WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
experimenten in het belang van een zuinig en doelmatig ruimtegebruik en
het bereiken van een optimale leefkwaliteit in het stedelijk gebied
mogelijk te maken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
experimenteergebied: een gebied als bedoeld in artikel 2;
milieukwaliteitseis: bij of krachtens de wet vastgestelde eis ten
aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een
beschikking of het nemen van een ander besluit;
toezichthoudend bestuursorgaan: bestuursorgaan dat toezicht als
bedoeld in titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht, uitoefent op
een ander bestuursorgaan.
Artikel 2
1. Deze wet is van toepassing op de gebieden, vermeld in de bij
deze wet behorende bijlage.
2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling andere gebieden
aanwijzen waarop deze wet van toepassing is.
3. Een krachtens het tweede lid vast te stellen ministeriële
regeling treedt niet eerder in werking dan 8 weken na de datum van
uitgifte van de Staatscourant waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 3
1. De gemeenteraad kan ten aanzien van een experimenteergebied
binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet in het belang van
een zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van een optimale
leefkwaliteit in het stedelijke gebied een besluit nemen tot afwijking
van:
a. milieukwaliteitseisen met betrekking tot bodem, geluid, lucht en
externe veiligheid;
b. procedurele bepalingen en bepalingen inzake bevoegdheden,
gesteld bij of krachtens de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, de
Wet bodembescherming, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet
en de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde bevoegdheid geldt niet
met betrekking tot milieukwaliteitseisen, gesteld bij of krachtens de
Luchtvaartwet.
3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geldt niet, voor
zover door de afwijking strijd zou ontstaan met EG-richtlijnen.
Artikel 4
De gemeenteraad maakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 3, eerste
lid, niet eerder gebruik dan nadat hij tot het oordeel is gekomen dat
daarmee, vergeleken met de situatie waarbij de binnen de geldende
regelgeving bestaande mogelijkheden optimaal worden benut, de belangen
genoemd in de aanhef van artikel 3, eerste lid, aanzienlijk beter
gediend zijn.
Artikel 5
1. Op de voorbereiding van een besluit krachtens artikel 3,
eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Het ontwerp van het besluit wordt tevens toegezonden aan
de inspecteur en de daarbij een belang hebbende andere
bestuursorganen. Van het ontwerp wordt mededeling gedaan door
kennisgeving in de Staatscourant. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
2. De gemeenteraad stelt de inspecteur en gedeputeerde staten in
de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit.
3. De gemeenteraad stelt het terzake van de bepaling waarvan
afwijking wordt overwogen bevoegde gezag in de gelegenheid advies uit te
brengen over het ontwerp van het besluit. Het bevoegd gezag betrekt bij
de voorbereiding van zijn advies de bestuursorganen die ingevolge enig
wettelijk voorschrift zijn aangewezen om hem terzake van advies te
dienen.
4. Het derde lid vindt geen toepassing voor zover een orgaan van
de gemeente als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen.
5. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes
maanden na de terinzagelegging van het ontwerp, genomen. De gemeenteraad
kan deze termijn verlengen met een door hem te bepalen redelijke
termijn. De motivering omvat de reden voor de verlenging. Van een
besluit tot verlenging wordt, tegelijkertijd met de bekendmaking ervan,
mededeling gedaan aan de inspecteur, de betrokken andere bestuursorganen
en degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerp
van het besluit.
Artikel 6
Indien de gemeenteraad besluit tot afwijking van
milieukwaliteitseisen, worden de daaruit voortvloeiende nadelige
gevolgen zoveel mogelijk beperkt. Voor zover dit niet mogelijk is,
worden de nadelige gevolgen gecompenseerd op een zodanige wijze dat
daarmee de belangen genoemd in de aanhef van artikel 3, eerste lid,
gediend zijn. Compensatie geschiedt zoveel mogelijk binnen het
betreffende onderdeel van de milieukwaliteit. De compensatie heeft
zoveel mogelijk plaats binnen het experimenteergebied.
Artikel 7
In een besluit krachtens artikel 3, eerste lid, worden aangegeven:
a. het experimenteergebied waarop het besluit betrekking heeft;
b. de bepalingen ten aanzien waarvan tot afwijking is besloten;
c. de eisen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, die
gelden ter vervanging van de milieukwaliteitseisen waarvan wordt
afgeweken;
d. de procedures die worden gevolgd ter vervanging van die
waarvan wordt afgeweken;
e. de wijze waarop wordt voorzien in de bevoegdheden waarvan
wordt afgeweken;
f. de gevolgen die de uitvoering van het besluit met zich brengt
voor de onderscheidene onderdelen en objecten binnen het
experimenteergebied;
g. de wijze waarop de nadelige gevolgen van afwijking van
milieukwaliteitseisen worden beperkt en gecompenseerd;
h. de termijnen waarvoor de afwijkingen gelden.
