Nadere regelgeving:
- Besluit leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998
- Regeling afnemers en monitoring
Elektriciteitswet 1998 en Gaswet
- Regeling
afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas
- Regeling
afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers (vervallen)
- Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998
- Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit
- Regeling garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in
een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
- Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit
- Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas
WET van 2 juli 1998, houdende regels met
betrekking tot de productie, het transport en de levering van
elektriciteit (Elektriciteitswet 1998)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter
uitvoering van Richtlijn nr. 96/92/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 19 december 1996 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PbEG
1997, L 27), de mogelijkheden voor opwekking, levering en in- en
uitvoer van elektriciteit en voor het gebruik van leidinggebonden
elektriciteitswerken te verruimen, en daarvoor met inachtneming van het
belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch
verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening een nieuwe
regeling tot stand te brengen met betrekking tot de productie, het
transport en de levering van elektriciteit;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. aansluiting: één of meer verbindingen tussen een net en een
onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e,
van de Wet waardering onroerende zaken, dan wel tussen een net en een
ander net op een ander spanningsniveau;
c. afnemer: een ieder die beschikt over een aansluiting op een net;
d. Verordening: Verordening nr. 1228/2003 van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2003, betreffende de
voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in
elektriciteit (PbEG L 176);
e. raad van bestuur van de mededingingsautoriteit: de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit, genoemd in artikel 2 van de
Mededingingswet;
f. leverancier: een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het
leveren van elektriciteit;
g. producent: een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het
opwekken van elektriciteit;
h. handelaar: een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het
sluiten van overeenkomsten betreffende de koop en verkoop van
elektriciteit;
i. net: één of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit
en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en
onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze
verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een
producent of van een afnemer;
j. landelijk hoogspanningsnet: het net, bedoeld in artikel 10, eerste
lid;
k. netbeheerder: een vennootschap die op grond van artikel 10, 13 of 14
is aangewezen voor het beheer van een of meer netten;
l. vergunninghouder: een houder van een vergunning als bedoeld inartikel
95a;
m. richtlijn: richtlijn nr. 2003/54/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 26 juni 2003 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en
houdende intrekking vanrichtlijn nr. 96/92/EG (PbEG L 176);
n. notificatierichtlijn: richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende
een informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204);
o. programma-verantwoordelijkheid: de verantwoordelijkheid van afnemers,
niet zijnde afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, en
vergunninghouders om programma's met betrekking tot de productie, het
transport en het verbruik van elektriciteit op te stellen of te doen
opstellen ten behoeve van de netbeheerders en zich met inachtneming van
de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, te gedragen overeenkomstig die
programma's;
p. systeemdiensten: de diensten die de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet uitvoert om het transport van elektriciteit over alle
netten op een veilige en doelmatige wijze te waarborgen, om
grootschalige onderbrekingen van het transport van elektriciteit op te
lossen, en om de energiebalans op alle netten te handhaven of te
herstellen;
q. black-start-voorziening: de voorziening die benodigd is om bij een
spanningsloos net de eigen energievoorziening van een productielocatie
onder spanning te brengen, waarna de productie van elektriciteit kan
worden hervat;
r. verwant bedrijf: een verbonden onderneming in de zin van artikel 41
van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op
de grondslag van artikel 44, tweede lid, onderdeel g, van het Verdrag
betreffende de geconsolideerde jaarrekening, of een geassocieerde
onderneming in de zin van artikel 33, eerste lid, daarvan of een
onderneming die aan dezelfde aandeelhouders toebehoort;
s. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten,
afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw –
met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en
aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de
aquacultuur alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en
huishoudelijk afval;
t. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, omgevingslucht-,
oppervlaktewater- en aardwarmte, energie uit de oceanen, waterkracht,
biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;
u. duurzame elektriciteit: elektriciteit, opgewekt in
productie-installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare
energiebronnen, alsmede elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare
energiebronnen in hybride productie-installaties die ook met
conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van elektriciteit die
is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen en die wordt gebruikt voor
accumulatiesystemen, en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig
is van accumulatiesystemen;
v. klimaatneutrale elektriciteit: elektriciteit, opgewekt in een
productie-installatie waarin waterstof of elektriciteit wordt
geproduceerd uit fossiele energiedragers, waarbij de koolstof of
kooldioxide die vrijkomt bij het omzettingsproces, nuttig wordt
toegepast of blijvend in de ondergrond wordt opgeslagen, en waarvoor een
bij ministeriële regeling omschreven verklaring is verkregen;
w. warmtekrachtkoppeling: de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof,
waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie
van elektriciteit;
x. garantie van oorsprong voor duurzame elektriciteit: gegevens op een
rekening die betrekking hebben op duurzame elektriciteit en waarmee
wordt aangetoond dat een producent met zijn installatie een hoeveelheid
duurzame elektriciteit heeft opgewekt;
y. rekening: staat waarop een tegoed van garanties van oorsprong voor
duurzame elektriciteit of garanties van oorsprong voor elektriciteit
opgewekt in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
kan worden geboekt in het elektronische systeem voor het uitgeven en
innemen van garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit of
garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie
voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling dat in stand wordt gehouden
door de garantiebeheerinstantie en waarmee wordt bijgehouden voor welke
hoeveelheid duurzame elektriciteit garanties van oorsprong voor duurzame
elektriciteit of garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in
een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling zijn verstrekt
en aan wie de garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit of
garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie
voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling op enig moment toekomen;
z. garantiebeheerinstantie: de op grond van artikel 73, tweede lid,
aangewezen instantie;
aa. economische eigendom: het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd
zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met
uitzondering van het recht op levering, en het gehouden zijn om alle
verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en
daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het
goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is;
ab. installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: installatie
voor de opwekking van elektriciteit door middel van
warmtekrachtkoppeling in de zin van artikel 3, onderdeel a, van
richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 11 februari 2004 inzake de bevordering van
warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen
de interne energiemarkt en tot wijziging vanrichtlijn 92/42/EEG (PbEG L
52), die voldoet aan bijlage III bij deze richtlijn;
ac. garantie van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een
installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: gegevens op een
rekening die betrekking hebben op elektriciteit opgewekt door middel van
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, waarmee wordt aangetoond dat een
producent met zijn installatie een hoeveelheid elektriciteit door middel
van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling heeft opgewekt en op een net
heeft ingevoed;
ad. leveringszekerheid: het vermogen van een net om elektriciteit te
leveren aan afnemers;
ae. operationele netwerkveiligheid: het vermogen van het landelijk
hoogspanningsnet om in voorzienbare omstandigheden operationeel te
blijven;
af. meetinrichting: het gehele samenstel van apparatuur dat ten minste
tot doel heeft de uitgewisselde elektriciteit te meten;
ag. meetbedrijf: een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met
het collecteren, valideren en vaststellen van meetgegevens betreffende
elektriciteit;
ah. productie-installatie: een installatie, bestaande uit één of meer
productie-eenheden, voor de opwekking van elektriciteit.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
als afnemer, niet zijnde een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste
lid, beschouwd een organisatorische eenheid die zich in hoofdzaak bezig
houdt met het openbaar vervoer per metro, tram of trolley, met
mijnbouwkundige activiteiten, met het beheer en de exploitatie van
telecommunicatie- en kabelnetwerken, met het beheer van de openbare
verlichting of van verkeersregelinstallaties, dan wel met riolering,
bemaling, waterzuivering of transport en distributie van water, mits:
a. deze eenheid daarbij uitsluitend ingevolge de technische aard van de
bedrijfsuitoefening beschikt over verscheidene aansluitingen,
b. het totale aan de eenheid voor die bedrijfsuitoefening beschikbaar
gestelde vermogen meer bedraagt dan 2 MVA en
c. de bedrijfsuitoefening door deze eenheid op fysiek geïntegreerde
basis geschiedt.
3. Een onderneming die zich in hoofdzaak bezighoudt met het vervoer van
personen of goederen per trein wordt in afwijking van het eerste lid,
onderdeel c, aangemerkt als afnemer, niet zijnde een afnemer als bedoeld
in artikel 95a, eerste lid, ook indien zij geen aansluiting heeft op een
net.
4. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op landsgrensoverschrijdende netten die zijn gelegen binnen de
Nederlandse exclusieve economische zone en op installaties voor de
opwekking van elektriciteit die zijn gevestigd binnen de Nederlandse
exclusieve economische zone, alsmede de daarmee opgewekte elektriciteit.
5. Productie-installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp
van windenergie op het land die behoren tot eenzelfde onderneming of
instelling en die onderling technische, organisatorische of functionele
bindingen hebben en in elkaars onmiddelijke nabijheid zijn gelegen,
worden geacht te beschikken over één aansluiting.
§ 2. Energierapport en monitoring
Artikel 2
1.Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een
energierapport vast dat richting geeft aan van rijkswege in de
eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen voor zover daarbij het
belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch
verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening in beschouwing
moet of kan worden genomen. Bij de voorbereiding van een energierapport
betrekt Onze Minister de naar zijn oordeel bij de te behandelen
onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen, instellingen en
organisaties.
2.Voor zover het energierapport onderdelen betreft die tot de
verantwoordelijkheid behoren van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, wordt het rapport vastgesteld na
overleg met voornoemde minister.
3.Het energierapport bevat ten minste:
a. een analyse van de ontwikkelingen op de nationale en internationale
energiemarkt en de effecten daarvan op een betrouwbaar, duurzaam,
doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functionerende
energiehuishouding;
b. een analyse van veranderingen in het gebruik van energiebronnen voor
het opwekken van elektriciteit en van de wijze waarop en de mate waarin
zich een duurzame energiehuishouding ontwikkelt;
c. een analyse van de ontwikkeling van de marktwerking in de
energievoorziening;
d. een overzicht van de beoogde resultaten inzake de bevordering van een
betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord
functionerende energiehuishouding en van de wijzen waarop die resultaten
in de desbetreffende periode van vier jaar zullen worden nagestreefd;
e. een analyse van overige aspecten die van belang kunnen zijn in het
kader van het energiebeleid in het algemeen.
Artikel 3
1.Zodra het energierapport is vastgesteld, doet Onze Minister hiervan
mededeling door het rapport aan de beide kamers der Staten-Generaal over
te leggen.
2.Onze Minister maakt de vaststelling van het energierapport bekend in
de Staatscourant en geeft daarbij aan op welke wijze kennis kan worden
gekregen van de inhoud van het energierapport.
Artikel 4
1.Het energierapport geldt met ingang van een bij besluit van Onze
Minister vast te stellen tijdstip.
2.Het besluit wordt niet eerder genomen dan acht weken nadat het
energierapport op grond van artikel 3, eerste lid, is overgelegd aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
3.Indien door of namens een der kamers der Staten-Generaal binnen acht
weken nadat het energierapport is overgelegd, te kennen wordt gegeven
dat zij over het energierapport in het openbaar wil beraadslagen, wordt
het besluit niet eerder genomen dan zes maanden na de overlegging van
het energierapport, dan wel, indien de beraadslagingen op een eerder
tijdstip zijn beëindigd, na die beraadslagingen.
Artikel 4a
1.Onze Minister verzamelt, analyseert en bewerkt systematisch
inlichtingen en gegevens met betrekking tot de leverings- en
voorzieningszekerheid, in het bijzonder met betrekking tot:
a. het evenwicht van vraag en aanbod op de nationale markt,
b. het niveau van de verwachte toekomstige vraag,
c. de geplande of in aanbouw zijnde extra productie- en
netwerkcapaciteit,
d. de kwaliteit en de staat van onderhoud van de netten, en
e. de maatregelen in geval van piekbelasting of het in gebreke blijven
van een of meerdere leveranciers.
2.Onze Minister publiceert jaarlijks uiterlijk op 31 juli op geschikte
wijze een verslag van zijn bevindingen die het verzamelen, analyseren en
bewerken van de inlichtingen en gegevens over de onderwerpen, genoemd in
het eerste lid, heeft opgeleverd, alsmede van de getroffen of
voorgenomen maatregelen met betrekking tot die onderwerpen. Hij zendt
het verslag onverwijld naar de Commissie van de Europese Gemeenschappen
en doet mededeling ervan in de Staatscourant, onder vermelding van de
wijze waarop het verslag kan worden geraadpleegd.
3.Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent:
a. de gegevens en inlichtingen waarvan Onze Minister kan verlangen dat
zij hem worden verstrekt,
b. degenen van wie Onze Minister, onverminderd artikel 78, kan verlangen
dat zij hem gegevens en inlichtingen verstrekken, en
c. de termijn waarbinnen, de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens
en inlichtingen aan Onze Minister worden verstrekt.
4.Het verslag bedoeld in het tweede lid wordt in nauwe samenwerking met
de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet opgesteld die
voorzover van toepassing daarover overleg pleegt met de relevante
netbeheerders van aangrenzende landen. In het verslag wordt ingegaan op
de algehele toereikendheid van het stroomvoorzieningsysteem en de
geraamde vraag naar elektriciteit waarbij in elk geval aandacht wordt
besteed aan:
a. de operationele netwerkveiligheid,
b. het geraamde evenwicht tussen aanbod en vraag in de komende vijf
jaar,
c. de vooruitzichten inzake de elektriciteitsvoorziening voor de periode
tussen vijf en vijftien jaar na de datum van verslaglegging, en
d. de voornemens van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
en voor zover bekend van andere partijen voor de komende vijf of meer
kalenderjaren op het gebied van investeringen ter voorziening in
landgrensoverschrijdende netten.
5.Bij het onderdeel van het verslag waarin aandacht wordt besteed aan de
investeringsvoornemens in landgrensoverschrijdende netten als bedoeld in
het vierde lid, onderdeel d, wordt met betrekking tot die voornemens
rekening gehouden met:
a. de beginselen van congestiebeheer, zoals vermeld in de Verordening,
b. de bestaande en geplande transportlijnen,
c. verwachte patronen op het gebied van productie, levering,
grensoverschrijdende handel en verbruik waarbij ruimte is voor
vraagbeheersmaatregelen, en
d. regionale, nationale en Europese doelstellingen voor duurzame
ontwikkeling met inbegrip van de projecten die zijn opgenomen in bijlage
I bij Beschikking nr. 1364/2006/EG.
Hoofdstuk 2. Uitvoering en toezicht
Artikel 5
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is belast met taken
ter uitvoering van deze wet en de Verordening, alsmede met het toezicht
op de naleving van deze wet en de Verordening.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit houdt bij de
uitoefening van de hem op grond van deze wet en de Gaswet toegekende
taken en bevoegdheden rekening met het belang van de bevordering van een
elektriciteitsmarkt en een gasmarkt die niet-discriminatoir en
transparant zijn en die gekenmerkt worden door daadwerkelijke
mededinging en een doeltreffende marktwerking. Hij volgt nauwlettend in
welke mate de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt aan de in de vorige
volzin genoemde belangen voldoen en doet hiervan verslag aan Onze
Minister.
3. De werkzaamheden in verband met de uitvoering van artikel 51 worden
verricht door personen die niet betrokken zijn bij werkzaamheden op
grond van hoofdstuk 3, paragrafen 4 tot en met 6.
4. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet en de Verordening zijn belast de bij besluit van de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren.
5. Van een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
6. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan bindende
aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet en de Verordening. Van de beschikking wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 5a [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 5b
1.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een
handhavingsplan op. Het plan beschrijft de procedure en de wijze waarop
de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit zijn in deze wet
toegekende handhavingsbevoegdheden toepast.
2.Het handhavingsplan behoeft goedkeuring van Onze Minister.
3.Het besluit tot goedkeuring wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7
1.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan van een
producent, een leverancier, een handelaar, een netbeheerder, een
elektriciteits- of gasbeurs of een afnemer de gegevens en inlichtingen
verlangen die hij nodig heeft voor uitvoering van de hem in deze wet
opgedragen taken.
2.Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te
verstrekken, is verplicht binnen de door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit gestelde redelijke termijn alle medewerking te
verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van
zijn bevoegdheden.
3.Gegevens of inlichtingen omtrent een producent, een leverancier, een
handelaar, een netbeheerder, een elektriciteits- of gasbeurs of een
afnemer, welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de
uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de
toepassing van deze wet, de Mededingingswet en de Gaswet en voor de
toepassing van artikelen 4.4 en 4.5 van de Wet handhaving
consumentenbescherming worden gebruikt.
4.In afwijking van het derde lid is de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit bevoegd gegevens en inlichtingen, verkregen
ingevolge het eerste lid, te verstrekken aan:
a. een buitenlandse instelling, die op grond van nationale wettelijke
regels is belast met de toepassing van de regels op het gebied van
elektriciteit, voor zover die gegevens en inlichtingen van betekenis
zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van de taak van die instelling;
b. een bestuursorgaan dat op grond van deze wet of van een andere
wettelijke regeling dan deze wet is belast met taken die de toepassing
of mede de toepassing van bepalingen op het gebied van elektriciteit
betreffen, voor zover die gegevens en inlichtingen van betekenis kunnen
zijn voor de uitoefening van de taak van dat bestuursorgaan.
5.Op basis van het vierde lid kunnen uitsluitend gegevens en
inlichtingen worden verstrekt indien:
a. de geheimhouding van de gegevens en inlichtingen in voldoende mate is
gewaarborgd, en
b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens en inlichtingen niet zullen
worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 9 [Vervallen per 01-07-2005]
Hoofdstuk 2A. Productiecapaciteit
§ 1. Aanbesteding van productiecapaciteit
Artikel 9a
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister om de leverings- en
voorzieningszekerheid te waarborgen onvoldoende productie-installaties
worden gebouwd, kan hij een procedure starten overeenkomstig artikel 7
van de richtlijn.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld over de in artikel 7 van de richtlijn bedoelde procedure.
§ 2. Coördinatie van de aanleg of uitbreiding van
productie-installaties
Artikel 9b
1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op de
aanleg en uitbreiding van:
a. een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die
installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien
het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit
met behulp van windenergie;
b. een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die
installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 50 MW, indien
het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit
anders dan met behulp van windenergie;
c. een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die
installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 500 MW, indien
het betreft een installatie voor de opwekking van andere dan duurzame
elektriciteit.
2. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening is eveneens van toepassing
op de uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van
andere dan duurzame elektriciteit, met inbegrip van de aansluiting van
die installatie op een net, indien door die uitbreiding de capaciteit
van die productie-installatie wordt vergroot tot ten minste 500 MW.
3. De producent meldt een voornemen tot aanleg of uitbreiding van een
productie-installatie als bedoeld in het eerste of tweede lid, zo
spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister. Bij ministeriële
regeling kan voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken
gegevens een formulier worden vastgesteld.
4. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
installatie als bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede het aantal
voor de aanleg of uitbreiding van die installatie benodigde besluiten,
redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure,
bedoeld in het eerste of tweede lid, de besluitvorming in betekenende
mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn
verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef
en onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef
en onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van
toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van die
installatie. Onze Minister hoort de producent en de betrokken
bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de
bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 9c
1.Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel 3.35,
tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.28, vierde lid, van de
Wet ruimtelijke ordening treden, in afwijking van dat artikellid, Onze
Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer gezamenlijk in de plaats van burgemeester en wethouders ten
aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in dat
artikellid.
3.Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad, bepalen dat Onze Minister en Onze Minister wie het mede
aangaat, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.35, derde lid,
vierde volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, één of meer besluiten
nemen die nodig zijn voor de aanleg of uitbreiding van een daarbij
aangewezen productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid.
Artikel 9d
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten
aangewezen die voor de aanleg of uitbreiding van een
productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, in ieder
geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet ruimtelijke ordening zijn.
2. Onze Minister kan ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een
productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, tevens
één of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid
aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in artikel
3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening.
3. Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid
aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel
9b, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het
desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in
artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening
wordt aangemerkt.
Artikel 9e
1. Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een
productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met
behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet
meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op
een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als
bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening
vast te stellen. De gemeenteraad is voor de duur van tien jaren na de
vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een
bestemmingsplan vast te stellen.
2. Provinciale staten geven in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid
op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de
aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het
eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken gemeente
een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel wijziging van
een bestemmingplan ten behoeve van de realisatie van dat voornemen heeft
afgewezen. Voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken
gegevens kunnen provinciale staten een formulier vaststellen.
3. Artikel 3.26, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is
van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
4. Indien provinciale staten toepassing geven aan de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid, oefenen gedeputeerde staten de bevoegdheden en
voeren de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht uit en beslissen op een aanvraag om
een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a, b, c of g, van die wet. Gedeputeerde staten zenden
terstond een afschrift aan burgemeester en wethouders van beschikkingen
die zijn gegeven met toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de
eerste volzin.
5. Het tweede lid is niet van toepassing indien is voldaan aan de
krachtens het zesde lid voor die provincie gestelde minimum
realisatienorm.
6. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister
wordt per provincie een minimum realisatienorm vastgesteld. De
voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 9f
1. Gedeputeerde staten coördineren de voorbereiding en bekendmaking van
de besluiten, aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, ten
behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als
bedoeld in artikel 9e, eerste lid.
2. Gedeputeerde staten nemen de in het eerste lid bedoelde besluiten met
uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, tenzij dit
een bestuursorgaan van het Rijk is.
3. Gedeputeerde staten geven ten aanzien van de ontwerpen van de
besluiten, bedoeld in het eerste lid, gezamenlijk toepassing aan artikel
3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voegen de
kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, samen in een
kennisgeving die door hen wordt gedaan.
4. Voor zover de aanleg of de uitbreiding, bedoeld in het eerste lid,
onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die – al dan niet
krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een gemeente of
waterschap zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen of
uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, om dringende
redenen buiten toepassing worden gelaten.
5. Artikel 3.33, tweede en vierde tot en met zesde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing.
6. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat het eerste lid niet van
toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e,
eerste lid, indien:
a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de
desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te
verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in
betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke
voordelen zijn verbonden, of
b. is voldaan aan de krachtens artikel 9e, zesde lid, voor die provincie
gestelde minimum realisatienorm.
Artikel 9g
De aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in
artikel 9e, eerste lid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet
Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut. Artikel
3.36a, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 3. Transport van elektriciteit
§ 1. Aanwijzing van netbeheerders
Artikel 10
1.Het landelijk hoogspanningsnet omvat de netten die bestemd zijn voor
transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 110 kV of hoger
en die als zodanig worden bedreven, alsmede het
landsgrensoverschrijdende net op een spanningsniveau van 500 V of hoger.
2.De rechtspersoon die een recht van gebruik heeft van meer dan de helft
van de totale circuitlengte van het landelijk hoogspanningsnet, voor
zover dat een spanningsniveau van 220 kV of hoger betreft, wijst, na
overleg met de andere rechtspersonen die een recht van gebruik hebben
van dat net, voor het beheer van dat net een naamloze of besloten
vennootschap als netbeheerder aan.
3.Degene aan wie een ander net toebehoort dan het landelijk
hoogspanningsnet, wijst voor het beheer van dat net een of meer naamloze
of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.
4.Een aanwijzing als bedoeld in het tweede of derde lid geldt voor een
periode van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop Onze Minister
heeft ingestemd met de aanwijzing op grond van artikel 12, tweede lid.
Artikel 10a
1.De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet, beschikt over de economische eigendom van
het door hem beheerde net.
2.Bij gelegenheid van een aanwijzing als bedoeld in artikel 10, derde
lid, vindt voor zover nodig overdracht van de economische eigendom aan
de aangewezen netbeheerder plaats.
3.De overdracht geschiedt tegen verrichting van een tegenprestatie
waarvan de waarde ten hoogste de opbrengst vertegenwoordigt van de
exploitatie van het net, zoals deze op basis van algemene
bedrijfseconomische uitgangspunten kan worden afgeleid van de door de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit in de daaraan
voorafgaande periode van vijf jaar vastgestelde tarieven met betrekking
tot het netbeheer. Deze tegenprestatie kan zowel bestaan uit een
periodieke uitkering als uit een contant bedrag ineens.
Artikel 10b
1.Een netbeheerder maakt geen deel uit van een groep als bedoeld in
artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe ook een
rechtspersoon of vennootschap behoort die in Nederland elektriciteit
produceert of levert of daarin handelt.
2.Rechtspersonen en vennootschappen die deel uitmaken van een groep als
bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe ook
een rechtspersoon of vennootschap behoort die in Nederland elektriciteit
produceert of levert of daarin handelt, houden geen aandelen in een
netbeheerder of in een rechtspersoon die deel uitmaakt van een groep
waartoe ook een netbeheerder behoort en nemen niet deel in een
vennootschap die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een
netbeheerder behoort.
3.Een netbeheerder en met de netbeheerder verbonden groepsmaatschappijen
als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek:
a. houden geen aandelen in een rechtspersoon die in Nederland
elektriciteit produceert of levert of daarin handelt of in een
rechtspersoon die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een
rechtspersoon behoort die in Nederland elektriciteit produceert of
levert of daarin handelt;
b. nemen niet deel in een vennootschap die in Nederland elektriciteit
produceert of levert of daarin handelt of in een vennootschap die deel
uitmaakt van een groep waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap
behoort die in Nederland elektriciteit produceert of levert of daarin
handelt.
Artikel 11
1. Een producent, leverancier of handelaar wordt niet aangewezen als
netbeheerder.
2. De statuten van de netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet, bevatten in ieder geval:
a. de instelling van een raad van commissarissen;
b. de bepaling dat de leden van het bestuur en de meerderheid van de
leden van de raad van commissarissen direct noch indirect binding hebben
met een producent, een leverancier of een handelaar;
c. in afwijking van artikel 129, derde lid, of artikel 239, derde lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling dat aan de
goedkeuring van de raad van commissarissen ten minste zijn onderworpen
de besluiten van het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel
164, eerste lid, of artikel 274, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek;
d. de bepaling dat de aandeelhouders het kader vaststellen voor het
bezoldigingsbeleid van de bestuurders;
e. de bepaling dat het reserveren en uitkeren van de jaarlijkse winst
geschiedt met de instemming van de aandeelhouders en met inachtneming
van de uitvoering van de aan de netbeheerder bij wet opgedragen taken en
verplichtingen om zijn netten in werking te hebben, te vernieuwen, te
onderhouden en uit te breiden.
3. Indien een netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet, een afhankelijke maatschappij is in de zin
van artikel 152 of artikel 262 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
behoeven de statuten van die netbeheerder, in afwijking van het tweede
lid, onderdeel a, niet te voorzien in de instelling van een raad van
commissarissen.
4. In het in het derde lid bedoelde geval:
a. voldoet een rechtspersoon waarvan de netbeheerder een afhankelijke
maatschappij is aan de in het tweede lid, aanhef en onderdelen a en b,
genoemde eisen;
b. beschikt de raad van commissarissen van de rechtspersoon, bedoeld in
onderdeel a, waarvan de netbeheerder een afhankelijke maatschappij is
over de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, ten
aanzien van het bestuur van de netbeheerder.
Artikel 11a
1. De artikelen 155a, 158 tot en met 161a en 164 dan wel 265a, 268 tot
en met 271a en 274 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van
toepassing op de vennootschap die is aangewezen voor het beheer van het
landelijk hoogspanningsnet en haar statuten worden dienovereenkomstig
ingericht.
2. Het is aan de vennootschap die is aangewezen voor het beheer van het
landelijk hoogspanningsnet niet toegestaan haar statuten te wijzigen dan
nadat aan de wijziging door Onze Minister goedkeuring is verleend. Onze
Minister weigert goedkeuring indien de statuten na de wijziging niet in
overeenstemming zijn met dit artikel.
3. De leden van het bestuur en de meerderheid van de leden van de raad
van commissarissen van de vennootschap die is aangewezen voor het beheer
van het landelijk hoogspanningsnet hebben direct noch indirect binding
met een rechtspersoon die de productie, aankoop of levering van gas of
elektriciteit verricht of met een aandeelhouder van die rechtspersoon.
4. Een lid van de raad van commissarissen van de vennootschap die is
aangewezen voor het beheer van het landelijk hoogspanningsnet wordt niet
benoemd dan nadat Onze Minister heeft ingestemd met het voornemen tot
benoeming.
5. Indien de vennootschap die is aangewezen voor het beheer van het
landelijk hoogspanningsnet een afhankelijke maatschappij is in de zin
van artikel 152 of artikel 262 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is
het eerste lid niet van toepassing.
6. In het in het vijfde lid bedoelde geval:
a. voldoet een rechtspersoon waarvan de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet een afhankelijke maatschappij is aan de in het eerste
tot en met vierde lid genoemde eisen;
b. beschikt de raad van commissarissen van de rechtspersoon, bedoeld in
onderdeel a, waarvan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
een afhankelijke maatschappij is over de bevoegdheden tot goedkeuring
van de besluiten van het bestuur van de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet, bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 274,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 11b
1.Een netbeheerder die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in
artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek stelt een reglement
vast, waarin regels worden gesteld die beogen discriminatie bij de
uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet te
voorkomen. Het reglement bevat in ieder geval regels ten aanzien van het
gedrag van werknemers die ertoe strekken dat discriminatie als bedoeld
in de vorige volzin wordt voorkomen.
2.De netbeheerder draagt er zorg voor dat elke werknemer is gebonden aan
het reglement en ziet er op toe dat het reglement nauwgezet wordt
nageleefd.
3.De netbeheerder stelt jaarlijks een verslag op over de wijze waarop
uitvoering is gegeven aan het reglement, en welke maatregelen in dat
kader zijn genomen. Hij zendt het verslag naar de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit en draagt zorg voor publicatie ervan op een
geschikte wijze.
Artikel 12
1.De netbeheerder meldt aan Onze Minister onverwijld na zijn aanwijzing
zijn naam en adres en de naam en het adres van zijn aandeelhouders en
zendt aan Onze Minister een beschrijving van het net dat door hem zal
worden beheerd. Ten minste eenmaal per jaar meldt hij aan Onze Minister
iedere wijziging van de namen of adressen en zendt hij hem een
beschrijving van de wijziging van het net dat door hem wordt beheerd.
2.De aanwijzing behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister
onthoudt zijn instemming of kan voorschriften verbinden aan de
instemming, indien niet is voldaan aan de artikelen 10a, 10b, 11, 11a of
11b of indien de aangewezen netbeheerder in onvoldoende mate in staat
zal zijn aan een verplichting als bedoeld in de artikelen 7, 16Aa,18a of
78 te voldoen, een taak als bedoeld in artikel 16, eerste of tweede lid,
of 16a, uit te voeren dan wel een verbod als bedoeld in artikelen 17,
17a of 18 na te leven.
3.Indien Onze Minister voorschriften verbindt aan zijn instemming,
strekken deze er slechts toe de geconstateerde tekortkomingen, bedoeld
in het tweede lid, weg te nemen.
Artikel 13
1. Indien het aanwijzen van een netbeheerder als bedoeld in artikel 10,
tweede of derde lid, niet is geschied binnen vier weken na de aanleg van
een net dan wel onverwijld na het intrekken of vervallen van een eerdere
aanwijzing, wijst Onze Minister een naamloze of besloten vennootschap
aan als netbeheerder van dat net.
2. Indien Onze Minister vaststelt dat niet meer voldaan wordt aan de
artikelen 10a, 10b, 11, 11a of 11b of dat een netbeheerder in
onvoldoende mate in staat is of zal zijn om aan een verplichting als
bedoeld in de artikelen 7, 16Aa, 18a of 78 te voldoen, om een taak als
bedoeld in artikel 16 of 16a uit te voeren of indien hij artikel 17, 17a
of 18 niet naleeft, kan hij de desbetreffende netbeheerder opdragen door
hem noodzakelijk geachte voorzieningen te treffen.
3. Indien de netbeheerder niet voldoet aan een opdracht als bedoeld in
het tweede lid, indien hij vaststelt dat opdrachten, bedoeld in artikel
13a, eerste lid, niet worden uitgevoerd of indien naar het oordeel van
Onze Minister door de bedrijfsvoering van deze netbeheerder de
continuïteit of de betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening
voor afnemers in gevaar komt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk is,
kan Onze Minister:
a. de aanwijzing van de desbetreffende netbeheerder vervallen verklaren
en uiterlijk op de dag waarop die aanwijzing vervalt een andere naamloze
of besloten vennootschap als netbeheerder aanwijzen, of
b. artikel 13a toepassen.
4. In een beschikking als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, bepaalt
Onze Minister de termijn waarop die aanwijzing vervalt en kan hij degene
die de netbeheerder, bedoeld in de aanhef van het derde lid, heeft
aangewezen in de gelegenheid stellen binnen een door Onze Minister te
bepalen termijn een andere netbeheerder aan hem ter aanwijzing voor te
dragen. Onze Minister kan deze termijn eenmaal verlengen.
5. Onze Minister kan voor de periode totdat een beschikking als bedoeld
in het derde lid, onderdeel a, in werking treedt, artikel 13a toepassen.
6. Uiterlijk op de dag waarop een beschikking als bedoeld in het derde
lid, onderdeel a, in werking treedt, draagt de netbeheerder, niet zijnde
de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, de economische
eigendom van het net over aan de door Onze Minister aangewezen nieuwe
netbeheerder. Degene die de netbeheerder, bedoeld in de aanhef van het
derde lid, heeft aangewezen, verleent daaraan voor zover nodig zijn
medewerking.
7. De overdracht van de economische eigendom, bedoeld in het zesde lid,
geschiedt tegen verrichting van een tegenprestatie waarvan de waarde
uiterlijk op de in dat lid bedoelde dag is vastgesteld en die ten
hoogste de opbrengst vertegenwoordigt van de exploitatie van het net,
zoals deze op basis van algemene bedrijfseconomische uitgangspunten kan
worden afgeleid van de door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit in de daaraan voorafgaande periode van vijf jaar
vastgestelde tarieven met betrekking tot het netbeheer. Deze
tegenprestatie kan zowel bestaan uit een periodieke uitkering als uit
een contant bedrag ineens.
8. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 13a
1.Onze Minister kan de netbeheerder aanzeggen dat hij vanaf een bepaald
tijdstip de opdrachten dient op te volgen die aan hem worden verstrekt
door een door Onze Minister aangewezen persoon. Bij de aanzegging geeft
Onze Minister aan ter bescherming van welk belang de aanzegging
geschiedt. Bij de aanzegging kunnen voorschriften en beperkingen worden
gesteld aan de te geven opdrachten. De aangewezen persoon verstrekt
uitsluitend opdrachten ter bescherming van het belang, bedoeld in de
tweede volzin.
2.De netbeheerder verschaft de door Onze Minister aangewezen persoon
desgevraagd alle medewerking.
3.Onze Minister kan te allen tijde de door hem aangewezen persoon
vervangen door een andere persoon.
4.De door Onze Minister aangewezen persoon oefent zijn bevoegdheid uit
gedurende een door Onze Minister in de aanzegging bepaalde termijn. Deze
termijn bedraagt ten hoogste zes maanden indien het betreft een
aanzegging als bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel b. Deze
termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
5.Voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in strijd
met een opdracht als bedoeld in het eerste lid, zijn bestuurders
persoonlijk aansprakelijk tegenover de netbeheerder.
Artikel 14
1.Degenen, bedoeld in artikel 10, tweede of derde lid, kunnen met
inachtneming van een redelijke termijn de aanwijzing als netbeheerder
vervangen door een aanwijzing van een andere naamloze of besloten
vennootschap als netbeheerder.
2.In geval van fusie, splitsing, ontbinding of faillissement van de
vennootschap die als netbeheerder is aangewezen, vervalt de aanwijzing
als netbeheerder van rechtswege en wijzen degenen, bedoeld inartikel 10,
tweede en derde lid, onverwijld een naamloze of besloten vennootschap
als netbeheerder aan. Deze vennootschap kan dezelfde zijn als de
vennootschap die daarvoor als netbeheerder was aangewezen.
3.Degenen, bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid, wijzen voor
afloop van de periode, bedoeld in artikel 10, vierde lid, een naamloze
of besloten vennootschap als netbeheerder aan voor de daarop
aansluitende periode. Deze vennootschap kan dezelfde zijn als de
vennootschap die daarvoor als netbeheerder was aangewezen.
4.De artikelen 10 tot en met 13 zijn van overeenkomstige toepassing op
de aanwijzing als netbeheerder, bedoeld in het eerste, tweede of derde
lid.
Artikel 15
1. Het gebod, bedoeld in artikel 10, derde lid, geldt niet voor zover
het een net betreft met een spanningsniveau van ten hoogste 0,4 kV en
een verbruik van ten hoogste 0,1 GWh per jaar, en een ander dan een
leverancier of een netbeheerder een recht van gebruik heeft van dat net.
2. Onze Minister kan op diens aanvraag aan degene aan wie een ander net
dan het landelijk hoogspanningsnet toebehoort een ontheffing verlenen
van het gebod, bedoeld in artikel 10, derde lid, voor zover het een net
betreft waarop een beperkt aantal andere natuurlijke personen of
rechtspersonen zijn aangesloten en:
a. het net bestemd is om de aanvrager te voorzien van elektriciteit dan
wel om het centrale bedrijfsproces van de aanvrager te ondersteunen, of
b. het net bestemd is om een aantal samenwerkende natuurlijke personen
of rechtspersonen te voorzien van elektriciteit en de samenwerking van
deze personen een betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch
verantwoord functionerende energiehuishouding in hun vestigingen ten
doel heeft, of
c. ten aanzien van het net kwaliteitseisen van toepassing zijn die in
betekenende mate afwijken van de voorwaarden die de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit op grond van artikel 36 of 37 heeft
vastgesteld, en
d. de aanvrager geen netbeheerder is en niet in een groepsmaatschappij
met een netbeheerder verbonden is.
3. Indien een ontheffing als bedoeld in het tweede lid is verleend,
sluit de ontheffinghouder een overeenkomst met de netbeheerder van het
net waarop zijn net is aangesloten om te waarborgen dat de uitvoering
van de taken van die netbeheerder niet wordt belemmerd.
4. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden met
betrekking tot de aansluiting op het net, de toegang tot het net, het
uitvoeren van de taken als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of 16a en
met betrekking tot de tarieven en voorwaarden die daarbij gehanteerd
moeten worden. Tevens int de ontheffinghouder het tarief voor
systeemdiensten, bedoeld in artikel 30, eerste lid, bij de afnemers die
op zijn net zijn aangesloten en draagt de te innen tarieven af aan de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.
5. Onze Minister kan een ontheffing intrekken indien degene aan wie de
ontheffing is verleend:
a. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid,
b. in strijd handelt met het derde lid of de voorschriften, bedoeld in
het vierde lid, of
c. bij de aanvraag om een ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens
heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid.
6. In afwijking van het tweede lid, onderdeel d, kan aan een aanvrager
die in een groepsmaatschappij met een netbeheerder is verbonden een
ontheffing worden verleend, indien van hem in redelijkheid niet kan
worden verwacht dat hij een netbeheerder aanwijst voor het net waarop de
aanvraag betrekking heeft. Een netbeheerder onthoudt zich van bemoeienis
met het beheer van het net waarop de ontheffing betrekking heeft.
§ 2. Taken en verplichtingen van de netbeheerder
Artikel 16
1. De netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in
het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak:
a. de door hem beheerde netten in werking te hebben en te onderhouden;
b. de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport
van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te
waarborgen;
c. de netten aan te leggen, te herstellen, te vernieuwen of uit te
breiden, waarbij in overweging worden genomen maatregelen op het gebied
van duurzame elektriciteit, energiebesparing en vraagsturing of
decentrale elektriciteitsproductie waardoor de noodzaak van vervanging
of vergroting van de productiecapaciteit ondervangen kan worden;
d. voldoende reservecapaciteit voor het transport van elektriciteit aan
te houden;
e. op de grondslag van artikel 23 derden te voorzien van een aansluiting
op de netten;
f. op de grondslag van artikel 24 ten behoeve van derden transport van
elektriciteit uit te voeren;
g. het bevorderen van de veiligheid bij het gebruik van toestellen en
installaties die elektriciteit verbruiken;
h. op verzoek van een producent vast te stellen of diens
productie-installatie geschikt is voor de opwekking van duurzame
elektriciteit dan wel of sprake is van een installatie voor
warmtekrachtkoppeling met een bij ministeriële regeling vast te stellen
mate van reductie van de uitstoot van kooldioxide dan wel of sprake is
van een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, alsmede
of de inrichting om te meten geschikt is voor de meting van de
elektriciteit die met de productie-installatie wordt opgewekt en op een
net of een installatie ingevoed;
i. de hoeveelheid elektriciteit te meten die afkomstig is van een
productie-installatie voor duurzame elektriciteit of klimaatneutrale
elektriciteit of van een installatie voor warmtekrachtkoppeling;
j. koppelingen met andere netten te realiseren en reparaties aan zijn
net uit te voeren;
k. onverminderd de artikelen 19 en 79, op een geschikte wijze gegevens
te publiceren over koppelingen tussen de netten, gebruik van de netten
en de toewijzing van transportcapaciteit;
l. afnemers alle gegevens te verstrekken die zij voor een efficiënte
toegang tot het net nodig hebben;
m. voorzieningen te treffen in geval van een faillissement van een
leverancier van elektriciteit aan afnemers als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid;
n. ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, voor elke aansluiting beschikt over een geïnstalleerde
meetinrichting, tenzij die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld
inartikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten
aansluiting;
o. zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij een afnemer
als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, geïnstalleerde meetinrichting;
p. afnemers, niet zijnde afnemers, als bedoeld in artikel 95a, eerste
lid, desgevraagd een meetinrichting ter beschikking te stellen.
2. In aanvulling op de taken, bedoeld in het eerste lid, heeft de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tevens tot taak:
a. technische voorzieningen te treffen en systeemdiensten uit te voeren,
waaronder het aanhouden van voldoende productiereservecapaciteit, die
nodig zijn om het transport van elektriciteit over alle netten op een
veilige en doelmatige wijze te waarborgen;
b. mede ten behoeve van de andere netbeheerders de technische
voorzieningen en systeemdiensten, bedoeld onder a, te benutten;
c. op de grondslag van paragraaf 7 van dit hoofdstuk ten behoeve van
derden transport van elektriciteit uit te voeren met behulp van het
landelijk hoogspanningsnet, voor de uitvoer van die elektriciteit vanuit
Nederland naar een afnemer of leverancier in het buitenland, dan wel
voor de invoer van die elektriciteit vanuit het buitenland naar een
afnemer of leverancier in Nederland;
d. een passend niveau van voorzieningen te treffen en te handhaven,
waaronder het aanhouden van voldoende productiereservecapaciteit, in
verband met de leveringszekerheid op de korte en de lange termijn;
e. [vervallen;]
f. indien Onze Minister hem dit opdraagt, werkzaamheden te verrichten
ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 4a;
g. andere netbeheerders de gegevens te verschaffen die nodig zijn om een
betrouwbare en efficiënte werking, alsmede de samenhangende
ontwikkeling en interoperabiliteit, van de netten te waarborgen. In
geval van grensoverschrijdende koppeling met andere lidstaten van de
Europese Unie dan wel met niet lidstaten wisselt de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet met de betreffende netbeheerders in die
landen, in overeenstemming met de operationele minimumvereisten als
bedoeld in artikel 31, elfde lid, tijdig en op doeltreffende wijze
gegevens uit over het functioneren van de landgrensoverschrijdende
netten.
3. Het is anderen dan de desbetreffende netbeheerder verboden een taak
uit te voeren als bedoeld in het eerste of tweede lid, behoudens voor
zover het betreft het realiseren van de aansluiting van een afnemer als
bedoeld inartikel 16c, het aanleggen van een landsgrensoverschrijdend
net als bedoeld in het zesde lid of het aanleggen, beheren en
onderhouden van een net als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid,
dan wel ter uitvoering van een procedure als bedoeld in artikel 20,
derde lid.
4. Producenten, leveranciers en handelaren onthouden zich van iedere
bemoeiing met de uitvoering van de taken die op grond van het eerste of
tweede lid aan een netbeheerder zijn opgedragen.
5. Indien een ander dan de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet een landsgrensoverschrijdend net heeft aangelegd, heeft
de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tot taak dat net te
beheren met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Indien een ander dan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
een recht van gebruik heeft van een net dat op grond van artikel 10,
eerste lid, behoort tot het landelijk hoogspanningsnet, is hij verplicht
aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet alle medewerking
te verlenen opdat deze zijn taken op grond van het eerste en tweede lid
kan uitvoeren.
6. Indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet energie
inkoopt ter uitvoering van zijn wettelijke taken, doet hij dit op basis
van een transparante, niet-discriminatoire en marktconforme procedure.
7. Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, wordt
gepubliceerd in de Staatscourant.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter
uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel m. Deze
regels hebben mede betrekking op de wijze waarop enerzijds de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en anderzijds de
producenten, leveranciers, handelaren en afnemers zich jegens elkaar
gedragen in verband met de uitvoering van de taak, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel d.
9. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit brengt advies uit
over het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
achtste lid. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het
ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
10. Tot de voorzieningen die de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet ter uitvoering van zijn taak bedoeld in het tweede lid,
onderdeel d, treft, behoren het voor transport van elektriciteit
handhaven van reservecapaciteit die groot genoeg is om de operationele
netwerkveiligheid te waarborgen en het samenwerken met netbeheerders
waarmee hij een landgrensoverschrijdend net heeft.
11. Een beslissing tot het aanleggen van een landsgrensoverschrijdend
net door de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet dan wel
door een ander als bedoeld in het zesde lid wordt niet genomen dan in
nauwe samenwerking met de netbeheerders in andere landen waarmee een
landgrensoverschrijdend net tot stand wordt gebracht en andere relevante
netbeheerders.
12. Indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het
noodzakelijke acht voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 16,
tweede lid, onderdeel d, ter uitvoering van zijn taak de
leveringszekerheid voor de lange termijn te waarborgen, verstrekt hij de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een overzicht van de te
nemen maatregelen en de gevolgen van die maatregelen voor afnemers en
het functioneren van de markt. De raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit zendt het overzicht vergezeld van zijn advies aan
Onze Minister. De maatregelen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
13. Onze Minister verleent zijn goedkeuring niet eerder dan vier weken
nadat het overzicht en het advies, bedoeld in het dertiende lid, aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 16Aa
1. Een netbeheerder verricht de werkzaamheden ter uitvoering van de
taken, bedoeld in artikel 16, eerste en tweede lid, in eigen beheer of
tezamen met een of meer andere netbeheerders.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen de navolgende werkzaamheden
worden uitbesteed:
a. feitelijke werkzaamheden in verband met de aanleg, het onderhoud en
de reparatie van het net;
b. inspecties van netten met het oog op de veiligheid;
c. speur- en ontwikkelingswerk ten behoeve van de aanleg, het onderhoud
en de reparatie van het net;
d. de werkzaamheden ter uitvoering van artikel 16, eerste lid,
onderdelen n, o en p, en het tweede lid, onderdeel e.
3. Ingeval van uitbesteding van werkzaamheden als bedoeld in het tweede
lid:
a. behoudt de netbeheerder de verantwoordelijkheid voor de volledige en
juiste uitvoering van de desbetreffende taken,
b. draagt de netbeheerder er zorg voor dat de regels die krachtens
artikel 11b, eerste lid, zijn gesteld met betrekking tot het voorkomen
van discriminatie bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden, van
overeenkomstige toepassing zijn bij het verrichten van de uitbestede
werkzaamheden en
c. draagt de netbeheerder er zorg voor dat in de overeenkomst tot
uitbesteding de wijze waarop de kosten voor de desbetreffende
werkzaamheden worden berekend, wordt vastgelegd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het derde lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 16a
1.Het is anderen dan de desbetreffende netbeheerder verboden een taak
uit te voeren als bedoeld in artikel 16, eerste of tweede lid, behoudens
voor zover het betreft het meten van elektriciteit, bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel i.
2.Degene, niet zijnde een netbeheerder, die bij een afnemer de meting
van van het net afgenomen en verbruikte of opgewekte en op het net
ingevoede elektriciteit verricht, deelt de daarmee verkregen
meetgegevens mee aan de desbetreffende afnemer en aan de netbeheerder op
wiens net de afnemer is aangesloten.
3.De netbeheerder deelt het resultaat van de vaststelling, bedoeld in
artikel 16, eerste lid, onderdeel h, en de meetgegevens, bedoeld in het
tweede lid en in artikel 16, eerste lid, onderdeel i, mee aan de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet alsmede aan de
desbetreffende producent voor zover die nog niet de beschikking heeft
over die informatie.
Artikel 16b [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 16ba [Vervallen per 01-04-2008]
Artikel 16c
1. In afwijking van artikel 16, eerste lid, onderdeel e, kan een afnemer
die een aansluiting op het net wenst met een aansluitwaarde groter dan
10 MVA een openbare aanbesteding van de aansluitingswerkzaamheden
uitschrijven.
2. Met een afnemer, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld een
organisatorische eenheid, die zich in hoofdzaak bezig houdt met openbaar
vervoer per trein, tram, of trolley, met mijnbouwkundige activiteiten,
met het beheer en de exploitatie van telecommunicatie- en
kabelnetwerken, met het beheer van openbare verlichting of van
verkeersregelinstallaties, dan wel met riolering, bemaling,
waterzuivering of transport en distributie van water waarbij deze
eenheid ingevolge de technische aard van de bedrijfsuitoefening beschikt
over verscheidene aansluitingen.
3. Het bedrijf dat de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid,
uitvoert, beschikt ten minste over voldoende kennis, deskundigheid en
ervaring om een aansluiting op het net te kunnen realiseren.
4. De afnemer die het verzoek, bedoeld in het eerste lid, doet, verzoekt
de netbeheerder die het net beheert om instemming met het realiseren van
een aansluiting als bedoeld in het eerste lid. De netbeheerder onthoudt
zijn instemming slechts, indien met het verlenen van de gevraagde
instemming de betrouwbaarheid van het door hem beheerde net niet langer
kan worden gewaarborgd.
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen,
onderhouden en verwijderen van een aansluiting als bedoeld in het eerste
of tweede lid.
Artikel 16d
1. Een netbeheerder stelt iedere vijf jaar een calamiteitenplan vast en
zendt dit ter goedkeuring aan Onze Minister.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan het
calamiteitenplan.
3. Onze Minister beoordeelt of het calamiteitenplan voldoet aan de
eisen, bedoeld in het tweede lid, en kan de netbeheerder verzoeken het
calamiteitenplan aan te passen.
Artikel 17
1.Het is de netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet of een rechtspersoon waarin de netbeheerder een
deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, niet toegestaan goederen of diensten waarmee zij in
concurrentie treden te leveren, tenzij het betreft het verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van:
a. de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste of tweede
lid, of 16a, voor zichzelf, voor andere netbeheerders of voor anderen
die een recht van gebruik van een net hebben;
b. de aanleg, het beheer of het onderhoud van leidingen buiten gebouwen
voor het transport van gas;
c. het ter beschikking stellen en houden van netten ten behoeve van het
gebruik van daarmee verbonden zaken door derden;
d. het uitvoeren van werkzaamheden, bedoeld in artikel 16c, eerste en
vijfde lid.
2.Indien een netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet, deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is het deze groep niet toegestaan
om handelingen of activiteiten te verrichten die strijdig kunnen zijn
met het belang van het beheer van het desbetreffende net.
3.Onder handelingen en activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden
in ieder geval verstaan:
a. handelingen en activiteiten die niet op enigerlei wijze betrekking
hebben op of verband houden met infrastructurele voorzieningen of
aanverwante activiteiten,
b. het door de netbeheerder verstrekken van zekerheden ten behoeve van
de financiering van activiteiten van tot de groep behorende
rechtspersonen of vennootschappen en
c. het zich aansprakelijk stellen door de netbeheerder voor schulden van
tot de groep behorende rechtspersonen of vennootschappen,
tenzij het verstrekken van zekerheden of het zich aansprakelijk stellen
voor schulden door de netbeheerder:
1°. geschiedt ten behoeve van handelingen of activiteiten die de
netbeheerder zelf zou mogen verrichten,
2°. anderszins verband houdt met het netbeheer of
3°. geschiedt om te voldoen aan voorwaarden in verband met de
toepassing van wettelijke bepalingen.
4.De statuten van de rechtspersonen die met een netbeheerder, niet
zijnde de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, in een groep
zijn verbonden, behoeven de goedkeuring van Onze Minister voor zover het
betreft de daarin opgenomen doelstellingen van die rechtspersonen.
Artikel 17a
1.Het is de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet of een
rechtspersoon waarin de netbeheerder een deelneming heeft als bedoeld in
artikel 24c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet toegestaan
goederen of diensten waarmee zij in concurrentie treden te leveren,
tenzij het betreft het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van:
a. de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste of tweede
lid, of 16a voor zichzelf, voor andere netbeheerders of voor anderen die
een recht van gebruik op een net hebben,
b. de aanleg, het beheer of het onderhoud van leidingen buiten gebouwen
voor het transport van gas of
c. het ter beschikking stellen en houden van netten ten behoeve van het
gebruik van daarmee verbonden zaken door derden;
d. het uitvoeren van werkzaamheden, bedoeld in artikel 16c, eerste en
vijfde lid.
2.Indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet onderdeel
uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, is het deze groep niet toegestaan om handelingen of
activiteiten te verrichten die strijdig kunnen zijn met het belang van
het beheer van het landelijk hoogspanningsnet.
3.De statuten van de rechtspersonen die met de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet in een groep zijn verbonden, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister voor zover het betreft de daarin opgenomen
doelstellingen van die rechtspersonen.
4.De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verstrekt binnen
zes maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit een overzicht van de financiële middelen
waarover hij beschikt ten behoeve van de uitvoering van zijn wettelijke
taken, waaruit blijkt welke financiële middelen voor de afzonderlijke
taken beschikbaar zijn.
Artikel 18
1.Indien een met de netbeheerder in een groep verbonden
groepsmaatschappij in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek activiteiten verricht die de netbeheerder op grond
van artikel 17 of 17a niet zelf mag verrichten, mag de netbeheerder of
een rechtspersoon waarin de netbeheerder een deelneming heeft als
bedoeld in artikel 17 of 17a een dergelijke groepsmaatschappij niet
bevoordelen boven anderen waarmee een dergelijke groepsmaatschappij in
concurrentie treedt, of anderszins voordelen toekennen die verder gaan
dan in normaal handelsverkeer gebruikelijk is.
2.Als bevoordelen van een groepsmaatschappij als bedoeld in het eerste
lid of het toekennen van voordelen die verder gaan dan in normaal
handelsverkeer gebruikelijk is, worden in ieder geval aangemerkt:
a. het verstrekken van gegevens aan een groepsmaatschappij over
afnemers, niet zijnde niet zijnde afnemers als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, die een verzoek als bedoeld in artikel 23 of 24 hebben
gedaan;
b. het leveren van goederen of diensten aan een groepsmaatschappij tegen
een vergoeding die lager is dan de redelijkerwijs daaraan toe te rekenen
kosten, of
c. het toestaan van het gebruik door een groepsmaatschappij van de naam
en het beeldmerk van de netbeheerder op een wijze waardoor verwarring
bij het publiek te duchten is over de herkomst van goederen of diensten.
3.De netbeheerder voegt bij zijn jaarrekening een verklaring waaruit
blijkt dat de financiële verhouding tussen de netbeheerder en de
groepsmaatschappijen, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in het
eerste lid gestelde eisen. De netbeheerder legt een exemplaar van zijn
jaarrekening, de daartoe behorende toelichting en de daarbij gevoegde
verklaring voor een ieder ter inzage in al zijn kantoren en zendt een
exemplaar daarvan aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit.
Artikel 18a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent een goed financieel beheer van de netbeheerder.
2. De in het eerste lid bedoelde regels houden in ieder geval in dat
a. de netbeheerder voldoet aan bij of krachtens die maatregel gestelde
eisen aan zijn kredietwaardigheid waaronder de verhouding tussen vreemd
vermogen en totaal vermogen, of dat
b. de netbeheerder beschikt over een verklaring van een onafhankelijke
deskundige ten aanzien van zijn kredietwaardigheid.
3. In de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen tevens
a. regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening van
vermogensonderdelen;
b. eisen worden gesteld met betrekking tot de in het tweede lid,
onderdeel b, bedoelde verklaring en de daar bedoelde deskundige.
4. Indien de netbeheerder niet voldoet aan de regels, bedoeld in het
eerste lid:
a. stelt de netbeheerder de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit hiervan onverwijld schriftelijk op de hoogte,
b. stelt de netbeheerder binnen vier weken na de melding een herstelplan
op waarin wordt beschreven op welke wijze hij het financieel beheer gaat
verbeteren en zendt hij dit plan aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit, en
c. keert de netbeheerder geen dividend uit aan zijn aandeelhouders.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan de netbeheerder
aanwijzingen geven met betrekking tot de verbetering van het financieel
beheer.
Artikel 19
De netbeheerder gebruikt aan hem verstrekte gegevens over afnemers als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, uitsluitend voor het uitvoeren van
in deze wet aan de netbeheerder opgedragen taken, met dien verstande dat
deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het ten behoeve van de
vergunninghouder innen van de vergoeding voor het leveren van
elektriciteit.
Artikel 19a
1. Een netbeheerder houdt een registratie bij van kwaliteitsindicatoren
betreffende het transport van elektriciteit.
2. De netbeheerder zendt de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit voor 1 maart van elk jaar een afschrift van de
registratie van het voorafgaande jaar tezamen met een rapportage waarin
de wijzigingen ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar en de
afwijkingen ten opzichte van het kwaliteitsniveau dat de netbeheerder
nastreeft, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onder a, zijn toegelicht.
De netbeheerder maakt eveneens voor het tijdstip, bedoeld in de eerste
volzin, de rapportage op een geschikte wijze openbaar.
3. De netbeheerder bewaart de registratie ten minste tien jaar.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan onderzoek doen
naar de deugdelijkheid van de registratie, in het bijzonder doch niet
uitsluitend door in het net van de desbetreffende netbeheerder metingen
te verrichten of te doen verrichten. De netbeheerder gedoogt dat de
metingen in zijn net worden verricht.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de inhoud van de registratie en de wijze van registreren;
b. de kwaliteitsindicatoren die in de registratie zijn opgenomen;
c. de rapportage.
6. De in het vijfde lid bedoelde ministeriële regeling kan, ten behoeve
van het toezicht op de naleving van dit artikel, mede inhouden dat een
door een geaccrediteerde instelling aan een netbeheerder verstrekt
certificaat van conformiteit aan het bepaalde bij of krachtens dit
artikel, het vermoeden oplevert dat de netbeheerder overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens dit artikel uitvoering geeft aan de
verplichting tot registratie.
Artikel 19b
1.De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet, verstrekt binnen zes maanden na afloop van
ieder kalenderjaar aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit:
a. een overzicht van de door hem gesloten overeenkomsten met betrekking
tot het verrichten van diensten ten behoeve van het netbeheer, vergezeld
van afschriften van die overeenkomsten voorzover de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit daarover niet reeds beschikt,
b. een overzicht van het aantal personen dat bij de netbeheerder
werkzaam is ter uitvoering van de in artikel 16 en 16a genoemde taken,
c. een overzicht van in het afgelopen jaar gerealiseerde investeringen
in het net,
d. een overzicht van de financiële middelen waarover hij beschikt ten
behoeve van de uitvoering van zijn wettelijke taken, waaruit blijkt
welke financiële middelen voor de afzonderlijke taken beschikbaar zijn,
en
e. een verklaring van een onafhankelijke deskundige omtrent het in
onderdeel d bedoelde overzicht.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de overzichten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met
d, en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
Artikel 19c
De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet, draagt er zorg voor dat de afnemers die op zijn net
zijn aangesloten een overzicht ontvangen waarop de kosten in verband met
die aansluiting overzichtelijk en begrijpelijk zijn gespecificeerd.
Artikel 19d
1. Een netbeheerder voorziet in een transparante, eenvoudige en goedkope
procedure voor de behandeling van klachten van afnemers als bedoeld
inartikel 95a, eerste lid, over het netbeheer.
2. De in het eerste lid bedoelde procedure voorziet er voorts in dat:
a. de behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij
de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest,
b. de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis wordt gesteld van de
bevindingen naar aanleiding van de klacht en van de conclusies die
daaraan worden verbonden, en
c. de klacht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht weken wordt
afgehandeld.
Artikel 19e
1.Een netbeheerder draagt er, al dan niet samen met een of meer andere
netbeheerders, zorg voor dat onderbrekingen in het transport van
elektriciteit door afnemers op een eenvoudige wijze gemeld kunnen worden
en maakt aan afnemers bekend op welke wijze deze meldingen kunnen
geschieden.
2.Een netbeheerder registreert, al dan niet samen met een of meer andere
netbeheerders, van de gemelde onderbrekingen, de datum en het tijdstip
van het begin van de onderbrekingen, de duur van de onderbrekingen, de
locatie, aard en oorzaak van de onderbrekingen alsmede het aantal
getroffen afnemers.
3.Een netbeheerder maakt, al dan niet samen met andere netbeheerders, de
actuele stand van zaken betreffende de geregistreerde onderbrekingen in
zijn net op geschikte wijze openbaar, en vermeldt daarbij de datum en
het tijdstip van het begin van de onderbrekingen, de duur van de
onderbrekingen, de locatie, aard en oorzaak van de onderbrekingen
alsmede het aantal getroffen afnemers.
§ 3. Aanleg, herstel, uitbreiding of vernieuwing van netten
Artikel 20
1.Een net dat door een netbeheerder is of wordt aangelegd, hersteld,
vernieuwd of uitgebreid in het voor hem op grond van artikel 36 of 37
vastgestelde gebied, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet
Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als
openbaar werk van algemeen nut.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot daarbij
aan te wijzen gebieden regels worden gesteld over de wijze waarop, gelet
op het belang van een betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en
milieuhygiënisch verantwoord functionerende energiehuishouding, een
afweging wordt gemaakt met betrekking tot de aanleg van een net en de
aanleg van leidingen voor het transport van gas of warmte.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een net
slechts wordt aangelegd als resultaat van een openbare procedure waarin
gegadigden op een te plaatsen opdracht kunnen inschrijven met een
aanbieding voor de aanleg van een net of van leidingen voor het
transport van gas of warmte.
Artikel 20a
1. De procedure bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op een uitbreiding
van het landelijke hoogspanningsnet, voor zover het betreft de van dat
net deel uitmakende netten bestemd voor het transport van elektriciteit
op een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden
bedreven, en de van dat net deel uitmakende landsgrensoverschrijdende
netten op een spanningsniveau van 500 V of hoger, met inbegrip van de
aansluitingen op die netten.
2. De beheerder van het net, bedoeld in het eerste lid, meldt een
voornemen tot een uitbreiding van een net waarop het eerste lid van
toepassing is zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister. Bij
ministeriële regeling kan voor het doen van de melding en de daarbij te
verstrekken gegevens een formulier worden vastgesteld.
3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een net
als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of
uitbreiding van dat net benodigde besluiten, redelijkerwijs niet valt te
verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid,
de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan
anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister
bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef
en onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef
en onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van
toepassing zijn of is op de uitbreiding van dat net. Onze Minister hoort
de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een
voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste
volzin.
Artikel 20b
1.Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel 3.35,
tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.28, vierde lid, van de
Wet ruimtelijke ordening treden, in afwijking van dat artikellid, Onze
Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer gezamenlijk in de plaats van burgemeester en wethouders ten
aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in dat
artikellid.
3.Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad, bepalen dat Onze Minister en Onze Minister wie het mede
aangaat, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.35, derde lid,
vierde volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, één of meer besluiten
nemen die nodig zijn voor een daarbij aangewezen uitbreiding van het
net, bedoeld in artikel 20a, eerste lid.
Artikel 20c
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten
aangewezen die voor de uitbreiding van het net, bedoeld in artikel 20a,
eerste lid, in ieder geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening zijn.
2. Onze Minister kan ten behoeve van een uitbreiding van het net,
bedoeld inartikel 20a, eerste lid, tevens één of meer andere besluiten
dan de bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluiten aanwijzen
als besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van
de Wet ruimtelijke ordening.
3. Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid
aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel
20a, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het
desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in
artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening
wordt aangemerkt.
Artikel 20d
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verrekent de kosten
van een investering waarvoor op grond van artikel 3.28 of artikel 3.29
van de Wet ruimtelijke ordening een inpassingsplan is vastgesteld of
projectbesluit is genomen, in de tarieven indien en voor zover de kosten
doelmatig zijn.
Artikel 20e
1. Een netbeheerder meldt een voornemen tot investeren in de aanleg of
uitbreiding van het net, waarop de procedures, bedoeld in artikel 3.28
of artikel 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening, niet van toepassing
zijn, zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit of, indien het de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet betreft, eveneens aan Onze Minister. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld over de melding.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit besluit binnen 13
weken nadat de melding is gedaan, of een investering als bedoeld in het
eerste lid, van een netbeheerder niet zijnde de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet noodzakelijk is.
3. Onze Minister besluit of een investering als bedoeld in het eerste
lid van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet noodzakelijk
is, gelet op het belang van een duurzame, betrouwbare en efficiënte
energievoorziening. Alvorens Onze Minister besluit, brengt de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit binnen vier weken nadat de melding
is gedaan advies uit over het te nemen besluit. Indien de investering
niet is opgenomen in een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 van
de Wet ruimtelijke ordening, stelt Onze Minister het besluit niet eerder
vast, dan na twee weken nadat het ontwerp daarvan en het betrekkelijke
advies aan beide kamers der Staten-Generaal zijn overlegd.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verrekent de kosten
van een investering waarvan de noodzaak is vastgesteld op grond van het
tweede of derde lid, in de tarieven voor zover de kosten doelmatig zijn.
Artikel 20f [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een beleidsregel
vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid, bedoeld in de
artikelen 20d en 20e, vierde lid.
Artikel 21
1. Een netbeheerder beschikt over een doeltreffend systeem voor de
beheersing van de kwaliteit van zijn transportdienst en over voldoende
capaciteit voor het transport van elektriciteit om te voorzien in de
totale behoefte.
2. De netbeheerder dient om het jaar bij de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een door hem vastgesteld document in waarin hij:
a. aangeeft welk kwaliteitsniveau hij nastreeft,
b. aannemelijk maakt dat hij beschikt over een doeltreffend
kwaliteitsbeheersingssysteem voor zijn transportdienst,
c. aannemelijk maakt dat hij over voldoende capaciteit beschikt om te
voorzien in de totale behoefte aan het transport van elektriciteit,
d. aangeeft welke capaciteitsknelpunten in de door hem beheerde netten
bestaan en welke maatregelen hij zal nemen om deze op te heffen,
e. aangeeft welke investeringen hij zal doen om de capaciteitsknelpunten
op te heffen;
f. aangeeft welke investeringen hij zal doen voor de vervanging en
uitbreiding van de door hem beheerde netten,
g. aangeeft binnen welke termijnen hij voornoemde investeringen zal
doen,
h. aangeeft welke investeringen ter uitbreiding van het net naar zijn
oordeel noodzakelijk zijn om te voorzien in de totale behoefte aan het
transport van elektriciteit, en
i. aannemelijk maakt dat hij de totale behoefte aan het transport van
elektriciteit heeft afgestemd met de netbeheerders van de aan zijn net
grenzende netten.
3. Bij ministeriële regeling worden regels, die kunnen verschillen per
spanningsniveau, gesteld over:
a. de eisen aan het kwaliteitsbeheersingssysteem;
b. de te verschaffen informatie over het nagestreefde kwaliteitsniveau
en over het kwaliteitsbeheersingssysteem;
c. de wijze van ramen van de totale behoefte aan capaciteit voor het
transport van elektriciteit;
d. de te verschaffen gegevens over de totale behoefte aan capaciteit
voor het transport van elektriciteit en over de wijze waarop de
netbeheerder voornemens is te voorzien in de totale behoefte aan
capaciteit voor het transport van elektriciteit;
e. investeringen met betrekking tot een net;
f. de periode waarop het document of onderdelen daarvan betrekking
hebben.
4. De netbeheerder maakt het document op een geschikte wijze openbaar.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een door een
geaccrediteerde instelling aan een netbeheerder verstrekt certificaat
van conformiteit aan het bepaalde bij of krachtens dit artikel, ten
behoeve van het toezicht op de naleving van dit artikel, het vermoeden
oplevert dat de netbeheerder een kwaliteitsbeheersingssyteem heeft en
daaraan uitvoering geeft overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
dit artikel.
6. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet geeft in het
document bedoeld in het tweede lid in elk geval aan welke prestaties op
het gebied van leveringskwaliteit en operationele netwerkveiligheid hij
nastreeft.
7. De doelstellingen bedoeld in het zesde lid zijn objectief,
transparant en niet-discriminatoir.
8. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verleent
goedkeuring aan het document bedoeld in het tweede lid voor zover het
betreft de prestaties die de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet nastreeft ten aanzien van de leveringskwaliteit en de
operationele netwerkveiligheid indien naar het oordeel van de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit blijkt dat deze netbeheerder in
voldoende mate en op een doelmatige wijze kan voorzien in de door hem
gestelde doelen.
9. De netbeheerder handelt naar zijn voornemens, opgenomen in het
document, bedoeld in het tweede lid, en meldt de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit indien hij hiervan heeft afgeweken.
Artikel 22
1. Indien naar het oordeel van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit uit de overzichten, bedoeld in artikel 19b of uit
het document, bedoeld in artikel 21, of anderszins, blijkt dat een
netbeheerder in onvoldoende mate of op een ondoelmatige wijze kan of zal
kunnen voorzien in het door hem te bereiken niveau van de kwaliteit van
zijn transportdienst of in de totale behoefte aan capaciteit voor het
transport van elektriciteit over de door hem beheerde netten, meldt hij
zulks na overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
en de netbeheerder van het desbetreffende net aan Onze Minister.
2. Nadat hij een melding heeft ontvangen, kan Onze Minister aan de
desbetreffende netbeheerder opdragen voorzieningen te treffen teneinde
zeker te stellen dat het transport van elektriciteit in voldoende mate
of op een doelmatige wijze plaatsvindt.
3. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de opdracht, bedoeld in het tweede lid.
§ 4. Aansluiting op het net en transport van elektriciteit
Artikel 23
1. De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien
van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en
tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5
en 6 van dit hoofdstuk. De netbeheerder verstrekt degene die om een
aansluiting op het net verzoekt een gedetailleerde en volledige opgave
van de uit te voeren werkzaamheden en de te berekenen kosten van de
handelingen, onderscheiden in artikel 28, eerste lid.
2. De netbeheerder onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie
tussen degenen jegens wie de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
geldt.
3. Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een
redelijke termijn. Deze redelijk termijn is in ieder geval verstreken
wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken
nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder in ingediend,
indien het verzoek betreft:
a. een aansluiting tot 10 MVA;
b. een aansluiting voor een productie-installatie voor de opwekking van
duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling, tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan
worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen de genoemde termijn
heeft gerealiseerd.
Artikel 24
1. De netbeheerder is verplicht aan degene die daarom verzoekt een
aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde net ten
behoeve van de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren tegen
een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met
de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de
netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit
ter beschikking heeft. Een weigering transport uit te voeren als bedoeld
in de vorige volzin is met redenen omkleed. De netbeheerder verschaft
degene aan wie transport is geweigerd desgevraagd en ten hoogste tegen
kostprijs de relevante gegevens over de maatregelen die nodig zijn om
het net te versterken. Indien ten aanzien van duurzame elektriciteit een
weigering transport uit te voeren als bedoeld in de eerste volzin
plaatsvindt, meldt de netbeheerder dit aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit, waarbij de netbeheerder aangeeft welke
maatregelen worden genomen om toekomstige weigeringen te voorkomen.
3. De netbeheerder onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie
tussen degenen jegens wie de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
geldt.
Artikel 24a
1. Indien een afnemer van leverancier wisselt, voert de netbeheerder die
wisseling uit overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen
regels.
2. In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden in
ieder geval regels gesteld over de termijn waarbinnen de wisseling moet
zijn uitgevoerd en over de bij een verzoek om wisseling te verstrekken
gegevens.
Artikel 25
1.Indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet maatregelen
neemt als bedoeld in artikel 24 van de richtlijn en artikel 6 van de
Verordening maakt hij daarbij geen onderscheid tussen
landgrensoverschrijdende en niet-landgrensoverschrijdende contracten.
2.De maatregelen worden genomen op basis van door de netbeheerder van
het landelijk hoogspanningsnet vooraf gedefinieerde criteria met
betrekking tot het beheer van onbalans die in nauw overleg met de
relevante netbeheerders in andere landen worden vastgesteld.
3.De maatregelen worden in nauw overleg met de relevante netbeheerders
in andere landen genomen met in achtneming van de terzake geldende
bilaterale overeenkomsten.
Artikel 26
1.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan op aanvraag
besluiten dat capaciteit op het landsgrensoverschrijdend net voor het
transport van elektriciteit tot een door hem te bepalen omvang en voor
een door hem te bepalen tijdsduur bij voorrang wordt bestemd voor door
hem aan te geven verzoekers om capaciteit voor het transport van
elektriciteit, indien die capaciteit uitsluitend is bestemd om op een
transparante en niet-discriminatoire wijze, die bijdraagt aan een goede
marktwerking op de elektriciteitsmarkt, te worden toegewezen.
2.Bij het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit voor het transport van
elektriciteit voorwaarden goedkeuren en tarieven vaststellen die
afwijken van het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 5 en 6 van dit
hoofdstuk.
3.Het besluit, bedoeld in het eerste lid, mag niet het gevolg hebben dat
de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit
in het kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de
instandhouding van de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,
wordt beperkt.
4.Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt bekend gemaakt in de
Staatscourant.
Artikel 26a
1.Een netbeheerder hanteert voorwaarden die redelijk, objectief en niet
discriminerend zijn.
2.Voorwaarden als bedoeld in de artikelen 236 en 237 van boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek worden vermoed niet redelijk te zijn.
3.Een voorwaarde is redelijk, wanneer dit blijkt uit de aard, inhoud of
wijze van totstandkoming van de betrokken voorwaarde.
4.Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een afnemer,
bedoeld in artikel 95a, eerste lid.
5.De artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zijn
mede van toepassing op voorwaarden in overeenkomsten met afnemers als
bedoeld inartikel 95a, eerste lid, die rechtspersoon zijn of handelen in
de uitoefening van een beroep of bedrijf.
§ 4a. Meetinrichtingen en meetgegevens
Artikel 26aa
Een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, verleent de nodige
medewerking aan de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 16,
eerste lid, onderdelen n en o.
Artikel 26ab
1. Een netbeheerder verzamelt uitsluitend meetgegevens betreffende
afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, indien:
a. dit noodzakelijk is voor de taken van de leverancier met betrekking
tot:
1°. het verstrekken van informatie inzake het verbruik van
elektriciteit op grond van artikel 95lb,
2°. facturering,
3°. verhuizingen,
4°. wisselingen van leverancier,
b. dit noodzakelijk is voor de taken van de netbeheerder, genoemd in
artikel 16, eerste lidof
c. deze gegevens op basis van het tweede tot en met vijfde lid verstrekt
worden.
2. Een netbeheerder verleent een leverancier toegang tot meetgegevens
betreffende afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, voor zover
het gaat om meetgegevens betreffende afnemers van die leverancier.
3. In afwijking van het tweede lid verleent een netbeheerder een
leverancier uitsluitend toegang tot meetgegevens die betrekking hebben
op een kleiner tijdsbestek dan een dag, voor zover die leverancier de
desbetreffende meetgegevens op basis van artikel 8, onderdeel a, van de
Wet bescherming persoonsgegevens mag verwerken.
4. Een netbeheerder verleent een derde uitsluitend toegang tot
meetgegevens betreffende afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste
lid, voorzover die derde de desbetreffende meetgegevens op basis van
artikel 8, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens mag
verwerken.
5. Meetgegevens per kwartier en per dag worden door de netbeheerder
dagelijks om niet beschikbaar gesteld. Overige meetgegevens worden door
de netbeheerder tegen een vergoeding van de daaraan verbonden kosten
beschikbaar gesteld.
Artikel 26ac
1. Een netbeheerder brengt op verzoek van een leverancier wijzigingen
aan in de besturings- en toepassingsprogramma’s van meetinrichtingen
die ter beschikking zijn gesteld aan afnemers als bedoeld in artikel
95a, eerste lid, van de betreffende leverancier, tenzij een
meetinrichting door inwilliging van het verzoek niet langer zou voldoen
aan de voor die meetinrichting geldende eisen of op andere wijze afbreuk
gedaan zou worden aan de integriteit van de meetinrichting.
2. Een netbeheerder leest meetgegevens van een afnemer als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, die beschikt over een geïnstalleerde
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la,
eerste lid, gestelde eisen, niet op afstand uit indien de afnemer hierom
verzoekt.
Artikel 26ad
1. Een netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in
het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak
ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste
lid, binnen een redelijke termijn een meetinrichting ter beschikking
wordt gesteld die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la,
eerste lid, gestelde eisen, wanneer:
a. de afnemer hierom vraagt, tenzij het ter beschikking stellen
technisch onmogelijk is, financieel niet redelijk is of dit niet in
verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen;
b. een bestaande meetinrichting wordt vervangen, tenzij het ter
beschikking stellen technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt is
in verhouding tot de geraamde potentiële energiebesparingen op lange
termijn;
c. een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw;
d. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in aanvulling op het eerste
lid andere situaties worden bepaald waarin een netbeheerder tot taak
heeft ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, binnen een redelijke termijn een meetinrichting ter
beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet aan de krachtens
artikel 95la, eerste lid, gestelde eisen.
3. In aanvulling op het eerste en tweede lid kan een netbeheerder in het
voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied ervoor zorg
dragen dat een afnemer een meetinrichting ter beschikking wordt gesteld
die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid,
gestelde eisen.
4. Indien een meetinrichting door de netbeheerder ter beschikking is
gesteld ingevolge het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid en deze
meetinrichting is geïnstalleerd, is de desbetreffende afnemer aan de
desbetreffende netbeheerder een vergoeding verschuldigd in verband met
de meerkosten.
5. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding
vastgesteld die voor verschillende situaties verschillend kan worden
vastgesteld.
6. Een ander dan een netbeheerder kan op verzoek van een afnemer als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, er na voorafgaande melding aan de
betreffende netbeheerder voor zorgdragen dat die afnemer voor een of
meer aansluitingen beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting die
ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, gestelde
eisen die gelden op het tijdstip van terbeschikkingstelling.
7. Indien een ander dan een netbeheerder er zorg voor draagt dat een
afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, beschikt over een
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la
gestelde eisen, betaalt de betreffende netbeheerder aan die ander een
vergoeding.
8. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
9. Het is anderen dan de netbeheerder niet toegestaan bij afnemers als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, geïnstalleerde, op afstand
uitleesbare meetinrichtingen te vervangen die zijn geïnstalleerd na 31
december 2005.
10. Indien een meetinrichting als bedoeld in artikel 95la, eerste lid,
door de netbeheerder ter beschikking wordt gesteld, kan een afnemer als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, deze meetinrichting weigeren. In dat
geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare
meetinrichting ter beschikking gesteld.
Artikel 26ae [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in
het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak
ervoor zorg te dragen dat in een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen periode, een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
percentage afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, de
beschikking krijgt over een geïnstalleerde meetinrichting die ten
minste voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, gestelde
eisen, tenzij die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel
31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten
aansluiting.
2. In aanvulling op het eerste lid heeft een netbeheerder tot taak
ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste
lid, binnen een redelijke termijn een meetinrichting ter beschikking
wordt gesteld die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la
gestelde eisen, wanneer:
a. een bestaande meetinrichting wordt vervangen, tenzij dit technisch
onmogelijk is of niet efficiënt is in verhouding tot de geraamde
potentiële energiebesparingen op lange termijn;
b. een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw;
c. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in aanvulling op het tweede
lid andere situaties worden bepaald waarin een netbeheerder tot taak
heeft ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, binnen een redelijke termijn een meetinrichting ter
beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet aan de krachtens
artikel 95la, eerste lid, gestelde eisen.
4. Een netbeheerder draagt er zorg voor dat een afnemer als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, op een eerder tijdstip dan het door de
netbeheerder op grond van het eerste lid voorziene tijdstip, voor een of
meer aansluitingen op verzoek van een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die daarbij belang heeft, binnen een redelijke termijn een
meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet aan
de krachtens artikel 95la, eerste lid, gestelde eisen, tenzij dit ertoe
leidt dat de planning die de netbeheerder hanteert om te voldoen aan de
in het eerste lid bedoelde verplichting, niet wordt gehaald.
5. Indien een meetinrichting door de netbeheerder ter beschikking is
gesteld ingevolge het derde of vierde lid en de ter beschikking gestelde
meetinrichting is geïnstalleerd, is de desbetreffende afnemer aan de
desbetreffende netbeheerder een vergoeding verschuldigd in verband met
de meerkosten.
6. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding
vastgesteld die voor verschillende situaties verschillend kan worden
vastgesteld.
7. Gedurende de in het eerste lid bedoelde periode kan een ander dan een
netbeheerder op verzoek van een afnemer als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, er na voorafgaande melding aan de betreffende netbeheerder
voor zorgdragen dat die afnemer voor een of meer aansluitingen beschikt
over een geïnstalleerde meetinrichting die ten minste voldoet aan de
krachtens artikel 95la, eerste lid, gestelde eisen die gelden op het
tijdstip van terbeschikkingstelling.
8. Indien een ander dan een netbeheerder er zorg voor draagt dat een
afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, beschikt over een
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 95la
gestelde eisen, betaalt de betreffende netbeheerder aan die ander een
vergoeding.
9. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding als
bedoeld in het achtste lid vastgesteld, die voor verschillende situaties
verschillend kan worden vastgesteld.
10. Het is anderen dan de netbeheerder niet toegestaan bij afnemers als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, geïnstalleerde, op afstand
uitleesbare meetinrichtingen te vervangen die geïnstalleerd zijn tussen
31 december 2005 en het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde
periode aanvangt.
11. Indien een meetinrichting als bedoeld in artikel 95la, eerste lid,
door de netbeheerder ter beschikking wordt gesteld, kan een afnemer als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, deze meetinrichting weigeren. In dat
geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare
meetinrichting ter beschikking gesteld.
12. In aanvulling op artikel 30a kan het tarief voor de meting van
elektriciteit mede betrekking hebben op de mate waarin een netbeheerder
voortgang boekt bij de uitvoering van de verplichting, bedoeld in het
eerste lid, en alsdan verschillen per netbeheerder.
13. Een netbeheerder zendt jaarlijks vóór 1 juni een rapportage aan
Onze Minister en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
waarin hij aangeeft welke voortgang is geboekt met de uitvoering van de
taak, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 26af
Een op afstand uitleesbare meetinrichting, die aan een afnemer als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid, ter beschikking is gesteld tussen 31
december 2005 en het tijdstip waarop de inartikel 26ae, eerste lid,
bedoelde periode aanvangt, wordt voor 15 jaren, te rekenen vanaf de
datum van terbeschikkingstelling aan die afnemer, aangemerkt als een
meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 95la, eerste lid,
gestelde eisen.
Artikel 26ag [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Vervallen]
Artikel 26ah
De artikelen 26ab en 26ac, eerste lid, zijn niet van toepassing met
betrekking tot afnemers die niet beschikken over een op afstand
uitleesbare meetinrichting of die beschikken over een op afstand
uitleesbare meetinrichting die niet op afstand wordt uitgelezen.
§ 5. Tariefstructuren en voorwaarden
Artikel 26b
1.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
tariefstructuren en voorwaarden als bedoeld in de artikelen 27 en 31.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit brengt advies uit
over het ontwerp van de in het eerste lid bedoelde regels.
3.Een krachtens het eerste lid vast te stellen ministeriële regeling
treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het ontwerp wordt vergezeld
door het over de ministeriële regeling uitgebrachte advies van de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit.
Artikel 27
1.Met inachtneming van de in artikel 26b bedoelde regels zenden de
gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een voorstel met betrekking tot de door hen
jegens afnemers te hanteren tariefstructuren dat de elementen en wijze
van berekening beschrijft van het tarief waarvoor afnemers zullen worden
aangesloten op een net, van het tarief waarvoor transport van
elektriciteit, met inbegrip van de invoer, uitvoer en doorvoer van
elektriciteit, ten behoeve van afnemers zal worden uitgevoerd, het
tarief waarvoor de systeemdiensten worden verricht en de energiebalans
wordt gehandhaafd en het tarief voor meting van elektriciteit bij
afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid.
2.In de tariefstructuren wordt in ieder geval opgenomen dat:
a. een afnemer recht heeft op een aansluiting op het door hem gewenste
spanningsniveau, tenzij dit om technische redenen redelijkerwijs niet
van de netbeheerder kan worden verlangd;
b. een afnemer recht heeft op een vergoeding van de netbeheerder, indien
op zijn aansluiting een aansluiting ten behoeve van een derde wordt
gemaakt;
c. een afnemer die beschikt over een aansluiting met meerdere
verbindingen aangesloten op één of meer spanningsniveaus die vallen
binnen dezelfde tariefcategorie voor de berekening van het
transportafhankelijk transporttarief wordt geacht te beschikken over
één aansluiting;
d. iedere afnemer recht heeft te worden aangesloten op het
dichtstbijzijnde punt in het net met een bij zijn aansluiting behorend
spanningsniveau, met dien verstande dat een afnemer die een aansluiting
op het net wenst met een aansluitwaarde groter dan 10 MVA, wordt
aangesloten op het dichtstbijzijnde punt in het net waar voldoende
netcapaciteit beschikbaar is;
e. aanpassingen in het net die verband houden met het maken van een
aansluiting komen voor rekening van de netbeheerder die het betreffende
net beheert;
f. een afnemer, niet zijnde een afnemer die een aansluiting op het net
wenst met een aansluitwaarde groter dan 10 MVA, recht heeft op een
standaardaansluiting, waarbij de aansluitcapaciteit van deze aansluiting
is gerelateerd aan de standaard gebruikte nominale aansluitspanning;
g. het aansluittarief wordt gebaseerd op de grootte van de
aansluitcapaciteit.
3.De tarieven die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet in
rekening brengt voor de handhaving van de energiebalans zijn objectief,
transparant, niet-discriminatoir en weerspiegelen de kosten.
Artikel 28
1.Het tarief waarvoor afnemers zullen worden aangesloten op een net
heeft uitsluitend betrekking op:
a. het verbreken van het net van de desbetreffende netbeheerder om een
fysieke verbinding van de installatie van een afnemer met dat net tot
stand te brengen,
b. het installeren van voorzieningen om het net van de desbetreffende
netbeheerder te beveiligen en beveiligd te houden en
c. het tot stand brengen en in stand houden van een verbinding tussen de
plaats waar het net verbroken is en de voorzieningen om het net te
beveiligen.
2.Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt in rekening gebracht bij
iedere afnemer die door een netbeheerder wordt aangesloten op een net
dat wordt beheerd door een netbeheerder.
3.De tarieven voor de aansluiting van de afnemers die producent zijn,
zijn objectief, transparant en niet-discriminatoir, waarbij rekening
wordt gehouden met de kosten en baten van de onderscheiden technieken
met betrekking tot duurzame energiebronnen, decentrale productie en
warmtekrachtkoppeling.
Artikel 29
1. Het tarief waarvoor transport van elektriciteit zal worden uitgevoerd
ten behoeve van afnemers, heeft betrekking op de ontvangst van
elektriciteit door een afnemer, ongeacht de plaats van opwekking van de
elektriciteit en van de aansluiting waar de elektriciteit op het
Nederlandse net is gebracht, of op het invoeden van elektriciteit door
een afnemer, ongeacht de plaats van ontvangst van de elektriciteit.
2. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt in rekening gebracht bij
iedere afnemer die een aansluiting heeft op een net dat wordt beheerd
door een netbeheerder. De tarieven voor de ontvangst van elektriciteit
kunnen verschillen voor verschillende afnemers, afhankelijk van het
spanningsniveau van het net waarop de elektriciteit wordt ontvangen, en
de tarieven voor het invoeden van elektriciteit kunnen verschillen voor
verschillende afnemers, afhankelijk van het spanningsniveau van het net
waarop de elektriciteit wordt ingevoed.
3. Onze Minister stelt de tariefdrager vast voor het
transportafhankelijke element van het tarief, bedoeld in het eerste lid.
Het transportonafhankelijke element van het tarief, bedoeld in het
eerste lid, wordt uitgedrukt in een bedrag in euro. Het transporttarief
wordt berekend per aansluiting. Voor de toepassing van het
transporttarief wordt een streng van lichtmasten geacht te beschikken
over één aansluiting.
4. In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens het eerste, tweede en
derde lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld met betrekking tot het tarief waarvoor transport van
elektriciteit zal worden uitgevoerd ten behoeve van bij die maatregel
aan te geven afnemers dan wel voor daarbij te omschrijven transport van
elektriciteit.
5. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, dient mede ter dekking van de
kosten die zijn verbonden aan verplichtingen die voor het tijdstip van
intrekking van de Elektriciteitswet 1989 door de aangewezen vennootschap
zijn aangegaan met betrekking tot de aanleg van een verbinding voor het
transport van elektriciteit tussen Nederland en Noorwegen.
Artikel 30
1. Het tarief voor het verrichten van de systeemdiensten heeft
betrekking op:
a. het reservevermogen en regelvermogen,
b. de black-start-voorzieningen en
c. de overige systeemdiensten.
2. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt in rekening gebracht bij
iedere afnemer die elektriciteit verbruikt en een aansluiting heeft op
het landelijk hoogspanningsnet of een net dat direct of indirect in
verbinding staat met dat net.
3. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een bedrag
per verbruikte hoeveelheid elektriciteit in kWh.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het tarief,
bedoeld in het eerste lid, in rekening wordt gebracht bij de afnemer,
bedoeld in het tweede lid, en bij iedere afnemer die een hoeveelheid
elektriciteit opwekt en op het net invoedt, dan wel verbruikt op de
eigen installatie. In dat geval wordt het tarief uitgedrukt in een
bedrag per opgewekte dan wel verbruikte hoeveelheid elektriciteit in
kWh.
Artikel 30a
Het tarief voor de meting van elektriciteit bij afnemers als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, heeft betrekking op:
a. het beheer van de meetinrichtingen;
b. het verschaffen van toegang tot meetgegevens als bedoeld in artikel
26ab, tweede en derde lid.
Artikel 31
1. Met inachtneming van de in artikel 26bbedoelde regels zenden de
gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een voorstel voor de door hen jegens afnemers te
hanteren voorwaarden met betrekking tot:
a. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich
jegens elkaar gedragen ten aanzien van het in werking hebben van de
netten, het voorzien van een aansluiting op het net en het uitvoeren van
transport van elektriciteit over het net,
b. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich
jegens elkaar gedragen ten aanzien van het meten van gegevens
betreffende het transport van elektriciteit en de uitwisseling van
meetgegevens,
c. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
enerzijds en afnemers en de overige netbeheerders anderzijds zich jegens
elkaar gedragen ten aanzien van de systeemdiensten,
d. de gebiedsindeling van de netbeheerders,
e. de regeling van de samenwerking tussen de netbeheerders ten aanzien
van de uitvoering van de taken, bedoeld in de onderdelen a, b en c,
alsmede ten behoeve van het waarborgen van het netbeheer van alle netten
en het transport van elektriciteit in buitengewone omstandigheden,
f. de kwaliteitscriteria waaraan netbeheerders moeten voldoen met
betrekking tot hun dienstverlening, welke in ieder geval betrekking
hebben op te hanteren technische specificaties, het verhelpen van
storingen in het transport van elektriciteit, de betalingsvoorwaarden,
de klantenservice en het voorzien in compensatie bij ernstige storingen,
g. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
uitvoering geeft aan zijn taak de leveringszekerheid te waarborgen en de
wijze waarop productiereservecapaciteit wordt aangehouden en ingezet,
h. de wijze waarop de netbeheerder afnemers die producent zijn
objectief, transparant en niet-discriminatoir op het net aansluit,
rekening houdend met de kosten en baten van de onderscheiden technieken
met betrekking tot hernieuwbare energiebronnen, decentrale productie en
warmtekrachtkoppeling,
i. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
jegens de andere netbeheerders en de afnemers de energiebalans
handhaaft,
j. het realiseren van koppelingen tussen en het verrichten van
reparaties aan de netten,
k. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
enerzijds en afnemers en de overige netbeheerders anderzijds zich jegens
elkaar gedragen ten aanzien van het verstrekken van informatie die
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de Verordening en de
daarop gebaseerde richtsnoeren.
2. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in
ieder geval voorwaarden opgenomen met betrekking tot de
programma-verantwoordelijkheid, waarbij wordt bepaald dat de
programma-verantwoordelijkheid kan worden overgedragen aan een ander,
met uitzondering van een netbeheerder.
3. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden in
ieder geval voorwaarden gesteld omtrent de eisen waaraan een bedrijf,
dat de werkzaamheden bedoeld in artikel 16c, eerste of vijfde lid,
uitvoert, moet voldoen.
4. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden in
ieder geval voorwaarden gesteld voor het bepalen van de omvang van de
capaciteit voor het transport van elektriciteit over het
landsgrensoverschrijdend net en voor het toewijzen van de beschikbare
capaciteit op dat net, waaronder tevens begrepen wordt het veilen van
capaciteit dan wel het volgens een andere marktconforme methode
toewijzen van capaciteit, en het toewijzen van capaciteit die een
afnemer niet gebruikt. De voorwaarden bevatten de nodige voorzieningen
gericht op het voorkomen van belemmeringen voor goede marktwerking.
5. De omvang van de capaciteit die toegewezen kan worden door middel van
een veiling of een andere marktconforme methode is ten hoogste de totale
omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over het
landsgrensoverschrijdend net na aftrek van:
a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit
in het kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de
instandhouding van de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,
b. de hoeveelheid capaciteit die de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit op grond van artikel 26 heeft bestemd voor
bepaalde verzoekers om capaciteit voor het transport van elektriciteit,
en
c. de hoeveelheid capaciteit waarvoor Onze Minister ontheffing heeft
verleend op grond van artikel 86c.
6. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet benut de opbrengst
van het veilen of op een andere marktconforme methode toewijzen van
capaciteit overeenkomstig de regeling, bedoeld in het vierde lid, voor
het opheffen van beperkingen in de transportcapaciteit op het
landsgrensoverschrijdende net dan wel voor andere, door de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit te bepalen doelen.
7. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voert een
afzonderlijke boekhouding met betrekking tot de opbrengst van het veilen
of op een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit. Artikel
43 is van overeenkomstige toepassing.
8. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, kunnen mede
betrekking hebben op de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet enerzijds en afnemers, leveranciers en de overige
netbeheerders anderzijds zich jegens elkaar gedragen.
9. Onze Minister kan, in aanvulling op de voorwaarden, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, en voorzover dit onderwerp geen regeling vindt
in het bepaalde bij of krachtens artikel 72m, nadere regels stellen
over:
a. de vaststelling, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h;
b. het meten, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel i, en artikel
16a, tweede lid;
c. het verstrekken van meetgegevens aan anderen dan genoemd in artikel
16a, derde lid, met dien verstande dat meetgegevens slechts kunnen
worden verstrekt aan leveranciers en handelaren met schriftelijke
toestemming van de afnemer aan wie de meetgegevens toebehoren;
d. het uitgeven van certificaten voor klimaatneutrale elektriciteit en
elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling en het
beheer van een certificatenrekening onderscheidenlijk het uitgeven van
garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en garanties van
oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en het beheer van een rekening;
e. de kosten voor de uitvoering van de onderdelen a tot en met d.
10. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, bepalen dat
een vordering tot betaling van een schuld van een afnemer ter zake van
geleverde diensten als bedoeld in artikel 27, eerste lid, wordt gedaan
binnen twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden en dat bij
gebreke daarvan de vordering vervalt. De eerste volzin is niet van
toepassing indien het uitblijven van bedoelde vordering, een onjuiste
vordering daaronder begrepen, het rechtstreekse gevolg is van een
daartoe gerichte opzettelijke gedraging van de afnemer.
11. Tot de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, behoren
in elk geval door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
vast te stellen minimale voorschriften en verplichtingen inzake
operationele netwerkveiligheid waarvan deel uitmaakt de vaststelling van
het niveau van voorzienbare omstandigheden waarin de operationele
netwerkveiligheid gehandhaafd moet blijven.
12. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, f en g,
wordt vastgelegd dat netten met een spanningsniveau van 110 kV of hoger
zodanig zijn ontworpen en in werking zijn dat het transport van
elektriciteit, ook indien zich een enkelvoudige storing voordoet,
verzekerd is. Het transport van elektriciteit moet ook verzekerd zijn,
als zich een enkelvoudige storing voordoet ten tijde van onderhoud.
13. In afwijking van het twaalfde lid, tweede volzin, wordt voor netten
met een spanningsniveau van 110 tot 220 kV in de voorwaarden, bedoeld in
het eerste lid, onderdelen a, f en g, vastgelegd in welke gevallen deze
bepaling niet toegepast hoeft te worden. Daarbij dient een onderbreking
van het transport van elektriciteit altijd beperkt te blijven tot ten
hoogste zes uren en 100 MW.
Artikel 31a
1.Het is een afnemer, leverancier of handelaar verboden al dan niet
middellijk of onder voorwaarden de beschikking te hebben over een
hoeveelheid transportcapaciteit op het landsgrensoverschrijdende net die
groter is dan 400 MW.
2.Onze Minister kan op verzoek voor gebruikers van delen van het
landsgrensoverschrijdend net waarvoor een ontheffing als bedoeld in
artikel 86c is verleend, een afwijkende verdeling van
transportcapaciteit vaststellen. Onze Minister kan aan de verdeling,
bedoeld in de eerste volzin, voorschriften verbinden.
3.Onder de beschikking hebben over transportcapaciteit als bedoeld in
het eerste lid wordt verstaan het beschikken over transportcapaciteit
door de afnemer, leverancier of handelaar zelf, dan wel tezamen met
anderen, die werkzaam zijn voor de afnemer, leverancier of handelaar,
die in een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek verbonden zijn met de afnemer, leverancier of handelaar, die in
de zin van artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een
deelneming hebben in de afnemer, leverancier of handelaar, of die
anderszins met de afnemer, leverancier of handelaar verbonden zijn.
4.Onze Minister kan op voorstel van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit de hoeveelheid van 400 MW, bedoeld in het eerste
lid, wijzigen, indien de ontwikkeling van de elektriciteitsmarkt daartoe
aanleiding geeft.
5.De hoofdstukken 6, 7, 8, met uitzondering van paragraaf 2, 9, 11 en 12
van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing in geval van
overtreding van dit artikel.
Artikel 31b
Bij ministeriële regeling worden, voor zover noodzakelijk ter
uitvoering van de richtlijn, regels gesteld die de netbeheerder in acht
moet nemen jegens afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid.
Artikel 31c
Voor afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, die elektriciteit
invoeden op het net, berekent de leverancier de meterstand ten behoeve
van de facturering en inning van de leveringskosten door de aan het net
onttrokken elektriciteit te verminderen met de op het net ingevoede
elektriciteit, met een maximum van 5000 kWh aan op het net ingevoede
elektriciteit. Indien de hoeveelheid op het net ingevoede elektriciteit
groter is dan 5000 kWh biedt de leverancier voor het meerdere een
redelijke vergoeding op basis van artikel 95c, derde lid.
Artikel 32
1.De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet of ten minste een
derde van het aantal overige netbeheerders kan de gezamenlijke
netbeheerders verzoeken een voorstel te doen tot wijziging van de
tariefstructuren of de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 27 en 31,
onder opgave van de redenen die naar zijn oordeel een dergelijke
wijziging noodzakelijk maken.
2.Indien naar zijn oordeel wijziging van de tariefstructuren of de
voorwaarden, bedoeld in de artikelen 27 en 31, noodzakelijk is, zendt de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een ontwerp van een
besluit tot wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden aan de
gezamenlijke netbeheerders en de representatieve organisaties van
partijen op de elektriciteitsmarkt.
3.In een voorstel of een ontwerp van een besluit tot wijziging van de
tariefstructuren of de voorwaarden worden die onderdelen, bedoeld in
artikel 27 of 31, opgenomen waarvan wijziging wordt verzocht.
Artikel 33
1.De gezamenlijke netbeheerders voeren overleg met representatieve
organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt over de voorstellen
met betrekking tot de tariefstructuren en de voorwaarden, bedoeld in de
artikelen 27, 31 en 32, eerste lid.
2.In de voorstellen die aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit worden gezonden, geven de gezamenlijke
netbeheerders aan welke gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de
zienswijzen die de organisaties, bedoeld in het eerste lid, naar voren
hebben gebracht.
3.De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voert overleg met
de netbeheerders in andere landen waarmee een landgrensoverschrijdend
net tot stand is gebracht over de voorschriften en verplichtingen inzake
operationele netwerkveiligheid als bedoeld in artikel 31, elfde lid,
voordat hij die voorschriften en verplichtingen vaststelt.
Artikel 34
1.De gezamenlijke netbeheerders zenden een voorstel met betrekking tot
de wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit binnen twaalf weken na het
tijdstip waarop een verzoek als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt
gedaan.
2.De gezamenlijke netbeheerders en representatieve organisaties van
partijen op de elektriciteitsmarkt kunnen hun zienswijze op een ontwerp
van een besluit tot wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden
aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kenbaar maken
binnen twaalf weken na het tijdstip waarop het ontwerp van het besluit
op grond van artikel 32, tweede lid, aan hen is gezonden.
Artikel 35 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 36
1.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de
tariefstructuren en voorwaarden vast met inachtneming van:
a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel
27, 31 of 32 en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 33,
eerste lid,
b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en
milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de
elektriciteitsvoorziening,
c. het belang van de bevordering van de ontwikkeling van het
handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt,
d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van afnemers
en
e. het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening van
netbeheerders, en
f. het belang van een objectieve, transparante en niet discriminatoire
handhaving van de energiebalans op een wijze die de kosten weerspiegelt,
en
g. de in artikel 26b bedoelde regels.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de voorwaarden
niet vast dan nadat hij zich met inachtneming van artikel 5 van de
richtlijn ervan vergewist heeft dat de voorwaarden de interoperabiliteit
van de netten garanderen en objectief, evenredig en niet-discriminatoir
zijn, alsmede voor zover dat op grond van de notificatierichtlijn
noodzakelijk is, aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen in
ontwerp zijn meegedeeld en de van toepassing zijnde termijnen, bedoeld
in artikel 9 van de notificatierichtlijn, zijn verstreken.
3.Indien een voorstel als bedoeld in artikel 27, 31 of 32 naar het
oordeel van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit in strijd
is met het belang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c, d, e of f,
met de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g of of met de
eisen, bedoeld in het tweede lid, draagt de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit de gezamenlijke netbeheerders op het voorstel
onverwijld zodanig te wijzigen dat deze strijd wordt opgeheven. Artikel
4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing.
4.Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen vier weken het
voorstel wijzigen overeenkomstig de opdracht van de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit, bedoeld in het derde lid, stelt de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de tariefstructuren of de
voorwaarden vast onder het aanbrengen van zodanige wijzigingen dat deze
in overeenstemming zijn met de belangen, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen b tot en met f, met de regels, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel g of, en met de eisen, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 37
1.Nadat de termijn, bedoeld in artikel 34, is verstreken, stelt de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit de tariefstructuren of de
voorwaarden vast met inachtneming van de voorstellen van netbeheerders
en van artikel 36, eerste en tweede lid. Indien een voorstel als bedoeld
in artikel 34 niet binnen de daarbij aangegeven termijn aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit is gezonden, stelt deze de
tariefstructuren of de voorwaarden uit eigen beweging vast met
inachtneming van artikel 36, eerste en tweede lid.
2.Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen de termijn, bedoeld
in artikel 34, derde lid, hun zienswijze op een ontwerp van een besluit
als bedoeld in dat artikellid aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit kenbaar maken, stelt deze het besluit tot
wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden uit eigen beweging
vast met inachtneming van artikel 36, eerste en tweede lid.
Artikel 37a
1.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan op aanvraag bij
beschikking een ontheffing verlenen van de tariefstructuren en de
voorwaarden. Bij zijn beslissing neemt de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit de belangen als bedoeld in artikel 36, eerste
lid, onderdelen b tot en met f en de regels, bedoeld inartikel 36,
eerste lid, onderdeel g, in acht.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt beleidsregels
op met betrekking tot de procedure voor aanvraag van een ontheffing. De
beleidsregels worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
3.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan voorschriften en
beperkingen verbinden aan de ontheffing. De raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit kan de voorschriften en de opgelegde beperkingen
wijzigen.
4.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit trekt de ontheffing
in op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de houder van de
ontheffing.
5.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan een ontheffing
intrekken, indien:
a. de houder van de ontheffing de aan de ontheffing verbonden
voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;
b. de houder van de ontheffing bij de aanvraag onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige
gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;
c. de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, gelet op de
belangen bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen b tot en met f en
de regels, bedoeld inartikel 36, eerste lid, onderdeel g, van oordeel is
dat intrekking van de ontheffing noodzakelijk is.
6.Een op grond van dit artikel genomen beschikking wordt bekendgemaakt
in de Staatscourant.
Artikel 38
1.De tariefstructuren en de voorwaarden treden in werking op een door de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit te bepalen datum en
gelden voor onbepaalde tijd.
2.Van de besluiten betreffende de vaststelling van de tariefstructuren
en de voorwaarden alsmede de wijziging daarvan wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
3.Iedere netbeheerder legt een exemplaar van de tariefstructuren en de
voorwaarden voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.
4.Na de vaststelling van de voorwaarden gelden deze als minimumeisen
voor de technische veiligheid en voor het technisch ontwerp en de
exploitatie van de installaties en netten, bedoeld in artikel 5 van de
richtlijn.
Artikel 39
1.Netbeheerders zenden de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
voor 1 maart van elk jaar een rapportage omtrent de naleving door hen
van de kwaliteitscriteria, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
f.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit vermeldt de
bevindingen die hij ontleent aan rapportages als bedoeld in het eerste
lid in het verslag, bedoeld in artikel 9.
§ 6. Tarieven en boekhouding van de netbeheerder
Artikel 40
De tarieven voor de diensten ter uitvoering van de taken, genoemd in
artikel 16, eerste lid, worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen
41 tot en met 41d.
Artikel 40a
De tarieven voor de meting van elektriciteit bij afnemers als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, als bedoeld in artikel 30a, worden vastgesteld
door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit na overleg met de
gezamenlijke netbeheerders en met representatieve organisaties van
partijen op de elektriciteitsmarkt. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot procedure tot
vaststelling van de tarieven voor de meting van elektriciteit bij
afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid en de wijze van
berekening van deze tarieven.
Artikel 41
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt na overleg
met de gezamenlijke netbeheerders en met representatieve organisaties
van partijen op de elektriciteitsmarkt, met inachtneming van het belang
dat door middel van marktwerking ten behoeve van afnemers de
doelmatigheid van de bedrijfsvoering en de meest doelmatige kwaliteit
van het transport worden bevorderd, voor netbeheerders, met uitzondering
van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, de methode tot
vaststelling van de korting ter bevordering van de doelmatige
bedrijfsvoering, van de kwaliteitsterm en van het rekenvolume van elke
tariefdrager waarvoor een tarief wordt vastgesteld, vast. Het besluit
tot vaststelling van de methode geldt voor een periode van ten minste
drie en ten hoogste vijf jaar.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor vaststelling
van de methode tot vaststelling van de korting ter bevordering van de
doelmatige bedrijfsvoering en van het rekenvolume van elke tariefdrager
waarvoor een tarief wordt vastgesteld voor de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet.
3. De korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering heeft
onder meer ten doel te bereiken dat de netbeheerder in ieder geval geen
rendement kan behalen dat hoger is dan in het economische verkeer
gebruikelijk en dat de gelijkwaardigheid in de doelmatigheid van de
netbeheerders wordt bevorderd.
4. De kwaliteitsterm geeft de aanpassing van de tarieven in verband met
de geleverde kwaliteit aan en heeft ten doel netbeheerders te stimuleren
om de kwaliteit van hun transportdienst te optimaliseren.
5. De rekenvolumina die een netbeheerder gebruikt bij het voorstel,
bedoeld in artikel 41b, zijn gebaseerd op daadwerkelijk gefactureerde
volumina in eerdere jaren, of worden door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit geschat indien deze betrekking hebben op nieuwe
tarieven.
