| |
|
|
|
|
vorige
BURGERLIJK
WETBOEK (BW)
BOEK
10
Tekst zoals deze geldt op
12 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
Burgerlijk Wetboek Boek 10, Internationaal privaatrecht
Boek 10. Internationaal privaatrecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
De in dit Boek en andere wettelijke regelingen vervatte regels van
internationaal privaatrecht laten de werking van voor Nederland bindende
internationale en communautaire regelingen onverlet.
Artikel 2
De regels van internationaal privaatrecht en het door die regels
aangewezen recht worden ambtshalve toegepast.
Artikel 3
Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter
is het Nederlandse recht van toepassing.
Artikel 4
Indien de vraag welke rechtsgevolgen aan een feit toekomen bij wijze
van voorvraag in verband met een andere, aan vreemd recht onderworpen
vraag moet worden beantwoord, wordt de voorvraag beschouwd als een
zelfstandige vraag.
Artikel 5
Onder de toepassing van het recht van een staat wordt verstaan de
toepassing van de rechtsregels die in die staat gelden met uitzondering
van het internationaal privaatrecht.
Artikel 6
Vreemd recht wordt niet toegepast, voor zover de toepassing ervan
kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Artikel 7
1. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de
inachtneming waarvan een staat zo veel belang hecht voor de handhaving
van zijn openbare belangen, zoals zijn politieke, sociale of
economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval
dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overigens
van toepassing is.
2. De toepassing van het recht waarnaar een verwijzingsregel
verwijst, blijft achterwege, voor zover in het gegeven geval
bepalingen van Nederlands bijzonder dwingend recht toepasselijk zijn.
3. Bij de toepassing van het recht waarnaar een verwijzingsregel
verwijst, kan gevolg worden toegekend aan bepalingen van bijzonder
dwingend recht van een vreemde staat waarmee het geval nauw is
verbonden. Bij de beslissing of aan deze bepalingen gevolg moet worden
toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking alsmede
met de gevolgen die uit het toepassen of het niet toepassen van deze
bepalingen zouden voortvloeien.
Artikel 8
1. Het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust
op een veronderstelde nauwe band met dat recht, blijft bij
uitzondering buiten toepassing, indien, gelet op alle omstandigheden
van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band
slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel
nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.
2. Lid 1 is niet van toepassing in geval van een geldige
rechtskeuze van partijen.
Artikel 9
Aan een feit waaraan rechtsgevolgen toekomen naar het recht dat
toepasselijk is volgens het internationaal privaatrecht van een
betrokken vreemde staat, kunnen, ook in afwijking van het naar
Nederlands internationaal privaatrecht toepasselijke recht, in Nederland
dezelfde rechtsgevolgen worden toegekend voor zover de niet-toekenning
van zodanige gevolgen een onaanvaardbare schending zou zijn van het bij
partijen levende gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid.
Artikel 10
Voor zover een rechtskeuze is toegelaten, dient deze uitdrukkelijk te
zijn gedaan of anderszins voldoende duidelijk te blijken.
Artikel 11
1. Of een natuurlijke persoon minderjarig is en in hoeverre hij
bekwaam is rechtshandelingen te verrichten, wordt bepaald door zijn
nationale recht. Indien de betrokken persoon de nationaliteit van meer
dan een staat bezit en hij in een van deze staten zijn gewone
verblijfplaats heeft, geldt het recht van die staat als zijn nationale
recht. Heeft hij zijn gewone verblijfplaats niet in een van deze
staten, dan geldt als zijn nationale recht het recht van de staat van
zijn nationaliteit, waarmee hij alle omstandigheden in aanmerking
genomen het nauwst verbonden is.
2. Ten aanzien van een meerzijdige rechtshandeling die valt buiten
het toepassingsgebied van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het
Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat
van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PbEU L
177) is artikel 13 van die Verordening van overeenkomstige toepassing
op het beroep op handelingsonbekwaamheid of handelingsonbevoegdheid
van een natuurlijk persoon die partij is bij die rechtshandeling.
Artikel 12
1. Een rechtshandeling is wat de vorm betreft geldig indien zij
voldoet aan de vormvereisten van het recht dat op de rechtshandeling
zelf van toepassing is, of van het recht van de staat waar de
rechtshandeling is verricht.
2. Een rechtshandeling die is verricht tussen personen die zich in
verschillende staten bevinden, is wat de vorm betreft geldig indien
zij voldoet aan de vormvereisten van het recht dat op de
rechtshandeling zelf van toepassing is, of van het recht van een van
die staten, of van het recht van de staat waar een van die personen
zijn gewone verblijfplaats heeft.
3. Indien de rechtshandeling is verricht door een
vertegenwoordiger, wordt onder een staat als bedoeld in de leden 1 en
2, verstaan de staat waar de vertegenwoordiger zich ten tijde van het
verrichten van de rechtshandeling bevindt, of waar deze op dat
tijdstip zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 13
Het recht dat een rechtsverhouding of rechtsfeit beheerst, is tevens
van toepassing voor zover het ten aanzien van die rechtsverhouding of
dat rechtsfeit wettelijke vermoedens vestigt of regels over de verdeling
van de bewijslast bevat.
Artikel 14
Of een recht of rechtsvordering is verjaard of vervallen, wordt
bepaald door het recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding
waaruit dat recht of die rechtsvordering is ontstaan.
Artikel 15
1. Indien het nationale recht van een natuurlijke persoon van
toepassing is en de staat van de nationaliteit van de betrokken
persoon twee of meer rechtsstelsels kent die van toepassing zijn op
verschillende categorieën personen of in verschillende gebiedsdelen,
bepalen de in die staat ter zake geldende regels welk van die
rechtsstelsels van toepassing is.
2. Indien het recht van de gewone verblijfplaats van een
natuurlijke persoon van toepassing is en de staat van de gewone
verblijfplaats van de betrokken persoon twee of meer rechtsstelsels
kent die van toepassing zijn op verschillende categorieën personen,
bepalen de in die staat ter zake geldende regels welk van die
rechtsstelsels van toepassing is.
3. Indien de in de leden 1 en 2 bedoelde regels in een staat
ontbreken of in de gegeven omstandigheden niet tot aanwijzing van een
toepasselijk rechtsstelsel leiden, wordt het rechtsstelsel van die
staat toegepast waarmee de betrokken persoon alle omstandigheden in
aanmerking genomen het nauwst verbonden is.
Artikel 16
1. Indien het nationale recht van een natuurlijke persoon van
toepassing is en de betrokken persoon staatloos is of zijn
nationaliteit niet kan worden vastgesteld, geldt als zijn nationale
recht het recht van de staat waar hij zijn gewone verblijfplaats
heeft.
2. De rechten welke deze persoon vroeger heeft verkregen en welke
uit de persoonlijke staat voortvloeien, in het bijzonder de rechten
voortvloeiende uit het huwelijk, worden geëerbiedigd.
Artikel 17
1. De persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 33 van de
Vreemdelingenwet 2000 is verleend, alsmede van een vreemdeling die een
overeenkomstige verblijfsstatus in het buitenland heeft verkregen,
wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen
woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats.
2. De rechten welke deze vreemdeling vroeger heeft verkregen en
welke uit de persoonlijke staat voortvloeien, in het bijzonder de
rechten voortvloeiende uit het huwelijk, worden geëerbiedigd.
Titel 2. De naam
Artikel 18
Deze titel geeft mede uitvoering aan de op 5 september 1980 te
München tot stand gekomen Overeenkomst inzake het recht dat van
toepassing is op geslachtsnamen en voornamen (Trb. 1981, 72).
Artikel 19
1. De geslachtsnaam en de voornamen van een vreemdeling worden
bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit
heeft. Onder recht zijn mede begrepen de regels van internationaal
privaatrecht. Uitsluitend voor de vaststelling van de geslachtsnaam en
de voornaam worden de omstandigheden waarvan deze afhangen beoordeeld
naar dat recht.
2. Indien de vreemdeling de nationaliteit van meer dan een staat
bezit en hij in een van deze staten zijn gewone verblijfplaats heeft,
geldt het recht van die staat als zijn nationale recht. Heeft de
betrokken persoon zijn gewone verblijfplaats niet in een van deze
staten, dan geldt als zijn nationale recht het recht van de staat van
zijn nationaliteit waarmee hij, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, het nauwst is verbonden.
Artikel 20
De geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse
nationaliteit bezit, worden, ongeacht de vraag of hij nog een andere
nationaliteit heeft, bepaald door het Nederlandse recht. Dit geldt ook
indien vreemd recht van toepassing is op de familierechtelijke
betrekkingen waarvan het ontstaan of het tenietgaan gevolg kan hebben
voor de geslachtsnaam.
Artikel 21
Een persoon die de nationaliteit van meer dan een staat bezit, kan de
ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken op zijn geboorteakte een
latere vermelding te plaatsen van de naam die hij voert in
overeenstemming met het niet toegepaste recht van een van die Staten.
Artikel 22
1. In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de
staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen
de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de
nationaliteitsverandering voor de naam.
2. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een
vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen,
behoudensartikel 25, onder b, van dit Boek en de artikelen 6 lid 5 en
12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Artikel 23
1. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand bij het opstellen
van een akte waarin de geslachtsnaam en de voornamen van een
vreemdeling moeten worden opgenomen het Nederlandse recht toepast
omdat hij de inhoud van het recht dat op de vaststelling van die namen
toepasselijk is niet kan vaststellen, deelt hij zijn beslissing
onverwijld mede aan de officier van justitie bij de
arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied de akte in de
registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
2. De aldus opgemaakte akte kan met overeenkomstige toepassing van
artikel 24 van Boek 1 op verzoek van iedere belanghebbende of op
vordering van het openbaar ministerie worden verbeterd. Het verzoek
van een belanghebbende wordt met toepassing van de Wet op de
rechtsbijstand van rechtswege kosteloos behandeld.
Artikel 24
1. Indien de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon ter
gelegenheid van de geboorte buiten Nederland zijn vastgelegd of als
gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de
persoonlijke staat zijn gewijzigd en zijn neergelegd in een
overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde
instantie opgemaakte akte, worden de aldus vastgelegde of gewijzigde
geslachtsnaam of voornamen in Nederland erkend. De erkenning kan niet
wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de
enkele grond dat een ander recht is toegepast dan uit de bepalingen
van deze wet zou zijn gevolgd.
