Nadere
regelgeving:
- Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet
- Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet
- Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999
- Besluit kennis en inzicht sociale hygiëne Drank- en Horecawet
WET van 7 oktober 1964 tot regeling van
de uitoefening van de bedrijven en de werkzaamheid, waarin of in het
kader waarvan alcoholhoudende drank wordt verstrekt
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Drankwet (Stb. 1931, 476) en de voor de horecabedrijven en het
slijtersbedrijf geldende vestigingsregelingen te vervangen door een
nieuwe wet, welke ten aanzien van het verstrekken van alcoholhoudende
drank zowel uit sociaal-hygiënisch als uit sociaal-economisch oogpunt
regelen stelt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
– Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
– horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het
bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende
drank voor gebruik ter plaatse;
– slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of
anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor
gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het
bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van
zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter
plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen andere handelingen;
– lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een
inrichting;
– horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene
lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het
horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het
verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;
– slijtlokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene
lokaliteit, onderdeel uitmakend van of samenvallend met een inrichting
waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd
voor het verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter
plaatse;
– inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het
horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor
zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van
alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al
dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;
– leidinggevende:
1°. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of
hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of
het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, met uitzondering van bestuurders
van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4;
2°. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een
onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt
uitgeoefend in een of meer inrichtingen;
3°. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de
uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting;
– inspecteur: de bevoegde inspecteur van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid;
– wijn: de drank, die door alcoholische gisting is verkregen uit en
geen andere bestanddelen bevat dan die, afkomstig van het sap van
druiven – vruchten van Vitis Vinifera L. – alsmede de drank, die met
toepassing van bijzondere technische bewerkingen of met toevoeging van
andere bestanddelen is verkregen uit bovenbedoeld sap, voor zover deze
toepassing of toevoeging in het land van oorsprong van zodanige drank
bij de bereiding daarvan gebruikelijk is;
– sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden
Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met
uitzondering van wijn;
– alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig
graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat;
– zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering
van sterke drank;
– bedrijfslichaam: een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 66 van
de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22);
– bijlage: bijlage bedoeld in artikel 44b, eerste lid.
2. Onder een inrichting wordt niet verstaan een vervoermiddel voor het
rondtrekkend uitoefenen van een bedrijf.
3. Deze wet is, met uitzondering van de artikelen 20, eerste, tweede,
vierde, zesde en zevende lid, 21 en 24, tweede lid, niet van toepassing
op:
a. vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van personen,
tijdens hun gebruik als zodanig;
b. legerplaatsen en lokaliteiten, aan het militair gezag onderworpen,
gedurende de tijd dat deze uitsluitend voor militaire doeleinden worden
gebruikt.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 2
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
volksgezondheid regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van
reclame voor alcoholhoudende drank, de doelgroepen waarop zodanige
reclame is gericht, alsmede de tijd en wijze waarop en de plaats waar
reclame wordt gemaakt. Deze regels kunnen verboden, beperkingen van en
voorschriften ten aanzien van reclameuitingen bevatten. In de maatregel
wordt een overgangsregeling getroffen ten aanzien van reclameuitingen
die reeds waren geopenbaard op het tijdstip van inwerkingtreding van die
maatregel.
2.Het is verboden voor alcoholhoudende drank reclame te maken, welke
niet voldoet aan de krachtens het eerste lid gestelde regels.
3.Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet ten aanzien van
reclameuitingen voor alcoholhoudende drank, waarin met betrekking tot
die drank slechts aanduidingen voorkomen betreffende merk, soort en
prijs alsmede de plaats waar die drank wordt verstrekt.
4.Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 3
Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en
wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.
Artikel 3a [Vervallen per 01-11-2000]
Artikel 3b [Vervallen per 01-11-2000]
Artikel 3c [Vervallen per 01-11-2000]
Artikel 4
1.Aan een vergunning, die op grond van artikel 3 voor het horecabedrijf
wordt verleend aan een rechtspersoon niet zijnde een naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve,
sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige
aard, verbinden burgemeester en wethouders een of meer voorschriften of
beperkingen die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden,
nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van
alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch
verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd.
2.De in het eerste lid bedoelde voorschriften of beperkingen kunnen op
geen andere onderwerpen betrekking hebben dan:
a. in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals
bruiloften en partijen;
b. het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van
bijeenkomsten als bedoeld onder a;
c. de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende
drank wordt verstrekt.
3.Bij gemeentelijke verordening kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften of
beperkingen.
4.Door burgemeester en wethouders worden, indien dit in verband met een
wijziging in de plaatselijke of regionale omstandigheden nodig is, aan
een reeds verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid
voorschriften of beperkingen als in dat lid bedoeld verbonden of aan een
zodanige vergunning verbonden voorschriften of beperkingen gewijzigd of
ingetrokken.
5.Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op bijzondere
gelegenheden van zeer tijdelijke aard ontheffing verlenen van de aan een
vergunning verbonden voorschriften of beperkingen als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 5
1.Artikel 4 is niet van toepassing, indien de betrokken rechtspersoon
gehouden is uitvoering te geven aan een regeling, betrekking hebbend op
een of meer van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde onderwerpen, die
door die rechtspersoon of een organisatie waarbij deze is aangesloten,
schriftelijk is overeengekomen met het Bedrijfschap Horeca en Catering.
2.Burgemeester en wethouders trekken aan een vergunning verbonden
voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 4 op verzoek van de
vergunninghouder in, indien voor deze een verplichting is ontstaan als
bedoeld in het eerste lid.
3.Ten aanzien van een reeds verleende vergunning is, indien een
verplichting als bedoeld in het eerste lid eindigt, artikel 4, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5a [Vervallen per 01-11-2000]
Artikel 6
Op de voorbereiding van een beslissing tot verlening van een vergunning
op grond van artikel 3 voor het horecabedrijf aan een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, en op de voorbereiding van een
beslissing op grond van artikel 4, eerste of vierde lid, of artikel 5,
derde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Artikel 7
1.Een vergunning is vereist voor iedere inrichting.
2.Geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van het
horecabedrijf of slijtersbedrijf anders dan in een inrichting.
3.Indien een terras onderdeel is van een inrichting, die onderdeel
uitmaakt van een winkel wordt slechts een vergunning ten aanzien van het
terras verleend, indien dit onmiddellijk aansluit aan een
horecalokaliteit. Voor de overige terrassen wordt slechts vergunning
verleend, indien zij in de onmiddellijke nabijheid van een
horecalokaliteit zijn gelegen.
Artikel 8
1.Voor het verkrijgen van een vergunning moet worden voldaan aan het bij
en krachtens de volgende leden bepaalde.
2.Leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen:
a. zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit het ouderlijk gezag
of voogdij ontzet zijn;
b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;
c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden naast de in het tweede lid
gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van
leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis
nader worden omschreven.
4.Leidinggevenden, bij rechtspersonen als bedoeld in artikel 4 is zulks
beperkt tot 2 leidinggevenden per rechtspersoon, dienen tevens te
beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale
hygiëne, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen
eisen.
5.Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
worden de bewijsstukken aangewezen waaruit het voldoen aan de eisen,
bedoeld in het vierde lid, moet blijken.
Artikel 9
1.Het bestuur van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 dient voor
het verkrijgen van een vergunning een reglement vast te stellen dat
waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting
gedurende de openingstijden vanuit het oogpunt van sociale hygiëne te
allen tijde geschiedt door op dit gebied gekwalificeerde personen. De
kwalificatienormen hiervoor worden eveneens in het in dit artikel
genoemde reglement vastgesteld.
2.Het reglement geeft in ieder geval aan op welke dagen en tijdstippen
bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt
verstrekt. Deze dagen en tijdstippen worden duidelijk zichtbaar in de
horecalokaliteit aangegeven.
3.Het reglement voorziet in de wijze waarop wordt toegezien op de
naleving.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het reglement.
Artikel 10
De inrichting dient te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in
het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen.
Artikel 11
Een krachtens artikel 3 verleende vergunning geldt ten aanzien van het
verstrekken van alcoholhoudende drank niet voor andere gedeelten van de
openbare weg dan die, waar dat verstrekken door burgemeester en
wethouders uitdrukkelijk is toegestaan.
Artikel 11a [Vervallen per 01-11-2000]
§ 3. Bijzondere bepalingen
Artikel 12
1.Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter
plaatse anders dan in een in de vergunning vermelde horecalokaliteit of
anders dan op een in de vergunning vermeld terras, tenzij het betreft
het vanuit zodanige lokaliteit afleveren van alcoholhoudende drank op
bestelling in hotelkamers ingericht voor nachtverblijf of het
verstrekken van alcoholhoudende drank door het in dergelijke hotelkamers
beschikbaar te stellen.
2.Het is verboden sterke drank te verstrekken voor gebruik elders dan
ter plaatse anders dan in een slijtlokaliteit die in de vergunning is
vermeld.
Artikel 13
1.Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras
alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter
plaatse.
2.Het is verboden in een slijtlokaliteit alcoholhoudende drank te
verstrekken voor gebruik ter plaatse of toe te laten dat daar
alcoholhoudende drank wordt genuttigd.
Artikel 14
1.Het is verboden een slijtlokaliteit gelijktijdig in gebruik te hebben
voor het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten dan die welke tot
het slijtersbedrijf behoren dan wel toe te laten dat daarin zodanige
activiteiten worden uitgeoefend.
2.Het is verboden een horecalokaliteit of een terras tevens in gebruik
te hebben voor het uitoefenen van de kleinhandel of
zelfbedieningsgroothandel of het uitoefenen van een van de in het derde
lid genoemde activiteiten, dan wel toe te laten dat daarin zodanige
handel wordt of zodanige activiteiten worden uitgeoefend, tenzij het
betreft de verkoop van etenswaren die voor consumptie gereed zijn.
3.De in het tweede lid bedoelde activiteiten zijn:
a. het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van goederen in het
kader van een openbare verkoping, als bedoeld in artikel 1 van de Wet
ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen;
b. het bedrijfsmatig aanbieden van diensten;
c. het bedrijfsmatig verhuren van goederen;
d. het in het openbaar bedrijfsmatig opkopen van goederen.
Artikel 15
1.Het is verboden de kleinhandel, met uitzondering van de kleinhandel in
condooms en damesverband, of de zelfbedieningsgroothandel of een in
artikel 14, derde lid, genoemde activiteit, uit te oefenen in een
lokaliteit behorende tot een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
uitgeoefend, tenzij het publiek slechts toegang heeft tot die lokaliteit
zonder een lokaliteit te betreden waar alcoholhoudende drank aanwezig
is.
2.Het is verboden dat een slijtlokaliteit rechtstreeks in verbinding
staat met een ruimte waarin de kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel
of enige in artikel 14, derde lid, genoemde activiteit wordt
uitgeoefend.
Artikel 15a [Vervallen per 01-11-2000]
Artikel 16
Het is degene, die bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank verstrekt, verboden daartoe automaten, waaruit de afnemers
zelfstandig zodanige drank kunnen betrekken aanwezig te hebben, tenzij
deze zich bevinden in hotelkamers, ingericht voor nachtverblijf, welke
deel uitmaken van een inrichting waarin het horecabedrijf rechtmatig
wordt uitgeoefend.
Artikel 17
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te
verstrekken of af te leveren anders dan in een gesloten verpakking, die
niet zonder kenbare beschadiging kan worden geopend.
Artikel 17a [Vervallen per 01-11-2000]
Artikel 18
1.Het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het
slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter
plaatse aan particulieren te verstrekken.
2.Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet ten aanzien van het
verstrekken in:
a. een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en
aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken al dan
niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht;
b. een winkel waarin een gevarieerd assortiment aan levensmiddelen of
tabak en aanverwante artikelen wordt verkocht;
c. een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin
hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik ter plaatse en elders dan ter
plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit.
3.Zwak-alcoholhoudende dranken zijn in de gevallen bedoeld in het tweede
lid, zodanig in de besloten ruimte geplaatst, dat deze dranken voor het
publiek duidelijk te onderscheiden zijn van alcoholvrije dranken.
Artikel 19
1.Het is verboden, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het
slijtersbedrijf of van het partijen-cateringbedrijf gelegenheid te
bieden tot het doen van bestellingen voor sterke drank en sterke drank
op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van
particulieren. Onder partijen-catering wordt verstaan het, gepaard
gaande met dienstverlening, bedrijfsmatig verstrekken van gerechten en
dranken voor gebruik bij besloten partijen op een door een opdrachtgever
te bepalen plaats, die slechts incidenteel beschikbaar is voor
dergelijke partijen.
2.Het is verboden gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen
voor zwak-alcoholhoudende drank en zwak-alcoholhoudende drank op
bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van
particulieren, anders dan vanuit:
a. een niet voor publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin
overeenkomstige bestellingen plegen te worden aanvaard, niet zijnde een
horecalokaliteit;
b. een ruimte als bedoeld in artikel 18, tweede lid;
c. een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.
Artikel 20
1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat
deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als
bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van
alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de
leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd
is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van
16 jaar heeft bereikt.
2.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te
verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de
leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de
eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van sterke drank
aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon
van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft
bereikt.
3.Het is verboden in een slijtlokaliteit de aanwezigheid toe te laten
van een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16
jaar heeft bereikt, anders dan onder toezicht van een persoon van 21
jaar of ouder.
4.De vaststelling, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, blijft
achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste
leeftijd heeft bereikt. De vaststelling geschiedt aan de hand van een
document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de
identificatieplicht, dan wel een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen document.
5.Bij gemeentelijke verordening kan worden verboden dat in de gemeente
of een bij de verordening aangewezen deel daarvan, in een
horecalokaliteit van een bij de verordening aangewezen aard de
aanwezigheid wordt toegelaten van personen beneden een bij die
verordening te bepalen leeftijd welke echter niet hoger mag zijn dan 21
jaar.
6.Op plaatsen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank wordt verstrekt, alsmede bij de toegang tot een slijtlokaliteit,
dient duidelijk zichtbaar en goed leesbaar te worden aangegeven welke
leeftijdsgrens of leeftijdsgrenzen gelden. Onze Minister kan daaromtrent
nadere regels stellen en modellen voorschrijven.
7.Het is verboden in een slijtlokaliteit of horecalokaliteit of op een
terras de aanwezigheid toe te laten van een persoon die in kennelijke
staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere psychotrope
stoffen verkeert.
Artikel 21
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank te verstrekken, indien redelijkerwijs moet worden vermoed, dat dit
tot verstoring van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid zal
leiden.
Artikel 22
1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank te verstrekken:
a. op plaatsen waar brandstof voor middelen van vervoer aan
particulieren wordt verstrekt en in winkels die aan een benzinestation
zijn verbonden;
b. in winkels die verbonden zijn aan een inrichting waarin het
horecabedrijf wordt uitgeoefend gelegen langs een krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 als autoweg aangeduide weg;
c. in ruimten gelegen langs een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als
autosnelweg aangeduide weg, tenzij het betreft het verstrekken van
alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse in een horecalokaliteit
of op een in de onmiddellijke nabijheid van een horecalokaliteit gelegen
terras, en in die inrichting hoofdzakelijk warme maaltijden voor directe
consumptie ter plaatse worden verstrekt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrijfsmatig of anders dan
om niet verstrekken van alcoholhoudende drank worden verboden:
a. in stadions of bij die maatregel aangewezen delen daarvan, in gebruik
bij organisaties van betaald voetbal, gedurende de tijd dat zij in
verband met wedstrijden van betaald voetbal voor het publiek geopend
zijn;
b. in gebouwen of in die maatregel aangewezen delen daarvan, die in
gebruik zijn bij instellingen op het terrein van de gezondheidszorg en
het onderwijs en in zwembaden.
3.Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 23
1.Bij gemeentelijke verordening kan, de inspecteur gehoord, het
bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende
drank worden verboden, met dien verstande dat een verbod dat betrekking
heeft op het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank anders dan in
een inrichting slechts betrekking heeft op een beperkte tijdsruimte.
2.Bij zodanige verordening kan worden bepaald, dat het verbod slechts
geldt voor inrichtingen van een bij de verordening aangewezen aard, in
bij de verordening aangewezen delen van de gemeente of voor een bij of
krachtens die verordening aangewezen tijdsruimte.
3.Bij een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden
gesteld omtrent de voorschriften die aan een vergunning als bedoeld in
artikel 3 kunnen worden verbonden en omtrent het beperken van een
vergunning tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
4.De inspecteur zendt van zijn oordeel over de ontwerpverordening een
afschrift aan gedeputeerde staten.
5.Een verordening wordt in afschrift gezonden aan gedeputeerde staten.
Artikel 24
1.Het is verboden een horecalokaliteit of slijtlokaliteit voor het
publiek geopend te houden, met uitzondering van een lokaliteit in beheer
bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, indien in de inrichting
geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met
betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde
vergunninghouder. Met betrekking tot rechtspersonen als bedoeld in
artikel 4 geldt, dat aanwezig is ofwel de leidinggevende die vermeld
staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere
vergunning van dezelfde vergunninghouder, ofwel een andere op dit gebied
gekwalificeerde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid. Voor deze
laatste categorie rechtspersonen geldt deze aangepaste voorwaarde
slechts op momenten dat alcoholhoudende drank wordt geschonken.
2.Het is verboden in een slijtlokaliteit of horecalokaliteit, gedurende
de tijd dat daarin dranken worden verstrekt, personen jonger dan 16 jaar
dienst te laten doen.
3.Indien dit voor de naleving van artikel 20, eerste tot en met vierde
lid, noodzakelijk is, kan bij algemene maatregel van bestuur de
leeftijd, genoemd in het tweede lid, op 18 jaar worden gesteld, met dien
verstande dat zulks alsdan niet geldt voor personen die alcoholhoudende
drank verstrekken in het kader van een in de maatregel aan te geven
beroepsopleiding.
Artikel 25
1.Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het
slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend
houdt, verboden:
a. in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit
geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of
anders dan om niet aan particulieren verstrekken van
zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits
deze drank zich bevindt in een verpakking die voldoet aan de bij artikel
17 gestelde eis;
b. in de voor het publiek niet toegankelijke delen van die ruimte
alcoholhoudende drank in voorraad te hebben, tenzij het betreft:
1°. het in voorraad hebben van zwak-alcoholhoudende drank ten dienste
van het in de rechtmatige uitoefening van een ander bedrijf dan het
slijtersbedrijf bedrijfsmatig aan particulieren verstrekken van deze
drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits deze drank zich bevindt
in een verpakking die voldoet aan de bij artikel 17 gestelde eis;
2°. het in voorraad hebben van alcoholhoudende drank ten dienste van
het uitoefenen van een bedrijf, waarin waren uit onder meer
alcoholhoudende drank plegen te worden vervaardigd.
2.Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het
horecabedrijf, een ruimte voor publiek geopend houdt, verboden toe te
laten dat in die ruimte alcoholhoudende drank wordt genuttigd.
3.Het is degene die een vervoermiddel gebruikt voor het rondtrekkend
uitoefenen van de kleinhandel verboden daarin, daarop of daaraan
alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij het betreft een
vervoermiddel dat wordt gebruikt voor:
a. het rechtmatig aan particulieren afleveren van alcoholhoudende drank
op bestelling;
b. het binnen het vervoermiddel verstrekken van zwak-alcoholhoudende
drank in het kader van het rondtrekkend uitoefenen van de kleinhandel
overwegend bestaand uit de handel in een gevarieerd assortiment
levensmiddelen en kruideniersartikelen.
§ 4. Vergunningen
Artikel 26
1.Onze Minister bepaalt welke gegevens een aanvrage om een vergunning
als bedoeld in artikel 3 dient te bevatten.
2.Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald welke gegevens een
aanvraag voor een vergunning eveneens dient te bevatten in verband met
krachtens artikel 23, derde lid, gestelde voorschriften en beperkingen.
3.Op de aanvraag wordt beslist binnen drie maanden na ontvangst daarvan.
Artikel 27
1.Een vergunning wordt geweigerd indien:
a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10
geldende eisen;
b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand
niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;
c. artikel 7, tweede lid, of artikel 31, derde lid, zich tegen de
verlening van de gevraagde vergunning verzet;
d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of
krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal
worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de
vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
2.Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning
op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, is ingetrokken, kan
gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste
vijf jaar worden geweigerd.
3.Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de
voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4.Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld
in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet
worden gevraagd.
Artikel 28
1.Een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde
weigeringsgronden aanwezig is.
2.De beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van de
vergunning wordt mede aan de inspecteur toegezonden.
Artikel 29
1.In een vergunning worden vermeld:
a. de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is
verleend;
b. de leidinggevenden;
c. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
d. de plaats waar de inrichting zich bevindt;
e. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten
en terrassen;
f. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn
verbonden.
2.De vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig.
3.De vergunning wordt gesteld op een formulier, waarvan het model door
Onze Minister wordt vastgesteld.
Artikel 30
Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet
langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven
omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen
één maand bij burgemeester en wethouders te melden. Burgemeester en
wethouders verstrekken, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting
gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de
ingevolge artikel 29 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe
situatie.
Artikel 31
1.Een vergunning wordt ingetrokken, indien:
a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of
onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn
genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden
volledig bekend waren geweest;
b. niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 en 10
geldende eisen;
c. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met
betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft;
d. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de
vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou
opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
e. de vergunninghouder in het in artikel 30 bedoelde geval geen melding
als in dat artikel bedoeld heeft gedaan.
2.Een vergunning kan voorts worden ingetrokken indien:
a. is gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden
voorschriften of beperkingen, bedoeld in artikel 4 of artikel 23, derde
lid;
b. een bij of krachtens de artikelen 2, 13 tot en met 17, 19 tot en met
21, 22, eerste lid, onder b, tot en met 23, tweede lid, of 24 gesteld
verbod of het bij artikel 29, tweede lid, gesteld gebod wordt
overtreden;
c. het reglement bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet wordt nageleefd,
of niet wordt voldaan aan het gebod, bedoeld in artikel 9, tweede lid,
dat de dagen en tijdstippen waarop bedrijfsmatig of anders dan om niet
alcoholhoudende drank wordt verstrekt duidelijk zichtbaar in de
horecalokaliteit zijn aangegeven;
d. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
3.Indien een vergunning op grond van het tweede lid, onder a, is
ingetrokken, wordt de bevoegdheid om aan de betrokken rechtspersoon een
nieuwe vergunning te verlenen, opgeschort tot een jaar nadat het besluit
tot intrekking onherroepelijk is geworden.
4.De intrekking van een vergunning krachtens het eerste lid, onder b, c
of e, of het tweede lid, kan, voor zover de grond tot intrekking niet de
persoon van de vergunninghouder betreft, eerst geschieden een maand
nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk
mededeling is gedaan.
5.Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onder
d, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 32
1.Indien de burgemeester of de inspecteur van oordeel is, dat een
vergunning op een der in artikel 31 genoemde gronden moet worden
ingetrokken, doet hij daartoe onder opgave van redenen aan burgemeester
en wethouders een voorstel.
2.Binnen drie maanden na ontvangst van zodanig voorstel nemen
burgemeester en wethouders daaromtrent een besluit. Zij doen daarvan
schriftelijk mededeling aan de inspecteur, indien deze het voorstel
heeft gedaan.
Artikel 33
Een vergunning vervalt, wanneer:
a. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn
verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de
vergunning;
b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn
verricht met gebruikmaking van de vergunning;
c. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van
eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 34
Een faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen heeft ten aanzien van het krachtens artikel 31,
eerste lid, onder c, of 33, onder b, intrekken of vervallen van de
vergunning een opschortende werking tot het tijdstip waarop het
faillissement onderscheidenlijk de toepassing van de
schuldsaneringsregeling eindigt.
§ 5. Ontheffing
Artikel 35
1.De burgemeester kan ten aanzien van het verstrekken van
zwak-alcoholhoudende drank op aanvraag ontheffing verlenen van het in
artikel 3 voor de uitoefening van het horecabedrijf gestelde verbod, bij
een in de beschikking aangewezen bijzondere gelegenheid van zeer
tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf
dagen, mits de verstrekking geschiedt onder onmiddellijke leiding van
een persoon die voldoet aan artikel 8, tweede en vierde lid.
2.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Ten aanzien van een ontheffing is artikel 31, eerste lid, onder a en
d, van overeenkomstige toepassing.
4.Besluiten tot verlening, wijziging of intrekking van een ontheffing
worden in afschrift aan de inspecteur gezonden.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 36
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aan andere personen dan hen, die
wonen in de ruimte, waarin in strijd met deze wet alcoholhoudende drank
wordt verstrekt, de toegang tot die ruimte te ontzeggen.
Artikel 37
In gevallen, waarin het betreft de uitoefening van het horecabedrijf of
slijtersbedrijf door een gemeente:
a. treden voor de toepassing van de artikelen 3 en 32 gedeputeerde
staten in de plaats van burgemeester en wethouders;
b. treedt voor de toepassing van artikel 32 Onze commissaris in de
provincie in de plaats van de burgemeester.
Artikel 38
Het is verboden ter zake van een aanvraag om een vergunning of een
ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.
Artikel 39
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden
bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 40
Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, kunnen ten aanzien van de
onderwerpen, waarin zij voorziet, geen provinciale of gemeentelijke
verordeningen worden gemaakt.
§ 7. Toezicht
Artikel 41
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren
van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Artikel 42
De in artikel 41 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de
benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van
de bewoner, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende
drank aan particulieren wordt verstrekt of waar naar hun redelijk
vermoeden zodanige verstrekking plaatsvindt.
Artikel 43
Van een besluit als bedoeld in artikel 41 wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 44
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving
van de bij artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
gestelde verplichting.
§ 7a. Bestuurlijke boete
Artikel 44a
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van
overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 9,
tweede lid, 12 tot en met 20, vierde lid, 20, zesde lid, 22, 24, 25 of
29, tweede lid.
2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een
afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100 000
bedraagt.
3. Overtredingen, met uitzondering van overtreding van artikel 9, tweede
lid, of artikel 29, tweede lid, kunnen, in afwijking van het eerste lid,
niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien:
a. de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van
de mens tot gevolg heeft; of
b. de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene bestuurlijke
boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding
behaalde economisch voordeel.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt,
indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de bestuurlijke
boete kan worden opgelegd door burgemeester en wethouders aan de
vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen de
vergunning in te trekken, overeenkomstig artikel 31, vierde lid.
Artikel 44b
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die
bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te
leggen bestuurlijke boete bepaalt.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
wordt vastgesteld op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie.
Artikel 44c [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44d [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44e [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44f [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44h [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44i [Vervallen per 01-07-2009]
§ 8 [Vervallen per 14-09-2005]
Artikel 45 [Vervallen per 14-09-2005]
§ 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 46
1. Indien de tot een inrichting behorende lokaliteiten die op 30
september 1967 in gebruik waren voor de verstrekking van alcoholhoudende
drank in de uitoefening van het horecabedrijf of slijtersbedrijf, toen
wel voldeden aan de ingevolge de Drankwet (Stb. 1931, 476) met
betrekking tot hun afmetingen geldende eisen maar niet in
overeenstemming zijn met de eisen, ter zake van de afmetingen van
lokaliteiten voor die uitoefening gesteld krachtens artikel 10 van de
onderhavige wet, worden zij nochtans geacht aan de ingevolge dat artikel
voor de uitoefening van dat bedrijf geldende afmetingseisen te voldoen.
2. Het eerste lid geldt niet:
a. indien één of meer der in dat lid bedoelde lokaliteiten van de
inrichting inmiddels in enig opzicht zijn verkleind of een verandering
in hun bestemming hebben ondergaan;
b. indien de uitoefening van het betrokken bedrijf in de inrichting na
30 september 1967 gedurende een jaar anders dan wegens overmacht
ononderbroken gestaakt is geweest.
3. Het tweede lid, onder a, is niet van toepassing:
a. met betrekking tot verkleiningen, strekkende tot aanpassing van de
inrichting aan ingevolge artikel 10 geldende, andere dan de in het
eerste lid bedoelde eisen;
b. met betrekking tot wijzigingen ten aanzien waarvan Onze Minister, van
oordeel zijnde dat daartegen uit het oogpunt van sociale hygiëne geen
overwegende bezwaren bestaan, op aanvrage van de ondernemer die bepaling
buiten toepassing heeft verklaard.
4. In een met toepassing van het eerste lid verleende vergunning wordt
mede vermeld op welke lokaliteiten die toepassing betrekking heeft.
Artikel 47
1.Het in artikel 13 gestelde verbod geldt tot een door Ons te bepalen
tijdstip niet voor degene, die op 30 september 1967 feitelijk
alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse en sterke drank voor
gebruik elders dan ter plaatse verstrekte in een lokaliteit, waarvoor
een op grond van de Drankwet (Stb. 1931, 476) verleende volledige
vergunning gold, voor zover het die lokaliteit betreft.
2.Het in artikel 13 gestelde verbod geldt tot een door Ons te bepalen
tijdstip voorts niet voor degene, die in een lokaliteit, waarvoor een op
grond van de Drankwet (Stb. 1931, 476) verleende vergunning of verleend
verlof A gold, op 30 september 1967 feitelijk alcoholhoudende drank voor
gebruik ter plaatse verstrekte en tevens bedrijfsmatig aan particulieren
zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse
verstrekte, voor zover het betreft het gelijktijdig in gebruik hebben
van die lokaliteit voor het bedrijfsmatig verstrekken van
alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse en voor het bedrijfsmatig
aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank voor
gebruik elders dan ter plaatse.
Artikel 48
Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing voor degene, die op 1
november 1967 feitelijk een horecabedrijf of slijtersbedrijf uitoefende:
a. met gebruikmaking van een op hem krachtens artikel 29, eerste lid,
van de Drankwet (Stb. 1931, 476) overgeschreven vergunning of verlof A
van een persoon, die dat bedrijf feitelijk uitoefende op 30 september
1967, of
b. als rechtverkrijgende van een persoon als onder a bedoeld diens
bedrijf voortzettend krachtens de wet van 14 april 1960 (Stb. 155).
Artikel 49
Deze wet kan worden aangehaald als: Drank- en Horecawet.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 7 oktober 1964
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
J.A. Bakker
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
Uitgegeven de dertigste oktober 1964
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
|