Nadere regelgeving:
- Besluit laad- en lostijden en overliggeld in de binnenvaart 1991
- Besluit nationaliteitstoets zeeschepen
-
Besluit regels avarij-grosse ex artikel 613 Boek 8 Burgerlijk
Wetboek
-
Besluit regels avarij-grosse ex artikel 1022 Boek 8 Burgerlijk
Wetboek
-
Maatregel te boek gestelde luchtvaartuigen 1996
-
Maatregel te boek gestelde schepen 1992
-
Uitvoeringsbesluit aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen en
milieuverontreiniging
- Uitvoeringsregeling
Kadasterwet 1994'
Burgerlijk Wetboek Boek 8,
Verkeersmiddelen en vervoer
Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer
I. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In dit wetboek worden onder schepen
verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun
constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken, die geen schepen zijn, voor de toepassing van bepalingen
van dit wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van
dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken, die schepen
zijn.
3.Voortbewegingswerktuigen en andere
machinerieën worden bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na
hun inbouw, hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na
voltooiing van het schip zal zijn.
4.Onder scheepstoebehoren worden
verstaan de zaken, die, geen bestanddeel van het schip zijnde, bestemd
zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn
te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die
zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden
afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het
schip wordt toegebracht.
5.Behoudens afwijkende bedingen wordt
het scheepstoebehoren tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan
worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3.
6.Voor de toepassing van het derde, het
vierde en het vijfde lid van dit artikel wordt onder schip mede
verstaan een schip in aanbouw.
Artikel 2
1.In dit wetboek worden onder
zeeschepen verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en
de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun
constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn
bestemd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen schepen, die geen zeeschepen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van dit wetboek als zeeschip worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
schepen, die zeeschepen zijn.
3.In dit wetboek worden onder
zeevissersschepen verstaan zeeschepen, die blijkens hun constructie
uitsluitend of in hoofdzaak voor de bedrijfsmatige visvangst zijn
bestemd.
Artikel 3
1.In dit wetboek worden onder
binnenschepen verstaan de schepen die als binnenschip teboekstaan in
de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3,
en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun
constructie noch uitsluitend noch in hoofdzaak voor drijven in zee
zijn bestemd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen schepen, die geen binnenschepen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van dit wetboek als binnenschip worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
schepen, die binnenschepen zijn.
Artikel 3a
1.In dit wetboek worden onder
luchtvaartuigen verstaan toestellen die in de dampkring kunnen worden
gehouden ten gevolge van krachten die de lucht daarop uitoefent, met
uitzondering van toestellen die blijkens hun constructie bestemd zijn
zich te verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden
tussen het toestel en het oppervlak der aarde.
2.Het casco, de motoren, de
luchtschroeven, de radiotoestellen en alle andere voorwerpen bestemd
voor gebruik in of aan het toestel, onverschillig of zij daarin of
daaraan zijn aangebracht dan wel tijdelijk ervan zijn gescheiden, zijn
bestanddeel van het luchtvaartuig.
3.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken die geen luchtvaartuigen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van dit wetboek als luchtvaartuig worden aangewezen, dan
wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
zaken die luchtvaartuigen zijn.
Artikel 3b
In dit wetboek wordt verstaan onder:
a. spoorvoertuig: voertuig, bestemd
voor het verkeer over spoorwegen;
b. spoorweginfrastructuur: spoorwegen
als bedoeld in artikel 1 onder b van de Spoorwegwet en daarbij
horende spoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 1 onder c van
de Spoorwegwet;
c. beheerder van de
spoorweginfrastructuur: de beheerder bedoeld in artikel 1 onder h
van de Spoorwegwet dan wel, indien die bepaling niet van toepassing
is, degene die de spoorweginfrastructuur ter beschikking stelt.
d. spoorwegonderneming: elke
spoorwegonderneming als bedoeld in artikel 1 onder f van de
Spoorwegwet.
Artikel 4
Onder voorbehoud van artikel 552 worden
in dit boek de Dollart, de Waddenzee, het IJsselmeer, de stromen, de
riviermonden en andere zo nodig voor de toepassing van bepalingen van
dit boek bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren,
binnen zo nodig nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
grenzen, als binnenwater beschouwd.
Artikel 5
In dit wetboek worden onder opvarenden
verstaan alle zich aan boord van een schip bevindende personen.
Artikel 6
In dit wetboek worden de kapitein en de
schipper aangemerkt als lid van de bemanning.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 8
In dit wetboek worden onder bagage
verstaan de zaken, die een vervoerder in verband met een door hem
gesloten overeenkomst van personenvervoer op zich neemt te vervoeren met
uitzondering van zaken, vervoerd onder een het vervoer van zaken
betreffende overeenkomst.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 10
In dit wetboek wordt onder reder verstaan
de eigenaar van een zeeschip.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 12
In dit boek leidt strijd met een
dwingende wetsbepaling tot ambtshalve toe te passen nietigheid van de
rechtshandeling.
Artikel 13
Dit boek laat onverlet enige voor
Nederland van kracht zijnde internationale overeenkomst of enige wet die
de aansprakelijkheid voor kernschade regelt.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1992]
Titel 2. Algemene bepalingen betreffende
vervoer
Afdeling 1. Overeenkomst van
goederenvervoer
Artikel 20
De overeenkomst van goederenvervoer is de
overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de
andere partij (de afzender) verbindt zaken te vervoeren.
Artikel 21
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 22
Onverminderd artikel 21 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
Artikel 23
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade, voor zover deze is veroorzaakt door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een
vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
Artikel 24
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 25
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen. Hij is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze
ten gevolge van de opzegging lijdt.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 26
De afzender is verplicht de vervoerder
omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die
opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan
hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van belang
zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze gegevens kent.
Artikel 27
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die van de
zijde van de afzender voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak
dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 28
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 29
De vracht is verschuldigd na aflevering
van de zaken ter bestemming.
Artikel 30
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de
ontvanger verschuldigd is of zal worden terzake van het vervoer van
die zaken. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze
van rembours op die zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de
vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en
voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden
voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 31
Wordt de vervoerder dan wel de afzender
of een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst aangesproken,
dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
goederenvervoer.
Afdeling 2. Overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer
Artikel 40
De overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer deels over
zee, over binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht of
door een pijpleiding dan wel door middel van enige andere
vervoerstechniek zal geschieden.
Artikel 41
Bij een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat deel
toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 42
1.Indien de gecombineerd vervoerder de
zaken niet zonder vertraging ter bestemming aflevert in de staat
waarin hij hen heeft ontvangen en niet is komen vast te staan, waar de
omstandigheid, die het verlies, de beschadiging of de vertraging
veroorzaakte, is opgekomen, is hij voor de daardoor ontstane schade
aansprakelijk, tenzij hij bewijst, dat hij op geen der delen van het
vervoer, waar het verlies, de beschadiging of de vertraging kan zijn
opgetreden, daarvoor aansprakelijk is.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 43
1.Indien de gecombineerd vervoerder
aansprakelijk is voor schade ontstaan door beschadiging, geheel of
gedeeltelijk verlies, vertraging of enig ander schadeveroorzakend feit
en niet is komen vast te staan waar de omstandigheid, die hiertoe
leidde, is opgekomen, wordt zijn aansprakelijkheid bepaald volgens de
rechtsregelen die toepasselijk zijn op dat deel of die delen van het
vervoer, waarop deze omstandigheid kan zijn opgekomen en waaruit het
hoogste bedrag aan schade vergoeding voortvloeit.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 44
1.De gecombineerd vervoerder kan op
verlangen van de afzender, geuit alvorens zaken te zijner beschikking
worden gesteld, terzake van het vervoer een document (CT-document)
opmaken, dat door hem wordt gedateerd en ondertekend en aan de
afzender wordt afgegeven. De ondertekening kan worden gedrukt of door
een stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen.
2.Op het CT-document worden vermeld:
a. de afzender,
b. de ten vervoer ontvangen zaken
met omschrijving van de algemene aard daarvan, zoals deze
omschrijving gebruikelijk is,
c. een of meer der volgende
gegevens met betrekking tot de onder b bedoelde zaken:
1°. aantal,
2°. gewicht,
3°. volume,
4°. merken,
d. de plaats waar de gecombineerd
vervoerder de zaken ten vervoer heeft ontvangen,
e. de plaats waarheen de
gecombineerd vervoerder op zich neemt de zaken te vervoeren,
f. de geadresseerde die, ter keuze
van de afzender, wordt aangegeven hetzij bij name of andere
aanduiding, hetzij als order van de afzender of van een ander,
hetzij als toonder. De enkele woorden "aan order" worden
geacht de order van de afzender aan te geven,
g. de gecombineerd vervoerder,
h. het aantal exemplaren van het
document indien dit in meer dan één exemplaar is uitgegeven,
i. al hetgeen overigens afzender en
gecombineerd vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
3.De aanduidingen vermeld in het tweede
lid onder a tot en met c worden in het CT-document opgenomen aan de
hand van door de afzender te verstrekken gegevens, met dien verstande
dat de gecombineerd vervoerder niet verplicht is in het CT-document
enig gegeven met betrekking tot de zaken op te geven of te noemen,
waarvan hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat het niet
nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeeft of
tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad. De
gecombineerd vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te
hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of gepompte
zaken te toetsen. De afzender staat in voor de juistheid, op het
ogenblik van de inontvangstneming van de zaken, van de door hem
verstrekte gegevens.
4.Partijen zijn verplicht elkaar de
schade te vergoeden die zij lijden door het ontbreken van in het
tweede lid genoemde gegevens.
Artikel 45
De verhandelbare exemplaren van het
CT-document, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het geheel
zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle. Niet
verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden aangeduid.
Artikel 46
1.Voor het deel van het vervoer, dat
overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst zal
plaatsvinden als vervoer over zee of binnenwateren, wordt het
CT-document als cognossement aangemerkt.
2.Voor het deel van het vervoer, dat
overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst over de weg
zal plaatsvinden, wordt het CT-document als vrachtbrief aangemerkt.
3.Voor het deel van het vervoer, dat
overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst over
spoorwegen of door de lucht zal plaatsvinden, wordt het CT-document,
mits het mede aan de daarvoor gestelde vereisten voldoet, als voor
dergelijk vervoer bestemd document aangemerkt.
Artikel 47
Indien een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is gesloten en bovendien een CT-document is afgegeven,
wordt, behoudens artikel 51 tweede lid, tweede volzin, de
rechtsverhouding tussen de gecombineerd vervoerder en de afzender door
de bedingen van de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer en niet
door die van dit CT-document beheerst. Behoudens het in artikel 51
eerste lid gestelde vereiste van houderschap van het CT-document, strekt
dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
gecombineerd vervoerder.
Artikel 48
1.Het CT-document bewijst, behoudens
tegenbewijs, dat de gecombineerd vervoerder de zaken heeft ontvangen
en wel zoals deze daarin zijn omschreven. Tegenbewijs tegen het
CT-document wordt niet toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een
derde te goeder trouw.
2.Indien in het CT-document de
clausule: "aard, gewicht, aantal, volume of merken onbekend"
of enige andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen, binden
zodanige in het CT-document voorkomende vermeldingen omtrent de zaken
de gecombineerd vervoerder niet, tenzij bewezen wordt dat hij de aard,
het gewicht, het aantal, het volume of de merken der zaken heeft
gekend of had behoren te kennen.
3.Een CT-document, dat de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert,
behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de gecombineerd vervoerder die zaak voor zover
uiterlijk zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.Een in het CT-document opgenomen
waarde-opgave schept, behoudens tegenbewijs, een vermoeden, doch bindt
niet de gecombineerd vervoerder die haar kan betwisten.
5.Verwijzingen in het CT-document
worden geacht slechts die bedingen daarin te voegen, die voor degeen,
jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op schriftelijk
verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan worden gedaan of wordt
gedaan, aan deze onverwijld die bedingen heeft doen toekomen.
6.Dit artikel laat onverlet de
bepalingen die aan cognossement of vrachtbrief een grotere
bewijskracht toekennen.
7.Nietig is ieder beding, waarbij van
het vijfde lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 49
Een CT-document aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 50
Levering van het CT-document vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als
levering van die zaken.
Artikel 51
1.Indien een CT-document is afgegeven,
heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op
rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de gecombineerd
vervoerder het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op deze
rustende verplichtingen te vorderen. Onverminderd dit recht op
aflevering heeft hij - en hij alleen - voor zover de gecombineerd
vervoerder aansprakelijk is wegens het niet nakomen van de op hem
rustende verplichting zaken zonder vertraging ter bestemming af te
leveren in de staat waarin hij hen heeft ontvangen, uitsluitend het
recht te dier zake schadevergoeding te vorderen.
2.Jegens de houder van het CT-document,
die niet de afzender was, is de gecombineerd vervoerder gehouden aan
en kan hij een beroep doen op de bedingen van het CT-document. Jegens
iedere houder van het CT-document kan hij de daaruit duidelijk kenbare
rechten tot betaling geldend maken. Jegens de houder van het
CT-document, die ook de afzender was, kan de gecombineerd vervoerder
zich bovendien op de bedingen van de overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender
beroepen.
Artikel 52
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde CT-document heeft hij het beste recht, die
houder is van het exemplaar, waarvan ná de gemeenschappelijke voorman,
die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is
geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.
Afdeling 3. Overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen
Artikel 60
De overeenkomst tot het doen vervoeren
van goederen is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de expediteur)
zich jegens zijn wederpartij (de opdrachtgever) verbindt tot het te
haren behoeve met een vervoerder sluiten van een of meer overeenkomsten
van vervoer van door deze wederpartij ter beschikking te stellen zaken,
dan wel tot het te haren behoeve maken van een beding in een of meer
zodanige vervoerovereenkomsten.
Artikel 61
1.Voor zover de expediteur de
overeenkomst tot het sluiten waarvan hij zich verbond, zelf uitvoert,
wordt hij zelf aangemerkt als de vervoerder uit die overeenkomst.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 62
1.Indien de zaken niet zonder
vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij
ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur, voor zover hij een
vervoerovereenkomst die hij met een ander zou sluiten, zelf uitvoerde,
verplicht zulks onverwijld aan de opdrachtgever die hem kennis gaf van
de schade mede te delen.
2.Doet de expediteur de in het eerste
lid bedoelde mededeling niet, dan is hij, wanneer hij daardoor niet
tijdig als vervoerder is aangesproken, naast vergoeding van de schade
die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding, die
hij zou hebben moeten voldoen, wanneer hij wel tijdig als vervoerder
zou zijn aangesproken.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 63
1.Indien de zaken niet zonder
vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij
ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur voor zover hij de
vervoerovereenkomst, welke hij met een ander zou sluiten, niet zelf
uitvoerde, verplicht de opdrachtgever onverwijld te doen weten welke
vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering van zijn verbintenis aanging.
Hij is tevens verplicht de opdrachtgever alle documenten en gegevens
ter beschikking te stellen, waarover hij beschikt of die hij
redelijkerwijs kan verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen
tot verhaal van opgekomen schade.
2.De opdrachtgever verkrijgt jegens
degeen, met wie de expediteur heeft gehandeld, van het ogenblik af,
waarop hij de expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij hen wil
uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn
toegekomen, wanneer hij zelf als afzender de overeenkomst zou hebben
gesloten. Hij kan ter zake in rechte optreden, wanneer hij overlegt
een door de expediteur - of in geval van diens faillissement door
diens curator - af te geven verklaring, dat tussen hem en de
expediteur ten aanzien van de zaken een overeenkomst tot het doen
vervoeren daarvan werd gesloten. Indien ten aanzien van de expediteur
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is,
geeft de bewindvoerder de verklaring af, tenzij de overeenkomst tot
het doen vervoeren tot stand is gekomen na de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3.Komt de expediteur een verplichting
als in het eerste lid bedoeld niet na, dan is hij, naast vergoeding
van de schade die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding die de
opdrachtgever van hem had kunnen verkrijgen, wanneer hij de
overeenkomst die hij sloot, zelf had uitgevoerd, verminderd met de
schadevergoeding die de opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder
verkreeg.
4.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 64
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de
overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de
overeengekomen plaats en tijd ter beschikking zijn.
Artikel 65
1.Alvorens zaken ter beschikking zijn
gesteld, is de opdrachtgever bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij
is verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze ten gevolge
van de opzegging lijdt.
2.De opzegging geschiedt door
schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan.
Artikel 66
1.De opdrachtgever is verplicht de
expediteur omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
expediteur van belang zijn, tenzij hij mag aannemen, dat de expediteur
deze gegevens kent.
2.De expediteur is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
Artikel 67
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten,
die van de zijde van de opdrachtgever voor het uitvoeren van de opdracht
vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig
zijn.
Artikel 68
1.Wanneer vóór of bij de
terbeschikkingstelling van de zaken omstandigheden aan de zijde van
een der partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij
bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die,
indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar
grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door
schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 69
1.De expediteur is gerechtigd afgifte
van zaken of documenten, die hij in verband met de overeenkomst onder
zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
overeenkomst tot doen vervoeren recht heeft op aflevering daarvan,
tenzij daarop beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De expediteur kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken of documenten, die hij in verband met de
overeenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem terzake van de
overeenkomst door zijn opdrachtgever verschuldigd is of zal worden.
Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van
rembours op de zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de
expediteur is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en
voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld. De expediteur behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden
voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3.De in dit artikel aan de expediteur
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak of het document onder zich kreeg, reden
had te twijfelen aan de bevoegdheid van de opdrachtgever jegens die
derde hem die zaak of dat document ter beschikking te stellen.
Artikel 70
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan wel een
zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt afgeleverd in de staat,
waarin zij ter beschikking is gesteld, is de expediteur, die te dier
zake door zijn wederpartij buiten overeenkomst wordt aangesproken,
jegens deze niet verder aansprakelijk dan hij dit zou zijn op grond van
de door hen gesloten overeenkomst tot het doen vervoeren van die zaak.
Artikel 71
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan wel een
zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt afgeleverd in de staat,
waarin zij ter beschikking is gesteld, is de expediteur, die te dier
zake buiten overeenkomst wordt aangesproken, behoudens de artikelen 361
tot en met 366, artikel 880 en artikel 1081, niet verder aansprakelijk
dan hij dit zou zijn tegenover zijn opdrachtgever.
Artikel 72
Indien een vordering, als genoemd in het
vorige artikel, buiten overeenkomst wordt ingesteld tegen een
ondergeschikte van de expediteur, dan is deze ondergeschikte, mits hij
de schade veroorzaakte in de werkzaamheden, waartoe hij werd gebruikt,
niet verder aansprakelijk dan een dergelijke expediteur, die hem tot
deze werkzaamheden gebruikte, dit op grond van het vorige artikel zou
zijn.
Artikel 73
Het totaal van de bedragen, verhaalbaar
op de expediteur, al dan niet gezamenlijk met het bedrag, verhaalbaar op
de wederpartij van degene die de vordering instelt, en hun
ondergeschikten mag, behoudens in geval van schade ontstaan uit eigen
handeling of nalaten van de aangesprokene, geschied hetzij met het opzet
die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet overtreffen het
totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen overeenkomst is
verschuldigd.
Afdeling 4. Overeenkomst van
personenvervoer
Artikel 80
1.De overeenkomst van personenvervoer
is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich
tegenover de andere partij verbindt een of meer personen (reizigers)
te vervoeren.
2.De overeenkomst van personenvervoer
als omschreven in artikel 100 is geen overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze afdeling.
Artikel 81
De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel in verband met het vervoer aan de
reiziger overkomen.
Artikel 82
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door dood of letsel, voor zover deze dood of dit
letsel is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een
vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2.De vervoerder kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel van de reiziger
veroorzaakt te ontheffen, beroep doen op de gebrekkigheid of het
slecht functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal waarvan
hij zich voor het vervoer bedient.
Artikel 83
Indien de vervoerder bewijst, dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel
of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 84
Nietig is ieder voor het aan de reiziger
overkomen voorval gemaakt beding waarbij de ingevolge artikel 81 op de
vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt verminderd op
andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 85
1.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
2.De aansprakelijkheid van de
vervoerder is in geval van dood of letsel van de reiziger beperkt tot
een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag
of bedragen.
Artikel 86
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger,
door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.
Artikel 87
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het
vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn.
Artikel 88
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de
reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de
reiziger uit het vervoermiddel te verwijderen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de
vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 89
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar
voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst
niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 90
1.De wederpartij van de vervoerder is
steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die deze ten gevolge van de
opzegging lijdt.
2.Zij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer daardoor de reis van het vervoermiddel zou worden vertraagd.
3.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 91
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 92
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
personenvervoer.
Afdeling 5. Overeenkomst tot binnenlands
openbaar personenvervoer
Artikel 100
1.De overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer,
waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij
verbindt aan boord van een vervoermiddel, geen luchtvaartuig noch
luchtkussenvoertuig zijnde, een of meer personen (reizigers) en al dan
niet hun handbagage binnen Nederland hetzij over spoorwegen hetzij op
andere wijze en dan volgens een voor een ieder kenbaar schema van
reismogelijkheden (dienstregeling) te vervoeren. Tijd- of
reisbevrachting is, voor zover het niet betreft vervoer over
spoorwegen, geen overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze
afdeling.
2.Als vervoerder in de zin van deze
afdeling wordt tevens beschouwd de instantie die op een mogelijkerwijs
afgegeven vervoerbewijs is vermeld. Wordt enig vervoerbewijs afgegeven
dan zijn de artikelen 56, tweede lid, 75, eerste lid en 186, eerste
lid van boek 2 niet van toepassing.
3.In deze afdeling wordt onder
handbagage verstaan de bagage met inbegrip van levende dieren, die de
reiziger als gemakkelijk mee te voeren, draagbare dan wel met de hand
verrijdbare zaken op of bij zich heeft.
4.Bij algemene maatregel van bestuur,
die voor ieder vervoermiddel onderling verschillende bepalingen kan
bevatten, kunnen zaken, die geen handbagage zijn, voor de toepassing
van bepalingen van deze afdeling als handbagage worden aangewezen, dan
wel bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden verklaard
op zaken, die handbagage zijn.
Artikel 101
1.Indien een of meer vervoerders zich
bij een en dezelfde overeenkomst verbinden tot vervoer met onderling
al dan niet van aard verschillende vervoermiddelen, gelden voor ieder
deel van het vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
2.Indien een voertuig dat voor het
vervoer wordt gebezigd aan boord van een schip wordt vervoerd, gelden
voor dat deel van het vervoer de op het vervoer te water toepasselijke
rechtsregelen, met dien verstande echter dat de vervoerder zich niet
kan beroepen op lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de
bestuurder van het voertuig die in de tijd, dat de reiziger aan boord
daarvan was, tot schade leidden.
3.Bij de overeenkomst waarbij de ene
partij zich bij een en dezelfde overeenkomst tegenover de andere
partij verbindt deels tot het vervoer van personen als bedoeld in
artikel 100, deels tot ander vervoer, gelden voor ieder deel van het
vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 102
1.Vervoer van personen omvat
uitsluitend de tijd dat de reiziger aan boord van het vervoermiddel
is, daarin instapt of daaruit uitstapt.
2.Vervoer van personen per schip omvat
bovendien de tijd dat de reiziger te water wordt vervoerd tussen wal
en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht
is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door de
vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld. Het omvat
echter niet de tijd dat de reiziger verblijft op een ponton, een
steiger, een veerstoep of enig ander schip, dat ligt tussen de wal en
het schip aan boord waarvan hij vervoerd zal worden of werd, in een
stationsgebouw, op een kade of enige andere haveninstallatie.
Artikel 103
1.Vervoer van handbagage omvat
uitsluitend de tijd dat deze aan boord van het vervoermiddel is,
daarin wordt ingeladen of daaruit wordt uitgeladen, alsmede de tijd
dat zij onder de hoede van de vervoerder is.
2.Vervoer van handbagage per schip
omvat bovendien de tijd dat de handbagage te water wordt vervoerd
tusen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in
de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip
door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld. Het
omvat echter niet de tijd dat de handbagage zich bevindt op een
ponton, een steiger, een veerstoep of enig ander schip, dat ligt
tussen de wal en het schip aan boord waarvan zij vervoerd zal worden
of werd, in een stationsgebouw, op een kade of enige andere
haveninstallatie, tenzij zij zich daar onder de hoede van de
vervoerder bevindt.
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 105
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger ten gevolge van
een ongeval dat in verband met en tijdens het vervoer aan de reiziger
is overkomen.
2.In afwijking van het eerste lid is de
vervoerder niet aansprakelijk, voor zover het ongeval is veroorzaakt
door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet
heeft kunnen verhinderen.
3.Lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig alsmede
gebrekkigheid of slecht functioneren van het vervoermiddel of van het
materiaal, waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden
aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een ander
vervoermiddel aan boord waarvan het vervoermiddel zich bevindt.
4.Bij de toepassing van het tweede lid
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het ongeval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
5.In geval van vervoer over spoorwegen
worden de beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer
wordt verricht, beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder
bij de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder zich bij
het vervoer bedient.
Artikel 106
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel
beschadiging van handbagage of van een als bagage ten vervoer
aangenomen voertuig of schip en de zaken aan boord daarvan, voor zover
dit verlies of deze beschadiging is ontstaan tijdens het vervoer en is
veroorzaakt
a. door een aan de reiziger
overkomen ongeval dat voor rekening van de vervoerder komt, of
b. door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een
vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig alsmede
gebrekkigheid of slecht functioneren van het vervoermiddel of van het
materiaal waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een ander
vervoermiddel aan boord waarvan het vervoermiddel zich bevindt.
3.Bij de toepassing van het eerste lid
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid die mede tot het voorval leidde voor
rekening van de vervoerder is.
4.In geval van vervoer over spoorwegen
worden de beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer
wordt verricht, beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder
bij de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder zich voor
het vervoer bedient.
5.Dit artikel laat de artikelen 545 en
1006 onverlet.
Artikel 107
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord van het vervoermiddel gebrachte zaken, die hij,
indien hij hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan boord van het
vervoermiddel zou hebben toegelaten en waarvoor hij geen bewijs van
ontvangst heeft afgegeven, geen enkele schadevergoeding verschuldigd
indien de reiziger wist of behoorde te weten dat de vervoerder de zaken
niet ten vervoer zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan
aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de vervoerder
voortvloeiend uit de aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 108
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook
vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden, dan wel is veroorzaakt
door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.
Artikel 109
1.Indien de vervoerder bewijst, dat
schuld of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder
daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
2.Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op
verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet
is verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in opdracht van de
reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 110
1.De in deze afdeling bedoelde
aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen.
2.Dit artikel laat de titels 7 en 12
van dit boek onverlet.
Artikel 111
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 112
Nietig is ieder vóór het aan de
reiziger overkomen ongeval, of vóór het verlies of de beschadiging van
handbagage of van als bagage ten vervoer aangenomen vaartuig of schip en
de zaken aan boord daarvan, gemaakt beding, waarbij de ingevolge de
artikelen 105 en 106 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is
voorzien.
Artikel 113
1.In geval van verlies of beschadiging
van handbagage wordt de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd
naar de omstandigheden.
2.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
Artikel 114
1.Onverminderd artikel 107 en
onverminderd artikel 179 van Boek 6 is de reiziger aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door zijn handeling of nalaten, dan wel door zijn
handbagage of een als bagage aangenomen voertuig of schip en de zaken
aan boord daarvan.
2.In afwijking van het eerste lid is de
reiziger niet aansprakelijk, voor zover de schade is veroorzaakt door
een omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen daarvan niet
heeft kunnen verhinderen.
3.De hoedanigheid of een gebrek van
zijn handbagage, of een als bagage aangenomen vaartuig of schip en de
zaken aan boord daarvan, wordt aangemerkt als een omstandigheid die
een zorgvuldig reiziger heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een
reiziger de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
4.De schade wordt aangemerkt het door
de vervoerder naar zijn redelijk oordeel vast te stellen bedrag te
belopen, doch indien de vervoerder meent dat de schade meer dan €
227 beloopt moet hij zulks bewijzen.
Artikel 115
Behoeft deze afdeling in het belang van
een goede uitvoering ervan nadere regeling, dan geschiedt dit bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 116
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 en 1081 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 116a
De beheerder van de
spoorweginfrastructuur en een andere spoorwegonderneming die dezelfde
spoorweginfrastructuur gebruikt, kunnen zich beroepen op de artikelen
365 en 366 op dezelfde voet als de daar bedoelde ondergeschikten dit
kunnen.
Afdeling 6. Overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen
Artikel 120
De overeenkomst van gecombineerd vervoer
van personen is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst verbindt dat het vervoer deels over zee, over
binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht dan wel door
middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden.
Artikel 121
Bij een overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat
deel toepasselijke rechtsregelen.
II. Zeerecht
Titel 3. Het zeeschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het zeeschip
Artikel 160
1.Indien een zeeschip blijkens de
openbare registers bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan
twee of meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een rederij, indien
zulks uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en deze akte in die
registers is ingeschreven.
2.De rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 161
Iedere mede-eigenaar is van rechtswege
lid der rederij. Wanneer een lid ophoudt eigenaar te zijn, eindigt zijn
lidmaatschap van rechtswege.
Artikel 162
De leden der rederij moeten zich jegens
elkander gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid
wordt gevorderd.
Artikel 163
In iedere rederij kan een boekhouder
worden aangesteld. Een vennootschap is tot boekhouder benoembaar.
Artikel 164
De boekhouder kan slechts met toestemming
van de leden der rederij overgaan tot enige buitengewone herstelling van
het schip of tot benoeming of ontslag van een kapitein.
Artikel 165
De boekhouder geeft aan ieder lid der
rederij op diens verlangen kennis en opening van alle aangelegenheden de
rederij betreffende en inzage van alle boeken, brieven en documenten, op
zijn beheer betrekking hebbende.
Artikel 166
De boekhouder is verplicht, zo dikwijls
een terzake mogelijk bestaand gebruik dit medebrengt, doch in ieder
geval telkens na verloop van een jaar en bij het einde van zijn beheer,
binnen zes maanden aan de leden der rederij rekening en verantwoording
te doen van zijn beheer met overlegging van alle bewijsstukken daarop
betrekking hebbende. Hij is verplicht aan ieder van hen uit te keren wat
hem toekomt.
Artikel 167
Ieder lid der rederij is verplicht de
rekening en verantwoording van de boekhouder binnen drie maanden op te
nemen en te sluiten.
Artikel 168
De goedkeuring der rekening en
verantwoording door de meerderheid van de leden der rederij bindt
slechts hen, die daartoe hebben medegewerkt, behoudens dat zij ook een
lid dat aan de rekening en verantwoording niet heeft medegewerkt bindt,
wanneer dit lid nalaat de rekening en verantwoording in rechte te
betwisten binnen één jaar, nadat hij daarvan heeft kunnen kennis nemen
en nadat de goedkeuring door de meerderheid hem schriftelijk is
medegedeeld.
Artikel 169
De betrekking van de boekhouder eindigt,
indien over hem een provisionele bewindvoerder is benoemd, hij onder
curatele is gesteld, terzake van krankzinnigheid in een gesticht is
geplaatst, in staat van faillissement is verklaard of indien ten aanzien
van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is verklaard.
Artikel 170
1.Is de boekhouder lid der rederij, dan
heeft hij, indien de leden zijn betrekking doen eindigen of hem een
dringende reden hebben gegeven op grond waarvan hij zijnerzijds de
betrekking doet eindigen, het recht te verlangen, dat zijn aandeel
door de overige leden wordt overgenomen tegen zodanige prijs als
deskundigen het op het tijdstip, waarop hij de overneming verlangt,
waard zullen achten. Hij heeft dit recht niet, indien hij aan de leden
der rederij een dringende reden heeft gegeven op grond waarvan zij de
betrekking doen eindigen.
2.Hij moet van zijn verlangen tot
overneming kennis geven aan de leden der rederij binnen een maand,
nadat zijn betrekking is geëindigd. Wanneer aan zijn verlangen niet
binnen een maand is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het
overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan hem is
voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden door de boekhouder
gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van
verkoop wordt door de rechter bepaald.
3.Door ieder van hen die tot de
overneming verplicht zijn, wordt van het overgenomen aandeel een
gedeelte verkregen, evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 171
1.Alle besluiten, de aangelegenheden
der rederij betreffende, worden genomen bij meerderheid van stemmen
van de leden der rederij.
2.Het kleinste aandeel geeft één
stem; ieder groter aandeel zoveel stemmen als het aantal malen, dat in
dit aandeel het kleinste begrepen is.
3.Besluiten tot
a. aanstelling van een boekhouder
die geen lid is van de rederij,
b. uitbreiding van de bevoegdheid
van de boekhouder buiten de grenzen getrokken door artikel 178
eerste lid,
c. het sluiten, voor meer dan zes
maanden, van een rompbevrachting, een tijdbevrachting of een
overeenkomst, als genoemd in artikel 531 of artikel 991,
d. ontbinding der rederij tijdens
de loop van een overeenkomst tot vervoer, van een overeenkomst
waarbij het schip ter beschikking van een ander is gesteld, of van
een ter visvangst ondernomen reis,
vereisen eenstemmigheid.
Artikel 172
Op rederijen van zeevissersschepen is
artikel 171 derde lid, onder a niet van toepassing.
Artikel 173
Indien tengevolge van staking der stemmen
de exploitatie van het schip wordt belet, kan de rechter op een binnen
twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek bevelen dat het
schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter
bepaald.
Artikel 174
1.Indien is besloten omtrent enige
buitengewone herstelling van het schip, omtrent benoeming of ontslag
van de kapitein, dan wel omtrent het aangaan van een
vervoerovereenkomst waarbij het schip ter beschikking van een ander
wordt gesteld, kan ieder lid der rederij, dat tot het besluit niet
heeft medegewerkt of daartegen heeft gestemd, verlangen dat zij die
vóór het besluit hebben gestemd, zijn aandeel overnemen tegen
zodanige prijs, als deskundigen het op het tijdstip, waarop hij de
overneming verlangt, waard zullen achten. Hij moet van zijn verlangen
tot overneming kennisgeven aan de boekhouder of, indien er geen
boekhouder is, aan hen, die voorstemden, binnen een maand nadat het
besluit te zijner kennis is gebracht. Wanneer aan zijn verlangen niet
binnen een maand is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het
overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan hem is
voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden door het lid der
rederij gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze
van verkoop wordt door de rechter bepaald.
2.Door ieder van hen die tot de
overneming verplicht zijn, wordt van het overgenomen aandeel een
gedeelte verkregen, evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 175 [Vervallen per 19-07-2006]
Artikel 176
De leden der rederij moeten naar
evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven der rederij,
waartoe bevoegdelijk is besloten.
Artikel 177
De leden der rederij delen in de winst en
het verlies naar evenredigheid van hun aandeel in het schip.
Artikel 178
1.Is een boekhouder aangesteld, dan is
hij, onverminderd artikel 360 eerste lid en met uitsluiting van ieder
lid der rederij, in alles wat de normale exploitatie van het schip
medebrengt, bevoegd voor de rederij met derden te handelen en de
rederij te vertegenwoordigen.
2.Indien de rederij in het
handelsregister is ingeschreven kunnen beperkingen van de bevoegdheid
van de boekhouder aan derden, die daarvan onkundig waren, niet worden
tegengeworpen, tenzij deze beperkingen uit dat register blijken. Is de
rederij niet in het handelsregister ingeschreven, dan kunnen
beperkingen van de bevoegdheid van de boekhouder aan derden slechts
worden tegengeworpen, wanneer hun die bekend waren.
3.De boekhouder heeft alle
verplichtingen na te komen, die de wet de reder oplegt.
Artikel 179
Indien de rederij in het handelsregister
is ingeschreven, kunnen de aanstelling van een boekhouder of het
eindigen van diens betrekking aan derden, die daarvan onkundig waren,
niet worden tegengeworpen zo lang niet inschrijving daarvan in het
handelsregister heeft plaats gehad. Is de rederij niet in het
handelsregister ingeschreven dan kunnen de aanstelling van een
boekhouder of het eindigen van diens betrekking aan derden slechts
worden tegengeworpen wanneer dit hun bekend was.
Artikel 180
1.Indien er geen boekhouder is, alsmede
in geval van ontstentenis of belet van de boekhouder, wordt de rederij
vertegenwoordigd en kan voor haar worden gehandeld door een of meer
harer leden, mits alleen of tezamen eigenaars zijnde van meer dan de
helft van het schip.
2.In de gevallen genoemd in het eerste
lid kunnen handelingen, die geen uitstel kunnen lijden, zo nodig door
ieder lid zelfstandig worden verricht en is ieder lid bevoegd ten
behoeve van de rederij verjaring te stuiten.
Artikel 181
Voor de verbintenissen van de rederij
zijn haar leden aansprakelijk, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel
in het schip.
Artikel 182
De rederij wordt niet ontbonden door de
dood van een harer leden noch door diens faillissement, het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, plaatsing ter zake van krankzinnigheid in een gesticht of
plaatsing onder curatele.
Artikel 183
Het lidmaatschap der rederij kan niet
worden opgezegd; evenmin kan een lid van het lidmaatschap der rederij
worden vervallen verklaard.
Artikel 184
Indien tot ontbinding der rederij is
besloten, moet het schip worden verkocht. Indien binnen twee maanden na
het besluit het schip nog niet is verkocht, kan de rechter op een binnen
twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek, bevelen tot deze
verkoop over te gaan. De wijze van verkoop wordt door de rechter
bepaald. Een besluit tot verkoop of een ingevolge artikel 170, artikel
173 of artikel 174 gegeven bevel tot verkoop van het schip staat gelijk
met een besluit tot ontbinding der rederij.
Artikel 185
1.Na ontbinding blijft de rederij
bestaan voor zover dit tot haar vereffening nodig is.
2.De boekhouder, zo die er is, is met
de vereffening belast.
Artikel 186
Nietig is ieder beding, waarbij wordt
afgeweken van de artikelen 161-163, 169, 170 eerste en tweede lid, 178
derde lid, 180, 182 en 183.
Afdeling 2. Rechten op zeeschepen
Artikel 190
1.In de afdelingen 2 tot en met 5 van
titel 3 worden onder schepen mede verstaan schepen in aanbouw. Onder
reder wordt mede verstaan de eigenaar van een zeeschip in aanbouw.
2.Indien een schip in aanbouw een schip
in de zin van artikel 1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw
schip.
Artikel 191
In deze afdeling wordt onder de openbare
registers verstaan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
Titel 1 van Boek 3.
Artikel 192
De in deze afdeling aan de reder
opgelegde verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer
personen, aan een vennootschap onder firma, aan een commanditaire
vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar,
beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 193 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 194
1.Teboekstelling is slechts mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
zeeschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd zeeschip:
indien het een Nederlands schip is in de zin van artikel 311 van
het Wetboek van Koophandel
- dan wel ingeval het een
zeevissersschip is: indien het is ingeschreven in een krachtens
artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden register.
2.Teboekstelling is niet mogelijk van
een zeeschip dat reeds teboekstaat in de openbare registers, hetzij
als zeeschip hetzij als binnenschip, of in enig soortgelijk
buitenlands register.
3.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een zeeschip dat in een buitenlands register
teboekstaat mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat register is doorgehaald, een Nederlands schip in de zin van
artikel 311 van het Wetboek van Koophandel zal zijn of wanneer dit
schip als zeevissersschip is ingeschreven in een krachtens artikel 3
der Visserijwet 1963 aangehouden register. Deze teboekstelling heeft
evenwel slechts rechtsgevolg, wanneer zij binnen 30 dagen is gevolgd
door aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling in
het buitenlandse register is doorgehaald, of wanneer, ingeval de
bewaarder van een buitenlands register ondanks daartoe schriftelijk
tot hem gericht verzoek doorhaling weigert, van dit verzoek en van het
feit dat er geen gevolg aan is gegeven, aantekening in de openbare
registers is geschied.
4.De teboekstelling wordt verzocht door
de reder van het zeeschip. Hij moet daarbij ter inschrijving
overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het schip voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is. Indien
het een verzoek tot teboekstelling als zeeschip in aanbouw betreft,
gaat deze verklaring vergezeld van een bewijs dat het schip in
Nederland in aanbouw is. Indien het een verzoek tot teboekstelling als
zeeschip, niet zijnde een zeeschip in aanbouw of een zeevissersschip,
betreft, gaat deze verklaring vergezeld van een door of namens Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven verklaring als bedoeld in
artikel 311a, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel. Indien het
een verzoek tot teboekstelling als zeevissersschip betreft, gaat deze
verklaring vergezeld van een bewijs dat het schip is ingeschreven in
een krachtens artikel 3 van de Visserijwet 1963 aangehouden register.
5.De teboekstelling in de openbare
registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de
voorgaande leden van dit artikel niet is voldaan.
6.Bij het verzoek tot teboekstelling
wordt woonplaats gekozen in Nederland. Deze woonplaats wordt in het
verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 195
1.De teboekstelling wordt slechts
doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in de
openbare registers als reder vermeld staat;
b. op aangifte van de reder of
ambtshalve
1°. als het schip is vergaan,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is geworden;
2°. als van het schip
gedurende 6 maanden na het laatste uitvaren of de dag, waartoe
zich de laatst ontvangen berichten uitstrekken, in het geheel
geen tijding is aangekomen, zonder dat dit aan een algemene
storing in de berichtgeving kan worden geweten;
3°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
4°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers te boek zou staan, een
binnenschip zou zijn in de zin van artikel 3 of artikel 780;
5°. als het schip niet of niet
meer de hoedanigheid van Nederlands schip heeft dan wel niet
of niet meer is ingeschreven in een krachtens artikel 3 der
Visserijwet 1963 aangehouden register. Ambtshalve doorhaling
wegens het verlies van de hoedanigheid van Nederlands schip
geschiedt uitsluitend na ontvangst van een mededeling van de
intrekking van een verklaring als bedoeld in artikel 311a,
eerste lid, van het Wetboek van Koophandel. Wanneer het schip
de hoedanigheid van Nederlands schip heeft verloren door
toewijzing na een executie buiten Nederland, dan wel de
inschrijving van het schip in een krachtens artikel 3 der
Visserijwet 1963 aangehouden register is doorgehaald, vindt
doorhaling slechts plaats, wanneer hetzij de reder, degenen
van wier recht uit een inschrijving blijkt en de beslagleggers
gelegenheid hebben gehad hun rechten op de opbrengst geldend
te maken en hun daartoe ook feitelijk de gelegenheid is
gegeven, hetzij deze personen hun toestemming tot de
doorhaling verlenen of hun vorderingen zijn voldaan.
2.In de in het eerste lid onder b
genoemde gevallen is de reder tot het doen van aangifte verplicht
binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft
voorgedaan.
3.Wanneer ten aanzien van het schip
inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden
bestaan, geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.Doorhaling geschiedt slechts na op
verzoek van de meest gerede partij verleende machtiging van de
rechter.
Artikel 196
1.Zolang de teboekstelling in de
openbare registers niet is doorgehaald heeft teboekstelling van een
zeeschip in een buitenlands register of vestiging in het buitenland
van rechten daarop, voor vestiging waarvan in Nederland inschrijving
in de openbare registers vereist zou zijn geweest, geen rechtsgevolg.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
een teboekstelling of vestiging van rechten als daar bedoeld erkend,
wanneer deze geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na de
teboekstelling van het schip in het buitenlandse register.
Artikel 197
De enige zakelijke rechten, waarvan een
in de openbare registers teboekstaand zeeschip het voorwerp kan zijn,
zijn de eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in artikel 211
en artikel 217 eerste lid onder b genoemde voorrechten.
Artikel 198 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 199
1.Een in de openbare registers
teboekstaand zeeschip is een registergoed.
2.Bij toepassing van artikel 301 van
Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89 leden 1 en 4
van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van zodanig zeeschip, kan de
in het eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de Nederlandse
rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 200 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 201
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand zeeschip worden door een bezitter te goeder trouw
verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 202
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij hypotheek
wordt verleend op een teboekstaand zeeschip of op een recht waaraan een
zodanig schip is onderworpen, duidelijk het aan de hypotheek onderworpen
schip vermeld.
Artikel 203
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die uit hoofde
van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die
toebehoren aan de reder van het schip. Artikel 266 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 204
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 210, 211, 221, 222
eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 205
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen
gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het begin van de
uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 206
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand zeeschip is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing; de
hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het schip in stand.
Artikel 207
1.De eerste twee leden van artikel 264
van Boek 3 zijn in geval van een hypotheek waaraan een teboekstaand
zeeschip is onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2.De artikelen 234 en 261 van Boek 3
zijn op een zodanige hypotheek niet van toepassing.
Artikel 208
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand zeeschip zijn de bepalingen van artikel 217 van Boek 3 mede
van toepassing op bevrachting voor zover die bepalingen niet naar hun
aard uitsluitend op pacht, huur van bedrijfsruimte of huur van
woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Voorrechten op zeeschepen
Artikel 210
1.In geval van uitwinning van een
zeeschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
tijdens deze uitwinning of verkoop, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2.In geval van verkoop van een
gestrand, onttakeld of gezonken zeeschip, dat de overheid in het
openbaar belang heeft doen opruimen, worden de kosten der
wrakopruiming uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
3.De in de vorige leden bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 210a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen
60, tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde tot
en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op zeeschepen niet van
toepassing.
Artikel 211
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn, behoudens
artikel 210, op een zeeschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt tot behoud van
het schip, daaronder begrepen de kosten van herstellingen, die
onontbeerlijk waren voor het behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden der
bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met betrekking tot
loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een
bedrag over een tijdvak van twaalf maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het schip in
avarij-grosse;
d. de vorderingen ter zake van
havengelden en maatregelen met betrekking tot een schip die
noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid van de haven of
van derden, met dien verstande dat dit voorrecht vervalt doordat het
schip een nieuwe reis aanvangt.
Artikel 212
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 211 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten ten einde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 213
1.De bevoorrechte vorderingen, genoemd
in artikel 211, nemen rang in de volgorde, waarin zij daar zijn
gerangschikt.
2.Bevoorrechte vorderingen onder
dezelfde letter vermeld, staan in rang gelijk, doch de vorderingen
genoemd in artikel 211 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 214
De voorrechten, genoemd in artikel 211,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van hun
bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren
aan de reder van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet herstelde
beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat deel van een beloning
voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van een
vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of
met pandrecht zijn bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter
niet vergoedingen welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst
van verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het risico
van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 215
1.De schuldeiser, die een voorrecht
heeft op grond van artikel 211, vervolgt zijn recht op het schip, in
wiens handen dit zich ook bevinde.
2.Voorrechten als bedoeld in artikel
211 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 216
De vorderingen genoemd in artikel 211,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de
terbeschikkingstelling van het schip aan een bevrachter, dan wel tijdens
de exploitatie van het schip door een ander dan de reder, tenzij aan
deze de feitelijke macht over het schip door een ongeoorloofde handeling
was ontnomen en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw was.
Artikel 217
1.Boven alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend, doch
na de bevoorrechte vorderingen genoemd in artikel 211, na de
hypothecaire vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen
222 en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een zeeschip,
waaronder voor de toepassing van dit artikel niet is te verstaan een
zeeschip in aanbouw, bij voorrang verhaalbaar:
a. de vorderingen, die voortvloeien
uit rechtshandelingen, die de reder of een rompbevrachter binden
en die rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of houden
van het schip, alsmede de vorderingen die tegen een uit hoofde van
artikel 461 gelezen met artikel 462 of artikel 943 gelezen met
artikel 944 als vervoerder aangemerkte persoon kunnen worden
geldend gemaakt. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 op de reder rusten;
c. de vorderingen, genoemd in
artikel 752 voor zover zij op de reder rusten.
2.De in het eerste lid genoemde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
3.De artikelen 212, 214 onder a en 216
zijn op de in het eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op
de vorderingen die in het eerste lid onder b worden genoemd, is ook
artikel 215 van toepassing.
4.Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 218
Na de vorderingen genoemd in artikel 217
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek 3, voor
zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel van deze titel,
op een zeeschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 219
1.De krachtens deze afdeling verleende
voorrechten gaan teniet door verloop van een jaar, tenzij de
schuldeiser zijn vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze
termijn begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering voor
hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van de dag volgend
op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2.Het voorrecht gaat teniet met de
vordering.
3.In geval van executoriale verkoop
gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het
proces-verbaal van verdeling wordt gesloten.
Afdeling 4. Voorrechten op zaken aan
boord van zeeschepen
Artikel 220
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 221
1.In geval van uitwinning van zaken aan
boord van een zeeschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van
bewaking daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
2.De in het eerste lid bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 222
1.Op zaken aan boord van een zeeschip
zijn de vorderingen ter zake van hulpverlening en van een bijdrage van
die zaken in avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen nemen daartoe
rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211, 221, 820, 821
en 831, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige
andere wet een voorrecht is toegekend.
2.Op ten vervoer ontvangen zaken zijn
bevoorrecht de vorderingen uit een met betrekking tot die zaken
gesloten vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder door artikel
489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt toegekend. Deze
vorderingen nemen daartoe rang na die welke zijn genoemd in het eerste
lid en in de artikelen 204 en 794, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
Artikel 223
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 222 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 224
1.De vorderingen ter zake van
hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op
grond van artikel 211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel
832 eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van
de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2.De bevoorrechte vorderingen in het
tweede lid van artikel 222 vermeld staan in rang gelijk.
3.De in artikel 284 van Boek 3 genoemde
vordering neemt rang na de in de vorige leden genoemde vorderingen,
ongeacht wanneer die vorderingen zijn ontstaan.
4.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 225
De voorrechten, genoemd in artikel 222,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor verlies
of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat deel van een
beloning voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van
een vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze schadevergoedingen
of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn
bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen,
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel 283 van
Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 226
De in artikel 222 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn alsdan
daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar op het tijdstip,
dat het voorrecht is ontstaan, niet de schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 227
1.Met de aflevering van de zaken aan de
daartoe gerechtigde gaan, behalve in het geval van artikel 559, de in
artikel 222 genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet tijdig
verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs alsmede door
gerechtelijke rangregeling.
2.Zij blijven in stand, zolang de zaken
op grond van de artikelen 490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op
grond van artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 228
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden kan het
hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende recht slechts
gedurende 48 uur na het einde van de levering uitoefenen, doch zulks ook
indien deze zaken zich bevinden in handen van de reder, een
rompbevrachter of een tijdbevrachter van het schip.
Afdeling 5. Slotbepalingen
Artikel 230
1.De afdelingen 2 tot en met 4 van
titel 3 zijn niet van toepassing op zeeschepen, welke toebehoren aan
het Rijk of enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor de
uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2.De beschikking waarbij de in het
eerste lid bedoelde bestemming is vastgesteld, kan worden ingeschreven
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek
3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing;
3.De inschrijving machtigt de bewaarder
tot doorhaling van de teboekstelling van het schip in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 231
Behoeven de in de afdelingen 2 tot en met
5 van titel 3 geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de bevoegdheid
tot regeling krachtens de Kadasterwet.
Titel 4. Bemanning van een zeeschip
Afdeling 2. Kapitein
Artikel 260
1.De kapitein is bevoegd die
rechtshandelingen te verrichten, welke rechtstreeks strekken om het
schip in bedrijf te brengen of te houden. Onder rechtshandeling is
hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
2.De kapitein is bevoegd cognossementen
af te geven voor zaken, die ten vervoer zijn ontvangen en aangenomen
en passagebiljetten af te geven voor met het schip te vervoeren
reizigers. Tevens is hij bevoegd namens de reder en de rechthebbenden
op de zaken aan boord van het schip een overeenkomst omtrent
hulpverlening te sluiten alsmede om het hulploon of de bijzondere
vergoeding te innen.
Artikel 261
1.De kapitein is verplicht voor de
belangen van de bevrachters en van de rechthebbenden op de aan boord
zijnde zaken, zo mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de
maatregelen, die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.Indien het noodzakelijk is onverwijld
ter behartiging van deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is
de kapitein daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3.Voor zover mogelijk geeft hij van
bijzondere voorvallen terstond kennis aan de belanghebbenden bij de
betrokken goederen en handelt hij in overleg met hen en volgens hun
orders.
Artikel 262
1.Beperkingen van de wettelijke
bevoegdheid van de kapitein gelden tegen derden slechts wanneer die
hun bekend zijn gemaakt.
2.De kapitein verbindt zichzelf slechts
dan, wanneer hij de grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 5. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 360
1.De reder is naast een rompbevrachter
met deze hoofdelijk aansprakelijk uit een deze laatste bindende
rechtshandeling, die rechtstreeks strekt tot het in bedrijf brengen of
houden van het schip. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
indien aan degeen, met wie de daar genoemde rechtshandeling wordt
verricht, kenbaar is gemaakt, dat de rompbevrachter de reder niet
vermag te binden dan wel deze derde wist, of zonder eigen onderzoek
moest weten, dat het in het eerste lid bedoelde doel werd
overschreden.
3.Het eerste lid is niet van toepassing
ten aanzien van vervoerovereenkomsten, overeenkomsten tot het
verrichten van arbeid met de bemanning aangegaan en overeenkomsten als
genoemd in afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van titel 10.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing, wanneer aan de reder de feitelijke macht over het schip
door een ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de
schuldeiser niet te goeder trouw was.
5.Hij, die loodsgelden, kanaal- of
havengelden dan wel andere scheepvaartrechten voldoet ten behoeve van
de reder, een rompbevrachter, een tijdbevrachter of de kapitein dan
wel enige andere schuldenaar daarvan, wordt van rechtswege
gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van deze vorderingen.
Artikel 361
1.Onder "exploitatie-overeenkomsten"
worden verstaan: de bevrachtingen van het schip en de overeenkomsten
tot vervoer van zaken of personen met het schip.
2.Onder "keten der
exploitatie-overeenkomsten" worden verstaan: de
exploitatie-overeenkomsten gerangschikt:
a. wat betreft bevrachtingen: te
beginnen met een mogelijkerwijs aangegane rompbevrachting en
vervolgens in de volgorde, waarin de bevrachters hun bevoegdheid
over het schip te beschikken van elkaar afleiden.
b. wat betreft
vervoerovereenkomsten, die geen bevrachting zijn: te beginnen met
de vervoerovereenkomst aangegaan door een vervoerder, die de
beschikking heeft over het schip of een gedeelte daarvan, en te
eindigen met de vervoerovereenkomst aangegaan tussen een
vervoerder met het schip en zijn wederpartij, die niet wederom op
haar beurt vervoerder met het schip is.
3.Voor de toepassing van de artikelen
361 tot en met 366 wordt een reiziger aangemerkt als partij bij de te
zijnen aanzien gesloten vervoerovereenkomst.
4.In de artikelen 361 tot en met 366
worden onder beschadiging mede begrepen niet-aflevering, geheel of
gedeeltelijk verlies, waardevermindering en vertraagde aflevering en
wordt onder letsel mede begrepen vertraagde ontscheping.
Artikel 362
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst door haar wederpartij daarbij terzake van een
bij de exploitatie van het schip ontstane schade buiten overeenkomst
wordt aangesproken, dan is zij jegens die wederpartij niet verder
aansprakelijk dan zij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten
overeenkomst.
Artikel 363
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst terzake van een bij de exploitatie van het
schip ontstane schade buiten overeenkomst wordt aangesproken door een
andere partij bij een dusdanige overeenkomst, dan is zij tegenover deze
niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn als ware zij wederpartij
bij de exploitatie-overeenkomst, die is aangegaan door degeen die haar
aanspreekt en die in de keten der exploitatie-overeenkomsten tussen haar
en deze laatste ligt.
