Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 9 juli 1970, houdende
vaststelling van de Experimentenwet onderwijs
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de ontwikkeling
van het onderwijs wenselijk is een regeling te treffen op grond waarvan
onderwijskundige experimenten kunnen worden gehouden die vallen buiten
de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten en in de Wet op het
voortgezet onderwijs (Stb. 1967, 387) de mogelijkheden te
verruimen tot afwijking wegens de bijzondere inrichting van het
onderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
"Onze minister": Onze minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
"onderwijswetten": de Wet op het primair onderwijs, de Wet
op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet
primair onderwijs BES, de Wet voortgezet onderwijs BES;
"school": een school of instelling in de zin van een
onderwijswet;
"het bevoegd gezag": voor wat betreft
a. een rijksschool: Onze minister;
b. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en
wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de
raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te
stellen regelen;
c. een bijzondere school: het schoolbestuur;
d. een openbare school in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba: het bestuurscollege van het openbaar lichaam
Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
"leerling": een leerling of student in de zin van een
onderwijswet.
Artikel 2
1. Indien het bevoegd gezag bij wijze van experiment onderwijs
wenst te geven dat valt buiten de kaders van de afzonderlijke
onderwijswetten, kan Onze minister beslissen dat dit onderwijs uit de
openbare kas wordt bekostigd.
2. Onze minister maakt zijn beslissing op een aanvraag als bedoeld
in het eerste lid binnen negen maanden na ontvangst daarvan aan de
aanvrager bekend.
3. Onze minister beslist niet tot de bekostiging, bedoeld in het
eerste lid, indien redelijkerwijs te verwachten is dat daardoor het
leerlingenaantal van scholen van dezelfde richting in het
voedingsgebied zodanig zal dalen dat hun voortbestaan wordt bedreigd.
4. Onze minister draagt er zorg voor dat krachtens dit artikel
genomen beslissingen waar mogelijk in overeenstemming zijn met het
beginsel van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
5. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor
een of meer tijdvakken, te zamen ten hoogste 10 jaren omvattend. Onze
minister kan de termijn van 10 jaren met ten hoogste 5 jaren
verlengen.
6. De bekostiging krachtens het eerste lid kan voor de afloop van
de daarvoor bepaalde termijn, worden beëindigd:
a. op een met redenen omkleed verzoek van het bevoegd gezag;
b. door Onze minister indien niet meer wordt voldaan aan de
regelen en voorwaarden, bedoeld in artikel 4, eerste lid;
c. door Onze minister indien het experiment niet tot de daarmee
beoogde doeleinden blijkt te leiden;
d. indien Onze minister van oordeel is, dat voortzetting van
het experiment niet in het belang van de leerlingen zou zijn.
Artikel 3
1. Indien toepassing van artikel 2, eerste lid, wordt verlangd voor
een gemeentelijke , voor een bijzondere school of voor een openbare
school in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dient
het bevoegd gezag bij Onze minister een verzoek in onder bijvoeging
van een experimenteerplan en een begroting van uitgaven.
2. Het experimenteerplan geeft een duidelijke omschrijving van de
doeleinden en de achtergronden van het experiment, van de werkmethode,
de wetenschappelijke begeleiding, de evaluatie en de rapportering.
Artikel 4
1. Op een school bekostigd ingevolge artikel 2, eerste lid, zijn de
door Onze minister bij zijn beslissing aangewezen regelen en
voorwaarden, gegeven bij of krachtens een der onderwijswetten, van
toepassing. Voor zover niet krachtens de vorige volzin geregeld,
bepaalt Onze minister bij zijn beslissing welke regelen en voorwaarden
voor de bekostiging zullen gelden, alsmede de wijze van bekostiging.
2. Indien de bekostiging van een experiment wordt beëindigd aan
een school die onmiddellijk voorafgaand aan de toepassing van artikel
2, eerste lid, uit de openbare kas werd bekostigd, wordt wederom
vergoeding toegekend volgens dezelfde regelen en voorwaarden als voor
het schooltype gelden, waartoe de school behoorde voor de aanvang van
het experiment.
3. Indien de bekostiging wordt beëindigd van een experiment waarop
het tweede lid niet van toepassing is, zijn voor het uit de openbare
kas bekostigde personeel dat ten gevolge daarvan wordt ontslagen, de
regelingen, geldend bij ontslag van personeel van een vergelijkbare,
in een der onderwijswetten geregelde schoolsoort van overeenkomstige
toepassing. In geval van twijfel welke de vergelijkbare schoolsoort
is, beslist Onze minister.
4. Bij beëindiging van de bekostiging, bedoeld in het derde lid,
is het bevoegd gezag verplicht alle met de van het Rijk ontvangen
gelden aangeschafte zaken aan het Rijk over te dragen volgens door
Onze minister te geven aanwijzingen. Indien naar het oordeel van Onze
minister andere onderwerpen regeling behoeven, bepaalt hij wat te dien
aanzien zal gelden.