2. Lid 1 laat onverlet de toepassing van artikel 25 van dit Boek.
Artikel 25
1. Ter zake van de toepassing van artikel 5 van Boek 1 geldt het
volgende:
a. Indien een kind buiten Nederland rechtsgeldig is erkend of
gewettigd, door deze erkenning of wettiging in familierechtelijke
betrekkingen tot de vader is komen te staan en daarbij het
Nederlanderschap heeft verkregen of behouden, en indien de
geslachtsnaam van dat kind niet is bepaald met inachtneming van
een naamskeuze in de zin van artikel 5 lid 2 van Boek 1, kunnen de
moeder en de erkenner gezamenlijk alsnog, tot twee jaar na de
erkenning of de wettiging, verklaren welke van hun beider
geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip
van de erkenning of de wettiging de leeftijd van zestien jaren
bereikt, dan kan het, tot twee jaar na de erkenning of de
wettiging, zelf alsnog verklaren of het de geslachtsnaam van de
vader of de moeder zal hebben.
b. Indien een kind dat tijdens zijn minderjarigheid door een
Nederlander is erkend of zonder erkenning door wettiging het kind
van een Nederlander is geworden, door optie het Nederlanderschap
verkrijgt en op het tijdstip van de optie tot zijn beide ouders in
familierechtelijke betrekkingen staat, kunnen de ouders ter
gelegenheid van de optie gezamenlijk verklaren welke van hun
beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het kind op het
tijdstip van de optie de leeftijd van zestien jaren bereikt, dan
verklaart het zelf of het de geslachtsnaam van de vader of moeder
zal hebben.
c. Indien een kind als gevolg van een buiten Nederland
uitgesproken adoptie het Nederlanderschap heeft verkregen en
indien de geslachtsnaam van dat kind na de adoptie niet is bepaald
met inachtneming van een naamskeuze in de zin van artikel 5 lid 3
van Boek 1, kunnen de ouders alsnog, tot twee jaar nadat de
uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, gezamenlijk verklaren
welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het
kind op het tijdstip waarop de uitspraak in kracht van gewijsde
gaat de leeftijd van zestien jaren bereikt, dan kan het, tot twee
jaar na dat tijdstip, zelf alsnog verklaren of het de
geslachtsnaam van de vader of de moeder zal hebben.
d. De in artikel 5 lid 4 van Boek 1 bedoelde verklaring
houdende naamskeuze kan voor de geboorte van het kind worden
afgelegd indien ten minste een van de ouders op het tijdstip van
de verklaring het Nederlanderschap bezit.
e. Indien een buiten Nederland geboren kind door geboorte in
familierechtelijke betrekking tot de beide ouders staat en het
Nederlanderschap bezit, en indien de geslachtsnaam van dat kind in
de geboorteakte niet is bepaald met inachtneming van een
naamskeuze in de zin van artikel 5 lid 4 van Boek 1, kunnen de
ouders gezamenlijk alsnog, tot twee jaar na de geboorte, verklaren
welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben.
f. Indien het vaderschap van een kind buiten Nederland
rechtsgeldig is vastgesteld en dat kind daardoor het
Nederlanderschap heeft verkregen of behouden, en indien de
geslachtsnaam van dat kind na de vaststelling van het vaderschap
niet is bepaald met inachtneming van een naamskeuze in de zin van
artikel 5 lid 2 van Boek 1,kunnen de moeder en de man wiens
vaderschap gerechtelijk is vastgesteld gezamenlijk alsnog, tot
twee jaar na het tijdstip waarop de gerechtelijke beslissing
houdende vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde
gaat, gezamenlijk verklaren welke van hun beider geslachtsnamen
het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip waarop de
beslissing houdende vaststelling van het vaderschap in kracht van
gewijsde gaat, de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan kan het,
tot twee jaar na dat tijdstip, zelf alsnog verklaren of het de
geslachtsnaam van de vader of de moeder zal hebben.
g. Voor de in dit lid onder a – f bedoelde mogelijkheden tot
naamskeuze is het onverschillig of het kind naast de Nederlandse
nog een andere nationaliteit bezit.
2. In het geval onder b wordt de verklaring houdende naamskeuze
afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van
de gemeente waar de optie voor het Nederlanderschap in ontvangst wordt
genomen. In de overige gevallen kan de verklaring houdende naamskeuze
worden afgelegd ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke
stand.
Artikel 26
De vermelding van de geslachtsnamen en de voornamen in akten van de
burgerlijke stand die vóór 1 januari 1990 in de registers zijn
opgenomen, wordt op verzoek van een belanghebbende in overeenstemming
met de bepalingen van deze titel gewijzigd. Heeft het verzoek betrekking
op een vreemdeling, dan moet de wijziging blijken uit een door een
bevoegde autoriteit van het land waarvan hij de nationaliteit bezit
opgemaakt stuk. De wijzigingen worden aangebracht door de plaatsing van
een latere vermelding.
Titel 3. Het huwelijk
Afdeling 1. Voltrekking en erkenning van de geldigheid van huwelijken
Artikel 27
Deze afdeling geeft uitvoering aan het op 14 maart 1978 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de
geldigheid van huwelijken (Trb. 1987, 137). Zij is van toepassing op de
huwelijksvoltrekking in Nederland indien, in verband met de
nationaliteit of de woonplaats van de aanstaande echtgenoten, met
betrekking tot de vraag welk recht de vereisten tot het aangaan van het
huwelijk beheerst een keuze moet worden gedaan, alsmede op de erkenning
in Nederland van in het buitenland voltrokken huwelijken. Zij is niet
van toepassing op de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke
stand.
Artikel 28
Het huwelijk wordt voltrokken indien:
a. ieder der aanstaande echtgenoten voldoet aan de vereisten tot
het aangaan van een huwelijk van het Nederlandse recht en een van
hen uitsluitend of mede de Nederlandse nationaliteit bezit of in
Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft; of
b. ieder der aanstaande echtgenoten voldoet aan de vereisten tot
het aangaan van een huwelijk van een staat waarvan hij de
nationaliteit bezit.
Artikel 29
1. Ongeacht het in artikel 28 van dit Boek bepaalde kan geen
huwelijk worden voltrokken indien zulks op grond van artikel 6 van dit
Boek niet zou kunnen worden aanvaard en in ieder geval indien:
a. de aanstaande echtgenoten de leeftijd van vijftien jaren
niet hebben bereikt;
b. de aanstaande echtgenoten elkaar van nature of door adoptie
bestaan in de rechte lijn of, van nature, als broeder en zuster;
c. de vrije toestemming van een der aanstaande echtgenoten
ontbreekt of de geestvermogens van een van hen zodanig zijn
gestoord, dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de
betekenis van zijn verklaring te begrijpen;
d. in strijd zou worden gehandeld met het voorschrift dat een
persoon tegelijkertijd slechts met één andere persoon door het
huwelijk verbonden kan zijn;
e. in strijd zou worden gehandeld met het voorschrift dat zij
die een huwelijk willen aangaan, niet tegelijkertijd door een
geregistreerd partnerschap mogen zijn verbonden.
2. De voltrekking van een huwelijk kan niet worden geweigerd op de
grond dat volgens het recht van een staat waarvan een van de
aanstaande echtgenoten de nationaliteit bezit, een beletsel voor die
voltrekking bestaat dat op grond van artikel 6 van dit Boek niet kan
worden aanvaard.
Artikel 30
Wat de vorm betreft kan een huwelijk in Nederland slechts worden
voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand met
inachtneming van het Nederlandse recht, behoudens de bevoegdheid van
buitenlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren om, in
overeenstemming met de voorschriften van het recht van de door hen
vertegenwoordigde staat, aan de voltrekking van huwelijken mede te
werken indien geen der partijen uitsluitend of mede de Nederlandse
nationaliteit bezit.
Artikel 31
1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht
van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is
of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.
2. Een buiten Nederland ten overstaan van een diplomatieke of
consulaire ambtenaar voltrokken huwelijk dat voldoet aan de vereisten
van het recht van de staat die die ambtenaar vertegenwoordigt, wordt
als rechtsgeldig erkend tenzij die voltrekking in de staat waar zij
plaatsvond niet was toegestaan.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden onder recht mede
begrepen de regels van internationaal privaatrecht.
4. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een
huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
Artikel 32
Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland
gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk
onverenigbaar is met de openbare orde.
Artikel 33
De artikelen 31 en 32 van dit Boek zijn van toepassing ongeacht of
over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een huwelijk als
hoofdvraag, dan wel als voorvraag in verband met een andere vraag wordt
beslist.
Artikel 34
1. Deze afdeling is niet van toepassing op de erkenning van de
geldigheid van huwelijken die zijn voltrokken voor 1 januari 1990.
2. Huwelijken die na 1 januari 1990 en voor 15 januari 1999 ten
overstaan van buitenlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren in
overeenstemming met het recht van de door hen vertegenwoordigde staat
zijn voltrokken worden, onverminderd artikel 6 van dit Boek, als
geldig aangemerkt indien de ene partij uitsluitend of mede de
Nederlandse nationaliteit bezit en de andere partij uitsluitend of
mede de nationaliteit van de door de diplomatieke of consulaire
ambtenaar vertegenwoordigde staat.
3. Artikel 30 van dit Boek is van toepassing op huwelijken die na
15 januari 1999 ten overstaan van buitenlandse diplomatieke en
consulaire ambtenaren zijn voltrokken.
Afdeling 2. Rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten
Artikel 35
1. De persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten
onderling worden beheerst door het recht dat de echtgenoten voor of
tijdens het huwelijk, al dan niet met wijziging van een eerdere
aanwijzing, hebben aangewezen.
2. De echtgenoten kunnen slechts een van de volgende rechtsstelsels
aanwijzen:
a. het recht van de staat van een gemeenschappelijke
nationaliteit van de echtgenoten, of
b. het recht van de staat waar zij elk hun gewone
verblijfplaats hebben.
3. Een aanwijzing als bedoeld in dit artikel is, wat de vorm
betreft, geldig indien de vormvoorschriften voor de aanwijzing van het
recht dat toepasselijk is op het huwelijksvermogensregime van de
echtgenoten in acht zijn genomen.
Artikel 36
Bij gebreke van een aanwijzing van het toepasselijke recht worden de
persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten onderling
beheerst:
a. door het recht van de staat van de gemeenschappelijke
nationaliteit van de echtgenoten, of bij gebreke daarvan
b. door het recht van de staat waar zij elk hun gewone
verblijfplaats hebben, of bij gebreke daarvan
c. door het recht van de staat waarmee zij, alle omstandigheden
in aanmerking genomen, het nauwst zijn verbonden.
Artikel 37
Indien de echtgenoten een nationaliteit gemeenschappelijk hebben,
geldt voor de toepassing van artikel 36 van dit Boek als hun
gemeenschappelijke nationale recht het recht van die nationaliteit,
ongeacht of zij beiden of een hunner nog een andere nationaliteit
bezitten. Bezitten de echtgenoten meer dan een gemeenschappelijke
nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke
nationaliteit te bezitten.
Artikel 38
Indien een aanwijzing als bedoeld in artikel 35van dit Boek of een
wijziging in de in artikel 36 van dit Boek genoemde omstandigheden leidt
tot toepasselijkheid van een ander recht dan het voorheen toepasselijke,
is dat andere recht toepasselijk vanaf het tijdstip van die aanwijzing
of wijziging.
Artikel 39
De vraag in hoeverre een echtgenoot aansprakelijk is voor
verbintenissen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, welke
door de andere echtgenoot zijn aangegaan wordt, indien die andere
echtgenoot en de wederpartij ten tijde van het aangaan van de
verbintenis elk hun gewone verblijfplaats hadden in dezelfde staat,
beheerst door het recht van die staat en bij gebreke daarvan door het
recht dat op die verbintenis toepasselijk is.
Artikel 40
De vraag of een echtgenoot voor een rechtshandeling de toestemming
van de andere echtgenoot behoeft, en zo ja, in welke vorm deze
toestemming moet worden verleend, of zij kan worden vervangen door een
beslissing van de rechter of een andere autoriteit, alsmede welke de
gevolgen zijn van het ontbreken van deze toestemming, wordt beheerst
door het recht van de staat waar de andere echtgenoot ten tijde van het
verrichten van die rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 41
De artikelen 39 en 40 van dit Boek gelden ongeacht het recht dat het
huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst, en ongeacht het
recht dat van toepassing is op de persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen
de echtgenoten.
Afdeling 3. Het huwelijksvermogensregime
Artikel 42
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder het Haags
Huwelijksvermogensverdrag 1978: het op 14 maart 1978 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het
huwelijksvermogensregime (Trb. 1988, 130).
Artikel 43
Bij het ontbreken van een aanwijzing van het toepasselijke recht
overeenkomstig het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 wordt, behoudens
in het geval van artikel 5 lid 2 of artikel 7 lid 2 van dit verdrag, het
huwelijksvermogensregime van echtgenoten die beiden ten tijde van de
sluiting van het huwelijk de Nederlandse nationaliteit bezitten beheerst
door Nederlands recht, ongeacht of zij beiden of een hunner nog een
andere nationaliteit bezitten. Bezitten de echtgenoten meer dan een
gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen
gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten.
Artikel 44
De gevolgen van het huwelijksvermogensregime ten aanzien van een
rechtsbetrekking tussen een echtgenoot en een derde worden beheerst door
het recht dat op het huwelijksvermogensregime toepasselijk is.
Artikel 45
Een echtgenoot wiens huwelijksvermogensregime wordt beheerst door
vreemd recht kan in het in artikel 116 van Boek 1 bedoelde register een
notariële akte doen inschrijven, inhoudende een verklaring dat het
huwelijksvermogensregime niet wordt beheerst door het Nederlandse recht.
Artikel 46
1. Een derde die tijdens het huwelijk een rechtshandeling heeft
verricht met een echtgenoot wiens huwelijksvermogensregime wordt
beheerst door vreemd recht, kan, indien zowel hij als de beide
echtgenoten ten tijde van die rechtshandeling hun gewone
verblijfplaats in Nederland hadden, voor de uit die rechtshandeling
voortvloeiende schuld ook na de ontbinding van het huwelijk verhaal
nemen op de echtgenoten alsof tussen hen naar Nederlands recht
algehele gemeenschap van goederen bestond.
2. Lid 1 geldt niet indien de derde ten tijde van de
rechtshandeling wist of behoorde te weten dat het
huwelijksvermogensregime van de echtgenoten werd beheerst door vreemd
recht. Zulks wordt geacht het geval te zijn indien de rechtshandeling
werd verricht na verloop van veertien dagen nadat een akte als bedoeld
in artikel 45 van dit Boek was ingeschreven in het aldaar bedoelde
register.
Artikel 47
Heeft een der echtgenoten door de toepassing op een buitenslands
gelegen vermogensbestanddeel van een krachtens het internationaal
privaatrecht van het land van ligging aangewezen recht een voordeel
genoten dat hem niet zou zijn toegekomen indien het op grond van dit
Boek aangewezen recht zou zijn toegepast, dan kan de andere echtgenoot
daarvan verrekening of vergoeding vorderen bij de in verband met de
beëindiging of wijziging van het huwelijksvermogensregime
plaatsvindende afrekening.
Artikel 48
Artikel 92 lid 3 van Boek 1 is uitsluitend van toepassing ter zake
van verhaal dat in Nederland wordt uitgeoefend op
a. een echtgenoot wiens huwelijksvermogensregime wordt beheerst
door Nederlands recht, of
b. een echtgenoot op wie ingevolge artikel 46 van dit Boek
verhaal mogelijk is.
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 50
Artikel 131 van Boek 1 is ook van toepassing indien het
huwelijksvermogensregime van de echtgenoten door een vreemd recht wordt
beheerst.
Artikel 51
Of een echtgenoot bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed
recht heeft op een gedeelte van de door de andere echtgenoot opgebouwde
pensioenrechten, wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op
het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten, behoudens artikel 1 lid
7 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
Artikel 52
1. Deze afdeling is van toepassing op het huwelijksvermogensregime
van echtgenoten die na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden.
2. In afwijking van lid 1 is artikel 51 van dit Boek van toepassing
op de verevening van pensioenrechten van echtgenoten die na 1 maart
2001 van tafel en bed zijn gescheiden of wier huwelijk na 1 maart 2001
is ontbonden.
3. De bepalingen van deze afdeling betreffende de aanwijzing van
het toepasselijke recht zijn van toepassing op het
huwelijksvermogensregime van echtgenoten die voor 1 september 1992 in
het huwelijk zijn getreden en die na dat tijdstip het daarop
toepasselijke recht hebben aangewezen.
Artikel 53
Een aanwijzing door de echtgenoten van het op hun
huwelijksvermogensregime toepasselijke recht, of de wijziging van een
zodanige aanwijzing, welke is geschied voor 1 september 1992, kan niet
als ongeldig worden beschouwd op de enkele grond dat de wet een zodanige
aanwijzing toen niet regelde. Dit geldt niet voor de gevallen dat op het
huwelijksvermogensregime de bepalingen van het op 17 juli 1905 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag betreffende de wetsconflicten met betrekking
tot de gevolgen van het huwelijk ten opzichte van de rechten en
verplichtingen der echtgenoten in hun persoonlijke betrekkingen en ten
opzichte van hun goederen (Stb. 1912, 285) toepasselijk waren en de
aanwijzing geschiedde voor 23 augustus 1977.
Afdeling 4. Ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed
Artikel 54
Deze afdeling geeft mede uitvoering aan:
a. het op 1 juni 1970 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van
tafel en bed (Trb. 1979, 131); en
b. het op 8 september 1967 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag
inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband (Trb.
1979, 130).
Artikel 55
Ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed kunnen in
Nederland uitsluitend worden uitgesproken door de Nederlandse rechter.
Artikel 56
1. Of ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed kan
worden uitgesproken en op welke gronden, wordt bepaald door het
Nederlandse recht.
2. In afwijking van lid 1 wordt het recht van de staat van een
gemeenschappelijke vreemde nationaliteit van de echtgenoten toegepast
indien in het geding:
a. door de echtgenoten gezamenlijk een keuze voor dit recht is
gedaan of een dergelijke keuze van een van de echtgenoten
onweersproken is gebleven; of
b. door een van de echtgenoten een keuze voor dit recht is
gedaan en beide echtgenoten een werkelijke maatschappelijke band
met het land van die gemeenschappelijke nationaliteit hebben.
3. Een rechtskeuze als bedoeld in het vorige lid moet uitdrukkelijk
zijn gedaan of anderszins voldoende duidelijk blijken uit de in het
verzoekschrift of het verweerschrift gebruikte bewoordingen.
Artikel 57
1. Een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen
ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed wordt in
Nederland erkend, indien zij is tot stand gekomen door de beslissing
van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of
andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam.
2. Een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk of
scheiding van tafel en bed die niet voldoet aan één of meer van de
in lid 1 gestelde voorwaarden wordt nochtans in Nederland erkend,
indien duidelijk blijkt dat de wederpartij hetzij tijdens de
buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met die
ontbinding of scheiding van tafel en bed heeft ingestemd, dan wel na
afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust.
Artikel 58
Een ontbinding van het huwelijk in het buitenland die uitsluitend
door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand
gekomen, wordt erkend indien:
a. de ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal
recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;
b. de ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg
heeft; en
c. duidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of
stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft
berust.
Artikel 59
Ongeacht de artikelen 57 en 58 van dit Boek wordt aan een in het
buitenland tot stand gekomen ontbinding van het huwelijk erkenning
onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de
openbare orde.
Titel 4. Het geregistreerd partnerschap
Afdeling 1. Het aangaan van een geregistreerd partnerschap in
Nederland
Artikel 60
1. Het aangaan van een geregistreerd partnerschap in Nederland is
onderworpen aan de bepalingen van artikel 80a van Boek 1.
2. De bevoegdheid van elk van de partners om in Nederland een
geregistreerd partnerschap aan te gaan wordt beheerst door het
Nederlandse recht.
3. Wat de vorm betreft kan een geregistreerd partnerschap in
Nederland slechts rechtsgeldig worden aangegaan ten overstaan van de
ambtenaar van de burgerlijke stand met inachtneming van het
Nederlandse recht, behoudens de bevoegdheid van buitenlandse
diplomatieke en consulaire ambtenaren om, in overeenstemming met de
voorschriften van het recht van de door hen vertegenwoordigde staat,
aan het aangaan van geregistreerde partnerschappen mede te werken
indien geen der partijen uitsluitend of mede de Nederlandse
nationaliteit bezit.
Afdeling 2. De erkenning van een buiten Nederland aangegaan
geregistreerd partnerschap
Artikel 61
1. Een buiten Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap dat
ingevolge het recht van de staat waar het geregistreerd partnerschap
is aangegaan rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt
als zodanig erkend.
2. Een buiten Nederland ten overstaan van een diplomatieke of
consulaire ambtenaar aangegaan geregistreerd partnerschap dat voldoet
aan de vereisten van het recht van de staat die die ambtenaar
vertegenwoordigt, wordt als rechtsgeldig erkend tenzij het aangaan in
de staat waar dit plaatsvond niet was toegestaan.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden onder recht mede
begrepen de regels van internationaal privaatrecht.
4. Een geregistreerd partnerschap wordt vermoed rechtsgeldig te
zijn, indien een verklaring omtrent het geregistreerd partnerschap is
afgegeven door een bevoegde autoriteit.
5. Ongeacht de leden 1 en 2 kan een buiten Nederland aangegaan
geregistreerd partnerschap slechts als zodanig worden erkend indien
het een wettelijk geregelde samenlevingsvorm betreft van twee personen
die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, welke
samenlevingsvorm ten minste:
a. door een ter plaatse van het aangaan bevoegde autoriteit is
geregistreerd;
b. het bestaan van een huwelijk of andere wettelijk geregelde
samenlevingsvorm met een derde uitsluit; en
c. verplichtingen tussen de partners in het leven roept die in
hoofdzaak overeenstemmen met die welke verbonden zijn aan het
huwelijk.
Artikel 62
Ongeacht artikel 61 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland
aangegaan geregistreerd partnerschap erkenning onthouden, indien deze
erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Artikel 63
De artikelen 61 en 62 van dit Boek zijn van toepassing, ongeacht of
over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een geregistreerd
partnerschap als hoofdvraag, dan wel als voorvraag in verband met een
andere vraag wordt beslist.
Afdeling 3. Rechtsbetrekkingen tussen de geregistreerde partners
Artikel 64
1. De persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen de partners onderling
worden beheerst door het recht dat de partners voor of tijdens het
geregistreerd partnerschap, al dan niet met wijziging van een eerdere
aanwijzing, hebben aangewezen.
2. De partners kunnen slechts een rechtsstelsel aanwijzen dat het
instituut van het geregistreerd partnerschap kent.
3. Een aanwijzing als bedoeld in dit artikel is, wat de vorm
betreft, geldig indien de vormvoorschriften voor de aanwijzing van het
recht dat toepasselijk is op het vermogensregime van de partners, in
acht zijn genomen.
Artikel 65
Bij gebreke van een aanwijzing van het toepasselijke recht worden de
persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen partners die in Nederland een
geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, beheerst door het Nederlandse
recht. Zijn de partners buiten Nederland een geregistreerd partnerschap
aangegaan, dan worden de persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen hen
beheerst door het recht, met inbegrip van het internationaal privaarecht,
van de staat waar het geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Artikel 66
Indien een aanwijzing als bedoeld in artikel 64leidt tot
toepasselijkheid van een ander recht dan het voorheen toepasselijke, is
dat andere recht toepasselijk vanaf het tijdstip van die aanwijzing.