Artikel 364
1.Wordt een reder of een bevrachter van
een schip, dan wel een vervoerder met een schip terzake van dood of
letsel van een persoon of terzake van beschadiging van een zaak,
buiten overeenkomst aangesproken door iemand die geen partij is bij
een exploitatie-overeenkomst, dan is hij tegenover deze niet verder
aansprakelijk dan hij uit overeenkomst zou zijn.
2.Was met betrekking tot de persoon of
zaak een vervoerovereenkomst afgesloten en is de schade ontstaan in
het tijdvak waarin een vervoerder met het schip als zodanig daarvoor
aansprakelijk is, dan geldt als overeenkomst, bedoeld in lid 1, de
laatste in de keten der exploitatie-overeenkomsten met betrekking tot
die persoon of zaak aangegaan.
3.Was de persoon of zaak aan boord van
het schip op grond van een overeenkomst met een partij bij een
exploitatie-overeenkomst, doch is het vorige lid niet van toepassing,
dan geldt de eerst bedoelde overeenkomst als overeenkomst bedoeld in
lid 1.
4.Was de persoon of zaak buiten
overeenkomst aan boord, dan geldt een vervoerovereenkomst als
overeenkomst bedoeld in lid 1.
5.De aansprakelijkheid bedoeld in lid
1, is voor de toepassing van de leden 2 en 4 die van een vervoerder,
en voor de toepassing van lid 3 die van de aldaar genoemde partij.
Artikel 365
Wordt een vordering als genoemd in de
artikelen 362 tot en met 364 buiten overeenkomst ingesteld tegen een
ondergeschikte van een partij bij een exploitatieovereenkomst en kan die
partij ter afwering van haar aansprakelijkheid voor de gedraging van de
ondergeschikte een verweermiddel jegens de eiser ontlenen aan de
overeenkomst waardoor haar aansprakelijkheid in gevolge die artikelen
wordt beheerst, dan kan ook de ondergeschikte dit verweermiddel
inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.
Artikel 366
Het totaal van de bedragen verhaalbaar op
een derde, die partij is bij een exploitatie-overeenkomst, en zijn
ondergeschikten, al dan niet gezamenlijk met het bedrag verhaalbaar op
de wederpartij van degeen, die de in de artikelen 363 of 364 genoemde
vordering instelde en haar ondergeschikten, mag, behoudens in geval van
schade ontstaan uit eigen handeling of nalaten van de aangesprokene,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien, niet overtreffen het totaal, dat op grond van de door hen
ingeroepen overeenkomst is verschuldigd.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over zee
Artikel 370
1.De overeenkomst van goederenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt aan
boord van een schip zaken uitsluitend over zee te vervoeren.
2.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart,
wordt als vervoer over zee beschouwd, tenzij het varen van dit schip
over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over binnenwateren,
in welk geval dit varen als varen over binnenwateren wordt beschouwd.
3.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze
beide wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over zee voor
zover, met inachtneming tevens van het tweede lid van dit artikel, het
varen van het beweegkracht overbrengende schip als varen over zee
wordt beschouwd. Voor zover dit niet het geval is, wordt het als
vervoer over binnenwateren beschouwd.
4.Deze afdeling is niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoer van poststukken ter uitvoering van
de universele postdienst bedoeld in de Postwet 2009 of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van artikel 510 is
deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren
van bagage.
Artikel 371
1.Onder gewijzigd Verdrag wordt in dit
artikel verstaan het Verdrag van 25 augustus 1924 ter vaststelling van
enige eenvormige regelen betreffende het cognossement (Trb. 1953, 109)
met inbegrip van de bepaling voorkomend in onderdeel 1 van het daarbij
behorende Protocol van ondertekening, zoals dat Verdrag is gewijzigd
bij het te Brussel op 23 februari 1968 ondertekende Protocol (Trb.
1979, 26) en als verder gewijzigd bij het te Brussel op 21 december
1979 ondertekende Protocol (Trb. 1985, 122).
2.Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder verdragsstaat verstaan een staat, welke partij is bij het
gewijzigd Verdrag.
3.De artikelen 1 tot en met 9 van het
gewijzigd Verdrag worden toegepast op elk cognossement, dat betrekking
heeft op vervoer van zaken tussen havens in twee verschillende staten,
indien:
a. het cognossement is uitgegeven
in een verdragsstaat, of
b. het vervoer plaats vindt vanuit
een haven in een verdragsstaat, of
c. de overeenkomst, die in het
cognossement is vervat of daaruit blijkt, bepaalt, dat op die
overeenkomst toepasselijk zijn de bepalingen van het gewijzigd
Verdrag of van enigerlei wetgeving, welke die verdragsbepalingen
van kracht verklaart of in andere vorm of bewoordingen heeft
overgenomen, ongeacht de nationaliteit van het schip, de
vervoerder, de afzender, de geadresseerde of van iedere andere
betrokken persoon.
Artikel 372
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 373
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij
daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender.
2.Onder "vervrachter" is in
deze afdeling de in het eerste lid genoemde vervoerder, onder
"bevrachter" de aldaar genoemde afzender te verstaan.
Artikel 374
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip,
anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van toepassing.
Artikel 375
1.Bij eigendomsovergang van een tevoren
vervracht, al dan niet teboekstaand, schip op een derde volgt deze in
alle rechten en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
2.Rechten en verplichtingen, welke
vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde
niet over.
Artikel 376 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 377
In deze titel wordt onder
vervoerovereenkomst onder cognossement verstaan de vervoerovereenkomst
neergelegd in een cognossement dan wel enig soortgelijk document dat een
titel vormt voor het vervoer van zaken over zee; eveneens wordt er onder
verstaan de vervoerovereenkomst neergelegd in een cognossement of
soortgelijk document als genoemd, dat is uitgegeven uit hoofde van een
charterpartij, van het ogenblik af waarop dit cognossement of
soortgelijk document de verhouding tussen de vervoerder en de houder van
het cognossement beheerst.
Artikel 378
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat, waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 379
Onverminderd artikel 378 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
Artikel 380
1.In geval van tijdbevrachting is de
vervrachter verplicht de kapitein opdracht te geven binnen de grenzen
door de overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te volgen.
De vervrachter staat er voor in, dat de kapitein de hem gegeven
opdracht nakomt.
2.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip de plekken of plaatsen, waarheen hij het ter inlading,
lossing of anderszins op grond van het eerste lid beveelt te gaan,
veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze plekken of
plaatsen blijken niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter
slechts in zoverre niet aansprakelijk als de kapitein, door de hem
gegeven orders op te volgen, onredelijk handelde.
3.Onverminderd artikel 461 wordt de
bevrachter mede verbonden door en kan hij rechten ontlenen aan een
rechtshandeling, die de kapitein ingevolge het eerste lid van dit
artikel verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen
van een verklaring begrepen.
Artikel 381
1.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is de vervoerder verplicht vóór en bij de aanvang van
de reis redelijke zorg aan te wenden voor:
a. het zeewaardig maken van het
schip;
b. het behoorlijk bemannen,
uitrusten en bevoorraden van het schip;
c. het geschikt maken en in goede
staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere
delen van het schip, waarin zaken worden geladen, om deze daarin
te bergen, te vervoeren en goed te houden.
2.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is de vervoerder, behoudens de artikelen 383, 388, 414
vierde lid en 423, verplicht de zaken behoorlijk en zorgvuldig te
laden, te behandelen, te stuwen, te vervoeren, te bewaren, te
verzorgen en te lossen.
Artikel 382
1.Nietig is ieder beding in een
vervoerovereenkomst onder cognossement, waardoor de vervoerder of het
schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of
beschadiging van of met betrekking tot zaken voortvloeiende uit
nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de
verplichtingen in de artikelen 381, 399, 411, 414 eerste lid, 492, 493
of in artikel 1712 voorzien of waardoor deze aansprakelijkheid mocht
worden verminderd op andere wijze dan in deze afdeling of in de
artikelen 361 tot en met 366 is voorzien. Een beding, krachtens
hetwelk de uitkering op grond van een gesloten verzekering aan de
vervoerder komt of elk ander beding van dergelijke strekking, wordt
aangemerkt als te zijn gemaakt teneinde de vervoerder van zijn
aansprakelijkheid te ontheffen.
2.Niettegenstaande het eerste lid is
een beding, als daar genoemd, geldig mits het betreft:
a. een geoorloofd beding omtrent
avarij-grosse;
b. levende dieren;
c. zaken, die feitelijk op het dek
worden vervoerd mits deze in het cognossement als deklading zijn
opgegeven.
Artikel 383
1.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is noch de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor
verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan uit onzeewaardigheid,
tenzij deze is te wijten aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde
van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk te
bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en
vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin de zaken worden
geladen, geschikt te maken en in goede staat te brengen, zodat zij
kunnen dienen tot het bergen, het vervoeren en het bewaren van de
zaken, alles overeenkomstig het eerste lid van artikel 381. Telkens
als verlies of schade is ontstaan uit onzeewaardigheid, rust de
bewijslast ten aanzien van het aangewend zijn van de redelijke zorg op
de vervoerder of op iedere andere persoon, die mocht beweren krachtens
dit artikel van aan sprakelijkheid te zijn ontheven.
2.Onder een vervoerovereenkomst al dan
niet onder cognossement is noch de vervoerder noch het schip
aansprakelijk voor verlies of schade ontstaan of voortgevloeid uit:
a. een handeling, onachtzaamheid of
nalatigheid van de kapitein, een ander lid van de bemanning, de
loods of ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de
navigatie of de behandeling van het schip;
b. brand, tenzij veroorzaakt door
de persoonlijke schuld van de vervoerder;
c. gevaren, onheilen en ongevallen
van de zee of andere bevaarbare wateren;
d. een natuurgebeuren;
e. oorlogshandelingen;
f. een daad van vijanden van de
staat;
g. aanhouding of maatregelen van
hogerhand of gerechtelijk beslag;
h. maatregelen van quarantaine;
i. een handeling of een nalaten van
de afzender of eigenaar der zaken of van hun agent of
vertegenwoordiger;
j. werkstakingen of uitsluitingen
of stilstand of belemmering van de arbeid, tengevolge van welke
oorzaak dan ook, hetzij gedeeltelijk hetzij geheel;
k. oproer of onlusten;
l. redding of poging tot redding
van mensenlevens of goederen op zee;
m. verlies aan volume of gewicht of
enig ander verlies, of enige andere schade, ontstaan uit een
verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek van de
zaak;
n. onvoldoende verpakking;
o. onvoldoende of gebrekkige
merken;
p. verborgen gebreken, die ondanks
een redelijke zorg niet te ontdekken waren;
q. enige andere oorzaak, niet
voortgevloeid uit de persoonlijke schuld van de vervoerder, noch
uit schuld of nalatigheid van zijn agenten of ondergeschikten;
doch de bewijslast rust op degeen, die zich op deze ontheffing
beroept, en het staat aan hem aan te tonen, dat noch zijn
persoonlijke schuld, noch de nalatigheid of schuld van zijn
agenten of ondergeschikten heeft bijgedragen tot het verlies of de
schade.
3.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is de afzender niet aansprakelijk voor door de vervoerder
of het schip geleden verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan
uit welke oorzaak dan ook, zonder dat er is een handeling, schuld of
nalatigheid van hem, van zijn agenten of van zijn ondergeschikten.
4.Generlei afwijking van de koers tot
redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en
generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een
schending van enige vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet
aansprakelijk voor enig verlies of enige schade daardoor ontstaan.
5.Het staat de afzender vrij
aansprakelijkheid aan te tonen voor verlies of schade ontstaan of
voortgevloeid uit de schuld van de vervoerder zelf of de schuld van
zijn ondergeschikten, niet bestaande uit een handeling, onachtzaamheid
of nalatigheid als in het tweede lid onder a bedoeld.
Artikel 384
Het staat de vervoerder vrij geheel of
gedeeltelijk afstand te doen van zijn uit de in het eerste lid van
artikel 382 genoemde artikelen of uit de artikelen 383, 388, 414 vierde
lid of 423 voortvloeiende rechten en ontheffingen van aansprakelijkheid
of zijn uit deze artikelen voortvloeiende aansprakelijkheden en
verplichtingen te vermeerderen, mits in geval van een
vervoerovereenkomst onder cognossement deze afstand of deze
vermeerdering blijkt uit het aan de afzender afgegeven cognossement.
Artikel 385
Niettegenstaande het eerste lid van
artikel 382 is een beding als daar bedoeld geldig, wanneer het betreft
zaken, die door hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen en welker vervoer moet geschieden onder omstandigheden of
op voorwaarden, die een bijzondere overeenkomst rechtvaardigen. Het hier
bepaalde geldt echter slechts, wanneer voor het vervoer van deze zaken
geen cognossement, doch een blijkens zijn bewoordingen onverhandelbaar
document is afgegeven en het niet betreft een gewone handelslading,
verscheept bij gelegenheid van een gewone handelsverrichting.
Artikel 386
Niettegenstaande het eerste lid van
artikel 382 staat het de vervoerder en de afzender vrij in een
vervoerovereenkomst enig beding, enige voorwaarde, enig voorbehoud of
enige ontheffing op te nemen met betrekking tot de verplichtingen en
aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip voor het verlies of de
schaden opgekomen aan de zaken of betreffende hun bewaring, verzorging
of behandeling vóór het laden in en na het lossen uit het over zee
vervoerende schip.
Artikel 387
Voor zover de vervoerder aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 378 en 379
rustende verplichtingen, heeft de afzender geen ander recht dan betaling
van de in artikel 388 genoemde of de met toepassing van artikel 384
overeengekomen bedragen te vorderen.
Artikel 388
1.Tenzij de aard en de waarde van zaken
zijn opgegeven door de afzender vóór hun inlading en deze opgave in
het cognossement, indien dit is afgegeven, is opgenomen, is noch de
vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk voor enig
verlies van of enige schade aan de zaken of met betrekking tot deze
voor een bedrag hoger dan de tegenwaarde van 666,67 rekeneenheden per
collo of eenheid, dan wel twee rekeneenheden per kilogram brutogewicht
der verloren gegane of beschadigde zaken, waarbij het hoogste dezer
bedragen in aanmerking moet worden genomen.
2.Het totale verschuldigde bedrag wordt
berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd. De in
dit lid genoemde waarde wordt berekend naar de koers op de
goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is, naar de
gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt, naar de normale
waarde van zaken van dezelfde aard en hoedanigheid.
3.Wanneer een laadkist, een laadbord of
dergelijk vervoergerei is gebezigd om zaken bijeen te brengen, wordt
iedere collo of eenheid, die volgens vermelding in het cognossement in
dat vervoergerei is verpakt, beschouwd als een collo of eenheid als in
het eerste lid bedoeld. Behalve in het geval hiervoor omschreven wordt
dit vervoergerei als een collo of eenheid beschouwd.
4.De rekeneenheid genoemd in dit
artikel is het bijzondere trekkingsrecht zoals dat is omschreven door
het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in het eerste
lid worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers van de dag,
waarop de betaling wordt verricht. De waarde van het Nederlandse geld,
uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de
dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en
transacties.
5.Noch de vervoerder noch het schip kan
zijn aansprakelijkheid met een beroep op dit artikel of het vierde lid
van artikel 414 beperken, wanneer bewezen is, dat de schade is
ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder, geschied
hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6.Bij overeenkomst tussen de
vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder enerzijds en de
afzender anderzijds, mogen andere maximumbedragen dan die, genoemd in
het eerste lid, worden bepaald, mits deze bedragen in geval van een
vervoerovereenkomst onder cognossement niet lager zijn dan de in het
eerste lid genoemde.
7.Noch de vervoerder noch het schip is
in enig geval aansprakelijk voor verlies of schade van of aan zaken of
met betrekking tot deze, indien aard of waarde daarvan door de
afzender opzettelijk verkeerdelijk is opgegeven en, indien een
cognossement is afgegeven, daarin verkeerdelijk is opgenomen.
Artikel 389
Indien met betrekking tot een zaak
hulploon, een bijdrage in avarij-grosse of een schadevergoeding uit
hoofde van artikel 488 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een
waardevermindering van die zaak.
Artikel 390
1.De tijd- of reisbevrachter is bevoegd
de overeenkomst op te zeggen, wanneer hem door de vervrachter is
medegedeeld dat het schip niet op de overeengekomen plaats of tijd te
zijner beschikking is of zal kunnen zijn.
2.Hij kan deze bevoegdheid slechts
uitoefenen door binnen een redelijke, niet meer dan 48 uur durende,
termijn na ontvangst van een mededeling, als bedoeld in het eerste
lid, het in het vijfde lid genoemde bericht te verzenden.
3.Indien bij gebreke van de ontvangst
van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid, het de bevrachter
uit anderen hoofde bekend is, dat het schip niet op de overeengekomen
plaats of tijd te zijner beschikking is of kan zijn, is hij, zonder
dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te
zeggen, doch slechts binnen een redelijke, niet meer dan 48 uur
durende, termijn nadat hem dit bekend is geworden; gelijke bevoegdheid
komt hem toe, indien hem na ontvangst van een mededeling, als bedoeld
in het eerste lid, uit anderen hoofde bekend wordt, dat het schip op
grond van andere omstandigheden dan welke de vervrachter tot zijn
mededeling brachten, niet op de overeengekomen plaats of tijd te
zijner beschikking is of kan zijn.
4.De in dit artikel genoemde termijn
wordt geschorst op die zaterdagen, zondagen en plaatselijke
feestdagen, waarop ten kantore van de bevrachter in het geheel niet
wordt gewerkt.
5.De opzegging geschiedt door telegram
of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 391
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 392
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, verlengd met de overligtijd, door welke oorzaak dan ook, in
het geheel geen zaken ter beschikking van de vervoerder, dan is deze,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst
op te zeggen.
3.Zijn bij het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde tijd, door welke oorzaak dan ook, de
overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking van de
vervoerder, dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is
vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te
aanvaarden.
4.De opzegging geschiedt door telegram
of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan, doch niet vóór lossing van de zaken.
5.Onder voorbehoud van het derde lid
van artikel 383 is de afzender verplicht de vervoerder de schade te
vergoeden die deze lijdt tengevolge van de opzegging of van de
aanvaarding van de reis.
6.Dit artikel is niet van toepassing in
geval van tijdbevrachting.
Artikel 393
1.In geval van reisbevrachting is de
vervrachter tegen zekerheidstelling voor wat hij van de bevrachter
heeft te vorderen, op diens verlangen verplicht de reis te aanvaarden
met een gedeelte der overeengekomen zaken. De bevrachter is verplicht
de vervrachter de dientengevolge geleden schade te vergoeden.
2.De vervrachter is bevoegd in plaats
van de ontbrekende zaken andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de
vracht, die hij voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de
bevrachter te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de
bevrachter vergoeding van door hem geleden schade heeft geïnd of
gevorderd.
Artikel 394
1.De afzender is verplicht de
vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder
deze gegevens kent.
2.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
3.Is bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk
voldaan aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde verplichting
van de afzender, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 392 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 395
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke
oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de zaken
te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2.De vervoerder is verplicht redelijke
zorg aan te wenden dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld,
niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de
artikelen 387, 388 en 389 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.
3.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Zijn bij het verstrijken van de tijd
waarbinnen de in het eerste lid genoemde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar
behoren aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 392 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 396
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door telegram,
bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 397
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die materiaal, dat hij deze ter
beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving dan wel de
behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen
verhinderen.
2.Dit artikel laat de artikelen 383
derde lid, 398 en 423, alsmede de bepalingen nopens avarij-grosse
onverlet.
Artikel 398
1.Ten vervoer ontvangen zaken, die een
zorgvuldig vervoerder, indien hij geweten zou hebben dat zij na hun
inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het oog daarop
niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen, mogen door hem op ieder
ogenblik en op iedere plaats worden gelost, vernietigd dan wel op
andere wijze onschadelijk gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer
ontvangen zaken, waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend,
geldt hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren. De vervoerder is terzake geen enkele
schadevergoeding verschuldigd en de afzender is aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiende uit de
aanbieding ten vervoer, uit het vervoer of uit de maatregelen zelf.
2.Door het treffen van de in het eerste
lid bedoelde maatregel eindigt de overeenkomst met betrekking tot de
daar genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost, eerst na
deze lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk de afzender, degeen
aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degeen, aan wie hij
volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement
bericht van aankomst van het schip moet zenden. Dit lid is niet van
toepassing met betrekking tot zaken die de vervoerder na het treffen
van de in het eerste lid bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming
vervoert.
3.Indien zaken na beëindiging van de
overeenkomst alsnog in feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij
zich op het ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in
de staat, waarin zij feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet
afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van
beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan.
4.Indien de afzender na feitelijke
aflevering een zaak niet naar haar bestemming vervoert, wordt het
verschil tussen de waarden ter bestemming en ter plaatse van de
aflevering, als bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid van
artikel 388, aangemerkt als waardevermindering van die zaak. Vervoert
de afzender een zaak na de feitelijke aflevering alsnog naar haar
bestemming, dan worden de kosten, die hij te dien einde maakt,
aangemerkt als waardevermindering van die zaak.
5.Op de feitelijke aflevering is het
tussen partijen overeengekomene alsmede het in deze afdeling nopens de
aflevering van zaken bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat
deze feitelijke aflevering niet op grond van de eerste zin van het
eerste lid of op grond van het tweede lid van artikel 484 de vracht
verschuldigd doet zijn. De artikelen 490 en 491 zijn van
overeenkomstige toepassing.
6.Dit artikel laat artikel 423, alsmede
de bepalingen nopens avarij-grosse onverlet.
7.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 399
1.Na de zaken ontvangen en aangenomen
te hebben, moet de vervoerder, de kapitein of de agent van de
vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement
afgeven, dat onder meer vermeldt:
a. de voornaamste voor
identificatie van de zaken nodige merken, zoals deze, voor de
inlading van deze zaken is begonnen, door de afzender schriftelijk
zijn opgegeven, mits deze merken zijn gestempeld of anderszins
duidelijk zijn aangebracht op de onverpakte zaken of op de kisten
of verpakkingen, die de zaken inhouden en wel zodanig, dat zij in
normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar zullen
blijven;
b. òf het aantal der colli of het
stuktal, òf de hoeveelheid òf het gewicht, al naar gelang der
omstandigheden, zoals zulks door de afzender schriftelijk is
opgegeven;
c. de uiterlijk zichtbare staat en
gesteldheid der zaken;
met dien verstande, dat geen
vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder verplicht zal zijn in
het cognossement merken, aantal, hoeveelheid of gewicht op te geven of
te noemen waarvan hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat zij
niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeven
of tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
De vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te hebben gehad
de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of gepompte zaken te
toetsen.
2.Als de zaken ingeladen zijn, zal het
cognossement, dat de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder
aan de afzender afgeeft, indien deze dit verlangt, de vermelding
"geladen" bevatten, mits de afzender, indien hij vooraf enig
op die zaken rechtgevend document heeft ontvangen, dit tegen afgifte
van het "geladen"-cognossement teruggeeft. De vervoerder,
kapitein of agent van de vervoerder heeft eveneens het recht in de
laadhaven op het oorspronkelijk afgegeven document de naam van het
schip of van de schepen, aan boord waarvan de zaken werden geladen, en
de datum of de data van inlading aan te tekenen, in welk geval het
aldus aangevulde document, mits inhoudende de in dit artikel vermelde
bijzonderheden, als een "geladen"-cognossement in de zin van
dit artikel wordt beschouwd.
Artikel 410
Indien een vervoerovereenkomst is
gesloten en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens
artikel 441 tweede lid, tweede volzin, de rechtsverhouding tussen de
vervoerder en de afzender door de bedingen van de vervoerovereenkomst en
niet door die van dit cognossement beheerst. Behoudens het in artikel
441 eerste lid gestelde vereiste van houderschap van het cognossement,
strekt dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
vervoerder.
Artikel 411
De afzender wordt geacht ten behoeve van
de vervoerder in te staan voor de juistheid op het ogenblik van de in
ontvangstneming van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en
gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloos stellen voor alle
verliezen, schaden en kosten, ontstaan ten gevolge van onjuistheden in
de opgave van deze bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op
dergelijke schadeloosstelling beperkt in genen dele zijn
aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de
vervoerovereenkomst voortvloeien, tegenover elke andere persoon dan de
afzender.
Artikel 412
1.Het cognossement wordt gedateerd en
door de vervoerder ondertekend en vermeldt de voorwaarden waarop het
vervoer plaatsvindt, alsmede de plaats waar en de persoon aan wie de
zaken moeten worden afgeleverd. Deze wordt, ter keuze van de afzender,
aangegeven hetzij bij name of andere aanduiding, hetzij als order van
de afzender of van een ander, hetzij als toonder.
2.De enkele woorden "aan
order" worden geacht de order van de afzender aan te geven.
Artikel 413
Het cognossement wordt, tenzij het op
naam is gesteld, afgegeven in één of meer exemplaren. De verhandelbare
exemplaren, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het geheel
zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle. Niet
verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden aangeduid.
Artikel 414
1.Tegenbewijs tegen het cognossement
wordt niet toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een derde te
goeder trouw.
2.Indien in het cognossement de
clausule: "inhoud, hoedanigheid, aantal, gewicht of maat
onbekend", of enige andere clausule van dergelijke strekking is
opgenomen, binden zodanige in het cognossement voorkomende
vermeldingen omtrent de zaken de vervoerder niet, tenzij bewezen
wordt, dat hij de inhoud of de hoedanigheid der zaken heeft gekend of
had behoren te kennen of dat de zaken hem toegeteld, toegewogen of
toegemeten zijn.
3.Een cognossement, dat de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert,
behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk zichtbaar
in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.De in het cognossement opgenomen
opgave, bedoeld in artikel 388 eerste lid, schept behoudens
tegenbewijs een vermoeden, doch bindt niet de vervoerder die haar kan
betwisten.
Artikel 415
1.Verwijzingen in het cognossement
worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor
degeen, jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar
zijn.
2.Een dergelijk beroep is slechts
mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degeen jegens wie
dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 416
Een cognossement aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 417
Levering van het cognossement vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als
levering van die zaken.
Artikel 418
De vervoerder is verplicht de plek van
inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van tijdbevrachting
is echter artikel 380 van toepassing en in geval van reisbevrachting
artikel 419.
Artikel 419
1.In geval van reisbevrachting is de
bevrachter verplicht de plek van inlading en lossing tijdig aan te
wijzen.
2.Hij moet daartoe aanwijzen een
gebruikelijke plek, die terstond of binnen redelijke tijd beschikbaar
is, waar het schip veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
waarvandaan het veilig kan vertrekken.
3.Wanneer de bevrachter niet aan deze
verplichting voldoet of de bevrachters, als er meer zijn, niet
eenstemmig zijn in de aanwijzing, is de vervrachter zonder dat enige
aanmaning is vereist verplicht zelf de plek van inlading of lossing
aan te wijzen.
4.Indien de bevrachter meer dan één
plek aanwijst, geldt de tijd nodig voor het verhalen als gebruikte
laad- of lostijd. De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening.
5.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip op de plek, die hij op grond van het eerste lid ter inlading
of lossing aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt niet aan
deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet
aansprakelijk als de kapitein, door de hem gegeven aanwijzing op te
volgen, onredelijk handelde.
Artikel 420
Wanneer in geval van reisbevrachting de
bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te wijzen,
is artikel 419 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 421
Behalve in geval van bevrachting is de
vervoerder verplicht de zaken aan boord van het schip te laden en te
stuwen.
Artikel 422
1.Voor zover de vervoerder verplicht is
tot laden, is hij gehouden zulks in de overeengekomen laadtijd te
doen.
2.Voor zover de afzender verplicht is
tot laden of stuwen, staat hij er voor in dat zulks in de
overeengekomen laadtijd geschiedt.
3.Werd geen laadtijd vastgesteld, dan
behoort de inlading te geschieden zo snel als ter plekke voor een
schip als het betrokken schip gebruikelijk of redelijk is.
4.Bepaalt de vervoerovereenkomst
overliggeld, doch niet de overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld
op acht opeenvolgende etmalen of, als op de ligplek een ander aantal
redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal.
5.De wettelijke bepalingen omtrent
boetebedingen zijn niet van toepassing op bedingen met betrekking tot
overliggeld.
6.Schuldenaren van overliggeld en een
mogelijkerwijs uit hoofde van het tweede lid verschuldigde
schadevergoeding zijn tot betaling daarvan hoofdelijk verbonden.
Artikel 423
1.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement mogen zaken van ontvlambare, explosieve of gevaarlijke
aard, tot de inlading waarvan de vervoerder, de kapitein of de agent
van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven, wanneer hij de
aard of de gesteldheid daarvan had gekend, te allen tijde vóór de
lossing door de vervoerder op iedere plaats worden gelost of
vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de
afzender van deze zaken is aansprakelijk voor alle schade en onkosten,
middellijk of onmiddellijk voortgevloeid of ontstaan uit het inladen
daarvan.
2.Indien onder een vervoerovereenkomst
onder cognossement enige zaak, als bedoeld in het eerste lid,
ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar
wordt voor het schip of de lading, mag zij evenzo door de vervoerder
worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige
aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor avarij-grosse, indien
daartoe gronden bestaan.
Artikel 424
1.Behalve in geval van tijd- of
reisbevrachting is de vervoerder wanneer, nadat de inlading een
aanvang heeft genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt
te zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de uitvoering van de
overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel binnen redelijke tijd
niet mogelijk is, na lossing van de zaken bevoegd de overeenkomst te
beëindigen, mits hij dit zo spoedig mogelijk doet.
2.Vermoed wordt dat het vergaan of de
beschadiging van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die
voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder
komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem
vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
3.De vervoerder verwittigt, zo
mogelijk, de afzender, degeen aan wie de zaken moeten worden
afgeleverd en degeen aan wie hij volgens de bepalingen van een
mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van aankomst van het
schip moet zenden.
4.Het derde, het vierde en het vijfde
lid van artikel 398 zijn van toepassing.
Artikel 425
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
is ieder der partijen, mits zij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd
de overeenkomst geheel of met betrekking tot een gedeelte der zaken op
te zeggen, wanneer het schip, zonder dat het vergaan is, zodanig
beschadigd blijkt te zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de
uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel
binnen redelijke tijd niet mogelijk is.
2.De reisbevrachter komt de hem in het
eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid ten aanzien van
reeds aan boord ontvangen zaken niet toe, indien de vervrachter, zodra
hem dit redelijkerwijs mogelijk was, heeft verklaard dat hij deze
zaken, zij het niet in het bevrachte schip, ondanks de beëindiging
van de overeenkomst naar hun bestemming zal vervoeren; zulk vervoer
wordt vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te
vinden.
3.De opzegging geschiedt door telegram
of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan, doch ten aanzien van reeds aan boord
ontvangen zaken, eerst na lossing van die zaken. Een in een dergelijk
telegram of bericht vervatte mededeling, dat de vervrachter zaken
alsnog, doch niet in het bevrachte schip, naar hun bestemming zal
vervoeren, houdt met betrekking tot die zaken opzegging van de
overeenkomst in.
4.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat de beschadiging van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
5.Het derde, het vierde en het vijfde
lid van artikel 398 zijn van toepassing met dien verstande, dat
ingeval van tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het
tijdstip van de lossing der zaken.
Artikel 426
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
eindigt de overeenkomst met het vergaan van het schip. In geval van
langdurige tijdingloosheid wordt vermoed, dat het schip is vergaan te
2400 uur Universele Tijd van de dag, waarop het laatste bericht is
ontvangen.
2.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat het vergaan van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
3.Vervoert de vervrachter ondanks het
vergaan van het schip zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog
naar hun bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit
vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te
vinden.
4.De vervrachter verwittigt de
bevrachter zo spoedig als dit mogelijk is.
5.Het derde, het vierde en het vijfde
lid van artikel 398 zijn van toepassing.
Artikel 440
1.De afzender - of, indien een
cognossement is afgegeven, uitsluitend de in artikel 441 bedoelde
houder daarvan en dan alleen tegen afgifte van alle verhandelbare
exemplaren van dit cognossement - is bevoegd, voor zover de vervoerder
hieraan redelijkerwijs kan voldoen, aflevering van ten vervoer
ontvangen zaken of, indien daarvoor een cognossement is afgegeven, van
alle daarop vermelde zaken gezamenlijk, vóór de aankomst ter
bestemmingsplaats te verlangen, mits hij de vervoerder en de
belanghebbenden bij de overige lading ter zake schadeloos stelt. Hij
is verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de
avarij-grosse handeling plaatshad met het oog op een omstandigheid,
waarvan reeds vóór de aflevering is gebleken.
2.Hij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer door de voortijdige aflevering de reis zou worden vertraagd.
3.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 490 en 491 zijn van toepassing.
Artikel 441
1.Indien een cognossement is afgegeven,
heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op
rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het
cognossement het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op de
vervoerder rustende verplichtingen te vorderen; daarbij is artikel 387
van toepassing.
2.Jegens de houder van het
cognossement, die niet de afzender was, is de vervoerder onder
cognossement gehouden aan en kan hij een beroep doen op de bedingen
van dit cognossement. Jegens iedere houder van het cognossement, kan
hij de uit het cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling
geldend maken. Jegens de houder van het cognossement, die ook de
afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de bedingen van de
vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender
beroepen.
Artikel 442
1.Indien bij toepassing van artikel 461
verscheidene personen als vervoerder onder het cognossement moeten
worden aangemerkt zijn dezen jegens de in artikel 441 eerste lid
bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden.
2.In het in het eerste lid genoemde
geval is ieder der vervoerders gerechtigd de uit het cognossement
blijkende rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is
deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare bedrag dat
hij op grond van het cognossement aan één hunner heeft voldaan.
Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 460
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht, die
houder is van het exemplaar, waarvan ná de gemeenschappelijke voorman,
die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is
geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.
Artikel 461
1.Onverminderd de overige leden van dit
artikel worden als vervoerder onder het cognossement aangemerkt hij
die het cognossement ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het cognossement is
gebezigd.
2.Indien de kapitein of een ander voor
hem het cognossement ondertekende, wordt naast degene genoemd in het
eerste lid, die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de
laatste overeenkomst in de keten der exploitatie-overeenkomsten als
bedoeld in afdeling 1 van titel 5, als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt. Indien het schip in rompbevrachting is
uitgegeven wordt naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de
laatste rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven dan wordt
naast de hier genoemde eventuele tijd- of reisbevrachter ook de reder
als vervoerder onder het cognossement aangemerkt.
3.In afwijking van de vorige leden
wordt uitsluitend de laatste rompbevrachter, onderscheidenlijk de
reder, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien het
cognossement uitsluitend deze rompbevrachter, onderscheidenlijk de
reder, uitdrukkelijk als zodanig aanwijst en, in geval van aanwijzing
van de rompbevrachter, bovendien diens identiteit uit het cognossement
duidelijk kenbaar is.
4.Dit artikel laat het tweede lid van
artikel 262 onverlet.
5.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 462
1.Het eerste lid van artikel 461 vindt
geen toepassing indien een daar als vervoerder onder het cognossement
aangemerkte persoon bewijst dat hij die het cognossement voor hem
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed of dat
het formulier zonder zijn toestemming is gebezigd. Desalniettemin
wordt een in het eerste lid van artikel 461 bedoelde persoon als
vervoerder onder het cognossement aangemerkt, indien de houder van het
cognossement bewijst dat op het ogenblik van uitgifte van het
cognossement, op grond van een verklaring of gedraging van hem voor
wie is ondertekend of wiens formulier is gebezigd, redelijkerwijze
mocht worden aangenomen, dat hij die ondertekende daartoe bevoegd was
of dat het formulier met toestemming was gebezigd.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
de rederij als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien
haar boekhouder door ondertekening van het cognossement de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens de
eerste houder van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte
daarvan wist dat de boekhouder de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed.
3.Een beroep op het tweede lid van
artikel 461 is mogelijk ook indien de kapitein door ondertekening van
het cognossement of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens
hem te ondertekenen, de grenzen zijner bevoegdheid overschreed, doch
dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder van het
cognossement die op het ogenblik van uitgifte daarvan wist dat de
kapitein de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
4.Het derde lid vindt eveneens
toepassing indien hij die namens de kapitein het cognossement
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
Artikel 480
1.Is een vervrachter ingevolge artikel
461 tot meer gehouden dan waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting
is verplicht of ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is
gerechtigd, dan heeft hij - mits de ondertekening van het cognossement
of de afgifte van het formulier plaatsvond krachtens het in de
bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek van de bevrachter - deswege
op deze laatste verhaal.
2.Hetzelfde geldt voor een ingevolge
het eerste lid aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter
is.
Artikel 481
1.De houder van het cognossement, die
zich tot ontvangst van de zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat
hij deze heeft ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en
aan de vervoerder af te geven.
2.Hij is gerechtigd het cognossement
tot zekerheid der afgifte daarvan bij een, in geval van geschil op
verzoek van de meest gerede partij door de rechter aan te wijzen,
derde in bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.
Artikel 482
1.Een door de vervoerder na intrekking
van het cognossement afgegeven document dat de houder daarvan recht
geeft op aflevering van in dat cognossement genoemde zaken, wordt met
betrekking tot deze zaken met het cognossement gelijk gesteld. Het
cognossement wordt vermoed van het hier bedoelde document deel uit te
maken. Hij die dit document ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende, noch hij wiens formulier werd gebruikt, wordt door het
blote feit van deze ondertekening of dit gebruik als vervoerder onder
het cognossement aangemerkt.
2.Tenzij in documenten als bedoeld in
het eerste lid anders is bepaald, zijn de houders daarvan hoofdelijk
verbonden voor de verbintenissen die uit het vervoer van de onder het
cognossement vervoerde zaken voor de houder van dat cognossement
voortvloeien.
Artikel 483
1.Behalve in geval van bevrachting is
de vervoerder verplicht de zaken uit het schip te lossen.
2.Op de lossing van de zaken vindt
artikel 422 overeenkomstige toepassing.
Artikel 484
1.De vracht is verschuldigd na
aflevering van de zaken ter bestemming of ter plaatse, waar de
vervoerder hen met inachtneming van artikel 440 afleverde. Is de
vracht bepaald naar gewicht of omvang der zaken, dan wordt hij
berekend naar deze gegevens bij aflevering.
2.Vracht die in één som voor alle
zaken ter bestemming is bepaald, is, ook wanneer slechts een gedeelte
van die zaken is afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd.
3.Onder voorbehoud van het vijfde lid
van dit artikel is voor zaken, die onderweg zijn verkocht omdat hun
beschadigdheid verder vervoer redelijkerwijs niet toeliet, de vracht
verschuldigd, doch ten hoogste tot het bedrag van hun opbrengst.
4.Vracht, die vooruit te voldoen is of
voldaan is, is en blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in
zijn geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter bestemming
worden afgeleverd.
5.In waardeloze toestand afgeleverde
zaken worden aangemerkt als niet te zijn afgeleverd. Zaken, die niet
zijn afgeleverd, of die in waardeloze toestand zijn afgeleverd, worden
desalniettemin aangemerkt als afgeleverde zaken, voor zover het niet
of in waardeloze toestand afleveren het gevolg is van de aard of een
gebrek van de zaken, dan wel van een handeling of nalaten van een
rechthebbende op of de afzender of ontvanger van de zaken.
Artikel 485
Voor zaken die door een opvarende voor
eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden vervoerd is de
hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de inlading voor
soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze vracht is verschuldigd ook
wanneer de zaken niet of in waardeloze toestand ter bestemming worden
afgeleverd en de ontvanger is met de verscheper hoofdelijk voor deze
vracht verbonden.
Artikel 486
Onder voorbehoud van de laatste zinsnede
van het vijfde lid van artikel 425 is in geval van tijdbevrachting
vracht niet verschuldigd over de tijd, dat de bevrachter het schip niet
overeenkomstig de bedingen van de bevrachting te zijner beschikking
heeft
a. ten gevolge van beschadiging
daarvan, dan wel
b. doordat de vervrachter in de
nakoming van zijn verplichtingen te kort schiet,
mits het schip meer dan 24 aaneengesloten
uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.
Artikel 487
1.Bij tijdbevrachting komen de
brandstof voor de machines, het ketelwater, de havenrechten en
soortgelijke rechten en uitgaven, die verschuldigd worden ten gevolge
van uitgevoerde reizen en het vervoeren van zaken, ten laste van de
bevrachter. De overige lasten der exploitatie van het schip komen ten
laste van de vervrachter.
2.De vervrachter is gerechtigd en
verplicht de zich bij het einde van de bevrachting nog aan boord
bevindende brandstof van de bevrachter over te nemen tegen de
marktprijs ten tijde en ter plaatse van de oplevering van het schip.
Artikel 488
Onverminderd het omtrent avarij-grosse
bepaalde en onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn de
afzender, de ontvanger en, indien een cognossement is afgegeven, de in
artikel 441 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk verbonden de vervoerder
de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer
inliet met de behartiging van de belangen van een rechthebbende op ten
vervoer ontvangen zaken dan wel doordat de kapitein of de schipper zijn
in artikel 261 of artikel 860 genoemde verplichtingen is nagekomen.
Artikel 489
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de
ontvanger verschuldigd is of zal worden terzake van het vervoer van
die zaken alsmede voor hetgeen als bijdrage in avarij-grosse op die
zaken verschuldigd is of zal worden. Dit retentierecht vervalt zodra
aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat
en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 490
1.Voor zover hij die jegens de
vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken niet opkomt,
weigert deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in
ontvangst neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien
de vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een houder van
een cognossement die als ontvanger opkomt, desalniettemin niet tot de
aflevering gerechtigd is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het schip, onder
zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen.
2.De derde-bewaarnemer en de ontvanger
zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet
gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van
hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 491
1.In geval van toepassing van artikel
490 kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering op zijn verzoek, door de
rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die
jegens hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens degeen,
aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven
cognossement bericht van aankomst van het schip moet zenden.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening
van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is
gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in
bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is
ter zake van het vervoer, alsmede een bijdrage in avarij-grosse; voor
zover deze vorderingen nog niet vast staan, zal de opbrengst of een
gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot zekerheid
voor deze vorderingen strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 492
1.Tenzij aan de vervoerder of zijn
agent in de loshaven vóór of op het ogenblik van het weghalen van de
zaken en van hun overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op
de aflevering rechthebbende persoon schriftelijk kennis is gegeven van
verliezen of schaden en van de algemene aard van deze verliezen of
schaden, schept dit weghalen, tot op bewijs van het tegendeel, het
vermoeden dat de zaken door de vervoerder zijn afgeleverd in de staat
als in de vervoerovereenkomst omschreven.
2.Zijn de verliezen of schaden niet
uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de
aflevering geschieden.
3.Schriftelijk voorbehoud is overbodig
als de staat van de zaak op het ogenblik van de inontvangstneming door
beide partijen gezamenlijk werd vastgesteld.
Artikel 493
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en de ontvanger elkaar
over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek
van de zaak en het natellen van de colli mogelijk te maken.
Artikel 494
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering, is bevoegd bij de
aflevering van zaken de rechter te verzoeken een gerechtelijk
onderzoek te doen plaatshebben naar de toestand waarin deze worden
afgeleverd; tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij
bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 495
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is, wanneer hij
verliezen of schaden van zaken vermoedt, bevoegd de rechter te
verzoeken vóór, bij of terstond na de aflevering daarvan en
desgewenst aan boord van het schip een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar de oorzaak daarvan.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 496
1.De kosten van gerechtelijk onderzoek,
als bedoeld in de artikelen 494 en 495, moeten worden voldaan door de
aanvrager.
2.De rechter kan deze kosten en door
het onderzoek geleden schade geheel of gedeeltelijk ten laste van de
wederpartij van de aanvrager brengen, ook al zou daardoor het bedrag
genoemd in het eerste lid van artikel 388 worden overschreden.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over zee
Artikel 500
1.De overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan boord van een
schip een of meer personen (reizigers) en al dan niet hun bagage
uitsluitend over zee te vervoeren. De overeenkomst van personenvervoer
aan boord van een luchtkussenvoertuig noch de overeenkomst van
personenvervoer als omschreven in artikel 100 is een overeenkomst van
personenvervoer in de zin van deze afdeling.
2.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart,
wordt als vervoer over zee beschouwd.
3.Hutbagage in de zin van deze afdeling
is de bagage, met uitzondering van levende dieren die de reiziger in
zijn hut heeft, die hij in zijn bezit, onder zijn toezicht of in zijn
macht heeft, alsmede de bagage die hij aan boord heeft van een met hem
als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip, doch niet dit
voertuig of schip zelf.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken die geen hutbagage zijn voor de toepassing van bepalingen
van deze afdeling als hutbagage worden aangewezen, dan wel bepalingen
van deze afdeling niet van toepassing worden verklaard op zaken, die
hutbagage zijn.
Artikel 501
Vervoer over zee omvat:
a. met betrekking tot personen of hun
hutbagage de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage aan boord van
het schip verblijft, de tijd van inscheping of ontscheping, alsmede
de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage te water wordt vervoerd
tussen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan
in de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde
schip door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Vervoer over zee van personen omvat echter niet de tijd dat de
reiziger verblijft in een stationsgebouw, op een kade of enige
andere haveninstallatie;
b. met betrekking tot hutbagage
bovendien de tijd dat de reiziger verblijft in een stationsgebouw,
op een kade of enige andere haveninstallatie, indien die bagage is
overgenomen door de vervoerder en niet weer aan de reiziger is
afgeleverd;
c. met betrekking tot bagage die geen
hutbagage is de tijd tussen het overnemen door de vervoerder hetzij
te land, hetzij aan boord en de aflevering door de vervoerder;
d. met betrekking tot een levend dier
de tijd dat het aan boord van het schip verblijft dan wel onder de
hoede van de vervoerder is.
Artikel 502
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van
een schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van zijn wederpartij (de
bevrachter).
2.De in afdeling 2 van titel 5 in het
bijzonder voor het geval van bevrachting gegeven bepalingen, alsmede
artikel 375 zijn op deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 503
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op ter beschikkingstelling van een schip
ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van
toepassing.
Artikel 504
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien een
voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor
zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid
waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Vermoed wordt dat een zorgvuldig
vervoerder de omstandigheid die leidde tot schipbreuk, aanvaring,
stranding, ontploffing of brand heeft kunnen vermijden, alsmede dat
zulk een vervoerder heeft kunnen verhinderen dat deze omstandigheid
tot een dergelijk voorval leidde.
3.Gebrekkigheid of slecht functioneren
van het schip of van het materiaal, waarvan hij zich voor het vervoer
bedient wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen heeft
kunnen verhinderen.
4.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
Artikel 505
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel
beschadiging van hutbagage of van een als bagage ten vervoer
aangenomen levend dier, indien een voorval dat hiertoe leidde zich
voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt
door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden of waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen.
2.Behalve met betrekking tot een levend
dier zijn het tweede en derde lid van artikel 504 van toepassing.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
4.Dit artikel laat de artikelen 545 en
1006 onverlet.
Artikel 506
Onder voorbehoud van artikel 505 is de
vervoerder aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of
gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van bagage, indien een voorval
dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer, tenzij en voor
zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een
vervoerder de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.
Artikel 507
De vervoerder is niet aansprakelijk in
geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken,
verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden,
kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken van waarde
aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij overeengekomen is hen
in zekerheid te zullen bewaren.
Artikel 508
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord gebrachte zaken die hij, indien hij hun aard of
gesteldheid had gekend, niet aan boord zou hebben toegelaten en waarvoor
hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen enkele
schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of behoorde te
weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer zou hebben
toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor alle kosten en
schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de aanbieding ten vervoer
of uit het vervoer zelf.
Artikel 509
Onverminderd artikel 508 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de schade
te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
reiziger niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een reiziger de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om
zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 510
1.Onverminderd de bepalingen van deze
afdeling zijn op het vervoer van bagage de artikelen 378, 387, 388
tweede lid, 389, 394 eerste en tweede lid, 395, 396, 398, 488 tot en
met 491 en 493 tot en met 496 van toepassing. De in artikel 396
bedoelde opzegging kan ook mondeling geschieden. De in artikel 489
toegekende rechten en het in artikel 491 toegekende recht tot het zich
laten voldoen uit het in bewaring te stellen bedrag van kosten terzake
van het vervoer, kunnen worden uitgeoefend voor alles wat de
wederpartij van de vervoerder of de reiziger aan de vervoerder
verschuldigd is.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 511
1.De reiziger is gehouden de vervoerder
schriftelijk kennis te geven:
a. in geval van uiterlijk zichtbare
schade aan bagage:
(i). wat betreft hutbagage:
voor of ten tijde van de ontscheping van de reiziger;
(ii). wat betreft alle andere
bagage: voor of ten tijde van de aflevering;
b. in geval van niet uiterlijk
zichtbare schade aan of verlies van bagage: binnen vijftien dagen
na de aanvang van de dag, volgende op de dag van ontscheping of
aflevering of die waarop de bagage had moeten worden afgeleverd.
2.Indien de reiziger niet aan zijn in
het eerste lid van dit artikel omschreven verplichting voldoet, wordt,
behoudens tegenbewijs, vermoed dat hij de bagage onbeschadigd heeft
ontvangen.
3.Schriftelijke kennisgeving is
overbodig indien de staat van de bagage op het ogenblik van in
ontvangstneming gezamenlijk is vastgesteld of geïnspecteerd.
Artikel 512
De vervoerder is niet gehouden, doch wel
gerechtigd zich te overtuigen van de aard of gesteldheid van de bagage,
indien hij vermoedt dat hij, de aard of gesteldheid van door de reiziger
aan boord gebrachte bagage kennende, deze niet aan boord zou hebben
toegelaten. De vervoerder is gehouden dit onderzoek te doen geschieden
in tegenwoordigheid van de reiziger of, zo dit niet mogelijk is, in
tegenwoordigheid van twee personen van wier hulp hij overigens bij de
uitvoering van zijn verbintenis geen gebruik maakt.
Artikel 513
Indien de vervoerder bewijst dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel
of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 514
Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op
verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet is
verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in opdracht van de
reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 515
Behoudens artikel 516 is de vervoerder
die zich, anders dan bij wijze van bevrachting, verbond tot vervoer
volgens een dienstregeling, niet aansprakelijk voor schade die is
veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook, vóór, tijdens
of na het vervoer opgetreden.
Artikel 516
Onder verlies of beschadiging van bagage
wordt mede verstaan vermogensschade geleden doordat de bagage niet
binnen een redelijke tijd te rekenen van het ogenblik van aankomst van
het schip, waarop deze bagage werd vervoerd of zou worden vervoerd, aan
de reiziger werd afgeleverd, doch niet wordt daaronder verstaan
vertraging door een arbeidsconflict veroorzaakt.
Artikel 517
1.Behoudens de artikelen 504 tot en met
507 is de vervoerder niet aansprakelijk voor schade ontstaan door een
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein of de
schipper, een ander lid van de bemanning, de loods of de
ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie van het
schip.
2.Behoudens de artikelen 504 tot en met
507 wordt generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot
redding van mensenlevens of goederen en generlei redelijke afwijking
van de koers beschouwd als een schending van enige vervoerovereenkomst
en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige
schade daardoor ontstaan.
Artikel 518
1.De aansprakelijkheid van de
vervoerder is in geval van dood, letsel of vertraging van de reiziger
en in geval van verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage
beperkt tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen bedrag of bedragen.
2.Dit artikel laat de titels 7 en 12
van dit boek onverlet.
Artikel 519
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 520
Nietig is ieder vóór het aan de
reiziger overkomen voorval of vóór het verlies of de beschadiging van
bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge de artikelen 504 tot en met
507 en 516 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast
wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 521
1.In geval van verlies of beschadiging
van bagage wordt de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
Artikel 522
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger,
door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.
Artikel 523
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het
vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn.
Artikel 524
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de
reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de
reiziger uit het schip te verwijderen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de
vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 525
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar
voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst
niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 526
Wanneer de reiziger na verlaten van het
schip niet tijdig terugkeert kan de vervoerder de overeenkomst
beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 527
1.De wederpartij van de vervoerder is
steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die deze tengevolge van de
opzegging lijdt.
2.Zij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer daardoor de reis van het schip zou worden vertraagd.
3.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 528
1.Wordt terzake van het vervoer een
passagebiljet, een ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk
document afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op
duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken.
3.De artikelen 56 tweede lid, 75 eerste
lid en 186 eerste lid van Boek 2 zijn niet van toepassing.
Afdeling 4. Enige bijzondere
overeenkomsten
Artikel 530
1.Onder de overeenkomst
(rompbevrachting), waarbij de ene partij (de rompvervrachter) zich
verbindt een schip uitsluitend ter zee terbeschikking te stellen van
haar wederpartij (de rompbevrachter) zonder daarover nog enige
zeggenschap te houden, ligt de exploitatie van het schip in handen van
de rompbevrachter en geschiedt zij voor diens rekening.
2.Artikel 375 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 531
1.Op de overeenkomst, waarbij de ene
partij zich verbindt een schip, anders dan bij wijze van
rompbevrachting, uitsluitend ter zee terbeschikking te stellen van de
andere partij voor andere doeleinden dan het daarmee vervoeren van
zaken of personen zijn de bepalingen nopens avarij-grosse alsmede de
bepalingen van deze titel en, indien het een binnenschip betreft,
artikel 880 van overeenkomstige toepassing.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 532
Voor de toepassing van de bepalingen van
deze afdeling wordt ter beschikkingstelling van een en eenzelfde schip
ter zee en op binnenwateren beschouwd als terbeschikkingstelling ter
zee, tenzij deze terbeschikkingstelling ter zee kennelijk ondergeschikt
is aan die op binnenwateren, in welk geval zij als
terbeschikkingstelling op binnenwateren wordt beschouwd.
Titel 6. Ongevallen
Afdeling 1. Aanvaring
Artikel 540
Aanvaring is de aanraking van schepen met
elkaar.
Artikel 541
Onder voorbehoud van de Wet
aansprakelijkheid olietankschepen vindt het in deze afdeling omtrent
aanvaring bepaalde eveneens toepassing indien schade door een zeeschip
is veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaats had.
Artikel 542
Indien een zeeschip door een aanvaring
schade heeft veroorzaakt, dan wel aan een zeeschip, deszelfs opvarenden
of de zaken aan boord daarvan door een schip schade is veroorzaakt,
wordt de aansprakelijkheid voor deze schade geregeld door deze afdeling.
Artikel 543
Indien de aanvaring is veroorzaakt door
toeval, indien zij is toe te schrijven aan overmacht of indien twijfel
bestaat omtrent de oorzaken der aanvaring, wordt de schade gedragen door
hen, die haar hebben geleden.
Artikel 544
Indien de aanvaring is veroorzaakt door
de schuld van één schip, is de eigenaar van het schip, dat de schuld
had, verplicht de schade te vergoeden.
Artikel 545
1.Indien twee of meer schepen
gezamenlijk door hun schuld een aanvaring hebben veroorzaakt, zijn de
eigenaren daarvan zonder hoofdelijkheid aansprakelijk voor de schade,
toegebracht aan medeschuldige schepen en aan goederen, die zich aan
boord daarvan bevinden, en hoofdelijk voor alle overige schade.
2.Is de aansprakelijkheid niet
hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van de schepen, die gezamenlijk door
hun schuld de aanvaring hebben veroorzaakt, tegenover de benadeelden
aansprakelijk in verhouding tot het gewicht van de schuld van hun
schepen; indien echter de omstandigheden meebrengen, dat die
verhouding niet kan worden vastgesteld of indien blijkt dat de schuld
van deze schepen gelijkwaardig is wordt de aansprakelijkheid in
gelijke delen verdeeld.
3.Is de aansprakelijkheid hoofdelijk,
dan moet elk der aansprakelijke eigenaren zijn door het tweede lid van
dit artikel vastgestelde aandeel in de betaling aan de schuldeiser
voor zijn rekening nemen. Onder voorbehoud van artikel 364 en artikel
880 heeft hij, die meer dan zijn aandeel heeft betaald, voor het
overschot verhaal op zijn medeschuldenaren, die minder dan hun aandeel
hebben betaald.
Artikel 546
Er bestaan geen wettelijke vermoedens van
schuld met betrekking tot de aansprakelijkheid voor aanvaring; het
schip, dat in aanraking komt met een andere, zo nodig behoorlijk
verlichte, vaste of te bekwamer plaatse vastgemaakte zaak, geen schip
zijnde, is aansprakelijk voor de schade, tenzij blijkt dat de aanraking
niet is veroorzaakt door schuld van het schip.
Artikel 547
De krachtens deze afdeling bestaande
aansprakelijkheid wordt niet opgeheven ingeval de aanvaring is
veroorzaakt door de schuld van een loods, zelfs niet als het gebruik van
deze verplicht is.
Afdeling 2. Hulpverlening
Artikel 550
Deze afdeling geldt slechts onder
voorbehoud van de Astronautenovereenkomst (Trb. 1968, 134).
Artikel 551
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. hulpverlening: iedere daad of
werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar
water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of
andere zaak;
b. schip: ieder schip of ander
vaartuig, dan wel iedere constructie waarmee kan worden gevaren;
c. goederen: alle zaken die niet
blijvend en opzettelijk aan de kust zijn bevestigd en de in risico
zijnde vracht;
d. milieuschade: aanzienlijke fysieke
schade aan de gezondheid van de mens, aan de marine fauna of flora
of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende
gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand,
ontploffing of soortgelijke ingrijpende gebeurtenissen;
e. betaling: iedere krachtens deze
afdeling verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling.
Artikel 552
Voor de toepassing van deze afdeling
worden de wateren genoemd in artikel 21 van de Wet op de strandvonderij
beschouwd tot de zee, en de stranden en oevers daarvan tot het zeestrand
te behoren.
Artikel 553
Deze afdeling is niet van toepassing in
geval van hulpverlening aan:
a. vaste of drijvende platforms of
verplaatsbare boorinstallaties wanneer die platforms of
boorinstallaties op een lokatie in bedrijf zijn voor de exploratie,
exploitatie of winning van minerale rijkdommen van de zeebodem;
b. een maritiem cultuurgoed dat van
prehistorisch, archeologisch of historisch belang is en zich ten
minste vijftig jaar op de zeebodem bevindt.
Artikel 554
Deze afdeling is mede van toepassing in
geval van hulpverlening door of aan een oorlogsschip of ander
niet-handelsschip, dat toebehoort aan, dan wel gebruikt of bevracht
wordt door de Staat der Nederlanden of enige andere Staat die het
Internationaal Verdrag inzake Hulpverlening, 1989 (Trb. 1990, 109), op
die schepen van toepassing heeft verklaard.
Artikel 555
De bepalingen omtrent hulpverlening zijn
van overeenkomstige toepassing in geval van hulpverlening:
a. aan op het vaste zeestrand of de
oevers van bevaarbaar binnenwater gezonken of aangespoelde zaken;
b. door een schip aan een
luchtvaartuig.
Artikel 556
1.Een overeenkomst omtrent
hulpverlening kan op verlangen van een der partijen door de rechter
geheel of gedeeltelijk worden vernietigd of gewijzigd wanneer zij is
tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden of onder invloed
van gevaar en de overeengekomen voorwaarden onbillijk zijn, of de
overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot
de daadwerkelijk verleende diensten.
2.Nietig is ieder beding waarbij van
het bepaalde in het eerste lid wordt afgeweken.
Artikel 557
1.Hulp aan in gevaar verkerende
schepen, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een
schip afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken mag niet
worden verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod van de
reder of kapitein van het schip in. Hulp aan andere in gevaar
verkerende zaken mag niet worden verleend tegen een uitdrukkelijk en
redelijk verbod in van de rechthebbende op de zaak.
2.Een verbod tot hulpverlening kan
steeds worden uitgevaardigd.
Artikel 558
1.Het verlenen van hulp aan een schip,
aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een schip
afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken staat onder
leiding van de kapitein en, wanneer er geen kapitein is of deze niet
optreedt, onder leiding van de rechthebbende op het schip of de zaak.
2.Bij stranding of aanspoeling aan of
op het vaste zeestrand berust de leiding, wanneer kapitein noch
rechthebbende optreedt, bij de strandvonder.
3.Indien het noodzakelijk is onverwijld
maatregelen te treffen, geldt het in dit artikel bepaalde niet, totdat
de kapitein, de rechthebbende of de strandvonder de leiding op zich
heeft genomen.
Artikel 559
1.Wanneer een schip door de bemanning
is verlaten en door hulpverleners of de strandvonder is overgenomen,
staat het de kapitein steeds vrij naar zijn schip terug te keren en
het gezag daarover te hernemen, in welk geval de hulpverleners of de
strandvonder terstond het gezag aan de kapitein moeten overdragen.
2.Indien de kapitein of de
rechthebbende bij de hulpverlening of ter plaatse, waar de geredde
zaken worden aangebracht, tegenwoordig is en dit de hulpverlener of de
strandvonder bekend is, moeten de hulpverleners of de strandvonder,
onverminderd artikel 571, die zaken terstond te zijner beschikking
stellen.
3.In de gevallen, waarin de geredde
zaken niet op grond van het vorige lid terstond ter beschikking van de
kapitein of van de rechthebbende moeten worden gesteld, moeten zij,
voor zover zij tijdens de hulpverlening zich aan of op de
buitengronden of het vaste zeestrand bevinden, terstond ter
beschikking worden gesteld van de strandvonder.
Artikel 560
1.De hulpverlener is jegens de reder
van het schip of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken
verplicht:
a. de hulpverlening met de nodige
zorg uit te voeren;
b. bij de nakoming van de in
onderdeel a bedoelde verplichting de nodige zorg te betrachten om
milieuschade te voorkomen of te beperken;
c. in alle gevallen, waarin de
omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen, de bijstand in te
roepen van andere hulpverleners; en
d. de tussenkomst van andere
hulpverleners te aanvaarden, wanneer hierom redelijkerwijze wordt
verzocht door de reder of de kapitein van het schip of de
rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken, met dien
verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd,
indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.
2.De reder en de kapitein van het schip
of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens
de hulpverlener verplicht:
a. gedurende de hulpverlening
volledig met hem samen te werken;
b. daarbij de nodige zorg te
betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken; en
c. wanneer het schip of de andere
zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te aanvaarden
wanneer zulks redelijkerwijze door de hulpverlener wordt verzocht.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
onderdeel b van het eerste of tweede lid wordt afgeweken.
Artikel 561
1.Hulp die met gunstig gevolg is
verleend geeft recht op hulploon.
2.Behoudens artikel 564, is geen
betaling krachtens deze afdeling verschuldigd, wanneer de hulp geen
gunstig gevolg heeft gehad.
3.Hulp als omschreven in het eerste lid
geeft recht op hulploon, ook al is de tot hulploon gerechtigde of hij,
die gerechtigd is de vaststelling van het hulploon te vorderen,
dezelfde persoon als hij die hulploon verschuldigd is.
Artikel 562
Indien een partij bij een overeenkomst
omtrent hulpverlening door haar wederpartij daarbij terzake van een bij
de hulpverlening veroorzaakte schade buiten overeenkomst wordt
aangesproken, is zij jegens die wederpartij niet verder aansprakelijk
dan zij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten overeenkomst. De
artikelen 365 en 366 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 563
1.Het bedrag van het hulploon wordt
vastgesteld bij overeenkomst tussen partijen en bij gebreke daarvan
door de rechter.
2.Het hulploon wordt vastgesteld met
het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de
volgende criteria ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn
opgesomd:
a. de geredde waarde van het schip
en de andere goederen;
b. de vakkundigheid en inspanningen
van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van
schade aan het milieu;
c. de mate van de door de
hulpverleners verkregen gunstige uitslag;
d. de aard en ernst van het gevaar;
e. de vakkundigheid en inspanningen
betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de
andere zaken en mensenlevens;
f. de door de hulpverleners
gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
g. het risico van aansprakelijkheid
en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen
risico's;
h. de snelheid van de verleende
diensten;
i. de beschikbaarheid en het
gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde
uitrusting;
j. de staat van gereedheid alsmede
de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de
hulpverleners;
3.Voor hulp verleend aan een schip en
de zaken aan boord daarvan is het hulploon uitsluitend verschuldigd
door de reder van het schip, met dien verstande dat de reder een recht
van verhaal heeft jegens de andere belanghebbenden voor hun
onderscheiden aandeel. Voor hulp verleend aan andere zaken is het
hulploon verschuldigd door de rechthebbende op die zaken.
4.Het hulploon, met uitzondering van
rente en verhaalbare gerechtelijke kosten, mag de geredde waarden van
het schip en de andere goederen niet overtreffen.
5.Wanneer het hulploon mede strekt tot
vergoeding van gemaakte kosten en geleden schade geeft de rechter aan
welke gemaakte kosten en geleden schade dit betreft.
Artikel 564
1.Indien een hulpverlener hulp heeft
verleend aan een schip dat zelf of wegens zijn lading schade dreigde
toe te brengen aan het milieu en hij geen hulploon heeft verkregen
krachtens artikel 563 dat ten minste gelijk is aan de volgens dit
artikel vast te stellen bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een
bijzondere vergoeding van de zijde van de reder, gelijk aan de door
hem gemaakte kosten zoals in dit artikel omschreven.
2.Indien de hulpverlener in de in het
eerste lid bedoelde omstandigheden door zijn
hulpverleningswerkzaamheden schade aan het milieu heeft voorkomen of
heeft beperkt, kan de door de reder volgens het eerste lid aan de
hulpverlener te betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd met
maximaal 30% van de door de hulpverlener gemaakte kosten. Indien
echter de rechter, rekening houdend met de in het tweede lid van
artikel 563 genoemde criteria, zulks billijk en rechtvaardig acht, kan
hij die bijzondere vergoeding verder verhogen, maar de totale
verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100% van de door de
hulpverlener gemaakte kosten.
3.Voor de toepassing van het eerste en
tweede lid worden onder kosten van de hulpverlener verstaan de
voorschotten die door de hulpverlener redelijkerwijze zijn gedaan bij
de hulpverlening en een billijk tarief voor uitrusting en personeel
die daadwerkelijk en redelijkerwijze zijn ingezet tijdens de
hulpverlening, in aanmerking nemend de criteria genoemd in artikel
563, tweede lid, onderdelen h, i en j.
4.De totale bijzondere vergoeding
krachtens dit artikel wordt slechts betaald indien en voor zover deze
vergoeding hoger is dan het hulploon dat de hulpverlener krachtens
artikel 563 kan ontvangen.
5.Indien de hulpverlener nalatig is
geweest en daardoor in gebreke is gebleven schade aan het milieu te
voorkomen of te beperken, kan de rechter de krachtens dit artikel
verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk ontzeggen.
6.De rechter die een hulploon vaststelt
als bedoeld in artikel 563 en een bijzondere vergoeding bepaalt als
bedoeld in het eerste lid, is niet verplicht om het bedrag van het
hulploon vast te stellen tot het beloop van de maximale waarde van het
schip en de andere geredde goederen alvorens het bedrag van de
bijzondere vergoeding te bepalen.
7.Geen bepaling van dit artikel doet
afbreuk aan enig recht van verhaal van de reder van het schip.
Artikel 565
1.Geen hulploon is verschuldigd door
personen wier leven is gered.
2.Niettegenstaande het in lid 1
bepaalde is voor de afzonderlijke redding van opvarenden van een schip
hulploon verschuldigd door de reder.
3.Degene die mensenlevens heeft gered
en heeft deelgenomen aan de werkzaamheden die zijn verricht ter
gelegenheid van het ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de
hulpverlening, is gerechtigd tot een billijk aandeel in de betaling
die aan de hulpverlener is toegekend voor de redding van het schip of
andere zaken of voor het voorkomen of beperken van schade aan het
milieu.
Artikel 566
1.Gerechtigd tot hulploon zijn die
personen of groepen van personen, die hulp hebben verleend.
2.Indien de hulp is verleend door
personen of groepen, die afhankelijk van elkaar handelden, is aan deze
groepen of personen gezamenlijk slechts één bedrag als hulploon
verschuldigd.
3.Indien de hulp door een schip is
verleend kunnen ook de leden der bemanning, die geen hulp verleenden,
tot hulploon gerechtigd zijn.
Artikel 567
Afstand, jegens wie dan ook, door een lid
der bemanning van zijn recht op een aandeel in het door een schip te
verdienen of verdiende hulploon is nietig, tenzij het schip blijkens
zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor hulpverlening of
sleepdienst is bestemd of de afstand één bepaalde hulpverlening
betreft.
Artikel 568
1.Geen recht op betaling krachtens deze
afdeling hebben zij, die hulp verleenden niettegenstaande een
uitdrukkelijk en redelijk verbod als bedoeld in artikel 557, eerste
lid.
2.Opvarenden kunnen wegens hulp door
hen verleend aan het schip, zich aan boord daarvan bevindende zaken of
daarvan afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken, slechts
recht op betaling hebben, wanneer door hen diensten zijn bewezen,
waartoe zij redelijkerwijs niet zijn gehouden.
3.Geen betaling is verschuldigd
krachtens deze afdeling tenzij de verleende diensten verder gaan dan
wat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als een gebruikelijke
uitvoering van een overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar
ontstond.
4.Indien de hulpverleners door hun
schuld de hulpverlening hebben nodig gemaakt of bemoeilijkt of zich
hebben schuldig gemaakt aan diefstal, verberging of andere
bedriegelijke handelingen, kan de rechter de krachtens deze afdeling
verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk ontzeggen.
Artikel 569
1.Indien de hulp is verleend door
onafhankelijk van elkaar handelende personen of groepen van personen
is ieder dezer personen bevoegd vaststelling te vorderen van het
hulploon of de bijzondere vergoeding die hem of de groep, waarvan hij
deel uitmaakte, toekomt.
2.Indien de hulp is verleend door
afhankelijk van elkaar handelende personen of groepen van personen is
ieder dezer personen bevoegd vaststelling te vorderen van het hulploon
of de bijzondere vergoeding die aan deze personen of groepen
gezamenlijk toekomt.
3.Indien door een schip hulp is
verleend, is uitsluitend de reder of de kapitein bevoegd omtrent het
hulploon of de bijzondere vergoeding overeen te komen. De door hem
gesloten overeenkomst bindt alle tot het hulploon of de bijzondere
vergoeding gerechtigden. Hij is verplicht ieder van hen vóór de
uitbetaling desverlangd het bedrag van het hulploon of de bijzondere
vergoeding schriftelijk mede te delen. Bij gebreke van een
overeenkomst is uitsluitend hij, niet alleen gerechtigd, doch ook
verplicht gerechtelijke vaststelling van het hulploon of de bijzondere
vergoeding te vorderen en dit te innen.
4.In het in artikel 561, derde lid,
bedoelde geval is iedere tot hulploon of bijzondere vergoeding
gerechtigde bevoegd de vaststelling daarvan door de rechter te
vorderen, ook al mocht over het hulploon of de bijzondere vergoeding
een overeenkomst zijn gesloten.
Artikel 570
1.De verdeling van een hulploon als
bedoeld in artikel 563 tussen hulpverleners geschiedt volgens de in
dat artikel genoemde criteria.
2.De verdeling van een bijzondere
vergoeding als bedoeld in artikel 564 tussen hulpverleners geschiedt
met in aanmerkingneming van de criteria genoemd in artikel 563, tweede
lid, onderdelen h, i en j.
3.Bij geschillen omtrent de verdeling
van het hulploon en de bijzondere vergoeding tussen de daartoe
gerechtigden wordt deze op vordering van de meest gerede partij door
de rechter vastgesteld.
Artikel 571
1.Hij, die gerechtigd is vaststelling
van het hulploon te vorderen, heeft – behoudens artikel 559, eerste
en derde lid – jegens ieder, die daarvan afgifte verlangt, een
retentierecht op de schepen of zaken, waaraan hulp is verleend,
alsmede op de schepen aan welker zich aan boord bevindende zaken hulp
is verleend, voor hetgeen ter zake van hulploon is verschuldigd.
2.Ter zake van de in artikel 564
bedoelde bijzondere vergoeding kan dit retentierecht worden
uitgeoefend op de schepen, waaraan hulp is verleend.
3.Dit retentierecht vervalt zodra is
betaald het bedrag, waarover geen geschil tussen partijen bestaat, en
voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld.
Artikel 572
1.Degene die krachtens deze afdeling
een betaling verschuldigd is, moet op verlangen van de hulpverlener
voldoende zekerheid stellen voor hetgeen hij terzake van die betaling
verschuldigd is, met inbegrip van rente en kosten.
2.Het schip en de andere zaken waaraan
de hulp is verleend mogen niet zonder toestemming van de hulpverlener
worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na
beëindiging van de hulpverlening zijn aangekomen, totdat voldoende
zekerheid is gesteld voor de in het eerste lid bedoelde betaling.
Artikel 573
1.De rechter kan, voordat hij het
hulploon of de bijzondere vergoeding vaststelt, bevelen dat aan degene
die gerechtigd is de vaststelling daarvan te vorderen, een naar
billijkheid te bepalen bedrag bij wijze van voorschot wordt betaald.
De rechter kan aan dit bevel voorwaarden verbinden die gezien de
omstandigheden billijk zijn, daaronder begrepen de voorwaarde dat voor
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van het voorschot zekerheid
zal worden gesteld.
2.Is krachtens artikel 572 zekerheid
gesteld, dan wordt het bedrag van de gestelde zekerheid verminderd met
het bedrag van het betaalde voorschot.
Artikel 574
1.Indien de rechthebbende op de schepen
of andere zaken waaraan hulp is verleend, niet opkomt, is hij, die
vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan
vorderen, gerechtigd deze voor rekening en gevaar van de rechthebbende
onder zich te houden dan wel bij een derde op te slaan in een daarvoor
geschikte bewaarplaats.
2.De derde-bewaarnemer en de
rechthebbende zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de
bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De
bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 575
1.In geval van toepassing van artikel
574 kan hij, die gerechtigd is vaststelling van het hulploon of de
bijzondere vergoeding te vorderen, de bewaarnemer dan wel de
rechthebbende op de schepen of zaken, op zijn verzoek door de rechter
worden gemachtigd hen geheel of gedeeltelijk op de door deze te
bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht degeen,
die de zaken in bewaring gaf, zo spoedig mogelijk van de voorgenomen
verkoop op de hoogte te stellen; degeen die de zaken in bewaring gaf
of onder zich hield, heeft deze verplichting jegens de hem bekende
rechthebbenden op de zaken.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort, voor zover zij niet strekt tot
voldoening van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de
grenzen der redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan degeen, die de zaken
in bewaring gaf, uit het in bewaring te stellen bedrag worden voldaan
hetgeen hem terzake van hulploon of bijzondere vergoeding is
verschuldigd; voor zover het hulploon of de bijzondere vergoeding nog
niet vaststaat, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de
rechter te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vordering strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 576
1.Hij, die gerechtigd is tot hulploon
of bijzondere vergoeding, verkrijgt de eigendom van de zaak, waaraan
hulp is verleend en waarvoor geen rechthebbende is opgekomen, twee
jaren na de beëindiging van de hulpverlening, mits de zaak zich op
dat tijdstip nog in zijn macht bevindt en hij datgene heeft gedaan wat
redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de rechthebbende te
ontdekken en van het gevolg van de hulpverlening op de hoogte te
stellen.
2.Het eerste lid vindt geen toepassing,
wanneer de rechthebbende zich binnen de in dat lid genoemde termijn
bij hem, die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding
kan vorderen, heeft aangemeld en aan deze de kosten van bewaring en
onderhoud en tot opsporing van de rechthebbende heeft vergoed. Degeen
die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan
vorderen is bevoegd de afgifte op te schorten totdat deze verplichting
is nagekomen. Indien de rechthebbende die de zaak opeist, de
verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem zijn
opgegeven, heeft voldaan, wordt hij aangemerkt zijn recht op de zaak
te hebben prijsgegeven.
Artikel 577
De wetsbepalingen omtrent zaakwaarneming
vinden op hulpverlening geen toepassing.
Afdeling 3. Avarij-grosse
Artikel 610
Er is een avarij-grosse handeling,
wanneer - en alleen wanneer - enige buitengewone opoffering of uitgave
opzettelijk en redelijkerwijs wordt verricht of gedaan voor de
gemeenschappelijke veiligheid met het doel de goederen, betrokken bij
een gemeenschappelijke met een zeeschip uitgevoerde onderneming, voor
gevaar - hoe of door wiens toedoen dit ook zij ontstaan - te behoeden.
Artikel 611
Alleen zodanige verliezen, schaden of
onkosten, die het onmiddellijke gevolg zijn van een avarij-grosse
handeling, worden als avarij-grosse toegelaten.
Artikel 612
1.Avarij-grosse wordt aan hem, die haar
leed, vergoed door de reder, de belanghebbende bij verschuldigde
vracht of passagegeld, de ontvanger van de lading en de eigenaren van
de overige zich aan boord bevindende zaken, met uitzondering van
brieven, andere poststukken of postpakketten, van bagage en van
persoonlijke zaken van opvarenden die geen bagage zijn.
2.In afwijking van het eerste lid
draagt een motorrijtuig of schip, dat door een vervoerder in verband
met een overeenkomst van personenvervoer aan boord van het schip wordt
vervoerd, bij in de avarij-grosse.
Artikel 613
De vergoedingen in avarij-grosse en de
dragende waarden der in de avarij-grosse bijdragende belangen worden
bovendien bepaald met inachtneming van de York-Antwerp Rules, nader
omschreven bij algemene maatregel van bestuur.
Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een zeeschip
Artikel 620
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde
concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene maatregel van
bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden zijn, en
tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de stof zich
bevindt;
b. "schip": zeeschip, niet
zijnde een luchtkussenvoertuig;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door dood
of letsel van enige persoon veroorzaakt door een gevaarlijke
stof;
2°. andere schade buiten het
schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt,
veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering van
verlies van of schade met betrekking tot andere schepen of
binnenschepen en zaken aan boord daarvan, indien die schepen of
binnenschepen deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit schip
deel uitmaakt, of hecht met dit schip in een eenheid zijn
gekoppeld;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door zulke
maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade
door wie dan ook genomen met uitzondering van de overeenkomstig deze
afdeling aansprakelijke persoon nadat een gebeurtenis heeft
plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, waardoor
schade ontstaat of waardoor een ernstige en onmiddellijke dreiging
van schade ontstaat;
f. "reder": de persoon die
in een register waarin het schip te boek staat, als eigenaar van het
schip is ingeschreven, of, bij gebreke van enige teboekstelling, de
persoon die het schip in eigendom heeft.
Artikel 621
1.Deze afdeling is niet van toepassing,
indien de reder jegens degene die de vordering instelt, aansprakelijk
is uit hoofde van een exploitatie-overeenkomst of jegens deze persoon
een beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2.Deze afdeling is van toepassing op de
periode waarin een gevaarlijke stof zich aan boord van een schip
bevindt, daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de inlading
van de gevaarlijke stof in het schip tot het einde van de lossing van
die stof uit het schip.
3.Deze afdeling is niet van toepassing
op schade veroorzaakt wanneer het schip uitsluitend wordt gebruikt in
een niet voor publiek toegankelijk gebied en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een in dat gebied plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4.Op zich overeenkomstig het tweede lid
aan boord bevindende stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is
dat artikel niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde
lid voordoet.
Artikel 622
1.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een vervoermiddel dat zich aan boord van een schip bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde vervoermiddel wordt
gelost, zal de gevaarlijke stof voor die periode geacht worden zich
alleen aan boord van dat schip te bevinden. In afwijking van het in de
vorige zin bepaalde zal, gedurende de handelingen bedoeld in artikel
623, vijfde lid, onderdelen c, d en e, de gevaarlijke stof geacht
worden zich alleen aan boord van het gestapelde vervoermiddel te
bevinden.
2.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een schip dat wordt gesleept door een ander schip of door
een binnenschip of wordt voortbewogen door een ander schip of door een
binnenschip, dat hecht met dit schip in een eenheid gekoppeld is, zal
de gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord van
eerstgenoemd schip te bevinden.
Artikel 623
1.Hij die ten tijde van een gebeurtenis
reder is van een schip aan boord waarvan zich een gevaarlijke stof
bevindt, is aansprakelijk voor de schade door die stof veroorzaakt ten
gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de
aansprakelijkheid op degene die ten tijde van het eerste feit reder
was.
2.De reder is niet aansprakelijk
indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of
natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde, niet
zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid, onderdeel a,
geschied met het opzet de schade te veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in te lichten
over de gevaarlijke aard van de stof, en noch de reder noch de in
het vijfde lid, onderdeel a, genoemde personen wisten of hadden
behoren te weten dat deze gevaarlijk was.
3.Indien de reder bewijst dat de schade
geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of nalaten van
de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de schade te
veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij geheel of
gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid tegenover die
persoon.
4.De reder kan voor schade slechts uit
anderen hoofde dan deze afdeling worden aangesproken in het geval van
het tweede lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit hoofde
van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
5.Behoudens de artikelen 624 en 625
zijn voor schade niet aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de reder of de leden van de
bemanning,
b. de loods en ieder ander die,
zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve van het schip
werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het schip in hulp
verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan bevindende zaken
of de opvarenden,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het schip, de zich
aan boord daarvan bevindende zaken of de opvarenden,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de reder,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid, onderdelen b,
c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
6.De reder heeft, voor zover niet
anders is overeengekomen, verhaal op de in het vijfde lid bedoelde
personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid
voor de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 624
1.Indien de reder bewijst dat de
gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in artikel 621, tweede
lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid
van een door hem bij name genoemde ander dan de reder of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de afzender of
ontvanger, is de reder niet aansprakelijk voor de schade als gevolg
van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke
stof en is die ander voor deze schade aansprakelijk overeenkomstig
deze afdeling.
2.Indien echter de gevaarlijke stof
tijdens de periode bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen of
gelost onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de reder en een
door de reder bij name genoemde ander, zijn de reder en die ander
hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor de schade
als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de
gevaarlijke stof.
3.Indien is geladen of gelost door een
persoon in opdracht of ten behoeve van de vervoerder of een ander,
zoals de afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.Indien een ander dan de reder op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander
geen beroep doen op artikel 623, vierde lid en vijfde lid, onderdeel b.
5.Indien een ander dan de reder op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten
aanzien van die ander titel 7 alsmede de artikelen 642a tot en met
642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval van
hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid krachtens titel 7 van het Wetboek van Koophandel
geldt voor het geheel der naar aanleiding van eenzelfde
gebeurtenis ontstane vorderingen gericht tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering wordt aangemerkt als door beiden te zijn gevormd
en zulks ten aanzien van de vorderingen waarvoor het fonds werd
gesteld.
6.In de onderlinge verhouding tussen de
reder en de in het tweede lid van dit artikel genoemde ander is de
reder niet tot vergoeding verplicht dan in geval van schuld van
hemzelf of van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of
lasthebbers.
7.Dit artikel is niet van toepassing
als tijdens de periode, bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen
of gelost onder de uitsluitende of gezamenlijke verantwoordelijkheid
van een persoon, genoemd in artikel 623, vijfde lid, onderdeel c, d of
e.
Artikel 625
Indien ingevolge artikel 623, tweede lid,
onderdeel c, de reder niet aansprakelijk is, is de afzender of andere
persoon aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling en zijn te diens
aanzien titel 7 alsmede de artikelen 642a tot en met 642z van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
De afzender of andere persoon kan geen beroep doen op artikel 623,
vierde lid.
Artikel 626
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van schade
anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden aangemerkt als
schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 627
1.Wanneer door een gebeurtenis schade
is veroorzaakt door gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één
schip, dan wel aan boord van een schip en een binnenschip of een
luchtkussenvoertuig, zijn de reders en de eigenaar of exploitant van
de daarbij betrokken schepen, het binnenschip of het
luchtkussenvoertuig, onverminderd het in artikel 623, tweede en derde
lid, en artikel 624, afdeling 4 van titel 11 en afdeling 1 van titel
14 bepaalde, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade waarvan
redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zij veroorzaakt is door
gevaarlijke stoffen aan boord van één of meer bepaalde schepen,
binnenschip of luchtkussenvoertuig.
2.Het bepaalde in het eerste lid laat
onverlet het beroep op beperking van aansprakelijkheid van de reder,
eigenaar of exploitant krachtens titel 7 of titel 12, dan wel de
artikelen 1218 tot en met 1220, ieder tot het voor hem geldende
bedrag.
Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid
voor maritieme vorderingen
Artikel 750
1.De reder van een schip en de
hulpverlener kunnen door het stellen van één of meer fondsen als
bedoeld in artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering hun aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 752
genoemde vorderingen.
2.Onder reder worden in deze titel mede
verstaan de bevrachter, de huurder of andere gebruiker van een schip
met inbegrip van degene in wiens handen de exploitatie van een schip
is gelegd.
3.Onder hulpverlener wordt in deze
titel een ieder verstaan die werkzaamheden verricht in onmiddellijk
verband met hulpverlening, waaronder in deze titel mede worden
verstaan de in artikel 752, eerste lid, onder d, e en f, genoemde
werkzaamheden of maatregelen.
4.Onder schip wordt in deze titel
zeeschip verstaan. Een schip in aanbouw wordt voor de toepassing van
deze titel mede als schip aangemerkt van het ogenblik af, dat de
stapelloop aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt voor de toepassing
van deze titel niet als schip aangemerkt. Een platform dat is gebouwd
ter exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de
zeebodem of van de ondergrond daarvan en dat kan drijven, wordt voor
de toepassing van deze titel niet als schip aangemerkt gedurende de
tijd dat het op de zeebodem rust.
Artikel 751
1.Indien een vordering als genoemd in
artikel 752 wordt gericht tegen enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid de reder of de hulpverlener in beginsel
aansprakelijk is, heeft deze persoon de in deze titel verleende
bevoegdheid tot beperking van zijn aansprakelijkheid.
2.De verzekeraar van de
aansprakelijkheid voor vorderingen, waarvoor op grond van deze titel
beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, kan zich in dezelfde mate
als zijn verzekerde op die beperking beroepen.
Artikel 752
1.Onder voorbehoud van de artikelen 753
en 754 bestaat de bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid voor
de hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij op grond van
overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer de
aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of bezit van of
een voorrecht op het schip of uit het feit, dat dit onder hoede of
toezicht is van hem die zich op de beperking van aansprakelijkheid
beroept:
a. vorderingen terzake van dood of
letsel, dan wel terzake van verlies van of schade aan zaken (met
inbegrip van schade aan kunstwerken van havens, aan dokken,
waterwegen of hulpmiddelen voor de scheepvaart), opgekomen aan
boord van het schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie
van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening, alsmede voor
vorderingen terzake van schade tengevolge van een of ander;
b. vorderingen terzake van schade
ontstaan door vertraging bij het vervoer over zee van lading,
reizigers of hun bagage;
c. vorderingen terzake van andere
schade ontstaan door inbreuk op enig niet op overeenkomst gegrond
vermogensrecht en opgekomen in rechtstreeks verband met de
exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening;
d. vorderingen terzake van het
vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van
een zee- of binnenschip dat is gezonken, schipbreuk heeft geleden,
gestrand of verlaten is, met inbegrip van alles wat aan boord van
zulk een schip is of is geweest;
e. vorderingen terzake van het
verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van
het schip;
f. vorderingen van een persoon
terzake van maatregelen genomen om schade te voorkomen of te
verminderen voor welke schade de daarvoor aansprakelijke persoon
zijn aansprakelijkheid op grond van deze titel zou kunnen
beperken, alsmede voor vorderingen terzake van verdere schade door
zulke maatregelen geleden, één en ander echter met uitzondering
van dusdanige vorderingen van deze aansprakelijke persoon zelf.
2.Aansprakelijkheid voor de in het
eerste lid genoemde vorderingen kan worden beperkt, ook indien deze,
al dan niet op grond van een overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze
van verhaal of vrijwaring. De aansprakelijkheid voor de vorderingen in
het eerste lid genoemd onder d, e of f, kan echter niet worden beperkt
voor zover deze vorderingen betrekking hebben op een vergoeding
verschuldigd op grond van een overeenkomst met de aansprakelijke
persoon.
Artikel 753
1.Deze titel is niet van toepassing op:
a. vorderingen uit hoofde van
hulpverlening of bijdrage in avarijgrosse;
b. vorderingen voor schade door
verontreiniging door olie, zoals deze zijn bedoeld in het op 29
november 1969 tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de
wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door
olie of in enige kracht van wet hebbende wijziging van dat Verdrag
of Protocol daarbij;
c. vorderingen onderworpen aan enig
internationaal verdrag of enige wet, die de beperking van
aansprakelijkheid voor kernschade regelt of verbiedt;
d. vorderingen tegen de exploitant
van een nucleair schip terzake van kernschade;
e. vorderingen uit hoofde van
arbeidsovereenkomst tegen de reder of de hulpverlener ingesteld
door zijn ondergeschikten of hun rechtverkrijgenden voor zover
deze vorderingen werkzaamheden betreffen in verband met het schip
of de hulpverlening, al naar gelang de aansprakelijkheid van de
reder of de hulpverlener voor deze vorderingen uit hoofde van de
op de arbeidsovereenkomst toepasselijke wet niet of slechts tot
een hoger bedrag dan op grond van deze titel het geval ware, kan
worden beperkt.
2.Wanneer iemand die op grond van deze
titel bevoegd is zijn aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is
tegen een schuldeiser een vordering geldend te maken, die voortkomt
uit hetzelfde voorval, zullen de respectieve vorderingen met elkaar
worden verrekend en wordt de beperking van aansprakelijkheid slechts
toegepast op het daarna mogelijkerwijs overblijvende saldo.
Artikel 754
Niemand is gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is dat de schade is
ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 755
1.Het bedrag waartoe de
aansprakelijkheid uit hoofde van deze titel voor niet in artikel 756
genoemde vorderingen, naar aanleiding van éénzelfde voorval
ontstaan, kan worden beperkt (het bedrag van het fonds) beloopt:
a. wanneer het vorderingen betreft
ter zake van dood of letsel, die niet zijn vorderingen als bedoeld
in artikel 752, eerste lid, onder d of e (personenfonds)
1°. 333 000 rekeneenheden voor
een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 500 bedraagt;
2°. voor een schip, waarvan de
tonnage groter is dan 500, wordt het onder 1 genoemde bedrag
vermeerderd met
– 500 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 501 tot en met 3
000;
– 333 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 3 001 tot en met
30 000;
– 250 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 30 001 tot en
met 70 000;
– 167 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één boven de 70 000.
b. wanneer het enige andere
vordering betreft die niet is een vordering als bedoeld in artikel
752, eerste lid, onder d of e (zakenfonds)
1°. 167 000 rekeneenheden voor
een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 500 bedraagt;
2°. voor een schip, waarvan de
tonnage groter is dan 500, wordt het onder 1 genoemde bedrag
vermeerderd met
– 167 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 501 tot en met
30 000;
– 125 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 30 001 tot en
met 70 000;
– 83 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één boven de 70 000.
c. wanneer het vorderingen betreft
als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e
(wrakkenfonds)
1°. 262 000 rekeneenheden voor
een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 500 bedraagt;
2°. voor een schip, waarvan de
tonnage groter is dan 500, wordt het onder 1 genoemde bedrag
vermeerderd met
– 333 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 501 tot en met 6
000;
– 125 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 6 001 tot en met
70 000;
– 83 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één boven de 70 000.
2.Voor schepen, die blijkens hun
constructie uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer
van personen en waarvan de tonnage niet groter is dan 300, kan bij
algemene maatregel van bestuur het bedrag waartoe uit hoofde van deze
titel de aansprakelijkheid voor de in het eerste lid, aanhef en onder
b, bedoelde vorderingen kan worden beperkt, op een lager aantal
rekeneenheden worden gesteld dan genoemd in het eerste lid, onder b,
onder 1.
3.Het bedrag waartoe de
aansprakelijkheid van een hulpverlener aan een schip die niet van een
zee- of binnenschip uit werkzaamheden verricht of die werkzaamheden
uitsluitend verricht op het schip waaraan of met betrekking waartoe
hij hulp verleent, kan worden beperkt, wordt berekend naar een tonnage
van 1500 ton.
4.Voor de toepassing van deze titel
wordt onder tonnage van het schip verstaan de bruto-tonnage van het
schip berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in
Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen
Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969.
5.Op verzoek van de eigenaar kan door
de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat een
verklaring worden afgegeven betreffende de bruto-tonnage van een
schip, berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in
Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen
Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969.
6.Deze verklaring wordt afgegeven tegen
betaling van de kosten volgens een door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat vast te stellen tarief.
Artikel 756
1.Wat betreft vorderingen ontstaan naar
aanleiding van éénzelfde voorval terzake van dood of letsel van
reizigers van een schip beloopt het bedrag waartoe de reder daarvan
zijn aansprakelijkheid kan beperken (passagiersfonds), even vele malen
46 666 rekeneenheden als het schip volgens zijn veiligheidscertificaat
gerechtigd is reizigers te vervoeren, doch niet meer dan 25 000 000
rekeneenheden.
2.Onder vorderingen terzake van dood of
letsel van reizigers worden voor de toepassing van dit artikel
verstaan dergelijke vorderingen ingediend naar aanleiding van een
voorval overkomen aan enige persoon vervoerd aan boord van het schip
a. op grond van een overeenkomst
tot het vervoer van reizigers;
b. die met toestemming van de
vervoerder een voertuig of levende dieren vergezelt, die worden
vervoerd op grond van een overeenkomst tot goederenvervoer.
Artikel 757
Aan de bedragen vermeld in de artikelen
755 en 756 wordt toegevoegd de wettelijke rente berekend van de aanvang
van de dag volgende op de dag van het voorval, dat aanleiding gaf tot de
vordering, tot de aanvang van de dag volgende op de dag waarop hij, die
een verzoek tot beperking van zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed
aan een hem krachtens artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering opgelegd bevel.
Artikel 758
1.De beperking van aansprakelijkheid
als vastgesteld in artikel 755 geldt voor het geheel der naar
aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen
a. de persoon of personen genoemd
in het tweede lid van artikel 750 en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in beginsel
aansprakelijk zijn, of
b. de reder van een schip die van
dat schip uit hulp verleent, en de hulpverlener of hulpverleners
die van dat schip uit hun werkzaamheden verricht of verrichten en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
deze personen in beginsel aansprakelijk zijn, of
c. de hulpverlener of hulpverleners
aan een schip die niet van een zee- of binnenschip uit
werkzaamheden verricht of verrichten of die werkzaamheden verricht
of verrichten uitsluitend op het schip waaraan of met betrekking
waartoe hulp wordt verleend, en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel
aansprakelijk zijn.
2.De beperking van aansprakelijkheid
als vastgesteld in artikel 756 geldt voor het geheel der naar
aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen
de persoon of de personen die in de in artikel 750, tweede lid,
genoemde betrekking staan tot het in artikel 756 bedoelde schip, en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
dezen in beginsel aansprakelijk zijn.
Artikel 759
De rekeneenheid, genoemd in de artikelen
755 en 756, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven
door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in de
artikelen 755 en 756 worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers
van de dag waarop de schuldenaar voldoet aan een ingevolge artikel 642c
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot
storting of andere zekerheidsstelling. De waarde van het Nederlandse
geld, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens
de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de
dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en
transacties.
III. Binnenvaartrecht
Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het binnenschip
Artikel 770
1.Indien een binnenschip blijkens de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan
twee of meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een rederij, indien
zulks uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en deze akte in die
registers is ingeschreven.
2.De rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 771
Afdeling 1 van titel 3 is op de rederij
van een binnenschip van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Rechten op binnenschepen
Artikel 780
1.In de afdelingen 2 tot en met 6 van
titel 8 worden onder schepen mede verstaan schepen in aanbouw.
2.Onder binnenschepen worden in de
afdelingen 2 tot en met 6 van titel 8 mede verstaan draagvleugelboten,
veerponten, alsmede baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle
drijvende werktuigen, pontons of materiaal van soortgelijke aard, die
voldoen aan de in de artikelen 1 en 3 ten aanzien van binnenschepen
vermelde vereisten.
3.Indien een schip in aanbouw een schip
in de zin van artikel 1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw
schip.
Artikel 781
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. het Verdrag van Genève: de op 25
januari 1965 te Genève gesloten overeenkomst inzake inschrijving
van binnenschepen, met Protocollen (Trb. 1966, 228);
b. verdragsstaat: een staat waarvoor
het Verdrag van Genève van kracht is;
c. verdragsregister: een buiten
Nederland in een verdragsstaat gehouden register, als bedoeld in
artikel 2 van het Verdrag van Genève;
d. de openbare registers: de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 782
De in deze afdeling aan de eigenaar
opgelegde verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer
personen, aan een vennootschap onder firma, aan een commanditaire
vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar,
beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 783 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 784
1.Teboekstelling is slechts mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
binnenschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd binnenschip:
indien aan ten minste één der volgende voorwaarden is voldaan:
a. dat de plaats, van waaruit
de exploitatie van het schip gewoonlijk wordt geleid, in
Nederland is gelegen;
b. dat, wanneer de eigenaar van
het schip een natuurlijke persoon is, deze Nederlander is of
zijn woonplaats in Nederland heeft;
c. dat, wanneer de eigenaar van
het schip een rechtspersoon of een vennootschap is, zijn zetel
of de plaats van waaruit hij zijn bedrijf voornamelijk
uitoefent, in Nederland is gelegen,
met dien verstande, dat in geval van
mede-eigendom van het binnenschip de onder b en c genoemde voorwaarden
niet als vervuld worden beschouwd, wanneer niet het schip tenminste
voor de helft in eigendom toebehoort aan natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen, die aan deze voorwaarden voldoen.
2.Teboekstelling is niet mogelijk van
een binnenschip dat reeds teboekstaat in de openbare registers, hetzij
als binnenschip hetzij als zeeschip, of in een verdragsregister.
3.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een binnenschip dat in een verdragsregister
teboekstaat mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat verdragsregister is doorgehaald, volgens het eerste lid kan
worden teboekgesteld. Deze teboekstelling heeft evenwel slechts
rechtsgevolg, wanneer zij is gevolgd door aantekening in de openbare
registers, dat de teboekstelling in het verdragsregister is
doorgehaald.
4.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een binnenschip dat in een verdragsregister
teboekstaat mogelijk, wanneer de bewaarder van dat register uit hoofde
van het tweede lid van artikel 22 van Protocol no. 2 bij het Verdrag
van Genève weigert het eigendomsrecht van de koper na gedwongen
verkoop in te schrijven.
5.De teboekstelling wordt verzocht door
de eigenaar van het binnenschip. Hij moet daarbij ter inschrijving
overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het schip voor teboekstelling als binnenschip vatbaar is.
6.De teboekstelling in de openbare
registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de
voorgaande leden van dit artikel niet is voldaan.
7.Bij het verzoek tot teboekstelling
wordt woonplaats gekozen in Nederland. Deze woonplaats wordt in het
verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 785
1.De eigenaar van een binnenschip is
verplicht de teboekstelling daarvan te verzoeken. Aan deze
verplichting moet worden voldaan binnen drie maanden, nadat volgens
artikel 784 teboekstelling mogelijk is.
2.Geen verplichting tot teboekstelling
bestaat
a. ten aanzien van vrachtschepen
met minder dan 20 tonnen van 1000 kilogram laadvermogen of andere
binnenschepen met minder dan 10 kubieke meters verplaatsing,
zijnde de in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing tussen
het vlak van inzinking van het ledige binnenschip in zoet water en
het vlak van de grootste toegelaten diepgang;
b. ten aanzien van afgebouwde
binnenschepen, die teboekstaan in het register van een
niet-verdragsstaat en in die staat voldoen aan tenminste één der
in het eerste lid van artikel 3 van het Verdrag van Genève
genoemde voorwaarden;
c. ten aanzien van binnenschepen,
die komen van een niet-verdragsstaat en op weg zijn naar het land
waar zij zullen moeten worden teboekgesteld.
Artikel 786
1.De teboekstelling wordt slechts
doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in de
openbare registers als eigenaar vermeld staat
1°. als de teboekstelling niet
of niet meer verplicht is;
2°. als het schip in een
verdragsregister teboekstaat onder voorwaarde van doorhaling
van de teboekstelling in de openbare registers;
3°. als het schip in het
register van een niet-verdragsstaat zal worden te boekgesteld
en in die staat zal voldoen aan tenminste één der in het
eerste lid van artikel 3 van het Verdrag van Genève genoemde
voorwaarden. In dit geval heeft de doorhaling slechts
rechtsgevolg, wanneer binnen 30 dagen daarna door de eigenaar
wordt overgelegd een door hem ondertekende verklaring, dat het
schip in het register van de genoemde staat teboekstaat en
aldaar voldoet aan tenminste één der in het eerste lid van
artikel 3 van het Verdrag van Genève genoemde voorwaarden.
b. op aangifte van de eigenaar of
ambtshalve
1°. als het schip vergaan is,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is geworden;
2°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
3°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers teboek zou staan, een zeeschip
zou zijn in de zin van artikel 2 of een dergelijk zeeschip in
aanbouw;
4°. als het schip niet of niet
meer voldoet aan tenminste één der in het eerste lid van
artikel 784 voor teboekstelling genoemde voorwaarden;
5°. als het schip in een
verdragsregister teboekstaat zonder dat daarbij de voorwaarde
van doorhaling van de teboekstelling in de openbare registers
is gesteld.
2.In de in het eerste lid onder b
genoemde gevallen is de eigenaar tot het doen van aangifte verplicht
binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft
voorgedaan.
3.Wanneer ten aanzien van het schip
inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden
bestaan, geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.Doorhaling geschiedt slechts na op
verzoek van de meest gerede partij verleende machtiging van de
rechter.
Artikel 787
1.Zolang de teboekstelling in de
openbare registers niet is doorgehaald heeft teboekstelling van een
binnenschip in een register van een niet-verdragsstaat of vestiging in
een niet-verdragsstaat van rechten daarop, voor vestiging waarvan in
Nederland inschrijving in de openbare registers vereist zou zijn
geweest geen rechtsgevolg.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
een teboekstelling of vestiging van rechten als daar bedoeld erkend,
wanneer deze geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na de
teboekstelling van het schip in het buitenlandse register.
Artikel 788
De enige zakelijke rechten, waarvan een
in het register teboekstaand binnenschip het voorwerp kan zijn, zijn de
eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in artikel 821 en
artikel 827 eerste lid onder b genoemde voorrechten.
Artikel 789 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 790
1.Een in de openbare registers
teboekstaand binnenschip is een registergoed.
2.Bij toepassing van artikel 301 van
Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89 leden 1 en 4
van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van een zodanig binnenschip,
kan de in het eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de
Nederlandse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet in
kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 791
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand binnenschip worden door een bezitter te goeder trouw
verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 792
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij hypotheek
wordt verleend op een teboekstaand binnenschip of een recht waaraan een
zodanig schip is onderworpen, duidelijk vermeld:
a. het aan de hypotheek onderworpen
schip;
b. de voorwaarden voor opeisbaarheid
of een verwijzing naar een op het kantoor van inschrijving
ingeschreven document waarin de voorwaarden voor opeisbaarheid zijn
vastgelegd;
c. de bedongen rente en het tijdstip
of de tijdstippen waarop deze vervalt.
Artikel 793
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die uit hoofde
van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die
toebehoren aan de eigenaar van het schip. Artikel 266 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 794
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 820, 821, 221, 222
eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 795
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen
gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het begin van de
uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 796
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand binnenschip is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing;
de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het schip in stand.
Artikel 797
1.De eerste twee leden van artikel 264
van Boek 3 zijn in geval van een hypotheek waaraan een teboekstaand
binnenschip is onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2.De artikelen 234 en 261 van Boek 3
zijn op een zodanige hypotheek niet van toepassing.
Artikel 798
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand binnenschip zijn de bepalingen van artikel 217 van Boek 3
mede van toepassing op bevrachting voor zover die bepalingen niet naar
hun aard uitsluitend op pacht, huur van bedrijfsruimte of huur van
woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Huurkoop van teboekstaande
binnenschepen
Artikel 800
1.Scheepshuurkoop van een in het in
artikel 783 genoemde register teboekstaand binnenschip komt tot stand
bij een notariële akte, waarbij de koper zich verbindt tot betaling
van een prijs in termijnen, waarvan twee of meer termijnen verschijnen
nadat de verkoper aan de koper het schip ter beschikking heeft gesteld
en de verkoper zich verbindt tot eigendomsoverdracht van het
binnenschip na algehele betaling van hetgeen door de koper krachtens
de overeenkomst is verschuldigd.
2.De overeenkomst is slechts van kracht
indien daartoe schriftelijk toestemming is verkregen van degenen van
wier beperkt recht of beslag blijkt uit een inschrijving in de
openbare registers, die reeds bestond op de dag van de inschrijving
van de in artikel 805 bedoelde hypotheek.
3.Voor de bedingen omtrent de
terbeschikkingstelling van het schip kan worden verwezen naar een aan
de akte te hechten en door partijen te ondertekenen geschrift.
4.De volmacht tot het aangaan van een
scheepshuurkoop moet bij authentieke akte worden verleend.
Artikel 801
1.De overeenkomst kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel
1 van Boek 3.
2.Bij eigendomsovergang op een derde
van een schip, ten aanzien waarvan reeds een
scheepshuurkoopovereenkomst was ingeschreven in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3, volgt deze derde in alle
rechten en verplichtingen van de scheepshuurverkoper op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
3.Rechten en verplichtingen welke
vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde
niet over.
Artikel 802
In de artikelen 803 tot en met 812 wordt
onder koper de scheepshuurkoper en onder verkoper de scheepshuurverkoper
verstaan.
Artikel 803
1.Partijen zijn verplicht in de akte te
vermelden welk deel van elk der te betalen termijnen strekt tot
aflossing van de prijs voor de koop van het schip ("de
koopsom"), welk deel strekt tot betaling van mogelijkerwijs
verschuldigde rente en welk deel mogelijkerwijs betrekking heeft op de
terbeschikkingstelling van het schip.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken met dien verstande dat,
bij gebreke of onduidelijkheid van de vermelding van de daar bedoelde
verdeling, deze op verzoek van de meest gerede partij alsnog door de
rechter wordt vastgesteld.
Artikel 804
Nietig is ieder beding volgens hetwelk
gedurende de contractsperiode een hogere koopsom kan worden vastgesteld.
Artikel 805
1.De verkoper is verplicht
a. het schip ter beschikking van de
koper te stellen en te laten;
b. de koper te vrijwaren voor de
gevolgen van
1°. een staat of eigenschap
van het schip
2°. een op het schip gelegd
beslag
3°. zijn faillissement of het
ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
4°. enige hem persoonlijk
betreffende omstandigheid
mits deze gevolgen ertoe leiden
dat het schip aan de koper niet die mate van beschikking kan
verschaffen die deze bij het aangaan van de overeenkomst er
van mocht verwachten. De verkoper is niet verplicht de koper
te vrijwaren voor de gevolgen van een feitelijke stoornis door
derden zonder bewering van recht op het schip of van een
bewering van recht op het schip zonder feitelijke stoornis;
c. zorg te dragen dat ten behoeve
van de koper op de dag der overeenkomst hypotheek op de eigendom
van het schip wordt gevestigd ten belope van een bedrag, gelijk
aan driemaal de koopsom, terzake van hetgeen de verkoper aan de
koper in verband met de scheepshuurkoop of de ontbinding daarvan
verschuldigd is of zal worden;
d. zich te onthouden van iedere
eigendomsoverdracht van het schip en zodra de koper zal hebben
voldaan aan zijn in de overeenkomst neergelegde verplichtingen tot
betaling, het schip aan dezen in eigendom over te dragen vrij van
na het tot stand komen van de scheepshuurkoop gevestigde
hypotheken ten gunste van derden en vrij van boven hypotheek
rangnemende voorrechten en beslagen terzake van vorderingen
waarvan de verkoper de schuldenaar is.
2.Nietig is ieder beding, waarbij ten
nadele van de koper van het in het eerste lid onder a, c of d bepaalde
wordt afgeweken, met dien verstande dat de hypotheek als daar onder c
wordt bedoeld, wordt verleend op de door partijen nader overeen te
komen voorwaarden of bij gebreke van overeenstemming daaromtrent op de
voorwaarden door de rechter alsnog op verzoek van de meest gerede
partij zo mogelijk in overeenstemming met het gebruik vast te stellen.
3.Nietig is ieder beding, waarbij ten
nadele van de koper van het in het eerste lid onder b bepaalde wordt
afgeweken ten aanzien van een feit dat de verkoper bij het aangaan van
de overeenkomst kende.
4.Nietig is ieder beding, waarbij het
bedrag van een door de verkoper mogelijkerwijs te betalen
schadevergoeding wegens niet nakoming van zijn uit dit artikel
voortvloeiende verplichtingen bij voorbaat wordt vastgesteld.
Artikel 806
De koper die aan zijn in de overeenkomst
neergelegde verplichtingen tot betaling heeft voldaan, is verplicht het
schip in eigendom te aanvaarden, mits dit vrij zij van hypotheken ten
gunste van derden en vrij van boven hypotheek rangnemende voorrechten en
beslagen terzake van vorderingen, waarvan de verkoper de schuldenaar is.
Artikel 807
1.Onder voorbehoud van artikel 808 is
de koper gerechtigd door hem verschuldigde gedeelten van de termijnen
die betrekking hebben op de koopsom en de rente aan te wenden tot
rechtstreekse betaling van opeisbare rente en aflossingen aan
schuldeisers te wier behoeve hypotheek op het schip is gevestigd.
2.Indien en voor zover het door de
koper aan de verkoper verschuldigde per termijn minder bedraagt dan
het bedrag dat periodiek aan rente en aflossing aan de in het eerste
lid bedoelde hypothecaire schuldeiser is verschuldigd, is deze, in
afwijking van artikel 29 van Boek 6 gehouden de overeenkomstig het
eerste lid betaalde huurkooptermijnen te ontvangen, onverminderd de
verplichting van de hypothecaire schuldenaar tot betaling van het
restant verschuldigde. De hypothecaire schuldeiser is verplicht de
hypothecaire schuldenaar mede te delen welke opeisbare rente en
aflossingen door de koper zijn betaald.
3.Indien de koper aan de in het eerste
lid bedoelde hypothecaire schuldeiser heeft doen weten, dat hij van
het hem in dit artikel toegekende recht gebruik wenst te maken, is
deze laatste verplicht de koper in te lichten omtrent de grootte van
de nog resterende hypothecaire schuld.
4.De betalingen overeenkomstig dit
artikel aan een hypothecaire schuldeiser gedaan, strekken in mindering
op hetgeen de koper aan de verkoper verschuldigd is. De koper stelt de
verkoper onverwijld in kennis van deze betalingen.
5.Overdracht of inpandgeving van de
vordering, die de verkoper op de koper heeft of een onder de koper ten
laste van de verkoper gelegd beslag, kan aan de rechten, die de koper
aan de bepalingen van dit artikel ontleent, geen afbreuk doen.
6.Bij openbare, eigenmachtige of
executoriale verkoop van het schip ten behoeve van een hypothecaire
schuldeiser of van een beslaglegger op het schip, heeft de koper de in
artikel 269 van Boek 3 bedoelde bevoegdheid. Maakt hij van dit recht
gebruik, dan is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 808
1.Na verloop van één jaar na het
sluiten van de overeenkomst is de koper gerechtigd het restant van de
verschuldigde koopsom geheel of ten dele vóór het verschijnen van de
bij de overeenkomst vastgestelde termijnen te voldoen met
herberekening van het rentebestanddeel in de termijnen die alsnog
verschuldigd waren, zulks op de voorwaarden door partijen
overeengekomen danwel overeen te komen of bij gebreke van
overeenstemming daaromtrent door de rechter op verzoek van de meest
gerede partij vast te stellen.
2.Nietig is ieder beding, waarbij ten
nadele van de koper van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 809
1.In geval de koper niet aan zijn
verplichting tot betaling van de koopsom of de rente, dan wel een
termijn daarvan voldoet, kan de verkoper hierop eerst een beroep doen
om krachtens een daartoe mogelijkerwijs gemaakt beding teruggave van
het schip te vorderen, nadat hij de koper terzake in gebreke heeft
gesteld en deze, nadat hem bij die ingebrekestelling een redelijke
termijn is gesteld alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, hiermee
in gebreke blijft.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 810
1.Indien de overeenkomst is ontbonden
tengevolge van het in gebreke blijven van de koper te voldoen aan zijn
verplichting tot betaling van de koopsom of de rente, dan wel een
termijn daarvan en de verkoper of de koper dientengevolge in een
betere vermogenstoestand zou geraken dan bij in stand blijven van de
overeenkomst, zijn partijen verplicht onverwijld tot volledige
verrekening over te gaan.
2.Ieder beding, waarbij de verkoper
zich de bevoegdheid voorbehoudt de waarde van het schip te bepalen,
laat de bevoegdheid van de koper deze waarde op zijn verzoek nader
door de rechter te doen vaststellen, onverlet.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 811 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 812
Nietig is ieder beding, krachtens hetwelk
de overeenkomst van rechtswege eindigt.
Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen
Artikel 820
1.In geval van uitwinning van een
binnenschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
tijdens deze uitwinning of verkoop, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2.In geval van verkoop van een
gestrand, onttakeld of gezonken binnenschip, dat de overheid in het
openbaar belang heeft doen opruimen, worden de kosten der
wrakopruiming uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
3.De in de vorige leden bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 820a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen
60, tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde tot
en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op binnenschepen niet
van toepassing.
Artikel 821
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn, behoudens
artikel 820, op een binnenschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt tot behoud van
het schip, daaronder begrepen de kosten van herstellingen, die
onontbeerlijk waren voor het behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de schipper of de andere leden der
bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met betrekking tot
loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een
bedrag over een tijdvak van zes maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het schip in
avarij-grosse.
Artikel 822
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 821 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 823
1.De bevoorrechte vorderingen, genoemd
in artikel 821, nemen rang in de volgorde, waarin zij daar zijn
gerangschikt.
2.Bevoorrechte vorderingen onder
dezelfde letter vermeld, staan in rang gelijk, doch de vorderingen
genoemd in artikel 821 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 824
De voorrechten, genoemd in artikel 821,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van hun
bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren
aan de eigenaar van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet herstelde
beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat deel van een beloning
voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van een
vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of
met pandrecht zijn bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter
niet vergoedingen welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst
van verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het risico
van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 825
1.De schuldeiser, die een voorrecht
heeft op grond van artikel 821, vervolgt zijn recht op het schip, in
wiens handen dit zich ook bevinde.
2.Voorrechten als bedoeld in artikel
821 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers bedoeld in
afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 826
De vorderingen genoemd in artikel 821,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de exploitatie van
het schip door een ander dan de eigenaar, tenzij aan deze de feitelijke
macht over het schip door een ongeoorloofde handeling was ontnomen en
bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw was.
Artikel 827
1.Boven alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend, doch
na de bevoorrechte vorderingen genoemd in artikel 821, na de
hypothecaire vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen
222 en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een
binnenschip, waaronder voor de toepassing van dit artikel niet is te
verstaan een binnenschip in aanbouw, bij voorrang verhaalbaar:
a. de vorderingen, die voortvloeien
uit rechtshandelingen die de eigenaar, de scheepshuurkoper of een
bevrachter binden en die rechtstreeks strekken tot het in bedrijf
brengen of houden van het schip, alsmede de vorderingen die tegen
een uit hoofde van artikel 461 gelezen met artikel 462 of artikel
943 gelezen met artikel 944 als vervoerder aangemerkte persoon
kunnen worden geldend gemaakt. Onder rechtshandeling is hier het
in ontvangst nemen van een verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 of afdeling 1 van titel 11 op de
eigenaar rusten;
c. de vorderingen genoemd in
artikel 1062 voor zover zij op de eigenaar rusten.
2.De in het eerste lid genoemde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
3.De artikelen 822, 824 onder a en 826
zijn op de in het eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op
de vorderingen die in het eerste lid onder b worden genoemd, is ook
artikel 825 van toepassing.
4.Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 828
Na de vorderingen genoemd in artikel 827
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek 3, voor
zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel van deze titel,
op een binnenschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 829
1.De krachtens deze afdeling verleende
voorrechten gaan te niet door verloop van een jaar, tenzij de
schuldeiser zijn vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze
termijn begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering voor
hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van de dag volgend
op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2.Het voorrecht gaat teniet met de
vordering.
3.In geval van executoriale verkoop
gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het
procesverbaal van verdeling wordt gesloten.
Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan
boord van binnenschepen
Artikel 830
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 831
1.In geval van uitwinning van zaken aan
boord van een binnenschip worden de kosten van uitwinning, de kosten
van bewaking daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
2.De in het vorige lid bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 832
1.Op zaken aan boord van een
binnenschip zijn de vorderingen ter zake van hulpverlening en van een
bijdrage van die zaken in avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen
nemen daartoe rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211,
221, 820, 821 en 831, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.
2.Op ten vervoer ontvangen zaken zijn
bevoorrecht de vorderingen uit een met betrekking tot die zaken
gesloten vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder door artikel
489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt toegekend. Deze
vorderingen nemen daartoe rang na die welke zijn genoemd in het eerste
lid en in de artikelen 204 en 794, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
Artikel 833
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 832 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 834
1.De vorderingen ter zake van
hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op
grond van artikel 211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel
832 eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van
de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2.De bevoorrechte vorderingen in het
tweede lid van artikel 832 vermeld staan in rang gelijk.
3.De in artikel 284 van Boek 3 genoemde
vordering neemt rang na de in de vorige leden genoemde vorderingen,
ongeacht wanneer die vorderingen zijn ontstaan.
4.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 835
De voorrechten, genoemd in artikel 832,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor verlies
of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat deel van een
beloning voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van
een vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze schadevergoedingen
of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn
bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen,
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel 283 van
Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 836
De in artikel 832 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn alsdan
daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar op het tijdstip,
dat het voorrecht is ontstaan, niet de schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 837
1.Met de aflevering van de zaken aan de
daartoe gerechtigde gaan, behalve in het geval van artikel 559, de in
artikel 832 genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet tijdig
verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs alsmede door
gerechtelijke rangregeling.
2.Zij blijven in stand, zolang de zaken
op grond van de artikelen 490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op
grond van artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 838
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden kan het
hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende recht slechts
gedurende 48 uur na het einde van de levering uitoefenen, doch zulks ook
indien deze zaken zich bevinden in handen van de eigenaar, de
scheepshuurkoper, een rompbevrachter of een tijdbevrachter van het
schip.
Afdeling 6. Slotbepalingen
Artikel 840
1.De afdelingen 2 tot en met 5 van
titel 8 zijn niet van toepassing op binnenschepen, welke toebehoren
aan het Rijk of enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor
de uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2.De beschikking waarbij de in het
eerste lid bedoelde bestemming is vastgesteld, kan worden ingeschreven
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek
3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing.
3.De inschrijving machtigt de bewaarder
tot doorhaling van de teboekstelling van het schip in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 841
1.Behoeven de in de afdelingen 2 tot en
met 6 van titel 8 geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de bevoegdheid
tot regeling krachtens de Kadasterwet.
2.In de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van artikel 786
tweede lid, een nadere regeling worden gegeven met betrekking tot de
termijn waarbinnen de eigenaar van een binnenschip, waarop het eerste
lid onder b ten vijfde van dat artikel van toepassing is en waarvan de
teboekstelling in het buitenlandse register heeft plaatsgevonden,
voordat het Verdrag van Genève voor de staat van dat register van
kracht is geworden, verplicht is tot het doen van aangifte tot
doorhaling van de teboekstelling.
Titel 9. Bemanning van een binnenschip
Afdeling 2. Schipper
Artikel 860
1.De schipper is verplicht voor de
belangen van de bevrachters en van de rechthebbenden op de aan boord
zijnde zaken, zo mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de
maatregelen die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.Indien het noodzakelijk is onverwijld
ter behartiging van deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is
de schipper daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3.Voor zover mogelijk geeft hij van
bijzondere voorvallen terstond kennis aan de belanghebbenden bij de
betrokken goederen en handelt hij in overleg met hen en volgens hun
orders.
Artikel 861
1.Beperkingen van de wettelijke
bevoegdheid van de schipper gelden tegen derden slechts wanneer die
hun bekend zijn gemaakt.
2.De schipper verbindt zichzelf slechts
dan, wanneer hij de grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 10. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 880
Op de exploitatie van een binnenschip
zijn de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over binnenwateren
Artikel 889
Partijen kunnen overeenkomen dat in
afwijking van de afdelingen 1 en 2 alsmede in afwijking van afdeling 1
van titel 20 de bepalingen van het Verdrag van Boedapest inzake de
overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI)
op het vervoer van toepassing zijn.
Artikel 890
1.De overeenkomst van goederenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt aan
boord van een schip zaken uitsluitend over binnenwateren te vervoeren.
2.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart,
wordt als vervoer over binnenwateren beschouwd, mits het varen van dit
schip over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over
binnenwateren.
3.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze
beide wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over binnenwateren
voor zover, met inachtneming tevens van het tweede lid van dit
artikel, het varen van het beweegkracht overbrengende schip als varen
over binnenwateren wordt beschouwd. Voor zover dit niet het geval is,
wordt het als vervoer over zee beschouwd.
4.Deze afdeling is niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoeren van poststukken ter uitvoering van
de universele postdienst bedoeld in de Postwet 2009 of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van artikel 980 is
deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren
van bagage.
Artikel 891
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 892
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij
daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender.
2.De overeenkomst van vletten is de
tijdbevrachting strekkende tot vervoer van zaken binnen een
havencomplex.
3.Ruimtebevrachting is de
reisbevrachting tegen een naar inhoud van het schip bepaalde vracht.
4.Onder "vervrachter" is in
deze afdeling de in het eerste lid genoemde vervoerder, onder
"bevrachter" de aldaar genoemde afzender te verstaan.
Artikel 893
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip,
anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van toepassing.
Artikel 894
1.Bij eigendomsovergang van een tevoren
vervracht, al dan niet teboekstaand, schip op een derde volgt deze in
alle rechten en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
2.Rechten en verplichtingen, welke
vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde
niet over.
Artikel 895
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 896
Onverminderd artikel 895 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
Artikel 897
1.In geval van tijdbevrachting is de
vervrachter verplicht de schipper opdracht te geven binnen de grenzen
door de overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te volgen.
De vervrachter staat er voor in, dat de schipper de hem gegeven
opdracht nakomt.
2.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip de plekken of plaatsen, waarheen hij het ter inlading,
lossing of anderszins op grond van het eerste lid beveelt te gaan,
veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze plekken of
plaatsen blijken niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter
slechts in zoverre niet aansprakelijk als de schipper, door de hem
gegeven orders op te volgen, onredelijk handelde.
3.Onverminderd artikel 943 wordt de
bevrachter mede verbonden door en kan hij rechten ontlenen aan een
rechtshandeling, die de schipper ingevolge het eerste lid van dit
artikel verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen
van een verklaring begrepen.
Artikel 898
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door een beschadiging, voor zover deze is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet
heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen
daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2.Ten aanzien van deugdelijkheid en
geschiktheid van het schip en van het materiaal, waarvan hij zich
bedient of die hij ter beschikking stelt, is van de vervoerder de zorg
vereist van een zorgvuldig vervoerder, die aan boord van eigen schip
vervoert en gebruik maakt van eigen materiaal. Voor ondeugdelijkheid
of ongeschiktheid van materiaal, dat door afzender of ontvanger ter
beschikking van de vervoerder is gesteld, is de vervoerder niet
aansprakelijk, voor zover een zorgvuldig vervoerder zich van zulk
materiaal zou hebben bediend.
3.Onder beschadiging worden mede
verstaan geheel of gedeeltelijk verlies van zaken, vertraging, alsmede
ieder ander schade veroorzakend feit.
Artikel 899
Vermoed wordt dat een zorgvuldig
vervoerder de volgende omstandigheden niet heeft kunnen vermijden:
a. brand;
b. ontploffing;
c. hitte;
d. koude;
e. optreden van knaagdieren of
ongedierte;
f. bederf;
g. lekkage;
h. smelting;
i. ontvlamming;
j. corrosie.
Artikel 900
Wanneer vervoerde zaken een beschadiging
of een verlies lijden, waaraan zij door hun aard licht onderhevig zijn,
wanneer levende dieren doodgaan of beschadigd worden, of wanneer door de
afzender in een laadkist gestuwde zaken bij onbeschadigde laadkist een
beschadiging of een verlies lijden, wordt vermoed dat de vervoerder noch
de omstandigheid die deze beschadiging of dit verlies veroorzaakte heeft
kunnen vermijden, noch heeft kunnen verhinderen, dat deze omstandigheid
tot deze beschadiging of dit verlies leidde.
Artikel 901
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door een beschadiging voor zover deze, hoe dan
ook, is veroorzaakt door een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
van één of meer opvarenden van het schip, de sleepboot of de
duwboot, gepleegd bij de navigatie daarvan, tenzij de navigatiefout
niet zou zijn gemaakt indien de vervoerder bij de keuze van deze
personen gehandeld zou hebben als van een zorgvuldig vervoerder mag
worden verwacht. Het in de vorige zin bepaalde geldt ook voor zover de
beschadiging mede werd veroorzaakt door een na de navigatiefout
opgekomen omstandigheid, die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden of waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen. Fouten gepleegd bij het samenstellen van een sleep of van
een duweenheid zijn navigatiefouten als hier bedoeld.
2.Voor schade ontstaan door eigen
navigatiefouten is de vervoerder slechts aansprakelijk, wanneer hij
deze beging hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.
3.Onder beschadiging worden mede
verstaan geheel of gedeeltelijk verlies van zaken, vertraging, alsmede
ieder ander schade veroorzakend feit.
Artikel 902
1.Nietig is ieder beding, waarbij de
ingevolge artikel 895 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast op andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is
voorzien, tenzij het betreft:
a. beschadiging opgekomen vóór of
voortvloeiend uit een omstandigheid liggend vóór het laden in of
na het lossen uit het schip;
b. het vervoer van zaken, die door
hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen en welker vervoer moet geschieden onder
omstandigheden of op voorwaarden, die een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen. Het hier bepaalde geldt echter slechts, wanneer
voor het vervoer van deze zaken geen cognossement aan order of
toonder, doch een blijkens zijn bewoordingen onverhandelbaar
document is afgegeven en het niet betreft een gewone
handelslading, verscheept bij gelegenheid van een gewone
handelsverrichting.
2.In afwijking van het eerste lid staat
het partijen vrij bij een in het bijzonder ten aanzien van het
voorgenomen vervoer aangegane en in een afzonderlijk, niet naar in een
ander geschrift voorkomende bedingen verwijzend, geschrift neergelegde
overeenkomst te bedingen dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor
schade ontstaan door een beschadiging, voor zover deze is veroorzaakt
door een in die overeenkomst ondubbelzinnig omschreven wijze van
behandeling der zaken dan wel ondeugdelijkheid of ongeschiktheid van
schip of materiaal. Ondanks zulk een beding blijft de vervoerder
aansprakelijk voor door de omschreven wijze van behandeling dan wel
ondeugdelijkheid of ongeschiktheid veroorzaakte beschadiging, voor
zover een zorgvuldig vervoerder deze had kunnen verhinderen.
3.Wordt voor het vervoer een
cognossement of ander document afgegeven, dan moet, op straffe van
nietigheid van een beding als bedoeld in het tweede lid, daarin
uitdrukkelijk worden verwezen naar dit afzonderlijke geschrift.
4.Onder beschadiging worden mede
verstaan niet-aflevering en geheel of gedeeltelijk verlies van zaken.
Artikel 903
1.Voor zover de vervoerder
aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de
artikelen 895 en 896 rustende verplichtingen, heeft de afzender geen
ander recht dan betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt
berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd.
2.De in het eerste lid genoemde waarde
wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen
dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze
ontbreekt, naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
3.De vervoerder is in geen geval
aansprakelijk voor verlies of schade van of aan zaken of met
betrekking tot deze, indien aard of waarde daarvan door de afzender
opzettelijk verkeerdelijk is opgegeven en, indien een cognossement is
afgegeven, daarin verkeerdelijk is opgenomen.
4.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel ten nadele van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 904
1.Indien met betrekking tot een zaak
hulploon, een bijdrage in avarij-grosse of een schadevergoeding uit
hoofde van artikel 951 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een
waardevermindering van die zaak.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel ten nadele van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 905
1.Voor zover de vervoerder
aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de
artikelen 895 en 896 rustende verplichtingen, is hij niet
aansprakelijk boven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen bedragen.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel ten nadele van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 906
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 907
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 908
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
3.Zijn bij het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde tijd, door welke oorzaak dan ook, de
overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking van de
vervoerder dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist,
bevoegd de overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden. De
afzender is op verlangen van de vervoerder in geval van opzegging van
de overeenkomst verplicht tot lossing van de reeds gestuwde zaken of,
in geval de vervoerder de reis aanvaardt en het vertrek van het schip
zonder herstuwing van de reeds gestuwde zaken niet mogelijk is, tot
deze herstuwing.
4.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst, doch niet vóór lossing van de
zaken.
5.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt tengevolge van de
opzegging, van de aanvaarding van de reis, dan wel van lossing of
herstuwing van reeds ingenomen zaken.
6.Dit artikel is niet van toepassing in
geval van tijdbevrachting.
Artikel 909
1.In geval van reisbevrachting is de
vervrachter na ontvangst van wat hij van de bevrachter heeft te
vorderen, op diens verlangen verplicht de reis te aanvaarden met een
gedeelte der overeengekomen zaken. De bevrachter is verplicht de
vervrachter de vracht over de niet ter beschikking gestelde zaken
vóór het begin van het vervoer te voldoen.
2.De vervrachter is bevoegd in plaats
van de ontbrekende zaken andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de
vracht, die hij voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de
bevrachter te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de
bevrachter vracht over niet ter beschikking gestelde zaken heeft
geïnd of gevorderd.
3.Is vertrek niet mogelijk zonder
herstuwing van de reeds gestuwde zaken, dan is de bevrachter op
verlangen van de vervrachter tot deze herstuwing verplicht. Hij is
bovendien verplicht de vervrachter de schade te vergoeden die deze
door herstuwing van reeds ingenomen zaken lijdt.
Artikel 910
1.De afzender is verplicht de
vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder
deze gegevens kent.
2.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
3.Is bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk
voldaan aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde verplichting
van de afzender, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 908 en het vijfde
lid van artikel 911 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 911
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke
oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen, die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de zaken
te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2.De vervoerder is verplicht redelijke
zorg aan te wenden dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld,
niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem terzake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de
artikelen 903 tot en met 906 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.
3.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Zijn bij het verstrijken van de tijd
waarbinnen de in het eerste lid genoemde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar
behoren aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 908 van
overeenkomstige toepassing.
5.Indien door het niet naar behoren
aanwezig zijn van de in dit artikel bedoelde documenten of
inlichtingen vervoer van zaken van de betrokken of van een andere
afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van
vertraging in de aanvang of het verloop daarvan, zal de
schadevergoeding niet minder bedragen dan het overliggeld over het
aantal uren, waarmee het vervoer is verlengd.
Artikel 912
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 913
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die materiaal, dat hij deze ter
beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving dan wel de
behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen
verhinderen.
2.Dit artikel laat artikel 914 en de
bepalingen nopens avarij-grosse onverlet.
Artikel 914
1.Ten vervoer ontvangen zaken, die een
zorgvuldig vervoerder, indien hij geweten zou hebben dat zij na hun
inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het oog daarop
niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen, mogen door hem op ieder
ogenblik en op iedere plaats worden gelost, vernietigd dan wel op
andere wijze onschadelijk gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer
ontvangen zaken, waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend,
geldt hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren.
2.Indien de vervoerder op grond van het
eerste lid gerechtigd is tot lossen, vernietigen of op andere wijze
onschadelijk maken van zaken, is de afzender op verlangen van de
vervoerder en wanneer hem dit redelijkerwijs mogelijk is, verplicht
deze maatregel te nemen.
3.Door het treffen van de in het eerste
of tweede lid bedoelde maatregel eindigt de overeenkomst met
betrekking tot de daar genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden
gelost, eerst na deze lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk de
afzender, degeen aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degeen,
aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven
vrachtbrief of cognossement bericht van aankomst van het schip moet
zenden. Dit lid is niet van toepassing met betrekking tot zaken die de
vervoerder na het treffen van de in het eerste of tweede lid bedoelde
maatregel alsnog naar hun bestemming vervoert.
4.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na beëindiging van de overeenkomst
verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
5.Indien zaken na beëindiging van de
overeenkomst alsnog in feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij
zich op het ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in
de staat, waarin zij feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet
afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van
beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan.
6.Indien de afzender na feitelijke
aflevering een zaak niet naar haar bestemming vervoert, wordt het
verschil tussen de waarden ter bestemming en ter plaatse van de
aflevering, beide als bedoeld in het tweede lid van artikel 903,
aangemerkt als waardevermindering van die zaak. Vervoert de afzender
een zaak na de feitelijke aflevering alsnog naar haar bestemming, dan
worden de kosten die hij te dien einde maakt aangemerkt als
waardevermindering van die zaak.
7.Op de feitelijke aflevering is het
tussen partijen overeengekomene alsmede het in deze afdeling nopens de
aflevering van zaken bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat
deze feitelijke aflevering niet op grond van de tweede zin van het
eerste lid of op grond van het derde lid van artikel 947 de vracht
verschuldigd doet zijn. De artikelen 955, 956 en 957 zijn van
overeenkomstige toepassing.
8.Dit artikel laat de bepalingen nopens
avarij-grosse onverlet.
9.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste of het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 915
1.Zowel de afzender als de vervoerder
kunnen terzake van het vervoer een document (vrachtbrief) opmaken en
verlangen dat dit of een mogelijkerwijs door hun wederpartij opgemaakt
document, door hun wederpartij wordt getekend en aan hen wordt
afgegeven. Dit document kan noch aan order noch aan toonder worden
gesteld. De ondertekening kan worden gedrukt of door een stempel dan
wel enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen.
2.In de vrachtbrief worden aan de hand
van door de afzender te verstrekken gegevens vermeld:
a. de ten vervoer ontvangen zaken,
b. de plaats waar de vervoerder de
zaken ten vervoer heeft ontvangen,
c. de plaats waarheen de vervoerder
op zich neemt de zaken te vervoeren,
d. de geadresseerde,
e. de vracht,
f. al hetgeen overigens aan
afzender en vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
De afzender staat in voor de juistheid,
op het ogenblik van inontvangstneming van de zaken, van de door hem
verstrekte gegevens.
3.Ondertekening door de afzender houdt
op zichzelf niet in, dat hij de juistheid erkent van de aantekeningen
die de vervoerder op de vrachtbrief ten aanzien van de zaken plaatste.
Artikel 916
1.Op verlangen van de afzender, geuit
voor de inlading een aanvang neemt, is de vervoerder verplicht voor
zaken, die hij ten vervoer ontving, een cognossement op te maken, te
dateren, te ondertekenen en tegen intrekking van een ontvangstbewijs
of ligcognossement, dat door hem mocht zijn afgegeven, aan de afzender
af te geven. De afzender is verplicht de gegevens, die nodig zijn voor
het opmaken van het cognossement te verstrekken en staat in voor de
juistheid daarvan op het ogenblik van de inontvangstneming van de
zaken. Op verlangen van de vervoerder is de afzender verplicht het
cognossement mede te ondertekenen of hem een ondertekend afschrift
daarvan ter hand te stellen.
2.Wanneer de zaken voor zij ten vervoer
zijn ingeladen door de vervoerder worden ontvangen, is deze op
verlangen van de afzender verplicht een ontvangstbewijs of een
voorlopig cognossement op te maken, te dateren, te ondertekenen en af
te geven. De afzender is verplicht de gegevens, die nodig zijn voor
het opmaken van dit document, te verstrekken en hij staat in voor de
juistheid daarvan op het ogenblik van de inontvangstneming van de
zaken.
3.Nadat de inlading is voltooid, is de
vervoerder op verlangen van de afzender verplicht een dergelijk
voorlopig cognossement hetzij om te ruilen tegen een cognossement, als
in het eerste lid bedoeld, hetzij op het voorlopige cognossement de
naam van het schip of de schepen, aan boord waarvan de zaken werden
geladen, en de datum of de data van de inlading aan te tekenen en
vervolgens deze gegevens te ondertekenen.
4.De ondertekening kan worden gedrukt
of door een stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden
vervangen.
Artikel 917
Indien een vervoerovereenkomst is
gesloten en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens
artikel 940 tweede lid, tweede volzin, de rechtsverhouding tussen de
vervoerder en de afzender door de bedingen van de vervoerovereenkomst en
niet door die van dit cognossement beheerst. Behoudens het in artikel
940 eerste lid gestelde vereiste van houderschap van het cognossement,
strekt dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
vervoerder.
Artikel 918
Het cognossement, voor zover het geen
ligcognossement is, vermeldt de ten vervoer ontvangen zaken, de plaats
waar de vervoerder hen ten vervoer heeft ontvangen, de plaats waarheen
de vervoerder op zich neemt hen te vervoeren, het schip aan boord
waarvan de zaken worden geladen, en de geadresseerde.
Artikel 919
1.In het cognossement wordt de
geadresseerde, ter keuze van de afzender, aangegeven hetzij bij name
of andere aanduiding, hetzij als order van de afzender of van een
ander, hetzij als toonder. Op verlangen van de vervoerder wordt
vermeld aan wie deze kennis kan geven dat hij gereed is te lossen.
2.De enkele woorden "aan
order" worden geacht de order van de afzender aan te geven.
Artikel 920
De verhandelbare exemplaren van een
cognossement, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het
geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle.
Artikel 921
1.Het cognossement bewijst, behoudens
tegenbewijs, dat de vervoerder de zaken heeft ontvangen en wel wat hun
aard betreft, zoals deze daarin in het algemeen zijn omschreven en
overigens zoals deze daarin naar aantal, gewicht of maat zijn vermeld.
Tegenbewijs tegen het cognossement wordt niet toegelaten, wanneer het
is overgedragen aan een derde te goeder trouw.
2.Indien in het cognossement de
clausule: "aard, aantal, maat of gewicht onbekend" of enige
andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen, binden zodanige
in het cognossement voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de
vervoerder niet, tenzij bewezen wordt, dat hij de aard, het aantal, de
maat of het gewicht der zaken heeft gekend of had behoren te kennen.
3.Een cognossement, dat de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert,
behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk zichtbaar
in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.Ondertekening door de afzender van
het cognossement of van een afschrift daarvan houdt op zichzelf niet
in, dat hij de juistheid erkent van de aantekeningen die de vervoerder
daarop ten aanzien van de zaken plaatste.
Artikel 922
1.Verwijzingen in het cognossement
worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor
degeen, jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar
zijn.
2.Een dergelijk beroep is slechts
mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degeen jegens wie
dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 923
Een cognossement aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 924
Levering van het cognossement vòòr de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als
levering van die zaken.
Artikel 925
De vervoerder is verplicht de plek van
inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van tijdbevrachting
is echter artikel 897 van toepassing en in geval van reisbevrachting
artikel 926.
Artikel 926
1.In geval van reisbevrachting is de
bevrachter verplicht de plek van inlading en lossing tijdig aan te
wijzen.
2.Hij moet daartoe aanwijzen een plek,
waar het schip veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
waarvandaan het veilig kan vertrekken.
3.Indien de aangewezen plek niet
beschikbaar is, lopen laad- en lostijd zoals zij gelopen zouden hebben
wanneer deze plek wel beschikbaar zou zijn geweest.
4.Wanneer de bevrachter niet aan deze
verplichting voldoet, is de vervrachter zonder dat enige aanmaning is
vereist bevoegd zelf de plek van inlading of lossing aan te wijzen.
5.Indien de bevrachter meer dan één
plek aanwijst, geldt de tijd nodig voor het verhalen als gebruikte
laad- of lostijd. De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening.
6.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip op de plek, die hij op grond van het eerste lid ter inlading
of lossing aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt niet aan
deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet
aansprakelijk als de schipper, door de hem gegeven aanwijzing op te
volgen, onredelijk handelde.
Artikel 927
Wanneer in geval van reisbevrachting de
bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te wijzen,
is artikel 926 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 928
In geval van ruimtebevrachting zijn alle
kosten en tijdverlet, veroorzaakt om het schip de plek waar het ter
beschikking moet worden gesteld te doen bereiken, ten laste van de
bevrachter. De vergoeding voor tijdverlet zal niet minder bedragen dan
het overliggeld voor de gebezigde uren.
Artikel 929
1.De vervoerder is verplicht het schip
ter inlading en ter lossing beschikbaar te stellen.
2.De afzender is verplicht de zaken aan
boord van het schip te laden en te stuwen en de ontvanger is verplicht
hen uit het schip te lossen. Wanneer de vervoerder daarbij
aanwijzingen geeft voor de veiligheid van de vaart of ter voorkoming
van schade zijn zij verplicht deze op te volgen.
Artikel 930
1.De laadtijd gaat in op de dag
volgende op die waarop de vervoerder aan de afzender of aan een door
deze aangewezen persoon het schip heeft gemeld.
2.Indien het de afzender bekend is, dat
het schip zich op de dag van het sluiten van de overeenkomst in de
laadplaats bevindt, wordt de vervoerder beschouwd als op die dag de in
het eerste lid bedoelde melding te hebben verricht.
Artikel 931
1.Voor zover de vervoerder verplicht is
tot laden, is hij gehouden zulks in de overeengekomen laadtijd te
doen.
2.Voor zover de afzender verplicht is
tot laden of stuwen, staat hij er voor in dat zulks in de
overeengekomen laadtijd geschiedt.
3.Wanneer overligtijd is bedongen, is
de afzender gerechtigd deze tijd na afloop van de laadtijd voor
inlading en stuwing te bezigen.
4.Bepaalt de vervoerovereenkomst
overliggeld, doch niet de overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld
op vier opeenvolgende dagen of, als op de ligplek een ander aantal
redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal.
5.De laadtijd wordt verkort met het
aantal uren, dat de belading eerder is aangevangen of de vervoerder
het schip op verlangen van de afzender eerder voor belading
beschikbaar hield dan het tijdstip, waarop ingevolge het eerste lid
van artikel 930 de laadtijd inging. Hij wordt verlengd met het aantal
uren, dat het schip na aanvang van de werktijd op de dag, waarop de
laadtijd inging, nog niet voor belading beschikbaar was.
6.Laadtijd, bedongen overligtijd en de
in het vierde lid bedoelde overligdagen worden, voor zover de afzender
tot laden of stuwen verplicht is, verlengd met de uren, dat niet kan
worden geladen of gestuwd door schuld van de vervoerder of door
omstandigheden gelegen in het schip of in het materiaal van het schip
waarvan de vervoerder of de afzender zich bedient. Zij nemen een
einde, wanneer belading en stuwing zijn beëindigd.
Artikel 932
1.De afzender is gehouden tot betaling
van overliggeld voor de overligtijd met uitzondering van de uren
vermeld in de eerste zin van het zesde lid van artikel 931. Hij is
bovendien verplicht de vervoerder de schade te vergoeden wanneer, door
welke oorzaak dan ook, vervoer van zaken van de betrokken of van een
andere afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van
vertraging in de aanvang of het verloop van dit vervoer, ontstaan
doordat de afzender belading en stuwing niet had voltooid in de
laadtijd en de bedongen of wettelijke overligtijd. Deze
schadevergoeding zal niet minder bedragen dan het overliggeld over het
aantal uren, waarmee het vervoer is verlengd.
2.De wettelijke bepalingen omtrent
boetebedingen zijn niet van toepassing op bedingen met betrekking tot
overliggeld.
3.Schuldenaren van overliggeld en een
mogelijkerwijs uit hoofde van het tweede lid van artikel 931
verschuldigde schadevergoeding zijn tot betaling daarvan hoofdelijk
verbonden.
4.Voorts gelden de regels, zo nodig
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, ten aanzien van het
aantal der laad- en losdagen, de berekening van de laad-, los- en
overligtijd, het bedrag van het overliggeld, de wijze, waarop het
gewicht der te vervoeren of vervoerde zaken wordt bepaald, de duur van
de werktijd en de uren, waarop deze begint en eindigt, voor zover niet
bij plaatselijke verordening andere uren van aanvang en einde zijn
bepaald, en de vergoeding voor of het meetellen van nachten,
zaterdagen, zondagen en daarmede geheel of gedeeltelijk gelijkgestelde
dagen, indien des nachts of op genoemde dagen geladen, gestuwd of
gelost wordt, alsmede het begin van laad- en lostijd en de dagen en
uren, waarop kennisgevingen van laad- of losgereedheid kunnen worden
gedaan.
Artikel 933
De artikelen 930, 931 en 932 vinden
overeenkomstige toepassing op lossen.
Artikel 934
1.Behalve in geval van tijd- of
reisbevrachting is de vervoerder wanneer, nadat de inlading een
aanvang heeft genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt
te zijn, dat het herstel, nodig voor de uitvoering van de
overeenkomst, niet zonder ingrijpende maatregel mogelijk is, na
lossing van de zaken bevoegd de overeenkomst te beëindigen, mits hij
dit zo spoedig mogelijk doet; een maatregel tot herstel, die lossing
van de gehele lading noodzakelijk maakt, wordt daarbij vermoed een
ingrijpende maatregel te zijn.
2.Vermoed wordt dat het vergaan of de
beschadiging van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die
voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder
komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem
vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
3.De vervoerder verwittigt, zo
mogelijk, de afzender, de geadresseerde en degeen aan wie hij volgens
de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht
van gereedheid tot lossen moet zenden.
4.Het vijfde, het zesde en het zevende
lid van artikel 914 zijn van toepassing.
Artikel 935
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
is de vervrachter, mits hij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd de
overeenkomst geheel of met betrekking tot een gedeelte der zaken al
dan niet uitdrukkelijk op te zeggen, wanneer het schip, zonder dat het
vergaan is, zodanig beschadigd blijkt te zijn, dat het, naar het
oordeel van de vervrachter, het herstel, nodig voor de uitvoering van
de overeenkomst, niet waard is of dit herstel binnen redelijke tijd
niet mogelijk is.
2.Wanneer in geval van reisbevrachting
de vervrachter reeds aan boord ontvangen zaken, zij het niet in het
bevrachte schip, ondanks de beëindiging van de overeenkomst, naar hun
bestemming vervoert, wordt dit vervoer vermoed op grond van de
oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden.
3.Door de opzegging eindigt de
overeenkomst, doch ten aanzien van reeds aan boord ontvangen zaken,
eerst na lossing van die zaken.
4.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat de beschadiging van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
5.De vervrachter verwittigt, zo spoedig
als dit mogelijk is, de bevrachter, de geadresseerde en degeen aan wie
hij bericht van gereedheid tot lossen moet zenden.
6.Het vijfde, het zesde en het zevende
lid van artikel 914 zijn van toepassing met dien verstande, dat in
geval van tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het
tijdstip van de lossing der zaken.
Artikel 936
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
eindigt de overeenkomst met het vergaan van het schip.
2.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat het vergaan van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
3.Vervoert de vervrachter ondanks het
vergaan van het schip zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog
naar hun bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit
vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te
vinden.
4.De vervrachter verwittigt, zo spoedig
als dit mogelijk is, de bevrachter, de geadresseerde en degeen aan wie
hij bericht van gereedheid tot lossen moet zenden.
5.Het vijfde, het zesde en het zevende
lid van artikel 914 zijn van toepassing.
Artikel 937
1.De afzender is, tenzij een
cognossement is afgegeven, bevoegd zichzelf of een ander als
geadresseerde aan te wijzen, een gegeven aanduiding van de
geadresseerde te wijzigen, orders omtrent de aflevering te geven of te
wijzigen dan wel aflevering van ten vervoer ontvangen zaken vóór de
aankomst ter bestemming te verlangen, voor zover de vervoerder aan
deze aanwijzingen redelijkerwijs kan voldoen en mits hij de vervoerder
en de belanghebbenden bij de overige lading ter zake schadeloos stelt.
Hij is verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de
avarij-grosse handeling plaatshad met het oog op een omstandigheid,
waarvan reeds vóór de aflevering is gebleken. Wanneer het schip naar
een niet eerder overeengekomen plaats of plek is gevaren, is hij
verplicht de vervoerder terzake bovendien een redelijke vergoeding te
geven.
2.Hij kan deze rechten niet uitoefenen,
wanneer door het opvolgen van zijn aanwijzingen de reis zou worden
vertraagd.
3.Deze rechten van de afzender
vervallen al naarmate de geadresseerde op de losplek zaken ter lossing
aanneemt of de geadresseerde van de vervoerder schadevergoeding
verlangt omdat deze zaken niet aflevert.
4.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 955, 956 en 957 zijn van toepassing.
Artikel 938
1.Indien een cognossement is afgegeven,
is uitsluitend de in artikel 940 bedoelde houder daarvan en dan alleen
tegen afgifte van alle verhandelbare exemplaren van dit cognossement,
bevoegd, voor zover de vervoerder hieraan redelijkerwijs kan voldoen,
aflevering van alle daarop vermelde zaken gezamenlijk vóór de
aankomst ter bestemming te verlangen, mits hij de vervoerder en de
belanghebbenden bij de overige lading terzake schadeloos stelt. Hij is
verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de avarij-grosse
handeling plaats had met het oog op een omstandigheid, waarvan reeds
vóór de aflevering is gebleken. Wanneer het schip naar een niet
eerder overeengekomen plaats of plek is gevaren, is hij verplicht de
vervoerder ter zake bovendien een redelijke vergoeding te geven.
2.Hij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer door de voortijdige aflevering de reis zou worden vertraagd.
3.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 955, 956 en 957 zijn van toepassing.
Artikel 939
Indien geen cognossement doch aan de
afzender een vrachtbrief die een geadresseerde vermeldt is afgegeven,
heeft ook deze geadresseerde jegens de vervoerder het recht aflevering
van de zaken overeenkomstig de op de vervoerder rustende verplichtingen
te vorderen; daarbij zijn de artikelen 903, 905 en 906 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 940
1.Indien een cognossement is afgegeven,
heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op
rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het
cognossement het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op de
vervoerder rustende verplichtingen te vorderen; daarbij zijn de
artikelen 903, 905 en 906 van toepassing.
2.Jegens de houder van het
cognossement, die niet de afzender was, is de vervoerder onder
cognossement gehouden aan en kan hij een beroep doen op de bedingen
van dit cognossement. Jegens iedere houder van het cognossement kan
hij de uit het cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling
geldend maken. Jegens de houder van het cognossement, die ook de
afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de bedingen van de
vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender
beroepen.
Artikel 941
1.Indien bij toepassing van artikel 943
verscheidene personen als vervoerder onder het cognossement moeten
worden aangemerkt zijn dezen jegens de in artikel 940 eerste lid
bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden.
2.In het in het eerste lid genoemde
geval is ieder der vervoerders gerechtigd de uit het cognossement
blijkende rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is
deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare bedrag dat
hij op grond van het cognossement aan één hunner heeft voldaan.
Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 942
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht, die
houder is van het exemplaar, waarvan ná de gemeenschappelijke voorman,
die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is
geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.
Artikel 943
1.Onverminderd de overige leden van dit
artikel worden als vervoerder onder het cognossement aangemerkt hij
die het cognossement ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het cognossement is
gebezigd. Is het cognossement niet of op onleesbare wijze ondertekend,
dan wordt de wederpartij van de afzender als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt.
2.Indien de schipper of een ander voor
hem het cognossement ondertekende, wordt naast degenen genoemd in het
eerste lid, die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de
laatste overeenkomst in de keten der exploitatie-overeenkomsten als
bedoeld in afdeling 1 van titel 5, als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt. Indien het schip in rompbevrachting is
uitgegeven wordt naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de
laatste rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven, dan wordt
naast de hiergenoemde eventuele tijd- of reisbevrachter ook de
eigenaar als vervoerder onder het cognossement aangemerkt.
3.In afwijking van de vorige leden
wordt uitsluitend de laatste rompbevrachter, onderscheidenlijk de
eigenaar, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien het
cognossement uitsluitend deze rompbevrachter, onderscheidenlijk de
eigenaar, uitdrukkelijk als zodanig aanwijst en, in geval van
aanwijzing van de rompbevrachter, bovendien diens identiteit uit het
cognossement duidelijk kenbaar is.
4.Dit artikel laat het tweede lid van
artikel 861 onverlet.
5.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 944
1.Het eerste lid, eerste volzin van
artikel 943 vindt geen toepassing indien een daar als vervoerder onder
het cognossement aangemerkte persoon bewijst dat hij die het
cognossement voor hem ondertekende daarbij de grenzen zijner
bevoegdheid overschreed of dat het formulier zonder zijn toestemming
is gebezigd. Desalniettemin wordt een in het eerste lid, eerste volzin
van artikel 943 bedoelde persoon als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt, indien de houder van het cognossement bewijst dat op het
ogenblik van uitgifte van het cognossement, op grond van een
verklaring of gedraging van hem voor wie is ondertekend of wiens
formulier is gebezigd, redelijkerwijze mocht worden aangenomen, dat
hij die ondertekende daartoe bevoegd was of dat het formulier met
toestemming was gebezigd.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
de rederij als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien
haar boekhouder door ondertekening van het cognossement de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens de
eerste houder van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte
daarvan wist dat de boekhouder de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed.
3.Een beroep op het tweede lid van
artikel 943 is mogelijk ook indien de schipper door ondertekening van
het cognossement of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens
hem te ondertekenen, de grenzen zijner bevoegdheid overschreed, doch
dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder van het
cognossement die op het ogenblik van uitgifte daarvan wist dat de
schipper de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
4.Het derde lid vindt eveneens
toepassing indien hij die namens de schipper het cognossement
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
Artikel 945
1.Is een vervrachter ingevolge artikel
943 tot meer gehouden dan waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting
is verplicht of ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is
gerechtigd, dan heeft hij - mits de ondertekening van het cognossement
of de afgifte van het formulier plaatsvond krachtens het in de
bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek van de bevrachter - deswege
op deze laatste verhaal.
2.Hetzelfde geldt voor een ingevolge
het eerste lid aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter
is.
Artikel 946
1.De houder van het cognossement, die
zich tot ontvangst van de zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat
hij deze heeft ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en
aan de vervoerder af te geven.
2.Hij is gerechtigd het cognossement
tot zekerheid der afgifte daarvan bij een, in geval van geschil op
verzoek van de meest gerede partij door de rechter aan te wijzen,
derde in bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.
3.Tenzij het cognossement in
overeenstemming met het eerste lid van kwijting is voorzien en aan de
vervoerder is afgegeven, is de ontvanger verplicht naarmate van de
aflevering van de zaken ontvangstbewijzen daarvoor af te geven, voor
zover althans dit de aflevering niet op onredelijke wijze vertraagt.
Artikel 947
1.Een derde gedeelte van de vracht,
berekend over de ten vervoer ontvangen zaken, - of, wanneer een beding
als "franco vracht tegen ontvangstbewijs" is gemaakt, twee
derde gedeelte daarvan - is verschuldigd op het ogenblik, dat de
vervoerder de zaken ten vervoer ontvangt of, wanneer door hem een
vrachtbrief of cognossement wordt afgegeven, bij het afgeven hiervan.
De overige vracht is verschuldigd na aflevering van de zaken ter
bestemming of ter plaatse, waar de vervoerder hen met inachtneming van
artikel 937 of artikel 938 afleverde. Is de vracht bepaald naar
gewicht of omvang der zaken, dan wordt hij berekend naar deze gegevens
bij aflevering.
2.Wanneer zaken weliswaar worden
afgeleverd, doch niet ter bestemming, is distantievracht verschuldigd.
Deze wordt berekend aan de hand van het door de zaken afgelegde
gedeelte van het vervoer en de door de vervoerder gemaakte kosten.
Hierbij wordt rekening gehouden met de gehele duur en lengte van het
vervoer en het totaal van de daarvoor door de vervoerder te maken
kosten.
3.Vracht, die in één som voor alle
zaken is bepaald, is, ook wanneer slechts een gedeelte van die zaken
ter bestemming is afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd.
4.Vracht, die vooruit te voldoen is of
voldaan is, is en blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in
zijn geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter bestemming
worden afgeleverd.
5.Zaken, die niet zijn afgeleverd,
worden desalniettemin aangemerkt als afgeleverde zaken voor zover het
niet afleveren het gevolg is van de aard of een gebrek van de zaken,
dan wel van een handeling of nalaten van een rechthebbende op of de
afzender, geadresseerde of ontvanger van de zaken.
6.Wanneer de vracht in het cognossement
op een lager bedrag is vastgesteld dan in de vervoerovereenkomst, is
het verschil aan de vervoerder vooruit te voldoen.
7.Wanneer de afzender niet de vóór
het begin van het vervoer verschuldigde vracht heeft voldaan, is de
vervoerder bevoegd het vertrek van het schip op te schorten. Met
toestemming van de rechter is hij gerechtigd tot het nemen van de in
de artikelen 955 en 957 genoemde maatregelen. Gaat hij hiertoe over,
dan zijn deze artikelen alsmede artikel 956 van toepassing. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden, wanneer,
door welke oorzaak dan ook, vervoer van zaken van de betrokken of van
een andere afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge
van deze opschorting. Deze schadevergoeding zal niet minder bedragen
dan het overliggeld over het aantal uren, waarmee het vervoer is
verlengd.
Artikel 948
Voor zaken die door een opvarende voor
eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden vervoerd is de
hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de inlading voor
soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze vracht is verschuldigd ook
wanneer de zaken niet ter bestemming worden afgeleverd en de ontvanger
is met de verscheper hoofdelijk voor deze vracht verbonden.
Artikel 949
Onder voorbehoud van de laatste zinsnede
van het zesde lid van artikel 935 is in geval van tijdbevrachting vracht
niet verschuldigd over de tijd, dat de bevrachter het schip niet
overeenkomstig de bedingen van de bevrachting te zijner beschikking
heeft
a. ten gevolge van beschadiging
daarvan, dan wel
b. doordat de vervrachter in de
nakoming van zijn verplichtingen tekort schiet,
mits het schip meer dan 24 aaneengesloten
uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.
Artikel 950
1.Bij tijdbevrachting komen de
brandstof voor de voortstuwingsinstallaties en de smeerolie, de
havenrechten en soortgelijke rechten en uitgaven, die verschuldigd
worden ten gevolge van uitgevoerde reizen en het vervoeren van zaken,
ten laste van de bevrachter. De overige lasten der exploitatie van het
schip komen ten laste van de vervrachter.
2.Bij vletten komen de havengelden ten
laste van de vervrachter, tenzij het schip zich begeeft naar een
andere gemeente. In dat geval komen de havengelden, verschuldigd in
die andere gemeente, alsmede de havengelden, verschuldigd na terugkeer
in de oorspronkelijke gemeente, ten laste van de bevrachter.
Artikel 951
Onverminderd het omtrent avarij-grosse
bepaalde en onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn de
afzender en de ontvanger en, indien een cognossement is afgegeven, de in
artikel 940 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk verbonden de vervoerder
de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer
inliet met de behartiging van de belangen van een rechthebbende op ten
vervoer ontvangen zaken dan wel doordat de kapitein of de schipper zijn
in de artikelen 261 of 860 genoemde verplichtingen is nagekomen.
Artikel 952
Slechts een schriftelijk en
ondubbelzinnig daartoe strekkend beding ontheft de afzender van zijn
verplichtingen terzake van het vervoer.
Artikel 953
1.De vervoerder is verplicht de
bedragen, die als rembours op de zaak drukken, bij aflevering van de
zaak van de ontvanger te innen en vervolgens aan de afzender af te
dragen. Wanneer hij aan deze verplichting, door welke oorzaak dan ook,
niet voldoet, is hij verplicht het bedrag van het rembours aan de
afzender te vergoeden, doch indien deze geen of minder schade leed,
ten hoogste tot op het bedrag van de geleden schade.
2.De ontvanger, die ten tijde van de
aflevering weet dat een bedrag als rembours op de zaak drukt, is
verplicht aan de vervoerder het door deze aan de afzender
verschuldigde bedrag te voldoen.
Artikel 954
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is
of zal worden ter zake van het vervoer van die zaken alsmede voor
hetgeen als bijdrage in avarij-grosse op die zaken verschuldigd is of
zal worden. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze
van rembours op de zaak drukt. Indien een cognossement is afgegeven,
kan hij dit recht slechts uitoefenen voor wat hem door de ontvanger
verschuldigd is of zal worden, tenzij het cognossement bepaalt, dat de
vracht of andere vorderingen terzake van het vervoer door de afzender
moeten worden voldaan; in dat geval kan hij de zaken terughouden,
totdat de afzender aan zijn verplichtingen voldoet. Dit retentierecht
vervalt zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van
die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog
niet kan worden vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen
zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak
drukt.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 955
1.Voor zover, nadat zo nodig de in
artikel 933 bedoelde melding is geschied, hij die jegens de vervoerder
recht heeft op aflevering van vervoerde zaken, niet opkomt, weigert
deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst
neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien de
vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een houder van een
cognossement die als ontvanger opkomt, desalniettemin niet tot de
aflevering gerechtigd is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen, dat hij deze zaken, desgewenst ook in het schip,
onder zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen.
Hij is verplicht de afzender zo spoedig mogelijk op de hoogte te
stellen.
2.De derde-bewaarnemer en de ontvanger
zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet
gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van
hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 956
De vervoerder blijft in het geval van de
artikelen 954 of 955, zolang hij de zaken niet heeft opgeslagen, voor
ieder uur oponthoud gerechtigd tot overliggeld of, indien hij meer
schade lijdt, tot volledige schadevergoeding.
Artikel 957
1.In geval van toepassing van artikel
955 kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, op zijn verzoek door de
rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die
jegens hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens degeen
aan wie hij volgens artikel 933 melding moet doen.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening
van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is
gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in
bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is
terzake van het vervoer, op grond van een remboursbeding, alsmede een
bijdrage in avarij-grosse; voor zover deze vorderingen nog niet
vaststaan, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter
te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vorderingen strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 958
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, elkaar over en weer in
redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van de zaak en
het natellen van de colli mogelijk te maken.
Artikel 959
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is bevoegd bij de
aflevering van zaken de rechter te verzoeken een gerechtelijk
onderzoek te doen plaatshebben naar het gewicht, de maat of enige
andere omstandigheid, die van belang is bij de vaststelling van de
vracht, alsmede naar de toestand waarin de zaken worden afgeleverd;
tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij bevonden
verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 960
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is, wanneer hij
verliezen of schaden van zaken vermoedt, bevoegd de rechter te
verzoeken bij of terstond na de aflevering daarvan en desgewenst aan
boord van het schip, een gerechtelijk onderzoek te doen plaatshebben
naar de oorzaak daarvan.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 961
1.De kosten van gerechtelijk onderzoek,
als bedoeld in de artikelen 959 en 960, moeten worden voldaan door de
aanvrager.
2.De rechter kan deze kosten en door
het onderzoek geleden schade geheel of gedeeltelijk ten laste van de
wederpartij van de aanvrager brengen, ook al zouden daardoor de
bedragen genoemd in de in artikel 905 bedoelde algemene maatregel van
bestuur worden overschreden.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over binnenwateren
Artikel 970
1.De overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan boord van een
schip een of meer personen (reizigers) en al dan niet hun bagage
uitsluitend over binnenwateren te vervoeren. Vervoer tussen wal en
schip als bedoeld in artikel 501 onder a wordt niet als vervoer over
binnenwateren aangemerkt. De overeenkomst van personenvervoer aan
boord van een luchtkussenvoertuig noch de overeenkomst van
personenvervoer als omschreven in artikel 100 is een overeenkomst van
personenvervoer in de zin van deze afdeling.
2.Hutbagage in de zin van deze afdeling
is de bagage, met uitzondering van levende dieren die de reiziger in
zijn hut heeft, die hij in zijn bezit, onder zijn toezicht of in zijn
macht heeft, alsmede de bagage die hij aan boord heeft van een met hem
als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip, doch niet dit
voertuig of schip zelf.
3.Handbagage in de zin van deze
afdeling is de bagage, met uitzondering van levende dieren, die de
reiziger als gemakkelijk mee te voeren, draagbare dan wel met de hand
verrijdbare zaken op of bij zich heeft.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken die geen hut- of handbagage zijn voor de toepassing van
bepalingen van deze afdeling als hut- of handbagage worden aangewezen,
dan wel bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden
verklaard op zaken, die hut- of handbagage zijn.
Artikel 971
Vervoer over binnenwateren omvat
a. met betrekking tot personen of hun
hut- of handbagage de tijd dat de reiziger of zijn hut- of
handbagage aan boord van het schip verblijft, de tijd van inscheping
of ontscheping, alsmede, onder voorbehoud van artikel 501, de tijd
dat de reiziger of zijn hut- of handbagage te water wordt vervoerd
tussen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan
in de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde
schip door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Vervoer over binnenwateren van personen omvat echter niet de tijd
dat de reiziger verblijft op een ponton, een steiger, een veerstoep
of enig schip dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan
hij vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw, op een kade
of enige andere haveninstallatie;
b. met betrekking tot hut- of
handbagage bovendien de tijd dat de reiziger verblijft op een
ponton, een steiger, een veerstoep of enig schip dat ligt tussen de
wal en het schip aan boord waarvan hij vervoerd zal worden of werd,
in een stationsgebouw, op een kade of enige andere haveninstallatie,
indien die bagage is overgenomen door de vervoerder en niet weer aan
de reiziger is afgeleverd;
c. met betrekking tot bagage die noch
hut- noch handbagage is, de tijd tussen het overnemen daarvan door
de vervoerder hetzij te land, hetzij aan boord en de aflevering door
de vervoerder.
Artikel 972
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van
een schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van zijn wederpartij (de
bevrachter).
2.De in afdeling 2 van titel 10 in het
bijzonder voor het geval van bevrachting gegeven bepalingen, alsmede
artikel 894 zijn op deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 973
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip
ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van
toepassing.
Artikel 974
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien een
voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor
zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid
waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Vermoed wordt dat een zorgvuldig
vervoerder de omstandigheid die leidde tot schipbreuk, aanvaring,
stranding, ontploffing of brand heeft kunnen vermijden, alsmede dat
zulk een vervoerder heeft kunnen verhinderen dat deze omstandigheid
tot een dergelijk voorval leidde.
3.Gebrekkigheid of slecht functioneren
van het schip of van het materiaal waarvan hij zich voor het vervoer
bedient, wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen heeft
kunnen verhinderen.
4.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
Artikel 975
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel
beschadiging van hut- of handbagage met uitzondering van een zaak, die
zich aan boord van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of
schip bevindt, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed
tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of
waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Het tweede en derde lid van artikel
974 zijn van toepassing.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
4.Dit artikel laat de artikelen 545 en
1006 onverlet.
Artikel 976
Onder voorbehoud van artikel 975 is de
vervoerder aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of
gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van bagage, indien een voorval
dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit
voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden |