeft, dan wel de overeenkomst zelf,
aan een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de verkrijger
alle verweermiddelen inroepen die hem jegens de oorspronkelijke
kredietgever ten dienste stonden, met inbegrip van de bevoegdheid tot
verrekening.
2. De consument wordt geïnformeerd over
de in lid 1 bedoelde overdracht, behalve indien de oorspronkelijke
kredietgever, in overleg met de verkrijger tegenover de consument het
krediet verder beheert.
Artikel 70
1. Wanneer de kredietgever in een
overeenkomst tot opening van een rekening de consument de mogelijkheid
biedt van een overschrijding, wordt in die overeenkomst eveneens de in
artikel 6 lid 1, onderdeel e, van de richtlijn bedoelde informatie
vermeld. De kredietgever verstrekt die informatie in elk geval op papier
of op een andere duurzame drager en op gezette tijden.
2. In geval van een aanzienlijke
overschrijding gedurende meer dan een maand brengt de kredietgever de
consument, op papier of op een andere duurzame drager, op de hoogte van:
a. de overschrijding;
b. het betreffende bedrag;
c. de debetrentevoet, en
d. de eventuele toepasselijke boetes,
kosten of rente wegens achterstand.
Afdeling 4. Jaarlijks kostenpercentage
Artikel 71
Het jaarlijks kostenpercentage wordt door
de kredietgever berekend overeenkomstig artikel 19 van de Richtlijn.
Afdeling 5. Kredietgevers en
kredietbemiddelaars
Artikel 72
1. Indien de kredietovereenkomst wordt
gesloten door tussenkomst van een kredietbemiddelaar, wordt door deze in
voor de consument bestemde documenten de omvang van zijn volmacht
vermeld en tevens of hij exclusief met één of meer kredietgevers dan
wel als onafhankelijk kredietbemiddelaar werkt.
2. Indien de kredietbemiddelaar met in
achtneming van artikel 4:74 van de Wet op het financieel toezicht de
consument voor zijn dienstverlening een vergoeding in rekening brengt,
maakt hij het bedrag van de vergoeding kenbaar aan de consument. Het
bedrag van de vergoeding wordt voor sluiting van de kredietovereenkomst
tussen de consument en de kredietbemiddelaar overeengekomen op papier of
een andere duurzame drager.
3. De kredietbemiddelaar is verplicht de
vergoeding die de consument aan hem dient te betalen voor zijn
dienstverlening, mee te delen aan de kredietgever teneinde het jaarlijks
kostenpercentage te kunnen berekenen.
4. Indien de kredietbemiddelaar niet aan
zijn in de leden 1 tot en met 3 bedoelde verplichtingen voldoet, is de
consument geen vergoeding voor zijn dienstverlening verschuldigd.
Afdeling 6. Slotbepalingen
Artikel 73
1. Van het bepaalde bij deze titel kan
niet ten nadele van de consument worden afgeweken.
2. De consument kan de hem krachtens deze
titel toegekende bescherming niet worden ontzegd, door overeenkomsten
een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of
kredietovereenkomsten die onder de Richtlijn vallen op te nemen in
overeenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de
werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.
3. Aan de consument kan, indien de
kredietovereenkomst een nauwe band heeft met het grondgebied van een of
meer lidstaten van de Europese Unie, de hem krachtens de Richtlijn door
het recht van die staat toegekende bescherming niet worden onthouden,
ongeacht het recht dat de kredietovereenkomst beheerst.
Titel 3. Schenking
Artikel 175
1. Schenking is de overeenkomst om niet,
die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen
vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.
2. Het tot een bepaalde persoon gericht
schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze na er van kennis te
hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen.
Artikel 176
lndien de schenker feiten stelt waaruit
volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand
gekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het
tegendeel op de begiftigde, tenzij van de schenking een notariële akte is
opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden
in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.
Artikel 177
1. Voor zover een schenking de strekking
heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden
uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is
uitgevoerd, vervalt zij met het overlijden van de schenker, tenzij de
schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking
een notariële akte is opgemaakt. Voor zover de schenking betrekking
heeft op kleren, lijfstoebehoren, bepaalde lijfsieraden, bepaalde tot de
inboedel behorende zaken en bepaalde boeken, kan worden volstaan met een
door de schenker geheel met de hand geschreven, gedagtekende en
ondertekende onderhandse akte.
2. Indien een bevoegdheid is bedongen tot
herroeping van een schenkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1, kan deze
herroeping behalve bij een tot de begiftigde gerichte verklaring ook bij
een uiterste wilsbeschikking van de schenker zonder mededeling aan de
begiftigde geschieden.
Artikel 178
1. Een schenking is vernietigbaar, indien
zij gedurende een ziekte van de schenker wordt gedaan hetzij aan een
beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg die
hem bijstand verleent, hetzij aan een geestelijk verzorger die hem
gedurende de ziekte bijstaat.
2. Ook is een schenking vernietigbaar
indien zij gedurende een verblijf van de schenker in een voor de
verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde
instelling wordt gedaan aan degene die de instelling exploiteert of die
daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is.
3. Artikel 62 leden 2 en 3 van Boek 4 is
van overeenkomstige toepassing.
4. De bevoegdheid tot vernietiging op
grond van de leden 1 en 2 verjaart drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde
ziekte, onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is geëindigd.
5. Na het overlijden van de schenker kan
de vernietiging van de schenking op grond van lid 1 of lid 2 mede
plaatsvinden door een ieder die door de schenking nadeel lijdt. De
vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is tot opheffing
van het nadeel van degene die zich op de vernietigingsgrond beroept. Een
rechtsvordering tot vernietiging ingevolge de eerste zin verjaart op een
met overeenkomstige toepassing van artikel 54 van Boek 4 te bepalen
tijdstip, en in ieder geval drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte,
onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is geëindigd.
Artikel 179
1. Een aanbod tot schenking dat de
aanbieder ten tijde van zijn overlijden nog kon herroepen, komt, in
afwijking van artikel 222 van Boek 6, door zijn dood te vervallen,
tenzij uit een overeenkomst of uit het aanbod zelf het tegendeel
voortvloeit.
2. Is het aanbod bij wijze van uitloving
voor een bepaalde tijd gedaan, dan komt het door het overlijden van de
aanbieder binnen die tijd te vervallen, indien ten tijde van het
overlijden een gewichtige reden tot herroeping als bedoeld in artikel
220 lid 1 van Boek 6 bestond of het overlijden zelf een zodanige reden
oplevert; alsdan is artikel 220 lid 2 van Boek 6 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 180
Op schenkingen onder een ontbindende
voorwaarde en een daarbij aansluitende schenking onder opschortende
voorwaarde zijn de artikelen 140 lid 1 en 141 van Boek 4 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 181
1. Een aanbod tot schenking dat door de
dood van de aanbieder niet vervalt, kan niet worden aanvaard door iemand
die op het tijdstip van overlijden van de aanbieder nog niet bestond.
2. Lid 1 is niet van toepassing:
a. indien de schenker heeft bepaald
dat hetgeen hij schenkt aan een afstammeling van zijn vader of
moeder, bij het overlijden van die afstammeling of op een eerder
tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze;
b. indien de schenker heeft bepaald
dat hetgeen hij aan iemand schenkt, bij het overlijden van de
begiftigde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een
afstammeling van een ouder van de schenker, en tevens dat, indien
die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden;
c. indien de schenker heeft bepaald
dat hetgeen de begiftigde van het hem geschonkene bij zijn
overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten,
alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de
schenker in de erfelijke graad.
Artikel 182
1. Bij een aanbod tot schenking dat
schriftelijk wordt gedaan, kan worden bepaald dat het geschonkene onder
bewind zal staan.
2. Het bewind heeft dezelfde
rechtsgevolgen als een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind,
met dien verstande dat
a. de termijnen bedoeld in de
artikelen 178 leden 1 en 2, 179 lid 2 en 180 lid 2 van Boek 4,
aanvangen op het tijdstip waarop de schenking wordt uitgevoerd, en
b. het bewind, voor zover het niet in
het belang van een ander dan de begiftigde is ingesteld, ook eindigt
wanneer de schenker en de begiftigde een gemeenschappelijk besluit
tot opheffing schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen.
Artikel 183
1. Een schenker is voor gebreken in het
recht of voor feitelijke gebreken alleen aansprakelijk, wanneer hij deze
niet heeft opgegeven ofschoon zij hem bekend waren, en de begiftigde
deze gebreken niet ter gelegenheid van de aflevering van het geschonken
goed had kunnen ontdekken.
2. Deze aansprakelijkheid strekt zich,
behoudens in het geval van bedrog, niet uit tot schade geleden ten
aanzien van het geschonken goed zelf.
Artikel 184
1. In de navolgende gevallen is een
schenking, ongeacht of zij reeds is uitgevoerd, vernietigbaar:
a. indien de begiftigde in verzuim is
met de voldoening van een hem bij de schenking opgelegde
verplichting, waarvan noch de schenker noch een derde nakoming kan
vorderen;
b. indien de begiftigde opzettelijk
een misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekkingen pleegt;
c. indien een begiftigde die
wettelijk of krachtens overeenkomst verplicht is tot onderhoud van
de schenker bij te dragen, in verzuim is deze verplichting na te
komen.
2. In lid 1, onder b, wordt mede verstaan
onder misdrijf: poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een
misdrijf.
Artikel 185
1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van
de schenking op grond van artikel 184 verjaren door verloop van een
jaar, te rekenen van de dag waarop het feit dat grond tot vernietiging
oplevert, ter kennis van de schenker is gekomen.
2. Na het overlijden van de schenker kan
vernietiging van de schenking op grond van het in het vorige artikel
bepaalde slechts plaatsvinden door een rechterlijke uitspraak en, in de
gevallen genoemd in artikel 184 lid 1, onder b en c, alleen indien het
feit dat grond tot vernietiging oplevert, de dood van de schenker heeft
veroorzaakt.
Artikel 186
1. De bepalingen van deze titel zijn van
overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover
de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de
handeling zich daartegen niet verzet.
2. Als gift wordt aangemerkt iedere
handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een
ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens
verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch
daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld in de eerste
volzin niet beschouwd als gift.
Artikel 187
1. Is de begiftigde in verband met de
gift gehouden een tegenprestatie te verrichten, dan is artikel 186 lid
1, behoudens voor zover het artikel 182 betreft, van toepassing, en
gelden voorts de volgende twee leden.
2. In het geval, bedoeld in artikel 177
lid 1, vervalt de gift niet, doch is zij vernietigbaar. De vernietiging
werkt terug tot het overlijden van degene die de gift doet. De
bevoegdheid tot vernietiging vervalt indien de begiftigde tijdig een
aanvullende prestatie toezegt, die de handeling haar in artikel 186 lid
2 bedoelde strekking ontneemt. Bovendien kan de rechter op verlangen van
een erfgenaam of van de begiftigde, in plaats van de vernietiging uit te
spreken, te dien einde de gevolgen van de handeling wijzigen.
3. ls de gift vernietigbaar op grond van
artikel 178, dan is artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige
toepassing.
4. Op handelingen die ten dele als gift,
ten dele als nakoming van een natuurlijke verbintenis zijn te
beschouwen, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 188
1. De aanwijzing van een begunstigde bij
een sommenverzekering wordt, wanneer zij is aanvaard of kan worden
aanvaard, aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van
een verbintenis anders dan een uit schenking. De artikelen 177, 179,
181, 182 en187 zijn op deze giften niet van toepassing.
2. Als waarde van een gift door
begunstiging bij een sommenverzekering geldt de waarde van de daaruit
voortvloeiende rechten op uitkering. Indien de begunstiging slechts ten
dele als gift wordt aangemerkt, geldt als waarde van de gift een
evenredig deel van de waarde van de daaruit voortvloeiende rechten op
uitkering.
3. Het bedrag dat de verzekeraar
krachtens de wet of een overeenkomst met de verzekeringnemer op de
uitkering inhoudt, komt in de eerste plaats op de waarde van de gift in
mindering.
Titel 4. Huur
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 201
1. Huur is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder,
een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder
zich verbindt tot een tegenprestatie.
2. Huur kan ook op vermogensrechten
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van deze afdeling en
de afdelingen 2–4 van toepassing, voor zover de strekking van die
bepalingen of de aard van het recht zich daartegen niet verzet.
3. De pachtovereenkomst wordt niet als
huur aangemerkt.
Artikel 202
Indien de huurder recht heeft op de
vruchten van de zaak, geldt dit recht als een genotsrecht als bedoeld in
artikel 17 van Boek 5. De huurder verkrijgt dit recht van de dag van
ingang van de huur af met dien verstande dat burgerlijke vruchten van dag
tot dag berekend worden.
Afdeling 2. Verplichtingen van de
verhuurder
Artikel 203
De verhuurder is verplicht de zaak ter
beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het
overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 204
1. De verhuurder heeft met betrekking tot
gebreken van de zaak de in deze afdeling omschreven verplichtingen.
2. Een gebrek is een staat of eigenschap
van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen
omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan
verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag
verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de
overeenkomst betrekking heeft.
3. Een feitelijke stoornis door derden
zonder bewering van recht als bedoeld in artikel 211 en een bewering van
recht zonder feitelijke stoornis zijn geen gebreken in de zin van lid 2.
Artikel 205
De uit deze afdeling voortvloeiende rechten
van de huurder komen aan deze toe, onverminderd alle andere rechten en
vorderingen.
Artikel 206
1. De verhuurder is verplicht op
verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is
of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet
van de verhuurder zijn te vergen.
2. Deze verplichting geldt niet ten
aanzien van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de
huurder krachtens artikel 217 verplicht is, en ten aanzien van gebreken
voor het ontstaan waarvan de huurder jegens de verhuurder aansprakelijk
is.
3. Is de verhuurder met het verhelpen in
verzuim, dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor
gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder
verhalen, desgewenst door deze in mindering van de huurprijs te brengen.
Hiervan kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 207
1. De huurder kan in geval van
vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan
evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij
van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of
waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen
over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.
2. De huurder heeft geen aanspraak op
huurvermindering terzake van gebreken die hij krachtens artikel 217
verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de
verhuurder aansprakelijk is.
Artikel 208
Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming
van de verplichting van artikel 206 is de verhuurder tot vergoeding van de
door een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het
aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen,
alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was
en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de
huurder heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 209
Van de artikelen 206, leden 1 en 2, 207 en
208 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het
gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst
kende of had behoren te kennen.
Artikel 210
1. Indien een gebrek dat de verhuurder
ingevolge artikel 206 niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de
huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt, is zowel de huurder
als de verhuurder bevoegd de huur op de voet van artikel 267 van Boek 6
te ontbinden.
2. Een verplichting van een der partijen
tot schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede de door het
eindigen van de huur ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.
Artikel 211
1. Wanneer tegen de huurder door een
derde een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van
een recht waarmee de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft,
ingevolge die overeenkomst niet belast had mogen zijn, is de verhuurder
na kennisgeving daarvan door de huurder gehouden in het geding te komen
ten einde de belangen van de huurder te verdedigen.
2. De verhuurder moet aan de huurder alle
door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de kennisgeving
niet onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving ontstane
kosten.
3. Wanneer tegen de onderhuurder een
vordering betreffende het ondergehuurde wordt ingesteld door de
hoofdverhuurder, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
op de onderverhuurder. Voor de toepassing van artikel 2.9.5 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze vordering
gelijkgesteld aan een vordering tot uitwinning.
Afdeling 3. De verplichtingen van de
huurder
Artikel 212
De huurder is verplicht de tegenprestatie
op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 213
De huurder is verplicht zich ten aanzien
van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen.
Artikel 214
De huurder is slechts bevoegd tot het
gebruik van de zaak dat is overeengekomen, en, zo daaromtrent niets is
overeengekomen, tot het gebruik waartoe de zaak naar zijn aard bestemd is.
Artikel 215
1. De huurder is niet bevoegd de
inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te
veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij
het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur
zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en
verwijderd.
2. Indien het de huur van woonruimte
betreft, verleent de verhuurder binnen acht weken de toestemming in
ieder geval, indien de voorgenomen veranderingen de verhuurbaarheid van
het gehuurde niet schaden, dan wel niet leiden tot een waardedaling van
het gehuurde.
3. Indien de verhuurder de toestemming
niet verleent, kan de huurder vorderen dat de rechter hem zal machtigen
tot het aanbrengen van de veranderingen. Indien de verhuurder niet
tevens de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van de zaak is, draagt
de verhuurder ervoor zorg dat ook de eigenaar, vruchtgebruiker of
erfpachter tijdig in het geding wordt geroepen. Indien op de zaak een
hypotheek rust, bestaat deze verplichting tevens ten aanzien van de
hypotheekhouder.
4. De rechter wijst de vordering in ieder
geval toe, indien de verhuurder op grond van lid 2 toestemming had
behoren te geven. In andere gevallen wijst hij de vordering slechts toe,
indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van
het gehuurde door de huurder of het woongenot verhogen en geen
zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de verhuurder zich tegen het
aanbrengen daarvan verzetten.
5. De rechter kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen; hij kan op vordering
van de verhuurder de huurprijs verhogen, indien de veranderingen daartoe
aanleiding geven.
6. Van de voorgaande leden kan niet ten
nadele van de huurder worden afgeweken, tenzij het de buitenzijde van
gehuurde woonruimte betreft.
Artikel 216
1. De huurder is tot de ontruiming
bevoegd door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te
maken, mits daarbij het gehuurde in de toestand wordt gebracht, die bij
het einde van de huur redelijkerwijs in overeenstemming met de
oorspronkelijke kan worden geacht.
2. De huurder is niet verplicht tot het
ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen,
onverminderd de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van artikel
215 lid 5 de verplichting op te leggen hiervoor vóór de ontruiming van
het gehuurde zorg te dragen.
3. De huurder kan ter zake van
geoorloofde veranderingen en toevoegingen die na het einde van de
huurovereenkomst niet ongedaan worden gemaakt, vergoeding vorderen voor
zover artikel 212 van Boek 6 dat toestaat.
Artikel 217
De huurder is verplicht te zijnen koste de
kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn geworden door
het tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting
tot het verhelpen van gebreken.
Artikel 218
1. De huurder is aansprakelijk voor
schade aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen
tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de
huurovereenkomst.
2. Alle schade wordt vermoed daardoor te
zijn ontstaan, behoudens brandschade en, in geval van huur van een
gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de
buitenzijde van het gehuurde.
3. Onverminderd artikel 224 lid 2 wordt
de huurder vermoed het gehuurde in onbeschadigde toestand te hebben
ontvangen.
Artikel 219
De huurder is jegens de verhuurder op
gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen
van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn
goedvinden daarop bevinden.
Artikel 220
1. Indien gedurende de huurtijd dringende
werkzaamheden aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd of de verhuurder
krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten behoeve van een
naburig erf, moet de huurder daartoe gelegenheid geven, onverminderd
zijn aanspraken op vermindering van de huurprijs, op ontbinding van de
huurovereenkomst en op schadevergoeding.
2. Lid 1 is van overeenkomstige
toepassing wanneer de verhuurder met voortzetting van de
huurovereenkomst wil overgaan tot renovatie van de gebouwde onroerende
zaak waarop die overeenkomst betrekking heeft, en daartoe aan de huurder
een, gelet op het belang van de verhuurder en de belangen van de huurder
en eventuele onderhuurders, redelijk voorstel doet. Een dergelijk
voorstel wordt schriftelijk gedaan. Onder renovatie wordt zowel sloop
met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke vernieuwing door verandering
of toevoeging verstaan.
3. Indien de renovatie tien of meer
woningen of bedrijfsruimten die een bouwkundige eenheid vormen, betreft
wordt het in lid 2 bedoelde voorstel vermoed redelijk te zijn, wanneer
70% of meer van de huurders daarmee heeft ingestemd. De huurder die niet
met het voorstel heeft ingestemd, kan binnen acht weken na de
schriftelijke kennisgeving van de verhuurder aan hem dat 70% of meer van
de huurders met het voorstel heeft ingestemd een beslissing van de
rechter vorderen omtrent de redelijkheid van het voorstel.
4. De voorgaande leden doen niet af aan
de bevoegdheid van de verhuurder om de huurovereenkomst op te zeggen op
de grond dat hij de zaak dringend nodig heeft voor renovatie, voor zover
zulks kan worden gebracht onder de wettelijke opzeggingsgronden die
gelden voor een gebouwde onroerende zaak als waarop de huurovereenkomst
betrekking heeft.
5. Indien verhuizing noodzakelijk is in
verband met de voorgenomen renovatie, bedoeld in lid 2, derde zin, van
woonruimte als bedoeld in artikel 233draagt de verhuurder bij in de
kosten die de verhuizing voor de huurder meebrengt.
6. De minimumbijdrage in de verhuis- en
inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen als bedoeld
in artikel 234, en woonwagens en standplaatsen als bedoeld in de
artikelen 235 en 236, wordt bij ministeriële regeling van de Minister
voor Wonen, Wijken en Integratie vastgesteld en zal jaarlijks voor 1
maart worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe
aanleiding geeft. Het in de eerste zin genoemde bedrag wordt afgerond op
hele euro’s.
7. De verhuurder kan eventuele door de
gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen voor
verhuis- of inrichtingskosten in mindering brengen op de hoogte van de
bijdrage, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 221
De huurder is bevoegd het gehuurde geheel
of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij moest
aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander
redelijke bezwaren zal hebben.
Artikel 222
Indien de huurder gebreken aan de zaak
ontdekt of derden hem in zijn genot storen of enig recht op de zaak
beweren, moet hij daarvan onverwijld aan de verhuurder kennis geven, bij
gebreke waarvan hij verplicht is aan de verhuurder de door de nalatigheid
ontstane schade te vergoeden.
Artikel 223
De huurder van een onroerende zaak of een
gedeelte daarvan is, indien de verhuurder tot verhuur na afloop van
lopende huur of tot verkoop wenst over te gaan, verplicht te dulden dat
aan de zaak de gebruikelijke kennisgevingen van het te huur of te koop
zijn worden aangebracht, en aan belangstellenden gelegenheid te geven tot
bezichtiging.
Artikel 224
1. De huurder is verplicht het gehuurde
bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te
stellen.
2. Indien tussen de huurder en verhuurder
een beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is de huurder gehouden
de zaak in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de
beschrijving is aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen
en toevoegingen en hetgeen door ouderdom is teniet gegaan of beschadigd.
Indien geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens
tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen
zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst.
Artikel 225
Houdt de huurder na het einde van de huur
het gehuurde onrechtmatig onder zich, dan kan de verhuurder over de tijd
dat hij het gehuurde mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de
huurprijs, onverminderd, indien zijn schade meer dan deze vergoeding
bedraagt, zijn recht op dit meerdere.
Afdeling 4. De overgang van de huur bij
overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur
Artikel 226
1. Overdracht van de zaak waarop de
huurovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van een
zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak
waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, door de verhuurder doen de
rechten en verplichtingen van de verhuurder uit de huurovereenkomst, die
daarna opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger.
2. Overdracht door een schuldeiser van de
verhuurder wordt met overdracht door de verhuurder gelijkgesteld.
3. De verkrijger wordt slechts gebonden
door die bedingen van de huurovereenkomst, die onmiddellijk verband
houden met het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de
huurder te betalen tegenprestatie.
4. Bij huur van een gebouwde onroerende
zaak of een gedeelte daarvan alsmede van een woonwagen in de zin van
artikel 235 en van een standplaats in de zin van artikel 236, kan niet
van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 227
In geval van vestiging of overdracht van
een beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet onder artikel 226 lid 1
is begrepen, is de gerechtigde jegens de huurder verplicht zich te
onthouden van een uitoefening van dat recht, die het gebruik door de
huurder belemmert.
Artikel 228
1. Een huur voor bepaalde tijd aangegaan,
eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd
is verstreken.
2. Een huur voor onbepaalde tijd
aangegaan of voor onbepaalde tijd verlengd eindigt door opzegging. Heeft
de huur betrekking op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch
bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor
huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand.
Artikel 229
1. De dood van de huurder of de
verhuurder doet de huur niet eindigen.
2. Indien de erfgenamen van de huurder
niet bevoegd zijn de zaak aan een ander in gebruik te geven, kunnen zij,
onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner in het geval
zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld,
gedurende zes maanden na het overlijden van hun erflater de overeenkomst
op een termijn van tenminste een maand opzeggen.
3. Indien een huurder twee of meer
erfgenamen nalaat, is de verhuurder verplicht zijn medewerking te
verlenen aan de toedeling van de rechten en verplichtingen van de
overleden huurder uit de huurovereenkomst door de gezamenlijke
erfgenamen aan een of meer van hen, tenzij de verhuurder tegen een of
meer van de aangewezenen redelijke bezwaren heeft. De eerste zin is niet
van toepassing indien de nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 is
verdeeld.
Artikel 230
Indien na afloop van een huurovereenkomst
de huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het gehuurde
behoudt, wordt daardoor, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de
overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij was aangegaan, voor onbepaalde
tijd verlengd.
Artikel 230a
1. Heeft de huur betrekking op een
gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan en is die zaak of dat
gedeelte noch woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel,
dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter
verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te
verlengen. Het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na het
tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd.
2. Het eerste lid geldt niet in geval de
huurder zelf de huur heeft opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging
daarvan heeft toegestemd of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet
nakoming van zijn verplichtingen.
3. De verhuurder kan niet verlangen dat
de huurder voor het einde van de in lid 1 bedoelde termijn tot
ontruiming overgaat. De indiening van het verzoek schorst de
verplichting om tot ontruiming over te gaan, totdat op het verzoek is
beslist.
4. Het verzoek wordt slechts toegewezen
indien de belangen van de huurder en van de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, door de ontruiming ernstiger worden
geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door
de huurder. Het verzoek wordt niettemin afgewezen, indien de verhuurder
aannemelijk maakt dat van hem wegens onbehoorlijk gebruik van het
verhuurde, wegens ernstige overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf
aangedaan, of wegens wanbetaling niet gevergd kan worden dat de huurder
langer het recht op het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt.
5. De verlenging kan worden uitgesproken
voor een termijn van ten hoogste een jaar na het eindigen van de
overeenkomst. Deze termijn kan op verzoek van de huurder nog tweemaal
telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. Het verzoek tot
verlenging moet uiterlijk een maand voor het verstrijken van de termijn
worden ingediend. Lid 3, tweede zin, en lid 4 zijn van toepassing.
6. Zo partijen het niet eens zijn over de
som die de huurder gedurende de termijn waarmee de verlenging heeft
plaats gevonden, voor het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan
verplicht is te betalen, stelt rechter deze som vast op een, gezien het
huurpeil ter plaatse, redelijk bedrag. Hij kan, zo een der partijen dit
verzoekt, te dier zake een voorlopige voorziening treffen. Voor het
overige blijven gedurende deze termijn de rechten en verplichtingen uit
de huurovereenkomst tussen partijen van kracht.
7. Bij afwijzing van het verzoek stelt de
rechter het tijdstip van ontruiming vast. De beschikking geldt als een
veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
8. Tegen een beschikking krachtens dit
artikel staat geen hogere voorziening open.
9. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de huurder worden afgeweken.
10. De leden 1–9 zijn niet van
toepassing, wanneer de overeenkomst tevens aan de omschrijving voldoet
van een overeenkomst als bedoeld inartikel 50a, onderdelen c of f.
Artikel 231
1. Ontbinding van een huurovereenkomst
met betrekking tot een gebouwde onroerende zaak alsmede een woonwagen in
de zin van artikel 235 en een standplaats in de zin van artikel 236 op
de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn
verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter, behoudens in het
geval van lid 2 en van artikel 210.
2. De verhuurder kan de overeenkomst op
de voet van artikel 267 van Boek 6 ontbinden op de grond dat door
gedragingen in het gehuurde de openbare orde is verstoord en het
gehuurde deswege op grond van artikel 174a van de Gemeentewet dan wel op
grond van een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet is
gesloten, door gedragingen in zodanig gebouw in strijd met artikel 2 of
3 van de Opiumwet is gehandeld en het desbetreffende gebouw deswege op
grond van artikel 13b van die wet is gesloten, of zodanig gebouw op
grond van artikel 17 van de Woningwet is gesloten.
3. Van lid 1 kan niet ten nadele van de
huurder worden afgeweken.
Afdeling 5. Huur van woonruimte
Onderafdeling 1. Algemeen
Artikel 232
1. Deze afdeling is uitsluitend van
toepassing op huur van woonruimte.
2. Deze afdeling is niet van toepassing
op huur welke een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard
slechts van korte duur is.
3. De artikelen 206 lid 3, 270, 271 lid
4, 272, 273, 274, 275, 276, 277 en 281 zijn gedurende negen maanden na
het ingaan van de overeenkomst niet van toepassing op huur van
woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van
een woning waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft en waarin niet
eerder aan dezelfde huurder deze of andere woonruimte is verhuurd
geweest.
4. De artikelen 206 lid 3, 269 lid 1 en
2, 270, 271 tot en met 277, 278 leden 1 en 2 en 281 zijn niet van
toepassing op de huur van woonruimte in gebouwen, welke aan een gemeente
toebehoren en ten tijde van het aangaan van de overeenkomst voor afbraak
zijn bestemd.
Artikel 233
Onder woonruimte wordt verstaan een
gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet
zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats,
alsmede de onroerende aanhorigheden.
Artikel 234
Onder zelfstandige woning wordt verstaan de
woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen
zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de
woning.
Artikel 235
Onder woonwagen wordt verstaan een voor
bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats, in zijn
geheel of in delen kan worden verplaatst en waarvoor een
omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
verleend.
Artikel 236
Onder standplaats wordt verstaan een kavel,
bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig
zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere
instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.
Artikel 237
1. In deze afdeling wordt onder prijs
verstaan het geheel van de verplichtingen die de huurder tegenover de
verhuurder bij of ter zake van huur op zich neemt.
2. Onder huurprijs wordt verstaan de
prijs die is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woonruimte.
3. Onder servicekosten wordt verstaan de
vergoeding voor de in verband met de bewoning van de woonruimte
geleverde zaken en diensten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
zaken en diensten worden aangewezen waarvoor de vergoeding moet worden
aangemerkt als servicekosten.
Artikel 238
Onder huurcommissie wordt verstaan de
huurcommissie bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte.
Artikel 239
Onder Onze Minister wordt verstaan de
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie.
Artikel 240
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
herstellingen worden aangewezen die moeten worden aangemerkt als kleine
herstellingen die krachtens artikel 217 voor rekening van de huurder zijn.
Van de krachtens het onderhavige artikel vastgestelde bepalingen kan niet
ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 241
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke tekortkomingen in elk geval als gebreken
worden aangemerkt. Van de krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen
kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 242
1. Behoudens bij standaardregeling
bedoeld in artikel 214 van Boek 6 kan niet ten nadele van de huurder
worden afgeweken van de artikelen 204, 206 leden 1 en 2, 207, 208 en
217, tenzij het gaat om herstellingen aan door de huurder aangebrachte
veranderingen en toevoegingen of gebreken aan door de huurder
aangebrachte veranderingen en toevoegingen.
2. Van de artikelen 216 lid 3, 224 lid 2
en 230 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 243
1. Indien woonruimte in een gebouwde
onroerende zaak voorzieningen behoeft als bedoeld in lid 2, kan de
rechter op verzoek van de huurder bepalen dat de verhuurder verplicht is
deze verbetering op eigen kosten aan te brengen, mits de huurder zich
bereid heeft verklaard tot het betalen van een huurverhoging die in
redelijke verhouding staat tot deze kosten. Van deze bepaling kan niet
ten nadele van de huurder worden afgeweken.
2. Voorzieningen als bedoeld in lid 1
zijn:
a. het thermisch isoleren van de
uitwendige scheidingsconstructies;
b. het thermisch isoleren van de
constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte;
c. het ten behoeve van de
verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een
opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande
verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
Artikel 244
In afwijking van artikel 221 is de huurder
van woonruimte niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een
ander in gebruik te geven. De huurder van een zelfstandige woning die in
die woning zijn hoofdverblijf heeft, is echter bevoegd een deel daarvan
aan een ander in gebruik te geven.
Artikel 245
In de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
worden nadere regels gegeven aangaande huurprijzen en andere vergoedingen.
Onderafdeling 2. Huurprijzen en andere
vergoedingen
Paragraaf 1. Huurprijzen
Artikel 246
Ter zake van huur gelden de huurprijzen die
partijen zijn overeengekomen, voorzover uit deze onderafdeling niet anders
voortvloeit.
Artikel 247
De volgende artikelen van deze
onderafdeling zijn, behoudens de artikelen 249, 251, 259, 261 lid 1 en
264, niet van toepassing op een overeenkomst van huur en verhuur, die
betrekking heeft op een zelfstandige woning, ten aanzien waarvan bij de
aanvang van de bewoning een huurprijs gold of geldt, die, indien nodig
herleid tot een bedrag per jaar, hoger is dan het krachtens artikel 3 lid
2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgesteld bedrag, indien
a. die overeenkomst op of na 1 juli
1994 is totstandgekomen, dan wel,
b. die overeenkomst betrekking heeft op
een woning die is totstandgekomen op of na 1 juli 1989.
Artikel 248
1. De huurprijs kan worden verhoogd
hetzij op grond van een beding in de huurovereenkomst dat in deze
wijziging voorziet, hetzij indien een dergelijk beding niet van kracht
is, op de wijze als voorgeschreven in de artikelen 252 en 253. Gedurende
het bestaan van een dergelijk beding is toepassing van de artikelen 252
en 253 uitgesloten. Indien een dergelijk beding niet meer van kracht is,
kan vanaf een tijdvak van twaalf maanden na het tijdstip waarop
laatstelijk toepassing is gegeven aan het beding, aan de hiervoor
genoemde artikelen toepassing worden gegeven.
2. Leidt toepassing van een beding als
bedoeld in lid 1 tot verhoging van de huurprijs met een hoger percentage
dan het door Onze Minister vastgestelde maximale
huurverhogingspercentage als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, dan is het beding nietig
voorzover zij tot dit hogere percentage leidt en geldt de huurprijs als
verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde maximale
huurverhogingspercentage.
Artikel 249
De huurder kan tot uiterlijk zes maanden na
het tijdstip waarop een door hem met betrekking tot die woonruimte voor de
eerste maal aangegane huurovereenkomst is ingegaan, de huurcommissie
verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen
huurprijs.
Artikel 250
1. De huurprijs kan op verzoek van de
verhuurder worden verhoogd op de wijze voorgeschreven in de artikelen
252 en 253:
a. gedurende het eerste tijdvak van
twaalf maanden na de dag van ingang van de huur ten hoogste eenmaal,
en
b. telkens tegen het einde van elkaar
opvolgende tijdvakken van twaalf maanden na hetzij het ingaan van de
onder a bedoelde verhoging, hetzij bij gebreke van zodanige
verhoging de dag van ingang van de huur.
2. Een verhoging van de huurprijs
krachtens lid 1 is niet mogelijk, zolang er tussen huurder en verhuurder
geen overeenstemming is dat de, bij toepassing van de artikelen 12 en 16
van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, geconstateerde gebreken
ten aanzien van de woonruimte zijn opgeheven.
3. In afwijking van lid 1 kan de
huurprijs worden verhoogd tegen het einde van een tijdvak dat even
zoveel korter dan twaalf maanden is als het daaraan voorafgaande tijdvak
langer dan twaalf maanden is geweest.
4. De huurprijs kan op verzoek van de
huurder worden verlaagd op de wijze voorgeschreven in de artikelen 252
en 254.
Artikel 251
Bepalingen in huurovereenkomsten die tot
gevolg hebben dat de huurprijs in enig tijdvak van twaalf maanden meer dan
eenmaal wordt verhoogd, zijn nietig, tenzij het gaat om het geval van
artikel 255.
Artikel 252
1. Een voorstel tot wijziging van de
huurprijs moet tenminste twee maanden voor de voorgestelde dag van
ingang van de wijziging schriftelijk worden gedaan.
2. Het in lid 1 bedoelde voorstel dient
te vermelden:
a. de geldende huurprijs;
b. het percentage of het bedrag van
de wijziging van de huurprijs;
c. de voorgestelde huurprijs;
d. de voorgestelde dag van ingang van
de voorgestelde huurprijs;
e. de wijze waarop en het tijdvak
waarbinnen de huurder, wanneer hij bezwaren heeft tegen het
voorstel, daarvan kan doen blijken, en de gevolgen die deze
onderafdeling verbindt aan het niet doen blijken van bezwaren.
3. Voor het doen van een voorstel tot
verlaging van de huurprijs dient een waardering van de kwaliteit van de
woonruimte als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte te worden verstrekt.
4. Indien een overeenkomst tot wijziging
van de huurprijs tot stand komt naar aanleiding van een voorstel
daartoe, dat niet voldoet aan lid 1 en lid 2 aanhef en onder b, d of e
dan wel aan het in lid 3 bepaalde, blijft de voordien geldende huurprijs
verschuldigd, tenzij blijkt dat degene tot wie het voorstel was gericht
niet door het verzuim is benadeeld.
Artikel 253
1. Indien de huurder voor het tijdstip
waarop de verhoging van de huurprijs blijkens het voorstel had moeten
ingaan, schriftelijk verklaart met het voorstel van de verhuurder niet
in te stemmen, kan de verhuurder tot zes weken na dat tijdstip onder
overlegging van een afschrift van dat voorstel en van voornoemde
verklaring van de huurder de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen
over de redelijkheid van het voorstel.
2. De huurder kan de huurcommissie binnen
drie maanden na het in lid 1 bedoelde tijdstip verzoeken uitspraak te
doen over de redelijkheid van het voorstel, indien:
a. hij noch vóór het in lid 1
bedoelde tijdstip de daar bedoelde schriftelijke verklaring doet,
noch door het betalen van de voorgestelde huurverhoging doet blijken
met die verhoging in te stemmen, en
b. de verhuurder hem binnen zes weken
na het in lid 1 bedoelde tijdstip bij aangetekend schrijven nogmaals
van het voorstel in kennis heeft gesteld, waarbij een afschrift van
het voorstel is gevoegd, en hij met het voorstel tot huurverhoging
niet instemt.
De huurder legt bij dit verzoek een
afschrift over van het voorstel en van dat schrijven.
3. De huurder wordt geacht de
voorgestelde verhoging van de huurprijs met ingang van de in het
voorstel genoemde datum van ingang met de verhuurder te zijn
overeengekomen indien hij, na ontvangst van het in het tweede lid
bedoelde schrijven, niet binnen drie maanden na die datum van ingang een
verzoek tot de huurcommissie heeft gericht.
4. Indien de huurder het in het tweede
lid bedoelde verzoek doet, stelt de huurcommissie de verhuurder daarvan
onverwijld in kennis.
5. Indien de verhuurder een voorstel als
bedoeld in artikel 252 lid 1 aanhef bij aangetekend schrijven heeft
gedaan, kan hij, indien voldaan is aan lid 2 onder a, binnen zes weken
na het in lid 1 bedoelde tijdstip de huurcommissie verzoeken uitspraak
te doen over de redelijkheid van het voorstel. De verhuurder legt bij
dit verzoek een afschrift over van het voorstel en een bewijs van
aangetekende verzending.
Artikel 254
Indien de verhuurder met een voorstel van
de huurder tot verlaging van de huurprijs niet instemt, kan de huurder tot
uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop de verlaging blijkens het
voorstel had moeten ingaan, de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen
over de redelijkheid van het voorstel.
Artikel 255
1. De huurprijs van woonruimte waarin of
waaraan gedurende de huurtijd door of vanwege de verhuurder:
a. voorzieningen zijn aangebracht die
verband houden met een maatregel die gericht is op het opheffen of
verminderen van beperkingen die een gehandicapte, bij het normale
gebruik van zijn woonruimte ondervindt, in de kosten waarvan
ingevolge enige wettelijke regeling een financiële tegemoetkoming
is verleend, of
b. veranderingen of toevoegingen,
waaronder niet wordt verstaan het verhelpen van gebreken als bedoeld
in artikel 204, zijn aangebracht, waardoor het woongerief geacht kan
worden te zijn gestegen en die niet ingrepen zijn als bedoeld onder
a,
is de huurprijs, vermeerderd met een
bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder
gemaakte kosten van deze ingrepen, veranderingen of toevoegingen met
dien verstande dat de nieuwe huurprijs niet hoger mag zijn dan die
welke bij toepassing van de regels bedoeld in artikel 10 lid 1 van
de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte als redelijk is aan te
merken.
2. Indien partijen geen overeenstemming
hebben kunnen bereiken over het bedrag van de verhoging, kan ieder van
hen binnen drie maanden na de totstandkoming van de ingrepen,
veranderingen of toevoegingen de huurcommissie verzoeken daarover een
uitspraak te doen.
3. Onder gehandicapte in het eerste lid
wordt verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek
aantoonbare beperkingen ondervindt.
Artikel 256 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 257
1. Voor de vordering van de huurder tot
vermindering van de huurprijs op grond van artikel 207 lid 1 in
verbinding met artikel 242 geldt een met inachtneming van de volgende
leden toe te passen vervaltermijn van zes maanden na de aanvang van de
dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek kennis heeft gegeven
aan de verhuurder.
2. Is de vordering van de huurder gegrond
op een tekortkoming die krachtens artikel 241 als een gebrek heeft te
gelden, dan kan de huurder, in plaats van zijn vordering binnen de in
lid 1 bedoelde termijn bij de rechter in te stellen, binnen zes maanden
na de aanvang van de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek
heeft kennis gegeven aan de verhuurder, de huurcommissie verzoeken over
de vermindering uitspraak te doen overeenkomstig de in artikel 16 lid 2
van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde algemene maatregel
van bestuur. De huurder kan eerst een verzoek tot de huurcommissie
richten, indien de verhuurder niet binnen zes weken na de aanvang van de
dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek kennis heeft gegeven
aan de verhuurder, het gebrek heeft verholpen.
3. Na het verstrijken van de in de
voorgaande leden bedoelde termijn van zes maanden kan, voor wat het
verleden betreft, geen huurvermindering worden verlangd over een langere
periode dan zes maanden, voorafgaande aan het instellen van de vordering
of het indienen van het verzoek.
Paragraaf 2. Andere vergoedingen
Artikel 258
Indien de huurovereenkomst meer omvat dan
het enkele gebruik van de woonruimte en bij die overeenkomst slechts de
hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs is vastgesteld, stelt de
huurcommissie op verzoek van de huurder de huurprijs vast en het
voorschotbedrag voor de servicekosten. Een dergelijk verzoek kan ook door
de verhuurder worden gedaan, indien de overeengekomen prijs lager is dan
55% van de krachtens artikel 10 lid 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte geldende maximale huurprijsgrens.
Artikel 259
1. De betalingsverplichting van de
huurder met betrekking tot servicekosten beloopt het bedrag dat door de
huurder en verhuurder is overeengekomen of, bij gebreke van
overeenstemming, het bedrag dat in overeenstemming is met de voor de
berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften of met hetgeen als
een redelijke vergoeding voor de geleverde zaken en diensten kan worden
beschouwd.
2. De verhuurder verstrekt de huurder elk
jaar, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van een kalenderjaar, een
naar de soort uitgesplitstoverzicht van de in dat kalenderjaar in
rekening gebrachte servicekosten, met vermelding van de wijze van
berekening daarvan. Indien aan de verhuurder kosten in rekening worden
gebracht die niet een kalenderjaar betreffen, maar een andere periode
van twaalf maanden, die een boekjaar vormt en in het verstreken
kalenderjaar eindigt, neemt de verhuurder de kosten over die andere
periode in het overzicht van dat verstreken kalenderjaar op.
3. Bij beëindiging van de
huurovereenkomst heeft het overzicht als in lid 2 bedoeld betrekking op
het tijdvak van het kalenderjaar dat op het tijdstip van de beëindiging
reeds is verstreken.
4. De verhuurder biedt de huurder
desverzocht de gelegenheid, na verstrekking van het overzicht bedoeld in
lid 2, tot inzage van de aan het overzicht ten grondslag liggende boeken
en andere bescheiden of van afschriften daarvan.
Artikel 260
1. Indien de huurder en verhuurder geen
overeenstemming hebben kunnen bereiken over een betalingsverplichting
van de huurder met betrekking tot servicekosten, kan de huurder of
verhuurder de huurcommissie verzoeken uitspraak daarover te doen.
2. Het verzoek heeft betrekking op niet
meer dan één tijdvak van ten hoogste twaalf maanden voor elke
kostensoort waarop het verzoek betrekking heeft. Het verzoek kan worden
gedaan tot uiterlijk vierentwintig maanden nadat de in artikel 259 lid 2
genoemde termijn voor het verstrekken van het overzicht door de
verhuurder is verstreken.
Artikel 261
1. Het voorschotbedrag dat de huurder
krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak ter zake van de
servicekosten verschuldigd is, mag, tenzij na het ingaan van de huur
anders is overeengekomen, slechts worden verhoogd:
a. met ingang van de dag, volgend op
het einde van de betalings-termijn waarin de overeengekomen
uitbreiding van de levering van zaken of diensten heeft
plaatsgevonden dan wel met ingang van de betalingstermijn met ingang
waarvan die uitbreiding heeft plaats gevonden;
b. met ingang van de dag, volgende op
de betalingstermijn, waarin het laatste overzicht, bedoeld in
artikel 259, aan de huurder is verstrekt met dien verstande dat elk
overzicht slechts eenmaal tot een verhoging mag leiden.
2. De huurder is gebonden aan een
wijziging van de levering van zaken of diensten en het daarbij behorende
gewijzigde voorschotbedrag, indien die wijziging betrekking heeft op
zaken of diensten die slechts aan een aantal huurders gezamenlijk
geleverd kunnen worden, en tenminste 70% van die huurders daarmee heeft
ingestemd. Een huurder die niet met de wijziging heeft ingestemd, kan
binnen acht weken na de schriftelijke kennisgeving van de verhuurder dat
overeenstemming is bereikt met tenminste 70% van de huurders, een
beslissing van de rechter vorderen omtrent de redelijkheid van het
voorstel.
3. Indien het door de huurder
verschuldigde voorschotbedrag aanzienlijk hoger is dan de te verwachten
servicekosten, kan de huurcommissie op verzoek van de huurder het
voorschotbedrag verlagen tot een bedrag dat in redelijke verhouding
staat tot die kosten.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 262
1. Wanneer de huurcommissie op een
verzoek van de huurder of verhuurder als bedoeld in de paragrafen 1 en 2
uitspraak heeft gedaan, worden zij geacht te zijn overeengekomen wat in
die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat
aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de
rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een
uitspraak was verzocht.
2. Tegen een beslissing krachtens dit
artikel is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 263
Een wijziging van de huurprijs, vastgesteld
in een uitspraak van de huurcommissie of van de rechter, mag in rekening
worden gebracht met ingang van de in het voorstel tot wijziging
voorgestelde dag dan wel indien de huurprijs is vastgesteld zonder dat
daartoe een voorstel is gedaan, de dag waarop vaststelling is verzocht aan
de huurcommissie of vaststelling is gevorderd bij de rechter. Zo in de
uitspraak een latere dag van ingang wordt vastgesteld, geldt die wijziging
met ingang van die latere dag.
Artikel 264
1. Elk in verband met de totstandkoming
van een huurovereenkomst betreffende woonruimte gemaakt beding, niet de
huurprijs betreffende, voorzover daarbij ten behoeve van een der
partijen een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is nietig.
2. Elk in verband met de totstandkoming
van een zodanige huurovereenkomst gemaakt beding, voorzover daarbij door
of tegenover een derde enig niet redelijk voordeel wordt overeengekomen,
is nietig.
Artikel 265
Van de bepalingen van deze onderafdeling
kan niet worden afgeweken, tenzij uit die bepalingen anders voortvloeit.
Onderafdeling 3. Medehuur en voortzetting
van de huur
Artikel 266
1. De echtgenoot of geregistreerde
partner van een huurder is van rechtswege medehuurder, zolang de
woonruimte de echtgenoot of geregistreerde partner tot hoofdverblijf
strekt, ongeacht of de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van
het huwelijk of van het geregistreerde partnerschap is gesloten.
2. Voor de verplichtingen uit de
huurovereenkomst, behalve voor zover deze reeds opeisbaar waren voordat
de echtgenoot of geregistreerde partner medehuurder werd, zijn de
huurder en de medehuurder jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk.
3. Indien de huurovereenkomst ten aanzien
van de huurder eindigt, wordt de medehuurder huurder.
4. Indien de in lid 1 bedoelde echtgenoot
of geregistreerde partner hetzij ingevolge een beschikking als bedoeld
in artikel 826, lid 1 onder a, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, hetzij ingevolge onderlinge overeenstemming in verband
met een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, dan wel
ingevolge beëindiging van geregistreerd partnerschap niet het gebruik
heeft van de echtelijke woning, brengt dit voor de toepassing van dit
artikel geen verandering in het hoofdverblijf.
5. In geval van echtscheiding of
scheiding van tafel en bed of beëindiging van geregistreerd
partnerschap kan de rechter op verzoek van een echtgenoot of
geregistreerde partner bepalen wie van de echtgenoten of geregistreerde
partners huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens
de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot of partner. Op
dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot of partner.
Artikel 267
1. Indien op het gezamenlijk verzoek van
een huurder en van een andere persoon die in de woonruimte zijn
hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke
huishouding heeft, alsmede van een medehuurder wanneer die er is, de
verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk heeft verklaard er mede
in te stemmen dat die andere persoon medehuurder zal zijn, kunnen de
huurder en die andere persoon, alsmede een medehuurder wanneer die er
is, gezamenlijk verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon
met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal
zijn.
2. Nadat een verzoek aan de verhuurder
als bedoeld in lid 1 is gedaan, kan een vordering tot ontbinding van de
huur op de grond dat de huurder in strijd met hetgeen overeengekomen is,
met een ander in de woonruimte een gemeenschappelijke huishouding heeft,
niet meer worden toegewezen. Deze grond levert alsdan evenmin een grond
voor opzegging van de huurovereenkomst op.
3. De rechter wijst de vordering bedoeld
in lid 1 slechts af:
a. indien de persoon bedoeld in lid 1
niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn
hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame
gemeenschappelijke huishouding heeft;
b. indien, mede gelet op hetgeen is
komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de
tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft
de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder
te verschaffen;
c. indien de persoon bedoeld in lid 1
vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een
behoorlijke nakoming van de huur.
4. Voor de verplichtingen uit de huur
zijn de persoon die de huur heeft aangegaan en ieder van de personen die
op grond van dit artikel medehuurder of huurder is, hoofdelijk jegens de
verhuurder aansprakelijk, met dien verstande dat een medehuurder niet
aansprakelijk is voor verplichtingen die reeds opeisbaar waren voordat
hij medehuurder werd.
5. De bepalingen omtrent het eindigen van
de huur zijn op de personen bedoeld in lid 4 afzonderlijk van toepassing
met dien verstande dat een persoon de hoedanigheid van medehuurder in
ieder geval verliest, indien hij zijn hoofdverblijf niet langer in de
woonruimte heeft. Indien de huur ten aanzien van de huurder eindigt,
wordt de medehuurder huurder.
6. Is ten aanzien van de woonruimte
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing, dan zet de
medehuurder in afwijking van lid 5 de huur slechts voort, indien de
rechter dit heeft bepaald op een daartoe door die persoon binnen acht
weken na het tijdstip waarop hij huurder is geworden, ingestelde
vordering en in elk geval zolang op deze vordering nog niet
onherroepelijk is beslist. De rechter wijst de vordering slechts af,
indien de eiser niet een voor hem geldende huisvestingsvergunning als
bedoeld in artikel 7 lid 1 van die wet overlegt.
7. Ieder van de personen bedoeld in lid 4
kan vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze
personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip
niet langer zullen voortzetten. De rechter wijst de vordering slechts
toe, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden
van het geval, geboden is, met dien verstande dat hij de vordering in
ieder geval toewijst, indien de eiser aantoont dat de persoon waarop de
vordering betrekking heeft, zijn positie van medehuurder heeft verkregen
op grond van een niet mede door de eiser aan de verhuurder gedaan
verzoek of van een door hem ingestelde vordering bedoeld in lid 1.
Artikel 268
1. Bij overlijden van de huurder zet de
medehuurder de huur als huurder voort. Hij kan de huur binnen zes
maanden na het overlijden bij exploot of aangetekende brief opzeggen met
ingang van de eerste dag van de tweede maand na de opzegging.
2. De persoon die niet op grond van lid 1
huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met
de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft
gehad, zet de huur voort gedurende zes maanden na het overlijden van de
huurder; de tweede zin van lid 1 is van toepassing. Hij zet de huur ook
nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe
strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk zolang op
deze vordering niet onherroepelijk is beslist.
3. De rechter wijst de vordering bedoeld
in lid 2 in ieder geval af:
a. indien de eiser niet aannemelijk
heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet;
b. indien de eiser vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van
de huur;
c. indien het woonruimte betreft
waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, indien
de eiser niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7
lid 1 van die wet overlegt.
4. Lid 4, de eerste zin van lid 5 en lid
7 van artikel 267 zijn van overeenkomstige toepassing
5. Komt vast te staan, dat een persoon
ten onrechte een beroep op voortzetting van de huur krachtens dit
artikel heeft gedaan, dan blijft hij over de tijd gedurende welke hij
het genot van de woonruimte heeft gehad jegens de verhuurder
aansprakelijk voor de nakoming van de huur die voor hem zou hebben
bestaan als hij huurder was geweest. Heeft meer dan één persoon ten
onrechte een beroep op voortzetting van de huur gedaan, dan is ieder van
hen jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk.
6. Zijn er geen personen die krachtens
dit artikel de huur voortzetten, dan eindigt deze aan het eind van de
tweede maand na het overlijden van de huurder. De erfgenamen zijn
bevoegd de huur tegen het eind van de eerste maand na het overlijden van
de huurder te doen eindigen. Wanneer de nalatenschap van de huurder
ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van
de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of
geregistreerde partner.
7. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de personen aan wie dit artikel recht op voortzetting van de huur
toekent en van de erfgenamen, onderscheidenlijk de echtgenoot of
geregistreerde partner, bedoeld in lid 6, worden afgeweken.
8. Van artikel 229 leden 1 en 3 kan niet
worden afgeweken.
Artikel 269
1. De onderhuur die betrekking heeft op
een zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft,
wordt in geval van beëindiging van de huur tussen huurder en verhuurder
voortgezet door de verhuurder.
2. De verhuurder kan binnen zes maanden
nadat hij op grond van lid 1 de onderhuur heeft voortgezet vorderen dat
de rechter zal bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te
bepalen tijdstip zal eindigen op de grond dat:
a. de wederpartij vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijk nakoming van
de huur;
b. de onderhuur is aangegaan met de
kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te
verschaffen;
c. in de gegeven omstandigheden naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud
van de huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke
woonruimte alsmede op de inhoud van de geëindigde huur tussen hem
en de huurder en de inhoud van de voortgezette huurovereenkomst,
niet van hem kan worden gevergd dat hij de huur met de wederpartij
voortzet;
d. de wederpartij indien het
woonruimte betreft waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van
toepassing is, niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in
artikel 7 lid 1 van die wet overlegt.
3. Ingeval van onderverhuur welke al dan
niet een zelfstandige woning vormt, zet degene die op grond van de
artikelen 266, 267 en 268 huurder is geworden of de huur heeft
voortgezet, als onderverhuurder de huur met de onderhuurder voort.
Artikel 270
1. De huurder die een ruil van woonruimte
wenst te bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal machtigen
om een ander in zijn plaats als huurder te stellen. Indien op de
woonruimte hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, moet
de eiser een ten behoeve van de voorgestelde huurder afgegeven
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die wet met
betrekking tot woonruimte overleggen.
2. De rechter beslist met inachtneming
van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de
vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder een zwaarwichtig
belang bij de ruil van woonruimte heeft en dat hij deze afwijst, indien
de voorgestelde huurder vanuit financieel oogpunt niet voldoende
waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. De rechter kan
aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.
3. Van deze bepaling kan niet ten nadele
van de huurder worden afgeweken.
Artikel 270a
Ingeval van voortzetting van de huur op
grond van de artikelen 266, 268 en 269 is degene die de huur voortzet,
verplicht daarvan mededeling te doen aan de verhuurder.
Onderafdeling 4. Het eindigen van de huur
Artikel 271
1. In afwijking van artikel 228 lid 1
eindigt een voor bepaalde tijd aangegane huur niet door het enkele
verloop van de huurtijd; zij kan door elk van beide partijen worden
opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag,
niet vallend voor het verstrijken van de bepaalde tijd.
2. Een voor onbepaalde tijd aangegane of
voor onbepaalde tijd verlengde huur kan door elk van beide partijen
worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs
overeengekomen dag.
3. De opzegging moet geschieden bij
exploot of bij aangetekende brief. Is in gevolge artikel 266 de
echtgenoot of geregistreerde partner van de huurder medehuurder, dan
moet de opzegging aan beide echtgenoten of geregistreerde partners
afzonderlijk worden gedaan.
4. De opzegging door de verhuurder moet
op straffe van nietigheid de gronden vermelden die tot de opzegging
hebben geleid. Een opzegging door de verhuurder op andere dan de in
artikel 274 lid 1 genoemde gronden, is nietig. De huurder moet bij de
opzegging worden gevraagd binnen zes weken aan de verhuurder mede te
delen of hij al dan niet toestemt in beëindiging van de overeenkomst.
5. Bij de opzegging moeten de volgende
termijnen in acht worden genomen:
a. bij opzegging door de huurder: een
termijn gelijk aan de tijd die tussen twee opvolgende voor betaling
van de huurprijs overeengekomen dagen verstrijkt, doch niet korter
dan een maand en niet langer dan drie maanden;
b. bij opzegging door de verhuurder:
een termijn niet korter dan drie maanden, voor elk jaar dat de
huurder krachtens overeenkomst ononderbroken het gehuurde in gebruik
heeft gehad verlengd met één maand tot ten hoogste zes maanden.
6. Een opzegging die in strijd met lid 1,
lid 3 of lid 5 onder a is gedaan en een opzegging die op een kortere
termijn is gedaan dan die van lid 5 onder b gelden niettemin als waren
zij gedaan tegen de voorgeschreven dag en met inachtneming van de
voorgeschreven termijn.
7. Elk beding waarbij in strijd met lid 5
onder a een langere opzegtermijn of waarbij in strijd met lid 5 onder b
een kortere opzegtermijn wordt overeengekomen of waarbij van andere
bepalingen van dit artikel wordt afgeweken, is nietig. Eveneens is
nietig elk beding dat de huur zonder opzegging doet eindigen.
8. Dit artikel geldt niet, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden nadat de huur is
ingegaan.
Artikel 272
1. Een opgezegde huurovereenkomst blijft,
tenzij de huurder de overeenkomst heeft opgezegd of na de opzegging door
de verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft toegestemd, na
de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van rechtswege van kracht, tot
de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de
verhuurder als in lid 2 bedoeld.
2. De verhuurder kan, indien hij zes
weken na de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling
heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst
toestemt, op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter
het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen.
Artikel 273
1. Bij zijn beslissing op de vordering
bedoeld in artikel 272 lid 2 neemt de rechter uitsluitend de in de
opzegging vermelde gronden in aanmerking.
2. Indien de rechter de vordering
afwijst, wordt de overeenkomst van rechtswege verlengd. De rechter
beslist of de overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een door hem
vast te stellen bepaalde tijd wordt verlengd.
3. Indien de rechter de vordering
toewijst, stelt hij tevens het tijdstip van ontruiming vast. De
toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 274
1. De rechter kan de vordering slechts
toewijzen
a. indien de huurder zich niet heeft
gedragen zoals een goed huurder betaamt;
b. indien de verhuurder zijn
vordering grondt op een beding als omschreven in lid 2 en aan de
eisen van dat lid is voldaan, tenzij de verhuurder geen belang meer
heeft bij de ontruiming;
c. indien de verhuurder aannemelijk
maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen
gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder
begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van
onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan
worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens
blijkt dat de huurder, met uitzondering van de huurder, bedoeld in
lid 4, andere passende woonruimte kan verkrijgen;
d. indien de huurder niet toestemt in
een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst
met betrekking tot dezelfde woonruimte, voor zover, in het geval dat
onderafdeling 2 op de opgezegde huurovereenkomst van toepassing is,
dit aanbod niet een wijziging inhoudt van de huurprijs of van de
servicekosten;
e. indien de verhuurder een krachtens
een geldend bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming wil
verwezenlijken;
f. indien de huurovereenkomst een
onzelfstandige woning betreft, die deel uitmaakt van de woning
waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft, en de verhuurder
aannemelijk maakt dat zijn belangen bij beëindiging van de huur
zwaarder wegen dan die van de huurder bij voortzetting daarvan.
2. In het geval dat uitdrukkelijk is
bedongen dat de gehuurde woonruimte na afloop van de bij dat beding
overeengekomen termijn moet worden ontruimd, kan de verhuurder
overeenkomstig lid 1 aanhef en onder b, op dat beding de in dat lid
bedoelde vordering gronden:
a. indien de verhuurder die de
woonruimte niet zelf heeft bewoond, noch deze eerder heeft verhuurd,
na afloop van die termijn de woning zelf wil betrekken;
b. indien de verhuurder die zelf de
vorige bewoner van de woonruimte is, na afloop van die termijn die
woonruimte zelf opnieuw wil betrekken;
c. indien de verhuurder jegens wie de
vorige huurder het recht heeft verkregen na afloop van die termijn
de woning opnieuw te betrekken, deze huurder daartoe gelegenheid wil
geven.
3. Onder eigen gebruik in de zin van lid
1 onder c, wordt mede begrepen:
a. renovatie van woonruimte die
zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, en
b. het verstrekken van een
zelfstandige woning aan een gehandicapte, indien die woning:
1°. reeds bij de bouw ervan was
ingericht en bestemd voor bewoning door een gehandicapte, dan
wel
2°. na de bouw met geldelijke
steun op grond van enige wettelijke regeling aangepast is ten
behoeve van bewoning door een gehandicapte;
c. het verstrekken aan een oudere van
een zelfstandige woning welke onderdeel uitmaakt van een complex van
zelfstandige woningen, welk complex reeds bij de bouw ervan was
ingericht en bestemd voor de bewoning door ouderen.
Bij de beoordeling van de vraag of andere
woonruimte voor de huurder passend is, houdt de rechter geen rekening
met de bijdragen van het Rijk, die de huurder ter tegemoetkoming in de
kosten, verbonden aan het genot van een woning, kan verkrijgen.
4. Onder eigen gebruik in de zin van lid
1 onder c, wordt bovendien mede begrepen het verstrekken van woonruimte
aan een student, indien:
1°. die woonruimte krachtens de
huurovereenkomst bestemd is voor studenten, als bedoeld in dit lid;
2°. de huurder, tegen wie de in lid
1 bedoelde vordering is ingesteld, niet heeft voldaan aan een
schriftelijk verzoek van de verhuurder, dat deze jaarlijks kan doen,
om binnen drie maanden een kopie van het bewijs van zijn
inschrijving aan een instelling, universiteit of hogeschool als
bedoeld in dit lid inzake het lopende studiejaar over te leggen, en
3°. in de huurovereenkomst met de
huurder tegen wie de in lid 1 bedoelde vordering is ingesteld, is
bepaald dat die woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst
opnieuw aan een student als bedoeld in dit lid zal worden verhuurd.
Onder student wordt in dit lid verstaan
een deelnemer die is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in
artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of
een student die is ingeschreven aan een universiteit of hogeschool als
bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
5. Een vordering, gegrond op eigen
gebruik in de zin van lid 1 onder c is niet toewijsbaar
a. ten aanzien van woonruimte waarop
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, zolang de
verhuurder geen huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid
1 van die wet overlegt behoudens het geval dat het eigen gebruik in
iets anders bestaat dan bewoning;
b. indien de verhuurder de
rechtsopvolger van de vorige verhuurder is en de opzegging is
geschied binnen drie jaar nadat de rechtsopvolging schriftelijk ter
kennis van de huurder is gebracht.
6. In de gevallen bedoeld in lid 1 onder
a en d kan de rechter, voordat hij de vordering toewijst, aan de huurder
een termijn van ten hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn
verplichtingen te voldoen of het aanbod te aanvaarden.
7. Onder gehandicapte in het derde lid
wordt verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek
aantoonbare beperkingen ondervindt.
Artikel 275
1. Indien de rechter een vordering tot
beëindiging van de huurovereenkomst op de gronden, bedoeld in artikel
274 lid 1 onder c en e toewijst, kan hij een bedrag vaststellen dat de
verhuurder aan de huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens
verhuis- en inrichtingskosten.
2. De rechter kan, voordat hij een
beslissing geeft, waarin dit bedrag wordt vastgesteld, zijn voornemen
ter kennis van partijen brengen en een termijn stellen waarbinnen de
verhuurder de opzegging kan intrekken. Maakt de verhuurder van deze
bevoegdheid gebruik, dan beslist de rechter uitsluitend over de
proceskosten.
3. Bij beëindiging van de
huurovereenkomst op de gronden, bedoeld inartikel 274 lid 1 onder c in
verbinding met lid 3 onder a en in artikel 274 lid 1 onder e, draagt de
verhuurder bij in de kosten die de verhuizing voor de huurder meebrengt.
4. De minimumbijdrage in de verhuis- en
inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen, woonwagens
en standplaatsen wordt bij ministeriële regeling van de Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie vastgesteld en zal jaarlijks voor 1 maart
worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding
geeft. Het in de eerste zin genoemde bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
5. De verhuurder kan eventuele door de
gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen voor
verhuis- of inrichtingskosten in mindering brengen op de hoogte van de
bijdrage, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 276
1. Indien de verhuurder de overeenkomst
heeft opgezegd op de grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c en de
vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst is toegewezen dan wel
de huurder met de beëindiging heeft ingestemd, is de verhuurder jegens
de huurder tot schadevergoeding gehouden, indien de wil om het verhuurde
duurzaam in eigen gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is
geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil
geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het
einde van de overeenkomst het verhuurde duurzaam door hem in gebruik is
genomen.
3. De rechter die een vordering op de
grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c, toewijst, kan op verlangen
van de huurder of ambtshalve een bedrag bepalen dat de verhuurder aan de
huurder moet betalen, indien later mocht blijken dat de wil om het
verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen in werkelijkheid niet
aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de huurder op verdere
schadevergoeding.
4. De vordering van de huurder op grond
van dit artikel vervalt vijf jaren na het einde van de huurovereenkomst.
5. De verhuurder is eveneens tot
schadevergoeding gehouden jegens onderhuurders aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd of die krachtens artikel 269 bevoegd waren hun
overeenkomst met de hoofdverhuurder voort te zetten. De voorgaande leden
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 277
1. Indien de rechter de huurovereenkomst
heeft verlengd, kan de verhuurder de overeenkomst opnieuw met
inachtneming van artikel 271 en van de in lid 2 vermelde termijnen
opzeggen en overeenkomstig de artikelen 272 tot en met 274 vorderen dat
de rechter het tijdstip zal vaststellen, waarop de overeenkomst zal
eindigen.
2. Indien de rechter de overeenkomst voor
onbepaalde tijd heeft verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder
opnieuw opzeggen dan drie jaren nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Indien de rechter de overeenkomst voor bepaalde tijd heeft
verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder opzeggen dan drie maanden
voor het einde van de tijd waarvoor is verlengd.
Artikel 278
1. Een onderhuurovereenkomst van
woonruimte die niet krachtens artikel 269 na beëindiging van de
hoofdhuur door de hoofdverhuurder wordt voortgezet, eindigt op het door
de rechter op vordering van de hoofdverhuurder overeenkomstig artikel
273 lid 3 vastgestelde tijdstip van ontruiming.
2. Indien de hoofdhuurder bij de
beëindiging en de bepaling van het tijdstip van ontruiming onvoldoende
voor de belangen van de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de
schade die de onderhuurder daardoor lijdt te vergoeden.
3. De hoofdhuurder tegen wie door de
hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de belangen van
de onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.
Artikel 279
1. Indien een gebrek in de zin van
artikel 204 het deel van gehuurde woonruimte dat voor de huurder en zijn
gezin voor bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar maakt dan wel
werkzaamheden tot verhelpen van een zodanig gebrek dit doen of zullen
doen, is de huurder bevoegd de huur op de voet van artikel 267 van Boek
6 te ontbinden.
2. De huurder heeft dezelfde bevoegdheid,
wanneer het gebruik van de gehuurde woonruimte gevaren oplevert.
3. Artikel 210 lid 2 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 280
Alvorens op de voet van artikel 231 een
ontbinding uit te spreken, kan de rechter de huurder een termijn van ten
hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
Artikel 281
1. Indien iemand op de voet van artikel
226 verhuurder is geworden en een krachtens een geldend bestemmingsplan
op het verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt de
rechter op vordering van de verhuurder de huurovereenkomst met ingang
van een door hem te bepalen dag.
2. De huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd of met wie de huurovereenkomst anders op
de voet van artikel 269 zou zijn voortgezet, hebben recht op
schadeloosstelling. Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd zonder de
ontbinding nog een jaar of langer zou hebben geduurd, is de
schadeloosstelling ten minste gelijk aan de huurprijs van twee jaren.
Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd zonder de ontbinding minder dan een
jaar zou hebben geduurd, is de schadeloosstelling ten minste gelijk aan
de huurprijs van een jaar. Bij de berekening van de schade wordt niet
gelet op veranderingen die kennelijk zijn tot stand gebracht om de
schadeloosstelling te verhogen.
Artikel 282
Van de artikelen 272 tot en met 281 kan
niet ten nadele van de huurder dan wel onderhuurder worden afgeweken.
Afdeling 6. Huur van bedrijfsruimte
Artikel 290
1. De bepalingen van deze afdeling zijn
van toepassing op huur en verhuur van bedrijfsruimte.
2. Onder bedrijfsruimte wordt verstaan:
a. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is
bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een
restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van
een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een
voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van
roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is;
b. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan die krachtens zulk een overeenkomst bestemd is voor
de uitoefening van een hotelbedrijf;
c. een onroerende zaak die krachtens
zulk een overeenkomst is bestemd voor de uitoefening van een
kampeerbedrijf.
3. Tot de in lid 2 bedoelde
bedrijfsruimte worden ook gerekend de onroerende aanhorigheden, de bij
het een en ander behorende grond en de, mede gelet op de bestemming van
die bedrijfsruimte, afhankelijke woning.
Artikel 291
1. Van de bepalingen van deze afdeling
kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
2. Bedingen die ten nadele van de huurder
afwijken van de bepalingen van deze afdeling, kunnen evenwel, behoudens
wanneer het betreft een afwijking van artikel 307, niet op die grond
worden vernietigd, indien zij zijn goedgekeurd door de rechter.
3. Ieder van de partijen kan een zodanige
goedkeuring verzoeken. De goedkeuring wordt alleen gegeven indien het
beding de rechten die de huurder aan deze afdeling ontleent, niet
wezenlijk aantast of diens maatschappelijke positie in vergelijking met
die van de verhuurder zodanig is dat hij de bescherming van de
onderhavige afdeling in redelijkheid niet behoeft.
4. Het verzoek bevat, behalve de gronden
waarop het berust, de tekst van de goed te keuren bedingen.
Artikel 292
1. De huurovereenkomst geldt voor vijf
jaar of, als een langere bepaalde duur is overeengekomen, voor die
langere duur.
2. De huurovereenkomst die voor vijf jaar
geldt, wordt na het verstrijken daarvan van rechtswege met vijf jaar
verlengd. De overeenkomst die is aangegaan voor een termijn die langer
is dan vijf jaar maar korter dan tien jaar, wordt na het verstrijken van
die termijn van rechtswege verlengd met een tweede termijn die zoveel
korter is dan vijf jaar als de eerste termijn langer is dan vijf jaar.
Artikel 293
1. De overeenkomst die voor vijf jaar
geldt, en de overeenkomst die is aangegaan voor een termijn langer dan
vijf jaar, maar korter dan tien jaar, kunnen tegen het einde van de
termijn en tegen het einde van de in artikel 292 lid 2 bedoelde tweede
termijn door ieder van de partijen worden opgezegd. Artikel 228 lid 1 en
lid 2, eerste zin, is niet van toepassing.
2. De opzegging moet geschieden bij
exploot of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging bedraagt
tenminste een jaar.
3. Geen opzegging is vereist, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de
huurovereenkomst is totstandgekomen.
Artikel 294
Een opzegging door de verhuurder is nietig
indien zij niet de gronden vermeldt die tot de opzegging hebben geleid.
Artikel 295
1. Een opgezegde huurovereenkomst blijft,
tenzij de huurder de overeenkomst heeft opgezegd of na de opzegging door
de verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft toegestemd, na
de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van rechtswege van kracht, tot
de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de
verhuurderals in lid 2 bedoeld. De rechter kan evenwel, indien het
verweer van de huurder hem kennelijk ongegrond voorkomt, zijn toewijzend
vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2. De verhuurder kan, indien hij zes
weken na de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling
heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst
toestemt, op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter
het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen.
Artikel 296
1. Indien de opzegging is gedaan tegen
het einde van de in artikel 292 lid 1 bedoelde eerste termijn waarvoor
de huurovereenkomst geldt of is aangegaan, kan de rechter de vordering
slechts toewijzen, op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering van de huurder
niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of
b. de verhuurder aannemelijk maakt
dat hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed- of
aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het verhuurde
persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het
verhuurde dringend nodig heeft. Onder duurzaam gebruik wordt niet
begrepen vervreemding van de bedrijfsruimte, maar wel renovatie van
de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk
is.
2. Een vordering, ingesteld op de in lid
1 onder b bedoelde grond, is niet toewijsbaar indien de verhuurder de
rechtsopvolger is van een vorige verhuurder en hij niet is diens
echtgenoot, geregistreerde partner, bloed- of aanverwant in de eerste
graad of pleegkind, en de opzegging is geschied binnen drie jaar nadat
de rechtopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder is gebracht.
Onder pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is
verzorgd en opgevoed.
3. Indien de opzegging is gedaan tegen
het einde van de termijn waarmee de overeenkomst krachtens artikel 292
lid 2 is verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond van
een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij
beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder en van de
onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, bij verlenging van
de overeenkomst. De rechter wijst de vordering in elk geval af indien
van de huurder, bij een redelijke afweging van de voormelde belangen van
hem en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, tegen
de voormelde belangen van de verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij
het gehuurde ontruimt.
4. In het geval van lid 3 wijst de
rechter de vordering in ieder geval toe indien zich een der in lid 1,
onder a en b, in samenhang met lid 2 omschreven gronden voordoet en
voorts indien:
c. de huurder niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst met
betrekking tot het gehuurde, voor zover dit aanbod niet een
wijziging van de huurprijs inhoudt, of
d. de verhuurder een krachtens een
geldig bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming wil
verwezenlijken.
5. Indien de rechter de vordering
toewijst, stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De
toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 297
1. De rechter kan in zijn beslissing tot
toewijzing van de vordering een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan
de huurder of aan degene aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, moet
betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten.
2. Alvorens een beslissing te geven
waarin een bedrag als bedoeld in lid 1 wordt vastgesteld, brengt de
rechter zijn voornemen ter kennis van partijen en stelt hij een termijn
vast waarbinnen de verhuurder de bevoegdheid heeft de vordering in te
trekken.
3. Indien de verhuurder binnen deze
termijn zijn vordering intrekt, geeft de rechter slechts een beslissing
over de proceskosten.
Artikel 298
In het geval, bedoeld in artikel 296 lid 4
onder c, kan de rechter de huurder een termijn toestaan van ten hoogste
een maand om het aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst alsnog
te aanvaarden.
Artikel 299
1. Indien de overeenkomst is opgezegd op
de grond dat een in artikel 296 lid 1 onder b genoemde persoon het
verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en de huurder in de
beëindiging van de overeenkomst heeft toegestemd dan wel de vordering
tot beëindiging van de overeenkomst op die grond dan wel op de grond,
bedoeld in artikel 296 lid 3, is toegewezen, is de verhuurder jegens de
huurder en degene die bevoegdelijk heeft ondergehuurd, tot
schadevergoeding gehouden, indien de wil om het verhuurde persoonlijk in
duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil
geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien het verhuurde niet binnen
een jaar na het einde van de overeenkomst door een persoon als bedoeld
in artikel 296 lid 1 onder b in duurzaam gebruik is genomen.
3. De rechter kan in een beslissing tot
toewijzing van een vordering tot beëindiging, gegrond op de in artikel
296 lid 1 onder b bedoelde wil van een der daar bedoelde personen, op
verzoek van de huurder of ambtshalve een bedrag bepalen dat de
verhuurder aan de huurder of degene die bevoegdelijk heeft ondergehuurd
moet betalen, indien later mocht blijken dat die wil in werkelijkheid
niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de huurder op
verdere schadevergoeding.
4. De vordering van de huurder of
onderhuurder tot schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3
bedoelde bedrag vervalt vijf jaren na het einde van de huurovereenkomst.
Artikel 300
1. Indien de oorspronkelijk duur van de
overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 is verlengd en de verlengde
overeenkomst niet tegen het einde van de in dat lid bedoelde tweede
termijn is opgezegd, wordt de overeenkomst voortgezet voor onbepaalde
tijd, tenzij uit de overeenkomst een bepaalde tijd voortvloeit of
partijen een bepaalde tijd overeenkomen.
2. Wordt de overeenkomst krachtens lid 1
voor onbepaalde tijd voortgezet, dan kan zij door ieder van de partijen
worden opgezegd. Wordt de overeenkomst voor bepaalde tijd voortgezet of
is zij aangegaan voor een duur van tien jaar of langer, dan eindigt zij,
in afwijking van artikel 228 lid 1, niet door het enkele verloop van de
huurtijd, maar kan zij door ieder van de partijen tegen het einde van
die huurtijd worden opgezegd.
3. De opzegging moet voldoen aan de
vereisten van de artikelen 293 leden 2 en 3 en van artikel 294. De
artikelen 295 tot en met 299 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien een vordering tot vaststelling
van het tijdstip waarop de overeenkomst zal eindigen, is afgewezen, en
uit de overeenkomst niet voortvloeit dat zij dan wordt voortgezet voor
een bepaalde termijn tegen het einde waarvan zij opnieuw opgezegd kan
worden, kan de overeenkomst slechts rechtsgeldig opnieuw opgezegd worden
nadat een termijn van een jaar is verstreken nadat de afwijzing
onherroepelijk is geworden. De rechter kan bij zijn afwijzende
beslissing een langere termijn vaststellen.
Artikel 301
1. De artikelen 291 tot en met 300 zijn
niet van toepassing op een overeenkomst van twee jaar of korter.
2. Indien het gebruik, aangevangen
krachtens een overeenkomst als bedoeld in lid 1, langer dan twee jaar
heeft geduurd, geldt van rechtswege een overeenkomst op de tussen
partijen overeengekomen voorwaarden, doch voor vijf jaar, waarop de
reeds verstreken twee jaar in mindering komen. De artikelen van 291 tot
en met 300 zijn op deze overeenkomst van toepassing.
3. Het in lid 2 bedoelde rechtsgevolg
treedt niet in, indien partijen voor het verstrijken van de termijn van
twee jaar een andere overeenkomst sluiten die onder artikel 292 lid 1
valt, dan wel een daarvan afwijkende overeenkomst, mits de in artikel
291 bedoelde goedkeuring is verzocht voor het verstrijken van de termijn
van twee jaar.
4. Indien voor het verstrijken van deze
termijn op de voet van artikel 291 goedkeuring van afwijkende bedingen
is verzocht en de rechter dit verzoek afwijst, kan hij op verzoek van de
verhuurder tevens bepalen dat de overeenkomst wordt beëindigd en het
tijdstip van de ontruiming vaststellen. Deze vaststelling geldt als een
veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 302
Opzegging van de overeenkomst door de
erfgenamen van de huurder, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of
geregistreerde partner, op de voet van artikel 229 lid 2 dient te
geschieden op een termijn van tenminste zes maanden. Artikel 293 lid 2,
eerste zin, en lid 3 is van toepassing.
Artikel 303
1. Zowel de huurder als de verhuurder
kunnen vorderen dat de rechter de huurprijs, zo deze niet overeenstemt
met die van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, nader zal
vaststellen:
a. indien de overeenkomst voor
bepaalde tijd geldt, na afloop van de overeengekomen duur;
b. in alle andere gevallen, telkens
wanneer tenminste vijf jaar zijn verstreken sinds de dag waarop de
laatste door partijen vastgestelde huurprijs is ingegaan of waarop
de laatste door de rechter vastgestelde huurprijs is gevorderd.
2. Bij de nadere vaststelling van de
huurprijs let de rechter op het gemiddelde van de huurprijzen van
vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, die zich hebben voorgedaan in
een tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dag van het instellen van
de vordering. Iedere aldus in de vergelijking te betrekken huurprijs
wordt herleid volgens de algemene ontwikkeling van het prijspeil sinds
de dag waarop die huurprijs gold tot aan die van het instellen van de
vordering. Zo het niet mogelijk is de rechter de voor de toepassing van
deze maatstaf benodigde gegevens te verschaffen, maakt de rechter een
schatting aan de hand van de wel te zijner beschikking staande gegevens,
waarbij hij die maatstaf zoveel mogelijk als richtsnoer bezigt.
3. De rechter wijst een vordering tot
verhoging van de huurprijs af, voor zover deze is gegrond op
verbeteringen van het gehuurde, die op kosten van de huurder zijn
aangebracht.
4. Indien de rechter de huurprijs nader
vaststelt, geldt deze met ingang van de dag waarop deze is gevorderd,
tenzij hij op vordering van een der partijen op grond van de bijzondere
omstandigheden van het geval een andere ingangsdatum vaststelt. Hij kan
daarbij tevens bepalen dat de huurprijs gedurende een door hem vast te
stellen termijn van ten hoogste vijf jaren geleidelijk zal worden
aangepast.
Artikel 304
1. Een vordering tot nadere
huurprijsvaststelling is slechts ontvankelijk, indien deze vergezeld
gaat van een advies omtrent de nadere huurprijs, opgesteld door een of
meer door partijen gezamenlijk benoemde ter zake deskundigen.
2. Indien partijen geen overeenstemming
bereiken over de benoeming van een deskundige, benoemt de rechter deze
op verzoek van de meest gerede partij. Indien een zodanig verzoek wordt
gedaan, geldt de dag van dat verzoek voor de toepassing van artikel 303
leden 1, 2 en 4 als de dag waarop de vordering tot nadere vaststelling
van de huurprijs is ingesteld.
3. De kosten van het advies zijn
proceskosten als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering; de artikelen 195, 196, 199 en 244 van dat wetboek zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 305
1. De verhuurder die ingevolge een
besluit als bedoeld in artikel 13 of 15 van de Woningwet voorzieningen
als bedoeld in artikel 243 lid 2 heeft getroffen, is, ook buiten de
gevallen van artikel 303 lid 1 onder a en b, bevoegd om ter
doorberekening van de kosten van deze voorzieningen, voor zover
redelijk, een daarop afgestemde verhoging van de huur te verlangen.
Indien de huurder en de verhuurder geen overeenstemming hebben kunnen
bereiken over het bedrag van de verhoging, kan ieder van hen
vaststelling van de verhoging door de rechter vorderen.
2. Dit artikel is, behalve op
bedrijfsruimte in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een
gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit
gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan
waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 306
1. Een onderhuurovereenkomst van
bedrijfsruimte eindigt op het door de rechter op vordering van de
hoofdverhuurder overeenkomstig artikel 296 lid 5 vastgestelde tijdstip
van ontruiming.
2. Indien de hoofdhuurder de onderhuurder
niet of niet juist heeft voorgelicht omtrent de termijn waarvoor de
hoofdhuur geldt of is aangegaan, of hij bij de beëindiging van de
hoofdhuur en de bepaling van het tijdstip van ontruiming onvoldoende
voor de belangen van de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de
schade die de onderhuurder daardoor lijdt, te vergoeden.
3. De hoofdhuurder tegen wie door de
hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de belangen van
de onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.
Artikel 307
1. Indien overdracht door de huurder aan
een derde van het in het gehuurde door de huurder zelf of een ander
uitgeoefende bedrijf gewenst wordt, kan de huurder vorderen dat hij
gemachtigd wordt om die derde als huurder in zijn plaats te stellen.
2. De rechter beslist met inachtneming
van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de
vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder of de ander die het
bedrijf uitoefent, een zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht van
het bedrijf en dat hij haar steeds afwijst, indien de voorgestelde
huurder niet voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van
de overeenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering.
3. De rechter kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.
Artikel 308
1. Indien de verhuurder, nadat de
huurovereenkomst door opzegging zijnerzijds is geëindigd, voordeel
geniet tengevolge van het feit dat het verhuurde vervolgens wordt
gebezigd voor de uitoefening van een bedrijf, gelijksoortig aan het door
de gewezen huurder of de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd aldaar uitgeoefende bedrijf, kan de gewezen huurder of de
onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd van de verhuurder een
naar billijkheid te berekenen vergoeding vorderen.
2. Voordeel, voortvloeiend uit de aard of
ligging van het verhuurde of uit de daaraan aangebrachte veranderingen,
komt voor de toepassing van lid 1 niet in aanmerking.
3. De vergoeding kan niet worden
toegekend, wanneer het verhuurde voor de uitoefening van het
gelijksoortige bedrijf eerst wordt gebezigd nadat sedert het eindigen
van de huurovereenkomst meer dan een jaar is verstreken
Artikel 309
1. Indien een verhuurder op wie de
rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel
226 zijn overgegaan, deze overeenkomst door opzegging doet eindigen in
verband met de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de
uitvoering van werken in het algemeen belang zal worden afgebroken, is
hij aan de huurder en de onderhuurder aan wie voor die overgang
bevoegdelijk is onderverhuurd, een schadeloosstelling verschuldigd
wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder deze
overgang zou hebben voortgeduurd.
2. De verhuurder is de in lid 1 bedoelde
schadeloosstelling eveneens verschuldigd indien de overgang is geschied
nadat de vorige verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd in verband
met de omstandigheid dat na de overgang het gebouwde met het oog op de
uitvoering van werken in het algemeen belang zal worden afgebroken. Is
de eigendom van het verhuurde overgedragen nadat de huurovereenkomst
reeds door de opzegging was geëindigd, dan is de schadeloosstelling
verschuldigd door de eigenaar die tot afbraak overgaat.
3. Een opzegging wordt vermoed in verband
met de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van
werken in het algemeen belang zal worden afgebroken, indien de afbraak
binnen zes jaar na de opzegging aanvangt.
4. Werken tot verwezenlijking van een
bestemmingsplan, strekkende tot reconstructie van een bebouwde kom,
worden in elk geval geacht in het algemeen belang te zijn.
5. Dit artikel is, behalve op
bedrijfsruimte in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een
gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit
gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan
waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 310
1. Indien een verhuurder op wie de
rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel
226 zijn overgegaan, een krachtens een geldend bestemmingsplan op het
verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt de rechter op
vordering van de verhuurder de huurovereenkomst met ingang van een door
hem te bepalen dag.
2. De huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, kunnen een schadeloosstelling vorderen.
Bij de bepaling daarvan wordt rekening gehouden met de kans dat de
huurverhouding zonder de overgang zou hebben voortgeduurd.
3. Dit artikel is, behalve op
bedrijfsruimte in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een
gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit
gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan
waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Titel 5. Pacht
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 311
Pacht is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een
onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter
uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een
tegenprestatie.
Artikel 312
Onder landbouw wordt verstaan, steeds
voorzover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw; veehouderij;
pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken
van bomen, bloemen en bloembollen; de teelt van griendhout en riet; elke
andere tak van bodemcultuur, met uitzondering van de bosbouw.
Artikel 313
1. Een hoeve is een complex bestaande uit
een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en het daarbij behorende land,
dienende tot de uitoefening van de landbouw.
2. Hetgeen in deze titel is bepaald met
betrekking tot los land, geldt mede met betrekking tot een of meer
gebouwen of gedeelten daarvan, welke dienen tot de uitoefening van de
landbouw.
3. Indien echter tussen dezelfde partijen
bij één overeenkomst los land en bij een andere overeenkomst een of
meer gebouwen of gedeelten daarvan zijn verpacht, worden de bepalingen
omtrent verpachting van hoeven op beide overeenkomsten van toepassing
met ingang van het tijdstip waarop de laatste van beide overeenkomsten
is gesloten.
4. Onder hoeve en los land worden
begrepen de daarbij behorende, niet tot de uitoefening van de landbouw
dienende gronden met inbegrip van de zich daarop bevindende
houtopstanden.
Artikel 314
In deze titel wordt onder pleegkind
verstaan degenen die duurzaam als eigen kind is onderhouden en opgevoed.
Artikel 315
Op de omvang van het gepachte dat langs een
water ligt, zijn de artikelen 29 en 34 van Boek 5 van toepassing, tenzij
de verpachter aan een vastlegging van de grens overeenkomstig de artikelen
30 tot en met 32 van Boek 5 is gebonden.
Artikel 316
1. Het recht van de pachter op de
vruchten van de gepachte zaak is een genotsrecht als bedoeld in artikel
17 van Boek 5.
2. Het recht van de pachter op de
vruchten omvat de bij het einde van de pacht nog te velde staande
vruchten, tenzij bij ontbinding van de overeenkomst door de rechter
anders wordt bepaald.
Afdeling 2. Vorm van de pachtovereenkomst
Artikel 317
1. De pachtovereenkomst, de overeenkomst
tot wijziging en die tot beëindiging van een pachtovereenkomst moeten
schriftelijk worden aangegaan.
2. Zolang de overeenkomst niet
schriftelijk is aangegaan, kan de meest gerede partij de schriftelijke
vastlegging daarvan vorderen.
3. In het in het vorige lid bedoelde
geval legt de rechter de overeenkomst schriftelijk vast met dien
verstande dat nietige bedingen, zoveel mogelijk overeenkomstig de
bedoelingen van partijen, in overeenstemming worden gebracht met de wet.
Afdeling 3. Goedkeuring van de
pachtovereenkomst
Artikel 318
1. De pachtovereenkomst, de overeenkomst
tot wijziging en die tot beëindiging van een pachtovereenkomst behoeven
de goedkeuring van de grondkamer.
2. Ten aanzien van de overeenkomst tot
beëindiging van een pachtovereenkomst vervalt het vereiste van
goedkeuring door de feitelijke uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 319
1. De grondkamer keurt de
pachtovereenkomst goed, tenzij:
a. de overeengekomen pachtprijs dan
wel de vergoeding, daarbij in aanmerking genomen de verdere inhoud
van de overeenkomst, hoger is dan ingevolge het bepaalde krachtens
de artikelen 327 lid 1 en 327 lid 3 onderscheidenlijk 393 is
toegelaten;
b. de overige verplichtingen, voor de
pachter uit de overeenkomst voortvloeiende, als buitensporig moeten
worden beschouwd;
c. de overeenkomst zou leiden tot een
ondoelmatige verkaveling of een ondoelmatige ligging van het land
ten opzichte van de bedrijfsgebouwen of van de woning;
d. de overeenkomst, indien deze
betrekking heeft op land, dat begrepen is geweest in een ruil- of
herverkaveling of dat gelegen is in de IJsselmeerpolders, zou leiden
tot:
1°. een verkaveling of een
ligging van het land ten opzichte van de bedrijfsgebouwen of van
de woning, die minder doelmatig is dan de bestaande;
2°. een geringere dan de
bestaande bedrijfsgrootte;
e. door de overeenkomst algemene
belangen van de landbouw zouden worden geschaad; de grondkamer is
onder meer bevoegd als schadelijk voor de algemene belangen van de
landbouw aan te merken overeenkomsten, welke zouden leiden tot:
1°. een zo geringe
bedrijfsgrootte, dat de ondernemer zijn volledige arbeidskracht
op het bedrijf niet produktief kan maken;
2°. gebruik van het land ter
verkrijging van neveninkomsten, anders dan voor zelfvoorziening;
3°. vergroting van een bedrijf,
waarvan uitbreiding voor de ondernemer niet van overwegende
betekenis is, terwijl in de nabijheid een of meer kleine
bedrijven uitbreiding behoeven;
f. de overeenkomst bepalingen bevat,
welke in strijd zijn met deze titel.
2. Indien de pachtovereenkomst zou leiden
tot een van de in het eerste lid, onder c, d en e genoemde gevolgen, kan
de grondkamer haar goedkeuring verlenen, wanneer weigering op grond van
bijzondere omstandigheden onredelijk zou zijn of zou indruisen tegen het
landbouwbelang. Indien de pachtovereenkomst zou leiden tot een van de in
lid 1, onder d, genoemde gevolgen, kan de grondkamer voorts haar
goedkeuring verlenen, wanneer omstandigheden, gelegen in de persoon van
de verpachter, de goedkeuring in het belang van een verantwoorde
bedrijfsvoering wenselijk maken.
3. Het bepaalde in lid 1 onder c en onder
e met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3° blijft buiten
toepassing bij overeenkomsten met echtgenoten of geregistreerde
partners, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, pleegkinderen en
medepachters.
4. Bij de toetsing van de overeenkomst
aan het bepaalde in lid 1, onder e, mag de grondkamer niet letten op de
persoon van de pachter.
5. Het bepaalde in lid 1, onder c en d en
onder e met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3°, blijft
buiten toepassing, indien uit een verklaring van burgemeester en
wethouders van de gemeente, waarin het land is gelegen, blijkt dat dit
is opgenomen in een goedgekeurd bestemmingsplan en daarbij een niet tot
de landbouw betrekkelijke bestemming heeft gekregen.
6. Voor de geldigheid van bepalingen,
welke in strijd met de wet zijn, kan op de goedkeuring van de
overeenkomst door de grondkamer geen beroep worden gedaan.
7. Het in de voorgaande leden bepaalde
vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de overeenkomst tot
wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst.
Artikel 320
1. Indien de grondkamer haar goedkeuring
aan de pachtovereenkomst of aan de overeenkomst tot wijziging of
beëindiging van een pachtovereenkomst onthoudt, wijzigt zij de
overeenkomst op het punt of de punten, welke in verband met het bepaalde
in artikel 319 lid 1, de goedkeuring verhinderen, of vernietigt zij
haar.
2. De door de grondkamer gewijzigde
overeenkomst geldt als een tussen partijen aangegane en goedgekeurde
overeenkomst. In geval van wijziging in verband met het bepaalde in
artikel 319 lid 1, onder c, d en e, alsmede in geval van vernietiging
regelt de grondkamer zo nodig de gevolgen.
Artikel 321
1. Ieder der partijen is verplicht de
pachtovereenkomst of de overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst binnen twee maanden, nadat zij is aangegaan, aan de
grondkamer ter goedkeuring in te zenden.
2. Ieder der partijen is verplicht de
overeenkomst tot beëindiging van een pachtovereenkomst binnen twee
maanden nadat zij is aangegaan, aan de grondkamer ter goedkeuring in te
zenden.
3. Zodra een der partijen aan de
verplichting heeft voldaan, is die van de andere partij vervallen.
4. Op de ingevolge artikel 317 lid 3
schriftelijk vastgelegde overeenkomst past de grondkamer deartikelen 319
en 320 ambtshalve toe.
Artikel 322
1. Wanneer niet is voldaan aan het
bepaalde inartikel 321 lid 1 kan de verpachter, zolang de
pachtovereenkomst door de grondkamer niet is goedgekeurd, niet een
rechtsvordering tot betaling van de pachtprijs tegen de pachter
instellen en geldt de pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder dat
zij door een van de partijen kan worden opgezegd; wordt de goedkeuring
verleend, dan gaat de in artikel 325 bedoelde duur in bij de aanvang van
het pachtjaar, volgende op dat, waarin de overeenkomst is ingezonden.
2. De grondkamer is bevoegd op verzoek
van een partij in bijzondere gevallen bij de goedkeuring te bepalen, dat
de in artikel 325 bedoelde duur op een eerder tijdstip ingaat.
Artikel 323
1. Aan een overeenkomst tot wijziging of–
voorzover die niet reeds feitelijk is uitgevoerd – aan een
overeenkomst tot beëindiging van een pachtovereenkomst, die nog niet
door de grondkamer is goedgekeurd, zijn partijen slechts in zoverre
gebonden, dat zij niet eenzijdig kunnen terugtreden.
2. Indien de overeenkomst niet binnen
twee maanden, nadat zij werd aangegaan, ter goedkeuring is ingezonden,
is de grondkamer bevoegd haar te doen ingaan op een later tijdstip dan
werd overeengekomen, doch uiterlijk op het tijdstip van inzending.
Artikel 324
1. Zij die voornemens zijn met elkaar een
pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst aan te gaan, zijn bevoegd een
ontwerp-pachtovereenkomst, onderscheidenlijk een ontwerp-overeenkomst
tot wijziging van een pachtovereenkomst ter goedkeuring aan de
grondkamer in te zenden.
2. De grondkamer beoordeelt de
ontwerp-overeenkomst met toepassing vanartikel 319 leden 1 tot en met 5;
zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van wijzigingen, welke zij
in verband met het bepaalde inartikel 319 lid 1 nodig oordeelt.
3. Indien binnen twee maanden, nadat de
grondkamer of de Centrale Grondkamer een ontwerp-pachtovereenkomst of
een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst heeft
goedgekeurd, een overeenkomst wordt ingezonden, die gelijk is aan de
ontwerp-overeenkomst, zoals deze werd goedgekeurd, is de grondkamer tot
goedkeuring gehouden.
4. Op het verzoek tot goedkeuring van een
ontwerp-pachtovereenkomst kan niet meer worden beslist, nadat de daarin
als pachter genoemde persoon als zodanig op het goed is toegelaten.
Afdeling 4. Duur van de pachtovereenkomst
Artikel 325
1. De pachtovereenkomst geldt voor een
bepaalde tijd. Deze tijd bedraagt twaalf jaren voor een hoeve en zes
jaren voor los land.
2. Een pachtovereenkomst kan voor een
langere duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging
is vastgesteld.
3. Een pachtovereenkomst kan voor een
kortere duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging
is vastgesteld. De kortere duur behoeft de goedkeuring van de
grondkamer, welke hetzij vóór het aangaan van de overeenkomst, hetzij
bij de toetsing daarvan kan worden verleend.
4. De grondkamer verleent haar
goedkeuring aan de kortere duur alleen op grond van de bijzondere
omstandigheden van het geval en indien de algemene belangen van de
landbouw daardoor niet worden geschaad. Zij vermeldt in haar beschikking
de reden van haar goedkeuring. Als bijzondere omstandigheden worden niet
beschouwd beperkingen, aan de verpachter door derden opgelegd.
5. De pachtovereenkomst die geldt voor de
duur van ten minste twaalf jaren voor een hoeve en ten minste zes jaren
voor los land, wordt telkens van rechtswege met zes jaren verlengd.
6. Heeft de grondkamer een kortere
termijn goedgekeurd, dan vindt geen verlenging van rechtswege plaats,
maar kan de rechter op vordering van de pachter de overeenkomst
verlengen voor een door de rechter vast te stellen periode op de grond
dat de bijzondere omstandigheden, bedoeld in lid 4 zich niet hebben
voorgedaan en zich ook niet meer kunnen voordoen. De vordering moet
worden ingesteld binnen een daartoe door de grondkamer in haar
beschikking vastgestelde termijn. Op de verlengde overeenkomst is lid 5
van toepassing.
7. Heeft de grondkamer een termijn van
een jaar of korter goedgekeurd, dan vindt geen verlenging plaats.
Artikel 326
1. Telkens voor het verstrijken van een
pachttermijn kan de pachter of de verpachter aan de grondkamer verzoeken
andere bepalingen van de pachtovereenkomst dan met betrekking tot de
tegenprestatie te herzien.
2. De grondkamer herziet deze, indien de
bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven en noch
het algemeen landbouwbelang, noch een redelijk belang van de andere
partij zich daartegen verzet.
3. De wijziging gaat in met ingang van de
nieuwe pachttermijn.
4. Geen wijziging kan worden gevorderd op
grond van artikel 258 van Boek 6.
Afdeling 5. Pachtprijs
Artikel 327
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regelen vastgesteld ten aanzien van de hoogst
toelaatbare pachtprijs.
2. De in lid 1 bedoelde regelen strekken
tot bevordering van pachtprijzen, welke in een redelijke verhouding
staan tot de bedrijfsuitkomsten bij een behoorlijke bedrijfsvoering, met
dien verstande, dat bij het vaststellen van die regelen de redelijke
belangen van de verpachter mede in acht worden genomen.
3. Met inachtneming van de in lid 1
bedoelde regelen kunnen de grondkamers, ieder voor haar gebied, zo nodig
streeksgewijs, ten aanzien van de pachtprijs bij besluit nadere regelen
vaststellen. Zodanig besluit vervalt een jaar na het tijdstip van zijn
inwerkingtreding.
4. Deze besluiten behoeven de goedkeuring
van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en worden in
de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 328
1. Als tegenprestatie kan slechts worden
bedongen een pachtprijs met of zonder bijkomstige verplichtingen.
2. Als pachtprijs kan slechts worden
bedongen een uitsluitend naar tijdruimte bepaald en niet van de prijs
van produkten of andere factoren afhankelijk gesteld bedrag in
Nederlands geld.
3. De grondkamer kan echter, hetzij
vóór het aangaan van de overeenkomst op verzoek van een der partijen,
hetzij bij de toetsing daarvan, afwijking van het in de leden 1 en 2
bepaalde goedkeuren.
4. Heeft de grondkamer zulk een
goedkeuring verleend of verleent zij deze bij de toetsing, dan wordt de
overeengekomen tegenprestatie door haar beoordeeld naar de strekking van
het bepaalde krachtens de artikelen 327 leden 1 en 2.
Artikel 329
Bedongen kan worden dat de lasten die de
verpachter ten gevolge van landinrichting op grond van de
Landinrichtingswet of de Wet inrichting landelijk gebied, van
reconstructie op grond van de Reconstructiewet Midden-Delfland of van de
Reconstructiewet concentratiegebieden of van herinrichting op grond van de
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën,
zijn of zullen worden opgelegd, ten dele ten laste van de pachter komen.
Artikel 330
1. De pachter heeft aanspraak op een
vermindering van de pachtprijs over een pachtjaar of een pachtseizoen,
gedurende hetwelk tengevolge van buitengewone omstandigheden de
opbrengst van het bedrijf aanzienlijk minder is geweest dan bij het
aangaan van de overeenkomst te verwachten was of de pachter tijdelijk
het genot van het gepachte geheel of gedeeltelijk heeft moeten missen.
2. Tot vermindering geven geen
aanleiding:
a. een verlaging van de prijs van de
voortbrengselen van het bedrijf;
b. omstandigheden welke aan de
pachter zijn toe te rekenen of waarvan hij de gevolgen door
verzekering of op andere wijze redelijkerwijs had kunnen voorkomen;
c. schade, welke de pachter op een
ander kan verhalen.
3. De vordering van de pachter vervalt
zes maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen,
waarover de pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 331
1. De verpachter heeft aanspraak op een
verhoging van de pachtprijs over een pachtjaar of een pachtseizoen,
gedurende hetwelk de lasten, die de verpachter door publiekrechtelijke
lichamen zijn opgelegd wegens buitengewone werken, waardoor des pachters
bedrijf gebaat wordt, aanzienlijk hoger zijn geweest dan bij het aangaan
van de overeenkomst te verwachten was.
2. De vordering van de verpachter vervalt
zes maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen,
waarover de pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 332
1. De verpachter heeft aanspraak op een
verhoging van de pachtprijs over een pachtjaar of over een pachtseizoen,
indien hij voor eigen rekening buitengewone werken heeft uitgevoerd,
waardoor het bedrijf van de pachter dermate is gebaat, dat een verhoging
van de pachtprijs van de pachter kan worden verlangd.
2. De vordering van de verpachter vervalt
zes maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen,
waarover de pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 333
1. De pachtprijs wordt van rechtswege
herzien overeenkomstig de wijziging van de krachtens artikel 327 lid 1
gegeven regelen. De verpachter kan, onder schriftelijke mededeling
daarvan aan de pachter, echter geheel of ten dele van een verhoging
afzien.
2. Niettemin kan de pachter of de
verpachter binnen een tijdvak van een jaar na de inwerkingtreding van
een wijziging van de regelen als bedoeld in artikel 327 lid 1 aan de
grondkamer verzoeken de tegenprestatie te herzien. De grondkamer herziet
deze indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde
omstandigheden dit rechtvaardigen.
3. Onverminderd het bepaalde in de leden
1 en 2 kan de pachter of de verpachter voor het verstrijken van een
pachtperiode van drie jaren aan de grondkamer verzoeken de
tegenprestatie te herzien. De grondkamer herziet deze indien
redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde omstandigheden
dit rechtvaardigen.
4. De in de leden 1 en 2 bedoelde
herziening gaat in met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip
waarop een wijziging van de regelen, bedoeld in artikel 327 lid 1 in
werking is getreden. De herziening als bedoeld in lid 3 gaat in met
ingang van de nieuwe driejarige periode.
Artikel 334 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 335
Op grond van artikel 258 van Boek 6 kan
geen wijziging van de tegenprestatie dan wel van de vergoeding worden
gevorderd.
Afdeling 6. Verplichtingen van de
verpachter
Artikel 336
De verpachter is verplicht het verpachte
ter beschikking van de pachter te stellen en te laten voor zover dat voor
het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 337
1. De verpachter heeft met betrekking tot
gebreken van het verpachte de in deze afdeling omschreven
verplichtingen.
2. Een gebrek is een staat of eigenschap
van de verpachte zaak of een andere niet aan de pachter toe te rekenen
omstandigheid, waardoor de zaak aan de pachter niet het genot kan
verschaffen dat een pachter bij het aangaan van de overeenkomst mag
verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de
overeenkomst betrekking heeft.
3. Een feitelijke stoornis door derden
zonder bewering van recht als bedoeld in artikel 344 en een bewering van
recht zonder feitelijke stoornis, zijn geen gebreken in de zin van lid
2.
Artikel 338
De uit deze afdeling voortvloeiende rechten
van de pachter komen aan deze toe, onverminderd alle andere rechten en
vorderingen.
Artikel 339
1. De verpachter is verplicht op
verlangen van de pachter gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is
of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet
van de verpachter zijn te vergen.
2. Deze verplichting bestaat niet ten
aanzien van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de
pachter krachtens artikel 351 verplicht is, en ten aanzien van gebreken
voor het ontstaan waarvan de pachter jegens de verpachter aansprakelijk
is.
3. Is de verpachter met het verhelpen in
verzuim, dan kan de pachter dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor
gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verpachter
verhalen, desgewenst door deze in mindering op de pachtprijs te brengen.
Artikel 340
1. De pachter kan in geval van
vermindering van pachtgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan
evenredige vermindering van de pachtprijs vorderen van de dag waarop hij
van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verpachter of
waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen
over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.
2. De pachter heeft geen aanspraak op
pachtvermindering terzake van gebreken die hij krachtenartikel 351
verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de
verpachter aansprakelijk is.
Artikel 341
Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming
van de verplichting van artikel 339 is de verpachter tot vergoeding van de
door een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het
aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen,
alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was
en de verpachter het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de
pachter heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 342
Vanartikel 341 kan niet ten nadele van de
pachter worden afgeweken, voor zover het gaat om gebreken die de
verpachter bij het aangaan van de pachtovereenkomst kende of had behoren
te kennen.
Artikel 343
1. Indien een gebrek dat de verpachter
ingevolgeartikel 339 niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de
pachter mocht verwachten geheel onmogelijk maakt, is zowel de pachter
als de verpachter bevoegd de overeenkomst op de voet van artikel 267 van
Boek 6 te ontbinden.
2. Een verplichting van een der partijen
tot schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede de door het
eindigen van de overeenkomst ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.
Artikel 344
1. Wanneer tegen de pachter door een
derde een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van
een recht waarmee het verpachte ingevolge de pachtovereenkomst niet
belast had mogen zijn, is de verpachter na kennisgeving daarvan door de
pachter gehouden in het geding te komen ten einde de belangen van de
pachter te verdedigen.
2. De verpachter moet aan de pachter alle
door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de kennisgeving
niet onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving ontstane
kosten.
3. Wanneer tegen de onderpachter een
vordering betreffende het ondergepachte wordt ingesteld door de
hoofdverpachter, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
op de onderverpachter.
Artikel 345
1. De verpachter is verplicht tot
wederopbouw van door brand of storm tenietgegane opstallen, voorzover de
wederopbouw noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf op het
gepachte. Deze verplichting bestaat niet, indien de pachtovereenkomst
voor kortere dan de wettelijke duur geldt en bestaat ook niet voor de
onderverpachter.
2. De grondkamer kan de verpachter op
diens verzoek, hetzij vóór het aangaan van de overeenkomst, hetzij bij
een toetsing, van deze verplichting ontheffen, indien de opstallen niet
op redelijke voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd kunnen worden
of aannemelijk is, dat bij tenietgaan van de opstallen de verplichting
tot wederopbouw op grond van het bepaalde in de eerste zin van lid 4 zal
vervallen.
3. Indien de verpachter, hoewel de
opstallen op redelijke voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd
kunnen worden, niet of niet afdoende tegen brand- of stormschade
verzekerd is, en niet anderszins zekerheid biedt de in lid 1 genoemde
verplichting te zullen nakomen, kan de rechter de pachter op diens
verzoek machtigen een verzekering of een aanvullende verzekering voor
ten hoogste de duur van de lopende pachttermijn te sluiten en de premie
voor rekening van de verpachter te betalen. Indien het betreft het
sluiten van een aanvullende verzekering, moet deze worden gesloten bij
de verzekeraar bij wie de opstallen verzekerd zijn, tenzij de rechter in
zijn beschikking anders bepaalt. Onder verzekering voor de herbouwwaarde
wordt verstaan een verzekering tot zodanig bedrag, dat daarmede kan
worden voldaan aan de in lid 1, eerste zin, omschreven verplichting.
4. De verplichting van de verpachter tot
wederopbouw vervalt, indien de wederopbouw, de algemene belangen van de
landbouw of de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking
genomen, van de verpachter in redelijkheid niet kan worden gevergd.
Indien de pachter voor de door brand ontstane schade aansprakelijk is,
wordt de verplichting van de verpachter tot wederopbouw geschorst,
zolang de pachter aan zijn verplichting tot schadevergoeding niet heeft
voldaan.
Afdeling 7. Verplichtingen van de pachter
Artikel 346
De pachter is verplicht de tegenprestatie
op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 347
De pachter is verplicht zich ten aanzien
van het gebruik van het gepachte als een goed pachter te gedragen.
Artikel 348
1. De pachter is niet bevoegd de
bestemming, inrichting of gedaante van het gepachte geheel of
gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de
verpachter, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het
einde van de pacht zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan
gemaakt en verwijderd.
2. Indien de verpachter de toestemming
niet verleent, kan de pachter aan de grondkamer machtiging vragen tot
het aanbrengen van de veranderingen. Indien de verpachter niet tevens de
eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van de zaak is, draagt de
verpachter ervoor zorg dat ook de eigenaar, vruchtgebruiker of
erfpachter tijdig in het geding wordt geroepen. Indien op de zaak een
hypotheek rust, bestaat deze verplichting tevens ten aanzien van de
hypotheekhouder.
3. De grondkamer verleent de machtiging
slechts, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig
gebruik van het gepachte door de pachter en geen zwaarwichtige bezwaren
aan de zijde van de verpachter zich tegen het aanbrengen daarvan
verzetten.
4. De grondkamer kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen. Zij kan op verzoek
van de verpachter de pachtprijs verhogen, indien de veranderingen
daartoe aanleiding geven.
Artikel 349
1. De pachter is tot de ontruiming
bevoegd door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te
maken, mits daarbij het gepachte in de toestand wordt gebracht, die bij
het einde van de pacht redelijkerwijs in overeenstemming met de
oorspronkelijke kan worden geacht.
2. De pachter is niet verplicht tot het
ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen,
onverminderd de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van artikel
348 lid 4 de verplichting op te leggen hiervoor vóór de ontruiming van
het gepachte zorg te dragen.
Artikel 350
1. Bij het einde van de pacht is de
verpachter verplicht de pachter een naar billijkheid te bepalen
vergoeding te geven voor de door de pachter aan het gepachte
aangebrachte veranderingen en toevoegingen die een verbetering zijn.
2. Deze vergoeding kan niet overtreffen
het bedrag waarmee de waarde van het gepachte bij het einde van de pacht
tengevolge van de aangebrachte verbeteringen is verhoogd. De vergoeding
wordt lager gesteld naarmate de pachter de vruchten van de aangebrachte
verbeteringen reeds heeft kunnen genieten.
3. De vergoeding kan slechts worden
gevorderd, indien de pachter tijdig aan de verpachter, onder opgave van
geschatte kosten, schriftelijk mededeling van de voorgenomen verbetering
heeft gedaan en hetzij de verpachter zich daartegen niet binnen een
maand na ontvangst van de mededeling heeft verzet, hetzij de rechter op
vordering van de pachter deze tot het aanbrengen van de verbetering
heeft gemachtigd.
4. Op de vordering tot machtiging zijn de
leden 2 en 4, eerste zin, van artikel 348 van overeenkomstige
toepassing.
5. De vordering tot vergoeding van de
verbetering kan niet later worden ingesteld dan drie maanden na het
einde van de pachtovereenkomst.
6. De pachter kan geen vordering tot
vergoeding voor verbeteringen gronden op artikel 212 van Boek 6.
Artikel 351
De pachter is verplicht te zijnen koste de
kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn geworden door
het tekortschieten van de verpachter in de nakoming van zijn verplichting
tot het verhelpen van gebreken.
Artikel 352
1. De pachter is aansprakelijk voor
schade aan het gepachte die is ontstaan door een hem toe te rekenen
tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de
pachtovereenkomst.
2. Alle schade, behalve brandschade,
wordt vermoed te zijn ontstaan door een hem toe te rekenen
tekortschieten als bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd artikel 358 lid 2 wordt
de pachter vermoed het gepachte in goede staat te hebben ontvangen.
Artikel 353
De pachter is jegens de verpachter op
gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen
van hen die met zijn goedvinden het gepachte gebruiken of zich met zijn
goedvinden daarop bevinden.
Artikel 354
1. Indien gedurende de pacht dringende
werkzaamheden aan het gepachte moeten worden uitgevoerd of de verpachter
krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten behoeve van een
naburig erf, moet de pachter daartoe gelegenheid geven, onverminderd
zijn aanspraken op vermindering van de pachtprijs, op ontbinding van de
pachtovereenkomst en op schadevergoeding.
2. De verpachter is niet bevoegd
verbeteringen op of aan het verpachte aan te brengen dan na
schriftelijke toestemming van pachter.
3. Indien de pachter de toestemming niet
verleent, kan de verpachter aan de grondkamer machtiging vragen tot het
aanbrengen van de verbeteringen.
4. De grondkamer verleent de machtiging
slechts, indien de verbeteringen noodzakelijk zijn voor een doelmatig
gebruik van het gepachte en geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van
de pachter zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.
5. De grondkamer kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen. Zij kan op verzoek
van de pachter of de verpachter de pachtprijs herzien, indien de
verbeteringen daartoe aanleiding geven.
Artikel 355
De pachter is niet dan met schriftelijke
toestemming van de verpachter bevoegd tot onderverpachting.
Artikel 356
Indien de pachter gebreken aan het gepachte
ontdekt of derden hem in zijn genot storen of enig recht op het gepachte
beweren, moet hij daarvan onverwijld aan de verpachter kennis geven, bij
gebreke waarvan hij verplicht is aan de verpachter de door de nalatigheid
ontstane schade te vergoeden.
Artikel 357
Indien de verpachter tot verpachting of
verhuring na afloop van de lopende pacht of tot verkoop van het gepachte
wenst over te gaan, is de pachter verplicht te dulden dat aan het gepachte
de gebruikelijke kennisgevingen van het te pachten, te huur of te koop
zijn worden aangebracht, en aan belangstellenden gelegenheid te geven tot
bezichtiging.
Artikel 358
1. De pachter is verplicht het gepachte
bij het einde van de pacht weer in goede staat ter beschikking van de
verpachter te stellen.
2. Indien tussen de pachter en de
verpachter een beschrijving van gepachte gebouwen is opgemaakt, is de
pachter gehouden de gebouwen in dezelfde staat op te leveren waarin deze
volgens de beschrijving zijn aanvaard, met uitzondering van geoorloofde
veranderingen en toevoegingen en hetgeen door ouderdom is tenietgegaan
of beschadigd.
Artikel 359
Houdt de pachter na het einde van de pacht
het gepachte onrechtmatig onder zich, dan kan de verpachter over de tijd
dat hij het gepachte mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de
pachtprijs, onverminderd, indien zijn schade meer dan deze vergoeding
bedraagt, zijn recht op dit meerdere.
Artikel 360
1. De afgaande en opkomende pachters zijn
verplicht elkander over en weer met al datgene te gerieven, wat vereist
wordt om het betrekken en het verlaten van het gepachte gemakkelijker te
maken, zowel wat betreft het gebruik voor het volgende jaar, het
inoogsten van nog te velde staande vruchten en het betrekken van de
gebouwen als anderszins.
2. De te dezen nalatige pachter is zowel
jegens de andere pachter als jegens de verpachter tot schadevergoeding
gehouden.
Afdeling 8. Overgang van de pacht bij
overdracht van de verpachte zaken
Artikel 361
1. Overdracht van de zaak waarop de
pachtovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van een
zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak
waarop de pachtovereenkomst betrekking heeft, door de verpachter doen de
rechten en verplichtingen van de verpachter uit de pachtovereenkomst,
die daarna opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger.
2. Overdracht door een schuldeiser van de
verpachter wordt met overdracht door de verpachter gelijkgesteld.
3. De verkrijger wordt slechts gebonden
door die bedingen van de pachtovereenkomst, die onmiddellijk verband
houden met het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de
pachter te betalen tegenprestatie.
Artikel 362
In geval van vestiging of overdracht van
een beperkt recht op de verpachte zaak, dat niet onder artikel 361 lid 1
is begrepen, is de gerechtigde jegens de pachter verplicht zich te
onthouden van een uitoefening van dat recht, die het gebruik door de
pachter belemmert.
Afdeling 9. Pachtoverneming
Artikel 363
1. De pachter kan zich tot de rechter
wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één
of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, één of meer
van zijn pleegkinderen of één of meer van de medepachters – of twee
of meer van deze gezamenlijk – in zijn plaats als pachter te stellen.
2. Indien de pachter een vordering, als
bedoeld in het vorige lid, heeft gedaan, is de verpachter bevoegd zich
tot de rechter te wenden met de vordering een of meer anderen van de in
het vorige lid genoemde belanghebbenden in de plaats van de pachter te
stellen.
3. De rechter beslist naar billijkheid,
met inachtneming van de overige bepalingen van dit artikel.
4. De rechter wijst de vordering af,
indien op grond van het gestelde in artikel 319 lid 1, onder d en e,
eerste zinsnede, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 319,
leden 2 en 5, de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou zijn
onthouden.
5. De rechter wijst de vordering af,
indien de voorgestelde pachter niet voldoende waarborgen voor een
behoorlijke bedrijfsvoering biedt.
6. Indien de rechter de vordering zou
moeten afwijzen, omdat op grond van het gestelde in artikel 319 lid 1,
onder d en e, eerste zinsnede, de goedkeuring aan een nieuwe
pachtovereenkomst zou zijn onthouden, is hij bevoegd de
pachtovereenkomst te wijzigen op het punt of de punten, welke die
goedkeuring zouden verhinderen. Het bepaalde in artikel 320 lid 2 is van
overeenkomstige toepassing.
7. De rechter kan de toewijzing van de
vordering afhankelijk stellen van de vervulling van zodanige
voorwaarden, als hij in het belang van de verpachter noodzakelijk
oordeelt.
8. Indien de pachtovereenkomst ingevolge
het in het zesde lid bepaalde tegen de wil van de voorgestelde pachter
is gewijzigd, kan deze, mits binnen een maand na de dag van het vonnis,
van de indeplaatsstelling afzien door een kennisgeving bij aangetekende
brief aan de verpachter. In dat geval staat de voorgestelde pachter geen
beroep open.
Artikel 364
1. De pachter kan zich tot de rechter
wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één
of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of één of meer
van zijn pleegkinderen – of twee of meer van deze gezamenlijk – aan
te merken als medepachter.
2. Het bepaalde inartikel 363 leden 3 tot
en met 8 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in
plaats van «voorgestelde pachter»telkens wordt gelezen: «voorgestelde
medepachter».
Artikel 365
1. De medepachter, die niet of niet meer
persoonlijk betrokken is bij de exploitatie van het gepachte, kan zich
tot de rechter wenden met de vordering uit de pacht te worden ontslagen.
De rechter beslist naar billijkheid met dien verstande, dat hij de
vordering toewijst, tenzij de belangen van de verpachter of van de
medepachter daardoor ernstig zouden worden geschaad.
2. De verpachter kan zich tot de rechter
wenden met de vordering de medepachter die niet of niet meer persoonlijk
betrokken is bij de exploitatie van het gepachte, te ontslaan uit de
pacht. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing.
3. De medepachter kan zich tot de rechter
wenden met de vordering de andere medepachter uit de pacht te ontslaan
op de grond dat de onderlinge verhouding een gemeenschappelijke
bedrijfsvoering ernstig bemoeilijkt.
Afdeling 10. Het eindigen van de
pachtovereenkomst
Artikel 366
1. De dood van de pachter of de
verpachter doet de pacht niet eindigen.
2. Indien de erfgenamen van de pachter
niet bevoegd zijn het gepachte aan een ander in gebruik te geven, kunnen
zij gedurende zes maanden na het overlijden van hun erflater de
overeenkomst op een termijn van ten minste zes maanden bij exploot of
aangetekende brief opzeggen.
3. Indien een pachter twee of meer
erfgenamen nalaat, is de verpachter verplicht zijn medewerking te
verlenen aan de toedeling van de rechten en verplichtingen van de
overleden pachter uit de pachtovereenkomst door de gezamenlijke
erfgenamen aan een of meer van hen, tenzij de verpachter tegen een of
meer van de aangewezenen redelijke bezwaren heeft.
Artikel 367
1. De overeenkomst kan tegen het einde
van iedere in artikel 325 bedoelde termijn door ieder van de partijen
worden opgezegd.
2. De opzegging moet geschieden bij
exploot of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging bedraagt ten
minste een jaar.
3. Geen opzegging is vereist, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de
pachtovereenkomst is totstandgekomen.
Artikel 368
Een opzegging door de verpachter is nietig,
indien zij niet de gronden vermeldt die tot opzegging hebben geleid.
Artikel 369
1. Indien de pachter binnen zes weken na
de opzegging aan de verpachter bij exploot of aangetekende brief
meedeelt zich tegen de opzegging te verzetten met opgave van de redenen
waarop hij dit verzet grondt, blijft de opgezegde overeenkomst van
kracht, totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering
van de verpachter als bedoeld in lid 2. De rechter kan evenwel, indien
het verweer van de pachter hem kennelijk ongegrond voorkomt, zijn
toewijzend vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2. Indien de pachter zich overeenkomstig
het eerste lid tijdig tegen de opzegging heeft verzet, kan de verpachter
op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de rechter het
tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen.
Artikel 370
1. De rechter kan de vordering slechts
toewijzen op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering door de pachter
niet is geweest zoals een goed pachter betaamt of de pachter
anderszins ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn
verplichtingen;
b. de verpachter aannemelijk maakt
dat hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed- of
aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het verpachte
duurzaam in gebruik wil nemen en hij het verpachte daartoe dringend
nodig heeft;
c. een redelijke afweging van de
belangen van de verpachter bij beëindiging van de overeenkomst
tegen die van de pachter bij verlenging van de overeenkomst in het
voordeel van de verpachter uitvalt;
d. de pachter niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe pachtovereenkomst,
voor zover dit aanbod niet een wijziging van de pachtprijs inhoudt;
e. aan de gronden voor algehele
ontbinding van de pachtovereenkomst krachtens artikel 377is voldaan.
2. Onder duurzaam gebruik in de zin van
lid 1 onder b wordt niet begrepen vervreemding van het verpachte.
Artikel 371
1. In het geval, bedoeld in artikel 370
lid 1 onder d, kan de rechter de pachter een termijn toestaan van ten
hoogste een maand om het aanbod tot het aangaan van een nieuwe
overeenkomst alsnog te aanvaarden.
2. Betreft het aanbod een nieuwe
overeenkomst voor een kortere duur dan die vanartikel 325 lid 1, dan kan
de rechter het aanbod slechts als redelijk aanmerken, indien de
bijzondere omstandigheden van het geval dit rechtvaardigen en de
algemene belangen van de landbouw niet worden geschaad. Artikel 325 lid
4, tweede en derde zin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de
pachter het aanbod aanvaardt, isartikel 325 leden 6 en 7 van
overeenkomstige toepassing op de door die aanvaarding tot stand gekomen
overeenkomst.
Artikel 372
1. Indien de rechter de vordering
toewijst, stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De
toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
2. Indien in het verpachte
bedrijfsgebouwen zijn begrepen kan de rechter in zijn beslissing tot
toewijzing een bedrag vaststellen dat de verpachter aan de pachter moet
betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en
inrichtingskosten.Artikel 297 leden 2 en 3 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 373
1. Indien de overeenkomst is opgezegd op
de inartikel 370 lid 1 onder b of e bedoelde gronden en de pachter in de
beëindiging van de overeenkomst heeft toegestemd dan wel de vordering
tot beëindiging van de overeenkomst op die grond is toegewezen, is de
verpachter jegens de pachter tot schadevergoeding gehouden, indien de
wil om het verpachte persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen of om aan
het verpachte de in artikel 377 bedoelde bestemming te geven in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil
geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het
einde van de pachtovereenkomst het verpachte door de verpachter of door
de echtgenoot of geregistreerde partner, door een bloed of aanverwant in
de eerste graad of door een pleegkind van de verpachter in duurzaam
gebruik is genomen, onderscheidenlijk aan het verpachte de in artikel
377 bedoelde bestemming is gegeven.
3. De rechter is bevoegd op verzoek van
de verpachter of ambtshalve in zijn in artikel 372 bedoelde beslissing
een bedrag te bepalen, dat de verpachter aan de pachter moet betalen,
indien later mocht blijken dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is
geweest, onverminderd het recht van de pachter op verdere vergoeding.
4. De vordering van de pachter tot
schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3 bedoelde bedrag
vervalt vijf jaren na het einde van de pachtovereenkomst.
Artikel 374
De rechter kan, hetzij op verzoek van een
der partijen, hetzij ambtshalve op grond van de billijkheid de vordering
slechts voor een gedeelte van het verpachte toewijzen. In dat geval
vermindert de rechter de geldende tegenprestatie dienovereenkomstig. De
pachter kan alsdan de overeenkomst voor het overige beëindigen op het
tijdstip van het eindigen van de pacht ter zake van het eerst vermeld
gedeelte. Hij geeft hiervan bij aangetekende brief kennis aan de
verpachter binnen een maand nadat het vonnis onaantastbaar is geworden.
Artikel 375
(vervallen)
Artikel 376
1. Ontbinding van de pachtovereenkomst op
de grond dat de pachter tekortgeschoten is in de nakoming van zijn
verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter, behoudens in het
geval van artikel 343 lid 1. De pachter wordt in ieder geval geacht in
de nakoming van zijn verplichtingen te zijn tekortgeschoten, indien hij
a. het gepachte niet langer voor de
uitoefening van de landbouw gebruikt, of
b. in de pachtovereenkomst
vastgelegde beheersverplichtingen ter behoud van op het gepachte
aanwezige natuurwaarden, niet naleeft of aan deze natuurwaarden
anderszins schade heeft toegebracht.
2. Indien de pachter met de nakoming van
zijn verplichtingen in gebreke is, kan de rechter hem op zijn verlangen
nog een betrekkelijk korte termijn gunnen om alsnog aan zijn
verplichtingen te voldoen.
3. De rechter kan op verzoek van de
verpachter, alvorens op de vordering tot ontbinding te beslissen, een
onderzoek bevelen naar de nakoming door de pachter van diens
verplichting tot onderhoud en, zo dit onderzoek daartoe aanleiding
geeft, aan de pachter zodanige aanwijzingen omtrent het uitvoeren van
deze verplichting verstrekken als door de omstandigheden worden geboden,
zulks met vaststelling van een termijn waarbinnen die aanwijzingen
moeten worden opgevolgd.
4. Indien de pachter nalaat de
aanwijzingen binnen de gestelde termijn op te volgen, geldt dit als een
tekortkoming als bedoeld in lid 1, tenzij de pachter aannemelijk maakt
dat dit nalaten hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 377
1. Indien de verpachter het verpachte of
een gedeelte daarvan wil bestemmen voor niet tot de landbouw
betrekkelijke doeleinden, en die bestemming in overeenstemming is met
het algemeen belang, ontbindt de rechter op vordering van de verpachter
de pachtovereenkomst geheel of ten dele met ingang van een bij de
uitspraak te bepalen dag. De voorgenomen bestemming wordt geacht in
overeenstemming met het algemeen belang te zijn, indien zij in
overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan.
2. Bij ontbinding voor een gedeelte van
het verpachte vermindert de rechter de tegenprestatie
dienovereenkomstig. De pachter kan alsdan de pachtovereenkomst voor het
overige beëindigen op het in vorige lid bedoelde tijdstip. Hij geeft
hiervan bij aangetekende brief kennis aan de verpachter binnen een maand
nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
3. Indien de rechter de pachtovereenkomst
op grond van de leden 1 en 2 ontbindt, veroordeelt hij de verpachter de
pachter schadeloos te stellen over de tijd, welke de pachter bij
niet-ontbinding ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had
kunnen blijven.
4. Indien de pachtovereenkomst voor de in
artikel 325, eerste of tweede lid, bedoelde duur is aangegaan of geldt,
dan wel voor een kortere duur is aangegaan, doch nadien voor zes jaren
is verlengd, wordt bij de bepaling van de schadeloosstelling rekening
gehouden met de mogelijkheid, dat de pachtovereenkomst zou zijn
verlengd. Bij de beoordeling van de mogelijkheid van verlenging houdt de
rechter geen rekening met het voornemen van de verpachter het verpachte
of een gedeelte daarvan te bestemmen voor niet tot de landbouw
betrekkelijke doeleinden.
5. Het bepaalde in het vierde lid, eerste
volzin, vindt geen toepassing, indien de pachtverhouding is aangevangen,
nadat aan het verpachte bij een bestemmingsplan een niet tot de landbouw
betrekkelijke bestemming is gegeven. In dat geval wordt de
pachtovereenkomst met betrekking tot een hoeve of los land, welke is
aangegaan voor langer dan twaalf, onderscheidenlijk zes jaren, voor de
bepaling van de schadeloosstelling geacht te zijn aangegaan voor twaalf,
onderscheidenlijk zes jaren, met dien verstande, dat, indien de
ontbinding plaats vindt na die termijn, de overeenkomst geacht wordt
telkens voor zes jaren te zijn verlengd.
6. Indien evenwel het verpachte sinds een
tijdstip, liggend voor het besluit tot vaststelling van het
bestemmingsplan, bedoeld in het vijfde lid, achtereenvolgens bij
personen die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de voorgaande
gebruiker in enige in artikel 363, eerste lid, genoemde betrekking
stonden persoonlijk in gebruik is geweest voor een tot de landbouw
betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in het tweede lid van toepassing.
7. Indien de pachtovereenkomst ingevolge
artikel 322 voor onbepaalde tijd geldt, wordt voor de berekening van de
schadeloosstelling uitgegaan van de overeengekomen duur, doch ingeval de
overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan nimmer van een langere
dan de in artikel 325, eerste lid, bedoelde duur. Voor de berekening van
de schadeloosstelling wordt op gelijke wijze als ten aanzien van
pachtovereenkomsten, waarop artikel 322 niet van toepassing is,
aangenomen, dat de pachtovereenkomst zou kunnen worden verlengd; het
vierde lid, tweede volzin, vijfde en zesde lid, vinden overeenkomstige
toepassing.
8. Bij de berekening van de
schadeloosstelling wordt niet gelet op feitelijke veranderingen die
kennelijk zijn aangebracht om de schadeloosstelling te verhogen.
9. Artikel 373 is van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 11. Het voorkeursrecht van de
pachter
Artikel 378
1. De verpachter die tot vervreemding van
het verpachte of een deel daarvan wil overgaan, is verplicht de pachter
uit hoofde van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst die
voor ten minste de wettelijke duur is aangegaan dan wel is aangegaan
voor een kortere duur, doch nadien voor ten minste zes jaren is
verlengd, bij voorkeur in de gelegenheid te stellen het recht dat hij
voornemens is aan te bieden, te verkrijgen overeenkomstig de regels van
deze afdeling. Onder vervreemding worden begrepen overdracht van
eigendom of vestiging of overdracht van erfpacht, opstal of
vruchtgebruik.
2. De verpachter geeft van zijn voornemen
tot vervreemding onder vermelding van de prijs bij exploot of bij
aangetekende brief kennis aan de pachter.
3. De pachter geeft binnen een maand na
de kennisgeving eveneens bij aangetekende brief of exploot aan de
verpachter te kennen of hij, indien overeenstemming wordt bereikt over
de prijs, bereid is eigenaar dan wel erfpachter, opstaller of
vruchtgebruiker te worden.
4. Indien de pachter zich niet binnen de
termijn, bedoeld in artikel 378 lid 3, daartoe bereid verklaart, is het
in lid 1 van artikel 378 bepaalde gedurende een jaar na afloop van deze
termijn niet van toepassing.
5. In die periode mag vervreemding,
anders dan in het openbaar, niet geschieden tegen een prijs die lager is
dan de prijs die de verpachter in zijn inlid 2 van artikel 378 bedoelde
kennisgeving heeft vermeld.
Artikel 379
1. Indien geen overeenstemming wordt
bereikt over de prijs, kan de verpachter de grondkamer verzoeken de
marktwaarde van het verpachte of het te vervreemden deel daarvan te
taxeren.
2. Indien de verpachter, nadat op het
verzoek onherroepelijk is beslist, bereid is het verpachte of het te
vervreemden deel daarvan tegen de getaxeerde waarde of een lagere prijs
aan de pachter te vervreemden, geeft hij daarvan bij exploot of
aangetekende brief kennis aan de pachter.
3. Indien de pachter niet binnen een
maand na het uitbrengen van het exploot of de verzending van de
aangetekende brief het aanbod bij exploot of aangetekende brief heeft
aanvaard, is het inlid 1 van artikel 378 bepaalde gedurende een jaar na
afloop van die termijn niet van toepassing. Artikel 378 lid 5 is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verkoop niet mag
geschieden tegen een prijs die lager is dan de in het vorige lid
bedoelde prijs.
4. Indien de verpachter de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid niet heeft gedaan binnen een jaar nadat op het
verzoek om taxatie onherroepelijk is beslist, zijn de bepalingen van
artikel 378 en volgende wederom van toepassing.
Artikel 380
1. De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat niet:
a. in geval van verkoop krachtens
wetsbepaling of krachtens een bevel van de rechter en van
executoriale verkoop;
b. wanneer de verpachter overgaat tot
vervreemding aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner, aan een
bloed of aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de
tweede graad of aan een pleegkind;
c. in geval van een rechtshandeling
die als een verdeling van een gemeenschap is aan te merken;
d. in geval de rechter op vordering
van de verpachter oordeelt dat deze een ernstige reden heeft om de
pachter niet in de gelegenheid te stellen eigenaar dan wel
erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker te worden.
e. in geval degene aan wie de
vervreemding plaats vindt, tevoren schriftelijk aan de pachter
verklaart afstand te doen van zijn bevoegdheid de pachtovereenkomst
op te zeggen op de in artikel 370 lid 1 onder bbedoelde grond.
2. Evenmin bestaat de in artikel 378 lid
1 bedoelde verplichting, wanneer de grondkamer op verzoek van de
verpachter heeft vastgesteld dat deze een ernstige reden heeft om de
pachter niet in de gelegenheid te stellen eigenaar of beperkt
gerechtigde te worden. Als ernstige reden wordt steeds beschouwd de
omstandigheid dat de pachter een slecht landgebruiker is.
Artikel 381
1. De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat voorts niet, wanneer en voor zover het verpachte is
gelegen in een geldend bestemmingsplan, waarbij daaraan een andere dan
landbouwkundige bestemming is gegeven. Op verzoek van de verpachter
verklaren burgemeester en wethouders schriftelijk, of in zulk een plan
al dan niet een landbouwkundige bestemming aan het verpachte is gegeven.
2. Evenmin bestaat de inartikel 378 lid 1
bedoelde verplichting, wanneer de verpachter overgaat tot vervreemding
van het verpachte aan een derde en de grondkamer, op gezamenlijk verzoek
van de verpachter en die derde, heeft vastgesteld, dat aannemelijk is,
dat de derde het verpachte voor andere dan landbouwkundige doeleinden
zal gebruiken of doen gebruiken.
3. De in artikel 378 lid 1bedoelde
verplichting bestaat evenmin, voor zover het verpachte is gelegen in een
gebied waarvoor een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet
ruimtelijke ordening is vastgesteld en de verpachter ingevolge het
bepaalde in de artikelen 2 juncto artikel 4, eerste lid, onder a, 10 tot
en met 24 van de Wet voorkeursrecht gemeenten dan wel artikel 9a, eerste
of tweede lid, juncto artikel 4, eerste lid, onder a, van die wet
overgaat tot de vervreemding van het verpachte aan de gemeente
onderscheidenlijk de provincie of de Staat.
Artikel 382
De verpachter is verplicht om, alvorens tot
openbare verkoop van het verpachte wordt overgegaan, behoudens in geval
van executoriale verkoop, de pachter ten minste een maand voor de verkoop
bij exploot of aangetekende brief daarvan kennis te geven.
Artikel 383
Indien de verpachter in strijd heeft
gehandeld met artikel 378 lid 1, 378 lid 5 of 379 lid 3, kan de verkrijger
van het verpachte onder bijzondere titel de overeenkomst slechts op de in
artikel 370 lid 1 onder b bedoelde grond opzeggen, nadat twaalf jaren zijn
verstreken na het einde van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige
verpachter is opgevolgd.
Artikel 384
1. De pachter die van zijn recht van
voorkeur gebruik heeft gemaakt en het uit dien hoofde verkregene binnen
een periode van tien jaar na die verkrijging deels of geheel vervreemdt,
is aan de verpachter een vergoeding verschuldigd als bedoeld in het
tweede tot en met vierde lid.
2. De vergoeding bedraagt het verschil
tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het verkregene en de
waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging.
3. Indien de waarde in pachtvrije staat
ten tijde van de vervreemding door de pachter lager is dan de waarde in
pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging, bedraagt in afwijking van
het tweede lid de vergoeding het verschil tussen de prijs die door de
pachter is betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in
pachtvrije staat ten tijde van de vervreemding.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde
vergoeding neemt telkens af met ééntiende deel voor elk jaar dat
verstreken is gerekend van de verkrijging door de pachter af en
vermindert voorts naar evenredigheid indien sprake is van vervreemding
van een deel van het object.
5. Het bepaalde in het eerste lid is niet
van toepassing:
a. indien de vervreemding plaatsvindt
aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de pachter, aan
één of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, aan
één of meer van zijn pleegkinderen of aan één of meer van de
medepachters, met dien verstande dat indien zij binnen de in het
eerste lid bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding
van het object overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde
vergoeding verschuldigd zijn;
b. indien de vervreemding plaatsvindt
door één of meer van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn
van de pachter of door één of meer van diens pleegkinderen aan
één of meer van hun bloedverwanten in de rechte lijn of
pleegkinderen, met dien verstande dat indien laatstgenoemden binnen
de in het eerste lid bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke
vervreemding van het object overgaan, zij de in het eerste lid
bedoelde vergoeding verschuldigd zijn.
6. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder vervreemding mede verstaan: elke overeenkomst of andere
rechtshandeling in welke vorm en onder welke benaming ook aangegaan of
verricht, strekkende tot het anderszins overgaan van het verkregene,
waarvan moet worden aangenomen dat zij niet zou zijn aangegaan of zou
zijn verricht indien de in het eerste lid bedoelde vergoeding niet zou
zijn verschuldigd.
Afdeling 12. Bijzondere pachtovereenkomsten
Paragraaf 1. Verpachting door openbare
lichamen
Artikel 385
Indien het Rijk, een provincie, een
gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de
Wet gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een veenschap of een
veenpolder aan hun in eigendom toebehorende hoeven of los land een
bestemming heeft gegeven voor niet tot de landbouw betrekkelijke
doeleinden van openbaar nut, kunnen zij aan de grondkamer verzoeken goed
te keuren, dat bij verpachting van zulke hoeven of zodanig los land in de
overeenkomst een of meer van de volgende bedingen zullen worden opgenomen:
a. dat de overeenkomst in afwijking van
het bepaalde in artikel 325 lid 1, tweede zin, geldt voor de
overeengekomen tijd;
b. dat de verlenging niet zal plaats
hebben, indien en voorzover de verpachter bij exploot of aangetekend
schrijven uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de termijn
waarvoor de pachtovereenkomst is aangegaan de overeenkomst heeft
opgezegd op de grond, dat de verlenging met de bestemming van het
verpachte onverenigbaar is;
c. dat de pachter niet bevoegd zal zijn
aan de grondkamer machtiging te vragen bestemming, inrichting of
gedaante van het gepachte te veranderen;
d. dat de overeenkomst door de
verpachter te allen tijde kan worden beëindigd, indien en voorzover
de bestemming de beëindiging naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
Artikel 386
De grondkamer onderzoekt uitsluitend of de
bestemming het beding redelijkerwijs noodzakelijk kan maken. Zij treedt
niet in een beoordeling dezer bestemming.
Artikel 387
1. In geval de pachtovereenkomst niet
wordt verlengd op grond van het beding, genoemd in artikel 385 onder b,
heeft de pachter geen recht op schadeloosstelling.
2. In geval van beëindiging op grond van
het beding, genoemd in artikel 385, onder d, heeft de pachter recht op
schadeloosstelling over de tijd, welke hij bij niet-beëindiging
ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.
3. Bij gedeeltelijke beëindiging is de
pachter bevoegd de pachtovereenkomst ook voor het overige te
beëindigen. Hij geeft hiervan bij aangetekende brief kennis aan de
verpachter binnen een maand na de beëindiging, bedoeld in artikel 385
onder d.
Paragraaf 2. Verpachting binnen reservaten
Artikel 388
In deze paragraaf wordt verstaan onder
«reservaat» een gebied waar de eigendom dan wel de erfpacht van
landbouwgronden door de Staat, een publiekrechtelijke rechtspersoon of een
bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisatie is verworven en waar een beheer gevoerd kan
worden gericht op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud anders dan
door middel van een daartoe te sluiten overeenkomst betreffende het
richten van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven op doeleinden van
natuur- en landschapsbehoud.
Artikel 389
1. In een pachtovereenkomst met
betrekking tot een hoeve of los land gelegen in een reservaat, kunnen
een of meer verplichtingen worden opgenomen welke ten doel hebben de
opzet en de bedrijfsvoering te richten op het behoud van natuur en
landschap.
2. Niet als buitensporige verplichtingen
als bedoeld in artikel 319, eerste lid, onderdeel b, worden die
verplichtingen aangemerkt:
a. die deel uitmaken van een
pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot door de Staat of een
bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisatie in eigendom dan wel erfpacht verworven
percelen, gelegen in een reservaat,
b. die gewenst zijn in verband met de
instandhouding of ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden
van natuur en landschap en
c. waarvoor bij de overeenkomst een
vergoeding wordt bedongen.
Artikel 390
Indien toepassing is gegeven aan artikel
389 geldt, in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 325, de
pachtovereenkomst voor zowel een hoeve als los land voor de duur van zes
jaren.
Artikel 391
1. Indien toepassing is gegeven aan
artikel 389wordt de pachtovereenkomst in afwijking van artikel 325
telkens met zes jaren verlengd.
2. De rechter kan de in artikel 370
bedoelde vordering, behalve op de daar bedoelde gronden, ook toewijzen
op de grond dat de verpachter met betrekking tot de instandhouding of
ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden van natuur en
landschap een zodanig beheer wil voeren dat verdere verpachting hiermee
niet in overeenstemming is. Bij alle toewijzingsgronden houdt hij
rekening met de billijkheid in verband met de bijzondere aard van de
pachtovereenkomst.
Artikel 392
De grondkamer herziet de in het eerste lid
van artikel 326 bedoelde bepalingen van de pachtovereenkomst, indien dit
gewenst is met het oog op de instandhouding of ontwikkeling van de op het
land aanwezige waarden van natuur en landschap.
Artikel 393
1. De vergoeding die ingevolge artikel
389 lid 2 onder c is bedongen, wordt niet aangemerkt als pachtprijs.
2. De vergoeding kan niet meer bedragen
dan de pachtprijs zoals opgenomen in een door de grondkamer goedgekeurde
pachtovereenkomst.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regelen vastgesteld ten aanzien van de hoogst toelaatbare
vergoeding.
Artikel 394
1. De pachter of de verpachter kan aan de
grondkamer verzoeken de vergoeding bedoeld in artikel 389 lid 2 onder
cte herzien
a. voor het verstrijken van een
pachtperiode van drie jaren;
b. binnen een tijdvak van een jaar na
inwerkingtreding van een wijziging van de regelen als bedoeld in
artikel 393 lid 3.
2. De grondkamer herziet de vergoeding,
indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde
omstandigheden dit rechtvaardigen.
3. Indien het verzoek met toepassing van
het eerste lid, onder a, is ingediend, gaat de herziening van de
vergoeding door de grondkamer in met ingang van de nieuwe driejarige
pachtperiode.
4. Indien het verzoek met toepassing van
het eerste lid, onder b, is ingediend, gaat de herziening van de
vergoeding door de grondkamer in met ingang van het pachtjaar volgende
op het tijdstip waarop de herziening van de regelen, bedoeld in artikel
393 lid 3, in werking is getreden.
5. Zijn de regelen, bedoeld in artikel
393 lid 3, herzien na het tijdstip waarop de grondkamer heeft beslist,
dan beslist de Centrale Grondkamer met inachtneming van deze regelen,
indien een der partijen dit verzoekt.
Paragraaf 3. Pacht van geringe oppervlakten
Artikel 395
1. De artikelen 313 lid 2, 317–329,
332,333, 348 leden 2–4, 350, 363, 364 en 366–384 zijn niet van
toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land dat niet groter
is dan één hectare.
2. De grondkamer is bevoegd hetzij voor
haar gehele ressort, hetzij voor een gedeelte daarvan, bij besluit voor
een bepaalde tak van bodemcultuur de in het vorige lid genoemde
oppervlakte te verlagen, doch niet tot minder dan 50 are. De besluiten
van de grondkamer worden in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt.
3. Dit besluit behoeft de goedkeuring van
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
4. Overeenkomsten, in welke vorm en onder
welke benaming ook aangegaan welke tot gevolg hebben dat door de ene
partij aan de andere partij, – daaronder begrepen natuurlijke of
rechtspersonen die in een samenwerkingsverband een landbouwbedrijf
uitoefenen – tegen voldoening van een tegenprestatie los land in
gebruik wordt gegeven ter uitoefening van de landbouw, gelden voor de
toepassing van dit artikel als één overeenkomst. Voor de toepassing
van dit artikel worden mede als één overeenkomst in aanmerking genomen
die overeenkomsten waarvan op grond van feiten en omstandigheden moet
worden aangenomen dat zij niet of voor een andere oppervlakte gesloten
zouden zijn indien de oppervlaktegrenzen als bedoeld in dit artikel niet
zouden zijn gesteld.
Paragraaf 4. Teeltpacht en geliberaliseerde
pacht
Artikel 396
1. De artikelen 313 lid 2, 318–325,
327, 328, 332,333, 363, 364, 366–374 en 378–384 zijn niet van
toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald;
b. die zijn aangegaan voor één- of
tweejarige teelten voor de duur van ten hoogste één
onderscheidenlijk twee jaar;
c. die zijn aangegaan voor teelten
waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is, en
d. waarbij overigens is voldaan aan
het bepaalde in het tweede en derde lid.
2. De pachtovereenkomst als bedoeld in
het eerste lid wordt door een der partijen ter registratie aan de
grondkamer gezonden.
3. De inzending ter registratie dient
binnen twee maanden nadat de pachtovereenkomst is aangegaan te hebben
plaatsgevonden. De inzending geschiedt met toepassing van de in de
Uitvoeringswet grondkamers voorgeschreven formaliteiten voor een verzoek
tot goedkeuring van een pachtovereenkomst en wordt gericht tot de
grondkamer die ter zake van een zodanig verzoek bevoegd is. De
secretaris van de grondkamer doet ieder der partijen mededeling van een
registratie.
4. Indien de verpachter ten behoeve van
een onderverpachting overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid de
inartikel 355 bedoelde toestemming niet verleent, kan de pachter de
grondkamer machtiging vragen tot de gewenste onderverpachting over te
gaan. De grondkamer verleent deze machtiging, wanneer door de
onderverpachting het algemeen landbouwbelang gediend wordt en geen
redelijk belang van de verpachter zich daartegen verzet. De grondkamer
kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen
en kan daarbij op verzoek van de verpachter de tegenprestatie in
afwijking van de regelen als bedoeld in artikel 327 lid 1 herzien,
indien de bij de onderverpachting overeengekomen tegenprestatie daartoe
aanleiding geeft.
Artikel 397
1. De bepalingen van de artikelen 313 lid
2, 319 lid 1 onder a, c en d, 325, 327, 328, 332, 333, 363 tot en met
374, 378 tot en met 384, 399a en 399c lid 1 zijn niet van toepassing op
pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald en
b. die zijn aangegaan voor een duur
van zes jaren of korter.
2. De bepalingen van de artikelen 313 lid
2, 319 lid 1 onder c en d, 325, 363 tot en met 374 en 378 tot en met 384
zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald en
b. die zijn aangegaan voor een duur
langer dan zes jaren.
3. De grondkamer maakt van haar in
artikel 320bedoelde bevoegdheid tot wijziging van de pachtovereenkomst
slechts gebruik, indien daardoor sprake blijft van een pachtovereenkomst
als bedoeld in dit artikel.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat op de pachtovereenkomsten als bedoeld in het eerste
lid tevens de artikelen 319 lid 1 onder a, 327, 328, 332, 333, 399a en
399c lid 1 van toepassing zijn. De algemene maatregel van bestuur treedt
niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 398
1. Een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 396 en 397 gaat niet van rechtswege teniet door de dood van de
verpachter of van de pachter.
2. Na de dood van de pachter zet dan wel
zetten diens echtgenoot of geregistreerde partner, een of meer van diens
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, een of meer van diens
pleegkinderen of iedere medepachter of onderpachter de in lid 1 bedoelde
overeenkomst voort, tenzij de verpachter na het overlijden van de
pachter schriftelijk wordt medegedeeld dat daarvan wordt afgezien.
3. Een mededeling als bedoeld in het
tweede lid geschiedt:
a. binnen één maand na het
overlijden van de pachter, voor zover het een overeenkomst als
bedoeld in artikel 396 betreft;
b. binnen drie maanden na het
overlijden van de pachter, voor zover het een overeenkomst als
bedoeld in artikel 397 betreft.
Afdeling 13. Dwingend recht
Artikel 399
Van de bepalingen van de artikelen 311 tot
en met 314, 317 tot en met 332, 335, 345, 347, 348, 350, 352 lid 3, 353,
354 leden 2–5, 360 tot en met 383, 384 leden 2 en 3, 389 lid 2, 390 tot
en met 394, 395 lid 4 en artikel 396, leden 2 tot en met 4, en artikel
398kan niet ten nadele van de pachter worden afgeweken.
Artikel 399a
Nietig is elk beding in een
pachtovereenkomst, ingevolge hetwelk de geldelijke lasten, welke de
verpachter door publiekrechtelijke lichamen zijn of zullen worden
opgelegd, geheel of ten dele ten laste van de pachter komen.
Artikel 399b
Indien een pachtovereenkomst is aangegaan
onder voorwaarde dat de overeenkomst door de grondkamer geheel of ten dele
ongewijzigd zal worden goedgekeurd, wordt deze voorwaarde voor niet
geschreven gehouden.
Artikel 399c
1. Een beding waarin een verpachter,
indien de grondkamer onderscheidenlijk de Centrale Grondkamer de
pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst heeft vastgesteld, een hogere tegenprestatie bedingt
dan ingevolge deze wet is geoorloofd, is nietig. Onder de tegenprestatie
worden prestaties, bedongen of genoten krachtens andere met de
pachtovereenkomst verband houdende overeenkomsten, mede begrepen.
2. Een beding in een overeenkomst tussen
een afgaande en een opgaande pachter, verband houdende met de overgang
van het bedrijf, waarin meer is bedongen dan een redelijke vergoeding
voor de verrichte prestatie, is nietig.
3. Een beding in een overeenkomst van het
verlenen van bemiddeling of andere diensten bij het sluiten van een
pachtovereenkomst of van een overeenkomst tot wijziging of beëindiging
van een pachtovereenkomst waarin meer is bedongen dan een redelijke
vergoeding, is nietig.
Afdeling 14. Slotbepalingen
Artikel 399d
1. De bepalingen betreffende pacht vinden
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten, waardoor of krachtens
welke tegen een vergoeding ineens of in termijnen zakelijke
genotsrechten voor 25 jaar of korter, dan wel voor onbepaalde tijd op
hoeven of los land worden gevestigd. In geval van zakelijke
genotsrechten voor onbepaalde tijd blijft de overeenkomstige toepassing
van bepalingen van deze wet beperkt tot 25 jaar na de vestiging.
2. De bepalingen, die voor het zakelijke
genotsrecht gelden, vinden slechts toepassing, voorzover zij niet in
strijd zijn met dwingende bepalingen betreffende pacht.
Artikel 399e
1. Het aanstellen of het aangesteld
houden van een zetboer behoeft de voorafgaande goedkeuring van de
grondkamer.
2. Onder zetboer wordt verstaan degene,
aan wie de exploitatie van een hoeve of los land door de eigenaar of
rechthebbende is overgedragen en die daarbij een belangrijke invloed op
de leiding van het bedrijf heeft verkregen en als tegenprestatie een
vergoeding ontvangt.
3. De grondkamer keurt de aanstelling van
de zetboer slechts goed, indien daarvoor bijzondere redenen aanwezig
zijn. Zij treedt niet in een beoordeling van de voorwaarden der
aanstelling.
Titel 7. Opdracht
Afdeling 1. Opdracht in het algemeen
Artikel 400
1. De overeenkomst van opdracht is de
overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de
andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een
arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders
bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het
bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen
vervoeren van personen of zaken.
2. De artikelen 401-412 zijn,
onverminderd artikel 413, van toepassing, tenzij iets anders voortvloeit
uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van
een andere rechtshandeling, of de gewoonte.
Artikel 401
De opdrachtnemer moet bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.
Artikel 402
1. De opdrachtnemer is gehouden gevolg te
geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen omtrent de
uitvoering van de opdracht.
2. De opdrachtnemer die op redelijke
grond niet bereid is de opdracht volgens de hem gegeven aanwijzingen uit
te voeren, kan, zo de opdrachtgever hem niettemin aan die aanwijzingen
houdt, de overeenkomst opzeggen wegens gewichtige redenen.
Artikel 403
1. De opdrachtnemer moet de opdrachtgever
op de hoogte houden van zijn werkzaamheden ter uitvoering van de
opdracht en hem onverwijld in kennis stellen van de voltooiing van de
opdracht, indien de opdrachtgever daarvan onkundig is.
2. De opdrachtnemer doet aan de
opdrachtgever verantwoording van de wijze waarop hij zich van de
opdracht heeft gekweten. Heeft hij bij de uitvoering van de opdracht ten
laste van de opdrachtgever gelden uitgegeven of te diens behoeve gelden
ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.
Artikel 404
Indien de opdracht is verleend met het oog
op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of
een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig
voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor
zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn
verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd
de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer.
Artikel 405
1. Indien de overeenkomst door de
opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan,
is de opdrachtgever hem loon verschuldigd.
2. Indien loon is verschuldigd doch de
hoogte niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de
gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk
loon verschuldigd.
Artikel 406
1. De opdrachtgever moet aan de
opdrachtnemer de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht
vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen.
2. De opdrachtgever moet de opdrachtnemer
de schade vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de hem niet toe te
rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder
gevaar. Heeft de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of
bedrijf gehandeld, dan geldt de vorige zin slechts, indien dat gevaar de
risico’s welke de uitoefening van dat beroep of bedrijf naar zijn aard
meebrengt, te buiten gaat. Geschiedt de uitvoering van de opdracht
anderszins tegen loon, dan is de eerste zin slechts van toepassing,
indien bij de vaststelling van het loon met het gevaar geen rekening is
gehouden.
Artikel 407
1. Indien twee of meer personen tezamen
een opdracht hebben gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover de
opdrachtnemer verbonden.
2. Indien twee of meer personen tezamen
een opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het geheel
aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de
tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.
Artikel 408
1. De opdrachtgever kan te allen tijde de
overeenkomst opzeggen.
2. De opdrachtnemer die de overeenkomst
is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kan, behoudens
gewichtige redenen, de overeenkomst slechts opzeggen, indien zij voor
onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt.
3. Een natuurlijk persoon die een
opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, is, onverminderd artikel 406, ter zake van een opzegging geen
schadevergoeding verschuldigd.
Artikel 409
1. Indien de opdracht met het oog op een
bepaalde persoon is verleend, eindigt zij door zijn dood.
2. Alsdan zijn diens erfgenamen, indien
zij kennis dragen van de erfopvolging en van de opdracht, verplicht al
datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij
eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op degenen in wier dienst
of met wie de opdrachtnemer een beroep of bedrijf uitoefende.
Artikel 410
1. De dood van de opdrachtgever doet de
opdracht slechts eindigen, indien dit uit de overeenkomst voortvloeit,
en dan eerst vanaf het tijdstip waarop de opdrachtnemer de dood heeft
gekend.
2. Eindigt de opdracht door de dood van
de opdrachtgever, dan is de opdrachtnemer niettemin verplicht al datgene
te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen.
Artikel 411
1. Indien de overeenkomst eindigt voordat
de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is
verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de
volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer
recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de
bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de
opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever
daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.
2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft
de opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het einde van
de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling
van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk
is. Op het bedrag van het loon worden de besparingen die voor de
opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering
gebracht.
Artikel 412
Een rechtsvordering tegen de opdrachtnemer
tot afgifte van de stukken die hij ter zake van de opdracht onder zich
heeft gekregen, verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de
dag, volgende op die waarop zijn bemoeiingen zijn geëindigd.
Artikel 413
1. Van artikel 408 lid 3 kan niet worden
afgeweken.
2. Van de artikelen 408 lid 1 en 411 kan
niet worden afgeweken ten nadele van een opdrachtgever als bedoeld in
artikel 408 lid 3.
3. Van artikel 412 kan slechts op
dezelfde voet worden afgeweken als van de regels inzake de verjaring van
rechtsvorderingen die in titel 11 van Boek 3 zijn opgenomen.
Afdeling 2. Lastgeving
Artikel 414
1. Lastgeving is de overeenkomst van
opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere
partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of
meer rechtshandelingen te verrichten.
2. De overeenkomst kan de lasthebber
verplichten te handelen in eigen naam; zij kan ook verplichten te
handelen in naam van de lastgever.
Artikel 415
Indien een lastgeving met twee of meer
lasthebbers is aangegaan, is ieder van hen bevoegd zelfstandig te
handelen.
Artikel 416
1. Een lasthebber kan slechts als
wederpartij van de lastgever optreden, indien de inhoud van de
rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider
belangen is uitgesloten.
2. Een lasthebber die slechts in eigen
naam mag handelen, kan niettemin als wederpartij van de lastgever
optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig
vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
3. Indien de lastgever een persoon is als
bedoeld in artikel 408 lid 3, is voor een rechtshandeling waarbij de
lasthebber als zijn wederpartij optreedt, op straffe van
vernietigbaarheid zijn schriftelijke toestemming vereist.
4. De lasthebber die in overeenstemming
met de vorige leden als wederpartij van de lastgever optreedt, behoudt
zijn recht op loon.
Artikel 417
1. Een lasthebber mag slechts tevens als
lasthebber van de wederpartij optreden, indien de inhoud van de
rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen
van beide lastgevers is uitgesloten.
2. Indien de lastgever een persoon is als
bedoeld in artikel 408 lid 3, is voor de geoorloofdheid van een
rechtshandeling waarbij de lasthebber ook als lasthebber van de
wederpartij optreedt, zijn schriftelijke toestemming vereist.
3. Een lasthebber heeft geen recht op
loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met het in
de vorige leden bepaalde handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot
vergoeding van de dientengevolge door die lastgever geleden schade. Van
deze bepaling kan niet ten nadele van een lastgever worden afgeweken.
4. Indien een der lastgevers een persoon
is als bedoeld in artikel 408 lid 3, en de rechtshandeling strekt tot
koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een
gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, heeft
de lasthebber geen recht op loon jegens de koper of huurder. Van deze
bepaling kan niet ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken,
tenzij de rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot
woonruimte bestemd gedeelte van een zelfstandige woning.
Artikel 418
1. Heeft, buiten de gevallen bedoeld in
de artikelen 416 en 417, een lasthebber direct of indirect belang bij de
totstandkoming van de rechtshandeling, dan is hij verplicht de lastgever
daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud van de rechtshandeling zo
nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
2. Een lasthebber heeft geen recht op
loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met het in
lid 1 bepaalde handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding
van de dientengevolge door de lastgever geleden schade. Van deze
bepaling kan niet ten nadele van de lastgever worden afgeweken.
Artikel 419
Indien een lasthebber in eigen naam een
overeenkomst heeft gesloten met een derde die in de nakoming van zijn
verplichtingen tekortschiet, is de derde binnen de grenzen van hetgeen
omtrent zijn verplichting tot schadevergoeding overigens uit de wet
voortvloeit, jegens de lasthebber mede gehouden tot vergoeding van de
schade die de lastgever door de tekortkoming heeft geleden.
Artikel 420
1. Indien een lasthebber die in eigen
naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen
jegens de lastgever niet nakomt, in staat van faillissement geraakt of
indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing wordt verklaard, kan de lastgever de voor
overgang vatbare rechten van de lasthebber jegens de derde door een
schriftelijke verklaring aan hen beiden op zich doen overgaan, behoudens
voor zover zij in de onderlinge verhouding tussen lastgever en
lasthebber aan deze laatste toekomen.
2. Dezelfde bevoegdheid heeft de
lastgever indien de derde zijn verplichtingen tegenover de lasthebber
niet nakomt, tenzij deze de lastgever voldoet alsof de derde zijn
verplichtingen was nagekomen.
3. De lasthebber is in de gevallen in dit
artikel bedoeld gehouden de naam van de derde aan de lastgever op diens
verzoek mede te delen.
Artikel 421
1. Indien een lasthebber die in eigen
naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen
jegens de derde niet nakomt, in staat van faillissement geraakt of
indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing wordt verklaard, kan de derde na schriftelijke
mededeling aan de lasthebber en de lastgever zijn rechten uit de
overeenkomst tegen de lastgever uitoefenen, voor zover deze op het
tijdstip van de mededeling op overeenkomstige wijze jegens de lasthebber
gehouden is.
2. De lasthebber is in het geval in dit
artikel bedoeld gehouden de naam van de lastgever aan de derde op diens
verzoek mede te delen.
Artikel 422
1. Lastgeving eindigt, behalve door
opzegging overeenkomstig artikel 408, door:
a. de dood, de ondercuratelestelling,
het faillissement van de lastgever of het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, met dien verstande dat de dood of de ondercuratelestelling
de overeenkomst doet eindigen op het tijdstip waarop de lasthebber
daarvan kennis krijgt;
b. de dood, de ondercuratelestelling,
het faillissement van de lasthebber of het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen.
2. Van artikel 408 lid 1 voor zover van
toepassing op lastgeving, en van lid 1 onder a kan niet worden
afgeweken. Voor zover de overeenkomst strekt tot het verrichten van een
rechtshandeling in het belang van de lasthebber of van een derde, kan
echter worden bepaald dat zij niet door de lastgever kan worden
opgezegd, of dat zij niet eindigt door de dood of de
ondercuratelestelling van de lastgever. Artikel 74 leden 1, tweede zin,
2 en 4 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing.
3. Eindigt de lastgeving door de dood of
de ondercuratelestelling van de lastgever, dan is de lasthebber
niettemin verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het
belang van de wederpartij eisen.
4. Eindigt de lastgeving door de dood van
de lasthebber, dan zijn diens erfgenamen, indien zij kennis dragen van
de erfopvolging en van de lastgeving, verplicht al datgene te doen wat
de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. Een
overeenkomstige verplichting rust op degenen in wier dienst of met wie
de lasthebber een beroep of bedrijf uitoefende.
Artikel 423
1. Indien is bedongen dat de lasthebber
een aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting
van de lastgever zal uitoefenen, mist deze de bevoegdheid tot deze
uitoefening voor de duur van de overeenkomst ook jegens derden. De
uitsluiting kan niet worden tegengeworpen aan derden die haar kenden
noch behoorden te kennen.
2. Indien de lasthebber die de
uitsluiting bedong, een rechtspersoon is die zich ingevolge zijn
statuten ten doel stelt de gezamenlijke belangen van meer lastgevers
door de uitoefening van de aan hen toekomende rechten te behartigen, kan
in afwijking van artikel 422 lid 2 worden overeengekomen dat de
lastgeving niet zal eindigen door opzegging door de lastgever op een
termijn die minder dan een jaar bedraagt, noch door diens dood,
ondercuratelestelling, faillissement of het ten aanzien van hem van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen. Dit beding sluit niet uit dat de overeenkomst op een termijn
van tenminste één maand kan worden opgezegd door de erfgenamen van de
lastgever of, in geval van diens faillissement of ondercuratelestelling,
door de curator dan wel, indien ten aanzien van de lastgever de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, door de bewindvoerder. Wanneer de nalatenschap van de
lastgever ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn
echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 424
1. De artikelen 415-423 zijn van
overeenkomstige toepassing op andere overeenkomsten dan lastgeving
krachtens welke de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van
de andere partij rechtshandelingen te verrichten, voor zover de
strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de
overeenkomst zich daartegen niet verzet.
2. Het vorige lid is niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoeren of doen vervoeren van personen of
zaken.
Afdeling 3. Bemiddelingsovereenkomst
Artikel 425
De bemiddelingsovereenkomst is de
overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich
tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt tegen loon als
tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer
overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden.
Artikel 426
1. De tussenpersoon heeft recht op loon
zodra door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en
de derde is tot stand gekomen.
2. Indien het recht op loon afhankelijk
is gesteld van de uitvoering van de bemiddelde overeenkomst en deze
overeenkomst niet wordt uitgevoerd, is de opdrachtgever het loon ook
verschuldigd, tenzij de niet-uitvoering niet aan hem kan worden
toegerekend.
Artikel 427
De artikelen 417 en 418 zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waarbij de ene partij jegens
de andere partij verplicht of bevoegd is als tussenpersoon werkzaam te
zijn als bedoeld in artikel 425, met dien verstande dat met een
tussenpersoon die tevens werkzaam is voor de wederpartij, gelijkgesteld is
een tussenpersoon die zelf als wederpartij optreedt.
Afdeling 4. Agentuurovereenkomst
Artikel 428
1. De agentuurovereenkomst is een
overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij,
de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of
een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van
overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en
voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt
te zijn.
2. De bepalingen van deze afdeling zijn
niet van toepassing op agentuurovereenkomsten waarop de de Wet op het
financieel toezicht van toepassing is.
3. Ieder der partijen is verplicht de
wederpartij op haar verzoek een ondertekend geschrift te verschaffen dat
de dan geldende inhoud van de agentuurovereenkomst weergeeft.
Artikel 429
1. De handelsagent kan zich voor
verplichtingen die voor derden uit een door hem bemiddelde of afgesloten
overeenkomst voortvloeien, uitsluitend schriftelijk aansprakelijk
stellen.
2. Tenzij schriftelijk anders is
overeengekomen, is de handelsagent krachtens een beding van delcredere
slechts aansprakelijk voor de gegoedheid van de derde.
3. Hij kan zich niet aansprakelijk
stellen tot een hoger bedrag dan de overeengekomen provisie, tenzij het
beding betrekking heeft op een bepaalde overeenkomst of op
overeenkomsten die hij zelf in naam van de principaal sluit.
4. Indien er een kennelijke wanverhouding
is tussen het risico dat de handelsagent op zich heeft genomen, en de
bedongen provisie, kan de rechter het bedrag waarvoor de handelsagent
aansprakelijk is, matigen, voor zover dit bedrag de provisie te boven
gaat. De rechter houdt met alle omstandigheden rekening, in het
bijzonder met de wijze waarop de handelsagent de belangen van de
principaal heeft behartigd.
Artikel 430
1. De principaal moet alles doen wat in
de gegeven omstandigheden van zijn kant nodig is om de handelsagent in
staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten.
2. Hij moet aan de handelsagent het
nodige documentatiemateriaal ter beschikking stellen over de goederen en
diensten waarvoor de handelsagent bemiddelt, en hem alle inlichtingen
verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van de
agentuurovereenkomst.
3. Hij is verplicht de handelsagent
onverwijld te waarschuwen, indien hij voorziet dat in een uitgesproken
geringere mate dan de handelsagent mocht verwachten, overeenkomsten
zullen of mogen worden afgesloten.
4. Hij moet de handelsagent binnen een
redelijke termijn op de hoogte stellen van zijn aanvaarding of weigering
of de niet-uitvoering van een door de handelsagent aangebrachte
overeenkomst.
Artikel 431
1. De handelsagent heeft recht op
provisie voor de overeenkomsten die tijdens de duur der
agentuurovereenkomst zijn tot stand gekomen:
a. indien de overeenkomst door zijn
tussenkomst is tot stand gekomen;
b. indien de overeenkomst is tot
stand gekomen met iemand die hij reeds vroeger voor een dergelijke
overeenkomst had aangebracht;
c. indien de overeenkomst is
afgesloten met iemand die behoort tot de klantenkring die, of
gevestigd is in het gebied dat aan de handelsagent is toegewezen,
tenzij uitdrukkelijk is overeengekomen dat de handelsagent ten
aanzien van die klantenkring of in dat gebied niet het alleenrecht
heeft.
2. De handelsagent heeft recht op
provisie voor de voorbereiding van na het einde van de
agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten:
a. indien deze hoofdzakelijk aan de
tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door hem verrichte
werkzaamheden zijn te danken en binnen een redelijke termijn na de
beëindiging van die overeenkomst zijn afgesloten, of
b. indien hij of de principaal,
overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het eerste lid, de
bestelling van de derde heeft ontvangen voor de beëindiging van de
agentuurovereenkomst.
3. De handelsagent heeft geen recht op
provisie, indien deze krachtens het tweede lid is verschuldigd aan zijn
voorganger, tenzij uit de omstandigheden voortvloeit dat het billijk is
de provisie tussen hen beiden te verdelen.
Artikel 432
1. Indien de rol van de handelsagent zich
heeft beperkt tot het verlenen van bemiddeling bij de totstandkoming van
de overeenkomst, wordt de order die hij aan zijn principaal heeft doen
toekomen, voor wat betreft het recht op provisie krachtens artikel 426
geacht te zijn aanvaard, tenzij de principaal de handelsagent binnen de
redelijke termijn, bedoeld in artikel 430 lid 4, mededeelt dat hij de
order weigert of een voorbehoud maakt. Bij gebreke van een in de
agentuurovereenkomst bepaalde termijn bedraagt de termijn een maand
vanaf het tijdstip waarop hem de order is medegedeeld.
2. Het beding dat het recht op provisie
doet afhangen van de uitvoering van de overeenkomst, dient uitdrukkelijk
te worden gemaakt.
3. Indien het beding, bedoeld in het
tweede lid, is gemaakt, ontstaat het recht op provisie uiterlijk wanneer
de derde zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd, of dit had
moeten doen, indien de principaal zijn deel van de transactie had
uitgevoerd.
Artikel 433
1. De principaal is verplicht na afloop
van iedere maand aan de handelsagent een schriftelijke opgave te
verstrekken van de over die maand verschuldigde provisie, onder
vermelding van de gegevens waarop de berekening berust; deze opgave moet
worden verstrekt voor het einde van de volgende maand. Partijen kunnen
schriftelijk overeenkomen dat de opgave twee- of driemaandelijks wordt
verstrekt.
2. De handelsagent is bevoegd van de
principaal inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken, echter
zonder afgifte te kunnen verlangen. Hij kan zich op zijn kosten doen
bijstaan door een deskundige, aanvaard door de principaal of, bij
afwijzing, benoemd door de voorzieningenrechter van de bevoegde
rechtbank op verzoek van de handelsagent.
3. Echter kunnen partijen schriftelijk
overeenkomen dat de inzage van de bewijsstukken zal geschieden aan een
derde; indien deze zijn taak niet vervult, zal de voorzieningenrechter
van de rechtbank een plaatsvervanger aanwijzen.
4. De overlegging van de bewijsstukken
door de principaal geschiedt onder verplichting tot geheimhouding door
de handelsagent en in de vorige leden vermelde personen. Deze laatsten
zijn echter niet verplicht tot geheimhouding tegenover de handelsagent
voor zover het betreft een in het eerste lid bedoeld gegeven.
Artikel 434
De provisie wordt uiterlijk opeisbaar op
het tijdstip waarop de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel 433, moet
worden verstrekt.
Artikel 435
1. De handelsagent heeft recht op een
beloning, indien hij bereid is zijn verplichtingen uit de
agentuurovereenkomst na te komen of deze reeds heeft nagekomen, doch de
principaal van de diensten van de handelsagent geen gebruik heeft
gemaakt of in aanzienlijk geringere mate gebruik heeft gemaakt dan deze
als normaal mocht verwachten, tenzij de gedraging van de principaal
voortvloeit uit omstandigheden welke redelijkerwijs niet voor zijn
rekening komen.
2. Bij de bepaling van deze beloning
wordt rekening gehouden met het bedrag van de in de voorafgaande tijd
verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen
factoren, zoals de onkosten die de handelsagent zich door het niet
verrichten van werkzaamheden bespaart.
Artikel 436
Een agentuurovereenkomst die na het
verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan, door beide partijen
wordt voortgezet, bindt partijen voor onbepaalde tijd op dezelfde
voorwaarden.
Artikel 437
1. Indien de agentuurovereenkomst is
aangegaan voor een onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd met recht
van tussentijdse opzegging, is ieder der partijen bevoegd haar te doen
eindigen met inachtneming van de overeengekomen opzeggingstermijn. Bij
gebreke van een overeenkomst dienaangaande zal de opzeggingstermijn vier
maanden bedragen, vermeerderd met een maand na drie jaren looptijd van
de overeenkomst en met twee maanden na zes jaren.
2. De termijn van opzegging kan niet
korter zijn dan een maand in het eerste jaar van de overeenkomst, twee
maanden in het tweede jaar en drie maanden in de volgende jaren. Indien
partijen langere termijnen overeenkomen, mogen deze voor de principaal
niet korter zijn dan voor de handelsagent.
3. Opzegging behoort plaats te vinden
tegen het einde van een kalendermaand.
Artikel 438
1. De agentuurovereenkomst eindigt door
het overlijden van de handelsagent.
2. In geval van overlijden van de
principaal zijn zowel zijn erfgenamen als de handelsagent bevoegd, mits
binnen negen maanden na het overlijden, de overeenkomst te doen eindigen
met een opzeggingstermijn van vier maanden. Wanneer de nalatenschap van
de principaal ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn
echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 439
1. De partij die de overeenkomst
beëindigt zonder eerbiediging van haar duur of zonder inachtneming van
de wettelijke of overeengekomen opzeggingstermijn en zonder dat de
wederpartij daarin toestemt, is schadeplichtig, tenzij zij de
overeenkomst doet eindigen om een dringende, aan de wederpartij
onverwijld medegedeelde reden.
2. Dringende redenen zijn omstandigheden
van zodanige aard dat van de partij die de overeenkomst doet eindigen,
redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk,
in stand te laten.
3. Indien de beëindiging van de
overeenkomst wegens een dringende reden gegrond is op omstandigheden
waarvoor de wederpartij een verwijt treft, is laatstgenoemde
schadeplichtig.
4. Een beding waardoor aan een der
partijen de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden
aanwezig is, is nietig.
Artikel 440
1. Ieder der beide partijen is bevoegd de
kantonrechter te verzoeken de agentuurovereenkomst te ontbinden op grond
van:
a. omstandigheden die een dringende
reden opleveren in de zin van artikel 439 lid 2;
b. verandering in de omstandigheden
welke van dien aard is, dat de billijkheid eist dat aan de
overeenkomst dadelijk of na korte tijd een einde wordt gemaakt.
2. Spreekt de rechter de ontbinding uit
op grond van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid onder a en
kan van deze omstandigheid de verweerder een verwijt worden gemaakt, dan
is deze schadeplichtig.
3. Spreekt de rechter de ontbinding uit
op grond van hetgeen is bepaald in het eerste lid onder b, dan kan hij
aan een der partijen een vergoeding toekennen. Hij kan bepalen dat deze
in termijnen wordt betaald.
4. Het vijfde, zesde, zevende, negende,
tiende en elfde lid van artikel 685 van Boek 7 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 441
1. De partij die, krachtens artikel 439
of artikel 440 lid 2, schadeplichtig is, is aan de wederpartij een som
verschuldigd gelijk aan de beloning over de tijd dat de
agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren voort te
duren. Voor de vaststelling van deze som wordt rekening gehouden met de
in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake
in acht te nemen factoren.
2. De rechter is bevoegd deze som te
verminderen, indien zij hem met het oog op de omstandigheden te hoog
voorkomt.
3. De benadeelde partij kan, in plaats
van de schadeloosstelling in de voorafgaande leden bedoeld, volledige
vergoeding van haar schade vorderen, onder gehoudenheid de omvang
daarvan te bewijzen.
Artikel 442
1. Ongeacht het recht om schadevergoeding
te vorderen, heeft de handelsagent bij het einde van de
agentuurovereenkomst recht op een vergoeding, klantenvergoeding, voor
zover:
a. hij de principaal nieuwe klanten
heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten
aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten
de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
b. de betaling van deze vergoeding
billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de
verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.
2. Het bedrag van de vergoeding is niet
hoger dan dat van de beloning van één jaar, berekend naar het
gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter
heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan.
3. Het recht op vergoeding vervalt,
indien de handelsagent de principaal niet uiterlijk een jaar na het
einde van de overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding verlangt.
4. De vergoeding is niet verschuldigd,
indien de overeenkomst is beëindigd:
a. door de principaal onder
omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439 lid 3
schadeplichtig maken;
b. door de handelsagent, tenzij deze
beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de
principaal kunnen worden toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door
leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond
waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij
zijn werkzaamheden voortzet;
c. door de handelsagent die,
overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en
verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde
overdraagt.
Artikel 443
1. Een beding dat de handelsagent beperkt
in zijn vrijheid om na het einde van de agentuurovereenkomst werkzaam te
zijn, is slechts geldig voor zover:
a. het op schrift is gesteld, en
b. betrekking heeft op het soort
goederen of diensten waarvan hij de vertegenwoordiging had, en op
het gebied, of de klantenkring en het gebied, aan hem toevertrouwd.
2. Zodanig beding is slechts geldig
gedurende ten hoogste twee jaren na het einde van de overeenkomst.
3. Aan zodanig beding kan de principaal
geen rechten ontlenen, indien de overeenkomst is geëindigd:
a. doordat hij haar zonder
toestemming van de handelsagent heeft beëindigd zonder inachtneming
van de wettelijke of overeengekomen termijn en zonder een dringende
aan de handelsagent onverwijld medegedeelde reden;
b. doordat de handelsagent de
overeenkomst heeft beëindigd vanwege een dringende, onverwijld aan
de principaal medegedeelde reden waarvoor laatstgenoemde een verwijt
treft;
c. door een rechterlijke uitspraak,
gegrond op omstandigheden ter zake waarvan de principaal een verwijt
treft.
4. De rechter kan, indien de handelsagent
dat vraagt, zulk een beding geheel of gedeeltelijk teniet doen op grond
dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de principaal, de
handelsagent door het beding onbillijk wordt benadeeld.
Artikel 444
Rechtsvorderingen gegrond op de artikelen
439 en 440 verjaren door verloop van één jaar na het feit dat de
vordering deed ontstaan.
Artikel 445
1. Partijen kunnen niet afwijken van de
artikelen 401, 402, 403 en 426 lid 2 noch van de artikelen 428 lid 3,
429, 430, 431 lid 2, 432 lid 2, 433, 437 lid 2, 439, 440, 441, 443 en
444.
2. Evenmin kan ten nadele van de
handelsagent worden afgeweken van de artikelen 432 lid 3, 434 en, vóór
het einde van de overeenkomst, van artikel 442.
Afdeling 5. De overeenkomst inzake
geneeskundige behandeling
Artikel 446
1. De overeenkomst inzake geneeskundige
behandeling - in deze afdeling verder aangeduid als de
behandelingsovereenkomst - is de overeenkomst waarbij een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening
van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de
opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied
van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van
de opdrachtgever of van een bepaalde derde. Degene op wiens persoon de
handelingen rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de
patiënt.
2. Onder handelingen op het gebied van de
geneeskunst worden verstaan:
a. alle verrichtingen - het
onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen - rechtstreeks
betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een
ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden
of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze
verloskundige bijstand te verlenen;
b. andere dan de onder a bedoelde
handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon, die
worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid.
3. Tot de handelingen, bedoeld in lid 1,
worden mede gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen van
de patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt
voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen
kunnen worden verricht.
4. Geen behandelingsovereenkomst is
aanwezig, indien het betreft handelingen ter beoordeling van de
gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in
opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling
van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of
voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding,
een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Artikel 447
1. Een minderjarige die de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een
behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het
verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk
verband houden.
2. De minderjarige is aansprakelijk voor
de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting
van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en
opvoeding.
3. In op die behandelingsovereenkomst
betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en
buiten rechte op te treden.
Artikel 448
1. De hulpverlener licht de patiënt op
duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen
onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen
omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de
patiënt. De hulpverlener licht een patiënt die de leeftijd van twaalf
jaren nog niet heeft bereikt op zodanige wijze in als past bij zijn
bevattingsvermogen.
2. Bij het uitvoeren van de in lid 1
neergelegde verplichting laat de hulpverlener zich leiden door hetgeen
de patiënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van:
a. de aard en het doel van het
onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en van de uit
te voeren verrichtingen;
b. de te verwachten gevolgen en
risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
c. andere methoden van onderzoek of
behandeling die in aanmerking komen;
d. de staat van en de vooruitzichten
met betrekking tot diens gezondheid voor wat betreft het terrein van
het onderzoek of de behandeling.
3. De hulpverlener mag de patiënt
bedoelde inlichtingen slechts onthouden voor zover het verstrekken ervan
kennelijk ernstig nadeel voor de patiënt zou opleveren. Indien het
belang van de patiënt dit vereist, dient de hulpverlener de
desbetreffende inlichtingen aan een ander dan de patiënt te
verstrekken. De inlichtingen worden de patiënt alsnog gegeven, zodra
bedoeld nadeel niet meer te duchten is. De hulpverlener maakt geen
gebruik van zijn in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid dan nadat hij
daarover een andere hulpverlener heeft geraadpleegd.
Artikel 449
Indien de patiënt te kennen heeft gegeven
geen inlichtingen te willen ontvangen, blijft het verstrekken daarvan
achterwege, behoudens voor zover het belang dat de patiënt daarbij heeft
niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit voor hemzelf of anderen kan
voortvloeien.
Artikel 450
1. Voor verrichtingen ter uitvoering van
een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.
2. Indien de patiënt minderjarig is en
de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft
bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem
uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder
de toestemming van de ouders of de voogd worden uitgevoerd, indien zij
kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te
voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na de weigering van de
toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.
3. In het geval waarin een patiënt van
zestien jaren of ouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake, worden door de hulpverlener en
een persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 van artikel 465, de
kennelijke opvattingen van de patiënt, geuit in schriftelijke vorm toen
deze tot bedoelde redelijke waardering nog in staat was en inhoudende
een weigering van toestemming als bedoeld in lid 1, opgevolgd. De
hulpverlener kan hiervan afwijken indien hij daartoe gegronde redenen
aanwezig acht.
Artikel 451
Op verzoek van de patiënt legt de
hulpverlener in ieder geval schriftelijk vast voor welke verrichtingen van
ingrijpende aard deze toestemming heeft gegeven.
Artikel 452
De patiënt geeft de hulpverlener naar
beste weten de inlichtingen en de medewerking die deze redelijkerwijs voor
het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.
Artikel 453
De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden
de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in
overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid,
voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.
Artikel 454
1. De hulpverlener richt een dossier in
met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het
dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de
patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt
andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander
voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is.
2. De hulpverlener voegt desgevraagd een
door de patiënt afgegeven verklaring met betrekking tot de in het
dossier opgenomen stukken aan het dossier toe.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel
455, bewaart de hulpverlener de bescheiden, bedoeld in de vorige leden,
gedurende vijftien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn
vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een
goed hulpverlener voortvloeit.
Artikel 455
1. De hulpverlener vernietigt de door hem
bewaarde bescheiden, bedoeld in artikel 454, binnen drie maanden na een
daartoe strekkend verzoek van de patiënt.
2. Lid 1 geldt niet voor zover het
verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de
bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt,
alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen
vernietiging verzet.
Artikel 456
De hulpverlener verstrekt aan de patiënt
desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden,
bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit
noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van een ander. De hulpverlener mag voor de verstrekking van
het afschrift een redelijke vergoeding in rekening brengen.
Artikel 457
1. Onverminderd het in artikel 448 lid 3,
tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan
de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of
afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt
dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt,
geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer
van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder
inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen,
indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.
2. Onder anderen dan de patiënt zijn
niet begrepen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering
van de behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als vervanger van
de hulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door
hen in dat kader te verrichten werkzaamheden.
3. Daaronder zijn evenmin begrepen
degenen wier toestemming ter zake van de uitvoering van de
behandelingsovereenkomst op grond van de artikelen 450 en 465 is
vereist. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan
wel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken niet geacht
kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij
zulks achterwege.
Artikel 458
1. In afwijking van het bepaalde in
artikel 457 lid 1 kunnen zonder toestemming van de patiënt ten behoeve
van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de
volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over de patiënt
of inzage in de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt
indien:
a. het vragen van toestemming in
redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering
van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de
persoonlijke levenssfeer van de patiënt niet onevenredig wordt
geschaad, of
b. het vragen van toestemming, gelet
op de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan
worden verlangd en de hulpverlener zorg heeft gedragen dat de
gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot
individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen.
2. Verstrekking overeenkomstig lid 1 is
slechts mogelijk indien:
a. het onderzoek een algemeen belang
dient,
b. het onderzoek niet zonder de
desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en
c. voor zover de betrokken patiënt
tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt.
3. Bij een verstrekking overeenkomstig
lid 1 wordt daarvan aantekening gehouden in het dossier.
Artikel 459
1. De hulpverlener voert verrichtingen in
het kader van de behandelingsovereenkomst uit buiten de waarneming van
anderen dan de patiënt, tenzij de patiënt ermee heeft ingestemd dat de
verrichtingen kunnen worden waargenomen door anderen. Indien de
hulpverlener apotheker is, is de verplichting, bedoeld in de eerste
volzin, niet van toepassing voor zover het de visuele waarneming door
anderen dan de patiënt betreft.
2. Onder anderen dan de patiënt zijn
niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de
uitvoering van de verrichting noodzakelijk is.
3. Daaronder zijn evenmin begrepen
degenen wier toestemming ter zake van de verrichting op grond van de
artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door
verrichtingen te doen waarnemen niet geacht kan worden de zorg van een
goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks niet toe.
Artikel 460
De hulpverlener kan, behoudens gewichtige
redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen.
Artikel 461
De opdrachtgever is de hulpverlener loon
verschuldigd, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden loon
ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde dan wel uit de
overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 462
1. Indien ter uitvoering van een
behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in een ziekenhuis
dat bij die overeenkomst geen partij is, is het ziekenhuis voor een
tekortkoming daarbij mede aansprakelijk, als ware het zelf bij de
overeenkomst partij.
2. Onder ziekenhuis als bedoeld in lid 1
worden verstaan een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als ziekenhuis, verpleeginrichting of
zwakzinnigeninrichting toegelaten instelling of afdeling daarvan, een
academisch ziekenhuis alsmede een abortuskliniek in de zin van de Wet
afbreking zwangerschap.
Artikel 463
De aansprakelijkheid van een hulpverlener
of, in het geval bedoeld in artikel 462, van het ziekenhuis, kan niet
worden beperkt of uitgesloten.
Artikel 464
1. Indien in de uitoefening van een
geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een
behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst
worden verricht, zijn deze afdeling alsmede de artikelen 404, 405 lid 2
en 406 van afdeling 1 van deze titel van overeenkomstige toepassing voor
zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
2. Betreft het handelingen als omschreven
in artikel 446 lid 4, dan:
a. worden de in artikel 454 bedoelde
bescheiden slechts bewaard zolang dat noodzakelijk is in verband met
het doel van het onderzoek, tenzij het bepaalde bij of krachtens de
wet zich tegen vernietiging verzet;
b. wordt de persoon op wie het
onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te delen of
hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te
vernemen. Indien die wens is geuit en de handelingen niet worden
verricht in verband met een tot stand gekomen arbeidsverhouding of
burgerrechtelijke verzekering dan wel een opleiding waartoe de
betrokkene reeds is toegelaten, wordt bedoelde persoon tevens in de
gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de
gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen
beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.
Artikel 465
1. De verplichtingen die voor de
hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien worden,
indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt,
door de hulpverlener nagekomen jegens de ouders die het gezag over de
patiënt uitoefenen dan wel jegens zijn voogd.
2. Hetzelfde geldt indien de patiënt de
leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, maar niet in staat kan worden
geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, tenzij
zodanige patiënt meerderjarig is en onder curatele staat of ten behoeve
van hem het mentorschap is ingesteld, in welke gevallen nakoming jegens
de curator of de mentor geschiedt.
3. Indien een meerderjarige patiënt die
niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve van hem niet
het mentorschap is ingesteld, worden de verplichtingen die voor de
hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien, door de
hulpverlener nagekomen jegens de persoon die daartoe door de patiënt
schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt
zodanige persoon, of treedt deze niet op, dan worden de verplichtingen
nagekomen jegens de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere
levensgezel van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan
wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind,
broer of zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst.
4. De hulpverlener komt zijn
verplichtingen na jegens de in de leden 1 en 2 bedoelde wettelijke
vertegenwoordigers van de patiënt en de in lid 3 bedoelde personen,
tenzij die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed
hulpverlener.
5. De persoon jegens wie de hulpverlener
krachtens de leden 2 of 3 gehouden is de uit deze afdeling jegens de
patiënt voortvloeiende verplichtingen na te komen, betracht de zorg van
een goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de patiënt zoveel
mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken.
6. Verzet de patiënt zich tegen een
verrichting van ingrijpende aard waarvoor een persoon als bedoeld in de
leden 2 of 3 toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting slechts
worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel
voor de patiënt te voorkomen.
Artikel 466
1. Is op grond van artikel 465 voor het
uitvoeren van een verrichting uitsluitend de toestemming van een daar
bedoelde persoon in plaats van die van de patiënt vereist, dan kan tot
de verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien de tijd
voor het vragen van die toestemming ontbreekt aangezien onverwijlde
uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel
voor de patiënt te voorkomen.
2. Een volgens de artikelen 450 en 465
vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven, indien de
desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is.
Artikel 467
1. Van het lichaam afgescheiden anonieme
stoffen en delen kunnen worden gebruikt voor medisch statistisch of
ander medisch wetenschappelijk onderzoek voor zover de patiënt van wie
het lichaamsmateriaal afkomstig is, geen bezwaar heeft gemaakt tegen
zodanig onderzoek en het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid wordt
verricht.
2. Onder onderzoek met van het lichaam
afgescheiden anonieme stoffen en delen wordt verstaan onderzoek waarbij
is gewaarborgd dat het bij het onderzoek te gebruiken lichaamsmateriaal
en de daaruit te verkrijgen gegevens niet tot de persoon herleidbaar
zijn.
Artikel 468
Van de bepalingen van deze afdeling en van
de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 kan niet ten nadele van de patiënt
worden afgeweken.
Titel 7A. Reisovereenkomst
Artikel 500
1. In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. reisorganisator: degene die, in de
uitoefening van zijn bedrijf, op eigen naam aan het publiek of aan
een groep personen van te voren georganiseerde reizen aanbiedt;
b. reisovereenkomst: de overeenkomst
waarbij een reisorganisator zich jegens zijn wederpartij verbindt
tot het verschaffen van een door hem aangeboden van te voren
georganiseerde reis die een overnachting of een periode van meer dan
24 uren omvat alsmede ten minste twee van de volgende diensten:
1°. vervoer,
2°. verblijf,
3°. een andere niet met vervoer
of verblijf verband houdende, toeristische dienst die een
significant deel van de reis uitmaakt;
c. reiziger:
1°. de wederpartij van de
reisorganisator,
2°. degene te wiens behoeve de
reis is bedongen en die dat beding heeft aanvaard, of
3°. degene aan wie
overeenkomstig artikel 506 de rechtsverhouding tot de
reisorganisator is overgedragen.
2. Degene die in de uitoefening van zijn
bedrijf als tussenpersoon optreedt van een niet in Nederland gevestigde
reisorganisator, wordt jegens zijn wederpartij als reisorganisator
aangemerkt.
Artikel 501
1. Indien de reisorganisator een algemeen
verkrijgbare prospectus of andere publikatie uitgeeft, vermeldt hij
daarin de reissom en de andere bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde gegevens.
2. Vóór het sluiten van de
reisovereenkomst deelt de reisorganisator de wederpartij schriftelijk of
op andere begrijpelijke en toegankelijke wijze de in het eerste lid
bedoelde gegevens mee, voor zover die gegevens aan de wederpartij nog
niet bekend zijn door verstrekking van de algemeen verkrijgbare
prospectus of andere publikatie.
3. Het tweede lid is niet van toepassing
indien de reisovereenkomst minder dan 72 uren voor de aanvang van de
reis wordt gesloten.
Artikel 502
1. De reisorganisator verschaft de
wederpartij na het sluiten van de overeenkomst onverwijld een afschrift
van de voorwaarden, voor zover deze niet reeds in de overgelegde
bescheiden besloten liggen.
2. Vóór de aanvang van de reis deelt de
reisorganisator de wederpartij of degene aan wie overeenkomstig artikel
506 de rechtsverhouding tot de reisorganisator is overgedragen
schriftelijk of op andere begrijpelijke en toegankelijke wijze de bij
algemene maatregel van bestuur bepaalde gegevens mee.
Artikel 503
1. De reiziger kan de reisovereenkomst te
allen tijde met onmiddellijke ingang opzeggen.
2. Indien de reiziger opzegt wegens een
aan hem toe te rekenen omstandigheid, vergoedt de reiziger de
reisorganisator de schade die deze tengevolge van de opzegging lijdt. De
schadevergoeding bedraagt ten hoogste eenmaal de reissom.
3. Indien de reiziger opzegt wegens een
niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, heeft hij recht op teruggave
of kwijtschelding van de reissom of, indien de reis reeds ten dele is
genoten, een evenredig deel daarvan.
Artikel 504
1. Onverminderd artikel 505, vierde lid,
kan de reisorganisator de reisovereenkomst slechts opzeggen wegens
gewichtige, de reiziger onverwijld meegedeelde omstandigheden.
2. Indien de reisorganisator opzegt
wegens een niet aan de reiziger toe te rekenen omstandigheid, biedt hij
deze een andere reis van gelijke of betere kwaliteit aan. Onverminderd
het derde lid heeft de reiziger die dat aanbod niet aanvaardt, recht op
teruggave of kwijtschelding van de reissom of, indien de reis reeds ten
dele is genoten, een evenredig deel daarvan.
3. In geval van opzegging vergoedt de
reisorganisator de reiziger de door deze geleden vermogensschade en een
bedrag voor het derven van reisgenot, tenzij
a. hij de overeenkomst opzegt omdat
het aantal aanmeldingen kleiner is dan het vereiste minimumaantal en
de reiziger binnen de in de overeenkomst aangegeven termijn
schriftelijk van de opzegging in kennis is gesteld, of
b. de opzegging het gevolg is van
overmacht, waaronder overboeken niet is begrepen. Onder overmacht
worden in deze titel verstaan abnormale en onvoorzienbare
omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van degene die zich
erop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle
voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
Artikel 505
1. De reisorganisator kan bedingen dat
hij de reisovereenkomst op een wezenlijk punt mag wijzigen wegens
gewichtige, de reiziger onverwijld medegedeelde omstandigheden. De
reiziger kan de wijziging afwijzen.
2. Behoudens lid 1 kan de reisorganisator
bedingen dat hij de reisovereenkomst mag wijzigen wegens gewichtige, de
reiziger onverwijld meegedeelde omstandigheden. De reiziger kan de
wijziging slechts afwijzen indien zij hem tot nadeel van meer dan
geringe betekenis strekt.
3. De reisorganisator kan bedingen dat
hij tot twintig dagen voor de aanvang van de reis de reissom mag
verhogen in verband met wijzigingen in de vervoerkosten met inbegrip van
brandstofkosten, de verschuldigde heffingen of de toepasselijke
wisselkoersen. Bij toepassing van dit beding geeft de reisorganisator
aan op welke wijze de verhoging is berekend. De reiziger kan de
verhoging afwijzen.
4. Na een afwijzing als in de voorgaande
leden bedoeld, kan de reisorganisator de reisovereenkomst opzeggen. De
reiziger heeft recht op teruggave of kwijtschelding van de reissom of,
indien de reis reeds ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan.
Indien de reisorganisator opzegt na een afwijzing door de reiziger als
bedoeld in de leden 1 en 2 is bovendien artikel 504, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 506
1. Tijdig voor de aanvang van de reis kan
de reiziger zijn rechtsverhouding tot de reisorganisator overdragen aan
een derde die aan alle voorwaarden van de reisovereenkomst voldoet. Een
termijn van zeven dagen voor de aanvang van de reis wordt geacht in
ieder geval tijdig te zijn.
2. De overdracht vindt plaats door een
daarop gerichte overeenkomst met de derde en schriftelijke mededeling
daarvan door de overdragende reiziger aan de reisorganisator. De
overdragende reiziger en de derde zijn hoofdelijk verbonden tot betaling
van de reissom en de kosten in verband met de overdracht.
Artikel 507
1. De reisorganisator is verplicht tot
uitvoering van de reisovereenkomst overeenkomstig de verwachtingen die
de reiziger op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht
hebben.
2. Indien de reis niet verloopt
overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de
reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben, is de reisorganisator
verplicht de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming in de nakoming
niet aan hem is toe te rekenen noch aan de persoon van wiens hulp hij
bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, omdat:
a. de tekortkoming in de uitvoering
van de reisovereenkomst is toe te rekenen aan de reiziger;
b. de tekortkoming in de uitvoering
van de reisovereenkomst die niet te voorzien was of kon worden
opgeheven, is toe te rekenen aan een derde die niet bij de levering
van de in de reis begrepen diensten is betrokken; of
c. de tekortkoming in de uitvoering
van de overeenkomst is te wijten aan overmacht als bedoeld in
artikel 504 lid 3 onder b dan wel aan een gebeurtenis die de
organisator of degene van wiens hulp hij bij de uitvoering van de
reisovereenkomst gebruik maakt, met inachtneming van alle mogelijke
zorgvuldigheid niet kon voorzien of verhelpen.
3. De reisorganisator is naar gelang van
de omstandigheden verplicht de reiziger hulp en bijstand te verlenen,
indien de reis niet verloopt overeenkomstig de verwachtingen die deze op
grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben. Indien de
oorzaak daarvan aan de reiziger moet worden toegerekend, is de
reisorganisator tot verlening van hulp en bijstand slechts verplicht
voor zover dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden. De kosten voor
de verleende hulp en bijstand komen in dat geval voor rekening van de
reiziger. De kosten voor de verleende hulp en bijstand komen voor
rekening van de reisorganisator, indien de tekortkoming in de nakoming
aan hem of aan de persoon van wiens hulp hij bij de uitvoering van de
overeenkomst gebruik maakt, overeenkomstig het tweede lid is toe te
rekenen.
Artikel 508
1. Tenzij het tweede lid van dit artikel
van toepassing is, kan de reisorganisator zijn aansprakelijkheid voor
schade, veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, niet uitsluiten
of beperken.
2. Indien op een in de reisovereenkomst
begrepen dienst een verdrag van toepassing is, kan de reisorganisator
zich beroepen op een uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid die
dat verdrag aan een dienstverlener als zodanig toekent of toestaat.
Artikel 509
1. De reisorganisator kan zijn
aansprakelijkheid voor schade die uit zijn eigen handelen of nalaten
ontstaat niet beperken of uitsluiten, indien dat handelen of nalaten
geschiedt met het opzet de schade te veroorzaken of het handelen of
nalaten roekeloos geschiedt en met de wetenschap dat de schade daaruit
waarschijnlijk zou voortvloeien.
2. Voor zover de reisorganisator niet
zelf de in de reisovereenkomst begrepen diensten verleent, kan hij zijn
aansprakelijkheid voor andere dan de in artikel 508 bedoelde schade
beperken tot driemaal de reissom.
Artikel 510
Een tekortkoming in de nakoming van een
verbintenis die hem kan worden toegerekend, verplicht de reisorganisator
mede tot vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, voor zover door
die tekortkoming derving van reisgenot is veroorzaakt.
Artikel 511
De vergoeding voor derving van reisgenot
als bedoeld in de artikelen 504, derde lid, en 510 bedraagt ten hoogste
eenmaal de reissom.
Artikel 512
1. De reisorganisator neemt de
maatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat, wanneer hij wegens
financieel onvermogen zijn verplichtingen jegens de reiziger niet of
niet verder kan nakomen, wordt zorggedragen hetzij voor overneming van
zijn verplichtingen door een ander hetzij voor terugbetaling van de
reissom of, indien de reis reeds ten dele is genoten, een evenredig deel
daarvan. Indien de reiziger reeds op de plaats van bestemming is
aangekomen dient, voor zover de reisovereenkomst dat vervoer omvat, in
ieder geval te worden zorggedragen voor de terugreis.
2. De reisorganisator maakt de in het
eerste lid bedoelde maatregelen openbaar door deze te vermelden in de
algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie, bedoeld in
artikel 501, of op andere begrijpelijke en toegankelijke wijze.
Artikel 513
Van het bij of krachtens deze titel
bepaalde kan ten nadele van de reiziger niet worden afgeweken.
Titel 7b. Betalingstransactie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 514
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. authenticeren: volgen van een
procedure die de betaaldienstverlener in staat stelt het gebruik van
het betaalinstrument te verifiëren, met inbegrip van de
gepersonaliseerde veiligheidskenmerken;
b. automatische afschrijving:
betaaldienst waarbij de betaalrekening van de betaler wordt
gedebiteerd en waarbij de betalingstransactie wordt geïnitieerd door
de begunstigde op basis van een door de betaler aan de begunstigde,
aan de betaaldienstverlener van de begunstigde of aan de
betaaldienstverlener van de betaler verstrekte instemming;
c. begunstigde: natuurlijke persoon of
rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop
een betalingstransactie betrekking heeft;
d. betaaldienst: bedrijfswerkzaamheid
als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn;
e. betaaldienstgebruiker: natuurlijke
persoon of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler,
begunstigde of beide van een betaaldienst gebruik maakt;
f. betaaldienstverlener: dienstverlener
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de richtlijn en natuurlijk
persoon of rechtspersoon waarop een vrijstelling krachtens artikel
2:3d van de Wet op het financieel toezicht van toepassing is;
g. betaalinstrument: gepersonaliseerd
instrument of gepersonaliseerde instrumenten of het geheel van
procedures, overeengekomen tussen de betaaldienstgebruiker en de
betaaldienstverlener, waarvan de betaaldienstgebruiker gebruik maakt
om een betaalopdracht te initiëren;
h. betaalopdracht: door een betaler of
begunstigde aan zijn betaaldienstverlener gegeven opdracht om een
betalingstransactie uit te voeren;
i. betaalrekening: op naam van een of
meer betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor de
uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;
j. betaler: natuurlijke persoon of
rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een
betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij
ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een betaalopdracht geeft;
k. betalingstransactie: door de betaler
of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden
gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende
verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;
l. consument: niet in de uitoefening
van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een
betaaldienstverlener een betaaldienst verleent of aan wie deze
voornemens is een betaaldienst te verlenen;
m. duurzame drager: hulpmiddel dat het
de betaaldienstgebruiker mogelijk maakt de aan hem persoonlijk
gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende
een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden
geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan
worden gereproduceerd;
ma. elektronischgeldinstelling:
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht;
n. geldmiddelen: chartaal geld, giraal
geld of elektronisch geld als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
o. raamovereenkomst: overeenkomst die
de uitvoering beheerst van afzonderlijke en opeenvolgende
betalingstransacties en die de verplichtingen en voorwaarden voor de
opening van een betaalrekening kan omvatten;
p. referentierentevoet: rentevoet die
als grondslag wordt gehanteerd voor de berekening van eventueel in
rekening te brengen interesten en die afkomstig is van een bron welke
door het publiek kan worden geraadpleegd en door beide partijen bij
een betaaldienstovereenkomst kan worden geverifieerd;
q. referentiewisselkoers: wisselkoers
die als berekeningsgrondslag wordt gehanteerd bij een valutawissel en
die door de betaaldienstverlener beschikbaar wordt gesteld of
afkomstig is van een bron die door het publiek kan worden
geraadpleegd;
r. richtlijn: richtlijn nr. 2007/64/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13
november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (Pb EU
L 319);
s. unieke identificator: door de
betaaldienstverlener aan de betaaldienstgebruiker medegedeelde
combinatie van letters, nummers en symbolen, die de
betaaldienstgebruiker dient te verstrekken om de andere bij een
betalingstransactie betrokken betaaldienstgebruiker of zijn
betaalrekening ondubbelzinnig te identificeren;
t. valutadatum: referentietijdstip dat
door een betaaldienstverlener wordt gebruikt voor de berekening van de
interesten op de geldmiddelen waarmee een betaalrekening wordt
gedebiteerd of gecrediteerd;
u. werkdag: dag waarop de relevante
betaaldienstverlener van de betaler of de betaaldienstverlener van de
begunstigde die betrokken is bij de uitvoering van een
betalingstransactie open is voor de daarvoor vereiste werkzaamheden;
Artikel 515
1. Deze titel is van toepassing op
eenmalige betalingstransacties, op raamovereenkomsten en op de daaronder
vallende betalingstransacties.
2. Deze titel is alleen van toepassing op
betaaldiensten die in de Europese Gemeenschap of in staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
worden uitgevoerd in euro of in de valuta van een lidstaat van de
Europese Gemeenschap buiten de eurozone of in de valuta van een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
3. Deze titel is alleen van toepassing
indien zowel de betaaldienstverlener van de betaler als de
betaaldienstverlener van de begunstigde of de enige bij de
betalingstransactie betrokken betaaldienstverlener in de Europese
Gemeenschap is gevestigd, met uitzondering van artikel 541.
4. Deze titel is niet van toepassing op
de betaaldiensten, bedoeld in artikel 1:5a, tweede lid, van de Wet op
het financieel toezicht.
5. Deze titel is niet van toepassing op
betaaldiensten door de Nederlandse instellingen genoemd in artikel 2
Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni
2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden
van kredietinstellingen.
Artikel 516
Gedurende de contractuele relatie heeft de
betaaldienstgebruiker te allen tijde het recht de contractuele voorwaarden
van de raamovereenkomst alsmede de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 4:22 van de Wet op het financieel toezicht,
vermelde informatie en voorwaarden op papier of op een andere duurzame
drager te vragen.
Artikel 517
1. Elke wijziging in de raamovereenkomst
en in de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 4:22 van de Wet op het financieel toezicht, vermelde informatie
en voorwaarden wordt uiterlijk twee maanden vóór de datum van de
beoogde inwerkingtreding ervan door de betaaldienstverlener op papier of
op een andere duurzame drager voorgesteld in gemakkelijk te begrijpen
bewoordingen en in een duidelijke en bevattelijke vorm in een officiële
taal van de lidstaat waar de betaaldienst wordt aangeboden of in een
andere taal die door partijen is overeengekomen.
2. Voor zover een bevoegdheid als hierna
onder a bedoeld overeenkomstig het bij of krachtens voormelde algemene
maatregel van bestuur bepaalde is overeengekomen;
a. deelt de betaaldienstverlener de
betaaldienstgebruiker mee dat hij wordt geacht de wijzigingen,
bedoeld in het eerste lid, te hebben aanvaard, indien hij de
betaaldienstverlener niet vóór de voorgestelde datum van
inwerkingtreding van die wijzigingen ervan in kennis heeft gesteld
dat hij de wijzigingen niet aanvaardt, en
b. vermeldt de betaaldienstverlener
eveneens dat de betaaldienstgebruiker het recht heeft de
raamovereenkomst onmiddellijk kosteloos te beëindigen voor de datum
waarop de voorgestelde wijzigingen van toepassing worden.
3. Wijzigingen in de rentevoet of de
wisselkoers kunnen met onmiddellijke ingang zonder kennisgeving worden
toegepast, mits het recht daartoe in de raamovereenkomst is
overeengekomen en de wijzigingen gebaseerd zijn op de
referentierentevoet of referentiewisselkoers die is overeengekomen
overeenkomstig het bij of krachtens voormelde algemene maatregel van
bestuur bepaalde.
4. De betaaldienstgebruiker wordt zo
spoedig mogelijk van elke wijziging in de rentevoet die in zijn nadeel
uitvalt, in kennis gesteld op de wijze als bij of krachtens de voormelde
algemene maatregel van bestuur is bepaald, tenzij door de partijen is
overeengekomen dat de informatie met een specifieke frequentie of op een
specifieke wijze moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden
gesteld. Wijzigingen in de rentevoet of de wisselkoers die ten gunste
van de betaaldienstgebruiker uitvallen, kunnen zonder kennisgeving
worden toegepast.
5. Wijzigingen in de bij
betalingstransacties gebruikte rentevoet of wisselkoers worden berekend
en uitgevoerd op een neutrale wijze die de betaaldienstgebruiker niet
discrimineert.
Artikel 518
1. De betaaldienstgebruiker kan de
raamovereenkomst te allen tijde beëindigen, tenzij door de partijen een
opzegtermijn is overeengekomen. Die termijn is niet langer dan een
maand.
2. Een raamovereenkomst die voor een duur
van meer dan twaalf maanden of voor onbepaalde duur is gesloten, kan
door de betaaldienstgebruiker na het verstrijken van twaalf maanden
kosteloos worden beëindigd. In alle andere gevallen zijn de voor
beëindiging in rekening te brengen kosten passend en in lijn met de
feitelijke kosten.
3. Indien zulks in de raamovereenkomst is
overeengekomen, kan de betaaldienstverlener een voor onbepaalde duur
gesloten raamovereenkomst beëindigen op de in artikel 517, eerste lid,
voor een voorstel tot wijziging bepaalde wijze en met inachtneming van
een opzegtermijn van ten minste twee maanden.
4. Bij beëindiging van de
raamovereenkomst kunnen periodieke kosten slechts naar evenredigheid tot
aan de beëindiging van de overeenkomst in rekening worden gebracht.
Indien de betaaldienstgebruiker dergelijke kosten vooruit heeft betaald,
wordt het desbetreffende bedrag naar evenredigheid aan hem terugbetaald.
Artikel 519
1. De betalingstransacties vinden plaats
in de valuta die tussen de partijen zijn overeengekomen.
2. Indien voor het initiëren van een
betalingstransactie op het verkooppunt of door de begunstigde een
valutawisseldienst wordt aangeboden aan de betaler, stelt de partij die
de valutawisseldienst aanbiedt, de betaler in kennis van alle in
rekening te brengen kosten, alsook van de wisselkoers die bij de
omrekening van de betalingstransactie zal worden gehanteerd.
Artikel 520
1. De betaaldienstverlener brengt de
betaaldienstgebruiker geen kosten in rekening voor zijn
informatieverplichtingen of de toepassing van corrigerende of
preventieve maatregelen uit hoofde van deze titel, tenzij:
a. ingevolge de artikelen 533, eerste
lid, 534, vijfde lid, of 542, tweede lid, anders is bepaald;
b. de in rekening te brengen kosten
zijn overeengekomen tussen de betaaldienstgebruiker en de
betaaldienstverlener, en
c. de kosten passend en in lijn met
de feitelijke kosten van de betaaldienstverlener zijn.
2. Indien met een betalingstransactie
geen valutawissel gemoeid is, betalen de betaler en de begunstigde elk
voor zich de door hun respectieve betaaldienstverlener in rekening
gebrachte kosten.
3. De betaaldienstverlener belet niet dat
de begunstigde van de betaler een vergoeding vraagt of een korting
aanbiedt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument.
Artikel 521
1. Met betrekking tot betaalinstrumenten
met een uitgavenlimiet van€ 150 of waarop maximaal een bedrag van €
150 tegelijk kan worden opgeslagen en die overeenkomstig de
raamovereenkomst uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke
betalingstransacties van maximaal € 30, kunnen betaaldienstverleners
met hun betaaldienstgebruikers overeenkomen dat:
a. deartikelen 524, eerste lid, onder
b, 525, eerste lid, onder c en d en529, vierde en vijfde lid, niet
van toepassing zijn als het betaalinstrument niet kan worden
geblokkeerd of verder gebruik ervan niet kan worden geblokkeerd;
b. deartikelen 527, 528 en 529,
eerste en tweede lid, niet van toepassing zijn als het
betaalinstrument anoniem wordt gebruikt of de betaaldienstverlener
om andere met het betaalinstrument verband houdende redenen niet het
bewijs kan leveren dat de betalingstransactie is geauthenticeerd;
c. in afwijking van artikel 533,
eerste lid, de betaaldienstverlener niet verplicht is de
betaaldienstgebruiker in kennis te stellen van de weigering van een
betaalopdracht als uit de context duidelijk blijkt dat de opdracht
niet is uitgevoerd;
d. in afwijking van artikel 534 de
betaler de betaalopdracht niet kan herroepen nadat hij de
betaalopdracht heeft gegeven of zijn instemming met de uitvoering
van de betalingstransactie aan de begunstigde heeft verstrekt;
e. in afwijking van de artikelen 537
en 538 andere uitvoeringstermijnen worden toegepast;
f. in afwijking van artikel 517 de
betaaldienstverlener niet verplicht is wijzigingen in de voorwaarden
van de raamovereenkomst voor te stellen op de wijze als in artikel
517 bedoeld.
2. Voor nationale betalingstransacties
worden de in het eerste lid genoemde bedragen verdubbeld.
3. Voor vooraf betaalde
betaalinstrumenten, bedoeld voor nationale betalingstransacties, worden
de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd tot € 500.
4. Deartikelen 528 en 529 zijn ook van
toepassing op elektronisch geld in de zin van artikel 514 onder n,
tenzij de betaaldienstverlener van de betaler niet de mogelijkheid heeft
de rekening of het instrument te blokkeren.
Artikel 521a
1. Een elektronischgeldinstelling
betaalt, wanneer de houder van het elektronisch geld daarom verzoekt, de
nominale waarde van het elektronisch geld terug.
2. In de overeenkomst tussen de
elektronischgeldinstelling en de houder van het elektronisch geld worden
de terugbetalingsvoorwaarden duidelijk en opvallend vermeld en de houder
van het elektronisch geld wordt in kennis gesteld van deze voorwaarden,
voordat hij wordt gebonden door een overeenkomst of een aanbod.
3. Voor terugbetaling kan slechts een
vergoeding worden gevraagd, indien dit in de overeenkomst is vermeld
overeenkomstig lid 2 en uitsluitend in de volgende gevallen:
a) indien wordt gevraagd om
terugbetaling vóór de dag waarop de overeenkomst eindigt;
b) indien de overeenkomst voorziet in
een dag waarop de overeenkomst eindigt en de houder van het
elektronisch geld vóór die dag tot beëindiging van de
overeenkomst overgaat; of
c) indien het verzoek tot
terugbetaling meer dan een jaar na de dag van de beëindiging van de
overeenkomst wordt gedaan.
Een vergoeding als hier bedoeld staat in
redelijke verhouding tot de kosten die de elektronischgeldinstelling
feitelijk heeft gemaakt.
4. Indien de houder van het elektronisch
geld verzoekt om terugbetaling vóór de beëindiging van de
overeenkomst, kan hij hetzij gedeeltelijke, hetzij volledige
terugbetaling verlangen.
5. Indien de houder van het elektronisch
geld terugbetaling verzoekt op de dag waarop de overeenkomst is
beëindigd of binnen één jaar na die dag:
a) betaalt de
elektronischgeldinstelling hem de volledige monetaire waarde van het
uitgegeven elektronische geld terug; of
b) betaalt de
elektronischgeldinstelling hem alle middelen terug waarom de houder
van het elektronisch geld verzoekt, indien deze instelling een of
meer andere bedrijfsactiviteiten dan de uitgifte van elektronisch
geld met inachtneming van de daarvoor geldende regels uitoefent en
het vóór het aangaan van de overeenkomst niet duidelijk was welk
deel van die middelen zou worden gebruikt als elektronisch geld.
6. De terugbetalingsrechten van een
persoon die elektronisch geld aanvaardt en die geen consument is,
worden, onverminderd de leden 3, 4 en 5, beheerst door wat is
overeengekomen tussen de elektronischgeldinstelling en die persoon.
Afdeling 2. Instemming met de
betaalopdracht
Artikel 522
1. Een betaaldienstverlener voert een
betalingstransactie slechts uit met instemming van de betaler met de
uitvoering van de betaalopdracht.
2. De instemming met een betaalopdracht
wordt verleend overeenkomstig de tussen de betaler en zijn
betaaldienstverlener overeengekomen vorm en procedure. Bij gebreke van
een dergelijke instemming wordt een betalingstransactie als niet
toegestaan aangemerkt.
3. De instemming kan te allen tijde, doch
uiterlijk op het tijdstip van het onherroepelijk worden, krachtens
artikel 534 van de betaalopdracht door de betaler worden ingetrokken.
Hetzelfde geldt voor een instemming met de uitvoering van een
betaalopdracht betreffende een reeks betalingstransacties, die kan
worden ingetrokken met als gevolg dat iedere toekomstige
betalingstransactie als niet-toegestaan wordt aangemerkt.
Artikel 523
1. Indien voor de mededeling van de
instemming van een specifiek betaalinstrument gebruik wordt gemaakt,
kunnen de betaler en zijn betaaldienstverlener uitgavenlimieten
overeenkomen voor betaaldiensten die met dat betaalinstrument zullen
worden verricht.
2. Indien dit in de raamovereenkomst is
overeengekomen, kan de betaaldienstverlener het gebruik van een
betaalinstrument blokkeren op grond van objectief gerechtvaardigde
redenen die verband houden met:
a. de veiligheid van het
betaalinstrument;
b. het vermoeden van niet-toegestaan
of frauduleus gebruik van het betaalinstrument; of
c. het aanzienlijk toegenomen risico
dat de betaler niet in staat is zijn betalingsverplichtingen na te
komen die voortvloeien uit een gebruik van het betaalinstrument
waarmee over een kredietruimte kan worden beschikt.
3. De betaaldienstverlener informeert in
de situaties, genoemd in het tweede lid, de betaler voor of, indien dit
niet mogelijk is, onverwijld daarna, over de blokkering en de redenen
daarvoor op de wijze, overeengekomen in de raamovereenkomst, tenzij het
doen van deze mededeling strijdig is met objectief gerechtvaardigde
veiligheidsoverwegingen of verboden is krachtens andere toepasselijke
wetgeving.
4. De betaaldienstverlener heft de
blokkering op of vervangt het geblokkeerde betaalinstrument door een
nieuw betaalinstrument, zodra de redenen voor de blokkering niet langer
bestaan.
Artikel 524
1. De betaaldienstgebruiker die
gemachtigd is om een betaalinstrument te gebruiken,
a. gebruikt het betaalinstrument
overeenkomstig de voorwaarden die op de uitgifte en het gebruik van
het betaalinstrument van toepassing zijn, en
b. stelt de betaaldienstverlener, of
de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit, onverwijld in
kennis van het verlies, de diefstal of onrechtmatig gebruik van het
betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan.
2. Voor de toepassing van het eerste lid,
onder a, neemt de betaaldienstgebruiker, zodra hij een betaalinstrument
ontvangt, in het bijzonder alle redelijke maatregelen om de veiligheid
van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan te waarborgen.
Artikel 525
1. De betaaldienstverlener die een
betaalinstrument uitgeeft,
a. zorgt ervoor dat de
gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van een betaalinstrument niet
toegankelijk zijn voor andere partijen dan de betaaldienstgebruiker
die gerechtigd is het betaalinstrument te gebruiken, onverminderd
artikel 524;
b. zendt niet ongevraagd een
betaalinstrument toe, tenzij een betaalinstrument dat reeds aan de
betaaldienstgebruiker verstrekt is, moet worden vervangen;
c. zorgt ervoor dat er te allen tijde
passende middelen beschikbaar zijn om de betaaldienstgebruiker in
staat te stellen een kennisgeving krachtensartikel 524, eerste lid,
onder b, te doen of om opheffing van de blokkering te verzoeken op
grond van artikel 523, vierde lid;
d. verstrekt op verzoek van de
betaaldienstgebruiker tot achttien maanden na de kennisgeving,
bedoeld onder c, de middelen waarmee laatstgenoemde kan bewijzen dat
hij een dergelijke kennisgeving heeft gedaan, en
e. belet dat het betaalinstrument nog
kan worden gebruikt zodra de kennisgeving overeenkomstig artikel
524, eerste lid, onder b, is gedaan.
2. De betaaldienstverlener draagt het
risico van het zenden aan de betaler van een betaalinstrument en van de
gepersonaliseerde veiligheidskenmerken daarvan.
Artikel 526
De betaaldienstgebruiker die bekend is met
een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie waarvoor hij de
betaaldienstverlener aansprakelijk kan stellen met inbegrip van de
aansprakelijkheidsgronden van artikel 543, 544 en 545, verkrijgt alleen
rectificatie van zijn betaaldienstverlener indien hij hem onverwijld en
uiterlijk dertien maanden na de valutadatum waarop zijn rekening is
gedebiteerd, kennis geeft van de bewuste transactie, tenzij de
betaaldienstverlener, in voorkomend geval, de informatie betreffende die
betalingstransactie niet heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld
overeenkomstig de wijze vastgesteld bij of krachtens de in artikel 4:22
van de Wet op het financieel toezicht bedoelde algemene maatregel van
bestuur.
Artikel 527
1. Indien een betaaldienstgebruiker
ontkent dat hij met een uitgevoerde betalingstransactie heeft ingestemd
of aanvoert dat de betalingstransactie niet correct is uitgevoerd, is
zijn betaaldienstverlener gehouden het bewijs te leveren dat de
betalingstransactie is geauthenticeerd, juist is geregistreerd en
geboekt en niet door een technische storing of enig ander falen is
beïnvloed.
2. Indien een betaaldienstgebruiker
ontkent dat hij met een uitgevoerde betalingstransactie heeft ingestemd,
vormt het feit dat het gebruik van een betaalinstrument door de
betaaldienstverlener is geregistreerd niet noodzakelijkerwijze afdoende
bewijs dat met de betalingstransactie door de betaler is ingestemd of
dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove
nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel
524 niet is nagekomen.
Artikel 528
1. Onverminderdartikel 526, betaalt de
betaaldienstverlener van de betaler, in geval van een niet-toegestane
betalingstransactie, onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane
betalingstransactie terug en herstelt hij, in voorkomend geval, de
betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, in de toestand zoals
die geweest zou zijn, indien de niet-toegestane betalingstransactie niet
zou hebben plaatsgevonden.
2. Deze bepaling geldt onverminderd het
recht op schadevergoeding uit hoofde van de algemene regels van
overeenkomstenrecht.
Artikel 529
1. In afwijking van artikel 528 draagt de
betaler tot een bedrag van ten hoogste € 150 het verlies met
betrekking tot niet-toegestane betalingstransacties dat voortvloeit uit
het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of, indien de
betaler heeft nagelaten de veiligheid van de gepersonaliseerde
veiligheidskenmerken ervan te waarborgen, uit onrechtmatig gebruik van
een betaalinstrument.
2. De betaler draagt alle verliezen die
uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich
hebben voorgedaan doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk
of met grove nalatigheid een of meer verplichtingen uit hoofde van
artikel 524 niet is nagekomen. In dergelijke gevallen is het in het
eerste lid bedoelde maximumbedrag niet van toepassing.
3. In gevallen waarin de betaler, zonder
frauduleus of opzettelijk te hebben gehandeld, zijn verplichtingen uit
hoofde van artikel 524 niet is nagekomen, kan de rechter de in het
eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde aansprakelijkheid
beperken, met name rekening houdend met de aard van de gepersonaliseerde
veiligheidskenmerken van het betaalinstrument en met de omstandigheden
waarin het is verloren, gestolen of onrechtmatig gebruikt.
4. Na de kennisgeving overeenkomstig
artikel 524, eerste lid, onder b, heeft het gebruik van het
betaalinstrument geen financiële gevolgen voor de betaler, tenzij deze
frauduleus heeft gehandeld.
5. Indien de betaaldienstverlener nalaat
om overeenkomstig artikel 525, eerste lid, onder c, passende middelen
beschikbaar te stellen waarmee te allen tijde een kennisgeving als
bedoeld in artikel 524, eerste lid, onder b, kan worden gedaan, is de
betaler niet aansprakelijk voor de financiële gevolgen die uit het
gebruik van dat betaalinstrument voortvloeien, tenzij hij frauduleus
heeft gehandeld.
Artikel 530
1. Een betaler heeft recht op de
terugbetaling door zijn betaaldienstverlener van een met zijn
instemming, door of via een begunstigde geïnitieerde, reeds uitgevoerde
betalingstransactie, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a. op het moment waarop ingestemd
werd met de betaalopdracht is niet het precieze bedrag van de
betalingstransactie gespecificeerd, en
b. het bedrag van de
betalingstransactie ligt hoger dan de betaler, op grond van zijn
eerdere uitgavenpatroon, de voorwaarden van zijn raamovereenkomst en
relevante aspecten van de zaak, redelijkerwijs had kunnen
verwachten.
2. De betaler verstrekt de
betaaldienstverlener op diens verzoek de feitelijke elementen omtrent de
voorwaarden voor terugbetaling.
3. De terugbetaling bestaat uit het
volledige bedrag van de uitgevoerde betalingstransactie.
4. In afwijking van het eerste lid kunnen
de betaler en zijn betaaldienstverlener in de raamovereenkomst
overeenkomen dat de betaler bij automatische afschrijvingen ook recht
heeft op terugbetaling door zijn betaaldienstverlener als de in het
eerste lid vermelde voorwaarden voor terugbetaling niet vervuld zijn.
5. Voor de toepassing van het eerste lid,
onder b, kan de betaler evenwel geen met een valutawissel verband
houdende redenen aanvoeren, indien de referentiewisselkoers is toegepast
die hij overeenkomstig het bij of krachtens de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 4:22 van de Wet op het financieel toezicht,
bepaalde met zijn betaaldienstverlener is overeengekomen.
6. In afwijking van het eerste lid kunnen
de betaler en betaaldienstverlener in de raamovereenkomsten overeenkomen
dat de betaler geen recht heeft op terugbetaling als hij zijn instemming
met de op de betalingstransactie betrekking hebbende betaalopdracht
rechtstreeks aan zijn betaaldienstverlener heeft gericht en er, in
voorkomend geval, informatie betreffende de toekomstige
betalingstransactie gedurende ten minste vier weken voor de vervaldag op
een overeengekomen wijze door de betaaldienstverlener of door de
begunstigde aan de betaler was verstrekt of ter beschikking was gesteld.
Artikel 531
1. De betaler kan gedurende een periode
van acht weken na de datum waarop de geldmiddelen zijn gedebiteerd, om
de in artikel 530 bedoelde terugbetaling verzoeken.
2. Binnen de tien werkdagen na ontvangst
van een verzoek om terugbetaling betaalt de betaaldienstverlener het
volledige bedrag van de uitgevoerde betalingstransactie terug dan wel
meldt hij dat hij weigert tot terugbetaling over te gaan.
3. Indien de betaaldienstverlener weigert
tot terugbetaling over te gaan, motiveert hij wat daarvoor de redenen
zijn en doet hij opgave van de geschilleninstantie, bedoeld in artikel
4:17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht,
tot wie de betaler zich kan wenden indien hij deze weigering niet
aanvaardt.
4. Het in het tweede lid bedoelde recht
van de betaaldienstverlener om de terugbetaling te weigeren, is niet van
toepassing in het geval vanartikel 530, vierde lid.
Afdeling 3. Uitvoering van de
betalingstransactie
Paragraaf 1. Betaalopdrachten, kosten en
overgemaakte bedragen
Artikel 532
1. Het tijdstip van ontvangst is het
tijdstip waarop de rechtstreeks door de betaler of niet-rechtstreeks
door of via een begunstigde gegeven betaalopdracht door de
betaaldienstverlener van de betaler wordt ontvangen.
Indien het tijdstip van ontvangst voor de
betaaldienstverlener niet op een werkdag valt, wordt de ontvangen
betaalopdracht geacht op de eerstvolgende werkdag te zijn ontvangen. De
betaaldienstverlener kan een uiterste tijdstip aan het einde van een
werkdag vaststellen, na welk tijdstip een ontvangen betaalopdracht
geacht wordt op de eerstvolgende werkdag te zijn ontvangen.
2. Indien de betaaldienstgebruiker die
een betaalopdracht initieert en zijn betaaldienstverlener overeenkomen
dat de uitvoering van de betaalopdracht aanvangt op een specifieke
datum, aan het einde van een bepaalde termijn of op de dag waarop de
betaler geldmiddelen ter beschikking van zijn betaaldienstverlener heeft
gesteld, wordt het tijdstip van ontvangst van de opdracht voor de
toepassing van artikel 537 geacht op de overeengekomen dag te vallen.
Indien de overeengekomen dag geen werkdag is voor de
betaaldienstverlener, wordt de ontvangen betaalopdracht geacht op de
eerstvolgende werkdag te zijn ontvangen.
Artikel 533
1. Indien de betaaldienstverlener weigert
een betaalopdracht uit te voeren, wordt de betaaldienstgebruiker in
kennis gesteld van deze weigering en, indien mogelijk, van de redenen
daarvoor en van de procedure voor de correctie van eventuele feitelijke
onjuistheden die tot de weigering hebben geleid, tenzij de nationale of
communautaire wetgeving dit verbiedt.
2. De betaaldienstverlener verstrekt zo
spoedig mogelijk de kennisgeving– of stelt deze ter beschikking – op
de overeengekomen wijze, en in elk geval binnen de in artikel 537
vermelde termijnen.
3. In de raamovereenkomst kan de
voorwaarde worden gesteld dat de betaaldienstverlener voor die
kennisgeving kosten in rekening mag brengen indien de weigering
objectief gerechtvaardigd is.
4. Indien alle in de raamovereenkomst van
de betaler gestelde voorwaarden vervuld zijn, weigert de
betaaldienstverlener van de betaler niet een toegestane betaalopdracht
uit te voeren, ongeacht of de betaalopdracht door een betaler dan wel
door een begunstigde is geïnitieerd.
5. Een betaalopdracht waarvan de
uitvoering is geweigerd, wordt geacht niet ontvangen te zijn voor de
toepassing van de artikelen 537, 543, 544 en545.
Artikel 534
1. De betaaldienstgebruiker kan een
betaalopdracht niet meer herroepen vanaf het tijdstip van ontvangst,
bedoeld in artikel 532, eerste lid, tenzij anders is bepaald in dit
artikel.
2. Indien de betalingstransactie door of
via de begunstigde is geïnitieerd, kan de betaler de betaalopdracht
niet herroepen nadat hij de betaalopdracht of zijn instemming met de
uitvoering van de betalingstransactie aan de begunstigde heeft
verstrekt.
3. In het geval van een automatische
afschrijving en onverminderd de rechten inzake terugbetaling kan de
betaler de betaalopdracht evenwel herroepen, ten laatste aan het einde
van de werkdag die voorafgaat aan de dag waarop de betaalrekening
volgens afspraak wordt gedebiteerd.
4. In het inartikel 532, tweede lid,
bedoelde geval kan de betaaldienstgebruiker een betaalopdracht herroepen
tot uiterlijk het einde van de werkdag die aan de overeengekomen dag
voorafgaat.
5. Na de in het eerste tot en met vierde
lid bedoelde termijnen kan de betaalopdracht alleen worden herroepen
indien zulks tussen de betaaldienstgebruiker en zijn
betaaldienstverlener is overeengekomen. In het in het tweede en derde
lid bedoelde geval is ook de instemming van de begunstigde vereist.
6. Indien zulks in de raamovereenkomst is
overeengekomen, mag de betaaldienstverlener kosten voor de herroeping in
rekening brengen.
Artikel 535
1. De betaaldienstverlener van de
betaler, de betaaldienstverlener van de begunstigde en eventuele
intermediairs van de betaaldienstverleners maken het volledige bedrag
van de betalingstransactie over en houden op het overgemaakte bedrag
geen kosten in.
2. De begunstigde en zijn
betaaldienstverlener kunnen in afwijking van het eerste lid overeenkomen
dat de betaaldienstverlener zijn kosten op het overgemaakte bedrag
inhoudt voordat hij de rekening van de begunstigde daarmee crediteert.
In dat geval worden het volledige bedrag van de betalingstransactie en
de kosten afzonderlijk vermeld in de informatie die aan de begunstigde
wordt verstrekt.
3. Indien andere kosten dan die bedoeld
in het tweede lid op het overgemaakte bedrag worden ingehouden, zorgt de
betaaldienstverlener van de betaler ervoor dat de begunstigde het
volledige bedrag van de door de betaler geïnitieerde
betalingstransactie ontvangt. Indien de betalingstransactie door de
begunstigde wordt geïnitieerd, zorgt diens betaaldienstverlener ervoor
dat het volledige bedrag van de betalingstransactie door de begunstigde
wordt ontvangen.
Paragraaf 2. Uitvoeringstermijn en
valutadatum
Artikel 536
1. Deze paragraaf is van toepassing op:
a. betalingstransacties in euro; en
b. betalingstransacties met slechts
één valutawissel tussen de euro en de valuta van een lidstaat die
de euro niet als munt heeft, mits de vereiste valutawissel wordt
uitgevoerd in de betrokken lidstaat waar de euro niet de munteenheid
is en, bij grensoverschrijdende betalingstransacties, de overmaking
in euro geschiedt.
2. Deze paragraaf is van toepassing op
andere betalingstransacties, tenzij tussen de betaaldienstgebruiker en
zijn betaaldienstverlener anders overeengekomen is, met uitzondering van
artikel 541, van welke bepaling niet kan worden afgeweken. Indien de
betaaldienstgebruiker en zijn betaaldienstverlener evenwel een periode
overeenkomen die langer is dan in artikel 537 is bepaald, mag die
periode voor intracommunautaire betalingstransacties niet langer zijn
dan vier werkdagen na het tijdstip van ontvangst overeenkomstig artikel
532.
Artikel 537
1. De betaaldienstverlener van de betaler
draagt er zorg voor dat de betaalrekening van de betaaldienstverlener
van de begunstigde uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag
na het tijdstip van ontvangst overeenkomstig artikel 532 voor het bedrag
van de betalingstransactie wordt gecrediteerd. Deze termijn kan voor
betalingstransacties die op papier worden geïnitieerd, met een werkdag
worden verlengd.
2. De betaaldienstverlener van de
begunstigde valuteert het bedrag van de betalingstransactie en stelt het
beschikbaar op de betaalrekening van de begunstigde, zodra de
betaaldienstverlener het geld ontvangen heeft overeenkomstig artikel
541.
3. De betaaldienstverlener van de
begunstigde zendt een door of via de begunstigde geïnitieerde
betaalopdracht toe aan de betaaldienstverlener van de betaler binnen de
tussen de begunstigde en zijn betaaldienstverlener overeengekomen
termijnen, zodat automatische afschrijvingen op de afgesproken datum
kunnen plaatsvinden.
Artikel 538
Indien de begunstigde geen betaalrekening
bij de betaaldienstverlener heeft, worden de geldmiddelen door de
betaaldienstverlener die de geldmiddelen ten behoeve van de begunstigde
ontvangt, aan de begunstigde ter beschikking gesteld binnen de inartikel
537 gespecificeerde termijn.
Artikel 539
1. Indien een consument chartaal geld op
een betaalrekening bij een betaaldienstverlener deponeert in de valuta
van die betaalrekening, zorgt die betaaldienstverlener ervoor dat het
bedrag onmiddellijk na het tijdstip van ontvangst van de geldmiddelen
beschikbaar wordt gesteld en wordt gevaluteerd.
2. Indien de betaaldienstgebruiker geen
consument is, wordt het bedrag uiterlijk op de eerstvolgende werkdag na
de ontvangst van de geldmiddelen op de betaalrekening van de begunstigde
beschikbaar gesteld en gevaluteerd.
Artikel 540
Bij algemene maatregel van bestuur kan voor
nationale betalingstransacties in kortere maximale uitvoeringstermijnen
worden voorzien dan die welke in deze paragraaf zijn bepaald.
Artikel 541
1. De valutadatum van de creditering van
de betaalrekening van de begunstigde valt uiterlijk op de werkdag waarop
het bedrag van de betalingstransactie op de rekening van de
betaaldienstverlener van de begunstigde wordt gecrediteerd. De
betaaldienstverlener van de begunstigde zorgt ervoor dat het bedrag van
de betalingstransactie ter beschikking van de begunstigde komt zodra dat
bedrag op de rekening van de betaaldienstverlener van de begunstigde is
gecrediteerd.
2. De valutadatum van de debitering van
de betaalrekening van de betaler valt niet vroeger dan het tijdstip
waarop het bedrag van de betalingstransactie van die rekening is
gedebiteerd.
Paragraaf 3. Aansprakelijkheid
Artikel 542
1. Indien een betaalopdracht wordt
uitgevoerd op basis van een unieke identificator, wordt de
betaalopdracht geacht correct te zijn uitgevoerd wat de in de unieke
identificator gespecificeerde begunstigde betreft.
2. Indien de unieke identificator die
door de betaaldienstgebruiker is verstrekt, onjuist is, is de
betaaldienstverlener op grond van de artikelen 543,544 en 545 niet
aansprakelijk voor de niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de
betalingstransactie. De betaaldienstverlener van de betaler levert
evenwel redelijke inspanningen om de met de betalingstransactie gemoeide
geldmiddelen terug te verkrijgen. Indien zulks in de raamovereenkomst is
overeengekomen, mag de betaaldienstverlener de betaaldienstgebruiker
voor het terugverkrijgen kosten in rekening brengen.
3. Indien de betaaldienstgebruiker
aanvullende informatie verstrekt naast de informatie die krachtens het
bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
4:22 van de Wet op het financieel toezicht, bepaalde vereist is, is de
betaaldienstverlener alleen aansprakelijk voor de uitvoering van
betalingstransacties overeenkomstig de unieke identificator die door de
betaaldienstgebruiker is gespecificeerd.
Artikel 543
1. Indien een betaalopdracht door de
betaler wordt geïnitieerd, is de betaaldienstverlener van de betaler,
onverminderd artikel 526, artikel 542, tweede en derde lid, en artikel
548, jegens de betaler aansprakelijk voor de juiste uitvoering daarvan,
tenzij hij tegenover de betaler en, voor zover relevant, tegenover de
betaaldienstverlener van de begunstigde kan bewijzen dat de
betaaldienstverlener van de begunstigde het bedrag van de
betalingstransactie heeft ontvangen overeenkomstig artikel 537, eerste
lid, in welk geval de betaaldienstverlener van de begunstigde
aansprakelijk is jegens de begunstigde voor de juiste uitvoering van de
betalingstransactie.
2. Indien de betaaldienstverlener van de
betaler aansprakelijk is uit hoofde van het eerste lid betaalt hij de
betaler onverwijld het bedrag van de niet-uitgevoerde of gebrekkig
uitgevoerde betalingstransactie terug en herstelt hij onverwijld, in
voorkomend geval, de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd,
in de toestand zoals die geweest zou zijn, indien de gebrekkig
uitgevoerde betalingstransactie niet zou hebben plaatsgevonden.
3. Indien de betaaldienstverlener van de
begunstigde aansprakelijk is uit hoofde van het eerste lid stelt hij
onmiddellijk het bedrag van de betalingstransactie ter beschikking van
de begunstigde en crediteert hij, voor zover van toepassing, de
betaalrekening van de begunstigde met het overeenkomstige bedrag.
4. Indien een door de betaler
geïnitieerde betalingstransactie niet of gebrekkig is uitgevoerd,
tracht de betaaldienstverlener van de betaler, ongeacht de
aansprakelijkheid uit hoofde van dit artikel, desgevraagd onmiddellijk
de betalingstransactie te traceren en stelt hij de betaler op de hoogte
van de resultaten daarvan.
Artikel 544
1. Indien een betaalopdracht door of via
de begunstigde wordt geïnitieerd, is de betaaldienstverlener van de
begunstigde, onverminderd artikel 526, artikel 542, tweede en derde lid,
en artikel 548, aansprakelijk jegens de begunstigde voor de juiste
verzending van de betaalopdracht aan de betaaldienstverlener van de
betaler, overeenkomstig artikel 537, derde lid.
2. Indien de betaaldienstverlener van de
begunstigde aansprakelijk is uit hoofde van het eerste lid geeft hij de
betrokken betaalopdracht onmiddellijk door aan de betaaldienstverlener
van de betaler.
3. Voorts is de betaaldienstverlener van
de begunstigde, onverminderd artikel 526,artikel 542, tweede en derde
lid, en artikel 548, aansprakelijk jegens de begunstigde voor het
behandelen van de betalingstransactie overeenkomstig zijn verplichtingen
krachtens artikel 541. Indien de betaaldienstverlener van de begunstigde
aansprakelijk is uit hoofde van het eerste lid zorgt hij ervoor dat het
bedrag van de betalingstransactie onmiddellijk ter beschikking van de
begunstigde wordt gesteld zodra de betaalrekening van de
betaaldienstverlener van de begunstigde met het overeenkomstige bedrag
is gecrediteerd.
4. Bij een niet-uitgevoerde of gebrekkig
uitgevoerde betalingstransactie waarvoor de betaaldienstverlener van de
begunstigde niet aansprakelijk is uit hoofde van het eerste en tweede
lid is de betaaldienstverlener van de betaler aansprakelijk jegens de
betaler. Indien de betaaldienstverlener van de betaler aansprakelijk is
uit hoofde van de eerste zin van dit lid betaalt hij, in voorkomend
geval, de betaler onverwijld het bedrag van de niet-uitgevoerde of
gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie terug en herstelt hij
onverwijld de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, in de
toestand zoals die geweest zou zijn, indien de gebrekkig uitgevoerde
betalingstransactie niet zou hebben plaatsgevonden.
5. Indien een door of via de begunstigde
geïnitieerde betalingstransactie niet of gebrekkig is uitgevoerd,
tracht de betaaldienstverlener van de begunstigde, ongeacht de
aansprakelijkheid uit hoofde van dit artikel, desgevraagd onmiddellijk
de betalingstransactie te traceren en stelt hij de begunstigde op de
hoogte van de resultaten daarvan.
Artikel 545
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 543
en 544 zijn de betaaldienstverleners bovendien aansprakelijk jegens hun
respectieve betaaldienstgebruikers voor de kosten waarvoor deze laatsten
aansprakelijk zijn en de interesten die voor rekening van de
betaaldienstgebruiker komen wegens niet-uitvoering of gebrekkige
uitvoering van de betalingstransactie.
Artikel 546
Deze paragraaf geldt onverminderd het recht
op aanvullende schadevergoeding uit hoofde van de algemene regels van
overeenkomstenrecht.
Artikel 547
1. Indien de aansprakelijkheid van een
betaaldienstverlener uit hoofde van deartikelen 543, 544 en 545 kan
worden toegerekend aan een andere betaaldienstverlener of een
intermediair, vergoedt die betaaldienstverlener of die intermediair
eerstgenoemde betaaldienstverlener voor alle verliezen die zijn geleden
en de bedragen die zijn betaald uit hoofde van de artikelen 543, 544
en545.
2. Deze bepaling geldt onverminderd het
recht op aanvullende schadevergoeding uit hoofde van de tussen de
betaaldienstverleners en tussen de betaaldienstverleners en
intermediairs gesloten overeenkomsten.
Artikel 548
De aansprakelijkheid krachtens de
afdelingen 2 en 3 van deze titel geldt niet in abnormale en onvoorziene
omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van degene die zich erop
beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet
konden worden voorkomen, noch indien een betaaldienstverlener uit hoofde
van nationale of communautaire wetgeving andere wettelijke verplichtingen
heeft.
Afdeling 4. Slotbepalingen
Artikel 549
Bij of krachtens de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 4:22 van de Wet op het financieel toezicht,
waarbij regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en de
verstrekking van de door titel III van de richtlijn vereiste informatie,
kunnen tevens regels worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde in de
artikelen 516, 517, 518,526, 530, vijfde lid, en 542.
Artikel 550
1. Van het bepaalde bij deze titel kan
niet ten nadele van de betaaldienstgebruiker worden afgeweken, tenzij
anders is bepaald.
2. Indien de betaaldienstgebruiker geen
consument is, kunnen partijen overeenkomen dat de artikelen 516 tot en
met 519, 520, eerste lid, 522, derde lid, 527, 529 tot en met 531, 534,
543, 544 en 545 in het geheel of ten dele niet van toepassing zijn. De
partijen kunnen een andere termijn overeenkomen dan die welke is gesteld
bij artikel 526.
Artikel 551
1. Van het bepaalde bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 4:22 van de Wet op het
financieel toezicht kan voor wat betreft de regels met betrekking tot de
inhoud en de verstrekking van de door titel III van de richtlijn
vereiste informatie of gesteld ter uitvoering van de artikelen 516, 517,
518, 526, 530, vijfde lid, en542, niet ten nadele van de
betaaldienstgebruiker worden afgeweken, tenzij in de wet anders is
bepaald.
2. Indien de betaaldienstgebruiker geen
consument is, kunnen partijen overeenkomen dat van de in lid 1 bedoelde
regels kan worden afgeweken, behoudens voor zover zij zijn gesteld ter
uitvoering van de artikelen 526 en542.
Titel 9. Bewaarneming
Artikel 600
Bewaarneming is de overeenkomst waarbij de
ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de
bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal
toevertrouwen, te bewaren en terug te geven.
Artikel 601
1. Indien de overeenkomst door de
bewaarnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan,
is de bewaargever hem loon verschuldigd.
2. Indien loon verschuldigd is, doch de
hoogte niet door partijen is bepaald, is de bewaargever het op de
gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk
loon verschuldigd.
3. De bewaargever moet aan de bewaarnemer
de aan de bewaring verbonden onkosten vergoeden, voor zover deze niet in
het loon zijn begrepen, alsook de schade die de bewaarnemer als gevolg
van de bewaring heeft geleden.
Artikel 602
De bewaarnemer moet bij de bewaring de zorg
van een goed bewaarder in acht nemen.
Artikel 603
1. De bewaarnemer mag de zaak slechts
gebruiken voor zover de bewaargever daarvoor toestemming heeft gegeven,
of het gebruik nodig is om de zaak in goede staat te houden of te
brengen.
2. Zonder toestemming van de bewaargever
mag de bewaarnemer de zaak niet aan een derde in bewaring geven, tenzij
dit in het belang van de bewaargever noodzakelijk is.
3. Voor gedragingen van een
onderbewaarnemer met betrekking tot de zaak is de bewaarnemer op gelijke
wijze aansprakelijk als voor eigen gedragingen, tenzij de bewaarneming
niet tegen bewaarloon geschiedt en de bewaarnemer tot het in
onderbewaring geven genoodzaakt was ten gevolge van hem niet toe te
rekenen omstandigheden.
Artikel 604
De vruchten die de zaak in het tijdvak
tussen de ontvangst en de teruggave oplevert, moeten door de bewaarnemer
aan de bewaargever worden afgedragen.
Artikel 605
1. De bewaargever kan onverwijlde
teruggave en de bewaarnemer onverwijlde terugneming van de zaak
vorderen.
2. Wegens gewichtige redenen kan de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de zaak
zich bevindt, op verzoek van een van de partijen een van het vorige lid
of van de overeenkomst afwijkend tijdstip voor de teruggave of
terugneming bepalen. Dit lid is niet van toepassing in geval van
gerechtelijke bewaring.
3. De teruggave moet geschieden op de
plaats waar de zaak volgens de overeenkomst moet worden bewaard, tenzij
bij de overeenkomst een andere plaats voor de teruggave is aangewezen.
4. De bewaarnemer is gehouden de zaak
terug te geven in de staat waarin hij haar heeft ontvangen.
Artikel 606
Indien twee of meer personen te zamen een
zaak in bewaring hebben genomen, zijn zij hoofdelijk verbonden tot
teruggave daarvan en tot vergoeding van de schade die het gevolg is van
een tekortschieten in de nakoming van die verplichting, tenzij de
tekortkoming aan geen van hen kan worden toegerekend.
Artikel 607
1. Indien ter zake van een bewaarneming
een ceel of een ander stuk aan toonder of order is afgegeven, geldt
levering daarvan vóór de aflevering van de daarin aangeduide zaken als
levering van die zaken.
2. Het eerste lid is niet van toepassing
op registergoederen.
Artikel 608
1. Indien een onderbewaarnemer door een
bewaargever buiten overeenkomst voor met betrekking tot de zaak geleden
schade wordt aangesproken, is hij jegens deze niet verder aansprakelijk
dan hij zou zijn als wederpartij bij de overeenkomst, waarbij de
bewaargever de zaak in bewaring gegeven heeft.
2. Indien een bewaarnemer buiten
overeenkomst voor met betrekking tot de zaak geleden schade wordt
aangesproken door een derde die geen bewaargever is, is hij niet verder
aansprakelijk dan hij als wederpartij van de bewaargever uit de met deze
gesloten overeenkomst zou zijn.
3. Indien een onderbewaarnemer door een
zodanige derde wordt aangesproken, is hij niet verder aansprakelijk dan
hij als bewaarnemer op grond van het vorige lid zou zijn.
4. De vorige leden kunnen niet worden
ingeroepen door een bewaarnemer of onderbewaarnemer die bij het sluiten
van de overeenkomst uit hoofde waarvan hij de zaak ontving, wist of had
behoren te weten dat zijn wederpartij jegens degene door wie hij werd
aangesproken, niet bevoegd was de zaak aan hem in bewaring te geven.
Artikel 609
1. De hotelhouder is als een bewaarnemer
aansprakelijk voor beschadiging of verlies van zaken, die in het hotel
zijn meegebracht door een gast die daar zijn intrek heeft genomen.
2. Hij is niet aansprakelijk voor
gedragingen van personen die de gast zelf in het hotel heeft meegebracht
of uitgenodigd, en voor schade door zaken die de gast zelf heeft
meegebracht.
3. Hij heeft op de in lid 1 bedoelde
zaken een retentierecht voor al hetgeen hij van de gast te vorderen
heeft ter zake van logies, kost, consumpties en als hotelhouder
verrichte diensten.
Titel 10. Arbeidsovereenkomst
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 610
1. De arbeidsovereenkomst is de
overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in
dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere
tijd arbeid te verrichten.
2. Indien een overeenkomst zowel aan de
omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet
geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze
titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen
naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van
deze titel van toepassing.
Artikel 610a
Hij die ten behoeve van een ander tegen
beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks
dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt
vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.
Artikel 610b
Indien een arbeidsovereenkomst ten minste
drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand
vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid
per maand in de drie voorafgaande maanden.
Artikel 611
De werkgever en de werknemer zijn verplicht
zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen.
Artikel 612
1. Een minderjarige die de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een
arbeidsovereenkomst. Hij staat in alles wat betrekking heeft op die
arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk, en kan zonder bijstand
van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte verschijnen.
2. Indien een daartoe onbekwame
minderjarige een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan en vervolgens vier
weken in dienst van de werkgever arbeid heeft verricht zonder dat zijn
wettelijke vertegenwoordiger een beroep op de in de onbekwaamheid
gelegen vernietigingsgrond heeft gedaan, wordt hij geacht de toestemming
van die vertegenwoordiger tot het aangaan van deze arbeidsovereenkomst
te hebben verkregen.
3. Een onbekwame minderjarige die met
toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger een arbeidsovereenkomst
heeft aangegaan, staat in alles wat betrekking heeft op die
arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk, behoudens het bepaalde
in lid 4.
4. Een onbekwame minderjarige kan niet
zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte
verschijnen, behalve wanneer de rechter is gebleken dat de wettelijke
vertegenwoordiger niet bij machte is zich te verklaren.
Artikel 613
De werkgever kan slechts een beroep doen op
een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de
arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij
bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van
de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
Artikel 613a [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 613b [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 613c [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 614
De termijn, bedoeld in artikel 52 lid 1
onder d van Boek 3, begint met betrekking tot uit deze titel
voortvloeiende vernietigingsgronden met de aanvang van de dag volgende op
die waarop een beroep op het beding is gedaan.
Artikel 615
De bepalingen van deze titel zijn niet van
toepassing ten aanzien van personen in dienst van staat, provincie,
gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, tenzij zij,
hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens
partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard.
Afdeling 2. Loon
Artikel 616
De werkgever is verplicht de werknemer zijn
loon op de bepaalde tijd te voldoen.
Artikel 617
1. De vastgestelde vorm van loon mag niet
anders zijn dan:
a. geld;
b. indien die vorm van loon gewoonte
is of wenselijk is wegens de aard van de onderneming van de
werkgever: zaken, geschikt voor het persoonlijk gebruik van de
werknemer en zijn huisgenoten, met uitzondering van alcoholhoudende
drank en andere voor de gezondheid schadelijke genotmiddelen;
c. het gebruik van een woning,
alsmede verlichting en verwarming daarvan;
d. diensten, voorzieningen en
werkzaamheden door of voor rekening van de werkgever te verrichten,
onderricht, kost en inwoning daaronder begrepen;
e. effecten, vorderingen, andere
aanspraken en bewijsstukken daarvan en bonnen.
2. Aan de in lid 1 onder b, c en d
bedoelde zaken, diensten en voorzieningen mag geen hogere waarde worden
toegekend dan die welke met de werkelijke waarde daarvan overeenkomt.
Artikel 618
Indien geen loon is vastgesteld, heeft de
werknemer aanspraak op het loon dat ten tijde van het sluiten van de
overeenkomst voor arbeid als de overeengekomene gebruikelijk was of, bij
gebreke van een dergelijke maatstaf, op een loon dat met inachtneming van
de omstandigheden van het geval naar billijkheid wordt bepaald.
Artikel 619
1. Indien het loon voor het geheel of
voor een gedeelte bestaat in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van
enig gegeven dat uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van
de werkgever moet kunnen blijken, heeft de werknemer het recht van de
werkgever overlegging te verlangen van zodanige bewijsstukken, als hij
nodig heeft om dat gegeven vast te kunnen stellen.
2. Partijen kunnen bij schriftelijke
overeenkomst overeenkomen aan wie, in afwijking van lid 1, overlegging
van genoemde bewijsstukken zal geschieden. Als zodanig kunnen niet
worden aangewezen werknemers die in dienst van de werkgever met de
boekhouding zijn belast.
3. Slechts aan de werknemer komt de
bevoegdheid toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van lid 1
of lid 2, tweede zin, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.
4. De overlegging van de bewijsstukken
door of vanwege de werkgever geschiedt desverlangd onder de
uitdrukkelijke verplichting tot geheimhouding door de werknemer en
degene die hem overeenkomstig lid 2 vervangt; deze kan echter nimmer tot
geheimhouding tegenover de werknemer worden verplicht, behoudens voor
zover het betreft de winst in de onderneming van de werkgever of in een
deel daarvan gemaakt.
Artikel 620
1. De voldoening van het in geld
vastgestelde loon geschiedt in Nederlands wettig betaalmiddel of door
girale betaling overeenkomstig artikel 114 van Boek 6.
2. De voldoening van het in geld
vastgestelde loon kan in buitenlands geld geschieden, indien dit
overeengekomen is. De werknemer is echter bevoegd voldoening in
Nederlands geld te verlangen met ingang van de tweede komende betaaldag.
Indien omrekening nodig is, geschiedt deze naar de koers, bedoeld in de
artikelen 124 en 126 van Boek 6.
3. De voldoening van het in andere
bestanddelen dan in geld vastgestelde loon geschiedt volgens hetgeen
daarover is overeengekomen of, als daarover niets is overeengekomen,
volgens het gebruik.
Artikel 621
1. Voldoening van het loon, anders dan
bij artikel 620 is bepaald of, in andere vormen is vastgesteld dan door
artikel 617 is toegestaan, is niet bevrijdend. De werknemer behoudt het
recht om het verschuldigde loon of, zo dit in een andere vorm dan geld
is vastgesteld, de waarde van de verschuldigde prestatie van de
werkgever te vorderen zonder gehouden te zijn het bij de
niet-bevrijdende voldoening ontvangene terug te geven.
2. Niettemin kan de rechter bij
toewijzing van de vordering van de werknemer de veroordeling beperken
tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal
voorkomen, maar uiterlijk tot de som waarop de door de werknemer geleden
schade zal worden vastgesteld.
3. Een rechtsvordering van de werknemer
op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag
waarop de niet-bevrijdende voldoening plaatsvindt.
Artikel 622
De voldoening van in geld vastgesteld loon
die niet met toepassing van artikel 114 van Boek 6 plaatsvindt, geschiedt
hetzij ter plaatse waar de arbeid in de regel wordt verricht, hetzij ten
kantore van de werkgever indien dit gelegen is in dezelfde gemeente als
die waarin de meerderheid van de werknemers woont, hetzij aan de woning
van de werknemer, ter keuze van de werkgever.
Artikel 623
1. De werkgever is verplicht het in geld
naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het
tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden
berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter
is dan één week en niet langer is dan één maand.
2. Het tijdvak na afloop waarvan het loon
moet worden voldaan, kan bij schriftelijke overeenkomst worden verlengd,
maar niet langer dan tot een maand wanneer het tijdvak waarover het loon
op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een week of korter
is, en tot niet langer dan tot een kwartaal wanneer het tijdvak waarover
het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een maand of
langer is.
3. Slechts aan de werknemer komt de
bevoegdheid toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van dit
artikel, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.
Artikel 624
1. Indien het in geld vastgestelde loon
afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, houdt de
werkgever de betalingstermijnen aan die gelden voor het naar tijdruimte
vastgestelde loon voor vergelijkbare arbeid, tenzij met inachtneming van
artikel 623 andere termijnen zijn overeengekomen.
2. Indien op de betaaldag het bedrag van
het loon als genoemd in lid 1 nog niet te bepalen is, is de werkgever
verplicht tot voldoening van een voorschot ten bedrage van het loon
waarop de werknemer gemiddeld per betalingstermijn aanspraak kon maken
over de drie maanden voorafgaande aan de betaaldag of, indien dat niet
mogelijk is, ten bedrage van het voor vergelijkbare arbeid gebruikelijke
loon.
3. Schriftelijk kan worden overeengekomen
dat het voorschot op een lager bedrag wordt gesteld, maar niet op minder
dan drie vierde van het gemiddelde loon over drie maanden voorafgaande
aan de betaaldag onderscheidenlijk van het voor vergelijkbare arbeid
gebruikelijke loon.
4. Voor zover het in geld vastgestelde
loon bestaat in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven
dat uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de werkgever
moet kunnen blijken, is de werkgever tot voldoening verplicht telkens
wanneer het bedrag van dat loon kan worden bepaald, met dien verstande
dat ten minste eenmaal per jaar voldoening plaatsvindt.
5. Slechts aan de werknemer komt de
bevoegdheid toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van dit
artikel, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.
Artikel 625
1. Voor zover het in geld vastgesteld
loon of het gedeelte dat overblijft na aftrek van hetgeen door de
werkgever overeenkomstig artikel 628 mag worden verrekend, en na aftrek
van hetgeen waarop derden overeenkomstig artikel 633 rechten doen
gelden, niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop
ingevolge de artikelen 623 en 624 lid 1 de voldoening had moeten
geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever
is toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze
verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf
procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent, met dien
verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde
te boven zal gaan. Niettemin kan de rechter de verhoging beperken tot
zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal
voorkomen.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
Artikel 626
1. De werkgever is verplicht bij elke
voldoening van het in geld vastgestelde loon de werknemer een
schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van het loonbedrag,
van de bedragen waaruit dit is samengesteld, van de bedragen die op het
loonbedrag zijn ingehouden, alsmede van het bedrag van het loon waarop
een persoon van de leeftijd van de werknemer over de termijn waarover
het loon is berekend ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag aanspraak heeft, tenzij zich ten
opzichte van de vorige voldoening in geen van deze bedragen een
wijziging heeft voorgedaan.
2. De opgave vermeldt voorts de naam van
de werkgever en van de werknemer, de termijn waarover het loon is
berekend, alsmede de overeengekomen arbeidsduur.
3. De werkgever verstrekt de
elektronische opgave op zodanige wijze dat deze door de werknemer kan
worden opgeslagen en voor hem toegankelijk is ten behoeve van latere
kennisneming.
4. Voor het verstrekken van een
elektronische opgave is uitdrukkelijke instemming van de werknemer
vereist.
5. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
Artikel 627
Geen loon is verschuldigd voor de tijd
gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht.
Artikel 628
1. De werknemer behoudt het recht op het
naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid
niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening
van de werkgever behoort te komen.
2. Indien hem krachtens enige wettelijk
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig
fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de
arbeidsovereenkomst, een geldelijke uitkering toekomt, wordt het loon
verminderd met het bedrag van die uitkering.
3. Indien het loon in geld op andere
wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de bepalingen van dit
artikel van toepassing, met dien verstande dat als loon wordt beschouwd
het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was
geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.
4. Het loon wordt echter verminderd met
het bedrag van de onkosten die de werknemer zich door het
niet-verrichten van de arbeid heeft bespaard.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan voor
de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij
schriftelijke overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
6. In geval van elkaar opvolgende
arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 668a kan een afwijking als
bedoeld in lid 5 in totaal voor ten hoogste zes maanden worden
overeengekomen.
7. Na het verstrijken van de termijn,
bedoeld in lid 5, kan van dit artikel slechts bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
Artikel 628a
1. Indien een arbeidsomvang van minder
dan 15 uur per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid
moet worden verricht niet zijn vastgelegd, dan wel indien de omvang van
de arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd, heeft de werknemer voor
iedere periode van minder dan drie uur waarin hij arbeid heeft verricht,
recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur
arbeid zou hebben verricht.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
Artikel 629
1. Voor zover het loon niet meer bedraagt
dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak
van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht
op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52
weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien
hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe
verhinderd was.
2. Het in lid 1 bedoelde recht geldt voor
een tijdvak van zes weken voor de werknemer die doorgaans op minder dan
vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten
verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot
wie hij in dienstbetrekking staat.
3. De werknemer heeft het in lid 1
bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door zijn opzet
is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het
kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt
en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde
belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd, gedurende welke door
zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
c. voor de tijd, gedurende welke hij,
hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende
arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor
een door de werkgever aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in
de gelegenheid stelt, niet verricht;
d. voor de tijd, gedurende welke hij
zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever
of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke
voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de
werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel
658a lid 4 te verrichten;
e. voor de tijd, gedurende welke hij
zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen,
evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in
artikel 658a lid 3;
f. voor de tijd gedurende welke hij
zonder deugdelijke grond zijn aanvraag om een uitkering als bedoeld
in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen later indient dan in dat artikel is voorgeschreven.
4. In afwijking van lid 1 heeft de
vrouwelijke werknemer het in dat lid bedoelde recht niet gedurende de
periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg.
5. Het loon wordt verminderd met het
bedrag van enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt krachtens
enige wettelijke voorgeschreven verzekering of krachtens enige
verzekering of uit enig fonds waarin de werknemer niet deelneemt,
voorzover deze uitkering betrekking heeft op de bedongen arbeid waaruit
het loon wordt genoten. Het loon wordt voorts verminderd met het bedrag
van de inkomsten, door de werknemer in of buiten dienstbetrekking
genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat
hij, zo hij daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen arbeid had
kunnen verrichten.
6. De werkgever is bevoegd de betaling
van het in het lid 1 bedoelde loon op te schorten voor de tijd,
gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever
schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van
de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te
stellen.
7. De werkgever kan geen beroep meer doen
op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de
betaling daarvan op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen
kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het
bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.
8. Artikel 628 lid 3 is van
overeenkomstige toepassing.
9. Van dit artikel kan ten nadele van de
werknemer slechts in zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden
dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid 2
bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
10. Voor de toepassing van de leden 1, 2
en 9 worden perioden, waarin de werknemer in verband met ongeschiktheid
ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest
zijn arbeid te verrichten, samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten als bedoeld in artikel 3:1, tweede en
derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
11. Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in
lid 1, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging
indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op
grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van het verlengde
tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen heeft vastgesteld en met de duur van het tijdvak,
bedoeld in artikel 25, negende lid, eerste zin, van die wet;
c. met de duur van de verlenging van
de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd op grond van
het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
d. met de duur van het tijdvak dat
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van
artikel 71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
12. Indien de werknemer passende arbeid
als bedoeld in artikel 658a lid 4verricht, blijft de arbeidsovereenkomst
onverkort in stand.
13. Voor de toepassing van lid 2 wordt
onder het verrichten van diensten ten behoeve van een huishouden mede
verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.
Artikel 629a
1. De rechter wijst een vordering tot
betaling van loon als bedoeld in artikel 629 af, indien bij de eis niet
een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, omtrent de
verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid
te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 660a.
2. Lid 1 geldt niet indien de
verhindering respectievelijk de nakoming niet wordt betwist of het
overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan
worden gevergd.
3. De deskundige, die zijn benoeming
heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en naar beste
weten te volbrengen.
4. De deskundige die de hoedanigheid van
arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van belang zijnde inlichtingen
over de werknemer inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend
artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de
persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet onevenredig wordt
geschaad.
5. De rechter kan op verzoek van een der
partijen of ambtshalve bevelen dat de deskundige zijn verklaring nader
schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
6. De werknemer wordt ter zake van een
vordering als bedoeld in het eerste lid slechts in de kosten van de
werkgever als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik
van procesrecht.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of
bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan
worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde deskundige door een
ander dan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
wordt aangewezen.
Artikel 629b [Vervallen per 01-12-2001]
Artikel 630
1. De werkgever die tijdelijk is
verhinderd het loon, voor zover dit in een andere vorm dan in geld is
vastgesteld, te voldoen zonder dat deze verhindering het gevolg is van
een eigen toedoen van de werknemer, is aan deze een vergoeding schuldig,
waarvan het bedrag bij overeenkomst wordt vastgesteld of, bij gebreke
van een overeenkomst, door de rechter wordt bepaald volgens het gebruik
of de billijkheid.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
Artikel 631
1. Een beding waarbij de werkgever het
recht krijgt enig bedrag van het loon op de betaaldag in te houden, is
nietig, onverminderd de bevoegdheid van de werknemer om de werkgever een
schriftelijke volmacht te verlenen om uit het uit te betalen loon
betalingen in zijn naam te verrichten. Deze volmacht is te allen tijde
herroepelijk.
2. Bedingen waarbij de werknemer zich
jegens de werkgever verbindt het ontvangen loon of zijn overige
inkomsten of een gedeelte daarvan op bepaalde wijze te besteden, en
bedingen waarbij de werknemer zich verbindt zijn benodigdheden op een
bepaalde plaats of bij een bepaalde persoon aan te schaffen, zijn
nietig.
3. De leden 1 en 2 zijn niet van
toepassing op het beding waarbij de werknemer zich verbindt:
a. deel te nemen in een pensioenfonds
als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet en ten aanzien waarvan
aan de voorschriften van die wet wordt voldaan;
b. bij te dragen tot de
premiebetaling voor een verzekering overeenkomstig de voorschriften
dienaangaande door de Pensioenwet gesteld;
c. deel te nemen in enig ander fonds
dan in onderdeel a bedoeld, mits dat fonds voldoet aan de
voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur gesteld;
d. deel te nemen aan een regeling tot
sparen te zijnen behoeve, anders dan in de onderdelen a tot en met c
bedoeld, mits die regeling voldoet aan de voorwaarden, bij algemene
maatregel van bestuur gesteld.
Onder enig ander fonds als bedoeld in
onderdeel c, wordt niet verstaan een fonds dat tot doel heeft aan de
werkgever of aan de werknemer een uitkering te doen die verband houdt
met het recht van de werknemer op doorbetaling van loon tijdens ziekte,
zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 629 lid 1, of met de
betaling van een uitkering als bedoeld in artikel 83 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen dan wel als bedoeld in artikel 75a van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4. Voor de nakoming van een beding als
bedoeld in lid 3 mag de werkgever de daartoe nodige bedragen op het loon
van de werknemer inhouden; hij is alsdan verplicht deze bedragen
overeenkomstig het beding ten behoeve van de werknemer te voldoen.
5. Op de deelneming door een minderjarige
aan een regeling als bedoeld in lid 3 is artikel 612 van overeenkomstige
toepassing.
6. Indien de werknemer ingevolge een
nietig beding als bedoeld in lid 2 een overeenkomst met de werkgever of
een derde heeft aangegaan, heeft hij het recht hetgeen hij uit dien
hoofde heeft voldaan van de werkgever te vorderen. Indien hij de
overeenkomst met de werkgever heeft aangegaan, heeft hij bovendien de
bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen.
7. De rechter kan bij toewijzing van een
vordering van de werknemer op grond van lid 6 de verplichting tot
betaling van de werkgever beperken tot zodanig bedrag als hem met het
oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar uiterlijk tot de som
waarop hij de door de werknemer geleden schade vaststelt.
8. Een rechtsvordering van de werknemer
op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag
van het ontstaan van het vorderingsrecht.
Artikel 632
1. Behalve bij het einde van de
arbeidsovereenkomst is verrekening door de werkgever van zijn schuld ter
zake van het uit te betalen loon slechts toegelaten met de volgende
vorderingen op de werknemer:
a. de door de werknemer aan de
werkgever verschuldigde schadevergoeding;
b. de boetes, door de werknemer
volgens artikel 650 aan de werkgever verschuldigd, mits door deze
een schriftelijk bewijs wordt afgegeven, die het bedrag vermeldt van
iedere boete alsmede de tijd waarop en de reden waarom zij is
opgelegd, met opgave van de overtreden bepaling van een schriftelijk
aangegane overeenkomst;
c. de voorschotten op het loon, door
de werkgever in geld aan de werknemer verstrekt, mits daarvan
schriftelijk blijkt;
d. het bedrag van hetgeen op het loon
te veel is betaald;
e. de huurprijs van een woning of een
andere ruimte, een stuk grond of van werktuigen, machines en
gereedschappen, door de werknemer in eigen bedrijf gebruikt, en die
bij schriftelijke overeenkomst door de werkgever aan de werknemer
zijn verhuurd.
2. Verrekening heeft geen plaats op het
deel van het loon waarop beslag onder de werkgever niet geldig kan zijn.
Ter zake van hetgeen de werkgever krachtens lid 1, onderdeel b, zou
kunnen vorderen, mag door hem bij elke voldoening van het loon niet meer
worden verrekend dan een tiende gedeelte van het in geld vastgestelde
loon dat alsdan zou moeten worden voldaan.
3. Hetgeen de werkgever uit hoofde van
een op het loon gelegd beslag inhoudt, komt in mindering op het voor
verrekening toegelaten maximum.
4. Een beding waardoor de werkgever een
ruimere bevoegdheid tot verrekening zou krijgen, is vernietigbaar, met
dien verstande dat de werknemer bevoegd is tot vernietiging ter zake van
elke afzonderlijke verrekeningsverklaring van de werkgever die van de
geldigheid van het beding uitgaat.
Artikel 633
1. Overdracht, verpanding of elke andere
handeling waardoor de werknemer enig recht op zijn loon aan derden
toekent, is slechts in zover geldig als een beslag op zijn loon geldig
zou zijn.
2. Een volmacht tot de vordering van loon
wordt schriftelijk verleend. Deze volmacht is te allen tijde
herroepelijk.
3. Van dit artikel kan niet worden
afgeweken.
Afdeling 3. Vakantie en verlof
Artikel 634
1. De werknemer verwerft over ieder jaar
waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op
loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de
overeengekomen arbeidsduur per week of, als de overeengekomen
arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een
overeenkomstige tijd.
2. De werknemer die over een deel van een
jaar recht op loon heeft gehad, verwerft over dat deel aanspraak op
vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij
recht zou hebben gehad als hij gedurende het gehele jaar recht had op
loon over de volledige overeengekomen arbeidsduur.
3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of
bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan ten
aanzien van werknemers wier arbeidsovereenkomst eindigt nadat deze ten
minste een maand heeft geduurd, van lid 2 worden afgeweken in dier voege
dat de aanspraak op vakantie wordt berekend over tijdvakken van een
maand.
Artikel 635
1. In afwijking van artikel 634 verwerft
de werknemer aanspraak op vakantie over het tijdvak, gedurende hetwelk
hij geen recht heeft op in geld vastgesteld loon, omdat:
a. hij, anders dan voor oefening en
opleiding, als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van zijn
militaire dienst of vervangende dienst;
b. hij vakantie als bedoeld in
artikel 641 lid 3 geniet;
c. hij, met toestemming van de
werkgever, deelneemt aan een bijeenkomst die wordt georganiseerd
door een vakvereniging waarvan hij lid is;
d. hij, anders dan ten gevolge van de
omstandigheden, bedoeld in de leden 2 en 3, tegen zijn wil niet in
staat is om de overeengekomen arbeid te verrichten;
e. hij verlof als bedoeld in artikel
643 geniet;
f. hij verlof als bedoeld in
hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg geniet.
2. In afwijking van artikel 634 verwerft
de vrouwelijke werknemer die wegens zwangerschap of bevalling niet
gedurende een geheel jaar aanspraak op loon verwerft, over de volledige
overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie over het tijdvak dat
zij recht heeft op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2,
van de Wet arbeid en zorg.
3. In afwijking van artikel 634 verwerft
de werknemer die wegens adoptieverlof of verlof voor het opnemen van een
pleegkind niet gedurende een geheel jaar aanspraak op loon verwerft,
over de volledige overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie over
het tijdvak dat hij recht heeft op een uitkering als bedoeld in
hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
4. De jeugdige werknemer verwerft
aanspraak op vakantie over de tijd die hij besteedt aan het volgen van
het onderricht waartoe hij krachtens de wet door de werkgever in de
gelegenheid moet worden gesteld.
5. Indien een aanspraak op vakantie is
verworven die het in artikel 634 bedoelde minimum te boven gaat, kan
voorzover die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke
overeenkomst van de leden 1 tot en met 4 worden afgeweken ten nadele van
de werknemer.
Artikel 636
1. Dagen of gedeelten van dagen waarop de
werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht wegens een van de
redenen, bedoeld in artikel 635 leden 1 en 4 kunnen slechts indien in
een voorkomend geval de werknemer ermee instemt worden aangemerkt als
vakantie, met dien verstande dat de werknemer ten minste recht houdt op
het in artikel 634 bedoelde minimum.
2. Dagen of gedeelten van dagen waarop de
werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht wegens een van de
redenen, bedoeld in artikel 635, leden 2 en 3, kunnen niet worden
aangemerkt als vakantie.
Artikel 637
1. Dagen of gedeelten van dagen waarop de
werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht wegens ziekte kunnen
slechts indien in een voorkomend geval de werknemer ermee instemt worden
aangemerkt als vakantie, met dien verstande dat de werknemer ten minste
recht houdt op het in artikel 634 bedoelde minimum.
2. In afwijking van lid 1 kan bij
schriftelijke overeenkomst worden bepaald dat dagen of gedeelten van
dagen waarop de werknemer in enig jaar de overeengekomen arbeid niet
heeft verricht wegens ziekte worden aangemerkt als vakantie tot ten
hoogste het aantal vakantiedagen dat voor dat jaar boven het in artikel
634 bedoelde minimum is overeengekomen.
3. Indien in enig jaar zowel lid 2 als
artikel 638, lid 8, tweede volzin, worden toegepast, kunnen in totaal
niet meer dan het aantal vakantiedagen dat voor dat jaar boven het in
artikel 634 bedoelde minimum is overeengekomen, als vakantie gelden.
Artikel 638
1. De werkgever is verplicht de werknemer
ieder jaar in de gelegenheid te stellen de vakantie op te nemen waarop
de werknemer op grond van artikel 634 ten minste aanspraak heeft.
2. Voorzover in de vaststelling van de
vakantie niet is voorzien bij schriftelijke overeenkomst dan wel bij of
krachtens collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan of de wet, stelt de werkgever de
tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast overeenkomstig de
wensen van de werknemer tenzij gewichtige redenen zich daartegen
verzetten. Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer
zijn wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan de
werknemer gewichtige redenen heeft aangevoerd, is de vakantie
vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer.
3. In geval van gewichtige redenen wordt
de vakantie op zodanige wijze vastgesteld dat de werknemer desverlangd,
voorzover zijn aanspraak daartoe toereikend is, gedurende twee
opeenvolgende weken of tweemaal een week vakantie kan opnemen.
4. De werkgever stelt de vakantie zo
tijdig vast dat de werknemer gelegenheid heeft tot het treffen van
voorbereidingen voor de besteding van de vakantie.
5. De werkgever kan, indien daartoe
gewichtige redenen zijn, na overleg met de werknemer, het vastgestelde
tijdvak van de vakantie wijzigen. De schade die de werknemer lijdt ten
gevolge van de wijziging van het tijdvak van de vakantie, wordt door de
werkgever vergoed.
6. De werkgever is verplicht de werknemer
de resterende aanspraak op vakantie in dagen of uren te verlenen, tenzij
gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
7. Indien een aanspraak op vakantie is
verworven die het in artikel 634 bedoelde minimum te boven gaat, kan
voorzover die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke
overeenkomst van de in lid 2 genoemde termijn worden afgeweken ten
nadele van de werknemer.
8. Dagen of gedeelten van dagen waarop de
werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is, gelden niet als
vakantie, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt.
In afwijking van de vorige volzin kan bij schriftelijke overeenkomst
worden bepaald dat de in enig jaar verleende vakantiedagen of gedeelten
daarvan waarop de werknemer ziek is, als vakantie gelden tot ten hoogste
het aantal vakantiedagen dat voor dat jaar boven het in artikel 634
bedoelde minimum is overeengekomen.
Artikel 639
1. De werknemer behoudt gedurende zijn
vakantie recht op loon.
2. Indien hierin bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan is voorzien, kan de werkgever aan zijn verplichting om
gedurende de vakantie loon te betalen voldoen hetzij door aan de
werknemer vakantiebonnen over te dragen ten laste van een fonds, hetzij
door betaling aan een fonds ten laste waarvan de werknemer
gelijkwaardige rechten verwerft. Voor de toepassing van dit artikel
worden vakantiebonnen als loon beschouwd.
Artikel 640
1. De werknemer kan tijdens de duur van
de arbeidsovereenkomst geen afstand doen van zijn aanspraak op vakantie
tegen schadevergoeding.
2. Indien een aanspraak op vakantie is
verworven die het in artikel 634 bedoelde minimum te boven gaat, kan
voorzover die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke
overeenkomst van lid 1 worden afgeweken.
Artikel 640a
De aanspraak op het minimum, bedoeld in
artikel 634, vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar
waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip
redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Bij
schriftelijke overeenkomst kan ten gunste van de werknemer worden
afgeweken van de termijn van zes maanden, bedoeld in de eerste zin.
Artikel 641
1. Een werknemer die bij het einde van de
arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, heeft recht op een
uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak
overeenkomend met de aanspraak, tenzij artikel 639 lid 2 van toepassing
is.
2. De werkgever is verplicht aan de
werknemer een verklaring uit te reiken waaruit blijkt over welk tijdvak
de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op
vakantie heeft.
3. Indien de werknemer een nieuwe
arbeidsovereenkomst aangaat, heeft hij tegenover de nieuwe werkgever
aanspraak op vakantie zonder behoud van loon gedurende het tijdvak
waarover hij blijkens de in lid 2 bedoelde verklaring nog aanspraak op
vakantie had.
4. Bij schriftelijke overeenkomst kan van
lid 3 worden afgeweken, met dien verstande dat de werknemer ten minste
recht houdt op het in artikel 634 bedoelde minimum.
Artikel 642
Onverminderd artikel 640a verjaart een
rechtsvordering tot toekenning van vakantie door verloop van vijf jaren na
de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
Artikel 643
1. De werknemer kan verlangen dat de
werkgever hem verlof zonder behoud van loon verleent voor het als lid
bijwonen van vergaderingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van
vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke lichamen die bij
rechtstreekse verkiezing worden samengesteld, uitgezonderd echter de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, alsmede van commissies uit deze
organen. Deze bepaling vindt mede toepassing op de werknemer die deel
uitmaakt van een met algemeen bestuur belast orgaan van een waterschap.
2. Indien daarover tussen de werkgever en
de werknemer geen overeenstemming bestaat, stelt de rechter op verzoek
van de meest gerede partij vast in welke mate dit verlof behoort te
worden verleend. De rechter beoordeelt in hoever, gezien het belang dat
de werknemer aan de in lid 1 bedoelde vergaderingen kan deelnemen, in
redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd dat de werknemer
afwezig is. De beschikking van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad.
3. De leden 1 en 2 vinden overeenkomstige
toepassing op gedeputeerden, wethouders en leden van het dagelijks
bestuur van een waterschap, wier functie niet als een volledige wordt
bezoldigd. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, welke
gedeputeerdenfuncties en wethoudersfuncties voor de toepassing van dit
artikel als volledig bezoldigd worden aangemerkt.
4. Dit artikel blijft buiten toepassing
ten aanzien van die groepen werknemers voor wie uit hoofde van verlening
van rijksvergoeding bij of krachtens de wet een andere regeling is
vastgesteld.
Artikel 644 [Vervallen per 01-12-2001]
Artikel 645
Van de artikelen 634 tot en met 643 kan
niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij zodanige
afwijking bij die artikelen is toegelaten.
Afdeling 4. Gelijke behandeling
Artikel 646
1. De werkgever mag geen onderscheid
maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de werknemer, in
de arbeidsvoorwaarden, bij de arbeidsomstandigheden bij de bevordering
en bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
2. Van lid 1 mag, voor zover het betreft
het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van
onderricht, worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is
gebaseerd op een kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat
kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten
of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend
beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig
aan dat doel is. Daarbij is artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing.
3. Van lid 1 mag worden afgeweken indien
het bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in
verband met zwangerschap of moederschap, betrekking hebben.
4. Van lid 1 mag worden afgeweken indien
het bedingen betreft die vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte
positie beogen te plaatsen ten einde nadelen op te heffen of te
verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het
beoogde doel.
5. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. onderscheid: direct en indirect
onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;
b. direct onderscheid: indien een
persoon op grond van geslacht op een andere wijze wordt behandeld
dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden
behandeld, met dien verstande dat onder direct onderscheid mede
wordt verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap;
c. indirect onderscheid: indien een
ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen
van een bepaald geslacht in vergelijking met andere personen
bijzonder treft.
6. Het in dit artikel neergelegde verbod
van direct onderscheid houdt mede in een verbod op intimidatie en een
verbod op seksuele intimidatie.
7. Onder intimidatie als bedoeld in lid 6
wordt verstaan: gedrag dat met het geslacht van een persoon verband
houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon
wordt aangetast en dat een bedreigende, vijandige, beledigende,
vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
8. Onder seksuele intimidatie als bedoeld
in lid 6 wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek
gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de
waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een
bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie
wordt gecreëerd.
9. De werkgever mag de werknemer die het
in de leden 7 en 8 bedoelde gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, niet
benadelen.
10. Het in lid 1 neergelegde verbod van
onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat
onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de
middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
11. Een beding in strijd met lid 1 is
nietig.
12. Indien degene die meent dat te zijnen
nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in dit artikel,
in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden,
dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met dit artikel is
gehandeld.
13. De leden 2 en 3 zijn niet van
toepassing op het verbod van intimidatie en seksuele intimidatie,
bedoeld in lid 6.
Artikel 647
1. De opzegging van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever in strijd met artikel 646 lid 1 of
wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep
heeft gedaan op artikel 646 lid 1 of terzake bijstand heeft verleend is
vernietigbaar.
2. Indien de werknemer niet binnen twee
maanden na de opzegging een beroep op deze vernietigingsgrond doet,
vervalt zijn bevoegdheid daartoe. Artikel 55 van Boek 3 is niet van
toepassing.
3. Een rechtsvordering in verband met de
vernietiging verjaart door verloop van zes maanden na de dag waartegen
is opgezegd.
4. De opzegging, bedoeld in artikel 646
lid 1, maakt de werkgever niet schadeplichtig.
5. De werkgever mag de werknemer niet
benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op artikel 646 lid 1 of terzake bijstand heeft
verleend.
Artikel 648
1. De werkgever mag geen onderscheid
maken tussen werknemers op grond van een verschil in arbeidsduur in de
voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan,
voortgezet dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief
gerechtvaardigd is. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door de
werkgever in strijd met de vorige zin of wegens de omstandigheid dat de
werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in
de vorige zin of terzake bijstand heeft verleend is vernietigbaar.
Artikel 647, leden 2 en 3, is van toepassing.
2. Een beding in strijd met lid 1 is
nietig.
3. De opzegging, bedoeld in de eerste zin
van lid 1, maakt de werkgever niet schadeplichtig.
4. Het College, genoemd in artikel 1 van
de Wet College voor de rechten van de mens, kan onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in lid 1. De artikelen 10,
11, 12, 13, 22 en 23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn
van overeenkomstige toepassing.
5. De werkgever mag de werknemer niet
benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake bijstand
heeft verleend.
Artikel 649
1. De werkgever mag geen onderscheid
maken tussen werknemers in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan
niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst, tenzij een
dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
2. De opzegging van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever wegens de omstandigheid dat de
werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in
lid 1 of terzake bijstand heeft verleend, is vernietigbaar. Artikel 647
leden 2 en 3 is van toepassing.
3. Een beding in strijd met lid 1 is
nietig.
4. Het College, genoemd in artikel 1 van
de Wet College voor de rechten van de mens, kan onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in lid 1. De artikelen 10,
11, 12, 13, 22 en 23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn
van overeenkomstige toepassing.
5. De werkgever mag de werknemer niet
benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake bijstand
heeft verleend.
6. Het bepaalde in de leden 1 tot en met
5 is niet van toepassing op een uitzendovereenkomst als bedoeld in
artikel 690.
Afdeling 5. Enkele bijzondere bedingen in
de arbeidsovereenkomst
Artikel 650
1. De werkgever kan slechts boete stellen
op de overtreding van de voorschriften van de arbeidsovereenkomst,
indien in de arbeidsovereenkomst de voorschriften op de overtreding
waarvan boete is gesteld en het bedrag van de boete zijn vermeld.
2. De overeenkomst waarbij boete wordt
bedongen, wordt schriftelijk aangegaan.
3. De overeenkomst waarbij boete is
bedongen, vermeldt nauwkeurig de bestemming van de boete. Zij mogen noch
onmiddellijk noch middellijk strekken tot persoonlijk voordeel van de
werkgever zelf of van degene aan wie de werkgever de bevoegdheid heeft
verleend om aan werknemers een boete op te leggen.
4. Iedere boete, in een overeenkomst
bedongen, is op een bepaald bedrag gesteld, uitgedrukt in het geld
waarin het loon in geld is vastgesteld.
5. Binnen een week mag aan de werknemer
geen hoger bedrag aan gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in
geld vastgesteld loon voor een halve dag. Geen afzonderlijke boete mag
hoger dan dit bedrag worden gesteld.
6. Elk beding in strijd met enige
bepaling van dit artikel is nietig. Echter mag, doch alleen ten aanzien
van werknemers wier in geld vastgesteld loon meer bedraagt dan het voor
hen geldende minimumloon bij schriftelijk aangegane overeenkomst van de
bepalingen van de leden 3, 4 en 5 worden afgeweken. Is zulks geschied,
dan zal de rechter steeds bevoegd zijn de boete op een kleinere som te
bepalen, indien de opgelegde boete hem bovenmatig voorkomt.
7. Ondergaat het bedrag van het loon,
genoemd in lid 6, wijziging, dan wordt de werking van bedingen waarbij
van de leden 3, 4 en 5 is afgeweken, geschorst jegens de werknemer wiens
in geld vastgesteld loon niet meer bedraagt dan het gewijzigde bedrag
van het minimumloon.
8. Onder het stellen en bedingen van
boete in de zin van dit artikel wordt begrepen het door de werkgever
bedingen van boete als bedoeld in de artikelen 91 tot en met 94 van Boek
6.
Artikel 651
1. De mogelijkheid een boete op te leggen
laat het recht op schadevergoeding op grond van de wet onverlet. Echter
mag de werkgever ter zake van een zelfde feit niet boete heffen en
tevens schadevergoeding vorderen.
2. Elk beding in strijd met de tweede zin
van lid 1 is nietig.
Artikel 652
1. Indien partijen een proeftijd
overeenkomen, is deze voor beide partijen gelijk.
2. De proeftijd wordt schriftelijk
overeengekomen.
3. Bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden
overeengekomen van ten hoogste twee maanden.
4. Bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan een proeftijd worden
overeengekomen van ten hoogste:
a. een maand, indien de overeenkomst
is aangegaan voor korter dan twee jaren;
b. twee maanden, indien de
overeenkomst is aangegaan voor twee jaren of langer.
5. Indien het einde van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet op een kalenderdatum is
gesteld, kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste een
maand.
6. Van de leden 4, onder a, en 5, kan
slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele
van de werknemer.
7. Elk beding waarbij de proeftijd niet
voor beide partijen gelijk is dan wel op langer dan twee maanden wordt
gesteld, alsmede elk beding waarbij door het aangaan van een nieuwe
proeftijd de gezamenlijke proeftijden langer dan twee maanden worden, is
nietig.
Artikel 653
1. Een beding tussen de werkgever en de
werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na
het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is
slechts geldig, indien de werkgever dit schriftelijk is overeengekomen
met een meerderjarige werknemer.
2. De rechter kan zulk een beding geheel
of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te
beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding
onbillijk wordt benadeeld.
3. Aan een beding als bedoeld in lid 1
kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze
waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is.
4. Indien een beding als bedoeld in lid 1
de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van
de werkgever werkzaam te zijn, kan de rechter steeds bepalen dat de
werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding
moet betalen. De rechter stelt de hoogte van deze vergoeding met het oog
op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan
toestaan dat de vergoeding op de door hem te bepalen wijze in termijnen
wordt betaald. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de werknemer
wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is.
Afdeling 6. Enkele bijzondere
verplichtingen van de werkgever
Artikel 654
1. Wanneer een arbeidsovereenkomst
schriftelijk wordt aangegaan of gewijzigd, zijn de kosten van het
geschrift en andere bijkomende kosten ten laste van de werkgever.
2. De werkgever is verplicht kosteloos
een volledig, door hem ondertekend, afschrift van het geschrift waarbij
de arbeidsovereenkomst is aangegaan of gewijzigd, aan de werknemer te
verstrekken.
Artikel 655
1. De werkgever is verplicht aan de
werknemer een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken met
ten minste de volgende gegevens:
a. naam en woonplaats van partijen;
b. de plaats of plaatsen waar de
arbeid wordt verricht;
c. de functie van de werknemer of de
aard van zijn arbeid;
d. het tijdstip van indiensttreding;
e. indien de overeenkomst voor
bepaalde tijd is gesloten, de duur van de overeenkomst;
f. de aanspraak op vakantie of de
wijze van berekening van de aanspraak;
g. de duur van de door partijen in
acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze
termijnen;
h. het loon en de termijn van
uitbetaling alsmede, indien het loon afhankelijk is van de
uitkomsten van de te verrichten arbeid, de per dag of per week aan
te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per stuk en de tijd die
redelijkerwijs met de uitvoering is gemoeid;
i. de gebruikelijke arbeidsduur per
dag of per week;
j. of de werknemer gaat deelnemen aan
een pensioenregeling;
k. indien de werknemer voor een
langere termijn dan een maand werkzaam zal zijn buiten Nederland,
mede de duur van die werkzaamheid, de huisvesting, de
toepasselijkheid van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving
dan wel opgave van de voor de uitvoering van die wetgeving
verantwoordelijke organen, de geldsoort waarin betaling zal
plaatsvinden, de vergoedingen waarop de werknemer recht heeft en de
wijze waarop de terugkeer geregeld is;
l. de toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan;
m. of de arbeidsovereenkomst een
uitzendovereenkomst is als bedoeld in artikel 690.
2. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid
1, onderdelen a tot en met j, zijn vermeld in een schriftelijk aangegane
arbeidsovereenkomst of in de opgave, bedoeld in artikel 626, kan
vermelding achterwege blijven. Voor zover de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen f tot en met i, zijn vermeld in een toepasselijke
collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan, kan worden volstaan met een verwijzing naar deze
overeenkomst of regeling.
3. De werkgever verstrekt de opgave
binnen een maand na de aanvang van de werkzaamheden of zo veel eerder
als de overeenkomst eindigt. De gegevens, bedoeld in lid 1, onderdeel k,
worden verstrekt voor het vertrek. De opgave wordt door de werkgever
ondertekend. Indien de opgave elektronisch wordt verstrekt, is deze
voorzien van een elektronische handtekening die voldoet aan de eisen,
bedoeld in artikel 15a lid 2 van Boek 3. Wijziging in de gegevens wordt
binnen een maand nadat de wijziging van kracht is geworden, aan de
werknemer schriftelijk of elektronisch medegedeeld, tenzij deze
voortvloeit uit wijziging van een wettelijk voorschrift, collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan.
4. Indien de overeenkomst betreft het
doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend verrichten van huishoudelijke of persoonlijke diensten ten
behoeve van een natuurlijk persoon, behoeft de werkgever slechts op
verlangen van de werknemer de gegevens te verstrekken.
5. De werkgever die weigert de opgave te
verstrekken of daarin onjuiste mededelingen opneemt, is jegens de
werknemer aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
6. De leden 1 tot en met 5 zijn van
overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die de voorwaarden regelt
van een of meer arbeidsovereenkomsten die partijen zullen sluiten indien
na oproep arbeid wordt verricht, en op het aangaan van een andere
overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst, al dan niet gevolgd door
andere soortgelijke overeenkomsten, waarbij de ene partij, natuurlijk
persoon, zich verbindt voor de andere partij tegen beloning arbeid te
verrichten, tenzij deze overeenkomst wordt aangegaan in beroep of
bedrijf. Op de in dit lid bedoelde overeenkomsten is artikel 654 van
overeenkomstige toepassing.
7. Indien lid 6 van toepassing is, wordt
in de opgave, bedoeld in lid 1, tevens vermeld welke overeenkomst is
aangegaan.
8. De werkgever verstrekt de
elektronische opgave op zodanige wijze dat deze door de werknemer kan
worden opgeslagen en voor hem toegankelijk is ten behoeve van latere
kennisneming.
9. Voor het verstrekken van een
elektronische opgave is uitdrukkelijke instemming van de werknemer
vereist.
10. Een beding in strijd met dit artikel
is nietig.
Artikel 656
1. De werkgever is verplicht bij het
einde van de arbeidsovereenkomst de werknemer op diens verzoek een
getuigschrift uit te reiken.
2. Het getuigschrift vermeldt:
a. de aard van de verrichte arbeid en
de arbeidsduur per dag of per week;
b. de begindatum en de einddatum van
het dienstverband;
c. een opgave van de wijze waarop de
werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan;
d. een opgave van de wijze waarop de
arbeidsovereenkomst is geëindigd;
e. indien de werkgever de
arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, de reden daartoe.
3. De in lid 2, onderdelen c, d en e,
genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de werknemer in het
getuigschrift vermeld.
4. Indien de werknemer de
arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en hij deswege schadeplichtig is
geworden, is de werkgever gerechtigd dit in het getuigschrift te
vermelden.
5. De werkgever die weigert het gevraagde
getuigschrift af te geven, nalaat aan een verzoek als bedoeld in lid 3
te voldoen, in het getuigschrift door opzet of schuld onjuiste
mededelingen opneemt of het getuigschrift van een kenmerk voorziet of op
een bepaalde wijze inricht om daarmee aangaande de werknemer enige
mededeling te doen die niet in de bewoordingen van het getuigschrift is
vervat, is zowel jegens de werknemer als jegens derden aansprakelijk
voor de daardoor veroorzaakte schade.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
Artikel 657
1. De werkgever is verplicht de werknemer
met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tijdig en duidelijk in
kennis te stellen van een vacature terzake van een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd.
2. Het bepaalde in lid 1 is niet van
toepassing op een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690.
Artikel 658
1. De werkgever is verplicht de lokalen,
werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet
verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede
voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en
aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen
dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
2. De werkgever is jegens de werknemer
aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn
werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde
verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het
gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
3. Van de leden 1 en 2 en van hetgeen
titel 3 van Boek 6, bepaalt over de aansprakelijkheid van de werkgever
kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
4. Hij die in de uitoefening van zijn
beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij
geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met
3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van
zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen
van vorderingen op grond van de eerste zin van dit lid.
Artikel 658a
1. De werkgever bevordert ten aanzien van
de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de
arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer
kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere
passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het
tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van
artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer
in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.
2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn
taak, bedoeld in lid 1, is de werkgever verplicht zo tijdig mogelijk
zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als
redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid
te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid
te verrichten.
3. Uit hoofde van de uitoefening van zijn
taak, bedoeld in lid 1, stelt de werkgever in overeenstemming met de
werknemer een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 25, tweede
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het plan van
aanpak wordt met medewerking van de werknemer regelmatig geëvalueerd en
zo nodig bijgesteld.
4. Onder passende arbeid als bedoeld in
lid 1 en 2 wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd.
5. De werkgever en degene door wie de
werkgever zich op grond van de artikelen 13, 14 en 14a van de
Arbeidsomstandighedenwet laat bijstaan, verstrekken een
re-integratiebedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de door de werkgever aan dit bedrijf opgedragen
werkzaamheden, alsmede het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de persoon wiens inschakeling in
de arbeid door dat re-integratiebedrijf wordt bevorderd. Het
re-integratiebedrijf verwerkt deze gegevens slechts voor zover dat
noodzakelijk is voor deze werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel
het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer bij die verwerking.
6. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29,
tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk met hem
een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, gedurende de periode dat de
eigenrisicodrager aan die personen ziekengeld moet betalen.
Artikel 658b
1. De rechter wijst een vordering tot
nakoming van de verplichting, bedoeld in artikel 658a lid 2, af, indien
bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
omtrent de nakoming van die verplichting door de werkgever.
2. Lid 1 geldt niet indien de nakoming
niet wordt betwist of het overleggen van de verklaring in redelijkheid
niet van de werknemer kan worden gevergd.
3. De deskundige, die zijn benoeming
heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en naar beste
weten te volbrengen.
4. De deskundige die de hoedanigheid van
arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van belang zijnde inlichtingen
over de werknemer inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend
artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de
persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet onevenredig wordt
geschaad.
5. De rechter kan op verzoek van een der
partijen of ambtshalve bevelen dat de deskundige zijn verklaring nader
schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
6. De werknemer wordt ter zake van een
vordering als bedoeld in het eerste lid slechts in de kosten van de
werkgever, bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik
van procesrecht.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of
bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan
worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde deskundige door een
ander dan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
wordt aangewezen.
Afdeling 7. Enkele bijzondere
verplichtingen van de werknemer
Artikel 659
1. De werknemer is verplicht de arbeid
zelf te verrichten; hij kan zich daarin niet dan met toestemming van de
werkgever door een derde doen vervangen.
2. De rechtsvordering tot nakoming van de
arbeidsverplichting van de werknemer onder de bepaling van een dwangsom
of van gijzeling is niet toegelaten.
Artikel 660
De werknemer is verplicht zich te houden
aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die
welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de
werkgever, door of namens de werkgever binnen de grenzen van algemeen
verbindende voorschriften, of overeenkomst aan hem, al dan niet tegelijk
met andere werknemers, gegeven.
Artikel 660a
De werknemer die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te
verrichten, is verplicht:
a. gevolg te geven aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke
voorschriften en mee te werken aan door de werkgever of een door hem
aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel
658a lid 2;
b. zijn medewerking te verlenen aan het
opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld
in artikel 658a lid 3;
c. passende arbeid als bedoeld in
artikel 658a lid 4 te verrichten waartoe de werkgever hem in de
gelegenheid stelt.
Artikel 661
1. De werknemer die bij de uitvoering van
de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde
jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te
dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een
gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden
van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders
voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
2. Afwijking van lid 1 en van artikel 170
lid 3 van Boek 6 ten nadele van de werknemer is slechts mogelijk bij
schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de werknemer te dier
zake verzekerd is.
Afdeling 8. Rechten van de werknemer bij
overgang van een onderneming
Artikel 662
1. In afwijking van artikel 615 is deze
afdeling ook van toepassing op de werknemer die arbeid verricht in een
onderneming die in stand wordt gehouden door staat, provincie, gemeente,
waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam.
2. Voor de toepassing van deze afdeling
wordt verstaan onder:
a. overgang: de overgang, ten gevolge
van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een
economische eenheid die haar identiteit behoudt;
b. economische eenheid: een geheel
van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van
een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit.
3. Voor de toepassing van deze afdeling
wordt een vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging
beschouwd als een onderneming.
Artikel 663
Door de overgang van een onderneming gaan
de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die
onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een
daar werkzame werknemer van rechtswege over op de verkrijger. Evenwel is
die werkgever nog gedurende een jaar na de overgang naast de verkrijger
hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de
arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip.
Artikel 664
1. Artikel 663, eerste volzin, is niet
van toepassing op rechten en verplichtingen van de werkgever die
voortvloeien uit een pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van
de Pensioenwet indien:
a. de verkrijger aan de werknemer,
bedoeld in artikel 663, een zelfde aanbod doet tot het sluiten van
een pensioenovereenkomst, als hij reeds voor het tijdstip van
overgang heeft gedaan aan zijn werknemers;
b. de verkrijger op grond van artikel
2 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000, verplicht is deel te nemen in een bedrijfstakpensioenfonds en
de werknemer, bedoeld in artikel 663, gaat deelnemen in dat fonds;
c. bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan is afgeweken van de pensioenovereenkomst,
bedoeld in de aanhef.
2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien de werknemer, bedoeld in artikel 663, voor de overgang op grond
van artikel 2 van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000, verplicht is deel te nemen in een
bedrijfstakpensioenfonds en deze zelfde verplichting blijft gelden na de
overgang.
3. Artikel 663, eerste volzin, is niet
van toepassing op rechten en verplichtingen van de werkgever die
voortvloeien uit een spaarregeling als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van de Pensioen- en spaarfondsenwet zoals de Pensioen- en
spaarfondsenwet luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
de Pensioenwet indien de verkrijger de werknemer, bedoeld in artikel
663, opneemt in de spaarregeling die reeds voor het tijdstip van
overgang gold voor zijn werknemers.
Artikel 665
Indien de overgang van een onderneming een
wijziging van de omstandigheden ten nadele van de werknemer tot gevolg
heeft en de arbeidsovereenkomst deswege wordt ontbonden ingevolge artikel
685, geldt zij met het oog op de toepassing van lid 8 van dat artikel als
ontbonden wegens een reden welke voor rekening van de werkgever komt.
Artikel 665a
Indien in een onderneming geen
ondernemingsraad is ingesteld, noch een personeelsvertegenwoordiging is
ingesteld krachtens artikel 35c, eerste lid, of artikel 35d, eerste lid,
van de Wet op de ondernemingraden, stelt de werkgever de eigen werknemers
die betrokken zijn bij de overgang van de onderneming tijdig in kennis van
a. het voorgenomen besluit tot
overgang;
b. de voorgenomen datum van de
overgang;
c. de reden van de overgang;
d. de juridische, economische, en
sociale gevolgen van de overgang voor de werknemers, en
e. de ten aanzien van de werknemers
overwogen maatregelen.
Artikel 666
1. De artikelen 662 tot en met 665, en
artikel 670, lid 8, zijn niet van toepassing op de overgang van een
onderneming indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard
en de onderneming tot de boedel behoort alsmede, indien de werkgever een
bank in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of
een verzekeraar in de zin van dat artikel is, ten aanzien van de
werkgever de noodregeling, bedoeld in afdeling 3.5.5 van die wet is
uitgesproken, de rechtbank een machtiging als bedoeld in artikel 3:163,
eerste lid, aanhef en onderdeel b heeft verleend, of indien de rechtbank
een machtiging als bedoeld in artikel 3:163m, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, van die wet heeft verleend en de bewindvoerders overgaan
tot liquidatie.
2. Deze afdeling is niet van toepassing
met betrekking tot de bemanning van een zeeschip.
Afdeling 9. Einde van de
arbeidsovereenkomst
Artikel 667
1. Een arbeidsovereenkomst eindigt van
rechtswege, wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst, bij de wet
of door het gebruik aangegeven.
2. Voorafgaande opzegging is in dat geval
nodig:
a. indien zulks bij schriftelijk
aangegane overeenkomst is bepaald;
b. indien volgens de wet of het
gebruik opzegging behoort plaats te vinden en daarvan niet, waar
zulks geoorloofd is, bij schriftelijk aangegane overeenkomst is
afgeweken.
3. Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
lid 1 kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der
partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen.
4. Indien een voor onbepaalde tijd
aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige
opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, éénmaal of
meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, is in afwijking van lid
1 voor de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande
opzegging nodig. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het
tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd.
5. Van een voortgezette
arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 4 is eveneens sprake indien
eenzelfde werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij
verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten
aanzien van de verrichte arbeid elkanders opvolger te zijn.
6. Voor de beëindiging van een voor
onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst is voorafgaande opzegging
nodig.
7. Een beding, krachtens hetwelk de
arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wegens het in het huwelijk
treden van de werknemer of wegens het aangaan van een geregistreerd
partnerschap door de werknemer, is nietig.
8. Een beding, krachtens hetwelk de
arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wegens zwangerschap of
bevalling van de werkneemster, is nietig.
Artikel 668
1. Indien de arbeidsovereenkomst na het
verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 667 lid 1, door partijen
zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde
tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden
wederom te zijn aangegaan.
2. Hetzelfde geldt, wanneer in de
gevallen waarin opzegging nodig is, tijdige opzegging achterwege blijft
en de gevolgen van de voortzetting der arbeidsovereenkomst niet
opzettelijk zijn geregeld.
Artikel 668a
1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde
partijen:
a. arbeidsovereenkomsten voor
bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden
hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen
inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de
laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
b. meer dan 3 voor bepaalde tijd
aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met
tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste
arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Lid 1 is van overeenkomstige
toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een
werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte
arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.
3. Lid 1, onderdeel a, is niet van
toepassing op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan 3
maanden die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane
arbeidsovereenkomst voor 36 maanden of langer.
4. De termijn van opzegging wordt
berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste
arbeidsovereenkomst als bedoeld onder a of b van lid 1.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan
slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele
van de werknemer.
Artikel 669
Degene die de arbeidsovereenkomst opzegt,
geeft de andere partij op diens verzoek schriftelijk opgave van de reden
van opzegging.
Artikel 670
1. De werkgever kan niet opzeggen
gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:
a. ten minste twee jaren heeft
geduurd, of
b. een aanvang heeft genomen nadat
een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is
ontvangen.
Voor de berekening van de termijn, bedoeld
in onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof
en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of
bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet
arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen. Voorts worden perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in de
vorige zin, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten
op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten
overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en
zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort
te vloeien uit dezelfde oorzaak.
2. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst met een werkneemster niet opzeggen gedurende de
zwangerschap. De werkgever kan ter staving van de zwangerschap een
verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen. Voorts kan
de werkgever de arbeidsovereenkomst van de werkneemster niet opzeggen
gedurende de periode waarin zij bevallingsverlof als bedoeld in
artikel 3:1, derde lid, van de Wet arbeid en zorg geniet en na
werkhervatting, gedurende het tijdvak van zes weken aansluitend op dat
bevallingsverlof, dan wel aansluitend op een periode van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in
de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap en die aansluit
op dat bevallingsverlof.
3. De werkgever kan niet opzeggen
gedurende de tijd dat de werknemer verhinderd is de bedongen arbeid te
verrichten, omdat hij als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling
van zijn militaire dienst of vervangende dienst.
4. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de werknemer die lid is van:
1°. een ondernemingsraad, een
centrale ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad, een vaste
commissie van die raden of van een onderdeelcommissie van de
ondernemingsraad, of van een personeelsvertegenwoordiging;
2°. een bijzondere
onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad als bedoeld
in de Wet op de Europese ondernemingsraden, dan wel die krachtens
die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
3°. een bijzondere
onderhandelingsgroep, of een SE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SE als bedoeld in hoofdstuk 1 van de Wet rol
werknemers bij Europese rechtspersonen, dan wel die krachtens die
wet optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
4°. een bijzondere
onderhandelingsgroep, of een SCE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SCE als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet
rol werknemers bij Europese rechtspersonen dan wel die krachtens
hoofdstuk 2 van die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een
andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van
werknemers.
Indien de werkgever aan de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging een secretaris
heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris van
overeenkomstige toepassing. Indien de werkgever aan de
ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin
van dit lid van overeenkomstige toepassing op die secretaris.
5. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens het lidmaatschap van de
werknemer van een vereniging van werknemers die krachtens haar
statuten ten doel heeft de belangen van de leden als werknemer te
behartigen dan wel wegens het verrichten van of deelnemen aan
activiteiten ten behoeve van die vereniging, tenzij die activiteiten
in de arbeidstijd van de werknemer worden verricht zonder toestemming
van de werkgever.
6. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst met de werknemer die daarvoor verlof heeft, niet
opzeggen wegens het bijwonen van vergaderingen als bedoeld in artikel
643. Hetzelfde geldt indien tussen partijen geen overeenstemming over
het verlof bestaat zolang de rechter omtrent het verlof niet heeft
beschikt.
7. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de omstandigheid dat de
werknemer zijn recht op adoptieverlof of verlof voor het opnemen van
een pleegkind als bedoeld in artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg, op
kort- en langdurend zorgverlof als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet
arbeid en zorg, dan wel zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in
hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg geldend maakt.
8. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst met de in zijn onderneming werkzame werknemer niet
opzeggen wegens de in artikel 662, lid 2, onderdeel a, bedoelde
overgang van die onderneming.
9. De werkgever kan de
arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de omstandigheid dat de
werknemer geen instemming verleent aan het werken op zondag als
bedoeld in artikel 5:6, tweede lid, tweede zin of vierde lid, tweede
zin, van de Arbeidstijdenwet.
10. De termijn van twee jaren, bedoeld
in lid 1, onderdeel a, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging
indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of
op grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging
van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd op
grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
c. met de duur van het tijdvak dat
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van
artikel 24, eerste lid, of artikel 25, negende lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel op grond van artikel
71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
11. Voor de toepassing van lid 4 en
artikel 670a lid 1 wordt tevens onder de SE-ondernemingsraad verstaan:
het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt in een SE die haar
statutaire zetel heeft in een andere lidstaat, en dat is ingesteld
krachtens de bepalingen in het nationale recht van die lidstaat ter
omzetting van de richtlijn nr. 2001/86 van de Raad van de Europese
Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese
vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PbEG L 294).
12. Voor de toepassing van het vierde
lid en artikel 670a lid 1 wordt tevens onder de SCE-ondernemingsraad
verstaan: het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt in een SCE die
haar statutaire zetel heeft in een andere lidstaat, en dat is
ingesteld krachtens de bepalingen in het nationale recht van die
lidstaat ter omzetting van de richtlijn nr. 2003/72/EG van de Raad van
de Europese Unie van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van
de Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van
de werknemers (PbEG L 207).
13. Van de leden 1 eerste zin en 3 kan
slechts worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 670a
1. De werkgever kan zonder voorafgaande
toestemming van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet opzeggen
met een werknemer die:
a. geplaatst is op een
kandidatenlijst voor een ondernemingsraad dan wel een
personeelsvertegenwoordiging of korter dan twee jaar geleden lid is
geweest van een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad,
van een groepsondernemingsraad of van een commissie van die raden,
van een personeelsvertegenwoordiging of van een bijzondere
onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad, een
SE-ondernemingsraad of een SCE-ondernemingsraad als bedoeld in de
Wet op de Europese ondernemingsraden respectievelijk de hoofdstukken
1 respectievelijk 2 van de Wet rol werknemers bij Europese
rechtspersonen dan wel die korter dan twee jaar geleden krachtens
een van die wetten is opgetreden als vertegenwoordiger bij een
andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van
werknemers;
b. lid is van een
voorbereidingscommissie van een ondernemingsraad, van een centrale
ondernemingsraad of van een groepsondernemingsraad;
c. als deskundige werknemer als
bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, of als deskundige
persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet werkzaam is;
d. een functionaris voor de
gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming
persoonsgegevens werkzaam is.
2. De toestemming van de kantonrechter
wordt gevraagd bij verzoekschrift. De kantonrechter verleent de
toestemming slechts indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat
opzegging geen verband houdt met een omstandigheid als bedoeld in lid 1.
Van de uitspraak staat geen hoger beroep of beroep in cassatie open.
Artikel 670b
1. De artikelen 670 en 670a zijn niet van
toepassing bij een opzegging gedurende de proeftijd of wegens een
dringende reden.
2. De leden 1 tot en met 9 van artikel
670 en artikel 670a zijn niet van toepassing indien de werknemer
schriftelijk met de opzegging instemt of indien de opzegging geschiedt
wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van
het onderdeel van de onderneming, waarin de werknemer uitsluitend of in
hoofdzaak werkzaam is. De opzegging wegens beëindiging van de
werkzaamheden kan evenwel niet betreffen de werkneemster die
zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet als bedoeld in artikel 3:1 van
de Wet arbeid en zorg.
3. Artikel 670, lid 1, aanhef en onder a,
is niet van toepassing, indien de werknemer die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid
te verrichten, zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke
voorschriften en mee te werken aan door de werkgever of een door hem
aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te
stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten;
b. passende arbeid als bedoeld in
artikel 658a lid 4 te verrichten waartoe de werkgever hem in de
gelegenheid stelt;
c. zijn medewerking te verlenen aan
het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen dan wel artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 671 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 672
1. Opzegging geschiedt tegen het einde
van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik
een andere dag daarvoor is aangewezen.
2. De door de werkgever in acht te nemen
termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag
van opzegging:
a. korter dan vijf jaar heeft
geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar korter
dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar korter
dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft
geduurd: vier maanden.
3. De door de werknemer in acht te nemen
termijn van opzegging bedraagt één maand.
4. Indien de toestemming bedoeld in
artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is
verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van
opzegging verkort met één maand, met dien verstande dat de resterende
termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt.
5. De termijn, bedoeld in lid 2, kan
slechts worden verkort bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. De termijn
kan schriftelijk worden verlengd.
6. Van de termijn, bedoeld in lid 3, kan
schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de
werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de
werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer.
7. Van lid 4 kan, voor zover het betreft
de resterende termijn van opzegging van één maand, slechts bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de
werknemer.
8. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of
bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, mag de
termijn van opzegging, bedoeld in lid 6, tweede volzin, voor de
werkgever worden verkort, mits de termijn niet korter is dan die voor de
werknemer.
9. Voor de toepassing van lid 2 worden
arbeidsovereenkomsten geacht eenzelfde, niet onderbroken
arbeidsovereenkomst te vormen in geval van herstel van de
arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 682.
Artikel 673 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 674
1. De arbeidsovereenkomst eindigt door de
dood van de werknemer.
2. Niettemin is de werkgever verplicht
aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de
dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden,
een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer
laatstelijk rechtens toekwam.
3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende der
echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet
duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd
samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige kinderen tot wie
de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij ontstentenis
van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in
wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd
samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake indien twee ongehuwde
personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van
bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding als
bedoeld in de tweede zin is sprake indien de betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging
voorzien.
4. De overlijdensuitkering, bedoeld in
lid 2, kan worden verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de
nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer
toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de Toeslagenwet.
5. Lid 2 geldt niet indien de werknemer
onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel
629 lid 3, geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629 lid 1
of indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen aanspraak
bestaat op een uitkering krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte-
of arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de nagelaten betrekkingen worden afgeweken.
Artikel 675
De arbeidsovereenkomst eindigt niet door de
dood van de werkgever, tenzij uit de overeenkomst het tegendeel
voortvloeit. Echter zijn zowel de erfgenamen van de werkgever als de
werknemer bevoegd de arbeidsovereenkomst, voor een bepaalde tijd
aangegaan, op te zeggen met inachtneming van de artikelen 670, 670a en
672, als ware zij aangegaan voor onbepaalde tijd. Wanneer de nalatenschap
van de werkgever ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn
echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 676
1. Indien een proeftijd is bedongen, is
ieder der partijen, zolang die tijd niet is verstreken, bevoegd de
arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.
2. Bij een zodanige opzegging zijn de
artikelen 681 en 682 niet van toepassing.
Artikel 677
1. Ieder der partijen is bevoegd de
arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden,
onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij. De
partij die opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige
mededeling van de dringende reden is schadeplichtig.
2. De partij die opzegt tegen een eerdere
dag dan tussen partijen geldt, is schadeplichtig.
3. Eveneens is schadeplichtig de partij
die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft
gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, indien de
wederpartij van die bevoegdheid heeft gebruik gemaakt of de rechter op
die grond krachtens artikel 685 de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden.
4. Ingeval een der partijen
schadeplichtig is, heeft de wederpartij de keus de in artikel 680
genoemde gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding
te vorderen.
5. Het niet in acht nemen van artikel 670
leden 1 tot en met 9, of van artikel 670a maakt de werkgever niet
schadeplichtig.
De werknemer kan in die gevallen
gedurende twee maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst een
beroep doen op de vernietigingsgrond. Het beroep op de
vernietigingsgrond geschiedt door kennisgeving aan de werkgever. Artikel
55 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 678
1. Voor de werkgever worden als dringende
redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden,
eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben
dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de
arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere
aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werknemer bij het
sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid door het
vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk
valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige
arbeidsovereenkomst is geëindigd;
b. wanneer hij in ernstige mate de
bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor
hij zich heeft verbonden;
c. wanneer hij zich ondanks
waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag;
d. wanneer hij zich schuldig maakt
aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor
hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
e. wanneer hij de werkgever, diens
familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt,
grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
f. wanneer hij de werkgever, diens
familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers verleidt of
tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de
goede zeden;
g. wanneer hij opzettelijk, of
ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt
of aan ernstig gevaar blootstelt;
h. wanneer hij opzettelijk, of
ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of anderen aan ernstig
gevaar blootstelt;
i. wanneer hij bijzonderheden
aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij
behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
j. wanneer hij hardnekkig weigert te
voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de
werkgever verstrekt;
k. wanneer hij op andere wijze
grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst
hem oplegt;
l. wanneer hij door opzet of
roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te
verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werkgever de
beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van
artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 679
1. Voor de werknemer worden als dringende
redenen in de zin van artikel 677 lid 1 beschouwd zodanige
omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van de werknemer
redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten
voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere
aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werkgever de werknemer,
diens familieleden of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of
op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt dat dergelijke handelingen
door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
b. wanneer hij de werknemer, diens
familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden tot
handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden, of gedoogt
dat een dergelijke verleiding of poging tot verleiding door een van
zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
c. wanneer hij het loon niet op de
daarvoor bepaalde tijd voldoet;
d. wanneer hij, waar kost en inwoning
overeengekomen zijn, niet op behoorlijke wijze daarin voorziet;
e. wanneer hij de werknemer wiens
loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is
vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft;
f. wanneer hij de werknemer wiens
loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is
vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in behoorlijke mate
verschaft;
g. wanneer hij op andere wijze
grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst
hem oplegt;
h. wanneer hij, zonder dat de aard
van de arbeidsovereenkomst dit medebrengt, de werknemer
niettegenstaande diens weigering gelast arbeid in het bedrijf van
een andere werkgever te verrichten;
i. wanneer de voortduring van de
arbeidsovereenkomst voor de werknemer zou zijn verbonden met
ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam,
die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten van de
arbeidsovereenkomst;
j. wanneer de werknemer door ziekte
of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat geraakt de
bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werknemer de
beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van
artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 680
1. De gefixeerde schadevergoeding,
bedoeld in artikel 677 lid 4, is gelijk aan het bedrag van het in geld
vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij
regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
2. Is het loon van de werknemer, hetzij
voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet naar tijdruimte vastgesteld,
dan geldt de maatstaf van artikel 618.
3. Elk beding waarbij ten behoeve van de
werknemer een gefixeerde schadevergoeding tot een lager bedrag wordt
bedongen, is nietig.
4. Bij schriftelijke overeenkomst mag een
gefixeerde schadevergoeding tot een hoger bedrag worden vastgesteld.
5. De rechter is bevoegd de gefixeerde
schadevergoeding, zo deze hem met het oog op de omstandigheden van het
geval bovenmatig voorkomt, op een kleinere som te bepalen, doch niet op
minder dan het in geld vastgesteld loon voor de duur van de
opzeggingstermijn ingevolge artikel 672, noch op minder dan het in geld
vastgesteld loon voor 3 maanden.
6. Indien de door de werknemer
verschuldigde gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld
vastgesteld loon voor een maand of de door de werkgever verschuldigde
gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld vastgesteld
loon voor 3 maanden, kan de rechter toestaan dat de schadevergoeding op
door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
7. Over het bedrag van de verschuldigde
gefixeerde schadevergoeding is de wettelijke rente verschuldigd, te
rekenen van de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Artikel 680a
De rechter is bevoegd een vordering tot
doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de
opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de
gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, doch op
niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de
opzegtermijn ingevolge artikel 672 noch op minder dan het in geld
vastgestelde loon voor drie maanden.
Artikel 681
1. Indien een van de partijen de
arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de
opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, kan de
rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding toekennen.
2. Opzegging van de arbeidsovereenkomst
door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen
worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder
opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse
reden;
b. wanneer, mede in aanmerking
genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem
bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen
van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het
belang van de werkgever bij de opzegging;
c. wanneer deze geschiedt in verband
met een verhindering van de werknemer om de bedongen arbeid te
verrichten als bedoeld in artikel 670 lid 3;
d. wanneer deze geschiedt in
afwijking van een in de bedrijfstak of de onderneming krachtens
wettige regeling of gebruik geldende getalsverhouding- of
anciënniteitsregeling, tenzij hiervoor zwaarwichtige gronden
aanwezig zijn;
e. wanneer deze geschiedt wegens het
enkele feit dat de werknemer met een beroep op een ernstig
gewetensbezwaar weigert de bedongen arbeid te verrichten.
3. Opzegging van de arbeidsovereenkomst
door de werknemer zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen
worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder
opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse
reden;
b. wanneer de gevolgen van de
opzegging voor de werkgever te ernstig zijn in vergelijking met het
belang van de werknemer bij de opzegging.
4. Een beding waarbij aan een van de
partijen de beslissing wordt overgelaten of de arbeidsovereenkomst al of
niet kennelijk onredelijk is opgezegd, is nietig.
Artikel 682
1. De rechter kan de werkgever die
schadeplichtig is geworden volgens artikel 677 of die de
arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk opzegt, ook veroordelen de
arbeidsovereenkomst te herstellen.
2. Indien de rechter een zodanige
veroordeling uitspreekt, kan hij bepalen voor of op welk tijdstip de
arbeidsovereenkomst moet worden hersteld en kan hij voorzieningen
treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking.
3. De rechter kan in het vonnis, houdende
de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, bepalen dat de
verplichting tot herstel vervalt door betaling van een in het vonnis
vastgestelde afkoopsom. Is in het vonnis geen afkoopsom vastgesteld, dan
zal de rechter deze op verzoek van de werkgever alsnog vaststellen. Een
zodanig verzoek schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor zover
het betreft de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst,
totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat de werkgever in
ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.
4. De rechter stelt de hoogte van de
afkoopsom met het oog op de omstandigheden van het geval naar
billijkheid vast; hij kan toestaan dat de afkoopsom op door hem te
bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
5. Indien een afkoopsom wegens het niet
naleven van een verplichting om een arbeidsovereenkomst te herstellen op
andere wijze is vastgesteld, kan de rechter het bedrag van de
verschuldigde afkoopsom op verzoek van de meest gerede partij wijzigen
in zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval
billijk zal voorkomen en kan hij toelaten dat de afkoopsom op door hem
te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
Artikel 683
1. Iedere rechtsvordering krachtens
artikelen 677 lid 4, 681 lid 1 en 682 lid 1, verjaart na verloop van zes
maanden.
2. Iedere rechtsvordering van de
werknemer in verband met de vernietiging van de opzegging van de
arbeidsovereenkomst krachtens artikel 677 lid 5, verjaart na verloop van
zes maanden.
Artikel 684
1. Indien de arbeidsovereenkomst is
aangegaan voor langer dan vijf jaren of voor de duur van het leven van
een bepaalde persoon, is niettemin de werknemer bevoegd, van het
tijdstip waarop vijf jaren sedert haar aanvang zijn verlopen, haar op te
zeggen met inachtneming van een termijn van zes maanden.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
Artikel 685
1. Ieder der partijen is te allen tijde
bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Elk beding
waarbij deze bevoegdheid wordt uitgesloten of beperkt, is nietig. De
kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan
heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een
opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig
ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
2. Als gewichtige redenen worden
beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel
677 lid 1 zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege
onverwijld opgezegd zou zijn, alsook veranderingen in de omstandigheden,
welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve
dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3. Het verzoek wordt gedaan aan de
ingevolge de artikelen 99, 100, en 107 tot en met 109 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantonrechter.
4. Het verzoekschrift vermeldt de plaats
waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, alsmede de naam en de
woonplaats of bij gebreke van een woonplaats in Nederland het werkelijk
verblijf van de wederpartij.
5. De kantonrechter kan, indien het
verzoek verknocht is aan een zaak die tussen dezelfde personen reeds
voor een andere rechter aanhangig is, de verwijzing naar die andere
rechter bevelen. De griffier zendt een afschrift van de beschikking,
alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het geding ter
verdere behandeling aan de rechter naar wie is verwezen.
6. De behandeling vangt niet later aan
dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is
ingediend.
7. Indien de rechter het verzoek
inwilligt, bepaalt hij op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
8. Indien de rechter het verzoek
inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden kan hij, zo hem dat
met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een
van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen;
hij kan toestaan dat de vergoeding op door hem te bepalen wijze in
termijnen wordt betaald.
9. Alvorens een ontbinding waaraan een
vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen
van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de
verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de
verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent
de proceskosten.
10. Lid 9 is van overeenkomstige
toepassing indien de rechter voornemens is een ontbinding uit te spreken
zonder daaraan een door de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.
11. Tegen een beschikking krachtens dit
artikel kan hoger beroep noch cassatie worden ingesteld.
Artikel 686
De bepalingen van deze afdeling sluiten
voor geen van beide partijen de mogelijkheid uit van ontbinding wegens een
tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en van schadevergoeding.
De ontbinding kan slechts door de rechter worden uitgesproken.
Afdeling 10. Bijzondere bepalingen voor
handelsvertegenwoordigers
Artikel 687
De overeenkomst van
handelsvertegenwoordiging is een arbeidsovereenkomst waarbij de ene
partij, de handelsvertegenwoordiger, zich tegenover de andere partij, de
patroon, verbindt tegen loon dat geheel of gedeeltelijk uit provisie
bestaat, bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen,
en deze eventueel in naam van de patroon te sluiten.
Artikel 688
1. Op de overeenkomst van
handelsvertegenwoordiging zijn de artikelen 426, 429, 430 leden 2 tot en
met 4, 431, 432, 433 en 434 van overeenkomstige toepassing.
2. Van de artikelen 426 lid 2, 429, 430
leden 2 tot en met 4, 431 lid 2 en 433 kan niet worden afgeweken.
3. Van de artikelen 432 lid 3 en 434 kan
niet ten nadele van de handelsvertegenwoordiger worden afgeweken.
4. Van de artikelen 426 lid 1 en 431 lid
1 kan slechts schriftelijk ten nadele van de handelsvertegenwoordiger
worden afgeweken.
Artikel 689
In afwijking van het bepaalde in artikel
680 lid 2 wordt voor de vaststelling van de gefixeerde schadevergoeding,
bedoeld in artikel 677 lid 4, rekening gehouden met de in de voorafgaande
tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen
factoren.
Afdeling 11. Bijzondere bepalingen ter zake
van de uitzendovereenkomst
Artikel 690
De uitzendovereenkomst is de
arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader
van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter
beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de
werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en
leiding van de derde.
Artikel 691
1. Op de uitzendovereenkomst is artikel
668a eerst van toepassing zodra de werknemer in meer dan 26 weken arbeid
heeft verricht.
2. In de uitzendovereenkomst kan
schriftelijk worden bedongen dat die overeenkomst van rechtswege eindigt
doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan
de derde als bedoeld in artikel 690 op verzoek van die derde ten einde
komt. Indien een beding als bedoeld in de vorige volzin in de
uitzendovereenkomst is opgenomen, kan de werknemer die overeenkomst
onverwijld opzeggen.
3. Een beding als bedoeld in lid 2
verliest zijn kracht indien de werknemer in meer dan 26 weken arbeid
voor de werkgever heeft verricht. Na het verstrijken van deze termijn
vervalt de bevoegdheid van de werknemer tot opzegging als bedoeld in lid
2.
4. Voor de berekening van de termijnen,
bedoeld in de leden 1 en 3, worden perioden waarin arbeid wordt verricht
die elkaar opvolgen met tussenpozen van minder dan een jaar mede in
aanmerking genomen.
5. Voor de berekening van de termijnen,
bedoeld in de leden 1 en 3, worden perioden waarin voor verschillende
werkgevers arbeid wordt verricht die ten aanzien van de verrichte arbeid
redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn mede in
aanmerking genomen.
6. Dit artikel is niet van toepassing op
de uitzendovereenkomst waarbij de werkgever en de derde in een groep
zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 dan wel de één
een dochtermaatschappij is van de ander als bedoeld in artikel 24a van
Boek 2.
7. Van de termijnen bedoeld in de leden
1, 3 en 4 en van lid 5 kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst
of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden
afgeweken ten nadele van de werknemer.
Artikel 692
1. Indien de arbeid in Nederland wordt
verricht, zijn de werkgever en de derde, ongeacht het op de
arbeidsovereenkomst en de overeenkomst tussen de werkgever en de derde
toepasselijke recht, hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van het
toepasselijke minimumloon en de toepasselijke minimumvakantiebijslag,
bedoeld in de artikelen 7 en 15 van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag.
2. Het eerste lid is niet van toepassing
op de derde, indien op het moment van het totstandkomen van de
overeenkomst tussen de werkgever en de derde de werkgever gecertificeerd
is door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificerende
instelling overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen normen, voor zover deze normen
betrekking hebben op de naleving van de artikelen 7 en 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Artikel 693 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Indien de arbeid aan boord van een zeeschip
als bedoeld in artikel 695 lid 1 wordt verricht, is de derde, ongeacht het
op de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst tussen de werkgever en de
derde toepasselijke recht, aansprakelijk voor de nakoming van de uit
deartikelen 706 tot en met 709, 717 tot en met 720, 734 tot en met 734l
voortvloeiende verplichtingen, indien de werkgever met de nakoming daarvan
in gebreke is.
Afdeling 12. Bijzondere bepalingen terzake
van de zee-arbeidsovereenkomst [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Algemene bepalingen [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 694 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zee-arbeidsovereenkomst is de
arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij
de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te
verrichten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders
en zeevarenden, categorieën van zeevarenden worden aangewezen die niet
worden aangemerkt als zeevarenden als bedoeld in lid 1.
Artikel 695 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Deze afdeling is van toepassing op
zeeschepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de
vlag van het Koninkrijk te voeren.
2. In deze afdeling wordt onder
scheepsbeheerder verstaan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel l, van de Wet zeevarenden.
Artikel 696 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Op de zee-arbeidsovereenkomst zijn de
bepalingen van de afdelingen 1 tot en met 9 en 11 van deze titel van
toepassing, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken. De
artikelen 617 en 692 zijn niet van toepassing ten aanzien van de dienst
aan boord van het zeeschip.
2. Van de artikelen 697 lid 2, 698, 699,
700, 705, 706, 709, 711, 712, 720, 721,728 en 735 tot en met 738 van
deze afdeling kan niet worden afgeweken.
3. Van de artikelen 697 lid 1, 707, 708,
710, 714, 715, 717 tot en met 719, 723,724, 729, 730 en 734 tot en met
734l kan niet ten nadele van de zeevarende worden afgeweken.
Artikel 697 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zee-arbeidsovereenkomst moet door
partijen schriftelijk worden aangegaan en door hen worden ondertekend.
2. Ieder der partijen dient te beschikken
over een ondertekend origineel exemplaar van de zee-arbeidsovereenkomst.
Artikel 698 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Iedere zeevarende moet aan boord kennis
kunnen nemen van zijn zee-arbeidsovereenkomst en van de toepasselijke
collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan alsmede op eenvoudige wijze duidelijke informatie
kunnen krijgen over niet daarin voorkomende arbeidsvoorwaarden.
Artikel 699 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De zee-arbeidsovereenkomst vermeldt in
ieder geval:
1. de naam en de voornamen van de
zeevarende, de dag van zijn geboorte of zijn leeftijd en zijn
geboorteplaats of het onbekend zijn van een of meer van deze gegevens;
2. de naam en het adres van de
werkgever;
3. de plaats en de dag van het aangaan
van de zee-arbeidsovereenkomst;
4. de aanduiding van het zeeschip of de
zeeschepen waarop de zeevarende zich verbindt dienst te doen of de
bepaling dat hij dienst zal doen op een of meer door de werkgever aan
te wijzen zeeschepen;
5. de te ondernemen reis of reizen, als
deze reeds vaststaan;
6. het bedrag van het loon van de
zeevarende en, voor zover van toepassing, de wijze van berekening;
7. de aanspraak op vakantie of de wijze
van berekening van deze aanspraak;
8. het bedrag van het tijdens de
vakantie door te betalen loon en, voor zover van toepassing, de wijze
van berekening;
9. de door de werkgever aan de
zeevarende te verstrekken prestaties voor geneeskundige zorg en
sociale zekerheidsuitkeringen;
10. de functie waarin de zeevarende in
dienst zal treden;
11. indien mogelijk, de plaats waar en
de dag waarop de dienst aan boord zal aanvangen;
12. de beëindiging van de
zee-arbeidsovereenkomst, namelijk:
a. indien de overeenkomst voor
bepaalde tijd wordt aangegaan, de dag waarop deze
arbeidsovereenkomst eindigt, met vermelding van de inhoud van
artikel 722 of indien de overeenkomst voor bepaalde tijd bij de
reis wordt aangegaan, de haven overeengekomen voor de beëindiging
van de overeenkomst of indien de reis eindigt in een andere dan de
overeengekomen haven van de inhoud van artikel 723;
b. indien de overeenkomst voor
onbepaalde tijd wordt aangegaan, de inhoud vanartikel 724 lid 1,
eerste volzin;
13. de aanspraak van de zeevarende op
repatriëring;
14. een verwijzing naar de
toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 700 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Een zeevarende kan niet worden beperkt in
zijn bevoegdheid om na het einde van de zee-arbeidsovereenkomst op zekere
wijze werkzaam te zijn.
Artikel 701 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Vanaf het in de zee-arbeidsovereenkomst
vastgelegde tijdstip van aanvang van de arbeidsovereenkomst heeft de
zeevarende zich voor de uitoefening van zijn functie ter beschikking te
houden van de werkgever. Is over de aanvang van de zee-arbeidsovereenkomst
niets bepaald, dan valt deze voor de toepassing van dit artikel samen met
het aangaan daarvan.
Artikel 702 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De zeevarende is in dienst aan boord van
het zeeschip vanaf het tijdstip dat hij zijn werkzaamheden aan boord
aanvangt tot het tijdstip waarop hij van zijn werkzaamheden aan boord
wordt ontheven of hij deze neerlegt.
Artikel 703 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De kapitein vertegenwoordigt de werkgever
in de uitvoering van de zee-arbeidsovereenkomsten met de zeevarenden, die
in dienst zijn aan boord van het door hem gevoerde zeeschip.
Artikel 704 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende is verplicht de hem door
de kapitein opgedragen werkzaamheden te verrichten, ook indien het
andere werkzaamheden betreft dan hij heeft te verrichten overeenkomstig
de functie, waarin hij volgens de zee-arbeidsovereenkomst aan boord
dienst doet.
2. De zeevarende is verplicht mee te
werken aan het behoud van het zeeschip, de opvarenden en de zaken aan
boord.
Artikel 705 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
In zaken betreffende een
zee-arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsovereenkomst of regeling
door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan is, ongeacht het
toepasselijke recht, de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam bij
uitsluiting bevoegd, tenzij in deze afdeling anders is bepaald.
Loon [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 706 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Voldoening van het in geld
vastgestelde deel van het in dienst aan boord van een zeeschip verdiende
loon geschiedt:
a. in de munt, waarin het in de
zee-arbeidsovereenkomst is uitgedrukt;
b. in de munt, gangbaar ter plaatse
van de voldoening;
c. door girale betaling als bedoeld
in artikel 114 van Boek 6.
2. Indien omrekening nodig is, geschiedt
deze naar de koers, bedoeld in de artikelen 124 en 126 van Boek 6.
Artikel 707 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende kan de werkgever
schriftelijk verzoeken zijn loon geheel of gedeeltelijk over te maken
aan door de zeevarende aan te wijzen personen. Indien omrekening nodig
is, geschiedt deze naar de koers, bedoeld in de artikelen 124 en 126 van
Boek 6.
2. Het schriftelijke verzoek om
beëindiging van de in lid 1 bedoelde overmaking wordt uiterlijk een
maand voor de eerstvolgende betaaldag gedaan.
Artikel 708 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende heeft recht op
voldoening van het in dienst aan boord van een zeeschip verdiende loon:
a. indien het naar tijdruimte is
vastgesteld, in iedere haven, die het zeeschip gedurende de reis
aandoet, mits zeven dagen zijn verlopen sedert de laatste
uitbetaling;
b. indien het niet naar tijdruimte is
vastgesteld, op de in de zee-arbeidsovereenkomst vastgelegde
tijdstippen voor voldoening, of, bij stilzwijgen daarvan, door het
gebruik en de billijkheid, met dien verstande dat de voldoening
telkens uiterlijk na een maand geschiedt.
2. De voldoening van het in lid 1 onder a
bedoelde loon geschiedt uiterlijk op de dag volgende op die van de
aankomst, maar in ieder geval voor het vertrek uit de haven, met dien
verstande dat de betalingen elkaar opvolgen met tussenpozen van niet
meer dan een maand.
Artikel 709 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Verricht de zeevarende arbeid langer
dan de door de wet of de zee-arbeidsovereenkomst bepaalde normale
arbeidsduur dan heeft hij voor die extra uren recht op een toeslag op
het loon, tenzij de kapitein deze arbeid noodzakelijk acht tot behoud
van het schip, de opvarenden of de zaken aan boord. Het bedrag van de
toeslag wordt bepaald door de zee-arbeidsovereenkomst of, bij
stilzwijgen daarvan, door het gebruik of de billijkheid.
2. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan worden
bepaald dat in het loon een vergoeding voor overwerk is begrepen.
3. De kapitein doet van ieder geval van
overwerk aantekening in een daartoe bestemd register. Elke aantekening
wordt ondertekend door de zeevarende binnen een termijn van ten hoogste
een maand.
Artikel 710 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Verricht de zeevarende andere werkzaamheden
dan hij heeft te verrichten overeenkomstig de functie, waarin hij volgens
de zee-arbeidsovereenkomst aan boord dienst doet, dan heeft hij recht op
het daarmee overeenkomende loon indien dit hoger is dan het loon
voortvloeiende uit de zee-arbeidsovereenkomst.
Artikel 711 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Werkt de zeevarende mee aan het behoud van
het zeeschip, de opvarenden en de zaken aan boord, dan heeft hij recht op
een buitengewone beloning voor de dagen, gedurende welke hij tot dit
behoud werkzaam is geweest.
Artikel 712 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Indien een zeeschip, dat niet tot het
verrichten van sleepdienst is bestemd, aan een ander in open zee
aangetroffen schip sleepdienst bewijst onder omstandigheden die geen
aanspraak op hulploon geven, hebben de zeevarenden recht op een aandeel in
het sleeploon. De werkgever deelt iedere zeevarende voor de uitbetaling
desgevraagd het bedrag van het sleeploon en de verdeling daarvan
schriftelijk mee.
Artikel 713 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Een rechtsvordering op grond van de
artikelen 709 tot en met 712 verjaart na verloop van zes maanden na het
ontstaan van het vorderingsrecht.
Artikel 714 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Voor zover het in geld uitgedrukte deel van
het loon is vastgesteld bij de reis, heeft de zeevarende recht op een
evenredige verhoging van het loon, als de reis door toedoen van de
scheepsbeheerder, door molest of door verblijf in een noodhaven of een
andere soortgelijke reden wordt verlengd in het belang van het zeeschip,
de opvarenden en de zaken aan boord.
Artikel 715 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De in artikel 626 bedoelde opgave wordt
maandelijks verstrekt en bevat tevens een opgave van de munteenheid of de
koers die afwijkt van hetgeen is overeengekomen.
Artikel 716 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Geen loon is verschuldigd voor de tijd
gedurende welke de zeevarende zonder deugdelijke grond heeft geweigerd de
bedongen arbeid of andere opgedragen werkzaamheden te verrichten.
Vakantie [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 717 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende verwerft over ieder jaar
waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op
loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste 30 kalenderdagen.
2. De zeevarende behoudt zijn aanspraak
op vakantie over het tijdvak gedurende hetwelk hij studieverlof geniet.
3. Tot vakantie worden niet gerekend:
a. officieel of algemeen erkende
feestdagen;
b. tijdelijk verlof om aan wal te
gaan;
c. compensatieverlof;
d. de duur van het vervoer, bedoeld
in lid 6;
e. de tijd doorgebracht in afwachting
van repatriëring en de reisduur in verband met repatriëring.
4. De werkgever is verplicht om de
vakantie, bedoeld in lid 1, aaneengesloten te geven. Van deze
verplichting kan worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
5. De vakantie, bedoeld in lid 1 en in
artikel 641 lid 3, wordt desverzocht aan de zeevarende gegeven in de
plaats waar de dienst aan boord is aangevangen, of de plaats waar de
zee-arbeidsovereenkomst is aangegaan, al naar gelang die plaats het
dichtst is gelegen bij de woonplaats of gewone verblijfplaats van de
zeevarende. Van dit lid kan worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan.
6. Indien de zeevarende genoodzaakt is de
vakantie, bedoeld in lid 1 en in artikel 641 lid 3, aan te vangen op een
andere plaats dan die bedoeld in lid 5, zorgt de werkgever voor
kosteloos vervoer naar die andere plaats en voor betaling van de kosten
van levensonderhoud gedurende dat vervoer.
7. De werkgever heeft de bevoegdheid een
zeevarende die zijn vakantie, bedoeld in lid 1 en in artikel 641 lid 3,
geniet, terug te roepen indien daartoe gewichtige redenen zijn en na
overleg met de zeevarende. De schade die de zeevarende hierdoor lijdt,
wordt door de werkgever vergoed.
8. Een rechtsvordering tot toekenning van
vakantie verjaart door verloop van drie jaren na de laatste dag van het
kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
Repatriëring [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Artikel 718 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende heeft recht op
repatriëring op een snelle en geschikte wijze, zo mogelijk per
vliegtuig, naar een door hem gekozen plaats van bestemming in geval:
a. van beëindiging van de
zee-arbeidsovereenkomst;
b. van ziekte die repatriëring
vereist;
c. van herstel van ziekte, indien hij
ter verpleging is achtergelaten buiten het land waar hij zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats heeft of de plaats waar de
zee-arbeidsovereenkomst is aangegaan;
d. van schipbreuk;
e. de werkgever niet in staat is zijn
wettelijke of contractuele verplichtingen na te komen wegens
faillissement, verkoop van het zeeschip, verandering in de
registratie van het zeeschip of wegens een andere soortgelijke
reden;
f. het zeeschip koers zet naar een
oorlogsgebied, terwijl de zeevarende weigert naar dat gebied te
gaan, of
g. van verloop van een termijn van
maximaal 12 maanden waarin de zeevarende aan boord werkzaam is
geweest.
2. In geval van repatriëring is de
werkgever verplicht de volgende kosten te vergoeden:
a. de reis naar de plaats van
bestemming;
b. huisvesting en voeding vanaf de
dag waarop de zeevarende het zeeschip heeft verlaten totdat hij de
plaats van bestemming heeft bereikt;
c. loon en vergoedingen vanaf de dag
dat de zeevarende het zeeschip heeft verlaten totdat hij de plaats
van bestemming heeft bereikt;
d. medische behandeling, indien
nodig, totdat de gezondheidstoestand van de zeevarende het toelaat
naar de plaats van bestemming te reizen.
3. Als plaats van bestemming wordt
aangemerkt:
a. de plaats waar de
zee-arbeidsovereenkomst is aangegaan;
b. het land waar de zeevarende zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, of
c. de plaats die in de
zee-arbeidsovereenkomst of de toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan is bepaald.
4. Het in lid 1 bedoelde recht vervalt
indien de zeevarende niet binnen twee dagen, nadat een van de in lid 1
onder a, c, d, e, f en g genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan,
zijn wens tot repatriëring kenbaar maakt aan de kapitein. Bij
collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan kan een langere termijn worden overeengekomen.
5. Een afschrift van de wettelijke
bepalingen inzake repatriëring is zowel in de Nederlandse als in de
Engelse taal voor de zeevarende aan boord beschikbaar.
6. Indien de werkgever de verplichtingen
inzake repatriëring niet tijdig nakomt, is de scheepsbeheerder
aansprakelijk voor de nakoming daarvan.
Vergoeding in geval van schipbreuk of
andere ramp aan het zeeschip en in geval van overlijden van de zeevarende
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 719 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De werkgever is jegens de zeevarende
aansprakelijk voor de schade die de zeevarende lijdt als gevolg van
schipbreuk of een andere aan het zeeschip overkomen ramp.
2. In geval van geheel of gedeeltelijk
verlies van de uitrusting van de zeevarende ten gevolge van schipbreuk
of andere ramp heeft de zeevarende aanspraak op een uitkering, waarvan
de hoogte wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
3. In geval van werkloosheid ten gevolge
van schipbreuk of andere ramp heeft de zeevarende aanspraak op een
uitkering ter hoogte van het bij de zee-arbeidsovereenkomst in geld
vastgestelde deel van het loon voor de duur van de werkloosheid, maar
ten hoogste gedurende twee maanden. Indien het loon niet naar tijdruimte
is vastgesteld, betreft de uitkering een bedrag gelijk aan het loon dat
volgens gebruik bij vaststelling van het gehele loon naar tijdruimte
wordt voldaan.
4. De uitkering, bedoeld in het derde
lid, wordt verminderd met het loon waarop de zeevarende op grond van
artikel 729 recht heeft.
5. Indien de zeevarende bij schipbreuk of
andere ramp het leven verliest, komen de in het tweede en derde lid
bedoelde uitkeringen toe aan de nagelaten betrekkingen, bedoeld in
artikel 674 lid 3.
6. De vorderingen inzake de in het tweede
en derde lid bedoelde uitkeringen zijn bevoorrecht op alle roerende en
onroerende zaken van de werkgever. Het voorrecht staat in rang gelijk
met dat, bedoeld in artikel 288, onder e, van Boek 3.
Artikel 720 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Indien de zeevarende overlijdt
gedurende de dienst aan boord van het zeeschip of aan de wal in verband
met de dienst aan boord, komen voor rekening van de werkgever:
a. indien de lijkbezorging
plaatsvindt buiten het land waar hij zijn woonplaats of gewone
verblijfplaats heeft, de daartoe gemaakte kosten;
b. indien de lijkbezorging
plaatsvindt in het land waar hij zijn woonplaats of gewone
verblijfplaats heeft, de kosten van en in verband met het vervoer
van het stoffelijk overschot naar de woonplaats of gewone
verblijfplaats in dat land, alsmede de kosten van en in verband met
de daartoe noodzakelijke opgraving van het stoffelijk overschot.
2. De kapitein is verplicht te zorgen
voor de aan boord achtergelaten zaken van een gedurende de reis ziek
geworden, vermiste of overleden zeevarende en hij is verplicht ten
overstaan van twee zeevarenden een behoorlijke beschrijving daarvan op
te maken, die door hem en door deze zeevarenden wordt ondertekend. De
kapitein draagt er zorg voor dat deze zaken worden afgegeven aan de
zeevarende of in geval van vermissing of overlijden aan zijn nagelaten
betrekkingen, bedoeld in artikel 674 lid 3.
3. Indien de woonplaats of gewone
verblijfplaats van de zeevarende of zijn nagelaten betrekkingen onbekend
is of de nagelaten betrekkingen onbekend zijn, is de werkgever verplicht
de aan boord achtergelaten zaken gedurende drie jaren te bewaren. Na het
verstrijken van deze termijn is de werkgever bevoegd de zaken te
verkopen of, indien de zaken zich niet voor verkoop lenen, deze om niet
aan een derde in eigendom over te dragen of te vernietigen.
4. In geval van verkoop wordt de
opbrengst in de consignatiekas gestort. De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Einde van de zee-arbeidsovereenkomst
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 721 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Indien een proeftijd is overeengekomen, kan
hierop geen beroep worden gedaan zolang de dienst aan boord niet is
geëindigd.
Artikel 722 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De voor bepaalde tijd aangegane of
voortgezette zee-arbeidsovereenkomst eindigt in de eerste haven, die het
zeeschip aandoet nadat die tijd is verstreken en, voor zover nodig,
opzegging heeft plaatsgevonden.
Artikel 723 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. De zee-arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd, aangegaan bij de reis, eindigt na afloop van de reis of
de reizen waarvoor zij is aangegaan.
2. Indien de reis eindigt in een andere
haven dan overeengekomen, eindigt de zee-arbeidsovereenkomst op het
tijdstip waarop de zeevarende overeenkomstig artikel 718 is
gerepatrieerd. Indien het recht van de zeevarende op repatriëring is
vervallen, eindigt de zee-arbeidsovereenkomst in de andere haven,
bedoeld in de eerste volzin, op het moment waarop dit recht is
vervallen.
Artikel 724 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Gedurende de tijd dat de zeevarende in
dienst is aan boord van een zeeschip kan ieder der partijen de voor
onbepaalde tijd aangegane zee-arbeidsovereenkomst door schriftelijke
opzegging doen eindigen in iedere haven die wordt aangedaan met
inachtneming van een termijn van opzegging van ten minste zeven dagen.
De termijn van opzegging mag voor de werkgever niet korter worden
gesteld dan voor de zeevarende.
2. Lid 1 is mede van toepassing als de
werkgever overlijdt gedurende de tijd dat de zeevarende in dienst is aan
boord van een zeeschip, en hetzij de erfgenamen van de werkgever, hetzij
de zeevarende gebruik willen maken van de bevoegdheid in artikel 675.
Artikel 725 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Gedurende een reis van het zeeschip kan
ieder der partijen de zee-arbeidsovereenkomst slechts op de voet van
artikel 677 lid 1 opzeggen tegen het tijdstip, waarop het zeeschip zich in
een haven bevindt.
Artikel 726 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Behalve in de gevallen, genoemd in artikel
678 lid 2, zullen voor de werkgever dringende redenen onder andere
aanwezig geacht kunnen worden, wanneer:
a. de zeevarende een opvarende van het
zeeschip mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt
of hem verleidt of tracht te verleiden tot handelingen strijdig met de
wet of de goede zeden;
b. de zeevarende zich niet op grond van
artikel 701 ter beschikking houdt van de werkgever;
c. de zeevarende hetzij tijdelijk,
hetzij voorgoed de bevoegdheid wordt ontnomen op een zeeschip dienst
te doen in de functie waarin hij zich verbonden heeft dienst te doen;
d. de zeevarende smokkelwaren aan boord
heeft gebracht of daar onder zijn berusting heeft of in geval van de
kapitein, hij smokkelwaren aan boord heeft gebracht, daar onder zijn
berusting heeft of daar heeft toegelaten.
Artikel 727 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Behalve in de gevallen, genoemd in artikel
679 lid 2, zullen voor de zeevarende dringende redenen aanwezig geacht
kunnen worden, wanneer:
a. hem orders worden gegeven die in
strijd zijn met de zee-arbeidsovereenkomst of met wettelijke
verplichtingen van de zeevarende;
b. het zeeschip bestemd wordt naar een
haven van een land dat in een gewapend conflict is gewikkeld of naar
een haven die is geblokkeerd, tenzij de zee-arbeidsovereenkomst dit
uitdrukkelijk voorziet en is aangegaan na het uitbreken van het
conflict of na het afkondigen van de blokkade;
c. hem orders worden gegeven te
vertrekken naar een vijandelijke haven;
d. het zeeschip wordt gebruikt in een
gewapend conflict;
e. het zeeschip wordt gebruikt voor het
plegen van misdrijven;
f. voor hem aan boord gevaar voor
mishandeling door een andere zeevarende dreigt;
g. de accommodatie, de voeding of het
drinkwater aan boord niet voldoet aan het bepaalde krachtens de
artikelen 48 en 48a van de Wet zeevarenden zodanig dat dit schadelijk
is voor de gezondheid van de zeevarenden;
h. het zeeschip het recht verliest de
vlag van het Koninkrijk te voeren;
j. de zee-arbeidsovereenkomst is
aangegaan voor een of meer bepaalde reizen en het zeeschip andere
reizen maakt.
Artikel 728 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
In afwijking van artikel 705 kan het
verzoek om ontbinding van de zee-arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel
685, mede worden gedaan aan de kantonrechter die op grond van artikel 685
lid 3 bevoegd is.
Artikel 729 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Indien de zee-arbeidsovereenkomst is
aangegaan bij de reis en ten gevolge van overmacht de reis niet aanvangt
of, nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt, eindigt de
zee-arbeidsovereenkomst. De zeevarende heeft in het laatstbedoelde geval
recht op schadevergoeding gelijk aan het in de zee-arbeidsovereenkomst
naar tijdruimte in geld vastgestelde loon, totdat hij in het land van
zijn woonplaats of gewone verblijfplaats kan zijn teruggekomen of hij
eerder werk heeft gevonden.
2. Lid 1 geldt eveneens als de zeevarende
zich uitsluitend verbonden heeft aan boord van een bepaald zeeschip
dienst te doen en dit zeeschip vergaat, ook als de
zee-arbeidsovereenkomst niet bij de reis is aangegaan.
Artikel 730 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Indien de zee-arbeidsovereenkomst is
aangegaan bij de reis en de reis door toedoen van de scheepsbeheerder niet
aanvangt of, nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt, eindigt de
zee-arbeidsovereenkomst. De zeevarende heeft in die gevallen recht op
schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het voor de reis vastgestelde
loon.
Artikel 731 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De werkgever is verplicht binnen een maand
na het einde van de dienst aan boord de zeevarende een schriftelijke
afrekening ter hand te stellen. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan een langere
termijn worden overeengekomen.
Artikel 732 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Na het einde van de reis, is de zeevarende,
wiens zee-arbeidsovereenkomst is geëindigd, gedurende drie werkdagen
gehouden op verzoek van de kapitein mee te werken aan het opmaken van een
scheepsverklaring als bedoeld in artikel 353 van het Wetboek van
Koophandel. De werkgever is verplicht voor deze dagen een schadevergoeding
te betalen gelijk aan het in de zee-arbeidsovereenkomst naar tijdruimte in
geld vastgestelde deel van dat loon, alsmede de kosten van onderhoud en zo
nodig van overnachting.
Artikel 733 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De kapitein die zijn
zee-arbeidsovereenkomst opzegt, terwijl het door hem gevoerde zeeschip
zich op reis bevindt, is verplicht de maatregelen te nemen, die in verband
daarmee nodig zijn voor de veiligheid van het zeeschip, de opvarenden en
de zaken aan boord, op straffe van schadevergoeding.
De zieke zeevarende [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 734 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De zeevarende die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling
verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, behoudt het recht op het
volle loon zolang hij aan boord is.
Artikel 734a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende, bedoeld in artikel 734,
heeft tot zijn herstel recht op behoorlijke verpleging en geneeskundige
behandeling.
2. Dit recht komt evenwel niet toe aan:
a. de zeevarende die
verzekeringsplichtige is op grond van de Zorgverzekeringswet, zolang
hij verblijft in Nederland;
b. de zeevarende die verblijft in het
land waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
3. Het recht eindigt, indien de
zeevarende is teruggekeerd of heeft kunnen terugkeren naar het land waar
hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
4. Op de aanspraken, die de zeevarende
heeft ingevolge dit artikel, komen de aanspraken ingevolge de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten in mindering.
Artikel 734b [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende, bedoeld in artikel 734,
die verzekerd is ingevolge de Ziektewet of op wie enige daarmee
overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat van de Europese Unie
van toepassing is, heeft, in afwijking van artikel 629 lid 1, voor een
tijdvak van twaalf weken recht op 100 procent van het loon, bedoeld in
artikel 629 lid 1, als hij ter verpleging is achtergelaten buiten het
land waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
2. Het recht op betaling van 100 procent
van het loon eindigt zodra de zeevarende passende arbeid kan verkrijgen
en verrichten dan wel is teruggekeerd of heeft kunnen terugkeren naar
het land waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 734c [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Voor de berekening van het tijdvak van 104
weken, genoemd in artikel 629 lid 1, worden de periode, bedoeld in artikel
734, waarin de zeevarende ziek aan boord is en de in artikel 734b lid
1bedoelde periode in aanmerking genomen.
Artikel 734d [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende, bedoeld in artikel 734,
die niet is verzekerd ingevolge de Ziektewet en op wie niet een daarmee
overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat van de Europese Unie
van toepassing is, heeft, zolang hij niet is hersteld en ongeacht het
voortduren van de zee-arbeidsovereenkomst, gedurende ten hoogste 52
weken, recht op 80 procent van het naar tijdruimte in geld vastgestelde
loon, dat hij genoot toen hij ziek werd, verhoogd met de bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen geldswaarde van andere
loonbestanddelen.
2. De in lid 1 bedoelde termijn van 52
weken gaat in:
a. als de zeevarende ziek wordt,
terwijl hij niet aan boord van een zeeschip in dienst is, op de dag,
waarop hij ziek wordt;
b. als hij ziek wordt, terwijl hij
aan boord van een zeeschip in dienst is, op de dag, waarop hij aan
de wal ter verpleging wordt achtergelaten of waarop hij, nog niet
hersteld, met het zeeschip terugkomt. Wordt hij ter verpleging
achtergelaten buiten het land waar hij zijn woonplaats of gewone
verblijfplaats heeft, dan wordt de uitkering van 80 procent
gedurende de eerste 12 weken verhoogd tot 100 procent.
3. De uitkering, bedoeld in de laatste
zin van het tweede lid, eindigt zodra de zeevarende passende arbeid kan
verkrijgen en verrichten dan wel is teruggekeerd of had kunnen
terugkeren naar het land waar hij zijn woonplaats of gewone
verblijfplaats heeft.
4. Indien de ziekte een gevolg is van
opzet van de zeevarende, kan de loonaanspraak worden verbeurd of
verminderd.
Artikel 734e [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende, bedoeld in artikel
734d, die een ongeval krijgt in verband met zijn zee-arbeidsovereenkomst,
heeft, ongeacht het voortduren van deze overeenkomst, recht op
uitkeringen en voorzieningen overeenkomstig de artikelen 734f tot en met
734k. Indien de zeevarende tengevolge van het ongeval overlijdt, gaat
dit recht over op zijn nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 674
lid 3.
2. Voor de toepassing van het vorige lid
en de artikelen 734f tot en met 734jworden met een ongeval in verband
met de zee-arbeidsovereenkomst gelijkgesteld de ziekten, die voorkomen
op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen lijst van
ziekten, indien de zeevarende die ziekte heeft gekregen in verband met
de zee-arbeidsovereenkomst. De ziekte wordt, tenzij het tegendeel
blijkt, geacht verband te houden met de zee-arbeidsovereenkomst, indien
zij zich gedurende de arbeidsovereenkomst of binnen een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen termijn na het einde van de
arbeidsovereenkomst openbaart.
3. De in het tweede lid bedoelde
gelijkstelling is niet van toepassing indien de zeevarende zonder
deugdelijke grond ter zake van de in dat lid bedoelde ziekte geweigerd
heeft een profylactische behandeling te ondergaan dan wel heeft
nagelaten zich aan een zodanige behandeling te onderwerpen, ofschoon hem
daartoe kosteloos gelegenheid werd geboden.
Artikel 734f [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende, bedoeld in artikel
734d, heeft na afloop van de in artikel 734d bedoelde termijn van 52
weken, in geval van tijdelijke gehele ongeschiktheid tot werken, recht
op een uitkering van 70 procent van zijn loon en, in geval van
tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken, op een uitkering ter
hoogte van een in verhouding tot de verloren geschiktheid tot werken
staand deel van 70 procent van zijn loon.
2. De in het eerste lid bedoelde
uitkering eindigt met ingang van de dag, waarop blijvende gehele of
gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken intreedt, dan wel, indien de
tijdelijke gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken voortduurt,
uiterlijk met ingang van de dag, gelegen drie jaren na afloop van de in
artikel 734dbedoelde termijn van 52 weken.
3. De zeevarende, bedoeld in artikel
734d, die op de dag, gelegen na afloop van de in artikel 734d bedoelde
termijn van 52 weken, blijvend geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot
werken of binnen drie jaren na die dag blijvend geheel of gedeeltelijk
ongeschikt wordt tot werken, dan wel op de dag gelegen drie jaren na
vorenbedoelde dag, nog tijdelijk geheel of gedeeltelijk ongeschikt is
tot werken, heeft recht op een uitkering ineens van driemaal de
uitkering over een jaar, berekend naar de uitkering, waarop hij
laatstelijk aanspraak had vóór de dag, waarop dat recht ontstaat. Met
ingang van de dag, waarop recht ontstaat op een uitkering ineens als
bedoeld in de vorige zin, kunnen ter zake van het betreffende ongeval
geen rechten meer worden ontleend aan de artikelen 734e tot en met 734k.
4. Voor de toepassing van de vorige leden
wordt een zeevarende geheel of gedeeltelijk ongeschikt geacht tot
werken, indien hij ten gevolge van een ongeval als bedoeld in artikel
734e geheel of gedeeltelijk ongeschikt is geworden tot arbeid, die voor
zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn
opleiding en vroeger beroep hem in redelijkheid kan worden opgedragen.
5. Indien de zeevarende, bedoeld in
artikel 734d, niet de medewerking verleent, die redelijkerwijs van hem
verlangd kan worden tot het herkrijgen van zijn gezondheid of zijn
arbeidsvermogen, voor zover deze door een ongeval als bedoeld in artikel
734e zijn geschaad, zal bij de schatting van de mate van ongeschiktheid
tot werken, bedoeld in de vorige leden, de toestand in aanmerking
genomen kunnen worden, die waarschijnlijk zou zijn ontstaan, indien die
medewerking ten volle zou zijn verleend.
Artikel 734g [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De zeevarende, bedoeld in artikel
734d, heeft ter zake van een ongeval als bedoeld in artikel 734e van de
dag van het ongeval af recht op geneeskundige behandeling of vergoeding
daarvoor, indien hij verblijft in of heeft kunnen terugkeren naar het
land, waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, uiterlijk
tot de dag, gelegen drie jaren na afloop van de in artikel 734d bedoelde
termijn van 52 weken en onverminderd het bepaalde in de laatste volzin
van artikel 734f lid 3. Onder geneeskundige behandeling is begrepen het
verstrekken van kunstmiddelen, voor zover deze zijn geschiktheid tot
werken kunnen bevorderen of tot verbetering van zijn
levensomstandigheden kunnen bijdragen, alsmede het onderricht in het
gebruik van die kunstmiddelen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit
artikel.
Artikel 734h [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Onverminderdartikel 674 hebben de
nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 734e lid 1, recht op een
uitkering ineens, die bedraagt:
a. voor degene, met wie de overledene
ten tijde van het ongeval gehuwd was of een geregistreerd
partnerschap was aangegaan: driemaal de uitkering over een jaar,
berekend naar 30 procent van het loon van de overledene;
b. voor elk kind of stiefkind beneden
de leeftijd van achttien jaar: driemaal de uitkering over een jaar,
berekend naar 15 procent en, indien dit kind ouderloos is, berekend
naar 20 procent van het loon van de overledene;
c. voor degene, met wie de overledene
ten tijde van het ongeval in gezinsverband samenleefde en in wiens
kosten van bestaan hij grotendeels voorzag, niet vallende onder a of
b: driemaal hetgeen hij in de regel over een jaar tot diens
levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan driemaal de uitkering
over een jaar, berekend naar 30 procent van het loon van de
overledene, met dien verstande, dat, indien de betrokkene jonger is
dan achttien jaar, niet meer wordt uitgekeerd dan hij als kind van
de overledene zou hebben ontvangen.
2. De in het eerste lid bedoelde
uitkeringen zullen tezamen niet meer bedragen dan driemaal de uitkering
over een jaar, berekend naar 60 procent van het loon van de overledene.
De personen, bedoeld in het eerste lid, onder c, hebben alleen recht op
een uitkering, indien de personen, bedoeld onder a en b van dat lid
allen hun volle uitkering hebben ontvangen. Indien de personen, bedoeld
in het eerste lid, onder a en b tezamen een uitkering zouden ontvangen
van meer dan driemaal de uitkering over een jaar, berekend naar 60
procent van het loon van de overledene, ondergaat elk van deze
uitkeringen een evenredige vermindering.
3. Voor de toepassing van dit artikel en
van artikel 734e is het bepaalde bij of krachtens artikel 8 van de
Algemene nabestaandenwet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 734i [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van
uitkeringen of voorzieningen als bedoeld in de artikelen 734 en 734d tot
en met 734h met uitkeringen of voorzieningen uit andere hoofde.
Artikel 734j [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Onder loon van de zeevarende wordt voor de
toepassing van de artikelen 734f en 734h verstaan het naar tijdruimte in
geld vastgestelde loon, dat hij genoot tot het ongeval, bedoeld inartikel
734e, plaatsvond, verhoogd met de bij algemene maatregel van bestuur vast
te stellen geldswaarde van andere loonbestanddelen. Hetgeen het naar
tijdruimte in geld vastgestelde loon meer bedraagt dan een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag, wordt daarbij niet in aanmerking
genomen.
Artikel 734k [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Indien een daartoe door Ons erkende
vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is opgericht, is de werkgever
ter waarborging van zijn tegenover de inartikel 734d bedoelde
zeevarenden en hun nagelaten betrekkingen uit deartikelen 734d tot en
met 734j voortvloeiende verplichtingen van rechtswege aangesloten bij
die vereniging.
2. In het geval, bedoeld in het eerste
lid, zijn de werkgever en de vereniging hoofdelijk verbonden tegenover
de in artikel 734d bedoelde zeevarenden en hun nagelaten betrekkingen en
zijn de werkgever en de scheepsbeheerder hoofdelijk verbonden tegenover
de vereniging voor de nakoming van de uit de artikelen 734d tot en met
734k voortvloeiende verplichtingen.
3. Op haar verzoek kan een vereniging
worden erkend als vereniging, bedoeld in het eerste lid, indien zij
voldoet aan de volgende vereisten:
a. dat zij opgericht is door een of
meer naar Ons oordeel representatieve organisaties van werkgevers en
een of meer naar Ons oordeel representatieve organisaties van
zeevarenden, al dan niet tezamen met een of meer werkgevers;
b. dat zij niet beoogt winst te
maken.
4. Voor de in het derde lid bedoelde
erkenning komt niet meer dan één vereniging in aanmerking.
5. De statuten van de in het eerste lid
bedoelde vereniging moeten zodanige bepalingen inhouden, dat:
a. het bestuur voor de helft wordt
samengesteld uit vertegenwoordigers van de werkgevers en voor de
helft uit vertegenwoordigers van de zeevarenden;
b. de gezamenlijke vertegenwoordigers
van de werkgevers ter vergadering evenveel stemmen uitbrengen als de
gezamenlijke vertegenwoordigers van de zeevarenden;
c. de kosten van de uit de artikelen
734d tot en met 734k voortvloeiende verplichtingen met betrekking
tot de in het eerste lid bedoelde zeevarenden en hun nagelaten
betrekkingen, alsmede de kosten verbonden aan de vorming en
instandhouding van een reserve, per jaar worden omgeslagen over de
werkgevers naar rato van het loon, dat in dat jaar aan de
zeevarenden is uitbetaald, waarbij onder loon wordt verstaan loon in
de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Artikel 734l [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Na zijn herstel heeft de zeevarende,
ongeacht het voortduren van de zee-arbeidsovereenkomst, recht op een
uitkering, gelijk aan het naar tijdruimte in geld vastgestelde loon, dat
hij genoot toen hij ziek werd, indien hij ter verpleging is
achtergelaten buiten het land waar hij zijn woonplaats of gewone
verblijfplaats heeft en elders dan ter plaatse waar hij zich bevond toen
hij de zee-arbeidsovereenkomst met de werkgever is aangegaan.
2. De zeevarende heeft voorts recht op
huisvesting en voeding.
3. De in lid 1 en 2 bedoelde rechten
eindigen zodra de zeevarende passende arbeid kan verkrijgen en
verrichten dan wel is teruggekeerd of heeft kunnen terugkeren naar het
land waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft of de
plaats waar hij zich bevond toen hij de arbeidsovereenkomst met de
werkgever is aangegaan.
4. Indien de ziekte een gevolg is van
opzet van de zeevarende, kan de in lid 1 bedoelde uitkering worden
verbeurd of verminderd.
Artikel 734m [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Artikel 93, aanhef en onder c, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing op alle
vorderingen krachtens de artikelen 734d tot en met 734k door of tegen de
in lid 1 van artikel 734k bedoelde zeevarenden of hun nagelaten
betrekkingen ingesteld tegen onderscheidenlijk door de in dat lid
bedoelde vereniging.
2. Elk beding strijdig met enige bepaling
van dit artikel of artikel 734k is nietig, behoudens dat partijen kunnen
overeenkomen om een vordering als bedoeld in het eerste lid aan
arbitrage te onderwerpen.
De tijdelijk aan boord van een zeeschip
werkzame werknemer [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 735 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Op de arbeidsovereenkomst van de werknemer
die gewoonlijk arbeid aan de wal verricht, zijn de artikelen 702, 703, 704
lid 2, 709, 711, 718 tot en 720, 725, 732, 734 tot en met 734c, 734e tot
en met 734m en 738 van overeenkomstige toepassing, indien en voor zolang
hij gedurende de reis arbeid aan boord van een zeeschip verricht.
De arbeidsovereenkomst naar buitenlands
recht [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 736 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Op de arbeidsovereenkomst van een
zeevarende die zich verbindt arbeid te verrichten aan boord van een
zeeschip en wiens arbeidsovereenkomst wordt beheerst door buitenlands
recht, zijn de artikelen 697, 699, 702 tot en met 712, 714 tot en met
725, 729, 731, 732, 734, 734a, 734d tot en met 734l en 738 van
overeenkomstige toepassing.
2. Op de arbeidsovereenkomst van een
werknemer die gewoonlijk arbeid aan de wal verricht en wiens
arbeidsovereenkomst wordt beheerst door buitenlands recht zijn de
artikelen 702, 703, 704 lid 2, 705, 709, 711, 718 tot en met 720, 725,
732, 734, 734a, 734d tot en met 734l en 738 van overeenkomstige
toepassing, indien en voor zolang hij gedurende de reis arbeid aan boord
van een zeeschip verricht.
Verplichtingen van de scheepsbeheerder
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 737 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De artikelen 718 tot en met 720 zijn van
overeenkomstige toepassing op personen die, anders dan op grond van een
arbeidsovereenkomst en ongeacht het toepasselijke recht, werkzaamheden
verrichten aan boord van een zeeschip, met dien verstande dat
voor«werkgever» wordt gelezen: scheepsbeheerder.
Artikel 738 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De scheepsbeheerder is aansprakelijk voor
de nakoming van de uit de artikelen 706 tot en met 709, 717 tot en met
720, 734 tot en met 734l voortvloeiende verplichtingen, indien de
werkgever tot nakoming daarvan onherroepelijk is veroordeeld en niet tot
nakoming overgaat.
Afdeling 12A. De zeevarende in de visserij
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 739 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. zeevisserij: de bedrijfsmatige
uitoefening van de zeevisserij buitengaats;
b. kustvisserij: de kustvisserij in de
zin van artikel 1, vierde lid, onder c, van de Visserijwet 1963;
c. arbeidsovereenkomst in de
zeevisserij: de zee-arbeidsovereenkomst die in het kader van de
zeevisserij wordt aangegaan;
d. garantieloon: het naar tijdruimte
vastgestelde loon dat door de werkgever verschuldigd is in plaats van
het loon dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit een aandeel in de
vangst of de opbrengst daarvan, indien het laatstgenoemde loon lager
uitkomt dan het eerstgenoemde loon.
Artikel 740 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Op de arbeidsovereenkomst van de
zeevarende in de zeevisserij zijn deafdelingen 1 tot en met 9 en 11 en
12 van deze titel van toepassing, voor zover daarvan in deze afdeling
niet is afgeweken. De artikelen708, 715 en 717 zijn niet van toepassing
op de arbeidsovereenkomst in de zeevisserij.
2. Op de arbeidsovereenkomst van de
zeevarende in de kustvisserij zijn deafdelingen 1 tot en met 9 en 11 van
deze titel van toepassing.
3. Vanartikel 741 van deze afdeling kan
niet worden afgeweken.
4. Vanartikel 745 van deze afdeling kan
niet ten nadele van de zeevarende in de zeevisserij worden afgeweken.
Artikel 741 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De werkgever en de zeevarende in de
zeevisserij, wiens loon bestaat uit een aandeel in de vangst of de
opbrengst daarvan, komen een garantieloon overeen.
Artikel 742 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Artikel 699 onder 6 geldt ten aanzien van
zeevarenden in de zeevisserij met dien verstande dat, voorzover het in
geld vastgestelde loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit een aandeel in
de vangst of de opbrengst daarvan, het overeengekomen garantieloon en de
berekeningswijze van het aandeel van de zeevarende in de opbrengst van de
vangst worden vermeld.
Artikel 743 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
1. Ten aanzien van de zeevarende in de
zeevisserij, wiens loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit een aandeel
in de vangst of de opbrengst daarvan, kan bij collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan worden afgeweken van artikel 623 lid 2, met dien
verstande dat het tijdvak na afloop waarvan het loon moet worden voldaan
niet langer dan drie maanden is.
2. Wordt aan de zeevarende, bedoeld in
het vorige lid, een voorschot betaald als bedoeld in artikel 624 lid 2,
dan heeft de zeevarende geen aanspraak jegens de werkgever indien het
aan de in artikel 707 bedoelde persoon overgemaakte bedrag meer bedraagt
dan aan de zeevarende verschuldigd is.
Artikel 744 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Artikel 709 geldt niet ten aanzien van de
zeevarende in de zeevisserij wiens loon bestaat uit een aandeel in de
vangst of opbrengst daarvan.
Artikel 745 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Voor de zeevarenden in de zeevisserij, wier
loon bestaat uit een aandeel in de vangst of de opbrengst daarvan, wordt
voor de toepassing van:
a. deartikelen 719 lid 3, 732, 734,
734b, 734d, 734f, 734h, 734j en 734l onder loon verstaan het voor hen
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedrag, en
b. artikel 729 lid 1onder loon verstaan
het garantieloon.
Titel 12. Aanneming van werk
Afdeling 1. Aanneming van werk in het
algemeen
Artikel 750
1. Aanneming van werk is de overeenkomst
waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de
opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van
stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door
de opdrachtgever te betalen prijs in geld.
2. Bestaat de tegenprestatie niet of niet
geheel in geld, dan vindt deze titel toepassing, voor zover de aard van
de tegenprestatie zich daartegen niet verzet.
Artikel 751
De aannemer is bevoegd het werk onder zijn
leiding door anderen te doen uitvoeren, en ten aanzien van onderdelen ook
de leiding aan anderen over te laten, zulks onverminderd zijn
aansprakelijkheid voor de deugdelijke nakoming van de overeenkomst.
Artikel 752
1. Indien de prijs bij het sluiten van de
overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, is de
opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd. Bij de bepaling van de
prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door
hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen.
2. Indien een richtprijs was bepaald, zal
deze richtprijs met niet meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij
de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de
waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd, om
hem de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te
vereenvoudigen. De aannemer zal binnen de grenzen van het redelijke aan
zulke beperking of vereenvoudiging moeten meewerken.
3. Lid 2 is van overeenkomstige
toepassing op aannemingen van werk waarbij de prijs afhankelijk is
gesteld van de bij de overeenkomst geschatte tijdsduur voor de
uitvoering van het werk.
Artikel 753
1. Indien na het sluiten van de
overeenkomst kostenverhogende omstandigheden ontstaan of aan het licht
komen zonder dat zulks aan de aannemer kan worden toegerekend, zal de
rechter op vordering van de aannemer de overeengekomen prijs geheel of
gedeeltelijk aan de kostenverhoging kunnen aanpassen, mits de aannemer
bij het bepalen van de prijs geen rekening heeft behoeven te houden met
de kans op zulke omstandigheden.
2. De aannemer mag de prijs zonder
tussenkomst van de rechter aanpassen, indien de kostenverhoging het
gevolg is van door de opdrachtgever verschafte onjuiste gegevens welke
voor de prijsbepaling van belang zijn, tenzij de aannemer de onjuistheid
der gegevens vóór het vaststellen van de prijs had behoren te
ontdekken.
3. Het in de leden 1 en 2 bepaalde geldt
slechts indien de aannemer de opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de
noodzaak van een prijsverhoging heeft gewaarschuwd, opdat deze tijdig
hetzij gebruik kan maken van het hem in artikel 764 toegekende recht,
hetzij een voorstel kan doen tot beperking of vereenvoudiging van het
werk.
Artikel 754
De aannemer is bij het aangaan of het
uitvoeren van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever te waarschuwen
voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of
redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt in geval van gebreken
en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder
begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede
fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen,
tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 755
In geval van door de opdrachtgever gewenste
toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk kan de aannemer
slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de
opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit
voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit
zichzelf had moeten begrijpen. Van deze bepaling kan niet ten nadele van
de opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als
bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
Artikel 756
1. Indien reeds vóór de vastgestelde
tijd van oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of
niet behoorlijk zal worden opgeleverd, kan de rechter de overeenkomst op
vordering van de opdrachtgever geheel of gedeeltelijk ontbinden.
2. Indien reeds vóór de oplevering
waarschijnlijk wordt dat de opdrachtgever niet op tijd of niet
behoorlijk aan zijn verplichtingen zal voldoen, of dat de aannemer de
overeenkomst niet zal kunnen uitvoeren ten gevolge van een omstandigheid
die hem niet kan worden toegerekend, kan de rechter de overeenkomst op
vordering van de aannemer geheel of gedeeltelijk ontbinden.
3. De rechter bepaalt de gevolgen van de
ontbinding; hij kan de ontbinding ook doen afhangen van door hem te
stellen voorwaarden.
Artikel 757
1. Wordt de uitvoering van het werk
onmogelijk doordat de zaak waarop of waaraan het werk moet worden
uitgevoerd, tenietgaat of verloren raakt zonder dat dit aan de aannemer
kan worden toegerekend, dan is de aannemer gerechtigd tot een evenredig
deel van de vastgestelde prijs op grondslag van de reeds verrichte
arbeid en gemaakte kosten. In geval van opzet of grove schuld van de
opdrachtgever is de aannemer gerechtigd tot een bedrag berekend
overeenkomstig het bepaalde in artikel 764 lid 2.
2. Bevond de zaak zich echter in het
geval, bedoeld in het vorige lid, onder de aannemer, dan is de
opdrachtgever tot geen enkele vergoeding gehouden, tenzij het tenietgaan
of verloren raken aan zijn schuld was te wijten, in welk geval het
vorige lid onverminderd toepassing vindt.
Artikel 758
1. Indien de aannemer te kennen heeft
gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de
opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan
niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken
weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben
aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.
2. Na oplevering is het werk voor risico
van de opdrachtgever. Derhalve blijft hij de prijs verschuldigd,
ongeacht tenietgaan of achteruitgang van het werk door een oorzaak die
niet aan de aannemer kan worden toegerekend.
3. De aannemer is ontslagen van de
aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van
oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.
Artikel 759
1. Indien het werk na oplevering gebreken
vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever,
tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden
gevergd, aan de aannemer de gelegenheid geven de gebreken binnen een
redelijke termijn weg te nemen, onverminderd de aansprakelijkheid van de
aannemer voor schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering.
2. De opdrachtgever kan vorderen dat de
aannemer de gebreken binnen redelijke termijn wegneemt, tenzij de kosten
van herstel in geen verhouding zouden staan tot het belang van de
opdrachtgever bij herstel in plaats van schadevergoeding.
Artikel 760
1. De gevolgen van een ondeugdelijke
uitvoering van het werk, die te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid
van door de aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen, komen voor
rekening van de aannemer.
2. Is de ondeugdelijke uitvoering echter
te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de
opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop hij een werk laat
uitvoeren, dan komen de gevolgen voor zijn rekening, voor zover de
aannemer niet zijn in artikel 754 bedoelde waarschuwingsplicht heeft
geschonden of anderszins met betrekking tot deze gebreken in
deskundigheid of zorgvuldigheid tekort is geschoten.
3. Lid 2 is van overeenkomstige
toepassing in geval van fouten of gebreken in door de opdrachtgever
verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of
uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 761
1. Elke rechtsvordering wegens een gebrek
in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de
opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de
aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het gebrek zal kunnen
wegnemen, begint de verjaring pas te lopen bij het einde van die
termijn, of zoveel eerder als de aannemer te kennen heeft gegeven het
gebrek niet te zullen herstellen.
2. De rechtsvordering verjaart in ieder
geval door verloop van twintig jaren na de oplevering in geval van
aanneming van bouwwerken en door verloop van tien jaren na de oplevering
in alle andere gevallen.
3. Indien de rechtsvordering krachtens
het bepaalde in de vorige leden zou verjaren tussen het tijdstip waarop
de aannemer aan de opdrachtgever heeft medegedeeld dat hij het gebrek
zal onderzoeken of herstellen, en het tijdstip waarop hij het onderzoek
en de pogingen tot herstel kennelijk als beëindigd beschouwt, wordt de
verjaringstermijn verlengd overeenkomstig artikel 320 van Boek 3.
4. De leden 1–3 laten onverlet de
bevoegdheid van de opdrachtgever om aan een vordering tot betaling van
de prijs zijn recht op vermindering daarvan door gedeeltelijke
ontbinding van de overeenkomst of op schadevergoeding tegen te werpen.
Artikel 762
De aansprakelijkheid van de aannemer voor
hem bekende verborgen gebreken die hij heeft verzwegen, kan niet worden
uitgesloten of beperkt, noch kan zij aan kortere verjaringstermijnen
worden onderworpen dan die voorzien in artikel 761. Verzwijging door
degenen die de aannemer met de leiding over de uitvoering van het werk
heeft belast, wordt gelijkgesteld met verzwijging door de aannemer.
Artikel 763
Indien de aannemer na het sluiten van de
overeenkomst overlijdt of duurzaam arbeidsongeschikt wordt, kan ieder der
partijen de overeenkomst beëindigen, voor zover zij, gezien de aard van
de overeenkomst, aan het overlijden of de duurzame arbeidsongeschiktheid
een redelijk belang bij beëindiging kan ontlenen. Voor de reeds verrichte
arbeid en gemaakte kosten is de opdrachtgever een naar redelijkheid en met
inachtneming van alle omstandigheden te bepalen vergoeding verschuldigd.
Artikel 764
1. De opdrachtgever is te allen tijde
bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen.
2. In geval van zulke opzegging zal hij
de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de
besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen
aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. Indien de
prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken
kosten, wordt de door de opdrachtgever verschuldigde prijs berekend op
grondslag van de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die de
aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt.
Afdeling 2. Bijzondere bepalingen voor de
bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf
Artikel 765
Deze afdeling is van toepassing op
aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning, bestaande uit
een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in opdracht van een natuurlijk
persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 766
1. Een overeenkomst als bedoeld in
artikel 765 wordt schriftelijk aangegaan.
2. De tussen partijen opgemaakte akte of
een afschrift daarvan moet aan de opdrachtgever ter hand worden gesteld,
desverlangd tegen afgifte aan de aannemer van een gedateerd
ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de
opdrachtgever het recht de overeenkomst te ontbinden. Komt, nadat de
opdrachtgever van dit recht gebruik gemaakt heeft, binnen zes maanden
tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde te bouwen woning
opnieuw een overeenkomst tot stand, dan ontstaat het recht niet opnieuw.
3. De leden 1–2 zijn niet van
toepassing indien de overeenkomst strekt tot de bouw van een woning op
grond die de opdrachtgever reeds toebehoort, en de overeenkomst niet met
de koop van deze grond in verband staat.
Artikel 767
De opdrachtgever kan slechts worden
verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering,
overeenstemmen met de voortgang van de bouw of met de waarde van de aan
hem overgedragen goederen, behoudens dat kan worden bedongen dat hij ter
verzekering van de nakoming van zijn verplichtingen een bedrag dat niet
hoger is dan 10% van de aanneemsom, in depot stort bij een notaris dan wel
voor dit bedrag vervangende zekerheid stelt. Het teveel betaalde geldt als
onverschuldigd betaald.
Artikel 768
1. De opdrachtgever kan, zonder beroep te
doen op artikel 262 van Boek 6 en onder behoud van zijn recht op
oplevering, maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn
of laatste termijnen en dit bedrag in plaats van aan de aannemer te
betalen, in depot storten bij een notaris.
2. De notaris brengt het bedrag in de
macht van de aannemer nadat drie maanden zijn verstreken na het tijdstip
van oplevering, tenzij de opdrachtgever van de in artikel 262 van Boek 6
toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. In dat geval deelt de
opdrachtgever aan de notaris mee tot welk bedrag het depot moet worden
gehandhaafd.
3. De notaris brengt het bedrag voorts in
de macht van de aannemer voor zover de opdrachtgever daarin toestemt, de
aannemer vervangende zekerheid stelt of bij een uitspraak die partijen
bindt, is beslist dat een depot niet of niet langer gerechtvaardigd is.
4. Indien de opdrachtgever aan de
aannemer schadevergoeding verschuldigd is wegens de in lid 1 bedoelde
depotstorting of de door de aannemer gestelde vervangende zekerheid,
wordt deze gesteld op de wettelijke rente bedoeld in artikel 119 van
Boek 6. Gedurende de drie maanden bedoeld in lid 2, is zij niet
verschuldigd, zelfs niet indien geen gebreken worden geconstateerd.
Artikel 769
Van deze afdeling en voor zover voor de
toepassing van artikel 768 nodig, van artikel 262 van Boek 6, kan niet ten
nadele van de opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
Titel 14. Borgtocht
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 850
1. Borgtocht is de overeenkomst waarbij
de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser,
verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de
hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.
2. Voor de geldigheid van een borgtocht
is niet vereist dat de hoofdschuldenaar deze kent.
3. Op borgtocht zijn de bepalingen
omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing, voor zover daarvan in
deze titel niet wordt afgeweken.
Artikel 851
1. De borgtocht is afhankelijk van de
verbintenis van de hoofdschuldenaar, waarvoor zij is aangegaan.
2. Borgtocht kan slechts voor toekomstige
verbintenissen van de hoofdschuldenaar worden aangegaan, voor zover zij
voldoende bepaalbaar zijn.
Artikel 852
1. Verweermiddelen die de
hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser heeft, kunnen ook door de borg
worden ingeroepen, indien zij het bestaan, de inhoud of het tijdstip van
nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar betreffen.
2. Indien de hoofdschuldenaar bevoegd is
om ter vernietiging van de rechtshandeling waaruit de verbintenis
voortspruit, een beroep op een vernietigingsgrond te doen en hem door de
borg of door de schuldeiser een redelijke termijn is gesteld ter
uitoefening van die bevoegdheid, is de borg gedurende die termijn
bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten.
3. Zolang de hoofdschuldenaar
bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser
opschort, is ook de borg bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te
schorten.
Artikel 853
Door voltooiing van de verjaring van de
rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar,
gaat de borgtocht teniet.
Artikel 854
Strekt de verbintenis van de
hoofdschuldenaar tot iets anders dan tot betaling van een geldsom, dan
geldt de borgtocht voor de vordering tot schadevergoeding in geld,
verschuldigd op grond van niet-nakoming van die verbintenis, tenzij
uitdrukkelijk anders is bedongen.
Artikel 855
1. De borg is niet gehouden tot nakoming
voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is
tekort geschoten.
2. De schuldeiser die de hoofdschuldenaar
overeenkomstig artikel 82 van Boek 6 in gebreke stelt, is verplicht
hiervan tegelijkertijd de borg mededeling te doen.
Artikel 856
1. De borg is slechts wettelijke rente
verschuldigd over het tijdvak dat hijzelf in verzuim is, tenzij de
hoofdschuldenaar in verzuim is krachtens artikel 83 onder b van Boek 6.
2. De borg is gehouden de kosten van
rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar te vergoeden, indien hij tijdig
door mededeling van het voornemen tot rechtsvervolging in de gelegenheid
is gesteld deze kosten te voorkomen.
Afdeling 2. Borgtocht, aangegaan buiten
beroep of bedrijf
Artikel 857
De bepalingen van deze afdeling zijn van
toepassing op borgtochten die zijn aangegaan door een natuurlijk persoon
die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten
behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de
meerderheid der aandelen heeft.
Artikel 858
1. Indien het bedrag van de verbintenis
van de hoofdschuldenaar op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht
niet vaststaat, is de borgtocht slechts geldig, voor zover een in geld
uitgedrukt maximum-bedrag is overeengekomen.
2. Overeenkomstig artikel 856
verschuldigde rente en kosten kunnen ongeacht dit maximum worden
gevorderd.
Artikel 859
1. Tegenover de borg wordt de borgtocht
slechts door een door hem ondertekend geschrift bewezen.
2. De borgtocht kan door alle middelen
worden bewezen, indien vaststaat dat de borg de verbintenis van de
hoofdschuldenaar geheel of gedeeltelijk is nagekomen.
3. Voor het bewijs van de overeenkomst
die tot het aangaan van de borgtocht verplicht, geldt dezelfde eis als
gesteld in lid 1 en in het geval van lid 2 dezelfde vrijheid.
Artikel 860
De borg is niet gebonden, voor zover voor
zijn verbintenis meer bezwarende voorwaarden zouden gelden dan die
waaronder de hoofdschuldenaar gebonden is, behoudens voor zover het
betreft de wijze waarop tegenover de borg het bewijs van bestaan en omvang
van de verbintenis van de hoofdschuldenaar geleverd kan worden.
Artikel 861
1. Een borgtocht die voor toekomstige
verbintenissen is aangegaan, kan:
a. te allen tijde worden opgezegd,
indien zij niet voor een bepaalde duur geldt;
b. na vijf jaren worden opgezegd,
indien zij wel voor een bepaalde duur geldt.
2. Na de opzegging duurt de borgtocht
voor de reeds ontstane verbintenissen voort.
3. Een borg is niet verbonden voor
toekomstige verbintenissen tot vergoeding van schade, waarvoor de
hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser aansprakelijk is, voor zover de
schuldeiser de schade had kunnen voorkomen door een toezicht als
redelijkerwijs van hem gevergd kon worden.
4. Een borg is evenmin verbonden voor
toekomstige verbintenissen uit een rechtshandeling die de schuldeiser
onverplicht heeft verricht, nadat hij bekend was geworden met
omstandigheden die de mogelijkheid van verhaal op de hoofdschuldenaar
aanmerkelijk hebben verminderd, zulks tenzij de borg uitdrukkelijk met
de rechtshandeling heeft ingestemd of deze handeling geen uitstel kon
lijden.
Artikel 862
Niet kan ten nadele van de borg worden
afgeweken:
a. van de artikelen 852-856 en 858-861;
b. van de verplichtingen die de
schuldeiser krachtens artikel 154 van Boek 6 jegens de borg heeft met
het oog op diens mogelijke subrogatie.
Artikel 863
De bepalingen van deze afdeling zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten, waarbij iemand als bedoeld
in artikel 857 zich verbindt tot een bepaalde prestatie voor het geval een
derde een bepaalde verbintenis met een andere inhoud jegens de schuldeiser
niet nakomt.
Artikel 864
1. Indien in opdracht en voor rekening
van iemand als bedoeld in artikel 857 ter zake van de verbintenis van
een ander een borgtocht of een overeenkomst als bedoeld in artikel 863
wordt aangegaan, heeft de opdrachtnemer voor hetgeen hij aan de
schuldeiser heeft voldaan, geen recht op vergoeding jegens de
opdrachtgever voor zover de onderhavige afdeling aan diens
aansprakelijkheid als borg in de weg gestaan zou hebben. Artikel 861 is
tussen opdrachtgever en opdrachtnemer van overeenkomstige toepassing.
2. Van het eerste lid kan slechts worden
afgeweken, indien dit geschiedt bij een door de opdrachtgever
ondertekend geschrift waarin de aard van de afwijking wordt omschreven,
en het een opdracht betreft aan een bank of andere instelling die haar
bedrijf van het verstrekken van borgtochten maakt.
Afdeling 3. De gevolgen van de borgtocht
tussen de hoofdschuldenaar en de borg en tussen borgen en voor de
verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren onderling
Artikel 865
Op de rechtsbetrekkingen tussen
hoofdschuldenaar en borg en op die tussen borgen en voor de verbintenis
aansprakelijke niet-schuldenaren onderling is artikel 2 van Boek 6 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 866
1. De borg heeft voor het gehele bedrag
dat hij aan hoofdsom, rente en kosten aan de schuldeiser heeft moeten
voldoen, krachtens artikel 10 van Boek 6 een vordering op de
hoofdschuldenaar.
2. De borg kan noch aan artikel 10, noch
aan artikel 12 van Boek 6 een vordering op de hoofdschuldenaar ontlenen
voor wettelijke rente over de periode waarin hij door hem persoonlijk
betreffende omstandigheden in verzuim is geweest of voor kosten die hem
persoonlijk betreffen of door hem in redelijkheid niet behoefden te
worden gemaakt.
3. Heeft iemand zich ter zake van
dezelfde verbintenis borg gesteld voor twee of meer hoofdelijk verbonden
hoofdschuldenaren, dan zijn deze in afwijking van artikel 10 lid 1 en
artikel 12 lid 1 van Boek 6, jegens de borg hoofdelijk verbonden voor
hetgeen deze aan hoofdsom, rente en kosten op hen kan verhalen.
4. Uit de rechtsverhouding tussen de borg
en een of meer hoofdschuldenaren kan iets anders voortvloeien dan de
leden 1-3 meebrengen.
Artikel 867
Indien de borg de verbintenis is nagekomen
zonder de hoofdschuldenaar daarvan mededeling te doen en deze daarna
zijnerzijds de schuldeiser heeft betaald, kan de hoofdschuldenaar
tegenover de borg volstaan met overdracht aan deze van zijn vordering
wegens onverschuldigde betaling op de schuldeiser.
Artikel 868
Een krachtens artikel 10 van Boek 6
aangesproken hoofdschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het
tijdstip van het ontstaan van de verhaalsvordering jegens de schuldeiser
had, ook inroepen tegen de borg; de leden 2 en 4 van artikel 11 van Boek 6
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 869
De borg te wiens laste de schuld is
gedelgd, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 152 van Boek 6 het
onverhaalbaar gebleken gedeelte omslaan over zich zelf, zijn medeborgen en
de niet-schuldenaren die voor de verbintenis aansprakelijk waren.
Artikel 870
De achterborg die de verbintenis van de
borg is nagekomen, kan ten behoeve van zich zelf het verhaal uitoefenen
dat de borg, indien hij zelf de verbintenis was nagekomen, zou hebben
gehad jegens de hoofdschuldenaar of jegens medeborgen of niet-schuldenaren
die voor de verbintenis aansprakelijk waren.
Titel 15. Vaststellingsovereenkomst
Artikel 900
1. Bij een vaststellingsovereenkomst
binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of
geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar
aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij
van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
2. De vaststelling kan tot stand komen
krachtens een beslissing van partijen gezamenlijk of krachtens een aan
één van hen of aan een derde opgedragen beslissing.
3. Een bewijsovereenkomst staat met een
vaststellingsovereenkomst gelijk voor zover zij een uitsluiting van
tegenbewijs meebrengt.
4. Deze titel is niet van toepassing op
de overeenkomst van arbitrage.
Artikel 901
1. De totstandkoming van de vaststelling
is gebonden aan de vereisten waaraan moet worden voldaan om de met de
beslissing beoogde rechtstoestand, uitgaande van die waarvan zij
mogelijk afwijkt, tot stand te brengen.
2. Ieder van de partijen is jegens de
andere verplicht te verrichten hetgeen van haar zijde nodig is om aan de
vereisten voor de totstandkoming van de vaststelling te voldoen.
3. Voor zover aan deze vereisten kan
worden voldaan door een verklaring van partijen of een hunner, wordt
deze verklaring in de vaststellingsovereenkomst besloten geacht, tenzij
uit de overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 902
Een vaststelling ter beëindiging van
onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied is ook geldig als zij
in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud
of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.
