| |
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Douanebesluit
(vervallen)
- Douaneregeling
(vervallen)
- Postbesluit (vervallen)
- Uitvoeringsregeling
Belastingdienst 2003
WET van 2 november 1995 tot herziening
van de douanewetgeving
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
douanewetgeving te herzien en daarbij regels vast te stellen voor de
goede werking van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het
communautair douanewetboek (PbEG L 302), verordening (EEG) nr.
2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met
betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het
gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), internationale
overeenkomsten en autonome regelingen van de Europese Gemeenschappen op
het gebied van tariefpreferenties, tariefschorsingen, tariefcontingenten
en retaliatierechten, verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende de instelling van
een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L
105), verordening (EG) nr. 3283/94 van de Raad van de Europese Unie van
22 december 1994 inzake beschermende maatregelen tegen invoer met
dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PbEG
L 349), verordening (EG) nr. 3284/94 van de Raad van de Europese Unie
van 22 december 1994 inzake beschermende maatregelen tegen invoer met
subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PbEG
L 349), beschikking nr. 2424/88/EGKS van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 29 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen
tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn
van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (PbEG L 209) en,
voor zover het betreft de regelingen van de Europese Gemeenschappen
inzake het handelsverkeer met derde landen of lidstaten van de Europese
Unie waarvoor in de desbetreffende toetredingsakten overgangsmaatregelen
zijn voorzien, uitwerking te geven aan verordeningen en besluiten op het
gebied van heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen
van toepassing zijn, alsmede regelingen op het gebied van de
landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld
in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader
van specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van
landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. De bepalingen van deze wet zijn van
toepassing op de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer ten einde
de goede werking van het ter zake geldende recht van de Europese
Gemeenschappen te waarborgen.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder rechten bij invoer:
a. douanerechten in de zin van het vierde lid en heffingen van
gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;
b. landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn
vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of
in dat van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking
van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder rechten bij uitvoer:
a. douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de
uitvoer van goederen van toepassing zijn;
b. landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn
vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of
in dat van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking
van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn.
4. Onder de naam "douanerechten" wordt een belasting
geheven overeenkomstig hetgeen dienaangaande, mede onder de benaming
invoerrecht, is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende
verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige
verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties.
5. Hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen is
bepaald ten aanzien van de rechten bij invoer, is van overeenkomstige
toepassing op de rechten bij uitvoer, tenzij anders is bepaald.
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr.
2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992
tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L
302).
2. In deze wet en de andere wetten inzake de rechten bij invoer
en de rechten bij uitvoer, alsmede de daarop berustende bepalingen,
wordt in aanvulling op de begripsbepalingen van het Communautair
douanewetboek verstaan onder:
a. wettelijke bepalingen: de bepalingen inzake de rechten bij
invoer en de rechten bij uitvoer, waaronder begrepen de regelingen
bedoeld in artikel 1, vierde lid;
b. toepassingsverordening Communautair douanewetboek: verordening
(EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van
2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering
van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG
L 253);
c. landbouwheffingen: zowel landbouwheffingen als andere
belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen
die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen
goederen van toepassing zijn;
d. anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen: heffingen die
zijn ingesteld krachtens verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van
de Europese Unie van 22 december 1995 betreffende beschermende
maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van
de Europese Gemeenschap (PbEG 1996 L 56) of verordening (EG) nr.
2026/97 van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 1997
betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die
geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PbEG L 288);
e. besloten terreinen: terreinen die door gebouwen dan wel door
muren, schuttingen of dergelijke afsluitingen van de openbare landweg
zijn afgescheiden;
f. erf: het onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen,
daarbij behorende en daarmede in gebruik zijnde terrein;
g. schip: elk vaartuig, hoe ook genaamd en van welke aard ook.
3. In deze wet en de andere wetten inzake de rechten bij invoer
en de rechten bij uitvoer, alsmede de daarop berustende bepalingen,
wordt mede verstaan onder:
a. gebouwen: onroerende tanks, alsmede de daarbij behorende
leidingen;
b. terreinen: wateren;
c. werktuigen: voor bewaring van goederen dienende grondvaten,
tanks, bakken en dergelijke ruimtehoudende lichamen;
d. identificatiemaatregelen: sluitingen.
4. Goederen die, zonder te worden verplaatst, zich elders
bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein worden in
ieder geval geacht in vervoer te zijn.
Artikel 3
Indien in wettelijke bepalingen is voorzien dat nationale
voorschriften van toepassing zijn dan wel dat de bevoegde ministers of
de bevoegde autoriteiten van de lid-staten algemeen verbindende
voorschriften vaststellen of kunnen vaststellen, kunnen die
voorschriften worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur of
bij ministeriële regeling.