Artikel 4a
1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van het personeel van een school, niet zijnde een school voor
voortgezet onderwijs, waarvoor ingevolge artikel 4, eerste lid, de
bekostiging wordt vastgesteld, wordt volgens bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in
aanmerking komende personeelsorganisaties en, voor zover zij daarbij
belang hebben, organisaties van gemeente- school- en eilandsbesturen.
2. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere
rechtstoestand van het personeel van een school, niet zijnde een
school voor voortgezet onderwijs, wordt door of namens het bevoegd
gezag volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels
overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende
personeelsorganisaties.
3. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van het personeel van een school voor voortgezet onderwijs, wordt door
of namens het bevoegd gezag volgens bij algemene maatregel van bestuur
te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking
komende personeelsorganisaties.
4. Het bevoegd gezag en de personeelsorganisaties, bedoeld in het
tweede en derde lid, kunnen gezamenlijk besluiten dat het overleg over
de in dat lid bedoelde aangelegenheden, voor zover dit betrekking
heeft op een of meer door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen,
wordt gevoerd met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad,
bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen, van de desbetreffende
school of scholen. Het bevoegd gezag en de personeelsorganisaties
bepalen daarbij onder welke voorwaarden dat overleg wordt gevoerd.
5. Indien het overleg, bedoeld in het vierde lid, niet leidt tot
een afronding overeenkomstig de op grond van dat lid vastgestelde
voorwaarden, wordt alsnog over de desbetreffende aangelegenheden het
overleg, bedoeld in het tweede en derde lid, gevoerd. De algemene
maatregel van bestuur bepaalt tevens de gevallen waarin in dat overleg
overeenstemming met de personeelsorganisaties dient te worden bereikt.
6. Dit artikel is tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
Artikel 5
De werking van de beschikking op een verzoek om verlenging van de
bekostigingstermijn, alsmede omtrent beëindiging van de bekostiging op
grond van artikel 2, zesde lid, wordt opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 6
Onze minister bepaalt welke rechten zijn verbonden aan akten,
getuigschriften, diploma’s of verklaringen van een school die op grond
van artikel 2 uit de openbare kas wordt bekostigd.
Artikel 7 [Vervallen per 01-08-1996]
Artikel 7a
1. Ten aanzien van hoger beroepsonderwijs waarop deze wet van
toepassing is op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, blijft het bepaalde bij
of krachtens deze wet van toepassing tot het tijdstip waarop de
bekostiging voor het desbetreffende experiment wordt beëindigd.
2. Indien een experiment een school voor de opleiding van leraren
betreft, wordt aan die school geen nascholing verzorgd onverminderd
artikel XIV, eerste volzin, van de wet van 7 juli 1993 (Stb. 405).
Artikel 7b
Ten aanzien van educatie en beroepsonderwijs waarop deze wet van
toepassing is op de dag voor inwerkingtreding van de desbetreffende
bepalingen van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijft het bepaalde
bij of krachtens deze wet van toepassing tot het tijdstip waarop de
bekostiging voor het desbetreffende experiment wordt beëindigd.
Artikel 7c
1. Indien aan artikel 2, eerste lid, toepassing wordt gegeven voor
een experimentele school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet
speciaal onderwijs dan wel voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, of voor een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, zijn op die school onderscheidenlijk instelling de
bepalingen van de Wet op de expertisecentra van toepassing, voor zover
die betreffen de bekostiging door de gemeente.
2. Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt Onze minister of
de experimentele school of instelling wordt gelijkgesteld met een
schoolsoort als bedoeld in de Wet op de expertisecentra dan wel of
deze door de gemeente als een eigensoortige school voor speciaal
onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een
eigensoortige school of instelling voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs dient te worden beschouwd.
3. Onze minister vergoedt aan het bevoegd gezag van een
experimentele school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal
onderwijs dan wel voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of
een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs de
uitgaven die naar zijn oordeel voor het experiment noodzakelijk zijn.
Artikel 7d
Ten behoeve van leerlingen van een experimentele school voor speciaal
onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs, of een instelling voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs past de gemeente artikel 4 van de Wet op
de expertisecentra toe, alsof het leerlingen zijn van een dergelijke
school of instelling.
Artikel 7e
[Wijzigt deze wet]
Artikel 8
Deze wet kan worden aangehaald als: Experimentenwet onderwijs.
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 10 [Vervallen per 01-08-1988]
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 9 juli 1970
JULIANA
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
Grosheide
De Minister van Landbouw en Visserij,
P.J. Lardinois
Uitgegeven de elfde augustus 1970
De Minister van Justitie a.i.,
H.K.J. Beernink
|