| |
|
|
|
|
vorige
EMBRYOWET
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 20 juni 2002, houdende regels
inzake handelingen met geslachtscellen en embryo's (Embryowet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het uit een oogpunt van
respect voor menselijk leven wenselijk is bepaalde handelingen met
menselijke geslachtscellen en embryo's te verbieden, te regelen onder
welke voorwaarden andere handelingen met menselijke geslachtscellen en
embryo's ter verbetering van de medische zorg toelaatbaar zijn en
regelen te stellen met betrekking tot de zeggenschap over
geslachtscellen en embryo's;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. geslachtscellen: menselijke zaad- en eicellen;
c. embryo: cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen
uit te groeien tot een mens;
d. foetus: embryo in het menselijk lichaam;
e. centrale commissie: de commissie, bedoeld in artikel 14 van de
Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
f. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht: degene die
de opdracht heeft gegeven voor de organisatie of uitvoering van een
wetenschappelijk onderzoek;
g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert: degene die
belast is met de feitelijke uitvoering van het onderzoek. Indien de
feitelijke uitvoering geschiedt door een werknemer of een andere
hulppersoon, wordt degene die van deze persoon gebruik maakt
aangemerkt als degene die het onderzoek uitvoert.
Artikel 2
1.Het bestuur van een instelling waar buiten het menselijk lichaam
embryo's tot stand worden gebracht of anderszins handelingen met
embryo's worden verricht, stelt na advies van de commissie die
ingevolge de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen is
belast met het beoordelen van onderzoeksvoorstellen voor
medisch-wetenschappelijk onderzoek in de instelling, een protocol vast
betreffende handelingen met geslachtscellen en embryo's. Wijzigingen
en aanvullingen van het protocol behoeven eveneens voorafgaand advies
van bedoelde commissie.
2.In het protocol worden, voor zover in de instelling van
toepassing, met inachtneming van de artikelen 5 tot en met 9 regels
gesteld betreffende de zeggenschap over geslachtscellen en embryo's,
het tot stand brengen van embryo's buiten het menselijk lichaam, het
tot stand brengen van een zwangerschap met die embryo's en het gebruik
van geslachtscellen en embryo's voor andere doeleinden.
3.Het protocol bevat in ieder geval regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop de ovulatiestimulatie plaatsvindt;
b. de wijze waarop geslachtscellen worden verkregen;
c. de werkwijze bij de bevruchting en bij de ontwikkeling en
implantatie van de embryo's;
d. de wijze waarop geslachtscellen en embryo's worden bewaard
en waarop de herkomst en de bewaring worden vastgelegd in de
administratie van de instelling;
e. de termijn gedurende welke geslachtscellen en embryo's
worden bewaard en de gang van zaken daarna;
f. de werkwijze betreffende het ter beschikking stellen van
geslachtscellen en embryo's voor andere doeleinden en gebruik na
overlijden.
4.Het protocol, evenals de wijzigingen daarvan, wordt tezamen met
het in het eerste lid bedoelde advies ter kennis gebracht van de
centrale commissie en Onze Minister, evenals voornemens tot het
verrichten in de instelling van handelingen met geslachtscellen en
embryo's die zullen leiden tot wijziging of aanvulling van het
protocol.
Artikel 3
1.Wetenschappelijk onderzoek met embryo's, daaronder begrepen
wetenschappelijk onderzoek met geslachtscellen waarbij embryo's tot
stand worden gebracht, wordt verricht overeenkomstig een daartoe
opgesteld onderzoeksprotocol dat een volledige beschrijving van het
voorgenomen onderzoek bevat.
2.Het onderzoek is slechts toegestaan, indien over het
onderzoeksprotocol een positief oordeel is verkregen van de centrale
commissie.
Artikel 4
1.De centrale commissie brengt jaarlijks aan Onze Minister verslag
uit over de toepassing van deze wet, waarbij met name aandacht wordt
besteed aan nieuwe ontwikkelingen betreffende handelingen met
geslachtscellen en embryo's.