Artikel 4
1. Indien in wettelijke bepalingen is voorzien dat bevoegdheden
inzake de toepassing van die bepalingen zijn opgedragen aan de
bevoegde autoriteiten, de douaneautoriteiten of de douanediensten van
de lid-staten, worden die bevoegdheden uitgeoefend door de inspecteur
onderscheidenlijk de ontvanger.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken bij ministeriële
regeling voor zover de aard van de bevoegdheid daartoe aanleiding geeft.
Hoofdstuk 2. Controlebepalingen
§ 1. Controle van aangiften
Artikel 5
1. De inspecteur kan een aangifte tot plaatsing onder een
douaneregeling die bij hem wordt ingediend op de voet van artikel 68
van het Communautair douanewetboek aan een verificatie onderwerpen.
2. Bij verificatie van een aangifte worden de resultaten van het
onderzoek van de goederen geacht overeen te komen met de aangifte indien
de bevonden verschillen blijven binnen de spelingen die daartoe bij
ministeriële regeling zijn vastgesteld.
3. De inspecteur deelt de resultaten van de verificatie van een
aangifte mede aan de aangever. Indien de verificatie leidt tot de
vaststelling van een gegeven dat afwijkt van hetgeen in de aangifte is
vermeld, is met betrekking tot die vaststelling artikel 3:47 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
omtrent de wijze waarop een onderzoek van goederen of van bepaalde
hoedanigheden van goederen geschiedt.
Artikel 6
1. De aangever is bevoegd om met betrekking tot de hoeveelheid,
de soort of andere bij ministeriële regeling aangewezen grondslagen
van de rechten bij invoer heronderzoek van de goederen te vorderen,
tenzij de resultaten van de verificatie van een aangifte overeenkomen
met de desbetreffende aangifte. Artikel 69, eerste en tweede lid, van
het Communautair douanewetboek en de artikelen 241, eerste lid, en
243, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Desgevraagd kan de inspecteur toestaan dat het heronderzoek
van de goederen beperkt blijft tot een gedeelte van de aan het onderzoek
onderworpen goederen.
3. Het heronderzoek van de goederen wordt gevorderd binnen
vierentwintig uur nadat van de resultaten van de verificatie van de
aangifte mededeling is gedaan aan de aangever. De inspecteur kan deze
termijn verlengen. De aangever kan afstand doen van het recht tot het
vorderen van heronderzoek van de goederen.
4. De persoon die het onderzoek van de goederen heeft verricht,
neemt niet deel aan het heronderzoek van de goederen.
5. De inspecteur deelt de resultaten van het heronderzoek mede
aan de aangever.
6. De resultaten van het heronderzoek gelden als de resultaten
van het onderzoek bedoeld in artikel 68, onderdeel b, van het
Communautair douanewetboek.
Artikel 7
Indien tussen de resultaten van het onderzoek van de goederen en die
van het heronderzoek van de goederen in het voordeel van de
belanghebbende een zodanig verschil bestaat dat de in artikel 5, tweede
lid, bedoelde spelingen zijn overschreden, worden op daartoe gedaan
verzoek de kosten die door belanghebbende voor het heronderzoek van de
goederen zijn gemaakt van rijkswege vergoed.
§ 2. Administratieve verplichtingen
Artikel 8
1. Een ieder die in Nederland een bedrijf uitoefent (administratieplichtige)
is gehouden van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn
bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een
administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en
andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen
tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de
rechten bij invoer overigens van belang zijnde gegevens hieruit
duidelijk blijken.
2. Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge wettelijke
bepalingen wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt.
3. Administratieplichtigen zijn verplicht de in de voorgaande
leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.
4. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd
de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een
andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de
overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en
deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en
binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.
5. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden
gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat
controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn
mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde
medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht
in de opzet en de werking van de administratie.
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 15i van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 10 en 24 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur ten behoeve van de heffing van de rechten bij invoer regels
worden gegeven ingevolge welke onder nader te stellen voorwaarden
ontheffing wordt verleend van in de voorgaande leden bedoelde
verplichtingen, dan wel kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de
wijze waarop aan deze verplichtingen moet worden voldaan.
Artikel 9
1. De administratieplichtige is gehouden desgevraagd aan de
inspecteur de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, of de
inhoud daarvan, - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de
raadpleging van belang kan zijn voor de toepassing van wettelijke
bepalingen, terstond voor dit doel beschikbaar te stellen.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt eveneens voor
een derde bij wie zich gegevensdragers, of de inhoud daarvan, van de
administratieplichtige bevinden.
3. De inspecteur stelt de administratieplichtige wiens
gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan
gelijktijdig in kennis.
4. Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde
gegevensdragers of de inhoud daarvan.
Artikel 10
1. Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij
of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben
verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten,
alsmede lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van
het Rijk, verschaffen, mondeling, schriftelijk of op andere wijze -
zulks ter keuze van de inspecteur -, de gegevens en inlichtingen, en
wel kosteloos, die hun door de inspecteur voor de uitvoering van de
wettelijke bepalingen worden gevraagd.
2. Onze Minister kan, op verzoek, ontheffing verlenen van de in
het eerste lid omschreven verplichting.
§ 3. Controle op de naleving van wettelijke bepalingen
Artikel 10a
Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is, indien
dit voor de toepassing van wettelijke bepalingen te zijnen aanzien van
belang kan zijn, verplicht op vordering van de inspecteur terstond een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aan te bieden.
Artikel 11
1. Degene die een aan onderzoek onderworpen entrepot, ruimte
voor tijdelijke opslag, plaats, spoorwegemplacement, haven,
luchthaven, terrein, gebouw, erf of vervoermiddel in gebruik heeft, is
verplicht ten behoeve van een ingevolge wettelijke bepalingen te
verrichten onderzoek de inspecteur en de door deze aangewezen personen
desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van die locatie of
dat vervoermiddel.
2. De gevraagde toegang moet worden verleend op elk tijdstip.
3. Degene die een locatie of vervoermiddel als bedoeld in het
eerste lid in gebruik heeft, is verplicht desgevraagd de aanwijzingen te
geven die voor het onderzoek nodig zijn.
Artikel 12
Aan onderzoek door de inspecteur zijn onderworpen:
a. entrepots en ruimten voor tijdelijke opslag;
b. plaatsen die door TNT Post Groep N.V. tot behandeling van
postzendingen worden gebezigd;
c. spoorwegemplacementen, plaatsen voor distributie en overslag
voor goederen die over de weg worden vervoerd, havens,
haventerreinen en luchthavens;
d. alle niet-besloten terreinen met uitzondering van erven;
e. gebouwen, erven en besloten terreinen die tot stalling of
herstelling van vervoermiddelen zijn ingericht of kennelijk daartoe
worden gebezigd;
f. niet onder onderdeel a of b vallende gebouwen,
erven en besloten terreinen:
1°. waarvoor een krachtens wettelijke bepalingen vereiste
toestemming, vergunning, goedkeuring of aanwijzing van kracht is;
2°. die in een ingevolge wettelijke bepalingen gedane aangifte
of kennisgeving zijn vermeld als de plaatsen waar zich in de
aangifte of kennisgeving omschreven goederen bevinden;
alsmede de aldaar aanwezige goederen en de op die bedoelde locaties
en goederen betrekking hebbende bescheiden waarvan de kennisneming van
belang kan zijn voor de heffing van de rechten bij invoer.
Artikel 13
1. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 12, mag een woning
zonder toestemming van de bewoner slechts worden binnengetreden door
ambtenaren van de rijksbelastingdienst die door de inspecteur zijn
aangewezen.
2. De inspecteur is bevoegd tot het geven van een machtiging als
bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
Artikel 14
1. Aan onderzoek door de inspecteur zijn mede onderworpen
vervoermiddelen, de zich daarin of daarop bevindende goederen en
goederen in vervoer, alsmede de daarop betrekking hebbende bescheiden
waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de heffing van de
rechten bij invoer.
2. Ten behoeve van het onderzoek is, op vordering van de
inspecteur, gedaan overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen
regels:
a. de gezagvoerder van een schip gehouden het schip terstond vaart
te doen minderen, te doen bijdraaien of te doen stilhouden en
aanleggen;
b. de bestuurder van een ander vervoermiddel dan een schip gehouden
dit terstond te doen stilhouden en, indien het vervoermiddel door
mechanische kracht wordt voortbewogen, de motor buiten werking te
stellen;
c. de persoon die goederen vervoert die zich niet in of op een
vervoermiddel bevinden gehouden terstond stil te staan.
Artikel 15
1. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 14, eerste lid, mag
een woning die aanwezig is op of in het vervoermiddel zonder
toestemming van de bewoner slechts worden binnengetreden door
ambtenaren van de rijksbelastingdienst die door de inspecteur zijn
aangewezen.
2. De inspecteur is bevoegd tot het geven van een machtiging als
bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Ten
aanzien van uit zee binnenkomende en ter zee uitgaande vervoermiddelen
kan die bevoegdheid mede worden uitgeoefend door een door Onze Minister
aangewezen inspecteur.
3. Ten aanzien van alle binnenkomende en uitgaande
vervoermiddelen zijn de artikelen 5, eerste lid, en 7 van de Algemene
wet op het binnentreden niet van toepassing.
Artikel 16
1. Bij onderzoek van goederen is de inspecteur bevoegd van de
goederen monsters te nemen. De inspecteur neemt in ieder geval een
monster indien belanghebbende hierom verzoekt.
2. Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt
desverlangd, zodra het kan worden gemist, aan de belanghebbende
teruggegeven.
Artikel 17
1. Aan lijfsvisitatie door de inspecteur zijn onderworpen,
personen die aanwezig zijn in of op de in de artikelen 12 en 14
bedoelde entrepots, ruimten voor tijdelijke opslag, plaatsen,
spoorwegemplacementen, havens, luchthavens, terreinen, gebouwen, erven
en vervoermiddelen of deze locaties of vervoermiddelen juist hebben
verlaten.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn op vordering van
de inspecteur gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hem
aangewezen plaats.
3. Op vordering van de inspecteur zijn reizigers, die zich
bevinden in een vervoermiddel dat juist het douanegebied van de
Gemeenschap is binnengekomen of dat bestemd is om aanstonds te
vertrekken om dat douanegebied te verlaten, gehouden hun plaats- of
vervoerbewijs te vertonen. Deze verplichting geldt eveneens voor
reizigers die een dergelijk vervoermiddel juist hebben verlaten dan wel
die op het punt staan daarin te worden opgenomen.
4. Lijfsvisitatie geschiedt door personen van hetzelfde geslacht
als dat van de persoon die aan visitatie wordt onderworpen.
Artikel 18
De verplichtingen welke volgens paragraaf twee en paragraaf drie
bestaan jegens de inspecteur, gelden mede jegens iedere door Onze
Minister aangewezen andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst.
§ 4. Douanetoezicht
Artikel 19
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in het belang van het
bedrijfsleven, onder de nodige voorzieningen ter verzekering van de
heffing van de rechten bij invoer regels worden gegeven ter
vereenvoudiging van de wijze van douanetoezicht op goederen die zich
onder een douaneregeling bevinden.
Artikel 20
Goederen aangevoerd uit zee of door de lucht worden, behoudens
tegenbewijs, geacht uit zee onderscheidenlijk door de lucht het
douanegebied van de Gemeenschap te zijn binnengekomen.
Artikel 21
1. Goederen aanwezig in of op schepen, op weg naar zee of
bestemd om aanstonds naar zee te vertrekken, zomede goederen die op
het punt staan om in die schepen te worden opgenomen, worden
aangemerkt als goederen die over zee het douanegebied van de
Gemeenschap zullen uitgaan, tenzij blijkt dat de goederen bestemd zijn
voor een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap en het vervoer
zal geschieden zonder dat het schip het douanegebied van de
Gemeenschap uitgaat.
2. Goederen aanwezig in luchtvaartuigen, bestemd om aanstonds op
te stijgen, zomede goederen die op het punt staan om in die
luchtvaartuigen te worden opgenomen, worden aangemerkt als goederen die
door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap zullen uitgaan, tenzij
blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een plaats in het douanegebied
van de Gemeenschap en het vervoer zal geschieden zonder dat het
luchtvaartuig het douanegebied van de Gemeenschap uitgaat.
Artikel 22
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepalingen
vastgesteld met betrekking tot het binnenbrengen en het uitgaan via de
zee van schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen.
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen
Artikel 23
1. Bij de uitoefening van hun taak dragen de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst een legitimatiebewijs bij zich, afgegeven door
Onze Minister of een door hem aangewezen ambtenaar.
2. Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene
wet op het binnentreden tonen zij hun legitimatiebewijs desgevraagd
onverwijld.
3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de ambtenaar en
vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.
Artikel 24
1. Ter verzekering van de heffing van de rechten bij invoer kan
de inspecteur identificatiemaatregelen tot stand brengen met
betrekking tot, dan wel tot bewaking overgaan van, vervoermiddelen,
bergingsmiddelen, verpakkingsmiddelen, goederen, werktuigen,
leidingen, gebouwen of terreinen, of delen daarvan.
2. Een identificatiemaatregel welke is tot stand gebracht buiten
het douanegebied van de Gemeenschap wordt, tenzij op deze maatregel
artikel 250, eerste streepje, van het Communautair douanewetboek van
toepassing is, met de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, slechts
gelijkgesteld indien de inspecteur de buiten het douanegebied van de
Gemeenschap tot stand gebrachte identificatiemaatregel heeft aanvaard.
3. De beheerder die door de inspecteur van diens voornemen om een
identificatiemaatregel tot stand te brengen in kennis is gesteld, draagt
er zorg voor dat de inspecteur deze maatregel op een deugdelijke wijze
tot stand kan brengen.
4. Behoudens indien zich, al dan niet in het kader van een
douaneregeling, gevallen voordoen als bedoeld in artikel 72, tweede lid,
van het Communautair douanewetboek, draagt de beheerder er zorg voor dat
een door de inspecteur tot stand gebrachte identificatiemaatregel in
stand blijft.
5. Ten aanzien van de in het derde en in het vierde lid opgelegde
verplichtingen kan voor de beheerder niet het bestaan van overmacht
worden aangenomen, indien hij niet onverwijld nadat hem bekend is
geworden dat een identificatiemaatregel niet op deugdelijke wijze is tot
stand gebracht of een identificatiemaatregel niet in stand is gebleven,
daarvan aan de inspecteur mededeling doet.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld bij
of krachtens welke de in het eerste lid bedoelde
identificatiemaatregelen kunnen worden tot stand gebracht door anderen
dan de inspecteur.
7. Degene die anders dan als inspecteur bevoegd is om een
identificatiemaatregel tot stand te brengen, draagt er zorg voor dat die
maatregel op een deugdelijke wijze tot stand wordt gebracht.
8. Indien een identificatiemaatregel is tot stand gebracht
ingevolge het zesde lid, rust op de beheerder de in het vierde lid
genoemde verplichting als gold het een ingevolge het eerste lid tot
stand gebrachte identificatiemaatregel. Het vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de vaststelling van de inhoudsruimte van bergingsmiddelen en
werktuigen;
b. de controle van peilinstrumenten en meetapparaten.
Artikel 26
1. Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven
worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde
slechts geopend indien de rechter-commissaris in de rechtbank van het
arrondissement waarbinnen de brief is aangetroffen, daartoe, op
verzoek van de inspecteur, bevel heeft gegeven.
2. Het bevel wordt slechts gegeven indien het vermoeden bestaat
dat zich in de brief goederen bevinden.
Artikel 27
1. De inspecteur heeft het recht in de uitoefening van zijn
werkzaamheden waartoe hij ingevolge wettelijke bepalingen bevoegd is,
geweld te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet
op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en
dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
2. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing
vooraf.
3. De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn bevoegd tot het
onderzoek aan de kleding van personen bij de werkzaamheden waartoe zij
ingevolge wettelijke bepalingen bevoegd zijn, indien uit feiten of
omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven
of veiligheid, die van de ambtenaren zelf of van derden en dit onderzoek
noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.
4. De uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in het eerste en
derde lid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd
te zijn.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 28
1. In het kader van de uitoefening van de werkzaamheden waartoe
de inspecteur ingevolge wettelijke bepalingen bevoegd is, is degene
die overeenkomstig artikel 14 van het Communautair douanewetboek
gehouden is tot het verlenen van de nodige bijstand, dan wel degene
die van zijnentwege aanwezig is, gehouden desgevorderd die bijstand te
verlenen en de daarvoor benodigde werklieden en hulpmiddelen kosteloos
te verstrekken. Bij gebreke daarvan kan de inspecteur op kosten van de
belanghebbende in het nodige voorzien of, voor zover het verrichten
van de werkzaamheden niet in het belang van de rijksbelastingdienst is
geboden, deze achterwege laten.
2. Indien de inspecteur dit voor het deugdelijk verrichten van de
werkzaamheden noodzakelijk oordeelt, is de belanghebbende gehouden op
daartoe gedane vordering de vervoermiddelen of andere goederen ten
aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht op zijn kosten over te
brengen naar een door de inspecteur aangewezen plaats.
Artikel 29
De inspecteur heeft het recht in de uitoefening van werkzaamheden
waartoe hij ingevolge wettelijke bepalingen bevoegd is, de hulp in te
roepen van de politie en de Koninklijke marechaussee of andere delen van
de krijgsmacht. Deze zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te
voldoen.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen
§ 1. Douane-expediteur
Artikel 30
1. Door Onze Minister kan een persoon als douane-expediteur
worden toegelaten.
2. Een toelating als douane-expediteur kan worden geweigerd aan
een persoon die in de laatstverlopen vijf jaren wegens een in wettelijke
bepalingen strafbaar gesteld feit onherroepelijk is veroordeeld.
3. Douane-expediteurs die niet in Nederland wonen of zijn
gevestigd, zijn gehouden in Nederland woonplaats te kiezen of een vaste
inrichting op te richten.
Artikel 31
Van de mogelijkheid om bij het doen van een douaneaangifte als
indirect vertegenwoordiger op te treden als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, tweede streepje, van het Communautair douanewetboek kan slechts
gebruik worden gemaakt door een douane-expediteur. Hij dient daartoe
schriftelijk te zijn gemachtigd.
Artikel 32
De douane-expediteur is gehouden aan zijn opdrachtgever een rekening
te verstrekken waarin de ten behoeve van deze aan het Rijk betaalde
rechten bij invoer, administratieve boeten, interest en kosten
afzonderlijk zijn omschreven.
Artikel 32a
1. Douane-expediteurs hebben voor de door hen ten behoeve van
hun opdrachtgever betaalde rechten bij invoer, administratieve boete,
interest en kosten gedurende een jaar na de aan het Rijk gedane
betaling een voorrecht op alle vermogensbestanddelen van de
opdrachtgever.
2. Het in het eerste lid toegekende voorrecht heeft gelijke
rangorde als het in artikel 21 van de Invorderingswet 1990 toegekende
voorrecht van ’s Rijks schatkist, met dien verstande dat dit laatste
voorrecht voorgaat.
Artikel 33
1. Onze Minister kan op grond van laakbare handelingen,
gepleegd in de uitoefening van het bedrijf van douane-expediteur,
diens toelating als douane-expediteur intrekken, indien tevoren aan de
douane-expediteur wegens vroeger gepleegde laakbare handelingen in de
laatstverlopen drie jaren een waarschuwing, houdende de feiten waarop
zij is gegrond, is uitgereikt.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister de toelating
als douane-expediteur onmiddellijk intrekken indien de douane-expediteur
onherroepelijk is veroordeeld vanwege een in wettelijke bepalingen
strafbaar gesteld feit.
3. Aan de douane-expediteur wiens toelating is ingetrokken,
wordt, behoudens in bijzondere gevallen, een nieuwe toelating niet
verleend voordat vijf jaren sedert de intrekking zijn verlopen.
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 2. Kosten
Artikel 35
1. Bij algemene maatregel van bestuur
worden de gevallen vastgesteld waarin de belanghebbende ter zake van het
verrichten van ambtelijke werkzaamheden kosten aan het Rijk is
verschuldigd.
2. Bij ministeriële regeling wordt het tarief van kosten die
verschuldigd zijn krachtens het eerste lid vastgesteld.
3. Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de verschuldigde
kosten de werkelijke kosten zoveel mogelijk benaderen.
Artikel 36
1. De inspecteur stelt het bedrag van de door belanghebbende
verschuldigde kosten vast bij beschikking.
2. Een onjuiste beschikking kan door de inspecteur ambtshalve
worden verminderd.
Hoofdstuk 5. Bestuurlijke boeten
Artikel 37
1. Indien voor goederen in tijdelijke opslag waarvoor een
summiere aangifte is gedaan de formaliteiten welke nodig zijn om deze
goederen een douanebestemming te geven niet worden vervuld binnen de
ingevolge artikel 49 van het Communautair douanewetboek geldende
termijn, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene
die de formaliteiten binnen deze termijn dient te vervullen en degene
door wiens toedoen de formaliteiten niet binnen deze termijn worden
vervuld ieder een boete van ten hoogste € 90 kan opleggen.
2. Indien het niet vervullen van de in het eerste lid bedoelde
formaliteiten binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair
douanewetboek geldende termijn, een douaneschuld doet ontstaan en het
daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan €
90, terwijl het niet vervullen van die formaliteiten binnen die termijn
is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen,
bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de
inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een boete van ten
hoogste 100 percent van het bedrag van de rechten kan opleggen.
Artikel 38
1. Indien voor goederen welke zijn geplaatst onder de
douaneregeling douanevervoer, actieve veredeling (systeem inzake
schorsing), behandeling onder douanetoezicht of tijdelijke invoer, de
formaliteiten ter beëindiging van die regeling in strijd met
wettelijke bepalingen niet of niet tijdig worden vervuld, vormt dit
een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die die
formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen die
formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld een boete van ten
hoogste € 90 kan opleggen.
2. Indien het in strijd met wettelijke bepalingen niet of niet
tijdig vervullen van de in het eerste lid bedoelde formaliteiten een
douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan
rechten bij invoer hoger is dan € 90, terwijl het in strijd met
wettelijke bepalingen niet of niet tijdig vervullen van die
formaliteiten is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer
van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake
waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een boete
van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de rechten kan opleggen.
Artikel 39
1. Indien in een douane-entrepot of in een vrij entrepot een
vermis wordt bevonden, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de
inspecteur de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de
operateur, een boete van ten hoogste € 90 kan opleggen.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde vermis een douaneschuld
doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij
invoer hoger is dan € 90, terwijl dat vermis is te wijten aan opzet of
grove schuld van de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de
operateur, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een
boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de rechten kan
opleggen.
Artikel 40
Het overtreden van een krachtens wettelijke bepalingen vastgestelde
algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bij die
algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden
aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie
het verzuim te wijten is een boete kan opleggen van ten hoogste het in
die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling te
vermelden bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste € 90 indien het
verzuim betrekking heeft op een algemene maatregel van bestuur, en
beloopt ten hoogste € 45 indien het verzuim betrekking heeft op een
ministeriële regeling.
Artikel 41
De bevoegdheid tot het opleggen van de boeten, bedoeld in dit
hoofdstuk, vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop
het verzuim of het vergrijp waarop de boete betrekking heeft, heeft
plaatsgevonden.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk 6. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 44
1. Degene die goederen het douanegebied
van de Gemeenschap binnenbrengt in strijd met de artikelen 38 en 39 van
het Communautair douanewetboek of goederen in andere delen van het
douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt in strijd met artikel 177
van het Communautair douanewetboek, dan wel binnengebrachte goederen in
strijd met de artikelen 40 en 41 van het Communautair douanewetboek niet
bij de inspecteur aanbrengt of van de overeenkomstig artikel 40 van het
Communautair douanewetboek aangebrachte goederen in strijd met de
artikelen 43 en 44 van het Communautair douanewetboek geen summiere
aangifte doet, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie, of,
indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de
rechten bij invoer die van de goederen zijn verschuldigd.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten begaat
met het oogmerk de rechten bij invoer die van de goederen zijn
verschuldigd, te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal
het bedrag van die rechten.
3. Degene die uit zee of door de lucht goederen aanvoert ten
aanzien waarvan het in artikel 20 genoemde tegenbewijs niet wordt
geleverd, wordt geacht die goederen uit zee, onderscheidenlijk door de
lucht, binnen het douanegebied van de Gemeenschap te hebben gebracht.
Artikel 45
Degene die goederen in strijd met wettelijke bepalingen niet
aanbrengt bij een douanekantoor van uitgang, of goederen buiten het
douanegebied van de Gemeenschap voert in strijd met artikel 183 van het
Communautair douanewetboek, wordt gestraft met geldboete van de derde
categorie.
Artikel 46
1. Degene die goederen waarvoor een in wettelijke bepalingen
voorziene aangifte niet is gedaan, lost, laadt, vervoert, in enig
gebouw, erf of besloten terrein inslaat, voorhanden heeft of daaruit
uitslaat, koopt, verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wordt
gestraft met geldboete van de derde categorie of, indien dit bedrag
hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de rechten bij invoer die
van de goederen zijn verschuldigd.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten begaat,
terwijl hij weet of vermoedt dat de rechten bij invoer van de in dat lid
bedoelde goederen niet zijn voldaan, noch de heffing van die rechten
overeenkomstig wettelijke bepalingen is verzekerd, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag
van die rechten.
Artikel 47
1. Degene die in strijd met wettelijke bepalingen goederen
waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer wordt genoten, gebruikt
of doet gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de
vrijstelling niet geldt, of aan goederen die in het vrije verkeer zijn
gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een
nulrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, een bestemming
heeft gegeven die afwijkt van die met het oog waarop het verlaagde
recht bij invoer of het nulrecht is toegepast, wordt gestraft met
geldboete van de derde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten
hoogste eenmaal het bedrag van de van die goederen te weinig geheven
rechten bij invoer.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten
opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
een jaar of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag
hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven
rechten bij invoer.
Artikel 48
1. Degene die:
a. een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist of
onvolledig doet;
b. ingevolge wettelijke bepalingen verplicht is tot:
1°. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen,
en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
2°. het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar
stellen van bepaalde gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en een
zodanige verplichting niet nakomt;
3°. het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar
stellen van bepaalde gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en valse
of vervalste gegevensdragers vertoont, overgeeft of voor raadpleging
beschikbaar stelt, dan wel de inhoud daarvan in valse of vervalste
vorm voor dit doel beschikbaar stelt;
4°. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan
bij of krachtens wettelijke bepalingen gestelde eisen, en een
zodanige administratie niet voert;
5°. het bewaren van boeken, bescheiden of andere
gegevensdragers, en deze niet bewaart;
6°. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 8,
vijfde lid, en deze medewerking niet verleent;
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
2. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in
het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 4°, 5° of 6°, wordt,
indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden
geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten
hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.
3. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in
het eerste lid, onderdeel a of b, onder 3°, wordt, indien het feit
ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag
van de te weinig geheven rechten.
4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden
vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het tweede of het
derde lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek
van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225,
tweede lid, uitgesloten.
Artikel 49
Degene die niet voldoet aan een hem bij of krachtens artikel 9,
vierde lid, 11, eerste lid, 14, tweede lid, 17, tweede lid, of 32 van
deze wet dan wel artikel 14 of 69, tweede lid, van het Communautair
douanewetboek opgelegde verplichting, wordt gestraft met geldboete van
de derde categorie.
Artikel 49a
Degene die niet voldoet aan de hem bij artikel 10a opgelegde
verplichting, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 50
1. Degene die een tot stand gebrachte identificatiemaatregel
met betrekking tot een vervoermiddel, bergingsmiddel,
verpakkingsmiddel, goederen, werktuig, leiding, gebouw of terrein, of
deel daarvan, in strijd met wettelijke bepalingen schendt, wordt
gestraft met geldboete van de derde categorie.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten
opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Met dezelfde straf als in het eerste lid vermeld wordt
gestraft degene die een hem bij artikel 24 opgelegde verplichting niet
nakomt.