Artikel 8
De motivering van het besluit bevat in ieder geval een beschrijving
van:
a. de visie van de gemeente op de gewenste leefkwaliteit van het
experimenteergebied, mede in relatie tot het ruimtegebruik en de
leefkwaliteit in het stedelijk gebied waarbinnen het
experimenteergebied is gelegen;
b. de wijze waarop getracht is binnen de geldende regelgeving het
gewenste ruimtegebruik en de gewenste leefkwaliteit te realiseren;
c. de van de geldende milieukwaliteitseisen, procedurele
bepalingen of bepalingen inzake bevoegdheden ondervonden beperkingen
alsmede een uiteenzetting over de meerwaarde die de afwijking
daarvan met zich brengt met het oog op het bereiken van het gewenste
ruimtegebruik en de gewenste leefkwaliteit;
d. de effecten van het besluit op de volksgezondheid en het
milieu en de overwegingen met betrekking tot het beperken en
compenseren van de nadelige gevolgen van afwijking van
milieukwaliteitseisen;
e. de wijze waarop onderzoek zal worden gedaan naar de gevolgen
van de uitvoering van het besluit;
f. de wijze waarop bij de voorbereiding van het besluit
ingezetenen, betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden
zijn betrokken;
g. de naar voren gebrachte zienswijzen en uitgebrachte adviezen
en de overwegingen van de gemeenteraad omtrent de naar voren
gebrachte zienswijzen en uitgebrachte adviezen;
h. de overwegingen die hebben geleid tot de in het besluit
aangegeven termijnen waarvoor de afwijkingen gelden, alsmede de
maatregelen die zullen worden getroffen teneinde die termijnen niet
te overschrijden.
Artikel 9
1. Een krachtens artikel 3, eerste lid, vastgesteld besluit
behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2. De goedkeuring kan worden onthouden indien de aard van de naar
voren gebrachte zienswijzen en uitgebrachte adviezen daartoe naar het
oordeel van Onze Minister aanleiding geeft.
Artikel 10
Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring of
een besluit tot verdaging van de beslissing omtrent goedkeuring heeft
niet tot gevolg dat een besluit tot goedkeuring geacht wordt te zijn
genomen.
Artikel 11
1. Burgemeester en wethouders maken een krachtens artikel 3,
eerste lid, genomen besluit bekend, zodra het is goedgekeurd.
Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling
gedaan door kennisgeving in de Staatscourant. Bij de bekendmaking en
de mededeling wordt door burgemeester en wethouders tevens mededeling
gedaan van het goedkeuringsbesluit.
2. Van de onthouding van goedkeuring wordt door burgemeester en
wethouders zo spoedig mogelijk mededeling gedaan door kennisgeving in de
Staatscourant.
Artikel 12
1. Tegen een besluit krachtens artikel 3, eerste lid, kan een
belanghebbende, in afwijking van artikel 8:2 van de Algemene wet
bestuursrecht, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State.
2. Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de
Algemene wet bestuursrecht worden de goedkeuring en het besluit
krachtens artikel 3, eerste lid, als één besluit aangemerkt.
3. Tegen een besluit tot onthouding van goedkeuring kan
uitsluitend de gemeenteraad beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4. Beroep tegen besluiten ter uitvoering van een besluit als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, is slechts mogelijk, voor zover het
beroep niet is gericht tegen de inhoud van het laatstbedoelde besluit.
Artikel 13
De bestuursorganen die met de uitvoering en handhaving van de in
artikel 3, eerste lid, bedoelde bepalingen zijn belast en de
toezichthoudende bestuursorganen nemen bij de uitoefening van hun taak
ten aanzien van de experimenteergebieden het daarop betrekking hebbende
besluit krachtens artikel 3, eerste lid, in acht.
Artikel 14
1. Burgemeester en wethouders zenden Onze Minister gedurende
een periode van vijf jaar jaarlijks een verslag van de voortgang en de
bevindingen met betrekking tot de uitvoering van een besluit krachtens
artikel 3, eerste lid. Het eerste verslag wordt toegezonden een jaar
nadat Onze Minister het besluit heeft goedgekeurd.
2. Onze Minister zendt binnen twee jaar en binnen zes jaar na
inwerkingtreding van deze wet aan de beide kamers der Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk. In het verslag binnen zes jaar na inwerkingtreding van deze
wet worden in ieder geval de werkingsduur van deze wet en de gevolgen
daarvan in beschouwing genomen.
3. Indien Onze Minister zulks nodig acht, zetten burgemeester en
wethouders ook na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van
vijf jaar, de verslaglegging gedurende een door Onze Minister te bepalen
termijn voort.
Artikel 15
1. De gemeenteraad kan een besluit krachtens artikel 3, eerste
lid, ook na afloop van de in de aanhef van dat artikellid bedoelde
termijn, in die zin wijzigen dat de daarin opgenomen afwijkingen
geheel of gedeeltelijk komen te vervallen.
2. Met betrekking tot een wijzigingsbesluit als bedoeld in het
eerste lid, zijn de artikelen 5, 9, 10, 11 en 12 van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien de uitvoering van een besluit krachtens artikel 3,
eerste lid, onvoorziene en ontoelaatbare effecten blijkt te hebben op de
volksgezondheid of het milieu, neemt de gemeenteraad de noodzakelijke
maatregelen teneinde deze effecten tot een verantwoord niveau terug te
brengen. Met betrekking tot de besluitvorming ten aanzien van deze
maatregelen zijn de in het tweede lid genoemde artikelen van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden
bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 17
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 18
Deze wet wordt aangehaald als: Experimentenwet Stad en Milieu.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 november 1998
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.P. Pronk
Uitgegeven de zeventiende december 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals