Nadere regelgeving:
- Besluit laad- en lostijden en overliggeld in de binnenvaart 1991
(vervallen)
- Besluit nationaliteitstoets zeeschepen
-
Besluit regels avarij-grosse ex artikel 613 Boek 8 Burgerlijk
Wetboek
-
Besluit regels avarij-grosse ex artikel 1022 Boek 8 Burgerlijk
Wetboek
-
Maatregel te boek gestelde luchtvaartuigen 1996
-
Maatregel te boek gestelde schepen 1992
-
Uitvoeringsbesluit aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen en
milieuverontreiniging
- Uitvoeringsregeling
Kadasterwet 1994'
Burgerlijk Wetboek Boek 8,
Verkeersmiddelen en vervoer
Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer
I. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In dit wetboek worden onder schepen
verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun
constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken, die geen schepen zijn, voor de toepassing van bepalingen
van dit wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van
dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken, die schepen
zijn.
3.Voortbewegingswerktuigen en andere
machinerieën worden bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na
hun inbouw, hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na
voltooiing van het schip zal zijn.
4.Onder scheepstoebehoren worden
verstaan de zaken, die, geen bestanddeel van het schip zijnde, bestemd
zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn
te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die
zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden
afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het
schip wordt toegebracht.
5.Behoudens afwijkende bedingen wordt
het scheepstoebehoren tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan
worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3.
6.Voor de toepassing van het derde, het
vierde en het vijfde lid van dit artikel wordt onder schip mede
verstaan een schip in aanbouw.
Artikel 2
1.In dit wetboek worden onder
zeeschepen verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en
de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun
constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn
bestemd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen schepen, die geen zeeschepen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van dit wetboek als zeeschip worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
schepen, die zeeschepen zijn.
3.In dit wetboek worden onder
zeevissersschepen verstaan zeeschepen, die blijkens hun constructie
uitsluitend of in hoofdzaak voor de bedrijfsmatige visvangst zijn
bestemd.
Artikel 3
1.In dit wetboek worden onder
binnenschepen verstaan de schepen die als binnenschip teboekstaan in
de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3,
en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun
constructie noch uitsluitend noch in hoofdzaak voor drijven in zee
zijn bestemd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen schepen, die geen binnenschepen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van dit wetboek als binnenschip worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
schepen, die binnenschepen zijn.
Artikel 3a
1.In dit wetboek worden onder
luchtvaartuigen verstaan toestellen die in de dampkring kunnen worden
gehouden ten gevolge van krachten die de lucht daarop uitoefent, met
uitzondering van toestellen die blijkens hun constructie bestemd zijn
zich te verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden
tussen het toestel en het oppervlak der aarde.
2.Het casco, de motoren, de
luchtschroeven, de radiotoestellen en alle andere voorwerpen bestemd
voor gebruik in of aan het toestel, onverschillig of zij daarin of
daaraan zijn aangebracht dan wel tijdelijk ervan zijn gescheiden, zijn
bestanddeel van het luchtvaartuig.
3.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken die geen luchtvaartuigen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van dit wetboek als luchtvaartuig worden aangewezen, dan
wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
zaken die luchtvaartuigen zijn.
Artikel 3b
In dit wetboek wordt verstaan onder:
a. spoorvoertuig: voertuig, bestemd
voor het verkeer over spoorwegen;
b. spoorweginfrastructuur: spoorwegen
als bedoeld in artikel 1 onder b van de Spoorwegwet en daarbij
horende spoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 1 onder c van
de Spoorwegwet;
c. beheerder van de
spoorweginfrastructuur: de beheerder bedoeld in artikel 1 onder h
van de Spoorwegwet dan wel, indien die bepaling niet van toepassing
is, degene die de spoorweginfrastructuur ter beschikking stelt.
d. spoorwegonderneming: elke
spoorwegonderneming als bedoeld in artikel 1 onder f van de
Spoorwegwet.
Artikel 4
Onder voorbehoud van artikel 552 worden
in dit boek de Dollart, de Waddenzee, het IJsselmeer, de stromen, de
riviermonden en andere zo nodig voor de toepassing van bepalingen van
dit boek bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren,
binnen zo nodig nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
grenzen, als binnenwater beschouwd.
Artikel 5
In dit wetboek worden onder opvarenden
verstaan alle zich aan boord van een schip bevindende personen.
Artikel 6
In dit wetboek worden de kapitein en de
schipper aangemerkt als lid van de bemanning.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 8
In dit wetboek worden onder bagage
verstaan de zaken, die een vervoerder in verband met een door hem
gesloten overeenkomst van personenvervoer op zich neemt te vervoeren met
uitzondering van zaken, vervoerd onder een het vervoer van zaken
betreffende overeenkomst.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 10
In dit wetboek wordt onder reder verstaan
de eigenaar van een zeeschip.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 12
In dit boek leidt strijd met een
dwingende wetsbepaling tot ambtshalve toe te passen nietigheid van de
rechtshandeling.
Artikel 13
Dit boek laat onverlet enige voor
Nederland van kracht zijnde internationale overeenkomst of enige wet die
de aansprakelijkheid voor kernschade regelt.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1992]
Titel 2. Algemene bepalingen betreffende
vervoer
Afdeling 1. Overeenkomst van
goederenvervoer
Artikel 20
De overeenkomst van goederenvervoer is de
overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de
andere partij (de afzender) verbindt zaken te vervoeren.
Artikel 21
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 22
Onverminderd artikel 21 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
Artikel 23
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade, voor zover deze is veroorzaakt door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een
vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
Artikel 24
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 25
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen. Hij is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze
ten gevolge van de opzegging lijdt.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 26
De afzender is verplicht de vervoerder
omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die
opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan
hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van belang
zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze gegevens kent.
Artikel 27
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die van de
zijde van de afzender voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak
dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 28
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 29
De vracht is verschuldigd na aflevering
van de zaken ter bestemming.
Artikel 30
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de
ontvanger verschuldigd is of zal worden terzake van het vervoer van
die zaken. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze
van rembours op die zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de
vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en
voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden
voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 31
Wordt de vervoerder dan wel de afzender
of een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst aangesproken,
dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
goederenvervoer.
Afdeling 2. Overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer
Artikel 40
De overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer deels over
zee, over binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht of
door een pijpleiding dan wel door middel van enige andere
vervoerstechniek zal geschieden.
Artikel 41
Bij een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat deel
toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 42
1.Indien de gecombineerd vervoerder de
zaken niet zonder vertraging ter bestemming aflevert in de staat
waarin hij hen heeft ontvangen en niet is komen vast te staan, waar de
omstandigheid, die het verlies, de beschadiging of de vertraging
veroorzaakte, is opgekomen, is hij voor de daardoor ontstane schade
aansprakelijk, tenzij hij bewijst, dat hij op geen der delen van het
vervoer, waar het verlies, de beschadiging of de vertraging kan zijn
opgetreden, daarvoor aansprakelijk is.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 43
1.Indien de gecombineerd vervoerder
aansprakelijk is voor schade ontstaan door beschadiging, geheel of
gedeeltelijk verlies, vertraging of enig ander schadeveroorzakend feit
en niet is komen vast te staan waar de omstandigheid, die hiertoe
leidde, is opgekomen, wordt zijn aansprakelijkheid bepaald volgens de
rechtsregelen die toepasselijk zijn op dat deel of die delen van het
vervoer, waarop deze omstandigheid kan zijn opgekomen en waaruit het
hoogste bedrag aan schade vergoeding voortvloeit.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 44
1.De gecombineerd vervoerder kan op
verlangen van de afzender, geuit alvorens zaken te zijner beschikking
worden gesteld, terzake van het vervoer een document (CT-document)
opmaken, dat door hem wordt gedateerd en ondertekend en aan de
afzender wordt afgegeven. De ondertekening kan worden gedrukt of door
een stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen.
2.Op het CT-document worden vermeld:
a. de afzender,
b. de ten vervoer ontvangen zaken
met omschrijving van de algemene aard daarvan, zoals deze
omschrijving gebruikelijk is,
c. een of meer der volgende
gegevens met betrekking tot de onder b bedoelde zaken:
1°. aantal,
2°. gewicht,
3°. volume,
4°. merken,
d. de plaats waar de gecombineerd
vervoerder de zaken ten vervoer heeft ontvangen,
e. de plaats waarheen de
gecombineerd vervoerder op zich neemt de zaken te vervoeren,
f. de geadresseerde die, ter keuze
van de afzender, wordt aangegeven hetzij bij name of andere
aanduiding, hetzij als order van de afzender of van een ander,
hetzij als toonder. De enkele woorden "aan order" worden
geacht de order van de afzender aan te geven,
g. de gecombineerd vervoerder,
h. het aantal exemplaren van het
document indien dit in meer dan één exemplaar is uitgegeven,
i. al hetgeen overigens afzender en
gecombineerd vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
3.De aanduidingen vermeld in het tweede
lid onder a tot en met c worden in het CT-document opgenomen aan de
hand van door de afzender te verstrekken gegevens, met dien verstande
dat de gecombineerd vervoerder niet verplicht is in het CT-document
enig gegeven met betrekking tot de zaken op te geven of te noemen,
waarvan hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat het niet
nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeeft of
tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad. De
gecombineerd vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te
hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of gepompte
zaken te toetsen. De afzender staat in voor de juistheid, op het
ogenblik van de inontvangstneming van de zaken, van de door hem
verstrekte gegevens.
4.Partijen zijn verplicht elkaar de
schade te vergoeden die zij lijden door het ontbreken van in het
tweede lid genoemde gegevens.
Artikel 45
De verhandelbare exemplaren van het
CT-document, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het geheel
zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle. Niet
verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden aangeduid.
Artikel 46
1.Voor het deel van het vervoer, dat
overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst zal
plaatsvinden als vervoer over zee of binnenwateren, wordt het
CT-document als cognossement aangemerkt.
2.Voor het deel van het vervoer, dat
overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst over de weg
zal plaatsvinden, wordt het CT-document als vrachtbrief aangemerkt.
3.Voor het deel van het vervoer, dat
overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst over
spoorwegen of door de lucht zal plaatsvinden, wordt het CT-document,
mits het mede aan de daarvoor gestelde vereisten voldoet, als voor
dergelijk vervoer bestemd document aangemerkt.
Artikel 47
Indien een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is gesloten en bovendien een CT-document is afgegeven,
wordt, behoudens artikel 51 tweede lid, tweede volzin, de
rechtsverhouding tussen de gecombineerd vervoerder en de afzender door
de bedingen van de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer en niet
door die van dit CT-document beheerst. Behoudens het in artikel 51
eerste lid gestelde vereiste van houderschap van het CT-document, strekt
dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
gecombineerd vervoerder.
Artikel 48
1.Het CT-document bewijst, behoudens
tegenbewijs, dat de gecombineerd vervoerder de zaken heeft ontvangen
en wel zoals deze daarin zijn omschreven. Tegenbewijs tegen het
CT-document wordt niet toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een
derde te goeder trouw.
2.Indien in het CT-document de
clausule: "aard, gewicht, aantal, volume of merken onbekend"
of enige andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen, binden
zodanige in het CT-document voorkomende vermeldingen omtrent de zaken
de gecombineerd vervoerder niet, tenzij bewezen wordt dat hij de aard,
het gewicht, het aantal, het volume of de merken der zaken heeft
gekend of had behoren te kennen.
3.Een CT-document, dat de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert,
behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de gecombineerd vervoerder die zaak voor zover
uiterlijk zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.Een in het CT-document opgenomen
waarde-opgave schept, behoudens tegenbewijs, een vermoeden, doch bindt
niet de gecombineerd vervoerder die haar kan betwisten.
5.Verwijzingen in het CT-document
worden geacht slechts die bedingen daarin te voegen, die voor degeen,
jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op schriftelijk
verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan worden gedaan of wordt
gedaan, aan deze onverwijld die bedingen heeft doen toekomen.
6.Dit artikel laat onverlet de
bepalingen die aan cognossement of vrachtbrief een grotere
bewijskracht toekennen.
7.Nietig is ieder beding, waarbij van
het vijfde lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 49
Een CT-document aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 50
Levering van het CT-document vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als
levering van die zaken.
Artikel 51
1.Indien een CT-document is afgegeven,
heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op
rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de gecombineerd
vervoerder het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op deze
rustende verplichtingen te vorderen. Onverminderd dit recht op
aflevering heeft hij - en hij alleen - voor zover de gecombineerd
vervoerder aansprakelijk is wegens het niet nakomen van de op hem
rustende verplichting zaken zonder vertraging ter bestemming af te
leveren in de staat waarin hij hen heeft ontvangen, uitsluitend het
recht te dier zake schadevergoeding te vorderen.
2.Jegens de houder van het CT-document,
die niet de afzender was, is de gecombineerd vervoerder gehouden aan
en kan hij een beroep doen op de bedingen van het CT-document. Jegens
iedere houder van het CT-document kan hij de daaruit duidelijk kenbare
rechten tot betaling geldend maken. Jegens de houder van het
CT-document, die ook de afzender was, kan de gecombineerd vervoerder
zich bovendien op de bedingen van de overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender
beroepen.
Artikel 52
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde CT-document heeft hij het beste recht, die
houder is van het exemplaar, waarvan ná de gemeenschappelijke voorman,
die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is
geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.
Afdeling 3. Overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen
Artikel 60
De overeenkomst tot het doen vervoeren
van goederen is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de expediteur)
zich jegens zijn wederpartij (de opdrachtgever) verbindt tot het te
haren behoeve met een vervoerder sluiten van een of meer overeenkomsten
van vervoer van door deze wederpartij ter beschikking te stellen zaken,
dan wel tot het te haren behoeve maken van een beding in een of meer
zodanige vervoerovereenkomsten.
Artikel 61
1.Voor zover de expediteur de
overeenkomst tot het sluiten waarvan hij zich verbond, zelf uitvoert,
wordt hij zelf aangemerkt als de vervoerder uit die overeenkomst.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 62
1.Indien de zaken niet zonder
vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij
ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur, voor zover hij een
vervoerovereenkomst die hij met een ander zou sluiten, zelf uitvoerde,
verplicht zulks onverwijld aan de opdrachtgever die hem kennis gaf van
de schade mede te delen.
2.Doet de expediteur de in het eerste
lid bedoelde mededeling niet, dan is hij, wanneer hij daardoor niet
tijdig als vervoerder is aangesproken, naast vergoeding van de schade
die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding, die
hij zou hebben moeten voldoen, wanneer hij wel tijdig als vervoerder
zou zijn aangesproken.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 63
1.Indien de zaken niet zonder
vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij
ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur voor zover hij de
vervoerovereenkomst, welke hij met een ander zou sluiten, niet zelf
uitvoerde, verplicht de opdrachtgever onverwijld te doen weten welke
vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering van zijn verbintenis aanging.
Hij is tevens verplicht de opdrachtgever alle documenten en gegevens
ter beschikking te stellen, waarover hij beschikt of die hij
redelijkerwijs kan verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen
tot verhaal van opgekomen schade.
2.De opdrachtgever verkrijgt jegens
degeen, met wie de expediteur heeft gehandeld, van het ogenblik af,
waarop hij de expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij hen wil
uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn
toegekomen, wanneer hij zelf als afzender de overeenkomst zou hebben
gesloten. Hij kan ter zake in rechte optreden, wanneer hij overlegt
een door de expediteur - of in geval van diens faillissement door
diens curator - af te geven verklaring, dat tussen hem en de
expediteur ten aanzien van de zaken een overeenkomst tot het doen
vervoeren daarvan werd gesloten. Indien ten aanzien van de expediteur
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is,
geeft de bewindvoerder de verklaring af, tenzij de overeenkomst tot
het doen vervoeren tot stand is gekomen na de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3.Komt de expediteur een verplichting
als in het eerste lid bedoeld niet na, dan is hij, naast vergoeding
van de schade die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding die de
opdrachtgever van hem had kunnen verkrijgen, wanneer hij de
overeenkomst die hij sloot, zelf had uitgevoerd, verminderd met de
schadevergoeding die de opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder
verkreeg.
4.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 64
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de
overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de
overeengekomen plaats en tijd ter beschikking zijn.
Artikel 65
1.Alvorens zaken ter beschikking zijn
gesteld, is de opdrachtgever bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij
is verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze ten gevolge
van de opzegging lijdt.
2.De opzegging geschiedt door
schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan.
Artikel 66
1.De opdrachtgever is verplicht de
expediteur omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
expediteur van belang zijn, tenzij hij mag aannemen, dat de expediteur
deze gegevens kent.
2.De expediteur is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
Artikel 67
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten,
die van de zijde van de opdrachtgever voor het uitvoeren van de opdracht
vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig
zijn.
Artikel 68
1.Wanneer vóór of bij de
terbeschikkingstelling van de zaken omstandigheden aan de zijde van
een der partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij
bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die,
indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar
grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door
schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 69
1.De expediteur is gerechtigd afgifte
van zaken of documenten, die hij in verband met de overeenkomst onder
zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
overeenkomst tot doen vervoeren recht heeft op aflevering daarvan,
tenzij daarop beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De expediteur kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken of documenten, die hij in verband met de
overeenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem terzake van de
overeenkomst door zijn opdrachtgever verschuldigd is of zal worden.
Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van
rembours op de zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de
expediteur is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en
voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld. De expediteur behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden
voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3.De in dit artikel aan de expediteur
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak of het document onder zich kreeg, reden
had te twijfelen aan de bevoegdheid van de opdrachtgever jegens die
derde hem die zaak of dat document ter beschikking te stellen.
Artikel 70
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan wel een
zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt afgeleverd in de staat,
waarin zij ter beschikking is gesteld, is de expediteur, die te dier
zake door zijn wederpartij buiten overeenkomst wordt aangesproken,
jegens deze niet verder aansprakelijk dan hij dit zou zijn op grond van
de door hen gesloten overeenkomst tot het doen vervoeren van die zaak.
Artikel 71
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan wel een
zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt afgeleverd in de staat,
waarin zij ter beschikking is gesteld, is de expediteur, die te dier
zake buiten overeenkomst wordt aangesproken, behoudens de artikelen 361
tot en met 366, artikel 880 en artikel 1081, niet verder aansprakelijk
dan hij dit zou zijn tegenover zijn opdrachtgever.
Artikel 72
Indien een vordering, als genoemd in het
vorige artikel, buiten overeenkomst wordt ingesteld tegen een
ondergeschikte van de expediteur, dan is deze ondergeschikte, mits hij
de schade veroorzaakte in de werkzaamheden, waartoe hij werd gebruikt,
niet verder aansprakelijk dan een dergelijke expediteur, die hem tot
deze werkzaamheden gebruikte, dit op grond van het vorige artikel zou
zijn.
Artikel 73
Het totaal van de bedragen, verhaalbaar
op de expediteur, al dan niet gezamenlijk met het bedrag, verhaalbaar op
de wederpartij van degene die de vordering instelt, en hun
ondergeschikten mag, behoudens in geval van schade ontstaan uit eigen
handeling of nalaten van de aangesprokene, geschied hetzij met het opzet
die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet overtreffen het
totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen overeenkomst is
verschuldigd.
Afdeling 4. Overeenkomst van
personenvervoer
Artikel 80
1.De overeenkomst van personenvervoer
is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich
tegenover de andere partij verbindt een of meer personen (reizigers)
te vervoeren.
2.De overeenkomst van personenvervoer
als omschreven in artikel 100 is geen overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze afdeling.
Artikel 81
De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel in verband met het vervoer aan de
reiziger overkomen.
Artikel 82
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door dood of letsel, voor zover deze dood of dit
letsel is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een
vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2.De vervoerder kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel van de reiziger
veroorzaakt te ontheffen, beroep doen op de gebrekkigheid of het
slecht functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal waarvan
hij zich voor het vervoer bedient.
Artikel 83
Indien de vervoerder bewijst, dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel
of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 84
Nietig is ieder voor het aan de reiziger
overkomen voorval gemaakt beding waarbij de ingevolge artikel 81 op de
vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt verminderd op
andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 85
1.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
2.De aansprakelijkheid van de
vervoerder is in geval van dood of letsel van de reiziger beperkt tot
een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag
of bedragen.
Artikel 86
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger,
door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.
Artikel 87
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het
vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn.
Artikel 88
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de
reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de
reiziger uit het vervoermiddel te verwijderen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de
vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 89
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar
voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst
niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 90
1.De wederpartij van de vervoerder is
steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die deze ten gevolge van de
opzegging lijdt.
2.Zij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer daardoor de reis van het vervoermiddel zou worden vertraagd.
3.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 91
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 92
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
personenvervoer.
Afdeling 5. Overeenkomst tot binnenlands
openbaar personenvervoer
Artikel 100
1.De overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer,
waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij
verbindt aan boord van een vervoermiddel, geen luchtvaartuig noch
luchtkussenvoertuig zijnde, een of meer personen (reizigers) en al dan
niet hun handbagage binnen Nederland hetzij over spoorwegen hetzij op
andere wijze en dan volgens een voor een ieder kenbaar schema van
reismogelijkheden (dienstregeling) te vervoeren. Tijd- of
reisbevrachting is, voor zover het niet betreft vervoer over
spoorwegen, geen overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze
afdeling.
2.Als vervoerder in de zin van deze
afdeling wordt tevens beschouwd de instantie die op een mogelijkerwijs
afgegeven vervoerbewijs is vermeld. Wordt enig vervoerbewijs afgegeven
dan zijn de artikelen 56, tweede lid, 75, eerste lid en 186, eerste
lid van boek 2 niet van toepassing.
3.In deze afdeling wordt onder
handbagage verstaan de bagage met inbegrip van levende dieren, die de
reiziger als gemakkelijk mee te voeren, draagbare dan wel met de hand
verrijdbare zaken op of bij zich heeft.
4.Bij algemene maatregel van bestuur,
die voor ieder vervoermiddel onderling verschillende bepalingen kan
bevatten, kunnen zaken, die geen handbagage zijn, voor de toepassing
van bepalingen van deze afdeling als handbagage worden aangewezen, dan
wel bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden verklaard
op zaken, die handbagage zijn.
Artikel 101
1.Indien een of meer vervoerders zich
bij een en dezelfde overeenkomst verbinden tot vervoer met onderling
al dan niet van aard verschillende vervoermiddelen, gelden voor ieder
deel van het vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
2.Indien een voertuig dat voor het
vervoer wordt gebezigd aan boord van een schip wordt vervoerd, gelden
voor dat deel van het vervoer de op het vervoer te water toepasselijke
rechtsregelen, met dien verstande echter dat de vervoerder zich niet
kan beroepen op lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de
bestuurder van het voertuig die in de tijd, dat de reiziger aan boord
daarvan was, tot schade leidden.
3.Bij de overeenkomst waarbij de ene
partij zich bij een en dezelfde overeenkomst tegenover de andere
partij verbindt deels tot het vervoer van personen als bedoeld in
artikel 100, deels tot ander vervoer, gelden voor ieder deel van het
vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 102
1.Vervoer van personen omvat
uitsluitend de tijd dat de reiziger aan boord van het vervoermiddel
is, daarin instapt of daaruit uitstapt.
2.Vervoer van personen per schip omvat
bovendien de tijd dat de reiziger te water wordt vervoerd tussen wal
en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht
is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door de
vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld. Het omvat
echter niet de tijd dat de reiziger verblijft op een ponton, een
steiger, een veerstoep of enig ander schip, dat ligt tussen de wal en
het schip aan boord waarvan hij vervoerd zal worden of werd, in een
stationsgebouw, op een kade of enige andere haveninstallatie.
Artikel 103
1.Vervoer van handbagage omvat
uitsluitend de tijd dat deze aan boord van het vervoermiddel is,
daarin wordt ingeladen of daaruit wordt uitgeladen, alsmede de tijd
dat zij onder de hoede van de vervoerder is.
2.Vervoer van handbagage per schip
omvat bovendien de tijd dat de handbagage te water wordt vervoerd
tusen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in
de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip
door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld. Het
omvat echter niet de tijd dat de handbagage zich bevindt op een
ponton, een steiger, een veerstoep of enig ander schip, dat ligt
tussen de wal en het schip aan boord waarvan zij vervoerd zal worden
of werd, in een stationsgebouw, op een kade of enige andere
haveninstallatie, tenzij zij zich daar onder de hoede van de
vervoerder bevindt.
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 105
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger ten gevolge van
een ongeval dat in verband met en tijdens het vervoer aan de reiziger
is overkomen.
2.In afwijking van het eerste lid is de
vervoerder niet aansprakelijk, voor zover het ongeval is veroorzaakt
door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet
heeft kunnen verhinderen.
3.Lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig alsmede
gebrekkigheid of slecht functioneren van het vervoermiddel of van het
materiaal, waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden
aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een ander
vervoermiddel aan boord waarvan het vervoermiddel zich bevindt.
4.Bij de toepassing van het tweede lid
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het ongeval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
5.In geval van vervoer over spoorwegen
worden de beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer
wordt verricht, beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder
bij de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder zich bij
het vervoer bedient.
Artikel 106
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel
beschadiging van handbagage of van een als bagage ten vervoer
aangenomen voertuig of schip en de zaken aan boord daarvan, voor zover
dit verlies of deze beschadiging is ontstaan tijdens het vervoer en is
veroorzaakt
a. door een aan de reiziger
overkomen ongeval dat voor rekening van de vervoerder komt, of
b. door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een
vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig alsmede
gebrekkigheid of slecht functioneren van het vervoermiddel of van het
materiaal waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een ander
vervoermiddel aan boord waarvan het vervoermiddel zich bevindt.
3.Bij de toepassing van het eerste lid
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid die mede tot het voorval leidde voor
rekening van de vervoerder is.
4.In geval van vervoer over spoorwegen
worden de beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer
wordt verricht, beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder
bij de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder zich voor
het vervoer bedient.
5.Dit artikel laat de artikelen 545 en
1006 onverlet.
Artikel 107
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord van het vervoermiddel gebrachte zaken, die hij,
indien hij hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan boord van het
vervoermiddel zou hebben toegelaten en waarvoor hij geen bewijs van
ontvangst heeft afgegeven, geen enkele schadevergoeding verschuldigd
indien de reiziger wist of behoorde te weten dat de vervoerder de zaken
niet ten vervoer zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan
aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de vervoerder
voortvloeiend uit de aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 108
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook
vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden, dan wel is veroorzaakt
door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.
Artikel 109
1.Indien de vervoerder bewijst, dat
schuld of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder
daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
2.Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op
verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet
is verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in opdracht van de
reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 110
1.De in deze afdeling bedoelde
aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen.
2.Dit artikel laat de titels 7 en 12
van dit boek onverlet.
Artikel 111
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 112
Nietig is ieder vóór het aan de
reiziger overkomen ongeval, of vóór het verlies of de beschadiging van
handbagage of van als bagage ten vervoer aangenomen vaartuig of schip en
de zaken aan boord daarvan, gemaakt beding, waarbij de ingevolge de
artikelen 105 en 106 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is
voorzien.
Artikel 113
1.In geval van verlies of beschadiging
van handbagage wordt de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd
naar de omstandigheden.
2.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
Artikel 114
1.Onverminderd artikel 107 en
onverminderd artikel 179 van Boek 6 is de reiziger aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door zijn handeling of nalaten, dan wel door zijn
handbagage of een als bagage aangenomen voertuig of schip en de zaken
aan boord daarvan.
2.In afwijking van het eerste lid is de
reiziger niet aansprakelijk, voor zover de schade is veroorzaakt door
een omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen daarvan niet
heeft kunnen verhinderen.
3.De hoedanigheid of een gebrek van
zijn handbagage, of een als bagage aangenomen vaartuig of schip en de
zaken aan boord daarvan, wordt aangemerkt als een omstandigheid die
een zorgvuldig reiziger heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een
reiziger de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
4.De schade wordt aangemerkt het door
de vervoerder naar zijn redelijk oordeel vast te stellen bedrag te
belopen, doch indien de vervoerder meent dat de schade meer dan €
227 beloopt moet hij zulks bewijzen.
Artikel 115
Behoeft deze afdeling in het belang van
een goede uitvoering ervan nadere regeling, dan geschiedt dit bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 116
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 en 1081 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 116a
De beheerder van de
spoorweginfrastructuur en een andere spoorwegonderneming die dezelfde
spoorweginfrastructuur gebruikt, kunnen zich beroepen op de artikelen
365 en 366 op dezelfde voet als de daar bedoelde ondergeschikten dit
kunnen.
Afdeling 6. Overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen
Artikel 120
De overeenkomst van gecombineerd vervoer
van personen is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst verbindt dat het vervoer deels over zee, over
binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht dan wel door
middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden.
Artikel 121
Bij een overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat
deel toepasselijke rechtsregelen.
II. Zeerecht
Titel 3. Het zeeschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het zeeschip
Artikel 160
1.Indien een zeeschip blijkens de
openbare registers bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan
twee of meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een rederij, indien
zulks uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en deze akte in die
registers is ingeschreven.
2.De rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 161
Iedere mede-eigenaar is van rechtswege
lid der rederij. Wanneer een lid ophoudt eigenaar te zijn, eindigt zijn
lidmaatschap van rechtswege.
Artikel 162
De leden der rederij moeten zich jegens
elkander gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid
wordt gevorderd.
Artikel 163
In iedere rederij kan een boekhouder
worden aangesteld. Een vennootschap is tot boekhouder benoembaar.
Artikel 164
De boekhouder kan slechts met toestemming
van de leden der rederij overgaan tot enige buitengewone herstelling van
het schip of tot benoeming of ontslag van een kapitein.
Artikel 165
De boekhouder geeft aan ieder lid der
rederij op diens verlangen kennis en opening van alle aangelegenheden de
rederij betreffende en inzage van alle boeken, brieven en documenten, op
zijn beheer betrekking hebbende.
Artikel 166
De boekhouder is verplicht, zo dikwijls
een terzake mogelijk bestaand gebruik dit medebrengt, doch in ieder
geval telkens na verloop van een jaar en bij het einde van zijn beheer,
binnen zes maanden aan de leden der rederij rekening en verantwoording
te doen van zijn beheer met overlegging van alle bewijsstukken daarop
betrekking hebbende. Hij is verplicht aan ieder van hen uit te keren wat
hem toekomt.
Artikel 167
Ieder lid der rederij is verplicht de
rekening en verantwoording van de boekhouder binnen drie maanden op te
nemen en te sluiten.
Artikel 168
De goedkeuring der rekening en
verantwoording door de meerderheid van de leden der rederij bindt
slechts hen, die daartoe hebben medegewerkt, behoudens dat zij ook een
lid dat aan de rekening en verantwoording niet heeft medegewerkt bindt,
wanneer dit lid nalaat de rekening en verantwoording in rechte te
betwisten binnen één jaar, nadat hij daarvan heeft kunnen kennis nemen
en nadat de goedkeuring door de meerderheid hem schriftelijk is
medegedeeld.
Artikel 169
De betrekking van de boekhouder eindigt,
indien over hem een provisionele bewindvoerder is benoemd, hij onder
curatele is gesteld, terzake van krankzinnigheid in een gesticht is
geplaatst, in staat van faillissement is verklaard of indien ten aanzien
van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is verklaard.
Artikel 170
1.Is de boekhouder lid der rederij, dan
heeft hij, indien de leden zijn betrekking doen eindigen of hem een
dringende reden hebben gegeven op grond waarvan hij zijnerzijds de
betrekking doet eindigen, het recht te verlangen, dat zijn aandeel
door de overige leden wordt overgenomen tegen zodanige prijs als
deskundigen het op het tijdstip, waarop hij de overneming verlangt,
waard zullen achten. Hij heeft dit recht niet, indien hij aan de leden
der rederij een dringende reden heeft gegeven op grond waarvan zij de
betrekking doen eindigen.
2.Hij moet van zijn verlangen tot
overneming kennis geven aan de leden der rederij binnen een maand,
nadat zijn betrekking is geëindigd. Wanneer aan zijn verlangen niet
binnen een maand is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het
overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan hem is
voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden door de boekhouder
gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van
verkoop wordt door de rechter bepaald.
3.Door ieder van hen die tot de
overneming verplicht zijn, wordt van het overgenomen aandeel een
gedeelte verkregen, evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 171
1.Alle besluiten, de aangelegenheden
der rederij betreffende, worden genomen bij meerderheid van stemmen
van de leden der rederij.
2.Het kleinste aandeel geeft één
stem; ieder groter aandeel zoveel stemmen als het aantal malen, dat in
dit aandeel het kleinste begrepen is.
3.Besluiten tot
a. aanstelling van een boekhouder
die geen lid is van de rederij,
b. uitbreiding van de bevoegdheid
van de boekhouder buiten de grenzen getrokken door artikel 178
eerste lid,
c. het sluiten, voor meer dan zes
maanden, van een rompbevrachting, een tijdbevrachting of een
overeenkomst, als genoemd in artikel 531 of artikel 991,
d. ontbinding der rederij tijdens
de loop van een overeenkomst tot vervoer, van een overeenkomst
waarbij het schip ter beschikking van een ander is gesteld, of van
een ter visvangst ondernomen reis,
vereisen eenstemmigheid.
Artikel 172
Op rederijen van zeevissersschepen is
artikel 171 derde lid, onder a niet van toepassing.
Artikel 173
Indien tengevolge van staking der stemmen
de exploitatie van het schip wordt belet, kan de rechter op een binnen
twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek bevelen dat het
schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter
bepaald.
Artikel 174
1.Indien is besloten omtrent enige
buitengewone herstelling van het schip, omtrent benoeming of ontslag
van de kapitein, dan wel omtrent het aangaan van een
vervoerovereenkomst waarbij het schip ter beschikking van een ander
wordt gesteld, kan ieder lid der rederij, dat tot het besluit niet
heeft medegewerkt of daartegen heeft gestemd, verlangen dat zij die
vóór het besluit hebben gestemd, zijn aandeel overnemen tegen
zodanige prijs, als deskundigen het op het tijdstip, waarop hij de
overneming verlangt, waard zullen achten. Hij moet van zijn verlangen
tot overneming kennisgeven aan de boekhouder of, indien er geen
boekhouder is, aan hen, die voorstemden, binnen een maand nadat het
besluit te zijner kennis is gebracht. Wanneer aan zijn verlangen niet
binnen een maand is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het
overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan hem is
voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden door het lid der
rederij gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze
van verkoop wordt door de rechter bepaald.
2.Door ieder van hen die tot de
overneming verplicht zijn, wordt van het overgenomen aandeel een
gedeelte verkregen, evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 175 [Vervallen per 19-07-2006]
Artikel 176
De leden der rederij moeten naar
evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven der rederij,
waartoe bevoegdelijk is besloten.
Artikel 177
De leden der rederij delen in de winst en
het verlies naar evenredigheid van hun aandeel in het schip.
Artikel 178
1.Is een boekhouder aangesteld, dan is
hij, onverminderd artikel 360 eerste lid en met uitsluiting van ieder
lid der rederij, in alles wat de normale exploitatie van het schip
medebrengt, bevoegd voor de rederij met derden te handelen en de
rederij te vertegenwoordigen.
2.Indien de rederij in het
handelsregister is ingeschreven kunnen beperkingen van de bevoegdheid
van de boekhouder aan derden, die daarvan onkundig waren, niet worden
tegengeworpen, tenzij deze beperkingen uit dat register blijken. Is de
rederij niet in het handelsregister ingeschreven, dan kunnen
beperkingen van de bevoegdheid van de boekhouder aan derden slechts
worden tegengeworpen, wanneer hun die bekend waren.
3.De boekhouder heeft alle
verplichtingen na te komen, die de wet de reder oplegt.
Artikel 179
Indien de rederij in het handelsregister
is ingeschreven, kunnen de aanstelling van een boekhouder of het
eindigen van diens betrekking aan derden, die daarvan onkundig waren,
niet worden tegengeworpen zo lang niet inschrijving daarvan in het
handelsregister heeft plaats gehad. Is de rederij niet in het
handelsregister ingeschreven dan kunnen de aanstelling van een
boekhouder of het eindigen van diens betrekking aan derden slechts
worden tegengeworpen wanneer dit hun bekend was.
Artikel 180
1.Indien er geen boekhouder is, alsmede
in geval van ontstentenis of belet van de boekhouder, wordt de rederij
vertegenwoordigd en kan voor haar worden gehandeld door een of meer
harer leden, mits alleen of tezamen eigenaars zijnde van meer dan de
helft van het schip.
2.In de gevallen genoemd in het eerste
lid kunnen handelingen, die geen uitstel kunnen lijden, zo nodig door
ieder lid zelfstandig worden verricht en is ieder lid bevoegd ten
behoeve van de rederij verjaring te stuiten.
Artikel 181
Voor de verbintenissen van de rederij
zijn haar leden aansprakelijk, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel
in het schip.
Artikel 182
De rederij wordt niet ontbonden door de
dood van een harer leden noch door diens faillissement, het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, plaatsing ter zake van krankzinnigheid in een gesticht of
plaatsing onder curatele.
Artikel 183
Het lidmaatschap der rederij kan niet
worden opgezegd; evenmin kan een lid van het lidmaatschap der rederij
worden vervallen verklaard.
Artikel 184
Indien tot ontbinding der rederij is
besloten, moet het schip worden verkocht. Indien binnen twee maanden na
het besluit het schip nog niet is verkocht, kan de rechter op een binnen
twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek, bevelen tot deze
verkoop over te gaan. De wijze van verkoop wordt door de rechter
bepaald. Een besluit tot verkoop of een ingevolge artikel 170, artikel
173 of artikel 174 gegeven bevel tot verkoop van het schip staat gelijk
met een besluit tot ontbinding der rederij.
Artikel 185
1.Na ontbinding blijft de rederij
bestaan voor zover dit tot haar vereffening nodig is.
2.De boekhouder, zo die er is, is met
de vereffening belast.
Artikel 186
Nietig is ieder beding, waarbij wordt
afgeweken van de artikelen 161-163, 169, 170 eerste en tweede lid, 178
derde lid, 180, 182 en 183.
Afdeling 2. Rechten op zeeschepen
Artikel 190
1.In de afdelingen 2 tot en met 5 van
titel 3 worden onder schepen mede verstaan schepen in aanbouw. Onder
reder wordt mede verstaan de eigenaar van een zeeschip in aanbouw.
2.Indien een schip in aanbouw een schip
in de zin van artikel 1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw
schip.
Artikel 191
In deze afdeling wordt onder de openbare
registers verstaan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
Titel 1 van Boek 3.
Artikel 192
De in deze afdeling aan de reder
opgelegde verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer
personen, aan een vennootschap onder firma, aan een commanditaire
vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar,
beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 193 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 194
1.Teboekstelling is slechts mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
zeeschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd zeeschip:
indien het een Nederlands schip is in de zin van artikel 311 van
het Wetboek van Koophandel
- dan wel ingeval het een
zeevissersschip is: indien het is ingeschreven in een krachtens
artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden register.
2.Teboekstelling is niet mogelijk van
een zeeschip dat reeds teboekstaat in de openbare registers, hetzij
als zeeschip hetzij als binnenschip, of in enig soortgelijk
buitenlands register.
3.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een zeeschip dat in een buitenlands register
teboekstaat mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat register is doorgehaald, een Nederlands schip in de zin van
artikel 311 van het Wetboek van Koophandel zal zijn of wanneer dit
schip als zeevissersschip is ingeschreven in een krachtens artikel 3
der Visserijwet 1963 aangehouden register. Deze teboekstelling heeft
evenwel slechts rechtsgevolg, wanneer zij binnen 30 dagen is gevolgd
door aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling in
het buitenlandse register is doorgehaald, of wanneer, ingeval de
bewaarder van een buitenlands register ondanks daartoe schriftelijk
tot hem gericht verzoek doorhaling weigert, van dit verzoek en van het
feit dat er geen gevolg aan is gegeven, aantekening in de openbare
registers is geschied.
4.De teboekstelling wordt verzocht door
de reder van het zeeschip. Hij moet daarbij ter inschrijving
overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het schip voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is. Indien
het een verzoek tot teboekstelling als zeeschip in aanbouw betreft,
gaat deze verklaring vergezeld van een bewijs dat het schip in
Nederland in aanbouw is. Indien het een verzoek tot teboekstelling als
zeeschip, niet zijnde een zeeschip in aanbouw of een zeevissersschip,
betreft, gaat deze verklaring vergezeld van een door of namens Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven verklaring als bedoeld in
artikel 311a, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel. Indien het
een verzoek tot teboekstelling als zeevissersschip betreft, gaat deze
verklaring vergezeld van een bewijs dat het schip is ingeschreven in
een krachtens artikel 3 van de Visserijwet 1963 aangehouden register.
5.De teboekstelling in de openbare
registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de
voorgaande leden van dit artikel niet is voldaan.
6.Bij het verzoek tot teboekstelling
wordt woonplaats gekozen in Nederland. Deze woonplaats wordt in het
verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 195
1.De teboekstelling wordt slechts
doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in de
openbare registers als reder vermeld staat;
b. op aangifte van de reder of
ambtshalve
1°. als het schip is vergaan,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is geworden;
2°. als van het schip
gedurende 6 maanden na het laatste uitvaren of de dag, waartoe
zich de laatst ontvangen berichten uitstrekken, in het geheel
geen tijding is aangekomen, zonder dat dit aan een algemene
storing in de berichtgeving kan worden geweten;
3°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
4°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers te boek zou staan, een
binnenschip zou zijn in de zin van artikel 3 of artikel 780;
5°. als het schip niet of niet
meer de hoedanigheid van Nederlands schip heeft dan wel niet
of niet meer is ingeschreven in een krachtens artikel 3 der
Visserijwet 1963 aangehouden register. Ambtshalve doorhaling
wegens het verlies van de hoedanigheid van Nederlands schip
geschiedt uitsluitend na ontvangst van een mededeling van de
intrekking van een verklaring als bedoeld in artikel 311a,
eerste lid, van het Wetboek van Koophandel. Wanneer het schip
de hoedanigheid van Nederlands schip heeft verloren door
toewijzing na een executie buiten Nederland, dan wel de
inschrijving van het schip in een krachtens artikel 3 der
Visserijwet 1963 aangehouden register is doorgehaald, vindt
doorhaling slechts plaats, wanneer hetzij de reder, degenen
van wier recht uit een inschrijving blijkt en de beslagleggers
gelegenheid hebben gehad hun rechten op de opbrengst geldend
te maken en hun daartoe ook feitelijk de gelegenheid is
gegeven, hetzij deze personen hun toestemming tot de
doorhaling verlenen of hun vorderingen zijn voldaan.
2.In de in het eerste lid onder b
genoemde gevallen is de reder tot het doen van aangifte verplicht
binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft
voorgedaan.
3.Wanneer ten aanzien van het schip
inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden
bestaan, geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.Doorhaling geschiedt slechts na op
verzoek van de meest gerede partij verleende machtiging van de
rechter.
Artikel 196
1.Zolang de teboekstelling in de
openbare registers niet is doorgehaald heeft teboekstelling van een
zeeschip in een buitenlands register of vestiging in het buitenland
van rechten daarop, voor vestiging waarvan in Nederland inschrijving
in de openbare registers vereist zou zijn geweest, geen rechtsgevolg.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
een teboekstelling of vestiging van rechten als daar bedoeld erkend,
wanneer deze geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na de
teboekstelling van het schip in het buitenlandse register.
Artikel 197
De enige zakelijke rechten, waarvan een
in de openbare registers teboekstaand zeeschip het voorwerp kan zijn,
zijn de eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in artikel 211
en artikel 217 eerste lid onder b genoemde voorrechten.
Artikel 198 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 199
1.Een in de openbare registers
teboekstaand zeeschip is een registergoed.
2.Bij toepassing van artikel 301 van
Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89 leden 1 en 4
van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van zodanig zeeschip, kan de
in het eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de Nederlandse
rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 200 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 201
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand zeeschip worden door een bezitter te goeder trouw
verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 202
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij hypotheek
wordt verleend op een teboekstaand zeeschip of op een recht waaraan een
zodanig schip is onderworpen, duidelijk het aan de hypotheek onderworpen
schip vermeld.
Artikel 203
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die uit hoofde
van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die
toebehoren aan de reder van het schip. Artikel 266 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 204
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 210, 211, 221, 222
eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 205
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen
gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het begin van de
uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 206
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand zeeschip is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing; de
hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het schip in stand.
Artikel 207
1. De eerste twee leden van artikel 264
van Boek 3 zijn in geval van een hypotheek waaraan een teboekstaand
zeeschip is onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2. De artikelen 234 en 261 van Boek 3
zijn op een zodanige hypotheek niet van toepassing.
Artikel 208
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand zeeschip zijn de bepalingen van artikel 217 van Boek 3 mede
van toepassing op bevrachting voor zover die bepalingen niet naar hun
aard uitsluitend op pacht, huur van bedrijfsruimte of huur van
woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Voorrechten op zeeschepen
Artikel 210
1.In geval van uitwinning van een
zeeschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
tijdens deze uitwinning of verkoop, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2.In geval van verkoop van een
gestrand, onttakeld of gezonken zeeschip, dat de overheid in het
openbaar belang heeft doen opruimen, worden de kosten der
wrakopruiming uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
3.De in de vorige leden bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 210a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen
60, tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde tot
en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op zeeschepen niet van
toepassing.
Artikel 211
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn, behoudens
artikel 210, op een zeeschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt tot behoud van
het schip, daaronder begrepen de kosten van herstellingen, die
onontbeerlijk waren voor het behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden der
bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met betrekking tot
loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een
bedrag over een tijdvak van twaalf maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het schip in
avarij-grosse;
d. de vorderingen ter zake van
havengelden en maatregelen met betrekking tot een schip die
noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid van de haven of
van derden, met dien verstande dat dit voorrecht vervalt doordat het
schip een nieuwe reis aanvangt.
Artikel 212
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 211 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten ten einde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 213
1.De bevoorrechte vorderingen, genoemd
in artikel 211, nemen rang in de volgorde, waarin zij daar zijn
gerangschikt.
2.Bevoorrechte vorderingen onder
dezelfde letter vermeld, staan in rang gelijk, doch de vorderingen
genoemd in artikel 211 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 214
De voorrechten, genoemd in artikel 211,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van hun
bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren
aan de reder van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet herstelde
beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat deel van een beloning
voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van een
vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of
met pandrecht zijn bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter
niet vergoedingen welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst
van verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het risico
van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 215
1.De schuldeiser, die een voorrecht
heeft op grond van artikel 211, vervolgt zijn recht op het schip, in
wiens handen dit zich ook bevinde.
2.Voorrechten als bedoeld in artikel
211 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 216
De vorderingen genoemd in artikel 211,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de
terbeschikkingstelling van het schip aan een bevrachter, dan wel tijdens
de exploitatie van het schip door een ander dan de reder, tenzij aan
deze de feitelijke macht over het schip door een ongeoorloofde handeling
was ontnomen en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw was.
Artikel 217
1.Boven alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend, doch
na de bevoorrechte vorderingen genoemd in artikel 211, na de
hypothecaire vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen
222 en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een zeeschip,
waaronder voor de toepassing van dit artikel niet is te verstaan een
zeeschip in aanbouw, bij voorrang verhaalbaar:
a. de vorderingen, die voortvloeien
uit rechtshandelingen, die de reder of een rompbevrachter binden
en die rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of houden
van het schip, alsmede de vorderingen die tegen een uit hoofde van
artikel 461 gelezen met artikel 462 of artikel 943 gelezen met
artikel 944 als vervoerder aangemerkte persoon kunnen worden
geldend gemaakt. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 op de reder rusten;
c. de vorderingen, genoemd in
artikel 752 voor zover zij op de reder rusten.
2.De in het eerste lid genoemde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
3.De artikelen 212, 214 onder a en 216
zijn op de in het eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op
de vorderingen die in het eerste lid onder b worden genoemd, is ook
artikel 215 van toepassing.
4.Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 218
Na de vorderingen genoemd in artikel 217
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek 3, voor
zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel van deze titel,
op een zeeschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 219
1.De krachtens deze afdeling verleende
voorrechten gaan teniet door verloop van een jaar, tenzij de
schuldeiser zijn vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze
termijn begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering voor
hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van de dag volgend
op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2.Het voorrecht gaat teniet met de
vordering.
3.In geval van executoriale verkoop
gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het
proces-verbaal van verdeling wordt gesloten.
Afdeling 4. Voorrechten op zaken aan
boord van zeeschepen
Artikel 220
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 221
1.In geval van uitwinning van zaken aan
boord van een zeeschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van
bewaking daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
2.De in het eerste lid bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 222
1.Op zaken aan boord van een zeeschip
zijn de vorderingen ter zake van hulpverlening en van een bijdrage van
die zaken in avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen nemen daartoe
rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211, 221, 820, 821
en 831, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige
andere wet een voorrecht is toegekend.
2.Op ten vervoer ontvangen zaken zijn
bevoorrecht de vorderingen uit een met betrekking tot die zaken
gesloten vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder door artikel
489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt toegekend. Deze
vorderingen nemen daartoe rang na die welke zijn genoemd in het eerste
lid en in de artikelen 204 en 794, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
Artikel 223
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 222 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 224
1.De vorderingen ter zake van
hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op
grond van artikel 211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel
832 eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van
de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2.De bevoorrechte vorderingen in het
tweede lid van artikel 222 vermeld staan in rang gelijk.
3.De in artikel 284 van Boek 3 genoemde
vordering neemt rang na de in de vorige leden genoemde vorderingen,
ongeacht wanneer die vorderingen zijn ontstaan.
4.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 225
De voorrechten, genoemd in artikel 222,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor verlies
of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat deel van een
beloning voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van
een vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze schadevergoedingen
of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn
bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen,
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel 283 van
Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 226
De in artikel 222 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn alsdan
daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar op het tijdstip,
dat het voorrecht is ontstaan, niet de schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 227
1.Met de aflevering van de zaken aan de
daartoe gerechtigde gaan, behalve in het geval van artikel 559, de in
artikel 222 genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet tijdig
verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs alsmede door
gerechtelijke rangregeling.
2.Zij blijven in stand, zolang de zaken
op grond van de artikelen 490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op
grond van artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 228
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden kan het
hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende recht slechts
gedurende 48 uur na het einde van de levering uitoefenen, doch zulks ook
indien deze zaken zich bevinden in handen van de reder, een
rompbevrachter of een tijdbevrachter van het schip.
Afdeling 5. Slotbepalingen
Artikel 230
1.De afdelingen 2 tot en met 4 van
titel 3 zijn niet van toepassing op zeeschepen, welke toebehoren aan
het Rijk of enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor de
uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2.De beschikking waarbij de in het
eerste lid bedoelde bestemming is vastgesteld, kan worden ingeschreven
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek
3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing;
3.De inschrijving machtigt de bewaarder
tot doorhaling van de teboekstelling van het schip in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 231
Behoeven de in de afdelingen 2 tot en met
5 van titel 3 geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de bevoegdheid
tot regeling krachtens de Kadasterwet.
Titel 4. Bemanning van een zeeschip
Afdeling 2. Kapitein
Artikel 260
1.De kapitein is bevoegd die
rechtshandelingen te verrichten, welke rechtstreeks strekken om het
schip in bedrijf te brengen of te houden. Onder rechtshandeling is
hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
2.De kapitein is bevoegd cognossementen
af te geven voor zaken, die ten vervoer zijn ontvangen en aangenomen
en passagebiljetten af te geven voor met het schip te vervoeren
reizigers. Tevens is hij bevoegd namens de reder en de rechthebbenden
op de zaken aan boord van het schip een overeenkomst omtrent
hulpverlening te sluiten alsmede om het hulploon of de bijzondere
vergoeding te innen.
Artikel 261
1.De kapitein is verplicht voor de
belangen van de bevrachters en van de rechthebbenden op de aan boord
zijnde zaken, zo mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de
maatregelen, die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.Indien het noodzakelijk is onverwijld
ter behartiging van deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is
de kapitein daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3.Voor zover mogelijk geeft hij van
bijzondere voorvallen terstond kennis aan de belanghebbenden bij de
betrokken goederen en handelt hij in overleg met hen en volgens hun
orders.
Artikel 262
1.Beperkingen van de wettelijke
bevoegdheid van de kapitein gelden tegen derden slechts wanneer die
hun bekend zijn gemaakt.
2.De kapitein verbindt zichzelf slechts
dan, wanneer hij de grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 5. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 360
1.De reder is naast een rompbevrachter
met deze hoofdelijk aansprakelijk uit een deze laatste bindende
rechtshandeling, die rechtstreeks strekt tot het in bedrijf brengen of
houden van het schip. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
indien aan degeen, met wie de daar genoemde rechtshandeling wordt
verricht, kenbaar is gemaakt, dat de rompbevrachter de reder niet
vermag te binden dan wel deze derde wist, of zonder eigen onderzoek
moest weten, dat het in het eerste lid bedoelde doel werd
overschreden.
3.Het eerste lid is niet van toepassing
ten aanzien van vervoerovereenkomsten, overeenkomsten tot het
verrichten van arbeid met de bemanning aangegaan en overeenkomsten als
genoemd in afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van titel 10.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing, wanneer aan de reder de feitelijke macht over het schip
door een ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de
schuldeiser niet te goeder trouw was.
5.Hij, die loodsgelden, kanaal- of
havengelden dan wel andere scheepvaartrechten voldoet ten behoeve van
de reder, een rompbevrachter, een tijdbevrachter of de kapitein dan
wel enige andere schuldenaar daarvan, wordt van rechtswege
gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van deze vorderingen.
Artikel 361
1.Onder "exploitatie-overeenkomsten"
worden verstaan: de bevrachtingen van het schip en de overeenkomsten
tot vervoer van zaken of personen met het schip.
2.Onder "keten der
exploitatie-overeenkomsten" worden verstaan: de
exploitatie-overeenkomsten gerangschikt:
a. wat betreft bevrachtingen: te
beginnen met een mogelijkerwijs aangegane rompbevrachting en
vervolgens in de volgorde, waarin de bevrachters hun bevoegdheid
over het schip te beschikken van elkaar afleiden.
b. wat betreft
vervoerovereenkomsten, die geen bevrachting zijn: te beginnen met
de vervoerovereenkomst aangegaan door een vervoerder, die de
beschikking heeft over het schip of een gedeelte daarvan, en te
eindigen met de vervoerovereenkomst aangegaan tussen een
vervoerder met het schip en zijn wederpartij, die niet wederom op
haar beurt vervoerder met het schip is.
3.Voor de toepassing van de artikelen
361 tot en met 366 wordt een reiziger aangemerkt als partij bij de te
zijnen aanzien gesloten vervoerovereenkomst.
4.In de artikelen 361 tot en met 366
worden onder beschadiging mede begrepen niet-aflevering, geheel of
gedeeltelijk verlies, waardevermindering en vertraagde aflevering en
wordt onder letsel mede begrepen vertraagde ontscheping.
Artikel 362
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst door haar wederpartij daarbij terzake van een
bij de exploitatie van het schip ontstane schade buiten overeenkomst
wordt aangesproken, dan is zij jegens die wederpartij niet verder
aansprakelijk dan zij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten
overeenkomst.
Artikel 363
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst terzake van een bij de exploitatie van het
schip ontstane schade buiten overeenkomst wordt aangesproken door een
andere partij bij een dusdanige overeenkomst, dan is zij tegenover deze
niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn als ware zij wederpartij
bij de exploitatie-overeenkomst, die is aangegaan door degeen die haar
aanspreekt en die in de keten der exploitatie-overeenkomsten tussen haar
en deze laatste ligt.
Artikel 364
1.Wordt een reder of een bevrachter van
een schip, dan wel een vervoerder met een schip terzake van dood of
letsel van een persoon of terzake van beschadiging van een zaak,
buiten overeenkomst aangesproken door iemand die geen partij is bij
een exploitatie-overeenkomst, dan is hij tegenover deze niet verder
aansprakelijk dan hij uit overeenkomst zou zijn.
2.Was met betrekking tot de persoon of
zaak een vervoerovereenkomst afgesloten en is de schade ontstaan in
het tijdvak waarin een vervoerder met het schip als zodanig daarvoor
aansprakelijk is, dan geldt als overeenkomst, bedoeld in lid 1, de
laatste in de keten der exploitatie-overeenkomsten met betrekking tot
die persoon of zaak aangegaan.
3.Was de persoon of zaak aan boord van
het schip op grond van een overeenkomst met een partij bij een
exploitatie-overeenkomst, doch is het vorige lid niet van toepassing,
dan geldt de eerst bedoelde overeenkomst als overeenkomst bedoeld in
lid 1.
4.Was de persoon of zaak buiten
overeenkomst aan boord, dan geldt een vervoerovereenkomst als
overeenkomst bedoeld in lid 1.
5.De aansprakelijkheid bedoeld in lid
1, is voor de toepassing van de leden 2 en 4 die van een vervoerder,
en voor de toepassing van lid 3 die van de aldaar genoemde partij.
Artikel 365
Wordt een vordering als genoemd in de
artikelen 362 tot en met 364 buiten overeenkomst ingesteld tegen een
ondergeschikte van een partij bij een exploitatieovereenkomst en kan die
partij ter afwering van haar aansprakelijkheid voor de gedraging van de
ondergeschikte een verweermiddel jegens de eiser ontlenen aan de
overeenkomst waardoor haar aansprakelijkheid in gevolge die artikelen
wordt beheerst, dan kan ook de ondergeschikte dit verweermiddel
inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.
Artikel 366
Het totaal van de bedragen verhaalbaar op
een derde, die partij is bij een exploitatie-overeenkomst, en zijn
ondergeschikten, al dan niet gezamenlijk met het bedrag verhaalbaar op
de wederpartij van degeen, die de in de artikelen 363 of 364 genoemde
vordering instelde en haar ondergeschikten, mag, behoudens in geval van
schade ontstaan uit eigen handeling of nalaten van de aangesprokene,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien, niet overtreffen het totaal, dat op grond van de door hen
ingeroepen overeenkomst is verschuldigd.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over zee
Artikel 370
1.De overeenkomst van goederenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt aan
boord van een schip zaken uitsluitend over zee te vervoeren.
2.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart,
wordt als vervoer over zee beschouwd, tenzij het varen van dit schip
over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over binnenwateren,
in welk geval dit varen als varen over binnenwateren wordt beschouwd.
3.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze
beide wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over zee voor
zover, met inachtneming tevens van het tweede lid van dit artikel, het
varen van het beweegkracht overbrengende schip als varen over zee
wordt beschouwd. Voor zover dit niet het geval is, wordt het als
vervoer over binnenwateren beschouwd.
4.Deze afdeling is niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoer van poststukken ter uitvoering van
de universele postdienst bedoeld in de Postwet 2009 of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van artikel 510 is
deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren
van bagage.
Artikel 371
1.Onder gewijzigd Verdrag wordt in dit
artikel verstaan het Verdrag van 25 augustus 1924 ter vaststelling van
enige eenvormige regelen betreffende het cognossement (Trb. 1953, 109)
met inbegrip van de bepaling voorkomend in onderdeel 1 van het daarbij
behorende Protocol van ondertekening, zoals dat Verdrag is gewijzigd
bij het te Brussel op 23 februari 1968 ondertekende Protocol (Trb.
1979, 26) en als verder gewijzigd bij het te Brussel op 21 december
1979 ondertekende Protocol (Trb. 1985, 122).
2.Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder verdragsstaat verstaan een staat, welke partij is bij het
gewijzigd Verdrag.
3.De artikelen 1 tot en met 9 van het
gewijzigd Verdrag worden toegepast op elk cognossement, dat betrekking
heeft op vervoer van zaken tussen havens in twee verschillende staten,
indien:
a. het cognossement is uitgegeven
in een verdragsstaat, of
b. het vervoer plaats vindt vanuit
een haven in een verdragsstaat, of
c. de overeenkomst, die in het
cognossement is vervat of daaruit blijkt, bepaalt, dat op die
overeenkomst toepasselijk zijn de bepalingen van het gewijzigd
Verdrag of van enigerlei wetgeving, welke die verdragsbepalingen
van kracht verklaart of in andere vorm of bewoordingen heeft
overgenomen, ongeacht de nationaliteit van het schip, de
vervoerder, de afzender, de geadresseerde of van iedere andere
betrokken persoon.
Artikel 372
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 373
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij
daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender.
2.Onder "vervrachter" is in
deze afdeling de in het eerste lid genoemde vervoerder, onder
"bevrachter" de aldaar genoemde afzender te verstaan.
Artikel 374
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip,
anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van toepassing.
Artikel 375
1.Bij eigendomsovergang van een tevoren
vervracht, al dan niet teboekstaand, schip op een derde volgt deze in
alle rechten en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
2.Rechten en verplichtingen, welke
vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde
niet over.
Artikel 376 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 377
In deze titel wordt onder
vervoerovereenkomst onder cognossement verstaan de vervoerovereenkomst
neergelegd in een cognossement dan wel enig soortgelijk document dat een
titel vormt voor het vervoer van zaken over zee; eveneens wordt er onder
verstaan de vervoerovereenkomst neergelegd in een cognossement of
soortgelijk document als genoemd, dat is uitgegeven uit hoofde van een
charterpartij, van het ogenblik af waarop dit cognossement of
soortgelijk document de verhouding tussen de vervoerder en de houder van
het cognossement beheerst.
Artikel 378
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat, waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 379
Onverminderd artikel 378 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
Artikel 380
1.In geval van tijdbevrachting is de
vervrachter verplicht de kapitein opdracht te geven binnen de grenzen
door de overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te volgen.
De vervrachter staat er voor in, dat de kapitein de hem gegeven
opdracht nakomt.
2.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip de plekken of plaatsen, waarheen hij het ter inlading,
lossing of anderszins op grond van het eerste lid beveelt te gaan,
veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze plekken of
plaatsen blijken niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter
slechts in zoverre niet aansprakelijk als de kapitein, door de hem
gegeven orders op te volgen, onredelijk handelde.
3.Onverminderd artikel 461 wordt de
bevrachter mede verbonden door en kan hij rechten ontlenen aan een
rechtshandeling, die de kapitein ingevolge het eerste lid van dit
artikel verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen
van een verklaring begrepen.
Artikel 381
1.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is de vervoerder verplicht vóór en bij de aanvang van
de reis redelijke zorg aan te wenden voor:
a. het zeewaardig maken van het
schip;
b. het behoorlijk bemannen,
uitrusten en bevoorraden van het schip;
c. het geschikt maken en in goede
staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere
delen van het schip, waarin zaken worden geladen, om deze daarin
te bergen, te vervoeren en goed te houden.
2.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is de vervoerder, behoudens de artikelen 383, 388, 414
vierde lid en 423, verplicht de zaken behoorlijk en zorgvuldig te
laden, te behandelen, te stuwen, te vervoeren, te bewaren, te
verzorgen en te lossen.
Artikel 382
1.Nietig is ieder beding in een
vervoerovereenkomst onder cognossement, waardoor de vervoerder of het
schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of
beschadiging van of met betrekking tot zaken voortvloeiende uit
nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de
verplichtingen in de artikelen 381, 399, 411, 414 eerste lid, 492, 493
of in artikel 1712 voorzien of waardoor deze aansprakelijkheid mocht
worden verminderd op andere wijze dan in deze afdeling of in de
artikelen 361 tot en met 366 is voorzien. Een beding, krachtens
hetwelk de uitkering op grond van een gesloten verzekering aan de
vervoerder komt of elk ander beding van dergelijke strekking, wordt
aangemerkt als te zijn gemaakt teneinde de vervoerder van zijn
aansprakelijkheid te ontheffen.
2.Niettegenstaande het eerste lid is
een beding, als daar genoemd, geldig mits het betreft:
a. een geoorloofd beding omtrent
avarij-grosse;
b. levende dieren;
c. zaken, die feitelijk op het dek
worden vervoerd mits deze in het cognossement als deklading zijn
opgegeven.
Artikel 383
1.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is noch de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor
verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan uit onzeewaardigheid,
tenzij deze is te wijten aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde
van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk te
bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en
vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin de zaken worden
geladen, geschikt te maken en in goede staat te brengen, zodat zij
kunnen dienen tot het bergen, het vervoeren en het bewaren van de
zaken, alles overeenkomstig het eerste lid van artikel 381. Telkens
als verlies of schade is ontstaan uit onzeewaardigheid, rust de
bewijslast ten aanzien van het aangewend zijn van de redelijke zorg op
de vervoerder of op iedere andere persoon, die mocht beweren krachtens
dit artikel van aan sprakelijkheid te zijn ontheven.
2.Onder een vervoerovereenkomst al dan
niet onder cognossement is noch de vervoerder noch het schip
aansprakelijk voor verlies of schade ontstaan of voortgevloeid uit:
a. een handeling, onachtzaamheid of
nalatigheid van de kapitein, een ander lid van de bemanning, de
loods of ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de
navigatie of de behandeling van het schip;
b. brand, tenzij veroorzaakt door
de persoonlijke schuld van de vervoerder;
c. gevaren, onheilen en ongevallen
van de zee of andere bevaarbare wateren;
d. een natuurgebeuren;
e. oorlogshandelingen;
f. een daad van vijanden van de
staat;
g. aanhouding of maatregelen van
hogerhand of gerechtelijk beslag;
h. maatregelen van quarantaine;
i. een handeling of een nalaten van
de afzender of eigenaar der zaken of van hun agent of
vertegenwoordiger;
j. werkstakingen of uitsluitingen
of stilstand of belemmering van de arbeid, tengevolge van welke
oorzaak dan ook, hetzij gedeeltelijk hetzij geheel;
k. oproer of onlusten;
l. redding of poging tot redding
van mensenlevens of goederen op zee;
m. verlies aan volume of gewicht of
enig ander verlies, of enige andere schade, ontstaan uit een
verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek van de
zaak;
n. onvoldoende verpakking;
o. onvoldoende of gebrekkige
merken;
p. verborgen gebreken, die ondanks
een redelijke zorg niet te ontdekken waren;
q. enige andere oorzaak, niet
voortgevloeid uit de persoonlijke schuld van de vervoerder, noch
uit schuld of nalatigheid van zijn agenten of ondergeschikten;
doch de bewijslast rust op degeen, die zich op deze ontheffing
beroept, en het staat aan hem aan te tonen, dat noch zijn
persoonlijke schuld, noch de nalatigheid of schuld van zijn
agenten of ondergeschikten heeft bijgedragen tot het verlies of de
schade.
3.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement is de afzender niet aansprakelijk voor door de vervoerder
of het schip geleden verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan
uit welke oorzaak dan ook, zonder dat er is een handeling, schuld of
nalatigheid van hem, van zijn agenten of van zijn ondergeschikten.
4.Generlei afwijking van de koers tot
redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en
generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een
schending van enige vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet
aansprakelijk voor enig verlies of enige schade daardoor ontstaan.
5.Het staat de afzender vrij
aansprakelijkheid aan te tonen voor verlies of schade ontstaan of
voortgevloeid uit de schuld van de vervoerder zelf of de schuld van
zijn ondergeschikten, niet bestaande uit een handeling, onachtzaamheid
of nalatigheid als in het tweede lid onder a bedoeld.
Artikel 384
Het staat de vervoerder vrij geheel of
gedeeltelijk afstand te doen van zijn uit de in het eerste lid van
artikel 382 genoemde artikelen of uit de artikelen 383, 388, 414 vierde
lid of 423 voortvloeiende rechten en ontheffingen van aansprakelijkheid
of zijn uit deze artikelen voortvloeiende aansprakelijkheden en
verplichtingen te vermeerderen, mits in geval van een
vervoerovereenkomst onder cognossement deze afstand of deze
vermeerdering blijkt uit het aan de afzender afgegeven cognossement.
Artikel 385
Niettegenstaande het eerste lid van
artikel 382 is een beding als daar bedoeld geldig, wanneer het betreft
zaken, die door hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen en welker vervoer moet geschieden onder omstandigheden of
op voorwaarden, die een bijzondere overeenkomst rechtvaardigen. Het hier
bepaalde geldt echter slechts, wanneer voor het vervoer van deze zaken
geen cognossement, doch een blijkens zijn bewoordingen onverhandelbaar
document is afgegeven en het niet betreft een gewone handelslading,
verscheept bij gelegenheid van een gewone handelsverrichting.
Artikel 386
Niettegenstaande het eerste lid van
artikel 382 staat het de vervoerder en de afzender vrij in een
vervoerovereenkomst enig beding, enige voorwaarde, enig voorbehoud of
enige ontheffing op te nemen met betrekking tot de verplichtingen en
aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip voor het verlies of de
schaden opgekomen aan de zaken of betreffende hun bewaring, verzorging
of behandeling vóór het laden in en na het lossen uit het over zee
vervoerende schip.
Artikel 387
Voor zover de vervoerder aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 378 en 379
rustende verplichtingen, heeft de afzender geen ander recht dan betaling
van de in artikel 388 genoemde of de met toepassing van artikel 384
overeengekomen bedragen te vorderen.
Artikel 388
1.Tenzij de aard en de waarde van zaken
zijn opgegeven door de afzender vóór hun inlading en deze opgave in
het cognossement, indien dit is afgegeven, is opgenomen, is noch de
vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk voor enig
verlies van of enige schade aan de zaken of met betrekking tot deze
voor een bedrag hoger dan de tegenwaarde van 666,67 rekeneenheden per
collo of eenheid, dan wel twee rekeneenheden per kilogram brutogewicht
der verloren gegane of beschadigde zaken, waarbij het hoogste dezer
bedragen in aanmerking moet worden genomen.
2.Het totale verschuldigde bedrag wordt
berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd. De in
dit lid genoemde waarde wordt berekend naar de koers op de
goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is, naar de
gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt, naar de normale
waarde van zaken van dezelfde aard en hoedanigheid.
3.Wanneer een laadkist, een laadbord of
dergelijk vervoergerei is gebezigd om zaken bijeen te brengen, wordt
iedere collo of eenheid, die volgens vermelding in het cognossement in
dat vervoergerei is verpakt, beschouwd als een collo of eenheid als in
het eerste lid bedoeld. Behalve in het geval hiervoor omschreven wordt
dit vervoergerei als een collo of eenheid beschouwd.
4.De rekeneenheid genoemd in dit
artikel is het bijzondere trekkingsrecht zoals dat is omschreven door
het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in het eerste
lid worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers van de dag,
waarop de betaling wordt verricht. De waarde van het Nederlandse geld,
uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de
dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en
transacties.
5.Noch de vervoerder noch het schip kan
zijn aansprakelijkheid met een beroep op dit artikel of het vierde lid
van artikel 414 beperken, wanneer bewezen is, dat de schade is
ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder, geschied
hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6.Bij overeenkomst tussen de
vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder enerzijds en de
afzender anderzijds, mogen andere maximumbedragen dan die, genoemd in
het eerste lid, worden bepaald, mits deze bedragen in geval van een
vervoerovereenkomst onder cognossement niet lager zijn dan de in het
eerste lid genoemde.
7.Noch de vervoerder noch het schip is
in enig geval aansprakelijk voor verlies of schade van of aan zaken of
met betrekking tot deze, indien aard of waarde daarvan door de
afzender opzettelijk verkeerdelijk is opgegeven en, indien een
cognossement is afgegeven, daarin verkeerdelijk is opgenomen.
Artikel 389
Indien met betrekking tot een zaak
hulploon, een bijdrage in avarij-grosse of een schadevergoeding uit
hoofde van artikel 488 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een
waardevermindering van die zaak.
Artikel 390
1.De tijd- of reisbevrachter is bevoegd
de overeenkomst op te zeggen, wanneer hem door de vervrachter is
medegedeeld dat het schip niet op de overeengekomen plaats of tijd te
zijner beschikking is of zal kunnen zijn.
2.Hij kan deze bevoegdheid slechts
uitoefenen door binnen een redelijke, niet meer dan 48 uur durende,
termijn na ontvangst van een mededeling, als bedoeld in het eerste
lid, het in het vijfde lid genoemde bericht te verzenden.
3.Indien bij gebreke van de ontvangst
van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid, het de bevrachter
uit anderen hoofde bekend is, dat het schip niet op de overeengekomen
plaats of tijd te zijner beschikking is of kan zijn, is hij, zonder
dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te
zeggen, doch slechts binnen een redelijke, niet meer dan 48 uur
durende, termijn nadat hem dit bekend is geworden; gelijke bevoegdheid
komt hem toe, indien hem na ontvangst van een mededeling, als bedoeld
in het eerste lid, uit anderen hoofde bekend wordt, dat het schip op
grond van andere omstandigheden dan welke de vervrachter tot zijn
mededeling brachten, niet op de overeengekomen plaats of tijd te
zijner beschikking is of kan zijn.
4.De in dit artikel genoemde termijn
wordt geschorst op die zaterdagen, zondagen en plaatselijke
feestdagen, waarop ten kantore van de bevrachter in het geheel niet
wordt gewerkt.
5.De opzegging geschiedt door telegram
of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 391
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 392
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, verlengd met de overligtijd, door welke oorzaak dan ook, in
het geheel geen zaken ter beschikking van de vervoerder, dan is deze,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst
op te zeggen.
3.Zijn bij het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde tijd, door welke oorzaak dan ook, de
overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking van de
vervoerder, dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is
vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te
aanvaarden.
4.De opzegging geschiedt door telegram
of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan, doch niet vóór lossing van de zaken.
5.Onder voorbehoud van het derde lid
van artikel 383 is de afzender verplicht de vervoerder de schade te
vergoeden die deze lijdt tengevolge van de opzegging of van de
aanvaarding van de reis.
6.Dit artikel is niet van toepassing in
geval van tijdbevrachting.
Artikel 393
1.In geval van reisbevrachting is de
vervrachter tegen zekerheidstelling voor wat hij van de bevrachter
heeft te vorderen, op diens verlangen verplicht de reis te aanvaarden
met een gedeelte der overeengekomen zaken. De bevrachter is verplicht
de vervrachter de dientengevolge geleden schade te vergoeden.
2.De vervrachter is bevoegd in plaats
van de ontbrekende zaken andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de
vracht, die hij voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de
bevrachter te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de
bevrachter vergoeding van door hem geleden schade heeft geïnd of
gevorderd.
Artikel 394
1.De afzender is verplicht de
vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder
deze gegevens kent.
2.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
3.Is bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk
voldaan aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde verplichting
van de afzender, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 392 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 395
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke
oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de zaken
te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2.De vervoerder is verplicht redelijke
zorg aan te wenden dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld,
niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de
artikelen 387, 388 en 389 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.
3.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Zijn bij het verstrijken van de tijd
waarbinnen de in het eerste lid genoemde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar
behoren aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 392 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 396
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door telegram,
bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 397
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die materiaal, dat hij deze ter
beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving dan wel de
behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen
verhinderen.
2.Dit artikel laat de artikelen 383
derde lid, 398 en 423, alsmede de bepalingen nopens avarij-grosse
onverlet.
Artikel 398
1.Ten vervoer ontvangen zaken, die een
zorgvuldig vervoerder, indien hij geweten zou hebben dat zij na hun
inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het oog daarop
niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen, mogen door hem op ieder
ogenblik en op iedere plaats worden gelost, vernietigd dan wel op
andere wijze onschadelijk gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer
ontvangen zaken, waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend,
geldt hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren. De vervoerder is terzake geen enkele
schadevergoeding verschuldigd en de afzender is aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiende uit de
aanbieding ten vervoer, uit het vervoer of uit de maatregelen zelf.
2.Door het treffen van de in het eerste
lid bedoelde maatregel eindigt de overeenkomst met betrekking tot de
daar genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost, eerst na
deze lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk de afzender, degeen
aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degeen, aan wie hij
volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement
bericht van aankomst van het schip moet zenden. Dit lid is niet van
toepassing met betrekking tot zaken die de vervoerder na het treffen
van de in het eerste lid bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming
vervoert.
3.Indien zaken na beëindiging van de
overeenkomst alsnog in feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij
zich op het ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in
de staat, waarin zij feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet
afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van
beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan.
4.Indien de afzender na feitelijke
aflevering een zaak niet naar haar bestemming vervoert, wordt het
verschil tussen de waarden ter bestemming en ter plaatse van de
aflevering, als bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid van
artikel 388, aangemerkt als waardevermindering van die zaak. Vervoert
de afzender een zaak na de feitelijke aflevering alsnog naar haar
bestemming, dan worden de kosten, die hij te dien einde maakt,
aangemerkt als waardevermindering van die zaak.
5.Op de feitelijke aflevering is het
tussen partijen overeengekomene alsmede het in deze afdeling nopens de
aflevering van zaken bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat
deze feitelijke aflevering niet op grond van de eerste zin van het
eerste lid of op grond van het tweede lid van artikel 484 de vracht
verschuldigd doet zijn. De artikelen 490 en 491 zijn van
overeenkomstige toepassing.
6.Dit artikel laat artikel 423, alsmede
de bepalingen nopens avarij-grosse onverlet.
7.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 399
1.Na de zaken ontvangen en aangenomen
te hebben, moet de vervoerder, de kapitein of de agent van de
vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement
afgeven, dat onder meer vermeldt:
a. de voornaamste voor
identificatie van de zaken nodige merken, zoals deze, voor de
inlading van deze zaken is begonnen, door de afzender schriftelijk
zijn opgegeven, mits deze merken zijn gestempeld of anderszins
duidelijk zijn aangebracht op de onverpakte zaken of op de kisten
of verpakkingen, die de zaken inhouden en wel zodanig, dat zij in
normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar zullen
blijven;
b. òf het aantal der colli of het
stuktal, òf de hoeveelheid òf het gewicht, al naar gelang der
omstandigheden, zoals zulks door de afzender schriftelijk is
opgegeven;
c. de uiterlijk zichtbare staat en
gesteldheid der zaken;
met dien verstande, dat geen
vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder verplicht zal zijn in
het cognossement merken, aantal, hoeveelheid of gewicht op te geven of
te noemen waarvan hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat zij
niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeven
of tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
De vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te hebben gehad
de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of gepompte zaken te
toetsen.
2.Als de zaken ingeladen zijn, zal het
cognossement, dat de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder
aan de afzender afgeeft, indien deze dit verlangt, de vermelding
"geladen" bevatten, mits de afzender, indien hij vooraf enig
op die zaken rechtgevend document heeft ontvangen, dit tegen afgifte
van het "geladen"-cognossement teruggeeft. De vervoerder,
kapitein of agent van de vervoerder heeft eveneens het recht in de
laadhaven op het oorspronkelijk afgegeven document de naam van het
schip of van de schepen, aan boord waarvan de zaken werden geladen, en
de datum of de data van inlading aan te tekenen, in welk geval het
aldus aangevulde document, mits inhoudende de in dit artikel vermelde
bijzonderheden, als een "geladen"-cognossement in de zin van
dit artikel wordt beschouwd.
Artikel 410
Indien een vervoerovereenkomst is
gesloten en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens
artikel 441 tweede lid, tweede volzin, de rechtsverhouding tussen de
vervoerder en de afzender door de bedingen van de vervoerovereenkomst en
niet door die van dit cognossement beheerst. Behoudens het in artikel
441 eerste lid gestelde vereiste van houderschap van het cognossement,
strekt dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
vervoerder.
Artikel 411
De afzender wordt geacht ten behoeve van
de vervoerder in te staan voor de juistheid op het ogenblik van de in
ontvangstneming van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en
gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloos stellen voor alle
verliezen, schaden en kosten, ontstaan ten gevolge van onjuistheden in
de opgave van deze bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op
dergelijke schadeloosstelling beperkt in genen dele zijn
aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de
vervoerovereenkomst voortvloeien, tegenover elke andere persoon dan de
afzender.
Artikel 412
1.Het cognossement wordt gedateerd en
door de vervoerder ondertekend en vermeldt de voorwaarden waarop het
vervoer plaatsvindt, alsmede de plaats waar en de persoon aan wie de
zaken moeten worden afgeleverd. Deze wordt, ter keuze van de afzender,
aangegeven hetzij bij name of andere aanduiding, hetzij als order van
de afzender of van een ander, hetzij als toonder.
2.De enkele woorden "aan
order" worden geacht de order van de afzender aan te geven.
Artikel 413
Het cognossement wordt, tenzij het op
naam is gesteld, afgegeven in één of meer exemplaren. De verhandelbare
exemplaren, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het geheel
zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle. Niet
verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden aangeduid.
Artikel 414
1.Tegenbewijs tegen het cognossement
wordt niet toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een derde te
goeder trouw.
2.Indien in het cognossement de
clausule: "inhoud, hoedanigheid, aantal, gewicht of maat
onbekend", of enige andere clausule van dergelijke strekking is
opgenomen, binden zodanige in het cognossement voorkomende
vermeldingen omtrent de zaken de vervoerder niet, tenzij bewezen
wordt, dat hij de inhoud of de hoedanigheid der zaken heeft gekend of
had behoren te kennen of dat de zaken hem toegeteld, toegewogen of
toegemeten zijn.
3.Een cognossement, dat de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert,
behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk zichtbaar
in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.De in het cognossement opgenomen
opgave, bedoeld in artikel 388 eerste lid, schept behoudens
tegenbewijs een vermoeden, doch bindt niet de vervoerder die haar kan
betwisten.
Artikel 415
1.Verwijzingen in het cognossement
worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor
degeen, jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar
zijn.
2.Een dergelijk beroep is slechts
mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degeen jegens wie
dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 416
Een cognossement aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 417
Levering van het cognossement vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als
levering van die zaken.
Artikel 418
De vervoerder is verplicht de plek van
inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van tijdbevrachting
is echter artikel 380 van toepassing en in geval van reisbevrachting
artikel 419.
Artikel 419
1.In geval van reisbevrachting is de
bevrachter verplicht de plek van inlading en lossing tijdig aan te
wijzen.
2.Hij moet daartoe aanwijzen een
gebruikelijke plek, die terstond of binnen redelijke tijd beschikbaar
is, waar het schip veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
waarvandaan het veilig kan vertrekken.
3.Wanneer de bevrachter niet aan deze
verplichting voldoet of de bevrachters, als er meer zijn, niet
eenstemmig zijn in de aanwijzing, is de vervrachter zonder dat enige
aanmaning is vereist verplicht zelf de plek van inlading of lossing
aan te wijzen.
4.Indien de bevrachter meer dan één
plek aanwijst, geldt de tijd nodig voor het verhalen als gebruikte
laad- of lostijd. De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening.
5.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip op de plek, die hij op grond van het eerste lid ter inlading
of lossing aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt niet aan
deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet
aansprakelijk als de kapitein, door de hem gegeven aanwijzing op te
volgen, onredelijk handelde.
Artikel 420
Wanneer in geval van reisbevrachting de
bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te wijzen,
is artikel 419 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 421
Behalve in geval van bevrachting is de
vervoerder verplicht de zaken aan boord van het schip te laden en te
stuwen.
Artikel 422
1.Voor zover de vervoerder verplicht is
tot laden, is hij gehouden zulks in de overeengekomen laadtijd te
doen.
2.Voor zover de afzender verplicht is
tot laden of stuwen, staat hij er voor in dat zulks in de
overeengekomen laadtijd geschiedt.
3.Werd geen laadtijd vastgesteld, dan
behoort de inlading te geschieden zo snel als ter plekke voor een
schip als het betrokken schip gebruikelijk of redelijk is.
4.Bepaalt de vervoerovereenkomst
overliggeld, doch niet de overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld
op acht opeenvolgende etmalen of, als op de ligplek een ander aantal
redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal.
5.De wettelijke bepalingen omtrent
boetebedingen zijn niet van toepassing op bedingen met betrekking tot
overliggeld.
6.Schuldenaren van overliggeld en een
mogelijkerwijs uit hoofde van het tweede lid verschuldigde
schadevergoeding zijn tot betaling daarvan hoofdelijk verbonden.
Artikel 423
1.Onder een vervoerovereenkomst onder
cognossement mogen zaken van ontvlambare, explosieve of gevaarlijke
aard, tot de inlading waarvan de vervoerder, de kapitein of de agent
van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven, wanneer hij de
aard of de gesteldheid daarvan had gekend, te allen tijde vóór de
lossing door de vervoerder op iedere plaats worden gelost of
vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de
afzender van deze zaken is aansprakelijk voor alle schade en onkosten,
middellijk of onmiddellijk voortgevloeid of ontstaan uit het inladen
daarvan.
2.Indien onder een vervoerovereenkomst
onder cognossement enige zaak, als bedoeld in het eerste lid,
ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar
wordt voor het schip of de lading, mag zij evenzo door de vervoerder
worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige
aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor avarij-grosse, indien
daartoe gronden bestaan.
Artikel 424
1.Behalve in geval van tijd- of
reisbevrachting is de vervoerder wanneer, nadat de inlading een
aanvang heeft genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt
te zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de uitvoering van de
overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel binnen redelijke tijd
niet mogelijk is, na lossing van de zaken bevoegd de overeenkomst te
beëindigen, mits hij dit zo spoedig mogelijk doet.
2.Vermoed wordt dat het vergaan of de
beschadiging van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die
voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder
komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem
vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
3.De vervoerder verwittigt, zo
mogelijk, de afzender, degeen aan wie de zaken moeten worden
afgeleverd en degeen aan wie hij volgens de bepalingen van een
mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van aankomst van het
schip moet zenden.
4.Het derde, het vierde en het vijfde
lid van artikel 398 zijn van toepassing.
Artikel 425
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
is ieder der partijen, mits zij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd
de overeenkomst geheel of met betrekking tot een gedeelte der zaken op
te zeggen, wanneer het schip, zonder dat het vergaan is, zodanig
beschadigd blijkt te zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de
uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel
binnen redelijke tijd niet mogelijk is.
2.De reisbevrachter komt de hem in het
eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid ten aanzien van
reeds aan boord ontvangen zaken niet toe, indien de vervrachter, zodra
hem dit redelijkerwijs mogelijk was, heeft verklaard dat hij deze
zaken, zij het niet in het bevrachte schip, ondanks de beëindiging
van de overeenkomst naar hun bestemming zal vervoeren; zulk vervoer
wordt vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te
vinden.
3.De opzegging geschiedt door telegram
of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan, doch ten aanzien van reeds aan boord
ontvangen zaken, eerst na lossing van die zaken. Een in een dergelijk
telegram of bericht vervatte mededeling, dat de vervrachter zaken
alsnog, doch niet in het bevrachte schip, naar hun bestemming zal
vervoeren, houdt met betrekking tot die zaken opzegging van de
overeenkomst in.
4.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat de beschadiging van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
5.Het derde, het vierde en het vijfde
lid van artikel 398 zijn van toepassing met dien verstande, dat
ingeval van tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het
tijdstip van de lossing der zaken.
Artikel 426
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
eindigt de overeenkomst met het vergaan van het schip. In geval van
langdurige tijdingloosheid wordt vermoed, dat het schip is vergaan te
2400 uur Universele Tijd van de dag, waarop het laatste bericht is
ontvangen.
2.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat het vergaan van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
3.Vervoert de vervrachter ondanks het
vergaan van het schip zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog
naar hun bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit
vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te
vinden.
4.De vervrachter verwittigt de
bevrachter zo spoedig als dit mogelijk is.
5.Het derde, het vierde en het vijfde
lid van artikel 398 zijn van toepassing.
Artikel 440
1.De afzender - of, indien een
cognossement is afgegeven, uitsluitend de in artikel 441 bedoelde
houder daarvan en dan alleen tegen afgifte van alle verhandelbare
exemplaren van dit cognossement - is bevoegd, voor zover de vervoerder
hieraan redelijkerwijs kan voldoen, aflevering van ten vervoer
ontvangen zaken of, indien daarvoor een cognossement is afgegeven, van
alle daarop vermelde zaken gezamenlijk, vóór de aankomst ter
bestemmingsplaats te verlangen, mits hij de vervoerder en de
belanghebbenden bij de overige lading ter zake schadeloos stelt. Hij
is verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de
avarij-grosse handeling plaatshad met het oog op een omstandigheid,
waarvan reeds vóór de aflevering is gebleken.
2.Hij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer door de voortijdige aflevering de reis zou worden vertraagd.
3.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 490 en 491 zijn van toepassing.
Artikel 441
1.Indien een cognossement is afgegeven,
heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op
rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het
cognossement het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op de
vervoerder rustende verplichtingen te vorderen; daarbij is artikel 387
van toepassing.
2.Jegens de houder van het
cognossement, die niet de afzender was, is de vervoerder onder
cognossement gehouden aan en kan hij een beroep doen op de bedingen
van dit cognossement. Jegens iedere houder van het cognossement, kan
hij de uit het cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling
geldend maken. Jegens de houder van het cognossement, die ook de
afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de bedingen van de
vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender
beroepen.
Artikel 442
1.Indien bij toepassing van artikel 461
verscheidene personen als vervoerder onder het cognossement moeten
worden aangemerkt zijn dezen jegens de in artikel 441 eerste lid
bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden.
2.In het in het eerste lid genoemde
geval is ieder der vervoerders gerechtigd de uit het cognossement
blijkende rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is
deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare bedrag dat
hij op grond van het cognossement aan één hunner heeft voldaan.
Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 460
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht, die
houder is van het exemplaar, waarvan ná de gemeenschappelijke voorman,
die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is
geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.
Artikel 461
1.Onverminderd de overige leden van dit
artikel worden als vervoerder onder het cognossement aangemerkt hij
die het cognossement ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het cognossement is
gebezigd.
2.Indien de kapitein of een ander voor
hem het cognossement ondertekende, wordt naast degene genoemd in het
eerste lid, die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de
laatste overeenkomst in de keten der exploitatie-overeenkomsten als
bedoeld in afdeling 1 van titel 5, als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt. Indien het schip in rompbevrachting is
uitgegeven wordt naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de
laatste rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven dan wordt
naast de hier genoemde eventuele tijd- of reisbevrachter ook de reder
als vervoerder onder het cognossement aangemerkt.
3.In afwijking van de vorige leden
wordt uitsluitend de laatste rompbevrachter, onderscheidenlijk de
reder, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien het
cognossement uitsluitend deze rompbevrachter, onderscheidenlijk de
reder, uitdrukkelijk als zodanig aanwijst en, in geval van aanwijzing
van de rompbevrachter, bovendien diens identiteit uit het cognossement
duidelijk kenbaar is.
4.Dit artikel laat het tweede lid van
artikel 262 onverlet.
5.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 462
1.Het eerste lid van artikel 461 vindt
geen toepassing indien een daar als vervoerder onder het cognossement
aangemerkte persoon bewijst dat hij die het cognossement voor hem
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed of dat
het formulier zonder zijn toestemming is gebezigd. Desalniettemin
wordt een in het eerste lid van artikel 461 bedoelde persoon als
vervoerder onder het cognossement aangemerkt, indien de houder van het
cognossement bewijst dat op het ogenblik van uitgifte van het
cognossement, op grond van een verklaring of gedraging van hem voor
wie is ondertekend of wiens formulier is gebezigd, redelijkerwijze
mocht worden aangenomen, dat hij die ondertekende daartoe bevoegd was
of dat het formulier met toestemming was gebezigd.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
de rederij als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien
haar boekhouder door ondertekening van het cognossement de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens de
eerste houder van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte
daarvan wist dat de boekhouder de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed.
3.Een beroep op het tweede lid van
artikel 461 is mogelijk ook indien de kapitein door ondertekening van
het cognossement of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens
hem te ondertekenen, de grenzen zijner bevoegdheid overschreed, doch
dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder van het
cognossement die op het ogenblik van uitgifte daarvan wist dat de
kapitein de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
4.Het derde lid vindt eveneens
toepassing indien hij die namens de kapitein het cognossement
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
Artikel 480
1.Is een vervrachter ingevolge artikel
461 tot meer gehouden dan waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting
is verplicht of ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is
gerechtigd, dan heeft hij - mits de ondertekening van het cognossement
of de afgifte van het formulier plaatsvond krachtens het in de
bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek van de bevrachter - deswege
op deze laatste verhaal.
2.Hetzelfde geldt voor een ingevolge
het eerste lid aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter
is.
Artikel 481
1.De houder van het cognossement, die
zich tot ontvangst van de zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat
hij deze heeft ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en
aan de vervoerder af te geven.
2.Hij is gerechtigd het cognossement
tot zekerheid der afgifte daarvan bij een, in geval van geschil op
verzoek van de meest gerede partij door de rechter aan te wijzen,
derde in bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.
Artikel 482
1.Een door de vervoerder na intrekking
van het cognossement afgegeven document dat de houder daarvan recht
geeft op aflevering van in dat cognossement genoemde zaken, wordt met
betrekking tot deze zaken met het cognossement gelijk gesteld. Het
cognossement wordt vermoed van het hier bedoelde document deel uit te
maken. Hij die dit document ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende, noch hij wiens formulier werd gebruikt, wordt door het
blote feit van deze ondertekening of dit gebruik als vervoerder onder
het cognossement aangemerkt.
2.Tenzij in documenten als bedoeld in
het eerste lid anders is bepaald, zijn de houders daarvan hoofdelijk
verbonden voor de verbintenissen die uit het vervoer van de onder het
cognossement vervoerde zaken voor de houder van dat cognossement
voortvloeien.
Artikel 483
1.Behalve in geval van bevrachting is
de vervoerder verplicht de zaken uit het schip te lossen.
2.Op de lossing van de zaken vindt
artikel 422 overeenkomstige toepassing.
Artikel 484
1.De vracht is verschuldigd na
aflevering van de zaken ter bestemming of ter plaatse, waar de
vervoerder hen met inachtneming van artikel 440 afleverde. Is de
vracht bepaald naar gewicht of omvang der zaken, dan wordt hij
berekend naar deze gegevens bij aflevering.
2.Vracht die in één som voor alle
zaken ter bestemming is bepaald, is, ook wanneer slechts een gedeelte
van die zaken is afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd.
3.Onder voorbehoud van het vijfde lid
van dit artikel is voor zaken, die onderweg zijn verkocht omdat hun
beschadigdheid verder vervoer redelijkerwijs niet toeliet, de vracht
verschuldigd, doch ten hoogste tot het bedrag van hun opbrengst.
4.Vracht, die vooruit te voldoen is of
voldaan is, is en blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in
zijn geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter bestemming
worden afgeleverd.
5.In waardeloze toestand afgeleverde
zaken worden aangemerkt als niet te zijn afgeleverd. Zaken, die niet
zijn afgeleverd, of die in waardeloze toestand zijn afgeleverd, worden
desalniettemin aangemerkt als afgeleverde zaken, voor zover het niet
of in waardeloze toestand afleveren het gevolg is van de aard of een
gebrek van de zaken, dan wel van een handeling of nalaten van een
rechthebbende op of de afzender of ontvanger van de zaken.
Artikel 485
Voor zaken die door een opvarende voor
eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden vervoerd is de
hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de inlading voor
soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze vracht is verschuldigd ook
wanneer de zaken niet of in waardeloze toestand ter bestemming worden
afgeleverd en de ontvanger is met de verscheper hoofdelijk voor deze
vracht verbonden.
Artikel 486
Onder voorbehoud van de laatste zinsnede
van het vijfde lid van artikel 425 is in geval van tijdbevrachting
vracht niet verschuldigd over de tijd, dat de bevrachter het schip niet
overeenkomstig de bedingen van de bevrachting te zijner beschikking
heeft
a. ten gevolge van beschadiging
daarvan, dan wel
b. doordat de vervrachter in de
nakoming van zijn verplichtingen te kort schiet,
mits het schip meer dan 24 aaneengesloten
uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.
Artikel 487
1.Bij tijdbevrachting komen de
brandstof voor de machines, het ketelwater, de havenrechten en
soortgelijke rechten en uitgaven, die verschuldigd worden ten gevolge
van uitgevoerde reizen en het vervoeren van zaken, ten laste van de
bevrachter. De overige lasten der exploitatie van het schip komen ten
laste van de vervrachter.
2.De vervrachter is gerechtigd en
verplicht de zich bij het einde van de bevrachting nog aan boord
bevindende brandstof van de bevrachter over te nemen tegen de
marktprijs ten tijde en ter plaatse van de oplevering van het schip.
Artikel 488
Onverminderd het omtrent avarij-grosse
bepaalde en onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn de
afzender, de ontvanger en, indien een cognossement is afgegeven, de in
artikel 441 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk verbonden de vervoerder
de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer
inliet met de behartiging van de belangen van een rechthebbende op ten
vervoer ontvangen zaken dan wel doordat de kapitein of de schipper zijn
in artikel 261 of artikel 860 genoemde verplichtingen is nagekomen.
Artikel 489
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de
ontvanger verschuldigd is of zal worden terzake van het vervoer van
die zaken alsmede voor hetgeen als bijdrage in avarij-grosse op die
zaken verschuldigd is of zal worden. Dit retentierecht vervalt zodra
aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat
en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 490
1.Voor zover hij die jegens de
vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken niet opkomt,
weigert deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in
ontvangst neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien
de vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een houder van
een cognossement die als ontvanger opkomt, desalniettemin niet tot de
aflevering gerechtigd is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het schip, onder
zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen.
2.De derde-bewaarnemer en de ontvanger
zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet
gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van
hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 491
1.In geval van toepassing van artikel
490 kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering op zijn verzoek, door de
rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die
jegens hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens degeen,
aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven
cognossement bericht van aankomst van het schip moet zenden.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening
van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is
gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in
bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is
ter zake van het vervoer, alsmede een bijdrage in avarij-grosse; voor
zover deze vorderingen nog niet vast staan, zal de opbrengst of een
gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot zekerheid
voor deze vorderingen strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 492
1.Tenzij aan de vervoerder of zijn
agent in de loshaven vóór of op het ogenblik van het weghalen van de
zaken en van hun overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op
de aflevering rechthebbende persoon schriftelijk kennis is gegeven van
verliezen of schaden en van de algemene aard van deze verliezen of
schaden, schept dit weghalen, tot op bewijs van het tegendeel, het
vermoeden dat de zaken door de vervoerder zijn afgeleverd in de staat
als in de vervoerovereenkomst omschreven.
2.Zijn de verliezen of schaden niet
uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de
aflevering geschieden.
3.Schriftelijk voorbehoud is overbodig
als de staat van de zaak op het ogenblik van de inontvangstneming door
beide partijen gezamenlijk werd vastgesteld.
Artikel 493
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en de ontvanger elkaar
over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek
van de zaak en het natellen van de colli mogelijk te maken.
Artikel 494
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering, is bevoegd bij de
aflevering van zaken de rechter te verzoeken een gerechtelijk
onderzoek te doen plaatshebben naar de toestand waarin deze worden
afgeleverd; tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij
bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 495
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is, wanneer hij
verliezen of schaden van zaken vermoedt, bevoegd de rechter te
verzoeken vóór, bij of terstond na de aflevering daarvan en
desgewenst aan boord van het schip een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar de oorzaak daarvan.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 496
1.De kosten van gerechtelijk onderzoek,
als bedoeld in de artikelen 494 en 495, moeten worden voldaan door de
aanvrager.
2.De rechter kan deze kosten en door
het onderzoek geleden schade geheel of gedeeltelijk ten laste van de
wederpartij van de aanvrager brengen, ook al zou daardoor het bedrag
genoemd in het eerste lid van artikel 388 worden overschreden.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over zee
Artikel 500
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Verdrag: het Verdrag van Athene
betreffende het vervoer van passagiers en hun bagage over zee van
1974, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2002 (Trb. 2011, 110);
b. Verordening: Verordening (EG)
392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009
betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over
zee bij ongevallen (Pb EU L 131);
c. Protocol van 2002: Protocol van
2002 bij het Verdrag van Athene betreffende het vervoer van
passagiers en hun bagage over zee van 1974;
d. IMO richtsnoeren: Richtsnoeren van
de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) voor de uitvoering van
het Verdrag van Athene (IMO Circular letter No. 2 758 van 20
november 2006);
e. overeenkomst van personenvervoer:
de overeenkomst van personenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich
tegenover de andere partij verbindt aan boord van een schip een of
meer personen (reizigers) en al dan niet hun bagage over zee te
vervoeren. De overeenkomst van personenvervoer als omschreven in
artikel 100 is geen overeenkomst van personenvervoer in de zin van
deze afdeling. Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een
en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt in
afwijking van artikel 121 als vervoer over zee beschouwd;
f. vervoerder: persoon door of namens
wie een overeenkomst van personenvervoer is gesloten, ongeacht of
het vervoer feitelijk door deze persoon dan wel door een feitelijke
vervoerder wordt verzorgd;
g. feitelijke vervoerder: een andere
persoon dan de vervoerder, zijnde de eigenaar, bevrachter of
exploitant van een schip, die het vervoer feitelijk geheel of
gedeeltelijk verricht;
h. vervoerder die het vervoer
feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht: de feitelijke vervoerder,
of, voor zover de vervoerder zelf het vervoer verricht, de
vervoerder.
i. reiziger: iedere persoon vervoerd
op een schip krachtens een overeenkomst van personenvervoer en
iedere persoon vervoerd op een schip die met toestemming van de
vervoerder een voertuig of levend dier begeleidt, waarvoor een
overeenkomst van goederenvervoer is gesloten;
j. schip: een zeegaand schip, met
uitzondering van luchtkussenvaartuigen;
k. bagage: elk voorwerp of voertuig
dat krachtens een overeenkomst van personenvervoer door de
vervoerder wordt vervoerd, met uitzondering van:
1°. goederen of voertuigen die
worden vervoerd krachtens een overeenkomst die hoofdzakelijk het
vervoer van goederen betreft;
2°. levende dieren;
l. hutbagage: de bagage die zich in
de kajuit van de reiziger bevindt, die in zijn bezit is of die hij
onder zijn hoede of toezicht heeft. Behalve voor de toepassing van
artikel 501 en van artikel 504, zevende lid, omvat de hutbagage de
bagage die een reiziger in of op zijn voertuig heeft;
m. verlies of schade aan bagage:
omvat eveneens schade voortvloeiend uit het feit dat de bagage niet
binnen een redelijke periode, te rekenen vanaf de aankomst van het
schip waarop de bagage is vervoerd of had moeten worden vervoerd,
aan de reiziger werd afgeleverd, maar omvat niet de vertraging
voortvloeiende uit arbeidsconflicten;
n. Onze Minister: de Minister van
Infrastructuur en Milieu.
Artikel 500a
1. Deze afdeling is van toepassing op
de overeenkomst van personenvervoer voor zover daarop niet de
Verordening van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
op de overeenkomst van personenvervoer waarop de Verordening van
toepassing is, de artikelen 509 tot en met 510, 512, 514 tot en met
515 en 521 tot en met 529k van deze afdeling van toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid zijn
op de overeenkomst van internationaal personenvervoer waarop het
Verdrag noch de Verordening van toepassing is, de artikelen 529 tot en
met 529k niet van toepassing.
Artikel 500b
Deze afdeling is niet van toepassing op
vorderingen voor schade voortvloeiend uit een nucleair ongeval indien de
exploitant van een nucleaire installatie aansprakelijk is voor
dergelijke schade:
a. krachtens het Verdrag van Parijs
van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied
van de kernenergie (Trb. 1961, 27), zoals dit Verdrag is gewijzigd
bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol
bij dit Verdrag (Trb. 1964, 178); of
b. krachtens een andere regeling
betreffende de aansprakelijkheid voor dergelijke schade, op
voorwaarde dat die regeling ten opzichte van de personen die
dergelijke schade kunnen ondergaan, tenminste even gunstig is als
het onder a genoemde Verdrag.
Artikel 501
Vervoer over zee omvat:
a. met betrekking tot personen of hun
hutbagage de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage aan boord van
het schip verblijft, de tijd van inscheping of ontscheping, alsmede
de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage te water wordt vervoerd
tussen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan
in de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde
schip door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Vervoer over zee van personen omvat echter niet de tijd dat de
reiziger verblijft in een stationsgebouw, op een kade of enige
andere haveninstallatie;
b. met betrekking tot hutbagage
bovendien de tijd dat de reiziger verblijft in een stationsgebouw,
op een kade of enige andere haveninstallatie, indien die bagage is
overgenomen door de vervoerder en niet weer aan de reiziger is
afgeleverd;
c. met betrekking tot bagage die geen
hutbagage is de tijd tussen het overnemen door de vervoerder hetzij
te land, hetzij aan boord en de aflevering door de vervoerder.
Artikel 502
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van
een schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van zijn wederpartij (de
bevrachter).
2.De in afdeling 2 van titel 5 in het
bijzonder voor het geval van bevrachting gegeven bepalingen, alsmede
artikel 375 zijn op deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 503
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op ter beschikkingstelling van een schip
ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van
toepassing.
Artikel 504
1. Voor de toepassing van dit artikel:
a. wordt onder scheepvaartincident
verstaan: schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het
schip, explosie of brand aan boord, of defect aan het schip;
b. omvat schuld of nalatigheid van
de vervoerder: de schuld of nalatigheid van ondergeschikten van de
vervoerder, handelend binnen het kader van hun dienstverband;
c. wordt onder defect aan het schip
verstaan: gebrekkig of niet functioneren of iedere
niet-overeenstemming met toepasselijke veiligheidsvoorschriften
van enig deel van het schip of de uitrusting ervan wanneer deze
worden gebruikt voor:
1° ontsnapping, evacuatie,
inscheping en ontscheping van reizigers;
2° aandrijving, besturing,
veilig navigeren, afmeren, ankeren;
3° het aankomen op of
vertrekken van een aanleg- of ankerplaats;
4° beperking van schade na
vollopen van het schip; of
5° het te water laten van de
reddingsuitrusting.
2. De aansprakelijkheid van de
vervoerder krachtens dit artikel betreft slechts de schade als gevolg
van incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan.
3. Indien schade door dood of letsel
van de reiziger is veroorzaakt door een scheepvaartincident is de
vervoerder aansprakelijk tot het in artikel 3, eerste lid, van het
Verdrag genoemde bedrag, behoudens wijziging door de bijzondere
amenderingsprocedure voorzien in artikel 23 van het Protocol. De
vervoerder is echter niet aansprakelijk indien:
a. het incident het gevolg is van
een daad van oorlog, vijandigheden, burgeroorlog, opstand of een
natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onbedwingbare aard, of;
b. geheel is veroorzaakt door een
handeling of verzuim van een derde met het opzet het incident te
veroorzaken.
4. Indien en voor zover de in het derde
lid bedoelde schade het in artikel 3 van het Verdrag bedoelde bedrag
te boven gaat, is de vervoerder verder aansprakelijk tot het in
artikel 7, eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens
wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel
23 van het Protocol. De vervoerder is echter niet verder aansprakelijk
indien hij bewijst dat het incident dat het verlies heeft veroorzaakt
niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten is.
5. Indien schade door dood of letsel
van de reiziger niet is veroorzaakt door een scheepvaartincident, is
de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat het verlies heeft
veroorzaakt aan de schuld of de nalatigheid van de vervoerder te
wijten is. De aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot het
in artikel 7, eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens
wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel
23 van het Protocol.
6. In afwijking van het derde tot en
met het vijfde lid is de vervoerder voor schade door dood of letsel
van de reiziger als gevolg van een van de risico’s genoemd in punt
2.2 van de IMO richtsnoeren niet verder aansprakelijk dan het laagste
bedrag van de volgende bedragen:
a. 250 000 rekeneenheden per
reiziger, per incident; of
b. 340 miljoen rekeneenheden per
schip, per incident.
7. De vervoerder is aansprakelijk voor
schade als gevolg van verlies of beschadiging van hutbagage indien het
incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of nalatigheid
van de vervoerder te wijten is. Schuld of nalatigheid van de
vervoerder wordt aangenomen in geval van een scheepvaartincident. De
aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot het in artikel 8,
eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens wijziging door
de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 23 van het
Protocol.
8. De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door verlies of beschadiging van andere bagage dan
hutbagage tenzij de vervoerder bewijst dat het incident dat de schade
heeft veroorzaakt niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten is. De
aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot de in artikel 8,
tweede en derde lid, bedoelde bedragen, behoudens wijziging door de
bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 23 van het
Protocol.
9. De vervoerder en de reiziger kunnen
overeenkomen dat de aansprakelijkheid van de vervoerder met ten
hoogste de in artikel 8, vierde lid, van het Verdrag genoemde
bedragen, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure
voorzien in artikel 23 van het Protocol, kan worden verminderd in het
geval van schade aan een voertuig en verlies van of schade aan andere
bagage.
10. Vervoerder en reiziger kunnen
uitdrukkelijk en schriftelijk hogere aansprakelijkheidsgrenzen
overeenkomen dan bedoeld in dit artikel.
11. De wettelijke rente en proceskosten
zijn niet begrepen in de in dit artikel bedoelde
aansprakelijkheidsgrenzen.
12. Dit artikel laat onverlet enig
recht van verhaal van de vervoerder jegens een derde en enig verweer
gebaseerd op de nalatigheid van een reiziger op grond van artikel 513.
Artikel 504a
1. Indien het vervoer geheel of
gedeeltelijk door een feitelijke vervoerder wordt uitgevoerd, blijft
de vervoerder aansprakelijk voor het volledige vervoer overeenkomstig
de bepalingen van deze afdeling. Bovendien is de feitelijke vervoerder
onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling en kan hij zich op
deze bepalingen beroepen voor het gedeelte van het vervoer dat hij
zelf heeft verricht.
2. De vervoerder is met betrekking tot
het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer aansprakelijk
jegens de reiziger voor schade door de handelingen en het verzuim van
de feitelijke vervoerder en van diens ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers in de uitoefening van hun taak.
3. Elke overeenkomst waarbij de
vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet voortvloeien uit deze
afdeling of waarbij de vervoerder afstand doet van rechten die
voortvloeien uit deze afdeling, zal ten opzichte van de feitelijke
vervoerder slechts gevolg hebben als deze laatste daar uitdrukkelijk
en schriftelijk mee heeft ingestemd.
4. Indien en voor zover de vervoerder
en de feitelijke vervoerder beiden aansprakelijk zijn, zijn zij
hoofdelijk verbonden.
5. Dit artikel laat onverlet enig recht
op verhaal van de vervoerder en de feitelijke vervoerder.
Artikel 504b
1. De in artikel 504 bedoelde
aansprakelijkheidsgrenzen worden toegepast op de totale som van de
schadevergoeding die kan worden verkregen in het kader van alle
aansprakelijkheidsvorderingen bij dood of letsel van een reiziger of
bij verlies of beschadiging van zijn bagage.
2. Bij vervoer door een feitelijke
vervoerder kan de totale som van de schadevergoeding die kan worden
verkregen van de vervoerder, de feitelijke vervoerder, en hun
ondergeschikten, vertegenwoordigers en lasthebbers die handelen in de
uitoefening van hun taak, niet hoger zijn dan de hoogste vergoeding
die de vervoerder of de feitelijke vervoerder krachtens deze afdeling
kan worden opgelegd. Geen van de in dit lid genoemde personen kan
aansprakelijk worden gesteld voor een bedrag dat de
aansprakelijkheidsgrens die voor hem krachtens deze afdeling van
toepassing is, te boven gaat.
3. Indien een ondergeschikte,
vertegenwoordiger of lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke
vervoerder zich krachtens artikel 504e kan beroepen op de in artikel
504 bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen, gaat de totale som van de
schadevergoeding die kan worden verkregen van de vervoerder of van de
feitelijke vervoerder en van de ondergeschikte, vertegenwoordiger of
lasthebber, die grenzen niet te boven.
Artikel 504c
1. De vervoerder kan zich niet beroepen
op de in artikel 504 bedoelde beperking van aansprakelijkheid, indien
bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of een verzuim
door de vervoerder, hetzij met het opzet die schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat dergelijke schade
waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
2. De ondergeschikte, de
vertegenwoordiger of de lasthebber van de vervoerder of van de
feitelijke vervoerder kan zich niet beroepen op de in het eerste lid
bedoelde beperking van aansprakelijkheid indien de schade voortvloeit
uit een handeling of verzuim door die ondergeschikte,
vertegenwoordiger of lasthebber, hetzij met het opzet dergelijke
schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat
dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
Artikel 504d
Geen vordering tot vergoeding van schade
als bedoeld in deze afdeling kan tegen de vervoerder of de feitelijke
vervoerder worden ingesteld anders dan in overeenstemming met deze
afdeling.
Artikel 504e
Indien een rechtsvordering tegen een
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber van de vervoerder of van
de feitelijke vervoerder wordt ingesteld tot vergoeding van schade
waarop deze afdeling van toepassing is, kan die ondergeschikte,
vertegenwoordiger of lasthebber, indien hij bewijst dat hij in de
uitoefening van zijn functie heeft gehandeld, een beroep doen op de
verweren en aansprakelijkheidsgrenzen waarop de vervoerder of de
feitelijke vervoerder zich krachtens deze afdeling kan beroepen.
Artikel 504f
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 505 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 506 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 507
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
verlies of beschadiging van geld, verhandelbare documenten, goud,
zilver, juwelen, sieraden, kunstvoorwerpen of andere waardevolle zaken,
tenzij deze waardevolle zaken aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven
en hij overeengekomen is hen in zekerheid te zullen bewaren, in welk
geval zijn aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag bedoeld in
artikel 504, achtste lid, tenzij, overeenkomstig artikel 504, tiende
lid, in overleg tussen vervoerder en reiziger een hogere
aansprakelijkheidsgrens werd vastgesteld.
Artikel 508 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 509
Onverminderd artikel 508 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de schade
te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
reiziger niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een reiziger de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om
zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 510
1.Onverminderd de bepalingen van deze
afdeling zijn op het vervoer van bagage de artikelen 378, 387, 388
tweede lid, 389, 394 eerste en tweede lid, 395, 396, 398, 488 tot en
met 491 en 493 tot en met 496 van toepassing. De in artikel 396
bedoelde opzegging kan ook mondeling geschieden. De in artikel 489
toegekende rechten en het in artikel 491 toegekende recht tot het zich
laten voldoen uit het in bewaring te stellen bedrag van kosten terzake
van het vervoer, kunnen worden uitgeoefend voor alles wat de
wederpartij van de vervoerder of de reiziger aan de vervoerder
verschuldigd is.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 511
1.De reiziger is gehouden de vervoerder
schriftelijk kennis te geven:
a. in geval van uiterlijk zichtbare
schade aan bagage:
(i). wat betreft hutbagage:
voor of ten tijde van de ontscheping van de reiziger;
(ii). wat betreft alle andere
bagage: voor of ten tijde van de aflevering;
b. in geval van niet uiterlijk
zichtbare schade aan of verlies van bagage: binnen vijftien dagen
na de aanvang van de dag, volgende op de dag van ontscheping of
aflevering of die waarop de bagage had moeten worden afgeleverd.
2.Indien de reiziger niet aan zijn in
het eerste lid van dit artikel omschreven verplichting voldoet, wordt,
behoudens tegenbewijs, vermoed dat hij de bagage onbeschadigd heeft
ontvangen.
3.Schriftelijke kennisgeving is
overbodig indien de staat van de bagage op het ogenblik van in
ontvangstneming gezamenlijk is vastgesteld of geïnspecteerd.
Artikel 512
De vervoerder is niet gehouden, doch wel
gerechtigd zich te overtuigen van de aard of gesteldheid van de bagage,
indien hij vermoedt dat hij, de aard of gesteldheid van door de reiziger
aan boord gebrachte bagage kennende, deze niet aan boord zou hebben
toegelaten. De vervoerder is gehouden dit onderzoek te doen geschieden
in tegenwoordigheid van de reiziger of, zo dit niet mogelijk is, in
tegenwoordigheid van twee personen van wier hulp hij overigens bij de
uitvoering van zijn verbintenis geen gebruik maakt.
Artikel 513
Indien de vervoerder bewijst dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel
of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 514
Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op
verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet is
verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in opdracht van de
reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 515
Behoudens artikel 516 is de vervoerder
die zich, anders dan bij wijze van bevrachting, verbond tot vervoer
volgens een dienstregeling, niet aansprakelijk voor schade die is
veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook, vóór, tijdens
of na het vervoer opgetreden.
Artikel 516 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 517 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 518 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 519 [Vervallen per 31-12-2012]
Artikel 520
1. Nietig is ieder vóór het aan de
reiziger overkomen incident of vóór het verlies of de beschadiging
van bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge deze afdeling op de
vervoerder of feitelijke vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is
voorzien.
2. De nietigheid van een beding als
bedoeld in het eerste lid leidt niet tot de nietigheid van de
vervoerovereenkomst.
Artikel 521
1.In geval van verlies of beschadiging
van bagage wordt de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
Artikel 522
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger,
door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.
Artikel 523
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het
vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn.
Artikel 524
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de
reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de
reiziger uit het schip te verwijderen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de
vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 525
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar
voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst
niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 526
Wanneer de reiziger na verlaten van het
schip niet tijdig terugkeert kan de vervoerder de overeenkomst
beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 527
1.De wederpartij van de vervoerder is
steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die deze tengevolge van de
opzegging lijdt.
2.Zij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer daardoor de reis van het schip zou worden vertraagd.
3.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 528
1.Wordt terzake van het vervoer een
passagebiljet, een ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk
document afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op
duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken.
3.De artikelen 56 tweede lid, 75 eerste
lid en 186 eerste lid van Boek 2 zijn niet van toepassing.
Artikel 529
1. De vervoerder die feitelijk geheel
of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in Nederland te
boek staand schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan
twaalf reizigers, is verplicht een verzekering of andere financiële
zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van
de uit deze afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door
dood of letsel van een reiziger. Het minimumbedrag van deze verplichte
verzekering of andere financiële zekerheid beloopt ten minste het in
artikel 4bis, eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens
wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel
23 van het Protocol, per reiziger per incident.
2. De vervoerder die feitelijk geheel
of gedeeltelijk reizigers vervoert aan boord van een in Nederland te
boek staand schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan
twaalf reizigers, is verplicht een verzekering of andere financiële
zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van
de uit deze afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door
dood of letsel van een reiziger ten gevolge van een van de risico’s
die zijn genoemd in punt 2.2 van de IMO richtsnoeren. Het
minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële
zekerheid beloopt ten minste het laagste van de volgende bedragen:
– 250 000 rekeneenheden per
passagier, per afzonderlijk incident, of
– 340 miljoen rekeneenheden in
totaal per schip, per afzonderlijk incident.
3. De vervoerder die feitelijk geheel
of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een schip dat
vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf reizigers en
dat te boek staat buiten Nederland of een andere dan de Nederlandse
vlag voert, is verplicht om, indien het schip een haven of laad- of
losplaats in Nederland aanloopt of verlaat, of een Nederlands
binnenwater bevaart, een verzekering of andere financiële zekerheid,
zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit deze
afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door dood of
letsel van een reiziger. Het minimumbedrag van deze verplichte
verzekering of andere financiële zekerheid beloopt ten minste het in
artikel 4bis, eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens
wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel
23 van het Protocol, per reiziger per incident.
4. De vervoerder die feitelijk geheel
of gedeeltelijk reizigers vervoert aan boord van een schip dat
vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf reizigers en
dat te boek staat buiten Nederland of een andere dan de Nederlandse
vlag voert, is verplicht om, indien het schip een haven of laad- of
losplaats in Nederland aanloopt of verlaat, of een Nederlands
binnenwater bevaart, een verzekering of andere financiële zekerheid,
zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit deze
afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door dood of
letsel van een reiziger ten gevolge van een van de risico’s die zijn
genoemd in punt 2.2 van de IMO richtsnoeren. Het minimumbedrag van
deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt
ten minste het laagste van de volgende bedragen:
– 250 000 rekeneenheden per
passagier, per afzonderlijk incident, of
– 340 miljoen rekeneenheden in
totaal per schip, per afzonderlijk incident.
Artikel 529a
De overeenkomst tot verstrekking van
financiële zekerheid als bedoeld in artikel 529, moet voldoen aan het
volgende:
a. de overeenkomst moet zijn
aangegaan met een verzekeraar, een bank of andere financiële
instelling of een andere persoon, van wie Onze Minister, na overleg
met Onze Minister van Financiën, de financiële draagkracht tot het
geven van dekking voor de uit deze afdeling en het Verdrag
voortvloeiende aansprakelijkheid voldoende oordeelt;
b. de gelden uit de overeenkomst
moeten, indien de verstrekker van financiële zekerheid buiten
Nederland is gevestigd, ook werkelijk in Nederland ter beschikking
kunnen komen;
c. uit de overeenkomst moet blijken
dat de benadeelde, in overeenstemming met artikel 529b en met
artikel 7, tiende lid, van het Verdrag, zijn vordering rechtstreeks
tegen de verstrekker van financiële zekerheid kan instellen. Indien
de overeenkomst een beding inhoudt dat de vervoerder zelf voor een
deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen, moet uit de
overeenkomst blijken dat de verstrekker van financiële zekerheid
niettemin jegens de benadeelde terzake van schade gehouden blijft
tot betaling ook van dat deel van de schadevergoeding;
d. uit de overeenkomst moet blijken
dat de verstrekker van financiële zekerheid deze binnen de
tijdsduur waarvoor het certificaat van artikel 529c is uitgegeven,
niet eerder kan schorsen of beëindigen of zodanig wijzigen dat hij
niet meer aan dit artikel voldoet, dan na verloop van drie maanden
na de datum van ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel
529f, eerste lid, tenzij het certificaat is ingeleverd of een nieuw
is afgegeven vóór het verstrijken van de termijn.
Artikel 529b
1. Vorderingen tot schadevergoeding die
krachtens deze afdeling door een verzekering of andere financiële
zekerheid worden gedekt, mogen rechtstreeks tegen de verzekeraar of
andere persoon die de financiële zekerheid stelt, worden ingesteld.
In dit geval kan de verweerder, zelfs indien de vervoerder niet
gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, zijn
aansprakelijkheid beperken tot het bedrag gelijk aan het verzekerde
bedrag of het bedrag van de andere financiële zekerheid als bedoeld
in artikel 529.
2. De verweerder komen alle
verweermiddelen toe welke de vervoerder tegen de vorderingen zou
hebben kunnen aanvoeren, doch hij kan geen beroep doen op de
omstandigheid dat de vervoerder surséance van betaling is verleend,
dat ten aanzien van de vervoerder de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is, of dat de vervoerder zich in
staat van faillissement of vereffening bevindt. Hij kan zich voorts
verweren met een beroep op het feit dat de schade is veroorzaakt door
opzettelijk wangedrag van de vervoerder zelf, doch andere
verweermiddelen welke hij zou hebben kunnen aanvoeren tegen een door
de vervoerder tegen hem ingestelde vordering komen hem niet toe.
3. De verweerder kan de vervoerder en
de feitelijke vervoerder steeds in het geding roepen.
Artikel 529c
1. Onze Minister geeft aan de
vervoerder op diens verzoek een certificaat af als omschreven in
artikel 4bis, tweede lid, van het Verdrag, of waarmerkt als
certificaat een door de verstrekker van financiële zekerheid in deze
vorm ten behoeve van de vervoerder afgegeven document, indien hem is
gebleken dat de vervoerder aan zijn in artikel 529 bedoelde
verplichting voldoet.
2. Bij het verzoek moet de vervoerder
de volgende gegevens en stukken overleggen:
a. naam en adres van het
hoofdkantoor van het bedrijf van de vervoerder die het vervoer
feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht;
b. een uittreksel uit de
registratie voor schepen als bedoeld in artikel 101, eerste lid,
van de Kadasterwet, vermeldende ten minste de gegevens bedoeld in
artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f, g en j van die wet,
alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige
aantekeningen, met dien verstande dat ingeval dat uittreksel meer
dan twee dagen vóór de dag der overlegging is afgegeven, op dat
uittreksel een verklaring van de bewaarder van het Kadaster en de
openbare registers moet voorkomen, afgegeven binnen voornoemde
termijn van twee dagen, dat sedert de afgifte de op dat uittreksel
vermelde gegevens geen wijziging hebben ondergaan;
c. een afschrift van de
overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid;
d. de naam van degene die de
financiële zekerheid verstrekt en de plaats waar diens
hoofdkantoor is gevestigd, alsmede, zo nodig, het kantoor waar
deze zekerheid wordt verstrekt;
e. het tijdstip waarop de
financiële zekerheid ingaat en het tijdstip waarop deze een einde
neemt.
3. Het certificaat bevindt zich aan
boord van het schip en een afschrift hiervan wordt in bewaring gegeven
bij de overheidsinstantie die het register houdt waarin het schip
staat ingeschreven of, indien het schip niet te boek staat in een
staat die partij is bij het Verdrag, bij de overheidsinstantie van de
staat die het certificaat afgeeft of waarmerkt.
Artikel 529d
Geldbedragen die door de verzekeraar of
door de verstrekker van een andere overeenkomstig artikel 529a verzorgde
financiële zekerheid ter beschikking worden gesteld, dienen uitsluitend
voor de voldoening van uit hoofde van deze afdeling ingestelde
vorderingen, en enige uitbetaling van deze bedragen heeft tot gevolg dat
iedere aansprakelijkheid uit hoofde van deze afdeling met een bedrag ten
belope van de uitgekeerde bedragen wordt verminderd.
Artikel 529e
Onze Minister wijst een verzoek als
bedoeld in artikel 529c af indien de overgelegde gegevens of stukken
onvoldoende of onjuist zijn, of indien de overeenkomst tot verstrekking
van financiële zekerheid niet voldoet aan de daaraan bij of krachtens
deze afdeling gestelde eisen.
Artikel 529f
1. De vervoerder aan wie een
certificaat is afgegeven, is verplicht om onverwijld aan Onze Minister
schriftelijk mededeling te doen van het ongeldig worden, de schorsing
of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van
financiële zekerheid binnen de tijdsduur waarvoor het certificaat is
afgegeven, alsmede van elke wijziging welke zich gedurende die
tijdsduur voordoet in de gegevens welke bij het in artikel 529c
bedoelde verzoek zijn overgelegd.
2. Onze Minister draagt zorg, dat van
een mededeling als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van een
overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid voor een in
Nederland te boek staand schip schriftelijk kennis wordt gegeven aan
het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers,
waar de openbare registers waarin het verzoek tot teboekstelling van
het schip is ingeschreven, worden gehouden, welke kennisgeving aldaar
wordt bewaard.
3. Het bestaan en de dagtekening van
ontvangst van kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid worden
onverwijld vermeld in de registratie voor schepen, bedoeld in artikel
85 van de Kadasterwet. Kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid
zijn openbaar.
4. De in het eerste lid bedoelde
mededeling kan behalve door de vervoerder ook worden gedaan door
degene die de financiële zekerheid verstrekt.
Artikel 529g
1. Onze Minister kan, na overleg met
Onze Minister van Financiën, een certificaat intrekken indien door
wijziging in de gegevens welke bij het in artikel 529c bedoelde
verzoek zijn overgelegd of doordat die gegevens onvoldoende of onjuist
blijken te zijn, het niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze
afdeling gestelde eisen, of indien er goede gronden zijn om aan te
nemen dat de financiële draagkracht van de verstrekker van de
financiële zekerheid onvoldoende was, of is geworden of, indien deze
buiten Nederland is gevestigd, blijkt van een beletsel voor het
werkelijk in Nederland beschikbaar komen van die gelden.
2. In de beschikking wordt een termijn
gesteld voor de inlevering van het certificaat.
3. De werking van de beschikking wordt
opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 529h
1. De vervoerder is verplicht om het
certificaat zo spoedig mogelijk nadat overeenkomstig artikel 529f,
eerste lid, mededeling is gedaan van het ongeldig worden, de schorsing
of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van
financiële zekerheid, of nadat de tijdsduur waarvoor het is afgegeven
is verstreken, bij Onze Minister in te leveren.
2. De vervoerder is verplicht om het
certificaat ingeval van onherroepelijke intrekking bij Onze Minister
in te leveren binnen de termijn bedoeld in artikel 529g, tweede lid.
Artikel 529i
1. Onze Minister zendt een afschrift
van elk door hem afgegeven certificaat, alsmede van elke
onherroepelijke beschikking tot intrekking van een afgegeven
certificaat, aan het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de
openbare registers, welke kennisgeving aldaar wordt bewaard.
2. Artikel 529f, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 529j
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld betreffende de voor de afgifte of waarmerking van
een certificaat als bedoeld in artikel 529c verschuldigde vergoedingen.
Artikel 529k
In afwijking van artikel 8:7 van de
Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van
deze afdeling de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Afdeling 4. Enige bijzondere
overeenkomsten
Artikel 530
1. Onder de overeenkomst
(rompbevrachting), waarbij de ene partij (de rompvervrachter) zich
verbindt een schip uitsluitend ter zee terbeschikking te stellen van
haar wederpartij (de rompbevrachter) zonder daarover nog enige
zeggenschap te houden, ligt de exploitatie van het schip in handen van
de rompbevrachter en geschiedt zij voor diens rekening.
2. Artikel 375 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 531
1.Op de overeenkomst, waarbij de ene
partij zich verbindt een schip, anders dan bij wijze van
rompbevrachting, uitsluitend ter zee terbeschikking te stellen van de
andere partij voor andere doeleinden dan het daarmee vervoeren van
zaken of personen zijn de bepalingen nopens avarij-grosse alsmede de
bepalingen van deze titel en, indien het een binnenschip betreft,
artikel 880 van overeenkomstige toepassing.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 532
Voor de toepassing van de bepalingen van
deze afdeling wordt ter beschikkingstelling van een en eenzelfde schip
ter zee en op binnenwateren beschouwd als terbeschikkingstelling ter
zee, tenzij deze terbeschikkingstelling ter zee kennelijk ondergeschikt
is aan die op binnenwateren, in welk geval zij als
terbeschikkingstelling op binnenwateren wordt beschouwd.
Titel 6. Ongevallen
Afdeling 1. Aanvaring
Artikel 540
Aanvaring is de aanraking van schepen met
elkaar.
Artikel 541
Onder voorbehoud van de Wet
aansprakelijkheid olietankschepen en afdeling 5 van deze titel vindt het
in deze afdeling omtrent aanvaring bepaalde eveneens toepassing indien
schade door een zeeschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaats
had.
Artikel 542
Indien een zeeschip door een aanvaring
schade heeft veroorzaakt, dan wel aan een zeeschip, deszelfs opvarenden
of de zaken aan boord daarvan door een schip schade is veroorzaakt,
wordt de aansprakelijkheid voor deze schade geregeld door deze afdeling.
Artikel 543
Indien de aanvaring is veroorzaakt door
toeval, indien zij is toe te schrijven aan overmacht of indien twijfel
bestaat omtrent de oorzaken der aanvaring, wordt de schade gedragen door
hen, die haar hebben geleden.
Artikel 544
Indien de aanvaring is veroorzaakt door
de schuld van één schip, is de eigenaar van het schip, dat de schuld
had, verplicht de schade te vergoeden.
Artikel 545
1.Indien twee of meer schepen
gezamenlijk door hun schuld een aanvaring hebben veroorzaakt, zijn de
eigenaren daarvan zonder hoofdelijkheid aansprakelijk voor de schade,
toegebracht aan medeschuldige schepen en aan goederen, die zich aan
boord daarvan bevinden, en hoofdelijk voor alle overige schade.
2.Is de aansprakelijkheid niet
hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van de schepen, die gezamenlijk door
hun schuld de aanvaring hebben veroorzaakt, tegenover de benadeelden
aansprakelijk in verhouding tot het gewicht van de schuld van hun
schepen; indien echter de omstandigheden meebrengen, dat die
verhouding niet kan worden vastgesteld of indien blijkt dat de schuld
van deze schepen gelijkwaardig is wordt de aansprakelijkheid in
gelijke delen verdeeld.
3.Is de aansprakelijkheid hoofdelijk,
dan moet elk der aansprakelijke eigenaren zijn door het tweede lid van
dit artikel vastgestelde aandeel in de betaling aan de schuldeiser
voor zijn rekening nemen. Onder voorbehoud van artikel 364 en artikel
880 heeft hij, die meer dan zijn aandeel heeft betaald, voor het
overschot verhaal op zijn medeschuldenaren, die minder dan hun aandeel
hebben betaald.
Artikel 546
Er bestaan geen wettelijke vermoedens van
schuld met betrekking tot de aansprakelijkheid voor aanvaring; het
schip, dat in aanraking komt met een andere, zo nodig behoorlijk
verlichte, vaste of te bekwamer plaatse vastgemaakte zaak, geen schip
zijnde, is aansprakelijk voor de schade, tenzij blijkt dat de aanraking
niet is veroorzaakt door schuld van het schip.
Artikel 547
De krachtens deze afdeling bestaande
aansprakelijkheid wordt niet opgeheven ingeval de aanvaring is
veroorzaakt door de schuld van een loods, zelfs niet als het gebruik van
deze verplicht is.
Afdeling 2. Hulpverlening
Artikel 550
Deze afdeling geldt slechts onder
voorbehoud van de Astronautenovereenkomst (Trb. 1968, 134).
Artikel 551
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. hulpverlening: iedere daad of
werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar
water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of
andere zaak;
b. schip: ieder schip of ander
vaartuig, dan wel iedere constructie waarmee kan worden gevaren;
c. goederen: alle zaken die niet
blijvend en opzettelijk aan de kust zijn bevestigd en de in risico
zijnde vracht;
d. milieuschade: aanzienlijke fysieke
schade aan de gezondheid van de mens, aan de marine fauna of flora
of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende
gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand,
ontploffing of soortgelijke ingrijpende gebeurtenissen;
e. betaling: iedere krachtens deze
afdeling verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling.
Artikel 552
Voor de toepassing van deze afdeling
worden de wateren genoemd in artikel 21 van de Wet op de strandvonderij
beschouwd tot de zee, en de stranden en oevers daarvan tot het zeestrand
te behoren.
Artikel 553
Deze afdeling is niet van toepassing in
geval van hulpverlening aan:
a. vaste of drijvende platforms of
verplaatsbare boorinstallaties wanneer die platforms of
boorinstallaties op een lokatie in bedrijf zijn voor de exploratie,
exploitatie of winning van minerale rijkdommen van de zeebodem;
b. een maritiem cultuurgoed dat van
prehistorisch, archeologisch of historisch belang is en zich ten
minste vijftig jaar op de zeebodem bevindt.
Artikel 554
Deze afdeling is mede van toepassing in
geval van hulpverlening door of aan een oorlogsschip of ander
niet-handelsschip, dat toebehoort aan, dan wel gebruikt of bevracht
wordt door de Staat der Nederlanden of enige andere Staat die het
Internationaal Verdrag inzake Hulpverlening, 1989 (Trb. 1990, 109), op
die schepen van toepassing heeft verklaard.
Artikel 555
De bepalingen omtrent hulpverlening zijn
van overeenkomstige toepassing in geval van hulpverlening:
a. aan op het vaste zeestrand of de
oevers van bevaarbaar binnenwater gezonken of aangespoelde zaken;
b. door een schip aan een
luchtvaartuig.
Artikel 556
1.Een overeenkomst omtrent
hulpverlening kan op verlangen van een der partijen door de rechter
geheel of gedeeltelijk worden vernietigd of gewijzigd wanneer zij is
tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden of onder invloed
van gevaar en de overeengekomen voorwaarden onbillijk zijn, of de
overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot
de daadwerkelijk verleende diensten.
2.Nietig is ieder beding waarbij van
het bepaalde in het eerste lid wordt afgeweken.
Artikel 557
1.Hulp aan in gevaar verkerende
schepen, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een
schip afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken mag niet
worden verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod van de
reder of kapitein van het schip in. Hulp aan andere in gevaar
verkerende zaken mag niet worden verleend tegen een uitdrukkelijk en
redelijk verbod in van de rechthebbende op de zaak.
2.Een verbod tot hulpverlening kan
steeds worden uitgevaardigd.
Artikel 558
1.Het verlenen van hulp aan een schip,
aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een schip
afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken staat onder
leiding van de kapitein en, wanneer er geen kapitein is of deze niet
optreedt, onder leiding van de rechthebbende op het schip of de zaak.
2.Bij stranding of aanspoeling aan of
op het vaste zeestrand berust de leiding, wanneer kapitein noch
rechthebbende optreedt, bij de strandvonder.
3.Indien het noodzakelijk is onverwijld
maatregelen te treffen, geldt het in dit artikel bepaalde niet, totdat
de kapitein, de rechthebbende of de strandvonder de leiding op zich
heeft genomen.
Artikel 559
1.Wanneer een schip door de bemanning
is verlaten en door hulpverleners of de strandvonder is overgenomen,
staat het de kapitein steeds vrij naar zijn schip terug te keren en
het gezag daarover te hernemen, in welk geval de hulpverleners of de
strandvonder terstond het gezag aan de kapitein moeten overdragen.
2.Indien de kapitein of de
rechthebbende bij de hulpverlening of ter plaatse, waar de geredde
zaken worden aangebracht, tegenwoordig is en dit de hulpverlener of de
strandvonder bekend is, moeten de hulpverleners of de strandvonder,
onverminderd artikel 571, die zaken terstond te zijner beschikking
stellen.
3.In de gevallen, waarin de geredde
zaken niet op grond van het vorige lid terstond ter beschikking van de
kapitein of van de rechthebbende moeten worden gesteld, moeten zij,
voor zover zij tijdens de hulpverlening zich aan of op de
buitengronden of het vaste zeestrand bevinden, terstond ter
beschikking worden gesteld van de strandvonder.
Artikel 560
1.De hulpverlener is jegens de reder
van het schip of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken
verplicht:
a. de hulpverlening met de nodige
zorg uit te voeren;
b. bij de nakoming van de in
onderdeel a bedoelde verplichting de nodige zorg te betrachten om
milieuschade te voorkomen of te beperken;
c. in alle gevallen, waarin de
omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen, de bijstand in te
roepen van andere hulpverleners; en
d. de tussenkomst van andere
hulpverleners te aanvaarden, wanneer hierom redelijkerwijze wordt
verzocht door de reder of de kapitein van het schip of de
rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken, met dien
verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd,
indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.
2.De reder en de kapitein van het schip
of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens
de hulpverlener verplicht:
a. gedurende de hulpverlening
volledig met hem samen te werken;
b. daarbij de nodige zorg te
betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken; en
c. wanneer het schip of de andere
zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te aanvaarden
wanneer zulks redelijkerwijze door de hulpverlener wordt verzocht.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
onderdeel b van het eerste of tweede lid wordt afgeweken.
Artikel 561
1.Hulp die met gunstig gevolg is
verleend geeft recht op hulploon.
2.Behoudens artikel 564, is geen
betaling krachtens deze afdeling verschuldigd, wanneer de hulp geen
gunstig gevolg heeft gehad.
3.Hulp als omschreven in het eerste lid
geeft recht op hulploon, ook al is de tot hulploon gerechtigde of hij,
die gerechtigd is de vaststelling van het hulploon te vorderen,
dezelfde persoon als hij die hulploon verschuldigd is.
Artikel 562
Indien een partij bij een overeenkomst
omtrent hulpverlening door haar wederpartij daarbij terzake van een bij
de hulpverlening veroorzaakte schade buiten overeenkomst wordt
aangesproken, is zij jegens die wederpartij niet verder aansprakelijk
dan zij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten overeenkomst. De
artikelen 365 en 366 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 563
1.Het bedrag van het hulploon wordt
vastgesteld bij overeenkomst tussen partijen en bij gebreke daarvan
door de rechter.
2.Het hulploon wordt vastgesteld met
het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de
volgende criteria ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn
opgesomd:
a. de geredde waarde van het schip
en de andere goederen;
b. de vakkundigheid en inspanningen
van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van
schade aan het milieu;
c. de mate van de door de
hulpverleners verkregen gunstige uitslag;
d. de aard en ernst van het gevaar;
e. de vakkundigheid en inspanningen
betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de
andere zaken en mensenlevens;
f. de door de hulpverleners
gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
g. het risico van aansprakelijkheid
en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen
risico's;
h. de snelheid van de verleende
diensten;
i. de beschikbaarheid en het
gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde
uitrusting;
j. de staat van gereedheid alsmede
de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de
hulpverleners;
3.Voor hulp verleend aan een schip en
de zaken aan boord daarvan is het hulploon uitsluitend verschuldigd
door de reder van het schip, met dien verstande dat de reder een recht
van verhaal heeft jegens de andere belanghebbenden voor hun
onderscheiden aandeel. Voor hulp verleend aan andere zaken is het
hulploon verschuldigd door de rechthebbende op die zaken.
4.Het hulploon, met uitzondering van
rente en verhaalbare gerechtelijke kosten, mag de geredde waarden van
het schip en de andere goederen niet overtreffen.
5.Wanneer het hulploon mede strekt tot
vergoeding van gemaakte kosten en geleden schade geeft de rechter aan
welke gemaakte kosten en geleden schade dit betreft.
Artikel 564
1.Indien een hulpverlener hulp heeft
verleend aan een schip dat zelf of wegens zijn lading schade dreigde
toe te brengen aan het milieu en hij geen hulploon heeft verkregen
krachtens artikel 563 dat ten minste gelijk is aan de volgens dit
artikel vast te stellen bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een
bijzondere vergoeding van de zijde van de reder, gelijk aan de door
hem gemaakte kosten zoals in dit artikel omschreven.
2.Indien de hulpverlener in de in het
eerste lid bedoelde omstandigheden door zijn
hulpverleningswerkzaamheden schade aan het milieu heeft voorkomen of
heeft beperkt, kan de door de reder volgens het eerste lid aan de
hulpverlener te betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd met
maximaal 30% van de door de hulpverlener gemaakte kosten. Indien
echter de rechter, rekening houdend met de in het tweede lid van
artikel 563 genoemde criteria, zulks billijk en rechtvaardig acht, kan
hij die bijzondere vergoeding verder verhogen, maar de totale
verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100% van de door de
hulpverlener gemaakte kosten.
3.Voor de toepassing van het eerste en
tweede lid worden onder kosten van de hulpverlener verstaan de
voorschotten die door de hulpverlener redelijkerwijze zijn gedaan bij
de hulpverlening en een billijk tarief voor uitrusting en personeel
die daadwerkelijk en redelijkerwijze zijn ingezet tijdens de
hulpverlening, in aanmerking nemend de criteria genoemd in artikel
563, tweede lid, onderdelen h, i en j.
4.De totale bijzondere vergoeding
krachtens dit artikel wordt slechts betaald indien en voor zover deze
vergoeding hoger is dan het hulploon dat de hulpverlener krachtens
artikel 563 kan ontvangen.
5.Indien de hulpverlener nalatig is
geweest en daardoor in gebreke is gebleven schade aan het milieu te
voorkomen of te beperken, kan de rechter de krachtens dit artikel
verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk ontzeggen.
6.De rechter die een hulploon vaststelt
als bedoeld in artikel 563 en een bijzondere vergoeding bepaalt als
bedoeld in het eerste lid, is niet verplicht om het bedrag van het
hulploon vast te stellen tot het beloop van de maximale waarde van het
schip en de andere geredde goederen alvorens het bedrag van de
bijzondere vergoeding te bepalen.
7.Geen bepaling van dit artikel doet
afbreuk aan enig recht van verhaal van de reder van het schip.
Artikel 565
1.Geen hulploon is verschuldigd door
personen wier leven is gered.
2.Niettegenstaande het in lid 1
bepaalde is voor de afzonderlijke redding van opvarenden van een schip
hulploon verschuldigd door de reder.
3.Degene die mensenlevens heeft gered
en heeft deelgenomen aan de werkzaamheden die zijn verricht ter
gelegenheid van het ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de
hulpverlening, is gerechtigd tot een billijk aandeel in de betaling
die aan de hulpverlener is toegekend voor de redding van het schip of
andere zaken of voor het voorkomen of beperken van schade aan het
milieu.
Artikel 566
1.Gerechtigd tot hulploon zijn die
personen of groepen van personen, die hulp hebben verleend.
2.Indien de hulp is verleend door
personen of groepen, die afhankelijk van elkaar handelden, is aan deze
groepen of personen gezamenlijk slechts één bedrag als hulploon
verschuldigd.
3.Indien de hulp door een schip is
verleend kunnen ook de leden der bemanning, die geen hulp verleenden,
tot hulploon gerechtigd zijn.
Artikel 567
Afstand, jegens wie dan ook, door een lid
der bemanning van zijn recht op een aandeel in het door een schip te
verdienen of verdiende hulploon is nietig, tenzij het schip blijkens
zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor hulpverlening of
sleepdienst is bestemd of de afstand één bepaalde hulpverlening
betreft.
Artikel 568
1.Geen recht op betaling krachtens deze
afdeling hebben zij, die hulp verleenden niettegenstaande een
uitdrukkelijk en redelijk verbod als bedoeld in artikel 557, eerste
lid.
2.Opvarenden kunnen wegens hulp door
hen verleend aan het schip, zich aan boord daarvan bevindende zaken of
daarvan afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken, slechts
recht op betaling hebben, wanneer door hen diensten zijn bewezen,
waartoe zij redelijkerwijs niet zijn gehouden.
3.Geen betaling is verschuldigd
krachtens deze afdeling tenzij de verleende diensten verder gaan dan
wat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als een gebruikelijke
uitvoering van een overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar
ontstond.
4.Indien de hulpverleners door hun
schuld de hulpverlening hebben nodig gemaakt of bemoeilijkt of zich
hebben schuldig gemaakt aan diefstal, verberging of andere
bedriegelijke handelingen, kan de rechter de krachtens deze afdeling
verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk ontzeggen.
Artikel 569
1.Indien de hulp is verleend door
onafhankelijk van elkaar handelende personen of groepen van personen
is ieder dezer personen bevoegd vaststelling te vorderen van het
hulploon of de bijzondere vergoeding die hem of de groep, waarvan hij
deel uitmaakte, toekomt.
2.Indien de hulp is verleend door
afhankelijk van elkaar handelende personen of groepen van personen is
ieder dezer personen bevoegd vaststelling te vorderen van het hulploon
of de bijzondere vergoeding die aan deze personen of groepen
gezamenlijk toekomt.
3.Indien door een schip hulp is
verleend, is uitsluitend de reder of de kapitein bevoegd omtrent het
hulploon of de bijzondere vergoeding overeen te komen. De door hem
gesloten overeenkomst bindt alle tot het hulploon of de bijzondere
vergoeding gerechtigden. Hij is verplicht ieder van hen vóór de
uitbetaling desverlangd het bedrag van het hulploon of de bijzondere
vergoeding schriftelijk mede te delen. Bij gebreke van een
overeenkomst is uitsluitend hij, niet alleen gerechtigd, doch ook
verplicht gerechtelijke vaststelling van het hulploon of de bijzondere
vergoeding te vorderen en dit te innen.
4.In het in artikel 561, derde lid,
bedoelde geval is iedere tot hulploon of bijzondere vergoeding
gerechtigde bevoegd de vaststelling daarvan door de rechter te
vorderen, ook al mocht over het hulploon of de bijzondere vergoeding
een overeenkomst zijn gesloten.
Artikel 570
1.De verdeling van een hulploon als
bedoeld in artikel 563 tussen hulpverleners geschiedt volgens de in
dat artikel genoemde criteria.
2.De verdeling van een bijzondere
vergoeding als bedoeld in artikel 564 tussen hulpverleners geschiedt
met in aanmerkingneming van de criteria genoemd in artikel 563, tweede
lid, onderdelen h, i en j.
3.Bij geschillen omtrent de verdeling
van het hulploon en de bijzondere vergoeding tussen de daartoe
gerechtigden wordt deze op vordering van de meest gerede partij door
de rechter vastgesteld.
Artikel 571
1.Hij, die gerechtigd is vaststelling
van het hulploon te vorderen, heeft – behoudens artikel 559, eerste
en derde lid – jegens ieder, die daarvan afgifte verlangt, een
retentierecht op de schepen of zaken, waaraan hulp is verleend,
alsmede op de schepen aan welker zich aan boord bevindende zaken hulp
is verleend, voor hetgeen ter zake van hulploon is verschuldigd.
2.Ter zake van de in artikel 564
bedoelde bijzondere vergoeding kan dit retentierecht worden
uitgeoefend op de schepen, waaraan hulp is verleend.
3.Dit retentierecht vervalt zodra is
betaald het bedrag, waarover geen geschil tussen partijen bestaat, en
voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen,
waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld.
Artikel 572
1.Degene die krachtens deze afdeling
een betaling verschuldigd is, moet op verlangen van de hulpverlener
voldoende zekerheid stellen voor hetgeen hij terzake van die betaling
verschuldigd is, met inbegrip van rente en kosten.
2.Het schip en de andere zaken waaraan
de hulp is verleend mogen niet zonder toestemming van de hulpverlener
worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na
beëindiging van de hulpverlening zijn aangekomen, totdat voldoende
zekerheid is gesteld voor de in het eerste lid bedoelde betaling.
Artikel 573
1.De rechter kan, voordat hij het
hulploon of de bijzondere vergoeding vaststelt, bevelen dat aan degene
die gerechtigd is de vaststelling daarvan te vorderen, een naar
billijkheid te bepalen bedrag bij wijze van voorschot wordt betaald.
De rechter kan aan dit bevel voorwaarden verbinden die gezien de
omstandigheden billijk zijn, daaronder begrepen de voorwaarde dat voor
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van het voorschot zekerheid
zal worden gesteld.
2.Is krachtens artikel 572 zekerheid
gesteld, dan wordt het bedrag van de gestelde zekerheid verminderd met
het bedrag van het betaalde voorschot.
Artikel 574
1.Indien de rechthebbende op de schepen
of andere zaken waaraan hulp is verleend, niet opkomt, is hij, die
vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan
vorderen, gerechtigd deze voor rekening en gevaar van de rechthebbende
onder zich te houden dan wel bij een derde op te slaan in een daarvoor
geschikte bewaarplaats.
2.De derde-bewaarnemer en de
rechthebbende zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de
bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De
bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 575
1.In geval van toepassing van artikel
574 kan hij, die gerechtigd is vaststelling van het hulploon of de
bijzondere vergoeding te vorderen, de bewaarnemer dan wel de
rechthebbende op de schepen of zaken, op zijn verzoek door de rechter
worden gemachtigd hen geheel of gedeeltelijk op de door deze te
bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht degeen,
die de zaken in bewaring gaf, zo spoedig mogelijk van de voorgenomen
verkoop op de hoogte te stellen; degeen die de zaken in bewaring gaf
of onder zich hield, heeft deze verplichting jegens de hem bekende
rechthebbenden op de zaken.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort, voor zover zij niet strekt tot
voldoening van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de
grenzen der redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan degeen, die de zaken
in bewaring gaf, uit het in bewaring te stellen bedrag worden voldaan
hetgeen hem terzake van hulploon of bijzondere vergoeding is
verschuldigd; voor zover het hulploon of de bijzondere vergoeding nog
niet vaststaat, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de
rechter te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vordering strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 576
1.Hij, die gerechtigd is tot hulploon
of bijzondere vergoeding, verkrijgt de eigendom van de zaak, waaraan
hulp is verleend en waarvoor geen rechthebbende is opgekomen, twee
jaren na de beëindiging van de hulpverlening, mits de zaak zich op
dat tijdstip nog in zijn macht bevindt en hij datgene heeft gedaan wat
redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de rechthebbende te
ontdekken en van het gevolg van de hulpverlening op de hoogte te
stellen.
2.Het eerste lid vindt geen toepassing,
wanneer de rechthebbende zich binnen de in dat lid genoemde termijn
bij hem, die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding
kan vorderen, heeft aangemeld en aan deze de kosten van bewaring en
onderhoud en tot opsporing van de rechthebbende heeft vergoed. Degeen
die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan
vorderen is bevoegd de afgifte op te schorten totdat deze verplichting
is nagekomen. Indien de rechthebbende die de zaak opeist, de
verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem zijn
opgegeven, heeft voldaan, wordt hij aangemerkt zijn recht op de zaak
te hebben prijsgegeven.
Artikel 577
De wetsbepalingen omtrent zaakwaarneming
vinden op hulpverlening geen toepassing.
Afdeling 3. Avarij-grosse
Artikel 610
Er is een avarij-grosse handeling,
wanneer - en alleen wanneer - enige buitengewone opoffering of uitgave
opzettelijk en redelijkerwijs wordt verricht of gedaan voor de
gemeenschappelijke veiligheid met het doel de goederen, betrokken bij
een gemeenschappelijke met een zeeschip uitgevoerde onderneming, voor
gevaar - hoe of door wiens toedoen dit ook zij ontstaan - te behoeden.
Artikel 611
Alleen zodanige verliezen, schaden of
onkosten, die het onmiddellijke gevolg zijn van een avarij-grosse
handeling, worden als avarij-grosse toegelaten.
Artikel 612
1.Avarij-grosse wordt aan hem, die haar
leed, vergoed door de reder, de belanghebbende bij verschuldigde
vracht of passagegeld, de ontvanger van de lading en de eigenaren van
de overige zich aan boord bevindende zaken, met uitzondering van
brieven, andere poststukken of postpakketten, van bagage en van
persoonlijke zaken van opvarenden die geen bagage zijn.
2.In afwijking van het eerste lid
draagt een motorrijtuig of schip, dat door een vervoerder in verband
met een overeenkomst van personenvervoer aan boord van het schip wordt
vervoerd, bij in de avarij-grosse.
Artikel 613
De vergoedingen in avarij-grosse en de
dragende waarden der in de avarij-grosse bijdragende belangen worden
bovendien bepaald met inachtneming van de York-Antwerp Rules, nader
omschreven bij algemene maatregel van bestuur.
Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een zeeschip
Artikel 620
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde
concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene maatregel van
bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden zijn, en
tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de stof zich
bevindt;
b. "schip": zeeschip, niet
zijnde een luchtkussenvoertuig;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door dood
of letsel van enige persoon veroorzaakt door een gevaarlijke
stof;
2°. andere schade buiten het
schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt,
veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering van
verlies van of schade met betrekking tot andere schepen of
binnenschepen en zaken aan boord daarvan, indien die schepen of
binnenschepen deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit schip
deel uitmaakt, of hecht met dit schip in een eenheid zijn
gekoppeld;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door zulke
maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade
door wie dan ook genomen met uitzondering van de overeenkomstig deze
afdeling aansprakelijke persoon nadat een gebeurtenis heeft
plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, waardoor
schade ontstaat of waardoor een ernstige en onmiddellijke dreiging
van schade ontstaat;
f. "reder": de persoon die
in een register waarin het schip te boek staat, als eigenaar van het
schip is ingeschreven, of, bij gebreke van enige teboekstelling, de
persoon die het schip in eigendom heeft.
Artikel 621
1. Deze afdeling is niet van
toepassing, indien de reder jegens degene die de vordering instelt,
aansprakelijk is uit hoofde van een exploitatie-overeenkomst of jegens
deze persoon een beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2. Deze afdeling is van toepassing op
de periode waarin een gevaarlijke stof zich aan boord van een schip
bevindt, daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de inlading
van de gevaarlijke stof in het schip tot het einde van de lossing van
die stof uit het schip.
3. Deze afdeling is niet van toepassing
op schade veroorzaakt wanneer het schip uitsluitend wordt gebruikt in
een niet voor publiek toegankelijk gebied en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een in dat gebied plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4. Op zich overeenkomstig het tweede
lid aan boord bevindende stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6
is dat artikel niet van toepassing, tenzij zich het geval van het
derde lid voordoet.
5. Deze afdeling is niet van toepassing
op schade door verontreiniging door bunkerolie zoals bedoeld in
afdeling 5 van deze titel.
Artikel 622
1.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een vervoermiddel dat zich aan boord van een schip bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde vervoermiddel wordt
gelost, zal de gevaarlijke stof voor die periode geacht worden zich
alleen aan boord van dat schip te bevinden. In afwijking van het in de
vorige zin bepaalde zal, gedurende de handelingen bedoeld in artikel
623, vijfde lid, onderdelen c, d en e, de gevaarlijke stof geacht
worden zich alleen aan boord van het gestapelde vervoermiddel te
bevinden.
2.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een schip dat wordt gesleept door een ander schip of door
een binnenschip of wordt voortbewogen door een ander schip of door een
binnenschip, dat hecht met dit schip in een eenheid gekoppeld is, zal
de gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord van
eerstgenoemd schip te bevinden.
Artikel 623
1.Hij die ten tijde van een gebeurtenis
reder is van een schip aan boord waarvan zich een gevaarlijke stof
bevindt, is aansprakelijk voor de schade door die stof veroorzaakt ten
gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de
aansprakelijkheid op degene die ten tijde van het eerste feit reder
was.
2.De reder is niet aansprakelijk
indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of
natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde, niet
zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid, onderdeel a,
geschied met het opzet de schade te veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in te lichten
over de gevaarlijke aard van de stof, en noch de reder noch de in
het vijfde lid, onderdeel a, genoemde personen wisten of hadden
behoren te weten dat deze gevaarlijk was.
3.Indien de reder bewijst dat de schade
geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of nalaten van
de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de schade te
veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij geheel of
gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid tegenover die
persoon.
4.De reder kan voor schade slechts uit
anderen hoofde dan deze afdeling worden aangesproken in het geval van
het tweede lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit hoofde
van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
5.Behoudens de artikelen 624 en 625
zijn voor schade niet aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de reder of de leden van de
bemanning,
b. de loods en ieder ander die,
zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve van het schip
werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het schip in hulp
verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan bevindende zaken
of de opvarenden,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het schip, de zich
aan boord daarvan bevindende zaken of de opvarenden,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de reder,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid, onderdelen b,
c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
6.De reder heeft, voor zover niet
anders is overeengekomen, verhaal op de in het vijfde lid bedoelde
personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid
voor de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 624
1.Indien de reder bewijst dat de
gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in artikel 621, tweede
lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid
van een door hem bij name genoemde ander dan de reder of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de afzender of
ontvanger, is de reder niet aansprakelijk voor de schade als gevolg
van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke
stof en is die ander voor deze schade aansprakelijk overeenkomstig
deze afdeling.
2.Indien echter de gevaarlijke stof
tijdens de periode bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen of
gelost onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de reder en een
door de reder bij name genoemde ander, zijn de reder en die ander
hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor de schade
als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de
gevaarlijke stof.
3.Indien is geladen of gelost door een
persoon in opdracht of ten behoeve van de vervoerder of een ander,
zoals de afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.Indien een ander dan de reder op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander
geen beroep doen op artikel 623, vierde lid en vijfde lid, onderdeel
b.
5.Indien een ander dan de reder op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten
aanzien van die ander titel 7 alsmede de artikelen 642a tot en met
642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval van
hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid krachtens titel 7 van het Wetboek van Koophandel
geldt voor het geheel der naar aanleiding van eenzelfde
gebeurtenis ontstane vorderingen gericht tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering wordt aangemerkt als door beiden te zijn gevormd
en zulks ten aanzien van de vorderingen waarvoor het fonds werd
gesteld.
6.In de onderlinge verhouding tussen de
reder en de in het tweede lid van dit artikel genoemde ander is de
reder niet tot vergoeding verplicht dan in geval van schuld van
hemzelf of van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of
lasthebbers.
7.Dit artikel is niet van toepassing
als tijdens de periode, bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen
of gelost onder de uitsluitende of gezamenlijke verantwoordelijkheid
van een persoon, genoemd in artikel 623, vijfde lid, onderdeel c, d of
e.
Artikel 625
Indien ingevolge artikel 623, tweede lid,
onderdeel c, de reder niet aansprakelijk is, is de afzender of andere
persoon aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling en zijn te diens
aanzien titel 7 alsmede de artikelen 642a tot en met 642z van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
De afzender of andere persoon kan geen beroep doen op artikel 623,
vierde lid.
Artikel 626
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van schade
anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden aangemerkt als
schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 627
1.Wanneer door een gebeurtenis schade
is veroorzaakt door gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één
schip, dan wel aan boord van een schip en een binnenschip of een
luchtkussenvoertuig, zijn de reders en de eigenaar of exploitant van
de daarbij betrokken schepen, het binnenschip of het
luchtkussenvoertuig, onverminderd het in artikel 623, tweede en derde
lid, en artikel 624, afdeling 4 van titel 11 en afdeling 1 van titel
14 bepaalde, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade waarvan
redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zij veroorzaakt is door
gevaarlijke stoffen aan boord van één of meer bepaalde schepen,
binnenschip of luchtkussenvoertuig.
2.Het bepaalde in het eerste lid laat
onverlet het beroep op beperking van aansprakelijkheid van de reder,
eigenaar of exploitant krachtens titel 7 of titel 12, dan wel de
artikelen 1218 tot en met 1220, ieder tot het voor hem geldende
bedrag.
Afdeling 5. Aansprakelijkheid voor schade
door verontreiniging door bunkerolie
Paragraaf 1. algemene bepalingen en
toepassingsgebied
Artikel 639
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. «Verdrag»: het op 23 maart 2001
te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de
wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door
bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329);
b. «Aansprakelijkheidsverdrag»: het
op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal
Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door
verontreiniging door olie, 1992 (Trb. 1994, 229);
c. «Onze Minister»: de Minister van
Verkeer en Waterstaat;
d. «schip»,«persoon»,
«bunkerolie», «preventieve maatregelen», «voorval», «schade
door verontreiniging», «Staat waar het schip is geregistreerd»,
«brutotonnage», «organisatie»en«Secretaris-Generaal»: hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Verdrag;
e. «scheepseigenaar»: de eigenaar
van het schip, hieronder begrepen de geregistreerde eigenaar,
rompbevrachter, beheerder of degene in wiens handen de exploitatie
van het schip is gelegd;
f. «geregistreerde eigenaar»: de
persoon of personen die als eigenaar van het schip zijn
geregistreerd of, indien er geen registratie heeft plaatsgevonden,
de persoon of personen die het schip in eigendom hebben. Indien
evenwel een schip eigendom is van een Staat en geëxploiteerd wordt
door een maatschappij die in die Staat geregistreerd staat als de
exploitant van het schip, betekent«geregistreerde eigenaar» een
zodanige maatschappij.
Artikel 640
1. Deze afdeling is van toepassing op:
a. schade door verontreiniging door
bunkerolie veroorzaakt in Nederland, de territoriale zee daaronder
begrepen;
b. schade door verontreiniging door
bunkerolie veroorzaakt binnen de Exclusieve Economische Zone (EEZ)
van Nederland;
c. preventieve maatregelen, waar
ook genomen, ter voorkoming of beperking van zodanige schade.
2. Deze afdeling is niet van
toepassing:
a. op schade door verontreiniging
zoals omschreven in het Aansprakelijkheidsverdrag, ongeacht of ten
aanzien van die schade wel of geen schadevergoeding verschuldigd
is ingevolge dat verdrag; en
b. op oorlogsschepen,
ondersteuningsschepen van de marine of andere schepen die
toebehoren aan of geëxploiteerd worden door een Staat en die in
de betrokken periode uitsluitend worden gebruikt in
overheidsdienst voor niet-commerciële doeleinden, behoudens voor
zover de desbetreffende Staat anders heeft beslist en daaraan op
de voet van artikel 4, derde lid, van het Verdrag genoegzaam
uitvoering heeft gegeven.
Paragraaf 2. aansprakelijkheid van de
scheepseigenaar
Artikel 641
1. De scheepseigenaar op het tijdstip
van het voorval is, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid,
aansprakelijk voor schade door verontreiniging veroorzaakt door
bunkerolie aan boord of afkomstig van het schip, met dien verstande
dat indien het voorval bestaat uit een opeenvolging van feiten met
dezelfde oorsprong, de aansprakelijkheid rust op degene die ten tijde
van het eerste feit de scheepseigenaar was.
2. Indien meer dan een persoon
aansprakelijk is op grond van het eerste lid, zijn zij hoofdelijk
aansprakelijk.
3. De scheepseigenaar is niet
aansprakelijk indien hij bewijst dat:
a. de schade het gevolg is van een
oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of
natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard;
b. de schade geheel en al werd
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde met het
opzet schade te veroorzaken; of
c. de schade geheel en al werd
veroorzaakt door onzorgvuldigheid of een andere onrechtmatige
handeling van een overheid of andere autoriteit verantwoordelijk
voor het onderhoud van vuurtorens of andere hulpmiddelen bij de
navigatie, in de uitoefening van die functie.
4. Indien de scheepseigenaar bewijst
dat de schade door verontreiniging geheel of gedeeltelijk het gevolg
is van een handelen of nalaten van de persoon die de schade heeft
geleden, met het opzet de schade te veroorzaken, of van de schuld van
die persoon, kan hij geheel of gedeeltelijk worden ontheven van de
aansprakelijkheid tegenover die persoon.
5. Geen vordering tot vergoeding van
schade door verontreiniging kan tegen de scheepseigenaar worden
ingesteld anders dan in overeenstemming met deze afdeling.
6. De scheepseigenaar heeft het recht
van verhaal op derden die voor de schade uit anderen hoofde, anders
dan uit overeenkomst, jegens de benadeelden aansprakelijk zijn.
Artikel 642
Wanneer zich een voorval voordoet waarbij
twee of meer schepen zijn betrokken en er ten gevolge daarvan schade
door verontreiniging is ontstaan, zijn de eigenaren van alle daarbij
betrokken schepen, tenzij deze ingevolge artikel 641 van
aansprakelijkheid zijn ontheven, hoofdelijk aansprakelijk voor alle
schade die redelijkerwijs niet te scheiden is. Op de onderlinge
verhouding van de eigenaren van de betrokken schepen is artikel 545,
derde lid, laatste volzin, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 643
De scheepseigenaar en de persoon of de
personen die verzekeren of een andere financiële zekerheid stellen,
kunnen hun aansprakelijkheid per voorval beperken uit hoofde van titel 7.
Artikel 644
1. Vorderingen tot vergoeding van
schade door verontreiniging kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen
de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid heeft
gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde
eigenaar wegens schade door verontreiniging. In dit geval kan de
verweerder, zelfs indien de scheepseigenaar op grond van artikel 643
niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, zijn
aansprakelijkheid beperken tot het bedrag gelijk aan het verzekerde
bedrag of het bedrag van de andere financiële zekerheid als bedoeld
in artikel 645.
2. De verweerder komen alle
verweermiddelen toe welke de scheepseigenaar tegen de vorderingen zou
hebben kunnen aanvoeren, doch hij kan geen beroep doen op de
omstandigheid dat de scheepseigenaar surséance van betaling is
verleend, dat ten aanzien van de scheepseigenaar de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of dat
de scheepseigenaar zich in staat van faillissement of vereffening
bevindt. Hij kan zich voorts verweren met een beroep op het feit dat
de schade is veroorzaakt door opzettelijk wangedrag van de
scheepseigenaar zelf, doch andere verweermiddelen welke hij zou hebben
kunnen aanvoeren tegen een door de scheepseigenaar tegen hem
ingestelde vordering komen hem niet toe.
3. De verweerder kan de scheepseigenaar
steeds in het geding roepen.
Paragraaf 3. verplichte verzekering
Artikel 645
1. De geregistreerde eigenaar van een
in Nederland teboekstaand schip met een brutotonnage van meer dan 1000
is verplicht een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals
een bankgarantie, in stand te houden voor het bedrag waartoe zijn
aansprakelijkheid is beperkt berekend overeenkomstig titel 7, ter
dekking van zijn aansprakelijkheid overeenkomstig het bepaalde in deze
afdeling en artikel 7 van het Verdrag.
2. De geregistreerde eigenaar van een
schip met een brutotonnage van meer dan 1000 dat teboekstaat buiten
Nederland of een andere dan de Nederlandse vlag voert, is verplicht
om, indien het schip een haven of laad- of losplaats in Nederland
aanloopt of verlaat, of een Nederlands binnenwater bevaart, een
verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie,
in stand te houden voor het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is
beperkt berekend overeenkomstig titel 7, ter dekking van zijn
aansprakelijkheid overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling en
artikel 7 van het Verdrag.
Artikel 646
De overeenkomst tot verstrekking van
financiële zekerheid ten aanzien van een schip dat teboekstaat in
Nederland of dat teboekstaat in een Staat die niet partij is bij het
Verdrag, of de vlag voert van zulk een Staat, moet voldoen aan het
volgende:
a. de overeenkomst moet zijn
aangegaan met een verzekeraar, een bank of andere financiële
instelling of een andere persoon, van wie Onze Minister, na overleg
met Onze Minister van Financiën, de financiële draagkracht tot het
geven van dekking voor de uit deze afdeling en het Verdrag
voortvloeiende aansprakelijkheid voldoende oordeelt;
b. de gelden uit de overeenkomst
moeten, indien de verstrekker van financiële zekerheid buiten
Nederland is gevestigd, ook werkelijk in Nederland ter beschikking
kunnen komen;
c. uit de overeenkomst moet blijken
dat de benadeelde, in overeenstemming metartikel 644 en met artikel
7, tiende lid, van het Verdrag, zijn vordering rechtstreeks tegen de
verstrekker van financiële zekerheid kan instellen. Indien de
overeenkomst een beding inhoudt dat de scheepseigenaar zelf voor een
deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen, moet uit de
overeenkomst blijken dat de verstrekker van financiële zekerheid
niettemin jegens de benadeelde terzake van schade gehouden blijft
tot betaling ook van dat deel van de schadevergoeding;
d. uit de overeenkomst moet blijken
dat de verstrekker van financiële zekerheid deze binnen de
tijdsduur waarvoor het certificaat van artikel 647 is uitgegeven,
niet eerder eerder kan schorsen of beëindigen of zodanig wijzigen
dat hij niet meer aan dit artikel voldoet, dan na verloop van drie
maanden na de datum van ontvangst van een mededeling als bedoeld in
artikel 649, eerste lid, tenzij het certificaat is ingeleverd of een
nieuw is afgegeven vóór het verstrijken van de termijn.
Artikel 647
1. Onze Minister geeft aan de
geregistreerde eigenaar van een in Nederland teboekstaand schip of van
een schip dat niet is teboekgesteld in een Staat die partij is, op
diens verzoek een certificaat af als omschreven in artikel 7, tweede
lid, van het Verdrag, of waarmerkt als certificaat een door de
verstrekker van financiële zekerheid in deze vorm ten behoeve van de
geregistreerde eigenaar afgegeven document, indien hem is gebleken dat
de geregistreerde eigenaar aan zijn in artikel 645bedoelde
verplichting voldoet.
2. Bij het verzoek moet de
geregistreerde eigenaar de volgende gegevens en stukken overleggen:
a. de naam en woonplaats van de
geregistreerde eigenaar en de plaats waar diens hoofdkantoor is
gevestigd;
b. een uittreksel uit de
registratie voor schepen als bedoeld in artikel 101, eerste lid,
van de Kadasterwet, vermeldende ten minste de gegevens bedoeld in
artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f, g en j van die wet,
alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige
aantekeningen, met dien verstande dat ingeval dat uittreksel meer
dan twee dagen vóór de dag der overlegging is afgegeven, op dat
uittreksel een verklaring van de bewaarder van het Kadaster en de
openbare registers moet voorkomen, afgegeven binnen voornoemde
termijn van twee dagen, dat sedert de afgifte de op dat uittreksel
vermelde gegevens geen wijziging hebben ondergaan;
c. een afschrift van de
overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid;
d. de naam van degene die de
financiële zekerheid verstrekt en de plaats waar diens
hoofdkantoor is gevestigd, alsmede, zo nodig, het kantoor waar
deze zekerheid wordt verstrekt;
e. het tijdstip waarop de
financiële zekerheid ingaat en het tijdstip waarop deze een einde
neemt.
Artikel 648
Onze Minister wijst een verzoek als
bedoeld inartikel 647 af indien de overgelegde gegevens of stukken
onvoldoende of onjuist zijn, of indien de overeenkomst tot verstrekking
van financiële zekerheid niet voldoet aan de daaraan bij of krachtens
deze afdeling gestelde eisen.
Artikel 649
1. De geregistreerde eigenaar aan wie
een certificaat is afgegeven, is verplicht om onverwijld aan Onze
Minister schriftelijk mededeling te doen van het ongeldig worden, de
schorsing of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van
financiële zekerheid binnen de tijdsduur waarvoor het certificaat is
afgegeven, alsmede van elke wijziging welke zich gedurende die
tijdsduur voordoet in de gegevens welke bij het in artikel 647
bedoelde verzoek zijn overgelegd.
2. Onze Minister draagt zorg, dat van
een mededeling als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van een
overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid voor een in
Nederland teboekstaand schip schriftelijk kennis wordt gegeven aan het
kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers, waar
de openbare registers waarin het verzoek tot teboekstelling van het
schip is ingeschreven, worden gehouden, welke kennisgeving aldaar
wordt bewaard.
3. Het bestaan en de dagtekening van
ontvangst van kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid worden
onverwijld vermeld in de registratie voor schepen, bedoeld in artikel
85 van de Kadasterwet. Kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid
zijn openbaar.
4. De in het eerste lid bedoelde
mededeling kan behalve door de geregistreerde eigenaar ook worden
gedaan door degene die de financiële zekerheid verstrekt.
Artikel 650
1. Onze Minister kan, na overleg met
Onze Minister van Financiën, een certificaat intrekken indien door
wijziging in de gegevens welke bij het in artikel 647 bedoelde verzoek
zijn overgelegd of doordat die gegevens onvoldoende of onjuist blijken
te zijn, het niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze afdeling
gestelde eisen, of indien er goede gronden zijn om aan te nemen dat de
financiële draagkracht van de verstrekker van de financiële
zekerheid onvoldoende was, of is geworden of, indien deze buiten
Nederland is gevestigd, blijkt van een beletsel voor het werkelijk in
Nederland beschikbaar komen van die gelden.
2. In de beschikking wordt een termijn
gesteld voor de inlevering van het certificaat.
3. De werking van de beschikking wordt
opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 651
1. De geregistreerde eigenaar is
verplicht om het certificaat zo spoedig mogelijk nadat overeenkomstig
artikel 649, eerste lid, mededeling is gedaan van het ongeldig worden,
de schorsing of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking
van financiële zekerheid, of nadat de tijdsduur waarvoor het is
afgegeven is verstreken, bij Onze Minister in te leveren.
2. De geregistreerde eigenaar is
verplicht om het certificaat ingeval van onherroepelijke intrekking
bij Onze Minister in te leveren binnen de termijn bedoeld in artikel
650, tweede lid.
Artikel 652
1. Onze Minister zendt een afschrift
van elk door hem ten aanzien van een in Nederland teboekgesteld schip
afgegeven certificaat, alsmede van elke onherroepelijke beschikking
tot intrekking van een ten aanzien van een in Nederland teboekgesteld
schip afgegeven certificaat, aan het kantoor van de Dienst voor het
Kadaster en de openbare registers, welke kennisgeving aldaar wordt
bewaard.
2. Artikel 649, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 653
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld betreffende de voor de afgifte of
waarmerking van een certificaat als bedoeld in artikel 647 verschuldigde
vergoedingen.
Paragraaf 4 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 654 [Vervallen per 01-01-2013]
Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid
voor maritieme vorderingen
Artikel 750
1.De reder van een schip en de
hulpverlener kunnen door het stellen van één of meer fondsen als
bedoeld in artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering hun aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 752
genoemde vorderingen.
2.Onder reder worden in deze titel mede
verstaan de bevrachter, de huurder of andere gebruiker van een schip
met inbegrip van degene in wiens handen de exploitatie van een schip
is gelegd.
3.Onder hulpverlener wordt in deze
titel een ieder verstaan die werkzaamheden verricht in onmiddellijk
verband met hulpverlening, waaronder in deze titel mede worden
verstaan de in artikel 752, eerste lid, onder d, e en f, genoemde
werkzaamheden of maatregelen.
4.Onder schip wordt in deze titel
zeeschip verstaan. Een schip in aanbouw wordt voor de toepassing van
deze titel mede als schip aangemerkt van het ogenblik af, dat de
stapelloop aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt voor de toepassing
van deze titel niet als schip aangemerkt. Een platform dat is gebouwd
ter exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de
zeebodem of van de ondergrond daarvan en dat kan drijven, wordt voor
de toepassing van deze titel niet als schip aangemerkt gedurende de
tijd dat het op de zeebodem rust.
Artikel 751
1.Indien een vordering als genoemd in
artikel 752 wordt gericht tegen enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid de reder of de hulpverlener in beginsel
aansprakelijk is, heeft deze persoon de in deze titel verleende
bevoegdheid tot beperking van zijn aansprakelijkheid.
2.De verzekeraar van de
aansprakelijkheid voor vorderingen, waarvoor op grond van deze titel
beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, kan zich in dezelfde mate
als zijn verzekerde op die beperking beroepen.
Artikel 752
1.Onder voorbehoud van de artikelen 753
en 754 bestaat de bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid voor
de hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij op grond van
overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer de
aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of bezit van of
een voorrecht op het schip of uit het feit, dat dit onder hoede of
toezicht is van hem die zich op de beperking van aansprakelijkheid
beroept:
a. vorderingen terzake van dood of
letsel, dan wel terzake van verlies van of schade aan zaken (met
inbegrip van schade aan kunstwerken van havens, aan dokken,
waterwegen of hulpmiddelen voor de scheepvaart), opgekomen aan
boord van het schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie
van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening, alsmede voor
vorderingen terzake van schade tengevolge van een of ander;
b. vorderingen terzake van schade
ontstaan door vertraging bij het vervoer over zee van lading,
reizigers of hun bagage;
c. vorderingen terzake van andere
schade ontstaan door inbreuk op enig niet op overeenkomst gegrond
vermogensrecht en opgekomen in rechtstreeks verband met de
exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening;
d. vorderingen terzake van het
vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van
een zee- of binnenschip dat is gezonken, schipbreuk heeft geleden,
gestrand of verlaten is, met inbegrip van alles wat aan boord van
zulk een schip is of is geweest;
e. vorderingen terzake van het
verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van
het schip;
f. vorderingen van een persoon
terzake van maatregelen genomen om schade te voorkomen of te
verminderen voor welke schade de daarvoor aansprakelijke persoon
zijn aansprakelijkheid op grond van deze titel zou kunnen
beperken, alsmede voor vorderingen terzake van verdere schade door
zulke maatregelen geleden, één en ander echter met uitzondering
van dusdanige vorderingen van deze aansprakelijke persoon zelf.
2.Aansprakelijkheid voor de in het
eerste lid genoemde vorderingen kan worden beperkt, ook indien deze,
al dan niet op grond van een overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze
van verhaal of vrijwaring. De aansprakelijkheid voor de vorderingen in
het eerste lid genoemd onder d, e of f, kan echter niet worden beperkt
voor zover deze vorderingen betrekking hebben op een vergoeding
verschuldigd op grond van een overeenkomst met de aansprakelijke
persoon.
Artikel 753
1. Deze titel is niet van toepassing
op:
a. vorderingen uit hoofde van
hulpverlening, met inbegrip van, indien van toepassing, een
vordering ter zake van een bijzondere vergoeding als bedoeld in
artikel 14 van het op 28 april 1989 te Londen tot stand gekomen
Internationaal Verdrag inzake hulpverlening (Trb. 1990, 109) zoals
nadien gewijzigd, of bijdrage in avarij-grosse;
b. vorderingen voor schade door
verontreiniging door olie, zoals deze zijn bedoeld in het op 29
november 1969 tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de
wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door
olie of in enige kracht van wet hebbende wijziging van dat Verdrag
of Protocol daarbij;
c. vorderingen onderworpen aan enig
internationaal verdrag of enige wet, die de beperking van
aansprakelijkheid voor kernschade regelt of verbiedt;
d. vorderingen tegen de exploitant
van een nucleair schip terzake van kernschade;
e. vorderingen uit hoofde van
arbeidsovereenkomst tegen de reder of de hulpverlener ingesteld
door zijn ondergeschikten of hun rechtverkrijgenden voor zover
deze vorderingen werkzaamheden betreffen in verband met het schip
of de hulpverlening, al naar gelang de aansprakelijkheid van de
reder of de hulpverlener voor deze vorderingen uit hoofde van de
op de arbeidsovereenkomst toepasselijke wet niet of slechts tot
een hoger bedrag dan op grond van deze titel het geval ware, kan
worden beperkt.
2. Wanneer iemand die op grond van deze
titel bevoegd is zijn aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is
tegen een schuldeiser een vordering geldend te maken, die voortkomt
uit hetzelfde voorval, zullen de respectieve vorderingen met elkaar
worden verrekend en wordt de beperking van aansprakelijkheid slechts
toegepast op het daarna mogelijkerwijs overblijvende saldo.
Artikel 754
Niemand is gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is dat de schade is
ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 755
1. Onverminderd het in het tweede lid
bepaalde, kan de aansprakelijkheid uit hoofde van deze titel voor
andere vorderingen dan die genoemd in artikel 756 die naar aanleiding
van éénzelfde voorval zijn ontstaan als volgt worden beperkt:
a. voor vorderingen die niet zijn
vorderingen als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e,
tot het bedrag bepaald op grond van artikel 6, eerste lid, van het
op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake
beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb.
1980, 23) zoals gewijzigd door artikel 3 van het Protocol van
1996, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure
voorzien in artikel 8 van het Protocol van 1996; en
b. voor vorderingen bedoeld in
artikel 752, eerste lid, onder d of e (wrakkenfonds), tot het
bedrag bepaald op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
b, van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag
inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen
(Trb. 1980, 23) zoals gewijzigd door artikel 3 van het Protocol
van 1996, behoudens wijziging door de bijzondere
amenderingsprocedure voorzien in artikel 8 van het Protocol van
1996.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt het bedrag vastgesteld waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde
van deze titel kan worden beperkt voor schepen die blijkens hun
constructie uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer
van personen en waarvan de tonnage niet groter is dan 300, waarbij dat
bedrag voor vorderingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder b, van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen
Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme
vorderingen (Trb. 1980, 23) zoals gewijzigd door het Protocol van
1996, op een lager aantal rekeneenheden kan worden gesteld dan is
bepaald in genoemd artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1.
3. Het bedrag waartoe de
aansprakelijkheid van een hulpverlener aan een schip die niet van een
zee- of binnenschip uit werkzaamheden verricht of die werkzaamheden
uitsluitend verricht op het schip waaraan of met betrekking waartoe
hij hulp verleent, kan worden beperkt, wordt berekend naar een tonnage
van 1500 ton.
4. Voor de toepassing van deze titel
wordt onder tonnage van het schip verstaan de bruto-tonnage van het
schip berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in
Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen
Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969.
5. Op verzoek van de eigenaar kan door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een verklaring worden
afgegeven betreffende de bruto-tonnage van een schip, berekend
overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in Bijlage I van
het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag
betreffende de meting van schepen, 1969.
6. Deze verklaring wordt afgegeven
tegen betaling van de kosten volgens een door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat vast te stellen tarief.
7. Voor de toepassing van dit artikel
en van artikel 756 wordt verstaan onder«Protocol van 1996»: het op 2
mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het op
19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking
van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1997, 300).
Artikel 756
1. Wat betreft vorderingen ontstaan
naar aanleiding van éénzelfde voorval terzake van dood of letsel van
passagiers van een schip kan de reder zijn aansprakelijkheid beperken
tot het bedrag bepaald in artikel 7 van het op 19 november 1976 te
Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van
aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23) zoals
gewijzigd door artikel 4 van het Protocol van 1996, behoudens
wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel
8 van het Protocol van 1996.
2. Onder vorderingen terzake van dood
of letsel van reizigers worden voor de toepassing van dit artikel
verstaan dergelijke vorderingen ingediend naar aanleiding van een
voorval overkomen aan enige persoon vervoerd aan boord van het schip
a. op grond van een overeenkomst
tot het vervoer van reizigers;
b. die met toestemming van de
vervoerder een voertuig of levende dieren vergezelt, die worden
vervoerd op grond van een overeenkomst tot goederenvervoer.
Artikel 757
Aan de bedragen vermeld in de artikelen
755 en 756 wordt toegevoegd de wettelijke rente berekend van de aanvang
van de dag volgende op de dag van het voorval, dat aanleiding gaf tot de
vordering, tot de aanvang van de dag volgende op de dag waarop hij, die
een verzoek tot beperking van zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed
aan een hem krachtens artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering opgelegd bevel.
Artikel 758
1.De beperking van aansprakelijkheid
als vastgesteld in artikel 755 geldt voor het geheel der naar
aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen
a. de persoon of personen genoemd
in het tweede lid van artikel 750 en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in beginsel
aansprakelijk zijn, of
b. de reder van een schip die van
dat schip uit hulp verleent, en de hulpverlener of hulpverleners
die van dat schip uit hun werkzaamheden verricht of verrichten en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
deze personen in beginsel aansprakelijk zijn, of
c. de hulpverlener of hulpverleners
aan een schip die niet van een zee- of binnenschip uit
werkzaamheden verricht of verrichten of die werkzaamheden verricht
of verrichten uitsluitend op het schip waaraan of met betrekking
waartoe hulp wordt verleend, en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel
aansprakelijk zijn.
2.De beperking van aansprakelijkheid
als vastgesteld in artikel 756 geldt voor het geheel der naar
aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen
de persoon of de personen die in de in artikel 750, tweede lid,
genoemde betrekking staan tot het in artikel 756 bedoelde schip, en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
dezen in beginsel aansprakelijk zijn.
Artikel 759
De rekeneenheid, genoemd in de artikelen
755 en 756, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven
door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in de
artikelen 755 en 756 worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers
van de dag waarop de schuldenaar voldoet aan een ingevolge artikel 642c
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot
storting of andere zekerheidsstelling. De waarde van het Nederlandse
geld, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens
de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de
dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en
transacties.
III. Binnenvaartrecht
Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het binnenschip
Artikel 770
1.Indien een binnenschip blijkens de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan
twee of meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een rederij, indien
zulks uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en deze akte in die
registers is ingeschreven.
2.De rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 771
Afdeling 1 van titel 3 is op de rederij
van een binnenschip van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Rechten op binnenschepen
Artikel 780
1.In de afdelingen 2 tot en met 6 van
titel 8 worden onder schepen mede verstaan schepen in aanbouw.
2.Onder binnenschepen worden in de
afdelingen 2 tot en met 6 van titel 8 mede verstaan draagvleugelboten,
veerponten, alsmede baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle
drijvende werktuigen, pontons of materiaal van soortgelijke aard, die
voldoen aan de in de artikelen 1 en 3 ten aanzien van binnenschepen
vermelde vereisten.
3.Indien een schip in aanbouw een schip
in de zin van artikel 1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw
schip.
Artikel 781
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. het Verdrag van Genève: de op 25
januari 1965 te Genève gesloten overeenkomst inzake inschrijving
van binnenschepen, met Protocollen (Trb. 1966, 228);
b. verdragsstaat: een staat waarvoor
het Verdrag van Genève van kracht is;
c. verdragsregister: een buiten
Nederland in een verdragsstaat gehouden register, als bedoeld in
artikel 2 van het Verdrag van Genève;
d. de openbare registers: de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 782
De in deze afdeling aan de eigenaar
opgelegde verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer
personen, aan een vennootschap onder firma, aan een commanditaire
vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar,
beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 783 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 784
1.Teboekstelling is slechts mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
binnenschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd binnenschip:
indien aan ten minste één der volgende voorwaarden is voldaan:
a. dat de plaats, van waaruit
de exploitatie van het schip gewoonlijk wordt geleid, in
Nederland is gelegen;
b. dat, wanneer de eigenaar van
het schip een natuurlijke persoon is, deze Nederlander is of
zijn woonplaats in Nederland heeft;
c. dat, wanneer de eigenaar van
het schip een rechtspersoon of een vennootschap is, zijn zetel
of de plaats van waaruit hij zijn bedrijf voornamelijk
uitoefent, in Nederland is gelegen,
met dien verstande, dat in geval van
mede-eigendom van het binnenschip de onder b en c genoemde voorwaarden
niet als vervuld worden beschouwd, wanneer niet het schip tenminste
voor de helft in eigendom toebehoort aan natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen, die aan deze voorwaarden voldoen.
2.Teboekstelling is niet mogelijk van
een binnenschip dat reeds teboekstaat in de openbare registers, hetzij
als binnenschip hetzij als zeeschip, of in een verdragsregister.
3.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een binnenschip dat in een verdragsregister
teboekstaat mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat verdragsregister is doorgehaald, volgens het eerste lid kan
worden teboekgesteld. Deze teboekstelling heeft evenwel slechts
rechtsgevolg, wanneer zij is gevolgd door aantekening in de openbare
registers, dat de teboekstelling in het verdragsregister is
doorgehaald.
4.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een binnenschip dat in een verdragsregister
teboekstaat mogelijk, wanneer de bewaarder van dat register uit hoofde
van het tweede lid van artikel 22 van Protocol no. 2 bij het Verdrag
van Genève weigert het eigendomsrecht van de koper na gedwongen
verkoop in te schrijven.
5.De teboekstelling wordt verzocht door
de eigenaar van het binnenschip. Hij moet daarbij ter inschrijving
overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het schip voor teboekstelling als binnenschip vatbaar is.
6.De teboekstelling in de openbare
registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de
voorgaande leden van dit artikel niet is voldaan.
7.Bij het verzoek tot teboekstelling
wordt woonplaats gekozen in Nederland. Deze woonplaats wordt in het
verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 785
1.De eigenaar van een binnenschip is
verplicht de teboekstelling daarvan te verzoeken. Aan deze
verplichting moet worden voldaan binnen drie maanden, nadat volgens
artikel 784 teboekstelling mogelijk is.
2.Geen verplichting tot teboekstelling
bestaat
a. ten aanzien van vrachtschepen
met minder dan 20 tonnen van 1000 kilogram laadvermogen of andere
binnenschepen met minder dan 10 kubieke meters verplaatsing,
zijnde de in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing tussen
het vlak van inzinking van het ledige binnenschip in zoet water en
het vlak van de grootste toegelaten diepgang;
b. ten aanzien van afgebouwde
binnenschepen, die teboekstaan in het register van een
niet-verdragsstaat en in die staat voldoen aan tenminste één der
in het eerste lid van artikel 3 van het Verdrag van Genève
genoemde voorwaarden;
c. ten aanzien van binnenschepen,
die komen van een niet-verdragsstaat en op weg zijn naar het land
waar zij zullen moeten worden teboekgesteld.
Artikel 786
1.De teboekstelling wordt slechts
doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in de
openbare registers als eigenaar vermeld staat
1°. als de teboekstelling niet
of niet meer verplicht is;
2°. als het schip in een
verdragsregister teboekstaat onder voorwaarde van doorhaling
van de teboekstelling in de openbare registers;
3°. als het schip in het
register van een niet-verdragsstaat zal worden te boekgesteld
en in die staat zal voldoen aan tenminste één der in het
eerste lid van artikel 3 van het Verdrag van Genève genoemde
voorwaarden. In dit geval heeft de doorhaling slechts
rechtsgevolg, wanneer binnen 30 dagen daarna door de eigenaar
wordt overgelegd een door hem ondertekende verklaring, dat het
schip in het register van de genoemde staat teboekstaat en
aldaar voldoet aan tenminste één der in het eerste lid van
artikel 3 van het Verdrag van Genève genoemde voorwaarden.
b. op aangifte van de eigenaar of
ambtshalve
1°. als het schip vergaan is,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is geworden;
2°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
3°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers teboek zou staan, een zeeschip
zou zijn in de zin van artikel 2 of een dergelijk zeeschip in
aanbouw;
4°. als het schip niet of niet
meer voldoet aan tenminste één der in het eerste lid van
artikel 784 voor teboekstelling genoemde voorwaarden;
5°. als het schip in een
verdragsregister teboekstaat zonder dat daarbij de voorwaarde
van doorhaling van de teboekstelling in de openbare registers
is gesteld.
2.In de in het eerste lid onder b
genoemde gevallen is de eigenaar tot het doen van aangifte verplicht
binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft
voorgedaan.
3.Wanneer ten aanzien van het schip
inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden
bestaan, geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.Doorhaling geschiedt slechts na op
verzoek van de meest gerede partij verleende machtiging van de
rechter.
Artikel 787
1.Zolang de teboekstelling in de
openbare registers niet is doorgehaald heeft teboekstelling van een
binnenschip in een register van een niet-verdragsstaat of vestiging in
een niet-verdragsstaat van rechten daarop, voor vestiging waarvan in
Nederland inschrijving in de openbare registers vereist zou zijn
geweest geen rechtsgevolg.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
een teboekstelling of vestiging van rechten als daar bedoeld erkend,
wanneer deze geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na de
teboekstelling van het schip in het buitenlandse register.
Artikel 788
De enige zakelijke rechten, waarvan een
in het register teboekstaand binnenschip het voorwerp kan zijn, zijn de
eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in artikel 821 en
artikel 827 eerste lid onder b genoemde voorrechten.
Artikel 789 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 790
1.Een in de openbare registers
teboekstaand binnenschip is een registergoed.
2.Bij toepassing van artikel 301 van
Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89 leden 1 en 4
van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van een zodanig binnenschip,
kan de in het eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de
Nederlandse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet in
kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 791
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand binnenschip worden door een bezitter te goeder trouw
verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 792
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij hypotheek
wordt verleend op een teboekstaand binnenschip of een recht waaraan een
zodanig schip is onderworpen, duidelijk vermeld:
a. het aan de hypotheek onderworpen
schip;
b. de voorwaarden voor opeisbaarheid
of een verwijzing naar een op het kantoor van inschrijving
ingeschreven document waarin de voorwaarden voor opeisbaarheid zijn
vastgelegd;
c. de bedongen rente en het tijdstip
of de tijdstippen waarop deze vervalt.
Artikel 793
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die uit hoofde
van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die
toebehoren aan de eigenaar van het schip. Artikel 266 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 794
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 820, 821, 221, 222
eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 795
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen
gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het begin van de
uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 796
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand binnenschip is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing;
de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het schip in stand.
Artikel 797
1.De eerste twee leden van artikel 264
van Boek 3 zijn in geval van een hypotheek waaraan een teboekstaand
binnenschip is onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2.De artikelen 234 en 261 van Boek 3
zijn op een zodanige hypotheek niet van toepassing.
Artikel 798
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand binnenschip zijn de bepalingen van artikel 217 van Boek 3
mede van toepassing op bevrachting voor zover die bepalingen niet naar
hun aard uitsluitend op pacht, huur van bedrijfsruimte of huur van
woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Huurkoop van teboekstaande
binnenschepen
Artikel 800
1.Scheepshuurkoop van een in het in
artikel 783 genoemde register teboekstaand binnenschip komt tot stand
bij een notariële akte, waarbij de koper zich verbindt tot betaling
van een prijs in termijnen, waarvan twee of meer termijnen verschijnen
nadat de verkoper aan de koper het schip ter beschikking heeft gesteld
en de verkoper zich verbindt tot eigendomsoverdracht van het
binnenschip na algehele betaling van hetgeen door de koper krachtens
de overeenkomst is verschuldigd.
2.De overeenkomst is slechts van kracht
indien daartoe schriftelijk toestemming is verkregen van degenen van
wier beperkt recht of beslag blijkt uit een inschrijving in de
openbare registers, die reeds bestond op de dag van de inschrijving
van de in artikel 805 bedoelde hypotheek.
3.Voor de bedingen omtrent de
terbeschikkingstelling van het schip kan worden verwezen naar een aan
de akte te hechten en door partijen te ondertekenen geschrift.
4.De volmacht tot het aangaan van een
scheepshuurkoop moet bij authentieke akte worden verleend.
Artikel 801
1.De overeenkomst kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel
1 van Boek 3.
2.Bij eigendomsovergang op een derde
van een schip, ten aanzien waarvan reeds een
scheepshuurkoopovereenkomst was ingeschreven in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3, volgt deze derde in alle
rechten en verplichtingen van de scheepshuurverkoper op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
3.Rechten en verplichtingen welke
vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde
niet over.
Artikel 802
In de artikelen 803 tot en met 812 wordt
onder koper de scheepshuurkoper en onder verkoper de scheepshuurverkoper
verstaan.
Artikel 803
1.Partijen zijn verplicht in de akte te
vermelden welk deel van elk der te betalen termijnen strekt tot
aflossing van de prijs voor de koop van het schip ("de
koopsom"), welk deel strekt tot betaling van mogelijkerwijs
verschuldigde rente en welk deel mogelijkerwijs betrekking heeft op de
terbeschikkingstelling van het schip.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken met dien verstande dat,
bij gebreke of onduidelijkheid van de vermelding van de daar bedoelde
verdeling, deze op verzoek van de meest gerede partij alsnog door de
rechter wordt vastgesteld.
Artikel 804
Nietig is ieder beding volgens hetwelk
gedurende de contractsperiode een hogere koopsom kan worden vastgesteld.
Artikel 805
1.De verkoper is verplicht
a. het schip ter beschikking van de
koper te stellen en te laten;
b. de koper te vrijwaren voor de
gevolgen van
1°. een staat of eigenschap
van het schip
2°. een op het schip gelegd
beslag
3°. zijn faillissement of het
ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
4°. enige hem persoonlijk
betreffende omstandigheid
mits deze gevolgen ertoe leiden
dat het schip aan de koper niet die mate van beschikking kan
verschaffen die deze bij het aangaan van de overeenkomst er
van mocht verwachten. De verkoper is niet verplicht de koper
te vrijwaren voor de gevolgen van een feitelijke stoornis door
derden zonder bewering van recht op het schip of van een
bewering van recht op het schip zonder feitelijke stoornis;
c. zorg te dragen dat ten behoeve
van de koper op de dag der overeenkomst hypotheek op de eigendom
van het schip wordt gevestigd ten belope van een bedrag, gelijk
aan driemaal de koopsom, terzake van hetgeen de verkoper aan de
koper in verband met de scheepshuurkoop of de ontbinding daarvan
verschuldigd is of zal worden;
d. zich te onthouden van iedere
eigendomsoverdracht van het schip en zodra de koper zal hebben
voldaan aan zijn in de overeenkomst neergelegde verplichtingen tot
betaling, het schip aan dezen in eigendom over te dragen vrij van
na het tot stand komen van de scheepshuurkoop gevestigde
hypotheken ten gunste van derden en vrij van boven hypotheek
rangnemende voorrechten en beslagen terzake van vorderingen
waarvan de verkoper de schuldenaar is.
2.Nietig is ieder beding, waarbij ten
nadele van de koper van het in het eerste lid onder a, c of d bepaalde
wordt afgeweken, met dien verstande dat de hypotheek als daar onder c
wordt bedoeld, wordt verleend op de door partijen nader overeen te
komen voorwaarden of bij gebreke van overeenstemming daaromtrent op de
voorwaarden door de rechter alsnog op verzoek van de meest gerede
partij zo mogelijk in overeenstemming met het gebruik vast te stellen.
3.Nietig is ieder beding, waarbij ten
nadele van de koper van het in het eerste lid onder b bepaalde wordt
afgeweken ten aanzien van een feit dat de verkoper bij het aangaan van
de overeenkomst kende.
4.Nietig is ieder beding, waarbij het
bedrag van een door de verkoper mogelijkerwijs te betalen
schadevergoeding wegens niet nakoming van zijn uit dit artikel
voortvloeiende verplichtingen bij voorbaat wordt vastgesteld.
Artikel 806
De koper die aan zijn in de overeenkomst
neergelegde verplichtingen tot betaling heeft voldaan, is verplicht het
schip in eigendom te aanvaarden, mits dit vrij zij van hypotheken ten
gunste van derden en vrij van boven hypotheek rangnemende voorrechten en
beslagen terzake van vorderingen, waarvan de verkoper de schuldenaar is.
Artikel 807
1.Onder voorbehoud van artikel 808 is
de koper gerechtigd door hem verschuldigde gedeelten van de termijnen
die betrekking hebben op de koopsom en de rente aan te wenden tot
rechtstreekse betaling van opeisbare rente en aflossingen aan
schuldeisers te wier behoeve hypotheek op het schip is gevestigd.
2.Indien en voor zover het door de
koper aan de verkoper verschuldigde per termijn minder bedraagt dan
het bedrag dat periodiek aan rente en aflossing aan de in het eerste
lid bedoelde hypothecaire schuldeiser is verschuldigd, is deze, in
afwijking van artikel 29 van Boek 6 gehouden de overeenkomstig het
eerste lid betaalde huurkooptermijnen te ontvangen, onverminderd de
verplichting van de hypothecaire schuldenaar tot betaling van het
restant verschuldigde. De hypothecaire schuldeiser is verplicht de
hypothecaire schuldenaar mede te delen welke opeisbare rente en
aflossingen door de koper zijn betaald.
3.Indien de koper aan de in het eerste
lid bedoelde hypothecaire schuldeiser heeft doen weten, dat hij van
het hem in dit artikel toegekende recht gebruik wenst te maken, is
deze laatste verplicht de koper in te lichten omtrent de grootte van
de nog resterende hypothecaire schuld.
4.De betalingen overeenkomstig dit
artikel aan een hypothecaire schuldeiser gedaan, strekken in mindering
op hetgeen de koper aan de verkoper verschuldigd is. De koper stelt de
verkoper onverwijld in kennis van deze betalingen.
5.Overdracht of inpandgeving van de
vordering, die de verkoper op de koper heeft of een onder de koper ten
laste van de verkoper gelegd beslag, kan aan de rechten, die de koper
aan de bepalingen van dit artikel ontleent, geen afbreuk doen.
6.Bij openbare, eigenmachtige of
executoriale verkoop van het schip ten behoeve van een hypothecaire
schuldeiser of van een beslaglegger op het schip, heeft de koper de in
artikel 269 van Boek 3 bedoelde bevoegdheid. Maakt hij van dit recht
gebruik, dan is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 808
1.Na verloop van één jaar na het
sluiten van de overeenkomst is de koper gerechtigd het restant van de
verschuldigde koopsom geheel of ten dele vóór het verschijnen van de
bij de overeenkomst vastgestelde termijnen te voldoen met
herberekening van het rentebestanddeel in de termijnen die alsnog
verschuldigd waren, zulks op de voorwaarden door partijen
overeengekomen danwel overeen te komen of bij gebreke van
overeenstemming daaromtrent door de rechter op verzoek van de meest
gerede partij vast te stellen.
2.Nietig is ieder beding, waarbij ten
nadele van de koper van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 809
1.In geval de koper niet aan zijn
verplichting tot betaling van de koopsom of de rente, dan wel een
termijn daarvan voldoet, kan de verkoper hierop eerst een beroep doen
om krachtens een daartoe mogelijkerwijs gemaakt beding teruggave van
het schip te vorderen, nadat hij de koper terzake in gebreke heeft
gesteld en deze, nadat hem bij die ingebrekestelling een redelijke
termijn is gesteld alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, hiermee
in gebreke blijft.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 810
1.Indien de overeenkomst is ontbonden
tengevolge van het in gebreke blijven van de koper te voldoen aan zijn
verplichting tot betaling van de koopsom of de rente, dan wel een
termijn daarvan en de verkoper of de koper dientengevolge in een
betere vermogenstoestand zou geraken dan bij in stand blijven van de
overeenkomst, zijn partijen verplicht onverwijld tot volledige
verrekening over te gaan.
2.Ieder beding, waarbij de verkoper
zich de bevoegdheid voorbehoudt de waarde van het schip te bepalen,
laat de bevoegdheid van de koper deze waarde op zijn verzoek nader
door de rechter te doen vaststellen, onverlet.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 811 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 812
Nietig is ieder beding, krachtens hetwelk
de overeenkomst van rechtswege eindigt.
Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen
Artikel 820
1.In geval van uitwinning van een
binnenschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
tijdens deze uitwinning of verkoop, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2.In geval van verkoop van een
gestrand, onttakeld of gezonken binnenschip, dat de overheid in het
openbaar belang heeft doen opruimen, worden de kosten der
wrakopruiming uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
3.De in de vorige leden bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 820a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen
60, tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde tot
en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op binnenschepen niet
van toepassing.
Artikel 821
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn, behoudens
artikel 820, op een binnenschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt tot behoud van
het schip, daaronder begrepen de kosten van herstellingen, die
onontbeerlijk waren voor het behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de schipper of de andere leden der
bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met betrekking tot
loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een
bedrag over een tijdvak van zes maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het schip in
avarij-grosse.
Artikel 822
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 821 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 823
1.De bevoorrechte vorderingen, genoemd
in artikel 821, nemen rang in de volgorde, waarin zij daar zijn
gerangschikt.
2.Bevoorrechte vorderingen onder
dezelfde letter vermeld, staan in rang gelijk, doch de vorderingen
genoemd in artikel 821 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 824
De voorrechten, genoemd in artikel 821,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van hun
bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren
aan de eigenaar van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet herstelde
beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat deel van een beloning
voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van een
vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of
met pandrecht zijn bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter
niet vergoedingen welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst
van verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het risico
van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 825
1.De schuldeiser, die een voorrecht
heeft op grond van artikel 821, vervolgt zijn recht op het schip, in
wiens handen dit zich ook bevinde.
2.Voorrechten als bedoeld in artikel
821 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers bedoeld in
afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 826
De vorderingen genoemd in artikel 821,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de exploitatie van
het schip door een ander dan de eigenaar, tenzij aan deze de feitelijke
macht over het schip door een ongeoorloofde handeling was ontnomen en
bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw was.
Artikel 827
1.Boven alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend, doch
na de bevoorrechte vorderingen genoemd in artikel 821, na de
hypothecaire vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen
222 en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een
binnenschip, waaronder voor de toepassing van dit artikel niet is te
verstaan een binnenschip in aanbouw, bij voorrang verhaalbaar:
a. de vorderingen, die voortvloeien
uit rechtshandelingen die de eigenaar, de scheepshuurkoper of een
bevrachter binden en die rechtstreeks strekken tot het in bedrijf
brengen of houden van het schip, alsmede de vorderingen die tegen
een uit hoofde van artikel 461 gelezen met artikel 462 of artikel
943 gelezen met artikel 944 als vervoerder aangemerkte persoon
kunnen worden geldend gemaakt. Onder rechtshandeling is hier het
in ontvangst nemen van een verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 of afdeling 1 van titel 11 op de
eigenaar rusten;
c. de vorderingen genoemd in
artikel 1062 voor zover zij op de eigenaar rusten.
2.De in het eerste lid genoemde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
3.De artikelen 822, 824 onder a en 826
zijn op de in het eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op
de vorderingen die in het eerste lid onder b worden genoemd, is ook
artikel 825 van toepassing.
4.Artikel 283 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 828
Na de vorderingen genoemd in artikel 827
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek 3, voor
zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel van deze titel,
op een binnenschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 829
1.De krachtens deze afdeling verleende
voorrechten gaan te niet door verloop van een jaar, tenzij de
schuldeiser zijn vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze
termijn begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering voor
hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van de dag volgend
op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2.Het voorrecht gaat teniet met de
vordering.
3.In geval van executoriale verkoop
gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het
procesverbaal van verdeling wordt gesloten.
Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan
boord van binnenschepen
Artikel 830
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 831
1.In geval van uitwinning van zaken aan
boord van een binnenschip worden de kosten van uitwinning, de kosten
van bewaking daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle
andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
2.De in het vorige lid bedoelde
vorderingen staan in rang gelijk en worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 832
1.Op zaken aan boord van een
binnenschip zijn de vorderingen ter zake van hulpverlening en van een
bijdrage van die zaken in avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen
nemen daartoe rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211,
221, 820, 821 en 831, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.
2.Op ten vervoer ontvangen zaken zijn
bevoorrecht de vorderingen uit een met betrekking tot die zaken
gesloten vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder door artikel
489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt toegekend. Deze
vorderingen nemen daartoe rang na die welke zijn genoemd in het eerste
lid en in de artikelen 204 en 794, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
Artikel 833
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 832 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde
een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk
bevoorrecht.
Artikel 834
1.De vorderingen ter zake van
hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op
grond van artikel 211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel
832 eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van
de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2.De bevoorrechte vorderingen in het
tweede lid van artikel 832 vermeld staan in rang gelijk.
3.De in artikel 284 van Boek 3 genoemde
vordering neemt rang na de in de vorige leden genoemde vorderingen,
ongeacht wanneer die vorderingen zijn ontstaan.
4.In rang gelijkstaande vorderingen
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 835
De voorrechten, genoemd in artikel 832,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor verlies
of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat deel van een
beloning voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van
een vergoeding in avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze schadevergoedingen
of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn
bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen,
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel 283 van
Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 836
De in artikel 832 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn alsdan
daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar op het tijdstip,
dat het voorrecht is ontstaan, niet de schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 837
1.Met de aflevering van de zaken aan de
daartoe gerechtigde gaan, behalve in het geval van artikel 559, de in
artikel 832 genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet tijdig
verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs alsmede door
gerechtelijke rangregeling.
2.Zij blijven in stand, zolang de zaken
op grond van de artikelen 490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op
grond van artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 838
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden kan het
hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende recht slechts
gedurende 48 uur na het einde van de levering uitoefenen, doch zulks ook
indien deze zaken zich bevinden in handen van de eigenaar, de
scheepshuurkoper, een rompbevrachter of een tijdbevrachter van het
schip.
Afdeling 6. Slotbepalingen
Artikel 840
1.De afdelingen 2 tot en met 5 van
titel 8 zijn niet van toepassing op binnenschepen, welke toebehoren
aan het Rijk of enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor
de uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2.De beschikking waarbij de in het
eerste lid bedoelde bestemming is vastgesteld, kan worden ingeschreven
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek
3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing.
3.De inschrijving machtigt de bewaarder
tot doorhaling van de teboekstelling van het schip in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 841
1.Behoeven de in de afdelingen 2 tot en
met 6 van titel 8 geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de bevoegdheid
tot regeling krachtens de Kadasterwet.
2.In de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van artikel 786
tweede lid, een nadere regeling worden gegeven met betrekking tot de
termijn waarbinnen de eigenaar van een binnenschip, waarop het eerste
lid onder b ten vijfde van dat artikel van toepassing is en waarvan de
teboekstelling in het buitenlandse register heeft plaatsgevonden,
voordat het Verdrag van Genève voor de staat van dat register van
kracht is geworden, verplicht is tot het doen van aangifte tot
doorhaling van de teboekstelling.
Titel 9. Bemanning van een binnenschip
Afdeling 2. Schipper
Artikel 860
1.De schipper is verplicht voor de
belangen van de bevrachters en van de rechthebbenden op de aan boord
zijnde zaken, zo mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de
maatregelen die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.Indien het noodzakelijk is onverwijld
ter behartiging van deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is
de schipper daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3.Voor zover mogelijk geeft hij van
bijzondere voorvallen terstond kennis aan de belanghebbenden bij de
betrokken goederen en handelt hij in overleg met hen en volgens hun
orders.
Artikel 861
1.Beperkingen van de wettelijke
bevoegdheid van de schipper gelden tegen derden slechts wanneer die
hun bekend zijn gemaakt.
2.De schipper verbindt zichzelf slechts
dan, wanneer hij de grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 10. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 880
Op de exploitatie van een binnenschip
zijn de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over binnenwateren
Artikel 889
Partijen kunnen overeenkomen dat in
afwijking van de afdelingen 1 en 2 alsmede in afwijking van afdeling 1
van titel 20 de bepalingen van het Verdrag van Boedapest inzake de
overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI)
op het vervoer van toepassing zijn.
Artikel 890
1.De overeenkomst van goederenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt aan
boord van een schip zaken uitsluitend over binnenwateren te vervoeren.
2.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart,
wordt als vervoer over binnenwateren beschouwd, mits het varen van dit
schip over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over
binnenwateren.
3.Vervoer over zee en binnenwateren aan
boord van een en eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze
beide wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over binnenwateren
voor zover, met inachtneming tevens van het tweede lid van dit
artikel, het varen van het beweegkracht overbrengende schip als varen
over binnenwateren wordt beschouwd. Voor zover dit niet het geval is,
wordt het als vervoer over zee beschouwd.
4.Deze afdeling is niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoeren van poststukken ter uitvoering van
de universele postdienst bedoeld in de Postwet 2009 of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van artikel 980 is
deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren
van bagage.
Artikel 891
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 892
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij
daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender.
2.De overeenkomst van vletten is de
tijdbevrachting strekkende tot vervoer van zaken binnen een
havencomplex.
3.Ruimtebevrachting is de
reisbevrachting tegen een naar inhoud van het schip bepaalde vracht.
4.Onder "vervrachter" is in
deze afdeling de in het eerste lid genoemde vervoerder, onder
"bevrachter" de aldaar genoemde afzender te verstaan.
Artikel 893
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip,
anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van toepassing.
Artikel 894
1.Bij eigendomsovergang van een tevoren
vervracht, al dan niet teboekstaand, schip op een derde volgt deze in
alle rechten en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
2.Rechten en verplichtingen, welke
vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde
niet over.
Artikel 895
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 896
Onverminderd artikel 895 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
Artikel 897
1.In geval van tijdbevrachting is de
vervrachter verplicht de schipper opdracht te geven binnen de grenzen
door de overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te volgen.
De vervrachter staat er voor in, dat de schipper de hem gegeven
opdracht nakomt.
2.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip de plekken of plaatsen, waarheen hij het ter inlading,
lossing of anderszins op grond van het eerste lid beveelt te gaan,
veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze plekken of
plaatsen blijken niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter
slechts in zoverre niet aansprakelijk als de schipper, door de hem
gegeven orders op te volgen, onredelijk handelde.
3.Onverminderd artikel 943 wordt de
bevrachter mede verbonden door en kan hij rechten ontlenen aan een
rechtshandeling, die de schipper ingevolge het eerste lid van dit
artikel verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen
van een verklaring begrepen.
Artikel 898
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door een beschadiging, voor zover deze is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet
heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen
daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2.Ten aanzien van deugdelijkheid en
geschiktheid van het schip en van het materiaal, waarvan hij zich
bedient of die hij ter beschikking stelt, is van de vervoerder de zorg
vereist van een zorgvuldig vervoerder, die aan boord van eigen schip
vervoert en gebruik maakt van eigen materiaal. Voor ondeugdelijkheid
of ongeschiktheid van materiaal, dat door afzender of ontvanger ter
beschikking van de vervoerder is gesteld, is de vervoerder niet
aansprakelijk, voor zover een zorgvuldig vervoerder zich van zulk
materiaal zou hebben bediend.
3.Onder beschadiging worden mede
verstaan geheel of gedeeltelijk verlies van zaken, vertraging, alsmede
ieder ander schade veroorzakend feit.
Artikel 899
Vermoed wordt dat een zorgvuldig
vervoerder de volgende omstandigheden niet heeft kunnen vermijden:
a. brand;
b. ontploffing;
c. hitte;
d. koude;
e. optreden van knaagdieren of
ongedierte;
f. bederf;
g. lekkage;
h. smelting;
i. ontvlamming;
j. corrosie.
Artikel 900
Wanneer vervoerde zaken een beschadiging
of een verlies lijden, waaraan zij door hun aard licht onderhevig zijn,
wanneer levende dieren doodgaan of beschadigd worden, of wanneer door de
afzender in een laadkist gestuwde zaken bij onbeschadigde laadkist een
beschadiging of een verlies lijden, wordt vermoed dat de vervoerder noch
de omstandigheid die deze beschadiging of dit verlies veroorzaakte heeft
kunnen vermijden, noch heeft kunnen verhinderen, dat deze omstandigheid
tot deze beschadiging of dit verlies leidde.
Artikel 901
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door een beschadiging voor zover deze, hoe dan
ook, is veroorzaakt door een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
van één of meer opvarenden van het schip, de sleepboot of de
duwboot, gepleegd bij de navigatie daarvan, tenzij de navigatiefout
niet zou zijn gemaakt indien de vervoerder bij de keuze van deze
personen gehandeld zou hebben als van een zorgvuldig vervoerder mag
worden verwacht. Het in de vorige zin bepaalde geldt ook voor zover de
beschadiging mede werd veroorzaakt door een na de navigatiefout
opgekomen omstandigheid, die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden of waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen. Fouten gepleegd bij het samenstellen van een sleep of van
een duweenheid zijn navigatiefouten als hier bedoeld.
2.Voor schade ontstaan door eigen
navigatiefouten is de vervoerder slechts aansprakelijk, wanneer hij
deze beging hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.
3.Onder beschadiging worden mede
verstaan geheel of gedeeltelijk verlies van zaken, vertraging, alsmede
ieder ander schade veroorzakend feit.
Artikel 902
1.Nietig is ieder beding, waarbij de
ingevolge artikel 895 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast op andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is
voorzien, tenzij het betreft:
a. beschadiging opgekomen vóór of
voortvloeiend uit een omstandigheid liggend vóór het laden in of
na het lossen uit het schip;
b. het vervoer van zaken, die door
hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen en welker vervoer moet geschieden onder
omstandigheden of op voorwaarden, die een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen. Het hier bepaalde geldt echter slechts, wanneer
voor het vervoer van deze zaken geen cognossement aan order of
toonder, doch een blijkens zijn bewoordingen onverhandelbaar
document is afgegeven en het niet betreft een gewone
handelslading, verscheept bij gelegenheid van een gewone
handelsverrichting.
2.In afwijking van het eerste lid staat
het partijen vrij bij een in het bijzonder ten aanzien van het
voorgenomen vervoer aangegane en in een afzonderlijk, niet naar in een
ander geschrift voorkomende bedingen verwijzend, geschrift neergelegde
overeenkomst te bedingen dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor
schade ontstaan door een beschadiging, voor zover deze is veroorzaakt
door een in die overeenkomst ondubbelzinnig omschreven wijze van
behandeling der zaken dan wel ondeugdelijkheid of ongeschiktheid van
schip of materiaal. Ondanks zulk een beding blijft de vervoerder
aansprakelijk voor door de omschreven wijze van behandeling dan wel
ondeugdelijkheid of ongeschiktheid veroorzaakte beschadiging, voor
zover een zorgvuldig vervoerder deze had kunnen verhinderen.
3.Wordt voor het vervoer een
cognossement of ander document afgegeven, dan moet, op straffe van
nietigheid van een beding als bedoeld in het tweede lid, daarin
uitdrukkelijk worden verwezen naar dit afzonderlijke geschrift.
4.Onder beschadiging worden mede
verstaan niet-aflevering en geheel of gedeeltelijk verlies van zaken.
Artikel 903
1.Voor zover de vervoerder
aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de
artikelen 895 en 896 rustende verplichtingen, heeft de afzender geen
ander recht dan betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt
berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd.
2.De in het eerste lid genoemde waarde
wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen
dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze
ontbreekt, naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
3.De vervoerder is in geen geval
aansprakelijk voor verlies of schade van of aan zaken of met
betrekking tot deze, indien aard of waarde daarvan door de afzender
opzettelijk verkeerdelijk is opgegeven en, indien een cognossement is
afgegeven, daarin verkeerdelijk is opgenomen.
4.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel ten nadele van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 904
1.Indien met betrekking tot een zaak
hulploon, een bijdrage in avarij-grosse of een schadevergoeding uit
hoofde van artikel 951 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een
waardevermindering van die zaak.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel ten nadele van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 905
1.Voor zover de vervoerder
aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de
artikelen 895 en 896 rustende verplichtingen, is hij niet
aansprakelijk boven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen bedragen.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel ten nadele van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 906
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 907
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 908
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
3.Zijn bij het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde tijd, door welke oorzaak dan ook, de
overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking van de
vervoerder dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist,
bevoegd de overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden. De
afzender is op verlangen van de vervoerder in geval van opzegging van
de overeenkomst verplicht tot lossing van de reeds gestuwde zaken of,
in geval de vervoerder de reis aanvaardt en het vertrek van het schip
zonder herstuwing van de reeds gestuwde zaken niet mogelijk is, tot
deze herstuwing.
4.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst, doch niet vóór lossing van de
zaken.
5.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt tengevolge van de
opzegging, van de aanvaarding van de reis, dan wel van lossing of
herstuwing van reeds ingenomen zaken.
6.Dit artikel is niet van toepassing in
geval van tijdbevrachting.
Artikel 909
1.In geval van reisbevrachting is de
vervrachter na ontvangst van wat hij van de bevrachter heeft te
vorderen, op diens verlangen verplicht de reis te aanvaarden met een
gedeelte der overeengekomen zaken. De bevrachter is verplicht de
vervrachter de vracht over de niet ter beschikking gestelde zaken
vóór het begin van het vervoer te voldoen.
2.De vervrachter is bevoegd in plaats
van de ontbrekende zaken andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de
vracht, die hij voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de
bevrachter te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de
bevrachter vracht over niet ter beschikking gestelde zaken heeft
geïnd of gevorderd.
3.Is vertrek niet mogelijk zonder
herstuwing van de reeds gestuwde zaken, dan is de bevrachter op
verlangen van de vervrachter tot deze herstuwing verplicht. Hij is
bovendien verplicht de vervrachter de schade te vergoeden die deze
door herstuwing van reeds ingenomen zaken lijdt.
Artikel 910
1.De afzender is verplicht de
vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder
deze gegevens kent.
2.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
3.Is bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk
voldaan aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde verplichting
van de afzender, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 908 en het vijfde
lid van artikel 911 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 911
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke
oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen, die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de zaken
te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2.De vervoerder is verplicht redelijke
zorg aan te wenden dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld,
niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem terzake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de
artikelen 903 tot en met 906 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.
3.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Zijn bij het verstrijken van de tijd
waarbinnen de in het eerste lid genoemde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar
behoren aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 908 van
overeenkomstige toepassing.
5.Indien door het niet naar behoren
aanwezig zijn van de in dit artikel bedoelde documenten of
inlichtingen vervoer van zaken van de betrokken of van een andere
afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van
vertraging in de aanvang of het verloop daarvan, zal de
schadevergoeding niet minder bedragen dan het overliggeld over het
aantal uren, waarmee het vervoer is verlengd.
Artikel 912
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 913
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, die materiaal, dat hij deze ter
beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving dan wel de
behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen
verhinderen.
2.Dit artikel laat artikel 914 en de
bepalingen nopens avarij-grosse onverlet.
Artikel 914
1.Ten vervoer ontvangen zaken, die een
zorgvuldig vervoerder, indien hij geweten zou hebben dat zij na hun
inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het oog daarop
niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen, mogen door hem op ieder
ogenblik en op iedere plaats worden gelost, vernietigd dan wel op
andere wijze onschadelijk gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer
ontvangen zaken, waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend,
geldt hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren.
2.Indien de vervoerder op grond van het
eerste lid gerechtigd is tot lossen, vernietigen of op andere wijze
onschadelijk maken van zaken, is de afzender op verlangen van de
vervoerder en wanneer hem dit redelijkerwijs mogelijk is, verplicht
deze maatregel te nemen.
3.Door het treffen van de in het eerste
of tweede lid bedoelde maatregel eindigt de overeenkomst met
betrekking tot de daar genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden
gelost, eerst na deze lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk de
afzender, degeen aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degeen,
aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven
vrachtbrief of cognossement bericht van aankomst van het schip moet
zenden. Dit lid is niet van toepassing met betrekking tot zaken die de
vervoerder na het treffen van de in het eerste of tweede lid bedoelde
maatregel alsnog naar hun bestemming vervoert.
4.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na beëindiging van de overeenkomst
verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
5.Indien zaken na beëindiging van de
overeenkomst alsnog in feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij
zich op het ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in
de staat, waarin zij feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet
afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van
beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan.
6.Indien de afzender na feitelijke
aflevering een zaak niet naar haar bestemming vervoert, wordt het
verschil tussen de waarden ter bestemming en ter plaatse van de
aflevering, beide als bedoeld in het tweede lid van artikel 903,
aangemerkt als waardevermindering van die zaak. Vervoert de afzender
een zaak na de feitelijke aflevering alsnog naar haar bestemming, dan
worden de kosten die hij te dien einde maakt aangemerkt als
waardevermindering van die zaak.
7.Op de feitelijke aflevering is het
tussen partijen overeengekomene alsmede het in deze afdeling nopens de
aflevering van zaken bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat
deze feitelijke aflevering niet op grond van de tweede zin van het
eerste lid of op grond van het derde lid van artikel 947 de vracht
verschuldigd doet zijn. De artikelen 955, 956 en 957 zijn van
overeenkomstige toepassing.
8.Dit artikel laat de bepalingen nopens
avarij-grosse onverlet.
9.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste of het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 915
1.Zowel de afzender als de vervoerder
kunnen terzake van het vervoer een document (vrachtbrief) opmaken en
verlangen dat dit of een mogelijkerwijs door hun wederpartij opgemaakt
document, door hun wederpartij wordt getekend en aan hen wordt
afgegeven. Dit document kan noch aan order noch aan toonder worden
gesteld. De ondertekening kan worden gedrukt of door een stempel dan
wel enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen.
2.In de vrachtbrief worden aan de hand
van door de afzender te verstrekken gegevens vermeld:
a. de ten vervoer ontvangen zaken,
b. de plaats waar de vervoerder de
zaken ten vervoer heeft ontvangen,
c. de plaats waarheen de vervoerder
op zich neemt de zaken te vervoeren,
d. de geadresseerde,
e. de vracht,
f. al hetgeen overigens aan
afzender en vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
De afzender staat in voor de juistheid,
op het ogenblik van inontvangstneming van de zaken, van de door hem
verstrekte gegevens.
3.Ondertekening door de afzender houdt
op zichzelf niet in, dat hij de juistheid erkent van de aantekeningen
die de vervoerder op de vrachtbrief ten aanzien van de zaken plaatste.
Artikel 916
1.Op verlangen van de afzender, geuit
voor de inlading een aanvang neemt, is de vervoerder verplicht voor
zaken, die hij ten vervoer ontving, een cognossement op te maken, te
dateren, te ondertekenen en tegen intrekking van een ontvangstbewijs
of ligcognossement, dat door hem mocht zijn afgegeven, aan de afzender
af te geven. De afzender is verplicht de gegevens, die nodig zijn voor
het opmaken van het cognossement te verstrekken en staat in voor de
juistheid daarvan op het ogenblik van de inontvangstneming van de
zaken. Op verlangen van de vervoerder is de afzender verplicht het
cognossement mede te ondertekenen of hem een ondertekend afschrift
daarvan ter hand te stellen.
2.Wanneer de zaken voor zij ten vervoer
zijn ingeladen door de vervoerder worden ontvangen, is deze op
verlangen van de afzender verplicht een ontvangstbewijs of een
voorlopig cognossement op te maken, te dateren, te ondertekenen en af
te geven. De afzender is verplicht de gegevens, die nodig zijn voor
het opmaken van dit document, te verstrekken en hij staat in voor de
juistheid daarvan op het ogenblik van de inontvangstneming van de
zaken.
3.Nadat de inlading is voltooid, is de
vervoerder op verlangen van de afzender verplicht een dergelijk
voorlopig cognossement hetzij om te ruilen tegen een cognossement, als
in het eerste lid bedoeld, hetzij op het voorlopige cognossement de
naam van het schip of de schepen, aan boord waarvan de zaken werden
geladen, en de datum of de data van de inlading aan te tekenen en
vervolgens deze gegevens te ondertekenen.
4.De ondertekening kan worden gedrukt
of door een stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden
vervangen.
Artikel 917
Indien een vervoerovereenkomst is
gesloten en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens
artikel 940 tweede lid, tweede volzin, de rechtsverhouding tussen de
vervoerder en de afzender door de bedingen van de vervoerovereenkomst en
niet door die van dit cognossement beheerst. Behoudens het in artikel
940 eerste lid gestelde vereiste van houderschap van het cognossement,
strekt dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
vervoerder.
Artikel 918
Het cognossement, voor zover het geen
ligcognossement is, vermeldt de ten vervoer ontvangen zaken, de plaats
waar de vervoerder hen ten vervoer heeft ontvangen, de plaats waarheen
de vervoerder op zich neemt hen te vervoeren, het schip aan boord
waarvan de zaken worden geladen, en de geadresseerde.
Artikel 919
1.In het cognossement wordt de
geadresseerde, ter keuze van de afzender, aangegeven hetzij bij name
of andere aanduiding, hetzij als order van de afzender of van een
ander, hetzij als toonder. Op verlangen van de vervoerder wordt
vermeld aan wie deze kennis kan geven dat hij gereed is te lossen.
2.De enkele woorden "aan
order" worden geacht de order van de afzender aan te geven.
Artikel 920
De verhandelbare exemplaren van een
cognossement, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het
geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle.
Artikel 921
1.Het cognossement bewijst, behoudens
tegenbewijs, dat de vervoerder de zaken heeft ontvangen en wel wat hun
aard betreft, zoals deze daarin in het algemeen zijn omschreven en
overigens zoals deze daarin naar aantal, gewicht of maat zijn vermeld.
Tegenbewijs tegen het cognossement wordt niet toegelaten, wanneer het
is overgedragen aan een derde te goeder trouw.
2.Indien in het cognossement de
clausule: "aard, aantal, maat of gewicht onbekend" of enige
andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen, binden zodanige
in het cognossement voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de
vervoerder niet, tenzij bewezen wordt, dat hij de aard, het aantal, de
maat of het gewicht der zaken heeft gekend of had behoren te kennen.
3.Een cognossement, dat de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert,
behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk zichtbaar
in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.Ondertekening door de afzender van
het cognossement of van een afschrift daarvan houdt op zichzelf niet
in, dat hij de juistheid erkent van de aantekeningen die de vervoerder
daarop ten aanzien van de zaken plaatste.
Artikel 922
1.Verwijzingen in het cognossement
worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor
degeen, jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar
zijn.
2.Een dergelijk beroep is slechts
mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degeen jegens wie
dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 923
Een cognossement aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 924
Levering van het cognossement vòòr de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als
levering van die zaken.
Artikel 925
De vervoerder is verplicht de plek van
inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van tijdbevrachting
is echter artikel 897 van toepassing en in geval van reisbevrachting
artikel 926.
Artikel 926
1.In geval van reisbevrachting is de
bevrachter verplicht de plek van inlading en lossing tijdig aan te
wijzen.
2.Hij moet daartoe aanwijzen een plek,
waar het schip veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
waarvandaan het veilig kan vertrekken.
3.Indien de aangewezen plek niet
beschikbaar is, lopen laad- en lostijd zoals zij gelopen zouden hebben
wanneer deze plek wel beschikbaar zou zijn geweest.
4.Wanneer de bevrachter niet aan deze
verplichting voldoet, is de vervrachter zonder dat enige aanmaning is
vereist bevoegd zelf de plek van inlading of lossing aan te wijzen.
5.Indien de bevrachter meer dan één
plek aanwijst, geldt de tijd nodig voor het verhalen als gebruikte
laad- of lostijd. De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening.
6.De bevrachter staat er voor in, dat
het schip op de plek, die hij op grond van het eerste lid ter inlading
of lossing aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt niet aan
deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet
aansprakelijk als de schipper, door de hem gegeven aanwijzing op te
volgen, onredelijk handelde.
Artikel 927
Wanneer in geval van reisbevrachting de
bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te wijzen,
is artikel 926 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 928
In geval van ruimtebevrachting zijn alle
kosten en tijdverlet, veroorzaakt om het schip de plek waar het ter
beschikking moet worden gesteld te doen bereiken, ten laste van de
bevrachter. De vergoeding voor tijdverlet zal niet minder bedragen dan
het overliggeld voor de gebezigde uren.
Artikel 929
1.De vervoerder is verplicht het schip
ter inlading en ter lossing beschikbaar te stellen.
2.De afzender is verplicht de zaken aan
boord van het schip te laden en te stuwen en de ontvanger is verplicht
hen uit het schip te lossen. Wanneer de vervoerder daarbij
aanwijzingen geeft voor de veiligheid van de vaart of ter voorkoming
van schade zijn zij verplicht deze op te volgen.
Artikel 929a
1. De vervoerder stelt het schip aan de
afzender ter beschikking met ten minste de krachtens de Waterwet en
bij algemene maatregel van bestuur bepaalde losstandaard. Zodra met
het laden een aanvang is gemaakt, wordt het schip geacht aan dit
vereiste te voldoen.
2. De afzender en de ontvanger – en
in geval zij van een overslaginstallatie gebruik maken in hun plaats
de exploitant daarvan – zijn jegens elkaar en jegens de vervoerder
verplicht de voor ieder van hen krachtens de Wet milieubeheer of de
Waterwet en bij algemene maatregel van bestuur voorgeschreven
maatregelen met betrekking tot het laden en lossen van het schip te
treffen. Voor zover het betreft hun onderlinge verplichtingen kunnen
de afzender en de ontvanger anders overeenkomen dan uit de vorige
volzin voortvloeit.
3. Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste of tweede lid op andere wijze wordt afgeweken dan volgens
die leden geoorloofd is.
Artikel 930
1.De laadtijd gaat in op de dag
volgende op die waarop de vervoerder aan de afzender of aan een door
deze aangewezen persoon het schip heeft gemeld.
2.Indien het de afzender bekend is, dat
het schip zich op de dag van het sluiten van de overeenkomst in de
laadplaats bevindt, wordt de vervoerder beschouwd als op die dag de in
het eerste lid bedoelde melding te hebben verricht.
Artikel 931
1.Voor zover de vervoerder verplicht is
tot laden, is hij gehouden zulks in de overeengekomen laadtijd te
doen.
2.Voor zover de afzender verplicht is
tot laden of stuwen, staat hij er voor in dat zulks in de
overeengekomen laadtijd geschiedt.
3.Wanneer overligtijd is bedongen, is
de afzender gerechtigd deze tijd na afloop van de laadtijd voor
inlading en stuwing te bezigen.
4.Bepaalt de vervoerovereenkomst
overliggeld, doch niet de overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld
op vier opeenvolgende dagen of, als op de ligplek een ander aantal
redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal.
5.De laadtijd wordt verkort met het
aantal uren, dat de belading eerder is aangevangen of de vervoerder
het schip op verlangen van de afzender eerder voor belading
beschikbaar hield dan het tijdstip, waarop ingevolge het eerste lid
van artikel 930 de laadtijd inging. Hij wordt verlengd met het aantal
uren, dat het schip na aanvang van de werktijd op de dag, waarop de
laadtijd inging, nog niet voor belading beschikbaar was.
6.Laadtijd, bedongen overligtijd en de
in het vierde lid bedoelde overligdagen worden, voor zover de afzender
tot laden of stuwen verplicht is, verlengd met de uren, dat niet kan
worden geladen of gestuwd door schuld van de vervoerder of door
omstandigheden gelegen in het schip of in het materiaal van het schip
waarvan de vervoerder of de afzender zich bedient. Zij nemen een
einde, wanneer belading en stuwing zijn beëindigd.
Artikel 932
1.De afzender is gehouden tot betaling
van overliggeld voor de overligtijd met uitzondering van de uren
vermeld in de eerste zin van het zesde lid van artikel 931. Hij is
bovendien verplicht de vervoerder de schade te vergoeden wanneer, door
welke oorzaak dan ook, vervoer van zaken van de betrokken of van een
andere afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van
vertraging in de aanvang of het verloop van dit vervoer, ontstaan
doordat de afzender belading en stuwing niet had voltooid in de
laadtijd en de bedongen of wettelijke overligtijd. Deze
schadevergoeding zal niet minder bedragen dan het overliggeld over het
aantal uren, waarmee het vervoer is verlengd.
2.De wettelijke bepalingen omtrent
boetebedingen zijn niet van toepassing op bedingen met betrekking tot
overliggeld.
3.Schuldenaren van overliggeld en een
mogelijkerwijs uit hoofde van het tweede lid van artikel 931
verschuldigde schadevergoeding zijn tot betaling daarvan hoofdelijk
verbonden.
4.Voorts gelden de regels, zo nodig
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, ten aanzien van het
aantal der laad- en losdagen, de berekening van de laad-, los- en
overligtijd, het bedrag van het overliggeld, de wijze, waarop het
gewicht der te vervoeren of vervoerde zaken wordt bepaald, de duur van
de werktijd en de uren, waarop deze begint en eindigt, voor zover niet
bij plaatselijke verordening andere uren van aanvang en einde zijn
bepaald, en de vergoeding voor of het meetellen van nachten,
zaterdagen, zondagen en daarmede geheel of gedeeltelijk gelijkgestelde
dagen, indien des nachts of op genoemde dagen geladen, gestuwd of
gelost wordt, alsmede het begin van laad- en lostijd en de dagen en
uren, waarop kennisgevingen van laad- of losgereedheid kunnen worden
gedaan.
Artikel 933
De artikelen 930, 931 en 932 vinden
overeenkomstige toepassing op lossen.
Artikel 934
1.Behalve in geval van tijd- of
reisbevrachting is de vervoerder wanneer, nadat de inlading een
aanvang heeft genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt
te zijn, dat het herstel, nodig voor de uitvoering van de
overeenkomst, niet zonder ingrijpende maatregel mogelijk is, na
lossing van de zaken bevoegd de overeenkomst te beëindigen, mits hij
dit zo spoedig mogelijk doet; een maatregel tot herstel, die lossing
van de gehele lading noodzakelijk maakt, wordt daarbij vermoed een
ingrijpende maatregel te zijn.
2.Vermoed wordt dat het vergaan of de
beschadiging van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die
voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder
komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem
vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
3.De vervoerder verwittigt, zo
mogelijk, de afzender, de geadresseerde en degeen aan wie hij volgens
de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht
van gereedheid tot lossen moet zenden.
4.Het vijfde, het zesde en het zevende
lid van artikel 914 zijn van toepassing.
Artikel 935
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
is de vervrachter, mits hij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd de
overeenkomst geheel of met betrekking tot een gedeelte der zaken al
dan niet uitdrukkelijk op te zeggen, wanneer het schip, zonder dat het
vergaan is, zodanig beschadigd blijkt te zijn, dat het, naar het
oordeel van de vervrachter, het herstel, nodig voor de uitvoering van
de overeenkomst, niet waard is of dit herstel binnen redelijke tijd
niet mogelijk is.
2.Wanneer in geval van reisbevrachting
de vervrachter reeds aan boord ontvangen zaken, zij het niet in het
bevrachte schip, ondanks de beëindiging van de overeenkomst, naar hun
bestemming vervoert, wordt dit vervoer vermoed op grond van de
oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden.
3.Door de opzegging eindigt de
overeenkomst, doch ten aanzien van reeds aan boord ontvangen zaken,
eerst na lossing van die zaken.
4.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat de beschadiging van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
5.De vervrachter verwittigt, zo spoedig
als dit mogelijk is, de bevrachter, de geadresseerde en degeen aan wie
hij bericht van gereedheid tot lossen moet zenden.
6.Het vijfde, het zesde en het zevende
lid van artikel 914 zijn van toepassing met dien verstande, dat in
geval van tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het
tijdstip van de lossing der zaken.
Artikel 936
1.In geval van tijd- of reisbevrachting
eindigt de overeenkomst met het vergaan van het schip.
2.Ten aanzien van reeds ten vervoer
ontvangen zaken wordt vermoed, dat het vergaan van het schip is te
wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter
komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die
in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn
rekening komen.
3.Vervoert de vervrachter ondanks het
vergaan van het schip zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog
naar hun bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit
vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te
vinden.
4.De vervrachter verwittigt, zo spoedig
als dit mogelijk is, de bevrachter, de geadresseerde en degeen aan wie
hij bericht van gereedheid tot lossen moet zenden.
5.Het vijfde, het zesde en het zevende
lid van artikel 914 zijn van toepassing.
Artikel 937
1.De afzender is, tenzij een
cognossement is afgegeven, bevoegd zichzelf of een ander als
geadresseerde aan te wijzen, een gegeven aanduiding van de
geadresseerde te wijzigen, orders omtrent de aflevering te geven of te
wijzigen dan wel aflevering van ten vervoer ontvangen zaken vóór de
aankomst ter bestemming te verlangen, voor zover de vervoerder aan
deze aanwijzingen redelijkerwijs kan voldoen en mits hij de vervoerder
en de belanghebbenden bij de overige lading ter zake schadeloos stelt.
Hij is verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de
avarij-grosse handeling plaatshad met het oog op een omstandigheid,
waarvan reeds vóór de aflevering is gebleken. Wanneer het schip naar
een niet eerder overeengekomen plaats of plek is gevaren, is hij
verplicht de vervoerder terzake bovendien een redelijke vergoeding te
geven.
2.Hij kan deze rechten niet uitoefenen,
wanneer door het opvolgen van zijn aanwijzingen de reis zou worden
vertraagd.
3.Deze rechten van de afzender
vervallen al naarmate de geadresseerde op de losplek zaken ter lossing
aanneemt of de geadresseerde van de vervoerder schadevergoeding
verlangt omdat deze zaken niet aflevert.
4.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 955, 956 en 957 zijn van toepassing.
Artikel 938
1.Indien een cognossement is afgegeven,
is uitsluitend de in artikel 940 bedoelde houder daarvan en dan alleen
tegen afgifte van alle verhandelbare exemplaren van dit cognossement,
bevoegd, voor zover de vervoerder hieraan redelijkerwijs kan voldoen,
aflevering van alle daarop vermelde zaken gezamenlijk vóór de
aankomst ter bestemming te verlangen, mits hij de vervoerder en de
belanghebbenden bij de overige lading terzake schadeloos stelt. Hij is
verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de avarij-grosse
handeling plaats had met het oog op een omstandigheid, waarvan reeds
vóór de aflevering is gebleken. Wanneer het schip naar een niet
eerder overeengekomen plaats of plek is gevaren, is hij verplicht de
vervoerder ter zake bovendien een redelijke vergoeding te geven.
2.Hij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer door de voortijdige aflevering de reis zou worden vertraagd.
3.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 955, 956 en 957 zijn van toepassing.
Artikel 939
Indien geen cognossement doch aan de
afzender een vrachtbrief die een geadresseerde vermeldt is afgegeven,
heeft ook deze geadresseerde jegens de vervoerder het recht aflevering
van de zaken overeenkomstig de op de vervoerder rustende verplichtingen
te vorderen; daarbij zijn de artikelen 903, 905 en 906 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 940
1.Indien een cognossement is afgegeven,
heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op
rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het
cognossement het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op de
vervoerder rustende verplichtingen te vorderen; daarbij zijn de
artikelen 903, 905 en 906 van toepassing.
2.Jegens de houder van het
cognossement, die niet de afzender was, is de vervoerder onder
cognossement gehouden aan en kan hij een beroep doen op de bedingen
van dit cognossement. Jegens iedere houder van het cognossement kan
hij de uit het cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling
geldend maken. Jegens de houder van het cognossement, die ook de
afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de bedingen van de
vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender
beroepen.
Artikel 941
1.Indien bij toepassing van artikel 943
verscheidene personen als vervoerder onder het cognossement moeten
worden aangemerkt zijn dezen jegens de in artikel 940 eerste lid
bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden.
2.In het in het eerste lid genoemde
geval is ieder der vervoerders gerechtigd de uit het cognossement
blijkende rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is
deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare bedrag dat
hij op grond van het cognossement aan één hunner heeft voldaan.
Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 942
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht, die
houder is van het exemplaar, waarvan ná de gemeenschappelijke voorman,
die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is
geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.
Artikel 943
1.Onverminderd de overige leden van dit
artikel worden als vervoerder onder het cognossement aangemerkt hij
die het cognossement ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het cognossement is
gebezigd. Is het cognossement niet of op onleesbare wijze ondertekend,
dan wordt de wederpartij van de afzender als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt.
2.Indien de schipper of een ander voor
hem het cognossement ondertekende, wordt naast degenen genoemd in het
eerste lid, die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de
laatste overeenkomst in de keten der exploitatie-overeenkomsten als
bedoeld in afdeling 1 van titel 5, als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt. Indien het schip in rompbevrachting is
uitgegeven wordt naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de
laatste rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven, dan wordt
naast de hiergenoemde eventuele tijd- of reisbevrachter ook de
eigenaar als vervoerder onder het cognossement aangemerkt.
3.In afwijking van de vorige leden
wordt uitsluitend de laatste rompbevrachter, onderscheidenlijk de
eigenaar, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien het
cognossement uitsluitend deze rompbevrachter, onderscheidenlijk de
eigenaar, uitdrukkelijk als zodanig aanwijst en, in geval van
aanwijzing van de rompbevrachter, bovendien diens identiteit uit het
cognossement duidelijk kenbaar is.
4.Dit artikel laat het tweede lid van
artikel 861 onverlet.
5.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 944
1.Het eerste lid, eerste volzin van
artikel 943 vindt geen toepassing indien een daar als vervoerder onder
het cognossement aangemerkte persoon bewijst dat hij die het
cognossement voor hem ondertekende daarbij de grenzen zijner
bevoegdheid overschreed of dat het formulier zonder zijn toestemming
is gebezigd. Desalniettemin wordt een in het eerste lid, eerste volzin
van artikel 943 bedoelde persoon als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt, indien de houder van het cognossement bewijst dat op het
ogenblik van uitgifte van het cognossement, op grond van een
verklaring of gedraging van hem voor wie is ondertekend of wiens
formulier is gebezigd, redelijkerwijze mocht worden aangenomen, dat
hij die ondertekende daartoe bevoegd was of dat het formulier met
toestemming was gebezigd.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
de rederij als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien
haar boekhouder door ondertekening van het cognossement de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens de
eerste houder van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte
daarvan wist dat de boekhouder de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed.
3.Een beroep op het tweede lid van
artikel 943 is mogelijk ook indien de schipper door ondertekening van
het cognossement of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens
hem te ondertekenen, de grenzen zijner bevoegdheid overschreed, doch
dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder van het
cognossement die op het ogenblik van uitgifte daarvan wist dat de
schipper de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
4.Het derde lid vindt eveneens
toepassing indien hij die namens de schipper het cognossement
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.
Artikel 945
1.Is een vervrachter ingevolge artikel
943 tot meer gehouden dan waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting
is verplicht of ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is
gerechtigd, dan heeft hij - mits de ondertekening van het cognossement
of de afgifte van het formulier plaatsvond krachtens het in de
bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek van de bevrachter - deswege
op deze laatste verhaal.
2.Hetzelfde geldt voor een ingevolge
het eerste lid aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter
is.
Artikel 946
1.De houder van het cognossement, die
zich tot ontvangst van de zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat
hij deze heeft ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en
aan de vervoerder af te geven.
2.Hij is gerechtigd het cognossement
tot zekerheid der afgifte daarvan bij een, in geval van geschil op
verzoek van de meest gerede partij door de rechter aan te wijzen,
derde in bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.
3.Tenzij het cognossement in
overeenstemming met het eerste lid van kwijting is voorzien en aan de
vervoerder is afgegeven, is de ontvanger verplicht naarmate van de
aflevering van de zaken ontvangstbewijzen daarvoor af te geven, voor
zover althans dit de aflevering niet op onredelijke wijze vertraagt.
Artikel 947
1.Een derde gedeelte van de vracht,
berekend over de ten vervoer ontvangen zaken, - of, wanneer een beding
als "franco vracht tegen ontvangstbewijs" is gemaakt, twee
derde gedeelte daarvan - is verschuldigd op het ogenblik, dat de
vervoerder de zaken ten vervoer ontvangt of, wanneer door hem een
vrachtbrief of cognossement wordt afgegeven, bij het afgeven hiervan.
De overige vracht is verschuldigd na aflevering van de zaken ter
bestemming of ter plaatse, waar de vervoerder hen met inachtneming van
artikel 937 of artikel 938 afleverde. Is de vracht bepaald naar
gewicht of omvang der zaken, dan wordt hij berekend naar deze gegevens
bij aflevering.
2.Wanneer zaken weliswaar worden
afgeleverd, doch niet ter bestemming, is distantievracht verschuldigd.
Deze wordt berekend aan de hand van het door de zaken afgelegde
gedeelte van het vervoer en de door de vervoerder gemaakte kosten.
Hierbij wordt rekening gehouden met de gehele duur en lengte van het
vervoer en het totaal van de daarvoor door de vervoerder te maken
kosten.
3.Vracht, die in één som voor alle
zaken is bepaald, is, ook wanneer slechts een gedeelte van die zaken
ter bestemming is afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd.
4.Vracht, die vooruit te voldoen is of
voldaan is, is en blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in
zijn geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter bestemming
worden afgeleverd.
5.Zaken, die niet zijn afgeleverd,
worden desalniettemin aangemerkt als afgeleverde zaken voor zover het
niet afleveren het gevolg is van de aard of een gebrek van de zaken,
dan wel van een handeling of nalaten van een rechthebbende op of de
afzender, geadresseerde of ontvanger van de zaken.
6.Wanneer de vracht in het cognossement
op een lager bedrag is vastgesteld dan in de vervoerovereenkomst, is
het verschil aan de vervoerder vooruit te voldoen.
7.Wanneer de afzender niet de vóór
het begin van het vervoer verschuldigde vracht heeft voldaan, is de
vervoerder bevoegd het vertrek van het schip op te schorten. Met
toestemming van de rechter is hij gerechtigd tot het nemen van de in
de artikelen 955 en 957 genoemde maatregelen. Gaat hij hiertoe over,
dan zijn deze artikelen alsmede artikel 956 van toepassing. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden, wanneer,
door welke oorzaak dan ook, vervoer van zaken van de betrokken of van
een andere afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge
van deze opschorting. Deze schadevergoeding zal niet minder bedragen
dan het overliggeld over het aantal uren, waarmee het vervoer is
verlengd.
Artikel 948
Voor zaken die door een opvarende voor
eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden vervoerd is de
hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de inlading voor
soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze vracht is verschuldigd ook
wanneer de zaken niet ter bestemming worden afgeleverd en de ontvanger
is met de verscheper hoofdelijk voor deze vracht verbonden.
Artikel 949
Onder voorbehoud van de laatste zinsnede
van het zesde lid van artikel 935 is in geval van tijdbevrachting vracht
niet verschuldigd over de tijd, dat de bevrachter het schip niet
overeenkomstig de bedingen van de bevrachting te zijner beschikking
heeft
a. ten gevolge van beschadiging
daarvan, dan wel
b. doordat de vervrachter in de
nakoming van zijn verplichtingen tekort schiet,
mits het schip meer dan 24 aaneengesloten
uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.
Artikel 950
1.Bij tijdbevrachting komen de
brandstof voor de voortstuwingsinstallaties en de smeerolie, de
havenrechten en soortgelijke rechten en uitgaven, die verschuldigd
worden ten gevolge van uitgevoerde reizen en het vervoeren van zaken,
ten laste van de bevrachter. De overige lasten der exploitatie van het
schip komen ten laste van de vervrachter.
2.Bij vletten komen de havengelden ten
laste van de vervrachter, tenzij het schip zich begeeft naar een
andere gemeente. In dat geval komen de havengelden, verschuldigd in
die andere gemeente, alsmede de havengelden, verschuldigd na terugkeer
in de oorspronkelijke gemeente, ten laste van de bevrachter.
Artikel 951
Onverminderd het omtrent avarij-grosse
bepaalde en onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn de
afzender en de ontvanger en, indien een cognossement is afgegeven, de in
artikel 940 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk verbonden de vervoerder
de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer
inliet met de behartiging van de belangen van een rechthebbende op ten
vervoer ontvangen zaken dan wel doordat de kapitein of de schipper zijn
in de artikelen 261 of 860 genoemde verplichtingen is nagekomen.
Artikel 952
Slechts een schriftelijk en
ondubbelzinnig daartoe strekkend beding ontheft de afzender van zijn
verplichtingen terzake van het vervoer.
Artikel 953
1.De vervoerder is verplicht de
bedragen, die als rembours op de zaak drukken, bij aflevering van de
zaak van de ontvanger te innen en vervolgens aan de afzender af te
dragen. Wanneer hij aan deze verplichting, door welke oorzaak dan ook,
niet voldoet, is hij verplicht het bedrag van het rembours aan de
afzender te vergoeden, doch indien deze geen of minder schade leed,
ten hoogste tot op het bedrag van de geleden schade.
2.De ontvanger, die ten tijde van de
aflevering weet dat een bedrag als rembours op de zaak drukt, is
verplicht aan de vervoerder het door deze aan de afzender
verschuldigde bedrag te voldoen.
Artikel 954
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is
of zal worden ter zake van het vervoer van die zaken alsmede voor
hetgeen als bijdrage in avarij-grosse op die zaken verschuldigd is of
zal worden. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze
van rembours op de zaak drukt. Indien een cognossement is afgegeven,
kan hij dit recht slechts uitoefenen voor wat hem door de ontvanger
verschuldigd is of zal worden, tenzij het cognossement bepaalt, dat de
vracht of andere vorderingen terzake van het vervoer door de afzender
moeten worden voldaan; in dat geval kan hij de zaken terughouden,
totdat de afzender aan zijn verplichtingen voldoet. Dit retentierecht
vervalt zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van
die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog
niet kan worden vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen
zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak
drukt.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 955
1.Voor zover, nadat zo nodig de in
artikel 933 bedoelde melding is geschied, hij die jegens de vervoerder
recht heeft op aflevering van vervoerde zaken, niet opkomt, weigert
deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst
neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien de
vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een houder van een
cognossement die als ontvanger opkomt, desalniettemin niet tot de
aflevering gerechtigd is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen, dat hij deze zaken, desgewenst ook in het schip,
onder zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen.
Hij is verplicht de afzender zo spoedig mogelijk op de hoogte te
stellen.
2.De derde-bewaarnemer en de ontvanger
zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet
gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van
hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 956
De vervoerder blijft in het geval van de
artikelen 954 of 955, zolang hij de zaken niet heeft opgeslagen, voor
ieder uur oponthoud gerechtigd tot overliggeld of, indien hij meer
schade lijdt, tot volledige schadevergoeding.
Artikel 957
1.In geval van toepassing van artikel
955 kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, op zijn verzoek door de
rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die
jegens hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens degeen
aan wie hij volgens artikel 933 melding moet doen.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening
van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is
gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in
bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is
terzake van het vervoer, op grond van een remboursbeding, alsmede een
bijdrage in avarij-grosse; voor zover deze vorderingen nog niet
vaststaan, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter
te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vorderingen strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 958
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, elkaar over en weer in
redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van de zaak en
het natellen van de colli mogelijk te maken.
Artikel 959
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is bevoegd bij de
aflevering van zaken de rechter te verzoeken een gerechtelijk
onderzoek te doen plaatshebben naar het gewicht, de maat of enige
andere omstandigheid, die van belang is bij de vaststelling van de
vracht, alsmede naar de toestand waarin de zaken worden afgeleverd;
tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij bevonden
verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 960
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is, wanneer hij
verliezen of schaden van zaken vermoedt, bevoegd de rechter te
verzoeken bij of terstond na de aflevering daarvan en desgewenst aan
boord van het schip, een gerechtelijk onderzoek te doen plaatshebben
naar de oorzaak daarvan.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 961
1.De kosten van gerechtelijk onderzoek,
als bedoeld in de artikelen 959 en 960, moeten worden voldaan door de
aanvrager.
2.De rechter kan deze kosten en door
het onderzoek geleden schade geheel of gedeeltelijk ten laste van de
wederpartij van de aanvrager brengen, ook al zouden daardoor de
bedragen genoemd in de in artikel 905 bedoelde algemene maatregel van
bestuur worden overschreden.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over binnenwateren
Artikel 970
1.De overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan boord van een
schip een of meer personen (reizigers) en al dan niet hun bagage
uitsluitend over binnenwateren te vervoeren. Vervoer tussen wal en
schip als bedoeld in artikel 501 onder a wordt niet als vervoer over
binnenwateren aangemerkt. De overeenkomst van personenvervoer aan
boord van een luchtkussenvoertuig noch de overeenkomst van
personenvervoer als omschreven in artikel 100 is een overeenkomst van
personenvervoer in de zin van deze afdeling.
2.Hutbagage in de zin van deze afdeling
is de bagage, met uitzondering van levende dieren die de reiziger in
zijn hut heeft, die hij in zijn bezit, onder zijn toezicht of in zijn
macht heeft, alsmede de bagage die hij aan boord heeft van een met hem
als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip, doch niet dit
voertuig of schip zelf.
3.Handbagage in de zin van deze
afdeling is de bagage, met uitzondering van levende dieren, die de
reiziger als gemakkelijk mee te voeren, draagbare dan wel met de hand
verrijdbare zaken op of bij zich heeft.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken die geen hut- of handbagage zijn voor de toepassing van
bepalingen van deze afdeling als hut- of handbagage worden aangewezen,
dan wel bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden
verklaard op zaken, die hut- of handbagage zijn.
Artikel 971
Vervoer over binnenwateren omvat
a. met betrekking tot personen of hun
hut- of handbagage de tijd dat de reiziger of zijn hut- of
handbagage aan boord van het schip verblijft, de tijd van inscheping
of ontscheping, alsmede, onder voorbehoud van artikel 501, de tijd
dat de reiziger of zijn hut- of handbagage te water wordt vervoerd
tussen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan
in de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde
schip door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Vervoer over binnenwateren van personen omvat echter niet de tijd
dat de reiziger verblijft op een ponton, een steiger, een veerstoep
of enig schip dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan
hij vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw, op een kade
of enige andere haveninstallatie;
b. met betrekking tot hut- of
handbagage bovendien de tijd dat de reiziger verblijft op een
ponton, een steiger, een veerstoep of enig schip dat ligt tussen de
wal en het schip aan boord waarvan hij vervoerd zal worden of werd,
in een stationsgebouw, op een kade of enige andere haveninstallatie,
indien die bagage is overgenomen door de vervoerder en niet weer aan
de reiziger is afgeleverd;
c. met betrekking tot bagage die noch
hut- noch handbagage is, de tijd tussen het overnemen daarvan door
de vervoerder hetzij te land, hetzij aan boord en de aflevering door
de vervoerder.
Artikel 972
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van
een schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van zijn wederpartij (de
bevrachter).
2.De in afdeling 2 van titel 10 in het
bijzonder voor het geval van bevrachting gegeven bepalingen, alsmede
artikel 894 zijn op deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 973
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip
ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van
toepassing.
Artikel 974
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien een
voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor
zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid
waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Vermoed wordt dat een zorgvuldig
vervoerder de omstandigheid die leidde tot schipbreuk, aanvaring,
stranding, ontploffing of brand heeft kunnen vermijden, alsmede dat
zulk een vervoerder heeft kunnen verhinderen dat deze omstandigheid
tot een dergelijk voorval leidde.
3.Gebrekkigheid of slecht functioneren
van het schip of van het materiaal waarvan hij zich voor het vervoer
bedient, wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen heeft
kunnen verhinderen.
4.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
Artikel 975
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel
beschadiging van hut- of handbagage met uitzondering van een zaak, die
zich aan boord van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of
schip bevindt, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed
tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of
waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.Het tweede en derde lid van artikel
974 zijn van toepassing.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
4.Dit artikel laat de artikelen 545 en
1006 onverlet.
Artikel 976
Onder voorbehoud van artikel 975 is de
vervoerder aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of
gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van bagage, indien een voorval
dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit
voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een vervoerder de
gevolgen heeft kunnen verhinderen.
Artikel 977
De vervoerder is niet aansprakelijk in
geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken,
verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden,
kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken van waarde
aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij overeengekomen is hen
in zekerheid te zullen bewaren.
Artikel 978
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord gebrachte zaken die hij, indien hij hun aard of
gesteldheid had gekend, niet aan boord zou hebben toegelaten en waarvoor
hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen enkele
schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of behoorde te
weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer zou hebben
toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor alle kosten en
schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de aanbieding ten vervoer
of uit het vervoer zelf.
Artikel 979
Onverminderd artikel 978 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de schade
te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
reiziger niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een reiziger de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om
zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 980
1.Onverminderd de bepalingen van deze
afdeling zijn op het vervoer van bagage de artikelen 895, 903 eerste
en tweede lid, 904 eerste lid, 910 eerste en tweede lid, 911, 912,
914, 951 en 954 tot en met 961 van toepassing. De in artikel 954
toegekende rechten en het in artikel 957 toegekende recht tot het zich
laten voldoen uit het in bewaring te stellen bedrag van kosten terzake
van het vervoer, kunnen worden uitgeoefend voor alles wat de
wederpartij van de vervoerder of de reiziger aan de vervoerder
verschuldigd is.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 981
Op de overeenkomst van personenvervoer
zijn de artikelen 511 tot en met 516 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 982
1.Behoudens de artikelen 974 tot en met
977 is de vervoerder niet aansprakelijk voor schade ontstaan door een
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein of de
schipper, een ander lid van de bemanning, de loods of de
ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie van het
schip.
2.Behoudens de artikelen 974 tot en met
977 wordt generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot
redding van mensenlevens of goederen en generlei redelijke afwijking
van de koers beschouwd als een schending van enige vervoerovereenkomst
en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige
schade daardoor ontstaan.
Artikel 983
1.De aansprakelijkheid van de
vervoerder is in geval van dood, letsel of vertraging van de reiziger
en in geval van verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage
beperkt tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen bedrag of bedragen.
2.Dit artikel laat de titels 7 en 12
van dit boek onverlet.
Artikel 984
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 985
Nietig is ieder vóór het aan de
reiziger overkomen voorval of vóór het verlies of beschadiging van
bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge de artikelen 974 tot en met
977 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt
verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 986
Op de overeenkomst van personenvervoer
over binnenwateren zijn de artikelen 521 tot en met 528 van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Enige bijzondere
overeenkomsten
Artikel 990
1.Onder de overeenkomst
(rompbevrachting), waarbij de ene partij (de rompvervrachter) zich
verbindt een schip uitsluitend op binnenwateren terbeschikking te
stellen van haar wederpartij (de rompbevrachter) zonder daarover nog
enige zeggenschap te houden, ligt de exploitatie van het schip in
handen van de rompbevrachter en geschiedt zij voor diens rekening.
2.Artikel 894 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 991
1.Op de overeenkomst, waarbij de ene
partij zich verbindt een schip, anders dan bij wijze van
rompbevrachting, uitsluitend op binnenwateren terbeschikking te
stellen van de andere partij voor andere doeleinden dan het aan boord
daarvan opslaan of het daarmee vervoeren van zaken of personen zijn de
bepalingen nopens avarij-grosse alsmede de bepalingen van deze titel
en, indien het een zeeschip betreft, de artikelen 361 tot en met 366
van overeenkomstige toepassing.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 992
1.De ligovereenkomst is de
overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervrachter) zich verbindt een
schip anders dan bij wijze van rompbevrachting uitsluitend op
binnenwateren terbeschikking te stellen van de andere partij (de
bevrachter), teneinde aan boord daarvan zaken te laden, op te slaan en
daaruit te lossen.
2.De ligovereenkomst kan voor bepaalde
of voor onbepaalde tijd worden aangegaan. Indien zij voor bepaalde
tijd is aangegaan en na afloop van die tijd stilzwijgend wordt
verlengd, wordt zij vermoed een voor onbepaalde tijd aangegane
overeenkomst te zijn.
3.Op de ligovereenkomst zijn de
bepalingen nopens avarij-grosse alsmede de bepalingen van deze titel
en, indien het een zeeschip betreft, de artikelen 361 tot en met 366
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat partijen de
vrijheid hebben in hun onderlinge verhouding van deze bepalingen af te
wijken.
Artikel 993
1.Indien de ligovereenkomst voor
onbepaalde tijd is aangegaan, kan zij door de bevrachter zonder
termijn en door de vervrachter met een termijn van tenminste zeven
dagen worden opgezegd.
2.Bij opzegging door de vervrachter
moet het schip na afloop van de door deze gestelde termijn door de
bevrachter zijn gelost.
3.De ligprijs is verschuldigd tot en
met de dag, waarop de lossing is voltooid, doch in elk geval tot en
met de tweede dag volgend op de dag van de opzegging door de
bevrachter.
4.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is.
Artikel 994
1.De overeenkomst voor liggen en/of
varen is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervrachter) zich
verbindt een schip, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
uitsluitend op binnenwateren ter beschikking te stellen van de andere
partij (de bevrachter) en waarbij de bevrachter de keuze heeft het
schip slechts te laten liggen of het, na een tijd van liggen, te laten
varen.
2.Het liggen wordt beheerst door het
omtrent de ligovereenkomst bepaalde; op het varen zijn de bepalingen
nopens avarij-grosse, alsmede de bepalingen van deze titel en, indien
het een zeeschip betreft, de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 995
De bevrachter heeft het recht het schip
gedeeltelijk te lossen en daarna te laten varen. In dat geval is hij de
vracht verschuldigd, die bij varen met de volle lading verschuldigd zou
zijn geweest.
Artikel 996
1.De vervrachter kan, wanneer geen
bepaalde ligtijd is overeengekomen, met een termijn van ten minste
zeven dagen de ligtijd beëindigen door een mondelinge of
schriftelijke kennisgeving aan de bevrachter, dan wel door enig ander
bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is. Deelt de
bevrachter aan de vervrachter niet binnen 48 uur na ontvangst van deze
kennisgeving mede, dat hij het schip wenst te laten varen, dan gaat na
afloop van deze termijn van 48 uur de lostijd in.
2.De ligprijs is verschuldigd tot en
met de dag, waarop de lossing is voltooid, doch in elk geval tot en
met de tweede dag volgend op de dag, waarop de vervrachter de in het
eerste lid bedoelde mededeling deed.
Artikel 997
1.Indien de bevrachter het schip wenst
te laten varen is de vervrachter verplicht uiterlijk op de eerste
werkdag volgende op die, waarop hij daarvan kennisgeving heeft
ontvangen, de reis aan te vangen. Wordt hij in de aanvaarding van de
reis door de bevrachter opgehouden, dan is deze verplicht hem op de
voet van artikel 932 schade te vergoeden.
2.Kan de reis door omstandigheden, die
de vervrachter niet toe te rekenen zijn en die reeds bestonden ten
tijde van de opdracht tot varen, niet worden aangevangen of vervolgd,
dan blijft, zolang de verhindering duurt, de ligprijs verschuldigd.
Artikel 998
Voor de toepassing van de bepalingen van
deze afdeling wordt ter beschikkingstelling van een en eenzelfde schip
ter zee en op binnenwateren beschouwd als terbeschikkingstelling op
binnenwateren, mits de terbeschikkingstelling ter zee kennelijk
ondergeschikt is aan die op binnenwateren.
Titel 11. Ongevallen
Afdeling 1. Aanvaring
Artikel 1000
Onder binnenschepen worden in deze
afdeling mede verstaan draagvleugelboten, vlotten, veerponten,
beweegbare delen van schipbruggen, baggermolens, drijvende kranen,
elevatoren en alle drijvende werktuigen, pontons of materiaal van
soortgelijke aard, die voldoen aan de in de artikelen 1 en 3 ten aanzien
van binnenschepen vermelde vereisten.
Artikel 1001
Aanvaring is de aanraking van schepen met
elkaar.
Artikel 1002
Het in deze afdeling omtrent aanvaring
bepaalde vindt - voor zover niet afdeling 1 van titel 6 van toepassing
is - eveneens toepassing indien schade door een binnenschip is
veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaatshad.
Artikel 1003
Indien een binnenschip door een aanvaring
schade heeft veroorzaakt, wordt de aansprakelijkheid voor deze schade
geregeld door deze afdeling, voor zover althans niet afdeling 1 van
titel 6 van toepassing is.
Artikel 1004
1.Verplichting tot schadevergoeding op
grond van deze afdeling bestaat slechts indien de schade is
veroorzaakt door schuld. Er bestaat geen wettelijk vermoeden van
schuld terzake van een aanvaring, doch het schip, dat in aanraking
komt met een andere, zo nodig behoorlijk verlichte, vaste of te
bekwamer plaats vastgemaakte zaak, geen schip zijnde, is aansprakelijk
voor de schade, tenzij blijkt dat de schade niet is veroorzaakt door
schuld van het schip.
2.Indien de schade is veroorzaakt door
toeval, indien zij is toe te schrijven aan overmacht of indien haar
oorzaken niet kunnen worden vastgesteld, wordt zij gedragen door hen,
die haar hebben geleden.
3.In geval van slepen is ieder
binnenschip, dat deel uitmaakt van een sleep, slechts aansprakelijk
indien er schuld aan zijn zijde is.
Artikel 1005
Indien de schade is veroorzaakt door de
schuld van één binnenschip, is de eigenaar van dit schip verplicht de
schade te vergoeden.
Artikel 1006
1.Indien twee of meer binnenschepen
gezamenlijk door hun schuld schade hebben veroorzaakt, zijn de
eigenaren daarvan zonder hoofdelijkheid aansprakelijk voor de schade,
toegebracht aan medeschuldige schepen en aan goederen, die zich aan
boord daarvan bevinden, en hoofdelijk voor alle overige schade.
2.Is de aansprakelijkheid niet
hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van de schepen, die gezamenlijk door
hun schuld de schade hebben veroorzaakt, tegenover de benadeelden
aansprakelijk in verhouding tot het gewicht van de schuld van hun
schepen; indien echter de omstandigheden meebrengen, dat die
verhouding niet kan worden vastgesteld of indien blijkt dat de schuld
van deze schepen gelijkwaardig is, wordt de aansprakelijkheid in
gelijke delen verdeeld.
3.Is de aansprakelijkheid hoofdelijk,
dan moet elk der aansprakelijke eigenaren zijn door het tweede lid van
dit artikel vastgestelde aandeel in de betaling aan de schuldeiser
voor zijn rekening nemen. Onder voorbehoud van de artikelen 880 en 364
heeft hij, die meer dan zijn aandeel heeft betaald, voor het overschot
verhaal op zijn medeschuldenaren die minder dan hun aandeel hebben
betaald. Verlies, veroorzaakt door het onvermogen van een der
eigenaren van de medeschuldige schepen om te betalen, wordt over de
andere eigenaren omgeslagen in de door het tweede lid van dit artikel
vastgestelde verhouding.
Artikel 1007
De krachtens deze afdeling bestaande
aansprakelijkheid wordt niet opgeheven ingeval de schade is veroorzaakt
door de schuld van een loods, zelfs niet als het gebruik van deze
verplicht is.
Afdeling 2. Hulpverlening
Artikel 1010
De hulpverlening door binnenschepen en de
hulp aan binnenschepen, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of
aan van een binnenschip afkomstige in bevaarbaar water of welk ander
water dan ook driftige, aangespoelde of gezonken zaken worden geregeld
door afdeling 2 van titel 6, met dien verstande dat hetgeen in die
afdeling voor de reder is bepaald, wanneer het een binnenschip betreft,
geldt voor de eigenaar daarvan en hetgeen voor de kapitein is bepaald,
wanneer het een binnenschip betreft, geldt voor de schipper daarvan.
Afdeling 3. Avarij-grosse
Artikel 1020
1.Avarij-grosse zijn de opofferingen en
uitgaven redelijkerwijs verricht of gedaan bij aanwezigheid van
bijzondere omstandigheden met het doel een binnenschip en de goederen
aan boord daarvan uit een gemeenschappelijk gevaar, hoe of door wiens
toedoen dit ook zij ontstaan, te redden.
2.Verlies van passagegeld is geen
avarij-grosse.
Artikel 1021
1.Avarij-grosse wordt aan hem, die haar
leed, vergoed door de eigenaar van het binnenschip, de belanghebbende
bij de vracht, de ontvanger van de lading en de eigenaren van de
overige zich aan boord bevindende zaken met uitzondering van
postzendingen, mondvoorraden, passagiersbagage, zelfs wanneer
geregistreerd, en van persoonlijke bezittingen.
2.In afwijking van het eerste lid
draagt een motorrijtuig of schip, dat door een vervoerder in verband
met een overeenkomst van personenvervoer aan boord van het binnenschip
wordt vervoerd, bij in de avarij-grosse.
Artikel 1022
De vergoedingen in avarij-grosse en de
dragende waarden der in de avarij-grosse bijdragende belangen worden
bovendien bepaald met inachtneming van de Rijnregels I.V.R, nader
omschreven bij algemene maatregel van bestuur.
Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een binnenschip
Artikel 1030
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde
concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene maatregel van
bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden zijn, en
tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de stof zich
bevindt;
b. "schip": binnenschip,
niet zijnde een luchtkussenvoertuig;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door dood
of letsel van enige persoon veroorzaakt door een gevaarlijke
stof;
2°. andere schade buiten het
schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt,
veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering van
verlies van of schade met betrekking tot andere schepen of
zeeschepen en zaken aan boord daarvan, indien die schepen of
zeeschepen deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit schip
deel uitmaakt, of hecht met dit schip in een eenheid zijn
gekoppeld;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door zulke
maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade
door wie dan ook genomen met uitzondering van de overeenkomstig deze
afdeling aansprakelijke persoon nadat een gebeurtenis heeft
plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, waardoor
schade ontstaat of waardoor een ernstige en onmiddellijke dreiging
van schade ontstaat;
f. "eigenaar": hij die de
zeggenschap heeft over het gebruik van het schip aan boord waarvan
de gevaarlijke stof zich bevindt. De persoon die in een register
waarin het schip te boek staat, als eigenaar van het schip is
ingeschreven, of, bij gebreke van enige teboekstelling, de persoon
die het schip in eigendom heeft, wordt aangemerkt als eigenaar,
tenzij hij bewijst dat ten tijde van de gebeurtenis een door hem bij
name genoemde ander de zeggenschap over het gebruik van het schip
had of dat op dat tijdstip een ander zonder zijn toestemming en
zonder dat hij zulks redelijkerwijs kon voorkomen de zeggenschap
over het gebruik van het schip had.
Artikel 1031
1.Deze afdeling is niet van toepassing,
indien de eigenaar jegens degene die de vordering instelt,
aansprakelijk is uit hoofde van een exploitatie-overeenkomst of jegens
deze persoon een beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2.Deze afdeling is van toepassing op de
periode waarin een gevaarlijke stof zich aan boord van een schip
bevindt, daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de inlading
van de gevaarlijke stof in het schip tot het einde van de lossing van
die stof uit het schip.
3.Deze afdeling is niet van toepassing
op schade veroorzaakt wanneer het schip uitsluitend wordt gebruikt in
een niet voor publiek toegankelijk gebied en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een in dat gebied plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4.Op zich overeenkomstig het tweede lid
aan boord bevindende stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is
dat artikel niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde
lid voordoet.
Artikel 1032
1.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een vervoermiddel dat zich aan boord van een schip bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde vervoermiddel wordt
gelost, zal de gevaarlijke stof voor die periode geacht worden zich
alleen aan boord van genoemd schip te bevinden.
2.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een schip dat wordt gesleept door een ander schip of door
een zeeschip of wordt voortbewogen door een ander schip of door een
zeeschip, dat hecht met dit schip in een eenheid gekoppeld is, zal de
gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord van laatstgenoemd
schip of zeeschip te bevinden.
3.Gedurende de handelingen bedoeld in
artikel 1033, vijfde lid, onderdelen c, d en e, zal de gevaarlijke
stof geacht worden:
a. in afwijking van het eerste lid,
zich alleen aan boord van het gestapelde vervoermiddel te
bevinden;
b. in afwijking van het tweede lid,
zich alleen aan boord van eerstgenoemd schip te bevinden.
Artikel 1033
1.Hij die ten tijde van een gebeurtenis
eigenaar is van een schip aan boord waarvan zich een gevaarlijke stof
bevindt, is aansprakelijk voor de schade door die stof veroorzaakt ten
gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de
aansprakelijkheid op degene die ten tijde van het eerste feit eigenaar
was.
2.De eigenaar is niet aansprakelijk
indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of
natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde, niet
zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid, onderdeel a,
geschied met het opzet de schade te veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in te lichten
over de gevaarlijke aard van de stof, en noch de eigenaar, noch de
in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde personen wisten of hadden
behoren te weten dat deze gevaarlijk was.
3.Indien de eigenaar bewijst dat de
schade geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of
nalaten van de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de
schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij
geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid
tegenover die persoon.
4.De eigenaar kan voor schade slechts
uit anderen hoofde dan deze afdeling worden aangesproken in het geval
van het tweede lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit
hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
5.Behoudens de artikelen 1034 en 1035
zijn voor schade niet aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de eigenaar of de leden van
de bemanning,
b. de loods en ieder ander die,
zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve van het schip
werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het schip in hulp
verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan bevindende zaken
of de opvarenden,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het schip, de zich
aan boord daarvan bevindende zaken of de opvarenden,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de eigenaar,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid, onderdelen b,
c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
6.De eigenaar heeft, voor zover niet
anders is overeengekomen, verhaal op de in het vijfde lid bedoelde
personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid
voor de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 1034
1.Indien de eigenaar bewijst dat de
gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in artikel 1031, tweede
lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid
van een door hem bij name genoemde ander dan de eigenaar of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de afzender of
ontvanger, is de eigenaar niet aansprakelijk voor de schade als gevolg
van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke
stof en is die ander voor deze schade aansprakelijk overeenkomstig
deze afdeling.
2.Indien echter de gevaarlijke stof
tijdens de periode bedoeld in artikel 1031, tweede lid, is geladen of
gelost onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de eigenaar en
een door de eigenaar bij name genoemde ander, zijn de eigenaar en die
ander hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor de
schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van
de gevaarlijke stof.
3.Indien is geladen of gelost door een
persoon in opdracht of ten behoeve van de vervoerder of een ander,
zoals de afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.Indien een ander dan de eigenaar op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander
geen beroep doen op artikel 1033, vierde lid en vijfde lid, onderdeel
b.
5.Indien een ander dan de eigenaar op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten
aanzien van die ander titel 12 alsmede de artikelen 642a tot en met
642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval van
hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid krachtens titel 12 geldt voor het geheel der
naar aanleiding van eenzelfde gebeurtenis ontstane vorderingen
gericht tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering wordt aangemerkt als door beiden te zijn gevormd
en zulks ten aanzien van de vorderingen waarvoor het fonds werd
gesteld.
6.In de onderlinge verhouding tussen de
eigenaar en de in het tweede lid van dit artikel genoemde ander is de
eigenaar niet tot vergoeding verplicht dan in geval van schuld van
hemzelf of van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of
lasthebbers.
7.Dit artikel is niet van toepassing
als tijdens de periode, bedoeld in artikel 1031, tweede lid, is
geladen of gelost onder de uitsluitende of gezamenlijke
verantwoordelijkheid van een persoon, genoemd in artikel 1033, vijfde
lid, onderdeel c, d of e.
Artikel 1035
Indien ingevolge artikel 1033, tweede
lid, onderdeel c, de eigenaar niet aansprakelijk is, is de afzender of
andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling en zijn te
diens aanzien titel 12 alsmede de artikelen 642a tot en met 642z van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
De afzender of andere persoon kan geen beroep doen op artikel 1033,
vierde lid.
Artikel 1036
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van schade
anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden aangemerkt als
schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 1037
1.Wanneer door een gebeurtenis schade
is veroorzaakt door gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één
schip, dan wel aan boord van een schip en een zeeschip of een
luchtkussenvoertuig, zijn de eigenaren en de reder of de exploitant
van de daarbij betrokken schepen, het zeeschip of het
luchtkussenvoertuig, onverminderd het in artikel 1033, tweede en derde
lid, en artikel 1034, afdeling 4 van titel 6 en afdeling 1 van titel
14 bepaalde, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade waarvan
redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zij veroorzaakt is door
gevaarlijke stoffen aan boord van één of meer bepaalde schepen,
zeeschip of luchtkussenvoertuig.
2.Het bepaalde in het eerste lid laat
onverlet het beroep op beperking van aansprakelijkheid van de reder,
eigenaar of exploitant krachtens titel 7 of titel 12, dan wel de
artikelen 1218 tot en met 1220, ieder tot het voor hem geldende
bedrag.
Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid
van eigenaren van binnenschepen
Artikel 1060
1.De eigenaar van een binnenschip en de
hulpverlener kunnen door het stellen van één of meer fondsen als
bedoeld in artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering hun aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 1062
genoemde vorderingen.
2.Onder eigenaar worden in deze titel
mede verstaan de bevrachter, de huurder en de beheerder van een
binnenschip met inbegrip van degene in wiens handen de exploitatie van
een binnenschip is gelegd.
3.Onder hulpverlener wordt in deze
titel een ieder verstaan die werkzaamheden verricht in onmiddellijk
verband met hulpverlening, waaronder in deze titel mede worden
verstaan de in artikel 1062, eerste lid, onder d, e en f, genoemde
werkzaamheden of maatregelen.
4.Onder binnenschepen worden in deze
titel mede verstaan draagvleugelboten, veerponten en kleine
vaartuigen, baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle andere
drijvende en verplaatsbare werktuigen, pontons of materiaal van
soortgelijke aard, die voldoen aan de in de artikelen 1 en 3 van dit
boek ten aanzien van binnenschepen vermelde vereisten.
5.Een binnenschip in aanbouw wordt voor
de toepassing van deze titel mede als binnenschip aangemerkt van het
ogenblik af dat de stapelloop aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt
voor de toepassing van deze titel niet als binnenschip aangemerkt.
Artikel 1061
1.Indien een vordering als genoemd in
artikel 1062 wordt gericht tegen enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid de eigenaar of de hulpverlener in
beginsel aansprakelijk is, heeft deze persoon de in deze titel
verleende bevoegdheid tot beperking van zijn aansprakelijkheid.
2.De verzekeraar van de
aansprakelijkheid voor vorderingen, waarvoor op grond van deze titel
beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, kan zich in dezelfde mate
als zijn verzekerde op die beperking beroepen.
Artikel 1062
1.Onder voorbehoud van de artikelen
1063 en 1064 bestaat de bevoegdheid tot beperking van
aansprakelijkheid voor de hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij
op grond van overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer
de aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of bezit van
of een voorrecht op het schip of uit het feit, dat dit onder hoede of
toezicht is van hem die zich op de beperking van aansprakelijkheid
beroept:
a. vorderingen terzake van dood of
letsel, dan wel terzake van verlies van of schade aan zaken (met
inbegrip van schade aan kunstwerken van havens, aan dokken,
waterwegen, sluizen, bruggen en hulpmiddelen voor de scheepvaart),
opgekomen aan boord van het binnenschip of in rechtstreeks verband
met de exploitatie van het binnenschip of met werkzaamheden ter
hulpverlening, alsmede voor vorderingen terzake van schade
tengevolge van een of ander;
b. vorderingen terzake van schade
ontstaan door vertraging bij het vervoer van lading, reizigers of
hun bagage;
c. vorderingen terzake van andere
schade ontstaan door inbreuk op enig niet op overeenkomst gegrond
vermogensrecht en opgekomen in rechtstreeks verband met de
exploitatie van het binnenschip of met werkzaamheden ter
hulpverlening;
d. vorderingen terzake van het
vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van
een zee- of binnenschip dat is gezonken, schipbreuk heeft geleden,
gestrand of verlaten is, met inbegrip van alles wat aan boord van
zulk een schip is of is geweest;
e. vorderingen terzake van het
verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van
het binnenschip;
f. vorderingen van een persoon
terzake van maatregelen genomen om schade te voorkomen of te
verminderen voor welke schade de daarvoor aansprakelijke persoon
zijn aansprakelijkheid op grond van deze titel zou kunnen
beperken, alsmede voor vorderingen terzake van verdere schade door
zulke maatregelen geleden, één en ander echter met uitzondering
van dusdanige vorderingen van deze aansprakelijke persoon zelf.
2.Aansprakelijkheid voor de in het
eerste lid genoemde vorderingen kan worden beperkt, ook indien deze,
al dan niet op grond van een overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze
van verhaal of vrijwaring. De aansprakelijkheid voor de vorderingen in
het eerste lid genoemd onder d, e of f, kan echter niet worden beperkt
voor zover deze vorderingen betrekking hebben op een vergoeding
verschuldigd op grond van een overeenkomst met de aansprakelijke
persoon.
Artikel 1063
1.Deze titel is niet van toepassing op:
a. vorderingen uit hoofde van
hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse;
b. vorderingen onderworpen aan enig
internationaal verdrag of enige wet, die de beperking van
aansprakelijkheid voor kernschade regelt of verbiedt;
c. vorderingen tegen de exploitant
van een nucleair binnenschip terzake van kernschade;
d. vorderingen uit hoofde van
arbeidsovereenkomst tegen de eigenaar of de hulpverlener ingesteld
door zijn ondergeschikten of hun rechtverkrijgenden voor zover
deze vorderingen werkzaamheden betreffen in verband met het
binnenschip of de hulpverlening, al naar gelang de
aansprakelijkheid van de eigenaar of de hulpverlener voor deze
vorderingen uit hoofde van de op de arbeidsovereenkomst
toepasselijke wet niet of slechts tot een hoger bedrag dan op
grond van deze titel het geval ware, kan worden beperkt.
2.Wanneer iemand die op grond van deze
titel bevoegd is zijn aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is
tegen een schuldeiser een vordering geldend te maken, die voortkomt
uit hetzelfde voorval, zullen de respectieve vorderingen met elkaar
worden verrekend en wordt de beperking van aansprakelijkheid slechts
toegepast op het daarna mogelijkerwijs overblijvende saldo.
Artikel 1064
Niemand is gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is dat de schade is
ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 1065
Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid
uit hoofde van deze titel voor vorderingen, naar aanleiding van
éénzelfde voorval ontstaan, kan worden beperkt (het bedrag van het
fonds), wordt berekend naar bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen maatstaven welke verschillend kunnen zijn voor verschillende
soorten schepen en voor een hulpverlener. Daarbij kunnen met betrekking
tot de in artikel 1062, eerste lid, bedoelde vorderingen verschillende
fondsen worden voorzien.
Artikel 1066
1.De beperking van aansprakelijkheid
als vastgesteld krachtens de in artikel 1065 bedoelde algemene
maatregel van bestuur geldt voor het geheel der naar aanleiding van
éénzelfde voorval ontstane vorderingen, die niet zijn vorderingen
als bedoeld in het tweede lid, gericht tegen
a. de persoon of personen genoemd
in het tweede lid van artikel 1060 en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in beginsel
aansprakelijk zijn, of
b. de eigenaar van een binnenschip
die van dat schip uit hulp verleent, en de hulpverlener of
hulpverleners die van dat schip uit hun werkzaamheden verricht of
verrichten en enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid
of nalatigheid deze personen in beginsel aansprakelijk zijn, of
c. de hulpverlener of hulpverleners
aan een binnenschip die niet van een zee- of binnenschip uit
werkzaamheden verricht of verrichten of die werkzaamheden verricht
of verrichten uitsluitend op het binnenschip waaraan of met
betrekking waartoe hulp wordt verleend, en enige persoon voor
wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in
beginsel aansprakelijk zijn.
2.De beperking van aansprakelijkheid
als vastgesteld krachtens de in artikel 1065 bedoelde algemene
maatregel van bestuur voor vorderingen terzake van dood of letsel van
reizigers van een binnenschip geldt voor het geheel der naar
aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen
de persoon of de personen die in de in artikel 1060, tweede lid,
genoemde betrekking staan tot dat schip, en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in beginsel
aansprakelijk zijn.
IV. Wegvervoersrecht
Titel 13. Wegvervoer
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1080
1.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken, die geen voertuigen zijn, voor de toepassing van
bepalingen van deze titel als voertuig worden aangewezen, dan wel
bepalingen van deze titel niet van toepassing worden verklaard op
zaken, die voertuigen zijn.
2.Een takelwagen is niet een voertuig
in de zin van deze titel.
3.Een overeenkomst, waarbij de ene
partij zich tegenover de andere partij verbindt een voertuig te
besturen, dat hem daartoe door die andere partij ter beschikking is
gesteld, is niet een overeenkomst van vervoer in de zin van deze
titel.
Artikel 1081
Op de exploitatie van een voertuig zijn
de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat deze artikelen eveneens van overeenkomstige toepassing
zijn wanneer degene op wie krachtens artikel 2 eerste en tweede lid van
de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen de verplichting tot
verzekering rust, de in artikel 6 dier wet bedoelde verzekeraar of een
ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst wordt aangesproken. De
artikelen 361 tot en met 366 zijn bovendien van overeenkomstige
toepassing, indien het Waarborgfonds Motorverkeer, genoemd in artikel 23
van eerdervermelde wet, dan wel het bureau, genoemd in het zesde lid van
artikel 2 van die wet, of een ondergeschikte van een dezer buiten
overeenkomst wordt aangesproken.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over de weg
Artikel 1090
De overeenkomst van goederenvervoer in de
zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet
tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de vervoerder)
zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt door middel van
een voertuig zaken uitsluitend over de weg en anders dan over spoorwegen
te vervoeren.
Artikel 1091
Vervoer over de weg van zaken omvat voor
de toepassing van artikel 1098 tweede lid, in afwijking van het elders
bepaalde, het tijdvak dat het voertuig zich aan boord van een ander
vervoermiddel en niet op de weg bevindt, doch dit slechts ten aanzien
van zaken die daarbij niet uit dat voertuig werden uitgeladen.
Artikel 1092
Deze afdeling is niet van toepassing op
overeenkomsten tot lijkbezorging, overeenkomsten tot het vervoeren van
verhuisgoederen of overeenkomsten tot het vervoeren van poststukken door
of in opdracht van een verlener van de universele postdienst, bedoeld in
de Postwet 2009 of onder een internationale postovereenkomst, ter
uitvoering van de universele postdienst bedoeld in de Postwet 2009.
Onder voorbehoud van artikel 1154 is deze afdeling niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoeren van bagage.
Artikel 1093
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder zich verbindt tot vervoer door middel van een voertuig, dat
hij daartoe in zijn geheel met bestuurder en al dan niet op tijdbasis
(tijdbevrachting of reisbevrachting) ter beschikking stelt van de
afzender.
2.Onder "vervrachter" is in
deze afdeling de in het eerste lid genoemde vervoerder, onder
"bevrachter" de aldaar genoemde afzender te verstaan.
Artikel 1094
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
voertuig met bestuurder, ten einde door middel daarvan zaken te
vervoeren, niet van toepassing.
Artikel 1095
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen.
Artikel 1096
Onverminderd artikel 1095 is de
vervoerder verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te
vervoeren.
Artikel 1097
1.In geval van bevrachting is de
vervrachter verplicht de bestuurder opdracht te geven binnen de
grenzen door de overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te
volgen. De vervrachter staat ervoor in, dat de bestuurder de hem
gegeven opdracht nakomt.
2.De bevrachter staat in voor schade
die de vervrachter lijdt door de plaatselijke gesteldheid van de
plekken, waarheen hij de bestuurder van het voertuig op grond van het
eerste lid ter inlading of lossing beveelt te gaan en hij is slechts
in zoverre voor die schade niet aansprakelijk, als de bestuurder, door
de hem gegeven orders op te volgen, onredelijk handelde.
Artikel 1098
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade ontstaan door een beschadiging, voor zover deze is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet
heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen
daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2.De vervoerder kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de gebrekkigheid
van het voertuig of van het materiaal waarvan hij zich bedient, tenzij
dit laatste door de afzender, de geadresseerde of de ontvanger te
zijner beschikking is gesteld. Onder materiaal wordt niet begrepen een
schip, luchtvaartuig of spoorvoertuig, waarop het voertuig zich
bevindt.
3.Onder beschadiging worden mede
verstaan geheel of gedeeltelijk verlies van zaken, vertraging, alsmede
ieder ander schade veroorzakend feit.
Artikel 1099
Onverminderd de artikelen 1100 en 1101 is
de vervoerder, die de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096
rustende verplichtingen niet nakwam, desalniettemin voor de daardoor
ontstane schade niet aansprakelijk, voor zover dit niet nakomen het
gevolg is van de bijzondere risico’s verbonden aan een of meer van de
volgende omstandigheden:
a. het vervoer van de zaken in een
onoverdekt voertuig, wanneer dit uitdrukkelijk is overeengekomen en
op de vrachtbrief is vermeld;
b. behandeling, lading, stuwing of
lossing van de zaken door de afzender, de geadresseerde of personen,
die voor rekening van de afzender of de geadresseerde handelen;
c. de aard van bepaalde zaken zelf,
die door met deze aard zelf samenhangende oorzaken zijn blootgesteld
aan geheel of gedeeltelijk verlies of aan beschadiging, in het
bijzonder door ontvlamming, ontploffing, smelting, breuk, corrosie,
bederf, uitdroging, lekkage, normaal kwaliteitsverlies, of optreden
van ongedierte of knaagdieren;
d. hitte, koude,
temperatuurverschillen of vochtigheid van de lucht, doch slechts
indien niet is overeengekomen dat het vervoer zal plaatsvinden met
een voertuig speciaal ingericht om de zaken aan invloed daarvan te
onttrekken;
e. onvolledigheid of gebrekkigheid
van de adressering, cijfers, letters of merken der colli;
f. het feit dat het vervoer een
levend dier betreft.
Artikel 1100
1.Wanneer de vervoerder bewijst dat,
gelet op de omstandigheden van het geval, het niet nakomen van de op
hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen
een gevolg heeft kunnen zijn van een of meer der in artikel 1099
genoemde bijzondere risico's, wordt vermoed, dat het niet nakomen
daaruit voortvloeit. Degeen, die jegens de vervoerder recht heeft op
de zaken, kan evenwel bewijzen, dat dit niet nakomen geheel of
gedeeltelijk niet door een van deze risico’s is veroorzaakt.
2.Het hierboven genoemde vermoeden
bestaat niet in het in artikel 1099 onder a genoemde geval, indien
zich een ongewoon groot tekort voordoet dan wel een ongewoon groot
verlies van colli.
3.Indien in overeenstemming met het
door partijen overeengekomene het vervoer plaatsvindt door middel van
een voertuig, speciaal ingericht om de zaken te onttrekken aan de
invloed van hitte, koude, temperatuurverschillen of vochtigheid van de
lucht, kan de vervoerder ter ontheffing van zijn aansprakelijkheid ten
gevolge van deze invloed slechts een beroep doen op artikel 1099 onder
c, indien hij bewijst, dat alle maatregelen waartoe hij, rekening
houdende met de omstandigheden, verplicht was, zijn genomen met
betrekking tot de keuze, het onderhoud en het gebruik van deze
inrichtingen en dat hij zich heeft gericht naar de bijzondere
instructies bedoeld in het vijfde lid.
4.De vervoerder kan slechts beroep doen
op artikel 1099 onder f, indien hij bewijst dat alle maatregelen,
waartoe hij normaliter, rekening houdende met de omstandigheden,
verplicht was, zijn genomen en dat hij zich heeft gericht naar de
bijzondere instructies bedoeld in het vijfde lid.
5.De bijzondere instructies, bedoeld in
het derde en het vierde lid van dit artikel, moeten aan de vervoerder
vóór de aanvang van het vervoer zijn gegeven, hij moet deze
uitdrukkelijk hebben aanvaard en zij moeten, indien voor dit vervoer
een vrachtbrief is afgegeven, daarop zijn vermeld. De enkele
vermelding op de vrachtbrief levert te dezer zake geen bewijs op.
Artikel 1101
Wanneer de vervoerder de op hem uit
hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen niet
nakwam, wordt ten aanzien van
a. zaken, die onverpakt zijn, terwijl
zij gelet op hun aard of de wijze van vervoer, verpakt hadden
behoren te zijn, dan wel zaken die, gelet op hun aard of de wijze
van vervoer, niet voldoende of niet doelmatig zijn verpakt;
b. onverpakte zaken, die niet vallen
onder de omschrijving onder a gegeven, indien de vervoerder bewijst,
dat gelet op de omstandigheden van het geval het niet nakomen een
gevolg heeft kunnen zijn van het bijzondere risico verbonden aan het
onverpakt zijn,
vermoed dat de vervoerder noch de
omstandigheid, die het niet nakomen veroorzaakte, heeft kunnen
vermijden, noch de gevolgen daarvan heeft kunnen verhinderen en dat het
niet nakomen niet is ontstaan door een of meer der in het tweede lid van
artikel 1098 voor rekening van de vervoerder gebrachte omstandigheden.
Artikel 1102
1.Nietig is ieder beding, waarbij de
ingevolge artikel 1095 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast op andere wijze wordt vermeerderd of verminderd dan in deze
afdeling is voorzien, tenzij dit beding uitdrukkelijk en anders dan
door een verwijzing naar in een ander geschrift voorkomende bedingen,
is aangegaan bij een in het bijzonder ten aanzien van het voorgenomen
vervoer aangegane en in een afzonderlijk geschrift neergelegde
overeenkomst.
2.Bovendien is nietig ieder beding,
waarbij de ingevolge artikel 1095 op de vervoerder drukkende
aansprakelijkheid of bewijslast op andere wijze wordt vermeerderd of
verminderd dan in deze afdeling is voorzien, wanneer dit beding
a. voorkomt in enig document, dat
door een vermelding daarop is aangeduid als transportbrief of
b. tussen de vervoerder en de
ontvanger is aangegaan bij de aflevering van de zaak.
Artikel 1103
1.Voor zover de vervoerder
aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de
artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen, heeft de afzender geen
ander recht dan betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt
berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd.
2.De in het eerste lid genoemde waarde
wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen
dergelijke koers is, naar de gangbare martkwaarde of, wanneer ook deze
ontbreekt, naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
Artikel 1104
Indien met betrekking tot een zaak een
schadevergoeding uit hoofde van artikel 1129 is verschuldigd, wordt deze
aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Artikel 1105
Voor zover de vervoerder aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en
1096 rustende verplichtingen, is hij niet aansprakelijk boven bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedragen.
Artikel 1106
1.De afzender kan, mits de vervoerder
hierin toestemt en tegen betaling van een overeen te komen bedrag, op
de vrachtbrief een waarde van de zaken aangeven, die het maximum,
vermeld in de in artikel 1105 genoemde algemene maatregel van bestuur,
overschrijdt. In dat geval treedt het aangegeven bedrag in de plaats
van dit maximum.
2.Nietig is ieder beding, ook indien
het wordt aangegaan op de wijze als voorzien in het eerste lid van
artikel 1102, waarbij het aldus aangegeven bedrag hoger wordt gesteld
dan de in het eerste lid van artikel 1103 genoemde waarde.
Artikel 1107
1.De afzender kan, mits de vervoerder
hierin toestemt en tegen betaling van een overeen te komen bedrag,
door vermelding op de vrachtbrief het bedrag van een bijzonder belang
bij de aflevering voor het geval van verlies of beschadiging van
vervoerde zaken en voor dat van overschrijding van een overeengekomen
termijn van aflevering daarvan, vaststellen.
2.Indien een bijzonder belang bij de
aflevering is aangegeven, kan, indien de vervoerder aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en
1096 rustende verplichtingen, onafhankelijk van de schadevergoedingen
genoemd in de artikelen 1103 tot en met 1106 en tot ten hoogste
eenmaal het bedrag van het aangegeven belang, een schadevergoeding
worden gevorderd gelijk aan de bewezen bijkomende schade.
Artikel 1108
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1109
1.De afzender is bevoegd de
overeenkomst op te zeggen, wanneer hem door de vervoerder is
medegedeeld dat geen voertuig op de overeengekomen plaats of tijd voor
het vervoer aanwezig is of zal kunnen zijn.
2.Hij kan deze bevoegdheid slechts
uitoefenen terstond na ontvangst van deze mededeling.
3.Indien bij gebreke van de ontvangst
van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid, het de afzender uit
anderen hoofde bekend is, dat het voertuig niet op de overeengekomen
plaats of tijd voor het vervoer aanwezig is of kan zijn, is hij,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst
op te zeggen, doch slechts binnen een redelijke termijn nadat hem dit
bekend was; gelijke bevoegdheid komt hem toe, indien hem na ontvangst
van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid, uit anderen hoofde
bekend wordt, dat het voertuig op grond van andere omstandigheden dan
welke de vervoerder tot zijn mededeling brachten, niet op de
overeengekomen plaats of tijd voor het vervoer aanwezig is of kan
zijn.
4.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
5.Indien de vervoerder gehouden is de
schade, die de afzender door de opzegging lijdt, te vergoeden, zal
deze vergoeding niet meer bedragen dan de vracht voor het
overeengekomen vervoer, of, in geval van tijdbevrachting, voor
terbeschikkingstelling van het voertuig gedurende 24 uur.
Artikel 1110
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 1111
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen. Hij is verplicht aan de vervoerder de vracht, die voor het
vervoer van de zaken was overeengekomen, te voldoen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Dit artikel is niet van toepassing
ingeval van tijdbevrachting.
Artikel 1112
1.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking, dan is de vervoerder, zonder dat enige ingebrekestelling
is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen. De afzender is
verplicht hem de vracht, die voor het vervoer van de zaken was
overeengekomen, te voldoen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Dit artikel is niet van toepassing in
geval van tijdbevrachting.
Artikel 1113
1.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen zaken slechts
gedeeltelijk ter beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder
dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te
zeggen, dan wel de reis te aanvaarden.
2.De afzender is op verlangen van de
vervoerder in geval van opzegging van de overeenkomst verplicht tot
lossing van de reeds gestuwde zaken of, in geval de vervoerder de reis
aanvaardt en het vertrek van het voertuig zonder herstuwing van de
reeds gestuwde zaken niet mogelijk is, tot deze herstuwing. Hij is
verplicht de vervoerder de vracht, die voor het vervoer van de niet
ter beschikking zijnde of ten gevolge van de opzegging niet vervoerde
zaken was overeengekomen, te voldoen en deze bovendien de schade te
vergoeden, die hij lijdt ten gevolge van de opzegging, van de
aanvaarding van de reis, dan wel van lossing of herstuwing van reeds
ingenomen zaken.
3.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
4.Dit artikel is niet van toepassing in
geval van tijdbevrachting.
Artikel 1114
1.De afzender is verplicht de
vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder
deze gegevens kent.
2.De afzender is verplicht de gegevens,
die hij volgens het eerste lid aan de vervoerder moet verstrekken, zo
mogelijk op of aan de te vervoeren zaken of derzelver verpakking
duidelijk aan te brengen en wel zodanig, dat zij in normale
omstandigheden tot het einde van het vervoer leesbaar zullen blijven.
3.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Is bij het verstrijken van de tijd
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk
voldaan aan de in het eerste of tweede lid van dit artikel genoemde
verplichtingen van de afzender, dan zijn, behalve in het geval van
tijdbevrachting, de artikelen 1112 en 1113 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1115
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke
oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen, die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de zaken
te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2.De vervoerder is verplicht redelijke
zorg aan te wenden, dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld
niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de
artikelen 1103 tot en met 1108 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.
3.De vervoerder is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de in het eerste lid genoemde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar
behoren aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting,
de artikelen 1112 en 1113 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1116
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond
hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden
aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving of enig ander bericht,
waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na op zegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1117
1.De afzender is verplicht de
vervoerder de buitengewone schade te vergoeden, die materiaal dat hij
deze ter beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving, dan
wel de behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor
zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die voor
rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder komen
die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem
vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
2.Dit artikel laat artikel 1118
onverlet.
Artikel 1118
1.Zaken ten aanzien waarvan de
afzender, door welke oorzaak dan ook, niet aan zijn verplichtingen uit
hoofde van het eerste en tweede lid van artikel 1114 voldeed, mogen
door de vervoerder op ieder ogenblik en op iedere plaats worden
gelost, vernietigd of op andere wijze onschadelijk gemaakt, doch dit
slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend gevaar opleveren. De
vervoerder is terzake geen enkele schadevergoeding verschuldigd en de
afzender is aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de
vervoerder voortvloeiende uit de aanbieding ten vervoer, uit het
vervoer of uit deze maatregelen zelf.
2.Indien de vervoerder op grond van het
eerste lid gerechtigd is tot lossen, vernietigen of op andere wijze
onschadelijk maken van zaken, is de afzender op verlangen van de
vervoerder en wanneer hem dit redelijkerwijs mogelijk is, verplicht
deze maatregel te nemen.
3.Door het treffen van de in het eerste
of tweede lid bedoelde maatregel eindigt de overeenkomst met
betrekking tot de daar genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden
gelost, eerst na deze lossing. De vervoerder verwittigt de afzender en
zo mogelijk degeen aan wie de zaken moeten worden afgeleverd. Dit lid
is niet van toepassing met betrekking tot zaken, die de vervoerder na
het treffen van de in het eerste lid bedoelde maatregel alsnog naar
hun bestemming vervoert.
4.Op de feitelijke aflevering is het
tussen partijen overeengekomene als mede het in deze afdeling nopens
de aflevering van zaken bepaalde van toepassing. De artikelen 1132,
1133, 1137 en 1138 zijn van overeenkomstige toepassing.
5.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste of het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1119
1.Zowel de afzender als de vervoerder
kunnen ter zake van het vervoer een vrachtbrief opmaken en verlangen
dat deze of een mogelijkerwijs door hun wederpartij opgemaakte
vrachtbrief door hun wederpartij wordt getekend en aan hen wordt
afgegeven. De ondertekening kan worden gedrukt of door een stempel dan
wel enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen.