Artikel 51
1. Degene die van goederen waaraan herkenningsmiddelen of
denatureringsmiddelen zijn toegevoegd, die herkenningsmiddelen of
denatureringsmiddelen daarvan geheel of ten dele afscheidt, de werking
ervan geheel of ten dele opheft of verandert, wordt gestraft met
geldboete van de derde categorie.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten
opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag
hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven
rechten bij invoer.
Artikel 51a
Het recht tot strafvervolging op de voet van dit hoofdstuk, of
ingevolge de artikelen 70 en 71 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met betrekking tot een verzuim of een vergrijp als
bedoeld in hoofdstuk 5 van deze wet, vervalt ten aanzien van degene aan
wie de inspecteur ter zake van dat verzuim of dat vergrijp reeds een
bestuurlijke boete heeft opgelegd.
Hoofdstuk 7. Inbeslag- en inbewaringneming
Artikel 52
1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om
goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het
nakomen van artikel 14, tweede lid, genomen dwangmaatregelen te
verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om
goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een
vervoermiddel tot een der hiervoor omschreven doeleinden in te richten
of toe te rusten, worden in beslag genomen.
2. Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de
inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen personen.
3. Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de
inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie
de inbeslagneming heeft plaatsgehad. In geval van inbeslagneming op
onbekende personen geschiedt die mededeling in het openbaar volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels.
4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en
voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij
een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de
inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5. De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of
voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming
bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming
heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een
gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
6. De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het
bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met
dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld
tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de
behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk
mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan.
7. Artikel 552d van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
8. Onze Minister is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de
staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen, onder door hem te stellen
voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.
Artikel 53
1. Indien met betrekking tot goederen onder douanetoezicht de
belanghebbende bij de goederen nalaat de bij wettelijke bepalingen
voorgeschreven verplichtingen na te komen, kunnen de goederen door de
inspecteur in bewaring worden genomen. Indien de belanghebbende bij de
goederen bekend is, wordt tot de inbewaringneming niet overgegaan
voordat deze is aangemaand de verplichtingen binnen een bij de
aanmaning gestelde termijn na te komen.
2. Artikel 52, derde lid, is bij de inbewaringneming van
overeenkomstige toepassing. Indien de belanghebbende bij de goederen
bekend is, wordt mededeling omtrent de inbewaringneming aan
belanghebbende gedaan.
3. Indien niet binnen zes maanden na de mededeling omtrent de
inbewaringneming de verplichtingen alsnog zijn nagekomen, kunnen de
goederen overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels
worden verkocht of in bijzondere gevallen worden vernietigd.
4. De in het derde lid vermelde termijn geldt niet, indien de
goederen aan spoedige, aanmerkelijke, waardevermindering onderhevig zijn
of indien de bewaring of het onderhoud ervan gevaar oplevert dan wel
hoge kosten meebrengt.
5. De opbrengst der goederen - in geval van uitoefening van het
recht van verhaal hetgeen is overgebleven - wordt, na aftrek van de
kosten en van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
vergoeding, uitgekeerd aan de belanghebbende bij de goederen die binnen
drie jaren na de mededeling omtrent de inbewaringneming zulks vordert,
bij gebreke waarvan de opbrengst of hetgeen is overgebleven aan de staat
vervalt. Voor zover de goederen na het verstrijken van die termijn niet
zijn verkocht, vervallen de goederen aan de staat.
Artikel 53a
Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de in de artikelen 52 en 53 bedoelde bevoegdheden.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 54
Ter zake van de compenserende interesten, bedoeld in de artikelen 589
en 709 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, is
artikel 36 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55
Het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 43 en 59, eerste
lid, van het Communautair douanewetboek, is geen aanvraag in de zin van
artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 56
Indien ingevolge artikel 198 van het Communautair douanewetboek
aanvulling dan wel vervanging van de gestelde zekerheid wordt geëist,
draagt belanghebbende er zorg voor dat deze aanvulling dan wel
vervanging geschiedt binnen vier weken nadat deze eis is bekendgemaakt.
Artikel 57
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de talen waarin aangiften kunnen worden gedaan.
Artikel 58
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
verzekering van een juiste toepassing van de wettelijke bepalingen
nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in de wettelijke
bepalingen geregelde onderwerpen.
Artikel 59
Ten aanzien van de invordering van de rechten bij invoer en de
rechten bij uitvoer blijft artikel 48 buiten toepassing.
Artikel 60
Deze wet treedt in werking op een bij wet te bepalen tijdstip.
Artikel 61
Deze wet wordt aangehaald als: Douanewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 november 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de achtentwintigste november 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|