Artikel 41a
1. Ten behoeve van het voorstel, bedoeld in artikel 41b, stelt de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit voor iedere netbeheerder
afzonderlijk voor dezelfde periode als waarvoor het besluit geldt op
grond van artikel 41, eerste lid, vast:
a. de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering,
b. de kwaliteitsterm, en
c. het rekenvolume van elke tariefdrager waarvoor een tarief wordt
vastgesteld.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan het in het
eerste lid, onderdeel c, bedoelde rekenvolume gedurende de in de aanhef
van dat lid bedoelde periode wijzigen.
3. Indien het besluit op grond van artikel 41, eerste lid, bij een
onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vernietigd of bij een
onherroepelijk besluit op bezwaar is herroepen, herziet de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de in het eerste lid vermelde
besluiten met toepassing van de met inachtneming van die uitspraak of
dat besluit op bezwaar gecorrigeerde methode.
Artikel 41b
1. Iedere netbeheerder zendt jaarlijks voor 1 oktober aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel voor de tarieven die
deze netbeheerder ten hoogste zal berekenen voor de uitvoering van de
taken genoemd in artikel 16, eerste lid, met inachtneming van:
a. het uitgangspunt dat de kosten worden toegerekend aan de
tariefdragers betreffende de diensten die deze kosten veroorzaken,
b. de tariefstructuren vastgesteld op grond van artikel 36 of 37,
c. het bepaalde bij of krachtens artikel 41a,
d. de formule

waarbij
TIt = de totale inkomsten uit de tarieven in het jaar t, te weten de som
van de vermenigvuldiging van elk tarief in jaar t en het op basis van
artikel 41a, eerste lid, onderdeel c, vastgestelde rekenvolume van elke
tariefdrager waarvoor een tarief wordt vastgesteld;
TIt-1 = de totale inkomsten uit de tarieven in het jaar voorafgaande aan
het jaar t, te weten de som van de vermenigvuldiging van elk tarief in
jaar t-1 en het op basis van artikel 41a, eerste lid, onderdeel c,
vastgestelde rekenvolume van elke tariefdrager waarvoor een tarief wordt
vastgesteld;
cpi = de relatieve wijziging van de consumentenprijsindex (alle
huishoudens), berekend uit het quotiënt van deze prijsindex,
gepubliceerd in de vierde maand voorafgaande aan het jaar t, en van deze
prijsindex, gepubliceerd in de zestiende maand voorafgaande aan het jaar
t, zoals deze maandelijks wordt vastgesteld door het Centraal Bureau
voor de Statistiek;
x = de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering;
q = de kwaliteitsterm, die de aanpassing van de tarieven in verband met
de geleverde kwaliteit aangeeft;
e. de gemaakte kosten voor investeringen, bedoeld in artikel 20d of 20e,
tweede of derde lid, voor zover de kosten als doelmatig zijn beoordeeld
door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit en
f. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]
2. De geschatte kosten die een netbeheerder voor de uitvoering van de
taken genoemd in artikel 16, eerste lid, bij een andere netbeheerder in
rekening zal brengen, worden zonder toepassing van de formule, bedoeld
in het eerste lid, onder d, toegevoegd aan de totale inkomsten uit de
tarieven van deze andere netbeheerder. Het verschil tussen de geschatte
en gerealiseerde kosten wordt betrokken bij de vaststelling van de
totale inkomsten uit de tarieven van de andere netbeheerder in een
volgend jaar.
Artikel 41ba [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 41c
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de tarieven,
die kunnen verschillen voor de verschillende netbeheerders en voor
onderscheiden tariefdragers, jaarlijks vast.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan de tarieven die
zullen gelden in het jaar t corrigeren, indien de tarieven die golden in
dat jaar of de jaren voorafgaand aan het jaar t:
a. bij rechterlijke uitspraak of met toepassing van artikel 6:18 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn gewijzigd;
b. zijn vastgesteld met inachtneming van onjuiste of onvolledige
gegevens en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, indien
hij de beschikking had over juiste of volledige gegevens, tarieven zou
hebben vastgesteld die in aanmerkelijke mate zouden afwijken van de
vastgestelde tarieven;
c. zijn vastgesteld met gebruikmaking van geschatte gegevens en de
feitelijke gegevens daarvan afwijken;
d. zijn vastgesteld met gebruikmaking van gegevens omtrent kosten voor
bepaalde diensten, terwijl netbeheerders die diensten in het jaar t of
een gedeelte van jaar t niet hebben geleverd of voor die diensten geen
of minder kosten hebben gemaakt.
3. Indien een voorstel niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 41b,
eerste lid, aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is
gezonden, stelt deze de tarieven voor de desbetreffende netbeheerder uit
eigen beweging vast met inachtneming vanartikel 41b.
4. Indien de totale inkomsten aan het begin van de periode, bedoeld in
artikel 41, eerste lid, niet in overeenstemming zijn met het efficiënte
kostenniveau inclusief een rendement dat in het economisch verkeer
gebruikelijk is, kan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
bij de toepassing van de formule, genoemd in artikel 41b, eerste lid,
onderdeel d, in plaats van TIt-1, de totale inkomsten vaststellen op het
efficiënte kostenniveau inclusief een rendement dat in het economisch
verkeer gebruikelijk is.
5. Indien een besluit op grond van artikel 41, eerste lid, of 41a eerste
lid, bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vernietigd of bij een
onherroepelijk besluit op bezwaar is herroepen, herberekent de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de tarieven, bedoeld in het eerste
lid, met toepassing van de met inachtneming van die uitspraak of dat
besluit op bezwaar gecorrigeerde methode onderscheidenlijk gecorrigeerde
doelmatigheidskorting, kwaliteitsterm of rekenvolume, en verdisconteert
hij de uitkomsten van deze herberekening in de eerstvolgende op grond
van het eerste lid vast te stellen tarieven. Daarbij worden deze
herberekening en de wijze waarop de uitkomsten daarvan in de tarieven
zijn verdisconteerd separaat weergegeven.
Artikel 41d
1.In afwijking van artikel 41a wordt voor de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet geen kwaliteitsterm vastgesteld.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt voor de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet jaarlijks het verschil
vast tussen de totale inkomsten uit de tarieven, bedoeld in artikel 41b,
eerste lid, onderdeel d, en de gerealiseerde totale inkomsten uit de
tarieven. Bij de eerstvolgende vaststelling van de tarieven verwerkt de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit het verschil in de
tarieven.
Artikel 41e
1. De tarieven voor diensten ter uitvoering van de taken, genoemd in
artikel 16, tweede lid, worden vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
2. Voor elke taak van de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet, genoemd in artikel 16, tweede lid, stelt de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de methode van regulering vast,
voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar, na
overleg met de gezamenlijke netbeheerders en met representatieve
organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt en met inachtneming
van het belang dat de doelmatigheid van de bedrijfsvoering en de meest
doelmatige kwaliteit van uitvoering van deze taken worden bevorderd.
3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet zendt jaarlijks
voor 1 oktober aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een
voorstel voor de tarieven voor uitvoering van de taken, genoemd in
artikel 16, tweede lid, met inachtneming van de tariefstructuren
vastgesteld op grond van artikel 36 of 37.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de tarieven
vast overeenkomstig artikel 41c, eerste en tweede lid.
5. Indien een voorstel niet binnen de termijn, bedoeld in het derde lid,
aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is gezonden, stelt
deze de tarieven uit eigen beweging vast met inachtneming van dit
artikel.
6. Indien een besluit op grond van het tweede lid bij onherroepelijke
rechterlijke uitspraak is vernietigd of bij onherroepelijk besluit op
bezwaar is herroepen, herberekent de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit de tarieven, bedoeld in het vierde lid, met
toepassing van de met inachtneming van die uitspraak of dat besluit op
bezwaar gecorrigeerde methode en verdisconteert hij de uitkomsten van
deze herberekening in de eerstvolgende op grond van het vierde lid vast
te stellen tarieven. Daarbij worden deze herberekening en de wijze
waarop de uitkomsten daarvan in de tarieven verdisconteerd zijn separaat
weergegeven.
Artikel 42
1.De tarieven treden in werking op een door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit te bepalen datum en gelden tot 1 januari van het
jaar, volgend op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot
vaststelling van de tarieven.
2.Indien op 1 januari de tarieven voor het volgende jaar nog niet zijn
vastgesteld, gelden de tarieven tot de datum van inwerkingtreding van
het besluit tot vaststelling van de tarieven voor het volgende jaar.
3.Iedere netbeheerder legt een exemplaar van de voor hem geldende
tarieven voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.
Artikel 43
1. Een netbeheerder is verplicht een afzonderlijke boekhouding te voeren
voor het beheer van de netten op grond van zijn taken, bedoeld in de
artikelen 16 en 16a. Indien de netbeheerder werkzaamheden verricht als
bedoeld in artikel 17 of 17a, voert hij daarvoor eveneens, al dan niet
op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding.
2. De afzonderlijke boekhouding bevat:
a. een balans en een winst- en verliesrekening,
b. een specificatie van de toerekening van de activa en de passiva en de
lasten en baten aan activiteiten als bedoeld in het eerste lid, waarbij
in het bijzonder voor iedere transporttrap de kosten, opbrengsten en
hoeveelheden van tenminste de functies, bedoeld in de artikelen 27 tot
en met 30a, worden aangegeven,
c. een specificatie van de inkomsten verkregen uit de eigendom van het
net, en
d. een toelichting op de gebruikte regels voor de afschrijving.
3. De netbeheerder geeft in de boekhouding aan welke methoden en
criteria bij het opstellen daarvan zijn gehanteerd.
4. Het toerekenen van kosten aan activiteiten als bedoeld in het eerste
lid geschiedt in overeenstemming met het daadwerkelijk gebruik van
financiële of andere middelen voor die activiteiten.
5. Wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde regels voor de
afschrijving worden met redenen omkleed in de boekhouding vermeld.
6. In de toelichting op de jaarrekening wordt elk verwant bedrijf
waarmee een netbeheerder een overeenkomst heeft gesloten waarvan de
opbrengst of de kosten een bedrag van € 4 500 000 te boven gaat,
vermeld. Daarbij wordt tevens per bedrijf het aantal van die
overeenkomsten gemeld.
7. Indien een netbeheerder niet reeds uit hoofde van een wettelijke
verplichting zijn jaarrekening of een daarmee overeenkomend financieel
overzicht openbaar maakt, legt hij die jaarrekening of dat overzicht
voor een ieder ter inzage op het kantoor van zijn hoofdvestiging.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de inrichting van de boekhouding voor de in het eerste
lid bedoelde activiteiten.
9. Een netbeheerder publiceert jaarlijks op geschikte wijze een verslag
van de afzonderlijke boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en de
gegevens waaruit blijkt dat de netbeheerder voldoet aan de regels
omtrent een goed financieel beheer, bedoeld in artikel 18a, eerste lid.
§ 7. Invoer en uitvoer van elektriciteit
Artikel 44
1.Eenmaal in elke drie maanden, alsmede op een verzoek daartoe, meldt de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet aan Onze Minister alle
in die periode tot hem gerichte verzoeken om elektriciteit te
transporteren vanuit een land naar Nederland dan wel vanuit Nederland
naar een ander land.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de melding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 45
1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan
een afnemer die daarom verzoekt, dan wel aan een leverancier die ten
behoeve van een afnemer daarom verzoekt, een aanbod te doen om
elektriciteit te transporteren vanuit een ander land naar deze afnemer
die de desbetreffende elektriciteit zelf zal verbruiken, indien:
a. deze afnemer jaarlijks meer elektriciteit verbruikt dan een bij
ministeriële regeling aangegeven hoeveelheid en
b. deze afnemer, gesteld dat hij gevestigd zou zijn in dat andere land,
op grond van het recht van dat land zou worden beschouwd als een in
aanmerking komende afnemer als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de
richtlijn.
2. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan
een leverancier die daarom verzoekt, een aanbod te doen om elektriciteit
te transporteren vanuit een ander land naar deze leverancier, als deze
leverancier, gesteld dat hij gevestigd zou zijn in het andere land, op
grond van het recht van dat land zou worden beschouwd als een in
aanmerking komende afnemer als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de
richtlijn.
3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan
degene die daarom verzoekt, een aanbod te doen om elektriciteit te
transporteren, indien op grond van artikel 48 een ontheffing is verleend
voor het gevraagde transport van elektriciteit of de Commissie van de
Europese Gemeenschappen op grond van artikel 21, tweede lid, onderdeel
b, van de richtlijn aan de netbeheerder de verplichting oplegt om het
gevraagde transport van elektriciteit uit te voeren.
4. Bij ministeriële regeling kunnen afnemers, leveranciers,
overeenkomsten of landen worden aangewezen ten aanzien waarvan het
eerste of het tweede lid van toepassing is.
5. Indien het andere land geen lid-staat is van de Europese Unie, wordt
onder een in aanmerking komende afnemer verstaan een afnemer of
leverancier die op grond van het recht van dat land in staat is om
elektriciteit uit een ander land af te nemen.
Artikel 46
Indien de afnemer of de leverancier, bedoeld in artikel 45, eerste en
tweede lid, ten aanzien waarvan niet bij de in artikel 45, vierde lid,
bedoelde ministeriële regeling is bepaald dat het eerste lid van dat
artikel van toepassing is, in het andere land niet zou worden beschouwd
als een in aanmerking komende afnemer als bedoeld in artikel 21, eerste
lid, van de richtlijn, is het de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet verboden een aanbod te doen om elektriciteit te
transporteren vanuit dat land naar de desbetreffende afnemer of
leverancier. Dit verbod geldt niet in de gevallen, bedoeld in artikel
45, derde lid.
Artikel 47
De afnemer of leverancier die verzoekt om elektriciteit te transporteren
als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, verstrekt de
netbeheerder de inlichtingen die deze nodig heeft om te beoordelen of en
zo ja, in welke mate, de in Nederland gevestigde afnemer of leverancier
op grond van het recht van het andere land zou worden beschouwd als een
in aanmerking komende afnemer. In ieder geval geeft hij aan in welk land
de desbetreffende elektriciteit is opgewekt en, voor zover het betreft
de afnemer, bedoeld in artikel 45, eerste lid, de hoeveelheid
elektriciteit die hij jaarlijks verbruikt.
Artikel 48 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van:
a. de inhoud van een aanvraag om een leveringsvergunning en de daarbij
te overleggen gegevens;
b. de wijze waarop een aanvraag om een leveringsvergunning wordt
ingediend en behandeld;
c. de wijze waarop aan de in artikel 44 bedoelde verplichting wordt
voldaan;
d. de inhoud van de ingevolge artikel 46 te verschaffen gegevens.
Artikel 49
De afnemer of leverancier wiens transactie als bedoeld in artikel 21,
tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn, is geweigerd, kan aan Onze
Minister verzoeken zijn bevoegdheid, bedoeld in dat artikelonderdeel van
de richtlijn, uit te oefenen.
Artikel 50
1.Indien blijkt dat degene die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in
artikel 45, eerste of tweede lid, daarbij onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt aan de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet en deze op grond van artikel 46 geen aanbod tot het
uitvoeren van het desbetreffende transport zou hebben gedaan als juiste
en volledige gegevens zouden zijn verstrekt, staakt de netbeheerder van
het landelijk hoogspanningsnet het ten behoeve van die verzoeker
uitgevoerde transport van elektriciteit en vernietigt hij de
overeenkomst met betrekking tot dat transport.
2.Indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet een
overeenkomst heeft vernietigd op grond van het eerste lid, is degene die
het verzoek om het desbetreffende transport heeft gedaan, verplicht bij
een nieuw verzoek als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid,
schriftelijke verklaringen te voegen van de afnemer of leverancier,
inhoudend dat de te transporteren elektriciteit voor hem bestemd is, en
van de producent, inhoudend dat de te transporteren elektriciteit door
hem zal worden opgewekt.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bekend wordt met de
onjuistheid of de onvolledigheid van de gegevens nadat hij zijn
verbintenis uit de overeenkomst voor het transport van elektriciteit is
nagekomen en hij dat heeft gemeld aan degene die het verzoek om het
desbetreffende transport van elektriciteit heeft gedaan, dan wel indien
Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 48 heeft
ingetrokken.
4.Indien het tweede lid van toepassing is, doet de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet geen aanbod om elektriciteit te transporteren
als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, dan nadat hij de
schriftelijke verklaringen heeft ontvangen.
§ 8. Behandeling van geschillen
Artikel 51
1.Een partij die een geschil heeft met een netbeheerder over de wijze
waarop deze zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefent,
dan wel aan zijn verplichtingen op grond van deze wet voldoet, kan een
klacht bij de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit indienen.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit beslist op een
klacht binnen twee maanden na ontvangst van de klacht. Indien de klacht
betrekking heeft op de tarieven voor de aansluiting op het net van een
grote productie-eenheid, kan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een langere termijn stellen. De raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit kan de in de eerste volzin genoemde
termijn met twee maanden verlengen als hij aanvullende gegevens nodig
heeft. Indien de klager daarmee instemt, is verdere verlenging mogelijk.
3.De beslissing van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is
bindend.
4.Het indienen van een klacht als bedoeld in het eerste lid laat
onverlet elke mogelijkheid voor de desbetreffende partij een hem ter
beschikking staand rechtsmiddel aan te wenden.
Artikel 52
In het geval van een landsgrensoverschrijdend geschil is de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit onbevoegd te beslissen op een
klacht als bedoeld in artikel 51, als de netbeheerder waartegen de
klacht is gericht onder de rechtsmacht van een andere lidstaat van de
Europese Unie valt.
Hoofdstuk 4. Voorwaarden wijze van gegevensverwerking
Artikel 53
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot een
of meer voorwaarden, bedoeld in artikel 54, eerste lid, waaronder in
ieder geval regels over de verantwoording in de toelichting op de
jaarrekening over het voldoen aan de voorwaarden die krachtens dit
hoofdstuk zijn vastgesteld.
Artikel 54
1. Met inachtneming van de krachtens artikel 53 vastgestelde regels
zendt een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden
met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit aan de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel voor de door hen
jegens elkaar en afnemers in het kader van administratieve processen te
hanteren voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop de met die
administratieve processen samenhangende gegevens worden vastgelegd,
uitgewisseld of gebruikt of met betrekking tot de wijze waarop en de
termijn waarbinnen die gegevens worden bewaard, waaronder in ieder geval
voorwaarden die bepalen dat:
a. bij een wisseling van leverancier, de beoogde leverancier, en
b. bij een verhuizing, de leverancier van de afnemer
verantwoordelijk is voor het verzamelen van de meetgegevens van de
afnemer.
2. Ondernemingen die een voorstel doen, voeren overleg over dit voorstel
met representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt.
3. In het voorstel dat aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit wordt gezonden, geven de ondernemingen aan welke
gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de zienswijzen die de
organisaties, bedoeld in het tweede lid, naar voren hebben gebracht.
Artikel 55
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de voorwaarden
vast met inachtneming van:
a. het voorstel als bedoeld in artikel 54, eerste lid,
b. de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 54, tweede lid,
c. de regels, bedoeld in artikel 53, en
d. artikel 36, eerste lid, onderdelen b tot en met f, en tweede lid.
Artikel 56
1. Na ontvangst van een voorstel als bedoeld in artikel 54, eerste lid,
kan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de ondernemingen
die het voorstel hebben ingediend, opdragen binnen vier weken en met
inachtneming van zijn bevindingen, waaronder zijn bevindingen omtrent de
belangen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen b tot en met f,
de regels, bedoeld in artikel 53, of het bepaalde in artikel 36, tweede
lid, het voorstel te wijzigen. Indien de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit van deze bevoegdheid gebruik maakt is artikel
4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen vier
weken het voorstel wijzigen overeenkomstig de opdracht van de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit, stelt de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit de voorwaarden vast onder het aanbrengen van
zodanige wijzigingen dat deze in overeenstemming zijn met de belangen,
bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen b tot en met f, met
artikel 36, tweede lid, of met de regels, bedoeld in artikel 53.
Artikel 57
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan uit eigen
beweging een ontwerp van een besluit maken tot wijziging van de
voorwaarden, bedoeld in artikel 54, eerste lid, of kan een
representatief deel van de in artikel 54, eerste lid, bedoelde
ondernemingen opdragen een daartoe strekkend voorstel voor te bereiden
en aan haar toe te zenden.
2. Ondernemingen als bedoeld in artikel 54, eerste lid, en de
representatieve organisaties, bedoeld in artikel 54, tweede lid, kunnen
hun zienswijze op een dergelijk ontwerp van een besluit aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit kenbaar maken binnen twaalf weken
na het tijdstip waarop het ontwerp van het besluit is bekendgemaakt.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde ondernemingen en representatieve
organisaties niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn hun
zienswijze op het ontwerp van het besluit kenbaar maken, stelt de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit het besluit vast met
inachtneming van de belangen, bedoeld in artikel 36, eerste lid,
onderdelen b tot en met f, met artikel 36, tweede lid, en met de regels,
bedoeld in artikel 53.
4. Indien de ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen
twaalf weken na toezending van de in het eerste lid bedoelde opdracht,
een voorstel aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
zenden, stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de
voorwaarden vast met inachtneming van de belangen, bedoeld in artikel
36, eerste lid, onderdelen b tot en met f, met artikel 36, tweede lid,
en met de regels, bedoeld in artikel 53.
Artikel 58
Ten aanzien van de overeenkomstig dit hoofdstuk door de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit vastgestelde voorwaarden zijn de artikelen
37a en 38, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
1. De door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit op basis
van artikel 31, eerste lid, op 6 maart 2007 vastgestelde informatiecode
(Stcrt. 2007, 49) wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
hoofdstuk aangemerkt als voorwaarden die overeenkomstig dit hoofdstuk
zijn vastgesteld.
2. Uiterlijk 12 weken na inwerkingtreding van dit hoofdstuk ontvangt de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel als bedoeld
inartikel 54, eerste lid, dat tot doel heeft de in het eerste lid
bedoelde informatiecode uit te breiden tot voorwaarden voor alle soorten
ondernemingen, genoemd in artikel 54, eerste lid.
Artikel 60 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 61 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 62 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 63 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 64 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 65 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 66 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 67 [Vervallen per 01-07-2004]
Hoofdstuk 5. Duurzame elektriciteitsvoorziening
§ 1. Taak ten aanzien van energiebesparing en bevordering van duurzame
energie
Artikel 68
1.Producenten en leveranciers hebben tot taak, mede gelet op het belang
van de bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van
de richtlijn, te bevorderen dat elektriciteit door henzelf en door
afnemers op een doelmatige en milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt
geproduceerd of gebruikt.
2.Iedere producent of leverancier die per jaar gemiddeld 10 GWh of meer
levert meldt eenmaal in elke twee jaar vóór 1 maart aan Onze Minister
op welke wijze hij in de twee jaar voorafgaande aan het jaar, waarin de
melding wordt verricht, uitvoering heeft gegeven aan zijn taak, bedoeld
in het eerste lid.
§ 2 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 2.1 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72a [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72b [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72c [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72d [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72e [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72f [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72g [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72h [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72i [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72j [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72k [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72l [Vervallen per 01-01-2009]
§ 2.2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72m [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72n [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72na [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72o [Vervallen per 01-01-2009]
§ 2.3 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72aa [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72ab [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72ac [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72ad [Vervallen per 01-01-2009]
§ 3. Garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit
Artikel 73
1.Ter stimulering van de productie van duurzame elektriciteit bestaat
een elektronisch systeem voor het uitgeven en innemen van garanties van
oorsprong voor duurzame elektriciteit.
2.Onze Minister wijst steeds voor een periode van tien jaar een
instantie aan die onafhankelijk is van producenten, leveranciers en
handelaren en die op aanvraag van een producent een garantie van
oorsprong uitgeeft.
Artikel 74
Een garantie van oorsprong voor duurzame elektriciteit toont bij
uitsluiting aan dat de daarop aangegeven hoeveelheid elektriciteit op
duurzame wijze is opgewekt.
Artikel 75
1.De garantiebeheerinstantie verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze
Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
noodzakelijk is.
2.De garantiebeheerinstantie zendt Onze Minister jaarlijks een verslag
betreffende de door de instantie krachtens de aanwijzing, bedoeld in
artikel 73, tweede lid, uitgevoerde taken en de werkwijze in het
afgelopen jaar.
Artikel 76
1.De garantiebeheerinstantie doet onverwijld mededeling aan Onze
Minister:
a. van omstandigheden die een wijziging inhouden van de voorwaarden op
grond waarvan deze instantie is aangewezen;
b. indien de instantie voornemens is een of meer van de taken die zij
krachtens de aanwijzing, bedoeld in artikel 73, tweede lid, uitvoert, te
beëindigen.
2.Onze Minister kan een aanwijzing als bedoeld in artikel 73, tweede
lid, opschorten of intrekken indien, naar zijn oordeel, de
garantiebeheerinstantie niet of niet volledig voldoet aan de bij of
krachtens deze wet gestelde voorschriften. Gedurende de periode van een
opschorting treft Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen.
3.Onze Minister kan de in het vorige lid bedoelde opschorting opheffen
indien de garantiebeheerinstantie weer voldoet aan de in het vorige lid
bedoelde voorschriften. In dat geval vervallen de in het vorige lid
bedoelde voorzieningen.
Artikel 77
1.De garantiebeheerinstantie opent op aanvraag van een in Nederland
gevestigde producent, leverancier, handelaar of afnemer een rekening.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag overlegt de producent,
leverancier, handelaar of afnemer het resultaat van de vaststelling,
bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h.
3.De garantiebeheerinstantie boekt op aanvraag garanties van oorsprong
voor duurzame elektriciteit op een daarbij aangegeven rekening, indien
een in Nederland gevestigde producent bij deze aanvraag de gegevens
omtrent de door de netbeheerder of door een andere tot meten bevoegde
instantie gemeten hoeveelheid duurzame elektriciteit overlegt.
Artikel 77a
De garantiebeheerinstantie deelt iedere maand aan Onze Minister mee voor
welke hoeveelheid duurzame elektriciteit overeenkomstig de bij of
krachtens deze paragraaf gestelde bepalingen garanties van oorsprong
voor duurzame elektriciteit zijn uitgegeven, alsmede op welke wijze de
duurzame elektriciteit waarop die garanties van oorsprong voor duurzame
elektriciteit betrekking hebben, is opgewekt.
Artikel 77b
Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verwezen naar
garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, worden garanties
van oorsprong voor duurzame elektriciteit uitgegeven door onafhankelijke
instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie, die naar aard en
strekking overeenkomen met eerstbedoelde garanties van oorsprong voor
duurzame elektriciteit, daarmee gelijkgesteld.
Artikel 77c
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels met betrekking
tot:
a. de informatie die door de garantiebeheerinstantie op grond van de
artikelen 75, eerste lid, en 77a verstrekt wordt aan Onze Minister en
die door producenten, leveranciers, handelaars, afnemers of
netbeheerders verstrekt wordt aan de garantiebeheerinstantie;
b. het uitgeven en de geldigheidsduur van garanties van oorsprong voor
duurzame elektriciteit, het vermelden van gegevens op garanties van
oorsprong voor duurzame elektriciteit en het in rekening brengen van de
kosten die gepaard gaan met handelingen met betrekking tot garanties van
oorsprong voor duurzame elektriciteit;
c. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop producenten,
leveranciers, handelaars of afnemers gebruik kunnen maken van de door
hen verkregen garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit of
deze kunnen verhandelen.
§ 3a. Garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een
installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
Artikel 77ca
1.Ter stimulering van de productie van elektriciteit opgewekt in een
installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling bestaat een
elektronisch systeem voor het uitgeven en innemen van garanties van
oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.
2.Deartikelen 73, tweede lid, 75 en 76 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77cb
1.De garantiebeheerinstantie opent op aanvraag van een in Nederland
gevestigde producent van elektriciteit opgewekt in een installatie voor
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling een rekening.
2.Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, overleg de producent het
resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 16, eerste lid,
onderdeel h.
3.De garantiebeheerinstantie boekt op aanvraag garanties van oorsprong
voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling op een daarbij aangegeven rekening, indien een in
Nederland gevestigde producent bij deze aanvraag de gegevens omtrent de
door de netbeheerder of door een andere tot meten bevoegde instantie
gemeten hoeveelheid elektriciteit opgewekt in een installatie voor
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling overlegt. Onze Minister kan bij
ministeriële regeling andere gegevens vaststellen die de producent bij
deze aanvraag verstrekt.
Artikel 77cc
De garantiebeheerinstantie deelt ieder kalenderjaar aan Onze Minister
mee voor welke hoeveelheid elektriciteit opgewekt in een installatie
voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling overeenkomstig de bij of
krachtens de artikelen 77ca tot en met 77ce gestelde bepalingen
garanties van oorsprong zijn uitgegeven.
Artikel 77cd
Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verwezen naar
garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie
voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, worden garanties van
oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling uitgegeven door onafhankelijke
instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie, die naar aard en
strekking overeenkomen met eerstbedoelde garanties van oorsprong,
daarmee gelijkgesteld.
Artikel 77ce
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen met
betrekking tot:
a. de informatie die door de garantiebeheerinstantie op grond van de
artikelen 77ca, tweede lid, juncto de artikelen 75, eerste lid, en 77a
verstrekt wordt aan Onze Minister en die door producenten van
elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling of netbeheerders verstrekt wordt aan de
garantiebeheerinstantie;
b. het uitgeven en de geldigheidsduur van garanties van oorsprong voor
elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling, het vermelden van gegevens op de garanties van
oorsprong en het in rekening brengen van de kosten die gepaard gaan met
handelingen met betrekking tot de garanties van oorsprong;
c. het openen van een rekening, het boeken van garanties van oorsprong
voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling op die rekening en de gegevens die een producent
daarbij overlegt.
§ 4. Stimulering van de productie van duurzame energie [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 77d [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Iedere leverancier is verplicht vóór een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen datum aan Onze Minister zoveel garanties van
oorsprong over te leggen als voor het desbetreffende jaar vereist is op
grond van het bij of krachtens het tweede lid bepaalde.
2.De hoeveelheid garanties van oorsprong waarvan de overlegging door een
leverancier in een jaar is vereist, wordt vastgesteld met toepassing van
een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen formule, waarin tot
uitdrukking komt dat voor een daarbij aan te geven factor van de totale
hoeveelheid elektriciteit die in een jaar wordt geleverd, garanties van
oorsprong worden overgelegd.
3.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 77e [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Onze Minister stelt een toeslag op de tarieven voor het transport van
elektriciteit vast die verschuldigd is indien een leverancier vóór een
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen datum niet of in
onvoldoende mate voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 77d,
eerste lid.
Artikel 77f [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot:
a. de informatie die door producenten, leveranciers of netbeheerders
verstrekt wordt aan Onze Minister;
b. de wijze waarop aan de verplichting tot het overleggen van garanties
van oorsprong, bedoeld in artikel 77d, eerste lid, wordt voldaan;
c. het verhandelen, innemen, registreren, ongeldig maken en bewaren van
garanties van oorsprong;
d. de berekening van de toeslag, bedoeld in artikel 77e, voor iedere
garantie van oorsprong die in afwijking van de verplichting, bedoeld in
artikel 77d, eerste lid, niet is overgelegd;
e. de procedure tot vaststelling en oplegging van de toeslag op de
tarieven voor het transport van elektriciteit;
f. de afdracht van de bedragen, verkregen met toepassing van de toeslag
op de tarieven voor het transport van elektriciteit, door een
netbeheerder aan Onze Minister.
2.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 5A. Last onder dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 77g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77h
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan ingeval van
overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering
van artikel 13, 22, tweede lid,26aa, 26ad, vijfde lid, en 26ae, tiende
lid, dan wel van overtreding van het bepaalde bij de Verordening de
overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2. Indien daarvoor naar zijn oordeel aanleiding bestaat, gelet op het
voorschrift waarop de overtreding betrekking heeft, geeft de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit een bindende aanwijzing als
bedoeld in artikel 5, zesde lid, alvorens een last onder dwangsom op te
leggen.
3. Aan een last onder dwangsom kunnen voorschriften worden verbonden
inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom vervalt
vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
5. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit vaststelt
dat een overtreding als bedoeld in het eerste lid is begaan, doet hij
daarvan een rapport opmaken.
6. Afdeling 5.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 77i
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan in geval van
overtreding van het bepaalde bij of krachtens:
a. de artikelen 4a, derde lid, 7, tweede lid, 11a, tweede lid, 11b,
derde lid, 12, eerste en tweede lid, 16, eerste lid, onderdelen g, k en
l, en tweede lid, onderdeel g, 16Aa, derde en vierde lid, 16a, 17,
vierde lid, 17a, derde en vierde lid, 18, derde lid, 19b, 19c, 19d, 19e,
21, negende lid, tweede volzin, 24, tweede lid, 24a, 26ae, twaalfde lid,
38, derde lid, 39, 42, derde lid, 68, tweede lid, 71, 78, tweede lid,
95b, tweede en achtste lid, 95e, 95k, 95l en95o alsmede artikel 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht, de overtreder per overtreding een
bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat
meer is, 1% van de omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande
aan de beschikking, en
b. de artikelen 5, zesde lid, 10, tweede en derde lid, 10a, eerste en
tweede lid, 10b, tweede en derde lid, 11, eerste lid, 11a, derde lid,
11b, eerste en tweede lid, 16, eerste lid, onderdelen a tot en met f, h
tot en met j, n, o en p, tweede lid, onderdelen a tot en met f, vierde
lid en zesde lid, 16Aa, eerste en tweede lid, 17, eerste en tweede lid,
17a, eerste en tweede lid,18, eerste lid, 18a, 19a, 20, derde lid, 21,
23, 24, eerste en derde lid, 26ab, 26ac, 26ad, eerste tot en met vierde
lid, 26ae, eerste tot en met vierde lid, zesde, zevende en negende lid,
31, eerste lid, 31a, eerste en tweede lid, 31b, 36, 37, 43, 44, 45, 46,
47, 55, 56, tweede lid, 57, derde en vierde lid, 68, eerste lid, 79, 84,
86, 86d, 86e, 93b, 95a, eerste lid, 95b, eerste en vijfde lid, 95ca,
95cb, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 95f, tweede lid en 95m de
overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste 10% van de omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande
aan de beschikking.
2. Indien op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid, onder
2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt voor de daar bedoelde
overtreder de bestuurlijke boete ten hoogste€ 450 000.
3. De berekening van de netto-omzet, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt op de voet van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 77j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77k [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77l [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77m [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77n [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77o
1. Een beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom of een
bestuurlijke boete wordt, nadat zij bekend is gemaakt, ter inzage gelegd
bij de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit.
2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 77p [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77q
Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot
invordering van de bestuurlijke boete.
Hoofdstuk 6. Overige algemene bepalingen
§ 1. Informatieverstrekking
Artikel 78
1.Onze Minister kan verlangen dat een producent, een leverancier, een
handelaar, een netbeheerder, een elektriciteits- of gasbeurs of een
afnemer hem inzage geeft in gegevens en bescheiden, onderscheidenlijk
gegevens en inlichtingen verstrekt die hij nodig heeft voor de
uitvoering van de hem in deze wet opgedragen taken.
2.Degene aan wie een verzoek is gedaan inzage te geven in gegevens en
bescheiden, onderscheidenlijk gegevens en inlichtingen te verstrekken,
is verplicht binnen de door Onze Minister gestelde redelijke termijn
alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijze kan vorderen bij
de uitoefening van zijn bevoegdheden.
3.Onze Minister gebruikt bescheiden, gegevens of inlichtingen over een
producent, een leverancier, een handelaar, een netbeheerder, een
elektriciteits- of gasbeurs of een afnemer, welke hij heeft verkregen in
verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van
zijn taken op grond van deze wet, uitsluitend voor de toepassing van
deze wet.
4.Indien Onze Minister op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel f,
de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet opdraagt
werkzaamheden te verrichten ter uitvoering van de taak, bedoeld in
artikel 4a, zijn het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige
toepassing op die netbeheerder.
Artikel 79
1.Een netbeheerder die bij de uitvoering van zijn taak de beschikking
krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of
redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding van die
gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot
mededeling verplicht, of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
2.Indien een netbeheerder gegevens over zijn bedrijfsvoering die
commercieel voordeel kunnen opleveren ter beschikking stelt aan anderen,
doet hij dit op niet-discriminatoire wijze.
Artikel 80
1.Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk na een juli 2006, en
vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de
inhoud van het verslag. Het verslag bevat in ieder geval een evaluatie
van de doeltreffendheid en de effecten van de wet met betrekking tot:
a. de voorzienings- en leveringszekerheid van elektriciteit;
b. de marktordening en de marktwerking;
c. mede gelet op de Mededingingswet, het toezicht en de naleving.
3.De Nederlandse Mededingingsautoriteit is belast met de uitvoering van
de evaluatie.
Artikel 81
De voordracht voor een krachtens artikel 29, 30, 84 of 85 vast te
stellen algemene maatregel van bestuur en voor een wijziging van een
krachtens artikel 20 vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 2. Beroep
Artikel 82
1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van
een besluit op grond van de artikelen 77h en 77i, kan een belanghebbende
beroep instellen bij het College van beroep voor het bedrijfsleven.
2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van de
artikelen 77h en 77i is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene
wet bestuursrecht, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
3. Voor zover een door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
genomen besluit, genomen op grond van de artikelen 36, 37, 41, 41c, 55,
56, tweede lid, en 57, derde en vierde lid aangemerkt wordt als algemeen
verbindend voorschrift, kan een belanghebbende beroep instellen bij het
College van beroep voor het bedrijfsleven.
4. Een representatieve organisatie van partijen op de
elektriciteitsmarkt wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten
genomen op grond van deze wet.
§ 3. Uitzondering verordeningsbevoegdheid
Artikel 83
Provinciale staten en de gemeenteraad zijn niet bevoegd het opwekken,
het transporteren en het leveren van elektriciteit in het belang van de
energievoorziening aan regels te binden.
§ 4. Nadere regelgeving ter uitvoering van EG-besluiten
Artikel 84
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een besluit
op grond van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de tarieven en voorwaarden die netbeheerders berekenen
onderscheidenlijk in acht nemen bij het uitvoeren van transport van
elektriciteit met behulp van een landsgrensoverschrijdend net;
b. de voorwaarden die door een netbeheerder of een leverancier in het
belang van de veiligheid en de doelmatigheid worden gesteld voor het
leveren van elektriciteit of voor het aansluiten van toestellen of
installaties die elektriciteit verbruiken.
§ 5. Bijdragen
Artikel 85
1. Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels is een door Onze Minister vast te stellen vergoeding
verschuldigd voor het verlenen van instemming als bedoeld in artikel 12,
tweede lid, van een aanwijzing als bedoeld in artikel 13, van een
ontheffing als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van een ontheffing als
bedoeld in artikel 86c, dan wel van een vergunning als bedoeld in
artikel 95d, welke vergoeding verschuldigd is voor ten hoogste de kosten
van de bemoeiingen met betrekking tot de instemming, de aanwijzing, de
ontheffing dan wel de vergunning.
2. Overeenkomstig de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan
netbeheerders en vergunninghouders tevens de kosten in rekening worden
gebracht die gemaakt worden voor de uitvoering van de taken en de
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 22 en 27 tot en
met 43.
3. Onze Minister kan het verschuldigde bedrag invorderen bij dwangbevel.
Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vergoedingen is, voor
zover al niet van toepassing, titel 4.4, met uitzondering van de
artikelen 4:85 en 4:95, van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
§ 6. Boekhouding van producenten en leveranciers
Artikel 86
1.Een producent of een leverancier voert een afzonderlijke boekhouding
voor de productie van elektriciteit met behulp van zijn installaties
onderscheidenlijk de levering van elektriciteit aan afnemers. Indien de
producent of leverancier andere activiteiten verricht dan die welke
verband houden met de productie of de levering van elektriciteit, voert
hij daarvoor eveneens, al dan niet op geconsolideerde basis, een
afzonderlijke boekhouding.
2.Artikel 43, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing op de boekhouding en de jaarrekening van de producent of
leverancier.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op leveranciers die
anders dan bedrijfsmatig elektriciteit leveren.
§ 7. Toepasselijk recht
Artikel 86a
1.Op overeenkomsten tot transport of levering van elektriciteit is
Nederlands recht van toepassing.
2.De Nederlandse rechter is bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van
geschillen over overeenkomsten tot transport of levering van
elektriciteit.
3.Een beding dat in strijd met het eerste of tweede lid in een
overeenkomst tot het transport of de levering van elektriciteit is
opgenomen, is nietig.
4.Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een
overeenkomst voor levering van elektriciteit die een leverancier of
handelaar sluit met een persoon die beschikt over een aansluiting op een
net met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A en een
beschikbaar vermogen van ten minste 2 MVA per aansluiting.
5.De toepasselijkheid van dit artikel wordt beperkt door dwingende
bepalingen van internationaal recht.
§ 8. Klimaatneutrale elektriciteit
Artikel 86b
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het vaststellen
of sprake is van een productie-installatie voor klimaatneutrale
elektriciteit en of de inrichting om te meten geschikt is voor de meting
van de klimaatneutrale elektriciteit die met een dergelijke
productie-installatie wordt opgewekt en op het net wordt ingevoed.
§ 9. Ontheffingsbevoegdheid
Artikel 86c
1. Onze Minister beslist op een verzoek om een ontheffing als bedoeld in
artikel 7 van de Verordening. De raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit brengt advies aan Onze Minister uit over door hem
te nemen besluiten als bedoeld in de eerste volzin.
2. Op een landsgrensoverschrijdend net dat bij de ingebruikname daarvan
over een ontheffing als bedoeld in het eerste lid beschikt, is artikel
93 niet van toepassing.
§ 10. Transparantie en liquiditeit
Artikel 86d
Indien dat noodzakelijk is in het belang van een voldoende transparante
en liquide markt voor vraag en aanbod van elektriciteit,
transportcapaciteit of productiecapaciteit of in het belang van de
daarmee verband houdende leveringszekerheid, zullen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over:
a. de wijze waarop of de voorwaarden waaronder producenten, handelaren,
leveranciers of netbeheerders elektriciteit, transportcapaciteit of
productiecapaciteit waarover zij beschikken, aanbieden;
b. de informatie die producenten, handelaren, leveranciers of
netbeheerders verstrekken met betrekking tot de vraag en aanbod van
elektriciteit, transportcapaciteit of productiecapaciteit.
Artikel 86e
1.Onze Minister wijst een of meer rechtspersonen aan die tot taak hebben
een beurs tot stand te brengen en in stand te houden. Onze Minister kan
regels stellen in verband met de procedure voor aanwijzing van een
beurs. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
2.Een rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, stelt een beursreglement
op. Het beursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Van het
besluit tot goedkeuring wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan de
rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en aan de door deze
rechtspersoon ingeschakelde derden, voor zover het betreft de
afhandeling van de op de beurs op tot stand gekomen overeenkomsten, de
gevraagde medewerking te verlenen, voor zover deze medewerking
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de aan deze rechtspersoon
opgelegde taak. Onze Minister kan nadere regels stellen over de door de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet te verlenen medewerking.
