Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbesluit rechtspersonen
met een beperkte kasbeheerfunctie
-
Besluit kasbeheer 1998
-
Besluit kasbeheer 2012
- Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996
-
Regeling baten-lastendiensten 2007 (vervallen)
-
Regeling baten-lastendiensten 2011 (vervallen)
- Regeling departementale begrotingsadministratie 2007
- Regeling
kasbeheer 2012'
- Regeling kwijtschelding en buiteninvorderingstelling 2004
-
Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006
-
Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden
WET van 13 juli 2002 tot vaststelling van
de Wet inzake het beheer van de financiën van het Rijk (Comptabiliteitswet
2001)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de
Comptabiliteitswet te vervangen door nieuwe wettelijke bepalingen over
het beheer van de financiën van het Rijk, mede ter uitvoering van de
artikelen 78 en 105 van de Grondwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze.
Hoofdstuk 1. De begroting van het
Rijk
Paragraaf 1. De inrichting van de
begroting en het begrotingsstelsel
Artikel 1
1. Tot de Rijksbegroting behoren:
a. de begrotingen van de
onderscheiden ministeries, hierna te noemen: de departementale
begrotingen;
b. de begrotingen van nationale
schuld;
c. de begroting van
koninkrijksrelaties, tenzij de verplichtingen, uitgaven en
ontvangsten die samenhangen met koninkrijksrelaties worden
opgenomen in de begroting van het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties;
d. de begroting van de Koning;
e. de begroting van het Kabinet
van de Koning;
f. de begroting van de
Staten-Generaal;
g. de begroting van de overige
Hoge Colleges van Staat en de Kabinetten van de Gouverneurs;
h. de begroting van de
Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten;
i. de begrotingen van de
onderscheiden begrotingsfondsen, bedoeld in artikel 9;
j. een andere begroting, indien
die begroting aan de Rijksbegroting wordt toegevoegd bij de
wet waarmee die begroting voor de eerste keer wordt
vastgesteld.
2. Begrotingen bestaan uit een
begrotingsstaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid, waarin zijn
opgenomen de begrotingsartikelen, en een bij die staat behorende
toelichting.
3. De begrotingsstaten worden elk
afzonderlijk bij de wet vastgesteld.
4. In afwijking van het derde lid
worden de begrotingsstaten van het Kabinet van de Koning en van de
Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten vastgesteld bij de wet waarmee de
departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene
Zaken wordt vastgesteld.
5. In afwijking van het derde lid
kan Onze betrokken Minister besluiten de begrotingsstaat van de
departementale begroting en de begrotingsstaat van een
begrotingsfonds waarover hij het beheer voert, in één wet te
laten vaststellen.
Artikel 2
1.Het begrotingsjaar is het
kalenderjaar.
2.Begrotingsartikelen worden
onderscheiden in beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen.
3.De begrotingen bevatten de
ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten,
voor zover de daarmee gemoeide gelden niet toebehoren aan derden.
4.In afwijking van het derde lid,
bevatten de begrotingen geen ramingen van de verplichtingen, de
uitgaven en de ontvangsten die op grond van artikel 28, tweede
lid, buiten het begrotingsverband zullen worden gehouden.
Artikel 3
1.Onder uitgaven en ontvangsten van
een jaar worden verstaan:
a. de geldelijke betalingen en
ontvangsten in dat jaar;
b. de niet-geldelijke
betalingen en ontvangsten in dat jaar, bedoeld in artikel 30,
eerste lid;
c. de verrekeningen, bedoeld in
artikel 31, eerste lid, die in dat jaar plaatsvinden;
d. de toevoegingen en
onttrekkingen aan een begrotingsreserve als bedoeld in artikel
5, vierde lid.
2.Als verplichting van een jaar
wordt geraamd het bedrag van de verplichting die in dat jaar
rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een
koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking,
een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde
afspraak tussen dienstonderdelen en die in dat jaar dan wel in een
later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.
3.In afwijking van het tweede lid
kan als verplichting van een jaar worden opgenomen het bedrag dat
in dat jaar als uitgave wordt geraamd met betrekking tot:
a. salarissen, wachtgelden en
soortgelijke periodieke verplichtingen;
b. de uitgaven, opgenomen in de
begroting van nationale schuld;
c. huren, pachten en
soortgelijke periodieke verplichtingen;
d. andere door Onze Minister
van Financiën aan te wijzen categorieën verplichtingen.
4.Onze Minister van Financiën doet
aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de
aangewezen categorieën verplichtingen.
Artikel 4
1.De begrotingsstaat bevat per
begrotingsartikel in elk geval de volgende gegevens:
a. het artikelnummer;
b. de artikelomschrijving;
c. bruto het maximumbedrag dat
voor het aangaan van verplichtingen in het begrotingsjaar
beschikbaar is;
d. bruto het maximumbedrag dat
voor het verrichten van uitgaven in het begrotingsjaar
beschikbaar is;
e. bruto het bedrag dat aan
ontvangsten in het begrotingsjaar geraamd wordt.
2.Een begrotingsartikel is de
kleinste eenheid in de begrotingsstaat.
3.Het eerste lid, onder d en e, is
niet van toepassing op de uitgaven en de ontvangsten die op grond
van artikel 28, vierde lid, in mindering zullen worden gebracht op
ontvangsten, onderscheidenlijk uitgaven.
Artikel 5
1.De toelichting bij de
begrotingsstaat biedt per beleidsartikel in elk geval inzicht in
de met het beleid samenhangende:
a. algemene en indien van
toepassing nader geoperationaliseerde doelstellingen die
worden nagestreefd;
b. instrumenten die ter
bereiking van die doelstellingen worden ingezet;
c. meerjarig beschikbare
bedragen voor het aangaan van verplichtingen;
d. meerjarig beschikbare
bedragen voor het verrichten van programma-uitgaven;
e. meerjarig beschikbare
bedragen voor het verrichten van apparaatsuitgaven;
f. meerjarige bedragen die aan
ontvangsten zijn geraamd.
2.Het meerjarige inzicht dient,
uitgaande van jaar t als begrotingsjaar, betrekking te hebben op
het jaar t-2 tot en met het jaar t+4, dat wil zeggen op de periode
lopende van twee jaar voorafgaand tot en met vier jaar volgend op
het begrotingsjaar.
3.De toelichting bij de
begrotingsstaat bevat per beleidsartikel:
a. doeltreffendheidsgegevens
over de in het eerste lid bedoelde algemene en/of nader
geoperationaliseerde doelstellingen, alsmede gegevens over de
doelmatigheid van het beleid, alle al dan niet verkregen uit
beleidsevaluatieonderzoek;
b. waar mogelijk
doelmatigheidsgegevens, al dan niet verkregen uit
beleidsevaluatieonderzoek, voor de in het eerste lid bedoelde
apparaatsuitgaven;
c. informatie over de mate
waarin de meerjarig beschikbare bedragen voor het verrichten
van uitgaven juridisch verplicht of anderszins gebonden zijn;
d. informatie over de
veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en
raming.
4.Met toestemming van Onze Minister
van Financiën kan ten laste van een beleidsartikel een meerjarige
begrotingsreserve worden aangehouden.
5.De toelichting bij een
beleidsartikel ten laste waarvan een begrotingsreserve wordt
aangehouden, vermeldt de motieven voor het aanhouden ervan en
biedt inzicht in de omvang van de reserve, alsmede zo mogelijk in
de toevoeging en of onttrekking aan de reserve die in het
begrotingsjaar worden verwacht.
Artikel 6
1.Een begroting kan drie
niet-beleidsartikelen bevatten, te weten:
a. een begrotingsartikel met de
omschrijving Algemeen voor de verplichtingen, uitgaven en
ontvangsten die niet aan een beleidsartikel worden toegedeeld;
b. een begrotingsartikel met de
omschrijving Geheim voor de verplichtingen, uitgaven en
ontvangsten waarvoor geldt dat openbaarmaking via toedeling
aan een beleidsartikel niet in het belang van de staat is;
c. een administratief
begrotingsartikel met de omschrijvingNominaal en onvoorzien.
2.De bij het administratieve
begrotingsartikel Nominaal en onvoorzien opgenomen bedragen voor
verplichtingen en voor uitgaven kunnen zowel positief als negatief
zijn.
3.Ten laste van het
begrotingsartikel Nominaal en onvoorzien kunnen geen uitgaven
worden gedaan en verplichtingen worden aangegaan; de bedragen
worden bij een wijziging van de begroting toegedeeld aan een ander
begrotingsartikel en wel zodanig dat in het betrokken jaarverslag
de gerealiseerde bedragen bij het begrotingsartikel Nominaal en
onvoorzien uitkomen op nihil.
4.De toelichting bij de
begrotingsstaat biedt per niet-beleidsartikel meerjarig in elk
geval inzicht in:
a. de beschikbare bedragen voor
het aangaan van verplichtingen;
b. de beschikbare bedragen voor
het verrichten van programma-uitgaven;
c. de beschikbare bedragen voor
het doen van apparaatsuitgaven;
d. de bedragen die aan
ontvangsten zijn geraamd.
Artikel 5, tweede lid, is van
toepassing.
5.In afwijking van het eerste lid
en in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kan een
begroting andere niet-beleidsartikelen bevatten.
Artikel 7
1.De begroting van nationale schuld
bevat de ramingen met betrekking tot:
a. de uitgaven en ontvangsten
die voortvloeien uit transacties op de financiële markten,
voor zover die transacties een oorspronkelijke looptijd hebben
van langer dan één jaar;
b. de mutatie per 31 december
van het begrotingsjaar ten opzichte van 31 december van het
voorgaande jaar in het saldo van uitgaven en ontvangsten die
voortvloeien uit transacties op de financiële markten, voor
zover die transacties een oorspronkelijke looptijd hebben van
maximaal één jaar;
c. de uitgaven en ontvangsten
die voortvloeien uit door Onze Minister van Financiën met
derden of met baten-lastendiensten aan te gane
leningstransacties, voor zover die transacties door Onze
Minister van Financiën niet worden geraamd op de
departementale begroting van het Ministerie van Financiën;
d. de mutatie per 31 december
van het begrotingsjaar ten opzichte van 31 december van het
voorafgaande jaar in het totaalsaldo van de
rekeningen-courant, inclusief de daaraan gekoppelde
termijndeposito's, die derden en baten-lastendiensten
aanhouden bij 's Rijks schatkist;
e. de uitgaven en ontvangsten
aan rente, boete, kosten en provisie die voortvloeien uit de
transacties, bedoeld onder b, alsmede uit de
rekeningen-courant, bedoeld onder d;
f. andere door Onze Minister
van Financiën aan te wijzen uitgaven en ontvangsten die
voortvloeien uit vermogens- of financieringstransacties;
g. de uitgaven en ontvangsten
die voortvloeien uit het betalingsverkeer met betrekking tot
de centrale kassen, bedoeld in artikel 24, tweede lid;
h. de uitgaven en ontvangsten
van het personeel en het materieel met betrekking tot die
begroting.
2.De mutaties, bedoeld in het
eerste lid, onder b en d, worden als uitgave of als ontvangst
opgenomen in de slotwet van de begroting van nationale schuld.
3.In afwijking van artikel 3,
eerste lid, aanhef en onder a, worden onder renteuitgaven en
rente-ontvangsten van een jaar in de begroting van nationale
schuld niet verstaan de geldelijke betalingen en ontvangsten in
dat jaar, maar de rentekosten onderscheidenlijk de
renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden
toegerekend.
Artikel 8
1. De begroting van de Koning bevat
de uitkeringen aan de leden van het koninklijk huis, alsmede de
uitgaven die functioneel samenhangen met het koningschap. De
begrotingsartikelen waarin die uitkeringen worden opgenomen hebben
het karakter van een niet-beleidsartikel.
2. In overeenstemming met Onze
Minister van Financiën kan de toepassing van artikel 5 op een of
meer van de begrotingen van de colleges, genoemd in artikel 1,
eerste lid, onder e tot en met h, gelet op de staatsrechtelijke
positie van de colleges, geheel of gedeeltelijk achterwege
blijven.
Artikel 9
1.Ten behoeve van een afzonderlijk
beheer van ontvangsten en uitgaven van het Rijk kan een
begrotingsfonds worden ingesteld.
2.De instelling van een
begrotingsfonds geschiedt bij de wet.
3.De wet tot instelling van een
begrotingsfonds bepaalt de aard van de uitgaven en van de
ontvangsten van het betrokken fonds, de bestemming van een batig
dan wel de aanvulling van een nadelig jaarsaldo van het fonds,
alsmede wie van Onze Ministers verantwoordelijk is voor het beheer
van de begroting van het fonds.
4.In overeenstemming met Onze
Minister van Financien kan de toepassing van de artikelen 5 en 6
op de begroting van een begrotingsfonds geheel of gedeeltelijk
achterwege blijven. In het geval artikel 5 niet wordt toegepast,
worden de begrotingsartikelen van het betrokken begrotingsfonds
geacht het karakter van een niet-beleidsartikel te hebben.
Artikel 9a
1. In afwijking van artikel 1,
eerste lid, onder i, artikel 1, tweede en derde lid, en artikel
12, eerste lid, kan vanaf het begrotingsjaar 2012 worden afgezien
van het indienen van een voorstel van wet tot vaststelling van de
begrotingsstaat van het Fonds economische structuurversterking.
2. Indien in enig begrotingsjaar
geen voorstel als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend,
worden, in afwijking van de artikelen 2 en 3 van de Wet Fonds
economische structuurversterking, de ontvangsten, respectievelijk
de uitgaven van het fonds voor dat begrotingsjaar op nihil
gesteld.
3. Dit artikel vervalt op het
moment dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid wordt
ingediend.
Paragraaf 2. De baten-lastendiensten
Artikel 10
1.Indien voor een dienstonderdeel
van een ministerie een afwijkend beheer wenselijk is, kunnen Onze
betrokken Minister en Onze Minister van Financiën, in afwijking
van artikel 2, derde lid, besluiten aan dat dienstonderdeel toe te
staan onder voorwaarden de begroting en de verantwoording in te
richten op basis van een stelsel van baten en lasten.
2.Een zodanig besluit wordt genomen
in overeenstemming met het oordeel van de ministerraad.
3.Een zodanig besluit wordt niet
eerder genomen dan 30 dagen nadat het voornemen daartoe
schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer van de
Staten-Generaal.
4.Indien binnen deze termijn door
of namens de Kamer of door ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van de Kamer de wens te kennen wordt
gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over het voorgenomen
besluit, wordt het besluit niet eerder genomen dan nadat deze
inlichtingen zijn verstrekt.
5.Indien de Kamer binnen 30 dagen
na ontvangst van de kennisgeving of binnen 14 dagen na het
verstrekken van de bedoelde inlichtingen zich uitspreekt tegen het
voorgenomen besluit, wordt het besluit niet genomen.
6.Aan de schriftelijke
kennisgeving, bedoeld in het derde lid, kan worden ontleend in
hoeverre aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, is
voldaan.
7.Onze betrokken Minister doet van
een zodanig besluit kopie toekomen aan de Algemene Rekenkamer.
Artikel 11
1.De betalingen aan een dienst die
een baten-lastenstelsel voert, hierna te noemen: een
baten-lastendienst, worden door het ministerie waaronder die
dienst ressorteert, evenals de betalingen van een
baten-lastendienst aan dat ministerie, door het ministerie ten
laste onderscheidenlijk ten gunste van een of meer
begrotingsartikelen gebracht.
2.Een begroting bevat, naast de in
artikel 4, eerste lid, bedoelde begrotingsstaat, voor de
baten-lastendiensten die onder het betrokken ministerie
ressorteren, een aparte staat met een daarbij behorende
toelichting .
3.In de aparte staat wordt voor
elke baten-lastendienst opgenomen:
a. het totaal van de geraamde
baten en van de geraamde lasten;
b. het geraamde saldo van baten
en lasten;
c. het totaal van de geraamde
kapitaaluitgaven en van de geraamde kapitaalontvangsten.
4.Tot de uitgaven en ontvangsten in
een jaar van een baten-lastendienst en van een ministerie worden,
behalve die bedoeld in artikel 3, eerste lid, ook gerekend de
verrekeningen tussen de baten-lastendienst en het ministerie
waaronder die dienst ressorteert.
5.In afwijking van artikel 14,
tweede lid, mogen alle wijzigingen in de bedragen, bedoeld in het
derde lid van dit artikel, worden opgenomen als slotwetwijzigingen.
Paragraaf 3. Het tijdschema van de
begroting
Artikel 12
1.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
zenden jaarlijks aan Onze Minister van Financiën uiterlijk op een
door hem te bepalen datum de ontwerp-begroting voor het komende
jaar.
2.Onze Minister van Financiën
maakt tegen een ontwerp-begroting bezwaar, voor zover:
a. deze hem met het oog op het
algemene financiële beleid of het doelmatige beheer van 's
Rijks gelden niet toelaatbaar voorkomt;
b. de in een ontwerp-begroting
opgenomen bedragen niet in een redelijke verhouding staan tot
de doelstellingen van het beleid dat aan die begroting ten
grondslag ligt.
3.Indien Onze Minister van
Financiën tegen een ontwerp-begroting geen bezwaar heeft, dan
biedt hij Ons het daarop gebaseerde voorstel van wet tot
vaststelling van de begroting ter indiening bij de Tweede Kamer
aan.
4.Wij zenden de voorstellen van wet
op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaande aan
het jaar waarop deze voorstellen betrekking hebben, gelijktijdig
aan de Tweede Kamer.
5.In afwijking van het vierde lid
kunnen Wij Onze Minister van Financiën machtigen de voorstellen
van wet aan de Tweede Kamer aan te bieden.
Artikel 12a
1.Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties overlegt jaarlijks vóór de in
artikel 12, vierde lid, genoemde datum met de Kamers der
Staten-Generaal over de door de Kamers opgestelde ramingen van de
uitgaven, de verplichtingen en de ontvangsten die als basis dienen
voor de ontwerp-begroting van de Staten-Generaal.
2.Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties neemt de ramingen, zoals opgesteld
door de Kamers, op in het voorstel van wet tot vaststelling van de
begroting van de Staten-Generaal, tenzij een evident zwaarwegende
reden zich hiertegen verzet.
3.Indien Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ramingen wegens evident
zwaarwegende redenen niet of niet geheel opneemt, dan licht hij
dit gemotiveerd toe in de memorie van toelichting bij het voorstel
van wet.
Artikel 13
Onze Minister van Financiën biedt op
de in artikel 12, vierde lid, genoemde dag aan de Staten-Generaal de
Miljoenennota aan. Daarin worden in elk geval opgenomen:
a. beschouwingen over de
budgettaire betekenis van het voorgenomen beleid voor het Rijk
en voor andere onderdelen van de collectieve sector die als
budgetdisciplinesector worden aangemerkt;
b. beschouwingen over de
betekenis van het voorgenomen beleid voor de volkshuishouding;
c. ramingen voor het
begrotingsjaar en de vier op het begrotingsjaar aansluitende
jaren, volgens een door hem te bepalen mate van samenvoeging;
d. het overzicht, bedoeld in
artikel 15, tweede lid.
Paragraaf 4. Het wijzigen van de
begroting
Artikel 14
1.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
zenden ontwerp-begrotingswijzigingen aan Onze Minister van
Financiën. Artikel 12, tweede, derde en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.Ontwerp-begrotingswijzigingen
worden in elk geval ingediend met betrekking tot:
a. de wijzigingen, samenhangend
met die bedoeld in de Voorjaarsnota en wel gelijktijdig met
die nota;
b. nadere wijzigingen, tenzij
boekhoudkundig van aard of voortvloeiend uit
controlebevindingen, waaronder in elk geval begrepen de
wijzigingen samenhangend met die bedoeld in de Miljoenennota
en Najaarsnota, en wel gelijktijdig met de Najaarsnota;
c. de slotwetwijzigingen,
zijnde per begrotingsartikel de wijziging die leidt tot
opheffing van het resterende verschil tussen de
begrotingsraming, inclusief eerdere wijzigingen daarin
aangebracht, en het gerealiseerde bedrag en wel uiterlijk op
de derde woensdag van mei na afloop van het begrotingsjaar.
Het tweede lid van artikel 63 is
van overeenkomstige toepassing.
3.De toelichting bij een
ontwerp-begrotingswijziging, bedoeld in het tweede lid, aanhef en
onder a of b, wordt op overeenkomstige wijze opgesteld als de
toelichting die op grond van de artikelen 5 en 6 is gegeven bij de
desbetreffende ontwerp-begroting en sluit daarbij aan.
Artikel 15
1.Onze Minister van Financiën
biedt jaarlijks uiterlijk op 1 juni aan de Staten-Generaal de
Voorjaarsnota aan, waarin een overzicht wordt gegeven van de
wijzigingen die noodzakelijk zijn in de ramingen van de uitgaven
en de ontvangsten van het lopende jaar en de vier daarop volgende
jaren, die in de ontwerp-begrotingen zijn opgenomen.
2.Onze Minister van Financiën
biedt jaarlijks op de derde dinsdag van september aan de
Staten-Generaal in de Miljoenennota een overzicht aan, waarin
naast de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, worden opgenomen
de wijzigingen in de ramingen die nader in het lopende jaar
noodzakelijk zijn.
3.Onze Minister van Financiën
biedt jaarlijks uiterlijk op 1 december aan de Staten-Generaal de
Najaarsnota aan, waarin in aansluiting op de wijzigingen, bedoeld
in het tweede lid, een overzicht wordt gegeven van de wijzigingen
in de ramingen die nader in het lopende jaar noodzakelijk zijn.
Paragraaf 5. Beleidsvoornemens met
financiële gevolgen
Artikel 16
1.Voorstellen, andere dan
voorstellen van wet tot vaststelling of wijziging van een
begrotingsstaat, alsmede voornemens en toezeggingen met
financiële gevolgen voor het Rijk worden niet aan de ministerraad
of aan de Staten-Generaal aangeboden, kenbaar gemaakt dan wel
gedaan, voordat Onze Minister van Financiën daarover zijn oordeel
heeft gegeven.
2.Artikel 12, tweede lid, is ten
aanzien van deze voorstellen, voornemens en toezeggingen van
overeenkomstige toepassing.
3.Het eerste lid is eveneens van
toepassing op voorstellen, voornemens en toezeggingen met gevolgen
voor de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld.
Artikel 17
1.Schriftelijke voorstellen,
voornemens en toezeggingen als bedoeld in artikel 16, eerste lid,
bevatten in de toelichting daarbij een afzonderlijk onderdeel,
waarin wordt ingegaan op:
a. de doelstellingen die worden
nagestreefd;
b. de instrumenten die ter
bereiking van de doelstellingen worden ingezet;
c. de financiële gevolgen voor
het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor
andere maatschappelijke sectoren.
2.In het afzonderlijk onderdeel van
de toelichting wordt tevens aangegeven in hoeverre de financiële
gevolgen voor het Rijk meerjarig zijn begrepen in de laatste bij
de Tweede Kamer ingediende begroting.
3.De doelstellingen en de
financiële gevolgen worden zoveel mogelijk toegelicht met
prestatiegegevens als bedoeld in artikel 5, derde lid.
Paragraaf 6. Nadere regelgeving
Artikel 18
1.Onze Minister van Financiën
stelt regels met betrekking tot:
a. de voorbereiding, de
wijziging en de inrichting van de begrotingen, alsmede met
betrekking tot de wijze waarop de begrotingsramingen tot stand
komen;
b. de inrichting van het
afzonderlijk onderdeel van de toelichting bij de voorstellen,
voornemens en toezeggingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
2.Onze Minister van Financiën
bepaalt de criteria die gehanteerd worden voor het instellen van
een begrotingsreserve als bedoeld in artikel 5, vierde lid, en
stelt de voorwaarden vast voor de toevoeging en de onttrekking van
gelden aan de reserve.
3.Onze Minister van Financiën
stelt zo nodig nadere regels met betrekking tot
baten-lastendiensten in het algemeen, dan wel één of enkele
baten-lastendiensten in het bijzonder.
4.Onze Minister van Financiën kan
regels stellen met betrekking tot de informatie die in de
begroting wordt opgenomen over de zelfstandige bestuursorganen als
bedoeld in het vijfde lid, en over de rechtspersonen als bedoeld
in artikel 91, eerste lid, onder d, van deze wet.
5.In het vierde lid wordt verstaan
onder zelfstandige bestuursorganen: bestuursorganen van de
centrale overheid die bij de wet, krachtens de wet bij algemene
maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële
regeling met openbaar gezag zijn bekleed, en die niet
hiërarchisch ondergeschikt zijn aan een minister.
Hoofdstuk II. Het begrotingsbeheer en
de bedrijfsvoering van het Rijk
Paragraaf 1. Het begrotingsbeheer
Artikel 19
1. Onze Ministers, ieder met
betrekking tot het ministerie met de leiding waarvan hij is
belast, zijn verantwoordelijk voor het beheer van de begrotingen
van hun ministeries.
2. Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van nationale
schuld.
3. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer
van de begroting van koninkrijksrelaties.
4. Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken, is verantwoordelijk voor het beheer
van de begroting van de Koning, van de begroting van het Kabinet
van de Koning en van de begroting van de Commissie van toezicht
betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
5. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beheer
van de begroting van de Staten-Generaal en van de begroting van de
colleges, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder g.
6. De colleges, genoemd in artikel
1, eerste lid, onder e tot en met h, voeren het beheer over hun
begroting of hun begrotingsdeel.
7. Over de aan dit beheer te geven
inhoud maakt Onze betrokken Minister afspraken met de
onderscheiden colleges, waarin recht wordt gedaan aan hun
staatsrechtelijke positie.
8. De wet, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel j, bepaalt wie van Onze Ministers belast is
met het beheer van de begroting die met die wet aan de
Rijksbegroting wordt toegevoegd.
Artikel 19a [Vervallen per
25-11-2011]
Paragraaf 2. Het beleid
Artikel 20
1.Onze Ministers zijn
verantwoordelijk voor de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
het beleid dat aan hun begroting ten grondslag ligt.
2.Onze Ministers zijn tevens
verantwoordelijk voor het periodiek onderzoeken van de
doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid.
3.Onze Ministers stellen de
Algemene Rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken,
bedoeld in het tweede lid, die zij doen instellen en van de
resultaten daarvan.
Paragraaf 3. De bedrijfsvoering
Artikel 21
1.Onze Ministers zijn
verantwoordelijk voor de doelmatigheid van de bedrijfsvoering van
hun ministerie.
2.Tot de bedrijfsvoering worden in
ieder geval gerekend het financieel beheer, het materieelbeheer
alsmede de administraties die ten behoeve van dat beheer worden
bijgehouden.
3.Onze Ministers zijn tevens
verantwoordelijk voor het periodiek onderzoeken van de
bedrijfsvoering.
4.Onze Ministers stellen de
Algemene Rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken,
bedoeld in het derde lid, die zij doen instellen en van de
resultaten daarvan.
5.Onze Minister-President, Minister
van Algemene Zaken, is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering
bij het Kabinet van de Koning en bij de Commissie van toezicht
betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
6.Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de
bedrijfsvoering bij de Staten-Generaal en bij de colleges, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder g.
7.De colleges, genoemd in artikel
1, eerste lid, onder e tot en met h, voeren, ieder met betrekking
tot hun begroting of hun begrotingsdeel, in elk geval het
financieel beheer, het materieelbeheer en de administraties ten
behoeve van dat beheer. Het bepaalde in artikel 19, zevende lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3.1. Het financieel beheer
Artikel 22
1.Het financieel beheer voldoet aan
de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid en
wordt overigens zo doelmatig mogelijk ingericht.
2.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
beschikken met inachtneming van artikel 40, tweede lid, over de
bedragen die voor het aangaan van verplichtingen en voor het
verrichten van uitgaven in die begrotingen zijn toegestaan.
3.Over het bedrag toegestaan bij
een begrotingsartikelNominaal en onvoorzien kunnen Onze Ministers
slechts beschikken, voor zover dit bedrag met toepassing van
artikel 14 aan de ramingen van andere begrotingsartikelen is
toegevoegd.
4.Onze Ministers wijzen aan wie
namens hen kunnen beschikken over de toegestane bedragen.
5.In afwijking van het vierde lid
wijzen de colleges, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e tot
en met h, ieder met betrekking tot hun begroting of hun
begrotingsdeel, aan wie kunnen beschikken over de toegestane
bedragen.
6.Onze Ministers doen aan de
Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van een aanwijzing.
Artikel 23
1.Wanneer een wet tot vaststelling
van een begroting niet vóór 1 januari van het jaar waarop deze
betrekking heeft in werking is getreden, kan Onze
verantwoordelijke Minister in het belang van het Rijk:
a. voor het aangaan van
verplichtingen beschikken over ten hoogste vier twaalfde
gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige
begrotingsartikelen van het voorafgaande jaar zijn toegestaan;
b. voor het verrichten van
uitgaven beschikken over de bedragen die in het voorstel van
de wet tot vaststelling van die begroting daarvoor zijn
geraamd.
2.In het belang van het Rijk kan
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
met betrekking tot een of meer begrotingsartikelen van het eerste
lid, aanhef en onder a, afwijken.
3.Onze Minister van Financiën doet
aan de Staten-Generaal en aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk
mededeling van een toepassing van het tweede lid.
Artikel 24
1.De aan het Rijk toebehorende en
toevertrouwde gelden en geldswaardige papieren worden in 's Rijks
schatkist gedeponeerd.
2.Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor het beheer van de centrale kassen van 's
Rijks schatkist, alsmede voor de coördinatie van en het toezicht
op het door de ministeries gevoerde beheer van de departementale
kassen.
3.Onze Ministers zijn
verantwoordelijk voor het beheer van de departementale kassen,
ieder voorzover dit beheer voortvloeit uit het beheer van de
begrotingen en de rekeningen buiten begrotingsverband waarvoor hij
verantwoordelijk is.
4.In afwijking van het derde lid
kan Onze Minister van Financiën bepalen dat bepaalde uitgaven en
ontvangsten niet ten laste of ten gunste van de departementale
kassen plaatsvinden, maar ten laste of ten gunste van de centrale
kassen worden verricht.
5.Onze Minister van Financiën
houdt per begroting één of meer rekeningen-courant aan tussen
het Ministerie van Financiën en de onderscheiden ministeries.
6.Onze Minister van Financiën kan
ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer aan derden
voor zover deze collectieve middelen beheren, toestaan deze
middelen in rekening-courant aan te houden bij het Ministerie van
Financiën.
7.Over een debet- en een
creditstand van een rekening-courant kan door Onze Minister van
Financiën een rentevergoeding worden vastgesteld.
Paragraaf 3.2. Het materieelbeheer
Artikel 25
1.Het materieelbeheer voldoet aan
de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid en
wordt overigens zo doelmatig mogelijk ingericht.
2.De verantwoordelijkheid voor het
materieelbeheer omvat voor ieder van Onze Ministers zowel het
materieel dat aan zijn ministerie toebehoort als het materieel dat
aan zijn ministerie is toevertrouwd.
3.De verantwoordelijkheid voor het
materieelbeheer strekt zich voor ieder van Onze Ministers slechts
uit tot het beheer dat niet bij of krachtens de wet aan een of
meer van Onze andere Ministers is opgedragen.
4.Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor het beheer van het overtollige materieel bij
het Rijk.
Paragraaf 3.3. De administraties van
het Rijk
Artikel 26
1.De bij te houden administraties
waarvoor Onze Ministers verantwoordelijk zijn, bieden inzicht in
het gevoerde beheer, voldoen aan de eisen van rechtmatigheid,
ordelijkheid en controleerbaarheid en worden overigens zo
doelmatig mogelijk ingericht.
2.Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor de centrale administratie van 's Rijks
schatkist. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
dragen aan de centrale directie financieel-economische zaken van
hun ministerie de zorg op voor de begrotingszaken en de daarmee
samenhangende administraties.
2.De zorg voor de begrotingszaken
omvat mede het beoordelen van de aan Onze betrokken Minister voor
te leggen voorstellen betreffende de begrotingen alsmede het
uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de begrotingen.
3.In overeenstemming met Onze
Minister van Financiën kan op een andere wijze in de zorg voor de
begrotingszaken en de daarmee samenhangende administraties worden
voorzien.
4.In overeenstemming met Onze
Minister van Financiën wijzen Onze Ministers het hoofd aan van de
centrale directie, bedoeld in het eerste lid.
5.Onze Ministers doen schriftelijk
mededeling aan de Algemene Rekenkamer van:
a. een toepassing van het derde
lid;
b. een aanwijzing, bedoeld in
het vierde lid.
Paragraaf 4. De boeking van
verplichtingen, uitgaven en ontvangsten
Artikel 28
1.Elke verplichting en uitgaaf
enerzijds en elke ontvangst anderzijds wordt op een
begrotingsartikel onder de verplichtingen en de uitgaven,
onderscheidenlijk de ontvangsten geboekt.
2.Onze Minister van Financiën kan
categorieën verplichtingen, uitgaven en ontvangsten aanwijzen,
die op een rekening buiten het begrotingsverband kunnen worden
geboekt, indien deze met een ander onderdeel van het Rijk dan wel
met een derde worden verrekend.
3.Verplichtingen, uitgaven en
ontvangsten geboekt op rekeningen buiten het begrotingsverband
worden, indien verrekening achterwege blijft, geboekt ten laste
dan wel ten gunste van begrotingsartikelen van het jaar, waarin
blijkt dat geen verrekening zal plaatsvinden.
4.In afwijking van het eerste lid:
a. kunnen terugbetalingen aan
het Rijk op eerder in hetzelfde jaar gedane uitgaven in
mindering worden geboekt van die uitgaven;
b. kunnen terugbetalingen door
het Rijk van ontvangsten in mindering worden geboekt van de
ontvangsten;
c. kan, in geval een geldlening
geheel of gedeeltelijk wordt aangegaan ter conversie van
uitstaande schuld, het bedrag van de afgeloste schuld in
vergelijking worden gebracht met de opbrengst van de nieuwe
geldlening; een daarbij blijkend verschil wordt alsdan ten
gunste of ten laste van de begroting geboekt.
5.De boeking van de verplichtingen
en de uitgaven geschiedt ten lastevan een begrotingsartikel in elk
geval zodanig, dat aan de bijgehouden administraties onder meer
kunnen worden ontleend:
a. het deel van de raming van
de aan te gane verplichtingen dat daadwerkelijk is aangegaan;
b. het deel van de raming van
de uitgaven dat daadwerkelijk tot uitgaven heeft geleid;
c. per individueel aangegane
verplichting het deel dat nog niet tot uitgaven heeft geleid;
d. het deel van de raming van
de uitgaven waarvoor nog geen verplichtingen zijn aangegaan.
6.Onze Minister van Financiën doet
aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de
aangewezen categorieën, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 29
1.Ter bepaling van het jaar ten
laste of ten gunste waarvan een verplichting of een uitgaaf,
onderscheidenlijk een ontvangst moet worden geboekt, is artikel 3,
eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.In een jaar aangegane
verplichtingen, die eerst na het sluiten van de boeken van dat
jaar blijken, worden geboekt op het overeenkomstige
begrotingsartikel in het dan lopende jaar.
Artikel 30
1.Onze Minister van Financiën kan
categorieën niet-geldelijke betalingen en ontvangsten aanwijzen
die als geldelijke betalingen onderscheidenlijk ontvangsten worden
geboekt.
2.Onze Minister van Financiën doet
aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de
aangewezen categorieën.
Artikel 31
1.Verrekeningen tussen onderdelen
van het Rijk, waarvan de begrotingsartikelen niet tot eenzelfde
begroting behoren, worden geboekt als geldelijke betalingen en
ontvangsten.
2.Het eerste lid kan tevens worden
toegepast bij verrekeningen tussen dienstonderdelen waarvan de
begrotingsartikelen tot eenzelfde begroting behoren, indien het
aantoonbaar administratief doelmatig is deze verrekeningen als
geldelijke betalingen en ontvangsten te boeken.
Paragraaf 5. Het verrichten van
privaatrechtelijke rechtshandelingen en het privaatrechtelijke
beheer
Artikel 32
1.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
verrichten namens de Staat de privaatrechtelijke rechtshandelingen
die uit het te voeren beheer voortvloeien, tenzij bij of krachtens
de wet is bepaald dat een van Onze andere Ministers de
rechtshandeling verricht.
2.Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor het privaatrechtelijke beheer van de
roerende en de onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan
wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover voor dat beheer
niet bij of krachtens de wet een of meer van Onze andere Ministers
verantwoordelijk zijn gesteld.
3.In afwijking van het eerste lid
kunnen de privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover die
voortvloeien uit het beheer van de begroting van de colleges,
genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e tot en met h, worden
verricht door de colleges en wel ieder met betrekking tot hun
begroting of hun begrotingsdeel, tenzij bij of krachtens de wet is
bepaald dat een andere Minister dan Onze betrokken Minister de
rechtshandeling verricht.
4.Privaatrechtelijke
rechtshandelingen kunnen namens Onze Ministers dan wel namens de
colleges, bedoeld in het derde lid, worden verricht, indien zij
daartoe een algemene of bijzondere volmacht hebben verleend.
Artikel 33
Onze Minister van Financiën sluit
overeenkomsten tot het aangaan van geldleningen door de Staat.
Artikel 34
1.Het oprichten of mede-oprichten,
dan wel het doen oprichten van een privaatrechtelijke
rechtspersoon door de Staat zal niet eerder plaatsvinden dan 30
dagen, nadat van het voornemen daartoe door Onze betrokken
Minister, in overeenstemming met het oordeel van de ministerraad,
schriftelijk mededeling is gedaan aan de Staten-Generaal.
2.Het oordeel van de ministerraad
wordt door Onze betrokken Minister niet gevraagd, dan nadat hij
met de Algemene Rekenkamer overleg heeft gevoerd over de
voorgenomen rechtshandeling.
3.Indien binnen de in het eerste
lid genoemde termijn door of namens een der Kamers van de
Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens te kennen
wordt gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over de voorgenomen
rechtshandeling, zal deze niet eerder plaatsvinden dan nadat deze
inlichtingen zijn verstrekt.
4.Indien een van beide Kamers
binnen 30 dagen na de schriftelijke mededeling of binnen 14 dagen
na het verstrekken van de bedoelde inlichtingen, als haar oordeel
uitspreekt dat de voorgenomen rechtshandeling een voorafgaande
machtiging bij de wet behoeft, zal de rechtshandeling eerst
plaatsvinden nadat die machtiging is verleend.
5.Deelneming door de Staat in een
naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, waarvan de Staat ten minste 5% van het
geplaatste aandelenkapitaal houdt dan wel door die deelneming zal
verkrijgen, zal, indien daarmede een groter financieel belang is
gemoeid dan een door Onze Minister van Financiën vast te stellen
bedrag, niet eerder plaatsvinden dan 30 dagen nadat van het
voornemen daartoe aan de Staten-Generaal schriftelijk mededeling
is gedaan.
Het derde en vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
6.Het vijfde lid is tevens van
toepassing op verstrekking van in aandelen converteerbare leningen
door de Staat aan een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de Staat ten
minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal heeft dan wel door
die verstrekking zou verkrijgen in geval onmiddellijk conversie
zou plaatsvinden, indien met die verstrekking een groter
financieel belang is gemoeid dan een door Onze Minister van
Financiën vast te stellen bedrag.
7.Het vijfde en zesde lid zijn niet
van toepassing, indien de Staat met een deelneming of een
verstrekking niet beoogt zijn relatieve belang in een in die leden
bedoelde vennootschap alsdan of in de toekomst een verhoging te
laten ondergaan.
8.Van andere dan in het vijfde lid
bedoelde deelnemingen, van andere dan in het zesde lid bedoelde
verstrekkingen, van in het zevende lid bedoelde deelnemingen en
verstrekkingen alsmede van het geheel of gedeeltelijk vervreemden
van deelnemingen en van in aandelen converteerbare leningen door
de Staat doet Onze desbetreffende Minister na het verrichten van
de rechtshandeling schriftelijk mededeling aan de Staten-Generaal.
Artikel 35
Het verrichten namens de Staat van
een privaatrechtelijke rechtshandeling met een geldelijk belang
geschiedt op een wijze die:
a. voor de Staat voldoende
duidelijk de plichten en rechten van de betrokken partijen
bewijsbaar vastlegt;
b. controleerbaar is;
c. in het maatschappelijk verkeer
wordt geaccepteerd.
Artikel 36
De geldigheid van privaatrechtelijke
rechtshandelingen wordt niet aangetast indien de bij of krachtens
deze wet gestelde regels niet worden nageleefd, tenzij het betreft
het niet naleven van de regels omtrent de bevoegdheid van de
handelende personen, gesteld bij of krachtens de artikelen 32 en 33.
Paragraaf 6. Nadere regelgeving
Artikel 37
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de taak van de centrale
directies financieel-economische zaken;
b. het kasbeheer;
c. het verrichten van
privaatrechtelijke rechtshandelingen en kan worden
voorgeschreven dat bepaalde privaatrechtelijke rechtshandelingen
worden verricht in afwijking van de artikelen 32 en 33.
Artikel 38
1.Onze Minister van Financiën
stelt regels met betrekking tot het financieel beheer, het
materieelbeheer en de administraties die ten behoeve van dat
beheer worden bijgehouden.
2.Onze Minister van Financiën kan
regels stellen met betrekking tot:
a. de taken en bevoegdheden die
behoren bij de verantwoordelijkheden, bedoeld in de artikelen
20 en 21;
b. de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 22, tweede lid.
3.In afwijking van het eerste lid
stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap regels
met betrekking tot het materieelbeheer van museale voorwerpen die
aan het Rijk toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, en met
betrekking tot de administraties die ten behoeve van dat
materieelbeheer worden bijgehouden.
Hoofdstuk III. Het toezicht van Onze
Ministers
Paragraaf 1. Het toezicht van Onze
Minister van Financiën op de uitvoering van de begroting
Artikel 39
1.Onze Minister van Financiën is
belast met het toezicht op de uitvoering van de begrotingen.
2.Dit toezicht omvat mede de
toetsing aan de aspecten, bedoeld in artikel 12, tweede lid.
Artikel 40
1.Onze Minister van Financiën
bepaalt welke gegevens hem ten behoeve van het toezicht, bedoeld
in artikel 39, worden verstrekt.
2.In het kader van het toezicht,
bedoeld in artikel 39, kan Onze Minister van Financiën
begrotingsartikelen aanwijzen ten laste waarvan geen
verplichtingen mogen worden aangegaan, voordat hij daarmee heeft
ingestemd.
Artikel 41
1.Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor het toezicht op de inrichting van de
administraties, bedoeld in artikel 21, tweede lid, en voor het
toezicht op de wijze waarop deze worden bijgehouden.
2.Onze Minister van Financiën is
verantwoordelijk voor het toezicht op de inrichting van de
controle die plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de
begrotingen.
Artikel 42
1.Onze Ministers verstrekken de
inlichtingen die Onze Minister van Financiën voor de uitoefening
van het toezicht, bedoeld in de artikelen 39en 41, nodig heeft.
2.Onze Ministers verlenen Onze
Minister van Financiën te allen tijde toegang tot dan wel inzage
in alle goederen, administraties, documenten en andere
informatiedragers.
3.Onze Minister van Financiën
wijst de ambtenaren aan die namens hem zijn belast met de
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in dit artikel.
Paragraaf 2. Het toezicht op derden
die collectieve middelen ontvangen en uitgeven
Artikel 43
1. Onverminderd het anders bij wet
bepaalde, hebben Onze Ministers de in de volgende leden vermelde
bevoegdheden ten aanzien van:
a. rechtspersonen,
commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en
natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan
wie door de Staat of een derde voor rekening of risico van de
Staat rechtstreeks of middellijk een subsidie, een lening of
garantie wordt verstrekt;
b. rechtspersonen,
commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en
natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan
wie door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement
en de Raad gezamenlijk of de Europese Commissie op grond van
een vastgesteld programma rechtstreeks of middellijk een
subsidie wordt verstrekt;
c. rechtspersonen voor zover
die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en
daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de
opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.
2. Van de in het eerste lid
bedoelde rechtspersonen, vennootschappen en natuurlijke personen
kunnen Onze Ministers kennis nemen van:
a. jaarrekeningen,
jaarverslagen en de aan de jaarrekeningen en jaarverslagen
toegevoegde overige gegevens;
b. verantwoordingen, gegevens
en documenten die nodig zijn voor de definitieve vaststelling
van de subsidie, lening of garantie;
c. verslagen van onderzoeken
van accountants die de bescheiden, bedoeld onder a en b,
hebben gecontroleerd.
3. Indien de bescheiden, bedoeld in
het tweede lid, Onze Ministers daartoe aanleiding geven, of een of
meer bescheiden ontbreken, zijn Onze Ministers bevoegd bij de
betrokken rechtspersoon, vennootschap en natuurlijke persoon
daarover nadere inlichtingen in te winnen dan wel inzage in
ontbrekende bescheiden, documenten en andere informatiedragers te
vorderen, alsmede, mede aan de hand van de administratie van de
betrokken rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon dan
wel bij de derde die de administratie in opdracht van de
rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon voert, een
onderzoek in te stellen. Artikel 87, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en
5:17, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het gebruik van de
bevoegdheden bedoeld in het derde lid.
Artikel 43a
1.Onze Ministers zijn bevoegd
inzage te vorderen in de controledossiers van de accountant die de
bescheiden, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onder a en b, heeft
gecontroleerd om te bepalen of bij de vaststelling van de nakoming
van de in artikel 43b, derde lid, bedoelde verplichtingen kan
worden gesteund op de door deze accountant uitgevoerde controle.
2.Met betrekking tot het verlenen
van inzage in het controledossier kan de accountant zich niet
beroepen op de omstandigheid dat hij op grond van andere bij of
krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot geheimhouding is
verplicht van in dit dossier opgenomen vertrouwelijke gegevens.
3.Onze Ministers zijn bevoegd van
stukken uit de controledossiers, bedoeld in het eerste lid,
kopieën te maken.
4.De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en
5:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van het gebruik van de
bevoegdheden bedoeld in het eerste en derde lid.
5.De accountant, die op grond van
artikel 43a, eerste lid, artikel 91, zesde lid, of artikel 92,
vierde lid, inzage in het controledossier verleent en kopieën van
stukken uit dit dossier verstrekt, is niet aansprakelijk voor
schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk
wordt gemaakt dat hij gelet op alle feiten en omstandigheden in
redelijkheid niet hiertoe had mogen overgaan.
Artikel 43b
1. Onze Ministers wijzen de
personen aan die namens hen zijn belast met de uitoefening van de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 43 en43a.
2. De bevoegdheden als bedoeld in
artikel 43a worden uitgeoefend onder verantwoordelijkheid van een
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent ten
aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is
geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van
de Wet op het accountantsberoep.
3. De toepassing van de in de
artikelen 43 en 43a bedoelde bevoegdheden is gericht op de
nakoming door de in artikel 43, eerste lid, bedoelde
rechtspersonen, vennootschappen en natuurlijke personen van:
a. bij of krachtens de wet
opgelegde verplichtingen aangaande beheer, controle of
toezicht ten aanzien van de rechtmatige en doelmatige
besteding van collectieve middelen als bedoeld in artikel 43,
eerste lid, onder a en c;
b. bij of krachtens het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie aan de lidstaat
opgelegde verplichtingen aangaande beheer, controle of
toezicht ten aanzien van de rechtmatige en doelmatige
besteding van collectieve middelen als bedoeld in artikel 43,
het eerste lid, onder b.
4. Onze Ministers kunnen de in de
artikelen 43 en 43a bedoelde bevoegdheden uitoefenen zolang als en
over de jaren dat de Staat daarbij belang heeft.
Artikel 44
1.Ter bewaking van de ontwikkeling
van het EMU-saldo kan Onze Minister van Financiën regels stellen
ten aanzien van de verstrekking van gegevens door de
rechtspersonen die op basis van het geldende Europees Stelsel van
Rekeningen (PbEG L310) tot de sector overheid worden gerekend.
2.Indien een dreigende
overschrijding van de geldende norm voor het EMU-saldo van de
overheid wordt veroorzaakt door een ongewenste ontwikkeling van
het EMU-saldo van de rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid,
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
worden gesteld ter beheersing van het EMU-saldo van die
rechtspersonen.
3.Een krachtens het tweede lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
4.Tot de rechtspersonen, bedoeld in
het eerste lid, worden voor de toepassing van het bepaalde in het
tweede lid, niet gerekend de openbare lichamen, bedoeld in artikel
1, onder a, van de Wet financiering decentrale overheden.
Artikel 44a
Zelfstandige bestuursorganen als
bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en rechtspersonen als bedoeld in
artikel 91, eerste lid, onder d, van deze wet verschaffen aan Onze
Minister periodiek informatie over de door hen te leveren en
geleverde prestaties.
Hoofdstuk IV. Het
liquidemiddelenbeheer en de financiering van rechtspersonen die
collectieve middelen beheren
Artikel 45
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de rechtspersonen, bedoeld in artikel
91, eerste lid, onder d, aangewezen die ten behoeve van een
doelmatig en risico-arm kasbeheer hun liquide middelen
rentedragend aanhouden in 's Rijks schatkist.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de rechtspersonen, bedoeld in artikel
91, eerste lid, onder d, aangewezen die ten behoeve van een
risico-arm kasbeheer hun liquide middelen uitzetten in de vorm van
producten die voldoen aan door Onze Minister van Financiën te
stellen eisen.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen andere rechtspersonen met een publieke taak worden
aangewezen waarop het eerste of het tweede lid van toepassing is.
4. Het eerste tot en met derde lid
is niet van toepassing ten aanzien van de liquide middelen die
niet als collectieve middelen kunnen worden aangemerkt, indien die
liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening
van de betrokken rechtspersoon worden verantwoord.
5. Op verzoek van een rechtspersoon
die is aangewezen overeenkomstig het eerste of het derde lid kan
Onze Minister van Financiën, indien de rechtspersoon de noodzaak
van de uitzondering voor de dagelijkse bedrijfsvoering voldoende
aannemelijk maakt en naar het oordeel van Onze Minister van
Financiën geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en
risico-arm kasbeheer, besluiten dat bepaalde liquide middelen zijn
uitgezonderd van de verplichting om deze rentedragend aan te
houden in ’s Rijks schatkist.
6. De voordracht voor een krachtens
het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
7. Deartikelen 45 tot en met 49a
zijn niet van toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in het
zeventiende lid van artikel 91 van deze wet.
Artikel 46
Het aantrekken van financiële
middelen door de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, met als doel
daarmee via het uitzetten ervan additionele financiële middelen te
verwerven, is verboden.
Artikel 47
1.Onze betrokken Minister is belast
met het toezicht op artikel 45, tweede en vierde lid, en op
artikel 46.
2.Een rechtspersoon verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister alle voor dit toezicht benodigde
inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen in alle zakelijke
gegevens en bescheiden, indien dat voor het toezicht
redelijkerwijs nodig is.
3.Onze Minister kan een
rechtspersoon die zich niet houdt aan artikel 45, tweede of vierde
lid, of artikel 46, de aanwijzing geven hieraan alsnog te voldoen.
Artikel 48
1.Onverminderd het bij of krachtens
andere wetten bepaalde kunnen de rechtspersonen, bedoeld in
artikel 45, eerste lid, met de instemming van Onze betrokken
Minister, ten behoeve van de financiering van investeringen,
leningen bij Onze Minister van Financiën verkrijgen, indien de
investeringen benodigd zijn voor de uitvoering van de bij of
krachtens de wet geregelde taken van de rechtspersoon.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in
artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid
van artikel 45 van toepassing is.
3.Indien in enig jaar een
rechtspersoon waaraan door Onze Minister van Financiën een lening
is verstrekt, in gebreke blijft de daaruit voortvloeiende
verplichtingen aan rente en aflossing na te komen, kan Onze
Minister van Financiën het bedrag van de niet-nagekomen
verplichtingen ten laste van de begroting van Onze betrokken
Minister overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.
Artikel 49
1.Onverminderd het bij of krachtens
andere wetten bepaalde kan Onze Minister van Financiën, in
overeenstemming met Onze betrokken Minister, aan de
rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, ter
overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten een
rekening-courantkrediet verstrekken.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in
artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid
van artikel 45 van toepassing is.
3.Indien in enig jaar een
rechtspersoon waaraan door Onze Minister van Financiën een
rekening-courantkrediet is verstrekt, in gebreke blijft de daaruit
voortvloeiende verplichtingen aan rente en aflossing na te komen,
kan Onze Minister van Financiën het bedrag van de niet-nagekomen
verplichtingen ten laste van de begroting van Onze betrokken
Minister overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.
Artikel 49a
Onze Minister van Financiën kan
nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in de
artikelen 45 tot en met 49.
Hoofdstuk V. De verantwoording van
het Rijk
Artikel 50
Onze Minister van Financiën biedt
uiterlijk op 1 maart na afloop van elk jaar aan de Staten-Generaal
de Voorlopige Rekening aan, waarin een overzicht wordt gegeven van
de voorlopige stand van de gerealiseerde bedragen aan uitgaven en
ontvangsten.
Artikel 51
1.Onze Ministers leggen na afloop
van een begrotingsjaar verantwoording af over het gevoerde beleid
en de bedrijfsvoering aan de hand van:
a. de departementale
jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op
de begrotingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a,
worden opgemaakt;
b. de niet-departementale
jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op
de begrotingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b tot
en met i, worden opgemaakt.
2.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
maken daartoe over elk jaar een jaarverslag op. Onze Ministers
maken tevens over elk jaar de departementale saldibalans op.
Artikel 52
1.Een jaarverslag als bedoeld in
artikel 51 bestaat uit een verantwoordingsstaat met een daarbij
behorende toelichting.
2.Een departementaal jaarverslag
bevat, naast de in het eerste lid bedoelde verantwoordingsstaat,
voor de baten-lastendiensten die onder het betrokken ministerie
ressorteren, een aparte staat met een daarbij behorende
toelichting.
3.In de aparte staat wordt voor
elke baten-lastendienst opgenomen:
a. het totaal van de
gerealiseerde baten en van de gerealiseerde lasten;
b. het gerealiseerde saldo van
baten en lasten;
c. het totaal van de
gerealiseerde kapitaaluitgaven en van de gerealiseerde
kapitaalontvangsten.
Artikel 53
1.De verantwoordingsstaat bevat, in
de volgorde van de begrotingsartikelen van de overeenkomstige
begrotingsstaat, per begrotingsartikel in elk geval de volgende
gegevens:
a. het artikelnummer;
b. de artikelomschrijving;
c. bruto het bedrag dat voor
het aangaan van verplichtingen in de begrotingsstaat behorende
bij de oorspronkelijke begrotingswet is opgenomen met
daarnaast gesteld het overeenkomstige gerealiseerde bedrag;
d. bruto het bedrag dat voor
het verrichten van uitgaven in de begrotingsstaat behorende
bij de oorspronkelijke begrotingswet is opgenomen met
daarnaast gesteld het overeenkomstige gerealiseerde bedrag;
e. bruto het bedrag dat aan
ontvangsten in de begrotingsstaat behorende bij de
oorspronkelijke begrotingswet is opgenomen met daarnaast
gesteld het overeenkomstige gerealiseerde bedrag.
2.Het eerste lid, aanhef en onder d
en e, is niet van toepassing op de uitgaven en de ontvangsten die
op grond van artikel 28, vierde lid, in mindering zijn gebracht op
ontvangsten, onderscheidenlijk uitgaven.
Artikel 54
1. De toelichting bij de
verantwoordingsstaat biedt per beleidsartikel in elk geval inzicht
in de met het beleid samenhangende:
a. algemene en indien van
toepassing nader geoperationaliseerde doelstellingen die zijn
nagestreefd en in de mate waarin deze zijn gerealiseerd;
b. instrumenten die ter
bereiking van de doelstellingen zijn ingezet;
c. meerjarige bedragen van de
aangegane verplichtingen;
d. meerjarige bedragen van de
verrichte programma-uitgaven;
e. meerjarige bedragen van de
verrichte apparaatsuitgaven;
f. meerjarige bedragen van de
gerealiseerde ontvangsten;
waarbij voor de onderdelen c tot en
met f voor het verslagjaar t ter vergelijking de overeenkomstige
ramingen uit de ontwerp-begroting daarnaast worden gesteld.
Opmerkelijke verschillen worden toegelicht.
2. Het meerjarige inzicht dient,
uitgaande van jaar t als verslagjaar, betrekking te hebben op de
jaren t-4 tot en met jaar t, dat wil zeggen op de periode lopende
van vier jaar voorafgaand aan het verslagjaar tot en met het
verslagjaar.
3. In aansluiting op artikel 5,
derde lid, bevat een jaarverslag per beleidsartikel de
realisatiegegevens met betrekking tot de doeltreffendheidsgegevens,
gegevens over de doelmatigheid van beleid, beide al dan niet
verkregen uit beleidsevaluatieonderzoeken en de
doelmatigheidsgegevens over de apparaatsuitgaven, waarbij deze
gegevens geconfronteerd worden met de in de ontwerp-begroting
opgenomen ramingen. Opmerkelijke verschillen worden toegelicht.
4. Indien met toepassing van
artikel 5, vierde lid, een begroting een beleidsartikel bevat ten
laste waarvan een meerjarige begrotingsreserve wordt aangehouden,
biedt het jaarverslag voor dat beleidsartikel inzicht in de
gerealiseerde omvang van de reserve, alsmede in de toevoeging en
of de onttrekking aan de reserve in het verslagjaar.
5. Indien een specifieke uitkering
als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de
Financiële-verhoudingswet of een bijzondere uitkering als bedoeld
in artikel 91, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt gevormd door bijdragen uit
verschillende begrotingen als bedoeld in artikel 1, dan wordt de
informatie, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid,
opgenomen in de toelichting bij het betrokken beleidsartikel in
het jaarverslag van Onze Minister die als eerste verantwoordelijk
is voor die uitkering.
6. Onze Minister van Financiën kan
nadere regels stellen met betrekking tot de informatie die Onze
overige verantwoordelijke Minister(s) in hun jaarverslag opnemen.
Artikel 55
De toelichting bij de
verantwoordingsstaat biedt per niet-beleidsartikel meerjarig in elk
geval inzicht in:
a. de bedragen van de aangegane
verplichtingen;
b. de bedragen van de verrichte
programma-uitgaven;
c. de bedragen van de verrichte
apparaatsuitgaven;
d. de bedragen van de
gerealiseerde ontvangsten;
waarbij voor het verslagjaar t ter
vergelijking de overeenkomstige ramingen uit de ontwerp-begroting
daarnaast worden gesteld. Opmerkelijke verschillen worden
toegelicht.
Artikel 54, tweede lid is van
toepassing.
Artikel 55a
1. Indien voor een specifieke
uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste en derde lid, van de
Financiële-verhoudingswet of een bijzondere uitkering als bedoeld
in artikel 91, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen jaarlijkse verantwoording
verplicht is gesteld aan de ontvanger van de uitkering, volstaat
Onze Minister wie het aangaat met het opnemen in het jaarverslag,
bedoeld in artikel 51, van die verantwoordingsinformatie, die
volgens het wettelijk voorschrift aan Onze Minister moet worden
verstrekt.
2. Onze Minister van Financiën kan
nadere regels stellen met betrekking tot de
verantwoordingsinformatie.
Artikel 56
1.Een departementaal jaarverslag
bevat in de toelichting bij de verantwoordingsstaat informatie
over de bedrijfsvoering in het verslagjaar van het betrokken
ministerie.
2.Het eerste lid is op de
niet-departementale jaarverslagen zoveel mogelijk overeenkomstig
van toepassing. Voor zover het eerste lid niet wordt toegepast,
geschiedt dat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 57
Onze Minister, belast met het beheer
van een begrotingsfonds, kan besluiten het jaarverslag van het
begrotingsfonds op te nemen in een bijlage bij het departementale
jaarverslag waarvoor hij verantwoordelijk is.
Artikel 58
1.Een jaarverslag voldoet overigens
aan de volgende eisen:
a. de erin opgenomen
financiële informatie is deugdelijk weergegeven en rechtmatig
tot stand gekomen;
b. de erin opgenomen informatie
over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering is op een
deugdelijke wijze tot stand gekomen;
c. de erin opgenomen informatie
over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering voldoet aan
daaraan te stellen kwaliteitsnormen.
2.Tot de financiële informatie
wordt gerekend informatie over verplichtingen, uitgaven,
ontvangsten, baten, lasten, kapitaaluitgaven, kapitaalontvangsten
en balansposten, zoals deze uit de administratie blijken, en de
toelichtingen daarbij.
3.De financiële informatie wordt
op een duidelijk van de niet-financiële informatie te
onderscheiden wijze in het jaarverslag gepresenteerd.
Artikel 59
Een departementale saldibalans
voldoet aan de volgende eisen:
a. de erin opgenomen informatie
geeft de op het jaareinde openstaande posten, zoals deze uit de
administraties blijken, deugdelijk weer;
b. de erin opgenomen balansposten
zijn rechtmatig tot stand gekomen.
Artikel 60
1.Onze Ministers zenden het
jaarverslag en de departementale saldibalans waarvoor zij
verantwoordelijk zijn, te zamen met de ontwerp-slotwet en het
samenvattende rapport, bedoeld in artikel 66, vijfde lid, aan Onze
Minister van Financiën uiterlijk op een door hem te bepalen datum
in de maand maart van het jaar volgend op het begrotingsjaar.
2.Onze Minister van Financiën
zendt deze stukken zo mogelijk binnen 14 dagen na ontvangst naar
de Algemene Rekenkamer, voorzien van de opmerkingen waartoe deze
stukken hem aanleiding geven. Zijn opmerkingen stuurt Onze
Minister van Financiën tevens aan Onze betrokken Ministers.
3.Onze Ministers zenden binnen 14
dagen na de datum, bedoeld in het eerste lid, aan de Algemene
Rekenkamer en aan Onze Minister van Financiën een overzicht,
waarin per begrotingsartikel de controlebevindingen van de
accountantsdiensten zijn opgenomen.
Artikel 61
1.Onze Minister van Financiën
maakt over elk jaar het Financieel jaarverslag van het Rijk en de
Saldibalans van het Rijk op.
2.Het Financieel jaarverslag van
het Rijk bevat in elk geval:
a. beschouwingen over de
budgettaire betekenis van het gevoerde beleid voor het Rijk en
voor andere onderdelen van de collectieve sector die als
budgetdisciplinesector worden aangemerkt;
b. een beschouwing over de
bedrijfsvoering van het Rijk;
c. de rekening van uitgaven en
ontvangsten van het Rijk, voorzien van een toelichting;
d. een balans van de
bezittingen, de vorderingen en de schulden van de Staat naar
de toestand per 31 december van het verslagjaar met een
toelichting, waaruit onder meer blijkt naar welke grondslagen
deze zijn gewaardeerd.
3.De in het Financieel jaarverslag
van het Rijk opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten sluit
aan op in de departementale en niet-departementale jaarverslagen
opgenomen verantwoordingsstaten.
4.De Saldibalans van het Rijk sluit
aan op de departementale saldibalansen.
Artikel 62
Onze Minister van Financiën zendt
uiterlijk op 21 april van het jaar volgend op het verslagjaar het
Financieel jaarverslag van het Rijk, de Saldibalans van het Rijk en
het rapport, bedoeld in artikel 67, derde lid, aan de Algemene
Rekenkamer.
Artikel 63
1.Ter verlening van decharge door
beide Kamers der Staten-Generaal aan Onze betrokken Ministers over
het gevoerde financiële beheer in een verslagjaar, zendt Onze
Minister van Financiën op de derde woensdag van mei van het jaar
volgend op het verslagjaar de door de Algemene Rekenkamer
onderzochte departementale en niet-departementale jaarverslagen,
alsmede het door de Algemene Rekenkamer onderzochte Financieel
jaarverslag van het Rijk aan de Tweede Kamer. Het Financieel
jaarverslag van het Rijk wordt tevens aan de Eerste Kamer
gezonden.
2.Indien de derde woensdag van mei
valt in een periode waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal in
verband met de verkiezing van de leden van die Kamer niet in
vergadering bijeenkomt, wordt als datum van inzending van de in
het eerste lid bedoelde bescheiden aangehouden de tweede woensdag
na de eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer.
3.Gelijktijdig met deze stukken
zendt Onze Minister van Financiën in voorkomende gevallen aan de
Tweede Kamer een overzicht van de jaarverslagen, van de
slotwetsvoorstellen en van de voorstellen van een indemniteitswet
die niet uiterlijk op de woensdag, bedoeld in het eerste dan wel
het tweede lid, aan de Tweede Kamer worden gezonden, met de reden
daarvan.
4.In voorkomende gevallen zendt
Onze betrokken Minister, in een aanvulling op het betrokken
jaarverslag, zijn standpunt inzake het in artikel 89, derde lid,
bedoelde bezwaar van de Algemene Rekenkamer zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval vóór de behandeling van het jaarverslag door
de Tweede Kamer, aan de Tweede Kamer.
Artikel 64
1.Decharge aan Onze Ministers wordt
verleend aan de hand van de betrokken jaarverslagen door daartoe
strekkende uitspraken van elk van de beide Kamers der
Staten-Generaal.
Decharge wordt niet eerder verleend
dan nadat de verklaring van goedkeuring van de Algemene
Rekenkamer, bedoeld in artikel 83, derde lid, is ontvangen en het
betrokken slotwetsvoorstel, en in voorkomende gevallen een
voorstel van een indemniteitswet, is aangenomen.
2.Nadat de Tweede Kamer Onze
betrokken Minister decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter
van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening,
waaruit de verlening van de decharge en de datum waarop die heeft
plaatsgevonden, blijken.
Het jaarverslag wordt daarop ter
behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.
3.Nadat de Eerste Kamer Onze
betrokken Minister decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter
van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening,
waaruit de verlening van decharge en de datum waarop die heeft
plaatsgevonden, blijken.
Het jaarverslag wordt vervolgens
door de voorzitter van de Eerste Kamer aan Onze Minister van
Financiën gezonden.
4.Onze Minister van Financiën doet
aan Onze Ministers en aan de Algemene Rekenkamer mededeling van de
dechargeverleningen die hebben plaatsgevonden.
Artikel 65
1.Onze Minister van Financiën kan
regels stellen met betrekking tot de totstandkoming en de
inrichting van de jaarverslagen en de departementale
saldibalansen.
2.Onze Minister van Financiën kan
regels stellen met betrekking tot de informatie die in de
jaarverslagen wordt opgenomen over de zelfstandige
bestuursorganen, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en over de
rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van
deze wet.
Hoofdstuk VI. De accountantscontrole
bij het Rijk
Artikel 66
1.Onze Ministers, ieder met
betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is,
dragen aan de accountantsdienst van hun ministerie de controle op
van:
a. het gevoerde financieel en
materieelbeheer;
b. de ten behoeve van dat
beheer bijgehouden administraties;
c. de financiële informatie in
de jaarverslagen, bedoeld in artikel 51;
d. de departementale
saldibalansen;
e. de totstandkoming van de
informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.
2.De accountantsdienst onderzoekt
of het financieel beheer, het materieelbeheer en de ten behoeve
van dat beheer bijgehouden administraties voldoen aan de eisen van
rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid,
gesteld in artikel 22, eerste lid, respectievelijk artikel 25,
eerste lid, en artikel 26, eerste lid.
3.Van een jaarverslag onderzoekt de
accountantsdienst:
a. of dit overeenkomstig de
verslaggevingsvoorschriften inzake de financiële informatie
is opgesteld;
b. of voldaan is aan de in
artikel 58, eerste lid, onder a en b, gestelde eisen.
4.Van een departementale
saldibalans onderzoekt de accountantsdienst:
a. of deze overeenkomstig de
verslaggevingsvoorschriften is opgesteld;
b. of voldaan is aan de in
artikel 59 gestelde eisen.
5.De resultaten van de controle
worden jaarlijks vastgelegd in rapporten die zijn gericht aan Onze
betrokken Minister. Het samenvattende rapport bevat, behalve de
belangrijkste bevindingen van de controle, een
accountantsverklaring.
6.De in het vijfde lid bedoelde
accountantsverklaring heeft betrekking op:
a. de deugdelijke weergave van
de in het jaarverslag en de saldibalans opgenomen financiële
informatie;
b. de deugdelijke weergave van
de in de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag
opgenomen informatie over de naleving van de eis van
rechtmatigheid;
c. de naleving van de
verslaggevingsvoorschriften inzake de onder a en b bedoelde
informatie;
d. de niet-strijdigheid van de
in het jaarverslag opgenomen niet-financiële informatie met
de financiële informatie.
Artikel 67
1.Onze Minister van Financiën
draagt aan de accountantsdienst van zijn ministerie het onderzoek
op van:
a. de centrale administratie
van 's Rijks schatkist;
b. het Financieel jaarverslag
van het Rijk;
c. de Saldibalans van het Rijk.
2.De accountantsdienst onderzoekt:
a. of de centrale administratie
aansluit op de administraties, bedoeld in artikel 21, tweede
lid;
b. of de centrale administratie
voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 26, tweede lid;
c. of de in het Financieel
jaarverslag van het Rijk opgenomen rekening van uitgaven en
ontvangsten aansluit op de verantwoordingsstaten die zijn
opgenomen in de jaarverslagen, bedoeld in artikel 51;
d. of het Financieel
jaarverslag en de Saldibalans van het Rijk overeenkomstig de
voorschriften zijn opgesteld;
e. of de Saldibalans van het
Rijk aansluit op de departementale saldibalansen.
3.De resultaten van deze
onderzoeken worden jaarlijks vastgelegd in een rapport dat is
gericht aan Onze Minister van Financiën. Het rapport bevat naast
de belangrijkste bevindingen van de onderzoeken een mededeling
omtrent de verantwoording van de centrale administratie van 's
Rijks schatkist, omtrent het Financieel jaarverslag van het Rijk
en omtrent de Saldibalans van het Rijk.
Artikel 68
1.In overeenstemming met Onze
Minister van Financiën en na overleg met de Algemene Rekenkamer
kunnen Onze Ministers op een andere wijze in de controle voorzien
dan door een opdracht aan de accountantsdienst van hun ministerie.
2.In overeenstemming met Onze
Minister van Financiën wijzen Onze Ministers het hoofd aan van de
accountantsdienst van hun ministerie.
3.Onze Ministers doen schriftelijk
mededeling aan de Algemene Rekenkamer van een aanwijzing.
Artikel 69
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
plaats en de taak van de departementale accountantsdiensten.
2.Onze Minister van Financiën kan
regels stellen met betrekking tot de accountantsverklaring omtrent
het jaarverslag en de saldibalans.
Hoofdstuk VII. De Algemene Rekenkamer
Paragraaf 1. De samenstelling en de
inwendige dienst
Artikel 70
1.De Algemene Rekenkamer bestaat
uit drie leden in gewone dienst die te zamen het college vormen,
alsmede uit ten hoogste drie leden in buitengewone dienst. De
president wordt uit de leden in gewone dienst bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, benoemd.
2.Van een vacature onder de leden
geeft de Algemene Rekenkamer zo spoedig mogelijk kennis aan Ons en
aan de Tweede Kamer.
3.Met de kennisgeving aan de Tweede
Kamer wordt meegezonden een door de leden van het college van de
Algemene Rekenkamer met meerderheid van stemmen opgemaakte
aanbevelingslijst van zes kandidaten, waarop de Tweede Kamer bij
haar voordracht zodanig acht zal slaan als haar dienstig voorkomt.
Artikel 71
1.De leden in buitengewone dienst
kunnen door de president worden opgeroepen om deel te nemen aan
bepaalde werkzaamheden en hebben alsdan ter zake dezelfde
bevoegdheden als de leden in gewone dienst; zij maken dan tevens
deel uit van het college.
2.De leden in buitengewone dienst
vervangen bovendien de leden in gewone dienst bij voorziene
afwezigheid of ontstentenis.
Artikel 72
Aan de Algemene Rekenkamer wordt
toegevoegd een secretaris die op voordracht van de Algemene
Rekenkamer bij koninklijk besluit wordt benoemd en ontslagen.
Schorsing geschiedt door de Algemene Rekenkamer.
Artikel 73
1.Om tot lid te kunnen worden
benoemd, moet men Nederlander zijn.
2.De leden en de secretaris mogen
geen andere openbare betrekkingen vervullen, aan welke een vaste
beloning of toelage is verbonden, noch lid zijn van een
publiekrechtelijk college, waarvoor de keuze geschiedt bij of
krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen.
Behoudens indien de onverenigbaarheid ook uit een ander wettelijk
voorschrift voortvloeit kan hiervan bij koninklijk besluit, de
Algemene Rekenkamer gehoord, ontheffing worden verleend.
3.De leden en de secretaris
vervullen overigens geen betrekkingen die ongewenst zijn met het
oog op een goede vervulling van hun ambt of handhaving van hun
onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
4.De betrekkingen die de leden en
de secretaris buiten hun ambt vervullen, worden door de president
openbaar gemaakt.
Artikel 74
1. Een lid wordt ontslag verleend
op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig
jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand.
2. De leden kunnen door de Hoge
Raad der Nederlanden worden ontslagen of geschorst. Hoofdstuk 6A
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering
van de artikelen 46b, 46c, eerste lid, onder b, tweede en derde
lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46k en 46q, is daarbij van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
– de disciplinaire maatregel
van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd door de
president van de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46e voor «de
rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het
gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad
onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt
gelezen« de president van de Algemene Rekenkamer»;
– de president van de
Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt
aangemerkt;
– voor «Onze Minister»
wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties»;
– de voordracht, bedoeld in
de artikelen 46i, vijfde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan
door de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46p, vijfde lid,
in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het
parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene
Rekenkamer».
3. Grond voor ontslag is voorts dat
het lid handelt in strijd met artikel 73, derde lid.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en
arbeidsongeschiktheid.
Artikel 75
1.De president, de overige leden in
gewone dienst, de leden in buitengewone dienst en de secretaris
leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, in Onze handen de
volgende eed (verklaring en belofte) af. «Ik zweer (verklaar) dat
ik, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch
onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, aan iemand
iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat
ik om iets in dit ambt te doen of te laten, van niemand enig
geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen,
middellijk of onmiddellijk.
Ik zweer (beloof) trouw aan de
Koning, dat ik de Grondwet steeds zal helpen onderhouden en mijn
ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onpartijdigheid zal
vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God
almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)».
2.Daartoe door Ons gemachtigd kan
ook de president in een vergadering van het college deze eed of de
verklaring en belofte afnemen van de overige leden in gewone
dienst, de leden in buitengewone dienst en de secretaris.
Artikel 76
De Algemene Rekenkamer stelt voor
haar werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt
door plaatsing in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 77
1.De president oefent het toezicht
uit op de werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer en op de juiste
toepassing van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
2.De president brengt alle stukken,
welke aan de Algemene Rekenkamer of aan hem in zijn hoedanigheid
worden toegezonden, voor zover zij niet bij het reglement van orde
zijn uitgezonderd, ter behandeling in de vergadering van het
college.
3.De taken en bevoegdheden van de
president worden bij diens afwezigheid of ontstentenis waargenomen
door het aanwezige lid in gewone dienst, dat het oudste is naar
rang van benoeming.
Artikel 78
Geen besluiten zullen in de
vergadering van het college kunnen worden genomen, indien niet ten
minste de meerderheid der leden van het college tegenwoordig is.
Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen; wanneer de
stemmen staken, beslist de stem van de president.
Artikel 79
1.De leden en de secretaris mogen
niet aanwezig zijn bij de beraadslagingen en het nemen van
beslissingen over enige zaak, die hen, hun echtgenoten, hun
geregistreerde partners, degenen met wie zij duurzaam samenleven
of hun naastbestaanden tot in de derde graad van bloedverwantschap
of aanverwantschap betreffen.
2.Zij mogen niet deelnemen aan het
onderzoek van en de beslissing over rekeningen en verantwoordingen
die door hen worden afgelegd.
Artikel 80
1.Het bij of krachtens de
Ambtenarenwet bepaalde ten aanzien van de aanstelling en het
ontslag van ambtenaren van het Rijk is van overeenkomstige
toepassing op de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer, met dien
verstande dat voorzover de aanstelling of het ontslag geschiedt
bij koninklijk besluit, de Algemene Rekenkamer daartoe een
voordracht doet en in de overige gevallen de Algemene Rekenkamer
haar ambtenaren aanstelt of ontslaat. Schorsing geschiedt door de
Algemene Rekenkamer.
2.De Algemene Rekenkamer kan het
aanstellen, schorsen en ontslaan van ambtenaren opdragen aan de
secretaris.
Artikel 81
1.De Algemene Rekenkamer stelt
instructies vast voor de secretaris en voor de overige ambtenaren
en voor het personeel dat bij de Algemene Rekenkamer in dienst is
op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
2.Van de ambtenaren wordt door de
president hetzij de eed, hetzij de verklaring en belofte
afgenomen. Ook voor het personeel bedoeld in het vorige lid kan de
Algemene Rekenkamer voorschrijven dat daarvan hetzij de eed,
hetzij de verklaring en belofte wordt afgenomen.
Paragraaf 2. Het rechtmatigheids- en
doelmatigheidsonderzoek
Artikel 82
1.De Algemene Rekenkamer onderzoekt
jaarlijks:
a. het gevoerde financieel en
materieelbeheer;
b. de ten behoeve van dat
beheer bijgehouden administraties;
c. de financiële informatie in
de jaarverslagen, bedoeld in artikel 51;
d. de departementale
saldibalansen;
e. de totstandkoming van de
informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.
2.De Algemene Rekenkamer onderzoekt
of het financieel beheer, het materieelbeheer en de ten behoeve
van dat beheer bijgehouden administraties voldoen aan de eisen van
rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid, gesteld in
artikel 22, eerste lid, respectievelijk artikel 25, eerste lid, en
artikel 26, eerste lid.
3.Van een jaarverslag onderzoekt de
Algemene Rekenkamer:
a. of dit overeenkomstig de
verslaggevingsvoorschriften inzake de financiële informatie
is opgesteld;
b. of voldaan is aan de in
artikel 58, eerste lid, gestelde eisen.
4.Van een departementale
saldibalans onderzoekt de Algemene Rekenkamer:
a. of deze overeenkomstig de
verslaggevingsvoorschriften is opgesteld;
b. of voldaan is aan de in
artikel 59 gestelde eisen.
5.De Algemene Rekenkamer legt haar
bevindingen en haar oordeel jaarlijks vast in rapporten.
Artikel 83
1.De Algemene Rekenkamer onderzoekt
jaarlijks:
a. de centrale administratie
van 's Rijks schatkist;
b. het Financieel jaarverslag
van het Rijk;
c. de Saldibalans van het Rijk;
op de aspecten, genoemd in artikel
67, tweede lid.
2.De Algemene Rekenkamer legt haar
bevindingen en haar oordeel jaarlijks vast in een rapport.
3.Met betrekking tot de in het
Financieel jaarverslag van het Rijk opgenomen rekening van
uitgaven en ontvangsten van het Rijk alsmede met betrekking tot de
Saldibalans van het Rijk stelt de Algemene Rekenkamer een
verklaring van goedkeuring op.
4.De verklaring van goedkeuring
wordt gegeven onder voorbehoud van de vaststelling van de
slotwetten en in voorkomende gevallen onder voorbehoud van de
vaststelling van een indemniteitswet.
Artikel 84
1.De Algemene Rekenkamer zendt haar
rapporten en haar verklaring van goedkeuring met betrekking tot
het afgelopen verslagjaar op de derde woensdag van mei aan Ons en
aan de Staten-Generaal. Het tweede lid van artikel 63 is van
overeenkomstige toepassing.
2.Indien de Algemene Rekenkamer een
onderzoek als bedoeld in artikel 82, eerste lid, respectievelijk
artikel 83, eerste lid, op de derde woensdag van mei nog niet
heeft afgesloten, zendt zij op die datum een voorlopig rapport
over de stand van het betrokken onderzoek. In dat geval zendt zij
het definitieve rapport, alsmede de verklaring van goedkeuring zo
spoedig mogelijk na.
Artikel 85
De Algemene Rekenkamer onderzoekt de
doeltreffendheid en de doelmatigheid van het gevoerde beleid en de
doelmatigheid van het financieel en het materieelbeheer, de daartoe
bijgehouden administraties en de organisatie van het Rijk.
Artikel 86
1.Bij het uitoefenen van haar taken
kan de Algemene Rekenkamer gebruik maken van de resultaten van
door anderen verrichte controles, onverminderd haar bevoegdheid
tot eigen onderzoek.
2.Onze Ministers verstrekken
desgevraagd aan de Algemene Rekenkamer de controleprogramma's van
hen die met de controle belast zijn en lichten haar volledig in
omtrent de resultaten van de controle door overlegging van
rapporten of op andere door de Algemene Rekenkamer aan te geven
wijze.
3.De Algemene Rekenkamer is bevoegd
inzage te vorderen in de controledossiers van openbare accountants
die in opdracht van Onze Ministers met een controle of een review
worden belast. Artikel 43a, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 87
1.De Algemene Rekenkamer is
bevoegd, voor zover zij een en ander nodig acht voor het
uitoefenen van haar taak, bij alle dienstonderdelen van het Rijk
alle goederen, administraties, documenten en andere
informatiedragers op door haar aan te geven wijze te onderzoeken.
2.Onze Ministers zijn gehouden
desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die de Algemene
Rekenkamer voor haar taak nodig acht.
3.Het eerste en tweede lid worden
met betrekking tot de begrotingsartikelen Geheim verricht door of
verstrekt aan de president van de Algemene Rekenkamer in persoon.
Artikel 77, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing.
4.De president van de Algemene
Rekenkamer is ten aanzien van de gegevens die hem ter beschikking
worden gesteld met betrekking tot de begrotingsartikelen Geheim
verplicht tot geheimhouding.
5.Voor zover hij dat van belang
acht, deelt hij Onze betrokken Minister in persoon de resultaten
mee van zijn bevindingen.
Artikel 88
1.Heeft de Algemene Rekenkamer op
grond van haar onderzoek, bedoeld in artikel 82, bezwaar met
betrekking tot het gevoerde financieel beheer, het materieelbeheer
of de verantwoording daarover dan deelt zij dit bezwaar mede aan
Onze betrokken Minister.
2.Binnen een maand na ontvangst van
deze mededeling stelt Onze betrokken Minister de Algemene
Rekenkamer in kennis van hetgeen tot opheffing van haar bezwaar
kan leiden.
3.Na afloop van deze termijn neemt
de Algemene Rekenkamer haar eindbeslissing, waarvan zij mededeling
doet aan Onze betrokken Minister.
4.Indien zij haar bezwaar
handhaaft, doet zij hiervan tevens mededeling aan Onze Minister
van Financiën.
Artikel 89
1.Handhaaft de Algemene Rekenkamer
bij haar eindbeslissing haar bezwaar en houdt dit bezwaar in dat
bepaalde verplichtingen, uitgaven of ontvangsten niet in
overeenstemming met de begrotingswet of met andere wettelijke
regelingen tot stand zijn gekomen, dan wordt binnen twee maanden
aan de Tweede Kamer een voorstel tot vaststelling van een
indemniteitswet gezonden.
2.Als de Algemene Rekenkamer na
afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn niet van een
zodanige indiening is gebleken, doet zij daarvan mededeling aan de
Tweede Kamer.
3.Handhaaft de Algemene Rekenkamer
bij haar eindbeslissing haar bezwaar en betreft dit een ander
bezwaar dan bedoeld in het eerste lid, dan maakt zij daarvan
melding in het betrokken rapport, bedoeld in artikel 82, vijfde
lid.
4.Tevens kan zij daaromtrent een
aantekening plaatsen in haar rapport bij het Financieel
jaarverslag van het Rijk.
Paragraaf 3. De overige taken en
bevoegdheden
Artikel 90
Op verzoek van elk van de beide
kamers van de Staten-Generaal kan de Algemene Rekenkamer bepaalde
onderzoeken instellen.
Artikel 91
1. Onverminderd het anders bij wet
bepaalde heeft de Algemene Rekenkamer de in de volgende leden
vermelde bevoegdheden ten aanzien van:
a. naamloze vennootschappen en
besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid,
waarvan de Staat het gehele of nagenoeg het gehele geplaatste
aandelenkapitaal houdt;
b. naamloze vennootschappen en
besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid,
andere dan onder a bedoeld, waarvan de Staat ten minste 5% van
het geplaatste aandelenkapitaal houdt, indien daarmede een
groter financieel belang is gemoeid dan een door Onze Minister
van Financiën vast te stellen bedrag;
c. rechtspersonen,
commanditaire vennootschappen en vennootschappen onder firma
waaraan de Staat of een derde voor rekening of risico van de
Staat rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening of
garantie heeft verleend;
d. rechtspersonen voor zover
die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en
daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de
opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.
2. Aan de hand van dossiers,
aanwezig bij Onze verantwoordelijke Minister dan wel bij de
instelling, bedoeld in het negende lid, kan de Algemene Rekenkamer
kennis nemen van jaarrekeningen, daarop betrekking hebbende
rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd en
overige bescheiden, en kan zij bij Onze Minister dan wel die
instelling daarover nadere inlichtingen inwinnen.
3. Indien de bescheiden, bedoeld in
het tweede lid, haar daartoe aanleiding geven, of een of meer
bescheiden ontbreken, is de Algemene Rekenkamer bevoegd bij de
betrokken rechtspersonen of bij de betrokken commanditaire
vennootschappen of vennootschappen onder firma daarover nadere
inlichtingen in te winnen dan wel van hen het overleggen van die
bescheiden te vorderen. Het inwinnen van nadere inlichtingen en
het vorderen van bescheiden heeft, indien het De Nederlandsche
Bank N.V. betreft, niet betrekking op taken ter uitvoering van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Het inwinnen van nadere
inlichtingen en het vorderen van bescheiden geschiedt, indien het
de vennootschappen betreft, bedoeld in het eerste lid, onder b,
door tussenkomst van Onze Minister en heeft wat het vorderen van
bescheiden betreft uitsluitend betrekking op de jaarrekeningen en
rapporten, bedoeld in het tweede lid.
4. De Algemene Rekenkamer kan
tevens bij de betrokken rechtspersonen en vennootschappen een
onderzoek instellen, behalve bij de vennootschappen, bedoeld in
het eerste lid, onder b, en bij De Nederlandsche Bank N.V., voor
zover het taken ter uitvoering van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie betreft. Een onderzoek geschiedt bij
de betrokken rechtspersoon of vennootschap mede aan de hand van de
administratie of bij de derde die de administratie in opdracht van
de rechtspersoon of vennootschap voert. Onze betrokken Minister
wordt door de Algemene Rekenkamer van haar voornemen een dergelijk
onderzoek in te stellen in kennis gesteld.Artikel 87, eerste lid,
is van overeenkomstige toepassing.
5. Onverminderd het tweede lid en
onverminderd haar bevoegdheid tot eigen onderzoek maakt de
Algemene Rekenkamer zoveel mogelijk gebruik van de resultaten van
door anderen verrichte controles. Artikel 86, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
6. De Algemene Rekenkamer is
bevoegd inzage te vorderen in de controledossiers van de
accountant die de bescheiden, bedoeld inartikel 43, tweede lid,
onder a en b, heeft gecontroleerd van de in het eerste lid, onder
c en d, bedoelde rechtspersonen en vennootschappen.Artikel 43a,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. De Algemene Rekenkamer kan haar
bevoegdheden uitoefenen zolang als en over de jaren dat de Staat
daarbij belang heeft dan wel, voor zover het betreft
rechtspersonen of commanditaire vennootschappen of vennootschappen
onder firma als bedoeld onder d van het eerste lid, zolang als en
over de jaren dat het algemeen belang dit vordert.
8. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en
5:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het gebruik van de bevoegdheid vermeld
in het derde lid.
9. Een instelling die bij of
krachtens de wet is belast met het uitoefenen van controle op een
rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, onder d, licht de
Algemene Rekenkamer op door deze aan te geven wijze volledig in
omtrent de controlebevindingen en stelt op aanvraag haar
controleprogramma aan de Algemene Rekenkamer ter beschikking.
10. Op aanvraag van Onze
verantwoordelijke Minister verstrekt een rechtspersoon, een
commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma of een
instelling als bedoeld in het negende lid zo spoedig mogelijk aan
hem kopieën van brieven aan de Algemene Rekenkamer.
11. De Algemene Rekenkamer doet
Onze betrokken Minister kopie toekomen van de brieven die zij
toezendt aan een rechtspersoon, aan een commanditaire vennootschap
of vennootschap onder firma of aan een instelling als bedoeld in
het negende lid.
12. De Algemene Rekenkamer deelt
aan Onze betrokken Minister, aan de betrokken rechtspersoon of de
betrokken commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma
en aan de betrokken instelling als bedoeld in het negende lid de
opmerkingen en bedenkingen mee die zij naar aanleiding van haar
bevindingen van belang acht. Aan Onze Minister kan zij ter zake
voorstellen doen.
13. De Algemene Rekenkamer
verstrekt aan Onze Minister van Financiën, Onze betrokken
Minister en aan de Staten-Generaal zodanige mededelingen als zij
in het algemeen belang nodig oordeelt.
14. In geval de Algemene Rekenkamer
dit in het algemeen belang geboden acht, maakt zij van haar
bevindingen melding in een rapport of het verslag, bedoeld in
artikel 95, eerste onderscheidenlijk tweede lid.
15. Van gegevens en bevindingen die
naar hun aard vertrouwelijk zijn, maakt de Algemene Rekenkamer in
afwijking van het veertiende lid geen melding in een rapport of
het verslag, bedoeld in artikel 95, eerste onderscheidenlijk
tweede lid. Mededelingen aan de Staten-Generaal als bedoeld in het
dertiende lid die zodanige gegevens of bevindingen bevatten,
verstrekt zij ter vertrouwelijke kennisneming.
16. Voor de toepassing van dit
artikel worden onder rechtspersonen, commanditaire vennootschappen
en vennootschappen onder firma, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, niet verstaan financiële ondernemingen met zetel in
Nederland die een vergunning hebben voor het uitoefenen van het
bedrijf van bank of van elektronischgeldinstelling ingevolge de
Wet op het financieel toezicht of het bedrijf van
kredietinstelling ingevolge de Wet financiële markten BES.
17. Dit artikel is niet van
toepassing op provincies, gemeenten, de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, voor zover deze niet bij de wet zijn ingesteld,
waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en Kamers
van Koophandel en Fabrieken.
Artikel 92
1. Onverminderd het anders bij wet
bepaalde, heeft de Algemene Rekenkamer de in de volgende leden
vermelde bevoegdheden ten aanzien van rechtspersonen,
commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en
natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan wie
door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de
Raad gezamenlijk of de Europese Commissie op grond van een
vastgesteld programma rechtstreeks of middellijk een subsidie
wordt verstrekt.
2. Aan de hand van dossiers
aanwezig bij Onze verantwoordelijke Minister, kan de Algemene
Rekenkamer kennis nemen van jaarrekeningen, daarop betrekking
hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben
gecontroleerd en overige bescheiden, en kan zij bij Onze Minister
daarover nadere inlichtingen inwinnen.
3. Indien de bescheiden, bedoeld in
het tweede lid, haar daartoe aanleiding geven, of een of meer
bescheiden ontbreken, is de Algemene Rekenkamer bevoegd bij de
betrokken rechtspersoon, commanditaire vennootschap, vennootschap
onder firma of natuurlijke persoon die een beroep of bedrijf
uitoefent daarover nadere inlichtingen in te winnen dan wel inzage
in documenten en andere informatiedragers te vorderen, alsmede,
mede aan de hand van de administratie van de betrokken
rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon dan wel bij de
derde die de administratie in opdracht van de rechtspersoon,
vennootschap of natuurlijke persoon voert, een onderzoek in te
stellen. Onze betrokken Minister wordt door de Algemene Rekenkamer
van haar voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in kennis
gesteld.
Artikel 87, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. De Algemene Rekenkamer is
bevoegd inzage te vorderen in de controledossiers van de
accountant die de bescheiden, bedoeld in artikel 43, tweede lid,
onder a en b, heeft gecontroleerd van de in het eerste lid, onder
b, bedoelde rechtspersonen, vennootschappen en natuurlijke
personen. Artikel 43a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5. De in de voorgaande leden
vermelde bevoegdheden zijn gericht op oordeelsvorming over het
door Onze Minister gevoerde beleid ter nakoming van de bij of
krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
aan de lidstaat opgelegde verplichtingen aangaande beheer,
controle of toezicht ten aanzien van de rechtmatige en doelmatige
besteding van de subsidies als bedoeld in het eerste lid.
6. De Algemene Rekenkamer kan de in
dit artikel vermelde bevoegdheden uitoefenen zolang als en over de
jaren dat de Staat daarbij belang heeft.
7. Artikel 91, vierde, vijfde,
twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zestiende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
8. De Algemene Rekenkamer voert
overleg met de Europese Rekenkamer teneinde te komen tot afspraken
over de te hanteren normen en criteria bij het in dit artikel
bedoelde onderzoek en over de wijze van samenwerking met de
Europese Rekenkamer.
9. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en
5:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het gebruik van de bevoegdheid vermeld
in het derde lid.
Artikel 93
Indien de zorg voor een administratie
aan een derde wordt uitbesteed, dan is de Algemene Rekenkamer
bevoegd mede aan de hand van de administratie van de betrokken derde
dan wel bij degene die de administratie in opdracht van die derde
voert een onderzoek in te stellen, waarbij artikel 87, eerste lid,
van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 94
1.De Algemene Rekenkamer deelt Onze
betrokken Ministers de opmerkingen en bedenkingen mee die zij naar
aanleiding van haar werkzaamheden van belang acht. Zij kan daarbij
ter zake voorstellen doen.
2.De Algemene Rekenkamer verstrekt
aan Onze betrokken Ministers, Onze Minister van Financiën en aan
de Staten-Generaal zodanige mededelingen als zij nodig oordeelt.
Zij kan naar aanleiding daarvan met hen nader overleg plegen.
Artikel 95
1.De Algemene Rekenkamer brengt de
rapporten die zij vaststelt over haar onderzoek ter kennis aan Ons
en aan de Staten-Generaal.
2.De Algemene Rekenkamer biedt Ons
en de Staten-Generaal voor 1 april van elk jaar een verslag aan
van haar werkzaamheden in het daaraan voorafgaande jaar.
Artikel 96
1.Onze betrokken Minister voert
overleg met Onze Minister van Financiën en met de Algemene
Rekenkamer over de bij of krachtens de wet te stellen regels die
betrekking hebben op de taken of bevoegdheden van de Algemene
Rekenkamer.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing, indien bij de oprichting van een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 34, eerste lid, ten aanzien
van deze rechtspersoon taken en of bevoegdheden ontstaan voor de
Algemene Rekenkamer.
3.Onze Minister van Financiën
voert overleg met de Algemene Rekenkamer inzake de bij of
krachtens deze wet te stellen regels, met uitzondering van de
regels, bedoeld in de artikelen 18, eerste lid en 65.
4.Van de gestelde regels wordt door
Onze betrokken Minister mededeling gedaan aan de Algemene
Rekenkamer.
Hoofdstuk VIII. Comptabele
noodwetgeving
Artikel 97
1.Onverminderd de artikelen 7,
eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden
dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van
Onze Minister-President, aan Onze Minister van Financiën de
bevoegdheid worden verleend om regels te stellen in afwijking van
deze wet en de wetten, bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2.Wanneer het in het eerste lid
bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet
aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking
van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door
de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge
het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking
gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die
ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking
gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Een besluit als bedoeld in het
eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze
bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het
eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het
Staatsblad.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 98
[Wijzigt de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden]
Artikel 99
[Wijzigt de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren]
Artikel 100
[Wijzigt de Kaderwet adviescolleges]
Artikel 101
[Wijzigt de Prijzennoodwet]
Artikel 102
[Wijzigt de Remigratiewet]
Artikel 103
[Wijzigt de Wet financiering
volksverzekeringen]
Artikel 104
[Wijzigt de Wet Fonds economische
structuurversterking]
Artikel 105
[Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds]
Artikel 106
[Wijzigt de Wet op de
expertisecentra]
Artikel 107
[Wijzigt de Wet op de kansspelen]
Artikel 108
[Wijzigt de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen]
Artikel 109
De bevoegdheden waarin bij of
krachtens deze wet is voorzien, kunnen mede worden uitgeoefend in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 110
Deze wet wordt aangehaald als:
Comptabiliteitswet 2001.
Artikel 111
1. Deze wet treedt in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst
toepassing voor het begrotingsjaar 2002.
2. De Comptabiliteitswet wordt
ingetrokken.
3. Met betrekking tot de
begrotingsjaren voorafgaande aan het begrotingsjaar 2002 blijven
de artikelen van de Comptabiliteitswet, zoals deze luidden vóór
de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
4. Voor zover het meerjarige
inzicht, bedoeld in artikel 5, eerste lid juncto tweede lid, en
artikel 54, eerste lid juncto tweede lid, in de jaren 2002 tot en
met 2006 niet zonder meer beschikbaar is, kan Onze Minister van
Financiën bepalen dat andere informatie wordt verstrekt.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 juli 2002
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de twintigste augustus 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|