2.Onze Minister zendt dit verslag aan de beide kamers der
Staten-Generaal en geeft daarbij zijn opvatting over de door de
centrale commissie gesignaleerde nieuwe ontwikkelingen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de wijze waarop Onze Minister de in het tweede lid bedoelde
opvatting voorbereidt.
Paragraaf 2. Regels betreffende de zeggenschap over geslachtscellen
en embryo's
Artikel 5
1.Meerderjarigen die in staat zijn tot een redelijke waardering van
hun belangen ter zake, kunnen anders dan ten behoeve van eigen
geneeskundig gebruik en onverminderd artikel 9, hun geslachtscellen
ter beschikking stellen ten behoeve van de zwangerschap van een ander
of ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek.
2.De terbeschikkingstelling kan slechts schriftelijk en om niet
worden gedaan en niet dan nadat een persoon als bedoeld in het eerste
lid, door de zorg van degene die de geslachtscellen bewaart, is
ingelicht over de aard en het doel ervan. De betrokkene kan voor zover
de geslachtscellen nog niet zijn gebruikt, de terbeschikkingstelling
te allen tijde, zonder opgaaf van redenen, herroepen.
3.Indien voor het verkrijgen van geslachtscellen een invasieve
ingreep bij de betrokkene noodzakelijk is, wordt deze door degene die
de ingreep verricht, tevens ingelicht over de risico's en bezwaren
daarvan. In dat geval is mede de toestemming vereist van de in artikel
2, eerste lid, bedoelde commissie die beoordeelt of het met de
terbeschikkingstelling te dienen belang in evenredige verhouding staat
tot de risico's en bezwaren van de ingreep, mede gelet op de
omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. Voor zoveel nodig is
artikel 5 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in
dat geval niet van toepassing.
4.De in het tweede lid bedoelde inlichtingen omvatten in ieder
geval de informatie, bedoeld in de bijlage bij richtlijn 2004/23/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot
vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren,
verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke
weefsels en cellen (PbEU L 102).
5.Een wijziging van de in het vierde lid genoemde richtlijn gaat
voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 6
1.De inlichtingen worden op zodanige wijze verstrekt dat
redelijkerwijs zeker is dat de betrokkene deze naar haar inhoud heeft
begrepen, en in het geval bedoeld in artikel 5, derde lid, bovendien
schriftelijk. De betrokkene krijgt een zodanige bedenktijd dat hij op
grond van de gegeven inlichtingen een zorgvuldig overwogen beslissing
over de terbeschikkingstelling kan nemen.
2.Bij de terbeschikkingstelling wordt vastgelegd voor welke
doeleinden de geslachtscellen mogen worden gebruikt en gedurende welke
termijn zij daarvoor zullen worden bewaard. Degene die de
geslachtscellen bewaart en degene die ze ter beschikking heeft gesteld
kunnen gezamenlijk de doeleinden wijzigen en de termijn verlengen.
3.Bij de terbeschikkingstelling kan de betrokkene te kennen geven
dat slechts wetenschappelijk onderzoek met de desbetreffende
geslachtscellen mag worden verricht nadat hij is ingelicht over het
doel van het onderzoek en daar uitdrukkelijk toestemming voor heeft
gegeven.
4.Indien geslachtscellen ter beschikking worden gesteld ten behoeve
van de zwangerschap van een ander, wordt de betrokkene in de
gelegenheid gesteld te bepalen dat voor gebruik van met zijn
geslachtscellen tot stand gebrachte embryo's voor andere doeleinden
mede zijn toestemming is vereist.
Artikel 7
De geslachtscellen worden in ieder geval vernietigd indien zij niet
voor andere doeleinden ter beschikking worden gesteld, na het
verstrijken van de termijn waarvoor zij ter beschikking zijn gesteld, en
na herroeping van de terbeschikkingstelling. De geslachtscellen worden
voorts vernietigd nadat bij degene die ze bewaart, bekend is geworden
dat de betrokkene is overleden, tenzij deze uitdrukkelijk schriftelijk
toestemming heeft gegeven voor gebruik na zijn overlijden.
Artikel 8
1.Meerderjarigen die in staat zijn tot een redelijke waardering van
hun belangen ter zake, kunnen embryo's die ten behoeve van de eigen
zwangerschap buiten het lichaam tot stand zijn gebracht, maar niet
meer daarvoor zullen worden gebruikt, ter beschikking stellen ten
behoeve van:
a. de zwangerschap van een ander;
b. het in kweek brengen van embryonale cellen voor
geneeskundige doeleinden, medisch- en biologisch-wetenschappelijk
onderzoek en medisch- en biologisch-wetenschappelijk onderwijs;
c. het verrichten van ingevolge deze wet toelaatbaar
wetenschappelijk onderzoek met die embryo's.
2.De terbeschikkingstelling kan slechts schriftelijk en om niet
worden gedaan en niet dan nadat de betrokkenen, waaronder begrepen
degene wiens toestemming is vereist op grond van artikel 6, vierde
lid, door de zorg van degene die de embryo's bewaart, zijn ingelicht
over de aard en het doel ervan. Bij verschil van mening tussen de
betrokkenen vindt de terbeschikkingstelling niet plaats. Ieder van de
betrokkenen kan, voor zover de embryo's nog niet zijn gebruikt, de
terbeschikkingstelling te allen tijde, zonder opgaaf van redenen,
herroepen.
3.De artikelen 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Meerderjarigen die in staat zijn tot een redelijke waardering van
hun belangen ter zake, kunnen hun geslachtscellen ter beschikking
stellen voor het speciaal tot stand brengen van embryo's ten behoeve
van:
a. het in kweek brengen van embryonale cellen met het oog op
transplantaties bij de mens die niet dan met gebruikmaking van
cellen van speciaal tot stand gebrachte embryo's kunnen worden
verricht;
b. het verrichten van ingevolge deze wet toelaatbaar
wetenschappelijk onderzoek met die embryo's.
2.De artikelen 5, tweede en derde lid, 6 en 7 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3. Regels betreffende wetenschappelijk onderzoek met
embryo's buiten het menselijk lichaam waarmee geen zwangerschap tot
stand wordt gebracht
Artikel 10
De centrale commissie geeft slechts een positief oordeel over een
onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met embryo's
waarmee geen zwangerschap tot stand wordt gebracht, indien:
a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het onderzoek zal leiden tot
de vaststelling van nieuwe inzichten op het terrein van de medische
wetenschap;
b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld
onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk
onderzoek kan plaatsvinden dan onderzoek met de desbetreffende
embryo's of door onderzoek van minder ingrijpende aard;
c. het onderzoek voldoet aan de eisen van een juiste methodologie
van wetenschappelijk onderzoek;
d. het onderzoek wordt uitgevoerd door of onder leiding van
personen die deskundig zijn op het desbetreffende gebied van
wetenschappelijk onderzoek;
e. het onderzoek ook overigens voldoet aan redelijkerwijs daaraan
te stellen eisen.
Artikel 11 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met embryo's
die speciaal daarvoor tot stand worden gebracht. Dit verbod is niet van
toepassing op wetenschappelijk onderzoek waarvan redelijkerwijs
aannemelijk is dat het zal leiden tot de vaststelling van nieuwe
inzichten op het terrein van onvruchtbaarheid, het terrein van
kunstmatige voortplantingstechnieken, het terrein van erfelijke of
aangeboren aandoeningen of het terrein van de transplantatiegeneeskunde
en dat niet dan met gebruikmaking van in de eerste volzin bedoelde
embryo's kan worden verricht.
Artikel 12
1.Het is verboden wetenschappelijk onderzoek met embryo's te
verrichten zonder dat deze embryo's of de geslachtscellen waaruit zij
tot stand worden gebracht, daarvoor ter beschikking zijn gesteld en
zonodig toepassing of overeenkomstige toepassing is gegeven aan het
derde en vierde lid van artikel 6.
2.Indien toepassing of overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan
het derde lid van artikel 6, zijn het tweede lid van artikel 5 en het
eerste lid van artikel 6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht draagt zorg voor
de naleving van artikel 3.
Artikel 14
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt er zorg
voor dat de persoonlijke levenssfeer van degenen van wie de
geslachtscellen afkomstig zijn en van degenen die het embryo ter
beschikking hebben gesteld, zoveel mogelijk wordt beschermd.
Artikel 15
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt er zorg
voor dat, alvorens de uitvoering van het onderzoek een aanvang neemt,
degenen wier beroepsmatige medewerking nodig is bij de uitvoering van
het onderzoek over de aard en het doel van het onderzoek zijn ingelicht.
Paragraaf 4. Regels betreffende wetenschappelijk onderzoek met
embryo's buiten het menselijk lichaam waarmee wordt beoogd een
zwangerschap tot stand te brengen
Artikel 16
De centrale commissie geeft slechts een positief oordeel over een
onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met embryo's
buiten het menselijk lichaam waarmee wordt beoogd een zwangerschap tot
stand te brengen, indien:
a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het onderzoek zal leiden tot
de vaststelling van nieuwe inzichten inzake onderzoeks- of
behandelingsmethoden, gericht op het tot stand brengen van
zwangerschap en de geboorte van een gezond kind;
b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld
onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk
onderzoek kan plaatsvinden dan onderzoek met embryo's waarmee wordt
beoogd een zwangerschap tot stand te brengen, of door onderzoek van
minder ingrijpende aard;
c. redelijkerwijs aannemelijk is dat het met het onderzoek te
dienen belang in evenredige verhouding staat tot de bezwaren en
risico's voor het toekomstige kind en de vrouw en
d. is voldaan aan de eisen, bedoeld in de onderdelen c, d en e
van artikel 10.
Artikel 17
1.Het is verboden wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel
16 te verrichten zonder schriftelijke toestemming van de vrouw en haar
echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel. Toestemming
kan slechts worden verleend door meerderjarigen die in staat zijn tot
een redelijke waardering van hun belangen ter zake.
2.Alvorens toestemming wordt gevraagd, draagt degene die het
wetenschappelijk onderzoek uitvoert er zorg voor dat degenen van wie
toestemming is vereist, schriftelijk worden ingelicht over het doel en
de aard van het onderzoek, het bepaalde in de derde volzin van het
derde lid en het vijfde lid van dit artikel en het bepaalde in artikel
14.
3.De inlichtingen worden op zodanige wijze verstrekt dat
redelijkerwijs zeker is dat degenen van wie toestemming is vereist,
deze naar hun inhoud hebben begrepen. De verstrekte inlichtingen
worden desgevraagd aangevuld. Degenen van wie toestemming is vereist,
krijgen een zodanige bedenktijd dat zij op grond van deze inlichtingen
een zorgvuldig overwogen beslissing omtrent de gevraagde toestemming
kunnen geven.
4.De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan dit artikel wordt
vastgelegd in het onderzoeksprotocol.
5.Degene die toestemming heeft gegeven, kan deze te allen tijde,
zonder opgaaf van redenen, intrekken. Hij is ter zake van de
intrekking geen schadevergoeding verschuldigd.
Artikel 18
De artikelen 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op
wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
Paragraaf 5. Regels betreffende wetenschappelijk onderzoek met
foetussen
Artikel 19
De centrale commissie geeft slechts een positief oordeel over een
onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met foetussen,
indien:
a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het onderzoek zal leiden tot
de vaststelling van nieuwe inzichten op het gebied van de
geneeskunst betreffende ongeboren en pasgeboren kinderen of omtrent
de voltooiing van zwangerschappen;
b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de doelstelling, bedoeld
onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk
onderzoek kan worden bereikt dan onderzoek met foetussen of door
onderzoek van minder ingrijpende aard;
c. redelijkerwijs aannemelijk is dat het met het onderzoek te
dienen belang in evenredige verhouding staat tot de bezwaren en
risico's voor de desbetreffende foetus en de zwangere vrouw en
d. is voldaan aan de eisen, bedoeld in de onderdelen c, d en e
van artikel 10.
Artikel 20
Wetenschappelijk onderzoek met een foetus is slechts toegestaan
indien het kan bijdragen aan de diagnostiek, de voorkoming of de
behandeling van ernstige aandoeningen bij de desbetreffende foetus en
dat niet kan worden uitgesteld tot na de geboorte.
Artikel 21
1.Het is verboden wetenschappelijk onderzoek met een foetus te
verrichten zonder schriftelijke toestemming van de zwangere vrouw.
Indien zij minderjarig is en de leeftijd van zestien jaar nog niet
heeft bereikt, is mede schriftelijke toestemming vereist van degenen
die het gezag over haar uitoefenen.
2.Indien de zwangere vrouw niet in staat is tot een redelijke
waardering van haar belangen ter zake, kan de toestemming worden
gegeven door degenen die het gezag over haar uitoefenen dan wel,
indien zij meerderjarig is, door haar wettelijke vertegenwoordiger of,
indien deze ontbreekt, door haar echtgenoot, geregistreerde partner of
andere levensgezel.
3.Alvorens toestemming wordt gevraagd, draagt degene die het
wetenschappelijk onderzoek uitvoert er zorg voor dat de personen van
wie toestemming is vereist, schriftelijk worden ingelicht over:
a. het doel, de aard en de duur van het onderzoek;
b. de risico's die het onderzoek voor de gezondheid van de
zwangere vrouw en de foetus met zich kan brengen;
c. de risico's die het tussentijds beëindigen van het
onderzoek voor de gezondheid van de zwangere vrouw en de foetus
met zich kan brengen en
d. de bezwaren die het onderzoek voor de zwangere vrouw en de
foetus met zich kan brengen.
4.Het derde en vierde lid van artikel 17 zijn van overeenkomstige
toepassing.
5.De zwangere vrouw dan wel, indien deze ingevolge dit artikel niet
bevoegd is tot het geven van toestemming, degene die daartoe in haar
plaats bevoegd is, kan de toestemming te allen tijde, zonder opgaaf
van redenen, intrekken. Zij is ter zake van de intrekking geen
schadevergoeding verschuldigd.
Artikel 22
1.Indien het wetenschappelijk onderzoek een verloop neemt dat in
noemenswaardige mate voor de zwangere vrouw of de foetus ongunstiger
is dan in het onderzoeksprotocol is voorzien, doet degene die het
onderzoek uitvoert, daarvan terstond mededeling aan degene die
toestemming heeft gegeven, en aan de centrale commissie met een
verzoek om een nader oordeel. Tot het tijdstip waarop een nader
oordeel wordt gegeven, wordt de uitvoering van het onderzoek
opgeschort, tenzij de gezondheid van de zwangere vrouw of van de
foetus opschorting niet onmiddellijk toelaat.
2.Indien het nader oordeel negatief is, wordt de uitvoering van het
onderzoek beëindigd, tenzij de gezondheid van de zwangere vrouw of
van de foetus beëindiging niet onmiddellijk toelaat.
3.Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, doet onder
opgave van de redenen aan de centrale commissie eveneens mededeling
van de voortijdige beëindiging van een onderzoek.
Artikel 23
De artikelen 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op
wetenschappelijk onderzoek met foetussen.
Paragraaf 6. Verboden handelingen met geslachtscellen en embryo's
Artikel 24
Het is verboden:
a. een embryo speciaal tot stand te brengen en speciaal tot stand
gebrachte embryo's te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en
andere doeleinden dan het tot stand brengen van een zwangerschap;
b. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;] ;
c. geslachtscellen en andere embryo's dan bedoeld in onderdeel b
te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor zij ingevolge deze
wet ter beschikking mogen worden gesteld;
d. geslachtscellen en embryo's te gebruiken voor ingevolge deze
wet toegelaten doeleinden zonder dat zij daarvoor ter beschikking
zijn gesteld;
e. een embryo buiten het menselijk lichaam zich langer dan
veertien dagen te laten ontwikkelen;
f. handelingen met geslachtscellen of embryo's te verrichten met
het oogmerk van de geboorte van genetisch identieke menselijke
individuen;
g. het genetisch materiaal van de kern van menselijke
kiembaancellen waarmee een zwangerschap tot stand zal worden
gebracht, opzettelijk te wijzigen;
h. uit een embryo in kweek gebrachte cellen te gebruiken voor
andere doeleinden dan waarvoor zij op grond van artikel 8, eerste
lid, onder b, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, onder a, ter
beschikking mogen worden gesteld.
Artikel 25
Het is verboden:
a. een menselijke en een dierlijke geslachtscel samen te brengen
met het oog op het doen ontstaan van een meercellige hybride;
b. een uit menselijke en dierlijke dan wel alleen menselijke
embryonale cellen tot stand gebrachte chimère zich langer dan
veertien dagen te laten ontwikkelen of in te brengen in een mens of
een dier;
c. een embryo in te brengen in een dier;
d. een dierlijk embryo in te brengen in een mens.
Artikel 26
1.Het is verboden handelingen met geslachtscellen of embryo's te
verrichten met het oogmerk het geslacht van een toekomstig kind te
kunnen kiezen.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien naar wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht het risico
bestaat voor een ernstige geslachtsgebonden erfelijke aandoening bij
het kind en de handelingen plaatsvinden ter voorkoming daarvan.
3.Het is verboden diensten aan te bieden bestaande uit handelingen,
verboden in dit artikel.
Artikel 27
Het is verboden voor de verstrekking aan anderen van geslachtscellen
en embryo's die op grond van de artikelen 5, 8 en 9 van deze wet ter
beschikking zijn gesteld, een vergoeding te vragen die meer bedraagt dan
de kosten die een rechtstreeks gevolg zijn van de handelingen die met de
geslachtscellen of embryo's zijn verricht.
Paragraaf 7. Strafbepalingen
Artikel 28
1.Met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft degene die al dan niet opzettelijk
handelt in strijd met een verbod, vervat in de artikelen 12, 17,
eerste lid, 21, eerste lid, 24, 25, 26 of 27.
2.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met de
artikelen 2, 3, 5, 8, 14, 15, 20 of 22.
3.De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven;
de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Paragraaf 8. Slotbepalingen
Artikel 29
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het staatstoezicht op de
volksgezondheid.
2.De in het eerste lid bedoelde personen beschikken niet over de
bevoegdheden genoemd in artikel 5:19 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 30
[Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen]
Artikel 31
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 32
Onze Minister zendt iedere vijf jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 33
1.Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld met dien verstande dat de
artikelen 9, 11 en 24, onderdeel b, in werking treden op het in het
tweede lid bedoelde tijdstip.
2.Onderdeel a van artikel 24 vervalt op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip. De voordracht voor dit besluit wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp van het besluit is overgelegd
aan beide kamers der Staten-Generaal en evenmin indien binnen die
termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen
is gegeven dat het tijdstip waarop onderdeel a van artikel 24 vervalt,
bij wet wordt geregeld.
Artikel 34
Deze wet wordt aangehaald als: Embryowet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de tweede juli 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|