4.De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die bij de uitvoering van
zijn taak de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is
verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover de
artikelen van deze wet hem tot mededeling verplichten of uit zijn taak
de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
5.Producenten, leveranciers, handelaren, afnemers en aandeelhouders
onthouden zich van elke bemoeiing met de uitvoering van de taak die is
opgedragen aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Wijziging van andere wetten
Artikel 87
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 88
[Wijzigt de Wet energiedistributie.]
Artikel 89
[Wijzigt de wet van 18 december 1997, houdende wijziging van enkele
belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking) (Stb. 732).]
Artikel 90
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.]
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Algemene overgangsbepalingen.
Artikel 91 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 92 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 93
1. Indien zich in de periode tussen 1 juli 1996 en de datum van de
aanwijzing van de netbeheerder, bedoeld in artikel 10, een wijziging
heeft voorgedaan met betrekking tot de eigendom van het desbetreffende
net of van de aandelen in een rechtspersoon aan wie het desbetreffende
net toebehoort, is voor de aanwijzing van de netbeheerder vereist dat
Onze Minister geen bedenkingen heeft tegen die wijziging.
2. De eigendom van een net of rechten op een net berusten direct of
indirect bij de staat, provincies, gemeenten of andere openbare
lichamen.
3. De aandelen van een netbeheerder berusten direct of indirect bij de
staat, provincies, gemeenten of andere openbare lichamen.
4. Onder indirect berusten als bedoeld in het tweede en derde lid wordt
verstaan dat de eigendom van een net of rechten op een net, dan wel
aandelen in een netbeheerder, berusten bij een of meer rechtspersonen
waarvan alle aandelen worden gehouden door de staat, provincies,
gemeenten of andere openbare lichamen of bij een rechtspersoon die een
volledige dochtermaatschappij is van een of meer rechtspersonen waarvan
alle aandelen worden gehouden door de staat, provincies, gemeenten of
andere openbare lichamen.
Artikel 93a
De aandelen van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
berusten direct of indirect bij de staat.
Artikel 93b [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 95 [Vervallen per 14-07-2004]
§ 1a. Vergunningen voor de levering van elektriciteit aan
kleinverbruikers
Artikel 95a
1.Het is verboden zonder vergunning elektriciteit te leveren aan
afnemers die beschikken over een aansluiting op een net met een totale
maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3*80 A.
2.Het verbod geldt niet ten aanzien van het leveren van elektriciteit:
a. indien de elektriciteit is opgewekt met een installatie die voor
rekening en risico van de afnemer, alleen of, voor een evenredig deel,
tezamen met andere afnemers, in werking wordt gehouden en de afnemer de
geleverde elektriciteit verbruikt;
b. door een buiten Nederland gevestigde leverancier van elektriciteit
aan ten hoogste 500 afnemers, bedoeld in het eerste lid, die wonen in
gebieden aan de Nederlandse landsgrens;
c. indien de afnemer aan dezelfde rechtspersoon toebehoort als de
producent die de elektriciteit heeft opgewekt dan wel een
dochtermaatschappij daarvan in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek en de afnemer de geleverde elektriciteit verbruikt,
of
d. indien de elektriciteit anders dan bedrijfsmatig wordt geleverd
overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels;
e. indien de elektriciteit wordt geleverd in het kader van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 95n.
Artikel 95b
1. Een houder van een vergunning heeft de plicht op een betrouwbare
wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden zorg te dragen voor de
levering van elektriciteit aan iedere in artikel 95a, eerste lid,
bedoelde afnemer die daarom verzoekt. De voorwaarden zijn in ieder geval
niet redelijk als zij niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij
of krachtens artikel 95m. Artikel 26a, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Een houder van een vergunning verschaft de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit ieder jaar en vier weken voor de wijziging van de
tarieven een opgave van de tarieven die hij berekent en de voorwaarden
die hij gebruikt bij de levering van elektriciteit aan de in artikel
95a, eerste lid, bedoelde afnemers.
3. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit van oordeel
is dat de tarieven die houders van een vergunning berekenen onredelijk
zijn, omdat daarin de effecten van een doelmatige bedrijfsvoering, die
mede inhoudt de inkoop van elektriciteit en van energiebronnen bestemd
voor opwekking daarvan, in onvoldoende mate leiden tot kostenverlaging,
kan hij een tarief vaststellen dat leveranciers ten hoogste mogen
berekenen voor de levering van elektriciteit aan afnemers als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid.
4. Na de vaststelling van het maximumtarief, bedoeld in het derde lid,
worden de tarieven voor de levering van elektriciteit aan afnemers als
bedoeld in artikel 95a, eerste lid die hoger zijn dan dat maximumtarief,
van rechtswege gesteld op dat maximumtarief.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de bepaling of de tarieven, bedoeld in het
tweede lid, onredelijk zijn en tot vaststelling van het maximumtarief,
bedoeld in het derde lid. De voordracht voor een krachtens dit lid vast
te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
6. Het tweede tot en met het zesde lid vervallen op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. De voordracht voor een krachtens dit lid
vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
7. Een netbeheerder en een vergunninghouder voeren een beleid, gericht
op het voorkomen van het afsluiten van een afnemer als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, in het bijzonder in de periode van 1 oktober
tot 1 april van enig jaar.
8. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het beëindigen
van de levering van elektriciteit aan een afnemer als bedoeld in artikel
95a, eerste lid, alsmede over preventieve maatregelen om de afsluiting
van dergelijke afnemers zoveel mogelijk te voorkomen. Deze regels houden
in ieder geval in dat een afnemer niet wordt afgesloten in de periode
van 1 oktober tot 1 april van enig jaar, behoudens in gevallen die in de
regeling zijn aangegeven.
9. De in het achtste lid bedoelde preventieve maatregelen kunnen tevens
inhouden dat in daarbij omschreven gevallen met in die regeling
aangeduide instanties overleg wordt gepleegd alsmede dat in die gevallen
aan de desbetreffende instantie in die regeling omschreven gegevens
omtrent de afnemer worden verstrekt.
10. De ministeriële regeling, bedoeld in het achtste lid, wordt niet
eerder vastgesteld dan nadat de gezamenlijke netbeheerders en de
vergunninghouders alsmede de consumentenorganisaties in de gelegenheid
zijn gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van de regeling.
11. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het beperken
van de levering van elektriciteit. Deze regels bepalen in elk geval
wanneer en onder welke voorwaarden de levering van elektriciteit kan
worden beperkt.
Artikel 95c
1.Bepalingen die zijn opgenomen in overeenkomsten inzake levering van
elektriciteit aan afnemers die beschikken over een aansluiting op het
net met een totale maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3*80A en die
tot doel hebben de opwekking van duurzame elektriciteit te verbieden
zijn onverbindend.
2.Een houder van een vergunning is verplicht een aanbod van een afnemer
als bedoeld in het eerste lid tot teruglevering van door hem
geproduceerde duurzame elektriciteit te aanvaarden.
3.Een houder van een vergunning betaalt de afnemer bedoeld in het eerste
lid een redelijke vergoeding voor door hem aan het net geleverde
duurzame elektriciteit.
4.Bij algemene maatregel van het bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de door een houder van een vergunning te betalen
redelijke vergoeding bedoeld in het derde lid.
Artikel 95ca [Treedt in werking per 01-04-2013]
1. Een leverancier schakelt een meetbedrijf in voor het collecteren,
valideren en vaststellen van de meetgegevens die betrekking hebben op
afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid worden de meetgegevens die betrekking
hebben op:
a. een rechtspersoon of een natuurlijke persoon die handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, en
b. behalve één of meer aansluitingen met een doorlaatwaarde kleiner
dan of gelijk aan 3 * 80 A ten minste één aansluiting heeft met een
doorlaatwaarde groter dan 3 * 80 A, gecollecteerd, gevalideerd en
vastgesteld door het meetbedrijf dat die rechtspersoon of natuurlijke
persoon daartoe inschakelt.
3. Indien een leverancier voor de levering van elektriciteit aan
afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, factureert op basis van
meetgegevens, maakt hij gebruik van meetgegevens die het meetbedrijf
heeft gecollecteerd, gevalideerd en vastgesteld.
4. Een meetbedrijf verstrekt slechts meetgegevens aan anderen dan de
betrokken afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, of de
betrokken leverancier indien die ander de desbetreffende meetgegevens op
basis van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens mag
verwerken.
Artikel 95cb [Treedt in werking per 01-04-2013]
1. Een leverancier heeft ten aanzien van een afnemer als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, tot taak de door deze afnemer verschuldigde
bedragen voor de uitvoering van de bij of krachtens deze wet aan de
netbeheerder opgedragen taken te factureren en innen. De leverancier
brengt hiervoor geen kosten in rekening aan de netbeheerder.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedragen die zijn gebaseerd
op tarieven met een eenmalig karakter.
3. De betaling door een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid,
aan een leverancier van de overeenkomstig het eerste en tweede lid
gefactureerde bedragen geldt als bevrijdende betaling.
4. Rechtsvorderingen tot betaling van de door de leverancier
overeenkomstig het eerste en tweede lid gefactureerde bedragen alsmede
van de overeenkomstig artikel 16b, tweede lid, gefactureerde tarieven,
verjaren door verloop van twee jaren. Indien de leverancier de factuur,
bedoeld in het eerste lid, niet binnen twee jaar na het moment dat de
betreffende dienst door de netbeheerder aan de afnemer is geleverd, aan
de afnemer heeft gezonden, vervalt het recht om voor de betreffende
dienst bij de afnemer te factureren.
5. Een leverancier draagt per periode de overeenkomstig het eerste lid
gefactureerde of te factureren bedragen af aan de desbetreffende
netbeheerder.
6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de omvang en
het moment van de afdracht, bedoeld in het vijfde lid, ten behoeve van
een gelijkmatige afdracht aan de netbeheerders.
Artikel 95d
1.Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning indien de aanvrager
genoegzaam aantoont dat hij:
a. beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en
technische kwaliteiten voor een goede uitvoering van zijn taak;
b. redelijkerwijs in staat kan worden geacht de verplichtingen als
opgenomen in dit hoofdstuk na te komen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de inhoud van en de procedure voor aanvraag van een
vergunning en de criteria, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 95e
1.Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
vergunning.
2.Onze Minister kan de aan een vergunning verbonden voorschriften of
beperkingen wijzigen.
3.Een vergunning kan slechts worden overgedragen aan een andere houder
van een vergunning met toestemming van Onze Minister.
4.Artikel 95c is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
verlenen van toestemming als bedoeld in het derde lid.
Artikel 95f
1.Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien:
a. de houder van de vergunning dit verzoekt;
b. de houder van de vergunning in onvoldoende mate voldoet aan de
verplichting, bedoeld in artikel 95b;
c. de houder van de vergunning de in de vergunning opgenomen
voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;
d. de houder van de vergunning bij de aanvraag onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige
gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;
e. de houder van de vergunning naar het oordeel van Onze Minister om
andere redenen niet langer in staat moet worden geacht de vergunde
activiteit of in de vergunning opgenomen voorschriften na te komen;
f. de houder van de vergunning de voorschriften bij of krachtens de
artikelen 95k en 95l niet nakomt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de tijdelijke voorzieningen en de procedure bij
intrekking van een vergunning.
Artikel 95g [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 95h [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 95i [Vervallen per 01-07-2011]
§ 1b. Stroometikettering
Artikel 95j
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. opwekkingsgegevens:
1º. het aandeel van elke energiebron in de totale brandstofmix die de
leverancier in het voorafgaande jaar heeft gebruikt, en
2°. de milieugevolgen, in termen van uitstoot van koolstofdioxide en
van radioactief afval, als gevolg van elektriciteitsproductie met
verschillende energiebronnen veroorzaakt door de totale brandstofmix die
de leverancier in het voorafgaande jaar heeft gebruikt;
3°. verwijzingen naar beschikbare referentiebronnen, waar voor een
ieder toegankelijke informatie beschikbaar is over de milieugevolgen, in
termen van uitstoot van koolstofdioxide en van radioactief afval, als
gevolg van elektriciteitsproductie met verschillende energiebronnen
veroorzaakt door de totale brandstofmix die de leverancier in het
voorafgaande jaar heeft gebruikt;
b. eindafnemers: afnemers aan wie uitsluitend voor eigen verbruik
elektriciteit wordt geleverd.
Artikel 95k
1. De leverancier meldt:
a. uiterlijk in de periode vanaf 1 mei van elk kalenderjaar tot 1 mei
van het daaropvolgende jaar de opwekkingsgegevens van de door hem in het
kalenderjaar voorafgaand aan die periode aan zijn eindafnemers geleverde
elektriciteit op of bij de rekening en in het promotiemateriaal of
b. op of bij de rekening, de opwekkingsgegevens van de door hem in de
periode waarop die rekening betrekking heeft aan zijn eindafnemers
geleverde elektriciteit en
c. elk kalenderjaar de opwekkingsgegevens van de door hem in het
voorgaande kalenderjaar aan zijn eindafnemers geleverde elektriciteit op
zijn website voor eindafnemers.
2. Een producent of een handelaar meldt uiterlijk twee maanden na 1
januari van elk kalenderjaar, aan de leverancier de opwekkingsgegevens
van de in het voorgaande kalenderjaar door hem geproduceerde of
verhandelde elektriciteit.
3. De betrouwbaarheid van de opwekkingsgegevens van de elektriciteit
waarvoor certificaten, garanties van oorsprong voor duurzame
elektriciteit of garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in
een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling worden
verstrekt, wordt door middel van die certificaten, garanties van
oorsprong voor duurzame elektriciteit of garanties van oorsprong voor
elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling gewaarborgd.
4. Indien de producent, handelaar of leverancier onderdeel uitmaakt van
een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, worden tevens de opwekkingsgegevens van de groep als geheel
vermeld op of bij de rekening aan de eindafnemer, alsmede op aan de
eindafnemer geadresseerd promotiemateriaal.
5. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot:
a. de opwekkingsgegevens die de leverancier vermeldt op of bij de
rekening aan de eindafnemer, en de wijze waarop deze gegevens worden
weergegeven;
b. de wijze waarop de opwekkingsgegevens door de producent, handelaar en
leverancier onderling worden doorgegeven;
c. de wijze waarop de opwekkingsgegevens van geïmporteerde en in
Nederland verhandelde of geleverde elektriciteit worden vermeld;
d. de wijze waarop de betrouwbaarheid van de opwekkingsgegevens ten
minste wordt gewaarborgd;
e. de uiterste datum en de wijze waarop de leverancier de
opwekkingsgegevens van de door hem in het voorgaande kalenderjaar aan
zijn eindafnemers geleverde elektriciteit vermeldt op zijn website voor
eindafnemers.
6. Van de verplichtingen in dit artikel kan uitsluitend gemotiveerd
worden afgeweken.
Artikel 95l
1.In dit artikel wordt onder milieugevolgen ten minste verstaan: de
uitstoot van koolstofdioxide en radioactief afval.
2.De leverancier geeft ten minste eenmaal per kalenderjaar aan zijn
eindafnemers een keuze van energiebronnen die hij zal gebruiken, onder
vermelding van de milieugevolgen die te verwachten zijn van
elektriciteitsproductie met die energiebronnen.
3.Eindafnemers maken een keuze uit het aanbod van de leverancier en
maken deze keuze bekend aan de leverancier.
4.Indien een eindafnemer binnen de door de leverancier gestelde termijn
geen keuze maakt, levert de leverancier de door hem gekozen
elektriciteit aan de eindafnemer.
5.Een producent of een handelaar geeft aan een leverancier een keuze van
energiebronnen waaruit hij elektriciteit kan krijgen, onder vermelding
van de milieugevolgen die te verwachten zijn van elektriciteitsproductie
met die energiebronnen.
6.Een producent of handelaar meldt aan de leverancier het aandeel van
elke energiebron waaruit de leverancier elektriciteit heeft gekregen en
de milieugevolgen van de elektriciteitsproductie met die energiebronnen.
7.De leverancier meldt op of bij de rekening aan de eindafnemer het
aandeel van elke energiebron die de leverancier heeft gebruikt voor
levering aan die afnemer en de milieugevolgen van de
elektriciteitsproductie met die energiebronnen.
8.Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze
waarop:
a. de betrouwbaarheid van de informatie van een producent of handelaar
aan de leverancier ten minste wordt gewaarborgd;
b. de betrouwbaarheid van de informatie van de leverancier aan de
eindafnemer ten minste wordt gewaarborgd.
9.Dit artikel treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, dan wel
op een eerder, bij koninklijk besluit te bepalen datum.
§ 1ba. Meetinrichtingeisen, facturering en informatieverstrekking
Artikel 95la
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de eisen waaraan een meetinrichting, die moet voldoen aan dit
artikel, ten minste voldoet, welke eisen kunnen verschillen per
categorie afnemers.
2. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur stelt
ten minste eisen betreffende de functionaliteiten van de meetinrichting.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
wordt gesteld over meetinrichtingen, waaronder in elk geval regels over
de installatie van meetinrichtingen en regels over de administratie in
verband met het vervangen, installeren of verwijderen van
meetinrichtingen.
4. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van
Economische Zaken te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 95lb
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over:
a. de inrichting van facturen inzake het verbruik van elektriciteit,
b. de frequentie van facturen inzake het verbruik van elektriciteit,
c. het verstrekken van gegevens over het verbruik van elektriciteit en
d. degenen die de informatie, bedoeld in de onderdelen a, b en c,
verstrekken, welke regels kunnen verschillen per categorie van
ontvangers van de informatie, bedoeld in de onderdelen a, b en c.
Artikel 95lc
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de informatie die netbeheerders, leveranciers of handelaren
verstrekken in contracten, rekeningen of ontvangstbewijzen, welke regels
per categorie afnemers kunnen verschillen.
Artikel 95ld
[Vervallen]
§ 1c. Consumentenbescherming
Artikel 95m
1.De voorwaarden, verbonden aan een leverings- of transportovereenkomst
met een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, zijn
transparant, eerlijk en vooraf bekend. De voorwaarden worden in ieder
geval voor het sluiten van de overeenkomst verstrekt en zijn gesteld in
duidelijke en begrijpelijke taal.
2.Leveranciers en netbeheerders zorgen ervoor dat afnemers als bedoeld
inartikel 95a, eerste lid, te allen tijde transparante informatie kunnen
verkrijgen over de geldende tarieven en voorwaarden voor levering en
transport van elektriciteit.
3.Het is verboden voor de houder van een vergunning om op zodanige wijze
afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, te benaderen dat
onduidelijkheid bestaat over het feit dat een contract is afgesloten, de
duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en beëindiging
van het contract, het bestaan van een recht op opzegging en de
voorwaarden van opzegging.
4.Een contract, gesloten in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit
artikel is vernietigbaar.
5.Een leverancier biedt een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste
lid, ten minste een overeenkomst voor de levering van elektriciteit voor
een onbepaalde duur aan.
6.Indien de afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, geen
uitdrukkelijke keuze maakt voor een overeenkomst voor bepaalde duur,
wordt hij geacht gekozen te hebben voor een overeenkomst voor onbepaalde
duur.
7.Een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, kan elke
overeenkomst tot levering van elektriciteit beëindigen met inachtneming
van een termijn van dertig dagen.
8.Indien sprake is van een overeenkomst voor bepaalde duur, kan de
leverancier in deze overeenkomst opnemen dat bij tussentijdse
beëindiging van de overeenkomst de afnemer een redelijke vergoeding is
verschuldigd. Indien sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde
duur, kan een dergelijke vergoeding niet in de overeenkomst worden
opgenomen.
9.Bij ministeriële regeling worden ter implementatie van de richtlijn
nadere regels gesteld over bescherming van afnemers als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid.
Artikel 95n
1.Van de artikelen 95b en 95m, tweede, derde en achtste tot en met
twaalfde lid, kan worden afgeweken indien er sprake is van een
overeenkomst tot levering van elektriciteit aan een groep afnemers,
waarbij:
a. de meerderheid van deze afnemers rechtspersoon is of handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf;
b. alle afnemers in de overeenkomst vertegenwoordigd worden, en
c. deze vertegenwoordiger er zorg voor draagt dat hij ten aanzien van
alle aansluitingen met een doorlaatwaarde van ten hoogste 3 * 80 A over
toestemming tot vertegenwoordiging in het kader van de overeenkomst
beschikt.
Artikel 95na
1. Leveranciers zijn verplicht om aan afnemers als bedoeld in artikel
95a, eerste lid, naast eventuele andere vrije contractvormen, levering
volgens een modelcontract aan te bieden.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt het
modelcontract vast, na consultatie van organisaties van leveranciers,
netbeheerders en afnemers.
Artikel 95o
1. De leverancier voorziet in een transparante, eenvoudige en goedkope
procedure voor de behandeling van klachten van afnemers als bedoeld in
artikel 95a, eerste lid, over de levering.
2. De in het eerste lid bedoelde procedure voorziet er voorts in dat:
a. de behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij
de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest,
b. de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis wordt gesteld van de
bevindingen naar aanleiding van de klacht en van de conclusies die
daaraan worden verbonden en
c. de klacht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht weken wordt
afgehandeld.
3. Indien een leverancier van een afnemer als bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, een klacht of vraag ontvangt over het netbeheer, zendt de
leverancier deze onverwijld door naar de netbeheerder op wie de klacht
of vraag betrekking heeft, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de
klager of de vrager.
§ 2
Artikel 96 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 97 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 99 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 100 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 101 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 102 [Vervallen per 01-01-2001]
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 103
1. [Wijzigt de Elektriciteitswet 1989]
2. De Elektriciteitswet 1989 wordt ingetrokken.
Artikel 104
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Artikel 89 treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip en werkt terug tot en met 1 januari 1998.
3. Paragraaf 8.1a treedt in werking met ingang van de datum waarop
hoofdstuk 4 vervalt, dan wel op een eerder, bij koninklijk besluit te
bepalen datum.
Artikel 105
Deze wet wordt aangehaald als: Elektriciteitswet met vermelding van het
jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 juli 1998
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
G.J. Wijers
Uitgegeven de zestiende juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|