Artikel 67
De vraag in hoeverre een partner aansprakelijk is voor verbintenissen
ten behoeve van de gewone gang van het huishouden welke door de andere
partner zijn aangegaan, wordt, indien die andere partner en de
wederpartij ten tijde van het aangaan van de verbintenis hun gewone
verblijfplaats hadden in Nederland, beheerst door het Nederlandse recht.
Artikel 68
De vraag of een partner voor een rechtshandeling de toestemming van
de andere partner behoeft, en zo ja, in welke vorm deze toestemming moet
worden verleend, of zij kan worden vervangen door een beslissing van de
rechter of een andere autoriteit, alsmede welke de gevolgen zijn van het
ontbreken van deze toestemming, wordt beheerst door het Nederlandse
recht indien de andere partner ten tijde van het verrichten van die
rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland.
Artikel 69
De artikelen 67 en 68 van dit Boek gelden ongeacht het recht dat het
partnerschapsvermogensregime van de partners beheerst en ongeacht het
recht dat van toepassing is op de persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen
de partners.
Afdeling 4. Het partnerschapsvermogensregime
Artikel 70
1. Op het vermogensregime van een geregistreerd partnerschap is van
toepassing het recht dat de partners vóór het aangaan daarvan hebben
aangewezen.
2. Het aldus aangewezen recht is van toepassing op hun gehele
vermogen. De partners kunnen echter, ongeacht of zij tot de
aanwijzing, bedoeld in lid 1, zijn overgegaan, met betrekking tot het
geheel of een gedeelte van de onroerende zaken, alsmede met betrekking
tot onroerende zaken die later worden verkregen, het recht aanwijzen
van de plaats waar die zaken zijn gelegen.
3. In alle gevallen kunnen de partners uitsluitend een
rechtsstelsel aanwijzen dat het instituut van het geregistreerd
partnerschap kent.
Artikel 71
1. Indien het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan
en de partners vóór het aangaan daarvan het toepasselijke recht niet
hebben aangewezen, wordt hun vermogensregime beheerst door het
Nederlandse recht.
2. Indien het geregistreerd partnerschap buiten Nederland is
aangegaan en de partners vóór het aangaan daarvan het toepasselijke
recht niet hebben aangewezen, wordt hun vermogensregime beheerst door
het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de
staat waar het geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Artikel 72
1. Tijdens het geregistreerd partnerschap kunnen de partners hun
partnerschapsvermogensregime onderwerpen aan een ander intern recht
dan het recht dat tot dusver van toepassing was.
2. De leden 2 en 3 van artikel 70 van dit Boek zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 73
Het recht dat op grond van de bepalingen van deze afdeling van
toepassing is op het partnerschapsvermogensregime of dat de partners
rechtsgeldig als toepasselijk hebben aangewezen, blijft van toepassing
zolang zij geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in
geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.
Artikel 74
De voorwaarden voor de wilsovereenstemming van de partners inzake het
recht dat zij als toepasselijk aanwijzen op hun
partnerschapsvermogensregime, worden door dat recht bepaald.
Artikel 75
De aanwijzing van het toepasselijke recht op het
partnerschapsvermogensregime moet uitdrukkelijk zijn overeengekomen of
anderszins ondubbelzinnig voortvloeien uit partnerschapsvoorwaarden.
Artikel 76
Partnerschapsvoorwaarden zijn, wat de vorm betreft, geldig indien zij
in overeenstemming zijn, hetzij met het interne recht dat van toepassing
is op het partnerschapsvermogensregime, hetzij met het interne recht van
de plaats waar zij zijn aangegaan. Zij worden in elk geval neergelegd in
een gedagtekend en door beide partners ondertekend schriftelijk stuk.
Artikel 77
Een uitdrukkelijk overeengekomen aanwijzing van het op het
partnerschapsvermogensregime toepasselijke recht geschiedt in de vorm
welke voor partnerschapsvoorwaarden is voorgeschreven, hetzij door het
aangewezen interne recht, hetzij door het interne recht van de plaats
waar die aanwijzing geschiedt. De aanwijzing wordt in elk geval
neergelegd in een gedagtekend en door beide partners ondertekend
schriftelijk stuk.
Artikel 78
De gevolgen van het partnerschapsvermogensregime ten aanzien van een
rechtsbetrekking tussen een partner en een derde worden beheerst door
het recht dat op het partnerschapsvermogensregime toepasselijk is.
Artikel 79
Een partner wiens partnerschapsvermogensregime wordt beheerst door
vreemd recht, kan in het in artikel 116 van Boek 1 bedoelde register een
notariële akte doen inschrijven, inhoudende een verklaring dat het
partnerschapsvermogensregime niet wordt beheerst door het Nederlandse
recht.
Artikel 80
1. Een derde die tijdens het geregistreerd partnerschap een
rechtshandeling heeft verricht met een partner wiens
partnerschapsvermogensregime wordt beheerst door vreemd recht kan,
indien zowel hij als de beide partners ten tijde van die
rechtshandeling hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, voor de
uit die rechtshandeling voortvloeiende schuld ook na de beëindiging
van het geregistreerd partnerschap verhaal nemen alsof tussen de
partners naar Nederlands recht algehele gemeenschap van goederen
bestond.
2. Lid 1 geldt niet indien de derde ten tijde van de
rechtshandeling wist of behoorde te weten dat het
partnerschapsvermogensregime van de partners werd beheerst door vreemd
recht. Zulks wordt geacht het geval te zijn indien de rechtshandeling
werd verricht na verloop van veertien dagen nadat een akte als bedoeld
in artikel 79 van dit Boek was ingeschreven in het aldaar bedoelde
register.
Artikel 81
Heeft een der partners, door de toepassing op een buitenslands
gelegen vermogensbestanddeel van een krachtens het internationaal
privaatrecht van het land van ligging aangewezen recht, ten opzichte van
de andere partner een voordeel genoten dat hem niet zou zijn toegekomen
indien het op grond van deze wet aangewezen recht zou zijn toegepast,
dan kan die andere partner daarvan verrekening of vergoeding vorderen
bij de in verband met de beëindiging of wijziging van het
partnerschapsvermogensregime tussen de partners plaatsvindende
afrekening.
Artikel 82
Artikel 92 lid 3 van Boek 1 is uitsluitend van toepassing ter zake
van verhaal dat in Nederland wordt uitgeoefend op:
a. een partner wiens partnerschapsvermogensregime wordt beheerst
door het Nederlandse recht, of
b. een partner op wie ingevolge artikel 80 van dit Boek verhaal
mogelijk is.
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 84
Artikel 131 van Boek 1 is ook van toepassing indien het
partnerschapsvermogensregime van de partners door een vreemd recht wordt
beheerst.
Artikel 85
Of een partner bij beëindiging van het geregistreerd partnerschap
met wederzijds goedvinden of door ontbinding recht heeft op een gedeelte
van de door de andere partner opgebouwde pensioenrechten, wordt beheerst
door het recht dat van toepassing is op het partnerschapsvermogensregime
van de partners, behoudens het bepaalde in artikel 1 lid 7 van de Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding.
Afdeling 5. Beëindiging in Nederland van een geregistreerd
partnerschap
Artikel 86
Of een in Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap in Nederland
kan worden beëindigd met wederzijds goedvinden of door ontbinding en op
welke gronden, wordt bepaald door het Nederlandse recht.
Artikel 87
1. Of een buiten Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap in
Nederland kan worden beëindigd met wederzijds goedvinden of door
ontbinding en op welke gronden, wordt bepaald door het Nederlandse
recht.
2. In afwijking van lid 1 is het recht van de staat waar het
geregistreerd partnerschap is aangegaan toepasselijk indien in de door
partners gesloten overeenkomst omtrent de beëindiging met wederzijds
goedvinden van het geregistreerd partnerschap gezamenlijk een keuze
voor dit recht is gedaan.
3. In afwijking van lid 1 is ten aanzien van de beëindiging door
ontbinding het recht van de staat waar het geregistreerd partnerschap
is aangegaan toepasselijk indien in het geding:
a. door de partners gezamenlijk een keuze voor dit recht is
gedaan of een dergelijke keuze door een van de partners
onweersproken is gebleven; of
b. door een van beide partners een keuze voor dit recht is
gedaan en beide partners een werkelijke maatschappelijke band met
die staat hebben.
4. Het Nederlandse recht bepaalt de wijze waarop de beëindiging
met wederzijds goedvinden of de ontbinding van het buiten Nederland
aangegane geregistreerd partnerschap geschiedt.
Afdeling 6. Erkenning van een buiten Nederland tot stand gekomen
beëindiging van een geregistreerd partnerschap
Artikel 88
1. Een buiten Nederland tot stand gekomen beëindiging met
wederzijds goedvinden van het geregistreerd partnerschap wordt erkend
indien zij aldaar rechtsgeldig tot stand is gebracht.
2. Een buiten Nederland na een behoorlijke rechtspleging verkregen
beëindiging door ontbinding van het geregistreerd partnerschap wordt
in Nederland erkend indien zij is tot stand gekomen door de beslissing
van een rechter of andere autoriteit aan wie daartoe rechtsmacht
toekwam.
3. Een buiten Nederland verkregen beëindiging door ontbinding van
het geregistreerd partnerschap, die niet voldoet aan een of meer van
de in het vorige lid gestelde voorwaarden, wordt nochtans in Nederland
erkend indien duidelijk blijkt dat de wederpartij in de buitenlandse
procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend hetzij tijdens die procedure
heeft ingestemd met, hetzij zich na die procedure heeft neergelegd bij
de ontbinding.
Artikel 89
Ongeacht artikel 88 van dit Boek wordt aan een in het buitenland tot
stand gekomen beëindiging van het geregistreerd partnerschap erkenning
onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de
openbare orde.
Afdeling 7. Levensonderhoud
Artikel 90
Het recht dat van toepassing is op verplichtingen tot levensonderhoud
gedurende het geregistreerd partnerschap en na beëindiging daarvan
wordt bepaald door
a. het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Protocol inzake het recht dat van toepassing is op
onderhoudsverplichtingen (PbEU L 331/17), of
b. het op 2 oktober 1973 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag inzake de wet die van toepassing is op
onderhoudsverplichtingen (Trb. 1974, 86).
Afdeling 8. Overgangsrecht
Artikel 91
1. Deze titel is niet van toepassing op geregistreerde
partnerschappen die voor 1 januari 2005 zijn aangegaan.
2. In afwijking van lid 1 is artikel 85 van dit Boek van toepassing
op de verevening van pensioenrechten ingeval het geregistreerde
partnerschap na 1 januari 2005 is beëindigd.
Titel 5. Afstamming
Afdeling 1. Familierechtelijke betrekkingen door geboorte
Artikel 92
1. Of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen
komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar
gehuwde of gehuwd geweest zijnde man, wordt bepaald door het recht van
de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de
man of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de
vrouw en de man elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook
dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone
verblijfplaats van het kind.
2. Wanneer de man en de vrouw een nationaliteit gemeenschappelijk
hebben, geldt voor de toepassing van lid 1 als hun nationale recht het
recht van die nationaliteit, ongeacht of zij beiden dan wel een hunner
nog een andere nationaliteit bezitten. Bezitten de echtgenoten meer
dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen
gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten.
3. Voor de toepassing van lid 1 is bepalend het tijdstip van de
geboorte van het kind, dan wel indien het huwelijk van de ouders
voordien is ontbonden, dat van de ontbinding.
Artikel 93
1. Of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 92 van
dit Boek in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een
ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door het recht
dat ingevolge dat artikel op het bestaan van die betrekkingen
toepasselijk is.
2. Is volgens het in lid 1 bedoelde recht ontkenning niet of niet
meer mogelijk, dan kan de rechter, indien zulks in het belang is van
het kind en de ouders en het kind een daartoe strekkend gezamenlijk
verzoek doen, een ander in artikel 92 van dit Boek genoemd recht
toepassen, dan wel het recht toepassen van de staat van de gewone
verblijfplaats van het kind ten tijde van de ontkenning of het
Nederlandse recht.
3. Ongeacht het ingevolge lid 1 of lid 2 toepasselijke recht is in
de daar bedoelde gerechtelijke procedure artikel 212 van Boek 1 van
toepassing.
4. Of familierechtelijke betrekkingen tussen een kind en de met
zijn moeder gehuwde of gehuwd geweest zijnde man door een verklaring
houdende ontkenning door de moeder ten overstaan van de ambtenaar van
de burgerlijke stand kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door
het recht dat ingevolge artikel 92 van dit Boek op het bestaan van die
betrekkingen toepasselijk is. Onverminderd de leden 1 en 2 kan een
zodanige verklaring slechts worden afgelegd indien de met de moeder
gehuwde of gehuwd geweest zijnde nog levende man erin toestemt en
indien tegelijkertijd familierechtelijke betrekkingen tussen het kind
en een andere man ontstaan of worden gevestigd.
Artikel 94
1. Of tussen een vrouw en het buiten huwelijk uit haar geboren kind
door geboorte familierechtelijke betrekkingen ontstaan, wordt bepaald
door het recht van de staat van de nationaliteit van de vrouw. Bezit
de vrouw de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het
nationale recht volgens hetwelk zodanige betrekkingen ontstaan. In elk
geval ontstaan zodanige betrekkingen indien de vrouw haar gewone
verblijfplaats in Nederland heeft.
2. Voor de toepassing van lid 1 is bepalend het tijdstip van de
geboorte.
3. De leden 1 en 2 laten onverlet de op 12 september 1962 te
Brussel tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van
betrekkingen tussen het onwettige kind en zijn moeder (Trb. 1963, 93).
Afdeling 2. Familierechtelijke betrekkingen door erkenning of
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap
Artikel 95
1. Of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet
ontstaan tussen hem en een kind, wordt, wat betreft de bevoegdheid van
de man en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het recht van
de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Bezit de man de
nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale
recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het
nationale recht van de man erkenning niet of niet meer mogelijk is, is
bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het
kind. Is zij ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is
bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit
bezit. Bezit het kind de nationaliteit van meer dan een staat, dan is
bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is.
Is zij ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is
bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de
man.
2. Ongeacht het ingevolge lid 1 toepasselijke recht, bepaalt het
Nederlandse recht of een Nederlandse gehuwde man bevoegd is een kind
van een andere vrouw dan zijn echtgenote te erkennen, zulks ongeacht
of de man naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere
nationaliteit bezit.
3. De akte van erkenning en de latere vermelding van de erkenning
vermelden het recht dat ingevolge lid 1 of lid 2 is toegepast.
4. Ongeacht het ingevolge lid 1 toepasselijke recht, is op de
toestemming van de moeder, onderscheidenlijk het kind, tot de
erkenning toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder,
onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit. Bezit de moeder,
onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit van meer dan een staat,
dan is toepasselijk het nationale recht volgens hetwelk toestemming is
vereist. Bezit de moeder, onderscheidenlijk het kind, de Nederlandse
nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, zulks
ongeacht of de moeder, onderscheidenlijk het kind naast de Nederlandse
nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. Indien het
toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht
van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder,
onderscheidenlijk het kind. Het op de toestemming toepasselijke recht
bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden
vervangen door een rechterlijke beslissing.
5. Voor de toepassing van de voorgaande leden is bepalend het
tijdstip van de erkenning en de toestemming.
Artikel 96
Of en op welke wijze een erkenning kan worden tenietgedaan, wordt,
wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de
erkenning, bepaald door het ingevolge artikel 95 leden 1 en 2 van dit
Boek toegepaste recht, en wat betreft de toestemming van de moeder,
onderscheidenlijk het kind, door het recht dat ingevolge artikel 95 lid
4 van dit Boek toepasselijk is.
Artikel 97
1. Of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man
gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van
de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de
moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de
man en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook
dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone
verblijfplaats van het kind.
2. Wanneer de man en de moeder een nationaliteit gemeenschappelijk
hebben, geldt voor de toepassing van lid 1 als hun gemeenschappelijke
nationale recht het recht van die nationaliteit, ongeacht of zij
beiden of een hunner nog een andere nationaliteit bezitten. Bezitten
de man en de moeder meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan
worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten.
3. Voor de toepassing van lid 1 is bepalend het tijdstip van de
indiening van het verzoek. Is de man of de moeder op dat tijdstip
overleden, dan is, bij gebreke van een gemeenschappelijke
nationaliteit op het tijdstip van zijn overlijden, toepasselijk het
recht van de staat waar de man en de moeder op dat tijdstip elk hun
gewone verblijfplaats hadden of, indien ook dat ontbreekt, het recht
van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip
van de indiening van het verzoek.
Afdeling 3. Familierechtelijke betrekkingen door wettiging
Artikel 98
1. Of een kind door het huwelijk van een van zijn ouders, dan wel
door een nadien genomen beslissing van een rechterlijke of andere
bevoegde autoriteit, wordt gewettigd, wordt bepaald door de op 10
december 1970 te Rome tot stand gekomen Overeenkomst inzake wettiging
door huwelijk (Trb. 1972, 61).
2. Indien toepassing van lid 1 niet leidt tot de wettiging, kunnen
familierechtelijke betrekkingen door wettiging worden gevestigd
volgens het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het
kind.
3. De leden 1 en 2 gelden niet indien een van de ouders de
Nederlandse nationaliteit bezit en het huwelijk niet geldig is
voltrokken in overeenstemming met de artikelen 30 en 31 van dit Boek.
4. Voor de toepassing van de voorgaande leden is bepalend het
tijdstip van het huwelijk van de ouders, dan wel, bij de
totstandkoming van de familierechtelijke betrekkingen door de
beslissing van een rechterlijke of andere bevoegde autoriteit, het
tijdstip van de indiening van het verzoek of de vordering.
Afdeling 4. De inhoud van familierechtelijke betrekkingen uit hoofde
van afstamming
Artikel 99
1. Onverminderd hetgeen ten aanzien van bijzondere onderwerpen is
bepaald, wordt de inhoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen
ouders en kind bepaald door het recht van de staat van de
gemeenschappelijke nationaliteit van de ouders of, indien dit
ontbreekt, door het recht van de staat waar de ouders elk hun gewone
verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van
de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
2. Bestaan alleen familierechtelijke betrekkingen tussen de moeder
en het kind, dan wordt de inhoud van deze familierechtelijke
betrekkingen bepaald door het recht van de staat van de
gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en het kind. Bij
gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit wordt zij bepaald
door het recht van de gewone verblijfplaats van het kind.
3. Wanneer de ouders, onderscheidenlijk de moeder en het kind een
nationaliteit gemeenschappelijk hebben, geldt voor de toepassing van
lid 1, onderscheidenlijk lid 2 als hun nationale recht het recht van
die nationaliteit, ongeacht of zij beiden of een hunner nog een andere
nationaliteit bezitten. Bezitten de ouders, onderscheidenlijk de
moeder en het kind meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan
worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten.
Afdeling 5. Erkenning van buitenslands tot stand gekomen rechterlijke
beslissingen en rechtsfeiten
Artikel 100
1. Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke
beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van
afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van
rechtswege erkend, tenzij:
a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende
aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;
b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of
behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is
met de openbare orde.
2. De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een
Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de
openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander
recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd.
3. De beslissing is niet vatbaar voor erkenning indien zij
onverenigbaar is met een onherroepelijk geworden beslissing van de
Nederlandse rechter inzake de vaststelling of wijziging van dezelfde
familierechtelijke betrekkingen.
4. De voorgaande leden laten de toepassing van de in artikel 98lid
1 van dit Boek bedoelde overeenkomst onverlet.
Artikel 101
1. Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van
overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen
rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke
betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in
een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften opgemaakte akte.
2. De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 100 lid 1, onderdeel c,
van dit Boek doet zich met betrekking tot de erkenning in elk geval
voor
a. indien deze is verricht door een Nederlander die naar
Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen;
b. indien, wat de toestemming van de moeder of het kind
betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat
ingevolge artikel 95 lid 4, van dit Boek toepasselijk is, of
c. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking
heeft.
3. De voorgaande leden laten de toepassing van de in artikel 98 lid
1, van dit Boek genoemde Overeenkomst onverlet.
Afdeling 6. Overgangsrecht
Artikel 102
Deze afdeling is van toepassing op rechtsbetrekkingen die na 1
januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd alsmede op de erkenning van
na 1 januari 2003 buitenslands vastgestelde of gewijzigde
rechtsbetrekkingen.
Titel 6. Adoptie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 103
Voor de toepassing van deze titel wordt onder het Haags
Adoptieverdrag 1993 verstaan: het op 29 mei 1993 te’s-Gravenhage tot
stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de
samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993,
97).
Artikel 104
Onverminderd het Haags Adoptieverdrag 1993, de Wet van 14 mei 1998
tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te’s-Gravenhage tot stand
gekomen Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op
het gebied van de inderlandelijke adoptie (Stb. 1998, 302) en de Wet
opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, wordt in deze titel onder
adoptie verstaan de beslissing van een bevoegde autoriteit waarbij
familierechtelijke betrekkingen tussen een minderjarig kind en twee
personen tezamen of een persoon alleen tot stand worden gebracht.
Afdeling 2. De in Nederland uit te spreken adoptie
Artikel 105
1. Op een in Nederland uit te spreken adoptie is, behoudens lid 2,
het Nederlandse recht van toepassing.
2. Op de toestemming dan wel de raadpleging of de voorlichting van
de ouders van het kind of van andere personen of instellingen is
toepasselijk het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit
bezit. Bezit het kind de nationaliteit van meer dan een staat, dan is
toepasselijk het recht volgens hetwelk toestemming dan wel raadpleging
of voorlichting vereist is. Bezit het kind de Nederlandse
nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, ongeacht
of het kind naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere
nationaliteit bezit.
3. Indien het ingevolge lid 2 op de toestemming dan wel raadpleging
of voorlichting toepasselijke recht de adoptie niet kent, is het
Nederlandse recht van toepassing. Het ingevolge dit lid toepasselijke
recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden
vervangen door een rechterlijke beslissing.
4. Op de herroeping van een in Nederland uitgesproken adoptie is
het Nederlandse recht van toepassing.
Artikel 106
Een in Nederland uitgesproken adoptie heeft, wat betreft het ontstaan
en de verbreking van familierechtelijke betrekkingen, de rechtsgevolgen
die daaraan worden toegekend door het Nederlandse recht.
Afdeling 3. Erkenning van een buitenlandse adoptie
Artikel 107
Deze afdeling heeft betrekking op adopties waarop het Haags
Adoptieverdrag 1993 niet van toepassing is.
Artikel 108
1. Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot
stand is gekomen, wordt in Nederland van rechtswege erkend indien zij
is uitgesproken door:
a. een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar de
adoptiefouders en het kind zowel ten tijde van het verzoek tot
adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats
hadden; of
b. een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar hetzij
de adoptiefouders, hetzij het kind zowel ten tijde van het verzoek
tot adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone
verblijfplaats hadden.
2. Aan een beslissing houdende adoptie wordt erkenning onthouden
indien:
a. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of
behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
b. in het geval, bedoeld in lid 1, onder b, de beslissing niet
is erkend in de staat waar het kind, onderscheidenlijk de staat
waar de adoptiefouders zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie
als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden;
of
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is
met de openbare orde.
3. Op de in lid 2, onder c, genoemde grond wordt aan een beslissing
houdende adoptie in elk geval erkenning onthouden indien de beslissing
kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.
4. De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een
Nederlander betrokken is, niet op de in lid 2, onder c, genoemde grond
worden geweigerd enkel omdat daarop een ander recht is toegepast dan
uit de bepalingen van afdeling 2 zou zijn gevolgd.
Artikel 109
1. Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot
stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde
autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek
tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats
had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland
hadden, wordt erkend indien:
a. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter
adoptie in acht zijn genomen,
b. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het
kind is, en
c. erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 108 lid 2 of
lid 3 van dit Boek, zou worden onthouden.
2. Een adoptie als bedoeld in lid 1 wordt slechts erkend indien de
rechter heeft vastgesteld dat aan de in dat lid genoemde voorwaarden
voor erkenning is voldaan. Toepasselijk is de procedure van artikel 26
van Boek 1 .
3. De rechter die vaststelt dat aan de voorwaarden voor erkenning
van de adoptie is voldaan, geeft ambtshalve een last tot toevoeging
van een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking
komende akte van de burgerlijke stand. De artikelen 25 lid 6, 25c lid
3 en 25g lid 2 van Boek 1 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 110
1. De erkenning, bedoeld in de artikelen 108 en 109 van dit Boek,
houdt tevens in de erkenning van:
a. de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn
adoptiefouders en, in voorkomend geval, de bloedverwanten van zijn
adoptiefouders;
b. het gezag van de adoptiefouders over het kind;
c. de verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen tussen het kind en zijn moeder en vader,
onderscheidenlijk de bloedverwanten van zijn moeder en vader,
indien de adoptie dit gevolg heeft in de staat waar zij
plaatsvond.
2. Ingeval de adoptie in de staat waar zij plaatsvond niet tot
gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen
worden verbroken, mist de adoptie ook in Nederland dat gevolg.
Artikel 111
In het in artikel 110 lid 2 van dit Boek bedoelde geval kan, indien
het kind in Nederland gewone verblijfplaats heeft en daar voor permanent
verblijf bij de adoptiefouders is toegelaten, een verzoek tot omzetting
in een adoptie naar Nederlands recht worden ingediend. Artikel 11 lid 2
van de Wet tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot
stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de
samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, is van
overeenkomstige toepassing. Artikel 105 lid 2 van dit Boek is van
overeenkomstige toepassing op de toestemming van de ouders wier
toestemming tot de adoptie vereist was.
Afdeling 4. Overgangsrecht
Artikel 112
Deze titel is van toepassing op verzoeken tot adoptie die vanaf 1
januari 2004 in Nederland zijn ingediend en op de erkenning van adopties
die vanaf 1 januari 2004 buitenslands tot stand zijn gekomen.
Titel 7. Overige onderwerpen van familierecht
Afdeling 1. Ouderlijke verantwoordelijkheid en bescherming van
kinderen
Artikel 113
Op de bescherming van kinderen zijn van toepassing:
a. het op 5 oktober 1961 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de
toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (Trb.
1968, 101),
b. de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese
Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning
en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de
ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening
(EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338), en
c. de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming.
Afdeling 2. Internationale ontvoering van kinderen
Artikel 114
Op internationale ontvoering van kinderen zijn van toepassing:
a. het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese
Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van
beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het
herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1980, 134),
b. het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale
ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139),
c. de inartikel 113, onder b, van dit Boek genoemde verordening,
en
d. de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te
Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de
erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag
over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over
kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van
internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen
met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde
kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb.
1990, 202).
Afdeling 3
(gereserveerd)
Afdeling 4. Levensonderhoud
Artikel 116
Het recht dat toepasselijk is op verplichtingen tot levensonderhoud
wordt bepaald door:
a. het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Protocol inzake het recht dat van toepassing is op
onderhoudsverplichtingen (PbEU L 331/17),
b. het op 2 oktober 1973 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag inzake de wet die van toepassing is op
onderhoudsverplichtingen (Trb. 1974, 86), of
c. het op 24 oktober 1956 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens
kinderen toepasselijk is (Trb. 1956, 144).
Titel 8. Corporaties
Artikel 117
In deze titel wordt verstaan onder
a. corporatie: een vennootschap, vereniging, coöperatie,
onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als
zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en
samenwerkingsverband;
b. functionaris: hij die, zonder orgaan te zijn, krachtens het op
de corporatie toepasselijke recht en haar statuten of
samenwerkingsovereenkomst bevoegd is deze te vertegenwoordigen.
Artikel 118
Een corporatie die ingevolge de oprichtingsovereenkomst of akte van
oprichting haar zetel of, bij gebreke daarvan, haar centrum van optreden
naar buiten ten tijde van de oprichting, heeft op het grondgebied van de
staat naar welks recht zij is opgericht, wordt beheerst door het recht
van die staat.
Artikel 119
Het op een corporatie toepasselijke recht beheerst naast de
oprichting in het bijzonder de volgende onderwerpen:
a. het bezit van rechtspersoonlijkheid, of van de bevoegdheid
drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te
verrichten en in rechte op te treden;
b. het inwendig bestel van de corporatie en alle daarmee verband
houdende onderwerpen;
c. de bevoegdheid van organen en functionarissen van de
corporatie om haar te vertegenwoordigen;
d. de aansprakelijkheid van bestuurders, commissarissen en andere
functionarissen als zodanig jegens de corporatie;
e. de vraag wie naast de corporatie, voor de handelingen waardoor
de corporatie wordt verbonden, aansprakelijk is uit hoofde van een
bepaalde hoedanigheid zoals die van oprichter, vennoot,
aandeelhouder, lid, bestuurder, commissaris of andere functionaris
van de corporatie;
f. de beëindiging van het bestaan van de corporatie.
Artikel 120
Indien een rechtspersoonlijkheid bezittende corporatie haar
statutaire zetel verplaatst naar een ander land en het recht van de
staat van de oorspronkelijke zetel en dat van de staat van de nieuwe
zetel op het tijdstip van de zetelverplaatsing het voortbestaan van de
corporatie als rechtspersoon erkennen, wordt haar voortbestaan als
rechtspersoon ook naar Nederlands recht erkend. Vanaf de
zetelverplaatsing beheerst het recht van de staat van de nieuwe zetel de
in artikel 119 van dit Boek bedoelde onderwerpen, behoudens indien
ingevolge dat recht daarop het recht van de staat van de oorspronkelijke
zetel van toepassing blijft.
Artikel 121
1. In afwijking van de artikelen 118 en 119 van dit Boek zijn de
artikelen 138 en 149 van Boek 2 van toepassing dan wel van
overeenkomstige toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders en
commissarissen van een ingevolge artikel 118 of artikel 120 van dit
Boek door buitenlands recht beheerste corporatie die in Nederland aan
de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen is, indien de
corporatie in Nederland failliet wordt verklaard. Als bestuurders zijn
eveneens aansprakelijk degenen die met de leiding van de in Nederland
verrichte werkzaamheden zijn belast.
2. De rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken is bevoegd
tot de kennisneming van alle vorderingen uit hoofde van lid 1.
Artikel 122
1. Het openbaar ministerie kan de rechtbank te Utrecht verzoeken
voor recht te verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een
corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon in strijd is met
de openbare orde als bedoeld in artikel 20 van Boek 2.
2. De verklaring werkt voor en tegen een ieder met ingang van de
eerste dag na de dag van de uitspraak. De verklaring wordt door de
zorg van de griffier geplaatst in de Staatscourant. Is de corporatie
in het handelsregister ingeschreven, dan wordt de verklaring aldaar
eveneens ingeschreven.
3. De rechter kan de in Nederland gelegen goederen van de
corporatie desverlangd onder bewind stellen. Artikel 22 van Boek 2 is
van overeenkomstige toepassing.
4. De in Nederland gelegen goederen van een corporatie ten aanzien
waarvan de rechter een verklaring voor recht als bedoeld in lid 1
heeft gegeven, worden vereffend door een of meer door hem te benoemen
vereffenaars. De artikelen 23 tot en met 24 van Boek 2 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 123
Een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon en is
vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2 lid 3 van Verordening (EG) nr.
2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (PbEG L
344) inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en
entiteiten met het oog op de strijd tegen terrorisme, of in Bijlage 1
van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van
27 mei 2002 (PbEG L 139) tot vaststelling van bepaalde specifieke
beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden
hebben met Usama bin Laden, het Al-Qau’ída-netwerk en de Taliban, en
tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot
instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en
diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en
verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen
ten aanzien van de Taliban in Afghanistan, of is vermeld en met een ster
aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr.
2001/931 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (PbEG L
344) betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter
bestrijding van het terrorisme, is van rechtswege verboden en niet
bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.
Artikel 124
Deze titel laat onverlet hetgeen bepaald is bij de Wet op de formeel
buitenlandse vennootschappen.
Titel 9. Vertegenwoordiging
Artikel 125
1. Het recht dat toepasselijk is op vertegenwoordiging wordt
bepaald door het op 14 maart 1978 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging (Trb.
1978, 138).
2. Het verdrag is voor Nederland niet van toepassing op
vertegenwoordiging inzake verzekeringen.
Titel 10. Goederenrecht
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 126
1. Deze titel laat onverlet het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op
trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141), alsmede
titel 11 van dit Boek. Onverminderd hetgeen voortvloeit uit dat
verdrag en die titel, is een rechtshandeling die strekt tot een door
Nederlands recht beheerste overdracht aan de trustee van een trust als
bedoeld in artikel 142 van dit Boek welke wordt beheerst door
buitenlands recht, niet een ongeldige titel op de enkele grond dat die
rechtshandeling tot doel heeft dat goed over te dragen tot zekerheid
of de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de
verkrijger te doen vallen.
2. Deze titel laat onverlet de richtlijn nr. 93/7/ EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 betreffende de
teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het
grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (Pb L74) alsmede de
Implementatiewet bescherming cultuurgoederen tegen illegale uitvoer.
Afdeling 2. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot zaken
Artikel 127
1. Behoudens voor zover in de leden 2 en 3 anders is bepaald, wordt
het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak beheerst
door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt.
2. Behoudensartikel 160 van dit Boek wordt het goederenrechtelijke
regime met betrekking tot teboekstaande schepen beheerst door het
recht van de staat waar het schip teboekstaat.
3. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot teboekstaande
luchtvaartuigen en luchtvaartuigen die uitsluitend staan ingeschreven
in een nationaliteitsregister als bedoeld in artikel 17 van het op 7
december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de
internationale burgerluchtvaart, Stb. 1947, H 165, wordt beheerst door
het recht van de staat waar het luchtvaartuig teboekstaat of in het
nationaliteitsregister is ingeschreven.
4. Het in de vorige leden bedoelde recht bepaalt in het bijzonder:
a. of een zaak roerend of onroerend is;
b. wat een bestanddeel van een zaak is;
c. of een zaak vatbaar is voor overdracht van de eigendom ervan
of vestiging van een recht erop;
d. welke vereisten aan een overdracht of vestiging worden
gesteld;
e. welke rechten op een zaak kunnen rusten en welke de aard en
de inhoud van deze rechten zijn;
f. op welke wijze die rechten ontstaan, zich wijzigen, overgaan
en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is.
5. Voor de toepassing van het vorige lid is, wat betreft de
verkrijging, de vestiging, de overgang, de wijziging of het tenietgaan
van rechten op een zaak, bepalend het tijdstip waarop de daarvoor
noodzakelijke rechtsfeiten geschieden.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing in het
geval van overdracht en van vestiging van rechten op zakelijke
rechten.
Artikel 128
1. De goederenrechtelijke gevolgen van een eigendomsvoorbehoud
worden beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de
zaak zich op het tijdstip van levering bevindt. Zulks laat onverlet de
verbintenissen die volgens het op het beding van eigendomsvoorbehoud
toepasselijke recht, daaruit kunnen voortvloeien.
2. In afwijking van de eerste zin van lid 1 kunnen partijen
overeenkomen dat de goederenrechtelijke gevolgen van een
eigendomsvoorbehoud van een voor uitvoer bestemde zaak worden beheerst
door het recht van de staat van bestemming indien op grond van dat
recht het eigendomsrecht niet zijn werking verliest totdat de prijs
volledig is betaald. De aldus overeengekomen aanwijzing heeft slechts
gevolg indien de zaak daadwerkelijk in de aangewezen staat van
bestemming wordt ingevoerd.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de
goederenrechtelijke gevolgen van leasing van zaken die bestemd zijn
voor gebruik in het buitenland.
Artikel 129
Onverminderd artikel 163, aanhef en onder a, van dit Boek worden het
ontstaan en de inhoud van een recht van retentie bepaald door het recht
dat de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding beheerst. Een
recht van retentie kan slechts geldend worden gemaakt voor zover het
recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt, zulks
toelaat.
Artikel 130
Rechten op een zaak die overeenkomstig het ingevolge deze titel
toepasselijke recht zijn verkregen of gevestigd, blijven daarop rusten,
ook indien die zaak wordt overgebracht naar een andere staat. Deze
rechten kunnen niet worden uitgeoefend op een wijze die onverenigbaar is
met het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich ten tijde
van die uitoefening bevindt.
Artikel 131
De rechtsgevolgen van de verkrijging van een zaak van een
beschikkingsonbevoegde worden beheerst door het recht van de staat op
welks grondgebied de zaak zich ten tijde van die verkrijging bevond.
Artikel 132
1. Indien het bezit van een zaak onvrijwillig is verloren en na dit
verlies onbekend is in welke staat de zaak zich bevindt, worden de
rechtsgevolgen van goederenrechtelijke rechtshandelingen, door de
eigenaar of zijn rechtsopvolger verricht, beheerst door het recht van
de staat op welks grondgebied de zaak zich voor het bezitsverlies
bevond.
2. Is in het in het vorige lid bedoelde geval het verlies door een
verzekering gedekt, dan bepaalt het recht dat de
verzekeringsovereenkomst beheerst, of en op welke wijze de eigendom op
de verzekeraar overgaat.
Artikel 133
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak die
krachtens een overeenkomst van internationaal vervoer wordt vervoerd,
wordt beheerst door het recht van de staat van bestemming.
2. Indien het in lid 1 bedoelde vervoer plaatsvindt ter uitvoering
van een koopovereenkomst of een andere overeenkomst die verplicht tot
overdracht van de vervoerde zaak, of ter uitvoering van een tot
vestiging van rechten op die zaak verplichtende overeenkomst, wordt,
in afwijking van lid 1 een aanwijzing van het op de bedoelde
overeenkomst toepasselijke recht, opgenomen in die overeenkomst,
geacht mede betrekking te hebben op het goederenrechtelijke regime met
betrekking tot de vervoerde zaak.
Afdeling 3. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot
vorderingsrechten
Artikel 134
Indien een vordering belichaamd is in een stuk, bepaalt het recht van
de staat op welks grondgebied het stuk zich bevindt, of de vordering een
vordering op naam dan wel een vordering aan toonder is.
Artikel 135
1. De vatbaarheid van een vordering op naam voor overdracht dan wel
voor vestiging daarop van rechten wordt beheerst door het recht dat op
de vordering van toepassing is.
2. Voor het overige wordt het goederenrechtelijke regime met
betrekking tot een vordering op naam beheerst door het recht dat op de
tot overdracht of vestiging van rechten verplichtende overeenkomst
toepasselijk is. Dat recht bepaalt in het bijzonder:
a. welke vereisten aan een overdracht of vestiging worden
gesteld;
b. wie gerechtigd is tot uitoefening van de in de vordering
besloten rechten;
c. welke rechten op de vordering kunnen rusten en welke de aard
en de inhoud van deze rechten zijn;
d. op welke wijze die rechten zich wijzigen, overgaan en
tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is.
3. De betrekkingen tussen de cessionaris, onderscheidenlijk de
gerechtigde, en de schuldenaar, de voorwaarden waaronder de overdracht
van een vordering op naam dan wel de vestiging daarop van een recht
aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen, alsmede de vraag of de
schuldenaar door betaling is bevrijd, worden beheerst door het recht
dat op de vordering van toepassing is.
Artikel 136
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een vordering
aan toonder wordt beheerst door het recht van de staat op welks
grondgebied het toonderstuk zich bevindt. Artikel 135 leden 1 en 2 van
dit Boek is van overeenkomstige toepassing op de vraag welke
onderwerpen door dat recht worden beheerst.
2. De betrekkingen tussen de verkrijger en de schuldenaar, de
voorwaarden waaronder de overdracht van de vordering dan wel de
vestiging daarop van een recht aan de schuldenaar kan worden
tegengeworpen, alsmede de vraag of de schuldenaar door betaling is
bevrijd, worden beheerst door het recht dat op de vordering van
toepassing is.
3. Deartikelen 130 en 131 van dit Boek zijn van overeenkomstige
toepassing op vorderingen aan toonder.
Afdeling 4. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot
aandelen
Artikel 137
Indien een stuk een aandeelbewijs is volgens het recht dat van
toepassing is op de in dat stuk vermelde uitgevende vennootschap,
bepaalt het recht van de staat op welks grondgebied het aandeelbewijs
zich bevindt, of het een aandeel op naam dan wel een aandeel aan toonder
is.
Artikel 138
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een aandeel op
naam wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de
vennootschap die het aandeel uitgeeft dan wel heeft uitgegeven.
Artikel 135 leden 1 en 2van dit Boek is van overeenkomstige toepassing
op de vraag welke onderwerpen door dat recht worden beheerst.
2. In afwijking van lid 1 kan met betrekking tot aandelen op naam
in een Nederlandse naamloze vennootschap waaraan, ter bevordering van
de verhandelbaarheid aan een gereglementeerde buitenlandse
effectenbeurs een in de staat van vestiging van de beurs gebruikelijke
vorm is gegeven, door de uitgevende vennootschap worden bepaald dat
het goederenrechtelijke regime wordt beheerst door het recht van de
staat van vestiging van de betrokken beurs dan wel het recht van de
staat waarin met instemming van de betrokken beurs leveringen en
andere goederenrechtelijke rechtshandelingen betreffende de aandelen
kunnen of moeten worden verricht.
3. Een aanwijzing van het toepasselijke recht als in lid 2 bedoeld
dient uitdrukkelijk, op voor belanghebbenden kenbare wijze, te worden
gedaan. Tevens dient deze aanwijzing te worden bekendgemaakt in twee
landelijk verspreide Nederlandse dagbladen.
4. De betrekkingen tussen de aandeelhouder, onderscheidenlijk de
gerechtigde, en de vennootschap, alsmede de voorwaarden waaronder de
overdracht dan wel de vestiging van een recht aan de vennootschap kan
worden tegengeworpen, worden beheerst door het recht dat van
toepassing is op de vennootschap die het aandeel heeft uitgegeven.
Artikel 139
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een aandeel
aan toonder wordt beheerst door het recht van de staat waar het
toonderstuk zich bevindt. Artikel 135 leden 1 en 2 van dit Boek is van
overeenkomstige toepassing op de vraag welke onderwerpen door dat
recht worden beheerst.
2. De betrekkingen tussen de aandeelhouder, onderscheidenlijk de
gerechtigde, en de vennootschap, alsmede de voorwaarden waaronder de
overdracht dan wel de vestiging van een recht aan de vennootschap kan
worden tegengeworpen, worden beheerst door het recht dat van
toepassing is op de vennootschap.
3. Deartikelen 130 en 131 van dit Boek zijn van overeenkomstige
toepassing op aandelen aan toonder.
Afdeling 5. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot giraal
overdraagbare effecten
Artikel 140
Indien een aandeel behoort tot een verzameling van effecten die
giraal overdraagbaar zijn, is op het goederenrechtelijke regime met
betrekking tot dat aandeel afdeling 4 niet van toepassing voor zover de
bepalingen daarvan afwijken van artikel 141 van dit Boek.
Artikel 141
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot giraal
overdraagbare effecten wordt beheerst door het recht van de staat op
welks grondgebied de rekening waarin de effecten worden
geadministreerd, wordt gehouden.
2. Het in het vorige lid bedoelde recht bepaalt in het bijzonder:
a. welke rechten op de effecten kunnen rusten en welke de aard
en de inhoud van deze rechten zijn;
b. welke vereisten aan de overdracht of de vestiging van de
onder a bedoelde rechten worden gesteld;
c. wie gerechtigd is tot de uitoefening van de in de effecten
besloten rechten;
d. op welke wijze de onder a bedoelde rechten zich wijzigen,
overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
e. de executie.
Titel 11. Trustrecht
Artikel 142
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
a. het Haags Trustverdrag 1985: het op 1 juli 1985 te’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op
trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985 141);
b. trust: een trust als omschreven in artikel 2 van het Haags
Trustverdrag 1985, die door een wilsuiting in het leven is geroepen
en waarvan blijkt uit een geschrift.
Artikel 143
Met betrekking tot een goed ter zake waarvan inschrijvingen kunnen
plaatsvinden in een ingevolge de wet gehouden register en dat behoort
tot de trustgoederen die een afgescheiden vermogen vormen, kan de
trustee verlangen dat een inschrijving geschiedt op zijn naam en in zijn
hoedanigheid van trustee, of op een zodanige andere wijze dat van het
bestaan van de trust blijkt.
Artikel 144
Bepalingen van Nederlands recht inzake eigendomsoverdracht,
zekerheidsrecht of de bescherming van schuldeisers in geval van
insolventie laten de in artikel 11 van het Haags Trustverdrag 1985
omschreven rechtsgevolgen van de erkenning van een trust onverlet.