2.Op de vrachtbrief worden volgens de
daarop mogelijkerwijs voorkomende aanwijzingen de volgende
aanduidingen vermeld:
a. de afzender, als hoedanig
slechts één persoon kan worden genoemd;
b. de ten vervoer ontvangen zaken;
c. de plaats waar de vervoerder de
zaken ten vervoer heeft ontvangen;
d. de plaats waarheen de vervoerder
op zich neemt de zaken te vervoeren;
e. de geadresseerde, als hoedanig
slechts één persoon kan worden genoemd;
f. de vervoerder;
g. al hetgeen overigens aan
afzender en vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
3.De aanduidingen vermeld in het tweede
lid onder a tot en met e worden in de vrachtbrief opgenomen aan de
hand van door de afzender te verstrekken gegevens. De afzender staat
in voor de juistheid, op het ogenblik van inontvangstneming van de
zaken, van deze gegevens. De aanduiding van de vervoerder wordt in de
vrachtbrief opgenomen aan de hand van door deze te verstrekken
gegevens en de vervoerder staat in voor de juistheid hiervan.
4.Partijen zijn verplicht elkaar de
schade te vergoeden, die zij lijden door het ontbreken van in het
tweede lid genoemde gegevens.
Artikel 1120
De vervoerder is niet gehouden, doch
vóór de afgifte van de vrachtbrief aan de afzender wel gerechtigd, te
onderzoeken of de daarop omtrent de zaken vermelde gegevens juist,
nauwkeurig en volledig zijn. Hij is bevoegd zijn bevindingen ten aanzien
van de zaken op de vrachtbrief aan te tekenen.
Artikel 1121
Wanneer de te vervoeren zaken moeten
worden geladen in verschillende voertuigen of wanneer het verschillende
soorten zaken of afzonderlijke partijen betreft, hebben afzender zowel
als vervoerder het recht te eisen, dat er evenveel vrachtbrieven worden
opgemaakt als er voertuigen moeten worden gebruikt of als er soorten of
partijen zaken zijn.
Artikel 1122
1.Tenzij tussen hen een bevrachting is
aangegaan, wordt op verlangen van afzender of vervoerder, mits dit te
kennen is gegeven alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder
worden gesteld, de vrachtbrief voor deze zaken opgesteld in de vorm
van een transportbrief. Aan de bovenvoorzijde van de vrachtbrief wordt
alsdan met duidelijk leesbare letters het woord
"transportbrief" geplaatst.
2.De transportbrief wordt opgemaakt in
overeenstemming met de vereisten genoemd in artikel 1119 en artikel
1121.
3.Verwijzingen in de transportbrief
worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor
degeen, jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar
zijn. Een dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan worden
gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die bedingen heeft doen
toekomen.
4.Indien beide partijen zulks
verlangen, kan ook in geval van bevrachting een transportbrief worden
opgemaakt. Deze moet dan voldoen aan de in dit artikel gestelde eisen.
5.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1123
1.Indien een transportbrief is
afgegeven, wordt, onder voorbehoud van het tweede lid van dit artikel,
de rechtsverhouding tussen de vervoerder enerzijds en de afzender of
de geadresseerde anderzijds beheerst door de bedingen van deze
transportbrief.
2.Indien een vervoerovereenkomst is
gesloten en bovendien een transportbrief is afgegeven, wordt de
rechtsverhouding tussen de vervoerder en de afzender door de bedingen
van de vervoerovereenkomst en niet door die van deze transportbrief
beheerst. De transportbrief strekt hun dan slechts, en dit onder
voorbehoud van artikel 1124, tot bewijs van de ontvangst der zaken
door de vervoerder.
Artikel 1124
1.In de vrachtbrief vervatte gegevens
omtrent de ten vervoer ontvangen zaken leveren geen bewijs op jegens
de vervoerder, tenzij het gegevens betreft waarvan een zorgvuldig
vervoerder de juistheid kan beoordelen.
2.Bevat de vrachtbrief een door de
vervoerder afzonderlijk ondertekende verklaring dat hij de juistheid
erkent van in die verklaring genoemde gegevens omtrent de ten vervoer
ontvangen zaken, dan wordt tegenbewijs daartegen niet toegelaten.
3.Een vrachtbrief, die de uiterlijk
zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert geen
vermoeden op, dat de vervoerder die zaak, voor zover uiterlijk
zichtbaar, in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.Door de vervoerder op de vrachtbrief
geplaatste aantekeningen, genoemd in artikel 1120, binden de afzender
niet. Bevat echter de vrachtbrief een door de afzender afzonderlijk
ondertekende verklaring, dat hij de juistheid van die aantekeningen
erkent, dan wordt tegenbewijs daartegen niet toegelaten.
Artikel 1125
1.De afzender is bevoegd zichzelf of
een ander als geadresseerde aan te wijzen, een gegeven aanduiding van
de geadresseerde te wijzigen, orders omtrent de aflevering te geven of
te wijzigen dan wel aflevering vóór de aankomst ter bestemming van
zonder transportbrief ten vervoer ontvangen zaken of, wanneer een
transportbrief is afgegeven, van alle daarop vermelde zaken, te
verlangen.
2.De uitvoering van deze instructies
moet mogelijk zijn op het ogenblik, dat de instructies de persoon, die
deze moet uitvoeren, bereiken en zij mag noch de normale
bedrijfsuitvoering van de vervoerder beletten, noch schade toebrengen
aan de vervoerder of belanghebbenden bij de overige lading. Doet zij
dit laatste desalniettemin, dan is de afzender verplicht de geleden
schade te vergoeden. Wanneer het voertuig naar een niet eerder
overeengekomen plaats is gereden, is hij verplicht de vervoerder
terzake bovendien een redelijke vergoeding te geven.
3.Deze rechten van de afzender
vervallen al naarmate de geadresseerde op de losplaats zaken aanneemt
of de geadresseerde van de vervoerder schadevergoeding verlangt omdat
deze zaken niet aflevert.
4.Zaken, die ingevolge het eerste lid
zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde
zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van
zaken, alsmede de artikelen 1132, 1133, 1137 en 1138 zijn van
toepassing.
Artikel 1126
Indien aan de afzender een vrachtbrief is
afgegeven, die een geadresseerde vermeldt, heeft ook deze geadresseerde
jegens de vervoerder het recht aflevering van zaken overeenkomstig de op
de vervoerder rustende verplichtingen te vorderen; daarbij zijn de
artikelen 1103-1108 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1127
De ontvanger is verplicht terstond na de
aflevering van de zaken een ontvangstbewijs daarvoor af te geven.
Artikel 1128
1.Vracht is - behalve in geval van
tijdbevrachting - verschuldigd op het ogenblik, dat de vervoerder de
zaken ten vervoer ontvangt of, wanneer een vrachtbrief wordt
afgegeven, bij het afgeven hiervan.
2.Vracht, die vooruit te voldoen is of
voldaan is, is en blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in
zijn geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter bestemming
worden afgeleverd.
3.Wanneer de afzender niet aan zijn uit
dit artikel voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan, is de
vervoerder bevoegd het vervoer van de betrokken zaak op te schorten.
Met toestemming van de rechter is hij gerechtigd tot het nemen van de
in de artikelen 1132 en 1133 genoemde maatregelen. Gaat hij hiertoe
over, dan zijn deze artikelen van toepassing.
Artikel 1129
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 zijn de afzender en de ontvanger hoofdelijk verbonden de
vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als
zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de belangen van een
rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken.
Artikel 1130
1.De vervoerder is verplicht de
bedragen, die als rembours op de zaak drukken, bij aflevering van de
zaak van de ontvanger te innen en vervolgens aan de afzender af te
dragen. Wanneer hij aan deze verplichting, door welke oorzaak dan ook,
niet voldoet, is hij verplicht het bedrag van het rembours aan de
afzender te vergoeden, doch indien deze geen of minder schade leed,
ten hoogste tot op het bedrag van de geleden schade.
2.De ontvanger, die ten tijde van de
aflevering weet dat een bedrag als rembours op de zaak drukt, is
verplicht aan de vervoerder het door deze aan de afzender
verschuldigde bedrag te voldoen.
Artikel 1131
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken of documenten, die hij in verband met de vervoerovereenkomst
onder zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering daarvan, tenzij daarop
beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een verplichting
tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.De vervoerder kan het recht van
retentie uitoefenen op zaken of documenten, die hij in verband met de
vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is
of zal worden terzake van het vervoer van die zaken. Hij kan dit recht
tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak
drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de vervoerder is betaald
het bedrag waarover geen geschil bestaat en voldoende zekerheid is
gesteld voor de betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil
bestaat of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De
vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor hetgeen
bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3.De in dit artikel aan de vervoerder
toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op
het tijdstip dat hij de zaak of het document ten vervoer ontving,
reden had te twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die
derde hem die zaak of dat document ten vervoer ter beschikking te
stellen.
Artikel 1132
1.Voor zover hij die jegens de
vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken niet opkomt,
weigert deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in
ontvangst neemt, of voor zover op zaken beslag is gelegd, is de
vervoerder gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van de
rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor geschikte
bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de rechter bepalen dat hij deze
zaken, desgewenst ook in het voertuig, onder zichzelf kan houden of
andere maatregelen daarvoor kan treffen. Hij is verplicht de afzender
zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen.
2.De derde-bewaarnemer en de ontvanger
zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet
gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van
hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 1133
1.In geval van toepassing van artikel
1132, kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, op zijn verzoek door de
rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die
jegens hem recht heeft op de aflevering van de zaken.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening
van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is
gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in
bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is
ter zake van het vervoer of op grond van een remboursbeding; voor
zover deze vorderingen nog niet vast staan, zal de opbrengst of een
gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot zekerheid
voor deze vorderingen strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 1134
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, elkaar over en weer in
redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van de zaak en
het natellen van de colli mogelijk te maken.
Artikel 1135
1.Zowel de vervoerder als hij die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is bevoegd bij de
aflevering van zaken de rechter te verzoeken een gerechtelijk
onderzoek te doen plaatshebben naar de toestand waarin deze worden
afgeleverd; tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij
bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.Indien dit onderzoek in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft
plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 1136
1.De kosten van gerechtelijk onderzoek,
als bedoeld in artikel 1135, moeten worden voldaan door de aanvrager.
2.De rechter kan deze kosten en door
het onderzoek geleden schade geheel of gedeeltelijk ten laste van de
wederpartij van de aanvrager brengen, ook al zouden daardoor de
bedragen genoemd in de in artikel 1105 bedoelde algemene maatregel van
bestuur worden overschreden.
Artikel 1137
Indien binnen één jaar nadat de
vervoerder aan degeen, die jegens hem recht op aflevering van zaken
heeft, schadevergoeding heeft uitgekeerd ter zake van het niet afleveren
van deze zaken, deze zaken of enige daarvan alsnog onder de vervoerder
blijken te zijn of te zijn gekomen, is de vervoerder verplicht die
afzender of die geadresseerde, die daartoe bij aangetekende brief het
verlangen uitte, van deze omstandigheid bij aangetekende brief op de
hoogte te brengen en heeft de afzender respectievelijk de geadresseerde
gedurende dertig dagen na ontvangst van deze mededeling het recht tegen
verrekening van de door hem ontvangen schadevergoeding opnieuw afleveren
van deze zaken te verlangen. Hetzelfde geldt, indien de vervoerder
terzake van het niet afleveren geen schadevergoeding heeft uitgekeerd,
met dien verstande dat de termijn van één jaar begint met de aanvang
van de dag volgende op die, waarop de zaken hadden moeten zijn
afgeleverd.
Artikel 1138
Met betrekking tot ten vervoer ontvangen
zaken, die de vervoerder onder zich heeft, doch ten aanzien waarvan hij
niet meer uit hoofde van de vervoerovereenkomst tot aflevering is
verplicht, is artikel 1133 van overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat uit de opbrengst van het verkochte bovendien aan de
vervoerder moet worden voldaan het bedrag, dat deze mogelijkerwijs
voldeed ter zake van zijn aansprakelijkheid wegens het niet nakomen van
de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende
verplichtingen.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over de weg
Artikel 1140
1.De overeenkomst van personenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan boord van een
voertuig een of meer personen (reizigers) en al dan niet hun bagage
uitsluitend over de weg en anders dan over spoorwegen te vervoeren.
2.De overeenkomst van personenvervoer
als omschreven in artikel 100 is niet een overeenkomst van
personenvervoer in de zin van deze afdeling.
Artikel 1141
1.Handbagage in de zin van deze
afdeling is de bagage met inbegrip van levende dieren, die de reiziger
als gemakkelijk mee te voeren, draagbare dan wel met de hand
verrijdbare zaken op of bij zich heeft.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen zaken, die geen handbagage zijn, voor de toepassing van
bepalingen van deze afdeling als handbagage worden aangewezen, dan wel
bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden verklaard op
zaken, die handbagage zijn.
Artikel 1142
1.Vervoer over de weg van personen
omvat uitsluitend de tijd dat de reiziger aan boord van het voertuig
is, terwijl dit zich op de weg bevindt. Bovendien omvat het de tijd
van zijn instappen daarin of uitstappen daaruit.
2.Vervoer over de weg van personen
omvat voor de toepassing van artikel 1148 tweede lid, in afwijking van
het elders bepaalde, het tijdvak dat het voertuig zich aan boord van
een ander vervoermiddel en niet op de weg bevindt, doch dit slechts
ten aanzien van de reiziger die zich aan boord van dat voertuig
bevindt of die daar in- of uitstapt.
Artikel 1143
1.Vervoer over de weg van handbagage
omvat uitsluitend de tijd dat deze aan boord van het voertuig is
terwijl dit zich op de weg bevindt. Bovendien omvat het de tijd van
inlading daarin en uitlading daaruit.
2.Voor bagage, die geen handbagage is,
omvat het vervoer over de weg de tijd tussen het overnemen daarvan
door de vervoerder en de aflevering door de vervoerder.
3.Vervoer over de weg van bagage omvat
voor de toepassing van artikel 1150 tweede lid, in afwijking van het
elders bepaalde, het tijdvak dat het voertuig, aan boord waarvan de
bagage zich bevindt, zich aan boord van een ander vervoermiddel en
niet op de weg bevindt, doch dit slechts ten aanzien van bagage, die
zich aan boord van dat voertuig bevindt of die daarin wordt ingeladen
dan wel daaruit wordt uitgeladen.
Artikel 1144
1.Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van een
voertuig, dat hij daartoe in zijn geheel met bestuurder en al dan niet
op tijdbasis (tijdbevrachting of reisbevrachting) ter beschikking
stelt van zijn wederpartij (bevrachter).
2.De artikelen 1093, 1097, 1109, 1112
en 1113 zijn op deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1145
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
voertuig met bestuurder, ten einde aan boord daarvan personen te
vervoeren, niet van toepassing.
Artikel 1146 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 1147
De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger ten gevolge van
een ongeval dat in verband met en tijdens het vervoer aan de reiziger is
overkomen.
Artikel 1148
1.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade door dood of letsel van de reiziger veroorzaakt, voor
zover het ongeval dat hiertoe leidde, is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet
heeft kunnen verhinderen.
2.Lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig alsmede
gebrekkigheid of slecht functioneren van het voertuig of van het
materiaal, waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden
aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een schip,
luchtvaartuig of spoorvoertuig, aan boord waarvan het voertuig zich
bevindt.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde,
indien geen andere omstandigheid, die mede tot het ongeval leidde,
voor rekening van de vervoerder is.
Artikel 1149
Nietig is ieder vóór het aan de
reiziger overkomen ongeval gemaakt beding waarbij de ingevolge artikel
1147 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt
verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 1150
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel
beschadiging van bagage voor zover dit verlies of deze beschadiging is
ontstaan tijdens het vervoer en is veroorzaakt door een omstandigheid
die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk
een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen. Voor schade
veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging
van handbagage is hij bovendien aansprakelijk voor zover dit verlies
of deze beschadiging is veroorzaakt door een aan de reiziger overkomen
ongeval, dat voor rekening van de vervoerder komt.
2.Lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig alsmede
gebrekkigheid of slecht functioneren van het voertuig of van het
materiaal waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een schip,
luchtvaartuig of spoorwagon, aan boord waarvan het voertuig zich
bevindt.
3.Bij de toepassing van het eerste lid
wordt ten aanzien van handbagage slechts dan rekening gehouden met een
gedraging van een derde, indien geen andere omstandigheid, die mede
tot het voorval leidde, voor rekening van de vervoerder is.
4.Nietig is ieder vóór het verlies of
de beschadiging van bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge dit
artikel op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op
andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 1151
De vervoerder is niet aansprakelijk in
geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken,
verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden,
kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken van waarde
aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij overeengekomen is hen
in zekerheid te zullen bewaren.
Artikel 1152
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord van het voertuig gebrachte zaken die hij, indien hij
hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan boord van het voertuig zou
hebben toegelaten en waarvoor hij geen bewijs van ontvangst heeft
afgegeven, geen enkele schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger
wist of behoorde te weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer
zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor alle
kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de aanbieding ten
vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 1153
Onverminderd artikel 1152 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de schade
te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover
deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
reiziger niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een reiziger de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om
zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 1154
1.Onverminderd de bepalingen van deze
afdeling zijn op het vervoer van bagage de artikelen 1095, 1096, 1103,
1104, 1114 eerste, tweede en derde lid, 1115 eerste, tweede en derde
lid, 1116 tot en met 1118, 1129 en 1131 tot en met 1138 van
toepassing. De in artikel 1131 toegekende rechten en het in artikel
1133 en artikel 1138 toegekende recht tot het zich laten voldoen uit
het in bewaring stellen bedrag van kosten terzake van het vervoer,
kunnen worden uitgeoefend voor alles wat de wederpartij van de
vervoerder of de reiziger aan de vervoerder verschuldigd is.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 1155
Indien de vervoerder bewijst dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel
of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 1156
Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op
verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet is
verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in opdracht van de
reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 1157
De aansprakelijkheid van de vervoerder is
in geval van dood, letsel of vertraging van de reiziger en in geval van
verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage beperkt tot een bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of
bedragen.
Artikel 1158
1.De vervoerder kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap, dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1159
1.In geval van verlies of beschadiging
van bagage wordt de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2.In geval van aan de reiziger
overkomen letsel of van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107
en 108 van Boek 3 niet van toepassing op de vorderingen die vervoerder
als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze instelt.
Artikel 1160
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger,
door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.
Artikel 1161
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het
vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn.
Artikel 1162
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de
reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien
zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de
reiziger uit het voertuig te verwijderen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de
vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na op zegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1163
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar
voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst
niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1164
Wanneer de reiziger na verlaten van het
voertuig niet tijdig terugkeert, kan de vervoerder de overeenkomst
beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 1165
1.De wederpartij van de vervoerder is
steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze ten gevolge van de
opzegging lijdt.
2.Zij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer daardoor de reis van het voertuig zou worden vertraagd.
3.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 1166
1.Wordt ter zake van het vervoer een
plaatsbewijs, een ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk
document afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op
duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken.
3.De artikelen 56 tweede lid, 75 eerste
lid en 186 eerste lid van Boek 2 zijn niet van toepassing.
Afdeling 4. Verhuisovereenkomst
Artikel 1170
1.De verhuisovereenkomst in de zin van
deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder (de verhuizer) zich tegenover de afzender (de
opdrachtgever) verbindt verhuisgoederen te vervoeren, hetzij
uitsluitend in een gebouw of woning, hetzij uitsluitend ten dele in
een gebouw of woning en ten dele over de weg, hetzij uitsluitend over
de weg. Vervoer over spoorwegen wordt niet als vervoer over de weg
beschouwd.
2.Verhuisgoederen in de zin van deze
titel zijn zaken die zich in een overdekte ruimte bevinden en die tot
de stoffering, meubilering of inrichting van die ruimte bestemd zijn
en als zodanig reeds zijn gebruikt met uitzondering van die zaken die
volgens verkeersopvatting niet tot de gebruikelijke inhoud van die
ruimte behoren.
3.Indien partijen overeenkomen, dat het
geheel van het vervoer over de weg zal worden beheerst door het geheel
van de rechtsregelen, die het zouden beheersen, wanneer het andere
zaken dan verhuisgoederen zou betreffen, wordt deze overeenkomst niet
als verhuisovereenkomst aangemerkt.
Artikel 1171
Vervoer over de weg van verhuisgoederen
omvat voor de toepassing van artikel 1175 tweede lid, in afwijking van
het elders bepaalde, het tijdvak dat het voertuig aan boord waarvan de
verhuisgoederen zich bevinden, zich aan boord van een ander
vervoermiddel en niet op de weg bevindt, doch dit slechts ten aanzien
van verhuisgoederen, die daarbij niet uit dat voertuig werden
uitgeladen.
Artikel 1172
De verhuizer is verplicht
verhuisgoederen, die gelet op hun aard of de wijze van vervoer, ingepakt
behoren te worden of uit elkaar genomen behoren te worden, in te pakken
dan wel uit elkaar te nemen en ter bestemming uit te pakken, dan wel in
elkaar te zetten.
Artikel 1173
1.De verhuizer is verplicht de
verhuisgoederen ter bestemming af te leveren en wel in de staat,
waarin zij hem uit hoofde van artikel 1172 ter verpakking of
demontage, dan wel in de staat, waarin zij hem ten vervoer ter
beschikking zijn gesteld.
2.Onder afleveren wordt in deze
afdeling verstaan het plaatsen van de verhuisgoederen ter bestemming
op de daartoe mogelijkerwijs aangeduide plek en zulks, bij toepassing
van artikel 1172, na hen te hebben uitgepakt of in elkaar gezet.
Artikel 1174
Onverminderd artikel 1173 is de verhuizer
verplicht een aangevangen verhuizing zonder vertraging te voltooien.
Artikel 1175
1.Bij niet nakomen van de op hem uit
hoofde van de artikelen 1173 en 1174 rustende verplichtingen is de
verhuizer desalniettemin voor de daardoor ontstane schade niet
aansprakelijk, voor zover dit niet nakomen is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig verhuizer niet heeft kunnen vermijden
en voor zover zulk een verhuizer de gevolgen daarvan niet heeft kunnen
verhinderen.
2.De verhuizer kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid uit hoofde van de artikelen 1173 of 1174 te
ontheffen beroep doen op:
a. de gebrekkigheid van het
voertuig dat voor de verhuizing wordt gebezigd;
b. de gebrekkigheid van het
materiaal, waarvan hij zich bedient, tenzij dit door de
opdrachtgever te zijner beschikking is gesteld; onder materiaal
wordt niet begrepen een schip, luchtvaartuig of spoorvoertuig,
waarop het voertuig, dat voor de verhuizing wordt gebezigd, zich
bevindt;
c. de gebrekkigheid van steunpunten
benut voor de bevestiging van hijswerktuigen;
d. enig door toedoen van derden,
wier handelingen niet voor rekening van de opdrachtgever komen,
aan de verhuisgoederen overkomen ongeval.
3.Het eerste lid van dit artikel is
eveneens van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid van de
verhuizer uit anderen hoofde dan van de artikelen 1173 of 1174.
Artikel 1176
Onverminderd de artikelen 1177 en 1178 is
de verhuizer, die de op hem uit hoofde van de artikelen 1173 en 1174
rustende verplichtingen niet nakwam, desalniettemin voor de daardoor
ontstane schade niet aansprakelijk, voor zover dit niet nakomen het
gevolg is van de bijzondere risico’s verbonden aan een of meer van de
volgende omstandigheden:
a. het inpakken of uit elkaar nemen,
dan wel het uitpakken of in elkaar zetten van verhuisgoederen door
de opdrachtgever of met behulp van enige persoon of enig middel door
de opdrachtgever daartoe eigener beweging ter beschikking gesteld;
b. de keuze door de opdrachtgever -
hoewel de verhuizer hem een andere mogelijkheid aan de hand deed -
van een wijze van verpakking of uitvoering van de
verhuisovereenkomst, die verschilt van wat voor de overeengekomen
verhuizing gebruikelijk is;
c. de aanwezigheid onder de
verhuisgoederen van zaken waarvoor de verhuizer, indien hij op de
hoogte was geweest van hun aanwezigheid en hun aard, bijzondere
maatregelen zou hebben getroffen;
d. de aard of de staat van de
verhuisgoederen zelf, die door met deze aard of staat zelf
samenhangende oorzaken zijn blootgesteld aan geheel of gedeeltelijk
verlies of aan beschadiging.
Artikel 1177
Wanneer de verhuizer bewijst dat, gelet
op de omstandigheden van het geval, het niet nakomen van de op hem uit
hoofde van de artikelen 1173 en 1174 rustende verplichtingen een gevolg
heeft kunnen zijn van een of meer der in artikel 1176 genoemde
bijzondere risico's, wordt vermoed, dat het niet nakomen daaruit
voortvloeit.
Artikel 1178
1.Wanneer de verhuizer de op hem uit
hoofde van de artikelen 1173 en 1174 rustende verplichtingen niet
nakwam, wordt ten aanzien van:
a. levende dieren;
b. geld, geldswaardige papieren,
juwelen, uit edelmetaal vervaardigde of andere kostbare
kleinodiën
vermoed dat de verhuizer noch de
omstandigheid, die het niet nakomen veroorzaakte, heeft kunnen
vermijden, noch de gevolgen daarvan heeft kunnen verhinderen en dat
het niet nakomen niet is ontstaan door een of meer der in het tweede
lid van artikel 1175 voor rekening van de verhuizer gebrachte
omstandigheden.
2.De verhuizer kan geen beroep doen op
het eerste lid onder b, indien de opdrachtgever hem de daar genoemde
zaken afzonderlijk en onder opgave van hoeveelheid en waarde vóór
het begin der verhuizing overhandigde.
Artikel 1179
1.Nietig is ieder beding, waarbij de
ingevolge artikel 1173 op de verhuizer drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast op andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is
voorzien.
2.Wanneer het verhuisgoederen betreft,
die door hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen, staat het partijen in afwijking van het eerste lid
vrij de op de verhuizer drukkende aansprakelijkheid of bewijslast te
verminderen, doch slechts wanneer dit beding uitdrukkelijk en anders
dan door een verwijzing naar in een ander geschrift voorkomende
bedingen is aangegaan bij een in het bijzonder ten aanzien van de
voorgenomen verhuizing aangegane en in een afzonderlijk geschrift
neergelegde overeenkomst.
Artikel 1180
Voor zover de verhuizer aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1173 en
1174 rustende verplichtingen heeft de opdrachtgever geen ander recht dan
te zijner keuze te vorderen betaling van een redelijk bedrag voor
herstel van beschadigd verhuisgoed, dan wel betaling van een bedrag, dat
wordt berekend met inachtneming van de waarde welke verhuisgoederen als
die, waarop de verhuisovereenkomst betrekking heeft, zouden hebben
gehad, zoals, ten tijde waarop en ter plaatse waar, zij zijn afgeleverd
of zij hadden moeten zijn afgeleverd.
Artikel 1181
Indien met betrekking tot een verhuisgoed
een schadevergoeding uit hoofde van artikel 1195 is verschuldigd, wordt
deze aangemerkt als een waardevermindering van dat verhuisgoed.
Artikel 1182
Voor zover de verhuizer aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1173 en
1174 rustende verplichtingen, is hij niet aansprakelijk boven bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedragen. Bij of
krachtens deze maatregel kan worden vastgesteld welk bedrag van de
geleden schade voor risico van de opdrachtgever blijft.
Artikel 1183
1.De opdrachtgever kan, mits de
verhuizer hierin toestemt en tegen betaling van een overeen te komen
bedrag, schriftelijk een waarde van de verhuisgoederen aangeven, die
het maximum, vermeld in de in artikel 1182 genoemde algemene maatregel
van bestuur, overschrijdt. In dat geval treedt het aangegeven bedrag
in de plaats van dit maximum.
2.Nietig is ieder beding waarbij het
aldus aangegeven bedrag hoger wordt gesteld dan het hoogste der in
artikel 1180 genoemde bedragen.
Artikel 1184
1.De opdrachtgever kan, mits de
verhuizer hierin toestemt en tegen betaling van een overeen te komen
bedrag, schriftelijk het bedrag van een bijzonder belang bij de
aflevering voor het geval van verlies of beschadiging van vervoerd
verhuisgoed en voor dat van overschrijding van een overeengekomen
termijn van aanvang of einde der verhuizing vaststellen.
2.Indien een bijzonder belang bij de
aflevering is aangegeven, kan, indien de verhuizer aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van artikel 1173 rustende
verplichting dan wel op grond van overschrijding van een
overeengekomen termijn van aanvang of einde der verhuizing,
onafhankelijk van de schadevergoedingen genoemd in de artikelen 1180
tot en met 1183 en tot ten hoogste eenmaal het bedrag van het
aangegeven belang, een schadevergoeding worden gevorderd gelijk aan de
bewezen bijkomende schade.
Artikel 1185
1.De verhuizer kan zich niet beroepen
op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
2.Nietig is ieder beding, waarbij van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1186
1.De opdrachtgever is bevoegd de
overeenkomst op te zeggen, wanneer hem door de verhuizer is
medegedeeld, dat hij niet op de overeengekomen plaats en tijd met de
verhuizing een aanvang kan of zal kunnen maken.
2.Hij kan deze bevoegdheid slechts
uitoefenen terstond na ontvangst van deze mededeling.
3.Indien bij gebreke van de ontvangst
van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid, het de
opdrachtgever uit anderen hoofde bekend is, dat de verhuizer niet op
de overeengekomen plaats of tijd met de verhuizing een aanvang maakt
of kan maken, is hij, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist,
bevoegd de overeenkomst op te zeggen, doch slechts binnen een
redelijke termijn, nadat hem dit bekend is geworden; gelijke
bevoegdheid komt hem toe, indien hem na ontvangst van een mededeling,
als bedoeld in het eerste lid, uit anderen hoofde bekend wordt, dat de
verhuizer op grond van andere omstandigheden dan welke hem tot zijn
mededeling brachten niet met de verhuizing op de overeengekomen plaats
of tijd een aanvang maakt of kan maken.
4.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
5.Indien de verhuizer gehouden is de
schade, die de opdrachtgever door de opzegging lijdt, te vergoeden,
zal deze vergoeding, behoudens artikel 1184, niet meer bedragen dan de
overeengekomen verhuisprijs.
Artikel 1187
De opdrachtgever is verplicht de
verhuizer de schade te vergoeden, die deze lijdt doordat de
overeengekomen verhuisgoederen, door welke oorzaak dan ook, niet op de
overeengekomen plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 1188
1.Alvorens verhuisgoederen ter
beschikking van de verhuizer zijn gesteld, is de opdrachtgever bevoegd
de overeenkomst op te zeggen. Hij is verplicht aan de verhuizer de
daardoor geleden schade te vergoeden.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 1189
1.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de verhuisgoederen ter beschikking van de verhuizer moeten
zijn gesteld, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen
verhuisgoederen ter beschikking, dan is de verhuizer, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen. De
opdrachtgever is verplicht hem de daardoor geleden schade te
vergoeden.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 1190
1.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de verhuisgoederen ter beschikking van de verhuizer moeten
zijn gesteld, door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen
verhuisgoederen slechts gedeeltelijk ter beschikking, dan is de
verhuizer op verlangen van de opdrachtgever desalniettemin verplicht
de wel ter beschikking gestelde goederen te verhuizen.
2.De opdrachtgever is verplicht de
verhuizer de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1191
1.De opdrachtgever is verplicht de
verhuizer omtrent de verhuisgoederen alsmede omtrent de behandeling
daarvan tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of
behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor
de verhuizer van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de verhuizer
deze gegevens kent.
2.De verhuizer is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
Artikel 1192
1.De opdrachtgever is verplicht de
verhuizer de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke
oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen, die blijkens mededeling door de verhuizer van de zijde
van de opdrachtgever vereist zijn voor de verhuizing dan wel ter
voldoening aan vóór de aflevering van de verhuisgoederen te
vervullen douane- en andere formaliteiten.
2.De verhuizer is verplicht redelijke
zorg aan te wenden, dat de documenten, die in zijn handen zijn
gesteld, niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een terzake
door hem verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit
hoofde van de artikelen 1180 tot en met 1185 in geval van verlies van
de verhuisgoederen, niet overschrijden.
3.De verhuizer is niet gehouden, doch
wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en
volledig zijn.
4.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de in het eerste lid genoemde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar
behoren aanwezig, dan zijn de artikelen 1189 en 1190 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1193
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de verhuisgoederen aan de verhuizer omstandigheden aan de zijde
van één der partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar
wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te
kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest,
redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
verhuisovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op
het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1194
1.De verhuisprijs is verschuldigd op
het ogenblik, dat de verhuizer de verhuisgoederen ter bestemming
aflevert.
2.Indien partijen overeenkwamen, dat de
verhuisprijs vóór het vertrek van het voertuig, waarin de
verhuisgoederen zijn geladen, zal worden betaald en de opdrachtgever
niet aan deze verplichting heeft voldaan, is de verhuizer bevoegd het
vervoer van de betrokken verhuisgoederen op te schorten en is hij met
toestemming van de rechter gerechtigd tot het nemen van de in de
artikelen 1197 en 1198 genoemde maatregelen. Gaat hij hiertoe over,
dan zijn deze artikelen van toepassing.
Artikel 1195
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 is de opdrachtgever verplicht de verhuizer de schade te
vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer inliet met de
behartiging van de belangen van een rechthebbende op verhuisgoederen.
Artikel 1196
De verhuizer heeft geen retentierecht op
verhuisgoederen en documenten, die hij in verband met de
verhuisovereenkomst onder zich heeft.
Artikel 1197
1.Voor zover de opdrachtgever niet
opkomt, weigert verhuisgoederen te ontvangen of deze niet met de
vereiste spoed in ontvangst neemt, of voor zover op verhuisgoederen
beslag is gelegd, is de verhuizer gerechtigd deze verhuisgoederen voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de rechter
bepalen dat hij deze verhuisgoederen, desgewenst ook in het voor de
verhuizing gebezigde voertuig, onder zichzelf kan houden of andere
maatregelen daarvoor kan treffen. Hij is verplicht de opdrachtgever zo
spoedig mogelijk op de hoogte te stellen.
2.De derde-bewaarnemer en de
opdrachtgever zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de
bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De
bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de verhuisgoederen in bewaring gaf.
Artikel 1198
1.In geval van toepassing van artikel
1197 kan de verhuizer, de bewaarnemer dan wel de opdrachtgever door de
rechter op zijn verzoek worden gemachtigd de verhuisgoederen geheel of
gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
verhuizer zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de verhuizer heeft deze verplichting jegens de
opdrachtgever.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort, voor zover zij niet strekt tot
voldoening van de kosten van opslag en verkoop, alsmede, binnen de
grenzen der redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de verhuizer uit het
in bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd
is terzake van de verhuizing; voor zover deze vordering nog niet
vaststaat, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter
te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vordering strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de verhuisgoederen.
Artikel 1199
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de verhuizer en de opdrachtgever
elkaar over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het
onderzoek van de verhuisgoederen mogelijk te maken.
Artikel 1200
Indien binnen drie jaren nadat de
verhuizer aan de opdrachtgever schadevergoeding heeft uitgekeerd terzake
van het niet afleveren van verhuisgoederen, deze verhuisgoederen of
enige daarvan alsnog onder de verhuizer blijken te zijn of te zijn
gekomen, is de verhuizer verplicht de opdrachtgever van deze
omstandigheid bij aangetekende brief op de hoogte te brengen en heeft de
opdrachtgever gedurende dertig dagen na ontvangst van deze mededeling
het recht tegen verrekening van de door hem ontvangen schadevergoeding
opnieuw aflevering van deze verhuisgoederen te verlangen. Hetzelfde
geldt, indien de verhuizer terzake van het niet afleveren geen
schadevergoeding heeft uitgekeerd, met dien verstande dat de termijn van
drie jaren begint met de aanvang van de dag volgende op die, waarop de
verhuisgoederen hadden moeten zijn afgeleverd.
Artikel 1201
Met betrekking tot verhuisgoederen, die
de verhuizer onder zich heeft, doch ten aanzien waarvan hij niet meer
uit hoofde van de verhuisovereenkomst tot aflevering is verplicht, is
artikel 1198 van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat uit
de opbrengst van het verkochte bovendien aan de verhuizer moet worden
voldaan het bedrag, dat deze mogelijkerwijs voldeed terzake van zijn
aansprakelijkheid wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van
de artikelen 1173 en 1174 rustende verplichtingen.
Titel 14. Ongevallen
Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een voertuig
Artikel 1210
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde
concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene maatregel van
bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden zijn, en
tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de stof zich
bevindt;
b. "schade":
1°. schade veroorzaakt door dood
of letsel van enige persoon veroorzaakt door een gevaarlijke
stof;
2°. andere schade buiten het
voertuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt,
veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering van
verlies van of schade met betrekking tot andere voertuigen en
zaken aan boord daarvan, indien die voertuigen deel uitmaken van
een sleep, waarvan ook dit voertuig deel uitmaakt;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door zulke
maatregelen;
c. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade
door wie dan ook genomen met uitzondering van de overeenkomstig deze
afdeling aansprakelijke persoon nadat een gebeurtenis heeft
plaatsgevonden;
d. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, waardoor
schade ontstaat of waardoor een ernstige en onmiddellijke dreiging
van schade ontstaat;
e. "exploitant": hij die de
zeggenschap heeft over het gebruik van het voertuig aan boord
waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt. Hij aan wie een kenteken
als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
is opgegeven, of, bij gebreke daarvan, de eigenaar van het voertuig,
wordt aangemerkt als exploitant, tenzij hij bewijst dat ten tijde
van de gebeurtenis een door hem bij name genoemde ander de
zeggenschap over het gebruik van het voertuig had of dat op dat
tijdstip een ander zonder zijn toestemming en zonder dat hij zulks
redelijkerwijs kon voorkomen de zeggenschap over het gebruik van het
voertuig had.
Artikel 1211
1.Deze afdeling is niet van toepassing,
indien de exploitant jegens degene die de vordering instelt,
aansprakelijk is uit hoofde van een exploitatie-overeenkomst of jegens
deze persoon een beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2.Deze afdeling is van toepassing op de
periode waarin een gevaarlijke stof zich in een voertuig bevindt,
daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de inlading van de
gevaarlijke stof in het voertuig tot het einde van de lossing van die
stof uit het voertuig.
3.Deze afdeling is niet van toepassing
op schade veroorzaakt wanneer het voertuig uitsluitend wordt gebruikt
op een niet voor publiek toegankelijk terrein en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een op dat terrein plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4.Op zich overeenkomstig het tweede lid
aan boord bevindende stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is
dat artikel niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde
lid voordoet.
5.Onverminderd het in het derde lid
bepaalde is deze afdeling van overeenkomstige toepassing op
luchtkussenvoertuigen, waar ook gebruikt.
Artikel 1212
1.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een vervoermiddel dat zich aan boord van een voertuig
bevindt zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde
vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke stof voor die periode
geacht worden zich alleen aan boord van genoemd voertuig te bevinden.
2.Indien een gevaarlijke stof zich
bevindt in een voertuig dat wordt voortbewogen door een ander
voertuig, zal de gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord
van het laatstgenoemde voertuig te bevinden.
3.Gedurende de handelingen bedoeld in
artikel 1213, vijfde lid, onderdelen c, d en e, zal de gevaarlijke
stof geacht worden:
a. in afwijking van het eerste lid,
zich alleen aan boord van het gestapelde vervoermiddel te
bevinden;
b. in afwijking van het tweede lid,
zich alleen aan boord van eerstgenoemd voertuig te bevinden.
Artikel 1213
1.Hij die ten tijde van een gebeurtenis
exploitant is van een voertuig aan boord waarvan zich een gevaarlijke
stof bevindt, is aansprakelijk voor de schade door die stof
veroorzaakt ten gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis
uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de
aansprakelijkheid op degene die ten tijde van het eerste feit
exploitant was.
2.De exploitant is niet aansprakelijk
indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of
natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde, niet
zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid, onderdeel a,
geschied met het opzet de schade te veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in te lichten
over de gevaarlijke aard van de stof, en noch de exploitant, noch
de in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde personen wisten of
hadden behoren te weten dat deze gevaarlijk was.
3.Indien de exploitant bewijst dat de
schade geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of
nalaten van de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de
schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij
geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid
tegenover die persoon.
4.De exploitant kan voor schade slechts
uit anderen hoofde dan deze afdeling worden aangesproken in het geval
van het tweede lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit
hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken. In het geval
van het tweede lid, onderdeel c, kan de exploitant deze
aansprakelijkheid beperken als ware hij op grond van deze afdeling
aansprakelijk.
5.Behoudens de artikelen 1214 en 1215
zijn voor schade niet aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de exploitant,
b. ieder die ten behoeve van het
voertuig werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het voertuig in hulp
verlenen aan het voertuig, de zich aan boord daarvan bevindende
zaken of personen,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het voertuig, de
zich aan boord daarvan bevindende zaken of personen,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de exploitant,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid, onderdelen b,
c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
6.De exploitant heeft, voor zover niet
anders is overeengekomen, verhaal op de in het vijfde lid bedoelde
personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid
voor de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 1214
1.Indien de exploitant bewijst dat de
gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in artikel 1211, tweede
lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid
van een door hem bij name genoemde ander dan de exploitant of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de afzender of
ontvanger, is de exploitant niet aansprakelijk voor de schade als
gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de
gevaarlijke stof en is die ander voor deze schade aansprakelijk
overeenkomstig deze afdeling.
2.Indien echter de gevaarlijke stof
tijdens de periode bedoeld in artikel 1211, tweede lid, is geladen of
gelost onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de exploitant en
een door de exploitant bij name genoemde ander, zijn de exploitant en
die ander hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor
de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen
van de gevaarlijke stof.
3.Indien is geladen of gelost door een
persoon in opdracht of ten behoeve van de vervoerder of een ander,
zoals de afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.Indien een ander dan de exploitant op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander
geen beroep doen op artikel 1213, vierde lid en vijfde lid, onderdeel
b.
5.Indien een ander dan de exploitant op
grond van het eerste of het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten
aanzien van die ander de artikelen 1218 tot en met 1220 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval van
hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid als bepaald krachtens artikel 1218, eerste lid,
geldt voor het geheel der naar aanleiding van eenzelfde
gebeurtenis ontstane vorderingen gericht tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 1219 wordt aangemerkt als door beiden
te zijn gevormd en zulks ten aanzien van de vorderingen waarvoor
het fonds werd gesteld.
6.In de onderlinge verhouding tussen de
exploitant en de in het tweede lid van dit artikel genoemde ander is
de exploitant niet tot vergoeding verplicht dan in geval van schuld
van hemzelf of van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of
lasthebbers.
7.Dit artikel is niet van toepassing
als tijdens de periode, bedoeld in artikel 1211, tweede lid, is
geladen of gelost onder de uitsluitende of gezamenlijke
verantwoordelijkheid van een persoon, genoemd in artikel 1213, vijfde
lid, onderdeel c, d of e.
Artikel 1215
Indien ingevolge artikel 1213, tweede
lid, onderdeel c, de exploitant niet aansprakelijk is, is de afzender of
andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling en zijn te
diens aanzien de artikelen 1218 tot en met 1220 van overeenkomstige
toepassing. De afzender of andere persoon kan geen beroep doen op
artikel 1213, vierde lid.
Artikel 1216
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van schade
anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden aangemerkt als
schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 1217
1.Wanneer door een gebeurtenis schade
is veroorzaakt door gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één
voertuig, dan wel aan boord van een voertuig of luchtkussenvoertuig en
een zeeschip, een binnenschip of een spoorrijtuig, zijn de
exploitanten van de daarbij betrokken voertuigen, de reder of de
eigenaar van het daarbij betrokken zeeschip of het binnenschip en de
exploitant van de spoorweg waarop de gebeurtenis met het daarbij
betrokken spoorrijtuig plaatsvond, onverminderd het in artikel 1213,
tweede en derde lid, en artikel 1214, afdeling 4 van titel 6, afdeling
4 van titel 11 en afdeling 4 van titel 19 bepaalde, hoofdelijk
aansprakelijk voor alle schade waarvan redelijkerwijs niet kan worden
aangenomen dat zij veroorzaakt is door gevaarlijke stoffen aan boord
van één of meer bepaalde voertuigen, luchtkussenvoertuig, zeeschip
of binnenschip, of spoorrijtuig dat gebruikt werd op een bepaalde
spoorweg.
2.Het bepaalde in het eerste lid laat
onverlet het beroep op beperking van aansprakelijkheid van de
exploitant, reder of eigenaar krachtens deze afdeling, titel 7 of
titel 12, dan wel de artikelen 1678 tot en met 1680, ieder tot het
voor hem geldende bedrag.
Artikel 1218
1.De exploitant kan zijn
aansprakelijkheid per gebeurtenis beperken tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen die
verschillend kunnen zijn voor vorderingen ter zake van dood of letsel
en andere vorderingen.
2.De exploitant is niet gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken indien de schade is ontstaan uit zijn
eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te
veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 1219
Ten einde zich te kunnen beroepen op de
in artikel 1218 bedoelde beperking van aansprakelijkheid moet de
exploitant een fonds of fondsen vormen overeenkomstig artikel 1220.
Artikel 1220
1.Hij die gebruik wenst te maken van de
hem in artikel 1218 gegeven bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid, verzoekt een rechtbank die bevoegd is kennis te
nemen van de vorderingen tot vergoeding van schade, het bedrag waartoe
zijn aansprakelijkheid is beperkt, vast te stellen en te bevelen dat
tot een procedure ter verdeling van dit bedrag zal worden overgegaan.
2.Op het verzoek en de procedure ter
verdeling zijn de artikelen 642a, tweede tot en met vierde lid, 642b,
642c, 642e, eerste lid, 642f tot en met 642t, eerste lid, en 642u tot
en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien het krachtens artikel 1218,
eerste lid, bepaalde bedrag voor vorderingen ter zake van dood of
letsel onvoldoende is voor volledige vergoeding van deze vorderingen,
worden deze vorderingen in evenredigheid gekort en zal het krachtens
artikel 1218, eerste lid, bepaalde bedrag voor andere vorderingen naar
evenredigheid worden verdeeld onder die vorderingen en de vorderingen
ter zake van dood of letsel, voor zover deze onvoldaan zouden zijn.
4.De vorderingen van de exploitant ter
zake van door hem vrijwillig en binnen de grenzen der redelijkheid
gedane uitgaven en gebrachte offers ter voorkoming of beperking van
schade staan in rang gelijk met andere vorderingen op het krachtens
artikel 1218, eerste lid, bepaalde bedrag voor andere vorderingen dan
die ter zake van dood of letsel.
V. Luchtrecht
Titel 15. Het luchtvaartuig
Afdeling 1. Rechten op luchtvaartuigen
Artikel 1300
In deze titel wordt verstaan onder:
a. het Verdrag van Genève: het op 19
juni 1948 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de
internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen (Trb. 1952,
86);
b. Verdragsstaat: een staat waarvoor
het Verdrag van Genève van kracht is;
c. verdragsregister: een buiten
Nederland gehouden register als bedoeld in artikel I, eerste lid,
onder ii, van het Verdrag van Genève;
d. de openbare registers: de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 1301
De in deze afdeling aan de eigenaar
opgelegde verplichtingen rusten, indien het luchtvaartuig toebehoort aan
meer personen, aan een vennootschap onder firma, aan een commanditaire
vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar,
beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 1302 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1303
1.Teboekstelling is slechts mogelijk
indien
a. het luchtvaartuig een Nederlands
luchtvaartuig is in de zin van de Wet luchtvaart, en
b. het luchtvaartuig ten minste een
bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld gewicht heeft.
2.Teboekstelling is niet mogelijk van
een luchtvaartuig dat reeds teboekstaat in de openbare registers, in
een verdragsregister of in enig soortgelijk buitenlands register.
3.In afwijking van het tweede lid is
teboekstelling van een in een verdragsregister of in enig soortgelijk
register teboekstaand luchtvaartuig mogelijk, wanneer de eigenaar de
eigendom van het luchtvaartuig heeft verkregen door toewijzing na een
executie, welke in Nederland heeft plaatsgevonden.
4.De teboekstelling wordt verzocht door
de eigenaar van het luchtvaartuig. Hij moet daarbij ter inschrijving
overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het luchtvaartuig voor teboekstelling vatbaar is. Deze
verklaring behoeft de goedkeuring van de rechter.
5.De teboekstelling in de openbare
registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de
voorgaande leden van dit artikel niet is voldaan.
6.Bij het verzoek tot teboekstelling
wordt woonplaats gekozen in Nederland. Deze woonplaats wordt in het
verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 1304
1.De teboekstelling wordt slechts
doorgehaald
a. op verzoek van degene die in de
openbare registers als eigenaar vermeld staat;
b. op aangifte van de eigenaar of
ambtshalve
1°. als het luchtvaartuig
heeft opgehouden als zodanig te bestaan;
2°. als van het luchtvaartuig
gedurende twee maanden na het laatste vertrek geen tijding is
ontvangen, zonder dat dit aan een algemene storing in de
berichtgeving kan worden geweten;
3°. als het luchtvaartuig niet
of niet meer de hoedanigheid van Nederlands luchtvaartuig
heeft;
4°. als het luchtvaartuig, na
een executie in een Verdragsstaat buiten Nederland, welke
plaatsvond overeenkomstig het Verdrag van Genève, in een
verdragsregister teboekstaat.
2.In de in het eerste lid, onder b,
genoemde gevallen is de eigenaar van het luchtvaartuig tot het doen
van aangifte verplicht binnen drie maanden nadat de reden tot
doorhaling zich heeft voorgedaan.
3.Wanneer ten aanzien van het
luchtvaartuig inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste
van derden bestaan, geschiedt, behalve in het geval, genoemd in het
eerste lid, onderdeel b, onder 4°, doorhaling slechts wanneer geen
dezer derden zich daartegen verzet.
4.Doorhaling geschiedt slechts na op
verzoek van de meest gerede partij verleende machtiging van de
rechter.
Artikel 1305
De enige zakelijke rechten waarvan een in
de openbare registers teboekstaand luchtvaartuig het voorwerp kan zijn,
zijn de eigendom, de hypotheek en de zakelijke rechten, bedoeld in de
artikelen 1308 en 1309.
Artikel 1306
1.Een in de openbare registers
teboekstaand luchtvaartuig is een registergoed.
2.Bij de toepassing van artikel 301 van
Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89, eerste en
vierde lid, van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van zodanig
luchtvaartuig, kan de in het eerstgenoemde artikel bedoelde uitspraak
van de Nederlandse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet
in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 1307
Eigendom en hypotheek op een teboekstaand
luchtvaartuig worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door
een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 1308
Op een teboekstaand luchtvaartuig kan een
zakelijk recht worden gevestigd, bestaande in het recht van de houder
van het luchtvaartuig om na betaling van een zeker bedrag of na
vervulling van enige andere voorwaarde de eigendom daarvan krachtens een
door hem reeds gesloten of nog te sluiten koopovereenkomst te
verkrijgen. In de notariële akte bestemd voor de vestiging van dit
recht, wordt duidelijk het aan dit recht onderworpen luchtvaartuig
vermeld.
Artikel 1309
1.Op een teboekstaand luchtvaartuig kan
een zakelijk recht worden gevestigd, bestaande in het recht van de
houder tot gebruik van het luchtvaartuig uit een huurovereenkomst die
voor ten minste zes maanden is gesloten. In de notariële akte bestemd
voor de vestiging van dit recht, wordt duidelijk het aan dit recht
onderworpen luchtvaartuig vermeld.
2.De huurovereenkomst geldt als titel
voor de vestiging. Indien de huurovereenkomst in een notariële akte
is neergelegd, die aan de eisen voor een akte van levering voldoet,
geldt deze akte als akte van levering.
3.Op een huurovereenkomst ter zake van
een teboekstaand luchtvaartuig is artikel 226 van Boek 7 niet van
toepassing.
Artikel 1310
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij hypotheek
wordt verleend op een teboekstaand luchtvaartuig, duidelijk het aan de
hypotheek onderworpen luchtvaartuig vermeld.
Artikel 1311
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 1315 en 1317, doch
vóór alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
Artikel 1312
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen
gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het begin van de
uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 1313
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand luchtvaartuig is artikel 177 van Boek 3 niet van
toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het
luchtvaartuig in stand.
Artikel 1314
Op een hypotheek op een teboekstaand
luchtvaartuig zijn de artikelen 234, 261, 264, 265, 266 en 268-273 van
Boek 3 en de artikelen 544-548 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering niet van toepassing.
Afdeling 2. Voorrechten op
luchtvaartuigen
Artikel 1315
In geval van uitwinning van een
luchtvaartuig dat teboekstaat in de openbare registers of in een
verdragsregister, worden de kosten van uitwinning, de kosten van
bewaking tijdens deze uitwinning, de kosten na het beslag gemaakt tot
behoud van het luchtvaartuig, daaronder begrepen de kosten van
herstellingen die onontbeerlijk waren voor het behoud daarvan, alle
andere kosten in het belang van de schuldeisers gemaakt tijdens de
executie, alsmede de kosten van de gerechtelijke rangregeling en
verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers uit de opbrengst van de
verkoop voldaan boven alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige
andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 1316
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen
60, tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde tot
en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn niet van toepassing op
luchtvaartuigen die teboekstaan in de openbare registers of in een
verdragsregister.
Artikel 1317
1.Boven alle andere vorderingen waaraan
bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn,
behoudens artikel 1315, op een luchtvaartuig dat op het tijdstip van
het ontstaan van de hierna genoemde vorderingen teboekstaat in de
openbare registers of in een verdragsregister, bevoorrecht:
a. de vorderingen tot betaling van
hulploon voor aan het luchtvaartuig verleende hulp;
b. de vorderingen tot betaling van
buitengewone kosten, noodzakelijk voor het behoud van het
luchtvaartuig.
2.Het eerste lid geldt slechts indien
de hulp of de handeling tot behoud is beëindigd in Nederland of in
een Verdragsstaat welks wetgeving aan de vorderingen, ontstaan vanwege
deze handelingen, een voorrecht met zaaksgevolg toekent.
3.Artikel 284 van Boek 3 is niet van
toepassing.
Artikel 1318
De bevoorrechte vorderingen, genoemd in
artikel 1317, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van de
tijdstippen waarop de gebeurtenissen plaatsvonden, waardoor zij
ontstonden.
Artikel 1319
De schuldeiser die een voorrecht heeft op
grond van artikel 1317, vervolgt zijn recht op het luchtvaartuig, in
wiens handen dit zich ook bevinde.
Artikel 1320
1.De krachtens deze afdeling op een
luchtvaartuig verleende voorrechten gaan teniet door verloop van drie
maanden, tenzij binnen die termijn het voorrecht is ingeschreven in de
openbare registers of het verdragsregister waarin het luchtvaartuig
teboekstaat, en bovendien het bedrag der vordering in der minne is
vastgesteld dan wel langs gerechtelijke weg erkenning van het
voorrecht en deszelfs omvang is gevorderd.
2.In geval van executoriale verkoop
gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het
proces-verbaal van verdeling wordt gesloten.
3.De in het eerste lid genoemde termijn
begint met de aanvang van de dag volgende op die, waarop de
hulpverlening of de handeling tot behoud waardoor de vordering is
ontstaan, is beëindigd.
4.Voorrechten als bedoeld in artikel
1317 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers. Artikel 24,
eerste lid, van Boek 3 is niet van toepassing.
Afdeling 3. Slotbepaling
Artikel 1321
Behoeven de in deze titel geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere
regeling, dan geschiedt dit bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, onverminderd de bevoegdheid tot regeling krachtens de
Kadasterwet.
Titel 16. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1340
Op de exploitatie van een luchtvaartuig
zijn, onverminderd de artikelen 1360, eerste lid, en 1402, eerste lid,
de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat ook hij van wiens hulp de vervoerder bij de uitvoering van
zijn verbintenis gebruik maakte, mits hij handelde in de werkzaamheden
waartoe hij werd gebruikt, een beroep kan doen op artikel 365.
Artikel 1341
In deze titel wordt, voor zover het
betreft vervoer van personen en bagage, onder een luchtvaartuig tevens
een luchtkussenvoertuig verstaan.
Artikel 1342
In deze titel wordt onder aangegeven
bagage verstaan de bagage die door of namens de reiziger, voordat hij
een luchtreis onderneemt, aan de vervoerder ten vervoer wordt
overhandigd.
Artikel 1343
1.Verwijzingen in een vervoerdocument
worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor
degeen, jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar
zijn.
2.Een dergelijk beroep is slechts
mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degeen jegens wie
dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.Nietig is ieder beding waarbij van
het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1344
Het luchtvervoer, achtereenvolgens door
verschillende vervoerders te bewerkstelligen, wordt voor de toepassing
van deze titel geacht een enkel luchtvervoer te vormen, wanneer het door
de partijen als een enkele handeling is beschouwd, onverschillig of het
in de vorm van een enkele overeenkomst dan wel in de vorm van een reeks
van overeenkomsten is gesloten.
Artikel 1345
1.In deze titel wordt, behoudens het
bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel, onder de
vervoerder mede verstaan de feitelijke vervoerder, met dien verstande
dat de feitelijke vervoerder slechts onderworpen is aan de bepalingen
van deze titel voor wat betreft het door hem verrichte deel van het
vervoer.
2.Onder feitelijk vervoerder wordt
verstaan hij die zonder vervoerder of opvolgend vervoerder als bedoeld
in de artikelen 1350, 1352, 1390, 1392 of 1420te zijn, doch met diens
toestemming, het gehele in deze titel bedoelde vervoer of een deel
daarvan verricht.
3.De in het tweede lid bedoelde
toestemming wordt vermoed te zijn verleend.
4.Een eigen handeling of nalaten van de
vervoerder of een eigen handeling of nalaten van degenen van wier hulp
hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte, mits
gepleegd in de werkzaamheden waartoe zij werden gebruikt, kan niet
leiden tot een aansprakelijkheid van de feitelijke vervoerder groter
dan de in of krachtens de artikelen 1359,1399 en 1400 vastgestelde
aansprakelijkheid. Een door de vervoerder aangegaan beding dat zijn
aansprakelijkheid uitbreidt buiten deze titel of waarin deze afstand
doet van enig hem door of krachtens deze titel toegekend recht of
waarbij een bijzonder belang bij de aflevering wordt vastgesteld als
bedoeld in artikel 1359, eerste lid, en 1400, tweede lid, bindt de
feitelijke vervoerder uitsluitend indien hij heeft toegestemd in een
dergelijk beding.
5.Opdrachten als bedoeld in artikel
1373 hebben slechts uitwerking als zij tot de vervoerder zijn gericht.
Artikel 1346
Afdeling 3 van deze titel is slechts van
toepassing voorzover niet Verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad
betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders bij ongevallen,
zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 889/2002 van het Europees
Parlement en de Raad van 13 mei 2002 (PbEG L140) van toepassing is.
Artikel 1347
De rekeneenheid, genoemd in deze titel,
is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het
Internationale Monetaire Fonds. De bedragen in deze titel genoemd worden
omgerekend in euro's naar de koers van de dag van betaling, danwel, in
geval van een gerechtelijke procedure, naar die van de dag van de
uitspraak. De waarde in euro's, uitgedrukt in bijzondere
trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door
het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt
toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer door de lucht
Artikel 1350
1.De overeenkomst van goederenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt aan
boord van een luchtvaartuig zaken uitsluitend door de lucht te
vervoeren.
2.Deze afdeling is niet van toepassing
op overeenkomsten tot het vervoeren van postzendingen door of in
opdracht van de verlener van de universele postdienst, bedoeld in de
Postwet 2009 of onder een internationale postovereenkomst. Onder
voorbehoud van artikel 1395 is deze afdeling niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoer van bagage.
Artikel 1351
1.Vervoer door de lucht omvat de tijd
dat de zaken zich onder de hoede van de vervoerder bevinden.
2.Het vervoer door de lucht omvat niet
enig vervoer te land, ter zee of op de binnenwateren, bewerkstelligd
buiten een luchthaven. Wanneer zodanig vervoer echter plaats heeft ter
uitvoering van de luchtvervoerovereenkomst in verband met het inladen,
de aflevering of de overlading, wordt schade vermoed het gevolg te
zijn van een voorval tijdens het luchtvervoer. Wanneer een vervoerder,
zonder toestemming van de afzender, het vervoer dat tussen de partijen
is overeengekomen als luchtvervoer geheel of gedeeltelijk vervangt
door een andere wijze van vervoer, wordt deze andere wijze van vervoer
geacht deel uit te maken van het tijdvak van het luchtvervoer.
Artikel 1352
Tijd- of reisbevrachting in de zin van
deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van een
luchtvaartuig, dat hij daartoe, anders dan bij een overeenkomst waarbij
de ene partij zich verbindt een luchtvaartuig ter beschikking te stellen
van haar wederpartij zonder daarover nog enige zeggenschap te houden,
geheel of gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender (de bevrachter).
Artikel 1353
1.De vervoerder is verplicht ten
vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de
staat waarin hij deze heeft ontvangen.
2.De vervoerder is niet aansprakelijk,
voorzover hij bewijst dat de schade uitsluitend het gevolg is van
één of meer van de volgende omstandigheden:
a. de aard of een eigen gebrek van
de zaken;
b. gebrekkige verpakking van de
zaken door een ander dan de vervoerder of degenen, van wier hulp
hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte;
c. een oorlogshandeling of een
gewapend conflict;
d. een overheidsdaad verricht in
verband met de invoer, uitvoer of doorvoer van de zaken.
Artikel 1354
1.De vervoerder is verplicht ten
vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.
2.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade voortvloeiend uit vertraging, indien hij en degenen van
wier hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte,
alle maatregelen hebben genomen, die redelijkerwijs gevergd konden
worden om de schade te vermijden of het hem en hun onmogelijk was die
maatregelen te nemen.
Artikel 1355
1.Indien de vervoerder bewijst dat
schuld of nalatigheid van de persoon die schadevergoeding vordert of
van de persoon aan wie hij zijn rechten ontleent, de schade heeft
veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, is de vervoerder geheel of
gedeeltelijk ontheven van zijn aansprakelijkheid jegens die persoon
voorzover die schuld of nalatigheid de schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen.
2.Dit artikel is van toepassing op alle
aansprakelijkheidsbepalingen in deze afdeling.
Artikel 1356
Elk beding, strekkende om de vervoerder
te ontheffen van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze afdeling of
om een lagere grens van aansprakelijkheid vast te stellen dan die welke
krachtens deze afdeling is bepaald, is nietig, doch de nietigheid van
dit beding heeft niet de nietigheid ten gevolge van de overeenkomst die
onderworpen blijft aan deze titel.
Artikel 1357
1.Voor zover de vervoerder
aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van
artikel 1353 ofartikel 1354 rustende verplichtingen, heeft de afzender
geen ander recht dan betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt
berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd.
2.De in het eerste lid genoemde waarde
wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen
dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze
ontbreekt, naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
Artikel 1358
Indien met betrekking tot een zaak een
schadevergoeding uit hoofde van artikel 1377 is verschuldigd, wordt deze
aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Artikel 1359
1. Bij het luchtvervoer van zaken is de
aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van vernieling, verlies,
beschadiging of vertraging beperkt tot een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedrag of bedragen, zulks behoudens bijzondere
verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de afzender
bij de afgifte van de zaken aan de vervoerder en tegen betaling van
een mogelijkerwijs verhoogd tarief. In dat geval is de vervoerder
verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som, tenzij hij
bewijst dat deze het werkelijk belang van de afzender bij de
aflevering te boven gaat.
2. Bij vernieling, verlies,
beschadiging of vertraging van een gedeelte van de zaken of van enig
daarin opgenomen voorwerp wordt ter bepaling van de
aansprakelijkheidsgrens van de vervoerder alleen in aanmerking genomen
het totale gewicht van het betrokken collo of van de betrokken colli.
Indien evenwel de vernieling, het verlies, de beschadiging of de
vertraging van een gedeelte van de zaken of van enig daarin opgenomen
voorwerp, de waarde van andere colli, gedekt door dezelfde
luchtvrachtbrief of hetzelfde ontvangstbewijs of als die niet zijn
uitgegeven, door dezelfde gegevens zoals die zijn vastgelegd in een
ander middel bedoeld in artikel 1365, tweede lid, beïnvloedt, wordt
het totale gewicht van deze colli in aanmerking genomen ter bepaling
van de aansprakelijkheidsgrens.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
niet van toepassing op een eventuele aansprakelijkheid van de
vervoerder voor de kosten van het geding met de partij tegen wie hij
zich op deze bepalingen kan beroepen, inclusief rente, tenzij de
vervoerder schriftelijk hetzij binnen een termijn van zes maanden na
de datum van het voorval waardoor de schade werd veroorzaakt, hetzij
vóór de aanvang van het proces, wanneer dit na die termijn is
aanhangig gemaakt, een bedrag aan de eiser heeft aangeboden even groot
als of groter dan het bedrag van de toegewezen schadevergoeding met
uitsluiting van genoemde kosten van het geding.
Artikel 1360
1.Indien een geding op grond van schade
als bedoeld in deze afdeling aanhangig wordt gemaakt tegen een persoon
van wiens hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte, zal deze, indien hij bewijst dat hij heeft gehandeld
in de werkzaamheden waartoe hij werd gebruikt, zich kunnen beroepen op
de aansprakelijkheidsgrens waarop de vervoerder zich krachtens artikel
1359 kan beroepen.
2.Het totale bedrag van de
schadevergoeding, welke in dat geval van de vervoerder en de in het
eerste lid bedoelde persoon kan worden verkregen, mag de inartikel
1359 vermelde grens niet overschrijden.
Artikel 1361
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door
welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te
zijner beschikking zijn.
Artikel 1362
1.Alvorens zaken ter beschikking van de
vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2.Zijn bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
3.Zijn bij het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde tijd, door welke oorzaak dan ook, de
overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking van de
vervoerder dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist,
bevoegd de overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden.
4.De opzegging geschiedt door een
kennisgeving, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de
overeenkomst eindigt op het ogenblik van de ontvangst daarvan doch wat
betreft gedeeltelijk ter beschikking gestelde zaken niet vóór het
einde der vervoerperiode daarvan.
5.De afzender is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt tengevolge van de
opzegging of van de aanvaarding van de reis.
6.Dit artikel is niet van toepassing
ingeval van tijdbevrachting.
Artikel 1363
1.Wanneer vóór of bij de aanbieding
van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een van
de partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij
het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, maar die,
indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar
grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst
op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
kennisgeving, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de
overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging van de overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1364
De afzender is verplicht de vervoerder de
buitengewone schade te vergoeden, die materiaal dat hij deze ter
beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving, dan wel de
behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor zover deze
schade is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de
vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder komen die
omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem vervoerde
zaken voor zijn rekening komen.
Artikel 1365
1.Bij het vervoer van zaken moet een
luchtvrachtbrief worden uitgereikt, die in elk geval een aanduiding
van het gewicht van de zending dient te bevatten.
2.De uitreiking van een
luchtvrachtbrief kan worden vervangen door het gebruik van ieder ander
middel waardoor de gegevens betreffende het te verrichten vervoer
worden vastgelegd. Indien van zodanig ander middel gebruik wordt
gemaakt, reikt de vervoerder aan de afzender, op diens verzoek, een
ontvangstbewijs uit dat identificatie van de zending mogelijk maakt en
toegang geeft tot de door die andere middelen vastgelegde gegevens.
3.Indien nodig voor de vervulling van
de formaliteiten van douane, politie en andere overheidsinstanties,
kan van de afzender worden verlangd dat hij een document uitreikt dat
de aard van de zaken aanduidt. Deze bepaling schept voor de vervoerder
geen enkele verplichting, verbintenis of daaruit voortvloeiende
aansprakelijkheid.
4.Het eerste lid geldt niet tussen
partijen bij een bevrachting.
Artikel 1366
1.De luchtvrachtbrief wordt door de
afzender opgemaakt in drie oorspronkelijke exemplaren.
2.Het eerste exemplaar bevat de
vermelding«voor de vervoerder»; het wordt getekend door de afzender.
Het tweede exemplaar bevat de vermelding «voor de afzender»; het
wordt getekend door de afzender en de vervoerder. Het derde exemplaar
wordt getekend door de vervoerder en door hem, na ontvangst van de
zaken, aan de afzender overhandigd.
3.De handtekening van de vervoerder en
die van de afzender kunnen worden gedrukt of vervangen door een
stempel dan wel langs electronische weg worden gezet.
4.Indien, op verzoek van de afzender,
de vervoerder de luchtvrachtbrief opmaakt, wordt hij vermoed te
handelen namens de afzender.
5.De artikelen 56, tweede lid, 75,
eerste lid, en 186, eerste lid, van Boek 2 zijn niet van toepassing.
Artikel 1367
Wanneer er verscheidene colli zijn:
a. heeft de vervoerder het recht van
de afzender te verlangen dat hij aparte luchtvrachtbrieven opmaakt;
b. heeft de afzender het recht van de
vervoerder te verlangen dat hij aparte ontvangstbewijzen uitreikt,
wanneer gebruik wordt gemaakt van de in artikel 1365, tweede lid,
bedoelde middelen.
Artikel 1368
Niet-inachtneming van de artikelen 1365
tot en met 1367 doet niet af aan het bestaan of de geldigheid van de
vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn aan de
bepalingen van deze titel met inbegrip van die betreffende de beperking
van de aansprakelijkheid.
Artikel 1369
1.De afzender staat in voor de
juistheid van de bijzonderheden en verklaringen betreffende de zaken
die door of namens hem in de luchtvrachtbrief zijn opgenomen of die
door of namens hem aan de vervoerder zijn verstrekt voor opneming in
het ontvangstbewijs of in de gegevens vastgelegd door de andere
middelen bedoeld in artikel 1365, tweede lid. De vorige zin is
eveneens van toepassing in het geval waarin de namens de afzender
handelende persoon tevens namens de vervoerder handelt.
2.De afzender is aansprakelijk voor
alle schade die door de vervoerder of door enige andere persoon jegens
wie de vervoerder aansprakelijk is, wordt geleden als gevolg van de
onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid van de bijzonderheden
en verklaringen die door of namens de afzender zijn verstrekt.
3.Behoudens het bepaalde in het eerste
en tweede lid van dit artikel is de vervoerder aansprakelijk voor alle
schade die door de afzender of door enige andere persoon jegens wie de
afzender aansprakelijk is, wordt geleden als gevolg van de
onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid van de bijzonderheden
en verklaringen die door of namens de vervoerder zijn opgenomen in het
ontvangstbewijs of in de gegevens vastgelegd door de andere middelen
bedoeld in artikel 1365, tweede lid.
Artikel 1370
1.De afzender is verplicht de
vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn en waarvan hij weet of behoort te weten dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder
die gegevens kent.
2.De afzender is verplicht de
inlichtingen en de documenten te verschaffen die vóór de aflevering
van de zaken aan de geadresseerde nodig zijn om aan de formaliteiten
inzake douane, politie of andere overheidsinstanties te voldoen. De
afzender is jegens de vervoerder aansprakelijk voor alle schade die
het gevolg is van het ontbreken, de onvolledigheid of de
onnauwkeurigheid van die inlichtingen en documenten, behoudens in
geval de schade is veroorzaakt door schuld van de vervoerder of van
degenen van wier hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte.
3.De vervoerder is verplicht redelijke
zorg aan te wenden dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld,
niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem terzake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de
artikelen 1357, 1358 en 1359 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.
4.De vervoerder is niet gehouden te
onderzoeken of de hem gedane opgaven en de hem verschafte inlichtingen
en documenten juist of voldoende zijn.
5.Is bij het verstrijken van de tijd,
waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk
voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting van de afzender
of zijn bij het verstrijken van de tijd waarbinnen de in het tweede
lid bedoelde documenten en inlichtingen aanwezig moeten zijn, deze,
door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig, dan zijn,
behalve in geval van tijdbevrachting, het tweede, derde, vierde en
vijfde lid van artikel 1362 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1371
1.De luchtvrachtbrief of het
ontvangstbewijs strekt, behoudens tegenbewijs, tot bewijs van het
sluiten van de overeenkomst, van de ontvangst van de zaken en van de
vervoervoorwaarden die erin worden vermeld.
2.Opgaven in de luchtvrachtbrief of het
ontvangstbewijs betreffende het gewicht, de afmetingen en de
verpakking van de zaken, als ook die betreffende het aantal colli,
hebben kracht van bewijs behoudens tegenbewijs; die betreffende de
hoeveelheid, de omvang en de toestand van de zaken strekken tegenover
de vervoerder slechts tot bewijs, voor zover zij door deze juist zijn
bevonden in tegenwoordigheid van de afzender en dit juist bevinden is
vastgesteld in de luchtvrachtbrief of het ontvangstbewijs of indien
het betreft opgaven omtrent de uiterlijke staat van de zaken.
Artikel 1372
Deartikelen 1365, eerste, tweede en
vierde lid, 1366 en 1367 zijn niet van toepassing op het vervoer, dat in
bijzondere omstandigheden buiten elke normale uitoefening van het
luchtvaartbedrijf plaats heeft.
Artikel 1373
1.Onder voorwaarde dat hij al de uit de
vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichtingen nakomt, heeft de
afzender het recht over de zaken te beschikken hetzij door deze op de
luchthaven van vertrek of van bestemming terug te nemen, hetzij door
deze tijdens de reis bij een landing op te houden, hetzij door deze op
de plaats van bestemming of tijdens de reis te doen afleveren aan een
ander dan de oorspronkelijk aangewezen geadresseerde, hetzij door
terugzending te vragen naar de luchthaven van vertrek, voor zover de
uitoefening van dat recht geen nadeel toebrengt aan de vervoerder of
aan de andere afzenders en met de verplichting de daaruit
voortvloeiende kosten te vergoeden.
2.Indien uitvoering van de opdrachten
van de afzender onmogelijk is, moet de vervoerder hem daarvan
onmiddellijk in kennis stellen.
3.Indien de vervoerder de opdrachten
van de afzender inzake de beschikking over de zaken uitvoert zonder
overlegging te vorderen van het aan deze uitgereikte exemplaar van de
luchtvrachtbrief of het ontvangstbewijs, is hij, behoudens zijn recht
van verhaal op de afzender, aansprakelijk voor de schade die daardoor
veroorzaakt mocht worden aan de regelmatige houder van de
luchtvrachtbrief of van het ontvangstbewijs.
4.Het recht van de afzender eindigt op
het moment waarop dat van de geadresseerde overeenkomstig artikel 1374
begint. Indien evenwel de geadresseerde de zaken weigert, of indien
hij niet kan worden bereikt, herkrijgt de afzender zijn
beschikkingsrecht.
Artikel 1374
1.Tenzij de afzender het hem ingevolge
artikel 1373 toekomende recht heeft uitgeoefend, heeft de
geadresseerde het recht onmiddellijk na aankomst van de zaken op de
plaats van bestemming van de vervoerder aflevering van de zaken te
vorderen tegen betaling van de verschuldigde bedragen en onder
naleving van de vervoervoorwaarden.
2.Tenzij anders is bedongen, moet de
vervoerder de geadresseerde onmiddellijk in kennis stellen van de
aankomst van de zaken.
3.Indien het verlies van de zaken door
de vervoerder wordt erkend, of indien de zaken na afloop van een
termijn van zeven kalenderdagen, nadat zij hadden moeten aankomen,
niet zijn aangekomen, is de geadresseerde gerechtigd de rechten die
uit de overeenkomst voortvloeien, jegens de vervoerder geldend te
maken.
Artikel 1375
De afzender en de geadresseerde kunnen
alle rechten doen gelden die hun onderscheidenlijk in de artikelen 1373
en 1374 zijn toegekend, ieder op zijn eigen naam, onverschillig of zij
handelen in hun eigen belang of dat van een ander, onder voorwaarde dat
zij de door de vervoerovereenkomst opgelegde verplichtingen nakomen.
Artikel 1376
1.De artikelen 1373, 1374 en 1375 laten
de verhouding tussen de afzender en de geadresseerde onderling en de
verhouding van derden, die hun rechten ontlenen aan de afzender of de
geadresseerde, onverlet.
2.Van de in het eerste lid genoemde
artikelen kan alleen worden afgeweken door een uitdrukkelijke bepaling
in de luchtvrachtbrief of in het ontvangstbewijs.
Artikel 1377
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 zijn de afzender en de geadresseerde hoofdelijk verbonden de
vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als
zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de belangen van een
rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken.
Artikel 1378
1.De vervoerder is gerechtigd afgifte
van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op
de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een
verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit.
2.Het in het eerste lid aan de
vervoerder toegekende recht komt hem niet toe jegens een derde, indien
hij op het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 1379
1.Voor zover hij die jegens de
vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken niet opkomt,
weigert deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in
ontvangst neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien
de vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen dat hij die als
gerechtigde opkomt desalniettemin niet tot de aflevering gerechtigd
is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van
de rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor geschikte
bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de rechter bepalen dat hij deze
zaken onder zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan
treffen.
2.De derde-bewaarnemer en de ontvanger
zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet
gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van
hem, die de zaken in bewaring gaf.
3.De vervoerder is verplicht voor
rekening van de rechthebbende de afzender en tevens de ontvanger zo
spoedig mogelijk door een kennisgeving, waarvan de ontvangst duidelijk
aantoonbaar is, in kennis te stellen van de opslag en van de
aanleiding daartoe.
Artikel 1380
1.In geval van toepassing van artikel
1379 kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij, die jegens de
vervoerder recht heeft op de aflevering, op zijn verzoek door de
rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2.De bewaarnemer is verplicht de
vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte
te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens de afzender
en jegens degene die jegens hem recht heeft op de aflevering van de
zaken.
3.De opbrengst van het verkochte wordt
in de consignatiekas gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening
van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is
gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in
bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is
terzake van het vervoer; voor zover deze vorderingen nog niet
vaststaan, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter
te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vorderingen strekken.
4.De in de consignatiekas gestorte
opbrengst treedt in de plaats van de zaken.
Artikel 1381
De kosten van sortering van de zaken,
voor zover nodig voor de juiste aflevering, zijn voor rekening van de
vervoerder.
Artikel 1382
In geval van aanneming door de
geadresseerde van de zaken zonder protest wordt vermoed dat deze in
goede staat en in overeenstemming met het vervoerdocument of met de
gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in artikel 1365,
tweede lid, zijn afgeleverd.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer door de lucht
Artikel 1390
De overeenkomst van personenvervoer in de
zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer, al dan niet
tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de vervoerder)
zich tegenover de andere partij verbindt aan boord van een luchtvaartuig
een of meer personen (reizigers) en al dan niet hun bagage uitsluitend
door de lucht te vervoeren.
Artikel 1391
Het tijdperk van het luchtvervoer van
personen en hun niet aangegeven bagage omvat de tijd, dat de reiziger
zich aan boord van het luchtvaartuig bevindt, alsmede de tijd van enige
handeling verband houdend met het aan boord gaan en het verlaten van het
luchtvaartuig.
Artikel 1392
Tijd- of reisbevrachting in de zin van
deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van een
luchtvaartuig dat hij daartoe, anders dan bij een overeenkomst waarbij
de ene partij zich verbindt een luchtvaartuig ter beschikking te stellen
van haar wederpartij zonder daarover nog enige zeggenschap te houden, in
zijn geheel en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van zijn wederpartij (de
bevrachter).
Artikel 1393
De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien het
ongeval dat de schade veroorzaakte, plaats vond tijdens de in artikel
1391 omschreven periode.
Artikel 1394
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door vernieling, verlies of beschadiging van
aangegeven bagage indien het voorval dat de schade veroorzaakte,
plaats vond tijdens de in artikel 1351 omschreven periode. De
vervoerder is evenwel niet aansprakelijk voorzover de schade
voortvloeide uit de aard of het eigen gebrek van de bagage.
2.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade veroorzaakt door vernieling, verlies of beschadiging van niet
aangegeven bagage, daaronder begrepen persoonlijke bezittingen, indien
de schade voortvloeide uit zijn schuld of die van degenen van wier
hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte.
Artikel 1395
1.Onverminderd deze afdeling zijn op
het vervoer van aangegeven bagage de artikelen 1351, 1357, 1358,
1370,1377, 1378, 1379 en 1380 van overeenkomstige toepassing.
2.Partijen hebben de vrijheid af te
wijken van in het eerste lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk
verklaarde bepalingen.
Artikel 1396
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
schade voortvloeiende uit vertraging in het luchtvervoer.
2.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade voorvloeiend uit vertraging, indien hij en degenen van
wier hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte
alle maatregelen hebben genomen, die redelijkerwijs gevergd konden
worden om de schade te vermijden of het hem en hun onmogelijk was die
maatregelen te nemen.
Artikel 1397
1.Indien de vervoerder bewijst dat
schuld of nalatigheid van de persoon die schadevergoeding vordert of
van de persoon aan wie hij zijn rechten ontleent, de schade heeft
veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, is de vervoerder geheel of
gedeeltelijk ontheven van zijn aansprakelijkheid jegens die persoon
voorzover die schuld of nalatigheid de schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen.
2.Indien schadevergoeding wordt
gevorderd wegens dood of letsel van een reiziger door een ander dan
die reiziger, is de vervoerder eveneens geheel of gedeeltelijk
ontheven van zijn aansprakelijkheid voorzover hij bewijst dat de
schuld of nalatigheid van die reiziger de schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen.
3.Dit artikel is van toepassing op alle
aansprakelijkheidsbepalingen in deze afdeling, daaronder
begrepenartikel 1399, eerste lid.
Artikel 1398
1.Elk beding strekkende om de
vervoerder te ontheffen van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze
afdeling of om een lagere grens van aansprakelijkheid vast te stellen
dan die, welke krachtens deze afdeling is bepaald, is nietig, doch de
nietigheid van dit beding heeft niet de nietigheid ten gevolge van de
overeenkomst, die onderworpen blijft aan deze titel.
2.Deze bepaling laat artikel 1395,
tweede lid, onverlet.
Artikel 1399
1. Voor schade bedoeld in artikel 1393
die een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of
bedragen niet te boven gaat, kan de vervoerder zijn aansprakelijkheid
niet beperken of uitsluiten.
2. De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade bedoeld in artikel 1393 voorzover deze een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen te boven gaat,
indien hij bewijst dat:
a. de schade niet te wijten was aan
de schuld of nalatigheid van hem of van degenen van wier hulp hij
bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte; of
b. de schade uitsluitend te wijten
was aan de schuld of nalatigheid van een derde.
3. Artikel 1359, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1400
1. In geval van schade veroorzaakt door
vertraging als bedoeld in artikel 1396 bij het vervoer van reizigers,
is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen.
2. Bij het vervoer van bagage is de
aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van vernieling, verlies,
beschadiging of vertraging beperkt tot een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedrag of bedragen zulks behoudens bijzondere
verklaring omtrent belang bij de aflevering gedaan door de reiziger
bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder en tegen
betaling van een mogelijkerwijs verhoogd tarief. In dat geval is de
vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som,
tenzij hij bewijst dat deze het werkelijk belang van de reiziger bij
de aflevering te boven gaat.
3. Artikel 1359, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1401
De inartikel 1400 vermelde
aansprakelijkheidsgrenzen zijn niet van toepassing, indien wordt bewezen
dat de schade het gevolg is van een eigen handeling of nalaten van de
vervoerder of van enige persoon van wiens hulp hij bij de uitvoering van
zijn verbintenis gebruik maakte, welke plaats vond hetzij met het opzet
schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap, dat schade
er waarschijnlijk uit zou voortvloeien; in geval van een eigen handeling
of nalaten van een persoon als hiervoor bedoeld moet tevens worden
bewezen dat deze handelde in de uitoefening van de werkzaamheden waartoe
hij werd gebruikt.
Artikel 1402
1.Indien een geding op grond van schade
als bedoeld in deze afdeling aanhangig wordt gemaakt tegen een persoon
van wiens hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte, zal deze, indien hij bewijst dat hij in de
werkzaamheden waartoe hij werd gebruikt heeft gehandeld, zich kunnen
beroepen op de aansprakelijkheidsgrenzen waarop de vervoerder zich
krachtens deartikelen 1399 en 1400 kan beroepen.
2.Het totale bedrag van de
schadevergoeding, welke in dat geval van de vervoerder en de in het
eerste lid bedoelde persoon kan worden verkregen, mag de in artikel
1399 en artikel 1400 vermelde grenzen niet overschrijden.
3.Het eerste en het tweede lid zijn
niet van toepassing indien wordt bewezen dat de schade het gevolg is
van een eigen handeling of nalaten van de in het eerste lid bedoelde
persoon, welke plaats vond hetzij met het opzet schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.
Artikel 1403
In geval van aan de reiziger overkomen
letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van
Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste instelt.
Artikel 1404
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger,
door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.
Artikel 1405
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het
vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn.
Artikel 1406
1.Onverminderd artikel 179 van Boek 6
is de reiziger verplicht de vervoerder de schade te vergoeden, die hij
of zijn bagage heeft berokkend en zulks door het blote feit, dat de
gebeurtenis, die de schade veroorzaakte, plaats vond gedurende de
inartikel 1391 omschreven periode, of wat betreft aangegeven bagage de
inartikel 1351 omschreven periode.
2.De schade wordt aangemerkt het door
de vervoerder naar zijn redelijk oordeel vast te stellen bedrag te
belopen, maar indien de vervoerder meent dat de schade meer dan 227
euro beloopt, moet hij zulks bewijzen.
Artikel 1407
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de
reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, maar die, indien
zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de
reiziger uit het luchtvaartuig te verwijderen.
2.De opzegging geschiedt door een
kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de reiziger
en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst van de eerst
ontvangen kennisgeving.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging van de overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1408
1.Wanneer vóór of tijdens het vervoer
omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar
voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst
niet behoefde te kennen, maar die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze
wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2.De opzegging geschiedt door een
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst
daarvan.
3.Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht
elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.
Artikel 1409
Wanneer de reiziger na het verlaten van
het luchtvaartuig niet tijdig terugkeert, kan de vervoerder de
overeenkomst beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 1410
1.De wederpartij van de vervoerder is
steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden die deze ten gevolge van de
opzegging lijdt.
2.Zij kan dit recht niet uitoefenen,
wanneer daardoor de reis van het luchtvaartuig zou worden vertraagd.
3.De opzegging geschiedt door een
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst
daarvan.
Artikel 1411
1.Bij het vervoer van reizigers moet
een individueel of collectief vervoersdocument worden uitgereikt.
2.De uitreiking van het in het eerste
lid bedoelde vervoersdocument kan worden vervangen door het gebruik
van ieder ander middel waardoor de gegevens betreffende de reis worden
vastgelegd. Indien van zodanig ander middel gebruik wordt gemaakt,
biedt de vervoerder aan de aldus vastgelegde gegevens in schriftelijke
vorm aan de reiziger uit te reiken.
3.De vervoerder reikt aan de reiziger
een identificatielabel uit voor elk stuk aangegeven bagage.
4.Aan de reiziger wordt een
schriftelijke mededeling verstrekt inhoudende dat wanneer deze titel
van toepassing is hij de aansprakelijkheid van de vervoerders regelt
en kan beperken ter zake van dood of letsel en in geval van
vernieling, verlies of beschadiging van bagage, alsmede in geval van
vertraging.
5.Niet-inachtneming van het bepaalde in
de voorgaande leden doet niet af aan het bestaan of de geldigheid van
de vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn aan de
bepalingen van deze titel met inbegrip van die betreffende de
beperking van de aansprakelijkheid.
6.Het eerste lid geldt niet tussen
partijen bij een bevrachting.
7.De artikelen 56, tweede lid, 75,
eerste lid, en 186, eerste lid, van Boek 2 zijn niet van toepassing.
8.Dit artikel is niet van toepassing op
het vervoer dat in bijzondere omstandigheden buiten elke normale
uitoefening van het luchtvaartbedrijf plaats vindt.
Artikel 1412
De reiziger heeft het recht onmiddellijk
na aankomst ter plaatse van zijn bestemming van de vervoerder te
vorderen hem de bagage af te leveren.
Artikel 1413
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 is de wederpartij van de vervoerder verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer inliet
met de behartiging van de belangen van de reiziger met betrekking tot
diens bagage.
Artikel 1414
In geval van aanneming door de reiziger
van de aangegeven bagage zonder protest wordt vermoed dat deze in goede
staat en in overeenstemming met de gegevens vastgelegd door de andere
middelen bedoeld in artikel 1411, tweede lid, is afgeleverd.
Afdeling 4. Opvolgend vervoer
Artikel 1420
1.In de gevallen dat het vervoer wordt
beheerst door artikel 1344 en dat het bewerkstelligd moet worden
achtereenvolgens door verschillende vervoerders, is elke vervoerder
die reizigers, bagage of andere zaken aanneemt onderworpen aan de in
deze titel gegeven bepalingen; hij wordt aangemerkt als één der
partijen die de vervoerovereenkomst hebben gesloten voor zover die
overeenkomst betrekking heeft op het deel van het vervoer, dat onder
zijn toezicht is bewerkstelligd.
2.In geval van zodanig vervoer hebben
de reiziger of enige andere persoon die een van deze afgeleid recht
heeft op schadevergoeding enkel verhaal op de vervoerder, die het
vervoer heeft bewerkstelligd gedurende hetwelk het ongeval of de
vertraging plaats vond, behalve in het geval dat de eerste vervoerder
bij uitdrukkelijk beding de aansprakelijkheid voor het gehele vervoer
op zich heeft genomen.
3.Indien het bagage en andere zaken
betreft kan de reiziger respectievelijk de afzender de eerste
vervoerder aanspreken; de reiziger of de geadresseerde die het recht
op afgifte heeft of de reiziger heeft verhaal tegen de laatste
vervoerder; zij kunnen daarenboven de vervoerder aanspreken die het
vervoer heeft bewerkstelligd gedurende hetwelk de vernieling, het
verlies, de beschadiging of de vertraging plaats had. Deze vervoerders
zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de reiziger, de afzender en de
geadresseerde.
VI. Vervoer langs spoorstaven
Titel 18. Overeenkomst van
goederenvervoer over spoorwegen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1550
1.De overeenkomst van goederenvervoer
in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer,
waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij
(de afzender) verbindt tot het vervoer van zaken uitsluitend over
spoorwegen. Partijen kunnen bedingen dat de onderhavige titel van
toepassing is op het vervoer over de weg of binnenwateren dat in
aanvulling op het vervoer over spoorwegen plaats vindt.
2.Deze titel is niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoer van postzendingen door of in opdracht
van de houder van een concessie, bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst.
3.Deze titel is niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoer van bagage.
Artikel 1551
Voor de toepassing van deze titel wordt
verstaan onder:
a. de vervoerder: de contractuele
vervoerder met wie de afzender de vervoerovereenkomst heeft
gesloten, of een opvolgende vervoerder, die op grond van de
vervoerovereenkomst aansprakelijk is;
b. ondervervoerder: een vervoerder
die niet de vervoerovereenkomst heeft gesloten met de afzender, maar
aan wie de onder a bedoelde vervoerder de uitvoering van het vervoer
over spoorwegen, geheel of gedeeltelijk, heeft toevertrouwd;
c. intermodale transporteenheid:
containers, wissellaadbakken, opleggers of andere soortgelijke bij
intermodaal vervoer gebruikte laadeenheden.
d. VSG: Regeling vervoer over de
spoorweg van gevaarlijke stoffen.
Artikel 1552
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn niet van toepassing op
terbeschikkingstelling van een spoorvoertuig ten einde door middel
daarvan zaken te vervoeren in dier voege dat degene die het
spoorvoertuig ter beschikking stelt, verplicht is voor de voortbeweging
daarvan zorg te dragen.
Artikel 1553
Elk beding dat middellijk of onmiddellijk
afwijkt van het in deze titel en in artikel 1727 bepaalde is nietig,
tenzij de vervoerovereenkomst niet onder bezwarende titel is gesloten.
De nietigheid van dergelijke bedingen heeft niet de nietigheid van de
overige bedingen van de vervoerovereenkomst tot gevolg. Niettemin kan
een vervoerder een zwaardere aansprakelijkheid en zwaardere
verplichtingen op zich nemen dan uit deze titel voortvloeien.
Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de
vervoerovereenkomst
Artikel 1554
1.Op grond van de vervoerovereenkomst
is de vervoerder verplicht de zaken naar de plaats van bestemming te
vervoeren en ze daar aan de geadresseerde af te leveren.
2.De vervoerovereenkomst moet worden
vastgelegd in een vrachtbrief. Het ontbreken, de onregelmatigheid of
het verlies van de vrachtbrief tast evenwel noch het bestaan, noch de
geldigheid van de vervoerovereenkomst aan, die onderworpen blijft aan
deze titel.
3.De vrachtbrief wordt door de afzender
en de vervoerder ondertekend. De handtekening kan vervangen worden
door een stempel of elke andere daartoe geëigende methode.
4.De vervoerder moet de aanneming ten
vervoer op de vrachtbrief op de geëigende wijze bevestigen en de
afzender het vrachtbriefduplicaat overhandigen.
5.De vrachtbrief heeft niet de
betekenis van een cognossement.
6.Voor iedere zending moet een
vrachtbrief worden opgemaakt. Behoudens indien anders is
overeengekomen tussen de afzender en de vervoerder, kan een
vrachtbrief slechts betrekking hebben op de lading van één
spoorwagen.
7.De vrachtbrief, met inbegrip van de
duplicaat-vrachtbrief, kan ook worden opgesteld in de vorm van
elektronische registratie van gegevens, die kunnen worden omgezet in
leesbare lettertekens. De voor de registratie en verwerking van de
gegevens gebruikte procedures moeten uit functioneel oogpunt
gelijkwaardig zijn, in het bijzonder wat betreft de bewijskracht van
de vrachtbrief, die door deze elektronische gegevens wordt gevormd.
Artikel 1555
1.De vrachtbrief moet de volgende
aanduidingen bevatten:
a. de plaats en datum van het
opmaken ervan;
b. de naam en het adres van de
afzender;
c. de naam en het adres van de
vervoerder die de vervoerovereenkomst gesloten heeft;
d. de naam en het adres van degene
aan wie de zaken daadwerkelijk ten vervoer werden afgegeven,
indien dit niet de in c vermelde vervoerder is;
e. de plaats en datum waarop de
zaken in ontvangst werden genomen;
f. de plaats van de aflevering;
g. de naam en het adres van de
geadresseerde;
h. de omschrijving van de aard der
zaken en de verpakkingswijze, en voor gevaarlijke zaken hun
omschrijving in de VSG voorgeschreven voor het internationale
spoorwegvervoer van gevaarlijke zaken;
i. het aantal colli en de voor
identificatie van stukgoedzendingen vereiste bijzondere merktekens
en nummers;
j. het wagennummer, in geval van
vervoer van volledige wagenlading;
k. het nummer van het op eigen
wielen rollend spoorvoertuig dat als te vervoeren zaak ten vervoer
wordt aangeboden;
l. bovendien, bij intermodale
laadeenheden, de categorie, het nummer of de voor hun
identificatie vereiste andere kenmerken;
m. de brutomassa of de op andere
wijze uitgedrukte hoeveelheid der zaken;
n. een nauwkeurige lijst van de
door overheidsinstanties voorgeschreven bescheiden die bij de
vrachtbrief zijn gevoegd of ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld bij een nader omschreven instantie of bij een in de
overeenkomst vermelde instelling;
o. de op het vervoer betrekking
hebbende kosten (vrachtprijs, bijkomende kosten en andere kosten
die vanaf het sluiten van de overeenkomst tot aan de aflevering
ontstaan) voorzover zij door de geadresseerde moeten worden
betaald of bij een andere aanduiding dat de kosten verschuldigd
zijn door de geadresseerde.
2.In voorkomend geval moet de
vrachtbrief bovendien de volgende aanduidingen bevatten:
a. In geval van vervoer door
opvolgende vervoerders: de tot aflevering der zaken verplichte
vervoerder, voorzover die met zijn instemming is ingeschreven op
de vrachtbrief;
b. de kosten die de afzender voor
zijn rekening neemt;
c. het bedrag van het bij de
aflevering van de zaken te innen rembours;
d. de aangegeven waarde der zaken
en het bedrag van het bijzonder belang bij de aflevering;
e. de overeengekomen
afleveringstermijn;
f. de lijst van aan de vervoerder
overhandigde bescheiden, niet opgesomd in lid 1, onder n;
g. de vermeldingen door de afzender
van het aantal en de beschrijving van de door hem op de wagen
aangebrachte verzegelingen.
3.In de vrachtbrief kunnen de partijen
bij de vervoerovereenkomst andere aanduidingen opnemen die zij nuttig
achten.
Artikel 1556
1.De afzender is aansprakelijk voor
alle kosten en schade, die bij de vervoerder ontstaan ten gevolge van:
a. aanduidingen door de afzender op
de vrachtbrief die onnauwkeurig, onjuist of onvolledig zijn of die
op een andere dan de voor hen voorgeschreven plaats vermeld werden
of
b. het verzuimen door de afzender
om door de VSG voorgeschreven aanduidingen te vermelden.
2.Indien de vervoerder aanduidingen op
de vrachtbrief vermeldt op verzoek van de afzender, wordt hij geacht
te handelen in naam van de afzender, behoudens tegenbewijs.
Artikel 1557
Wanneer de afzender heeft verzuimd de
door de VSG voorgeschreven aanduidingen te vermelden, kan de vervoerder
op elk ogenblik, al naargelang de omstandigheden vereisen, de zaken
uitladen, vernietigen of onschadelijk maken zonder dat dit aanleiding
geeft tot enige schadeloosstelling, behalve indien hij bij de aanneming
ten vervoer van de zaken kennis had van de gevaarlijke aard van de
zaken.
Artikel 1558
1.Behoudens andersluidend beding tussen
de afzender en de vervoerder moeten de kosten (vrachtprijs, bijkomende
kosten en andere kosten, die vanaf het sluiten van de overeenkomst tot
de aflevering ontstaan) door de afzender worden betaald.
2.Wanneer, op grond van een beding
tussen de afzender en de vervoerder, de kosten ten laste van de
geadresseerde worden gelegd en wanneer de geadresseerde noch de
vrachtbrief in ontvangst genomen heeft, noch zijn rechten uit de
vervoerovereenkomst overeenkomstig artikel 1565 lid 3 heeft doen
gelden, noch de vervoerovereenkomst overeenkomstig artikel 1566 heeft
gewijzigd, blijven de kosten ten laste van de afzender.
Artikel 1559
1.De vervoerder heeft steeds het recht
te onderzoeken of de vervoervoorwaarden vervuld zijn en of de zending
overeenstemt met de door de afzender op de vrachtbrief vermelde
gegevens. Wanneer dit onderzoek betrekking heeft op de inhoud van de
zending vindt het voorzover mogelijk plaats in aanwezigheid van de
rechthebbende; in het geval dat dit niet mogelijk is, doet de
vervoerder beroep op twee onafhankelijke getuigen.
2.Indien de zending niet overeenstemt
met de aanduidingen op de vrachtbrief of indien de voorschriften met
betrekking tot het voorwaardelijk ten vervoer toelaten van de zaken
niet zijn nageleefd, moet het resultaat van het onderzoek vermeld
worden op het blad van de vrachtbrief dat de zaken vergezelt, en
eveneens op de duplicaat-vrachtbrief, indien de vervoerder daar nog
over beschikt. In dat geval komen de kosten van het onderzoek ten
laste van de zaak, tenzij deze onmiddellijk betaald worden.
3.Wanneer de afzender zorg draagt voor
de belading, kan hij eisen dat de vervoerder de staat van de zaken en
van hun verpakking onderzoekt, alsook de juistheid van de op de
vrachtbrief vermelde aanduidingen over het aantal colli, hun
merktekens en nummers alsmede de brutomassa of de op andere wijze
uitgedrukte hoeveelheid. De vervoerder is daartoe slechts verplicht,
wanneer hem de daarvoor geëigende middelen ter beschikking staan. De
vervoerder kan de kosten van het onderzoek terugvorderen. Het
resultaat van de onderzoekingen wordt op de vrachtbrief vermeld.
Artikel 1560
1.De vrachtbrief levert volledig
bewijs, behoudens tegenbewijs, van het sluiten en de inhoud van de
vervoerovereenkomst, alsmede van het ten vervoer aannemen van de zaken
door de vervoerder.
2.Wanneer de vervoerder zorg heeft
gedragen voor de belading, levert de vrachtbrief volledig bewijs,
behoudens tegenbewijs, van de staat der zaken en hun verpakking zoals
vermeld op de vrachtbrief of bij ontstentenis daarvan het bewijs van
hun uiterlijk goede staat bij het ten vervoer aannemen door de
vervoerder en de juistheid van de vermeldingen op de vrachtbrief over
het aantal der colli, hun merktekens en nummers alsmede de brutomassa
of de op andere wijze uitgedrukte hoeveelheid.
3.Wanneer de afzender zorg heeft
gedragen voor de belading, levert de vrachtbrief alleen volledig
bewijs, behoudens tegenbewijs, van de staat der zaken en hun
verpakking, zoals vermeld op de vrachtbrief en bij ontstentenis
daarvan het bewijs van hun uiterlijk goede staat en de juistheid van
de in lid 2 opgesomde vermeldingen, in het geval dat de vervoerder
deze heeft onderzocht en het resultaat van zijn onderzoek op de
vrachtbrief heeft genoteerd.
4.De vrachtbrief levert evenwel niet
volledig bewijs op in het geval dat zij een met redenen omkleed
voorbehoud bevat. Een voorbehoud kan met name gemotiveerd worden door
het feit dat de vervoerder niet over geëigende middelen beschikte om
te onderzoeken of de zending beantwoordt aan de gegevens op de
vrachtbrief.
Artikel 1561
1.Afzender en vervoerder komen
onderling overeen wie van hen het laden en lossen der zaken moet
uitvoeren. Bij gebreke van een dergelijk beding ligt voor het laden en
lossen van stukgoed de verplichting bij de vervoerder, terwijl voor
wagenladingen de verplichting voor het laden bij de afzender ligt en
die voor het lossen na de aflevering bij de geadresseerde.
2.De afzender is aansprakelijk voor
alle gevolgen van de gebrekkige belading die hij heeft uitgevoerd en
hij moet met name de door dit feit door de vervoerder geleden schade
vergoeden. Het bewijs van de gebrekkige belading rust op de
vervoerder.
Artikel 1562
De afzender is jegens de vervoerder
aansprakelijk voor alle schade en kosten veroorzaakt door het ontbreken
of de gebrekkigheid van de verpakking, tenzij het gebrek uiterlijk
zichtbaar was of de vervoerder er kennis van had bij het ten vervoer
aannemen van de zaken en hij daarvoor geen voorbehoud maakte.
Artikel 1563
1.Met het oog op het naleven van de
vereiste douane- of andere voorschriften van overheidsinstanties moet
de afzender voorafgaand aan de aflevering van de zaken bij de
vrachtbrief de noodzakelijke bescheiden voegen of deze aan de
vervoerder ter beschikking stellen en hem alle gewenste inlichtingen
verschaffen.
2.De vervoerder is niet gehouden na te
gaan of deze bescheiden en inlichtingen juist en volledig zijn. De
afzender is jegens de vervoerder aansprakelijk voor alle schade
ontstaan door het ontbreken, de onvolledigheid of de onregelmatigheid
van de bescheiden en inlichtingen, behalve in geval van schuld van de
vervoerder.
3.De vervoerder is aansprakelijk voor
de gevolgen van het verlies of het onregelmatig gebruik van de op de
vrachtbrief vermelde en bijgevoegde of hem overhandigde bescheiden,
tenzij het verlies of de door het onregelmatig gebruik van deze
bescheiden veroorzaakte schade het gevolg is van omstandigheden die de
vervoerder niet kon vermijden of waarvan hij de gevolgen niet kon
verhinderen. De eventuele schadevergoeding bedraagt evenwel niet meer
dan die in geval van verlies van de zaken.
4.De afzender, door een vermelding op
de vrachtbrief, of de geadresseerde, door een opdracht overeenkomstig
artikel 1566 lid 3 kan vragen:
a. dat bij het naleven van de
vereiste douane- of andere overheidsvoorschriften hijzelf aanwezig
is ofwel zich doet vertegenwoordigen door een gevolmachtigde om
alle inlichtingen te verschaffen en de ter zake dienende
opmerkingen te maken;
b. dat hijzelf de vereiste douane-
of andere overheidsvoorschriften naleeft of hen doet naleven door
een gevolmachtigde;
c. dat, wanneer hijzelf of zijn
gevolmachtigde bij het naleven van de vereiste douane- of andere
overheidsvoorschriften aanwezig is of deze laatste zelf naleeft,
hij de douane- en andere kosten betaalt.
In deze gevallen mogen noch de
afzender, noch de geadresseerde die het recht heeft over de zaken te
beschikken, of hun gevolmachtigde de zaken in bezit nemen.
5.Indien de afzender een plaats heeft
aangewezen voor het naleven van de vereiste douane- of andere
overheidsvoorschriften waar dat krachtens de geldende voorschriften
niet mogelijk is of indien hij voor het naleven van deze voorschriften
een andere, onuitvoerbare handelwijze heeft voorgeschreven, handelt de
vervoerder op de volgens hem voor de rechthebbende voordeligste wijze
en deelt hij de genomen maatregelen mee aan de afzender.
6.De vervoerder kan evenwel
overeenkomstig de bepalingen van lid 5 handelen, indien de
geadresseerde de vrachtbrief niet in ontvangst heeft genomen binnen de
termijn die is voorgeschreven door de op de plaats van bestemming
geldende voorschriften.
7.De afzender moet voldoen aan de
overheidsvoorschriften voor wat betreft de verpakking en de afdekking
van de zaken. Indien de afzender de zaken niet overeenkomstig deze
voorschriften heeft verpakt of afgedekt, kan de vervoerder daarvoor
zorgen; de daardoor ontstane kosten komen ten laste van de zaken.
Artikel 1564
1.De afzender en de vervoerder komen de
afleveringstermijn overeen. Bij gebreke van een beding hieromtrent kan
de afleveringstermijn nochtans nooit langer zijn dan die welke volgt
uit de leden 2 tot en met 4.
2.Behoudens de leden 3 en 4 belopen de
maximum afleveringstermijnen:
termijn van verzenden 12 uren;
termijn van vervoeren 24 uren.
3.De vervoerder kan toeslagtermijnen
van bepaalde duur vaststellen: bij buitengewone omstandigheden die een
ongebruikelijke verkeerstoename of ongebruikelijke moeilijkheden voor
de bedrijfsuitvoering tot gevolg hebben, dan wel bij ladingen die
bestemd zijn voor stations die slechts eenmaal per dag of niet
dagelijks worden bediend.
De duur van de toeslagtermijnen moet
opgenomen zijn in de Algemene vervoervoorwaarden.
4.De afleveringstermijn begint te lopen
vanaf de aanneming ten vervoer van de zaken; hij wordt verlengd met de
duur van een niet door de schuld van de vervoerder veroorzaakt
oponthoud. De afleveringstermijn wordt geschorst op zaterdagen,
zondagen en wettelijke feestdagen.
Artikel 1565
1.De vervoerder moet de vrachtbrief
afgeven en de zaken afleveren aan de geadresseerde op de voor de
aflevering voorziene plaats tegen kwijting en betaling van de uit de
vervoerovereenkomst voortvloeiende vorderingen.
2.Met de aflevering aan de
geadresseerde worden, wanneer zulks overeenkomstig de op de plaats van
bestemming geldende voorschriften geschiedt, gelijkgesteld:
a. de afgifte van de zaken aan de
douane of belastingsinstanties in hun expeditie- of opslagruimten,
wanneer die zich niet onder de hoede van de vervoerder bevinden;
b. de opslag van de zaken bij de
vervoerder of de inbewaringgeving ervan bij een expediteur of in
een openbare douane-entrepot.
3.Na de aankomst van de zaken op de
plaats van aflevering kan de geadresseerde aan de vervoerder verzoeken
hem de vrachtbrief te overhandigen en aan hem de zaken af te leveren.
Indien het verlies van de zaken is vastgesteld of indien de zaken niet
binnen de in artikel 1577 bedoelde termijn aangekomen zijn, kan de
geadresseerde in eigen naam zijn rechten uit de vervoerovereenkomst
jegens de vervoerder doen gelden.
4.De rechthebbende kan de ontvangst van
de zaken weigeren, zelfs na de inontvangstname van de vrachtbrief en
het betalen van vorderingen voortvloeiend uit de vervoerovereenkomst,
zolang niet is overgegaan tot de onderzoeken waar hij om heeft
verzocht met het oog op het vaststellen van de beweerde schade.
5.Overigens vindt de aflevering van de
zaken plaats overeenkomstig de op de plaats van aflevering geldende
voorschriften.
6.Indien de zaken aan de geadresseerde
zijn afgeleverd zonder voorafgaande inning van het rembours dat rust
op de zaken, is de vervoerder gehouden de afzender de schade te
vergoeden tot ten hoogste het bedrag van het rembours, onverminderd
zijn regres op de geadresseerde.
Artikel 1566
1.De afzender heeft het recht om over
de zaken te beschikken en de vervoerovereenkomst door nadere
opdrachten te wijzigen. Met name kan hij vragen aan de vervoerder
a. de zaken niet verder te
vervoeren;
b. de aflevering uit te stellen;
c. de zaken aan een andere dan de
op de vrachtbrief vermelde geadresseerde af te leveren;
d. de zaken op een andere dan de op
de vrachtbrief vermelde plaats af te leveren.
2.Het recht van de afzender tot het
wijzigen van de vervoerovereenkomst vervalt, zelfs wanneer hij de
duplicaat-vrachtbrief in zijn bezit heeft, in de gevallen waarin de
geadresseerde
a. de vrachtbrief in ontvangst
genomen heeft;
b. de zaken aangenomen heeft;
c. zijn rechten
overeenkomstigartikel 1565 lid 3 heeft doen gelden;
d. overeenkomstig lid 3 bevoegd is
nadere opdrachten te geven; vanaf dat ogenblik moet de vervoerder
de nadere opdrachten en aanwijzingen van de geadresseerde
opvolgen.
3.Het recht tot het wijzigen van de
vervoerovereenkomst komt aan de geadresseerde toe vanaf het ogenblik
dat de vrachtbrief opgemaakt wordt, tenzij door de afzender anders
aangegeven is op de vrachtbrief.
4.Het recht van de geadresseerde tot
het wijzigen van de vervoerovereenkomst vervalt wanneer hij:
a. de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen;
b. de zaken heeft aangenomen;
c. zijn rechten overeenkomstig
artikel 1565 lid 3 heeft doen gelden;
d. overeenkomstig lid 5
voorgeschreven heeft de zaken af te leveren aan een derde, en
wanneer deze zijn rechten overeenkomstig artikel 1565 lid 3 heeft
doen gelden.
5.Indien de geadresseerde heeft
voorgeschreven de zaken aan een derde af te leveren, is deze laatste
niet bevoegd om de vervoerovereenkomst te wijzigen.
Artikel 1567
1.Wanneer de afzender of in geval van
artikel 1566 lid 3 de geadresseerde de vervoerovereenkomst wil
wijzigen door latere opdrachten, moet hij de vervoerder de
duplicaat-vrachtbrief aanbieden waarop de wijzigingen aangebracht
moeten zijn.
2.De afzender of in geval van artikel
1566 lid 3 de geadresseerde moet de vervoerder alle kosten en de
schade vergoeden die voortvloeien uit het uitvoeren van de latere
wijzigingen.
3.Het uitvoeren van latere wijzigingen
moet mogelijk, geoorloofd en redelijk zijn op het ogenblik waarop de
opdrachten aan degene die deze moet uitvoeren, bereiken en mag met
name noch de gebruikelijke bedrijfsuitoefening van de
vervoeronderneming belemmeren, noch de afzenders en geadresseerden van
andere zendingen benadelen.
4.De latere wijzigingen mogen niet een
splitsing van de zending tot gevolg hebben.
5.Wanneer de vervoerder, rekening
houdend met de bepalingen genoemd in lid 3, de ontvangen instructies
niet kan uitvoeren, moet hij onmiddellijk diegene die om de
wijzigingen verzoekt, daarvan in kennis stellen.
6.In geval van schuld van de vervoerder
is hij aansprakelijk voor de gevolgen van het niet of gebrekkig
uitvoeren van een latere wijziging. De eventuele schadevergoeding
bedraagt evenwel niet meer dan die in geval van verlies van de zaken.
7.De vervoerder die gevolg geeft aan
latere wijzigingen van de afzender zonder het overleggen van de
duplicaat-vrachtbrief te eisen, is jegens de geadresseerde
aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade, indien de
duplicaat-vrachtbrief aan deze laatste is overhandigd. De eventuele
schadevergoeding bedraagt evenwel niet meer dan die in geval van
verlies van de zaken.
Artikel 1568
1.In geval van een belemmering in het
vervoer beslist de vervoerder of het de voorkeur verdient de zaken
verder te vervoeren dan wel of het in het belang is van de
beschikkingsgerechtigde hem om instructies te verzoeken, waarbij hij
aan hem alle nuttige inlichtingen waarover hij beschikt, meedeelt.
2.Indien een verder vervoer niet
mogelijk is, verzoekt de vervoerder de beschikkingsgerechtigde om
instructies. Indien de vervoerder deze instructies niet tijdig kan
verkrijgen, moet hij die maatregelen treffen welke hem het voordeligst
lijken voor de belangen van beschikkingsgerechtigde.
Artikel 1569
1.In geval van een belemmering in de
aflevering moet de vervoerder de afzender daarvan onverwijld op de
hoogte stellen en moet hij hem om instructies verzoeken, tenzij de
afzender door een vermelding op de vrachtbrief gevraagd heeft om in
geval van een belemmering in de aflevering de zaken terug te zenden.
2.Wanneer de belemmering in de
aflevering wegvalt, voordat instructies van de afzender de vervoerder
bereiken, worden de zaken afgeleverd bij de geadresseerde. De afzender
moet daarvan onverwijld in kennis worden gesteld.
3.In geval de geadresseerde weigert de
zaken in ontvangst te nemen, is de afzender gerechtigd tot het geven
van instructies, zelfs indien hij de duplicaat-vrachtbrief niet kan
overleggen.
4.Wanneer de belemmering in de
aflevering optreedt, nadat de geadresseerde de vervoerovereenkomst
overeenkomstig artikel 1566 leden 3 en 5 gewijzigd heeft, moet de
vervoerder deze geadresseerde inlichten.
Artikel 1570
1.De vervoerder heeft recht op
vergoeding van de kosten veroorzaakt door:
a. het inwinnen van instructies,
b. het uitvoeren van de ontvangen
instructie,
c. het niet of niet tijdig
ontvangen van door hem verzochte instructie,
d. het nemen van een beslissing
overeenkomstigartikel 1568 lid 1, zonder instructies gevraagd te
hebben,
tenzij deze kosten door zijn schuld
veroorzaakt zijn. Hij kan met name de vrachtprijs voor het werkelijk
gereden vervoertraject in rekening brengen en aanspraak maken op de
daarmee overeenstemmende afleveringstermijn.
2.In de gevallen bedoeld in artikel
1568 lid 2 en in artikel 1569 lid 1 kan de vervoerder de zaken
onmiddellijk en op kosten van de rechthebbende lossen. Na het lossen
wordt het vervoer geacht beëindigd te zijn. De vervoerder bewaart
vervolgens de zaken voor rekening van de rechthebbende. Hij kan de
zaken evenwel toevertrouwen aan een derde en is dan slechts
aansprakelijk voor de oordeelkundige keuze van die derde. De zaken
blijven belast met de uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende
schuldvorderingen en alle andere kosten.
3.In geval van toepassing van lid 2 is
artikel 1133van overeenkomstige toepassing.
4.Indien in geval van belemmeringen in
het vervoer of in de aflevering de afzender binnen redelijke tijd geen
instructies meedeelt en de belemmering in het vervoer of in de
aflevering niet opgelost kan worden overeenkomstig de bepalingen van
de leden 2 en 3, kan de vervoerder de zaken op kosten van de afzender
terugzenden of, indien zulks gerechtvaardigd is, vernietigen.
Afdeling 3. Aansprakelijkheid
Artikel 1571
1.De vervoerder is aansprakelijk voor
de schade ten gevolge van geheel of gedeeltelijk verlies of
beschadiging van de zaken vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de
aflevering, alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering.
2.De vervoerder is van deze
aansprakelijkheid ontheven voorzover het verlies, de beschadiging of
de vertraging in de aflevering is veroorzaakt door schuld van de
rechthebbende, door een opdracht van de rechthebbende die niet het
gevolg is van de schuld van de vervoerder, door eigen gebrek van de
zaak (inwendig bederf, gewichtsverlies, enz.) of door omstandigheden
die de vervoerder niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet
kon verhinderen. Gebrekkigheid of slecht functioneren van het
materiaal waarvan de vervoerder zich bedient, daaronder begrepen de
spoorweginfrastructuur, wordt niet beschouwd als een omstandigheid die
de vervoerder niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon
verhinderen.
3.De vervoerder is van deze
aansprakelijkheid ontheven, voorzover het verlies of de beschadiging
een gevolg is van de bijzondere risico's, verbonden aan een of meer
van de volgende feiten:
a. het vervoer in open wagens,
verricht krachtens een beding dat is opgenomen in op de
vervoerovereenkomst toepasselijke algemene vervoervoorwaarden en
uitdrukkelijk is overeengekomen en vermeld op de vrachtbrief;
behalve voor de schade veroorzaakt door weersomstandigheden aan de
zaken, worden de zaken geladen in intermodale transporteenheden en
in gesloten wegvoertuigen die op spoorwagens vervoerd worden, niet
beschouwd als vervoerd in open wagen; indien de afzender dekkleden
voor het vervoer van zaken in open wagens gebruikt, heeft de
vervoerder dezelfde aansprakelijkheid als die bij het vervoer in
open wagens zonder dekkleden, zelfs als het zaken betreft die
volgens de Algemene vervoervoorwaarden niet in open wagens worden
vervoerd;
b. het ontbreken of de
gebrekkigheid van de verpakking bij zaken die door hun aard
onderhevig zijn aan verliezen of beschadigingen, wanneer ze niet
of gebrekkig zijn verpakt;
c. het laden van de zaken door de
afzender of het lossen door de geadresseerde;
d. de aard van bepaalde zaken die
door met deze aard zelf samenhangende oorzaken zijn blootgesteld
aan geheel of gedeeltelijk verlies of aan beschadiging zoals in
het bijzonder breuk, roest, inwendig en spontaan bederf,
uitdroging, vermindering in massa;
e. de onjuiste, onnauwkeurige of
onvolledige aanduiding of nummering van de colli;
f. het vervoer van levende dieren;
g. vervoer dat krachtens de
toepasselijke bepalingen of op de vrachtbrief vermelde bedingen
tussen de afzender en de vervoerder uitgevoerd moet worden onder
begeleiding, indien het verlies of de beschadiging het gevolg is
van een gevaar dat de begeleiding had moeten vermijden.
Artikel 1572
1.In geval van een vervoer van op eigen
wielen rollende spoorvoertuigen die als te vervoeren zaak ten vervoer
worden aangeboden, is de vervoerder aansprakelijk voor de schade ten
gevolge van het verlies of beschadiging van de spoorvoertuigen en de
bestanddelen daarvan vanaf de aanneming ten vervoer tot de aflevering
alsmede voor de schade ten gevolge van de overschrijding van
afleveringstermijn, tenzij hij bewijst dat de schade niet door zijn
schuld veroorzaakt is.
2.De vervoerder is niet aansprakelijk
voor schade die het gevolg is van het verlies van de losse
bestanddelen waarvan geen melding wordt gemaakt op beide zijden van
het voertuig of die niet opgenomen zijn in de inventaris die het
voertuig begeleidt.
Artikel 1573
1.Het bewijs dat het verlies, de
beschadiging of de vertraging in de aflevering door een van de in
artikel 1571 lid 2genoemde feiten is veroorzaakt, rust op de
vervoerder.
2.Wanneer de vervoerder bewijst dat het
verlies of de beschadiging, gelet op de omstandigheden van het geval,
kan zijn ontstaan uit een of meer van de in artikel 1571 lid 3
genoemde bijzondere risico's, wordt vermoed dat het verlies of de
beschadiging daardoor is veroorzaakt. De rechthebbende heeft evenwel
het recht te bewijzen dat de schade geheel of gedeeltelijk niet door
een van deze risico's is veroorzaakt.
3.Het vermoeden volgens lid 2 is niet
van toepassing in het geval bedoeld inartikel 1571 lid 3, onder a,
indien het een ongewoon groot verlies of een verlies van colli
betreft.
Artikel 1574
Wanneer een vervoer dat het onderwerp
vormt van één en dezelfde vervoerovereenkomst, door meer opvolgende
vervoerders wordt verricht, treedt iedere vervoerder door het overnemen
van de zaken met de vrachtbrief toe tot de vervoerovereenkomst
overeenkomstig de bepalingen van de vrachtbrief en neemt hij de daaruit
voortvloeiende verplichtingen op zich. In dit geval is iedere vervoerder
aansprakelijk voor de uitvoering van het vervoer op het gehele
vervoertraject tot aan de aflevering.
Artikel 1575
1.Wanneer de vervoerder de uitvoering
van het vervoer geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een
ondervervoerder, al dan niet op grond van een aan hem in de
vervoerovereenkomst toegekende bevoegdheid, blijft de vervoerder
niettemin aansprakelijk voor het volledige vervoer.
2.Alle bepalingen van deze titel die
betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook
van toepassing op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met
betrekking tot het door hem verrichte vervoer. Wanneer een vordering
wordt ingesteld tegen zijn ondergeschikten en andere personen van wier
diensten de ondervervoerder gebruik maakt bij de uitvoering van het
vervoer, zijn de artikelen 1584 en 1587 van toepassing.
3.Een bijzondere overeenkomst waarin de
vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet op hem rusten
krachtens deze titel, of waarin hij afziet van rechten die hem
ingevolge deze titel zijn toegekend, is niet bindend voor de
ondervervoerder die hiermee niet uitdrukkelijk en schriftelijk heeft
ingestemd. Ongeacht of de ondervervoerder deze overeenkomst al dan
niet heeft aanvaard, blijft de vervoerder niettemin gebonden aan de
uit deze bijzondere overeenkomst voortvloeiende verplichtingen of
afstand van rechten.
4.Wanneer en voorzover de vervoerder en
de ondervervoerder aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk
aansprakelijk.
5.Het totale bedrag van de
schadevergoeding verschuldigd door de vervoerder, de ondervervoerder
alsmede door hun ondergeschikten en andere personen van wier diensten
zij gebruik maken voor de uitvoering van het vervoer is niet hoger dan
de in deze titel voorgeschreven maximumbedragen.
6.Dit artikel doet geen afbreuk aan de
mogelijke regresrechten tussen de vervoerder en de ondervervoerder.
Artikel 1576
Wanneer een zending, die overeenkomstig
deze titel verzonden is, eveneens overeenkomstig deze titel is
doorgezonden en wanneer na deze doorzending een gedeeltelijk verlies of
een schade is vastgesteld, wordt vermoed dat het gedeeltelijk verlies of
de schade is ontstaan tijdens de laatste vervoerovereenkomst, indien de
zending onder de hoede van de vervoerder is gebleven en is doorgezonden
in dezelfde toestand waarin zij op de plaats van doorzending is
aangekomen.
Artikel 1577
1.De rechthebbende kan zonder nader
bewijs de zaken als verloren beschouwen, wanneer zij niet binnen 30
dagen na afloop van de afleveringstermijn aan de geadresseerde zijn
afgeleverd of te zijner beschikking zijn gesteld.
2.De rechthebbende kan bij het
ontvangen van de schadevergoeding voor de verloren zaken schriftelijk
verzoeken er onverwijld in kennis van te worden gesteld in geval de
zaken zijn teruggevonden binnen een jaar na de betaling van de
schadevergoeding. De vervoerder bevestigt dit verzoek schriftelijk.
3.Binnen dertig dagen na ontvangst van
de in lid 2 bedoelde kennisgeving kan de rechthebbende verzoeken dat
de zaken aan hem worden afgeleverd tegen betaling van de
schuldvorderingen die uit de vrachtbrief voortvloeien en tegen
terugbetaling van de ontvangen schadevergoeding, onder aftrek, in
voorkomend geval, van de kosten die in deze schadevergoeding begrepen
zouden zijn geweest. Hij behoudt niettemin zijn in artikelen 1581 en
1583 bedoelde rechten op schadevergoeding voor overschrijding van de
afleveringstermijn.
4.Bij gebreke van een in lid 2 bedoeld
verzoek of van binnen de in lid 3 bedoelde termijn gegeven
instructies, of indien de zaken meer dan een jaar na de betaling van
de schadevergoeding teruggevonden zijn, beschikt de vervoerder
daarover overeenkomstig de wetten en voorschriften die gelden op de
plaats waar de zaken zich bevinden.
Artikel 1578
1.In geval van geheel of gedeeltelijk
verlies van de zaken moet de vervoerder, met uitsluiting van elke
andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen berekend volgens
de beursprijs, bij gebreke daarvan volgens de marktprijs en, bij
gebreke van beide, volgens de gebruikelijke waarde van zaken van
dezelfde aard en kwaliteit op de dag en de plaats waar de zaken in
ontvangst zijn genomen.
2.De schadevergoeding bedraagt niet
meer dan 17 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa. De
rekeneenheid is het bijzondere trekkingsrecht zoals dat is omschreven
door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in het
eerste lid worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers van de
dag, waarop de betaling wordt verricht. De waarde van het Nederlandse
geld, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend
volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire
Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen
verrichtingen en transacties.
3.In geval van verlies van een op eigen
wielen rollend spoorvoertuig dat als te vervoeren zaak ten vervoer is
aangeboden of van verlies van een intermodale transporteenheid of van
hun bestanddelen, is de schadevergoeding, met uitsluiting van elke
andere schadevergoeding, beperkt tot de gebruikelijke waarde van het
spoorvoertuig of de intermodale transporteenheid of hun bestanddelen
op de dag en de plaats van het verlies. Indien het niet mogelijk is de
dag of de plaats van het verlies vast te stellen, is de
schadevergoeding beperkt tot de gebruikelijke waarde op de dag en de
plaats van de inontvangstneming.
4.De vervoerder moet bovendien de
vrachtprijs en de overige ter zake van het vervoer van de verloren
zaken betaalde bedragen terugbetalen, met uitzondering van de
accijnzen op zaken die vervoerd worden onder opschorting van die
accijnzen.
Artikel 1579
1.Met betrekking tot zaken, die
ingevolge hun aard in het algemeen een gewichtsverlies ondergaan
tijdens het vervoer, is de vervoerder, ongeacht de lengte van het
afgelegde traject, slechts aansprakelijk voor het gedeelte van het
verlies dat meer bedraagt dan:
a. twee procent van de massa voor
vloeibare of in vochtige toestand aangeboden zaken;
b. één procent van de massa voor
droge zaken.
2.Op de in lid 1 bedoelde beperking van
de aansprakelijkheid kan geen beroep worden gedaan, indien wordt
bewezen, dat het verlies, gelet op de omstandigheden van het geval,
geen gevolg is van oorzaken, die de afwijking rechtvaardigen.
3.In het geval dat meer colli met één
enkele vrachtbrief zijn vervoerd, wordt het gewichtsverlies berekend
voor iedere collo, wanneer de massa ervan bij vertrek afzonderlijk op
de vrachtbrief is vermeld of op andere wijze kan worden vastgesteld.
4.In geval van geheel verlies van de
zaak of in geval van verlies van colli vindt voor de berekening van de
schadevergoeding geen aftrek plaats wegens gewichtsverlies tijdens het
vervoer.
5.Dit artikel laat deartikelen 1571 en
1573 onverlet.
Artikel 1580
1.In geval van beschadiging van de
zaken moet de vervoerder, met uitsluiting van elke andere
schadevergoeding, een schadevergoeding betalen gelijk aan de
waardevermindering van de zaken. Dit bedrag wordt berekend door op de
overeenkomstig artikel 1578bepaalde waarde van de zaken het op de
plaats van bestemming vastgestelde percentage van de
waardevermindering toe te passen.
2.De schadevergoeding bedraagt niet
meer dan:
a. indien de gehele zending door de
beschadiging in waarde is verminderd, het in geval van geheel
verlies te betalen bedrag;
b. indien slechts een gedeelte van
de zending door de beschadiging in waarde is verminderd, het in
geval van verlies van het in waarde verminderde gedeelte te
betalen bedrag.
3.In geval van beschadiging van een op
eigen wielen rollend spoorvoertuig dat als te vervoeren zaak ten
vervoer is aangeboden of van beschadiging van een intermodale
transporteenheid of van hun bestanddelen wordt de aansprakelijkheid
beperkt tot de herstelkosten, met uitsluiting van elke andere
schadevergoeding. De schadevergoeding bedraagt niet meer dan het in
geval van verlies te betalen bedrag.
4.De vervoerder moet bovendien de in
artikel 1578 lid 4 vermelde kosten in de in lid 1 bepaalde verhouding
terugbetalen.
Artikel 1581
1.Indien een schade, met inbegrip van
een beschadiging, voortvloeit uit het overschrijden van de
afleveringstermijn, moet de vervoerder een schadevergoeding betalen
die niet meer bedraagt dan het viervoud van de vrachtprijs.
2.In geval van geheel verlies van de
zaken komt de in lid 1 bedoelde schadevergoeding niet bovenop die
bedoeld in artikel 1578.
3.In geval van gedeeltelijk verlies van
de zaken bedraagt de in lid 1 bepaalde schadevergoeding niet meer dan
het viervoud van de vrachtprijs van het niet verloren gedeelte van de
zending.
4.In geval van beschadiging van zaken
die niet het gevolg is van de overschrijding van de afleveringstermijn
komt, in voorkomend geval, de in lid 1 bedoelde schadevergoeding
bovenop die bedoeld in artikel 1580.
5.In geen geval kan de som van de in
lid 1 bedoelde schadevergoeding en die van de artikelen 1578 en1580
hoger zijn dan de schadevergoeding die verschuldigd is in geval van
geheel verlies van de zaken.
6.Wanneer de afleveringstermijn
overeenkomstigartikel 1564 lid 1 is vastgesteld bij overeenkomst, kan
daarin in een van lid 1 afwijkende regeling tot schadevergoeding
voorzien worden. Indien in dit geval de in artikel 1564 leden 2 tot en
met 4 bedoelde afleveringstermijnen overschreden worden, kan de
rechthebbende hetzij de schadevergoeding uit de bovenvermelde
overeenkomst verlangen, hetzij de schadevergoeding die in de leden 1
tot en met 5 is voorzien.
Artikel 1582
De afzender en de vervoerder kunnen
overeenkomen dat de afzender in de vrachtbrief een waarde der zaken
opneemt die het in artikel 1578 lid 2voorgeschreven maximumbedrag
overschrijdt. In dat geval treedt het aangegeven bedrag in de plaats van
dit maximumbedrag.
Artikel 1583
De afzender en de vervoerder kunnen
overeenkomen dat de afzender een bijzonder belang bij de aflevering
aangeeft door op de vrachtbrief een bedrag in cijfers te vermelden voor
het geval van verlies of beschadiging en het geval van overschrijding
van de afleveringstermijn. In geval van aangifte van een belang bij de
aflevering kan boven op de in de artikelen 1578, 1580 en 1581 bedoelde
schadevergoedingen de vergoeding van de overige bewezen schade verlangd
worden tot ten hoogste het bedrag van het aangegeven belang.
Artikel 1584
De in deartikelen 1563 lid 3, 1567 leden
6 en 7, 1578, 1580 tot en met 1583 bedoelde beperkingen van
aansprakelijkheid zijn niet van toepassing, indien is bewezen dat de
schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal
voortvloeien.
Artikel 1585
Indien de rechthebbende niet binnen een
hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de
vordering nodige bewijsstukken aan de vervoerder overlegt, loopt de
rente over de schadevergoeding niet tussen de afloop van deze termijn en
de daadwerkelijke overlegging van de stukken.
Artikel 1586
De vervoerder is aansprakelijk voor zijn
ondergeschikten en voor andere personen van wier diensten hij gebruik
maakt bij de uitvoering van het vervoer, wanneer deze ondergeschikten of
andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden. De
beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt
verricht, worden beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder
gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer.
Artikel 1587
1.In alle gevallen waar deze titel van
toepassing is, kan tegen de vervoerder slechts een vordering wegens
aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld onder de
voorwaarden en beperkingen van deze titel.
2.Hetzelfde geldt voor een vordering
ingesteld tegen de ondergeschikten en de andere personen voor wie de
vervoerder krachtens artikel 1586 aansprakelijk is.
Afdeling 4. Uitoefening van rechten
Artikel 1588
1.Wanneer een gedeeltelijk verlies of
een beschadiging door de vervoerder wordt ontdekt of vermoed of door
de rechthebbende wordt beweerd, moet de vervoerder onverwijld en zo
mogelijk in aanwezigheid van de rechthebbende een proces-verbaal
opmaken dat naargelang de aard van de schade, de toestand van de zaken
en zo mogelijk de omvang, de oorzaak en het tijdstip van ontstaan van
de schade vermeldt.
2.Een afschrift van dit proces-verbaal
moet kosteloos aan de rechthebbende worden verstrekt.
3.Wanneer de rechthebbende niet met de
vermeldingen in het proces-verbaal instemt, is artikel 1135 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1589
1.Vorderingen buiten rechte met
betrekking tot de vervoerovereenkomst moeten schriftelijk worden
ingediend bij de vervoerder tegen wie de rechtsvordering kan worden
ingesteld.
2.Vorderingen buiten rechte kunnen
ingediend worden door de personen die gerechtigd zijn
rechtsvorderingen in te stellen tegen de vervoerder.
3.De afzender die een vordering buiten
rechte indient, moet de duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke
daarvan moet hij de machtiging van de geadresseerde overleggen of
bewijzen dat deze laatste de zaken heeft geweigerd.
4.De geadresseerde die een vordering
buiten rechte indient, moet de vrachtbrief overleggen, indien deze aan
hem is afgegeven.
5.De vrachtbrief, de
duplicaat-vrachtbrief en de overige bescheiden die de rechthebbende
bij zijn vordering buiten rechte wil voegen, moeten worden overgelegd
in origineel of in voorkomend geval op verzoek van de vervoerder, in
een naar behoren gewaarmerkt afschrift.
6.Bij de regeling van de vordering
buiten rechte kan de vervoerder de overlegging van het origineel van
de vrachtbrief, de duplicaat-vrachtbrief of het remboursbewijs
verlangen om er de regeling op te vermelden.
Artikel 1590
1.Behoudens de leden 3 en 4, zijn tot
het instellen van de op de vervoerovereenkomst gegronde
rechtsvorderingen gerechtigd:
a. de afzender tot het tijdstip
waarop de geadresseerde
i. de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen,
ii. de zaken heeft aangenomen
of
iii. de hem krachtens artikel
1565 lid 3 of artikel 1566 lid 3 toekomende rechten heeft doen
gelden;
b. de geadresseerde vanaf het
tijdstip waarop hij
i. de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen,
ii. de zaken heeft aangenomen
of
iii. de hem krachtens artikel
1565 lid 3 of artikel 1566 lid 3 toekomende rechten heeft doen
gelden.
2.Het recht van de geadresseerde om een
rechtsvordering in te stellen, vervalt zodra de door hem
overeenkomstigartikel 1566 lid 5 aangewezen persoon de vrachtbrief in
ontvangst heeft genomen, de zaken heeft aangenomen of de hem krachtens
artikel 1565 lid 3 toekomende rechten heeft doen gelden.
3.De rechtsvordering tot terugbetaling
van een bedrag dat op grond van de vervoerovereenkomst betaald is,
komt slechts toe aan degene die de betaling heeft gedaan.
4.De rechtsvordering met betrekking tot
rembours komt slechts toe aan de afzender.
5.Om rechtsvorderingen in te stellen
moet de afzender de duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke
daarvan moet hij een machtiging van de geadresseerde overleggen of
bewijzen dat deze laatste de zaken heeft geweigerd. Indien nodig moet
de afzender het bewijs leveren van het ontbreken of het verlies van de
vrachtbrief.
6.Om rechtsvorderingen in te stellen
moet de geadresseerde de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem
is afgegeven.
Artikel 1591
1.Behoudens de leden 3 en 4, kunnen de
op de vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen uitsluitend
worden ingesteld tegen de eerste of laatste vervoerder of tegen de
vervoerder die dat deel van het vervoer verrichtte gedurende welke het
feit dat tot de rechtsvordering heeft geleid, zich heeft voorgedaan.
2.Wanneer in geval het vervoer wordt
verricht door opvolgende vervoerders, de vervoerder die de zaken moet
afleveren met zijn instemming is ingeschreven op de vrachtbrief, kan
overeenkomstig lid 1 de rechtsvordering tegen hem worden ingesteld,
zelfs als hij de zaken of de vrachtbrief niet heeft ontvangen.
3.De rechtsvordering tot terugbetaling
van een krachtens de vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden
ingesteld tegen de vervoerder die dit bedrag heeft geïnd of tegen
degene ten voordele van wie dit bedrag is geïnd.
4.De rechtsvordering ter zake van
rembours kan alleen worden ingesteld tegen de vervoerder die de zaken
op de plaats van afzending ten vervoer heeft aangenomen.
5.De rechtsvordering kan tegen een
andere dan de in de leden 1 en 4 bedoelde vervoerders worden ingesteld
als tegeneis of als verweer in een geding over een op dezelfde
vervoerovereenkomst gegronde vordering.
6.Voorzover deze titel van toepassing
is op de ondervervoerder, kan tegen hem eveneens een rechtsvordering
worden ingesteld.
7.Indien de eiser de keuze heeft tussen
meer vervoerders, vervalt zijn keuzerecht zodra de rechtsvordering
tegen een van hen is ingesteld; dit geldt eveneens indien de eiser de
keuze heeft tussen een of meer vervoerders en een ondervervoerder.
Artikel 1592
1.Door de inontvangstneming van de
zaken door de rechthebbende wordt deze vermoed de zaken in goede staat
en op tijd te hebben ontvangen.
2.Dit vermoeden kan slechts worden
weerlegd:
a. in geval van gedeeltelijk
verlies of beschadiging, indien
i. het verlies of de
beschadiging overeenkomstigartikel 1588 is vastgesteld vóór
de inontvangstneming van de zaken door de rechthebbende;
ii. de vaststelling, die
overeenkomstig artikel 1588 had moeten geschieden, slechts
door de schuld van de vervoerder achterwege is gebleven;
b. in geval van uiterlijk niet
waarneembare schade, die is vastgesteld na de inontvangstneming
van de zaken door de rechthebbende, indien deze
i. de vaststelling
overeenkomstig artikel 1588onmiddellijk na de ontdekking van
de schade en uiterlijk binnen zeven dagen na de
inontvangstneming van de zaken verlangt, en
ii. bovendien bewijst, dat de
schade tussen de aanneming ten vervoer van de zaken en de
aflevering is ontstaan;
c. in geval van overschrijding van
de afleveringstermijn, indien de rechthebbende zijn rechten binnen
zestig dagen bij een van de in artikel 1591 lid 1bedoelde
vervoerders heeft doen gelden;
d. indien de rechthebbende bewijst
dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de
vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te
veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade
er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.
3.Indien de zaken overeenkomstig
artikel 1576 doorgezonden zijn, vervallen de vorderingen uit een der
voorafgaande vervoerovereenkomsten in geval van gedeeltelijk verlies
of beschadiging als betrof het een enkele overeenkomst.
Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen
tussen de vervoerders
Artikel 1593
1.Elke vervoerder moet aan de betrokken
vervoerders het hun toekomende aandeel betalen van de kosten of andere
uit de vervoerovereenkomst ontstane schuldvorderingen, die hij ofwel
bij vertrek, ofwel bij aankomst heeft geïnd of had moeten innen. De
wijze van betaling wordt in een overeenkomst tussen de vervoerders
vastgelegd.
2.Artikel 1560 is eveneens van
toepassing op de betrekkingen tussen opvolgende vervoerders.
Artikel 1594
1.De vervoerder die krachtens deze
titel een schadevergoeding heeft betaald, heeft recht van regres
jegens de bij het vervoer betrokken vervoerders overeenkomstig de
volgende bepalingen:
a. de vervoerder die de schade
heeft veroorzaakt, is daarvoor alleen aansprakelijk;
b. wanneer de schade is veroorzaakt
door meer vervoerders, is ieder van hen aansprakelijk voor de door
hem veroorzaakte schade; is deze toedeling niet mogelijk, dan
wordt de schadevergoeding onder hen volgens onderdeel c verdeeld;
c. indien niet kan worden bewezen
welke vervoerder de schade heeft veroorzaakt, wordt de
schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken vervoerders
verdeeld, met uitsluiting van hen die bewijzen, dat de schade niet
door hen is veroorzaakt; de verdeling geschiedt naar evenredigheid
van het aandeel in de vrachtprijs dat aan iedere vervoerder
toekomt.
2.In geval van onvermogen om te betalen
van een van de vervoerders wordt het te zijnen laste komende en door
hem niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer betrokken
vervoerders verdeeld naar evenredigheid van het aandeel in de
vrachtprijs dat aan ieder van hen toekomt.
Artikel 1595
1.De gegrondheid van de betaling
verricht door de vervoerder die krachtens artikel 1594 het regres
uitoefent, kan niet betwist worden door de vervoerder tegen wie het
bedoeld regres wordt uitgeoefend, wanneer de schadevergoeding door de
rechter is vastgesteld en wanneer deze laatstgenoemde vervoerder, naar
behoren gedagvaard, de mogelijkheid is geboden tot tussenkomst in het
geding. De rechter bij wie de hoofdvordering aanhangig is, stelt de
termijnen voor de betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst
vast.
2.De vervoerder die het regres
uitoefent, moet zijn vordering instellen in één en hetzelfde geding
tegen alle vervoerders met wie hij geen schikking heeft getroffen, op
straffe van verlies van regres jegens de niet gedagvaarde vervoerders.
3.De rechter beslist in één uitspraak
over alle bij hem aanhangige regresvorderingen.
4.Regresvorderingen kunnen niet
aanhangig worden gemaakt door het instellen van een rechtsvordering in
het geding dat de rechthebbende heeft ingesteld om schadevergoeding te
verlangen op grond van de vervoerovereenkomst.
Artikel 1596
De vervoerders kunnen onderling
overeenkomsten afsluiten die afwijken van de artikelen 1593 en1594.
Titel 19. Ongevallen
Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor
spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur
Artikel 1661
1.De aansprakelijkheid op grond van
artikel 173 van Boek 6 ten aanzien van een spoorvoertuig, dat bij een
spoorwegonderneming in gebruik is, rust op die spoorwegonderneming. Is
het spoorvoertuig in gebruik bij een bedrijf van andere aard, dan rust
deze aansprakelijkheid op dit andere bedrijf. Wordt het spoorvoertuig
gebruikt door het ter beschikking te stellen voor gebruik in de
uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust die
aansprakelijkheid op die ander.
2.De aansprakelijkheid op grond van
artikel 174 van Boek 6 ten aanzien van de spoorweginfrastructuur rust
op de beheerder.
Afdeling 2. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een spoorrijtuig
Artikel 1670
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde
concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene maatregel van
bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden zijn, en
tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de stof zich
bevindt;
b. "spoorvoertuig": elk
voertuig, ingericht om op spoorstaven te rijden;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door dood
of letsel van enige persoon veroorzaakt door een gevaarlijke
stof;
2°. andere schade buiten het
spoorvoertuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich
bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering
van verlies van of schade met betrekking tot andere
spoorvoertuigen en zaken aan boord daarvan, indien die
spoorvoertuigen deel uitmaken van een trein, waarvan ook dit
spoorvoertuig deel uitmaakt;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door zulke
maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade
door wie dan ook genomen met uitzondering van de overeenkomstig deze
afdeling aansprakelijke persoon nadat een gebeurtenis heeft
plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, waardoor
schade ontstaat of waardoor een ernstige en onmiddellijke dreiging
van schade ontstaat.
Artikel 1671
1.Deze afdeling is niet van toepassing,
indien de spoorwegonderneming jegens degene die de vordering instelt,
aansprakelijk is uit hoofde van een exploitatie-overeenkomst of jegens
deze persoon een beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2.Deze afdeling is van toepassing op de
periode waarin een gevaarlijke stof zich in een spoorvoertuig bevindt,
daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de inlading van de
gevaarlijke stof in het spoorvoertuig tot het einde van de lossing van
die stof uit het spoorvoertuig.
3.Deze afdeling is niet van toepassing
op schade veroorzaakt wanneer het spoorvoertuig uitsluitend wordt
gebruikt op een niet voor publiek toegankelijk terrein en zulk gebruik
een onderdeel vormt van een op dat terrein plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4.Op zich overeenkomstig het tweede lid
aan boord bevindende stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is
dat artikel niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde
lid voordoet.
Artikel 1672
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt
in een vervoermiddel dat zich aan boord van een spoorvoertuig bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde vervoermiddel wordt
gelost, zal de gevaarlijke stof voor die periode geacht worden zich
alleen aan boord van genoemd spoorvoertuig te bevinden. Gedurende de
handelingen bedoeld in artikel 1673, vijfde lid, onderdelen c, d en e,
echter zal de gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord van
het gestapelde vervoermiddel te bevinden.
Artikel 1673
1.De spoorwegonderneming die ten tijde
van een gebeurtenis met een spoorvoertuig aan boord waarvan zich een
gevaarlijke stof bevindt, de zeggenschap heeft over het gebruik van
dat spoorvoertuig, is aansprakelijk voor de schade door deze stof
veroorzaakt ten gevolge van deze gebeurtenis. Indien de gevaarlijke
stof zich bevindt in een spoorvoertuig, voortbewogen door middel van
tractie, berust de zeggenschap over het gebruik van dat spoorvoertuig
bij de spoorwegonderneming die de zeggenschap over de tractie heeft.
Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde
oorzaak, dan rust de aansprakelijkheid op de spoorwegonderneming die
ten tijde van het eerste feit de zeggenschap over het gebruik van het
spoorvoertuig had.
2.De spoorwegonderneming is niet
aansprakelijk indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of
natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en
onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde, niet
zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid, onderdeel a,
geschied met het opzet de schade te veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in te lichten
over de gevaarlijke aard van de stof, en noch de
spoorwegonderneming, noch de in het vijfde lid, onderdeel a,
genoemde personen wisten of hadden behoren te weten dat deze
gevaarlijk was.
3.Indien de spoorwegonderneming bewijst
dat de schade geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of
nalaten van de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de
schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij
geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid
tegenover die persoon.
4.De spoorwegonderneming kan voor
schade slechts uit anderen hoofde dan deze afdeling worden
aangesproken in het geval van het tweede lid, onderdeel c, alsmede in
het geval dat hij uit hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden
aangesproken. In het geval van het tweede lid, onderdeel c, kan de
spoorwegonderneming deze aansprakelijkheid beperken als ware hij op
grond van deze afdeling aansprakelijk.
5.Behoudens de artikelen 1674 en 1675
zijn voor schade niet aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de spoorwegonderneming,
b. ieder die ten behoeve van het
spoorrijtuig werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege de spoorwegonderneming in
hulp verlenen aan het spoorrijtuig, de zich aan boord daarvan
bevindende zaken of personen,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het spoorrijtuig, de
zich aan boord daarvan bevindende zaken of personen,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de spoorwegonderneming,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid, onderdelen b,
c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
6.De spoorwegonderneming heeft, voor
zover niet anders is overeengekomen, verhaal op de in het zesde lid
bedoelde personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge het slot
van dit lid voor de schade kunnen worden aangesproken.
7.Voor de toepassing van dit en het
volgende artikel wordt de beheerder van de door de spoorwegonderneming
gebruikte spoorweginfrastructuur begrepen onder de in lid 5 onder a
bedoelde personen.
Artikel 1674
1.Indien de spoorwegonderneming bewijst
dat de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in artikel 1671,
tweede lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende
verantwoordelijkheid van een door hem bij name genoemde ander dan de
spoorwegonderneming of zijn ondergeschikte, vertegenwoordiger of
lasthebber, zoals de afzender of ontvanger, is de spoorwegonderneming
niet aansprakelijk voor de schade als gevolg van een gebeurtenis
tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke stof en is die ander
voor deze schade aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling.
2.Indien echter de gevaarlijke stof
tijdens de periode bedoeld in artikel 1671, tweede lid, is geladen of
gelost onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de
spoorwegonderneming en een door de spoorwegonderneming bij name
genoemde ander, zijn de spoorwegonderneming en die ander hoofdelijk
aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor de schade als gevolg
van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke
stof.
3.Indien is geladen of gelost door een
persoon in opdracht of ten behoeve van de vervoerder of een ander,
zoals de afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.Indien een ander dan de
spoorwegonderneming op grond van het eerste of het tweede lid
aansprakelijk is, kan die ander geen beroep doen op artikel 1673,
vijfde lid en zesde lid, onderdeel b.
5.Indien een ander dan de
spoorwegonderneming op grond van het eerste of het tweede lid
aansprakelijk is, zijn ten aanzien van die ander de artikelen 1678 tot
en met 1680 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in
geval van hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid als bepaald krachtens artikel 1678, eerste lid,
geldt voor het geheel der naar aanleiding van eenzelfde
gebeurtenis ontstane vorderingen gericht tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 1679 wordt aangemerkt als door beiden
te zijn gevormd en zulks ten aanzien van de vorderingen waarvoor
het fonds werd gesteld.
6.In de onderlinge verhouding tussen de
spoorwegonderneming en de in het tweede lid van dit artikel genoemde
ander is de spoorwegonderneming niet tot vergoeding verplicht dan in
geval van schuld van hemzelf of van zijn ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers.
7.Dit artikel is niet van toepassing
als tijdens de periode, bedoeld in artikel 1671, tweede lid, is
geladen of gelost onder de uitsluitende of gezamenlijke
verantwoordelijkheid van een persoon, genoemd in artikel 1673, zesde
lid, onderdeel c, d of e.
Artikel 1675
Indien ingevolge artikel 1673, derde lid,
onderdeel c, de spoorwegonderneming niet aansprakelijk is, is de
afzender of andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling en
zijn te diens aanzien de artikelen 1678 tot en met 1680 van
overeenkomstige toepassing. De afzender of andere persoon kan geen
beroep doen op artikel 1673, vijfde lid.
Artikel 1676
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van schade
anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden aangemerkt als
schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 1677
1.Wanneer door een gebeurtenis schade
is veroorzaakt door gevaarlijke stoffen aan boord van een of meer
spoorvoertuigen en een of meer voertuigen dan wel
luchtkussenvoertuigen, zijn de spoorwegondernemingen die over het
gebruik van die spoorvoertuigen de zeggenschap hadden, en de
exploitanten van die voertuigen of luchtkussenvoertuigen, onverminderd
het bepaalde in artikel 1673, tweede en derde lid, en artikel 1674
enafdeling 1 van titel 14 bepaalde, hoofdelijk aansprakelijk voor alle
schade waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zij
veroorzaakt is door gevaarlijke stoffen aan boord van een bepaald
spoorvoertuig of aan boord van een bepaald voertuig of
luchtkussenvoertuig.
2.Het bepaalde in het eerste lid laat
onverlet het beroep op beperking van aansprakelijkheid van de
spoorwegonderneming of exploitant van dat voertuig of
luchtkussenvoertuig krachtens deze afdeling of de artikelen 1218 tot
en met 1220, ieder tot het voor hem geldende bedrag.
Artikel 1678
1.De spoorwegonderneming kan zijn
aansprakelijkheid per gebeurtenis beperken tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen die
verschillend kunnen zijn voor vorderingen ter zake van dood of letsel
en andere vorderingen.
2.De spoorwegonderneming is niet
gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken indien de schade is
ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 1679
Ten einde zich te kunnen beroepen op de
in artikel 1678 bedoelde beperking van aansprakelijkheid moet de
spoorwegonderneming een fonds of fondsen vormen overeenkomstig artikel
1680.
Artikel 1680
1.Hij die gebruik wenst te maken van de
hem in artikel 1678 gegeven bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid, verzoekt een rechtbank die bevoegd is kennis te
nemen van de vorderingen tot vergoeding van schade, het bedrag waartoe
zijn aansprakelijkheid is beperkt, vast te stellen en te bevelen dat
tot een procedure ter verdeling van dit bedrag zal worden overgegaan.
2.Op het verzoek en de procedure ter
verdeling zijn de artikelen 642a, tweede tot en met vierde lid, 642b,
642c, 642e, eerste lid, 642f tot en met 642t, eerste lid, en 642u tot
en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien het krachtens artikel 1678,
eerste lid, bepaalde bedrag voor vorderingen ter zake van dood of
letsel onvoldoende is voor volledige vergoeding van deze vorderingen,
worden deze vorderingen in evenredigheid gekort en zal het krachtens
artikel 1678, eerste lid, bepaalde bedrag voor andere vorderingen naar
evenredigheid worden verdeeld onder die vorderingen en de vorderingen
ter zake van dood of letsel, voor zover deze onvoldaan zouden zijn.
4.De vorderingen van de
spoorwegonderneming ter zake van door hem vrijwillig en binnen de
grenzen der redelijkheid gedane uitgaven en gebrachte offers ter
voorkoming of beperking van schade staan in rang gelijk met andere
vorderingen op het krachtens artikel 1678, eerste lid, bepaalde bedrag
voor andere vorderingen dan die ter zake van dood of letsel.
VII. Slotbepalingen
Titel 20. Verjaring en verval
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1700
1.Een beding, waarbij een wettelijke
termijn van verjaring of verval wordt gewijzigd, wordt aangemerkt als
een beding ter wijziging van de aansprakelijkheid van hem, aan wie een
beroep op deze termijn toekomt.
2.Behoudens artikel 1701 is ieder
beding nietig, waarbij van het vorige lid wordt afgeweken.
Artikel 1701
Een termijn, bij afloop waarvan een
rechtsvordering verjaart of vervalt, kan worden verlengd bij
overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat het feit, dat de
rechtsvordering heeft doen ontstaan, heeft plaatsgehad. In afwijking van
het eerste lid van artikel 1700 wordt een dergelijke verlenging niet
aangemerkt als een wijziging van aansprakelijkheid van hem aan wie een
beroep op een dergelijke termijn toekomt.
Artikel 1702
Het feit, dat een schuldenaar opzettelijk
het bestaan van de schuld voor de schuldeiser verborgen houdt, is niet
van invloed op een termijn van verjaring of verval.
Afdeling 2. Goederenvervoer
Artikel 1710
In artikel 1711 en in de artikelen 1713
tot en met 1720 wordt verstaan onder:
a. vervoerovereenkomst: een
overeenkomst van goederenvervoer als genoemd in de afdelingen 1 van
titel 2, 2 van titel 5, 2 van titel 10, 2 van titel 13 dan wel 4 van
titel 13.
b. vervoerder: een vervoerder bij een
vervoerovereenkomst.
c. afzender: een afzender,
cognossementhouder, geadresseerde of ontvanger bij een
vervoerovereenkomst.
d. dag van aflevering: dag waarop de
onder de vervoerovereenkomst te vervoeren of vervoerde zaken uit het
vervoermiddel zijn afgeleverd, dan wel, indien zij niet zijn
afgeleverd, onder de al dan niet tot uitvoering gekomen
vervoerovereenkomst hadden moeten zijn afgeleverd. Worden zaken na
voortijdige beëindiging van de vervoerovereenkomst alsnog door de
vervoerder in feite afgeleverd, dan geldt de dag dezer feitelijke
aflevering als dag van aflevering. Worden zaken op grond van de
artikelen 491, 957, 1133 of 1198 dan wel enig beding van dusdanige
strekking verkocht, dan geldt de dag van de verkoop als dag van
aflevering.
Artikel 1711
Behoudens de artikelen 1712 en 1720
verjaart een op een vervoerovereenkomst gegronde rechtsvordering door
verloop van één jaar.
Artikel 1712
1.De vervoerder bij een
vervoerovereenkomst onder cognossement, als bedoeld in artikel 377, is
in ieder geval van alle aansprakelijkheid, welke dan ook, met
betrekking tot de vervoerde zaken ontheven, tenzij een rechtsvordering
wordt ingesteld binnen één jaar, welke termijn begint met de aanvang
van de dag volgende op de dag van aflevering of de dag waarop de zaken
hadden moeten zijn afgeleverd.
2.In afwijking van het eerste lid
kunnen rechtsvorderingen tot verhaal op een derde zelfs na afloop van
de in dat lid genoemde termijn worden ingesteld gedurende een termijn
van drie maanden, te rekenen van de dag waar op degene die een
zodanige rechtsvordering tot verhaal instelt ten aanzien van het van
hemzelf gevorderde de zaak heeft geregeld of waarop hij te dien
aanzien in rechte is aangesproken.
3.De in het eerste lid bedoelde termijn
kan worden verlengd bij overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat
de gebeurtenis die de rechtsvordering heeft doen ontstaan, heeft
plaats gehad.
Artikel 1713
1.Behoudens artikel 1716 en in
afwijking van artikel 1717 begint in geval van een door een afzender
tegen een vervoerder ingestelde rechtsvordering terzake van niet
terbeschikkingstelling van het vervoermiddel of niet aanwezig zijn
daarvan, de in artikel 1711 genoemde termijn met de aanvang van de
dag, volgende op de dag dat het vervoermiddel ter beschikking gesteld
had moeten zijn.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing in geval van een door een afzender tegen een vervoerder
ingestelde rechtsvordering terzake van het niet aanvangen van een
verhuizing.
Artikel 1714
In afwijking van artikel 1717 en
behoudens artikel 1719 begint de in artikel 1711 genoemde termijn met de
aanvang van de dag, volgende op de dag van aflevering, indien het een
rechtsvordering betreft terzake van het
a. ten vervoer ter beschikking
stellen of ontvangen van bepaalde zaken, verschaffen van opgaven,
inlichtingen of documenten betreffende deze zaken, betrachten van
zorg ten aanzien van deze documenten, adresseren van bepaalde zaken
of aanbrengen van gegevens op die zaken of op hun verpakking;
b. laden, behandelen, stuwen,
herstuwen, vervoeren, lossen, opslaan, vernietigen of onschadelijk
maken van bepaalde zaken dan wel berokkenen van schade door die
zaken of door in- of uitladen daarvan;
c. afleveren van bepaalde zaken,
verschaffen van middelen tot onderzoek en natellen daarvan, betalen
van vracht daarover of van onkosten of extra-vergoedingen in verband
met deze zaken, vergoeden van de in de artikelen 488, 951, 1129 of
1195 bedoelde schade en innen en afdragen van remboursgelden;
d. invullen, aanvullen, dateren,
ondertekenen of afgeven van een cognossement, vrachtbrief,
ontvangstbewijs of een soortgelijk document.
Artikel 1715
In afwijking van artikel 1717 en
behoudens artikel 1719 is op een rechtsvordering door de vervoerder of
de afzender ingesteld met betrekking tot materiaal, dat van de zijde van
de afzender ter beschikking moet worden gesteld of is gesteld, artikel
1714 van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat in geval de
vervoerder volgens de overeenkomst niet tot teruggave van het materiaal
verplicht is onder de dag van aflevering daarvan mede wordt verstaan de
dag waarop dit materiaal te zijner beschikking werd gesteld.
Artikel 1716
In afwijking van de artikelen 1713 en
1717 begint de in artikel 1711 genoemde termijn in geval van een
rechtsvordering terzake van schade geleden door opzegging of door
voortijdige beëindiging van de vervoerovereenkomst zonder opzegging,
met de aanvang van de dag volgende op de dag dat de overeenkomst
eindigt.
Artikel 1717
Behoudens de artikelen 1713 tot en met
1716, 1718, 1719 en 1822 begint in geval van een rechtsvordering gegrond
op een tijdbevrachting de in artikel 1711 genoemde termijn met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de uitvoering van de
overeenkomst is geëindigd; in geval van een rechtsvordering gegrond op
een reisbevrachting begint deze termijn met de aanvang van de dag
volgende op die waarop de reis, naar aanleiding waarvan de vordering is
ontstaan, is geëindigd.
Artikel 1718
In afwijking van artikel 1717 begint de
in artikel 1711 genoemde termijn in geval van een rechtsvordering tot
schadevergoeding, verschuldigd doordat aan een verplichting tot
verwittigen of op de hoogte stellen niet werd voldaan, met de aanvang
van de dag volgende op de dag waarop deze verplichting ontstond.
Artikel 1719
In afwijking van de artikelen 1714, 1715
en 1717 begint in geval van een door een vervoerder ingestelde
rechtsvordering tot vergoeding van schade geleden door verlies of
beschadiging van een vervoermiddel de in artikel 1711 genoemde termijn
met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het verlies of de
beschadiging plaatsvond.
Artikel 1720
1.Behoudens artikel 1712 begint ten
behoeve van een vervoerder of een afzender, voor zover deze verhaal
zoekt op een partij bij een exploitatie-overeenkomst, als bedoeld in
artikel 361, voor hetgeen door hem aan een derde is verschuldigd, een
nieuwe termijn van verjaring of verval, welke drie maanden beloopt;
deze termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de eerste
der volgende dagen:
a. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan of
b. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, terzake in rechte is aangesproken of
c. de dag waarop de verjaring,
waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit
of
d. de dag waarop de termijn van de
verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal
wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden
met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging.
2.Het eerste lid kan er niet toe
leiden, dat de voor rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende
exploitatie-overeenkomst, geldende termijn van verjaring of verval
eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering tot verhaal die
op die exploitatie-overeenkomst is gegrond.
3.Voor de toepassing van dit artikel
wordt een overeenkomst, waarbij door de ene partij een vervoermiddel
anders dan bij wijze van bevrachting en anders dan bij wijze van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 1080 derde lid, ter beschikking
wordt gesteld van haar wederpartij, als exploitatie-overeenkomst
aangemerkt en worden de partijen bij die overeenkomst aangemerkt als
vervoerder en afzender.
Artikel 1721
1.Indien uit hoofde van de artikelen
1710 tot en met 1720 enige rechtsvordering in verschillende termijnen
verjaart of vervalt dan wel te haren aanzien het begin van de termijn,
waarbinnen de rechtsvordering verjaart of vervalt, verschilt, geldt
die bepaling die de termijn van verjaring of verval het laatst doet
eindigen.
2.Het vorige lid laat artikel 1712
onverlet.
Artikel 1722
1.De artikelen 1710 tot en met 1721
zijn van toepassing op overeenkomsten van gecombineerd
goederenvervoer, met dien verstande, dat onder afzender mede de houder
van een CT-document wordt verstaan en onder dag van aflevering, de dag
van aflevering onder de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer.
2.Indien bij een overeenkomst van
gecombineerd goederenvervoer aan hem die de rechtsvordering instelt
niet bekend is waar de omstandigheid, die tot de rechtsvordering
aanleiding gaf, is opgekomen, wordt die der in aanmerking komende
bepalingen van verjaring of verval toegepast die voor hem de
gunstigste is.
3.Nietig is ieder beding, waarbij van
het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1727
1.Een rechtsvordering gegrond op een
overeenkomst tot goederenvervoer over spoorwegen verjaart door verloop
van één jaar. De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar indien
de rechtsvordering:
a. strekt tot betaling van een door
de vervoerder van de geadresseerde geïnd rembours;
b. strekt tot betaling van de
opbrengst van een door de vervoerder verrichte verkoop;
c. gegrond is op een schade
ontstaan uit een handeling of nalaten geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien;
d. gegrond is op één van de aan
de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het geval
bedoeld inartikel 1576.
2.De verjaring neemt een aanvang bij
rechtsvorderingen:
a. tot schadevergoeding wegens
geheel verlies: op de dertigste dag na afloop van de
afleveringstermijn;
b. tot schadevergoeding wegens
gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van de
aflevering: op de dag van de aflevering;
c. in alle overige gevallen: op de
dag waarop het recht kan worden uitgeoefend.
De als begin van de verjaringstermijn
vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.
3.Ingeval overeenkomstigartikel 1589
een schriftelijke vordering buiten rechte met de nodige bewijsstukken
is ingediend, is de verjaring geschorst tot de dag waarop de
vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de bijgevoegde stukken
terugzendt. Bij gedeeltelijke erkenning van de vordering begint de
verjaringstermijn weer te lopen voor het nog betwiste gedeelte van de
vordering. Het bewijs van de ontvangst van de vordering of van het
antwoord en van de teruggave van de stukken rust op de partij die zich
daarop beroept. Latere vorderingen buiten rechte met dezelfde inhoud
schorsen de verjaring niet.
Afdeling 3. Bijzondere
exploitatie-overeenkomsten
Artikel 1730
1.Een rechtsvordering gegrond op een
overeenkomst, als bedoeld in afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van
titel 10, verjaart door verloop van één jaar.
2.De artikelen 1710, 1713 tot en met
1722 en 1750 tot en met 1754 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen
Artikel 1740
1.Behoudens artikel 1741 verjaart een
op een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen gegronde
rechtsvordering door verloop van negen maanden.
2.De in het eerste lid bedoelde termijn
begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op de dag van
aflevering. Voor de vaststelling van deze dag vindt artikel 1710 onder
d overeenkomstige toepassing. Is de rechtsvordering echter gegrond op
artikel 62 of op artikel 63, dan wel op enig beding van gelijke
strekking, dan begint deze termijn met de aanvang van de dag, volgende
op die waarop de opdrachtgever wist, dat de expediteur niet aan zijn
verplichting tot het doen van mededelingen voldeed.
3.Is de rechtsvordering gegrond op
artikel 65 of artikel 68, dan begint de termijn met de aanvang van de
dag, volgende op de dag dat de overeenkomst tot het doen vervoeren van
goederen eindigt.
Artikel 1741
1.Ten behoeve van een partij bij een
overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen, voor zover deze
verhaal zoekt op haar wederpartij voor hetgeen door haar aan een derde
is verschuldigd, begint een nieuwe termijn van verjaring of verval,
welke drie maanden beloopt; deze termijn begint met de aanvang van de
dag, volgende op de eerste der volgende dagen:
a. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan of
b. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, terzake in rechte is aangesproken of
c. de dag waarop de verjaring, waar
op hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit of
d. de dag waarop de termijn van de
verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal
wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden
met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging.
2.Het eerste lid kan er niet toe
leiden, dat de voor rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende
overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen, geldende termijn van
verjaring of verval eerder verstrijkt ten aanzien van de
rechtsvordering tot verhaal die op die overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen is gegrond.
Afdeling 5. Vervoer van personen
Artikel 1750
1. Behoudens de artikelen 1751 tot en
met 1754 verjaart een op een overeenkomst van personenvervoer, als
genoemd in de afdelingen 4 van titel 2, 5 van titel 2, 3 van titel 10
en 3 van titel 13, gegronde rechtsvordering door verloop van één
jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die
waarop de reiziger het vervoermiddel heeft verlaten of had moeten
verlaten.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
op de verjaring van een rechtsvordering terzake van het vervoer van
bagage, geen hut- of handbagage in de zin van de artikelen 100, 500,
970 of 1141, noch een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of
schip of levend dier zijnde, de artikelen 1710 tot en met 1722 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1750a
1. Elke rechtsvordering tot
schadevergoeding op grond van afdeling 3 van titel 5, die voortvloeit
uit dood of letsel van de reiziger, of uit verlies of beschadiging van
de bagage, verjaart na een termijn van twee jaar.
2. De verjaringstermijn begint te
lopen:
a. bij letsel, vanaf de datum van
ontscheping van de reiziger;
b. bij overlijden tijdens het
vervoer, vanaf de datum waarop de reiziger had moeten ontschepen
en, in geval van een tijdens het vervoer opgelopen letsel dat de
dood van de reiziger na zijn ontscheping tot gevolg heeft, vanaf
de datum van het overlijden; de verjaringstermijn mag evenwel niet
langer zijn dan 3 jaar te rekenen vanaf de datum van ontscheping;
c. bij verlies of beschadiging van
bagage, vanaf de ontschepingsdatum of de datum waarop deze had
moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in
aanmerking wordt genomen.
3. Verlenging of stuiting van de
verjaring heeft niet tot gevolg dat een rechtsvordering uit hoofde van
afdeling 3 van titel 5 kan worden ingesteld na verloop van een van de
volgende termijnen:
a. een termijn van vijf jaar te
rekenen vanaf de datum van de ontscheping van de reiziger of de
datum waarop die had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van
die twee data in aanmerking wordt genomen; dan wel, indien eerder
b. een termijn van drie jaar te
rekenen vanaf de datum waarop de eiser op de hoogte was van het
door het incident veroorzaakte letsel, verlies of schade of
hiervan redelijkerwijze op de hoogte had moeten zijn.
4. Ongeacht de bepalingen van de leden
1, 2 en 3 van dit artikel kan de verjaringstermijn worden verlengd op
grond van een verklaring van de vervoerder of een overeenkomst die
tussen de partijen wordt gesloten nadat de grond voor een aanspraak is
ontstaan. Deze verklaring of overeenkomst wordt schriftelijk
opgesteld.
Artikel 1751
1.Een rechtsvordering jegens de
vervoerder terzake van aan een reiziger overkomen letsel verjaart door
verloop van drie jaren, welke termijn begint met de aanvang van de
dag, volgende op de dag van het de reiziger overkomen voorval of
ongeval.
2.Een rechtsvordering jegens de
vervoerder terzake van dood van een reiziger verjaart door verloop van
drie jaren, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende
op de dag van overlijden van de reiziger, doch welke niet langer loopt
dan vijf jaren beginnend met de aanvang van de dag, volgende op de dag
van het de reiziger overkomen voorval of ongeval.
Artikel 1752
In geval van bevrachting strekkende tot
het vervoer van personen zijn de artikelen 1713 eerste lid, 1716 tot en
met 1719 en 1721 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1753
1.Een rechtsvordering jegens een
vervoerder terzake van dood of letsel van de reiziger of terzake van
hut- of handbagage in de zin van artikel 100, 500, 970 of artikel
1141, dan wel terzake van een als bagage ten vervoer aangenomen
voertuig, schip of levend dier vervalt indien de rechthebbende niet
binnen een termijn van drie maanden aan de vervoerder kennis heeft
gegeven van het aan de reiziger overkomen voorval of ongeval.
2.De in het eerste lid genoemde termijn
begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag van het voorval
of ongeval.
3.Het eerste lid van dit artikel blijft
buiten toepassing indien
a. de rechthebbende binnen de in
het eerste lid genoemde termijn schriftelijk bij de vervoerder een
vordering heeft ingediend;
b. het voorval of ongeval te wijten
is aan schuld van de vervoerder;
c. van het voorval of ongeval geen
kennis is gegeven of niet binnen de in het eerste lid genoemde
termijn kennis is gegeven, het één of het ander door
omstandigheden, die niet voor rekening van de rechthebbende komen;
d. de vervoerder binnen de in het
eerste lid genoemde termijn uit anderen hoofde kennis had van het
voorval of ongeval.
4.Voor de toepassing van dit artikel
wordt een omstandigheid als bedoeld in de artikelen 106 eerste lid
onder b, 505, 975 en 1150 aangemerkt als een aan de reiziger overkomen
voorval of ongeval.
Artikel 1754
1.Ten behoeve van een vervoerder van
personen, een wederpartij van een zodanige vervoerder of een reiziger,
voor zover deze verhaal zoekt op een partij bij een
exploitatie-overeenkomst, als bedoeld in artikel 361, dan wel op een
reiziger voor hetgeen door hem aan een derde is verschuldigd, begint
een nieuwe termijn van verjaring of verval, welke drie maanden
beloopt; deze termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de
eerste der volgende dagen:
a. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan of
b. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, terzake in rechte is aangesproken of
c. de dag waarop de verjaring,
waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit
of
d. de dag waarop de termijn van de
verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal
wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden
met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging.
2.Het eerste lid kan er niet toe
leiden, dat de voor rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende
exploitatie-overeenkomst, geldende termijn van verjaring of verval
eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering tot verhaal die
op die exploitatie-overeenkomst is gegrond.
3.Voor de toepassing van dit artikel
wordt een overeenkomst, waarbij door de ene partij een vervoermiddel
anders dan bij wijze van bevrachting en anders dan bij wijze van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 1080 derde lid, ter beschikking
wordt gesteld van haar wederpartij, als exploitatie-overeenkomst
aangemerkt en worden de partijen bij die overeenkomst aangemerkt als
vervoerder en diens wederpartij of reiziger.
Afdeling 7. Rederij
Artikel 1770
Een rechtsvordering tussen de leden ener
rederij als zodanig en tussen deze leden en de boekhouder als zodanig
verjaart door verloop van vijf jaren.
Afdeling 8. Rechtsvorderingen jegens
kapitein of schipper
Artikel 1780
1.Een rechtsvordering tegen een
kapitein of schipper terzake van schade door hem toegebracht in de
uitoefening van zijn werkzaamheden verjaart door verloop van twee
jaren, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de
dag waarop het schadeveroorzakende voorval plaatsvond.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op rechtsvorderingen van de werkgever van de kapitein of de schipper.
Afdeling 9. Aanvaring
Artikel 1790
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade veroorzaakt door een voorval, als bedoeld in afdeling 1 van titel
6, verjaart, indien zij niet op een overeenkomst is gegrond, door
verloop van twee jaren, welke termijn begint met de aanvang van de dag,
volgende op de dag van dit voorval.
Artikel 1791
Een rechtsvordering tot verhaal van een
overschot, als bedoeld in het derde lid van artikel 545, verjaart door
verloop van één jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de betaling van het overschot heeft plaatsgehad.
Artikel 1792
1.De verjaringstermijn, genoemd in
artikel 1790, wordt verlengd met de dagen, gedurende welke het
aansprakelijk geachte schip niet in beslag kon worden genomen binnen
de staat, waarin de schuldeiser woont of de hoofdzetel van zijn
bedrijf is gevestigd, met dien verstande echter dat
a. indien het schip binnen de
termijn, gesteld in artikel 1790, aldus in beslag kon worden
genomen, deze termijn met niet meer dan drie maanden wordt
verlengd;
b. indien het schip niet binnen de
termijn, gesteld in artikel 1790 aldus in beslag kon worden
genomen, deze termijn eindigt met de aanvang van de dag, volgende
op die waarop drie maanden zijn verlopen sinds het eerste
tijdstip, waarop dit beslag mogelijk was en in ieder geval met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop vijf jaren zijn
verlopen sinds het tijdstip van het voorval, bedoeld in afdeling 1
van titel 6.
2.Indien een rechtsvordering als
bedoeld in artikel 1790 wordt ingesteld vóór de aanvang van de dag,
volgende op die waarop vijf jaren zijn verlopen sinds het tijdstip van
het voorval, bedoeld in afdeling 1 van titel 6, wordt vermoed dat het
aansprakelijk geachte schip voordien niet in beslag kon worden genomen
binnen de staat, waarin de schuldeiser woont of de hoofdzetel van zijn
bedrijf is gevestigd.
3.Bij de toepassing van dit artikel
wordt geen rekening gehouden met een mogelijkerwijs door partijen
overeengekomen verlenging van de in artikel 1790 gestelde termijn.
Artikel 1793
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade veroorzaakt door een voorval, als bedoeld in afdeling 1 van titel
11, verjaart, indien zij niet op een overeenkomst is gegrond, door
verloop van twee jaren, welke termijn begint met de aanvang van de dag,
volgende op de dag van dit voorval.
Artikel 1794
1.Een rechtsvordering tot verhaal van
een overschot, als bedoeld in het derde lid van artikel 1006, verjaart
door verloop van één jaar.
2.De termijn van deze verjaring begint
met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het bedrag van de
hoofdelijke aansprakelijkheid is vastgesteld bij een in kracht van
gewijsde gegaan vonnis. Indien zulk een vaststelling niet is geschied,
begint de termijn van deze verjaring met de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de tot het verhaal aanleiding gevende betaling
heeft plaatsgevonden. Indien de rechtsvordering betrekking heeft op de
verdeling van het aandeel van een onvermogende medeschuldenaar, begint
de termijn van deze verjaring echter te lopen met de aanvang van de
dag, volgende op die waarop de rechthebbende kennis heeft gekregen van
het onvermogen van zijn medeschuldenaar.
Afdeling 10. Hulpverlening
Artikel 1820
1.Een rechtsvordering ter zake van
betaling als bedoeld in artikel 551, onder e, verjaart door verloop
van twee jaren, welke termijn begint met de aanvang van de dag waarop
de hulpverlening is beëindigd.
2.Onverminderd het in artikel 1701
bepaalde kan de in het eerste lid bedoelde termijn worden verlengd
door een verklaring van hem die de verjaring kan inroepen, gedaan
nadat het feit dat de rechtsvordering heeft doen ontstaan heeft
plaatsgehad.
3.In afwijking van het eerste lid
kunnen rechtsvorderingen tot verhaal op een derde zelfs na afloop van
de in dat lid genoemde termijn worden ingesteld gedurende een termijn
van drie maanden, te rekenen van de dag waarop degene die een zodanige
rechtsvordering tot verhaal instelt ten aanzien van het van hemzelf
gevorderde een regeling heeft getroffen of waarop hij te dien aanzien
in rechte is aangesproken.
Artikel 1821 [Vervallen per 10-12-1998]
Artikel 1822 [Vervallen per 10-12-1998]
Artikel 1823 [Vervallen per 10-12-1998]
Afdeling 11. Avarij-grosse
Artikel 1830
1. Een rechtsvordering tot berekening
en omslag van een avarij-grosse, en die tot benoeming van een
dispacheur hiertoe, verjaart door verloop van één jaar.
2. De termijn van deze verjaring begint
met de aanvang van de dag, volgende op de dag van het einde van de
onderneming.
3. Indien de avarij-grosse geheel of
gedeeltelijk uit hulploon bestaat en de vordering tot betaling van dit
hulploon is ingesteld binnen de daarvoor in de artikelen 1820 en 1823
gestelde termijn, doch na verloop van een termijn van negen maanden,
beginnende met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de in het
eerste lid genoemde termijn aanvangt, verjaren de in het eerste lid
genoemde rechtsvorderingen door verloop van een termijn van drie
maanden, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op
die waarop de vordering tot betaling van hulploon is ingesteld.
Artikel 1831
Het recht homologatie dan wel herziening
van een berekening en omslag van een avarij-grosse (dispache) te
verzoeken vervalt door verloop van zes jaren, welke termijn begint met
de aanvang van de dag, volgende op die waarop de dispache of een
uittreksel daarvan aan belanghebbenden is medegedeeld.
Artikel 1832
1. Een rechtsvordering tot betaling van
een bijdrage in avarij-grosse verjaart door verloop van één jaar.
2. De termijn van deze verjaring begint
met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de dispache of een
uittreksel daarvan dan wel, indien een verzoek tot herziening der
dispache is gedaan, de naar aanleiding daarvan opgestelde dispache of
een uittreksel daarvan aan partijen is medegedeeld of aan dezen is
medegedeeld, dat deze dispache ter griffie van de rechtbank is
gedeponeerd, doch in geval van homologatie eerst op de dag dat de
dispache bij in kracht van gewijsde gegane beschikking is
gehomologeerd.
Afdeling 12. Gevaarlijke stoffen aan
boord van een zeeschip, een binnenschip, een voertuig en een
spoorvoertuig
Artikel 1833
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade uit hoofde van de afdelingen 4 van titel 6, 4 van titel 11, 1 van
titel 14 en 4 van titel 19 verjaart door verloop van drie jaren na de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde bekend was of
redelijkerwijze bekend had behoren te zijn met de schade en de daarvoor
aansprakelijke persoon en in ieder geval door verloop van tien jaren na
de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Indien de gebeurtenis
bestond uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, loopt de
termijn van tien jaren vanaf de dag waarop het laatste van die feiten
plaatsvond.
Artikel 1833a
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade uit hoofde van afdeling 5 van titel 6 vervalt door verloop van
drie jaren na de aanvang van de dag waarop de schade is ontstaan en in
ieder geval door verloop van zes jaren na de gebeurtenis waardoor de
schade is ontstaan. Indien de gebeurtenis bestond uit een opeenvolging
van feiten met dezelfde oorzaak, loopt de termijn van zes jaren vanaf de
dag waarop het eerste van die feiten plaatsvond.
Afdeling 13. Luchtrecht
Artikel 1834
1.Een vordering jegens een
luchtvervoerder terzake van beschadiging van aangegeven bagage of
andere zaken vervalt indien de rechthebbende niet onverwijld na de
ontdekking ervan en in ieder geval, wanneer het aangegeven bagage
betreft, binnen een termijn van zeven dagen en, wanneer het andere
zaken betreft, binnen een termijn van veertien dagen aan de vervoerder
protest doet. Deze termijn vangt aan op de dag volgende op de dag van
de aanneming van de zaken.
2.Een vordering jegens een
luchtvervoerder terzake van vertraging in het vervoer van bagage of
andere zaken vervalt indien de rechthebbende niet binnen een termijn
van eenentwintig dagen aan de vervoerder protest doet. Deze termijn
vangt aan op de dag volgende op de dag dat de bagage of andere zaken
te zijner beschikking zijn gesteld.
3.Elk protest moet worden ingebracht
door middel van een op het luchtvervoerbewijs te stellen schriftelijk
voorbehoud of door enig ander document verzonden binnen de voor het
protest voorgeschreven termijn.
4.Het eerste noch het tweede lid van
dit artikel is van toepassing in geval van bedrog van de vervoerder.
5.In dit artikel worden onder «dagen»
niet werkdagen maar kalenderdagen verstaan.
Artikel 1835
Iedere vordering terzake van een
overeenkomst van luchtvervoer vervalt door verloop van twee jaren, welke
termijn aanvangt met de dag volgend op de dag van aankomst van het
luchtvaartuig ter bestemming of de dag, waarop het luchtvaartuig had
moeten aankomen of van de onderbreking van het luchtvervoer.
Artikel 1836
1. Indien bij een overeenkomst van
gecombineerd goederenvervoer aan hem die de rechtsvordering instelt
niet bekend is waar de omstandigheid, die tot de rechtsvordering
aanleiding gaf, is opgekomen, wordt die der in aanmerking komende
bepalingen van verjaring of verval toegepast die voor hem de
gunstigste is.
2. Nietig is ieder beding, waarbij van
het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken.
Algemene Slotbepaling
Slotbepaling
1. De Algemene termijnenwet is niet van
toepassing op de termijnen gesteld in de afdelingen 2 van titel 5, 4
van titel 5, 2 van titel 10 en 4 van titel 10.
2. In de in het eerste lid genoemde
afdelingen worden onder dag verstaan alle kalenderdagen met
uitzondering van de Zondag, de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede
Paas- en Pinksterdagen, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag en de
dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd.
|