Nadere
regelgeving:
- Besluit fondsen en spaarregelingen
- Besluit huurprijzen woonruimte
- Besluit kleine herstellingen
- Besluit servicekosten
- Pachtprijzenbesluit 2007
- Uitvoeringsbesluit pacht
- Uitvoeringsregeling
huurprijzen woonruimte'
- Uitvoeringsregeling
pacht
Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere
overeenkomsten
Boek 7. Bijzondere overeenkomsten
Titel 1. Koop en ruil
Afdeling 1. Koop: Algemene bepalingen
Artikel 1
Koop is de overeenkomst waarbij de een zich
verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld
te betalen.
Artikel 2
1.De koop van een tot bewoning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een
natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, schriftelijk aangegaan.
2.De tussen partijen opgemaakte akte of een
afschrift daarvan moet aan de koper ter hand worden gesteld,
desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd
ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling
heeft de koper het recht de koop te ontbinden. Komt, nadat de
koper van dit recht gebruik gemaakt heeft, binnen zes maanden
tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde zaak of
hetzelfde bestanddeel daarvan opnieuw een koop tot stand, dan
ontstaat het recht niet opnieuw.
3.De leden 1–2 zijn van overeenkomstige
toepassing op de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die
recht geven op het gebruik van een tot bewoning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan.
4.Van het in de leden 1–3 bepaalde kan
niet ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
5.De leden 1–4 zijn niet van toepassing op
huurkoop en koop op een openbare veiling ten overstaan van een
notaris. Zij zijn evenmin van toepassing op een koop als bedoeld
in artikel 48a onder a
Artikel 3
1.De koop van een registergoed kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3, tenzij op het tijdstip van de inschrijving
levering van dat goed door de verkoper nog niet mogelijk zou zijn
geweest wegens de in artikel 97 van Boek 3 vervatte uitsluiting
van levering bij voorbaat van toekomstige registergoederen. Bij de
koop van een tot woning bestemde onroerende zaak of bestanddeel
daarvan kan, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, van het in de
vorige zin bepaalde niet ten nadele van de koper worden afgeweken.
2.Gedurende de bedenktijd, bedoeld in
artikel 2 lid 2, kan inschrijving slechts plaatsvinden indien de
koopakte is opgesteld en medeondertekend door een in Nederland
gevestigde notaris.
3.Tegen de koper wiens koop is ingeschreven
kunnen niet worden ingeroepen:
a. een na de inschrijving van die koop
tot stand gekomen vervreemding of bezwaring door de verkoper,
tenzij deze vervreemding of bezwaring voortvloeit uit een
eerder ingeschreven koop of plaatsvond uit hoofde van een
recht op levering dat volgens artikel 298 van Boek 3 ging voor
dat van de koper en dat de koper op het tijdstip van de
inschrijving van de koop kende of ten aanzien waarvan op dat
tijdstip het proces-verbaal van een conservatoir beslag tot
levering was ingeschreven;
b. vervreemdingen of bezwaringen die
plaatsvinden als vervolg op de onder a bedoelde vervreemding
of bezwaring door de verkoper;
c. een onderbewindstelling die na de
inschrijving van de koop is tot stand gekomen of die, zo zij
tevoren was tot stand gekomen, toen niet in de openbare
registers was ingeschreven, dit laatste tenzij de koper haar
op het tijdstip van de inschrijving van de koop kende;
d. een na de inschrijving van de koop
tot stand gekomen verhuring of verpachting;
e. een na de inschrijving van de koop
ingeschreven beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6;
f. een executoriaal of conservatoir
beslag waarvan het proces-verbaal na de inschrijving van de
koop is ingeschreven;
g. een faillissement of surséance van
betaling van de verkoper of toepassing ten aanzien van hem van
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, uitgesproken
na de dag waarop de koop is ingeschreven.
4.De inschrijving van de koop verliest de in
lid 3 bedoelde werking met terugwerkende kracht, indien het goed
niet binnen zes maanden na de inschrijving aan de koper geleverd
is. In dat geval wordt bovendien de koop niet geacht kenbaar te
zijn door raadpleging van de openbare registers.
5.Nadat de inschrijving haar werking heeft
verloren, kan gedurende zes maanden geen koop tussen dezelfde
partijen met betrekking tot hetzelfde goed worden ingeschreven.
6.Inschrijving van de koop vindt slechts
plaats indien onder de koopakte een ondertekende en gedateerde
verklaring van een notaris is opgenomen, die zijn naam, voornamen,
standplaats en kwaliteit bevat en waarin verklaard wordt dat de
leden 1, 2 en 5 niet aan inschrijving in de weg staan.
7.De leden 1–6 zijn niet van toepassing op
huurkoop.
Artikel 4
Wanneer de koop is gesloten zonder dat de
prijs is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd; bij
de bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de door de
verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk
bedongen prijzen.
Artikel 5
1.In deze titel wordt verstaan onder
"consumentenkoop": de koop met betrekking tot een
roerende zaak, elektriciteit daaronder begrepen, die wordt
gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
2.Wordt de zaak verkocht door een
gevolmachtigde die handelt in de uitoefening van beroep of
bedrijf, dan wordt de koop aangemerkt als een consumentenkoop,
tenzij de koper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst weet
dat de volmachtgever niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf.
3.De vorige leden zijn niet van toepassing
indien de overeenkomst door leidingen naar de verbruiker
aangevoerd water betreft.
4.Indien de te leveren roerende zaak nog tot
stand moet worden gebracht en de overeenkomst krachtens welke deze
zaak moet worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel
750, dan wordt de overeenkomst mede als een consumentenkoop
aangemerkt indien de overeenkomst wordt gesloten door een aannemer
die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een
opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf. De bepalingen van deze
titel en die van afdeling 1 van titel 12 zijn naast elkaar van
toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel
van toepassing.
Artikel 6
1.Bij een consumentenkoop kan van de
afdelingen 1-7 van deze titel niet ten nadele van de koper worden
afgeweken en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de
koper ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de
verplichtingen van de verkoper toekent, niet worden beperkt of
uitgesloten.
2.Lid 1 is niet van toepassing op de
artikelen 11, 12, 13, 26 en 35, doch bedingen in algemene
voorwaarden waarbij ten nadele van de koper wordt afgeweken van
die artikelen, worden als onredelijk bezwarend aangemerkt.
3.De toepasselijkheid op de consumentenkoop
van een recht dat de door de richtlijn nr. 99/44/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1999
betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties
voor consumptiegoederen (PbEG L 171) voorziene bescherming niet of
slechts ten dele biedt, kan er niet toe leiden dat de koper de
bescherming verliest die hem krachtens deze richtlijn wordt
geboden door de dwingende bepalingen van het recht van de lidstaat
van de Europese Unie of de andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waar hij
zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 6a
1.Indien in geval van een consumentenkoop in
een garantie door de verkoper of de producent bepaalde
eigenschappen zijn toegezegd, bij het ontbreken waarvan de koper
bepaalde rechten of vorderingen worden toegekend, dan kan de koper
deze uitoefenen onverminderd alle andere rechten of vorderingen
die de wet de koper toekent.
2.In een garantie moet op duidelijke en
begrijpelijke wijze worden vermeld welke in lid 1 bedoelde rechten
of vorderingen een koper worden toegekend en moet worden vermeld
dat deze een koper toekomen onverminderd de rechten of vorderingen
die de wet hem toekent. Voorts moeten in een garantie de naam en
het adres worden vermeld van de verkoper of de producent van wie
de garantie afkomstig is, alsmede de duur en het gebied waarvoor
de garantie geldt.
3.De in lid 2 bedoelde gegevens moeten de
koper op zijn verlangen worden verstrekt. Dit geschiedt
schriftelijk of op een andere ter beschikking van de koper staande
en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager.
4.De aan de koper door de verkoper of de
producent in een garantiebewijs toegekende rechten of vorderingen
komen hem ook toe indien de zaak niet de eigenschappen bezit die
in een reclame door deze verkoper of producent zijn toegezegd.
5.In dit artikel wordt verstaan onder:
garantie: een in een garantiebewijs of
reclame gedane toezegging als bedoeld in lid 1;
producent: de fabrikant van de zaak,
degene die de zaak in de Europese Economische Ruimte invoert,
alsmede een ieder die zich als producent presenteert door zijn
naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op de zaak
aan te brengen.
Artikel 7
1.Degene aan wie een zaak is toegezonden en
die redelijkerwijze mag aannemen dat deze toezending is geschied
ten einde hem tot een koop te bewegen, is ongeacht enige
andersluidende mededeling van de verzender jegens deze bevoegd de
zaak om niet te behouden, tenzij het hem is toe te rekenen dat de
toezending is geschied.
2.De toezending aan een natuurlijk persoon
die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van
een niet door deze bestelde zaak met het verzoek tot betaling van
een prijs, terugzending of bewaring, is niet toegestaan. Wordt
desalniettemin een zaak toegezonden als bedoeld in de eerste
volzin, dan is het in lid 1 bepaalde omtrent de bevoegdheid, de
zaak om niet te behouden, van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de ontvanger in de gevallen,
bedoeld in de leden 1–2, de zaak terugzendt, komen de kosten
hiervan voor rekening van de verzender.
4.Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op
het verrichten ten behoeve van een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet
door deze opgedragen dienst.
Artikel 8
Wordt een nieuw gebouwde of te bouwen woning,
bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, verkocht
en is de koper een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, dan zijn de artikelen 767 en
768 van overeenkomstige toepassing. Hiervan kan niet ten nadele van
de koper worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als
bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
Afdeling 2. Verplichtingen van de verkoper
Artikel 9
1. De verkoper is verplicht de verkochte
zaak met toebehoren in eigendom over te dragen en af te leveren.
Onder toebehoren zijn de aanwezige titelbewijzen en bescheiden
begrepen; voor zover de verkoper zelf daarbij belang behoudt, is
hij slechts verplicht om aan de koper op diens verlangen en op
diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven.
2. Onder aflevering wordt verstaan het
stellen van de zaak in het bezit van de koper.
3. In geval van koop met eigendomsvoorbehoud
wordt onder aflevering verstaan het stellen van de zaak in de
macht van de koper.
Artikel 10
1. De zaak is voor risico van de koper van
de aflevering af, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen.
Derhalve blijft hij de koopprijs verschuldigd, ongeacht tenietgaan
of achteruitgang van de zaak door een oorzaak die niet aan de
verkoper kan worden toegerekend.
2. Hetzelfde geldt van het ogenblik af,
waarop de koper in verzuim is met het verrichten van een handeling
waarmede hij aan de aflevering moet medewerken. Ingeval naar de
soort bepaalde zaken zijn verkocht, doet het verzuim van de koper
het risico eerst op hem overgaan, wanneer de verkoper de voor de
uitvoering van de overeenkomst bestemde zaken heeft aangewezen en
de koper daarvan heeft verwittigd.
3. Indien de koper op goede gronden het
recht op ontbinding van de koop of op vervanging van de zaak
inroept, blijft deze voor risico van de verkoper.
4. Wanneer de zaak na de aflevering voor
risico van de verkoper is gebleven, is het tenietgaan of de
achteruitgang ervan door toedoen van de koper eveneens voor
rekening van de verkoper. De koper moet echter van het ogenblik af
dat hij redelijkerwijs rekening moet houden met het feit dat hij
de zaak zal moeten teruggeven, als een zorgvuldig schuldenaar voor
het behoud ervan zorgen; artikel 78 van Boek 6 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de
koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen
vervoerder, is de zaak pas voor risico van de koper van de bezorging
af, zelfs al was zij reeds eerder afgeleverd in de zin van artikel
9.
Artikel 12
1. Kosten van aflevering, die van weging en
telling daaronder begrepen, komen ten laste van de verkoper.
2. Kosten van afhalen en kosten van een
koopakte en van de overdracht komen ten laste van de koper.
Artikel 13
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de
koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen
vervoerder, kunnen daarvoor slechts kosten worden gevorderd, voor
zover zij bij het sluiten van de overeenkomst door de verkoper
afzonderlijk zijn opgegeven of door de verkoper de gegevens zijn
verschaft op grond waarvan zij door hem worden berekend. Hetzelfde
geldt voor kosten, verschuldigd voor andere werkzaamheden die de
verkoper in verband met de koop voor de koper verricht.
Artikel 14
Van de dag van aflevering af komen de vruchten
toe aan de koper, met dien verstande dat burgerlijke vruchten van
dag tot dag berekend worden.
Artikel 15
1. De verkoper is verplicht de verkochte
zaak in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en
beperkingen, met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk
heeft aanvaard.
2. Ongeacht enig andersluidend beding staat
de verkoper in voor de afwezigheid van lasten en beperkingen die
voortvloeien uit feiten die vatbaar zijn voor inschrijving in de
openbare registers, doch daarin ten tijde van het sluiten van de
overeenkomst niet waren ingeschreven.
Artikel 16
Wanneer tegen de koper een vordering wordt
ingesteld tot uitwinning of tot erkenning van een recht waarmede de
zaak niet belast had mogen zijn, is de verkoper gehouden in het
geding te komen ten einde de belangen van de koper te verdedigen.
Artikel 17
1.De afgeleverde zaak moet aan de
overeenkomst beantwoorden.
2.Een zaak beantwoordt niet aan de
overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de
mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de
eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst
mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de
eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig
zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen,
alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik
dat bij de overeenkomst is voorzien.
3.Een andere zaak dan is overeengekomen, of
een zaak van een andere soort, beantwoordt evenmin aan de
overeenkomst. Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal,
maat of gewicht van het overeengekomene afwijkt.
4.Is aan de koper een monster of model
getoond of verstrekt, dan moet de zaak daarmede overeenstemmen,
tenzij het slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt zonder
dat de zaak daaraan behoefde te beantwoorden.
5.De koper kan zich er niet op beroepen dat
de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of
redelijkerwijs bekend kon zijn. Ook kan de koper zich er niet op
beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer
dit te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van grondstoffen
afkomstig van de koper, tenzij de verkoper hem voor deze gebreken
of ongeschiktheid had moeten waarschuwen.
6.Bij koop van een onroerende zaak wordt
vermelding van de oppervlakte vermoed slechts als aanduiding
bedoeld te zijn, zonder dat de zaak daaraan behoeft te
beantwoorden.
Artikel 18
1.Bij de beoordeling van de vraag of een op
grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst
beantwoordt, gelden mededelingen die door of ten behoeve van een
vorige verkoper van die zaak, handelend in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, omtrent de zaak zijn openbaar gemaakt, als
mededelingen van de verkoper, behoudens voor zover deze een
bepaalde mededeling kende noch behoorde te kennen of deze
mededeling uiterlijk ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
op een voor de koper duidelijke wijze is herroepen, dan wel de
koop niet door deze mededeling beïnvloed kan zijn.
2.Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat
de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord,
indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een
termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard
van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
3.Indien in geval van een consumentenkoop de
verkoper verplicht is zorg te dragen voor de installatie van de
zaak en deze installatie ondeugdelijk is uitgevoerd, wordt dit
gelijkgesteld aan een gebrek aan overeenstemming van de zaak aan
de overeenkomst. Hetzelfde geldt indien de installatie door de
koper ondeugdelijk is uitgevoerd en dit te wijten is aan de
montagevoorschriften die met de levering van de zaak aan de koper
zijn verstrekt.
Artikel 19
1.In geval van een executoriale verkoop kan
de koper zich er niet op beroepen dat de zaak behept is met een
last of een beperking die er niet op had mogen rusten, of dat deze
niet aan de overeenkomst beantwoordt, tenzij de verkoper dat wist.
2.Hetzelfde geldt indien de verkoop bij
wijze van parate executie plaatsvindt, mits de koper dit wist of
had moeten weten. Bij een consumentenkoop kan de koper zich er
echter wel op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst
beantwoordt.
Afdeling 3. Bijzondere gevolgen van
niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper
Artikel 20
Is de zaak behept met een last of een
beperking die er niet op had mogen rusten, dan kan de koper eisen
dat de last of de beperking wordt opgeheven, mits de verkoper
hieraan redelijkerwijs kan voldoen.
Artikel 21
1.Beantwoordt het afgeleverde niet aan de
overeenkomst, dan kan de koper eisen:
a. aflevering van het ontbrekende;
b. herstel van de afgeleverde zaak, mits
de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen;
c. vervanging van de afgeleverde zaak,
tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om
dit te rechtvaardigen, dan wel de zaak na het tijdstip dat de
koper redelijkerwijze met ongedaanmaking rekening moet houden,
teniet of achteruit is gegaan doordat hij niet als een
zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan heeft gezorgd.
2.De kosten van nakoming van de in lid 1
bedoelde verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening
worden gebracht.
3.De verkoper is verplicht om, mede gelet op
de aard van de zaak en op het bijzondere gebruik van de zaak dat
bij de overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en
zonder ernstige overlast voor de koper, zijn in lid 1 bedoelde
verplichtingen na te komen.
4.Bij een consumentenkoop komt de koper in
afwijking van lid 1 slechts dan geen herstel of vervanging van de
afgeleverde zaak toe indien herstel of vervanging onmogelijk is of
van de verkoper niet gevergd kan worden.
5.Herstel of vervanging kan bij een
consumentenkoop van de verkoper niet gevergd worden indien de
kosten daarvan in geen verhouding staan tot de kosten van
uitoefening van een ander recht of een andere vordering die de
koper toekomt, gelet op de waarde van de zaak indien zij aan de
overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het
overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander recht
of een andere vordering geen ernstige overlast voor de koper
veroorzaakt.
6.Indien bij een consumentenkoop de verkoper
niet binnen een redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper
schriftelijk is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van
de afgeleverde zaak heeft voldaan, is de koper bevoegd het herstel
door een derde te doen plaatsvinden en de kosten daarvan op de
verkoper te verhalen.
Artikel 22
1.Beantwoordt het afgeleverde niet aan de
overeenkomst, dan heeft bij een consumentenkoop de koper voorts de
bevoegdheid om:
a. de overeenkomst te ontbinden, tenzij
de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe
betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet
rechtvaardigt;
b. de prijs te verminderen in
evenredigheid met de mate van afwijking van het
overeengekomene.
2.De in lid 1 bedoelde bevoegdheden ontstaan
pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de
verkoper niet gevergd kunnen worden, danwel de verkoper tekort is
geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3.
3.Voorzover daarvan in deze afdeling niet is
afgeweken zijn op de in lid 1 onder b bedoelde bevoegdheid de
bepalingen van afdeling 5 van titel 5 van Boek 6 omtrent
ontbinding van een overeenkomst van overeenkomstige toepassing.
4.De rechten en bevoegdheden genoemd in lid
1 en de artikelen 20 en 21 komen de koper toe onverminderd alle
andere rechten en vorderingen.
Artikel 23
1.De koper kan er geen beroep meer op doen
dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt,
indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij
dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken,
kennis heeft gegeven. Blijkt echter aan de zaak een eigenschap te
ontbreken die deze volgens de verkoper bezat, of heeft de
afwijking betrekking op feiten die hij kende of behoorde te kennen
doch die hij niet heeft meegedeeld, dan moet de kennisgeving
binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden. Bij een
consumentenkoop moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de
ontdekking geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een termijn
van twee maanden na de ontdekking tijdig is.
2.Rechtsvorderingen en verweren, gegrond op
feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde
zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop
van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane
kennisgeving. Doch de koper behoudt de bevoegdheid om aan een
vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering
daarvan of op schadevergoeding tegen te werpen.
3.De termijn loopt niet zolang de koper zijn
rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.
Artikel 24
1. Indien op grond van een consumentenkoop
een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de
koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft de
koper jegens de verkoper recht op schadevergoeding overeenkomstig
de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6.
2. Bestaat de tekortkoming in een gebrek als
bedoeld in afdeling 3 van titel 3 van Boek 6, dan is de verkoper
niet aansprakelijk voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij
a. hij het gebrek kende of behoorde te
kennen,
b. hij de afwezigheid van het gebrek
heeft toegezegd of
c. het betreft zaakschade terzake
waarvan krachtens afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 geen recht
op vergoeding bestaat op grond van de in die afdeling
geregelde franchise, onverminderd zijn verweren krachtens de
afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6.
3. Indien de verkoper de schade van de koper
vergoedt krachtens lid 2 onder a of b, is de koper verplicht zijn
rechten uit afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 aan de verkoper over
te dragen.
Artikel 25
1.Heeft de koper, in geval van een
tekortkoming als bedoeld in artikel 24, een of meer van zijn
rechten ter zake van die tekortkoming tegen de verkoper
uitgeoefend, dan heeft de verkoper recht op schadevergoeding
jegens degene van wie hij de zaak heeft gekocht, mits ook deze bij
die overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf
heeft gehandeld. Kosten ter zake van verweer worden slechts
vergoed voor zover zij in redelijkheid door de verkoper zijn
gemaakt.
2.Van lid 1 kan niet ten nadele van de
verkoper worden afgeweken.
3.Het recht op schadevergoeding krachtens
lid 1 komt de verkoper niet toe indien de afwijking betrekking
heeft op feiten die hij kende of behoorde te kennen, dan wel haar
oorzaak vindt in een omstandigheid die is voorgevallen nadat de
zaak aan hem werd afgeleverd.
4.Indien aan de zaak een eigenschap
ontbreekt die deze volgens de verkoper bezat, is het recht van de
verkoper op schadevergoeding krachtens lid 1 beperkt tot het
bedrag waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij de
toezegging niet had gedaan.
5.Op het verhaal krachtens eerdere
koopovereenkomsten zijn de vorige leden van overeenkomstige
toepassing.
6.De vorige leden zijn niet van toepassing
voor zover het betreft schade als bedoeld in artikel 24 lid 2.
Afdeling 4. Verplichtingen van de koper
Artikel 26
1.De koper is verplicht de prijs te betalen.
2.De betaling moet geschieden ten tijde en
ter plaatse van de aflevering. Bij een consumentenkoop kan de
koper tot vooruitbetaling van ten hoogste de helft van de
koopprijs worden verplicht.
3.Is voor de eigendomsoverdracht een
notariële akte vereist, gevolgd door inschrijving daarvan in de
daartoe bestemde openbare registers, dan moet het verschuldigde
ten tijde van de ondertekening van de akte tenminste uit de macht
van de koper zijn gebracht en behoeft het pas na de inschrijving
in de macht van de verkoper te worden gebracht.
4.Bij de koop van een tot bewoning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan, kan de koper die een
natuurlijk persoon is en niet handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, niet worden verplicht tot vooruitbetaling van
de koopprijs, behoudens dat kan worden bedongen dat hij ter
verzekering van de nakoming van zijn verplichtingen een bedrag dat
niet hoger is dan 10% van de koopprijs, in depot stort bij een
notaris dan wel voor dit bedrag vervangende zekerheid stelt. Van
het in de eerste zin bepaalde kan niet ten nadele van de koper
worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld
in artikel 214 van Boek 6. Het teveel betaalde geldt als
onverschuldigd betaald.
5.Lid 4 is van overeenkomstige toepassing op
de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven
op het gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan.
6.De leden 4–5 zijn niet van toepassing op
een koop als bedoeld in artikel 48a onder a.
Artikel 27
Wanneer de koper gestoord wordt of goede grond
heeft te vrezen dat hij gestoord zal worden door een vordering tot
uitwinning of tot erkenning van een recht op de zaak dat daarop niet
had mogen rusten, kan hij de betaling van de koopprijs opschorten,
tenzij de verkoper voldoende zekerheid stelt om het nadeel te dekken
dat de koper dreigt te lijden.
Artikel 28
Bij een consumentenkoop verjaart de
rechtsvordering tot betaling van de koopprijs door verloop van twee
jaren.
Artikel 29
1. Heeft de koper de zaak ontvangen doch is
hij voornemens deze te weigeren, dan moet hij als een zorgvuldig
schuldenaar voor het behoud ervan zorgen; hij heeft op de zaak een
retentierecht totdat hij door de verkoper voor de door hem in
redelijkheid gemaakte kosten schadeloos is gesteld.
2. De koper die voornemens is een aan hem
verzonden en op de plaats van bestemming te zijner beschikking
gestelde zaak te weigeren, moet, zo dit geen betaling van de
koopprijs en geen ernstige bezwaren of onredelijke kosten
meebrengt, deze in ontvangst nemen, tenzij de verkoper op de
plaats van bestemming aanwezig is of iemand aldaar bevoegd is zich
voor zijn rekening met de zorg voor de zaak te belasten.
Artikel 30
Wanneer in de gevallen, in artikel 29
voorzien, de zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig is
of wanneer de bewaring daarvan ernstige bezwaren of onredelijke
kosten zou meebrengen, is de koper verplicht de zaak op een
geschikte wijze te doen verkopen.
Afdeling 5. Bijzondere gevolgen van verzuim
van de koper
Artikel 31
Indien de overeenkomst aan de koper de
bevoegdheid geeft door aanwijzing van maat of vorm of op andere
wijze de zaak te specificeren en hij daarmede in verzuim is, kan de
verkoper daartoe zelf overgaan, met inachtneming van de hem bekende
behoeften van de koper.
Artikel 32
Ingeval de koper met de inontvangstneming in
verzuim is, vindt artikel 30 overeenkomstige toepassing.
Afdeling 6. Bijzondere gevallen van ontbinding
Artikel 33
Indien de aflevering van een roerende zaak op
een bepaalde dag essentieel is en op die dag de koper niet in
ontvangst neemt, levert zulks een grond op tot ontbinding als
bedoeld in artikel 265 van Boek 6.
Artikel 34
De verkoper kan de koop door een schriftelijke
verklaring ontbinden, indien het achterwege blijven van
inontvangstneming hem goede grond geeft te vrezen dat de prijs niet
zal worden betaald.
Artikel 35
1. Indien de verkoper bij een
consumentenkoop krachtens een bij die overeenkomst gemaakt beding
de koopprijs na het sluiten van de koop verhoogt, is de koper
bevoegd de koop door een schriftelijke verklaring te ontbinden,
tenzij bedongen is dat de aflevering langer dan drie maanden na de
koop zal plaatsvinden.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder
koopprijs begrepen het bedrag dat bij het sluiten van de
overeenkomst onder voorbehoud van prijswijziging voorlopig als
koopprijs is opgegeven.
Afdeling 7. Schadevergoeding
Artikel 36
1. In geval van ontbinding van de koop is,
wanneer de zaak een dagprijs heeft, de schadevergoeding gelijk aan
het verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de
dagprijs ten dage van de niet-nakoming.
2. Voor de berekening van deze
schadevergoeding is de in aanmerking te nemen dagprijs die van de
markt waar de koop plaatsvond, of, indien er geen dergelijke
dagprijs is of deze bezwaarlijk zou kunnen worden toegepast, de
prijs van de markt die deze redelijkerwijs kan vervangen; hierbij
wordt rekening gehouden met verschillen in de kosten van vervoer
van de zaak.
Artikel 37
Heeft de koper of de verkoper een dekkingskoop
gesloten en is hij daarbij redelijk te werk gegaan, dan komt hem het
verschil toe tussen de overeengekomen prijs en die van de
dekkingskoop.
Artikel 38
De bepalingen van de twee voorgaande artikelen
sluiten het recht op een hogere schadevergoeding niet uit ingeval
meer schade is geleden.
Afdeling 8. Recht van reclame
Artikel 39
1. De verkoper van een roerende, aan de
koper afgeleverde zaak die niet een registergoed is, kan, indien
de prijs niet betaald is en in verband daarmee aan de vereisten
voor een ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek 6 is
voldaan, de zaak door een tot de koper gerichte schriftelijke
verklaring terugvorderen. Door deze verklaring wordt de koop
ontbonden en eindigt het recht van de koper of zijn
rechtsverkrijger; de artikelen 271, 273, 275 en 276 van Boek 6
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Is slechts de prijs van een bepaald deel
van het afgeleverde niet betaald, dan kan de verkoper slechts dat
deel terugvorderen. Is ten aanzien van het geheel een deel van de
prijs niet betaald, dan kan de verkoper een daaraan evenredig deel
van het afgeleverde terugvorderen indien het afgeleverde voor een
zodanige verdeling vatbaar is. In beide gevallen wordt de koop
slechts voor het teruggevorderde deel van het afgeleverde
ontbonden.
3. In alle andere gevallen van gedeeltelijke
betaling van de prijs kan de verkoper slechts het afgeleverde in
zijn geheel terugvorderen tegen teruggave van het reeds betaalde.
Artikel 40
1.Is de koper in staat van faillissement
verklaard of is aan hem surséance van betaling verleend, dan
heeft de terugvordering geen gevolg, indien door de curator,
onderscheidenlijk door de koper en de bewindvoerder, binnen een
hun daartoe door de verkoper bij diens verklaring te stellen
redelijke termijn de koopprijs wordt betaald of voor deze betaling
zekerheid wordt gesteld.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien ten aanzien van de koper de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, tenzij de koopovereenkomst tot stand is gekomen na de
uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Artikel 41
De bevoegdheid tot terugvordering kan slechts
worden uitgeoefend voor zover het afgeleverde zich nog in dezelfde
staat bevindt als waarin het werd afgeleverd.
Artikel 42
1. Tenzij de zaak in handen van de koper is
gebleven, vervalt de bevoegdheid tot terugvordering wanneer de
zaak overeenkomstig artikel 90 lid 1 of artikel 91 van Boek 3
anders dan om niet is overgedragen aan een derde die
redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht zou
worden uitgeoefend.
2. Is de zaak na de aflevering anders dan om
niet in vruchtgebruik gegeven of verpand, dan is lid 1 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
De verkoper kan zijn in artikel 39 omschreven
bevoegdheid niet uitoefenen, indien de koper voor de volle koopprijs
handelspapier heeft geaccepteerd.
Bij acceptatie voor een gedeelte van de prijs
kan de verkoper die bevoegdheid slechts uitoefenen, indien hij ten
behoeve van de koper zekerheid stelt voor de vergoeding van hetgeen
de koper uit hoofde van zijn acceptatie zou moeten betalen.
Artikel 44
De in artikel 39 omschreven bevoegdheid van de
verkoper vervalt, wanneer zowel zes weken zijn verstreken nadat de
vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden, als
zestig dagen, te rekenen van de dag waarop de zaak onder de koper of
onder iemand van zijnentwege is opgeslagen.
Afdeling 9. Koop op proef
Artikel 45
1. Koop op proef wordt geacht te zijn
gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de zaak de koper
voldoet.
2. Laat deze een termijn, voldoende om de
zaak te beoordelen, voorbijgaan zonder de verkoper van zijn
beslissing in kennis te stellen, dan kan hij de zaak niet meer
weigeren.
Artikel 46
Zolang de koop niet definitief is, is de zaak
voor risico van de verkoper.
Afdeling 9A. Overeenkomsten op afstand
Artikel 46a
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overeenkomst op afstand: de
overeenkomst waarbij, in het kader van een door de verkoper of
dienstverlener georganiseerd systeem voor verkoop of
dienstverlening op afstand, tot en met het sluiten van de
overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van één of meer
technieken voor communicatie op afstand;
b. koop op afstand: de overeenkomst op
afstand die een consumentenkoop is;
c. overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten: de tot het verrichten van diensten
strekkende overeenkomst op afstand tussen een dienstverlener die
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een
wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf;
d. financiële dienst: iedere dienst van
bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking,
verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen;
e. techniek voor communicatie op afstand:
een middel dat zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid
van partijen kan worden gebruikt voor het sluiten van de
overeenkomst op afstand;
f. communicatietechniekexploitant: een
natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van
het ter beschikking stellen van één of meer technieken voor
communicatie op afstand aan verkopers of dienstverleners;
g. richtlijn: richtlijn nr. 97/7/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20
mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op
afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144);
h. richtlijn nr. 2002/65/EG: richtlijn nr.
2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van
financiële diensten aan consumenten (PbEG L 271).
Artikel 46b
1.Artikel 5 lid 3 is niet van toepassing op
koop op afstand.
2.Deze afdeling is niet van toepassing op de
koop op afstand:
a. die wordt gesloten met gebruikmaking
van distributieautomaten of geautomatiseerde handelsruimten;
b. op een veiling.
3.De artikelen 46c-46e en 46f lid 1 zijn
niet van toepassing op de koop op afstand van hoofdzakelijk
levensmiddelen die worden afgeleverd aan de koper op diens woon-
of verblijfplaats of werkplek door frequent en op gezette tijden
langskomende bezorgers.
Artikel 46c
1.Tijdig voordat de koop op afstand wordt
gesloten, moeten aan de wederpartij met alle aan de gebruikte
techniek voor communicatie op afstand aangepaste middelen en op
duidelijke en begrijpelijke wijze, de volgende gegevens worden
verstrekt, waarvan het commerciële oogmerk ondubbelzinnig moet
blijken:
a. de identiteit en, indien de koop op
afstand verplicht tot vooruitbetaling van de prijs of een
gedeelte daarvan, het adres van de verkoper;
b. de belangrijkste kenmerken van de
zaak;
c. de prijs, met inbegrip van alle
belastingen, van de zaak;
d. voor zover van toepassing: de kosten
van aflevering;
e. de wijze van betaling, aflevering of
uitvoering van de koop op afstand;
f. het al dan niet van toepassing zijn
van de mogelijkheid van ontbinding overeenkomstig de artikelen
46d lid 1 en 46e;
g. indien de kosten van het gebruik van
de techniek voor communicatie op afstand worden berekend op
een andere grondslag dan het basistarief: de hoogte van het
geldende tarief;
h. de termijn voor de aanvaarding van
het aanbod, dan wel de termijn voor het gestand doen van de
prijs;
i. voor zover van toepassing, in geval
van een koop op afstand die strekt tot voortdurende of
periodieke aflevering van zaken: de minimale duur van de
overeenkomst.
2.Tijdig bij de nakoming van de koop op
afstand en, voor zover het niet aan derden af te leveren zaken
betreft, uiterlijk bij de aflevering, moeten aan de koper op
duidelijke en begrijpelijke wijze schriftelijk of, voor zover het
de in de onderdelen a en c-e bedoelde gegevens betreft, op een
andere te zijner beschikking staande en voor hem toegankelijke
duurzame gegevensdrager, de volgende gegevens worden verstrekt,
behoudens voor zover zulks reeds is geschied voordat de koop op
afstand werd gesloten:
a. de gegevens, bedoeld in de onderdelen
a-f van lid 1;
b. de vereisten voor de gebruikmaking
van het recht tot ontbinding overeenkomstig de artikelen 46d
lid 1 en 46e lid 2;
c. het bezoekadres van de vestiging van
de verkoper waar de koper een klacht kan indienen;
d. voor zover van toepassing: gegevens
omtrent de garantie en omtrent in het kader van de koop op
afstand aangeboden diensten;
e. indien de koop op afstand een duur
heeft van meer dan een jaar dan wel een onbepaalde duur: de
vereisten voor opzegging van de overeenkomst.
Artikel 46d
1.Gedurende zeven werkdagen na de ontvangst
van de zaak heeft de koper het recht de koop op afstand zonder
opgave van redenen te ontbinden. Indien niet is voldaan aan alle
in artikel 46c lid 2 gestelde eisen, bedraagt deze termijn drie
maanden. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing vanaf de
voldoening binnen de in de tweede zin bedoelde termijn aan alle in
artikel 46c lid 2 gestelde eisen.
2.In geval van ontbinding overeenkomstig lid
1 kan de verkoper, behoudens ten hoogste de rechtstreekse kosten
van het terugzenden van de zaak, aan de koper geen vergoeding in
rekening brengen.
3.In geval van ontbinding overeenkomstig lid
1 heeft de koper recht op kosteloze teruggave van het door hem aan
de verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en in
ieder geval binnen dertig dagen na de ontbinding plaatsvinden.
4.De leden 1–3 zijn niet van toepassing op
de koop op afstand:
a. van zaken waarvan de prijs gebonden
is aan de schommelingen op de financiële markt, waarop de
verkoper geen invloed heeft;
b. van zaken die:
1°. zijn tot stand gebracht
overeenkomstig specificaties van de koper;
2°. duidelijk persoonlijk van aard
zijn;
3°. door hun aard niet kunnen
worden teruggezonden;
4°. snel kunnen bederven of
verouderen;
c. van audio- en video-opnamen en
computerprogrammatuur, indien de koper hun verzegeling heeft
verbroken;
d. van kranten en tijdschriften.
Artikel 46e
1.Ontbinding van de koop op afstand
overeenkomstig artikel 46d lid 1 brengt van rechtswege en zonder
dat de koper een boete is verschuldigd de ontbinding mee van een
overeenkomst die ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten
behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent.
2.In geval van ontbinding van de koop op
afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 heeft de koper tevens het
recht een ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een
derde aangegane overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de
koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom
leent, zonder boete te ontbinden.
Artikel 46f
1.Het verzuim van de verkoper treedt zonder
ingebrekestelling in, wanneer de koop op afstand niet uiterlijk
binnen dertig dagen, te rekenen van de dag waarop de koper zijn
bestelling bij de verkoper heeft gedaan, is nagekomen, behalve
voor zover de vertraging de verkoper niet kan worden toegerekend
of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.
2.Indien nakoming onmogelijk is doordat de
gekochte zaak niet beschikbaar is, moet de koper daarvan zo
spoedig mogelijk worden kennis gegeven en heeft hij recht op
kosteloze teruggave van het door hem aan de verkoper betaalde. De
teruggave moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen dertig
dagen na de kennisgeving plaatsvinden.
3.Indien in het in lid 2 bedoelde geval de
verkoper krachtens een voor dan wel bij het sluiten van de koop op
afstand gemaakt beding de bevoegdheid heeft, een zaak van gelijke
kwaliteit en prijs te geven, komen de kosten van het terugzenden
van de zaak in geval van ontbinding van de koop op afstand
overeenkomstig artikel 46d lid 1 ten laste van de verkoper. De
koper moet daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze worden
kennis gegeven.
Artikel 46g [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 46h
1.Aan een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf moeten bij het
gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter
bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan het
begin van elk gesprek duidelijk de identiteit van de verkoper,
alsmede het commerciële oogmerk van de oproep worden medegedeeld.
2.Het gebruik van automatische
oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen en
elektronische berichten voor het overbrengen van ongevraagde
communicatie, ter bevordering van de totstandkoming van een koop
op afstand, aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, is uitsluitend toegestaan,
indien de desbetreffende persoon daarvoor voorafgaand toestemming
heeft verleend onverminderd hetgeen is bepaald in lid 3.
3.Een ieder die elektronische
contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in
het kader van de verkoop van een zaak mag deze gegevens gebruiken
voor het overbrengen van communicatie ter bevordering van de
totstandkoming van een koop op afstand met betrekking tot eigen
gelijksoortige zaken, mits bij de verkrijging van de
contactgegevens aan de klant duidelijk en uitdrukkelijk de
gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze
verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische
contactgegevens, en, indien de klant hiervan geen gebruik heeft
gemaakt, hem bij elke overgebrachte communicatie de mogelijkheid
wordt geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen
tegen het verder gebruik van zijn elektronische contactgegevens.
Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is
van overeenkomstige toepassing.
4.Bij het gebruik van elektronische
berichten ter bevordering van de totstandkoming van een koop op
afstand dienen te allen tijde de volgende gegevens te worden
vermeld:
a. de werkelijke identiteit van degene
namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer
waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van
dergelijke communicatie kan richten.
5.Het gebruik van andere dan de in lid 2
genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het
overbrengen van ongevraagde communicatie of het doen van
ongevraagde mededelingen, ter bevordering van de totstandkoming
van een koop op afstand, aan een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is
toegestaan, tenzij de desbetreffende persoon te kennen heeft
gegeven dat hij communicatie of mededelingen waarbij van deze
technieken gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen.
6.Degene die ongevraagd communicatie
overbrengt of mededelingen doet ter bevordering van de
totstandkoming van een koop op afstand, neemt passende maatregelen
om ten minste eenmaal per jaar de personen, bedoeld in lid 5,
bekend te maken met de mogelijkheden tot het doen van een
kennisgeving als bedoeld in lid 5. De bekendmaking kan via een of
meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
geschikte wijze plaatsvinden.
7.Aan de maatregelen, bedoeld in de leden 2
en 5, zijn voor de in die leden bedoelde personen geen kosten
verbonden.
Artikel 46i
1.De artikelen 46b lid 2, 46c, 46d leden 1–3
en 4, onderdeel a, 46e en 46f leden 1 en 2 zijn van
overeenkomstige toepassing op de overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten die niet een financiële dienst zijn. De
artikelen 46g–46h zijn van overeenkomstige toepassing op
overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten.
2.In afwijking van lid 1 zijn de in dat lid
genoemde artikelen niet van toepassing op de overeenkomst op
afstand:
a. tot het verrichten van diensten, die
wordt gesloten met een telecommunicatie-exploitant door
gebruikmaking van een openbare telefoon;
b. tot aanneming van werk die strekt tot
de bouw van een onroerende zaak.
3.In afwijking van lid 1 zijn de artikelen
46c-46e en 46f lid 1 niet van toepassing op de overeenkomst op
afstand tot het verrichten van diensten die logies, vervoer, het
restaurantbedrijf of vrijetijdsbesteding betreft, indien de
dienstverlener zich er bij het sluiten van de overeenkomst toe
verplicht, deze diensten te verrichten op een bepaalde datum of
tijdens een bepaalde periode.
4.In afwijking van lid 1 is artikel 46c lid
2 niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten die in één keer worden verricht met
behulp van een techniek voor communicatie op afstand en die in
rekening worden gebracht door de communicatietechniekexploitant.
Desalniettemin moet aan de wederpartij steeds het bezoekadres van
de vestiging van de dienstverlener waar de wederpartij een klacht
kan indienen, worden medegedeeld.
5.In afwijking van lid 1 is artikel 46d niet
van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten
van diensten:
a. waarvan de nakoming met instemming
van de wederpartij is begonnen voordat de in artikel 46d lid
1, eerste en derde volzin, bedoelde termijn is verstreken;
b. betreffende weddenschappen en
loterijen.
6.In geval van een overeenkomst op afstand
tot het verrichten van diensten lopen de in artikel 46d lid 1,
eerste en tweede volzin, bedoelde termijnen vanaf het sluiten van
de overeenkomst.
7.Een beding in een overeenkomst op afstand
tot het verrichten van financiële diensten dat de wederpartij
belast met het bewijs ter zake van de naleving van de
verplichtingen die krachtens richtlijn nr. 2002/65/EG op de
dienstverlener rusten, is vernietigbaar.
Artikel 46j
1.Van deze afdeling kan niet ten nadele van
de koper dan wel de wederpartij worden afgeweken.
2.Lid 1 is niet van toepassing op artikel
46f lid 1.
3.De toepasselijkheid op de overeenkomst van
een recht dat de door de richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk
richtlijn nr. 2002/65/EG voorziene bescherming niet of slechts ten
dele biedt, kan er niet toe leiden dat de koper dan wel de
wederpartij de bescherming verliest die hem krachtens de richtlijn
nr. 97/7/EG respectievelijk richtlijn nr. 2002/65/EG wordt geboden
door de dwingende bepalingen van het recht van de lid-staat van de
Europese Unie of de andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, waar hij zijn gewone
verblijfplaats heeft.
Afdeling 10. Koop van vermogensrechten
Artikel 47
Een koop kan ook op een vermogensrecht
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van de vorige
afdelingen van toepassing voor zover dit in overeenstemming is met
de aard van het recht.
Artikel 48
1. Hij die een nalatenschap verkoopt zonder
de goederen daarvan stuk voor stuk op te geven, is slechts
gehouden voor zijn hoedanigheid van erfgenaam in te staan.
2. Heeft de verkoper reeds vruchten genoten,
een tot de nalatenschap behorende vordering geïnd of goederen uit
de nalatenschap vervreemd, dan moet hij die aan de koper
vergoeden.
3. De koper moet aan de verkoper vergoeden
hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap heeft
betaald en hem voldoen hetgeen hij als schuldeiser van de
nalatenschap te vorderen had.
Afdeling 10A. Koop van rechten van gebruik in
deeltijd van onroerende zaken
Artikel 48a
In deze afdeling en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. koop: iedere overeenkomst en ieder
samenstel van overeenkomsten met een duur van ten minste drie
jaren en met de strekking dat de ene partij – de verkoper –
tegen betaling van een totaalprijs aan de andere partij – de
koper – een zakelijk of persoonlijk recht geeft of zich
verbindt te geven tot het gebruik voor ten minste een week per
jaar van een of meer tot bewoning bestemde onroerende zaken of
bestanddelen daarvan;
b. verkoper: een verkoper als bedoeld
onder a, die bij de koop handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf;
c. koper: een koper als bedoeld onder a,
die een natuurlijk persoon is en bij de koop niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf;
d. richtlijn: richtlijn nr. 94/47/EG van
het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van
26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger
voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de
verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende
goederen (PbEG L 280).
Artikel 48b
1.De koop wordt schriftelijk aangegaan. De
koopakte moet ten minste de bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde gegevens bevatten.
2.De in lid 1 bedoelde, tussen partijen
opgemaakte, akte of een afschrift daarvan moet aan de koper worden
ter hand gesteld, desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van
een gedateerd ontvangstbewijs.
3.De in lid 1 bedoelde akte moet zijn
gesteld in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde taal of
talen.
Artikel 48c
1.Gedurende tien dagen na de terhandstelling
van de akte of een afschrift daarvan overeenkomstig artikel 48b
lid 2 heeft de koper het recht de koop zonder opgave van redenen
te ontbinden. Indien de akte niet alle bij algemene maatregel van
bestuur bepaalde gegevens vermeldt, wordt deze termijn verlengd
met de tijd die is verstreken vanaf de terhandstelling van de akte
of een afschrift daarvan totdat alle ontbrekende gegevens alsnog
schriftelijk aan de koper zijn verstrekt, doch ten hoogste met
drie maanden.
2.De koper oefent zijn in lid 1 bedoelde
recht de overeenkomst te ontbinden uit door binnen de gestelde
termijn een daartoe strekkende verklaring te richten tot de
verkoper of tot degene die daartoe overeenkomstig het in de
algemene maatregel van bestuur bepaalde in de akte is vermeld. De
verklaring wordt gedaan op een wijze die voor bewijs vatbaar is
naar het volgens Nederlands internationaal privaatrecht
toepasselijke recht. De gestelde termijn is in acht genomen,
indien een schriftelijke verklaring binnen die termijn is
verzonden.
3.In geval van ontbinding overeenkomstig de
leden 1–2 is de koper aan de verkoper geen enkele vergoeding
verschuldigd.
Artikel 48d
De koper kan binnen de in artikel 48c lid 1
bedoelde termijn niet worden verplicht tot vooruitbetaling van de
prijs of een gedeelte daarvan. Binnen deze termijn gedane
vooruitbetalingen gelden als onverschuldigd betaald.
Artikel 48e
1.Ontbinding van de koop overeenkomstig
artikel 48c leden 1–2 brengt van rechtswege en zonder dat de
koper een boete is verschuldigd de ontbinding mee van een
overeenkomst die ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten
behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent.
2.In geval van ontbinding van de koop
overeenkomstig artikel 48c leden 1–2 heeft de koper tevens het
recht een ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een
derde aangegane overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de
koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom
leent, zonder boete te ontbinden. Op de ontbinding overeenkomstig
de voorgaande zin is artikel 48c lid 2 van overeenkomstige
toepassing.
3.Op de ontbinding overeenkomstig de leden 1–2
is artikel 48c lid 3 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48f
1.De verkoper moet aan een ieder die
verzoekt om inlichtingen over de onroerende zaak of zaken waarop
het in artikel 48a onder a bedoelde, door hem te koop aangeboden
recht betrekking heeft, de volgende bescheiden ter hand stellen:
a. een ontwerp van de in artikel 48b lid
1 bedoelde akte;
b. een schriftelijke mededeling
betreffende de wijze waarop nadere inlichtingen kunnen worden
verkregen.
2.In reclame voor de onroerende zaak of
zaken waarop het in artikel 48a onder a bedoelde, door de verkoper
te koop aangeboden recht betrekking heeft, moet worden medegedeeld
dat de in het vorige lid bedoelde bescheiden verkrijgbaar zijn,
alsmede waar zij verkrijgbaar zijn.
3.Tot het aanbrengen van wijzigingen in het
overeenkomstig lid 1 onder a ter hand gestelde ontwerp is de
verkoper slechts bevoegd met wederzijds goedvinden, dan wel indien
deze wijzigingen voortvloeien uit omstandigheden buiten zijn wil.
4.De verkoper moet wijzigingen als bedoeld
in lid 3 mededelen voordat de koop wordt gesloten. Bovendien
moeten zij uitdrukkelijk in de in artikel 48b lid 1 bedoelde akte
worden vermeld.
5.De in lid 1 onder b bedoelde mededeling
moet zijn gesteld in de bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde taal.
Artikel 48g
1.Van het bij of krachtens deze afdeling
bepaalde kan niet ten nadele van de koper worden afgeweken.
2.Aan de koper kan, indien de in de koop
bedoelde onroerende zaak is gelegen op het grondgebied van een
lid-staat van de Europese Unie of van een andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
de hem krachtens de richtlijn door het recht van die staat
toegekende bescherming niet worden onthouden, ongeacht het recht
dat de koop beheerst.
Afdeling 12. Ruil
Artikel 49
Ruil is de overeenkomst waarbij partijen zich
verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere
te geven.
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij wordt
beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en
als koper voor die welke haar toekomt.
Titel 2. Financiëlezekerheidsovereenkomsten
Artikel 51
In deze titel wordt verstaan onder:
a. financiëlezekerheidsovereenkomst: een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht of een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een
pandrecht;
b. financiëlezekerheidsovereenkomst tot
overdracht: een overeenkomst op grond waarvan de onder d of e
bedoelde goederen worden overgedragen als waarborg voor een
verplichting;
c. financiëlezekerheidsovereenkomst tot
vestiging van een pandrecht: een overeenkomst op grond waarvan
een pandrecht wordt verschaft op de onder d of e bedoelde
goederen;
d. geld: op een rekening of deposito
gecrediteerd tegoed in geld;
e. effecten: aandelen en andere met
aandelen gelijk te stellen effecten, obligaties en andere
schuldinstrumenten indien deze op de kapitaalmarkt verhandelbaar
zijn, en alle andere gewoonlijk verhandelde effecten waarmee die
aandelen, obligaties of andere effecten via inschrijving, koop
of omruiling kunnen worden verkregen of die aanleiding kunnen
geven tot afwikkeling in geld met uitsluiting van waardepapieren
die een betalingsopdracht belichamen, inclusief rechten van
deelneming in instellingen voor collectieve belegging,
geldmarktinstrumenten en vorderingen op of rechten ten aanzien
van een van de voornoemde instrumenten;
f. gelijkwaardige goederen:
1. wanneer het betreft geld: hetzelfde
bedrag in dezelfde valuta;
2. wanneer het betreft effecten:
effecten van dezelfde uitgevende instelling of debiteur,
behorende tot dezelfde emissie of categorie, ter waarde van
hetzelfde nominale bedrag, luidende in dezelfde valuta en
van dezelfde soort, onderscheidenlijk andere goederen indien
de financiëlezekerheidsoverkomst voorziet in de overdracht
daarvan na het plaatsvinden van een gebeurtenis die
betrekking heeft op of gevolgen heeft voor de effecten
waarop de schuldenaar een pandrecht heeft gevestigd;
g. executiegrond: verzuim of een andere
omstandigheid op grond waarvan de zekerheidsnemer krachtens een
financiëlezekerheidsovereenkomst of de wet gerechtigd is
verpande goederen te verkopen of zich toe te eigenen dan wel
gebruik te maken van een verrekenbeding;
h. verrekenbeding: een beding in een
financiëlezekerheidsovereenkomst of een overeenkomst waarvan
een financiëlezekerheidsovereenkomst deel uitmaakt, of een
wettelijk voorschrift, op grond waarvan bij het voldoen aan de
voorwaarden van een executiegrond:
– de verplichtingen van partijen
onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede omgezet in een
verplichting tot het betalen van een bedrag dat hun
geschatte actuele waarde vertegenwoordigt, dan wel de
verplichtingen vervallen en worden vervangen door een
verplichting tot het betalen van het voornoemde bedrag, of
– de verplichtingen van partijen
worden verrekend en alleen het saldo verschuldigd is.
Artikel 52
1.Deze titel is van toepassing op
financiëlezekerheidsovereenkomsten waarbij ten minste een van de
partijen is:
a. een overheidsinstantie, met inbegrip
van:
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese Unie die
belast zijn met of een rol spelen bij het beheer van de
overheidsschuld en;
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese Unie die
zijn gemachtigd om voor klanten rekeningen aan te houden.
b. een centrale bank, de Europese
Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen, een
multilaterale ontwikkelingsbank, het Internationaal Monetair
Fonds en de Europese Investeringsbank.
c. een financiële onderneming onder
financieel toezicht, met inbegrip van een bank, beheerder,
beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, financiële
instelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld
in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
d. een centrale tegenpartij, een
afwikkelende instantie of een verrekeningsinstituut als
bedoeld in artikel 212a, onderdeel c, d en e, van de
Faillissementswet, inclusief onder het nationale recht van de
lidstaten van de Europese Unie vallende gereglementeerde
instellingen die actief zijn op de markten voor rechten op
overdracht op termijn van goederen, opties en derivaten, en
een andere dan een natuurlijke persoon die optreedt als
trustee of in een vertegenwoordigende hoedanigheid namens een
of meer personen waaronder enigerlei obligatiehouders of
houders van andere schuldinstrumenten of enige instelling als
omschreven in onderdeel a, b, c of dit onderdeel.
2.Deze titel is niet van toepassing indien
een van de partijen bij een financiëlezekerheidsovereenkomst een
natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf.
Artikel 53
1.Bij een financiëlezekerheidsovereenkomst
tot vestiging van een pandrecht kan worden bedongen dat de
zekerheidsnemer de verpande goederen kan gebruiken of verkopen en
de opbrengst behouden.
2.Uitoefening van het recht tot gebruik of
verkoop brengt van rechtswege een verplichting van de
zekerheidsnemer mee tot overdracht van gelijkwaardige goederen aan
de zekerheidsgever, uiterlijk op het tijdstip waarop moet worden
voldaan aan de vordering waarvoor het verpande tot zekerheid
strekt.
3.In afwijking van lid 2 kan in de
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bepaald dat de
zekerheidsnemer de vordering waarvoor het verpande tot zekerheid
strekt verrekent met de waarde van gelijkwaardige goederen, op het
tijdstip waarop de vordering moet worden voldaan of zoveel eerder
als zich een executiegrond voordoet.
4.Het pandrecht strekt zich van rechtswege
uit over de goederen die als gevolg van dit artikel in de plaats
worden gesteld van de verbonden goederen.
Artikel 54
1.Tenzij anders is bedongen in een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot de vestiging van een
pandrecht, is de zekerheidsnemer, wanneer aan de voorwaarden van
een executiegrond wordt voldaan, bevoegd:
a. effecten waarop het pandrecht rust te
verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen
onderscheidenlijk deze effecten zich toe te eigenen en de
waarde van de effecten te verrekenen met het hem
verschuldigde;
b. geld waarop het pandrecht rust te
verrekenen met het hem verschuldigde.
2.De verkoop van effecten geschiedt op een
markt door tussenkomst van een tussenpersoon in het vak of ter
beurze door die van een bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de
regels en gebruiken die aldaar voor een gewone verkoop gelden.
3.De zekerheidsnemer kan zich effecten
toe-eigenen indien dit in de financiëlezekerheidsovereenkomst tot
de vestiging van een pandrecht is bedongen en de waardering van de
effecten is gebaseerd op de waarde op een markt of ter beurze.
4.In afwijking van lid 2 en lid 3 kan in een
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bedongen dat de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de
zekerheidsnemer of de zekerheidsgever kan bepalen dat effecten
worden verkocht op een afwijkende wijze, of dat de
voorzieningenrechter op verzoek van de zekerheidsnemer kan bepalen
dat effecten voor een door de voorzieningenrechter vast te stellen
bedrag bij wege van toe-eigening aan de zekerheidsnemer zullen
verblijven.
5.De artikelen 235, 248 leden 1 en 2, 249,
250, 251 en 252 van Boek 3 zijn niet van toepassing.
Artikel 55
Een overdracht ter nakoming van een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht is geen overdracht
tot zekerheid of een overdracht die de strekking mist het goed na de
overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen in de
zin van artikel 84 lid 3 van Boek 3. De regels betreffende pandrecht
zijn op een zodanige overeenkomst en de uitvoering daarvan niet van
toepassing of overeenkomstige toepassing.
Artikel 56 [Vervallen per 01-05-2008]
Titel 3. Schenking
Artikel 175
1.Schenking is de overeenkomst om niet, die
ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen
vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.
2.Het tot een bepaalde persoon gericht
schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze na er van
kennis te hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen.
Artikel 176
lndien de schenker feiten stelt waaruit volgt
dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand
gekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van
het tegendeel op de begiftigde, tenzij van de schenking een
notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in
de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en
billijkheid zou zijn.
Artikel 177
1.Voor zover een schenking de strekking
heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden
uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is
uitgevoerd, vervalt zij met het overlijden van de schenker, tenzij
de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de
schenking een notariële akte is opgemaakt. Voor zover de
schenking betrekking heeft op kleren, lijfstoebehoren, bepaalde
lijfsieraden, bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde
boeken, kan worden volstaan met een door de schenker geheel met de
hand geschreven, gedagtekende en ondertekende onderhandse akte.
2.Indien een bevoegdheid is bedongen tot
herroeping van een schenkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1,
kan deze herroeping behalve bij een tot de begiftigde gerichte
verklaring ook bij een uiterste wilsbeschikking van de schenker
zonder mededeling aan de begiftigde geschieden.
Artikel 178
1.Een schenking is vernietigbaar, indien zij
gedurende een ziekte van de schenker wordt gedaan hetzij aan een
beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg
die hem bijstand verleent, hetzij aan een geestelijk verzorger die
hem gedurende de ziekte bijstaat.
2.Ook is een schenking vernietigbaar indien
zij gedurende een verblijf van de schenker in een voor de
verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden
bestemde instelling wordt gedaan aan degene die de instelling
exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is.
3.Artikel 62 leden 2 en 3 van Boek 4 is van
overeenkomstige toepassing.
4.De bevoegdheid tot vernietiging op grond
van de leden 1 en 2 verjaart drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde
ziekte, onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is
geëindigd.
5.Na het overlijden van de schenker kan de
vernietiging van de schenking op grond van lid 1 of lid 2 mede
plaatsvinden door een ieder die door de schenking nadeel lijdt. De
vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is tot
opheffing van het nadeel van degene die zich op de
vernietigingsgrond beroept. Een rechtsvordering tot vernietiging
ingevolge de eerste zin verjaart op een met overeenkomstige
toepassing van artikel 54 van Boek 4 te bepalen tijdstip, en in
ieder geval drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte,
onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is geëindigd.
Artikel 179
1.Een aanbod tot schenking dat de aanbieder
ten tijde van zijn overlijden nog kon herroepen, komt, in
afwijking van artikel 222 van Boek 6, door zijn dood te vervallen,
tenzij uit een overeenkomst of uit het aanbod zelf het tegendeel
voortvloeit.
2.Is het aanbod bij wijze van uitloving voor
een bepaalde tijd gedaan, dan komt het door het overlijden van de
aanbieder binnen die tijd te vervallen, indien ten tijde van het
overlijden een gewichtige reden tot herroeping als bedoeld in
artikel 220 lid 1 van Boek 6 bestond of het overlijden zelf een
zodanige reden oplevert; alsdan is artikel 220 lid 2 van Boek 6
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 180
Op schenkingen onder een ontbindende
voorwaarde en een daarbij aansluitende schenking onder opschortende
voorwaarde zijn de artikelen 140 lid 1 en 141 van Boek 4 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 181
1.Een aanbod tot schenking dat door de dood
van de aanbieder niet vervalt, kan niet worden aanvaard door
iemand die op het tijdstip van overlijden van de aanbieder nog
niet bestond.
2.Lid 1 is niet van toepassing:
a. indien de schenker heeft bepaald dat
hetgeen hij schenkt aan een afstammeling van zijn vader of
moeder, bij het overlijden van die afstammeling of op een
eerder tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze;
b. indien de schenker heeft bepaald dat
hetgeen hij aan iemand schenkt, bij het overlijden van de
begiftigde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan
een afstammeling van een ouder van de schenker, en tevens dat,
indien die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens
alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats
zullen treden;
c. indien de schenker heeft bepaald dat
hetgeen de begiftigde van het hem geschonkene bij zijn
overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben
gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande
bloedverwant van de schenker in de erfelijke graad.
Artikel 182
1.Bij een aanbod tot schenking dat
schriftelijk wordt gedaan, kan worden bepaald dat het geschonkene
onder bewind zal staan.
2.Het bewind heeft dezelfde rechtsgevolgen
als een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind, met dien
verstande dat
a. de termijnen bedoeld in de artikelen
178 leden 1 en 2, 179 lid 2 en 180 lid 2 van Boek 4, aanvangen
op het tijdstip waarop de schenking wordt uitgevoerd, en
b. het bewind, voor zover het niet in
het belang van een ander dan de begiftigde is ingesteld, ook
eindigt wanneer de schenker en de begiftigde een
gemeenschappelijk besluit tot opheffing schriftelijk ter
kennis van de bewindvoerder brengen.
Artikel 183
1.Een schenker is voor gebreken in het recht
of voor feitelijke gebreken alleen aansprakelijk, wanneer hij deze
niet heeft opgegeven ofschoon zij hem bekend waren, en de
begiftigde deze gebreken niet ter gelegenheid van de aflevering
van het geschonken goed had kunnen ontdekken.
2.Deze aansprakelijkheid strekt zich,
behoudens in het geval van bedrog, niet uit tot schade geleden ten
aanzien van het geschonken goed zelf.
Artikel 184
1.In de navolgende gevallen is een
schenking, ongeacht of zij reeds is uitgevoerd, vernietigbaar:
a. indien de begiftigde in verzuim is
met de voldoening van een hem bij de schenking opgelegde
verplichting, waarvan noch de schenker noch een derde nakoming
kan vorderen;
b. indien de begiftigde opzettelijk een
misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekkingen
pleegt;
c. indien een begiftigde die wettelijk
of krachtens overeenkomst verplicht is tot onderhoud van de
schenker bij te dragen, in verzuim is deze verplichting na te
komen.
2.In lid 1, onder b, wordt mede verstaan
onder misdrijf: poging tot, voorbereiding van en deelneming aan
een misdrijf.
Artikel 185
1.Rechtsvorderingen tot vernietiging van de
schenking op grond van artikel 184 verjaren door verloop van een
jaar, te rekenen van de dag waarop het feit dat grond tot
vernietiging oplevert, ter kennis van de schenker is gekomen.
2.Na het overlijden van de schenker kan
vernietiging van de schenking op grond van het in het vorige
artikel bepaalde slechts plaatsvinden door een rechterlijke
uitspraak en, in de gevallen genoemd in artikel 184 lid 1, onder b
en c, alleen indien het feit dat grond tot vernietiging oplevert,
de dood van de schenker heeft veroorzaakt.
Artikel 186
1.De bepalingen van deze titel zijn van
overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor
zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de
aard van de handeling zich daartegen niet verzet.
2.Als gift wordt aangemerkt iedere handeling
die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander
ten koste van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens
verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen,
noch daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld in
de eerste volzin niet beschouwd als gift.
Artikel 187
1.Is de begiftigde in verband met de gift
gehouden een tegenprestatie te verrichten, dan is artikel 186 lid
1, behoudens voor zover het artikel 182 betreft, van toepassing,
en gelden voorts de volgende twee leden.
2.In het geval, bedoeld in artikel 177 lid
1, vervalt de gift niet, doch is zij vernietigbaar. De
vernietiging werkt terug tot het overlijden van degene die de gift
doet. De bevoegdheid tot vernietiging vervalt indien de begiftigde
tijdig een aanvullende prestatie toezegt, die de handeling haar in
artikel 186 lid 2 bedoelde strekking ontneemt. Bovendien kan de
rechter op verlangen van een erfgenaam of van de begiftigde, in
plaats van de vernietiging uit te spreken, te dien einde de
gevolgen van de handeling wijzigen.
3.ls de gift vernietigbaar op grond van
artikel 178, dan is artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige
toepassing.
4.Op handelingen die ten dele als gift, ten
dele als nakoming van een natuurlijke verbintenis zijn te
beschouwen, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 188
1.De aanwijzing van een begunstigde bij een
sommenverzekering wordt, wanneer zij is aanvaard of kan worden
aanvaard, aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter
nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking. De
artikelen 177, 179, 181, 182 en187 zijn op deze giften niet van
toepassing.
2.Als waarde van een gift door begunstiging
bij een sommenverzekering geldt de waarde van de daaruit
voortvloeiende rechten op uitkering. Indien de begunstiging
slechts ten dele als gift wordt aangemerkt, geldt als waarde van
de gift een evenredig deel van de waarde van de daaruit
voortvloeiende rechten op uitkering.
3.Het bedrag dat de verzekeraar krachtens de
wet of een overeenkomst met de verzekeringnemer op de uitkering
inhoudt, komt in de eerste plaats op de waarde van de gift in
mindering.
Titel 4. Huur
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 201
1.Huur is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de
huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te
verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.
2.Huur kan ook op vermogensrechten
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van deze
afdeling en de afdelingen 2–4 van toepassing, voor zover de
strekking van die bepalingen of de aard van het recht zich
daartegen niet verzet.
3.De pachtovereenkomst wordt niet als huur
aangemerkt.
Artikel 202
Indien de huurder recht heeft op de vruchten
van de zaak, geldt dit recht als een genotsrecht als bedoeld in
artikel 17 van Boek 5. De huurder verkrijgt dit recht van de dag van
ingang van de huur af met dien verstande dat burgerlijke vruchten
van dag tot dag berekend worden.
Afdeling 2. Verplichtingen van de verhuurder
Artikel 203
De verhuurder is verplicht de zaak ter
beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat
voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 204
1.De verhuurder heeft met betrekking tot
gebreken van de zaak de in deze afdeling omschreven
verplichtingen.
2.Een gebrek is een staat of eigenschap van
de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen
omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan
verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst
mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als
waarop de overeenkomst betrekking heeft.
3.Een feitelijke stoornis door derden zonder
bewering van recht als bedoeld in artikel 211 en een bewering van
recht zonder feitelijke stoornis zijn geen gebreken in de zin van
lid 2.
Artikel 205
De uit deze afdeling voortvloeiende rechten
van de huurder komen aan deze toe, onverminderd alle andere rechten
en vorderingen.
Artikel 206
1.De verhuurder is verplicht op verlangen
van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of
uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs
niet van de verhuurder zijn te vergen.
2.Deze verplichting geldt niet ten aanzien
van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de huurder
krachtens artikel 217 verplicht is, en ten aanzien van gebreken
voor het ontstaan waarvan de huurder jegens de verhuurder
aansprakelijk is.
3.Is de verhuurder met het verhelpen in
verzuim, dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de
daarvoor gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de
verhuurder verhalen, desgewenst door deze in mindering van de
huurprijs te brengen. Hiervan kan niet ten nadele van de huurder
worden afgeweken.
Artikel 207
1.De huurder kan in geval van vermindering
van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige
vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van
het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of
waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot
maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.
2.De huurder heeft geen aanspraak op
huurvermindering terzake van gebreken die hij krachtens artikel
217 verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij
jegens de verhuurder aansprakelijk is.
Artikel 208
Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming van
de verplichting van artikel 206 is de verhuurder tot vergoeding van
de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek
na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te
rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de
overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had
behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven
dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 209
Van de artikelen 206, leden 1 en 2, 207 en 208
kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het
gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de
overeenkomst kende of had behoren te kennen.
Artikel 210
1.Indien een gebrek dat de verhuurder
ingevolge artikel 206 niet verplicht is te verhelpen, het genot
dat de huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt, is zowel
de huurder als de verhuurder bevoegd de huur op de voet van
artikel 267 van Boek 6 te ontbinden.
2.Een verplichting van een der partijen tot
schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede de door het
eindigen van de huur ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.
Artikel 211
1.Wanneer tegen de huurder door een derde
een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van
een recht waarmee de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking
heeft, ingevolge die overeenkomst niet belast had mogen zijn, is
de verhuurder na kennisgeving daarvan door de huurder gehouden in
het geding te komen ten einde de belangen van de huurder te
verdedigen.
2.De verhuurder moet aan de huurder alle
door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de
kennisgeving niet onverwijld is geschied, alleen de na de
kennisgeving ontstane kosten.
3.Wanneer tegen de onderhuurder een
vordering betreffende het ondergehuurde wordt ingesteld door de
hoofdverhuurder, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
toepassing op de onderverhuurder. Voor de toepassing van artikel
2.9.5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze
vordering gelijkgesteld aan een vordering tot uitwinning.
Afdeling 3. De verplichtingen van de huurder
Artikel 212
De huurder is verplicht de tegenprestatie op
de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 213
De huurder is verplicht zich ten aanzien van
het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen.
Artikel 214
De huurder is slechts bevoegd tot het gebruik
van de zaak dat is overeengekomen, en, zo daaromtrent niets is
overeengekomen, tot het gebruik waartoe de zaak naar zijn aard
bestemd is.
Artikel 215
1.De huurder is niet bevoegd de inrichting
of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen
dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het
gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de
huur zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt
en verwijderd.
2.Indien het de huur van woonruimte betreft,
verleent de verhuurder binnen acht weken de toestemming in ieder
geval, indien de voorgenomen veranderingen de verhuurbaarheid van
het gehuurde niet schaden, dan wel niet leiden tot een
waardedaling van het gehuurde.
3.Indien de verhuurder de toestemming niet
verleent, kan de huurder vorderen dat de rechter hem zal machtigen
tot het aanbrengen van de veranderingen. Indien de verhuurder niet
tevens de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van de zaak is,
draagt de verhuurder ervoor zorg dat ook de eigenaar,
vruchtgebruiker of erfpachter tijdig in het geding wordt geroepen.
Indien op de zaak een hypotheek rust, bestaat deze verplichting
tevens ten aanzien van de hypotheekhouder.
4.De rechter wijst de vordering in ieder
geval toe, indien de verhuurder op grond van lid 2 toestemming had
behoren te geven. In andere gevallen wijst hij de vordering
slechts toe, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een
doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder of het
woongenot verhogen en geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van
de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.
5.De rechter kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen; hij kan op
vordering van de verhuurder de huurprijs verhogen, indien de
veranderingen daartoe aanleiding geven.
6.Van de voorgaande leden kan niet ten
nadele van de huurder worden afgeweken, tenzij het de buitenzijde
van gehuurde woonruimte betreft.
Artikel 216
1.De huurder is tot de ontruiming bevoegd
door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te
maken, mits daarbij het gehuurde in de toestand wordt gebracht,
die bij het einde van de huur redelijkerwijs in overeenstemming
met de oorspronkelijke kan worden geacht.
2.De huurder is niet verplicht tot het
ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen,
onverminderd de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van
artikel 215 lid 5 de verplichting op te leggen hiervoor vóór de
ontruiming van het gehuurde zorg te dragen.
3.De huurder kan ter zake van geoorloofde
veranderingen en toevoegingen die na het einde van de
huurovereenkomst niet ongedaan worden gemaakt, vergoeding vorderen
voor zover artikel 212 van Boek 6 dat toestaat.
Artikel 217
De huurder is verplicht te zijnen koste de
kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn geworden
door het tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn
verplichting tot het verhelpen van gebreken.
Artikel 218
1.De huurder is aansprakelijk voor schade
aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen
tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de
huurovereenkomst.
2.Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn
ontstaan, behoudens brandschade en, in geval van huur van een
gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de
buitenzijde van het gehuurde.
3.Onverminderd artikel 224 lid 2 wordt de
huurder vermoed het gehuurde in onbeschadigde toestand te hebben
ontvangen.
Artikel 219
De huurder is jegens de verhuurder op gelijke
wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen
van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met
zijn goedvinden daarop bevinden.
Artikel 220
1. Indien gedurende de huurtijd dringende
werkzaamheden aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd of de
verhuurder krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten
behoeve van een naburig erf, moet de huurder daartoe gelegenheid
geven, onverminderd zijn aanspraken op vermindering van de
huurprijs, op ontbinding van de huurovereenkomst en op
schadevergoeding.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing
wanneer de verhuurder met voortzetting van de huurovereenkomst wil
overgaan tot renovatie van de gebouwde onroerende zaak waarop die
overeenkomst betrekking heeft, en daartoe aan de huurder een,
gelet op het belang van de verhuurder en de belangen van de
huurder en eventuele onderhuurders, redelijk voorstel doet. Een
dergelijk voorstel wordt schriftelijk gedaan. Onder renovatie
wordt zowel sloop met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke
vernieuwing door verandering of toevoeging verstaan.
3. Indien de renovatie tien of meer woningen
of bedrijfsruimten die een bouwkundige eenheid vormen, betreft
wordt het in lid 2 bedoelde voorstel vermoed redelijk te zijn,
wanneer 70% of meer van de huurders daarmee heeft ingestemd. De
huurder die niet met het voorstel heeft ingestemd, kan binnen acht
weken na de schriftelijke kennisgeving van de verhuurder aan hem
dat 70% of meer van de huurders met het voorstel heeft ingestemd
een beslissing van de rechter vorderen omtrent de redelijkheid van
het voorstel.
4. De voorgaande leden doen niet af aan de
bevoegdheid van de verhuurder om de huurovereenkomst op te zeggen
op de grond dat hij de zaak dringend nodig heeft voor renovatie,
voor zover zulks kan worden gebracht onder de wettelijke
opzeggingsgronden die gelden voor een gebouwde onroerende zaak als
waarop de huurovereenkomst betrekking heeft.
5. Indien verhuizing noodzakelijk is in
verband met de voorgenomen renovatie, bedoeld in lid 2, derde zin,
van woonruimte als bedoeld in artikel 233 draagt de verhuurder bij
in de kosten die de verhuizing voor de huurder meebrengt.
6. De minimumbijdrage in de verhuis- en
inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen als
bedoeld in artikel 234, en woonwagens en standplaatsen als bedoeld
in de artikelen 235 en 236, wordt bij ministeriële regeling van
de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie vastgesteld en zal
jaarlijks voor 1 maart worden gewijzigd voor zover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Het in de eerste
zin genoemde bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
7. De verhuurder kan eventuele door de
gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen
voor verhuis- of inrichtingskosten in mindering brengen op de
hoogte van de bijdrage, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 221
De huurder is bevoegd het gehuurde geheel of
gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij moest
aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander
redelijke bezwaren zal hebben.
Artikel 222
Indien de huurder gebreken aan de zaak ontdekt
of derden hem in zijn genot storen of enig recht op de zaak beweren,
moet hij daarvan onverwijld aan de verhuurder kennis geven, bij
gebreke waarvan hij verplicht is aan de verhuurder de door de
nalatigheid ontstane schade te vergoeden.
Artikel 223
De huurder van een onroerende zaak of een
gedeelte daarvan is, indien de verhuurder tot verhuur na afloop van
lopende huur of tot verkoop wenst over te gaan, verplicht te dulden
dat aan de zaak de gebruikelijke kennisgevingen van het te huur of
te koop zijn worden aangebracht, en aan belangstellenden gelegenheid
te geven tot bezichtiging.
Artikel 224
1.De huurder is verplicht het gehuurde bij
het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te
stellen.
2.Indien tussen de huurder en verhuurder een
beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is de huurder
gehouden de zaak in dezelfde staat op te leveren waarin deze
volgens de beschrijving is aanvaard, met uitzondering van
geoorloofde veranderingen en toevoegingen en hetgeen door ouderdom
is teniet gegaan of beschadigd. Indien geen beschrijving is
opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld
het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het
einde van de huurovereenkomst.
Artikel 225
Houdt de huurder na het einde van de huur het
gehuurde onrechtmatig onder zich, dan kan de verhuurder over de tijd
dat hij het gehuurde mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de
huurprijs, onverminderd, indien zijn schade meer dan deze vergoeding
bedraagt, zijn recht op dit meerdere.
Afdeling 4. De overgang van de huur bij
overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur
Artikel 226
1.Overdracht van de zaak waarop de
huurovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van
een zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de
zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, door de
verhuurder doen de rechten en verplichtingen van de verhuurder uit
de huurovereenkomst, die daarna opeisbaar worden, overgaan op de
verkrijger.
2.Overdracht door een schuldeiser van de
verhuurder wordt met overdracht door de verhuurder gelijkgesteld.
3.De verkrijger wordt slechts gebonden door
die bedingen van de huurovereenkomst, die onmiddellijk verband
houden met het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een
door de huurder te betalen tegenprestatie.
4.Bij huur van een gebouwde onroerende zaak
of een gedeelte daarvan alsmede van een woonwagen in de zin van
artikel 235 en van een standplaats in de zin van artikel 236, kan
niet van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 227
In geval van vestiging of overdracht van een
beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet onder artikel 226 lid 1
is begrepen, is de gerechtigde jegens de huurder verplicht zich te
onthouden van een uitoefening van dat recht, die het gebruik door de
huurder belemmert.
Artikel 228
1.Een huur voor bepaalde tijd aangegaan,
eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die
tijd is verstreken.
2.Een huur voor onbepaalde tijd aangegaan of
voor onbepaalde tijd verlengd eindigt door opzegging. Heeft de
huur betrekking op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch
bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een
voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste
een maand.
Artikel 229
1.De dood van de huurder of de verhuurder
doet de huur niet eindigen.
2.Indien de erfgenamen van de huurder niet
bevoegd zijn de zaak aan een ander in gebruik te geven, kunnen
zij, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner
in het geval zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 13 van Boek
4 wordt verdeeld, gedurende zes maanden na het overlijden van hun
erflater de overeenkomst op een termijn van tenminste een maand
opzeggen.
3.Indien een huurder twee of meer erfgenamen
nalaat, is de verhuurder verplicht zijn medewerking te verlenen
aan de toedeling van de rechten en verplichtingen van de overleden
huurder uit de huurovereenkomst door de gezamenlijke erfgenamen
aan een of meer van hen, tenzij de verhuurder tegen een of meer
van de aangewezenen redelijke bezwaren heeft. De eerste zin is
niet van toepassing indien de nalatenschap ingevolge artikel 13
van Boek 4 is verdeeld
Artikel 230
Indien na afloop van een huurovereenkomst de
huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het
gehuurde behoudt, wordt daardoor, tenzij van een andere bedoeling
blijkt, de overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij was
aangegaan, voor onbepaalde tijd verlengd.
Artikel 230a
1.Heeft de huur betrekking op een gebouwde
onroerende zaak of gedeelte daarvan en is die zaak of dat gedeelte
noch woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel, dan
kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter
verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te
verlengen. Het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden
na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd.
2.Het eerste lid geldt niet in geval de
huurder zelf de huur heeft opgezegd, uitdrukkelijk in de
beëindiging daarvan heeft toegestemd of veroordeeld is tot
ontruiming wegens niet nakoming van zijn verplichtingen.
3.De verhuurder kan niet verlangen dat de
huurder voor het einde van de in lid 1 bedoelde termijn tot
ontruiming overgaat. De indiening van het verzoek schorst de
verplichting om tot ontruiming over te gaan, totdat op het verzoek
is beslist.
4.Het verzoek wordt slechts toegewezen
indien de belangen van de huurder en van de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, door de ontruiming ernstiger worden
geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het
gebruik door de huurder. Het verzoek wordt niettemin afgewezen,
indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van hem wegens
onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens ernstige overlast,
de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of wegens wanbetaling
niet gevergd kan worden dat de huurder langer het recht op het
gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt.
5.De verlenging kan worden uitgesproken voor
een termijn van ten hoogste een jaar na het eindigen van de
overeenkomst. Deze termijn kan op verzoek van de huurder nog
tweemaal telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. Het
verzoek tot verlenging moet uiterlijk een maand voor het
verstrijken van de termijn worden ingediend. Lid 3, tweede zin, en
lid 4 zijn van toepassing.
6.Zo partijen het niet eens zijn over de som
die de huurder gedurende de termijn waarmee de verlenging heeft
plaats gevonden, voor het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan
verplicht is te betalen, stelt rechter deze som vast op een,
gezien het huurpeil ter plaatse, redelijk bedrag. Hij kan, zo een
der partijen dit verzoekt, te dier zake een voorlopige voorziening
treffen. Voor het overige blijven gedurende deze termijn de
rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen partijen
van kracht.
7.Bij afwijzing van het verzoek stelt de
rechter het tijdstip van ontruiming vast. De beschikking geldt als
een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
8.Tegen een beschikking krachtens dit
artikel staat geen hogere voorziening open.
9.Van dit artikel kan niet ten nadele van de
huurder worden afgeweken.
Artikel 231
1.Ontbinding van een huurovereenkomst met
betrekking tot een gebouwde onroerende zaak alsmede een woonwagen
in de zin van artikel 235 en een standplaats in de zin van artikel
236 op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming
van zijn verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter,
behoudens in het geval van lid 2 en van artikel 210.
2.De verhuurder kan de overeenkomst op de
voet van artikel 267 van Boek 6 ontbinden op de grond dat door
gedragingen in het gehuurde de openbare orde is verstoord en het
gehuurde deswege op grond van artikel 174a van de Gemeentewet dan
wel op grond van een verordening als bedoeld in artikel 174 van
die wet is gesloten, door gedragingen in zodanig gebouw in strijd
met artikel 2 of 3 van de Opiumwet is gehandeld en het
desbetreffende gebouw deswege op grond van artikel 13b van die wet
is gesloten, of zodanig gebouw op grond van artikel 97 van de
Woningwet is gesloten.
3.Van lid 1 kan niet ten nadele van de
huurder worden afgeweken.
Afdeling 5. Huur van woonruimte
Onderafdeling 1. Algemeen
Artikel 232
1.Deze afdeling is uitsluitend van
toepassing op huur van woonruimte.
2.Deze afdeling is niet van toepassing op
huur welke een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard
slechts van korte duur is.
3.De artikelen 206 lid 3, 270, 271 lid 4,
272, 273, 274, 275, 276, 277 en 281 zijn gedurende negen maanden
na het ingaan van de overeenkomst niet van toepassing op huur van
woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt
van een woning waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft en
waarin niet eerder aan dezelfde huurder deze of andere woonruimte
is verhuurd geweest.
4.De artikelen 206 lid 3, 269 lid 1 en 2,
270, 271 tot en met 277, 278 leden 1 en 2 en 281 zijn niet van
toepassing op de huur van woonruimte in gebouwen, welke aan een
gemeente toebehoren en ten tijde van het aangaan van de
overeenkomst voor afbraak zijn bestemd.
Artikel 233
Onder woonruimte wordt verstaan een gebouwde
onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet
zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een
standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden.
Artikel 234
Onder zelfstandige woning wordt verstaan de
woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen
zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen
buiten de woning.
Artikel 235
Onder woonwagen wordt verstaan een voor
bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats, in
zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en waarvoor een
bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is
afgegeven.
Artikel 236
Onder standplaats wordt verstaan een kavel,
bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen
aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven,
andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.
Artikel 237
1.In deze afdeling wordt onder prijs
verstaan het geheel van de verplichtingen die de huurder tegenover
de verhuurder bij of ter zake van huur op zich neemt.
2.Onder huurprijs wordt verstaan de prijs
die is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woonruimte.
3.Onder servicekosten wordt verstaan de
vergoeding voor de in verband met de bewoning van de woonruimte
geleverde zaken en diensten. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken en diensten worden aangewezen waarvoor de vergoeding
moet worden aangemerkt als servicekosten.
Artikel 238
Onder huurcommissie wordt verstaan de
huurcommissie bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte.
Artikel 239
Onder Onze Minister wordt verstaan de Minister
voor Wonen, Wijken en Integratie.
Artikel 240
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
herstellingen worden aangewezen die moeten worden aangemerkt als
kleine herstellingen die krachtens artikel 217 voor rekening van de
huurder zijn. Van de krachtens het onderhavige artikel vastgestelde
bepalingen kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 241
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke tekortkomingen in elk geval als gebreken
worden aangemerkt. Van de krachtens dit artikel vastgestelde
bepalingen kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 242
1.Behoudens bij standaardregeling bedoeld in
artikel 214 van Boek 6 kan niet ten nadele van de huurder worden
afgeweken van de artikelen 204, 206 leden 1 en 2, 207, 208 en 217,
tenzij het gaat om herstellingen aan door de huurder aangebrachte
veranderingen en toevoegingen of gebreken aan door de huurder
aangebrachte veranderingen en toevoegingen.
2.Van de artikelen 216 lid 3, 224 lid 2 en
230 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Artikel 243
1.Indien woonruimte in een gebouwde
onroerende zaak voorzieningen behoeft als bedoeld in lid 2, kan de
rechter op verzoek van de huurder bepalen dat de verhuurder
verplicht is deze verbetering op eigen kosten aan te brengen, mits
de huurder zich bereid heeft verklaard tot het betalen van een
huurverhoging die in redelijke verhouding staat tot deze kosten.
Van deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden
afgeweken.
2.Voorzieningen als bedoeld in lid 1 zijn:
a. het thermisch isoleren van de
uitwendige scheidingsconstructies;
b. het thermisch isoleren van de
constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte;
c. het ten behoeve van de
verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met
een opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de
bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
Artikel 244
In afwijking van artikel 221 is de huurder van
woonruimte niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een
ander in gebruik te geven. De huurder van een zelfstandige woning
die in die woning zijn hoofdverblijf heeft, is echter bevoegd een
deel daarvan aan een ander in gebruik te geven.
Artikel 245
In de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
worden nadere regels gegeven aangaande huurprijzen en andere
vergoedingen.
Onderafdeling 2. Huurprijzen en andere
vergoedingen
Paragraaf 1. Huurprijzen
Artikel 246
Ter zake van huur gelden de huurprijzen die
partijen zijn overeengekomen, voorzover uit deze onderafdeling niet
anders voortvloeit.
Artikel 247
De volgende artikelen van deze onderafdeling
zijn, behoudens de artikelen 249, 251, 259, 261 lid 1 en 264, niet
van toepassing op een overeenkomst van huur en verhuur, die
betrekking heeft op een zelfstandige woning, ten aanzien waarvan bij
de aanvang van de bewoning een huurprijs gold of geldt, die, indien
nodig herleid tot een bedrag per jaar, hoger is dan het krachtens
artikel 3 lid 2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
vastgesteld bedrag, indien
a. die overeenkomst op of na 1 juli 1994
is totstandgekomen, dan wel,
b. die overeenkomst betrekking heeft op
een woning die is totstandgekomen op of na 1 juli 1989.
Artikel 248
1.De huurprijs kan worden verhoogd hetzij op
grond van een beding in de huurovereenkomst dat in deze wijziging
voorziet, hetzij indien een dergelijk beding niet van kracht is,
op de wijze als voorgeschreven in de artikelen 252 en 253.
Gedurende het bestaan van een dergelijk beding is toepassing van
de artikelen 252 en 253 uitgesloten. Indien een dergelijk beding
niet meer van kracht is, kan vanaf een tijdvak van twaalf maanden
na het tijdstip waarop laatstelijk toepassing is gegeven aan het
beding, aan de hiervoor genoemde artikelen toepassing worden
gegeven.
2.Leidt toepassing van een beding als
bedoeld in lid 1 tot verhoging van de huurprijs met een hoger
percentage dan het door Onze Minister vastgestelde maximale
huurverhogingspercentage als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, dan is het beding nietig
voorzover zij tot dit hogere percentage leidt en geldt de
huurprijs als verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde
maximale huurverhogingspercentage.
Artikel 249
De huurder kan tot uiterlijk zes maanden na
het tijdstip waarop een door hem met betrekking tot die woonruimte
voor de eerste maal aangegane huurovereenkomst is ingegaan, de
huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van
de overeengekomen huurprijs.
Artikel 250
1.De huurprijs kan op verzoek van de
verhuurder worden verhoogd op de wijze voorgeschreven in de
artikelen 252 en 253:
a. gedurende het eerste tijdvak van
twaalf maanden na de dag van ingang van de huur ten hoogste
eenmaal, en
b. telkens tegen het einde van elkaar
opvolgende tijdvakken van twaalf maanden na hetzij het ingaan
van de onder a bedoelde verhoging, hetzij bij gebreke van
zodanige verhoging de dag van ingang van de huur.
2.Een verhoging van de huurprijs krachtens
lid 1 is niet mogelijk, zolang er tussen huurder en verhuurder
geen overeenstemming is dat de, bij toepassing van de artikelen 12
en 16 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, geconstateerde
gebreken ten aanzien van de woonruimte zijn opgeheven.
3.In afwijking van lid 1 kan de huurprijs
worden verhoogd tegen het einde van een tijdvak dat even zoveel
korter dan twaalf maanden is als het daaraan voorafgaande tijdvak
langer dan twaalf maanden is geweest.
4.De huurprijs kan op verzoek van de huurder
worden verlaagd op de wijze voorgeschreven in de artikelen 252 en
254.
Artikel 251
Bepalingen in huurovereenkomsten die tot
gevolg hebben dat de huurprijs in enig tijdvak van twaalf maanden
meer dan eenmaal wordt verhoogd, zijn nietig, tenzij het gaat om het
geval van artikel 255.
Artikel 252
1. Een voorstel tot wijziging van de
huurprijs moet tenminste twee maanden voor de voorgestelde dag van
ingang van de wijziging schriftelijk worden gedaan.
2. Het in lid 1 bedoelde voorstel dient te
vermelden:
a. de geldende huurprijs;
b. het percentage of het bedrag van de
wijziging van de huurprijs;
c. de voorgestelde huurprijs;
d. de voorgestelde dag van ingang van de
voorgestelde huurprijs;
e. de wijze waarop en het tijdvak
waarbinnen de huurder, wanneer hij bezwaren heeft tegen het
voorstel, daarvan kan doen blijken, en de gevolgen die deze
onderafdeling verbindt aan het niet doen blijken van bezwaren.
3. Voor het doen van een voorstel tot
verlaging van de huurprijs dient een waardering van de kwaliteit
van de woonruimte als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte te worden verstrekt.
4. Indien een overeenkomst tot wijziging van
de huurprijs tot stand komt naar aanleiding van een voorstel
daartoe, dat niet voldoet aan lid 1 en lid 2 aanhef en onder b, d
of e dan wel aan het in lid 3 bepaalde, blijft de voordien
geldende huurprijs verschuldigd, tenzij blijkt dat degene tot wie
het voorstel was gericht niet door het verzuim is benadeeld.
Artikel 253
1. Indien de huurder voor het tijdstip
waarop de verhoging van de huurprijs blijkens het voorstel had
moeten ingaan, schriftelijk verklaart met het voorstel van de
verhuurder niet in te stemmen, kan de verhuurder tot zes weken na
dat tijdstip onder overlegging van een afschrift van dat voorstel
en van voornoemde verklaring van de huurder de huurcommissie
verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel.
2. De huurder kan de huurcommissie binnen
drie maanden na het in lid 1 bedoelde tijdstip verzoeken uitspraak
te doen over de redelijkheid van het voorstel, indien:
a. hij noch vóór het in lid 1 bedoelde
tijdstip de daar bedoelde schriftelijke verklaring doet, noch
door het betalen van de voorgestelde huurverhoging doet
blijken met die verhoging in te stemmen, en
b. de verhuurder hem binnen zes weken na
het in lid 1 bedoelde tijdstip bij aangetekend schrijven
nogmaals van het voorstel in kennis heeft gesteld, waarbij een
afschrift van het voorstel is gevoegd, en hij met het voorstel
tot huurverhoging niet instemt.
De huurder legt bij dit verzoek een
afschrift over van het voorstel en van dat schrijven.
3. De huurder wordt geacht de voorgestelde
verhoging van de huurprijs met ingang van de in het voorstel
genoemde datum van ingang met de verhuurder te zijn overeengekomen
indien hij, na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde
schrijven, niet binnen drie maanden na die datum van ingang een
verzoek tot de huurcommissie heeft gericht.
4. Indien de huurder het in het tweede lid
bedoelde verzoek doet, stelt de huurcommissie de verhuurder
daarvan onverwijld in kennis.
5. Indien de verhuurder een voorstel als
bedoeld in artikel 252 lid 1 aanhef bij aangetekend schrijven
heeft gedaan, kan hij, indien voldaan is aan lid 2 onder a, binnen
zes weken na het in lid 1 bedoelde tijdstip de huurcommissie
verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel.
De verhuurder legt bij dit verzoek een afschrift over van het
voorstel en een bewijs van aangetekende verzending.
Artikel 254
Indien de verhuurder met een voorstel van de
huurder tot verlaging van de huurprijs niet instemt, kan de huurder
tot uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop de verlaging blijkens
het voorstel had moeten ingaan, de huurcommissie verzoeken uitspraak
te doen over de redelijkheid van het voorstel.
Artikel 255
1.De huurprijs van woonruimte waarin of
waaraan gedurende de huurtijd door of vanwege de verhuurder:
a. voorzieningen zijn aangebracht die
verband houden met een maatregel die gericht is op het
opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte,
bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, in de
kosten waarvan ingevolge enige wettelijke regeling een
financiële tegemoetkoming is verleend, of
b. veranderingen of toevoegingen,
waaronder niet wordt verstaan het verhelpen van gebreken als
bedoeld in artikel 204, zijn aangebracht, waardoor het
woongerief geacht kan worden te zijn gestegen en die niet
ingrepen zijn als bedoeld onder a,
is de huurprijs, vermeerderd met een
bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de door de
verhuurder gemaakte kosten van deze ingrepen, veranderingen of
toevoegingen met dien verstande dat de nieuwe huurprijs niet
hoger mag zijn dan die welke bij toepassing van de regels
bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte als redelijk is aan te merken.
2.Indien partijen geen overeenstemming
hebben kunnen bereiken over het bedrag van de verhoging, kan ieder
van hen binnen drie maanden na de totstandkoming van de ingrepen,
veranderingen of toevoegingen de huurcommissie verzoeken daarover
een uitspraak te doen.
3.Onder gehandicapte in het eerste lid wordt
verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek
aantoonbare beperkingen ondervindt.
Artikel 256 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 257
1.Voor de vordering van de huurder tot
vermindering van de huurprijs op grond van artikel 207 lid 1 in
verbinding met artikel 242 geldt een met inachtneming van de
volgende leden toe te passen vervaltermijn van zes maanden na de
aanvang van de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek
kennis heeft gegeven aan de verhuurder.
2.Is de vordering van de huurder gegrond op
een tekortkoming die krachtens artikel 241 als een gebrek heeft te
gelden, dan kan de huurder, in plaats van zijn vordering binnen de
in lid 1 bedoelde termijn bij de rechter in te stellen, binnen zes
maanden na de aanvang van de dag volgend op die waarop de huurder
van het gebrek heeft kennis gegeven aan de verhuurder, de
huurcommissie verzoeken over de vermindering uitspraak te doen
overeenkomstig de in artikel 16 lid 2 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte bedoelde algemene maatregel van bestuur. De
huurder kan eerst een verzoek tot de huurcommissie richten, indien
de verhuurder niet binnen zes weken na de aanvang van de dag
volgend op die waarop de huurder van het gebrek kennis heeft
gegeven aan de verhuurder, het gebrek heeft verholpen.
3.Na het verstrijken van de in de voorgaande
leden bedoelde termijn van zes maanden kan, voor wat het verleden
betreft, geen huurvermindering worden verlangd over een langere
periode dan zes maanden, voorafgaande aan het instellen van de
vordering of het indienen van het verzoek.
Paragraaf 2. Andere vergoedingen
Artikel 258
Indien de huurovereenkomst meer omvat dan het
enkele gebruik van de woonruimte en bij die overeenkomst slechts de
hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs is vastgesteld,
stelt de huurcommissie op verzoek van de huurder de huurprijs vast
en het voorschotbedrag voor de servicekosten. Een dergelijk verzoek
kan ook door de verhuurder worden gedaan, indien de overeengekomen
prijs lager is dan 55% van de krachtens artikel 10 lid 1 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale
huurprijsgrens.
Artikel 259
1.De betalingsverplichting van de huurder
met betrekking tot servicekosten beloopt het bedrag dat door de
huurder en verhuurder is overeengekomen of, bij gebreke van
overeenstemming, het bedrag dat in overeenstemming is met de voor
de berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften of met
hetgeen als een redelijke vergoeding voor de geleverde zaken en
diensten kan worden beschouwd.
2.De verhuurder verstrekt de huurder elk
jaar, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van een
kalenderjaar, een naar de soort uitgesplitstoverzicht van de in
dat kalenderjaar in rekening gebrachte servicekosten, met
vermelding van de wijze van berekening daarvan. Indien aan de
verhuurder kosten in rekening worden gebracht die niet een
kalenderjaar betreffen, maar een andere periode van twaalf
maanden, die een boekjaar vormt en in het verstreken kalenderjaar
eindigt, neemt de verhuurder de kosten over die andere periode in
het overzicht van dat verstreken kalenderjaar op.
3.Bij beëindiging van de huurovereenkomst
heeft het overzicht als in lid 2 bedoeld betrekking op het tijdvak
van het kalenderjaar dat op het tijdstip van de beëindiging reeds
is verstreken.
4.De verhuurder biedt de huurder desverzocht
de gelegenheid, na verstrekking van het overzicht bedoeld in lid
2, tot inzage van de aan het overzicht ten grondslag liggende
boeken en andere bescheiden of van afschriften daarvan.
Artikel 260
1.Indien de huurder en verhuurder geen
overeenstemming hebben kunnen bereiken over een
betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot
servicekosten, kan de huurder of verhuurder de huurcommissie
verzoeken uitspraak daarover te doen.
2.Het verzoek heeft betrekking op niet meer
dan één tijdvak van ten hoogste twaalf maanden voor elke
kostensoort waarop het verzoek betrekking heeft. Het verzoek kan
worden gedaan tot uiterlijk vierentwintig maanden nadat de in
artikel 259 lid 2 genoemde termijn voor het verstrekken van het
overzicht door de verhuurder is verstreken.
Artikel 261
1.Het voorschotbedrag dat de huurder
krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak ter zake van de
servicekosten verschuldigd is, mag, tenzij na het ingaan van de
huur anders is overeengekomen, slechts worden verhoogd:
a. met ingang van de dag, volgend op het
einde van de betalings-termijn waarin de overeengekomen
uitbreiding van de levering van zaken of diensten heeft
plaatsgevonden dan wel met ingang van de betalingstermijn met
ingang waarvan die uitbreiding heeft plaats gevonden;
b. met ingang van de dag, volgende op de
betalingstermijn, waarin het laatste overzicht, bedoeld in
artikel 259, aan de huurder is verstrekt met dien verstande
dat elk overzicht slechts eenmaal tot een verhoging mag
leiden.
2.De huurder is gebonden aan een wijziging
van de levering van zaken of diensten en het daarbij behorende
gewijzigde voorschotbedrag, indien die wijziging betrekking heeft
op zaken of diensten die slechts aan een aantal huurders
gezamenlijk geleverd kunnen worden, en tenminste 70% van die
huurders daarmee heeft ingestemd. Een huurder die niet met de
wijziging heeft ingestemd, kan binnen acht weken na de
schriftelijke kennisgeving van de verhuurder dat overeenstemming
is bereikt met tenminste 70% van de huurders, een beslissing van
de rechter vorderen omtrent de redelijkheid van het voorstel.
3.Indien het door de huurder verschuldigde
voorschotbedrag aanzienlijk hoger is dan de te verwachten
servicekosten, kan de huurcommissie op verzoek van de huurder het
voorschotbedrag verlagen tot een bedrag dat in redelijke
verhouding staat tot die kosten.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 262
1.Wanneer de huurcommissie op een verzoek
van de huurder of verhuurder als bedoeld in de paragrafen 1 en 2
uitspraak heeft gedaan, worden zij geacht te zijn overeengekomen
wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen
acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden,
een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt
waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht.
2.Tegen een beslissing krachtens dit artikel
is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 263
Een wijziging van de huurprijs, vastgesteld in
een uitspraak van de huurcommissie of van de rechter, mag in
rekening worden gebracht met ingang van de in het voorstel tot
wijziging voorgestelde dag dan wel indien de huurprijs is
vastgesteld zonder dat daartoe een voorstel is gedaan, de dag waarop
vaststelling is verzocht aan de huurcommissie of vaststelling is
gevorderd bij de rechter. Zo in de uitspraak een latere dag van
ingang wordt vastgesteld, geldt die wijziging met ingang van die
latere dag.
Artikel 264
1.Elk in verband met de totstandkoming van
een huurovereenkomst betreffende woonruimte gemaakt beding, niet
de huurprijs betreffende, voorzover daarbij ten behoeve van een
der partijen een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is
nietig.
2.Elk in verband met de totstandkoming van
een zodanige huurovereenkomst gemaakt beding, voorzover daarbij
door of tegenover een derde enig niet redelijk voordeel wordt
overeengekomen, is nietig.
Artikel 265
Van de bepalingen van deze onderafdeling kan
niet worden afgeweken, tenzij uit die bepalingen anders voortvloeit.
Onderafdeling 3. Medehuur en voortzetting van
de huur
Artikel 266
1.De echtgenoot of geregistreerde partner
van een huurder is van rechtswege medehuurder, zolang de
woonruimte de echtgenoot of geregistreerde partner tot
hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huurovereenkomst voor dan wel
na het aangaan van het huwelijk of van het geregistreerde
partnerschap is gesloten.
2.Voor de verplichtingen uit de
huurovereenkomst, behalve voor zover deze reeds opeisbaar waren
voordat de echtgenoot of geregistreerde partner medehuurder werd,
zijn de huurder en de medehuurder jegens de verhuurder hoofdelijk
aansprakelijk.
3.Indien de huurovereenkomst ten aanzien van
de huurder eindigt, wordt de medehuurder huurder.
4.Indien de in lid 1 bedoelde echtgenoot of
geregistreerde partner hetzij ingevolge een beschikking als
bedoeld in artikel 826, lid 1 onder a, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, hetzij ingevolge onderlinge
overeenstemming in verband met een verzoek tot echtscheiding of
scheiding van tafel en bed, dan wel ingevolge beëindiging van
geregistreerd partnerschap niet het gebruik heeft van de
echtelijke woning, brengt dit voor de toepassing van dit artikel
geen verandering in het hoofdverblijf.
5.In geval van echtscheiding of scheiding
van tafel en bed of beëindiging van geregistreerd partnerschap
kan de rechter op verzoek van een echtgenoot of geregistreerde
partner bepalen wie van de echtgenoten of geregistreerde partners
huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens de
dag van ingang van de huur met deze echtgenoot of partner. Op
dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot of partner.
Artikel 267
1.Indien op het gezamenlijk verzoek van een
huurder en van een andere persoon die in de woonruimte zijn
hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame
gemeenschappelijke huishouding heeft, alsmede van een medehuurder
wanneer die er is, de verhuurder niet binnen drie maanden
schriftelijk heeft verklaard er mede in te stemmen dat die andere
persoon medehuurder zal zijn, kunnen de huurder en die andere
persoon, alsmede een medehuurder wanneer die er is, gezamenlijk
verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang
van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn.
2.Nadat een verzoek aan de verhuurder als
bedoeld in lid 1 is gedaan, kan een vordering tot ontbinding van
de huur op de grond dat de huurder in strijd met hetgeen
overeengekomen is, met een ander in de woonruimte een
gemeenschappelijke huishouding heeft, niet meer worden toegewezen.
Deze grond levert alsdan evenmin een grond voor opzegging van de
huurovereenkomst op.
3.De rechter wijst de vordering bedoeld in
lid 1 slechts af:
a. indien de persoon bedoeld in lid 1
niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn
hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame
gemeenschappelijke huishouding heeft;
b. indien, mede gelet op hetgeen is
komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding
en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de
strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn
de positie van huurder te verschaffen;
c. indien de persoon bedoeld in lid 1
vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een
behoorlijke nakoming van de huur.
4.Voor de verplichtingen uit de huur zijn de
persoon die de huur heeft aangegaan en ieder van de personen die
op grond van dit artikel medehuurder of huurder is, hoofdelijk
jegens de verhuurder aansprakelijk, met dien verstande dat een
medehuurder niet aansprakelijk is voor verplichtingen die reeds
opeisbaar waren voordat hij medehuurder werd.
5.De bepalingen omtrent het eindigen van de
huur zijn op de personen bedoeld in lid 4 afzonderlijk van
toepassing met dien verstande dat een persoon de hoedanigheid van
medehuurder in ieder geval verliest, indien hij zijn hoofdverblijf
niet langer in de woonruimte heeft. Indien de huur ten aanzien van
de huurder eindigt, wordt de medehuurder huurder.
6.Is ten aanzien van de woonruimte hoofdstuk
II van de Huisvestingswet van toepassing, dan zet de medehuurder
in afwijking van lid 5 de huur slechts voort, indien de rechter
dit heeft bepaald op een daartoe door die persoon binnen acht
weken na het tijdstip waarop hij huurder is geworden, ingestelde
vordering en in elk geval zolang op deze vordering nog niet
onherroepelijk is beslist. De rechter wijst de vordering slechts
af, indien de eiser niet een voor hem geldende
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die wet
overlegt.
7.Ieder van de personen bedoeld in lid 4 kan
vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze
personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen
tijdstip niet langer zullen voortzetten. De rechter wijst de
vordering slechts toe, indien dit naar billijkheid, met
inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is, met
dien verstande dat hij de vordering in ieder geval toewijst,
indien de eiser aantoont dat de persoon waarop de vordering
betrekking heeft, zijn positie van medehuurder heeft verkregen op
grond van een niet mede door de eiser aan de verhuurder gedaan
verzoek of van een door hem ingestelde vordering bedoeld in lid 1.
Artikel 268
1.Bij overlijden van de huurder zet de
medehuurder de huur als huurder voort. Hij kan de huur binnen zes
maanden na het overlijden bij exploot of aangetekende brief
opzeggen met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de
opzegging.
2.De persoon die niet op grond van lid 1
huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft
en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk
huishouding heeft gehad, zet de huur voort gedurende zes maanden
na het overlijden van de huurder; de tweede zin van lid 1 is van
toepassing. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de rechter
dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn
ingestelde vordering, en in elk zolang op deze vordering niet
onherroepelijk is beslist.
3.De rechter wijst de vordering bedoeld in
lid 2 in ieder geval af:
a. indien de eiser niet aannemelijk
heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet;
b. indien de eiser vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke
nakoming van de huur;
c. indien het woonruimte betreft waarop
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, indien
de eiser niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in
artikel 7 lid 1 van die wet overlegt.
4.Lid 4, de eerste zin van lid 5 en lid 7
van artikel 267 zijn van overeenkomstige toepassing
5.Komt vast te staan, dat een persoon ten
onrechte een beroep op voortzetting van de huur krachtens dit
artikel heeft gedaan, dan blijft hij over de tijd gedurende welke
hij het genot van de woonruimte heeft gehad jegens de verhuurder
aansprakelijk voor de nakoming van de huur die voor hem zou hebben
bestaan als hij huurder was geweest. Heeft meer dan één persoon
ten onrechte een beroep op voortzetting van de huur gedaan, dan is
ieder van hen jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk.
6.Zijn er geen personen die krachtens dit
artikel de huur voortzetten, dan eindigt deze aan het eind van de
tweede maand na het overlijden van de huurder. De erfgenamen zijn
bevoegd de huur tegen het eind van de eerste maand na het
overlijden van de huurder te doen eindigen. Wanneer de
nalatenschap van de huurder ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt
verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de
vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
7.Van dit artikel kan niet ten nadele van de
personen aan wie dit artikel recht op voortzetting van de huur
toekent en van de erfgenamen, onderscheidenlijk de echtgenoot of
geregistreerde partner, bedoeld in lid 6, worden afgeweken.
8.Van artikel 229 leden 1 en 3 kan niet
worden afgeweken.
Artikel 269
1.De onderhuur die betrekking heeft op een
zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft,
wordt in geval van beëindiging van de huur tussen huurder en
verhuurder voortgezet door de verhuurder.
2.De verhuurder kan binnen zes maanden nadat
hij op grond van lid 1 de onderhuur heeft voortgezet vorderen dat
de rechter zal bepalen dat de huur met ingang van een in het
vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen op de grond dat:
a. de wederpartij vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijk
nakoming van de huur;
b. de onderhuur is aangegaan met de
kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te
verschaffen;
c. in de gegeven omstandigheden naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de
inhoud van de huurovereenkomsten die betrekking hebben op
soortgelijke woonruimte alsmede op de inhoud van de
geëindigde huur tussen hem en de huurder en de inhoud van de
voortgezette huurovereenkomst, niet van hem kan worden gevergd
dat hij de huur met de wederpartij voortzet;
d. de wederpartij indien het woonruimte
betreft waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van
toepassing is, niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in
artikel 7 lid 1 van die wet overlegt.
3.Ingeval van onderverhuur welke al dan niet
een zelfstandige woning vormt, zet degene die op grond van de
artikelen 266, 267 en 268 huurder is geworden of de huur heeft
voortgezet, als onderverhuurder de huur met de onderhuurder voort.
Artikel 270
1.De huurder die een ruil van woonruimte
wenst te bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal
machtigen om een ander in zijn plaats als huurder te stellen.
Indien op de woonruimte hoofdstuk II van de Huisvestingswet van
toepassing is, moet de eiser een ten behoeve van de voorgestelde
huurder afgegeven huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7
lid 1 van die wet met betrekking tot woonruimte overleggen.
2.De rechter beslist met inachtneming van de
omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de
vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder een
zwaarwichtig belang bij de ruil van woonruimte heeft en dat hij
deze afwijst, indien de voorgestelde huurder vanuit financieel
oogpunt niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke
nakoming van de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden
verbinden of daarbij een last opleggen.
3.Van deze bepaling kan niet ten nadele van
de huurder worden afgeweken.
Artikel 270a
Ingeval van voortzetting van de huur op grond
van de artikelen 266, 268 en 269 is degene die de huur voortzet,
verplicht daarvan mededeling te doen aan de verhuurder.
Onderafdeling 4. Het eindigen van de huur
Artikel 271
1.In afwijking van artikel 228 lid 1 eindigt
een voor bepaalde tijd aangegane huur niet door het enkele verloop
van de huurtijd; zij kan door elk van beide partijen worden
opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs
overeengekomen dag, niet vallend voor het verstrijken van de
bepaalde tijd.
2.Een voor onbepaalde tijd aangegane of voor
onbepaalde tijd verlengde huur kan door elk van beide partijen
worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs
overeengekomen dag.
3.De opzegging moet geschieden bij exploot
of bij aangetekende brief. Is in gevolge artikel 266 de echtgenoot
of geregistreerde partner van de huurder medehuurder, dan moet de
opzegging aan beide echtgenoten of geregistreerde partners
afzonderlijk worden gedaan.
4.De opzegging door de verhuurder moet op
straffe van nietigheid de gronden vermelden die tot de opzegging
hebben geleid. Een opzegging door de verhuurder op andere dan de
in artikel 274 lid 1 genoemde gronden, is nietig. De huurder moet
bij de opzegging worden gevraagd binnen zes weken aan de
verhuurder mede te delen of hij al dan niet toestemt in
beëindiging van de overeenkomst.
5.Bij de opzegging moeten de volgende
termijnen in acht worden genomen:
a. bij opzegging door de huurder: een
termijn gelijk aan de tijd die tussen twee opvolgende voor
betaling van de huurprijs overeengekomen dagen verstrijkt,
doch niet korter dan een maand en niet langer dan drie
maanden;
b. bij opzegging door de verhuurder: een
termijn niet korter dan drie maanden, voor elk jaar dat de
huurder krachtens overeenkomst ononderbroken het gehuurde in
gebruik heeft gehad verlengd met één maand tot ten hoogste
zes maanden.
6.Een opzegging die in strijd met lid 1, lid
3 of lid 5 onder a is gedaan en een opzegging die op een kortere
termijn is gedaan dan die van lid 5 onder b gelden niettemin als
waren zij gedaan tegen de voorgeschreven dag en met inachtneming
van de voorgeschreven termijn.
7.Elk beding waarbij in strijd met lid 5
onder a een langere opzegtermijn of waarbij in strijd met lid 5
onder b een kortere opzegtermijn wordt overeengekomen of waarbij
van andere bepalingen van dit artikel wordt afgeweken, is nietig.
Eveneens is nietig elk beding dat de huur zonder opzegging doet
eindigen.
8.Dit artikel geldt niet, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden nadat de huur is
ingegaan.
Artikel 272
1.Een opgezegde huurovereenkomst blijft,
tenzij de huurder de overeenkomst heeft opgezegd of na de
opzegging door de verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan
heeft toegestemd, na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van
rechtswege van kracht, tot de rechter onherroepelijk heeft beslist
op een vordering van de verhuurder als in lid 2 bedoeld.
2.De verhuurder kan, indien hij zes weken na
de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling
heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst
toestemt, op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de
rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst
zal eindigen.
Artikel 273
1.Bij zijn beslissing op de vordering
bedoeld in artikel 272 lid 2 neemt de rechter uitsluitend de in de
opzegging vermelde gronden in aanmerking.
2.Indien de rechter de vordering afwijst,
wordt de overeenkomst van rechtswege verlengd. De rechter beslist
of de overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een door hem vast
te stellen bepaalde tijd wordt verlengd.
3.Indien de rechter de vordering toewijst,
stelt hij tevens het tijdstip van ontruiming vast. De toewijzing
geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 274
1.De rechter kan de vordering slechts
toewijzen
a. indien de huurder zich niet heeft
gedragen zoals een goed huurder betaamt;
b. indien de verhuurder zijn vordering
grondt op een beding als omschreven in lid 2 en aan de eisen
van dat lid is voldaan, tenzij de verhuurder geen belang meer
heeft bij de ontruiming;
c. indien de verhuurder aannemelijk
maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen
gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet
daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide
partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking
genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt
verlengd, en tevens blijkt dat de huurder, met uitzondering
van de huurder, bedoeld in lid 4, andere passende woonruimte
kan verkrijgen;
d. indien de huurder niet toestemt in
een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe
huurovereenkomst met betrekking tot dezelfde woonruimte, voor
zover, in het geval dat onderafdeling 2 op de opgezegde
huurovereenkomst van toepassing is, dit aanbod niet een
wijziging inhoudt van de huurprijs of van de servicekosten;
e. indien de verhuurder een krachtens
een geldend bestemmingsplan op het verhuurde liggende
bestemming wil verwezenlijken;
f. indien de huurovereenkomst een
onzelfstandige woning betreft, die deel uitmaakt van de woning
waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft, en de
verhuurder aannemelijk maakt dat zijn belangen bij
beëindiging van de huur zwaarder wegen dan die van de huurder
bij voortzetting daarvan.
2.In het geval dat uitdrukkelijk is bedongen
dat de gehuurde woonruimte na afloop van de bij dat beding
overeengekomen termijn moet worden ontruimd, kan de verhuurder
overeenkomstig lid 1 aanhef en onder b, op dat beding de in dat
lid bedoelde vordering gronden:
a. indien de verhuurder die de
woonruimte niet zelf heeft bewoond, noch deze eerder heeft
verhuurd, na afloop van die termijn de woning zelf wil
betrekken;
b. indien de verhuurder die zelf de
vorige bewoner van de woonruimte is, na afloop van die termijn
die woonruimte zelf opnieuw wil betrekken;
c. indien de verhuurder jegens wie de
vorige huurder het recht heeft verkregen na afloop van die
termijn de woning opnieuw te betrekken, deze huurder daartoe
gelegenheid wil geven.
3.Onder eigen gebruik in de zin van lid 1
onder c, wordt mede begrepen:
a. renovatie van woonruimte die zonder
beëindiging van de huur niet mogelijk is, en
b. het verstrekken van een zelfstandige
woning aan een gehandicapte, indien die woning:
1°. reeds bij de bouw ervan was
ingericht en bestemd voor bewoning door een gehandicapte,
dan wel
2°. na de bouw met geldelijke steun
op grond van enige wettelijke regeling aangepast is ten
behoeve van bewoning door een gehandicapte;
c. het verstrekken aan een oudere van
een zelfstandige woning welke onderdeel uitmaakt van een
complex van zelfstandige woningen, welk complex reeds bij de
bouw ervan was ingericht en bestemd voor de bewoning door
ouderen.
Bij de beoordeling van de vraag of andere
woonruimte voor de huurder passend is, houdt de rechter geen
rekening met de bijdragen van het Rijk, die de huurder ter
tegemoetkoming in de kosten, verbonden aan het genot van een
woning, kan verkrijgen.
4.Onder eigen gebruik in de zin van lid 1
onder c, wordt bovendien mede begrepen het verstrekken van
woonruimte aan een student, indien:
1°. die woonruimte krachtens de
huurovereenkomst bestemd is voor studenten, als bedoeld in dit
lid;
2°. de huurder, tegen wie de in lid 1
bedoelde vordering is ingesteld, niet heeft voldaan aan een
schriftelijk verzoek van de verhuurder, dat deze jaarlijks kan
doen, om binnen drie maanden een kopie van het bewijs van zijn
inschrijving aan een instelling, universiteit of hogeschool
als bedoeld in dit lid inzake het lopende studiejaar over te
leggen, en
3°. in de huurovereenkomst met de
huurder tegen wie de in lid 1 bedoelde vordering is ingesteld,
is bepaald dat die woonruimte na beëindiging van de
huurovereenkomst opnieuw aan een student als bedoeld in dit
lid zal worden verhuurd.
Onder student wordt in dit lid verstaan een
deelnemer die is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in
artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs of een student die is ingeschreven aan een
universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen
a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
5.Een vordering, gegrond op eigen gebruik in
de zin van lid 1 onder c is niet toewijsbaar
a. ten aanzien van woonruimte waarop
hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, zolang
de verhuurder geen huisvestingsvergunning als bedoeld in
artikel 7 lid 1 van die wet overlegt behoudens het geval dat
het eigen gebruik in iets anders bestaat dan bewoning;
b. indien de verhuurder de
rechtsopvolger van de vorige verhuurder is en de opzegging is
geschied binnen drie jaar nadat de rechtsopvolging
schriftelijk ter kennis van de huurder is gebracht.
6.In de gevallen bedoeld in lid 1 onder a en
d kan de rechter, voordat hij de vordering toewijst, aan de
huurder een termijn van ten hoogste een maand toestaan om alsnog
aan zijn verplichtingen te voldoen of het aanbod te aanvaarden.
7.Onder gehandicapte in het derde lid wordt
verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek
aantoonbare beperkingen ondervindt.
Artikel 275
1. Indien de rechter een vordering tot
beëindiging van de huurovereenkomst op de gronden, bedoeld in
artikel 274 lid 1 onder c en e toewijst, kan hij een bedrag
vaststellen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen ter
tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten.
2. De rechter kan, voordat hij een
beslissing geeft, waarin dit bedrag wordt vastgesteld, zijn
voornemen ter kennis van partijen brengen en een termijn stellen
waarbinnen de verhuurder de opzegging kan intrekken. Maakt de
verhuurder van deze bevoegdheid gebruik, dan beslist de rechter
uitsluitend over de proceskosten.
3. Bij beëindiging van de huurovereenkomst
op de gronden, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c in verbinding
met lid 3 onder a en in artikel 274 lid 1 onder e, draagt de
verhuurder bij in de kosten die de verhuizing voor de huurder
meebrengt.
4. De minimumbijdrage in de verhuis- en
inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen,
woonwagens en standplaatsen wordt bij ministeriële regeling van
de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie vastgesteld en zal
jaarlijks voor 1 maart worden gewijzigd voor zover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Het in de eerste
zin genoemde bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
5. De verhuurder kan eventuele door de
gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen
voor verhuis- of inrichtingskosten in mindering brengen op de
hoogte van de bijdrage, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 276
1.Indien de verhuurder de overeenkomst heeft
opgezegd op de grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c en de
vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst is toegewezen
dan wel de huurder met de beëindiging heeft ingestemd, is de
verhuurder jegens de huurder tot schadevergoeding gehouden, indien
de wil om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2.Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht
niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het
einde van de overeenkomst het verhuurde duurzaam door hem in
gebruik is genomen.
3.De rechter die een vordering op de grond,
bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c, toewijst, kan op verlangen
van de huurder of ambtshalve een bedrag bepalen dat de verhuurder
aan de huurder moet betalen, indien later mocht blijken dat de wil
om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van
de huurder op verdere schadevergoeding.
4.De vordering van de huurder op grond van
dit artikel vervalt vijf jaren na het einde van de
huurovereenkomst.
5.De verhuurder is eveneens tot
schadevergoeding gehouden jegens onderhuurders aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd of die krachtens artikel 269 bevoegd
waren hun overeenkomst met de hoofdverhuurder voort te zetten. De
voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 277
1.Indien de rechter de huurovereenkomst
heeft verlengd, kan de verhuurder de overeenkomst opnieuw met
inachtneming van artikel 271 en van de in lid 2 vermelde termijnen
opzeggen en overeenkomstig de artikelen 272 tot en met 274
vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen, waarop de
overeenkomst zal eindigen.
2.Indien de rechter de overeenkomst voor
onbepaalde tijd heeft verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder
opnieuw opzeggen dan drie jaren nadat deze beslissing
onherroepelijk is geworden. Indien de rechter de overeenkomst voor
bepaalde tijd heeft verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder
opzeggen dan drie maanden voor het einde van de tijd waarvoor is
verlengd.
Artikel 278
1.Een onderhuurovereenkomst van woonruimte
die niet krachtens artikel 269 na beëindiging van de hoofdhuur
door de hoofdverhuurder wordt voortgezet, eindigt op het door de
rechter op vordering van de hoofdverhuurder overeenkomstig artikel
273 lid 3 vastgestelde tijdstip van ontruiming.
2.Indien de hoofdhuurder bij de beëindiging
en de bepaling van het tijdstip van ontruiming onvoldoende voor de
belangen van de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de
schade die de onderhuurder daardoor lijdt te vergoeden.
3.De hoofdhuurder tegen wie door de
hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de
belangen van de onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het
geding te roepen.
Artikel 279
1.Indien een gebrek in de zin van artikel
204 het deel van gehuurde woonruimte dat voor de huurder en zijn
gezin voor bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar maakt dan wel
werkzaamheden tot verhelpen van een zodanig gebrek dit doen of
zullen doen, is de huurder bevoegd de huur op de voet van artikel
267 van Boek 6 te ontbinden.
2.De huurder heeft dezelfde bevoegdheid,
wanneer het gebruik van de gehuurde woonruimte gevaren oplevert.
3.Artikel 210 lid 2 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 280
Alvorens op de voet van artikel 231 een
ontbinding uit te spreken, kan de rechter de huurder een termijn van
ten hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn verplichtingen te
voldoen.
Artikel 281
1.Indien iemand op de voet van artikel 226
verhuurder is geworden en een krachtens een geldend
bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming wil
verwezenlijken, ontbindt de rechter op vordering van de verhuurder
de huurovereenkomst met ingang van een door hem te bepalen dag.
2.De huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd of met wie de huurovereenkomst
anders op de voet van artikel 269 zou zijn voortgezet, hebben
recht op schadeloosstelling. Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd
zonder de ontbinding nog een jaar of langer zou hebben geduurd, is
de schadeloosstelling ten minste gelijk aan de huurprijs van twee
jaren. Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd zonder de ontbinding
minder dan een jaar zou hebben geduurd, is de schadeloosstelling
ten minste gelijk aan de huurprijs van een jaar. Bij de berekening
van de schade wordt niet gelet op veranderingen die kennelijk zijn
tot stand gebracht om de schadeloosstelling te verhogen.
Artikel 282
Van de artikelen 272 tot en met 281 kan niet
ten nadele van de huurder dan wel onderhuurder worden afgeweken.
Afdeling 6. Huur van bedrijfsruimte
Artikel 290
1.De bepalingen van deze afdeling zijn van
toepassing op huur en verhuur van bedrijfsruimte.
2.Onder bedrijfsruimte wordt verstaan:
a. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en
verhuur is bestemd voor de uitoefening van een
kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van
een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en
ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek
toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende
zaken of voor dienstverlening aanwezig is;
b. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan die krachtens zulk een overeenkomst bestemd
is voor de uitoefening van een hotelbedrijf;
c. een onroerende zaak die krachtens
zulk een overeenkomst is bestemd voor de uitoefening van een
kampeerbedrijf.
3.Tot de in lid 2 bedoelde bedrijfsruimte
worden ook gerekend de onroerende aanhorigheden, de bij het een en
ander behorende grond en de, mede gelet op de bestemming van die
bedrijfsruimte, afhankelijke woning.
Artikel 291
1.Van de bepalingen van deze afdeling kan
niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
2.Bedingen die ten nadele van de huurder
afwijken van de bepalingen van deze afdeling, kunnen evenwel,
behoudens wanneer het betreft een afwijking van artikel 307, niet
op die grond worden vernietigd, indien zij zijn goedgekeurd door
de rechter.
3.Ieder van de partijen kan een zodanige
goedkeuring verzoeken. De goedkeuring wordt alleen gegeven indien
het beding de rechten die de huurder aan deze afdeling ontleent,
niet wezenlijk aantast of diens maatschappelijke positie in
vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat hij de
bescherming van de onderhavige afdeling in redelijkheid niet
behoeft.
4.Het verzoek bevat, behalve de gronden
waarop het berust, de tekst van de goed te keuren bedingen.
Artikel 292
1.De huurovereenkomst geldt voor vijf jaar
of, als een langere bepaalde duur is overeengekomen, voor die
langere duur.
2.De huurovereenkomst die voor vijf jaar
geldt, wordt na het verstrijken daarvan van rechtswege met vijf
jaar verlengd. De overeenkomst die is aangegaan voor een termijn
die langer is dan vijf jaar maar korter dan tien jaar, wordt na
het verstrijken van die termijn van rechtswege verlengd met een
tweede termijn die zoveel korter is dan vijf jaar als de eerste
termijn langer is dan vijf jaar.
Artikel 293
1.De overeenkomst die voor vijf jaar geldt,
en de overeenkomst die is aangegaan voor een termijn langer dan
vijf jaar, maar korter dan tien jaar, kunnen tegen het einde van
de termijn en tegen het einde van de in artikel 292 lid 2 bedoelde
tweede termijn door ieder van de partijen worden opgezegd. Artikel
228 lid 1 en lid 2, eerste zin, is niet van toepassing.
2.De opzegging moet geschieden bij exploot
of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging bedraagt
tenminste een jaar.
3.Geen opzegging is vereist, indien de
beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de
huurovereenkomst is totstandgekomen.
Artikel 294
Een opzegging door de verhuurder is nietig
indien zij niet de gronden vermeldt die tot de opzegging hebben
geleid.
Artikel 295
1.Een opgezegde huurovereenkomst blijft,
tenzij de huurder de overeenkomst heeft opgezegd of na de
opzegging door de verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan
heeft toegestemd, na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van
rechtswege van kracht, tot de rechter onherroepelijk heeft beslist
op een vordering van de verhuurderals in lid 2 bedoeld. De rechter
kan evenwel, indien het verweer van de huurder hem kennelijk
ongegrond voorkomt, zijn toewijzend vonnis uitvoerbaar bij
voorraad verklaren.
2.De verhuurder kan, indien hij zes weken na
de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling
heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst
toestemt, op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de
rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal
eindigen.
Artikel 296
1.Indien de opzegging is gedaan tegen het
einde van de in artikel 292 lid 1 bedoelde eerste termijn waarvoor
de huurovereenkomst geldt of is aangegaan, kan de rechter de
vordering slechts toewijzen, op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering van de huurder
niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of
b. de verhuurder aannemelijk maakt dat
hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed-
of aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het
verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij
daartoe het verhuurde dringend nodig heeft. Onder duurzaam
gebruik wordt niet begrepen vervreemding van de
bedrijfsruimte, maar wel renovatie van de bedrijfsruimte die
zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.
2.Een vordering, ingesteld op de in lid 1
onder b bedoelde grond, is niet toewijsbaar indien de verhuurder
de rechtsopvolger is van een vorige verhuurder en hij niet is
diens echtgenoot, geregistreerde partner, bloed- of aanverwant in
de eerste graad of pleegkind, en de opzegging is geschied binnen
drie jaar nadat de rechtopvolging schriftelijk ter kennis van de
huurder is gebracht. Onder pleegkind wordt verstaan degene die
duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.
3.Indien de opzegging is gedaan tegen het
einde van de termijn waarmee de overeenkomst krachtens artikel 292
lid 2 is verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond
van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij
beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder en van
de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, bij
verlenging van de overeenkomst. De rechter wijst de vordering in
elk geval af indien van de huurder, bij een redelijke afweging van
de voormelde belangen van hem en van de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, tegen de voormelde belangen van de
verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde ontruimt.
4.In het geval van lid 3 wijst de rechter de
vordering in ieder geval toe indien zich een der in lid 1, onder a
en b, in samenhang met lid 2 omschreven gronden voordoet en voorts
indien:
c. de huurder niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst
met betrekking tot het gehuurde, voor zover dit aanbod niet
een wijziging van de huurprijs inhoudt, of
d. de verhuurder een krachtens een
geldig bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming
wil verwezenlijken.
5.Indien de rechter de vordering toewijst,
stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De
toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat
tijdstip.
Artikel 297
1.De rechter kan in zijn beslissing tot
toewijzing van de vordering een bedrag vaststellen dat de
verhuurder aan de huurder of aan degene aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd, moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis-
en inrichtingskosten.
2.Alvorens een beslissing te geven waarin
een bedrag als bedoeld in lid 1 wordt vastgesteld, brengt de
rechter zijn voornemen ter kennis van partijen en stelt hij een
termijn vast waarbinnen de verhuurder de bevoegdheid heeft de
vordering in te trekken.
3.Indien de verhuurder binnen deze termijn
zijn vordering intrekt, geeft de rechter slechts een beslissing
over de proceskosten.
Artikel 298
In het geval, bedoeld in artikel 296 lid 4
onder c, kan de rechter de huurder een termijn toestaan van ten
hoogste een maand om het aanbod tot het aangaan van een nieuwe
overeenkomst alsnog te aanvaarden.
Artikel 299
1.Indien de overeenkomst is opgezegd op de
grond dat een in artikel 296 lid 1 onder b genoemde persoon het
verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en de huurder
in de beëindiging van de overeenkomst heeft toegestemd dan wel de
vordering tot beëindiging van de overeenkomst op die grond dan
wel op de grond, bedoeld in artikel 296 lid 3, is toegewezen, is
de verhuurder jegens de huurder en degene die bevoegdelijk heeft
ondergehuurd, tot schadevergoeding gehouden, indien de wil om het
verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2.Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht
niet aanwezig te zijn geweest, indien het verhuurde niet binnen
een jaar na het einde van de overeenkomst door een persoon als
bedoeld in artikel 296 lid 1 onder b in duurzaam gebruik is
genomen.
3.De rechter kan in een beslissing tot
toewijzing van een vordering tot beëindiging, gegrond op de in
artikel 296 lid 1 onder b bedoelde wil van een der daar bedoelde
personen, op verzoek van de huurder of ambtshalve een bedrag
bepalen dat de verhuurder aan de huurder of degene die
bevoegdelijk heeft ondergehuurd moet betalen, indien later mocht
blijken dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest,
onverminderd het recht van de huurder op verdere schadevergoeding.
4.De vordering van de huurder of
onderhuurder tot schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3
bedoelde bedrag vervalt vijf jaren na het einde van de
huurovereenkomst.
Artikel 300
1.Indien de oorspronkelijk duur van de
overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 is verlengd en de
verlengde overeenkomst niet tegen het einde van de in dat lid
bedoelde tweede termijn is opgezegd, wordt de overeenkomst
voortgezet voor onbepaalde tijd, tenzij uit de overeenkomst een
bepaalde tijd voortvloeit of partijen een bepaalde tijd
overeenkomen.
2.Wordt de overeenkomst krachtens lid 1 voor
onbepaalde tijd voortgezet, dan kan zij door ieder van de partijen
worden opgezegd. Wordt de overeenkomst voor bepaalde tijd
voortgezet of is zij aangegaan voor een duur van tien jaar of
langer, dan eindigt zij, in afwijking van artikel 228 lid 1, niet
door het enkele verloop van de huurtijd, maar kan zij door ieder
van de partijen tegen het einde van die huurtijd worden opgezegd.
3.De opzegging moet voldoen aan de vereisten
van de artikelen 293 leden 2 en 3 en van artikel 294. De artikelen
295 tot en met 299 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Indien een vordering tot vaststelling van
het tijdstip waarop de overeenkomst zal eindigen, is afgewezen, en
uit de overeenkomst niet voortvloeit dat zij dan wordt voortgezet
voor een bepaalde termijn tegen het einde waarvan zij opnieuw
opgezegd kan worden, kan de overeenkomst slechts rechtsgeldig
opnieuw opgezegd worden nadat een termijn van een jaar is
verstreken nadat de afwijzing onherroepelijk is geworden. De
rechter kan bij zijn afwijzende beslissing een langere termijn
vaststellen.
Artikel 301
1.De artikelen 291 tot en met 300 zijn niet
van toepassing op een overeenkomst van twee jaar of korter.
2.Indien het gebruik, aangevangen krachtens
een overeenkomst als bedoeld in lid 1, langer dan twee jaar heeft
geduurd, geldt van rechtswege een overeenkomst op de tussen
partijen overeengekomen voorwaarden, doch voor vijf jaar, waarop
de reeds verstreken twee jaar in mindering komen. De artikelen van
291 tot en met 300 zijn op deze overeenkomst van toepassing.
3.Het in lid 2 bedoelde rechtsgevolg treedt
niet in, indien partijen voor het verstrijken van de termijn van
twee jaar een andere overeenkomst sluiten die onder artikel 292
lid 1 valt, dan wel een daarvan afwijkende overeenkomst, mits de
in artikel 291 bedoelde goedkeuring is verzocht voor het
verstrijken van de termijn van twee jaar.
4.Indien voor het verstrijken van deze
termijn op de voet van artikel 291 goedkeuring van afwijkende
bedingen is verzocht en de rechter dit verzoek afwijst, kan hij op
verzoek van de verhuurder tevens bepalen dat de overeenkomst wordt
beëindigd en het tijdstip van de ontruiming vaststellen. Deze
vaststelling geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat
tijdstip.
Artikel 302
Opzegging van de overeenkomst door de
erfgenamen van de huurder, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of
geregistreerde partner, op de voet van artikel 229 lid 2 dient te
geschieden op een termijn van tenminste zes maanden. Artikel 293 lid
2, eerste zin, en lid 3 is van toepassing.
Artikel 303
1.Zowel de huurder als de verhuurder kunnen
vorderen dat de rechter de huurprijs, zo deze niet overeenstemt
met die van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, nader zal
vaststellen:
a. indien de overeenkomst voor bepaalde
tijd geldt, na afloop van de overeengekomen duur;
b. in alle andere gevallen, telkens
wanneer tenminste vijf jaar zijn verstreken sinds de dag
waarop de laatste door partijen vastgestelde huurprijs is
ingegaan of waarop de laatste door de rechter vastgestelde
huurprijs is gevorderd.
2.Bij de nadere vaststelling van de
huurprijs let de rechter op het gemiddelde van de huurprijzen van
vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, die zich hebben
voorgedaan in een tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dag
van het instellen van de vordering. Iedere aldus in de
vergelijking te betrekken huurprijs wordt herleid volgens de
algemene ontwikkeling van het prijspeil sinds de dag waarop die
huurprijs gold tot aan die van het instellen van de vordering. Zo
het niet mogelijk is de rechter de voor de toepassing van deze
maatstaf benodigde gegevens te verschaffen, maakt de rechter een
schatting aan de hand van de wel te zijner beschikking staande
gegevens, waarbij hij die maatstaf zoveel mogelijk als richtsnoer
bezigt.
3.De rechter wijst een vordering tot
verhoging van de huurprijs af, voor zover deze is gegrond op
verbeteringen van het gehuurde, die op kosten van de huurder zijn
aangebracht.
4.Indien de rechter de huurprijs nader
vaststelt, geldt deze met ingang van de dag waarop deze is
gevorderd, tenzij hij op vordering van een der partijen op grond
van de bijzondere omstandigheden van het geval een andere
ingangsdatum vaststelt. Hij kan daarbij tevens bepalen dat de
huurprijs gedurende een door hem vast te stellen termijn van ten
hoogste vijf jaren geleidelijk zal worden aangepast.
Artikel 304
1.Een vordering tot nadere
huurprijsvaststelling is slechts ontvankelijk, indien deze
vergezeld gaat van een advies omtrent de nadere huurprijs,
opgesteld door een of meer door partijen gezamenlijk benoemde ter
zake deskundigen.
2.Indien partijen geen overeenstemming
bereiken over de benoeming van een deskundige, benoemt de rechter
deze op verzoek van de meest gerede partij. Indien een zodanig
verzoek wordt gedaan, geldt de dag van dat verzoek voor de
toepassing van artikel 303 leden 1, 2 en 4 als de dag waarop de
vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs is ingesteld.
3.De kosten van het advies zijn proceskosten
als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering; de artikelen 195, 196, 199 en 244 van dat wetboek
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 305
1.De verhuurder die ingevolge een besluit
als bedoeld in artikel 13 of 15 van de Woningwet voorzieningen als
bedoeld in artikel 243 lid 2 heeft getroffen, is, ook buiten de
gevallen van artikel 303 lid 1 onder a en b, bevoegd om ter
doorberekening van de kosten van deze voorzieningen, voor zover
redelijk, een daarop afgestemde verhoging van de huur te
verlangen. Indien de huurder en de verhuurder geen overeenstemming
hebben kunnen bereiken over het bedrag van de verhoging, kan ieder
van hen vaststelling van de verhoging door de rechter vorderen.
2.Dit artikel is, behalve op bedrijfsruimte
in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een gebouwde
onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit
gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan
waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 306
1.Een onderhuurovereenkomst van
bedrijfsruimte eindigt op het door de rechter op vordering van de
hoofdverhuurder overeenkomstig artikel 296 lid 5 vastgestelde
tijdstip van ontruiming.
2.Indien de hoofdhuurder de onderhuurder
niet of niet juist heeft voorgelicht omtrent de termijn waarvoor
de hoofdhuur geldt of is aangegaan, of hij bij de beëindiging van
de hoofdhuur en de bepaling van het tijdstip van ontruiming
onvoldoende voor de belangen van de onderhuurder heeft gewaakt, is
hij verplicht de schade die de onderhuurder daardoor lijdt, te
vergoeden.
3.De hoofdhuurder tegen wie door de
hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de
belangen van de onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het
geding te roepen.
Artikel 307
1.Indien overdracht door de huurder aan een
derde van het in het gehuurde door de huurder zelf of een ander
uitgeoefende bedrijf gewenst wordt, kan de huurder vorderen dat
hij gemachtigd wordt om die derde als huurder in zijn plaats te
stellen.
2.De rechter beslist met inachtneming van de
omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de
vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder of de ander die
het bedrijf uitoefent, een zwaarwichtig belang heeft bij de
overdracht van het bedrijf en dat hij haar steeds afwijst, indien
de voorgestelde huurder niet voldoende waarborgen biedt voor een
volledige nakoming van de overeenkomst en voor een behoorlijke
bedrijfsvoering.
3.De rechter kan aan de machtiging
voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.
Artikel 308
1.Indien de verhuurder, nadat de
huurovereenkomst door opzegging zijnerzijds is geëindigd,
voordeel geniet tengevolge van het feit dat het verhuurde
vervolgens wordt gebezigd voor de uitoefening van een bedrijf,
gelijksoortig aan het door de gewezen huurder of de onderhuurder
aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd aldaar uitgeoefende bedrijf,
kan de gewezen huurder of de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd van de verhuurder een naar billijkheid te berekenen
vergoeding vorderen.
2.Voordeel, voortvloeiend uit de aard of
ligging van het verhuurde of uit de daaraan aangebrachte
veranderingen, komt voor de toepassing van lid 1 niet in
aanmerking.
3.De vergoeding kan niet worden toegekend,
wanneer het verhuurde voor de uitoefening van het gelijksoortige
bedrijf eerst wordt gebezigd nadat sedert het eindigen van de
huurovereenkomst meer dan een jaar is verstreken
Artikel 309
1.Indien een verhuurder op wie de rechten en
verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 226
zijn overgegaan, deze overeenkomst door opzegging doet eindigen in
verband met de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de
uitvoering van werken in het algemeen belang zal worden
afgebroken, is hij aan de huurder en de onderhuurder aan wie voor
die overgang bevoegdelijk is onderverhuurd, een schadeloosstelling
verschuldigd wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding
zonder deze overgang zou hebben voortgeduurd.
2.De verhuurder is de in lid 1 bedoelde
schadeloosstelling eveneens verschuldigd indien de overgang is
geschied nadat de vorige verhuurder de huurovereenkomst heeft
opgezegd in verband met de omstandigheid dat na de overgang het
gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen
belang zal worden afgebroken. Is de eigendom van het verhuurde
overgedragen nadat de huurovereenkomst reeds door de opzegging was
geëindigd, dan is de schadeloosstelling verschuldigd door de
eigenaar die tot afbraak overgaat.
3.Een opzegging wordt vermoed in verband met
de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van
werken in het algemeen belang zal worden afgebroken, indien de
afbraak binnen zes jaar na de opzegging aanvangt.
4.Werken tot verwezenlijking van een
bestemmingsplan, strekkende tot reconstructie van een bebouwde
kom, worden in elk geval geacht in het algemeen belang te zijn.
5.Dit artikel is, behalve op bedrijfsruimte
in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een gebouwde
onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit
gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan
waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 310
1.Indien een verhuurder op wie de rechten en
verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 226
zijn overgegaan, een krachtens een geldend bestemmingsplan op het
verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt de
rechter op vordering van de verhuurder de huurovereenkomst met
ingang van een door hem te bepalen dag.
2.De huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd, kunnen een schadeloosstelling
vorderen. Bij de bepaling daarvan wordt rekening gehouden met de
kans dat de huurverhouding zonder de overgang zou hebben
voortgeduurd.
3.Dit artikel is, behalve op bedrijfsruimte
in de zin van artikel 290, ook van toepassing op een gebouwde
onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit
gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan
waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Titel 5. Pacht
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 311
Pacht is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de
pachter, een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te
verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich
verbindt tot een tegenprestatie.
Artikel 312
Onder landbouw wordt verstaan, steeds
voorzover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw;
veehouderij; pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen
fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen; de teelt
van griendhout en riet; elke andere tak van bodemcultuur, met
uitzondering van de bosbouw.
Artikel 313
1.Een hoeve is een complex bestaande uit een
of meer gebouwen of gedeelten daarvan en het daarbij behorende
land, dienende tot de uitoefening van de landbouw.
2.Hetgeen in deze titel is bepaald met
betrekking tot los land, geldt mede met betrekking tot een of meer
gebouwen of gedeelten daarvan, welke dienen tot de uitoefening van
de landbouw.
3.Indien echter tussen dezelfde partijen bij
één overeenkomst los land en bij een andere overeenkomst een of
meer gebouwen of gedeelten daarvan zijn verpacht, worden de
bepalingen omtrent verpachting van hoeven op beide overeenkomsten
van toepassing met ingang van het tijdstip waarop de laatste van
beide overeenkomsten is gesloten.
4.Onder hoeve en los land worden begrepen de
daarbij behorende, niet tot de uitoefening van de landbouw
dienende gronden met inbegrip van de zich daarop bevindende
houtopstanden.
Artikel 314
In deze titel wordt onder pleegkind verstaan
degenen die duurzaam als eigen kind is onderhouden en opgevoed.
Artikel 315
Op de omvang van het gepachte dat langs een
water ligt, zijn de artikelen 29 en 34 van Boek 5 van toepassing,
tenzij de verpachter aan een vastlegging van de grens overeenkomstig
de artikelen 30 tot en met 32 van Boek 5 is gebonden.
Artikel 316
1.Het recht van de pachter op de vruchten
van de gepachte zaak is een genotsrecht als bedoeld in artikel 17
van Boek 5.
2.Het recht van de pachter op de vruchten
omvat de bij het einde van de pacht nog te velde staande vruchten,
tenzij bij ontbinding van de overeenkomst door de rechter anders
wordt bepaald.
Afdeling 2. Vorm van de pachtovereenkomst
Artikel 317
1.De pachtovereenkomst, de overeenkomst tot
wijziging en die tot beëindiging van een pachtovereenkomst moeten
schriftelijk worden aangegaan.
2.Zolang de overeenkomst niet schriftelijk
is aangegaan, kan de meest gerede partij de schriftelijke
vastlegging daarvan vorderen.
3.In het in het vorige lid bedoelde geval
legt de rechter de overeenkomst schriftelijk vast met dien
verstande dat nietige bedingen, zoveel mogelijk overeenkomstig de
bedoelingen van partijen, in overeenstemming worden gebracht met
de wet.
Afdeling 3. Goedkeuring van de
pachtovereenkomst
Artikel 318
1.De pachtovereenkomst, de overeenkomst tot
wijziging en die tot beëindiging van een pachtovereenkomst
behoeven de goedkeuring van de grondkamer.
2.Ten aanzien van de overeenkomst tot
beëindiging van een pachtovereenkomst vervalt het vereiste van
goedkeuring door de feitelijke uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 319
1.De grondkamer keurt de pachtovereenkomst
goed, tenzij:
a. de overeengekomen pachtprijs dan wel
de vergoeding, daarbij in aanmerking genomen de verdere inhoud
van de overeenkomst, hoger is dan ingevolge het bepaalde
krachtens de artikelen 327 lid 1 en 327 lid 3
onderscheidenlijk 393 is toegelaten;
b. de overige verplichtingen, voor de
pachter uit de overeenkomst voortvloeiende, als buitensporig
moeten worden beschouwd;
c. de overeenkomst zou leiden tot een
ondoelmatige verkaveling of een ondoelmatige ligging van het
land ten opzichte van de bedrijfsgebouwen of van de woning;
d. de overeenkomst, indien deze
betrekking heeft op land, dat begrepen is geweest in een ruil-
of herverkaveling of dat gelegen is in de IJsselmeerpolders,
zou leiden tot:
1°. een verkaveling of een ligging
van het land ten opzichte van de bedrijfsgebouwen of van
de woning, die minder doelmatig is dan de bestaande;
2°. een geringere dan de bestaande
bedrijfsgrootte;
e. door de overeenkomst algemene
belangen van de landbouw zouden worden geschaad; de grondkamer
is onder meer bevoegd als schadelijk voor de algemene belangen
van de landbouw aan te merken overeenkomsten, welke zouden
leiden tot:
1°. een zo geringe bedrijfsgrootte,
dat de ondernemer zijn volledige arbeidskracht op het
bedrijf niet produktief kan maken;
2°. gebruik van het land ter
verkrijging van neveninkomsten, anders dan voor
zelfvoorziening;
3°. vergroting van een bedrijf,
waarvan uitbreiding voor de ondernemer niet van
overwegende betekenis is, terwijl in de nabijheid een of
meer kleine bedrijven uitbreiding behoeven;
f. de overeenkomst bepalingen bevat,
welke in strijd zijn met deze titel.
2.Indien de pachtovereenkomst zou leiden tot
een van de in het eerste lid, onder c, d en e genoemde gevolgen,
kan de grondkamer haar goedkeuring verlenen, wanneer weigering op
grond van bijzondere omstandigheden onredelijk zou zijn of zou
indruisen tegen het landbouwbelang. Indien de pachtovereenkomst
zou leiden tot een van de in lid 1, onder d, genoemde gevolgen,
kan de grondkamer voorts haar goedkeuring verlenen, wanneer
omstandigheden, gelegen in de persoon van de verpachter, de
goedkeuring in het belang van een verantwoorde bedrijfsvoering
wenselijk maken.
3.Het bepaalde in lid 1 onder c en onder e
met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3° blijft
buiten toepassing bij overeenkomsten met echtgenoten of
geregistreerde partners, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn,
pleegkinderen en medepachters.
4.Bij de toetsing van de overeenkomst aan
het bepaalde in lid 1, onder e, mag de grondkamer niet letten op
de persoon van de pachter.
5.Het bepaalde in lid 1, onder c en d en
onder e met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3°,
blijft buiten toepassing, indien uit een verklaring van
burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin het land is
gelegen, blijkt dat dit is opgenomen in een goedgekeurd
bestemmingsplan en daarbij een niet tot de landbouw betrekkelijke
bestemming heeft gekregen.
6.Voor de geldigheid van bepalingen, welke
in strijd met de wet zijn, kan op de goedkeuring van de
overeenkomst door de grondkamer geen beroep worden gedaan.
7.Het in de voorgaande leden bepaalde vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de overeenkomst tot
wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst.
Artikel 320
1.Indien de grondkamer haar goedkeuring aan
de pachtovereenkomst of aan de overeenkomst tot wijziging of
beëindiging van een pachtovereenkomst onthoudt, wijzigt zij de
overeenkomst op het punt of de punten, welke in verband met het
bepaalde in artikel 319 lid 1, de goedkeuring verhinderen, of
vernietigt zij haar.
2.De door de grondkamer gewijzigde
overeenkomst geldt als een tussen partijen aangegane en
goedgekeurde overeenkomst. In geval van wijziging in verband met
het bepaalde in artikel 319 lid 1, onder c, d en e, alsmede in
geval van vernietiging regelt de grondkamer zo nodig de gevolgen.
Artikel 321
1.Ieder der partijen is verplicht de
pachtovereenkomst of de overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst binnen twee maanden, nadat zij is aangegaan, aan
de grondkamer ter goedkeuring in te zenden.
2.Ieder der partijen is verplicht de
overeenkomst tot beëindiging van een pachtovereenkomst binnen
twee maanden nadat zij is aangegaan, aan de grondkamer ter
goedkeuring in te zenden.
3.Zodra een der partijen aan de verplichting
heeft voldaan, is die van de andere partij vervallen.
4.Op de ingevolge artikel 317 lid 3
schriftelijk vastgelegde overeenkomst past de grondkamer de
artikelen 319 en 320 ambtshalve toe.
Artikel 322
1.Wanneer niet is voldaan aan het bepaalde
in artikel 321 lid 1 kan de verpachter, zolang de
pachtovereenkomst door de grondkamer niet is goedgekeurd, niet een
rechtsvordering tot betaling van de pachtprijs tegen de pachter
instellen en geldt de pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd,
zonder dat zij door een van de partijen kan worden opgezegd; wordt
de goedkeuring verleend, dan gaat de in artikel 325 bedoelde duur
in bij de aanvang van het pachtjaar, volgende op dat, waarin de
overeenkomst is ingezonden.
2.De grondkamer is bevoegd op verzoek van
een partij in bijzondere gevallen bij de goedkeuring te bepalen,
dat de in artikel 325 bedoelde duur op een eerder tijdstip ingaat.
Artikel 323
1.Aan een overeenkomst tot wijziging of –
voorzover die niet reeds feitelijk is uitgevoerd – aan een
overeenkomst tot beëindiging van een pachtovereenkomst, die nog
niet door de grondkamer is goedgekeurd, zijn partijen slechts in
zoverre gebonden, dat zij niet eenzijdig kunnen terugtreden.
2.Indien de overeenkomst niet binnen twee
maanden, nadat zij werd aangegaan, ter goedkeuring is ingezonden,
is de grondkamer bevoegd haar te doen ingaan op een later tijdstip
dan werd overeengekomen, doch uiterlijk op het tijdstip van
inzending.
Artikel 324
1.Zij die voornemens zijn met elkaar een
pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst aan te gaan, zijn bevoegd een
ontwerp-pachtovereenkomst, onderscheidenlijk een
ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst ter
goedkeuring aan de grondkamer in te zenden.
2.De grondkamer beoordeelt de
ontwerp-overeenkomst met toepassing van artikel 319 leden 1 tot en
met 5; zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van
wijzigingen, welke zij in verband met het bepaalde in artikel 319
lid 1 nodig oordeelt.
3.Indien binnen twee maanden, nadat de
grondkamer of de Centrale Grondkamer een ontwerp-pachtovereenkomst
of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst heeft goedgekeurd, een overeenkomst wordt
ingezonden, die gelijk is aan de ontwerp-overeenkomst, zoals deze
werd goedgekeurd, is de grondkamer tot goedkeuring gehouden.
4.Op het verzoek tot goedkeuring van een
ontwerp-pachtovereenkomst kan niet meer worden beslist, nadat de
daarin als pachter genoemde persoon als zodanig op het goed is
toegelaten.
Afdeling 4. Duur van de pachtovereenkomst
Artikel 325
1.De pachtovereenkomst geldt voor een
bepaalde tijd. Deze tijd bedraagt twaalf jaren voor een hoeve en
zes jaren voor los land.
2.Een pachtovereenkomst kan voor een langere
duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging is
vastgesteld.
3.Een pachtovereenkomst kan voor een kortere
duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging is
vastgesteld. De kortere duur behoeft de goedkeuring van de
grondkamer, welke hetzij vóór het aangaan van de overeenkomst,
hetzij bij de toetsing daarvan kan worden verleend.
4.De grondkamer verleent haar goedkeuring
aan de kortere duur alleen op grond van de bijzondere
omstandigheden van het geval en indien de algemene belangen van de
landbouw daardoor niet worden geschaad. Zij vermeldt in haar
beschikking de reden van haar goedkeuring. Als bijzondere
omstandigheden worden niet beschouwd beperkingen, aan de
verpachter door derden opgelegd.
5.De pachtovereenkomst die geldt voor de
duur van ten minste twaalf jaren voor een hoeve en ten minste zes
jaren voor los land, wordt telkens van rechtswege met zes jaren
verlengd.
6.Heeft de grondkamer een kortere termijn
goedgekeurd, dan vindt geen verlenging van rechtswege plaats, maar
kan de rechter op vordering van de pachter de overeenkomst
verlengen voor een door de rechter vast te stellen periode op de
grond dat de bijzondere omstandigheden, bedoeld in lid 4 zich niet
hebben voorgedaan en zich ook niet meer kunnen voordoen. De
vordering moet worden ingesteld binnen een daartoe door de
grondkamer in haar beschikking vastgestelde termijn. Op de
verlengde overeenkomst is lid 5 van toepassing.
7.Heeft de grondkamer een termijn van een
jaar of korter goedgekeurd, dan vindt geen verlenging plaats.
Artikel 326
1.Telkens voor het verstrijken van een
pachttermijn kan de pachter of de verpachter aan de grondkamer
verzoeken andere bepalingen van de pachtovereenkomst dan met
betrekking tot de tegenprestatie te herzien.
2.De grondkamer herziet deze, indien de
bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven
en noch het algemeen landbouwbelang, noch een redelijk belang van
de andere partij zich daartegen verzet.
3.De wijziging gaat in met ingang van de
nieuwe pachttermijn.
4.Geen wijziging kan worden gevorderd op
grond van artikel 258 van Boek 6.
Afdeling 5. Pachtprijs
Artikel 327
1.Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regelen vastgesteld ten aanzien van de hoogst
toelaatbare pachtprijs.
2.De in lid 1 bedoelde regelen strekken tot
bevordering van pachtprijzen, welke in een redelijke verhouding
staan tot de bedrijfsuitkomsten bij een behoorlijke
bedrijfsvoering, met dien verstande, dat bij het vaststellen van
die regelen de redelijke belangen van de verpachter mede in acht
worden genomen.
3.Met inachtneming van de in lid 1 bedoelde
regelen kunnen de grondkamers, ieder voor haar gebied, zo nodig
streeksgewijs, ten aanzien van de pachtprijs bij besluit nadere
regelen vaststellen. Zodanig besluit vervalt een jaar na het
tijdstip van zijn inwerkingtreding.
4.Deze besluiten behoeven de goedkeuring van
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en worden
in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 328
1.Als tegenprestatie kan slechts worden
bedongen een pachtprijs met of zonder bijkomstige verplichtingen.
2.Als pachtprijs kan slechts worden bedongen
een uitsluitend naar tijdruimte bepaald en niet van de prijs van
produkten of andere factoren afhankelijk gesteld bedrag in
Nederlands geld.
3.De grondkamer kan echter, hetzij vóór
het aangaan van de overeenkomst op verzoek van een der partijen,
hetzij bij de toetsing daarvan, afwijking van het in de leden 1 en
2 bepaalde goedkeuren.
4.Heeft de grondkamer zulk een goedkeuring
verleend of verleent zij deze bij de toetsing, dan wordt de
overeengekomen tegenprestatie door haar beoordeeld naar de
strekking van het bepaalde krachtens de artikelen 327 leden 1 en
2.
Artikel 329
Bedongen kan worden dat de lasten die de
verpachter ten gevolge van landinrichting op grond van de
Landinrichtingswet of de Wet inrichting landelijk gebied, van
reconstructie op grond van de Reconstructiewet Midden-Delfland of
van de Reconstructiewet concentratiegebieden of van herinrichting op
grond van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën, zijn of zullen worden opgelegd, ten dele ten laste
van de pachter komen.
Artikel 330
1.De pachter heeft aanspraak op een
vermindering van de pachtprijs over een pachtjaar of een
pachtseizoen, gedurende hetwelk tengevolge van buitengewone
omstandigheden de opbrengst van het bedrijf aanzienlijk minder is
geweest dan bij het aangaan van de overeenkomst te verwachten was
of de pachter tijdelijk het genot van het gepachte geheel of
gedeeltelijk heeft moeten missen.
2.Tot vermindering geven geen aanleiding:
a. een verlaging van de prijs van de
voortbrengselen van het bedrijf;
b. omstandigheden welke aan de pachter
zijn toe te rekenen of waarvan hij de gevolgen door
verzekering of op andere wijze redelijkerwijs had kunnen
voorkomen;
c. schade, welke de pachter op een ander
kan verhalen.
3.De vordering van de pachter vervalt zes
maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen,
waarover de pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 331
1.De verpachter heeft aanspraak op een
verhoging van de pachtprijs over een pachtjaar of een
pachtseizoen, gedurende hetwelk de lasten, die de verpachter door
publiekrechtelijke lichamen zijn opgelegd wegens buitengewone
werken, waardoor des pachters bedrijf gebaat wordt, aanzienlijk
hoger zijn geweest dan bij het aangaan van de overeenkomst te
verwachten was.
2.De vordering van de verpachter vervalt zes
maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen,
waarover de pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 332
1.De verpachter heeft aanspraak op een
verhoging van de pachtprijs over een pachtjaar of over een
pachtseizoen, indien hij voor eigen rekening buitengewone werken
heeft uitgevoerd, waardoor het bedrijf van de pachter dermate is
gebaat, dat een verhoging van de pachtprijs van de pachter kan
worden verlangd.
2.De vordering van de verpachter vervalt zes
maanden na het eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen,
waarover de pachtprijs verschuldigd is.
Artikel 333
1.De pachtprijs wordt van rechtswege herzien
overeenkomstig de wijziging van de krachtens artikel 327 lid 1
gegeven regelen. De verpachter kan, onder schriftelijke mededeling
daarvan aan de pachter, echter geheel of ten dele van een
verhoging afzien.
2.Niettemin kan de pachter of de verpachter
binnen een tijdvak van een jaar na de inwerkingtreding van een
wijziging van de regelen als bedoeld in artikel 327 lid 1 aan de
grondkamer verzoeken de tegenprestatie te herzien. De grondkamer
herziet deze indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of
gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
3.Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en
2 kan de pachter of de verpachter voor het verstrijken van een
pachtperiode van drie jaren aan de grondkamer verzoeken de
tegenprestatie te herzien. De grondkamer herziet deze indien
redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde
omstandigheden dit rechtvaardigen.
4.De in de leden 1 en 2 bedoelde herziening
gaat in met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip
waarop een wijziging van de regelen, bedoeld in artikel 327 lid 1
in werking is getreden. De herziening als bedoeld in lid 3 gaat in
met ingang van de nieuwe driejarige periode.
Artikel 334
1.Indien in een waterschap waarin het
verpachte is gelegen een pachtersomslag wordt geheven als bedoeld
in artikel 116, onderdeel b, van de Waterschapswet (Stb. 1991,
444) of de heffing van die omslag wordt beëindigd, wordt de
pachtprijs van rechtswege verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd met
een bedrag waarvan de hoogte is vastgesteld bij de regelen als
bedoeld in artikel 327 lid 1.
2.De in het eerste lid bedoelde verlaging,
onderscheidenlijk verhoging geschiedt overeenkomstig de regelen
als bedoeld in artikel 327 lid 1, en gaat voorts in met ingang van
het belastingjaar waarover de omslag wordt geheven,
onderscheidenlijk niet meer wordt geheven.
Artikel 335
Op grond van artikel 258 van Boek 6 kan geen
wijziging van de tegenprestatie dan wel van de vergoeding worden
gevorderd.
Afdeling 6. Verplichtingen van de verpachter
Artikel 336
De verpachter is verplicht het verpachte ter
beschikking van de pachter te stellen en te laten voor zover dat
voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 337
1.De verpachter heeft met
betrekking tot gebreken van het verpachte de in deze afdeling
omschreven verplichtingen.
2.Een gebrek is een staat of
eigenschap van de verpachte zaak of een andere niet aan de pachter
toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de pachter niet
het genot kan verschaffen dat een pachter bij het aangaan van de
overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de
soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.
3.Een feitelijke stoornis door
derden zonder bewering van recht als bedoeld in artikel 344 en een
bewering van recht zonder feitelijke stoornis, zijn geen gebreken
in de zin van lid 2.
Artikel 338
De uit deze afdeling voortvloeiende
rechten van de pachter komen aan deze toe, onverminderd alle andere
rechten en vorderingen.
Artikel 339
1.De verpachter is verplicht op
verlangen van de pachter gebreken te verhelpen, tenzij dit
onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijs niet van de verpachter zijn te vergen.
2.Deze verplichting bestaat niet
ten aanzien van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan
de pachter krachtens artikel 351 verplicht is, en ten aanzien van
gebreken voor het ontstaan waarvan de pachter jegens de verpachter
aansprakelijk is.
3.Is de verpachter met het
verhelpen in verzuim, dan kan de pachter dit verhelpen zelf
verrichten en de daarvoor gemaakte kosten, voor zover deze
redelijk waren, op de verpachter verhalen, desgewenst door deze in
mindering op de pachtprijs te brengen.
Artikel 340
1.De pachter kan in geval van
vermindering van pachtgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan
evenredige vermindering van de pachtprijs vorderen van de dag
waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de
verpachter of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was
om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is
verholpen.
2.De pachter heeft geen aanspraak
op pachtvermindering terzake van gebreken die hij krachten artikel
351 verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij
jegens de verpachter aansprakelijk is.
Artikel 341
Onverminderd de gevolgen van
niet-nakoming van de verplichting van artikel 339 is de verpachter
tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht,
indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en
aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan
van de overeenkomst aanwezig was en de verpachter het toen kende of
had behoren te kennen, of toen aan de pachter heeft te kennen
gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 342
Van artikel 341 kan niet ten nadele
van de pachter worden afgeweken, voor zover het gaat om gebreken die
de verpachter bij het aangaan van de pachtovereenkomst kende of had
behoren te kennen.
Artikel 343
1.Indien een gebrek dat de
verpachter ingevolge artikel 339 niet verplicht is te verhelpen,
het genot dat de pachter mocht verwachten geheel onmogelijk maakt,
is zowel de pachter als de verpachter bevoegd de overeenkomst op
de voet van artikel 267 van Boek 6 te ontbinden.
2.Een verplichting van een der
partijen tot schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede
de door het eindigen van de overeenkomst ingevolge lid 1
veroorzaakte schade.
Artikel 344
1.Wanneer tegen de pachter door een
derde een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot
verlening van een recht waarmee het verpachte ingevolge de
pachtovereenkomst niet belast had mogen zijn, is de verpachter na
kennisgeving daarvan door de pachter gehouden in het geding te
komen ten einde de belangen van de pachter te verdedigen.
2.De verpachter moet aan de pachter
alle door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de
kennisgeving niet onverwijld is geschied, alleen de na de
kennisgeving ontstane kosten.
3.Wanneer tegen de onderpachter een
vordering betreffende het ondergepachte wordt ingesteld door de
hoofdverpachter, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
toepassing op de onderverpachter.
Artikel 345
1.De verpachter is verplicht tot
wederopbouw van door brand of storm tenietgegane opstallen,
voorzover de wederopbouw noodzakelijk is voor de uitoefening van
het bedrijf op het gepachte. Deze verplichting bestaat niet,
indien de pachtovereenkomst voor kortere dan de wettelijke duur
geldt en bestaat ook niet voor de onderverpachter.
2.De grondkamer kan de verpachter
op diens verzoek, hetzij vóór het aangaan van de overeenkomst,
hetzij bij een toetsing, van deze verplichting ontheffen, indien
de opstallen niet op redelijke voorwaarden voor de herbouwwaarde
verzekerd kunnen worden of aannemelijk is, dat bij tenietgaan van
de opstallen de verplichting tot wederopbouw op grond van het
bepaalde in de eerste zin van lid 4 zal vervallen.
3.Indien de verpachter, hoewel de
opstallen op redelijke voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd
kunnen worden, niet of niet afdoende tegen brand- of stormschade
verzekerd is, en niet anderszins zekerheid biedt de in lid 1
genoemde verplichting te zullen nakomen, kan de rechter de pachter
op diens verzoek machtigen een verzekering of een aanvullende
verzekering voor ten hoogste de duur van de lopende pachttermijn
te sluiten en de premie voor rekening van de verpachter te
betalen. Indien het betreft het sluiten van een aanvullende
verzekering, moet deze worden gesloten bij de verzekeraar bij wie
de opstallen verzekerd zijn, tenzij de rechter in zijn beschikking
anders bepaalt. Onder verzekering voor de herbouwwaarde wordt
verstaan een verzekering tot zodanig bedrag, dat daarmede kan
worden voldaan aan de in lid 1, eerste zin, omschreven
verplichting.
4.De verplichting van de verpachter
tot wederopbouw vervalt, indien de wederopbouw, de algemene
belangen van de landbouw of de bijzondere omstandigheden van het
geval in aanmerking genomen, van de verpachter in redelijkheid
niet kan worden gevergd. Indien de pachter voor de door brand
ontstane schade aansprakelijk is, wordt de verplichting van de
verpachter tot wederopbouw geschorst, zolang de pachter aan zijn
verplichting tot schadevergoeding niet heeft voldaan.
Afdeling 7. Verplichtingen van de
pachter
Artikel 346
De pachter is verplicht de
tegenprestatie op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 347
De pachter is verplicht zich ten
aanzien van het gebruik van het gepachte als een goed pachter te
gedragen.
Artikel 348
1.De pachter is niet bevoegd de
bestemming, inrichting of gedaante van het gepachte geheel of
gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de
verpachter, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die
bij het einde van de pacht zonder noemenswaardige kosten kunnen
worden ongedaan gemaakt en verwijderd.
2.Indien de verpachter de
toestemming niet verleent, kan de pachter aan de grondkamer
machtiging vragen tot het aanbrengen van de veranderingen. Indien
de verpachter niet tevens de eigenaar, vruchtgebruiker of
erfpachter van de zaak is, draagt de verpachter ervoor zorg dat
ook de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter tijdig in het
geding wordt geroepen. Indien op de zaak een hypotheek rust,
bestaat deze verplichting tevens ten aanzien van de
hypotheekhouder.
3.De grondkamer verleent de
machtiging slechts, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor
een doelmatig gebruik van het gepachte door de pachter en geen
zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de verpachter zich tegen
het aanbrengen daarvan verzetten.
4.De grondkamer kan aan de
machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen. Zij
kan op verzoek van de verpachter de pachtprijs verhogen, indien de
veranderingen daartoe aanleiding geven.
Artikel 349
1.De pachter is tot de ontruiming
bevoegd door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen
ongedaan te maken, mits daarbij het gepachte in de toestand wordt
gebracht, die bij het einde van de pacht redelijkerwijs in
overeenstemming met de oorspronkelijke kan worden geacht.
2.De pachter is niet verplicht tot
het ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen,
onverminderd de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van
artikel 348 lid 4 de verplichting op te leggen hiervoor vóór de
ontruiming van het gepachte zorg te dragen.
Artikel 350
1.Bij het einde van de pacht is de
verpachter verplicht de pachter een naar billijkheid te bepalen
vergoeding te geven voor de door de pachter aan het gepachte
aangebrachte veranderingen en toevoegingen die een verbetering
zijn.
2.Deze vergoeding kan niet
overtreffen het bedrag waarmee de waarde van het gepachte bij het
einde van de pacht tengevolge van de aangebrachte verbeteringen is
verhoogd. De vergoeding wordt lager gesteld naarmate de pachter de
vruchten van de aangebrachte verbeteringen reeds heeft kunnen
genieten.
3.De vergoeding kan slechts worden
gevorderd, indien de pachter tijdig aan de verpachter, onder
opgave van geschatte kosten, schriftelijk mededeling van de
voorgenomen verbetering heeft gedaan en hetzij de verpachter zich
daartegen niet binnen een maand na ontvangst van de mededeling
heeft verzet, hetzij de rechter op vordering van de pachter deze
tot het aanbrengen van de verbetering heeft gemachtigd.
4.Op de vordering tot machtiging
zijn de leden 2 en 4, eerste zin, van artikel 348 van
overeenkomstige toepassing.
5.De vordering tot vergoeding van
de verbetering kan niet later worden ingesteld dan drie maanden na
het einde van de pachtovereenkomst.
6.De pachter kan geen vordering tot
vergoeding voor verbeteringen gronden op artikel 212 van Boek 6.
Artikel 351
De pachter is verplicht te zijnen
koste de kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn
geworden door het tekortschieten van de verpachter in de nakoming
van zijn verplichting tot het verhelpen van gebreken.
Artikel 352
1.De pachter is aansprakelijk voor
schade aan het gepachte die is ontstaan door een hem toe te
rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de
pachtovereenkomst.
2.Alle schade, behalve brandschade,
wordt vermoed te zijn ontstaan door een hem toe te rekenen
tekortschieten als bedoeld in het eerste lid.
3.Onverminderd artikel 358 lid 2
wordt de pachter vermoed het gepachte in goede staat te hebben
ontvangen.
Artikel 353
De pachter is jegens de verpachter op
gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de
gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gepachte gebruiken
of zich met zijn goedvinden daarop bevinden.
Artikel 354
1.Indien gedurende de pacht
dringende werkzaamheden aan het gepachte moeten worden uitgevoerd
of de verpachter krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet
toestaan ten behoeve van een naburig erf, moet de pachter daartoe
gelegenheid geven, onverminderd zijn aanspraken op vermindering
van de pachtprijs, op ontbinding van de pachtovereenkomst en op
schadevergoeding.
2.De verpachter is niet bevoegd
verbeteringen op of aan het verpachte aan te brengen dan na
schriftelijke toestemming van pachter.
3.Indien de pachter de toestemming
niet verleent, kan de verpachter aan de grondkamer machtiging
vragen tot het aanbrengen van de verbeteringen.
4.De grondkamer verleent de
machtiging slechts, indien de verbeteringen noodzakelijk zijn voor
een doelmatig gebruik van het gepachte en geen zwaarwichtige
bezwaren aan de zijde van de pachter zich tegen het aanbrengen
daarvan verzetten.
5.De grondkamer kan aan de
machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen. Zij
kan op verzoek van de pachter of de verpachter de pachtprijs
herzien, indien de verbeteringen daartoe aanleiding geven.
Artikel 355
De pachter is niet dan met
schriftelijke toestemming van de verpachter bevoegd tot
onderverpachting.
Artikel 356
Indien de pachter gebreken aan het
gepachte ontdekt of derden hem in zijn genot storen of enig recht op
het gepachte beweren, moet hij daarvan onverwijld aan de verpachter
kennis geven, bij gebreke waarvan hij verplicht is aan de verpachter
de door de nalatigheid ontstane schade te vergoeden.
Artikel 357
Indien de verpachter tot verpachting
of verhuring na afloop van de lopende pacht of tot verkoop van het
gepachte wenst over te gaan, is de pachter verplicht te dulden dat
aan het gepachte de gebruikelijke kennisgevingen van het te pachten,
te huur of te koop zijn worden aangebracht, en aan belangstellenden
gelegenheid te geven tot bezichtiging.
Artikel 358
1.De pachter is verplicht het
gepachte bij het einde van de pacht weer in goede staat ter
beschikking van de verpachter te stellen.
2.Indien tussen de pachter en de
verpachter een beschrijving van gepachte gebouwen is opgemaakt, is
de pachter gehouden de gebouwen in dezelfde staat op te leveren
waarin deze volgens de beschrijving zijn aanvaard, met
uitzondering van geoorloofde veranderingen en toevoegingen en
hetgeen door ouderdom is tenietgegaan of beschadigd.
Artikel 359
Houdt de pachter na het einde van de
pacht het gepachte onrechtmatig onder zich, dan kan de verpachter
over de tijd dat hij het gepachte mist, een vergoeding vorderen
gelijk aan de pachtprijs, onverminderd, indien zijn schade meer dan
deze vergoeding bedraagt, zijn recht op dit meerdere.
Artikel 360
1.De afgaande en opkomende pachters
zijn verplicht elkander over en weer met al datgene te gerieven,
wat vereist wordt om het betrekken en het verlaten van het
gepachte gemakkelijker te maken, zowel wat betreft het gebruik
voor het volgende jaar, het inoogsten van nog te velde staande
vruchten en het betrekken van de gebouwen als anderszins.
2.De te dezen nalatige pachter is
zowel jegens de andere pachter als jegens de verpachter tot
schadevergoeding gehouden.
Afdeling 8. Overgang van de pacht bij
overdracht van de verpachte zaken
Artikel 361
1.Overdracht van de zaak waarop de
pachtovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van
een zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de
zaak waarop de pachtovereenkomst betrekking heeft, door de
verpachter doen de rechten en verplichtingen van de verpachter uit
de pachtovereenkomst, die daarna opeisbaar worden, overgaan op de
verkrijger.
2.Overdracht door een schuldeiser
van de verpachter wordt met overdracht door de verpachter
gelijkgesteld.
3.De verkrijger wordt slechts
gebonden door die bedingen van de pachtovereenkomst, die
onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik
van de zaak tegen een door de pachter te betalen tegenprestatie.
Artikel 362
In geval van vestiging of overdracht
van een beperkt recht op de verpachte zaak, dat niet onder artikel
361 lid 1 is begrepen, is de gerechtigde jegens de pachter verplicht
zich te onthouden van een uitoefening van dat recht, die het gebruik
door de pachter belemmert.
Afdeling 9. Pachtoverneming
Artikel 363
1.De pachter kan zich tot de
rechter wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde
partner, één of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte
lijn, één of meer van zijn pleegkinderen of één of meer van de
medepachters – of twee of meer van deze gezamenlijk – in zijn
plaats als pachter te stellen.
2.Indien de pachter een vordering,
als bedoeld in het vorige lid, heeft gedaan, is de verpachter
bevoegd zich tot de rechter te wenden met de vordering een of meer
anderen van de in het vorige lid genoemde belanghebbenden in de
plaats van de pachter te stellen.
3.De rechter beslist naar
billijkheid, met inachtneming van de overige bepalingen van dit
artikel.
4.De rechter wijst de vordering af,
indien op grond van het gestelde in artikel 319 lid 1, onder d en
e, eerste zinsnede, en met inachtneming van het bepaalde in
artikel 319, leden 2 en 5, de goedkeuring aan een nieuwe
pachtovereenkomst zou zijn onthouden.
5.De rechter wijst de vordering af,
indien de voorgestelde pachter niet voldoende waarborgen voor een
behoorlijke bedrijfsvoering biedt.
6.Indien de rechter de vordering
zou moeten afwijzen, omdat op grond van het gestelde in artikel
319 lid 1, onder d en e, eerste zinsnede, de goedkeuring aan een
nieuwe pachtovereenkomst zou zijn onthouden, is hij bevoegd de
pachtovereenkomst te wijzigen op het punt of de punten, welke die
goedkeuring zouden verhinderen. Het bepaalde in artikel 320 lid 2
is van overeenkomstige toepassing.
7.De rechter kan de toewijzing van
de vordering afhankelijk stellen van de vervulling van zodanige
voorwaarden, als hij in het belang van de verpachter noodzakelijk
oordeelt.
8.Indien de pachtovereenkomst
ingevolge het in het zesde lid bepaalde tegen de wil van de
voorgestelde pachter is gewijzigd, kan deze, mits binnen een maand
na de dag van het vonnis, van de indeplaatsstelling afzien door
een kennisgeving bij aangetekende brief aan de verpachter. In dat
geval staat de voorgestelde pachter geen beroep open.
Artikel 364
1.De pachter kan zich tot de
rechter wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde
partner, één of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte
lijn of één of meer van zijn pleegkinderen – of twee of meer
van deze gezamenlijk – aan te merken als medepachter.
2.Het bepaalde in artikel 363 leden
3 tot en met 8 is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat in plaats van «voorgestelde pachter» telkens wordt
gelezen: «voorgestelde medepachter».
Artikel 365
1.De medepachter, die niet of niet
meer persoonlijk betrokken is bij de exploitatie van het gepachte,
kan zich tot de rechter wenden met de vordering uit de pacht te
worden ontslagen. De rechter beslist naar billijkheid met dien
verstande, dat hij de vordering toewijst, tenzij de belangen van
de verpachter of van de medepachter daardoor ernstig zouden worden
geschaad.
2.De verpachter kan zich tot de
rechter wenden met de vordering de medepachter die niet of niet
meer persoonlijk betrokken is bij de exploitatie van het gepachte,
te ontslaan uit de pacht. De tweede volzin van het eerste lid is
van overeenkomstige toepassing.
3.De medepachter kan zich tot de
rechter wenden met de vordering de andere medepachter uit de pacht
te ontslaan op de grond dat de onderlinge verhouding een
gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijkt.
Afdeling 10. Het eindigen van de
pachtovereenkomst
Artikel 366
1.De dood van de pachter of de
verpachter doet de pacht niet eindigen.
2.Indien de erfgenamen van de
pachter niet bevoegd zijn het gepachte aan een ander in gebruik te
geven, kunnen zij gedurende zes maanden na het overlijden van hun
erflater de overeenkomst op een termijn van ten minste zes maanden
bij exploot of aangetekende brief opzeggen.
3.Indien een pachter twee of meer
erfgenamen nalaat, is de verpachter verplicht zijn medewerking te
verlenen aan de toedeling van de rechten en verplichtingen van de
overleden pachter uit de pachtovereenkomst door de gezamenlijke
erfgenamen aan een of meer van hen, tenzij de verpachter tegen een
of meer van de aangewezenen redelijke bezwaren heeft.
Artikel 367
1.De overeenkomst kan tegen het
einde van iedere in artikel 325 bedoelde termijn door ieder van de
partijen worden opgezegd.
2.De opzegging moet geschieden bij
exploot of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging
bedraagt ten minste een jaar.
3.Geen opzegging is vereist, indien
de beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de
pachtovereenkomst is totstandgekomen.
Artikel 368
Een opzegging door de verpachter is
nietig, indien zij niet de gronden vermeldt die tot opzegging hebben
geleid.
Artikel 369
1.Indien de pachter binnen zes
weken na de opzegging aan de verpachter bij exploot of
aangetekende brief meedeelt zich tegen de opzegging te verzetten
met opgave van de redenen waarop hij dit verzet grondt, blijft de
opgezegde overeenkomst van kracht, totdat de rechter
onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verpachter
als bedoeld in lid 2. De rechter kan evenwel, indien het verweer
van de pachter hem kennelijk ongegrond voorkomt, zijn toewijzend
vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2.Indien de pachter zich
overeenkomstig het eerste lid tijdig tegen de opzegging heeft
verzet, kan de verpachter op de gronden vermeld in de opzegging
vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de
overeenkomst zal eindigen.
Artikel 370
1.De rechter kan de vordering
slechts toewijzen op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering door de
pachter niet is geweest zoals een goed pachter betaamt of de
pachter anderszins ernstig is tekortgeschoten in de nakoming
van zijn verplichtingen;
b. de verpachter aannemelijk
maakt dat hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner,
een bloed- of aanverwant in de eerste graad of een pleegkind
het verpachte duurzaam in gebruik wil nemen en hij het
verpachte daartoe dringend nodig heeft;
c. een redelijke afweging van
de belangen van de verpachter bij beëindiging van de
overeenkomst tegen die van de pachter bij verlenging van de
overeenkomst in het voordeel van de verpachter uitvalt;
d. de pachter niet toestemt in
een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe
pachtovereenkomst, voor zover dit aanbod niet een wijziging
van de pachtprijs inhoudt;
e. aan de gronden voor algehele
ontbinding van de pachtovereenkomst krachtens artikel 377 is
voldaan.
2.Onder duurzaam gebruik in de zin
van lid 1 onder b wordt niet begrepen vervreemding van het
verpachte.
Artikel 371
1.In het geval, bedoeld in artikel
370 lid 1 onder d, kan de rechter de pachter een termijn toestaan
van ten hoogste een maand om het aanbod tot het aangaan van een
nieuwe overeenkomst alsnog te aanvaarden.
2.Betreft het aanbod een nieuwe
overeenkomst voor een kortere duur dan die van artikel 325 lid 1,
dan kan de rechter het aanbod slechts als redelijk aanmerken,
indien de bijzondere omstandigheden van het geval dit
rechtvaardigen en de algemene belangen van de landbouw niet worden
geschaad. Artikel 325 lid 4, tweede en derde zin, is van
overeenkomstige toepassing. Indien de pachter het aanbod
aanvaardt, is artikel 325 leden 6 en 7 van overeenkomstige
toepassing op de door die aanvaarding tot stand gekomen
overeenkomst.
Artikel 372
1.Indien de rechter de vordering
toewijst, stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De
toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat
tijdstip.
2.Indien in het verpachte
bedrijfsgebouwen zijn begrepen kan de rechter in zijn beslissing
tot toewijzing een bedrag vaststellen dat de verpachter aan de
pachter moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en
inrichtingskosten. Artikel 297 leden 2 en 3 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 373
1.Indien de overeenkomst is
opgezegd op de in artikel 370 lid 1 onder b of e bedoelde gronden
en de pachter in de beëindiging van de overeenkomst heeft
toegestemd dan wel de vordering tot beëindiging van de
overeenkomst op die grond is toegewezen, is de verpachter jegens
de pachter tot schadevergoeding gehouden, indien de wil om het
verpachte persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen of om aan het
verpachte de in artikel 377 bedoelde bestemming te geven in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2.Behoudens tegenbewijs wordt die
wil geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een
jaar na het einde van de pachtovereenkomst het verpachte door de
verpachter of door de echtgenoot of geregistreerde partner, door
een bloed of aanverwant in de eerste graad of door een pleegkind
van de verpachter in duurzaam gebruik is genomen,
onderscheidenlijk aan het verpachte de in artikel 377 bedoelde
bestemming is gegeven.
3.De rechter is bevoegd op verzoek
van de verpachter of ambtshalve in zijn in artikel 372 bedoelde
beslissing een bedrag te bepalen, dat de verpachter aan de pachter
moet betalen, indien later mocht blijken dat die wil in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van
de pachter op verdere vergoeding.
4.De vordering van de pachter tot
schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3 bedoelde bedrag
vervalt vijf jaren na het einde van de pachtovereenkomst.
Artikel 374
De rechter kan, hetzij op verzoek van
een der partijen, hetzij ambtshalve op grond van de billijkheid de
vordering slechts voor een gedeelte van het verpachte toewijzen. In
dat geval vermindert de rechter de geldende tegenprestatie
dienovereenkomstig. De pachter kan alsdan de overeenkomst voor het
overige beëindigen op het tijdstip van het eindigen van de pacht
ter zake van het eerst vermeld gedeelte. Hij geeft hiervan bij
aangetekende brief kennis aan de verpachter binnen een maand nadat
het vonnis onaantastbaar is geworden.
Artikel 375
(vervallen)
Artikel 376
1.Ontbinding van de
pachtovereenkomst op de grond dat de pachter tekortgeschoten is in
de nakoming van zijn verplichtingen, kan slechts geschieden door
de rechter, behoudens in het geval van artikel 343 lid 1. De
pachter wordt in ieder geval geacht in de nakoming van zijn
verplichtingen te zijn tekortgeschoten, indien hij
a. het gepachte niet langer
voor de uitoefening van de landbouw gebruikt, of
b. in de pachtovereenkomst
vastgelegde beheersverplichtingen ter behoud van op het
gepachte aanwezige natuurwaarden, niet naleeft of aan deze
natuurwaarden anderszins schade heeft toegebracht.
2.Indien de pachter met de nakoming
van zijn verplichtingen in gebreke is, kan de rechter hem op zijn
verlangen nog een betrekkelijk korte termijn gunnen om alsnog aan
zijn verplichtingen te voldoen.
3.De rechter kan op verzoek van de
verpachter, alvorens op de vordering tot ontbinding te beslissen,
een onderzoek bevelen naar de nakoming door de pachter van diens
verplichting tot onderhoud en, zo dit onderzoek daartoe aanleiding
geeft, aan de pachter zodanige aanwijzingen omtrent het uitvoeren
van deze verplichting verstrekken als door de omstandigheden
worden geboden, zulks met vaststelling van een termijn waarbinnen
die aanwijzingen moeten worden opgevolgd.
4.Indien de pachter nalaat de
aanwijzingen binnen de gestelde termijn op te volgen, geldt dit
als een tekortkoming als bedoeld in lid 1, tenzij de pachter
aannemelijk maakt dat dit nalaten hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 377
1.Indien de verpachter het
verpachte of een gedeelte daarvan wil bestemmen voor niet tot de
landbouw betrekkelijke doeleinden, en die bestemming in
overeenstemming is met het algemeen belang, ontbindt de rechter op
vordering van de verpachter de pachtovereenkomst geheel of ten
dele met ingang van een bij de uitspraak te bepalen dag. De
voorgenomen bestemming wordt geacht in overeenstemming met het
algemeen belang te zijn, indien zij in overeenstemming is met een
onherroepelijk bestemmingsplan.
2.Bij ontbinding voor een gedeelte
van het verpachte vermindert de rechter de tegenprestatie
dienovereenkomstig. De pachter kan alsdan de pachtovereenkomst
voor het overige beëindigen op het in vorige lid bedoelde
tijdstip. Hij geeft hiervan bij aangetekende brief kennis aan de
verpachter binnen een maand nadat het vonnis in kracht van
gewijsde is gegaan.
3.Indien de rechter de
pachtovereenkomst op grond van de leden 1 en 2 ontbindt,
veroordeelt hij de verpachter de pachter schadeloos te stellen
over de tijd, welke de pachter bij niet-ontbinding ingevolge de
pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.
4.Indien de pachtovereenkomst voor
de in artikel 325, eerste of tweede lid, bedoelde duur is
aangegaan of geldt, dan wel voor een kortere duur is aangegaan,
doch nadien voor zes jaren is verlengd, wordt bij de bepaling van
de schadeloosstelling rekening gehouden met de mogelijkheid, dat
de pachtovereenkomst zou zijn verlengd. Bij de beoordeling van de
mogelijkheid van verlenging houdt de rechter geen rekening met het
voornemen van de verpachter het verpachte of een gedeelte daarvan
te bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden.
5.Het bepaalde in het vierde lid,
eerste volzin, vindt geen toepassing, indien de pachtverhouding is
aangevangen, nadat aan het verpachte bij een bestemmingsplan een
niet tot de landbouw betrekkelijke bestemming is gegeven. In dat
geval wordt de pachtovereenkomst met betrekking tot een hoeve of
los land, welke is aangegaan voor langer dan twaalf,
onderscheidenlijk zes jaren, voor de bepaling van de
schadeloosstelling geacht te zijn aangegaan voor twaalf,
onderscheidenlijk zes jaren, met dien verstande, dat, indien de
ontbinding plaats vindt na die termijn, de overeenkomst geacht
wordt telkens voor zes jaren te zijn verlengd.
6.Indien evenwel het verpachte
sinds een tijdstip, liggend voor het besluit tot vaststelling van
het bestemmingsplan, bedoeld in het vijfde lid, achtereenvolgens
bij personen die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de
voorgaande gebruiker in enige in artikel 363, eerste lid, genoemde
betrekking stonden persoonlijk in gebruik is geweest voor een tot
de landbouw betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in het tweede
lid van toepassing.
7.Indien de pachtovereenkomst
ingevolge artikel 322 voor onbepaalde tijd geldt, wordt voor de
berekening van de schadeloosstelling uitgegaan van de
overeengekomen duur, doch ingeval de overeenkomst voor onbepaalde
tijd is aangegaan nimmer van een langere dan de in artikel 325,
eerste lid, bedoelde duur. Voor de berekening van de
schadeloosstelling wordt op gelijke wijze als ten aanzien van
pachtovereenkomsten, waarop artikel 322 niet van toepassing is,
aangenomen, dat de pachtovereenkomst zou kunnen worden verlengd;
het vierde lid, tweede volzin, vijfde en zesde lid, vinden
overeenkomstige toepassing.
8.Bij de berekening van de
schadeloosstelling wordt niet gelet op feitelijke veranderingen
die kennelijk zijn aangebracht om de schadeloosstelling te
verhogen.
9.Artikel 373 is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 11. Het voorkeursrecht van
de pachter
Artikel 378
1.De verpachter die tot
vervreemding van het verpachte of een deel daarvan wil overgaan,
is verplicht de pachter uit hoofde van een door de grondkamer
goedgekeurde pachtovereenkomst die voor ten minste de wettelijke
duur is aangegaan dan wel is aangegaan voor een kortere duur, doch
nadien voor ten minste zes jaren is verlengd, bij voorkeur in de
gelegenheid te stellen het recht dat hij voornemens is aan te
bieden, te verkrijgen overeenkomstig de regels van deze afdeling.
Onder vervreemding worden begrepen overdracht van eigendom of
vestiging of overdracht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik.
2.De verpachter geeft van zijn
voornemen tot vervreemding onder vermelding van de prijs bij
exploot of bij aangetekende brief kennis aan de pachter.
3.De pachter geeft binnen een maand
na de kennisgeving eveneens bij aangetekende brief of exploot aan
de verpachter te kennen of hij, indien overeenstemming wordt
bereikt over de prijs, bereid is eigenaar dan wel erfpachter,
opstaller of vruchtgebruiker te worden.
4.Indien de pachter zich niet
binnen de termijn, bedoeld in artikel 378 lid 3, daartoe bereid
verklaart, is het in lid 1 van artikel 378 bepaalde gedurende een
jaar na afloop van deze termijn niet van toepassing.
5.In die periode mag vervreemding,
anders dan in het openbaar, niet geschieden tegen een prijs die
lager is dan de prijs die de verpachter in zijn in lid 2 van
artikel 378 bedoelde kennisgeving heeft vermeld.
Artikel 379
1.Indien geen overeenstemming wordt
bereikt over de prijs, kan de verpachter de grondkamer verzoeken
de marktwaarde van het verpachte of het te vervreemden deel
daarvan te taxeren.
2.Indien de verpachter, nadat op
het verzoek onherroepelijk is beslist, bereid is het verpachte of
het te vervreemden deel daarvan tegen de getaxeerde waarde of een
lagere prijs aan de pachter te vervreemden, geeft hij daarvan bij
exploot of aangetekende brief kennis aan de pachter.
3.Indien de pachter niet binnen een
maand na het uitbrengen van het exploot of de verzending van de
aangetekende brief het aanbod bij exploot of aangetekende brief
heeft aanvaard, is het in lid 1 van artikel 378 bepaalde gedurende
een jaar na afloop van die termijn niet van toepassing. Artikel
378 lid 5 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
de verkoop niet mag geschieden tegen een prijs die lager is dan de
in het vorige lid bedoelde prijs.
4.Indien de verpachter de
kennisgeving, bedoeld in het tweede lid niet heeft gedaan binnen
een jaar nadat op het verzoek om taxatie onherroepelijk is
beslist, zijn de bepalingen van artikel 378 en volgende wederom
van toepassing.
Artikel 380
1.De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat niet:
a. in geval van verkoop
krachtens wetsbepaling of krachtens een bevel van de rechter
en van executoriale verkoop;
b. wanneer de verpachter
overgaat tot vervreemding aan zijn echtgenoot of
geregistreerde partner, aan een bloed of aanverwant in de
rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of aan een
pleegkind;
c. in geval van een
rechtshandeling die als een verdeling van een gemeenschap is
aan te merken;
d. in geval de rechter op
vordering van de verpachter oordeelt dat deze een ernstige
reden heeft om de pachter niet in de gelegenheid te stellen
eigenaar dan wel erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker te
worden.
e. in geval degene aan wie de
vervreemding plaats vindt, tevoren schriftelijk aan de pachter
verklaart afstand te doen van zijn bevoegdheid de
pachtovereenkomst op te zeggen op de in artikel 370 lid 1
onder b bedoelde grond.
2.Evenmin bestaat de in artikel 378
lid 1 bedoelde verplichting, wanneer de grondkamer op verzoek van
de verpachter heeft vastgesteld dat deze een ernstige reden heeft
om de pachter niet in de gelegenheid te stellen eigenaar of
beperkt gerechtigde te worden. Als ernstige reden wordt steeds
beschouwd de omstandigheid dat de pachter een slecht landgebruiker
is.
Artikel 381
1. De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat voorts niet, wanneer en voor zover het
verpachte is gelegen in een geldend bestemmingsplan, waarbij
daaraan een andere dan landbouwkundige bestemming is gegeven. Op
verzoek van de verpachter verklaren burgemeester en wethouders
schriftelijk, of in zulk een plan al dan niet een landbouwkundige
bestemming aan het verpachte is gegeven.
2. Evenmin bestaat de in artikel
378 lid 1 bedoelde verplichting, wanneer de verpachter overgaat
tot vervreemding van het verpachte aan een derde en de grondkamer,
op gezamenlijk verzoek van de verpachter en die derde, heeft
vastgesteld, dat aannemelijk is, dat de derde het verpachte voor
andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen
gebruiken.
3. De in artikel 378 lid 1 bedoelde
verplichting bestaat evenmin, voor zover het verpachte is gelegen
in een gebied waarvoor een structuurvisie als bedoeld in artikel
2.1 van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld en de
verpachter ingevolge het bepaalde in de artikelen 2 juncto artikel
4, eerste lid, onder a, 10 tot en met 24 van de Wet voorkeursrecht
gemeenten dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, juncto artikel
4, eerste lid, onder a, van die wet overgaat tot de vervreemding
van het verpachte aan de gemeente onderscheidenlijk de provincie
of de Staat.
Artikel 382
De verpachter is verplicht om,
alvorens tot openbare verkoop van het verpachte wordt overgegaan,
behoudens in geval van executoriale verkoop, de pachter ten minste
een maand voor de verkoop bij exploot of aangetekende brief daarvan
kennis te geven.
Artikel 383
Indien de verpachter in strijd heeft
gehandeld met artikel 378 lid 1, 378 lid 5 of 379 lid 3, kan de
verkrijger van het verpachte onder bijzondere titel de overeenkomst
slechts op de in artikel 370 lid 1 onder b bedoelde grond opzeggen,
nadat twaalf jaren zijn verstreken na het einde van het pachtjaar,
waarin de verpachter de vorige verpachter is opgevolgd.
Artikel 384
1.De pachter die van zijn recht van
voorkeur gebruik heeft gemaakt en het uit dien hoofde verkregene
binnen een periode van tien jaar na die verkrijging deels of
geheel vervreemdt, is aan de verpachter een vergoeding
verschuldigd als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.
2.De vergoeding bedraagt het
verschil tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het
verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van
de verkrijging.
3.Indien de waarde in pachtvrije
staat ten tijde van de vervreemding door de pachter lager is dan
de waarde in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging,
bedraagt in afwijking van het tweede lid de vergoeding het
verschil tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het
verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van
de vervreemding.
4.De in het tweede en derde lid
bedoelde vergoeding neemt telkens af met ééntiende deel voor elk
jaar dat verstreken is gerekend van de verkrijging door de pachter
af en vermindert voorts naar evenredigheid indien sprake is van
vervreemding van een deel van het object.
5.Het bepaalde in het eerste lid is
niet van toepassing:
a. indien de vervreemding
plaatsvindt aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de
pachter, aan één of meer van zijn bloed- of aanverwanten in
de rechte lijn, aan één of meer van zijn pleegkinderen of
aan één of meer van de medepachters, met dien verstande dat
indien zij binnen de in het eerste lid bedoelde periode tot
gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object overgaan,
zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd
zijn;
b. indien de vervreemding
plaatsvindt door één of meer van de bloed- of aanverwanten
in de rechte lijn van de pachter of door één of meer van
diens pleegkinderen aan één of meer van hun bloedverwanten
in de rechte lijn of pleegkinderen, met dien verstande dat
indien laatstgenoemden binnen de in het eerste lid bedoelde
periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het
object overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding
verschuldigd zijn.
6.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder vervreemding mede verstaan: elke overeenkomst
of andere rechtshandeling in welke vorm en onder welke benaming
ook aangegaan of verricht, strekkende tot het anderszins overgaan
van het verkregene, waarvan moet worden aangenomen dat zij niet
zou zijn aangegaan of zou zijn verricht indien de in het eerste
lid bedoelde vergoeding niet zou zijn verschuldigd.
Afdeling 12. Bijzondere
pachtovereenkomsten
Paragraaf 1. Verpachting door
openbare lichamen
Artikel 385
Indien het Rijk, een provincie, een
gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in
de Wet gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een veenschap
of een veenpolder aan hun in eigendom toebehorende hoeven of los
land een bestemming heeft gegeven voor niet tot de landbouw
betrekkelijke doeleinden van openbaar nut, kunnen zij aan de
grondkamer verzoeken goed te keuren, dat bij verpachting van zulke
hoeven of zodanig los land in de overeenkomst een of meer van de
volgende bedingen zullen worden opgenomen:
a. dat de overeenkomst in
afwijking van het bepaalde in artikel 325 lid 1, tweede zin,
geldt voor de overeengekomen tijd;
b. dat de verlenging niet zal
plaats hebben, indien en voorzover de verpachter bij exploot of
aangetekend schrijven uiterlijk zes maanden voor het verstrijken
van de termijn waarvoor de pachtovereenkomst is aangegaan de
overeenkomst heeft opgezegd op de grond, dat de verlenging met
de bestemming van het verpachte onverenigbaar is;
c. dat de pachter niet bevoegd
zal zijn aan de grondkamer machtiging te vragen bestemming,
inrichting of gedaante van het gepachte te veranderen;
d. dat de overeenkomst door de
verpachter te allen tijde kan worden beëindigd, indien en
voorzover de bestemming de beëindiging naar zijn oordeel
noodzakelijk maakt.
Artikel 386
De grondkamer onderzoekt uitsluitend
of de bestemming het beding redelijkerwijs noodzakelijk kan maken.
Zij treedt niet in een beoordeling dezer bestemming.
Artikel 387
1.In geval de pachtovereenkomst
niet wordt verlengd op grond van het beding, genoemd in artikel
385 onder b, heeft de pachter geen recht op schadeloosstelling.
2.In geval van beëindiging op
grond van het beding, genoemd in artikel 385, onder d, heeft de
pachter recht op schadeloosstelling over de tijd, welke hij bij
niet-beëindiging ingevolge de pachtovereenkomst nog op het
gepachte had kunnen blijven.
3.Bij gedeeltelijke beëindiging is
de pachter bevoegd de pachtovereenkomst ook voor het overige te
beëindigen. Hij geeft hiervan bij aangetekende brief kennis aan
de verpachter binnen een maand na de beëindiging, bedoeld in
artikel 385 onder d.
Paragraaf 2. Verpachting binnen
reservaten
Artikel 388
In deze paragraaf wordt verstaan
onder «reservaat» een gebied waar de eigendom dan wel de erfpacht
van landbouwgronden door de Staat, een publiekrechtelijke
rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie is verworven en waar
een beheer gevoerd kan worden gericht op doeleinden van natuur- en
landschapsbehoud anders dan door middel van een daartoe te sluiten
overeenkomst betreffende het richten van de bedrijfsvoering van
agrarische bedrijven op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud.
Artikel 389
1.In een pachtovereenkomst met
betrekking tot een hoeve of los land gelegen in een reservaat,
kunnen een of meer verplichtingen worden opgenomen welke ten doel
hebben de opzet en de bedrijfsvoering te richten op het behoud van
natuur en landschap.
2.Niet als buitensporige
verplichtingen als bedoeld in artikel 319, eerste lid, onderdeel
b, worden die verplichtingen aangemerkt:
a. die deel uitmaken van een
pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot door de Staat of
een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie in eigendom dan
wel erfpacht verworven percelen, gelegen in een reservaat,
b. die gewenst zijn in verband
met de instandhouding of ontwikkeling van de op het land
aanwezige waarden van natuur en landschap en
c. waarvoor bij de overeenkomst
een vergoeding wordt bedongen.
Artikel 390
Indien toepassing is gegeven aan
artikel 389 geldt, in afwijking in zoverre van het bepaalde in
artikel 325, de pachtovereenkomst voor zowel een hoeve als los land
voor de duur van zes jaren.
Artikel 391
1.Indien toepassing is gegeven aan
artikel 389 wordt de pachtovereenkomst in afwijking van artikel
325 telkens met zes jaren verlengd.
2.De rechter kan de in artikel 370
bedoelde vordering, behalve op de daar bedoelde gronden, ook
toewijzen op de grond dat de verpachter met betrekking tot de
instandhouding of ontwikkeling van de op het land aanwezige
waarden van natuur en landschap een zodanig beheer wil voeren dat
verdere verpachting hiermee niet in overeenstemming is. Bij alle
toewijzingsgronden houdt hij rekening met de billijkheid in
verband met de bijzondere aard van de pachtovereenkomst.
Artikel 392
De grondkamer herziet de in het
eerste lid van artikel 326 bedoelde bepalingen van de
pachtovereenkomst, indien dit gewenst is met het oog op de
instandhouding of ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden
van natuur en landschap.
Artikel 393
1.De vergoeding die ingevolge
artikel 389 lid 2 onder c is bedongen, wordt niet aangemerkt als
pachtprijs.
2.De vergoeding kan niet meer
bedragen dan de pachtprijs zoals opgenomen in een door de
grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regelen vastgesteld ten aanzien van de
hoogst toelaatbare vergoeding.
Artikel 394
1.De pachter of de verpachter kan
aan de grondkamer verzoeken de vergoeding bedoeld in artikel 389
lid 2 onder c te herzien
a. voor het verstrijken van een
pachtperiode van drie jaren;
b. binnen een tijdvak van een
jaar na inwerkingtreding van een wijziging van de regelen als
bedoeld in artikel 393 lid 3.
2.De grondkamer herziet de
vergoeding, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of
gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
3.Indien het verzoek met toepassing
van het eerste lid, onder a, is ingediend, gaat de herziening van
de vergoeding door de grondkamer in met ingang van de nieuwe
driejarige pachtperiode.
4.Indien het verzoek met toepassing
van het eerste lid, onder b, is ingediend, gaat de herziening van
de vergoeding door de grondkamer in met ingang van het pachtjaar
volgende op het tijdstip waarop de herziening van de regelen,
bedoeld in artikel 393 lid 3, in werking is getreden.
5.Zijn de regelen, bedoeld in
artikel 393 lid 3, herzien na het tijdstip waarop de grondkamer
heeft beslist, dan beslist de Centrale Grondkamer met inachtneming
van deze regelen, indien een der partijen dit verzoekt.
Paragraaf 3. Pacht van geringe
oppervlakten
Artikel 395
1.De artikelen 313 lid 2, 317–329,
332, 333, 348 leden 2–4, 350, 363, 364 en 366–384 zijn niet
van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land dat
niet groter is dan één hectare.
2.De grondkamer is bevoegd hetzij
voor haar gehele ressort, hetzij voor een gedeelte daarvan, bij
besluit voor een bepaalde tak van bodemcultuur de in het vorige
lid genoemde oppervlakte te verlagen, doch niet tot minder dan 50
are. De besluiten van de grondkamer worden in de Nederlandse
Staatscourant bekendgemaakt.
3.Dit besluit behoeft de
goedkeuring van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit.
4.Overeenkomsten, in welke vorm en
onder welke benaming ook aangegaan welke tot gevolg hebben dat
door de ene partij aan de andere partij, – daaronder begrepen
natuurlijke of rechtspersonen die in een samenwerkingsverband een
landbouwbedrijf uitoefenen – tegen voldoening van een
tegenprestatie los land in gebruik wordt gegeven ter uitoefening
van de landbouw, gelden voor de toepassing van dit artikel als
één overeenkomst. Voor de toepassing van dit artikel worden mede
als één overeenkomst in aanmerking genomen die overeenkomsten
waarvan op grond van feiten en omstandigheden moet worden
aangenomen dat zij niet of voor een andere oppervlakte gesloten
zouden zijn indien de oppervlaktegrenzen als bedoeld in dit
artikel niet zouden zijn gesteld.
Paragraaf 4. Teeltpacht en
geliberaliseerde pacht
Artikel 396
1.De artikelen 313 lid 2, 318–325,
327, 328, 332, 333, 363, 364, 366–374 en 378–384 zijn niet van
toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald;
b. die zijn aangegaan voor
één- of tweejarige teelten voor de duur van ten hoogste
één onderscheidenlijk twee jaar;
c. die zijn aangegaan voor
teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is, en
d. waarbij overigens is voldaan
aan het bepaalde in het tweede en derde lid.
2.De pachtovereenkomst als bedoeld
in het eerste lid wordt door een der partijen ter registratie aan
de grondkamer gezonden.
3.De inzending ter registratie
dient binnen twee maanden nadat de pachtovereenkomst is aangegaan
te hebben plaatsgevonden. De inzending geschiedt met toepassing
van de in de Uitvoeringswet grondkamers voorgeschreven
formaliteiten voor een verzoek tot goedkeuring van een
pachtovereenkomst en wordt gericht tot de grondkamer die ter zake
van een zodanig verzoek bevoegd is. De secretaris van de
grondkamer doet ieder der partijen mededeling van een registratie.
4.Indien de verpachter ten behoeve
van een onderverpachting overeenkomstig het bepaalde in het eerste
lid de in artikel 355 bedoelde toestemming niet verleent, kan de
pachter de grondkamer machtiging vragen tot de gewenste
onderverpachting over te gaan. De grondkamer verleent deze
machtiging, wanneer door de onderverpachting het algemeen
landbouwbelang gediend wordt en geen redelijk belang van de
verpachter zich daartegen verzet. De grondkamer kan aan de
machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen en
kan daarbij op verzoek van de verpachter de tegenprestatie in
afwijking van de regelen als bedoeld in artikel 327 lid 1 herzien,
indien de bij de onderverpachting overeengekomen tegenprestatie
daartoe aanleiding geeft.
Artikel 397
1.De bepalingen van de artikelen
313 lid 2, 319 lid 1 onder a, c en d, 325, 327, 328, 332, 333, 363
tot en met 374, 378 tot en met 384, 399a en 399c lid 1 zijn niet
van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald en
b. die zijn aangegaan voor een
duur van zes jaren of korter.
2.De bepalingen van de artikelen
313 lid 2, 319 lid 1 onder c en d, 325, 363 tot en met 374 en 378
tot en met 384 zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten
betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de
pachtovereenkomst hebben bepaald en
b. die zijn aangegaan voor een
duur langer dan zes jaren.
3.De grondkamer maakt van haar in
artikel 320 bedoelde bevoegdheid tot wijziging van de
pachtovereenkomst slechts gebruik, indien daardoor sprake blijft
van een pachtovereenkomst als bedoeld in dit artikel.
4.Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat op de pachtovereenkomsten als
bedoeld in het eerste lid tevens de artikelen 319 lid 1 onder a,
327, 328, 332, 333, 399a en 399c lid 1 van toepassing zijn. De
algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan
acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij
is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan
aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 398
1.Een overeenkomst als bedoeld in
de artikelen 396 en 397 gaat niet van rechtswege teniet door de
dood van de verpachter of van de pachter.
2.Na de dood van de pachter zet dan
wel zetten diens echtgenoot of geregistreerde partner, een of meer
van diens bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, een of meer
van diens pleegkinderen of iedere medepachter of onderpachter de
in lid 1 bedoelde overeenkomst voort, tenzij de verpachter na het
overlijden van de pachter schriftelijk wordt medegedeeld dat
daarvan wordt afgezien.
3.Een mededeling als bedoeld in het
tweede lid geschiedt:
a. binnen één maand na het
overlijden van de pachter, voor zover het een overeenkomst als
bedoeld in artikel 396 betreft;
b. binnen drie maanden na het
overlijden van de pachter, voor zover het een overeenkomst als
bedoeld in artikel 397 betreft.
Afdeling 13. Dwingend recht
Artikel 399
Van de bepalingen van de artikelen
311 tot en met 314, 317 tot en met 332, 335, 345, 347, 348, 350, 352
lid 3, 353, 354 leden 2–5, 360 tot en met 383, 384 leden 2 en 3,
389 lid 2, 390 tot en met 394, 395 lid 4 en artikel 396, leden 2 tot
en met 4, en artikel 398 kan niet ten nadele van de pachter worden
afgeweken.
Artikel 399a
Nietig is elk beding in een
pachtovereenkomst, ingevolge hetwelk de geldelijke lasten, welke de
verpachter door publiekrechtelijke lichamen zijn of zullen worden
opgelegd, geheel of ten dele ten laste van de pachter komen.
Artikel 399b
Indien een pachtovereenkomst is
aangegaan onder voorwaarde dat de overeenkomst door de grondkamer
geheel of ten dele ongewijzigd zal worden goedgekeurd, wordt deze
voorwaarde voor niet geschreven gehouden.
Artikel 399c
1.Een beding waarin een verpachter,
indien de grondkamer onderscheidenlijk de Centrale Grondkamer de
pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst heeft vastgesteld, een hogere tegenprestatie
bedingt dan ingevolge deze wet is geoorloofd, is nietig. Onder de
tegenprestatie worden prestaties, bedongen of genoten krachtens
andere met de pachtovereenkomst verband houdende overeenkomsten,
mede begrepen.
2.Een beding in een overeenkomst
tussen een afgaande en een opgaande pachter, verband houdende met
de overgang van het bedrijf, waarin meer is bedongen dan een
redelijke vergoeding voor de verrichte prestatie, is nietig.
3.Een beding in een overeenkomst
van het verlenen van bemiddeling of andere diensten bij het
sluiten van een pachtovereenkomst of van een overeenkomst tot
wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst waarin meer is
bedongen dan een redelijke vergoeding, is nietig.
Afdeling 14. Slotbepalingen
Artikel 399d
1.De bepalingen betreffende pacht
vinden overeenkomstige toepassing op overeenkomsten, waardoor of
krachtens welke tegen een vergoeding ineens of in termijnen
zakelijke genotsrechten voor 25 jaar of korter, dan wel voor
onbepaalde tijd op hoeven of los land worden gevestigd. In geval
van zakelijke genotsrechten voor onbepaalde tijd blijft de
overeenkomstige toepassing van bepalingen van deze wet beperkt tot
25 jaar na de vestiging.
2.De bepalingen, die voor het
zakelijke genotsrecht gelden, vinden slechts toepassing, voorzover
zij niet in strijd zijn met dwingende bepalingen betreffende
pacht.
Artikel 399e
1.Het aanstellen of het aangesteld
houden van een zetboer behoeft de voorafgaande goedkeuring van de
grondkamer.
2.Onder zetboer wordt verstaan
degene, aan wie de exploitatie van een hoeve of los land door de
eigenaar of rechthebbende is overgedragen en die daarbij een
belangrijke invloed op de leiding van het bedrijf heeft verkregen
en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt.
3.De grondkamer keurt de
aanstelling van de zetboer slechts goed, indien daarvoor
bijzondere redenen aanwezig zijn. Zij treedt niet in een
beoordeling van de voorwaarden der aanstelling.
Titel 7. Opdracht
Afdeling 1. Opdracht in het algemeen
Artikel 400
1.De overeenkomst van opdracht is
de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich
jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op
grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die
in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van
stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken
of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.
2.De artikelen 401-412 zijn,
onverminderd artikel 413, van toepassing, tenzij iets anders
voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van
opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte.
Artikel 401
De opdrachtnemer moet bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.
Artikel 402
1.De opdrachtnemer is gehouden
gevolg te geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen
omtrent de uitvoering van de opdracht.
2.De opdrachtnemer die op redelijke
grond niet bereid is de opdracht volgens de hem gegeven
aanwijzingen uit te voeren, kan, zo de opdrachtgever hem niettemin
aan die aanwijzingen houdt, de overeenkomst opzeggen wegens
gewichtige redenen.
Artikel 403
1.De opdrachtnemer moet de
opdrachtgever op de hoogte houden van zijn werkzaamheden ter
uitvoering van de opdracht en hem onverwijld in kennis stellen van
de voltooiing van de opdracht, indien de opdrachtgever daarvan
onkundig is.
2.De opdrachtnemer doet aan de
opdrachtgever verantwoording van de wijze waarop hij zich van de
opdracht heeft gekweten. Heeft hij bij de uitvoering van de
opdracht ten laste van de opdrachtgever gelden uitgegeven of te
diens behoeve gelden ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.
Artikel 404
Indien de opdracht is verleend met
het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst
een beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de
werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te
verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij
deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten
uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de
opdrachtnemer.
Artikel 405
1.Indien de overeenkomst door de
opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is
aangegaan, is de opdrachtgever hem loon verschuldigd.
2.Indien loon is verschuldigd doch
de hoogte niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het
op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan,
een redelijk loon verschuldigd.
Artikel 406
1.De opdrachtgever moet aan de
opdrachtnemer de onkosten verbonden aan de uitvoering van de
opdracht vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn
begrepen.
2.De opdrachtgever moet de
opdrachtnemer de schade vergoeden die deze lijdt ten gevolge van
de hem niet toe te rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht
verbonden bijzonder gevaar. Heeft de opdrachtnemer in de
uitoefening van zijn beroep of bedrijf gehandeld, dan geldt de
vorige zin slechts, indien dat gevaar de risico’s welke de
uitoefening van dat beroep of bedrijf naar zijn aard meebrengt, te
buiten gaat. Geschiedt de uitvoering van de opdracht anderszins
tegen loon, dan is de eerste zin slechts van toepassing, indien
bij de vaststelling van het loon met het gevaar geen rekening is
gehouden.
Artikel 407
1.Indien twee of meer personen
tezamen een opdracht hebben gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover
de opdrachtnemer verbonden.
2.Indien twee of meer personen
tezamen een opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het
geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming,
tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.
Artikel 408
1.De opdrachtgever kan te allen
tijde de overeenkomst opzeggen.
2.De opdrachtnemer die de
overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, kan, behoudens gewichtige redenen, de overeenkomst
slechts opzeggen, indien zij voor onbepaalde duur geldt en niet
door volbrenging eindigt.
3.Een natuurlijk persoon die een
opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een
beroep of bedrijf, is, onverminderd artikel 406, ter zake van een
opzegging geen schadevergoeding verschuldigd.
Artikel 409
1.Indien de opdracht met het oog op
een bepaalde persoon is verleend, eindigt zij door zijn dood.
2.Alsdan zijn diens erfgenamen,
indien zij kennis dragen van de erfopvolging en van de opdracht,
verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang
van de wederpartij eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op
degenen in wier dienst of met wie de opdrachtnemer een beroep of
bedrijf uitoefende.
Artikel 410
1.De dood van de opdrachtgever doet
de opdracht slechts eindigen, indien dit uit de overeenkomst
voortvloeit, en dan eerst vanaf het tijdstip waarop de
opdrachtnemer de dood heeft gekend.
2.Eindigt de opdracht door de dood
van de opdrachtgever, dan is de opdrachtnemer niettemin verplicht
al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de
wederpartij eisen.
Artikel 411
1.Indien de overeenkomst eindigt
voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is
verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon
afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die
tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast
te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder
meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer
verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan
heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.
2.In het in lid 1 bedoelde geval
heeft de opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het
einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen
en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden
van het geval, redelijk is. Op het bedrag van het loon worden de
besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige
beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.
Artikel 412
Een rechtsvordering tegen de
opdrachtnemer tot afgifte van de stukken die hij ter zake van de
opdracht onder zich heeft gekregen, verjaart door verloop van vijf
jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop zijn
bemoeiingen zijn geëindigd.
Artikel 413
1.Van artikel 408 lid 3 kan niet
worden afgeweken.
2.Van de artikelen 408 lid 1 en 411
kan niet worden afgeweken ten nadele van een opdrachtgever als
bedoeld in artikel 408 lid 3.
3.Van artikel 412 kan slechts op
dezelfde voet worden afgeweken als van de regels inzake de
verjaring van rechtsvorderingen die in titel 11 van Boek 3 zijn
opgenomen.
Afdeling 2. Lastgeving
Artikel 414
1.Lastgeving is de overeenkomst van
opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de
andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de
lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten.
2.De overeenkomst kan de lasthebber
verplichten te handelen in eigen naam; zij kan ook verplichten te
handelen in naam van de lastgever.
Artikel 415
Indien een lastgeving met twee of
meer lasthebbers is aangegaan, is ieder van hen bevoegd zelfstandig
te handelen.
Artikel 416
1.Een lasthebber kan slechts als
wederpartij van de lastgever optreden, indien de inhoud van de
rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider
belangen is uitgesloten.
2.Een lasthebber die slechts in
eigen naam mag handelen, kan niettemin als wederpartij van de
lastgever optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo
nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is
uitgesloten.
3.Indien de lastgever een persoon
is als bedoeld in artikel 408 lid 3, is voor een rechtshandeling
waarbij de lasthebber als zijn wederpartij optreedt, op straffe
van vernietigbaarheid zijn schriftelijke toestemming vereist.
4.De lasthebber die in
overeenstemming met de vorige leden als wederpartij van de
lastgever optreedt, behoudt zijn recht op loon.
Artikel 417
1.Een lasthebber mag slechts tevens
als lasthebber van de wederpartij optreden, indien de inhoud van
de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de
belangen van beide lastgevers is uitgesloten.
2.Indien de lastgever een persoon
is als bedoeld in artikel 408 lid 3, is voor de geoorloofdheid van
een rechtshandeling waarbij de lasthebber ook als lasthebber van
de wederpartij optreedt, zijn schriftelijke toestemming vereist.
3.Een lasthebber heeft geen recht
op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd
met het in de vorige leden bepaalde handelt, onverminderd zijn
gehoudenheid tot vergoeding van de dientengevolge door die
lastgever geleden schade. Van deze bepaling kan niet ten nadele
van een lastgever worden afgeweken.
4.Indien een der lastgevers een
persoon is als bedoeld in artikel 408 lid 3, en de rechtshandeling
strekt tot koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een
onroerende zaak of een gedeelte daarvan of van een recht waaraan
de zaak is onderworpen, heeft de lasthebber geen recht op loon
jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele
van de koper of huurder worden afgeweken, tenzij de
rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot woonruimte
bestemd gedeelte van een zelfstandige woning.
Artikel 418
1.Heeft, buiten de gevallen bedoeld
in de artikelen 416 en 417, een lasthebber direct of indirect
belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling, dan is hij
verplicht de lastgever daarvan in kennis te stellen, tenzij de
inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd
tussen beider belangen is uitgesloten.
2.Een lasthebber heeft geen recht
op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd
met het in lid 1 bepaalde handelt, onverminderd zijn gehoudenheid
tot vergoeding van de dientengevolge door de lastgever geleden
schade. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de lastgever
worden afgeweken.
Artikel 419
Indien een lasthebber in eigen naam
een overeenkomst heeft gesloten met een derde die in de nakoming van
zijn verplichtingen tekortschiet, is de derde binnen de grenzen van
hetgeen omtrent zijn verplichting tot schadevergoeding overigens uit
de wet voortvloeit, jegens de lasthebber mede gehouden tot
vergoeding van de schade die de lastgever door de tekortkoming heeft
geleden.
Artikel 420
1.Indien een lasthebber die in
eigen naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn
verplichtingen jegens de lastgever niet nakomt, in staat van
faillissement geraakt of indien ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing wordt
verklaard, kan de lastgever de voor overgang vatbare rechten van
de lasthebber jegens de derde door een schriftelijke verklaring
aan hen beiden op zich doen overgaan, behoudens voor zover zij in
de onderlinge verhouding tussen lastgever en lasthebber aan deze
laatste toekomen.
2.Dezelfde bevoegdheid heeft de
lastgever indien de derde zijn verplichtingen tegenover de
lasthebber niet nakomt, tenzij deze de lastgever voldoet alsof de
derde zijn verplichtingen was nagekomen.
3.De lasthebber is in de gevallen
in dit artikel bedoeld gehouden de naam van de derde aan de
lastgever op diens verzoek mede te delen.
Artikel 421
1.Indien een lasthebber die in
eigen naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn
verplichtingen jegens de derde niet nakomt, in staat van
faillissement geraakt of indien ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing wordt
verklaard, kan de derde na schriftelijke mededeling aan de
lasthebber en de lastgever zijn rechten uit de overeenkomst tegen
de lastgever uitoefenen, voor zover deze op het tijdstip van de
mededeling op overeenkomstige wijze jegens de lasthebber gehouden
is.
2.De lasthebber is in het geval in
dit artikel bedoeld gehouden de naam van de lastgever aan de derde
op diens verzoek mede te delen.
Artikel 422
1.Lastgeving eindigt, behalve door
opzegging overeenkomstig artikel 408, door:
a. de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de lastgever of
het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, met dien
verstande dat de dood of de ondercuratelestelling de
overeenkomst doet eindigen op het tijdstip waarop de
lasthebber daarvan kennis krijgt;
b. de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de lasthebber of
het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
2.Van artikel 408 lid 1 voor zover
van toepassing op lastgeving, en van lid 1 onder a kan niet worden
afgeweken. Voor zover de overeenkomst strekt tot het verrichten
van een rechtshandeling in het belang van de lasthebber of van een
derde, kan echter worden bepaald dat zij niet door de lastgever
kan worden opgezegd, of dat zij niet eindigt door de dood of de
ondercuratelestelling van de lastgever. Artikel 74 leden 1, tweede
zin, 2 en 4 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing.
3.Eindigt de lastgeving door de
dood of de ondercuratelestelling van de lastgever, dan is de
lasthebber niettemin verplicht al datgene te doen wat de
omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen.
4.Eindigt de lastgeving door de
dood van de lasthebber, dan zijn diens erfgenamen, indien zij
kennis dragen van de erfopvolging en van de lastgeving, verplicht
al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de
wederpartij eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op
degenen in wier dienst of met wie de lasthebber een beroep of
bedrijf uitoefende.
Artikel 423
1.Indien is bedongen dat de
lasthebber een aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en
met uitsluiting van de lastgever zal uitoefenen, mist deze de
bevoegdheid tot deze uitoefening voor de duur van de overeenkomst
ook jegens derden. De uitsluiting kan niet worden tegengeworpen
aan derden die haar kenden noch behoorden te kennen.
2.Indien de lasthebber die de
uitsluiting bedong, een rechtspersoon is die zich ingevolge zijn
statuten ten doel stelt de gezamenlijke belangen van meer
lastgevers door de uitoefening van de aan hen toekomende rechten
te behartigen, kan in afwijking van artikel 422 lid 2 worden
overeengekomen dat de lastgeving niet zal eindigen door opzegging
door de lastgever op een termijn die minder dan een jaar bedraagt,
noch door diens dood, ondercuratelestelling, faillissement of het
ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Dit beding sluit
niet uit dat de overeenkomst op een termijn van tenminste één
maand kan worden opgezegd door de erfgenamen van de lastgever of,
in geval van diens faillissement of ondercuratelestelling, door de
curator dan wel, indien ten aanzien van de lastgever de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, door de bewindvoerder. Wanneer de nalatenschap van de
lastgever ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan
zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 424
1.De artikelen 415-423 zijn van
overeenkomstige toepassing op andere overeenkomsten dan lastgeving
krachtens welke de ene partij verplicht of bevoegd is voor
rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten,
voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met
de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.
2.Het vorige lid is niet van
toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren of doen vervoeren
van personen of zaken.
Afdeling 3. Bemiddelingsovereenkomst
Artikel 425
De bemiddelingsovereenkomst is de
overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de opdrachtnemer,
zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt tegen
loon als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen
van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden.
Artikel 426
1.De tussenpersoon heeft recht op
loon zodra door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de
opdrachtgever en de derde is tot stand gekomen.
2.Indien het recht op loon
afhankelijk is gesteld van de uitvoering van de bemiddelde
overeenkomst en deze overeenkomst niet wordt uitgevoerd, is de
opdrachtgever het loon ook verschuldigd, tenzij de niet-uitvoering
niet aan hem kan worden toegerekend.
Artikel 427
De artikelen 417 en 418 zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waarbij de ene partij
jegens de andere partij verplicht of bevoegd is als tussenpersoon
werkzaam te zijn als bedoeld in artikel 425, met dien verstande dat
met een tussenpersoon die tevens werkzaam is voor de wederpartij,
gelijkgesteld is een tussenpersoon die zelf als wederpartij
optreedt.
Afdeling 4. Agentuurovereenkomst
Artikel 428
1.De agentuurovereenkomst is een
overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere
partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een
bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de
totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze
eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten
zonder aan deze ondergeschikt te zijn.
2.De bepalingen van deze afdeling
zijn niet van toepassing op agentuurovereenkomsten waarop de de
Wet op het financieel toezicht van toepassing is.
3.Ieder der partijen is verplicht
de wederpartij op haar verzoek een ondertekend geschrift te
verschaffen dat de dan geldende inhoud van de agentuurovereenkomst
weergeeft.
Artikel 429
1.De handelsagent kan zich voor
verplichtingen die voor derden uit een door hem bemiddelde of
afgesloten overeenkomst voortvloeien, uitsluitend schriftelijk
aansprakelijk stellen.
2.Tenzij schriftelijk anders is
overeengekomen, is de handelsagent krachtens een beding van
delcredere slechts aansprakelijk voor de gegoedheid van de derde.
3.Hij kan zich niet aansprakelijk
stellen tot een hoger bedrag dan de overeengekomen provisie,
tenzij het beding betrekking heeft op een bepaalde overeenkomst of
op overeenkomsten die hij zelf in naam van de principaal sluit.
4.Indien er een kennelijke
wanverhouding is tussen het risico dat de handelsagent op zich
heeft genomen, en de bedongen provisie, kan de rechter het bedrag
waarvoor de handelsagent aansprakelijk is, matigen, voor zover dit
bedrag de provisie te boven gaat. De rechter houdt met alle
omstandigheden rekening, in het bijzonder met de wijze waarop de
handelsagent de belangen van de principaal heeft behartigd.
Artikel 430
1.De principaal moet alles doen wat
in de gegeven omstandigheden van zijn kant nodig is om de
handelsagent in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten.
2.Hij moet aan de handelsagent het
nodige documentatiemateriaal ter beschikking stellen over de
goederen en diensten waarvoor de handelsagent bemiddelt, en hem
alle inlichtingen verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering
van de agentuurovereenkomst.
3.Hij is verplicht de handelsagent
onverwijld te waarschuwen, indien hij voorziet dat in een
uitgesproken geringere mate dan de handelsagent mocht verwachten,
overeenkomsten zullen of mogen worden afgesloten.
4.Hij moet de handelsagent binnen
een redelijke termijn op de hoogte stellen van zijn aanvaarding of
weigering of de niet-uitvoering van een door de handelsagent
aangebrachte overeenkomst.
Artikel 431
1.De handelsagent heeft recht op
provisie voor de overeenkomsten die tijdens de duur der
agentuurovereenkomst zijn tot stand gekomen:
a. indien de overeenkomst door
zijn tussenkomst is tot stand gekomen;
b. indien de overeenkomst is
tot stand gekomen met iemand die hij reeds vroeger voor een
dergelijke overeenkomst had aangebracht;
c. indien de overeenkomst is
afgesloten met iemand die behoort tot de klantenkring die, of
gevestigd is in het gebied dat aan de handelsagent is
toegewezen, tenzij uitdrukkelijk is overeengekomen dat de
handelsagent ten aanzien van die klantenkring of in dat gebied
niet het alleenrecht heeft.
2.De handelsagent heeft recht op
provisie voor de voorbereiding van na het einde van de
agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten:
a. indien deze hoofdzakelijk
aan de tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door hem
verrichte werkzaamheden zijn te danken en binnen een redelijke
termijn na de beëindiging van die overeenkomst zijn
afgesloten, of
b. indien hij of de principaal,
overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het eerste lid, de
bestelling van de derde heeft ontvangen voor de beëindiging
van de agentuurovereenkomst.
3.De handelsagent heeft geen recht
op provisie, indien deze krachtens het tweede lid is verschuldigd
aan zijn voorganger, tenzij uit de omstandigheden voortvloeit dat
het billijk is de provisie tussen hen beiden te verdelen.
Artikel 432
1.Indien de rol van de handelsagent
zich heeft beperkt tot het verlenen van bemiddeling bij de
totstandkoming van de overeenkomst, wordt de order die hij aan
zijn principaal heeft doen toekomen, voor wat betreft het recht op
provisie krachtens artikel 426 geacht te zijn aanvaard, tenzij de
principaal de handelsagent binnen de redelijke termijn, bedoeld in
artikel 430 lid 4, mededeelt dat hij de order weigert of een
voorbehoud maakt. Bij gebreke van een in de agentuurovereenkomst
bepaalde termijn bedraagt de termijn een maand vanaf het tijdstip
waarop hem de order is medegedeeld.
2.Het beding dat het recht op
provisie doet afhangen van de uitvoering van de overeenkomst,
dient uitdrukkelijk te worden gemaakt.
3.Indien het beding, bedoeld in het
tweede lid, is gemaakt, ontstaat het recht op provisie uiterlijk
wanneer de derde zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd,
of dit had moeten doen, indien de principaal zijn deel van de
transactie had uitgevoerd.
Artikel 433
1.De principaal is verplicht na
afloop van iedere maand aan de handelsagent een schriftelijke
opgave te verstrekken van de over die maand verschuldigde
provisie, onder vermelding van de gegevens waarop de berekening
berust; deze opgave moet worden verstrekt voor het einde van de
volgende maand. Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat de
opgave twee- of driemaandelijks wordt verstrekt.
2.De handelsagent is bevoegd van de
principaal inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken, echter
zonder afgifte te kunnen verlangen. Hij kan zich op zijn kosten
doen bijstaan door een deskundige, aanvaard door de principaal of,
bij afwijzing, benoemd door de voorzieningenrechter van de
bevoegde rechtbank op verzoek van de handelsagent.
3.Echter kunnen partijen
schriftelijk overeenkomen dat de inzage van de bewijsstukken zal
geschieden aan een derde; indien deze zijn taak niet vervult, zal
de voorzieningenrechter van de rechtbank een plaatsvervanger
aanwijzen.
4.De overlegging van de
bewijsstukken door de principaal geschiedt onder verplichting tot
geheimhouding door de handelsagent en in de vorige leden vermelde
personen. Deze laatsten zijn echter niet verplicht tot
geheimhouding tegenover de handelsagent voor zover het betreft een
in het eerste lid bedoeld gegeven.
Artikel 434
De provisie wordt uiterlijk opeisbaar
op het tijdstip waarop de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel
433, moet worden verstrekt.
Artikel 435
1.De handelsagent heeft recht op
een beloning, indien hij bereid is zijn verplichtingen uit de
agentuurovereenkomst na te komen of deze reeds heeft nagekomen,
doch de principaal van de diensten van de handelsagent geen
gebruik heeft gemaakt of in aanzienlijk geringere mate gebruik
heeft gemaakt dan deze als normaal mocht verwachten, tenzij de
gedraging van de principaal voortvloeit uit omstandigheden welke
redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen.
2.Bij de bepaling van deze beloning
wordt rekening gehouden met het bedrag van de in de voorafgaande
tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te
nemen factoren, zoals de onkosten die de handelsagent zich door
het niet verrichten van werkzaamheden bespaart.
Artikel 436
Een agentuurovereenkomst die na het
verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan, door beide
partijen wordt voortgezet, bindt partijen voor onbepaalde tijd op
dezelfde voorwaarden.
Artikel 437
1.Indien de agentuurovereenkomst is
aangegaan voor een onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd met
recht van tussentijdse opzegging, is ieder der partijen bevoegd
haar te doen eindigen met inachtneming van de overeengekomen
opzeggingstermijn. Bij gebreke van een overeenkomst dienaangaande
zal de opzeggingstermijn vier maanden bedragen, vermeerderd met
een maand na drie jaren looptijd van de overeenkomst en met twee
maanden na zes jaren.
2.De termijn van opzegging kan niet
korter zijn dan een maand in het eerste jaar van de overeenkomst,
twee maanden in het tweede jaar en drie maanden in de volgende
jaren. Indien partijen langere termijnen overeenkomen, mogen deze
voor de principaal niet korter zijn dan voor de handelsagent.
3.Opzegging behoort plaats te
vinden tegen het einde van een kalendermaand.
Artikel 438
1.De agentuurovereenkomst eindigt
door het overlijden van de handelsagent.
2.In geval van overlijden van de
principaal zijn zowel zijn erfgenamen als de handelsagent bevoegd,
mits binnen negen maanden na het overlijden, de overeenkomst te
doen eindigen met een opzeggingstermijn van vier maanden. Wanneer
de nalatenschap van de principaal ingevolge artikel 13 van Boek 4
wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in
de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 439
1.De partij die de overeenkomst
beëindigt zonder eerbiediging van haar duur of zonder
inachtneming van de wettelijke of overeengekomen opzeggingstermijn
en zonder dat de wederpartij daarin toestemt, is schadeplichtig,
tenzij zij de overeenkomst doet eindigen om een dringende, aan de
wederpartij onverwijld medegedeelde reden.
2.Dringende redenen zijn
omstandigheden van zodanige aard dat van de partij die de
overeenkomst doet eindigen, redelijkerwijs niet gevergd kan worden
de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten.
3.Indien de beëindiging van de
overeenkomst wegens een dringende reden gegrond is op
omstandigheden waarvoor de wederpartij een verwijt treft, is
laatstgenoemde schadeplichtig.
4.Een beding waardoor aan een der
partijen de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden
aanwezig is, is nietig.
Artikel 440
1.Ieder der beide partijen is
bevoegd de kantonrechter te verzoeken de agentuurovereenkomst te
ontbinden op grond van:
a. omstandigheden die een
dringende reden opleveren in de zin van artikel 439 lid 2;
b. verandering in de
omstandigheden welke van dien aard is, dat de billijkheid eist
dat aan de overeenkomst dadelijk of na korte tijd een einde
wordt gemaakt.
2.Spreekt de rechter de ontbinding
uit op grond van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid
onder a en kan van deze omstandigheid de verweerder een verwijt
worden gemaakt, dan is deze schadeplichtig.
3.Spreekt de rechter de ontbinding
uit op grond van hetgeen is bepaald in het eerste lid onder b, dan
kan hij aan een der partijen een vergoeding toekennen. Hij kan
bepalen dat deze in termijnen wordt betaald.
4.Het vijfde, zesde, zevende,
negende, tiende en elfde lid van artikel 685 van Boek 7 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 441
1.De partij die, krachtens artikel
439 of artikel 440 lid 2, schadeplichtig is, is aan de wederpartij
een som verschuldigd gelijk aan de beloning over de tijd dat de
agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren
voort te duren. Voor de vaststelling van deze som wordt rekening
gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met
alle andere ter zake in acht te nemen factoren.
2.De rechter is bevoegd deze som te
verminderen, indien zij hem met het oog op de omstandigheden te
hoog voorkomt.
3.De benadeelde partij kan, in
plaats van de schadeloosstelling in de voorafgaande leden bedoeld,
volledige vergoeding van haar schade vorderen, onder gehoudenheid
de omvang daarvan te bewijzen.
Artikel 442
1.Ongeacht het recht om
schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent bij het einde
van de agentuurovereenkomst recht op een vergoeding,
klantenvergoeding, voor zover:
a. hij de principaal nieuwe
klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de
bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de
overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke
voordelen opleveren, en
b. de betaling van deze
vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het
bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met
deze klanten.
2.Het bedrag van de vergoeding is
niet hoger dan dat van de beloning van één jaar, berekend naar
het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de
overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de
gehele duur daarvan.
3.Het recht op vergoeding vervalt,
indien de handelsagent de principaal niet uiterlijk een jaar na
het einde van de overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding
verlangt.
4.De vergoeding is niet
verschuldigd, indien de overeenkomst is beëindigd:
a. door de principaal onder
omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439 lid 3
schadeplichtig maken;
b. door de handelsagent, tenzij
deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden
die de principaal kunnen worden toegerekend, of wordt
gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de
handelsagent, op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van
hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;
c. door de handelsagent die,
overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en
verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een
derde overdraagt.
Artikel 443
1.Een beding dat de handelsagent
beperkt in zijn vrijheid om na het einde van de
agentuurovereenkomst werkzaam te zijn, is slechts geldig voor
zover:
a. het op schrift is gesteld,
en
b. betrekking heeft op het
soort goederen of diensten waarvan hij de vertegenwoordiging
had, en op het gebied, of de klantenkring en het gebied, aan
hem toevertrouwd.
2.Zodanig beding is slechts geldig
gedurende ten hoogste twee jaren na het einde van de overeenkomst.
3.Aan zodanig beding kan de
principaal geen rechten ontlenen, indien de overeenkomst is
geëindigd:
a. doordat hij haar zonder
toestemming van de handelsagent heeft beëindigd zonder
inachtneming van de wettelijke of overeengekomen termijn en
zonder een dringende aan de handelsagent onverwijld
medegedeelde reden;
b. doordat de handelsagent de
overeenkomst heeft beëindigd vanwege een dringende,
onverwijld aan de principaal medegedeelde reden waarvoor
laatstgenoemde een verwijt treft;
c. door een rechterlijke
uitspraak, gegrond op omstandigheden ter zake waarvan de
principaal een verwijt treft.
4.De rechter kan, indien de
handelsagent dat vraagt, zulk een beding geheel of gedeeltelijk
teniet doen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen
belang van de principaal, de handelsagent door het beding
onbillijk wordt benadeeld.
Artikel 444
Rechtsvorderingen gegrond op de
artikelen 439 en 440 verjaren door verloop van één jaar na het
feit dat de vordering deed ontstaan.
Artikel 445
1.Partijen kunnen niet afwijken van
de artikelen 401, 402, 403 en 426 lid 2 noch van de artikelen 428
lid 3, 429, 430, 431 lid 2, 432 lid 2, 433, 437 lid 2, 439, 440,
441, 443 en 444.
2.Evenmin kan ten nadele van de
handelsagent worden afgeweken van de artikelen 432 lid 3, 434 en,
vóór het einde van de overeenkomst, van artikel 442.
Afdeling 5. De overeenkomst inzake
geneeskundige behandeling
Artikel 446
1.De overeenkomst inzake
geneeskundige behandeling - in deze afdeling verder aangeduid als
de behandelingsovereenkomst - is de overeenkomst waarbij een
natuurlijke persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in
de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover
een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van
handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks
betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een
bepaalde derde. Degene op wiens persoon de handelingen
rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de
patiënt.
2.Onder handelingen op het gebied
van de geneeskunst worden verstaan:
a. alle verrichtingen - het
onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -
rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe
strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het
ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn
gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige
bijstand te verlenen;
b. andere dan de onder a
bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een
persoon, die worden verricht door een arts of tandarts in die
hoedanigheid.
3.Tot de handelingen, bedoeld in
lid 1, worden mede gerekend het in het kader daarvan verplegen en
verzorgen van de patiënt en het overigens rechtstreeks ten
behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden
waaronder die handelingen kunnen worden verricht.
4.Geen behandelingsovereenkomst is
aanwezig, indien het betreft handelingen ter beoordeling van de
gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon,
verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met
de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot
een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de
geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de
uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Artikel 447
1.Een minderjarige die de leeftijd
van zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van
een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot
het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst
onmiddellijk verband houden.
2.De minderjarige is aansprakelijk
voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de
verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van
verzorging en opvoeding.
3.In op die
behandelingsovereenkomst betrekking hebbende aangelegenheden is de
minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden.
Artikel 448
1.De hulpverlener licht de patiënt
op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over het
voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de
ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de
gezondheidstoestand van de patiënt. De hulpverlener licht een
patiënt die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt
op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen.
2.Bij het uitvoeren van de in lid 1
neergelegde verplichting laat de hulpverlener zich leiden door
hetgeen de patiënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien
van:
a. de aard en het doel van het
onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en van
de uit te voeren verrichtingen;
b. de te verwachten gevolgen en
risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
c. andere methoden van
onderzoek of behandeling die in aanmerking komen;
d. de staat van en de
vooruitzichten met betrekking tot diens gezondheid voor wat
betreft het terrein van het onderzoek of de behandeling.
3.De hulpverlener mag de patiënt
bedoelde inlichtingen slechts onthouden voor zover het verstrekken
ervan kennelijk ernstig nadeel voor de patiënt zou opleveren.
Indien het belang van de patiënt dit vereist, dient de
hulpverlener de desbetreffende inlichtingen aan een ander dan de
patiënt te verstrekken. De inlichtingen worden de patiënt alsnog
gegeven, zodra bedoeld nadeel niet meer te duchten is. De
hulpverlener maakt geen gebruik van zijn in de eerste volzin
bedoelde bevoegdheid dan nadat hij daarover een andere
hulpverlener heeft geraadpleegd.
Artikel 449
Indien de patiënt te kennen heeft
gegeven geen inlichtingen te willen ontvangen, blijft het
verstrekken daarvan achterwege, behoudens voor zover het belang dat
de patiënt daarbij heeft niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit
voor hemzelf of anderen kan voortvloeien.
Artikel 450
1.Voor verrichtingen ter uitvoering
van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt
vereist.
2.Indien de patiënt minderjarig is
en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren
heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het
gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De
verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de ouders of de
voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde
ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de
patiënt ook na de weigering van de toestemming, de verrichting
weloverwogen blijft wensen.
3.In het geval waarin een patiënt
van zestien jaren of ouder niet in staat kan worden geacht tot een
redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden door de
hulpverlener en een persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 van
artikel 465, de kennelijke opvattingen van de patiënt, geuit in
schriftelijke vorm toen deze tot bedoelde redelijke waardering nog
in staat was en inhoudende een weigering van toestemming als
bedoeld in lid 1, opgevolgd. De hulpverlener kan hiervan afwijken
indien hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht.
Artikel 451
Op verzoek van de patiënt legt de
hulpverlener in ieder geval schriftelijk vast voor welke
verrichtingen van ingrijpende aard deze toestemming heeft gegeven.
Artikel 452
De patiënt geeft de hulpverlener
naar beste weten de inlichtingen en de medewerking die deze
redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.
Artikel 453
De hulpverlener moet bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en
handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende
verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners
geldende professionele standaard.
Artikel 454
1.De hulpverlener richt een dossier
in met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in
het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van
de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en
neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een
en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem
noodzakelijk is.
2.De hulpverlener voegt desgevraagd
een door de patiënt afgegeven verklaring met betrekking tot de in
het dossier opgenomen stukken aan het dossier toe.
3.Onverminderd het bepaalde in
artikel 455, bewaart de hulpverlener de bescheiden, bedoeld in de
vorige leden, gedurende vijftien jaren, te rekenen vanaf het
tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als
redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit.
Artikel 455
1.De hulpverlener vernietigt de
door hem bewaarde bescheiden, bedoeld in artikel 454, binnen drie
maanden na een daartoe strekkend verzoek van de patiënt.
2.Lid 1 geldt niet voor zover het
verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is
dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de
patiënt, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet
zich tegen vernietiging verzet.
Artikel 456
De hulpverlener verstrekt aan de
patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van
de bescheiden, bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft
achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De
hulpverlener mag voor de verstrekking van het afschrift een
redelijke vergoeding in rekening brengen.
Artikel 457
1.Onverminderd het in artikel 448
lid 3, tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat
aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan
wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel
454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien
verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt
geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van
de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij
of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.
2.Onder anderen dan de patiënt
zijn niet begrepen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de
uitvoering van de behandelingsovereenkomst en degene die optreedt
als vervanger van de hulpverlener, voor zover de verstrekking
noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten
werkzaamheden.
3.Daaronder zijn evenmin begrepen
degenen wier toestemming ter zake van de uitvoering van de
behandelingsovereenkomst op grond van de artikelen 450 en 465 is
vereist. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt
dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken
niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht
te nemen, laat hij zulks achterwege.
Artikel 458
1.In afwijking van het bepaalde in
artikel 457 lid 1 kunnen zonder toestemming van de patiënt ten
behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied
van de volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over
de patiënt of inzage in de bescheiden, bedoeld in artikel 454,
worden verstrekt indien:
a. het vragen van toestemming
in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de
uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige
waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de patiënt
niet onevenredig wordt geschaad, of
b. het vragen van toestemming,
gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in
redelijkheid niet kan worden verlangd en de hulpverlener zorg
heeft gedragen dat de gegevens in zodanige vorm worden
verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke personen
redelijkerwijs wordt voorkomen.
2.Verstrekking overeenkomstig lid 1
is slechts mogelijk indien:
a. het onderzoek een algemeen
belang dient,
b. het onderzoek niet zonder de
desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en
c. voor zover de betrokken
patiënt tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar
heeft gemaakt.
3.Bij een verstrekking
overeenkomstig lid 1 wordt daarvan aantekening gehouden in het
dossier.
Artikel 459
1.De hulpverlener voert
verrichtingen in het kader van de behandelingsovereenkomst uit
buiten de waarneming van anderen dan de patiënt, tenzij de
patiënt ermee heeft ingestemd dat de verrichtingen kunnen worden
waargenomen door anderen. Indien de hulpverlener apotheker is, is
de verplichting, bedoeld in de eerste volzin, niet van toepassing
voor zover het de visuele waarneming door anderen dan de patiënt
betreft.
2.Onder anderen dan de patiënt
zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij
de uitvoering van de verrichting noodzakelijk is.
3.Daaronder zijn evenmin begrepen
degenen wier toestemming ter zake van de verrichting op grond van
de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door
verrichtingen te doen waarnemen niet geacht kan worden de zorg van
een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks niet toe.
Artikel 460
De hulpverlener kan, behoudens
gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen.
Artikel 461
De opdrachtgever is de hulpverlener
loon verschuldigd, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden
loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde dan
wel uit de overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 462
1.Indien ter uitvoering van een
behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in een
ziekenhuis dat bij die overeenkomst geen partij is, is het
ziekenhuis voor een tekortkoming daarbij mede aansprakelijk, als
ware het zelf bij de overeenkomst partij.
2.Onder ziekenhuis als bedoeld in
lid 1 worden verstaan een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als ziekenhuis, verpleeginrichting of
zwakzinnigeninrichting toegelaten instelling of afdeling daarvan,
een academisch ziekenhuis alsmede een abortuskliniek in de zin van
de Wet afbreking zwangerschap.
Artikel 463
De aansprakelijkheid van een
hulpverlener of, in het geval bedoeld in artikel 462, van het
ziekenhuis, kan niet worden beperkt of uitgesloten.
Artikel 464
1.Indien in de uitoefening van een
geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een
behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de
geneeskunst worden verricht, zijn deze afdeling alsmede de
artikelen 404, 405 lid 2 en 406 van afdeling 1 van deze titel van
overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
2.Betreft het handelingen als
omschreven in artikel 446 lid 4, dan:
a. worden de in artikel 454
bedoelde bescheiden slechts bewaard zolang dat noodzakelijk is
in verband met het doel van het onderzoek, tenzij het bepaalde
bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet;
b. wordt de persoon op wie het
onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te
delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek
wenst te vernemen. Indien die wens is geuit en de handelingen
niet worden verricht in verband met een tot stand gekomen
arbeidsverhouding of burgerrechtelijke verzekering dan wel een
opleiding waartoe de betrokkene reeds is toegelaten, wordt
bedoelde persoon tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen
of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis
wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan
mededeling aan anderen wordt gedaan.
Artikel 465
1.De verplichtingen die voor de
hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien
worden, indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren nog niet
heeft bereikt, door de hulpverlener nagekomen jegens de ouders die
het gezag over de patiënt uitoefenen dan wel jegens zijn voogd.
2.Hetzelfde geldt indien de
patiënt de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, maar niet in
staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen ter zake, tenzij zodanige patiënt meerderjarig is en
onder curatele staat of ten behoeve van hem het mentorschap is
ingesteld, in welke gevallen nakoming jegens de curator of de
mentor geschiedt.
3.Indien een meerderjarige patiënt
die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering
van zijn belangen ter zake, niet onder curatele staat of ten
behoeve van hem niet het mentorschap is ingesteld, worden de
verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens
de patiënt voortvloeien, door de hulpverlener nagekomen jegens de
persoon die daartoe door de patiënt schriftelijk is gemachtigd in
zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige persoon, of treedt
deze niet op, dan worden de verplichtingen nagekomen jegens de
echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de
patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook
zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus
van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst.
4.De hulpverlener komt zijn
verplichtingen na jegens de in de leden 1 en 2 bedoelde wettelijke
vertegenwoordigers van de patiënt en de in lid 3 bedoelde
personen, tenzij die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van
een goed hulpverlener.
5.De persoon jegens wie de
hulpverlener krachtens de leden 2 of 3 gehouden is de uit deze
afdeling jegens de patiënt voortvloeiende verplichtingen na te
komen, betracht de zorg van een goed vertegenwoordiger. Deze
persoon is gehouden de patiënt zoveel mogelijk bij de vervulling
van zijn taak te betrekken.
6.Verzet de patiënt zich tegen een
verrichting van ingrijpende aard waarvoor een persoon als bedoeld
in de leden 2 of 3 toestemming heeft gegeven, dan kan de
verrichting slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig
is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen.
Artikel 466
1.Is op grond van artikel 465 voor
het uitvoeren van een verrichting uitsluitend de toestemming van
een daar bedoelde persoon in plaats van die van de patiënt
vereist, dan kan tot de verrichting zonder die toestemming worden
overgegaan indien de tijd voor het vragen van die toestemming
ontbreekt aangezien onverwijlde uitvoering van de verrichting
kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te
voorkomen.
2.Een volgens de artikelen 450 en
465 vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven,
indien de desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is.
Artikel 467
1.Van het lichaam afgescheiden
anonieme stoffen en delen kunnen worden gebruikt voor medisch
statistisch of ander medisch wetenschappelijk onderzoek voor zover
de patiënt van wie het lichaamsmateriaal afkomstig is, geen
bezwaar heeft gemaakt tegen zodanig onderzoek en het onderzoek met
de vereiste zorgvuldigheid wordt verricht.
2.Onder onderzoek met van het
lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen wordt verstaan
onderzoek waarbij is gewaarborgd dat het bij het onderzoek te
gebruiken lichaamsmateriaal en de daaruit te verkrijgen gegevens
niet tot de persoon herleidbaar zijn.
Artikel 468
Van de bepalingen van deze afdeling
en van de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 kan niet ten nadele van de
patiënt worden afgeweken.
Titel 7A. Reisovereenkomst
Artikel 500
1.In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. reisorganisator: degene die,
in de uitoefening van zijn bedrijf, op eigen naam aan het
publiek of aan een groep personen van te voren georganiseerde
reizen aanbiedt;
b. reisovereenkomst: de
overeenkomst waarbij een reisorganisator zich jegens zijn
wederpartij verbindt tot het verschaffen van een door hem
aangeboden van te voren georganiseerde reis die een
overnachting of een periode van meer dan 24 uren omvat alsmede
ten minste twee van de volgende diensten:
1°. vervoer,
2°. verblijf,
3°. een andere niet met
vervoer of verblijf verband houdende, toeristische dienst
die een significant deel van de reis uitmaakt;
c. reiziger:
1°. de wederpartij van de
reisorganisator,
2°. degene te wiens
behoeve de reis is bedongen en die dat beding heeft
aanvaard, of
3°. degene aan wie
overeenkomstig artikel 506 de rechtsverhouding tot de
reisorganisator is overgedragen.
2.Degene die in de uitoefening van
zijn bedrijf als tussenpersoon optreedt van een niet in Nederland
gevestigde reisorganisator, wordt jegens zijn wederpartij als
reisorganisator aangemerkt.
Artikel 501
1.Indien de reisorganisator een
algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie uitgeeft,
vermeldt hij daarin de reissom en de andere bij algemene maatregel
van bestuur bepaalde gegevens.
2.Vóór het sluiten van de
reisovereenkomst deelt de reisorganisator de wederpartij
schriftelijk of op andere begrijpelijke en toegankelijke wijze de
in het eerste lid bedoelde gegevens mee, voor zover die gegevens
aan de wederpartij nog niet bekend zijn door verstrekking van de
algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie.
3.Het tweede lid is niet van
toepassing indien de reisovereenkomst minder dan 72 uren voor de
aanvang van de reis wordt gesloten.
Artikel 502
1.De reisorganisator verschaft de
wederpartij na het sluiten van de overeenkomst onverwijld een
afschrift van de voorwaarden, voor zover deze niet reeds in de
overgelegde bescheiden besloten liggen.
2.Vóór de aanvang van de reis
deelt de reisorganisator de wederpartij of degene aan wie
overeenkomstig artikel 506 de rechtsverhouding tot de
reisorganisator is overgedragen schriftelijk of op andere
begrijpelijke en toegankelijke wijze de bij algemene maatregel van
bestuur bepaalde gegevens mee.
Artikel 503
1.De reiziger kan de
reisovereenkomst te allen tijde met onmiddellijke ingang opzeggen.
2.Indien de reiziger opzegt wegens
een aan hem toe te rekenen omstandigheid, vergoedt de reiziger de
reisorganisator de schade die deze tengevolge van de opzegging
lijdt. De schadevergoeding bedraagt ten hoogste eenmaal de
reissom.
3.Indien de reiziger opzegt wegens
een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, heeft hij recht op
teruggave of kwijtschelding van de reissom of, indien de reis
reeds ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan.
Artikel 504
1.Onverminderd artikel 505, vierde
lid, kan de reisorganisator de reisovereenkomst slechts opzeggen
wegens gewichtige, de reiziger onverwijld meegedeelde
omstandigheden.
2.Indien de reisorganisator opzegt
wegens een niet aan de reiziger toe te rekenen omstandigheid,
biedt hij deze een andere reis van gelijke of betere kwaliteit
aan. Onverminderd het derde lid heeft de reiziger die dat aanbod
niet aanvaardt, recht op teruggave of kwijtschelding van de
reissom of, indien de reis reeds ten dele is genoten, een
evenredig deel daarvan.
3.In geval van opzegging vergoedt
de reisorganisator de reiziger de door deze geleden
vermogensschade en een bedrag voor het derven van reisgenot,
tenzij
a. hij de overeenkomst opzegt
omdat het aantal aanmeldingen kleiner is dan het vereiste
minimumaantal en de reiziger binnen de in de overeenkomst
aangegeven termijn schriftelijk van de opzegging in kennis is
gesteld, of
b. de opzegging het gevolg is
van overmacht, waaronder overboeken niet is begrepen. Onder
overmacht worden in deze titel verstaan abnormale en
onvoorzienbare omstandigheden die onafhankelijk zijn van de
wil van degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen
ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
Artikel 505
1.De reisorganisator kan bedingen
dat hij de reisovereenkomst op een wezenlijk punt mag wijzigen
wegens gewichtige, de reiziger onverwijld medegedeelde
omstandigheden. De reiziger kan de wijziging afwijzen.
2.Behoudens lid 1 kan de
reisorganisator bedingen dat hij de reisovereenkomst mag wijzigen
wegens gewichtige, de reiziger onverwijld meegedeelde
omstandigheden. De reiziger kan de wijziging slechts afwijzen
indien zij hem tot nadeel van meer dan geringe betekenis strekt.
3.De reisorganisator kan bedingen
dat hij tot twintig dagen voor de aanvang van de reis de reissom
mag verhogen in verband met wijzigingen in de vervoerkosten met
inbegrip van brandstofkosten, de verschuldigde heffingen of de
toepasselijke wisselkoersen. Bij toepassing van dit beding geeft
de reisorganisator aan op welke wijze de verhoging is berekend. De
reiziger kan de verhoging afwijzen.
4.Na een afwijzing als in de
voorgaande leden bedoeld, kan de reisorganisator de
reisovereenkomst opzeggen. De reiziger heeft recht op teruggave of
kwijtschelding van de reissom of, indien de reis reeds ten dele is
genoten, een evenredig deel daarvan. Indien de reisorganisator
opzegt na een afwijzing door de reiziger als bedoeld in de leden 1
en 2 is bovendien artikel 504, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 506
1.Tijdig voor de aanvang van de
reis kan de reiziger zijn rechtsverhouding tot de reisorganisator
overdragen aan een derde die aan alle voorwaarden van de
reisovereenkomst voldoet. Een termijn van zeven dagen voor de
aanvang van de reis wordt geacht in ieder geval tijdig te zijn.
2.De overdracht vindt plaats door
een daarop gerichte overeenkomst met de derde en schriftelijke
mededeling daarvan door de overdragende reiziger aan de
reisorganisator. De overdragende reiziger en de derde zijn
hoofdelijk verbonden tot betaling van de reissom en de kosten in
verband met de overdracht.
Artikel 507
1.De reisorganisator is verplicht
tot uitvoering van de reisovereenkomst overeenkomstig de
verwachtingen die de reiziger op grond van de reisovereenkomst
redelijkerwijs mocht hebben.
2.Indien de reis niet verloopt
overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de
reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben, is de
reisorganisator verplicht de schade te vergoeden, tenzij de
tekortkoming in de nakoming niet aan hem is toe te rekenen noch
aan de persoon van wiens hulp hij bij de uitvoering van de
overeenkomst gebruik maakt, omdat:
a. de tekortkoming in de
uitvoering van de reisovereenkomst is toe te rekenen aan de
reiziger;
b. de tekortkoming in de
uitvoering van de reisovereenkomst die niet te voorzien was of
kon worden opgeheven, is toe te rekenen aan een derde die niet
bij de levering van de in de reis begrepen diensten is
betrokken; of
c. de tekortkoming in de
uitvoering van de overeenkomst is te wijten aan overmacht als
bedoeld in artikel 504 lid 3 onder b dan wel aan een
gebeurtenis die de organisator of degene van wiens hulp hij
bij de uitvoering van de reisovereenkomst gebruik maakt, met
inachtneming van alle mogelijke zorgvuldigheid niet kon
voorzien of verhelpen.
3.De reisorganisator is naar gelang
van de omstandigheden verplicht de reiziger hulp en bijstand te
verlenen, indien de reis niet verloopt overeenkomstig de
verwachtingen die deze op grond van de reisovereenkomst
redelijkerwijs mocht hebben. Indien de oorzaak daarvan aan de
reiziger moet worden toegerekend, is de reisorganisator tot
verlening van hulp en bijstand slechts verplicht voor zover dat
redelijkerwijs van hem gevergd kan worden. De kosten voor de
verleende hulp en bijstand komen in dat geval voor rekening van de
reiziger. De kosten voor de verleende hulp en bijstand komen voor
rekening van de reisorganisator, indien de tekortkoming in de
nakoming aan hem of aan de persoon van wiens hulp hij bij de
uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, overeenkomstig het
tweede lid is toe te rekenen.
Artikel 508
1.Tenzij het tweede lid van dit
artikel van toepassing is, kan de reisorganisator zijn
aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt door dood of letsel van
de reiziger, niet uitsluiten of beperken.
2.Indien op een in de
reisovereenkomst begrepen dienst een verdrag van toepassing is,
kan de reisorganisator zich beroepen op een uitsluiting of
beperking van aansprakelijkheid die dat verdrag aan een
dienstverlener als zodanig toekent of toestaat.
Artikel 509
1.De reisorganisator kan zijn
aansprakelijkheid voor schade die uit zijn eigen handelen of
nalaten ontstaat niet beperken of uitsluiten, indien dat handelen
of nalaten geschiedt met het opzet de schade te veroorzaken of het
handelen of nalaten roekeloos geschiedt en met de wetenschap dat
de schade daaruit waarschijnlijk zou voortvloeien.
2.Voor zover de reisorganisator
niet zelf de in de reisovereenkomst begrepen diensten verleent,
kan hij zijn aansprakelijkheid voor andere dan de in artikel 508
bedoelde schade beperken tot driemaal de reissom.
Artikel 510
Een tekortkoming in de nakoming van
een verbintenis die hem kan worden toegerekend, verplicht de
reisorganisator mede tot vergoeding van ander nadeel dan
vermogensschade, voor zover door die tekortkoming derving van
reisgenot is veroorzaakt.
Artikel 511
De vergoeding voor derving van
reisgenot als bedoeld in de artikelen 504, derde lid, en 510
bedraagt ten hoogste eenmaal de reissom.
Artikel 512
1.De reisorganisator neemt de
maatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat, wanneer hij
wegens financieel onvermogen zijn verplichtingen jegens de
reiziger niet of niet verder kan nakomen, wordt zorggedragen
hetzij voor overneming van zijn verplichtingen door een ander
hetzij voor terugbetaling van de reissom of, indien de reis reeds
ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan. Indien de
reiziger reeds op de plaats van bestemming is aangekomen dient,
voor zover de reisovereenkomst dat vervoer omvat, in ieder geval
te worden zorggedragen voor de terugreis.
2.De reisorganisator maakt de in
het eerste lid bedoelde maatregelen openbaar door deze te
vermelden in de algemeen verkrijgbare prospectus of andere
publikatie, bedoeld in artikel 501, of op andere begrijpelijke en
toegankelijke wijze.
Artikel 513
Van het bij of krachtens deze titel
bepaalde kan ten nadele van de reiziger niet worden afgeweken.
Titel 7b. Betalingstransactie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 514
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. authenticeren: volgen van een
procedure die de betaaldienstverlener in staat stelt het gebruik
van het betaalinstrument te verifiëren, met inbegrip van de
gepersonaliseerde veiligheidskenmerken;
b. automatische afschrijving:
betaaldienst waarbij de betaalrekening van de betaler wordt
gedebiteerd en waarbij de betalingstransactie wordt geïnitieerd
door de begunstigde op basis van een door de betaler aan de
begunstigde, aan de betaaldienstverlener van de begunstigde of
aan de betaaldienstverlener van de betaler verstrekte
instemming;
c. begunstigde: natuurlijke
persoon of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de
geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;
d. betaaldienst:
bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn;
e. betaaldienstgebruiker:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de hoedanigheid van
betaler, begunstigde of beide van een betaaldienst gebruik
maakt;
f. betaaldienstverlener:
dienstverlener als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
richtlijn en natuurlijk persoon of rechtspersoon waarop een
vrijstelling krachtens artikel 2:3d van de Wet op het financieel
toezicht van toepassing is;
g. betaalinstrument:
gepersonaliseerd instrument of gepersonaliseerde instrumenten of
het geheel van procedures, overeengekomen tussen de
betaaldienstgebruiker en de betaaldienstverlener, waarvan de
betaaldienstgebruiker gebruik maakt om een betaalopdracht te
initiëren;
h. betaalopdracht: door een
betaler of begunstigde aan zijn betaaldienstverlener gegeven
opdracht om een betalingstransactie uit te voeren;
i. betaalrekening: op naam van
een of meer betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor
de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;
j. betaler: natuurlijke persoon
of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een
betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij
bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een betaalopdracht geeft;
k. betalingstransactie: door de
betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij
geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen,
ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en
de begunstigde zijn;
l. consument: niet in de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke
persoon aan wie een betaaldienstverlener een betaal |