Titel 12. Erfrecht
Artikel 145
1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder het Haags
Erfrechtverdrag 1989: het op 1 augustus 1989 te’s-Gravenhage tot
stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op
erfopvolging (Trb. 1994, 49)
2. Het recht dat van toepassing is op erfopvolging wordt aangewezen
door het Haags Erfrechtverdrag 1989.
Artikel 146
1. In hoeverre een natuurlijke persoon uiterste wilsbeschikkingen
kan maken, wordt bepaald door zijn nationale recht.
2. Indien de betrokken persoon de nationaliteit van meer dan een
staat bezit en hij in een van deze staten zijn gewone verblijfplaats
heeft, geldt het recht van die staat als zijn nationale recht. Heeft
de betrokken persoon zijn gewone verblijfplaats niet in een van deze
staten, dan geldt als zijn nationale recht het recht van de staat van
zijn nationaliteit waarmee hij, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, het nauwst is verbonden.
Artikel 147
1. Indien een der gerechtigden in een te vereffenen nalatenschap
ten opzichte van een andere gerechtigde wordt benadeeld door de
toepassing op een buitenslands gelegen vermogensbestanddeel van een
krachtens het internationaal privaatrecht van het land van ligging
aangewezen recht, worden de goederen, aldus overeenkomstig dat recht
door die andere gerechtigde of door derden verkregen, als geldig
verkregen erkend.
2. De benadeelde gerechtigde kan echter vorderen dat ter
gelegenheid van de vereffening van de nalatenschap tussen hem en de
bevoordeelde gerechtigde een verrekening plaatsvindt tot ten hoogste
het ondervonden nadeel. Verrekening is uitsluitend mogelijk met
betrekking tot goederen van de nalatenschap dan wel door vermindering
van een last.
3. In de voorgaande leden wordt onder gerechtigde verstaan een
erfgenaam, een legataris of een lastbevoordeelde.
Artikel 148
De herroeping door de erflater van alle eerder door hem gemaakte
uiterste wilsbeschikkingen wordt vermoed mede te omvatten een eerder
door hem gedane aanwijzing van het recht dat de vererving van zijn
nalatenschap beheerst.
Artikel 149
1. De vereffening van de nalatenschap wordt door het Nederlandse
recht beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats
in Nederland had. In het bijzonder zijn van toepassing de Nederlandse
voorschriften inzake de gehoudenheid van de door het volgens het Haags
Erfrechtverdrag 1989 toepasselijke recht aangewezen erfgenamen voor de
schulden van de erflater en de voorwaarden waaronder zij hun
gehoudenheid kunnen uitsluiten of beperken.
2. De wijze waarop de verdeling van de nalatenschap tot stand wordt
gebracht, wordt door het Nederlandse recht beheerst indien de erflater
zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had, tenzij de
deelgenoten gezamenlijk het recht van een ander land aanwijzen. Met de
eisen van het goederenrecht van de plaats van ligging der activa wordt
rekening gehouden.
Artikel 150
1. De taak en de bevoegdheden van een door de erflater aangewezen
vereffenaar worden door het Nederlandse recht beheerst indien de
erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had.
2. De rechter kan op verlangen van een belanghebbende voorzieningen
treffen om te waarborgen dat met betrekking tot de vererving van de in
Nederland gelegen bestanddelen van de nalatenschap het volgens het
verdrag toepasselijke recht wordt in acht genomen. Hij kan bevelen dat
in verband daarmee zekerheden worden gesteld.
Artikel 151
1. Het recht dat van toepassing is op de vorm van uiterste
wilsbeschikkingen wordt bepaald door het op 5 oktober 1961 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm
van testamentaire beschikkingen (Trb. 1980, 54).
2. Een mondelinge testamentaire beschikking welke, behoudens in
buitengewone omstandigheden, is gemaakt door een Nederlander die niet
tevens een andere nationaliteit bezit, wordt in Nederland niet erkend.
Artikel 152
1. Deartikelen 147 tot en met 150 van dit Boek zijn van toepassing
op de erfopvolging van personen wier overlijden na 1 oktober 1996
heeft plaatsgevonden.
2. Indien de erflater voor 1 oktober 1996 het op zijn erfopvolging
toepasselijke recht heeft aangewezen, wordt die aanwijzing als geldig
beschouwd indien zij voldoet aan de vereisten van artikel 5 van het
Haags Erfrechtverdrag 1989.
3. Indien de partijen bij een overeenkomst inzake erfopvolging voor
1 oktober 1996 het op die overeenkomst toepasselijke recht hebben
aangewezen, wordt die aanwijzing als geldig beschouwd indien zij
voldoet aan de vereisten van artikel 11 van het Haags Erfrechtverdrag
1989.
4. Onverminderd de voorgaande leden kan een aanwijzing door de
erflater van het op de vererving van zijn nalatenschap toepasselijke
recht of de wijziging van een zodanige aanwijzing, welke is geschied
voor 1 oktober 1996, niet als ongeldig worden beschouwd op de enkele
grond dat de wet een zodanige aanwijzing toen niet regelde.
Titel 13. Verbintenissen uit overeenkomst
Artikel 153
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder de verordening
«Rome I»: de verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement
en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op
verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (Pb EU L 177).
Artikel 154
Op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van de verordening
«Rome I» en de terzake geldende verdragen vallen en die als
verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden aangemerkt, zijn de
bepalingen van de verordening «Rome I»van overeenkomstige toepassing.
Artikel 155
In de gevallen bedoeld in artikel 7 lid 3, tweede alinea, van de
verordening «Rome I», kunnen partijen een rechtskeuze maken
overeenkomstig artikel 3 van de verordening«Rome I».
Artikel 156
Voor de toepassing van artikel 7 lid 4, onder b, van de verordening
«Rome I» worden verzekeringsovereenkomsten voor de dekking van risico’s
waarvoor een lidstaat een verplichting oplegt om een verzekering af te
sluiten, beheerst door het recht van de lidstaat die de
verzekeringsplicht oplegt.
Titel 14. Verbintenissen uit andere bron dan overeenkomst
Artikel 157
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder de Verordening
«Rome II» : de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees
Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van
toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PbEU L
199).
Artikel 158
1. De Verordening «Rome II» laat onverlet:
a. het op 4 mei 1971 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen
op de weg (Trb. 1971, 118); en
b. het op 2 oktober 1973 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag betreffende de wet welke van toepassing is op de
aansprakelijkheid wegens produkten (Trb. 1974, 84).
Artikel 159
Op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van de verordening
«Rome II» en de terzake geldende verdragen vallen en die als
onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, zijn de bepalingen van de
Verordening «Rome II» van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat op verbintenissen voortvloeiend uit de uitoefening van
Nederlands openbaar gezag Nederlands recht van toepassing is.
Titel 15. Enkele bepalingen met betrekking tot het zeerecht, het
binnenvaartrecht en het luchtrecht
Artikel 160
1. Indien in Nederland in geval van faillissement of van uitwinning
de opbrengst van een teboekstaand schip moet worden verdeeld, wordt de
vraag of, en zo ja, tot welke omvang, een daarbij geldend gemaakte
vordering bestaat, beantwoord naar het recht dat die vordering
beheerst.
2. Of een vordering als bedoeld in het voorgaande lid bevoorrecht
is en welke de omvang, de rangorde en de gevolgen van dat voorrecht
zijn, wordt beslist naar het recht van de staat waar het schip ten
tijde van de aanvang van het faillissement of de uitwinning
teboekstond. Evenwel wordt bij de bepaling van de rangorde van
vorderingen slechts aan die vorderingen voorrang toegekend boven door
hypotheek gedekte vorderingen, die ook naar Nederlands recht een
zodanige voorrang genieten.
3. Aan een vordering die naar het daarop toepasselijke recht niet
op het schip bevoorrecht is, wordt geen voorrang toegekend.
4. De leden 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de
verhaalbaarheid van een vordering op het schip.
Artikel 161
1. De vraag of een partij bij een overeenkomst tot exploitatie van
een schip, of een persoon in haar dienst of anderszins te haren
behoeve werkzaam, dan wel een eigenaar van of belanghebbende bij
vervoerde of te vervoeren zaken, die buiten overeenkomst wordt
aangesproken, zich kan beroepen op een door hemzelf of door een ander
in de keten der exploitatie-overeenkomsten gesloten overeenkomst,
wordt beantwoord naar het recht dat op de buiten overeenkomst
ingestelde vordering van toepassing is.
2. Evenwel wordt in de verhouding tussen twee partijen bij
eenzelfde exploitatie-overeenkomst de in het voorgaande lid bedoelde
vraag beantwoord naar het recht dat op die overeenkomst van toepassing
is.
Artikel 162
1. Bij vervoer van zaken onder cognossement wordt de vraag of, en
zo ja, onder welke voorwaarden, naast degene die het cognossement
ondertekende of voor wie een ander het ondertekende, een derde als
vervoerder onder het cognossement verbonden of gerechtigd is, als ook
de vraag wie drager is van de uit het cognossement voortvloeiende
rechten en verplichtingen jegens de vervoerder, beantwoord naar het
recht van de staat waarin de haven gelegen is, waar uit hoofde van de
overeenkomst moet worden gelost, ongeacht een door de partijen bij de
vervoerovereenkomst gedane rechtskeuze.
2. Evenwel worden de in lid 1 bedoelde vragen beantwoord naar het
recht van de staat waarin de haven van inlading gelegen is, wat
betreft de verplichtingen ter zake van het ter beschikking stellen van
de overeengekomen zaken, de plaats, de wijze en de duur van de
inlading.
Artikel 163
Ongeacht het op de overeenkomst tot vervoer van zaken toepasselijke
recht, is het recht van de staat waarin de haven gelegen is, waar de
zaken ter lossing worden aangevoerd van toepassing op de vragen:
a. of, en in hoeverre, de vervoerder een recht van retentie op de
zaken heeft, en
b. of, en met welke gevolgen, de vervoerder dan wel degene die
jegens de vervoerder recht heeft op aflevering van de zaken, bevoegd
is een gerechtelijk onderzoek te doen instellen naar de toestand
waarin de zaken worden afgeleverd en, indien verlies van of schade
aan de zaken of een gedeelte daarvan wordt vermoed, een gerechtelijk
onderzoek te doen instellen naar de oorzaken daarvan, waaronder
begrepen een begroting van de schade of het verlies.
Artikel 164
Voor zover de aansprakelijkheid ter zake van een aanvaring in volle
zee niet wordt bestreken door de Verordening «Rome II», is daarop van
toepassing het recht van de staat waar de vordering wordt ingesteld. De
eerste zin is eveneens van toepassing indien schade door een zeeschip is
veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaats had.
Artikel 165
1. De rechten, genoemd in het op 19 juni 1948 te Genève tot stand
gekomen Verdrag betreffende internationale erkenning van rechten op
luchtvaartuigen (Trb. 1952, 86) worden erkend onder de voorwaarden en
met de gevolgen in dat verdrag vermeld.
2. Deze erkenning werkt niet ten nadele van een beslagleggende
crediteur of van de koper ter executie, wanneer de vestiging of
overdracht van bedoelde rechten geschiedde door de geëxecuteerde,
terwijl hij kennis droeg van het beslag.
|
|
|