Artikel 903
Een vaststelling van hetgeen in het
verleden rechtens is geweest, kan geen afbreuk doen aan inmiddels
verkregen rechten van derden.
Artikel 904
1. Indien gebondenheid aan een beslissing
van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van
totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing
vernietigbaar.
2. Indien de beslissing van een partij of
een derde vernietigd wordt, nietig blijkt of niet binnen een aan die
partij of derde daartoe te stellen redelijke termijn wordt verkregen,
kan de rechter een beslissing geven, tenzij uit de overeenkomst of de
aard van de beslissing voortvloeit dat zij op andere wijze moet worden
vervangen.
Artikel 905
Indien een ontbinding van een
vaststellingsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming daarvan
een reeds tot stand gekomen, aan een partij of een derde opgedragen
beslissing zou treffen, kan deze ontbinding niet door een eenzijdige
verklaring geschieden en kan de rechter haar afwijzen op de grond dat
degene die haar vordert, voldoende middelen heeft om van de wederpartij
opheffing van of vergoeding voor de tekortkoming te verkrijgen.
Artikel 906
1. De bepalingen van deze titel vinden
overeenkomstige toepassing, wanneer een vaststelling haar rechtsgrond
elders dan in een overeenkomst vindt.
2. Artikel 904 vindt overeenkomstige
toepassing wanneer aan een der partijen bij een rechtsverhouding of aan
een derde de bevoegdheid is gegeven de regeling van de verhouding aan te
vullen of te wijzigen.
3. Lid 2 geldt niet voor aanvulling of
wijziging bij een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, indien
dit besluit krachtens artikel 15 van Boek 2 bij strijd met redelijkheid
en billijkheid vernietigbaar is.
4. De leden 1 en 2 gelden niet voor zover
de strekking van de betrokken bepaling in verband met de aard van de
rechtsverhouding zich tegen de overeenkomstige toepassing verzet.
Artikel 907
1. Een overeenkomst strekkende tot
vergoeding van schade die is veroorzaakt door een gebeurtenis of
gelijksoortige gebeurtenissen, gesloten door een stichting of vereniging
met volledige rechtsbevoegdheid met één of meer andere partijen, die
zich bij deze overeenkomst hebben verbonden tot vergoeding van deze
schade, kan door de rechter op gezamenlijk verzoek van de partijen die
de overeenkomst hebben gesloten verbindend worden verklaard voor
personen aan wie de schade is veroorzaakt, mits de stichting of
vereniging de belangen van deze personen ingevolge haar statuten
behartigt. Onder personen aan wie de schade is veroorzaakt worden mede
begrepen personen die een vordering ter zake van deze schade onder
algemene of bijzondere titel hebben verkregen.
2. De overeenkomst bevat in ieder geval:
a. een omschrijving van de groep dan
wel groepen van personen ten behoeve van wie de overeenkomst is
gesloten, naar gelang van de aard en de ernst van hun schade;
b. een zo nauwkeurig mogelijke
aanduiding van het aantal personen dat tot deze groep of groepen
behoort;
c. de vergoeding die aan deze
personen wordt toegekend;
d. de voorwaarden waaraan deze
personen moeten voldoen om voor die vergoeding in aanmerking te
komen;
e. de wijze waarop de vergoeding
wordt vastgesteld en kan worden verkregen;
f. de naam en de woonplaats van
degene aan wie de inartikel 908 leden 2 en 3 bedoelde schriftelijke
mededeling kan worden gedaan.
3. De rechter wijst het verzoek af
indien:
a. de overeenkomst niet aan lid 2
voldoet;
b. de hoogte van de toegekende
vergoedingen niet redelijk is, mede gelet op de omvang van de
schade, de eenvoud en snelheid waarmee de vergoedingen verkregen
kunnen worden en de mogelijke oorzaken van de schade;
c. onvoldoende zekerheid is gesteld
voor de voldoening van de vorderingen van degenen ten behoeve van
wie de overeenkomst is gesloten;
d. de overeenkomst niet voorziet in
een onafhankelijke vaststelling van de vergoedingen ingevolge de
overeenkomst;
e. de belangen van de personen ten
behoeve van wie de overeenkomst is gesloten anderszins onvoldoende
gewaarborgd zijn;
f. de stichting of vereniging,
bedoeld in lid 1 niet voldoende representatief is ter zake van de
belangen van degenen ten behoeve van wie de overeenkomst is
gesloten;
g. de groep van personen ten behoeve
van wie de overeenkomst is gesloten van onvoldoende omvang is om een
verbindendverklaring te rechtvaardigen;
h. er een rechtspersoon is die
ingevolge de overeenkomst de vergoedingen verstrekt, en deze geen
partij is bij de overeenkomst.
4. De rechter kan alvorens te beslissen
partijen gelegenheid geven de overeenkomst aan te vullen of te wijzigen.
5. Het verzoek, bedoeld in lid 1, stuit
de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de
personen die partij zijn bij de overeenkomst, voorzover de overeenkomst
in de vergoeding van deze schade voorziet. Indien het verzoek
onherroepelijk is toegewezen, begint een nieuwe verjaringstermijn te
lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop definitief is
beslist welke vergoeding wordt toegekend. Voorts begint een nieuwe
verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag volgende op die
waarop een mededeling als bedoeld in artikel 908 lid 2 is gedaan. Indien
het verzoek niet tot toewijzing leidt, begint een nieuwe
verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die
waarop dit onherroepelijk vaststaat. Indien de overeenkomst ingevolge
artikel 908 lid 4 wordt opgezegd, begint een nieuwe verjaringstermijn te
lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop dit
overeenkomstig dat lid plaatsvindt. Artikel 319 lid 2 van Boek 3 is van
toepassing.
6. De overeenkomst kan bepalen dat een
recht op vergoeding ingevolge de overeenkomst vervalt indien een
gerechtigde tot een vergoeding niet binnen een termijn van ten minste
één jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop hij met de
opeisbaarheid van zijn vergoeding bekend is geworden, daarop aanspraak
heeft gemaakt.
Artikel 908
1. Zodra het verzoek tot
verbindendverklaring onherroepelijk is toegewezen heeft de overeenkomst,
bedoeld in artikel 907, tussen partijen en de gerechtigden tot een
vergoeding de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst waarbij ieder
der gerechtigden als partij geldt.
2. De verbindendverklaring heeft geen
gevolg ten aanzien van een gerechtigde tot een vergoeding die binnen een
door de rechter te bepalen termijn van ten minste drie maanden na de in
artikel 1017 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
bedoelde aankondiging van de beschikking door een schriftelijke
mededeling aan de in artikel 907 lid 2, onder f, bedoelde persoon heeft
laten weten niet gebonden te willen zijn.
3. Voor een gerechtigde tot een
vergoeding die bij de in lid 2 bedoelde aankondiging niet met zijn
schade bekend kon zijn heeft een verbindendverklaring geen gevolg indien
hij na het bekend worden van zijn schade door een schriftelijke
mededeling aan de in artikel 907 lid 2, onder f, bedoelde persoon heeft
laten weten niet gebonden te willen zijn. Een partij die zich bij de
overeenkomst heeft verbonden tot vergoeding van schade kan een
gerechtigde tot een vergoeding als bedoeld in de eerste zin schriftelijk
een termijn van ten minste zes maanden stellen waarbinnen deze kan laten
weten niet gebonden te willen zijn. Daarbij wordt tevens mededeling
gedaan van de naam en de woonplaats van de in artikel 907 lid 2, onder
f, bedoelde persoon.
4. Een beding dat een partij bij de
overeenkomst ten nadele van de gerechtigden tot een vergoeding van een
verbintenis bevrijdt is na een verbindendverklaring nietig, tenzij het
de partijen, die zich bij de overeenkomst hebben verbonden tot de
vergoeding van de schade gezamenlijk de bevoegdheid geeft om uiterlijk
binnen zes maanden na verloop van de in lid 2 bedoelde door de rechter
te bepalen termijn de overeenkomst op te zeggen op de grond dat de
verbindendverklaring voor te weinig gerechtigden tot een vergoeding
gevolgen heeft. Opzegging vindt in dat geval plaats door aankondiging in
twee nieuwsbladen en door een schriftelijke mededeling aan de stichting
of vereniging, bedoeld in artikel 907 lid 1. De partijen die de
overeenkomst hebben opgezegd dragen er zorg voor dat daarvan zo spoedig
mogelijk schriftelijk mededeling wordt gedaan aan de bekende
gerechtigden tot een vergoeding, waarbij de partijen zich kunnen houden
aan de laatste hen bekende woonplaatsen van de gerechtigden tot een
vergoeding.
5. Nadat de overeenkomst verbindend is
verklaard kunnen de partijen die de overeenkomst hebben gesloten zich
niet beroepen op de vernietigingsgronden als bedoeld in de artikelen 44
lid 3 van Boek 3 en 228 van Boek 6, en kan een gerechtigde tot een
vergoeding zich niet beroepen op de vernietigingsgrond als bedoeld in
artikel 904 lid 1.
Artikel 909
1. Een ingevolge de overeenkomst genomen
definitieve beslissing over de vergoeding die een gerechtigde tot een
vergoeding toekomt, is bindend. Indien evenwel deze beslissing, of de
wijze waarop deze tot stand is gekomen, naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid onaanvaardbaar is, is de rechter bevoegd over de
vergoeding te beslissen.
2. Indien een beslissing over de
toekenning van een vergoeding niet binnen een daartoe te stellen
redelijke termijn wordt verkregen, is de rechter bevoegd over de
vergoeding te beslissen.
3. De stichting of vereniging, bedoeld in
artikel 907 lid 1, kan nadat de overeenkomst verbindend is verklaard
nakoming jegens een gerechtigde tot een vergoeding vorderen, tenzij deze
zich daartegen verzet.
4. De gerechtigde tot een vergoeding
ontvangt krachtens de overeenkomst geen vergoeding waardoor hij in een
duidelijk voordeliger positie zou geraken.
5. Indien de partij of de partijen, die
zich bij de overeenkomst hebben verbonden tot de vergoeding van schade,
aan hun verplichtingen uit de overeenkomst kunnen voldoen door betaling
van een in de overeenkomst vastgesteld bedrag, en het totaalbedrag van
de verschuldigde vergoedingen het totaal te voldoene bedrag
overschrijdt, worden, nadat dit gebleken is, de nadien nog verschuldigde
vergoedingen naar evenredigheid verminderd tot het beloop van het dan
nog overgebleven bedrag. Naar gelang van onder meer de aard en de ernst
van de schade kan in de overeenkomst een van dan de in de eerste zin
afwijkende wijze van vermindering worden opgenomen. De betaling van een
nog verschuldigde vergoeding kan worden opgeschort indien in verband met
het in de eerste en tweede zin bepaalde op redelijke gronden kan worden
betwijfeld welk bedrag dient te worden voldaan.
Artikel 910
1. Zijn naast de partij of partijen die
zich bij de overeenkomst hebben verbonden tot de vergoeding van schade,
andere schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk, dan is artikel 14 van Boek
6 van overeenkomstige toepassing. Tenzij van een andere bedoeling
blijkt, wordt de overeenkomst geacht mede een beding in te houden als in
die bepaling bedoeld.
2. Indien de partij of de partijen, die
zich bij de overeenkomst hebben verbonden tot de vergoeding van schade,
aan hun verplichtingen uit de overeenkomst hebben voldaan door betaling
van een in de overeenkomst vastgesteld bedrag en er na voldoening van de
gerechtigden tot een vergoeding een restant is overgebleven, kan deze
partij, of kunnen deze partijen gezamenlijk de rechter die de
overeenkomst verbindend heeft verklaard, verzoeken om degene die deze
gelden beheert te bevelen dit restant aan deze partij of, in geval van
meer partijen, aan elke partij in evenredigheid van ieders bijdrage, uit
te keren. De rechter wijst het verzoek af indien onvoldoende aannemelijk
is dat alle gerechtigden tot een vergoeding zijn voldaan.
Titel 17. Verzekering
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 925
1. Verzekering is een overeenkomst
waarbij de ene partij, de verzekeraar, zich tegen het genot van premie
jegens haar wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van
een of meer uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor
partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige
uitkering moet worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen
premiebetaling zal duren. Zij is hetzij schadeverzekering, hetzij
sommenverzekering.
2. Persoonsverzekering is de verzekering
welke het leven of de gezondheid van een mens betreft.
Artikel 926
1. Onder uitkering is begrepen een
prestatie anders dan in geld.
2. In deze afdeling wordt onder de tot
uitkering gerechtigde verstaan degene die in geval van verwezenlijking
van het risico krachtens de verzekering recht heeft op uitkering of door
aanvaarding van de aanwijzing recht op uitkering kan krijgen.
Artikel 927
De bepalingen van deze titel zijn niet van
toepassing op herverzekering.
Artikel 928
1. De verzekeringnemer is verplicht
vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten
mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij
weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo
ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt
of kan afhangen.
2. Indien de belangen van een bij het
aangaan van de verzekering bekende derde worden gedekt, omvat de in lid
1 bedoelde verplichting mede de hem betreffende feiten die deze kent of
behoort te kennen, en waarvan naar deze weet of behoort te begrijpen, de
beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen. De vorige zin
mist toepassing bij persoonsverzekering.
3. Betreft een persoonsverzekering het
risico van een bekende derde die de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, dan omvat de mededelingsplicht mede de hem betreffende feiten
die deze kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort
te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen.
4. De mededelingsplicht betreft niet
feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen, en evenmin
feiten, die niet tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing
zouden hebben geleid. De verzekeringnemer of de derde, bedoeld in lid 2
of lid 3, kan zich er echter niet op beroepen dat de verzekeraar
bepaalde feiten reeds kent of behoort te kennen indien op een daarop
gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. De
mededelingsplicht betreft voorts geen feiten waarnaar ingevolge de
artikelen 4 tot en met 6 van de Wet op de medische keuringen in de daar
bedoelde gevallen geen medisch onderzoek mag worden verricht en geen
vragen mogen worden gesteld.
5. De verzekeringnemer is slechts
verplicht feiten mede te delen omtrent zijn strafrechtelijk verleden of
omtrent dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht
jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor
zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft
gesteld in niet voor misverstand vatbare termen.
6. Indien de verzekering is gesloten op
de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, kan
deze zich er niet op beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten
waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in
algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is
gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.
Artikel 929
1. De verzekeraar die ontdekt dat aan de
inartikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, kan de
gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen
twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding
van de mogelijke gevolgen.
2. De verzekeraar die ontdekt dat de
verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet hem te misleiden of die
bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben
gesloten, kan de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met
dadelijke ingang opzeggen.
3. De verzekeringnemer kan de
overeenkomst met dadelijke ingang opzeggen binnen twee maanden nadat de
verzekeraar overeenkomstig lid 1 heeft gehandeld of zich bij de
verwezenlijking van het risico op de niet-nakoming van de
mededelingsplicht beroept. Bij persoonsverzekering kan de
verzekeringnemer de beëindiging beperken tot de persoon, wiens risico
het beroep op de niet-nakoming betreft.
Artikel 930
1. Indien aan de in artikel 928
omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, bestaat alleen recht op
uitkering overeenkomstig de leden 2 en 3.
2. De bedongen uitkering geschiedt
onverkort, indien de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang
zijn voor de beoordeling van het risico, zoals dit zich heeft
verwezenlijkt.
3. Indien aan lid 2 niet is voldaan, maar
de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken een hogere premie
zou hebben bedongen, of de verzekering tot een lager bedrag zou hebben
gesloten, wordt de uitkering verminderd naar evenredigheid van hetgeen
de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen. Zou de
verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden
hebben gesteld, dan is slechts een uitkering verschuldigd als waren deze
voorwaarden in de overeenkomst opgenomen.
4. In afwijking van de leden 2 en 3 is
geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware
stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten.
5. In afwijking van de leden 2 en 3 is
geen uitkering verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld
in artikel 928 lid 2 of lid 3, die heeft gehandeld met het opzet de
verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de
derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te
misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de
derde.
Artikel 931
De verzekeraar kan zich niet beroepen op de
vernietigingsgronden als bedoeld in de artikelen 44 lid 3 van Boek 3 en
228 van Boek 6.
Artikel 932
1. De verzekeraar geeft zo spoedig
mogelijk een akte, polis genaamd, af, waarin de overeenkomst is
vastgelegd. Een polis die is opgemaakt op een wijze als bedoeld in
artikel 156a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet
zijn voorzien van een elektronische handtekening die voldoet aan de
eisen, bedoeld in artikel 15a lid 2 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek. De verzekeraar is niet verplicht een polis af te geven indien
de aard van de overeenkomst afwijkend gebruik rechtvaardigt en de
verzekeringnemer bij afgifte van de polis geen belang heeft.
2. Op wijzigingen in de overeenkomst is
lid 1 van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een door een verzekeraar
afgegeven bewijsstuk verloren is gegaan, geeft hij desverlangd tegen
vergoeding van de kosten een nieuw bewijsstuk af. Indien het bewijsstuk
aan toonder of order is gesteld en bij een verzekering van zaken die
door middel van documenten plegen te worden verhandeld, kan de
verzekeraar als voorwaarde voor het doen van een uitkering aan de houder
van een nieuw bewijsstuk verlangen, dat hem door de houder gedurende de
tijd dat de verzekeraar tot betaling kan worden gedwongen, zekerheid
wordt gesteld. Een instemming als bedoeld in artikel 156a lid 2 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ziet, zolang zij niet is
herroepen, eveneens op een nieuw bewijsstuk als bedoeld in de eerste
zin.
Artikel 933
1. Alle mededelingen waartoe de
bepalingen van deze titel of de overeenkomst de verzekeraar aanleiding
geven, geschieden schriftelijk. De verzekeraar kan zich daarbij houden
aan de laatste hem bekende woonplaats van de geadresseerde.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen van lid 1 afwijkende regels worden gesteld ten aanzien van de
verzending van mededelingen langs elektronische weg. Daarbij kunnen ook
regels worden gesteld ten aanzien van de verzending aan de verzekeraar
langs elektronische weg van mededelingen waartoe de bepalingen van deze
titel of de overeenkomst aanleiding geven.
3. De voordracht voor een krachtens het
tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 934
Het niet nakomen van de verplichting tot
betaling van de vervolgpremie kan eerst leiden tot beëindiging of
schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de
schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het
uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een
termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. De eerste zin geldt
niet voor het geval bedoeld in artikel 83, onder c, van Boek 6.
Artikel 935
1. De verzekeraar kan hetgeen hij
schuldig is aan de tot uitkering gerechtigde die geen schuldenaar van de
premie is, verrekenen met opeisbare premie voor dezelfde verzekering, de
schade wegens vertraging in de voldoening daarvan en de kosten, bedoeld
in artikel 96 lid 2, onder c, van Boek 6. De eerste zin geldt niet bij
verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld.
2. Bij een verzekering tegen
aansprakelijkheid kan de verzekeraar in afwijking van artikel 127 lid 2
van Boek 6 geen andere premie, schade en kosten als bedoeld in lid 1
verrekenen met hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde schuldig is,
dan die ter zake van dezelfde verzekering.
Artikel 936
1. Heeft een tussenpersoon zich bij de
verzekeringsovereenkomst tegenover de verzekeraar tot betaling van
premie en kosten als eigen schuld verbonden, dan is de verzekeringnemer
jegens de verzekeraar gekweten voor zover de premie en kosten voor
rekening van de tussenpersoon zijn gekomen of aan deze zijn voldaan. De
verzekeringnemer is tot vergoeding van die premie en kosten aan de
tussenpersoon gehouden.
2. Is een uitkering verschuldigd
geworden, dan is de verzekeraar desverlangd, ongeacht rechten van
derden, gehouden daarvan aan de tussenpersoon zoveel af te dragen als
deze ingevolge het in lid 1 bepaalde van de verzekeringnemer heeft te
vorderen. Is de verzekeringnemer krachtens de verzekeringsovereenkomst
tot de uitkering gerechtigd, dan heeft de verzekeraar eenzelfde
verplichting ten aanzien van andere verzekeringen waarbij dezelfde nemer
en dezelfde tussenpersoon zijn betrokken.
3. De verzekeraar die voornemens is een
uitkering te doen aan een ander dan de tussenpersoon, verzoekt deze
laatste om binnen tien dagen het bedrag op te geven, dat deze ingevolge
lid 1 van de verzekeringnemer heeft te vorderen. Indien de tussenpersoon
daaraan gevolg geeft, draagt de verzekeraar voor zoveel mogelijk het
opgegeven bedrag aan hem af. Heeft de verzekeraar hieraan voldaan of
heeft de tussenpersoon binnen de gestelde termijn niets opgegeven, dan
staat het de verzekeraar vrij aan de ander de nog verschuldigde
uitkering te doen.
4. De leden 2 en 3 missen toepassing:
a. bij verzekeringen die aan toonder
of order zijn gesteld, tenzij de verzekeringnemer tot de uitkering
is gerechtigd;
b. bij verplichte
aansprakelijkheidsverzekering.
5. Het in lid 2, tweede zin, bepaalde
mist bovendien toepassing:
a. indien op het recht op uitkering
een pandrecht rust als bedoeld in artikel 229 van Boek 3, of een
voorrecht als bedoeld in artikel 283 van Boek 3;
b. bij onverplichte verzekering tegen
aansprakelijkheid.
6. Wanneer de tussenpersoon de uitkering
namens de tot uitkering gerechtigde in ontvangst neemt, is hij bevoegd
om de vergoeding als bedoeld in lid 1, tweede zin, te verrekenen met
hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde schuldig is tot het bedrag
van zijn uit de leden 2, 4 en 5 voortvloeiende aanspraken.
Artikel 937
De verzekeraar die een uitkering doet aan
de tussenpersoon, is jegens de tot uitkering gerechtigde gekweten
voorzover hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde verschuldigd is aan
deze laatste is voldaan, doch in ieder geval voorzover de tot uitkering
gerechtigde door de betaling aan de tussenpersoon is gebaat.
Artikel 938
1. Behoudens het geval van opzet van de
verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928 lid 2 of lid 3 om
de verzekeraar te misleiden is geen premie verschuldigd indien in het
geheel geen risico is gelopen. Indien over een vol verzekeringsjaar geen
risico is gelopen, is over dat jaar geen premie verschuldigd. De
verzekeraar heeft recht op een billijke vergoeding van de te zijnen
laste gekomen kosten.
2. Gedurende één maand na afloop van
een vol verzekeringsjaar waarin geen risico is gelopen, mag elke partij
de overeenkomst met ingang van het nieuwe verzekeringsjaar opzeggen.
Deze opzegging heeft geen rechtskracht, indien risico is gelopen tussen
de aanvang van het nieuwe verzekeringsjaar en de opzegging.
3. Is slechts risico gelopen over een
kleiner aantal zaken of een kleinere hoeveelheid dan was verzekerd, dan
zijn de leden 1 en 2 van toepassing voor zover geen risico is gelopen.
Artikel 939
Behalve bij opzegging wegens opzet de
verzekeraar te misleiden, wordt bij tussentijdse opzegging de lopende
premie naar billijkheid verminderd.
Artikel 940
1. Bij opzegging tegen het einde van een
verzekeringsperiode teneinde verlenging van de overeenkomst te
verhinderen, wordt een termijn van twee maanden in acht genomen.
2. De verzekeringnemer en, tenzij het een
persoonsverzekering betreft, de verzekeraar kunnen een overeenkomst die
is aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar, of die voor zulk
een periode is verlengd, opzeggen tegen het einde van elk vijfde jaar
binnen die periode. Daarbij geldt de in lid 1 genoemde termijn.
3. Indien de verzekeraar de bevoegdheid
heeft bedongen de overeenkomst tussentijds op te zeggen, komt de
verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toe. Tenzij jegens hem is
gehandeld met het opzet tot misleiding neemt de verzekeraar
onderscheidenlijk de verzekeringnemer daarbij een termijn van twee
maanden in acht. Indien een verzekering dekking biedt tegen schade
veroorzaakt door risico’s als bedoeld in artikel 3:38 van de Wet op
het financieel toezicht, kan, bij de verwezenlijking van een dergelijk
risico of bij een dreiging van het ophanden zijn daarvan, de verzekeraar
onderscheidenlijk de verzekeringnemer in afwijking van deze termijn van
twee maanden, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van zeven
dagen opzeggen. De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de
overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid
aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd.
4. Indien de verzekeraar de voorwaarden
van de overeenkomst ten nadele van de verzekeringnemer of de tot
uitkering gerechtigde wijzigt, is de verzekeringnemer gerechtigd de
overeenkomst op te zeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in
ieder geval gedurende één maand nadat de wijziging hem is meegedeeld.
5. De verzekeraar kan een
persoonsverzekering niet beëindigen of wijzigen op grond van verzwaring
van het gezondheidsrisico, voor zover dat is gelegen in de persoon van
degeen, die de verzekering betreft.
6. De verzekeringnemer kan de
overeenkomst steeds langs elektronische weg opzeggen. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
verzending van opzeggingen langs elektronische weg.
7. De voordracht voor een krachtens het
zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 941
1. Zodra de verzekeringnemer of de tot
uitkering gerechtigde van de verwezenlijking van het risico op de hoogte
is, of behoort te zijn, is hij verplicht aan de verzekeraar de
verwezenlijking te melden. Dit geschiedt zo spoedig als redelijkerwijs
mogelijk is.
2. De verzekeringnemer en de tot
uitkering gerechtigde zijn verplicht binnen redelijke termijn de
verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor
deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.
3. Indien door de tot uitkering
gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 of 2 niet is
nagekomen, kan de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die
hij daardoor lijdt.
4. De verzekeraar kan het vervallen van
het recht op uitkering wegens niet-nakoming van een verplichting als
bedoeld in de leden 1 en 2 slechts bedingen voor het geval hij daardoor
in een redelijk belang is geschaad.
5. Het recht op uitkering vervalt indien
de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als
bedoeld in de leden 1 en 2 niet is nagekomen met het opzet de
verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het
verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.
Artikel 942
1. Een rechtsvordering tegen de
verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van
drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot
uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.
2. De verjaring wordt gestuit door een
schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt.
Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren begint te lopen met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de
aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak
af te wijzen.
3. Bij verzekering tegen
aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste zin,
gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot
uitkering gerechtigde of de benadeelde. In dat geval begint een nieuwe
verjaringstermijn van drie jaren te lopen met de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij
ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een
ander is, aan de tot uitkering gerechtigde heeft medegedeeld dat hij de
onderhandelingen afbreekt.
Artikel 943
1. Van de artikelen 931, 932, 935 lid 2,
936 en939 kan niet worden afgeweken.
2. Van de artikelen 933, eerste lid,
eerste zin, 937, 940 leden 1, 3, 5 en 6, 941 leden 1, 2, 4 en 5 en 942
kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering
gerechtigde worden afgeweken.
3. Van de artikelen 928 tot en met 930,
934 en 940 leden 2 en 4 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of
de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken indien de verzekeringnemer
een natuurlijk persoon is en hij de verzekering sluit anders dan in de
uitoefening van een beroep of bedrijf.
Afdeling 2. Schadeverzekering
Artikel 944
Schadeverzekering is de verzekering
strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen
lijden.
Artikel 945
In deze afdeling wordt onder verzekerde
verstaan degene die in geval van door hem geleden schade krachtens de
verzekering recht heeft op vergoeding of door aanvaarding van de
aanwijzing recht op vergoeding kan krijgen.
Artikel 946
1. De overeenkomst dekt slechts belangen
van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeengekomen.
2. Indien ingevolge een huwelijk of
geregistreerd partnerschap een zaak in een gemeenschap valt, zijn bij
een verzekering van die zaak de deelgenoten voor hun belang verzekerde.
Artikel 947
De verzekeringnemer kan de aanwijzing van
een derde aan wie in geval van schade een uitkering moet worden gedaan,
slechts herroepen met medewerking van de verzekeraar of van de derde. Met
betrekking tot een reeds gevallen schade kunnen de verzekeringnemer en de
verzekeraar de aanwijzing ook niet gezamenlijk ongedaan maken.
Artikel 948
1. Bij overdracht van een zaak of een
beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, gaan de rechten en
verplichtingen uit de verzekering die het belang van de vervreemder bij
het behoud van de zaak dekt, met het risico op de verkrijger over, ook
indien het risico al voor de overdracht overgaat. Hetzelfde geldt voor
bijkomstige verzekeringen die bij diezelfde overeenkomst tot stand zijn
gekomen. Geen overgang vindt plaats indien zulks voortvloeit uit de
rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen of uit een
verklaring van de nieuwe belanghebbende aan de verzekeraar.
2. De overeenkomst vervalt een maand
nadat zij op de nieuwe verzekerde is overgegaan, tenzij deze binnen die
termijn aan de verzekeraar verklaart de overeenkomst voort te zetten. In
dat geval kan de verzekeraar binnen twee maanden nadat de verklaring is
afgelegd, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van een maand
opzeggen.
3. Premies verschenen voordat de nieuwe
verzekerde heeft verklaard de overeenkomst voort te zetten, zijn
uitsluitend door de verzekeringnemer verschuldigd.
4. Het in lid 2 bepaalde leidt niet tot
verlenging van de duur van de overeenkomst noch tot beperking van het
recht tot opzegging uit anderen hoofde.
5. De leden 1 tot en met 4 missen
toepassing, indien de verzekering de verkrijger aanwijst als derde,
bedoeld in artikel 947.
Artikel 949
Bij verzekeringen als bedoeld in artikel
932 lid 3, tweede zin, geldt de houder van de polis of van een ander door
de verzekeraar afgegeven bewijsstuk als verzekerde, mits het verzekerde
belang bij hem berust. De artikelen 253 lid 2 van Boek 6, 947, 948 en 950
missen hier toepassing.
Artikel 950
Indien de verzekeringnemer overlijdt,
kunnen zijn erfgenamen en de verzekeraar de overeenkomst binnen negen
maanden nadat zij met dit overlijden bekend zijn geworden met inachtneming
van een termijn van een maand opzeggen. Wanneer de nalatenschap van de
verzekeringnemer ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn
echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 951
De verzekeraar vergoedt geen schade aan een
verzekerde zaak indien die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van
die zaak.
Artikel 952
De verzekeraar vergoedt geen schade aan de
verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft
veroorzaakt.
Artikel 953
Indien een verzekering tegen
aansprakelijkheid bepaalde erkenningen door de verzekerde verbiedt, heeft
overtreding van dat verbod geen gevolg voor zover de erkenning juist is.
Een verbod tot erkenning van feiten heeft nimmer gevolg.
Artikel 954
1. Indien in geval van een verzekering
tegen aansprakelijkheid de verzekeraar ingevolge artikel 941 de
verwezenlijking van het risico is gemeld, kan de benadeelde verlangen,
dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat
de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood
of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald.
2. De benadeelde kan zonder melding deze
betaling verlangen indien de verzekerde een rechtspersoon was die heeft
opgehouden te bestaan en de verplichting tot vergoeding van de schade
van de benadeelde niet op een ander is overgegaan.
3. Indien de benadeelde zijn in lid 1
bedoelde bevoegdheid nog niet heeft uitgeoefend, kan de verzekeraar
slechts bevrijdend aan de verzekerde betalen nadat hij de benadeelde
tevergeefs verzocht heeft binnen vier weken mede te delen of hij deze
bevoegdheid wil uitoefenen, of indien deze daarvan afstand heeft gedaan.
4. De verzekerde is niet bevoegd ten
nadele van de benadeelde over zijn vordering op de verzekeraar te
beschikken, voorzover deze vordering schade door dood of letsel betreft,
noch is deze vordering in zoverre voor anderen dan de benadeelde vatbaar
voor beslag.
5. Voorzover de verzekeraar in verband
met overschrijding van een verzekerde som tot minder gehouden is dan het
bedrag waarvoor de verzekerde aansprakelijk is, wordt de verschuldigde
uitkering naar evenredigheid toegerekend aan de schade van elk der
benadeelden alsmede, voorzover zij benadeelden betreft met zowel schade
door dood of letsel als andere schade, aan deze onderscheiden
schadesoorten. Niettemin blijft de verzekeraar die, onbekend met het
bestaan van vorderingen van andere benadeelden, te goeder trouw aan een
benadeelde of de verzekerde een groter bedrag dan het aan deze
toekomende deel heeft uitgekeerd, jegens de andere benadeelden slechts
gehouden tot het beloop van het overblijvende gedeelte van de verzekerde
som. De betaling aan de benadeelden kan worden opgeschort voorzover in
verband met het in de eerste zin bepaalde op redelijke gronden kan
worden betwijfeld welk bedrag dient te worden voldaan.
6. De benadeelde die ter zake van zijn
schade door dood of letsel een rechtsvordering instelt tegen de
verzekeraar, is daartoe slechts bevoegd indien hij er zorg voor draagt
dat de verzekerde tijdig in het geding wordt geroepen. Dit lijdt
uitzondering in het geval, bedoeld in lid 2.
7. De leden 1 tot en met 6 missen
toepassing voor zover de benadeelde schadeloos is gesteld of voor zover
hem door de wet jegens de verzekeraar een eigen recht op
schadevergoeding is toegekend.
Artikel 955
1. De verzekerde som is het hoogste
bedrag van de schadevergoeding tot uitkering waarvan de verzekeraar als
gevolg van eenzelfde voorval kan worden verplicht, behoudens het bij
artikel 959bepaalde.
2. Door een uitkering als bedoeld in lid
1, wordt de verzekerde som niet verminderd.
Artikel 956
Een gebouw is naar zijn herbouwwaarde, en
andere zaken zijn naar hun vervangingswaarde verzekerd. Vervangingswaarde
is het bedrag benodigd voor het verkrijgen van naar soort, kwaliteit,
hoeveelheid, staat en ouderdom gelijkwaardige zaken.
Artikel 957
1. Zodra de verzekeringnemer of de
verzekerde van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn
daarvan op de hoogte is, of behoort te zijn, is elk hunner, naar mate
hij daartoe in de gelegenheid is, verplicht binnen redelijke grenzen
alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de
schade kunnen leiden.
2. De verzekeraar vergoedt de kosten aan
het nemen van de in lid 1 bedoelde maatregelen verbonden, en de schade
aan zaken die daarbij worden ingezet.
3. Indien de verzekerde de in lid 1
bedoelde verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar de uitkering
verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.
Artikel 958
1. Er is totaal verlies, wanneer een
zaak:
a. is tenietgegaan,
b. zo is beschadigd dat zij heeft
opgehouden een zaak van de verzekerde soort te zijn, of
c. buiten de macht van de verzekerde
is geraakt en herkrijging niet is te verwachten.
2. Bij totaal verlies vergoedt de
verzekeraar de waarde van het verzekerde belang bij de zaak.
3. Heeft de verzekeraar in het geval van
lid 1 onder c voldaan aan zijn verplichting en wordt het daarna mogelijk
de zaak te herkrijgen, dan heeft de verzekeraar ter keuze van de
verzekerde recht op terugbetaling van de vergoeding of op overdracht van
de zaak.
4. De verzekeraar vergoedt in geval van
verzekering tegen vervangings-, herbouw- of nieuwwaarde bij
gedeeltelijke schade te zijner keuze hetzij de kosten van herstel en de
waardevermindering naar verkoopwaarde ondanks herstel, hetzij de
verzekerde waarde van de onbeschadigde zaak verminderd met de
verkoopwaarde van de restanten.
5. Indien het bedrag van de verzekerde
som lager is dan de waarde die aan de schadeberekening ten grondslag
ligt, wordt de vergoeding volgens de leden 2 en 4 verminderd naar
evenredigheid van hetgeen dat bedrag lager is dan de waarde.
Artikel 959
1. De in artikel 957 bedoelde vergoeding
en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen
ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de
vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden.
2. Indien de naar de grondslag van de
verzekering berekende waarde van de onbeschadigde zaak niet ten volle is
verzekerd, komt de in artikel 957 bedoelde vergoeding slechts met
overeenkomstige toepassing van artikel 958 lid 5 ten laste van de
verzekeraar.
Artikel 960
De verzekerde zal krachtens de verzekering
geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger
positie zou geraken. De vorige zin mist toepassing bij voorafgaande
taxatie van de waarde van een zaak tot stand gekomen krachtens een aan een
deskundige opgedragen beslissing of krachtens een beslissing van partijen
overeenkomstig het advies van een deskundige.
Artikel 961
1. Indien dezelfde schade door meer dan
een verzekering wordt gedekt, kan de verzekerde met inachtneming
vanartikel 960 elke verzekeraar aanspreken. De verzekeraar is daarbij
bevoegd de nakoming van zijn verplichting tot schadevergoeding op te
schorten totdat de verzekerde de andere verzekeringen heeft genoemd.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt met
schade die door een verzekering wordt gedekt gelijkgesteld schade die
door de verzekeraar onverplicht wordt vergoed.
3. De verzekeraars hebben onderling
verhaal opdat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van de bedragen
waarvoor een ieder afzonderlijk kan worden aangesproken. Verzekeraars
hebben op gelijke voet onderling verhaal voor hun redelijke kosten tot
het vaststellen van de schade, alsmede voor hun redelijke kosten van
verweer in en buiten rechte. De verzekerde is jegens de verzekeraars
afzonderlijk verplicht zich te onthouden van elke gedraging die ten
koste van dezen afbreuk doet aan hun onderling verhaal.
4. De bij eenzelfde verzekering betrokken
verzekeraars zijn niet verder aansprakelijk dan voor hun evenredig deel
van hetgeen in totaal ten laste van die verzekering komt.
Artikel 962
1. Indien de verzekerde terzake van door
hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot
schadevergoeding op derden heeft, gaan die vorderingen bij wijze van
subrogatie op de verzekeraar over voor zover deze, al dan niet
verplicht, die schade vergoedt. De verzekerde moet zich, nadat het
risico zich heeft verwezenlijkt, onthouden van elke gedraging welke aan
het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet.
2. De verzekeraar kan de vordering waarin
hij is gesubrogeerd, of die hij door overdracht heeft verkregen, niet
ten nadele van het recht op schadevergoeding van de verzekerde
uitoefenen.
3. De verzekeraar krijgt geen vordering
op de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner van een verzekerde,
de andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in
de rechte lijn van een verzekerde, op een werknemer of de werkgever van
de verzekerde, of op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever
als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon
jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die
afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan
de verzekerde zou zijn toe te rekenen.
Artikel 963
1. Van de artikelen 960 en 962 lid 2 en
lid 3, eerste zin, kan niet worden afgeweken.
2. Van artikel 953 kan niet ten nadele
van de verzekerde worden afgeweken.
3. Vanartikel 947, tweede zin, kan niet
ten nadele van de derde worden afgeweken.
4. Van artikel 954 kan niet ten nadele
van de benadeelde worden afgeweken.
5. Van artikel 957 lid 2 kan niet ten
nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken.
6. Van artikel 959 lid 1 kan niet ten
nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor
zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat
gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk
persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een
beroep of bedrijf heeft gesloten.
Afdeling 3. Sommenverzekering
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 964
Sommenverzekering is de verzekering waarbij
het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt
vergoed. Zij is slechts toegelaten bij persoonsverzekering en bij
verzekeringen welke daartoe bij algemene maatregel van bestuur, zonodig
binnen daarbij vast te stellen grenzen, zijn aangewezen.
Artikel 965
In deze afdeling wordt verstaan onder
verzekerde: degene op wiens leven of gezondheid de verzekering betrekking
heeft; onder begunstigde: degene die tot het ontvangen van een uitkering
is aangewezen. Onder uitkering zijn de bedragen, bedoeld in de artikelen
978 lid 2, 980 lid 2, 981 en983 begrepen.
Artikel 966
1. De verzekeringnemer kan door
schriftelijke mededeling aan de verzekeraar:
a. zichzelf of, al dan niet naast
zichzelf, één of meer derden als begunstigde aanwijzen, hetzij als
hoofdgerechtigde, hetzij als beperkt gerechtigde;
b. het recht op uitkering onder
bewind stellen;
c. een beschikking als onder a of b
bedoeld herroepen of wijzigen.
2. De verzekeraar kan een aanwijzing of
een wijziging daarvan afwijzen, indien zij de nakoming van zijn
uitkeringsverplichting onredelijk zou bemoeilijken. Hij oefent dit recht
uit door binnen een maand na de aanwijzing of de wijziging de
verzekeringnemer van zijn afwijzing in kennis te stellen.
3. Het bewind over een recht op uitkering
heeft dezelfde rechtsgevolgen als een bij uiterste wilsbeschikking
ingesteld bewind, met dien verstande dat:
a. de termijnen bedoeld in de
artikelen 178, 179 lid 2 en 180 lid 2 van Boek 4 aanvangen op het
tijdstip waarop de uitkering of de eerste van een reeks uitkeringen
opeisbaar wordt, en
b. het bewind, voor zover het niet in
het belang van een ander dan de begunstigde is ingesteld, ook
eindigt wanneer de verzekeringnemer en de begunstigde een
gemeenschappelijk besluit tot opheffing schriftelijk ter kennis van
de bewindvoerder brengen.
4. Een aanwijzing van een begunstigde als
hoofdgerechtigde tot zekerheid geldt als een aanwijzing als pandhouder.
Op een aanwijzing als hoofdgerechtigde tot aflossing van een schuld is
de vorige zin van overeenkomstige toepassing, tenzij de aanwijzing is
beperkt tot hetgeen ter zake aan de begunstigde is verschuldigd.
Artikel 967
1. Tenzij van een andere bedoeling
blijkt, vervalt de aanwijzing van een begunstigde, indien hij overlijdt
vóórdat:
a. hij de aanwijzing heeft aanvaard,
of
b. een uitkering waarop de aanwijzing
betrekking had, opeisbaar is geworden.
2. Is de begunstigde in hoedanigheid
aangeduid, dan wordt de aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve
van hem die deze hoedanigheid bezit ten tijde dat de aanwijzing volgens
artikel 968, onder b tot en met d, onherroepelijk wordt. Indien de
begunstigde zowel bij naam als in hoedanigheid is aangeduid, wordt de
aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve van de bij naam aangewezen
begunstigde.
3. In afwijking van het in lid 2 bepaalde
strekt de begunstiging steeds ten behoeve van de begunstigde wiens
aanwijzing door aanvaarding onherroepelijk is geworden, terwijl hij de
in de aanwijzing aangeduide hoedanigheid bezat.
4. Zijn de als zodanig aangeduide
erfgenamen van de verzekeringnemer of van de verzekerde als begunstigden
aangewezen, dan worden daaronder diegenen verstaan die als erfgenamen
tot de nalatenschap zijn geroepen, ongeacht of zij haar hebben aanvaard.
Zij zijn tot de uitkering gerechtigd in dezelfde verhouding als waarin
zij tot de nalatenschap zijn geroepen.
5. Is de nalatenschap van de
verzekeringnemer of van de verzekerde als begunstigde aangewezen, dan
komt het recht op uitkering toe aan de erfgenamen die de nalatenschap
hebben aanvaard. Zij zijn tot de uitkering gerechtigd in dezelfde
verhouding als waarin zij in de nalatenschap delen.
6. Zijn als zodanig aangeduide kinderen
als begunstigden aangewezen, dan worden daaronder hun afstammelingen bij
plaatsvervulling begrepen.
7. Indien een uitkering door de dood van
de verzekerde opeisbaar wordt en deze en een begunstigde derde
gelijktijdig zijn overleden, dan wel indien beiden zijn gestorven en men
niet kan weten wie het eerst is overleden, valt, tenzij van een andere
bedoeling blijkt, de uitkering niet aan die begunstigde ten deel.
8. Zolang geen derde als begunstigde is
aangewezen, komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer. De
verzekeringnemer wordt voorts geacht zichzelf als begunstigde te hebben
aangewezen voor het geval dat geen aanwijzing van een derde als
begunstigde gevolg heeft.
Artikel 968
De aanwijzing van een derde als begunstigde
kan niet worden herroepen:
a. indien die derde haar heeft
aanvaard;
b. indien het risico is geëindigd door
het overlijden van de verzekerde;
c. indien een uitkering opeisbaar
wordt;
d. indien dit uit de overeenkomst
voortvloeit.
Artikel 969
1. De begunstigde derde verkrijgt zijn
recht op uitkering door aanvaarding van zijn aanwijzing. In afwijking
van artikel 253 leden 3 en 4 van Boek 6 kan hij slechts aanvaarden door
een tot de verzekeraar gerichte verklaring. Tenzij de aanwijzing
onherroepelijk is volgens artikel 968, onder b tot en met d, kan de
begunstigde slechts schriftelijk aanvaarden met op gelijke wijze aan de
verzekeraar kenbaar gemaakte toestemming van de verzekeringnemer.
2. Is de aanwijzing volgens artikel 968,
onder b tot en met d, onherroepelijk, dan kan de begunstigde derde zijn
aanwijzing door een tot de verzekeraar gerichte verklaring afwijzen.
3. De begunstigde derde maakt de
aanvaarding van zijn aanwijzing ongedaan door afstand te doen van zijn
recht op uitkering.
Artikel 970
1. De rechten van de verzekeringnemer uit
een sommenverzekering kunnen, onverminderd de tweede zin, slechts
gezamenlijk worden overgedragen. Uit een sommenverzekering
voortvloeiende vorderingsrechten kunnen afzonderlijk worden
overgedragen, voor zover uit de wet of de overeenkomst niet anders
voortvloeit.
2. Levering van rechten uit een
verzekering vereist een daartoe bestemde akte en schriftelijke
mededeling daarvan aan de verzekeraar door de vervreemder of de
verkrijger.
Artikel 971
1. Bij het vestigen van een pandrecht op
uit een sommenverzekering voortvloeiende rechten mist artikel 239 van
Boek 3 toepassing.
2. Indien het pandrecht rust op een recht
op uitkering, treedt voor de toepassing van de artikelen 246 en 253 van
Boek 3 en artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
de hoofdgerechtigde voor de pandgever in de plaats. Heeft een als
hoofdgerechtigde aangewezen derde zijn aanwijzing nog niet aanvaard, dan
stelt de pandhouder de derde daartoe in de gelegenheid.
3. In afwijking van lid 2 kan de
pandhouder een overschot als bedoeld in artikel 253 lid 1, tweede zin,
van Boek 3 ook afdragen aan de verzekeraar. De verzekeraar is het bedrag
verschuldigd aan de hoofdgerechtigde.
Artikel 972
1. De verzekeringnemer kan zijn uit de
overeenkomst voortvloeiende rechten slechts uitoefenen met schriftelijke
toestemming:
a. van de begunstigde, wanneer een
aanwijzing volgens artikel 968 onherroepelijk is;
b. van de beperkt gerechtigde,
wanneer een beperkt recht is gevestigd op de voor de
verzekeringnemer uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, dan wel
op het recht op een uitkering.
2. Indien uitoefening van de in lid 1
bedoelde rechten niet zou leiden tot wijziging van de rechtspositie van
de begunstigde, onderscheidenlijk de beperkt gerechtigde, is daarvoor
diens toestemming niet vereist.
Artikel 973
Aan de overeenkomst kunnen geen rechten
worden ontleend door degeen die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat
hij de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht of
daaraan opzettelijk meegewerkt heeft.
Artikel 974
Van de vormvoorschriften van de artikelen
966 lid 1 en 969 lid 1, tweede zin, en van de artikelen 972 en 973 kan
niet worden afgeweken.
§ 2. Levensverzekering
Artikel 975
Levensverzekering is de in verband met het
leven of de dood gesloten sommenverzekering met dien verstande dat
ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd.
Artikel 976
Deartikelen 978 lid 1, 980 lid 1 en 981, en
artikel 986 voor zover het op deze bepalingen betrekking heeft, missen
toepassing bij verzekeringen strekkende tot voorziening in de kosten van
lijkbezorging. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hiervoor nadere
maatstaven worden gesteld. De waarde van deze verzekeringen en de uit deze
verzekeringen voortvloeiende rechten zijn niet vatbaar voor beslag en
blijven buiten het faillissement van of de toepassing van de
schuldsaneringsregeling op de verzekeringnemer en vereffening van zijn
nalatenschap.
Artikel 977
1. Behoudens het elders in deze titel
bepaalde kan de verzekering niet door de verzekeraar worden opgezegd of
ontbonden, noch krachtens enig beding vervallen. De eerste zin staat
niet in de weg aan een beding dat de verzekering eindigt of door de
verzekeraar kan worden opgezegd, indien zij als gevolg van in de
overeenkomst voorziene verrekening van premie, bedongen rente en kosten
niet langer premievrije waarde of afkoopwaarde heeft.
2. Behoudens het elders in deze afdeling
bepaalde kan de verzekeraar de verzekering slechts afkopen of premievrij
voortzetten met medewerking van de verzekeringnemer, verkregen na het
aangaan van de overeenkomst.
Artikel 978
1. De verzekeringnemer heeft het recht de
verzekering, voor zover deze stellig voorziet in een of meer
uitkeringen, geheel of gedeeltelijk door de verzekeraar te doen afkopen.
Door afkoop eindigt de verzekering, behoudens voor zover uit de
verzekering nog uitkeringen kunnen voortvloeien. De afkoopwaarde komt de
verzekeringnemer toe.
2. Indien de verzekering premievrije
waarde heeft, komt de verzekeringnemer het recht toe, haar premievrij te
doen voortzetten. Dit recht kan worden uitgesloten voor het geval dat
bij premievrijmaking tegen verminderde bedragen de hoogte van de
verminderde uitkering of uitkeringen beneden een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen grens zou blijven.
Artikel 979
1. De verzekeringnemer heeft het recht de
verzekering als bedoeld in artikel 978 lid 1 tot het bedrag van de
afkoopwaarde bij de verzekeraar te belenen op bij deze gebruikelijke
voorwaarden.
2. De verzekeraar mag het bedrag dat hij
ter zake van de belening betaalt, vermeerderd met rente en kosten, voor
zover het hem niet wordt terugbetaald, in mindering brengen op de
contante waarde van periodieke uitkeringen, en inhouden op betalingen
uit hoofde of ten laste van de verzekering.
Artikel 980
1. Het niet-betalen van vervolgpremie
heeft eerst gevolg, indien de verzekeraar na de vervaldag de
verzekeringnemer, de begunstigde, indien deze zijn aanwijzing heeft
aanvaard, de pandhouder en de beslaglegger door een mededeling op dat
gevolg heeft gewezen en betaling binnen een daarbij op ten minste één
maand gestelde termijn is uitgebleven.
2. Indien betaling is uitgebleven, wordt
de verzekering die premievrije waarde heeft, premievrij voortgezet of,
indien de overeenkomst daarin voorziet, voortgezet door middel van
verrekening van de premie en de bedongen rente en kosten met de
afkoopwaarde. Bestaat geen recht op voortzetting als in de vorige zin
bedoeld, dan eindigt de verzekering, en heeft de verzekeringnemer bij
een verzekering die afkoopwaarde heeft, recht op die waarde.
3. In afwijking van lid 1 kan worden
bedongen dat van de vervaldag af rente en kosten verschuldigd zijn.
Artikel 981
Overlijdt de verzekerde ten gevolge van een
van het risico uitgesloten oorzaak en heeft de verzekering afkoopwaarde,
dan wordt de verzekeraar een bedrag verschuldigd gelijk aan de
afkoopwaarde berekend naar de dag voorafgaande aan het overlijden. Dat
bedrag komt de begunstigde toe. Heeft de verzekering geen afkoopwaarde,
maar wel premievrije waarde, dan wordt de verzekeringnemer geacht de dag
vóór het overlijden het recht te hebben uitgeoefend als bedoeld in
artikel 978 lid 2 en wordt de verzekerde geacht te zijn overleden door een
niet van het risico uitgesloten oorzaak.
Artikel 982
1. Indien de leeftijd of het geslacht van
de verzekerde onjuist is opgegeven, wordt de verzekering geacht te zijn
gesloten tot de aan de juiste leeftijd of het juiste geslacht aangepaste
uitkering, of uitkeringen, bij handhaving van hetgeen omtrent de
premiebetaling is overeengekomen. De artikelen 929 en 930 en983 missen
in zoverre toepassing.
2. Lid 1 mist toepassing indien de
verzekeraar bij kennis van de juiste leeftijd of het juiste geslacht
geen verzekering zou hebben gesloten.
Artikel 983
1. Indien een verzekering die de
verzekeringnemer krachtens wet of overeenkomst kan doen afkopen,
overeenkomstig artikel 929 wordt opgezegd, verkrijgt de verzekeringnemer
recht op de afkoopwaarde van de dag vóór haar beëindiging.
2. De begunstigde verkrijgt recht op een
op gelijke wijze berekend bedrag, indien de verzekeraar bij het einde
van het risico een beroep doet op de gevolgen van het niet nakomen van
artikel 928. Zou echter de toepassing van artikel 930 lid 2 of 3 tot een
hogere uitkering leiden, dan verkrijgt de begunstigde daarop aanspraak.
3. De verzekeraar die ingevolge artikel
929 de verzekeringnemer op het niet nakomen van artikel 928 wijst onder
voorbehoud van zijn rechten of die de gevolgen van dat niet nakomen
inroept, stelt de begunstigde die zijn aanwijzing heeft aanvaard, en de
pandhouder daarvan in kennis. In het geval, bedoeld in de eerste zin,
stelt de verzekeraar ook de beslaglegger in kennis, tenzij nog geen
verklaring als bedoeld in artikel 476a, eerste lid, Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is gedaan.
Artikel 984
1. Rust een pandrecht op de rechten van
de verzekeringnemer, dan kan de pandhouder de verzekering doen afkopen,
tenzij de verzekeringnemer de bevoegdheid mist de verzekering te doen
afkopen. Tevens kan de pandhouder de begunstiging wijzigen ten behoeve
van de verzekeringnemer, voor zover deze niet onherroepelijk is. Hij kan
de verzekering slechts doen afkopen indien de schuldenaar in verzuim is
gekomen en nadat hij daarna zijn voornemen tot het doen afkopen ten
minste vier weken tevoren, bij aangetekende brief of bij
deurwaardersexploit, aan de verzekeringnemer heeft medegedeeld. De
verzekeraar is niet gehouden te onderzoeken of de schuldenaar in verzuim
is. De pandhouder doet een afschrift van de brief of het exploit,
bedoeld in de derde zin, toekomen aan de verzekeraar.
2. Om de verzekering te kunnen doen
afkopen, dient de pandhouder bij de mededeling van een voornemen van
afkoop tevens te vermelden dat de verzekeringnemer, tenzij deze
bevoegdheid is uitgesloten, de verzekering binnen de termijn van vier
weken, bedoeld in lid 1, kan belenen ter voldoening, voor zover
mogelijk, van hetgeen aan de pandhouder verschuldigd is.
3. Heeft de pandhouder de verzekering
doen afkopen of de verzekeringnemer deze overeenkomstig lid 2 beleend,
dan rust het pandrecht nog slechts op de vordering ter zake van die
afkoop of die belening.
4. De pandhouder is niet bevoegd tot
verkoop overeenkomstig artikel 248 van Boek 3.
Artikel 985
Een rechtsvordering tegen de verzekeraar
tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van vijf jaar na de
dag waarop die vordering opeisbaar is geworden, tenzij een langere termijn
is bedongen.
Artikel 986
1. Van artikel 984 kan niet worden
afgeweken.
2. Van de artikelen 977,981 en 982 kan
niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde of de pandhouder
worden afgeweken.
3. Van de artikelen 978 lid 2, 980, en
983 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde, de
pandhouder of de beslaglegger worden afgeweken, indien de
verzekeringnemer is een natuurlijk persoon en deze de verzekering sluit
anders dan in verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf.
4. Beperking of uitsluiting van het
recht, bedoeld inartikel 978 lid 1, kan niet worden tegengeworpen aan
schuldeisers van de verzekeringnemer, de curator in het faillissement
van de verzekeringnemer, diens bewindvoerder in geval van surséance van
betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel de
vereffenaar van de nalatenschap van de verzekeringnemer. Bij een
verzekering die recht geeft op periodieke uitkeringen of verstrekkingen,
mist de eerste zin toepassing voor zover de ter zake voldane premies,
mede op de grond dat de verzekering bepaalt dat zij niet kan worden
afgekocht, voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking
konden worden genomen voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit
werk en woning.
Titel 18. Lijfrente
Artikel 990
Lijfrente is het van het in leven zijn van
één of meer personen afhankelijke recht op een periodieke uitkering in
geld.
Artikel 991
1. Indien een uitkering op de vervaldag
niet is betaald en ook binnen een maand na een schriftelijke aanmaning
nog niet is voldaan, kan de gerechtigde de lijfrente, voor zover nog
verschuldigd, bij een schriftelijke mededeling aan de schuldenaar
omzetten in een vordering tot vergoeding van het bedrag dat is vereist
voor het kopen van een gelijke lijfrente.
2. Nochtans is de schuldenaar van de
lijfrente bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten indien
hij op redelijke gronden betwijfelt of het lijf nog in leven is.
Artikel 992
Over een periode waarin het lijf overlijdt,
is de rente slechts verschuldigd naar evenredigheid van het aantal dagen
dat hij heeft geleefd. Indien de rente vooruit moest worden betaald blijft
zij over de gehele termijn verschuldigd.
|