Nadere regelgeving:
- Diergeneesmiddelenbesluit
- Diergeneesmiddelenregeling
WET van 27 juni 1985, houdende regelen
met betrekking tot diergeneesmiddelen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen te stellen met betrekking tot diergeneesmiddelen en daarbij
tevens regelen te stellen met betrekking tot smetstoffen die ziekten bij
dieren kunnen veroorzaken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
"Onze Minister": Onze Minister van Landbouw en Visserij;
"dierenarts": degene die is ingeschreven in het register
van praktizerende dierenartsen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990;
«apotheker»: degene die is ingeschreven in het register van
gevestigde apothekers, bedoeld in artikel 61, derde lid, van de
Geneesmiddelenwet, alsmede de apotheker die in dienstbetrekking is bij
de krijgsmacht, voor zover hij geneesmiddelen bereidt of ter hand
stelt uit hoofde van die dienstbetrekking;
"registratiehouder": degene te wiens naam het
diergeneesmiddel is geregistreerd;
"substantie": stof, of een mengsel van stoffen, van
menselijke, dierlijke, plantaardige of chemische oorsprong, daaronder
begrepen dieren, planten, delen van dieren of planten alsmede
micro-organismen en virussen;
"diergeneesmiddel": substantie die bestemd is om al of
niet na be- of verwerking, te worden gebruikt voor:
a. het genezen, lenigen of voorkomen van enige aandoening,
ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek van een
dier;
b. net herstellen, verbeteren of wijzigen van het functioneren
van organen van een dier;
c. het onderkennen van een ziekte of gebrek bij dieren door
toepassing bij een dier;
bijwerking: reactie die schadelijk en ongewild is en die optreedt
bij doses die normaal bij het dier voor preventie, voor het stellen
van een diagnose, voor de behandeling van een ziekte of voor de
wijziging van een fysiologische functie worden gebruikt;
"smetstof": elk micro-organisme of virus dat een
infectieziekte, en elke parasiet die een parasitaire ziekte, bij
dieren kan veroorzaken;
"serum": diergeneesmiddel dat bereid is uit bloed of
lymphe van dieren, of dat afkomstig is uit dierlijke produkten, en dat
- al dan niet vermengd met andere substanties - bestemd is voor
gebruik ter voorkoming of genezing van een infectieziekte of een
parasitaire ziekte bij dieren door passieve immunisatie;
"entstof": diergeneesmiddel dat bereid is uit of met
behulp van micro-organismen, virussen of parasieten en dat - al dan
niet vermengd met andere substanties - bestemd is voor gebruik ter
voorkoming of genezing van een infectieziekte of een parasitaire
ziekte bij dieren door actieve immunisatie;
"biologisch diagnosticum": diergeneesmiddel dat bereid is
uit of met behulp van micro-organismen, virussen of parasieten en dat
- al dan niet vermengd met andere substanties - bestemd is voor
gebruik ter onderkenning van een ziekte of de immunologische status
van dieren;
"partij van onderscheidenlijk een serum, entstof of biologisch
diagnosticum": uit één uitgangsmassa in één bewerkingsgang
bereide en als zodanig omschreven en gekenmerkte homogene en
gelijkwaardig samengestelde hoeveelheid van onderscheidenlijk een
serum, entstof of biologisch diagnosticum in de voor de gebruiker
bestemde verpakking;
"gemedicineerd voeder": substantie die bestemd is om als
zodanig aan dieren te worden vervoederd en waarin één of meer
diergeneesmiddelen zijn verwerkt;
"recept": schriftelijke aanwijzing nopens de bereiding of
de aflevering van een diergeneesmiddel of een gemedicineerd voeder,
afgegeven door een dierenarts ten behoeve van één of meer dieren van
een met name genoemde houder van die dieren;
"invoer": het anders dan in doorvoer brengen in
Nederland;
"uitvoer": het anders dan in doorvoer brengen buiten
Nederland;
"doorvoer": grensoverschrijdende goederenbeweging via
Nederlands grondgebied met bestemming buitenland;
"houder van dieren": eigenaar, houder of hoeder van
dieren;
bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66 van
de Wet op de bedrijfsorganisatie.
2.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt:
a. met toepassing bij dieren gelijkgesteld toepassing bij
materiaal van dierlijke herkomst uitgezonderd cel- of
weefselcultures;
b. onder afleveren niet begrepen het bij dieren toepassen van
een diergeneesmiddel;
c. onder diergeneesmiddel niet begrepen gemedicineerd voeder;
d. in hoofdstuk III onder diergeneesmiddel mede verstaan door
Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen substanties
die niet bestemd zijn maar wel kunnen worden gebruikt als
diergeneesmiddel;
e. onder diergeneesmiddelen niet begrepen toevoegingsmiddelen
die zijn toegelaten ingevolge richtlijn nr. 70/524/EEG van de Raad
van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in
diervoeding (PbEG L 270).
Hoofdstuk II. Bepalingen met betrekking tot de hoedanigheid van
diergeneesmiddelen
Titel 1. Registratie
Artikel 2
1.Het is verboden een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd,
te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij
dieren toe te passen.
2.Het verbod van het eerste lid geldt niet ten aanzien van:
a. diergeneesmiddelen die ten behoeve van één dier of een
klein aantal dieren bereid worden of bereid zijn door een
dierenarts of door een apotheker op recept van een dierenarts,
voor zover het geen sera, entstoffen, biologische diagnostica of
krachtens artikel 5 aangewezen substanties betreft;
b. diergeneesmiddelen, andere dan sera, entstoffen of
biologische diagnostica die bereid zijn uit of met behulp van
krachtens artikel 4, onderdeel d , aangewezen substanties, die
worden doorgevoerd of die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer.
Artikel 3
1.Over de registratie van diergeneesmiddelen wordt door Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur, beslist op aanvraag van de fabrikant of,
indien een ander voor het in Nederland in de handel brengen van het
diergeneesmiddel verantwoordelijk zal zijn, op aanvraag van deze
laatste.
2.Door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, worden regelen gesteld omtrent
het indienen van een aanvraag tot registratie of tot verlenging van
een registratie, alsmede tot wijziging van een registratie en omtrent
de behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald:
a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat
een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
b. welke kosten van het onderzoek, voortvloeiend uit een
aanvraag, ten laste van de aanvrager worden gebracht;
c. welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd
alvorens een aanvraag in behandeling wordt genomen, alsmede dat
monsters ter beschikking moeten worden gesteld.
3.De registratiehouder is jaarlijks een vergoeding verschuldigd
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde
regelen.
4.Onze Minister stelt de in het tweede lid, onder c, bedoelde
gegevens en bescheiden ter beschikking van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, voor zover deze laatste zulks in het belang
van de arbeidsbescherming noodzakelijk acht.
5.Bij een regeling als bedoeld in het tweede lid, wordt in elk
geval bepaald, dat volgende aanvragers tot registratie van een
diergeneesmiddel niet naar gegevens mogen verwijzen die door een
eerdere aanvrager tot registratie van eenzelfde diergeneesmiddel met
het oog op die aanvraag zijn verstrekt, zolang nog geen 10 jaren sinds
de registratie van datzelfde diergeneesmiddel zijn verstreken, tenzij
de eerdere aanvrager schriftelijk heeft verklaard tegen een dergelijk
verwijzen geen bezwaar te hebben.
6.Indien gedurende de duur van de registratie of bij gelegenheid
van de wijziging dan wel de verlenging van de registratie aanvullende
gegevens omtrent toxicologie of klinische effectiviteit moeten worden
onderscheidenlijk zijn verstrekt is het bepaalde in het vijfde lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de duur van de
bescherming van de verstrekte gegevens in dat geval vijf jaren
bedraagt.
7.Diergeneesmiddelen waarvoor ingevolge verordening (EEG) nr.
2309/93 van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1993 tot
vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van
vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en
diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau
voor de geneesmiddelenbeoordeling (PbEG L 214) een vergunning voor het
in de handel brengen is verleend, worden gelijkgesteld met ingevolge
het eerste lid geregistreerde diergeneesmiddelen. Op die
diergeneesmiddelen is dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen
2, eerste lid, 18 en 19, niet van toepassing. Op de voorschriften,
waaronder de vergunning voor het in de handel brengen is verleend, is
artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Diergeneesmiddelen worden behoudens het bepaalde in artikel 5
geregistreerd indien:
a. op grond van onderzoek van de door de aanvrager overgelegde
gegevens met redelijke zekerheid mag worden aangenomen, dat zij bij
gebruik overeenkomstig de door de aanvrager opgegeven voorschriften:
1. de gestelde werking bezitten;
2. geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens;
3. niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren, en
4. niet schadelijk zijn voor het milieu of de gezondheid van
planten.
b. zij de opgegeven eigenschappen en kwalitatieve en
kwantitatieve samenstelling bezitten en de voor het controleren
daarvan opgegeven methodieken adequaat zijn;
c. zij voldoen aan door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gestelde regelen
met betrekking tot de substanties waaruit zij zijn samengesteld; en
d. zij, voor zover het sera, entstoffen of biologische
diagnostica betreft, niet bereid zijn uit, of met behulp van door
Onze Minister aangewezen substanties, waarvan naar zijn oordeel
gevaar is te duchten voor de gezondheid van dieren of voor
verstoring van de dierziektenbestrijding.
Artikel 5
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur bepalen, dat door hem aangewezen substanties,
waarvan het gebruik als diergeneesmiddel in het belang van de
volksgezondheid ongewenst is, niet in aanmerking komen voor registratie.
Artikel 6
1.Registratie wordt verleend voor een tijdvak van 5 jaar.
2.Telkenmale wanneer daartoe door de registratiehouder een aanvraag
op de krachtens artikel 3, tweede lid, voorgeschreven wijze wordt
ingediend, wordt de registratie voor een tijdvak van 5 jaar verlengd.
3.Bij de registratie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent:
a. de doeleinden waarvoor, de doseringen waarin, de wijze
waarop en de technische hulpmiddelen waarmee het diergeneesmiddel
uitsluitend dan wel niet mag worden gebruikt;
b. de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen;
c. de in acht te nemen wachttermijnen;
d. de aanwezigheid in het diergeneesmiddel van een stof,
waardoor kan worden onderkend dat het middel bij een dier is
toegepast of aan diervoeder is toegevoegd;
e. de verpakking en de aanduidingen en vermeldingen op, aan of
bij de verpakking van het diergeneesmiddel.
4.Indien bij de registratie wordt bepaald, dat een diergeneesmiddel
mag worden gebruikt voor de bereiding van een gemedicineerd voeder,
kunnen de in het derde lid bedoelde voorschriften tevens worden
gegeven met betrekking tot dat voeder.
5.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen worden
gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
6.In uitzonderlijke omstandigheden kan, na overleg met de
registratiehouder, op objectieve en controleerbare gronden aan een
registratie, dan wel wijziging of verlenging van een registratie een
jaarlijkse herziening of een specifieke verplichting, zoals aanvullend
onderzoek na het verlenen van registratie of rapportage over
bijwerkingen, worden verbonden.
Artikel 7
1.Het is verboden te handelen in strijd met de in artikel 6, derde
lid, bedoelde voorschriften.
2.Het verbod van het eerste lid geldt ten aanzien van anderen dan
de registratiehouder slechts voor zover de in het eerste lid bedoelde
voorschriften op, aan of bij de verpakking van het diergeneesmiddel of
gemedicineerde voeder zijn vermeld of overeenkomstig artikel 40, derde
of vijfde lid, aan de houder van dieren zijn medegedeeld.
Artikel 8
1.Van een krachtens artikel 3, eerste lid, of artikel 6, vijfde
lid, gegeven beschikking wordt mededeling gedaan door toezending van
een afschrift aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2.Van het verlenen, het wijzigen of verlengen van een registratie
wordt mededeling gedaan in de
Nederlandse Staatscourant. Indien geen
verlenging van de registratie plaatsvindt, wordt van het verstrijken
van de termijn waarvoor de registratie gold mededeling gedaan in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 9
1.Onze Minister draagt zorg, dat van de registratie van
diergeneesmiddelen, de wijziging of de verlenging daarvan aantekening
wordt gehouden in een register.
2.Onze Minister stelt regelen omtrent:
a. de inrichting van het register;
b. de wijze waarop kennis kan worden genomen van de in het
register opgenomen gegevens.
Artikel 10
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur, een registratie geheel of gedeeltelijk
schorsen voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden, indien:
a. op grond van na de registratie te zijner kennis gekomen feiten
het ernstige vermoeden bestaat dat niet wordt voldaan aan het in
artikel 4, onder a, b, c of d , bepaalde;
b. na de registratie het ernstige vermoeden ontstaat dat de
aanvraag tot registratie onjuiste gegevens bevat.
Artikel 11
1.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, een registratie geheel of
gedeeltelijk doorhalen indien:
a. op grond van na de registratie te zijner kennis gekomen
feiten blijkt dat niet wordt voldaan aan het in artikel 4, onder
a, b, c of d , bepaalde;
b. na de registratie blijkt dat de aanvraag tot registratie
onjuiste gegevens bevat;
c. de registratiehouder zulks bij aangetekend schrijven
verzoekt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen vastgesteld
waarin, ter uitvoering van een verordening, richtlijn of beschikking
als bedoeld in artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91), een registratie
geheel of ten dele van rechtswege vervalt.
Artikel 12
1.Van een beschikking, houdende gehele of gedeeltelijke schorsing
of doorhaling van een registratie, wordt mededeling gedaan door
toezending van een afschrift aan Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en wordt tevens mededeling gedaan in de Staatscourant.
2.Een beschikking, houdende doorhaling van een registratie,
vermeldt de datum met ingang waarvan de doorhaling van kracht wordt.
Deze datum wordt niet vroeger gesteld dan zes maanden na de datum van
de beslissing, tenzij bijzondere omstandigheden onmiddellijke
doorhaling noodzakelijk maken.
3.Van het van rechtswege geheel of gedeeltelijk vervallen van een
registratie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, met
vermelding van de datum met ingang waarvan de registratie geheel of
gedeeltelijk van rechtswege vervalt.
Artikel 13
1.Het is behoudens het bepaalde in het tweede lid verboden een
diergeneesmiddel voor zover de registratie daarvan ingevolge artikel
10 of 11 geheel of gedeeltelijk is geschorst, doorgehaald
onderscheidenlijk van rechtswege vervallen, of waarvan de termijn
waarvoor de registratie gold is verstreken, te bereiden of af te
leveren anders dan ten behoeve van de uitvoer of bij dieren toe te
passen.
2.Onze Minister kan bepalen dat een diergeneesmiddel waarvan de
termijn waarvoor de registratie gold, is verstreken, nog gedurende een
daarbij vast te stellen periode mag worden afgeleverd of mag worden
toegepast met inachtneming van de daarbij gestelde regelen.
Titel 2. Partijkeuring van sera, entstoffen en biologische
diagnostica
Artikel 14
1.Het is, onverminderd het bij of krachtens Titel 1 bepaalde,
verboden geregistreerde sera, entstoffen of biologische diagnostica af
te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben of bij dieren toe te
passen als niet uit een door Onze Minister vastgestelde aanduiding op
de verpakking blijkt, dat zij afkomstig zijn van een goedgekeurde
partij.
2.Onze Minister kan regelen stellen omtrent het aanbrengen van de
in het eerste lid bedoelde aanduiding.
3.Het verbod van het eerste lid geldt niet:
a. voor het voorhanden of in voorraad hebben van een partij van
een geregistreerd serum, entstof of biologisch diagnosticum door
de registratiehouder die om goedkeuring heeft gevraagd, totdat op
zijn aanvraag onherroepelijk is beslist;
b. voor het door houders van vergunningen, bedoeld in artikel
21, voorhanden of in voorraad hebben van geregistreerde sera,
entstoffen of biologische diagnostica die kennelijk bestemd zijn
voor aflevering aan afnemers in het buitenland, voor zover hun
vergunning zich uitstrekt tot de betreffende diergeneesmiddelen.
Artikel 15
1.Op een aanvraag tot goedkeuring van een partij wordt beslist door
of vanwege Onze Minister.
2.Onze Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag
en omtrent de behandeling daarvan. Daarbij kan worden bepaald dat een
aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor
vastgesteld bedrag is voldaan.
Artikel 16
Een partij wordt slechts goedgekeurd, indien:
a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voldaan is aan door
Onze Minister gestelde eisen inzake conformiteit van het produkt
waaruit de partij bestaat met het produkt zoals het geregistreerd is
en met betrekking tot het verrichten van controles inzake die
conformiteit;
b. is voldaan aan de ingevolge artikel 15, tweede lid, gestelde
regelen omtrent het indienen van de aanvraag.
Artikel 17
1. Indien goedkeuring aan een partij wordt onthouden kan Onze
Minister de registratiehouder bevelen de partij te vernietigen of te
doen vernietigen. Een ieder wie zulks aangaat is verplicht te handelen
overeenkomstig het bevel.
2. Het bevel wordt de registratiehouder bij aangetekende brief
medegedeeld. Bij het bevel kunnen voorschriften worden gegeven omtrent
de termijn waarbinnen, de plaats waar, de wijze waarop en het toezicht
waaronder de vernietiging moet geschieden alsmede omtrent de bewaring
en het vervoer vóór vernietiging.
3. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van een bevel als bedoeld in het eerste
lid of een voorschrift als bedoeld in het tweede lid.
Titel 3. Overige bepalingen
Artikel 18
1.Het is verboden een geregistreerd diergeneesmiddel te be- of
verwerken, tenzij zulks bij de registratie uitdrukkelijk is
toegestaan.
2.Het is aan anderen dan de registratiehouder en degene die in zijn
opdracht handelt, verboden een geregistreerd diergeneesmiddel te
verpakken of te etiketteren, tenzij bij de registratie uitdrukkelijk
anders is bepaald.
Artikel 19
Het als diergeneesmiddel aanbevelen of aanprijzen van een niet
ingevolge deze wet geregistreerd diergeneesmiddel, dan wel het
aanbevelen of aanprijzen van enige toepassing van een diergeneesmiddel
in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde, is verboden.
Artikel 20
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voor zover
het belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten dan wel
het belang van het milieu zich daartegen niet verzet, worden bepaald,
dat het bij of krachtens de artikelen 2-4, 6-13 of 19, bepaalde niet
of slechts gedeeltelijk van toepassing is ten aanzien van bij of
krachtens die maatregel aangewezen diergeneesmiddelen.
2.Ingeval van toepassing van het eerste lid kan daarbij worden
bepaald, dat degene die een ingevolge dat lid aangewezen
diergeneesmiddel in de handel brengt verplicht is daarvan
overeenkomstig door Onze Minister gestelde regelen mededeling te doen.
Hoofdstuk III. Bepalingen inzake vergunningen tot het bereiden,
verpakken, etiketteren en afleveren van diergeneesmiddelen
Artikel 21
1.Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze
Minister diergeneesmiddelen te bereiden, te verpakken, te etiketteren
of af te leveren.
2.Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is slechts geldig voor
de daarin genoemde handelingen met betrekking tot de daarin genoemde
diergeneesmiddelen en, voor zover deze handelingen in lokaliteiten
plaatsvinden, voor de daarin genoemde lokaliteiten.
Artikel 22
1.Het in artikel 21 met betrekking tot het bereiden van
diergeneesmiddelen gestelde verbod geldt niet voor het bereiden door
een dierenarts of door een apotheker van diergeneesmiddelen als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a.
2.Het in artikel 21 met betrekking tot het verpakken en etiketteren
van diergeneesmiddelen gestelde verbod geldt niet voor het verpakken
of etiketteren door een dierenarts of door een apotheker van:
a. diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onder a ;
b. diergeneesmiddelen waarvan het verpakken en etiketteren door
anderen dan de registratiehouder bij de registratie uitdrukkelijk
is toegestaan.
3.Het in artikel 21 met betrekking tot het afleveren van
diergeneesmiddelen gestelde verbod geldt niet voor het afleveren van
diergeneesmiddelen door:
a. een dierenarts aan de houder van de dieren waarvoor de
diergeneesmiddelen zijn bestemd;
b. een apotheker in zijn apotheek.
Artikel 23
1.Een vergunning, bedoeld in artikel 21, wordt op verzoek verleend
indien is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen eisen.
2.De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen betrekking hebben op:
a. de lokaliteiten waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, de
inrichting en het gebruik van die lokaliteiten en de technische
uitrusting van het bedrijf;
b. de deskundigheid van bij de bedrijfsuitoefening betrokken
personen;
c. voorzieningen ten behoeve van de controle op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet.
3.De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen verschillen naar
gelang van de soort en het type van de diergeneesmiddelen, hun land
van herkomst, de overige werkzaamheden van degene aan wie de
vergunning wordt verleend en naar gelang van de handelingen waarvoor
de vergunning wordt verleend.
4.Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid,
wordt, indien de aanvraag is ingediend door de houder van een
vergunning als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de
Geneesmiddelenwet door Onze Minister niet beslist dan na overleg met
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 24
1.Onze Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag
voor, dan wel tot wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel
21, en omtrent de behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden
bepaald:
a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat
een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
b. dat alvorens een vergunning wordt verleend of gewijzigd een
onderzoek ter plaatse noodzakelijk is, waarvan de kosten ten laste
van de aanvrager worden gebracht;
c. welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd
alvorens een aanvraag in behandeling wordt genomen.
2.Aan een vergunning, bedoeld in artikel 21, kunnen voorschriften
worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend.
Artikel 25
1.Een vergunning, bedoeld in artikel 21, kan worden ingetrokken,
indien niet langer wordt voldaan aan de in artikel 23, eerste lid,
bedoelde eisen.
2.Bij wijziging of aanvulling van de in artikel 23, eerste lid,
bedoelde eisen heeft geen intrekking van de vergunning plaats dan
nadat de houder van de vergunning in de gelegenheid is gesteld aan de
gewijzigde of aangevulde eisen te voldoen.
3.De kosten van de herhaalde inspecties als bedoeld in artikel 3
van richtlijn 91/412/EG van de Commissie van 23 juli 1991 tot
vastlegging van de beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken
bij het vervaardigen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik
(PbEG L 228), kunnen, volgens door Onze Minister te stellen regelen,
ten laste van de houder van de vergunning worden gebracht.
Artikel 26
1.Van een beschikking, betreffende een vergunning, als bedoeld in
artikel 21, wordt mededeling gedaan door toezending van een afschrift
aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wordt tevens
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 27
1.Onze Minister draagt zorg, dat van de vergunningen, bedoeld in
artikel 21, aantekening wordt gehouden in een register.
2.Onze Minister stelt regelen omtrent:
a. de inrichting van het register;
b. de wijze waarop kennis kan worden genomen van de in het
register opgenomen gegevens.
Artikel 28
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voor zover het
belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten dan wel het
belang van het milieu zich daartegen niet verzet, worden bepaald, dat
het verbod van artikel 21 niet of slechts gedeeltelijk van toepassing is
ten aanzien van bij of krachtens die maatregel aangewezen
diergeneesmiddelen, niet zijnde sera, entstoffen of biologische
diagnostica.
Hoofdstuk IV. Bepalingen met betrekking tot de kanalisatie van
diergeneesmiddelen
Titel 1. Inleidende bepaling
Artikel 29
1.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op door Onze
Minister aangewezen diergeneesmiddelen.
2.Ingevolge het eerste lid worden slechts diergeneesmiddelen
aangewezen welke bij toepassing zonder tussenkomst van een dierenarts
gevaar voor de gezondheid van mens of dier dan wel schade voor het
milieu kunnen opleveren.
Titel 2. Bepalingen inzake het afleveren en het voorhanden of in
voorraad hebben
Artikel 30
1.Het is verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29, af te
leveren.
2.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het afleveren aan:
a. houders van vergunningen, bedoeld in artikel 21;
b. houders van vergunningen, bedoeld in artikel 33, wier
vergunning strekt tot het bereiden van gemedicineerd voeder, voor
wat betreft diergeneesmiddelen, waarvan de verwerking in
gemedicineerd voeder is toegestaan;
c. dierenartsen;
d. apothekers;
e. door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister wie
het mede aangaat, aangewezen diergeneeskundige instellingen of
instellingen van wetenschap of onderzoek;
f. personen behorende tot door Onze Minister aangewezen
groepen, voor wat betreft de daarbij aangewezen
diergeneesmiddelen;
g. afnemers in het buitenland.
3.Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet met betrekking
tot het afleveren door:
a. een dierenarts aan de houder van de dieren waarvoor de
diergeneesmiddelen zijn bestemd;
b. een apotheker op recept van een dierenarts aan de in het
recept vermelde houder van dieren.
4.Het in het tweede lid, aanhef en onder d, en in het derde lid
bepaalde geldt niet ten aanzien van door Onze Minister aangewezen
diergeneesmiddelen die bij toepassing door anderen dan dierenartsen
gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van mens of dier dan wel
schade voor het milieu.
Artikel 31
1.Het is verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29,
voorhanden of in voorraad te hebben.
2.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:
a. houders van vergunningen, bedoeld in artikel 21, voor zover
hun vergunning zich uitstrekt tot de betreffende
diergeneesmiddelen;
b. houders van vergunningen, bedoeld in artikel 33, voor zover
hun vergunning het verwerken van de desbetreffende
diergeneesmiddelen in gemedicineerd voeder toelaat;
c. dierenartsen;
d. apothekers;
e. door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister wie
het mede aangaat, aangewezen diergeneeskundige instellingen of
instellingen van wetenschap of onderzoek, voor zover het de in de
aanwijzing genoemde diergeneesmiddelen betreft;
f. personen behorende tot door Onze Minister krachtens artikel
30, tweede lid, onder f , aangewezen groepen, voor zover het de
voor elk van deze groepen in de aanwijzing genoemde
diergeneesmiddelen betreft.
3.Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor houders van
dieren voor zover het diergeneesmiddelen betreft die niet zijn
aangewezen krachtens artikel 30, vierde lid, en die hun overeenkomstig
artikel 30, derde lid, zijn afgeleverd.
Hoofdstuk V. Bepalingen met betrekking tot gemedicineerde voeders
Artikel 32
1.Het is verboden om bij de bereiding van een gemedicineerd voeder
gebruik te maken van andere dan geregistreerde diergeneesmiddelen.
2.Het is verboden om bij de bereiding van een gemedicineerd voeder
gebruik te maken van andere dan van een goedgekeurde partij afkomstige
sera, entstoffen of biologische diagnostica.
Artikel 33
1.Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning
gemedicineerde voeders te bereiden, te verpakken, te etiketteren of af
te leveren. Een vergunning wordt door of vanwege Onze Minister
verleend.
2.Het in de artikelen 21, tweede lid, en 23-28 bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
3.Met betrekking tot het stellen van eisen als bedoeld in artikel
23, waaraan moet zijn voldaan alvorens een vergunning voor het
bereiden, verpakken, etiketteren of afleveren van gemedicineerde
voeders wordt verleend, kan bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur de medewerking worden gevorderd van het bestuur van een
bedrijfslichaam.
4.Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde
medewerking bestaat in het stellen van nadere regels bij verordening,
behoeft zodanige verordening de goedkeuring van Onze Minister.
Krachtens de verordening genomen besluiten behoeven, voorzover dit bij
of krachtens de maatregel als bedoeld in het derde lid is bepaald, de
goedkeuring van de daarbij aangewezen autoriteit.
Artikel 34
1.Onze Minister kan terzake van het verlenen van vergunningen
ingevolge artikel 33, eerste lid, de medewerking vorderen van het
bestuur van een bedrijfslichaam.
2.Deze medewerking omvat mede het houden van een register van deze
vergunningen.
Artikel 35
1.Het is verboden gemedicineerde voeders af te leveren aan anderen
dan:
a. houders van vergunningen, bedoeld in artikel 33;
b. afnemers in het buitenland;
c. houders van dieren.
2.Onze Minister kan bepalen, dat door hem aangewezen gemedicineerde
voeders aan houders van dieren uitsluitend op recept van een
dierenarts mogen worden afgeleverd.
Artikel 36
1.Het is verboden gemedicineerde voeders voorhanden of in voorraad
te hebben.
2.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:
a. houders van vergunningen, bedoeld in artikel 33, voor zover
hun vergunning zich uitstrekt tot de betreffende gemedicineerde
voeders;
b. houders van dieren voor zover het gemedicineerde voeders
betreft die hun overeenkomstig artikel 35 zijn afgeleverd.
Hoofdstuk VI. Bepalingen met betrekking tot smetstoffen
Artikel 37
1.Het is verboden de door Onze Minister aangewezen smetstoffen die
gevaar opleveren voor de gezondheid van dieren, voorhanden of in
voorraad te hebben.
2.Het verbod van het eerste lid geldt, onverminderd de krachtens
artikel 38 gestelde regelen, niet:
a. voor door Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister wie het mede aangaat, aangewezen instellingen van
wetenschap of onderzoek voor zover de smetstof dient voor gebruik
voor wetenschappelijke doeleinden;
b. voor zover de smetstof bestemd is voor de bereiding van of
controle op therapeutische of diagnostische middelen, bestemd voor
toepassing bij onderzoek of behandeling van de mens;
c. voor degene, aan wie krachtens artikel 21 vergunning tot het
bereiden van een serum, entstof of biologisch diagnosticum is
verleend, mits de smetstof dient voor de bereiding van of controle
op dat produkt.
Artikel 38
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld met betrekking tot het bereiden, het bewaren, het vervoeren en
het vernietigen van smetstoffen, het voorkomen van verspreiding daarvan,
alsmede met betrekking tot het voeren van een administratie en het
verstrekken van gegevens omtrent smetstoffen.
Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
Artikel 39
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld omtrent het verrichten van controles door houders van
vergunningen, bedoeld in de artikelen 21 en 33, op de in die
vergunningen vermelde substanties en op de bij de bereiding daarvan
gebruikte grondstoffen.
2.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen
tevens regelen worden gesteld omtrent de wijze waarop de aldaar
bedoelde controles dienen te worden verricht, het vastleggen van de
resultaten van de controles in bescheiden, het bewaren en overleggen
of afgeven van deze bescheiden en omtrent het nemen en aanhouden van
monsters.
Artikel 40
1.Onze Minister kan regelen stellen omtrent een door houders van
vergunningen, bedoeld in artikel 21 en 33, dierenartsen, apothekers en
personen, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onder f , te voeren
administratie, waaruit voor zover Onze Minister zulks voor elk dezer
groepen bepaalt, de voorraad, de produktie, de be- of verwerking, de
ontvangst, de herkomst, de aflevering, de vernietiging, de bestemming
en het verbruik van daarbij aan te wijzen diergeneesmiddelen en
gemedicineerde voeders moet kunnen blijken.
2.Degene die bedrijfsmatig dieren houdt, is verplicht
overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regelen in een logboek
aantekening te houden van de ontvangst en van de toepassing of
vervoedering van door Onze Minister aangewezen diergeneesmiddelen en
gemedicineerde voeders.
3.Een dierenarts of een persoon behorende tot een van de krachtens
artikel 30, tweede lid, onder f , aangewezen groepen, is verplicht,
wanneer hij een diergeneesmiddel toepast ten aanzien waarvan een
voorschrift geldt als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c , om
schriftelijk overeenkomstig door Onze Minister gestelde regelen te
verklaren welk diergeneesmiddel hij heeft toegepast, bij welke dieren,
in welke hoeveelheid en welke wachttermijn is voorgeschreven.
4.Onze Minister kan regelen stellen omtrent het bewaren van de in
het eerste lid bedoelde administratie en de daarmee verband houdende
bescheiden, van het in het tweede lid bedoelde logboek en de daarmee
verband houdende bescheiden alsmede omtrent de wijze van controle door
de houder van de administratie hierop.
5.Degene die een dier aan een ander overdraagt is verplicht die
ander, met inachtneming van door Onze Minister te stellen nadere
regelen, in te lichten met betrekking tot de toepassing bij dat dier
van diergeneesmiddelen ten aanzien waarvan een voorschrift als bedoeld
in artikel 6, derde lid, onderdeel c geldt.
Artikel 41
1.Indien op eet- of drinkwaren van dierlijke oorsprong een grotere
hoeveelheid van één of meer diergeneesmiddelen, bestanddelen daarvan
of omzettingsprodukten aanwezig is dan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur is bepaald, worden deze voortbrengselen voor de
toepassing van artikel 14, eerste lid, van verordening (EG) nr.
178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot
vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de
levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit
voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor
voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31) aangemerkt als onveilige
levensmiddelen; voor zover het vlees betreft als bedoeld in bijlage I,
onderdeel 1.1 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende
vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen
van dierlijke oorsprong (PbEU L 139 en L 226), wordt het afgekeurd.
2.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid,
kan tevens betrekking hebben op vernietiging van voortbrengselen
waarin of waarop een grotere hoeveelheid van een of meer
diergeneesmiddelen, bestanddelen daarvan of omzettingsprodukten
aanwezig is dan is toegelaten.
Artikel 42
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
onderscheidenlijk nadere regelen worden gesteld omtrent:
a. de invoer, doorvoer en uitvoer van diergeneesmiddelen,
gemedicineerde voeders en van smetstoffen;
b. het bereiden, het be- of verwerken, het verpakken, het
etiketteren, het bewaren, het voorhanden of in voorraad hebben,
het vervoeren, het afleveren, het toepassen, onderscheidenlijk het
vervoederen, het uit de handel nemen en het vernietigen van
diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders;
c. het zich ontdoen van resten en ledige verpakkingen van
diergeneesmiddelen of gemedicineerde voeders;
d. het voorschrijven van diergeneesmiddelen en gemedicineerde
voeders, alsmede omtrent de inhoud van recepten en het
uitschrijven en afgeven daarvan;
e. het gebruik en de inrichting van de lokalen welke door een
dierenarts worden gebruikt voor de bewaring en in voorkomend geval
de bereiding van diergeneesmiddelen alsmede omtrent de technische
hulpmiddelen die daarin aanwezig moeten zijn;
f. het afleveren en het bewaren van en het omgaan met
grondstoffen die bij de bereiding van diergeneesmiddelen worden
gebruikt;
g. het aantekening houden en melden van bijwerkingen van een
diergeneesmiddel en de inrichting van een
geneesmiddelenbewakingssysteem;
h. het melden van wijzigingen in de gegevens, op grond waarvan
de registratie is verleend, en van nieuwe elementen die kunnen
leiden tot een wijziging in die gegevens.
2.Bij een in het eerste lid bedoelde maatregel kan de medewerking
worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam voorzover het
betreft het vaststellen van regels of nadere regels als bedoeld in het
eerste lid, onder a, b of c, ten aanzien van gemedicineerde voeders.
3.Verordeningen bij welke de in het tweede lid bedoelde regels
worden vastgesteld behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Krachtens de verordening genomen besluiten behoeven, voorzover dit bij
of krachtens de maatregel als bedoeld in het eerste lid is bepaald, de
goedkeuring van de daarbij aangewezen autoriteit.
Artikel 43
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven betreffende het bereiden het verpakken, het
etiketteren, het voorhanden of in voorraad hebben, het afleveren en
het toepassen van diergeneesmiddelen of gemedicineerde voeders welke
als zodanig dan wel voor wat betreft een uitbreiding van de
toepassingsmogelijkheden kennelijk in een proefstadium verkeren.
Daarbij kan worden afgeweken van de bepalingen van deze wet.
2.Voor zover krachtens het eerste lid proefnemingen als daar
bedoeld slechts na daartoe gedane aanvraag kunnen worden toegestaan,
kunnen de kosten voortvloeiend uit deze aanvraag geheel of
gedeeltelijk ten laste van de aanvrager worden gebracht volgens door
Onze Minister gestelde regelen.
Artikel 44
1.Het is degene die bedrijfsmatig dieren houdt verboden om door
Onze Minister aangewezen substanties voorhanden of in voorraad te
hebben.
2.Ingevolge het eerste lid kunnen slechts worden aangewezen,
substanties die:
a. ingevolge een aanwijzing krachtens artikel 5 niet in
aanmerking komen voor registratie;
b. kunnen worden gebruikt voor de bereiding van
diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29.
Artikel 45
1.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, voor zover het belang van de
gezondheid van de mens, dieren of planten dan wel het belang van het
milieu zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze wet
bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen.
2.Op een beschikking betreffende een ontheffing is het in artikel
26 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
3.Aan een vrijstelling of ontheffing ingevolge deze wet kunnen
voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden
verleend.
Artikel 46
De krachtens deze wet vastgestelde regelen van algemene aard, met
uitzondering van die, bedoeld in artikel 6, derde lid, worden, voor
zover zij niet zijn vervat in een algemene maatregel van bestuur, bekend
gemaakt in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 47
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Artikel 48 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 49
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering
van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze
wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden
afgeweken van de bepalingen van deze wet.
Artikel 50
1.Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 11, 20, 23,
28, 38, 39, 41, 42, 43 en 49, wordt Ons gedaan door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur en, voor zover het een algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in de artikelen 23, 38, 42 en 43, betreft, na overleg met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt een voordracht
tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in de artikelen 42 en 43, voor zover deze
maatregel van toepassing is op instellingen van wetenschap of
onderzoek, Ons gedaan in overeenstemming met Onze Minister wie het
mede aangaat.
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk VIII. Toezicht
Artikel 52
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, aangewezen ambtenaren.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren die in de uitoefening
van hun taak kennis bekomen van een tuchtvergrijp als bedoeld in de
artikelen 14 en 15 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde
1990, doen daarvan onverwijld mededeling aan de krachtens artikel 29,
eerste lid, van die wet aangewezen ambtenaar.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 53
De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 56
1.De in artikel 52 bedoelde ambtenaren alsmede de
opsporingsambtenaren, die een monster van een diergeneesmiddel of
gemedicineerd voeder nemen, verpakken en verzegelen dit ter plaatse.
Artikel 57
1.De ambtenaren, bedoeld in artikel 56, eerste lid, die een monster
hebben genomen, stellen dit in handen van de instelling die voor
onderzoek daarvan door Onze Minister is aangewezen.
2.Het monster wordt zo spoedig mogelijk door de aangewezen
instelling onderzocht.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 58
1.Diergeneesmiddelen worden geacht te zijn geregistreerd in de zin
van deze wet gedurende de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding
van artikel 2.
2.Voor een diergeneesmiddel waarvoor binnen de in het eerste lid
gestelde termijn een aanvraag tot registratie op de krachtens artikel
3, tweede lid, voorgeschreven wijze is ingediend, blijft de
registratie ingevolge het eerste lid ook na het verstrijken van de
aldaar gestelde termijn van kracht totdat de beslissing op de aanvraag
onherroepelijk is geworden.
3.Met het oog op een geleidelijke toepassing van de bepalingen van
hoofdstuk II op de ingevolge het tweede lid geregistreerde
diergeneesmiddelen kan Onze Minister regelen stellen. Daarbij kan
worden afgeweken van de bepalingen van hoofdstuk II en kan de
toepassing van één of meer bepalingen van dat hoofdstuk op de
ingevolge het tweede lid geregistreerde diergeneesmiddelen worden
uitgesteld.
Artikel 59
1.Een partij van een serum, entstof of biologisch diagnosticum
wordt geacht te zijn goedgekeurd in de zin van deze wet gedurende de
eerste zes maanden na inwerkingtreding van de artikelen 2 en 14.
2.Indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn op de
krachtens artikel 3, tweede lid, voorgeschreven wijze voor een serum,
entstof of biologisch diagnosticum registratie is aangevraagd, worden
de partijen daarvan ook na het verstrijken van genoemde termijn geacht
te zijn goedgekeurd totdat op de aanvraag tot registratie
onherroepelijk is beslist.
Artikel 60
1.Degenen die diergeneesmiddelen of gemedicineerde voeders
bereiden, verpakken, etiketteren of afleveren worden geacht in het
bezit te zijn van de daarvoor ingevolge deze wet vereiste vergunningen
gedurende de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 21,
onderscheidenlijk 33 van deze wet.
2.Zij die binnen de in het eerste lid gestelde termijn een aanvraag
voor een vergunning op de krachtens deze wet voorgeschreven wijze
hebben ingediend, worden geacht ook na het verstrijken van de aldaar
genoemde termijn in het bezit van de vergunning te zijn totdat de
beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.
Artikel 61
1.De Tuberculinewet (Stb. 1951, 133) en de Wet van 1 augustus 1964,
houdende regelen met betrekking tot de handel in antibiotica,
chemotherapeutica, hormoonpreparaten en thyreostatica, bestemd of mede
bestemd voor aanwending bij dieren (Stb. 363), worden ingetrokken.
2.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
3.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
4.Ten aanzien van zaken betreffende overtredingen van ingevolge het
eerste, tweede of derde lid ingetrokken dan wel gewijzigde
voorschriften die op het tijdstip van intrekking onderscheidenlijk
wijziging bij de tot dat tijdstip bevoegde rechter aanhangig waren
blijft deze rechter bevoegd. Ook in hoger beroep dat in de zaken
bedoeld in de vorige volzin wordt ingesteld blijft de rechter bevoegd
die tot het daar bedoelde tijdstip bevoegd was van dat beroep kennis
te nemen.
5.De in het vierde lid bedoelde zaken worden, onverminderd artikel
1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, afgedaan volgens de tot
het in het vierde lid bedoelde tijdstip geldende regelen.
Artikel 62
Zolang artikel 1 van het bij Koninklijke Boodschap van 26 oktober
1982 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden voorstel voor
een Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde (nr. 17 646) nog geen
kracht van wet heeft gekregen, wordt voor de toepassing van deze wet en
de daarop berustende bepalingen verstaan onder "dierenarts":
degene die ingevolge de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunst
(Stb. 1954, 372) tot de uitoefening der diergeneeskunde is toegelaten en
van dat recht daadwerkelijk gebruik maakt.
Artikel 63
Deze wet is niet van toepassing op substanties voor zover daaromtrent
regelen zijn of worden gesteld bij of krachtens de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Artikel 64
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 65
1.Deze wet kan worden aangehaald als: Diergeneesmiddelenwet.
2.Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen van artikelen
verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 juni 1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw en Visserij,
A. Ploeg
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
J.P. van der Reijden
Uitgegeven de vijfentwintigste juli 1985
De Minister van Justitie a.i.,
L.C. Brinkman
|